Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2010(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0254/2016

Ingediende teksten :

A8-0254/2016

Debatten :

PV 14/09/2016 - 18
CRE 14/09/2016 - 18

Stemmingen :

PV 15/09/2016 - 11.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0357

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 52k
Donderdag 15 september 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Toepassing van de richtlijn postdiensten
P8_TA(2016)0357A8-0254/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de toepassing van de richtlijn postdiensten (2016/2010(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen de Unie,

–  gezien de artikelen 101 en 102 van het VWEU over de mededingingsregels die van toepassing zijn op ondernemingen,

–  gezien artikel 14 van het VWEU,

–  gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU betreffende diensten van algemeen belang,

–  gezien Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst(1), gewijzigd door Richtlijn 2002/39/EG en Richtlijn 2008/6/EG (hierna "de richtlijn postdiensten" genoemd),

–  gezien het besluit van de Commissie van 10 augustus 2010 tot oprichting van de Europese Groep van regelgevende instanties voor postdiensten(2),

–  gezien Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG(4),

–  gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 november 2015 over de toepassing van de richtlijn postdiensten (COM(2015)0568), en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0207),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2013 getiteld "Een stappenplan voor de voltooiing van de interne markt voor pakketbezorging: Vertrouwen scheppen in bezorgdiensten en onlineverkoop stimuleren" (COM(2013)0886),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 29 november 2012 getiteld "Een geïntegreerde markt van pakketbestellingen voor groei van de elektronische handel in de EU" (COM(2012)0698),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 getiteld "Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten" (COM(2011)0942),

–  gezien het witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over een geïntegreerde markt van pakketbestellingen ter bevordering van de groei van de elektronische handel in de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 "Naar een akte voor een digitale interne markt"(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0254/2016),

A.  overwegende dat de postmarkt nog steeds een economische sector is met sterke vooruitzichten op groei en toenemende concurrentie, ook al zijn volgens de database van de Europese Commissie voor statistieken over postdiensten de diensten voor brievenpost tussen 2012 en 2013 in de EU gemiddeld met 4,85 % gekrompen, hetgeen overeenstemt met de afname van het volume van de brievenpost gedurende de voorbije tien jaar, grotendeels te wijten aan de intrede van elektronische alternatieven;

B.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn postdiensten heeft bijgedragen aan de openstelling van binnenlandse markten voor concurrentie op de markten voor brievenpost, maar dat de ontwikkelingen traag zijn verlopen en niet hebben geleid tot de verwezenlijking van de interne markt voor postdiensten, aangezien de sector in de meeste lidstaten nog steeds wordt gedomineerd door de aanbieders van universele diensten;

C.  overwegende dat het gebruik van ICT een voortdurende stimulans vormt voor de postdienstensector door mogelijkheden te bieden voor innovatie en ervoor te zorgen dat de markt kan groeien;

D.  overwegende dat nieuwe concurrenten zich met name hebben gericht op grote zakelijke klanten en dichtbevolkte gebieden;

E.  overwegende dat de markt voor pakketbezorging een uiterst concurrerende, innovatieve en snelgroeiende sector vormt waarin tussen 2008 en 2011 een toename in volume van 33 % werd gerealiseerd, en overwegende dat e-commerce een drijvende kracht is voor marktgroei;

F.  overwegende dat het grootschalige gebruik van systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (drones) nieuwe, snelle, milieuvriendelijke en doeltreffende vormen van pakketbezorging biedt, met name in dunbevolkte, geïsoleerde en afgelegen gebieden;

G.  overwegende dat consumenten en kleine ondernemingen aangeven dat problemen met de bezorging van pakketten, met name de hoge prijzen, hen ervan weerhouden meer te verkopen of aan te kopen in andere lidstaten;

I. Universele diensten: een grotere onafhankelijkheid van de nationale reguleringsinstanties

1.  stelt vast dat de minimale normen in verband met de universeledienstverplichting (poststukken tot 2 kg, postpakketten tot 10-20 kg, aangetekende en verzekerde zendingen en andere diensten van algemeen economisch belang, zoals dagbladen en tijdschriften) – die in de EU met name worden gereguleerd door een essentiële minimale reeks diensten te waarborgen in elk deel van de EU, zonder de lidstaten te verhinderen hogere normen toe te passen – in het algemeen weliswaar voldoen aan de eisen van de klanten, maar dat bepaalde gedetailleerde voorschriften, die niet onder de regelgeving op EU-niveau vallen, terecht worden vastgesteld door de nationale reguleringsinstanties (NRI's) die belast zijn met deze taak;

2.  wijst erop dat de primaire taak van de NRI's bestaat in het behalen van de overkoepelende doelstelling van de richtlijn postdiensten om de duurzame verlening van de universele dienst te waarborgen; verzoekt de lidstaten de rol en de onafhankelijkheid van NRI's te ondersteunen door middel van strenge beroepskwalificatiecriteria voor personeel, met garantie op eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleiding op de werkplek, ambtstermijnen met een vaste duur en juridische bescherming tegen ontslag zonder gegronde reden, met een exhaustieve lijst van redenen die een dergelijk ontslag rechtvaardigen (bijvoorbeeld een ernstige overtreding van de wet), zodat NRI's op onpartijdige, transparante en tijdige wijze aan hun verplichtingen uit hoofde van de richtlijn postdiensten kunnen voldoen;

3.  is van mening dat bij een uitbreiding van de rol van de NRI's in het kader van nieuwe regelgeving op de pakketmarkt aandacht moet worden besteed aan "cherrypicking" in de sector bezorgdiensten en minimumnormen moeten worden vastgesteld voor alle exploitanten om eerlijke en gelijke concurrentie te waarborgen;

4.  is van mening dat verplichtingen op het vlak van onafhankelijkheid alleen maar kunnen worden nagekomen als de regelgevende taken van de NRI's structureel en functioneel worden gescheiden van activiteiten in verband met de eigendomsrechten van of de controle op een exploitant van postdiensten; vindt dat hoge functionarissen van NRI's gedurende minstens zes maanden na hun vertrek niet voor de openbare exploitant van postdiensten of andere belanghebbende partijen mogen gaan werken, om belangenvermenging te voorkomen; is van mening dat de lidstaten daarom wettelijke bepalingen moeten invoeren die het opleggen van sancties mogelijk maken wanneer bovengenoemde verplichting niet wordt nageleefd;

5.  verzoekt de Commissie om de samenwerking en coördinatie tussen NRI's te vergemakkelijken en te verbeteren met het oog op meer efficiëntie en interoperabiliteit op het gebied van grensoverschrijdende postbezorging en om toezicht te houden op de regelgevende activiteiten van NRI's – onder meer inzake het aanbieden van universele diensten – teneinde een uniforme benadering te waarborgen ten aanzien van de toepassing van de Europese wetgeving en de harmonisatie van de postmarkt binnen de EU;

6.  herinnert eraan dat de richtlijn postdiensten de lidstaten de nodige ruimte biedt om in te spelen op specifieke plaatselijke kenmerken en om ervoor te zorgen dat de levering van universele diensten op lange termijn duurzaam blijft, terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan de behoeften van gebruikers en wordt ingespeeld op de veranderingen op technisch, economisch en sociaal gebied;

7.  neemt kennis van de bevestiging van de Commissie dat aanbieders van universele diensten krachtens de richtlijn postdiensten niet verplicht zijn een specifieke eigendomsstructuur te hebben; is van mening dat aanbieders van universele diensten niet mag worden belet te investeren en te innoveren op het vlak van de levering van efficiënte en kwalitatief hoogwaardige postdiensten;

II. Universele dienstverlening handhaven en eerlijke mededinging mogelijk maken: toegang, kwaliteit van de dienstverlening en behoeften van de gebruikers

8.  stelt vast dat we evolueren naar een beperkter toepassingsgebied voor de universeledienstverplichting; spoort aan tot het vergroten van de keuzevrijheid van consumenten, zodat de bezorging van brievenpost een plaats krijgt binnen het aanbod van de universeledienstverplichting; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is dat er hoogstaande en betaalbare universele diensten worden geleverd, waarbij elke burger wekelijks kan beschikken over ten minste vijf dagen voor het bezorgen en vijf dagen voor het ophalen van post; stelt vast dat sommige lidstaten een zekere flexibiliteit toestaan om de duurzaamheid van de universele dienst op de lange termijn te waarborgen, rekening houdend met hun specifieke nationale kenmerken en geografische situaties; wijst erop dat de richtlijn weliswaar enige flexibiliteit toestaat, maar dat deze niet mag worden overtroffen door nationale regelgeving;

9.  herinnert eraan dat de universele dienst moet evolueren volgens de ontwikkelingen op technisch, economisch en sociaal gebied en volgens de behoeften van gebruikers, en dat de richtlijn postdiensten de lidstaten de nodige ruimte biedt om in te spelen op specifieke plaatselijke kenmerken en te zorgen voor de duurzaamheid van universeledienstverlening op de lange termijn;

10.  is van mening dat geografische dekking en toegang tot universele diensten voor pakketbezorging kunnen en moeten worden verbeterd, vooral voor burgers met een handicap, personen met beperkte mobiliteit en mensen in afgelegen gebieden; onderstreept dat het belangrijk is om de ongehinderde toegang tot postdiensten te garanderen en te zorgen voor samenhang tussen de richtlijn postdiensten en de toegankelijkheidswet;

11.  stelt vast dat de daling van het aantal brieven de verlening van universele postdiensten in veel lidstaten in toenemende mate bemoeilijkt; is zich ervan bewust dat veel aangewezen aanbieders van universele diensten de universeledienstverplichting financieren met inkomsten uit andere commerciële activiteiten, zoals financiële diensten of pakketbezorging;

12.  merkt op dat er in een aantal gevallen sprake is van oneerlijke concurrentie in de postsector en verzoekt de verantwoordelijke autoriteit wangedrag te bestraffen;

13.  verzoekt de lidstaten en de Commissie toezicht te houden op de verlening van postdiensten als een openbare dienst om te waarborgen dat de compensatie voor de openbare dienst op evenredige, transparante en eerlijke wijze wordt uitgevoerd;

14.  benadrukt hoe belangrijk het is dat prijzen die onder de universeledienstverplichting vallen betaalbaar zijn en alle gebruikers toegang bieden tot de geleverde diensten; wijst erop dat NRI's betaalbaarheid voor briefpoststukken duidelijk moeten definiëren en dat de lidstaten gratis postdiensten voor blinden en slechtzienden mogen blijven leveren of mogen invoeren;

15.  verzoekt de lidstaten de territoriale en sociale samenhang te bewaren en de bijbehorende kwaliteitseisen in stand te houden en merkt op dat de lidstaten reeds enkele specifieke kenmerken mogen aanpassen aan de lokale vraag door gebruik te maken van de in Richtlijn 97/67/EG geboden flexibiliteit; is zich ervan bewust dat postnetwerken en -diensten van groot belang zijn voor de EU-burger; verzoekt de lidstaten om slechts bij wijze van uitzondering en op transparante, niet-discriminerende en passende wijze instrumenten voor overheidssteun in te zetten, in overeenstemming met het mededingingsbeleid van de EU, en om te garanderen dat klanten gebruik kunnen blijven maken van postdiensten, door in voorkomend geval op een centraal punt een minimaal aantal diensten aan te bieden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de compensatiefondsen evenredig zijn en dat de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten transparant en eerlijk zijn;

16.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de openstelling van de markt alle gebruikers, en met name consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen, ten goede blijft komen door nauwlettend toe te zien op de marktontwikkelingen; dringt aan op verdere verbeteringen wat de snelheid, keuze en betrouwbaarheid van de diensten betreft;

17.  verzoekt de Commissie de huidige definitie van universele dienstverlening te verbeteren, teneinde het minimale gegarandeerde dienstverleningsniveau voor consumenten vast te leggen, de universeledienstverplichting af te stemmen op de evoluerende markten, rekening te houden met marktveranderingen in verschillende lidstaten en economische groei en sociale cohesie te bevorderen; blijft niettemin bij zijn standpunt dat exploitanten, rekening houdend met de specifieke beperkingen van elke markt, enige flexibiliteit moeten krijgen bij de organisatie van deze universele dienstverlening; verzoekt de lidstaten vergunningsprocedures ten uitvoer te leggen in overeenstemming met de huidige richtlijn, en vergunnings- en/of kennisgevingsprocedures verder te harmoniseren, teneinde ongerechtvaardigde obstakels om toegang te krijgen tot de interne markt terug te dringen, zonder hierbij onnodige administratieve lasten te creëren;

18.  benadrukt dat de invoering van bemiddelingsprocedures die gemakkelijk toegankelijk en betaalbaar zijn een interessant potentieel bieden voor het bereiken van een gemakkelijke oplossing op de korte termijn voor zowel exploitanten als consumenten in geval van een geschil; spoort de Commissie aan wetgeving in te voeren over consumentenrechten op de postmarkt;

19.  dringt er bij de Commissie op aan bij het opstellen van wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de digitalisering en de mogelijkheden die deze biedt, de specifieke kenmerken van de lidstaten en algemene trends op de post- en pakketmarkten;

20.  herinnert eraan dat de btw-vrijstelling voor postdiensten zodanig moet worden toegepast dat de concurrentieverstoringen tussen voormalige monopolies en nieuwkomers op de markt tot een minimum worden herleid en tegelijkertijd de duurzaamheid op de lange termijn van de universeledienstverplichting wordt gewaarborgd, zodat alle exploitanten overal in Europa postdiensten kunnen blijven verlenen; merkt op dat wanneer btw-vrijstelling uitsluitend wordt gewaarborgd voor de gevestigde dienstverlener voor diensten die niet onder de universele dienstverlening vallen, terwijl andere dienstverleners btw-plichtig zijn, de ontwikkeling van concurrentie op de markt aanzienlijk wordt gehinderd;

21.  verzoekt de Commissie te zorgen voor gelijke voorwaarden voor alle aanbieders, zowel van traditionele postdiensten als van het snel groeiende segment van pakketbezorging, onder gevestigde postaanbieders en nieuwkomers; stelt voor dat de Commissie het recht krijgt om te beoordelen of aanbestedingsprocedures een onredelijke last vormen;

22.  verzoekt de lidstaten er rekening mee te houden dat voormalige gevestigde aanbieders ten opzichte van nieuwkomers niet mogen worden bevoordeeld door staatssteun, noch worden benadeeld door hun openbaredienstverplichting of historische kosten;

23.  is van mening dat concurrentie en de markt drijvende krachten voor innovatie en de ontwikkeling van diensten met toegevoegde waarde zijn en verzoekt de Commissie innovatie in de sector te steunen door het beginsel van proportionaliteit en economische rechtvaardiging in acht te nemen, teneinde diensten met toegevoegde waarde te bevorderen, zoals volg- en traceersystemen, ophaal- en verzendpunten, flexibele bezorgtijden, geschikte procedures voor retourzendingen en toegang tot eenvoudige beroepsprocedures; is zich bewust van het werk en de investeringen die exploitanten van postdiensten reeds hebben verricht op dit gebied;

24.  verzoekt de Commissie nauw toe te zien op de ondersteuning door de lidstaten van kosten met betrekking tot de universeledienstverplichting en andere historische kosten van aanbieders van postdiensten aan de hand van de belangrijkste regels voor de controle op staatssteun met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang (het kader voor diensten van algemeen economisch belang van 2012);

25.  is van mening dat de kwaliteit van de dienstverlening moet worden beoordeeld aan de hand van de in de richtlijn vastgelegde normen, en dat de behoeften van de consument hierin tot uiting moeten komen, teneinde de interoperabiliteit en de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren;

26.  stelt vast dat de Europese exploitanten van postdiensten investeringen hebben gedaan om de interconnectiviteit van hun netwerken op een hoger niveau te tillen en innovatieve, gebruiksvriendelijke diensten hebben ingevoerd voor klanten en kmo's met een webwinkel die gebruikmaken van grensoverschrijdende e-commerce; is van mening dat deze investeringen moeten worden beschermd met eerlijke toegangsvoorwaarden;

27.  drukt opnieuw zijn steun uit voor het forum van postgebruikers dat de Commissie in 2011 heeft opgericht ter bevordering van de dialoog tussen gebruikers, exploitanten, vakbonden en andere belanghebbenden over onderwerpen zoals de tevredenheid van eindgebruikers, de behoeften van zakelijke gebruikers en manieren om de levering van elektronisch geplaatste bestellingen te verbeteren; is van mening dat het forum bijzonder nuttig is en geregeld bijeen moet komen om mogelijke oplossingen voor de verbetering van post- en pakketbezorgingsdiensten in kaart te brengen;

III. De grensoverschrijdende dimensie en e-commerce

28.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor de interoperabiliteit en opwaardering van postnetwerken en, als er verscheidene aanbieders van universele diensten zijn, belemmeringen voor het vervoer van poststukken te voorkomen en kleine en middelgrote ondernemingen toegang te bieden tot financieel aantrekkelijke diensten voor grensoverschrijdende bezorging door de transparantie van de tarieven die door de exploitanten van postdiensten worden toegepast te vergroten;

29.  is van mening dat pakketbezorging een zeer concurrerende, innovatieve en snelgroeiende sector is; wijst op het belang van betaalbare en betrouwbare pakketbezorgingsdiensten voor de verwezenlijking van de digitale interne markt; herinnert eraan op dat de openstelling van deze sector voor concurrentie een stimulans heeft gegeven aan de ontwikkeling van diensten met toegevoegde waarde, zoals volg‑ en traceersystemen, ophaal- en verzendpunten, flexibele bezorgtijden en geschikte procedures voor retourzendingen; is dan ook van oordeel dat eventuele nieuwe regelgeving voor deze markt evenredig moet zijn en moet worden onderbouwd met betrouwbaar economisch bewijs;

30.  merkt in dit verband op dat alle voordelen die worden geboden door nieuwe technologieën, met inbegrip van drones, moeten worden overwogen, aangezien hiermee gemakkelijk diensten kunnen worden verleend, met name in dunbevolkte, geïsoleerde of afgelegen gebieden, terwijl ook rekening wordt gehouden met veiligheidsaspecten en milieuduurzaamheid;

31.  is van mening dat de dynamiek van de uiterst concurrerende, innovatieve en snelgroeiende markt voor pakketbezorging niet mag worden belemmerd door ongerechtvaardigde regelgeving en onnodige bureaucratie;

32.  verzoekt de Commissie om indien nodig markttoezicht op pakketbezorging te ontwikkelen op basis van prestaties, en om zonder de bevoegdheid van de NRI's te ondermijnen betaalbare grensoverschrijdende tarieven te bevorderen en oneerlijke concurrentieverstorende en monopolistische praktijken op te sporen; spoort aan tot grotere transparantie van de tarieven en de beschikbaarheid van diensten, met name voor particuliere klanten en kleine en middelgrote ondernemingen;

33.  is verheugd over het voorstel van de Commissie inzake een transparante en niet‑discriminerende grensoverschrijdende toegang tot alle netwerkonderdelen, bijbehorende voorzieningen, relevante diensten en informatiesystemen van postnetwerken voor derde partijen; is van mening dat een doeltreffend gebruik van de infrastructuur economische voordelen kan opleveren voor aanbieders van universele diensten en de concurrentie kan verhogen op het gebied van grensoverschrijdende bezorgdiensten;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer gegevens te verzamelen over de markt van pakketbezorging om de ontwikkeling van deze economische sector en de structurele ontwikkeling ervan beter te kunnen beoordelen;

35.  benadrukt hoe belangrijk het is de kwaliteit van de dienstverlening en de bescherming van de consumentenrechten te verbeteren om zo het consumentenvertrouwen afdoende te herstellen; is van mening dat het gebrek aan vertrouwen kan worden aangepakt door een grotere transparantie op het vlak van prijzen, leveringsopties en -voorwaarden en de verhouding tussen kwaliteit en prestatie (snelheid, geografische dekking, vertragingen en de afhandeling van beschadigde of verloren stukken), alsook door keurmerken inzake betrouwbaarheid;

36.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de voorwaarden voor openbare prijsstelling en de kwaliteit van de dienstverlening (leveringsopties, uiteindelijke levering, betrouwbaarheid) transparanter te maken, vooral in het geval van e-commerce; vraagt om transparantiecontroles wanneer de prijzen niet worden gecontroleerd door concurrentie of wanneer deze onredelijk hoog zijn; benadrukt hoe belangrijk het is de kloof te dichten tussen prijzen voor binnenlandse en grensoverschrijdende diensten en steunt maatregelen die consumenten bewuster maken en in staat stellen de binnenlandse en grensoverschrijdende prijsstructuren te vergelijken; verzoekt de NRI's de betaalbaarheid van prijzen op een aantal grensoverschrijdende trajecten te beoordelen, met bijzondere aandacht voor buitensporige verschillen;

37.  verzoekt de Commissie de strategie voor e-commerce en grensoverschrijdende pakketbezorging te bevorderen; stelt voor de interoperabiliteit in de toeleveringsketen te faciliteren en publiek beschikbare optimale werkmethoden te ontwikkelen voor webwinkels;

38.  blijft bij het standpunt dat klachtenprocedures en regelingen voor geschillenbeslechting eenvoudig en doeltreffend moeten zijn en over de grenzen heen dienen te worden toegepast; benadrukt dat consumenten en ondernemingen bij grensoverschrijdende transacties voordeel kunnen halen uit de richtlijn betreffende alternatieve geschillenbeslechting (ADR-richtlijn) en het onlineplatform dat is opgericht bij Verordening (EU) nr. 524/2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen; maakt zich zorgen over het feit dat tot nu toe slechts 24 lidstaten de ADR-richtlijn hebben omgezet, hoewel de uiterste termijn voor omzetting juli 2015 was, en dat miljoenen Europese burgers bijgevolg geen gebruik kunnen maken van dit belangrijke verhaalmechanisme; is van mening dat de Europese procedure voor geringe vorderingen een nuttig hulpmiddel kan zijn voor consumenten en ondernemingen die grensoverschrijdende transacties verrichten; vraagt dat er indien nodig wordt overwogen aanvullende mechanismen in te voeren voor adequate verhaalmogelijkheden voor consumenten met betrekking tot postdiensten;

39.  spoort de lidstaten aan kostenverminderingen te ondersteunen door de interoperabiliteit van de processen voor het verzenden en afhalen van pakketten te verbeteren, alsook Europese normen te ontwikkelen voor geïntegreerde traceringssystemen; waardeert de door de sector geboekte vooruitgang in de dienstverlening voor consumenten en kmo's over de grenzen heen door verbeterde interoperabiliteit en volg- en traceersystemen; spoort ertoe aan vrij raadpleegbare instrumenten en indicatoren voor de kwaliteit van de dienstverlening tot stand te brengen, zodat consumenten het aanbod van verschillende dienstverleners kunnen vergelijken; is ingenomen met de vooruitgang die een bevestiging vormt van de door het Parlement ondersteunde en gevraagde marktbenadering; spoort aan tot het opzetten van platformen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen besteldiensten om voor de klanten een breder gamma van leveringsopties en oplossingen voor retourzendingen tot stand te brengen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de werking van grensoverschrijdende pakketbezorging te onderzoeken aan de hand van de verschillende voorschriften die voortkomen uit internationale handelsovereenkomsten (bv. de regels van de Wereldpostunie (UPU) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)) of de EU-wetgeving (bv. het douanewetboek van de Unie), in het bijzonder de universeledienstverplichting, waarvan misbruik kan worden gemaakt zodat er marktverstoringen ontstaan; spoort de Europese Unie aan het lidmaatschap van de Wereldpostunie aan te vragen om een volledig geïntegreerde Europese postsector tot stand te brengen;

41.  schaart zich achter het beginsel van het verzamelen van statistische gegevens over de markt van pakketbezorging om een duidelijker beeld te krijgen van de belangrijkste marktspelers, het concurrentiepatroon en de marktontwikkelingen;

IV. Sociale dimensie: verbetering van de werkgelegenheid

42.  verzoekt de lidstaten te garanderen dat voor alle werknemers in de postdienstensector behoorlijke arbeidsvoorwaarden gelden, met inbegrip van het vereiste beschermingsniveau voor gezondheid en veiligheid op het werk, ongeacht de grootte of het type van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de plaats van tewerkstelling of het onderliggende contract; onderstreept het belang van gezondheid en veiligheid op het werk, in het bijzonder in het licht van de demografische veranderingen en de grote mobiliteit van werknemers in de postsector; is verheugd over de samenwerking tussen het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) en de sectorale sociale partners in de campagne "Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress";

43.  stelt vast dat de postdienstensector in de afgelopen jaren door de technologische vooruitgang en de digitalisering is veranderd en dat de modernisering en de diversifiëring van de postdiensten grote gevolgen voor de arbeidsvoorwaarden en de werkgelegenheid in de sector hebben gehad;

44.  stelt vast dat de liberalisering van de postsector in sommige lidstaten heeft geleid tot grote verschillen in arbeidsvoorwaarden en lonen tussen de aanbieders van universele diensten en concurrerende aanbieders van specifieke postdiensten; is van mening dat meer concurrentie geen illegale sociale praktijken met zich mee mag brengen en niet mag leiden tot slechtere arbeidsvoorwaarden;

45.  wijst erop dat wanneer postbedrijven de mogelijkheid hebben om hun productie op innovatieve wijze te ontwikkelen en uit te breiden, met name in perifere gebieden, dit ook de werkgelegenheid zou bevorderen;

46.  merkt op dat het aantal deeltijdwerknemers, uitzendkrachten en zelfstandigen in de sector is gestegen en dat de ontwikkeling in het algemeen in de richting van flexibelere arbeidscontracten gaat, wat in een aantal omstandigheden kan leiden tot onzeker werk zonder afdoende bescherming voor werknemers; is verheugd over de ontwikkeling van nieuwe arbeidstijdmodellen voor werknemers, die daardoor bijvoorbeeld werk en gezin beter kunnen combineren, een inservicetraining kunnen voltooien, of de mogelijkheid kunnen krijgen deeltijds te gaan werken; merkt op dat nieuwe, flexibele arbeidscontracten mogelijke risico's dienen uit te sluiten, zoals overbelasting van de werknemer of een verloning die niet in verhouding is met de geleverde prestaties; benadrukt derhalve dat er enerzijds behoefte is aan arbeidsmarktflexibiliteit en anderzijds aan economische en sociale zekerheid voor werknemers; benadrukt dat het verlagen van arbeidskosten door het afbouwen van arbeidsvoorwaarden en -normen niet onder de noemer flexibiliteit mag vallen; verzoekt de Commissie en de lidstaten toezicht te houden op activiteiten ter bestrijding van schijnzelfstandigheid in de postsector; dringt er in meer algemene zin bij de lidstaten op aan te voorkomen dat de flexibiliteit van arbeidscontracten ten koste gaat van de werknemers;

47.  is verheugd over de belangrijke rol van vakbonden, die in vele lidstaten samenwerken met aanbieders van universele diensten om te proberen de transformatie van de postdienstensector op sociaal aanvaardbare wijze op te vangen; wijst op het belang van sterke en onafhankelijke sociale partners in de postsector, een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en de participatie van werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

48.  benadrukt het belang van toezicht op de naleving van de verplichte rij- en rusttijden en van de werktijden in de postsector; is van mening dat dit toezicht moet worden gehouden aan de hand van in de voertuigen geïnstalleerde digitale controleapparatuur; herinnert eraan dat Verordening (EU) nr. 165/2014 betreffende tachografen in het wegvervoer niet van toepassing is op voertuigen van minder dan 3,5 ton; dringt daarom aan op een intensivering van de controles op werk- en rusttijden; herinnert eraan dat alle taken met betrekking tot de activiteit van een werknemer als arbeidstijd moeten worden beschouwd; benadrukt evenzeer het belang van toezicht op de naleving van Europese en nationale wetgeving voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk, met inbegrip van voorwaarden in voertuigen, voor alle mensen die betrokken zijn bij postbezorging, ongeacht of zij een beroepsstatus van zelfstandige, onderaannemer, tijdelijke medewerker dan wel contractarbeider hebben;

49.  is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen vrije concurrentie, de eisen van de consument, duurzaamheid van de universele dienstverlening en de financiering ervan, en de instandhouding van de werkgelegenheid;

50.  is bezorgd over pogingen om de bestaande regelgeving voor minimumlonen te omzeilen door de werklast zodanig te verhogen dat deze niet kan worden beheerd tijdens betaalde werkuren;

51.  is verheugd over de essentiële werkzaamheden van het comité voor sociale dialoog in de postsector en wijst op het project van de Europese sociale partners getiteld "Managing demographic challenges and finding sustainable solutions by the social partners in the postal sector" (Omgaan met demografische uitdagingen en de zoektocht naar duurzame oplossingen door de sociale partners in de postsector";

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer gegevens over het aantal arbeidsplaatsen en de arbeidsvoorwaarden in de postdienstensector te verzamelen, om de daadwerkelijke situatie na de volledige openstelling van de markten beter te kunnen inschatten en om efficiënt te kunnen reageren op ontwikkelingen en eventuele problemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om nieuwe methoden voor geautomatiseerde postbezorging en het effect daarvan op de arbeidsvoorwaarden en de werkgelegenheid op de voet te volgen en om na te gaan of modernisering van sociale en arbeidswetgeving in voorkomend geval noodzakelijk is om gelijke tred te houden met de veranderingen in de postsector; spoort de sociale partners evenzeer aan om collectieve arbeidsovereenkomsten waar nodig bij te werken zodat hoogwaardige arbeids- en werkgelegenheidsnormen kunnen worden gewaarborgd;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 15 van 21.1.1998, blz. 14.
(2) PB C 217 van 11.8.2010, blz. 7.
(3) PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63.
(4) PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1.
(5) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.
(6) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0067.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

Juridische mededeling