Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2284(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0227/2016

Ingediende teksten :

A8-0227/2016

Debatten :

PV 15/09/2016 - 7
CRE 15/09/2016 - 7

Stemmingen :

PV 15/09/2016 - 11.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0361

Aangenomen teksten
PDF 217kWORD 57k
Donderdag 15 september 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
De werkzaamheden, impact en toegevoegde waarde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering tussen 2007 en 2014
P8_TA(2016)0361A8-0227/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de werkzaamheden, impact en toegevoegde waarde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering tussen 2007 en 2014 (2015/2284(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(3),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in 2013 en 2014 (COM(2015)0355),

–  gezien de ex-postevaluatie van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) - eindverslag van augustus 2015,

–  gezien Speciaal verslag nr. 7/2013 van de Rekenkamer: "Heeft het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering Europese meerwaarde gehad voor de herintegratie van ontslagen werknemers?",

–  gezien het ERM-verslag 2012 van Eurofound, getiteld "Na herstructurering: arbeidsmarkten, arbeidsomstandigheden en tevredenheid met het bestaan",

–  gezien de casestudy van Eurofound "Added value of the European Globalisation Adjustment Fund: A comparison of experiences in Germany and Finland (2009)",

–  gezien het ERM-verslag 2009 van Eurofound getiteld "Herstructurering in tijden van recessie",

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de toekomst van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(5),

–  gezien de resoluties die het sinds januari 2007 heeft aangenomen over het inzetten van het EFG, waarvan de opmerkingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over de achtereenvolgende toepassingen deel uitmaken,

–  gezien de beraadslagingen van de speciale werkgroep van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het EFG,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0227/2016),

A.  overwegende dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) als opdracht heeft steun te verlenen en solidariteit te betuigen aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen; overwegende dat het EFG ten doel heeft een bijdrage te leveren aan slimme, duurzame en inclusieve groei en duurzame werkgelegenheid te bevorderen, door ontslagen werknemers te ondersteunen en voor te bereiden op een nieuwe baan; overwegende dat het EFG is opgezet om in te springen op noodsituaties door snel te interveniëren en op korte termijn bijstand te bieden wanneer zich acute en onvoorziene moeilijkheden op de arbeidsmarkt voordoen, in tegenstelling tot het Europees Sociaal Fonds (ESF), dat ook steun geeft aan ontslagen werknemers, maar veeleer bedoeld is voor het aanpakken van structurele onevenwichtigheden, hoofdzakelijk middels programma's voor een leven lang leren; is van mening dat het EFG tijdens de volgende programmeringsperiode buiten het MFK moet blijven functioneren;

B.  overwegende dat herstructurering in de afgelopen jaren gangbaarder is geworden in bepaalde sectoren en zich verspreidt naar andere sectoren; overwegende dat bedrijven verantwoordelijkheid dragen voor de vaak onvoorziene gevolgen van deze besluiten voor gemeenschappen en voor het economische en sociale stelsel van een lidstaat; overwegende dat het EFG de negatieve gevolgen van deze herstructureringsbesluiten helpt te verzachten; overwegende dat meer en meer EFG-dossiers verband houden met herstructureringsstrategieën van grote bedrijven en multinationals waarover doorgaans een besluit wordt genomen over de hoofden van de werknemers en hun vertegenwoordigers heen; overwegende dat hervestiging, productieverplaatsing, sluitingen, fusies, acquisities, overnames, reorganisaties van de productie en outsourcing van activiteiten de meest voorkomende vormen van herstructurering zijn;

C.  overwegende dat het aanpassingsvermogen en een proactieve houding bij verandering van baan of beroep echter kunnen worden gehinderd door onzekerheid, omdat overgangssituaties een zeker risico op werkloosheid, lagere lonen en sociale onzekerheid met zich meebrengen; overwegende dat de re-integratie op de arbeidsmarkt van EFG-begunstigden beter zal slagen wanneer de banen in kwestie van goede kwaliteit zijn;

D.  overwegende dat coöperaties herstructurering op maatschappelijk verantwoorde wijze doorvoeren en dat hun specifieke coöperatieve-governancemodel, dat is gebaseerd op gezamenlijke eigendom, democratische participatie, bestuur door de leden en het vermogen om op de eigen financiële middelen en ondersteunende netwerken te vertrouwen, verklaart waarom coöperaties flexibeler en innovatiever zijn bij het beheer van herstructurering en het opzetten van nieuwe bedrijven;

E.  overwegende dat krachtens artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1309/2013 de Commissie het Europees Parlement en de Raad om de twee jaar een kwantitatief en kwalitatief verslag moet doen toekomen over de activiteiten die het EFG de voorafgaande twee jaren heeft ondernomen;

F.  overwegende dat er geen Europees rechtskader bestaat met betrekking tot de voorlichting en raadpleging van werknemers, de anticipatie op en het beheer van herstructurering om te anticiperen op veranderingen en banenverlies te voorkomen; overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013(6) de Commissie heeft verzocht om, overeenkomstig artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zo snel mogelijk na raadpleging van de sociale partners een voorstel in te dienen voor een rechtshandeling inzake de voorlichting en raadpleging van werknemers, de anticipatie op en het beheer van herstructurering (en hierbij de gedetailleerde aanbevelingen te volgen die zijn uiteengezet in de bijlage bij deze resolutie); overwegende dat er op nationaal niveau aanzienlijke verschillen zijn wat betreft de verantwoordelijkheid van werkgevers tegenover hun werknemers tijdens het proces van herstructurering; overwegende dat de Europese sociale partners tweemaal over dit onderwerp zijn geraadpleegd en de Commissie niet heeft opgetreden; overwegende dat de Commissie teleurstellende antwoorden heeft gegeven op parlementaire resoluties inzake informatie, raadpleging en herstructurering, hetgeen duidelijk maakt dat op dit gebied concrete stappen moeten worden ondernomen; overwegende dat goed ontwikkelde systemen voor arbeidsverhoudingen, waarin rekening wordt gehouden met de rechten van werknemers en hun vertegenwoordigers op het gebied van raadpleging en informatie, essentieel zijn; overwegende dat een krachtigere informatie- en raadplegingsrichtlijn ervoor zou kunnen zorgen dat onderhandelingen voor een passende regeling onder eerlijke omstandigheden en tijdig plaatsvinden;

G.  overwegende dat het minimumaantal ontslagen is verlaagd van 1 000 naar 500, met de mogelijkheid dat, onder buitengewone omstandigheden of op kleine arbeidsmarkten, een EFG-aanvraag in overweging wordt genomen wanneer de ontslagen een ernstig effect op de werkgelegenheid en de lokale, regionale of nationale economie hebben;

H.  overwegende dat gewezen zelfstandigen sinds 1 januari 2014 ook in aanmerkingen kunnen komen voor steun; overwegende dat de Commissie ervoor moet zorgen dat in het EFG rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van zelfstandigen, aangezien hun aantal voortdurend toeneemt; overwegende dat in regio's die onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief vallen jongeren die geen werk hebben of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's) tot 31 december 2017 in aanmerking komen voor EFG-steun, in gelijke getale als het aantal beoogde begunstigden;

I.  overwegende dat er in het kader van huidige EFG niet alleen naar wordt gestreefd ontslagen werknemers te ondersteunen, maar ook om solidariteit aan deze werknemers te betuigen;

J.  overwegende dat de oorspronkelijke EFG-begroting 500 miljoen euro per jaar bedroeg; overwegende dat de huidige begroting 150 miljoen euro per jaar bedraagt en dat de gemiddelde jaarlijkse uitgaven sinds de inwerkingtreding van het fonds ongeveer 70 miljoen euro belopen;

K.  overwegende dat het oorspronkelijke medefinancieringspercentage 50 % was, vervolgens voor de periode 2009-2011 werd verhoogd tot 65 %, voor de periode 2012-2013 weer werd teruggebracht tot 50 % en nu 60 % bedraagt;

L.  overwegende dat er tussen 2007 en 2014 134 aanvragen vanuit 20 lidstaten zijn ingediend die betrekking hadden op 122 121 beoogde werknemers, en overwegende dat in het totaal is gevraagd om 561,1 miljoen euro; overwegende dat het begrotingsuitvoeringspercentage in de periode 2007-2013 slechts 55 % bedroeg:) overwegende dat de productiesector tussen 2007 en 2014 het grootste aantal aanvragen heeft ingediend, met name de automobielindustrie, die betrekking hadden op 29 000 van de 122 121 werknemers (23 % van het totale aantal mensen waarop de ingediende aanvragen betrekking hadden); overwegende dat de economische crisis tot op heden vooral kleine ondernemingen met minder dan 500 werknemers hard heeft getroffen;

M.  aangezien de Europese Rekenkamer het Parlement, de Commissie en de Raad aanbeveelt te overwegen om enkel EU-financiering te verstrekken voor maatregelen die waarschijnlijk Europese meerwaarde zullen opleveren, in plaats van de middelen te gebruiken om reeds bestaande nationale inkomenssteunregelingen voor werknemers te financieren, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b); overwegende dat is gebleken dat de EFG-maatregelen het meeste meerwaarde opleveren wanneer zij worden gebruikt voor de medefinanciering van diensten voor ontslagen werknemers die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen van de lidstaten, wanneer deze diensten meer gericht zijn op opleiding dan op uitkeringen, en wanneer zij gepersonaliseerd zijn en een aanvulling vormen op algemene voorzieningen, met name voor de meest kwetsbare groepen werknemers die worden ontslagen; wijst in dit verband op de noodzaak te investeren in het potentieel van voormalige werknemers en op het belang van een volledige beoordeling van de behoeften op de lokale arbeidsmarkt en de benodigde vaardigheden, aangezien die de basis vormt voor opleidingen en competentieopbouw teneinde een snelle re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt mogelijk te maken; herinnert eraan dat de lidstaten verplicht zijn om de middelen uit het EFG efficiënt te benutten;

N.  overwegende dat het EFG het probleem van werkloosheid in de EU niet oplost; overwegende dat het scheppen en beschermen van duurzame banen centraal moet worden gesteld in het EU-beleid, teneinde de werkloosheidscrisis in de EU op te lossen; overwegende dat er, gezien de Europese werkloosheidscijfers, en dan vooral op het gebied van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, dringend maatregelen moeten worden genomen die nieuwe arbeidsvooruitzichten kunnen bieden;

O.  overwegende dat de referentieperiode voor de beoordeling van het EFG in het kader van dit verslag 2007-2014 is; overwegende dat de ex-postevaluatie van de Commissie betrekking heeft op de periode 2007-2013 en het verslag van de Europese Rekenkamer de periode 2007-2012 beslaat;

P.  overwegende dat de beginselen van gendergelijkheid en non-discriminatie – kernwaarden van de Unie die zijn verankerd in de Europa 2020-strategie – bij de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor aanpassing aan het EFG moeten worden gewaarborgd en bevorderd;

1.  neemt kennis van de ex-postevaluatie van het EFG en het eerste tweejarige verslag; wijst erop dat de Commissie haar verslagleggingsverplichting naleeft; is van mening dat deze en andere verslagen onvoldoende zijn om de transparantie en efficiëntie van het EFG volledig te waarborgen; verzoekt de lidstaten die middelen uit het EFG hebben ontvangen om alle gegevens en evaluaties over deze dossiers openbaar te maken, en eveneens een gendereffectbeoordeling in de verslaglegging op te nemen; spoort alle lidstaten krachtig aan om hun aanvragen en eindverslagen die onder de huidige verordening vallen tijdig openbaar te maken; is, hoewel de Commissie aan haar verslagleggingsverplichtingen voldoet, van mening dat zij alle relevante documenten in verband met EFG-dossiers openbaar zou kunnen maken, inclusief haar interne missieverslagen na bezoeken ter controle van de lopende aanvragen in lidstaten;

2.  is verheugd over de verlenging van de financieringsperiode van één tot twee jaar; herinnert eraan dat volgens het onderzoek van Eurofound de periode van 12 maanden te kort was om alle ontslagen werknemers te helpen, met name de meest kwetsbare groepen zoals laagopgeleide werknemers, ouderen, vrouwen en met name alleenstaande ouders;

3.  merkt op dat uit de evaluaties van het EFG blijkt dat de resultaten van de ingrepen van dit fonds beïnvloed worden door factoren zoals het opleidingsniveau en de kwalificaties van de betrokken werknemers, de absorptiecapaciteit van de betrokken arbeidsmarkten en het bbp van de ontvangende landen; benadrukt dat die factoren vooral beïnvloed worden door langetermijnmaatregelen die doeltreffend kunnen worden ondersteund door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen); benadrukt dat bij elk verzoek om steun van het fonds met deze factoren en de lokale situatie van de arbeidsmarkt rekening moet worden gehouden; merkt op dat het voor snellere en effectievere resultaten belangrijk is te zorgen voor meer synergie tussen het EFG en de ESI-fondsen; benadrukt dat de ESI-fondsen als follow-upmaatregelen ingezet kunnen worden in EFG-steungebieden door investeringen, algemene groei en werkgelegenheid te stimuleren; benadrukt dat EFG-interventies zich moeten richten op investeringen die bijdragen aan groei, banen, onderwijs, vaardigheden en geografische mobiliteit van werknemers, en gecoördineerd moeten worden met bestaande EU-programma's teneinde mensen te helpen bij het zoeken van een baan en het ondernemerschap te bevorderen, met name in de regio's en bedrijfstakken die te lijden hebben onder de negatieve gevolgen van de globalisering of van de herstructurering van de economie; benadrukt dat een geïntegreerde aanpak op basis van meerfondsenprogrammering de voorkeur verdient om ontslagen en werkloosheid duurzaam te bestrijden dankzij een doeltreffende toewijzing van middelen en meer coördinatie en synergie, met name tussen het ESF en het EFRO; is er vast van overtuigd dat met een geïntegreerde aanpak op basis van meerfondsenprogrammering het risico op productieverplaatsing kan worden verminderd en gunstige omstandigheden kunnen worden geschapen voor de terugkeer van industriële productie naar de EU;

4.  is van mening dat de functionering van het EFG door middel van de herziening van de wetgeving is verbeterd; merkt op dat deze verbetering de EFG-toegangsprocedures voor de lidstaten heeft vereenvoudigd en daarom moet leiden tot een betere benutting van dit instrument door de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan alle obstakels op het vlak van administratieve capaciteit die deelname aan het EFG hebben belemmerd, weg te nemen; is van mening dat het EFG geen macro-economische stabilisatiefunctie mag gaan vervullen;

5.  merkt op dat de verminderde kredieten die in de jaarlijkse begroting aan het EFG worden toegekend, tot op heden voldoende zijn geweest om de vereiste bijstand en begeleiding te verlenen aan personen die hun baan hebben verloren; benadrukt niettemin dat het EFG sinds 2014 weer een grotere reikwijdte heeft en ook de NEET's en het crisiscriterium omvat, en dat in geval van een aanzienlijke toename van het aantal aanvragen of de toekenning van nieuwe bevoegdheden de kredieten wellicht niet toereikend zijn en moeten worden verhoogd om een doeltreffende functionering van het EFG te waarborgen;

6.  benadrukt het belang van een sterke sociale dialoog op basis van wederzijds vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid, aangezien die het beste instrument vormt voor het vinden van op consensus gebaseerde oplossingen en gezamenlijke standpunten bij het voorzien, voorkomen en beheren van processen van herstructurering; onderstreept dat een dergelijke dialoog zou helpen om het verlies van banen, en dus EFG-dossiers, te voorkomen;

7.  wijst op de aanzienlijke stijging van het aantal aanvragen tijdens de uitzonderingsperiode 2009-2011, toen ook aanvragen konden worden ingediend op grond van crisis-gerelateerde criteria, en merkt op dat het toepassingsgebied vervolgens verder is uitgebreid, zodat het crisiscriterium er nu permanent deel van uitmaakt en ook zelfstandigen er voor de periode 2014-2020 onder vallen; is verheugd over de verlenging van deze uitzonderingsperiode na 2013; merkt op dat meer dan de helft van het totale aantal projecten in de periode 2007-2014 verband hield met de crisis; onderstreept voorts dat de negatieve effecten van de economische crisis in enkele lidstaten nog steeds voelbaar zijn;

8.  wijst erop dat tussen 2007 en 2014 twintig lidstaten 131 financieringsaanvragen hebben ingediend gericht op 121 380 werknemers en ter hoogte van een totaalbedrag van 542,4 miljoen EUR;

9.  stelt vast dat de Commissie verbeteringen heeft aangebracht aan de EFG-gegevensbank, waarin voor de statistieken kwantitatieve gegevens over EFG-dossiers worden bijgehouden, waarmee het voor de lidstaten eenvoudiger is aanvragen in te dienen en voor de Commissie om de gegevens over EFG-dossiers te analyseren en te vergelijken; stelt daarnaast vast dat de Commissie het EFG in het Shared Fund Management Common System heeft opgenomen, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat grotere aantallen correcte en complete aanvragen worden ingediend en dat de tijd die nodig is om een door een lidstaat ingediende aanvraag goedgekeurd te krijgen, wordt gereduceerd; wijst erop dat dit systeem het eenvoudiger voor lidstaten maakt om aanvragen in te dienen en dringt er bij de Commissie op de behandeling van aanvragen te bespoedigen zodat financiering snel kan worden verstrekt en het effect ervan kan worden gemaximaliseerd;

10.  verzoekt de Commissie volledig in te springen op de effecten van besluiten die in het kader van het handelsbeleid worden genomen op de arbeidsmarkt van de EU, en hierbij ook rekening te houden met op feiten gebaseerde informatie over deze effecten die in de EFG-aanvragen zijn benadrukt; dringt er bij de Commissie op aan om gedegen effectbeoordelingen vooraf en achteraf uit te voeren, inclusief sociale-effectbeoordelingen, met betrekking tot mogelijke effecten op werkgelegenheid, concurrentievermogen en de economie, evenals het effect op kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij moet worden gezorgd voor effectieve coördinatie vooraf tussen DG Handel en DG Werkgelegenheid; roept het Parlement op om regelmatig gezamenlijke hoorzittingen van de Commissie internationale handel en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken te organiseren, ten einde bij te dragen tot een verbeterde coördinatie tussen het handelsbeleid en het EFG, en het toezicht hierop; vindt dat het EFG meer moet worden gebruikt om productieverplaatsingen aan te pakken en om sectorale crises op te lossen die het gevolg zijn van schommelingen in de wereldwijde vraag; is fel gekant tegen ieder initiatief om het EFG, in zijn huidige vorm en met zijn huidige begroting, te beschouwen als een interventie-instrument voor banen die in de Europese Unie verloren gaan als gevolg van handelsstrategieën waarover op EU-niveau wordt besloten, met in begrip van toekomstige of reeds gesloten handelsovereenkomsten; onderstreept derhalve de noodzaak van een sterke samenhang tussen het handelsbeleid en het industriebeleid, alsook de noodzaak om de EU-handelsbeschermingsinstrumenten te moderniseren;

11.  verzoekt de Commissie de status van markteconomie alleen te verlenen aan handelspartners die voldoen aan de vijf, door haar vastgestelde criteria. roept de Commissie in dit verband op om een duidelijke en doeltreffende strategie te ontwikkelen voor kwesties met betrekking tot het toekennen van de status van markteconomie aan derde landen, zodat het concurrentievermogen van de ondernemingen in de EU behouden blijft en de strijd tegen elke vorm van oneerlijke concurrentie wordt voortgezet;

12.  wijst erop dat een van de belangrijkste doelen van het EFG is om werknemers te helpen die hun baan verliezen als gevolg van een sterke verandering in de handel van de Unie in goederen of diensten, als vastgelegd in artikel 2, onder a) van de verordening; is van mening dat een belangrijke taak van het EFG is om steun te verlenen aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van de negatieve effecten van handelsgeschillen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan duidelijk te maken dat het verlies van banen als gevolg van handelsgeschillen die leiden tot een sterke verandering in de handel van de Unie in goederen of diensten volledig binnen het toepassingsgebied van het EFG valt;

13.  benadrukt dat het EFG in geen geval een degelijk preventief en anticiperend beleid ten aanzien van herstructureringen kan vervangen; benadrukt het belang van een echt industrieel beleid op het niveau van de Europese Unie, dat zorgt voor duurzame en inclusieve groei;

14.  vraagt de Commissie impactbeoordelingen uit te voeren van de mondialisering per sector en op basis hiervan voorstellen te doen waarmee ondernemingen ertoe zouden worden aangespoord op sectorale veranderingen te anticiperen en hun werknemers op deze veranderingen voor te bereiden alvorens tot ontslagen over te gaan;

15.  onderstreept dat sommige lidstaten er de voorkeur aan hebben gegeven gebruik te maken van het ESF in plaats van het EFG, omdat de ESF-medefinancieringspercentages hoger zijn, ESF-maatregelen sneller ten uitvoer worden gelegd, er bij het EFG geen voorfinanciering beschikbaar is en het EFG een langdurige goedkeuringsprocedure kent; is niettemin van mening dat het verhoogde medefinancieringspercentage en de kortere aanvraag- en goedkeuringsprocedure waarin de nieuwe verordening voorziet enkele van deze zorgen wegnemen; betreurt dat de EFG-steun nog steeds niet tot de ontslagen werknemers van alle lidstaten is doorgedrongen en verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van deze steun wanneer er massale ontslagen vallen;

16.  wijst erop dat volgens het verslag van de Rekenkamer er gemiddeld 41 weken nodig zijn om een aanvraag voor EFG-steun goedgekeurd te krijgen; verzoekt alles in het werk te stellen om de procedures te versnellen; is verheugd over de inspanningen van de Commissie om vertragingen tot een minimum te beperken en de aanvraagprocedure te stroomlijnen; onderstreept dat de capaciteit van de lidstaten op dit gebied moet worden versterkt en pleit ervoor dat alle lidstaten zo snel mogelijk beginnen met de tenuitvoerlegging van de maatregelen; merkt op dat veel lidstaten dit reeds doen;

17.  merkt op dat sommige lidstaten, sociale partners en ondernemingen het EFG vaak helemaal niet kennen; verzoekt de Commissie de communicatie richting de lidstaten, de nationale en plaatselijke vakbondsnetwerken en het brede publiek te intensiveren; verzoekt de lidstaten om het bewustzijn omtrent het EFG onder werknemers en hun vertegenwoordigers te vergroten en daarbij geen tijd te verkwisten, zodat zoveel mogelijk potentiële begunstigden kunnen worden bereikt met de EFG-maatregelen en van deze maatregelen kunnen profiteren; dringt er tevens op aan de voordelen op grond van de met het EFG bereikte resultaten op effectievere wijze onder de aandacht te brengen;

18.  herinnert aan het belang van waarborgen om te voorkomen dat ondernemingen die EU-financiering ontvangen zich binnen een bepaalde periode verplaatsen, hetgeen zou kunnen leiden tot ontslagen, waardoor er een behoefte aan bijkomende ondersteuningsregelingen ontstaat;

Begunstigden van het EFG

19.  is verheugd over de conclusies van het verslag van de Rekenkamer dat bijna alle voor EFG-steun in aanmerking komende werknemers hebben kunnen profiteren van gepersonaliseerde en goed gecoördineerde maatregelen, toegespitst op hun individuele behoeften, en dat 50 % van de werknemers die financiële bijstand hebben ontvangen nu weer een baan hebben; merkt op dat een ontijdige en ondoeltreffende tenuitvoerlegging van EFG-programma's in sommige lidstaten heeft geleid tot onderbesteding van de middelen; is van mening dat het van essentieel belang is om beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, de sociale partners, de lokale instanties voor arbeidsbemiddeling en andere relevante belanghebbenden bij de oorspronkelijke beoordeling en aanvraag te betrekken, teneinde tot voor de begunstigden positieve resultaten te komen; verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij de ontwikkeling van innovatieve maatregelen en programma's en in haar evaluaties na te gaan in welke mate het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten heeft ingespeeld op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de daarbij vereiste vaardigheden, en verenigbaar was met de verschuiving naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie; verzoekt de lidstaten, in overeenstemming met artikel 7 van de huidige verordening, er meer aan te doen om de samenstelling van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening af te stemmen op de grondstofefficiënte en duurzame economie; wijst erop dat innovatie, slimme specialisatie en efficiënt gebruik van de middelen van essentieel belang zijn voor de industriële vernieuwing en de economische diversificatie;

20.  wijst erop dat bij de 73 projecten die in het ex-postevaluatieverslag van de Commissie werden geëvalueerd, het gemiddelde aandeel van begunstigden van 55 jaar of ouder 15 % was, terwijl begunstigden in de leeftijdscategorie 15-24 jaar 5 % uitmaakten; is in dit verband ingenomen met de nadruk die in de nieuwe verordening wordt gelegd op oudere en jongere werknemers en de opname van NEET's in bepaalde aanvragen; merkt op dat het gemiddelde percentage vrouwelijke begunstigden 33 % bedroeg en dat van mannelijke begunstigden 67 %; wijst erop dat deze cijfers een weerspiegeling vormen van het aantal mannen en vrouwen onder werknemers, dat afhankelijk van de betrokken sector kan variëren; dringt er daarom bij de Commissie op aan er bij alle EFG-aanvragen op toe te zien dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld en verzoekt de lidstaten gendergerelateerde gegevens te verzamelen om te zien hoe de re-integratiepercentages van vrouwelijke begunstigden beïnvloed worden; merkt voorts op dat bij sommige EFG-aanvragen het aantal begunstigden laag is in vergelijking met het totale aantal in aanmerking komende begunstigden, hetgeen kan leiden tot een suboptimaal effect;

21.  is van mening dat er voor de opname van NEET's in EFG-aanvragen vaak verschillende soorten maatregelen nodig zijn en meent dat alle relevante actoren, waaronder de sociale partners, lokale gemeenschapsgroepen en jongerenorganisaties, vertegenwoordigd moeten zijn in het uitvoeringsstadium van ieder programma en zich moeten inzetten voor de bevordering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om een zo groot mogelijke deelname van NEET's te waarborgen; spoort de lidstaten in dit verband aan te beschikken over een krachtige bevoegde instantie die de uitvoering van het programma coördineert, te zorgen voor toegewijde en langdurige steun om NEET's gedurende het volledige programma bij te staan en te zorgen voor een maximale uitbetaling van programmamiddelen; is van mening dat op grond van een onafhankelijke beoordeling met specifieke aandacht voor de deelname van NEET's betere werkwijzen kunnen worden geïdentificeerd; is er vast van overtuigd dat de uitzonderingsregeling met het oog op de opname van NEET's moet worden voortgezet tot aan het einde van de programmeringsperiode in december 2020;

22.  verzoekt de Commissie bij de tussentijdse evaluatie van het EFG een specifieke kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling uit te voeren van de steun uit het EFG aan werkloze jongeren die geen studie of opleiding volgen, met name in het licht van de uitvoering van de jongerengarantie en noodzakelijke synergieën tussen de nationale begrotingen, het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

23.  wijst erop dat volgens de ex-postevaluatie bij alle 73 onderzochte gevallen gemiddeld 78 % van de beschikbare steun bij de begunstigden terecht is gekomen; bij 20 van deze gevallen was dit percentage 100 % of meer; herhaalt evenwel dat het maximale benuttingspercentage per geval 100 % is en dat bij gebruik van percentages boven de 100 % een vertekend beeld ontstaat waardoor het lijkt alsof een veel hoger percentage van de steun de begunstigden bereikt dan in werkelijkheid het geval is; merkt op dat dit ook het geval is voor het begrotingsuitvoeringspercentage; dringt er bij de Commissie op aan haar cijfers aan te passen om zo te voorzien in een nauwkeurigere beoordeling van de benuttings- en begrotingsuitvoeringspercentages;

24.  is ingenomen met het feit dat veel begunstigden dankzij het EFG een nieuwe baan hebben gevonden, door een persoonlijke begeleiding bij het zoeken naar een baan en de actualisering van hun vaardigheden via opleidingsprogramma's of mobiliteitstoelagen; is ook ingenomen met het feit dat sommige werknemers via het EFG de kans hebben gekregen om ondernemer te worden, dankzij steun bij de oprichting en overname van ondernemingen; wijst derhalve met klem op de duidelijke positieve effecten die het EFG volgens de verslagen heeft op de eigenwaarde, het gevoel zelf invloed te kunnen uitoefenen en de motivatie; benadrukt dat de EFG-steun heeft bijgedragen tot meer sociale cohesie door ervoor te zorgen dat mensen opnieuw tot de arbeidsmarkt konden toetreden en niet in de werkloosheidsval terecht kwamen;

25.  merkt op dat de cijfers van het ex-post verslag aangeven dat het opleidingsniveau van EFG-begunstigden over het algemeen onder het gemiddelde ligt en zij dus over minder overdraagbare vaardigheden beschikken, wat onder normale omstandigheden hun kans op werk verkleint en hen kwetsbaarder maakt op de arbeidsmarkt; is van mening dat het EFG de beste Europese meerwaarde biedt wanneer het fonds bijstand biedt bij opleidings- en bijscholingsregelingen voor werknemers die gericht zijn op laaggeschoolde, kwetsbare groepen, waarbij de vaardigheden waar vraag naar is op de arbeidsmarkt en die nodig zijn om te ondernemen voorop worden gesteld;

26.  merkt op dat een onderzoek dat in het kader van de ex-postevaluatie is uitgevoerd gemengde resultaten opleverde, waarbij 35 % van de respondenten stelde dat de kwaliteit van de nieuwe baan beter of veel beter was, 24 % stelde dat de kwaliteit hetzelfde was en 41 % aangaf dat zij slechter of veel slechter was; beveelt de Commissie, aangezien er geen systematische gegevens voorhanden zijn waarop een beoordeling kan worden gebaseerd, evenwel aan meer nauwkeurige informatie te verzamelen over de effecten van de EFG-operaties en over de kwaliteit van die effecten, zodat zij vervolgens eventuele corrigerende maatregelen kan nemen;

Kosteneffectiviteit en toegevoegde waarde van het EFG

27.  dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten de uitvoering van de begroting van het EFG verbeteren door middel van meer flexibiliteit en efficiëntie, met de nadruk op resultaten, impact en meerwaarde en zonder het passende en transparante gebruik van de middelen en de naleving van de regels in het gedrang te brengen; is van mening dat de aanvraagprocedure moet worden versneld, zodat het EFG doeltreffender wordt voor ontslagen werknemers; maakt zich zorgen over de grote verschillen tussen de aangevraagde steun uit het EFG en de bedragen die door de lidstaten worden terugbetaald, en merkt hierbij op dat de gemiddelde begrotingsuitvoering slechts 45 % bedraagt; dringt er daarom bij de Commissie op aan de redenen voor de lage uitvoeringsgraad zorgvuldig te onderzoeken en maatregelen voor te stellen om de bestaande knelpunten aan te pakken en voor een optimaal gebruik van het fonds te zorgen; merkt op dat het aantal werknemers dat aan het eind van de EFG-steunperiode opnieuw een baan heeft, sterk uiteenloopt van 4 % tot 86 %, en onderstreept dan ook het belang van actieve en inclusieve arbeidsmarktmaatregelen; merkt op dat de EFG-uitgaven in sommige lidstaten stelselmatig betere resultaten opleveren dan in andere; stelt voor dat de Commissie begeleiding blijft bieden en de lidstaten in staat stelt goede praktijken betreffende de toepassing en het gebruik van EFG-middelen te delen om ervoor te zorgen dat per bestede euro zoveel mogelijk werknemers opnieuw een baan vinden;

28.  is van mening dat het medefinancieringspercentage van 60 % niet mag worden verhoogd;

29.  wijst erop dat volgens de ex-postevaluatie van de Commissie gemiddeld slechts 6 % van de EFG-middelen aan administratieve en beheerkosten werden besteed;

30.  wijst erop dat het belangrijkste aspect van kosteneffectiviteit zoals dit uit de beraadslagingen met de belanghebbenden naar voren is gekomen het aantal opnieuw in dienst genomen werknemers is, die nu belasting en sociale premies afdragen in plaats van een werkloosheidsuitkering of andere sociale voorzieningen te ontvangen;

31.  wijst erop dat er in een aantal EFG-dossiers sprake is van hogere kosten voor acties uit hoofde van artikel 7, lid 4, van de EFG-verordening, waardoor het totale effect van de EFG-investeringen wordt afgezwakt; dringt er bij de Commissie op aan het probleem van dergelijke kosten aan te pakken door limieten in te voeren;

32.  neemt kennis van het voorstel in de ex-postevaluatie om een contrafeitelijk effectonderzoek in te stellen als een belangrijk element om inzicht te krijgen in de toegevoegde waarde van het EFG; betreurt dat een dergelijke evaluatie nog niet is ingevoerd;

33.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat het EFG reële Europese meerwaarde heeft opgeleverd in gevallen waarin het werd gebruikt voor de medefinanciering van diensten of uitkeringen voor ontslagen werknemers die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen van de lidstaten en zo heeft bijgedragen aan een betere sociale cohesie in Europa; onderstreept dat er in sommige lidstaten tot op heden geen socialebeschermingsstelsel bestaat dat voorziet in de behoeften van de werknemers die hun baan zijn verloren;

34.  betreurt dat, volgens de Rekenkamer, een derde van de EFG-financiering wordt besteed aan nationale regelingen voor inkomenssteun voor werknemers, welke geen Europese meerwaarde opleveren; wijst erop dat de nieuwe EFG-verordening de kosten van speciale maatregelen, zoals steun voor het zoeken van werk en stimulansen voor werkgevers voor aanwerving, plafonneert op 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket, en dat de acties waaraan EFG-steun wordt toegekend niet bedoeld zijn ter vervanging van passieve socialebeschermingsmaatregelen waarin de lidstaten in hun nationale systemen voorzien; herhaalt dat het EFG geen vervanging kan vormen voor de verplichtingen van werkgevers ten aanzien van hun werknemers; spoort de Commissie voorts aan bij de volgende herziening van de verordening duidelijk te maken dat het EFG niet in de plaats mag treden van de verplichtingen van lidstaten ten aanzien van ontslagen werknemers;

35.  betreurt dat de begrotingsuitvoeringspercentages variëren van 3 % tot 110 % met een gemiddeld uitvoeringspercentage van 55 %; is van mening dat deze situatie in sommige gevallen een gevolg is van tekortkomingen tijdens de planning- of uitvoeringsfase en er verbetering in moet worden gebracht aan de hand van beter ontworpen projecten die beter worden uitgevoerd;

36.  betreurt de verminderde financiering voor het EFG; verzoekt de Commissie en lidstaten om het EFG bijkomende steun te bieden om ervoor te zorgen dat er in de behoeften kan worden voorzien; verzoekt de Commissie om te waarborgen dat er voldoende personeel is om de werklast aan te kunnen, zodat onnodige vertragingen worden voorkomen;

37.  is van mening dat EFG- en ESF-maatregelen in aanvulling op elkaar moeten worden gebruikt om zowel specifieke oplossingen voor de korte termijn als meer algemene oplossingen op de lange termijn te bieden; neemt kennis van de conclusie dat de lidstaten over het algemeen hebben gezorgd voor een effectieve coördinatie tussen de maatregelen van het EFG en het ESF en de nationale arbeidsmarktmaatregelen, en dat er bij de controle door de Rekenkamer geen gevallen van overlapping of dubbele financiering van personen zijn vastgesteld;

38.  is tevreden over het feit dat in het verslag van de Commissie over de activiteiten van het EFG in 2013 en 2014 is geconstateerd dat er in 2013 en 2014 geen onregelmatigheden werden gemeld bij de Commissie met betrekking tot de EFG-verordeningen en dat er in deze periode ook geen met het EFG verband houdende onregelmatigheden werden afgesloten;

Effecten voor kmo´s

39.  wijst erop dat kmo's 99 % van alle EU-ondernemingen uitmaken en de overgrote meerderheid van de Europese werknemers in dienst hebben; uit in dit verband zijn bezorgdheid over het feit dat het EFG slechts een zeer klein effect op kmo's heeft gehad, ondanks het feit dat kmo's een duidelijke doelgroep van het fonds zijn waarvoor specifieke criteria gelden; neemt kennis van de uitleg van de Commissie dat de getroffen werknemers van leveranciers lager in de toeleveringsketen nooit met opzet zijn uitgesloten, maar dringt er bij de Commissie op aan het EFG meer toe te spitsen op kmo's, die een belangrijke rol in de Europese economie vervullen, bijvoorbeeld door meer nadruk te leggen op de bepalingen van artikel 8, onder d), over de noodzaak om de leveranciers, downstreamproducenten of onderaannemers te identificeren van ondernemingen waar gedwongen ontslagen zijn gevallen of door een follow-up te geven aan eerdere dossiers waarin het EFG ten goede is gekomen aan kmo's, sociale ondernemingen en coöperaties, teneinde optimale werkwijzen te bevorderen; benadrukt dat meer moet worden gelet op evenredigheid tussen werknemers van kmo's en werknemers van grote ondernemingen;

40.  is ervan overtuigd dat een algemener gebruik van de afwijking van de drempels inzake ontvankelijkheid, in het voordeel van kmo's, noodzakelijk is; benadrukt het belang van de voorziening beschreven in artikel 4, lid 2, van de huidige verordening voor kmo's, omdat die het mogelijk maakt om economische sectoren die door de crisis of de globalisering zijn getroffen, per geval op regionaal niveau te herstructureren; erkent dat er zich problemen voordoen bij aanvragen in het kader van deze bepalingen en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten bij te staan bij de aanpak van deze problemen, zodat het EFG een bruikbare oplossing wordt voor ontslagen werknemers; dringt er voorts bij de Commissie en de lidstaten op aan in de planning- en aanvraagfase het "denk eerst klein"-beginsel in acht te nemen;

41.  merkt op dat de aanvragen vooral afkomstig zijn uit de be- en verwerkende industrie en de bouwsector, en dan met name uit de automobiel- en luchtvaartindustrie, en er voornamelijk steun wordt geboden aan grote ondernemingen; dringt er bij de lidstaten, evenals bij de regionale autoriteiten met exclusieve bevoegdheden, op aan ontslagen werknemers van kmo's, coöperaties en sociale ondernemingen actief te ondersteunen door gebruik te maken van de flexibiliteit waarin artikel 4, lid 2, van de huidige verordening voorziet, met name wat betreft de collectieve aanvragen door kmo's en andere faciliteiten die een sterkere ondersteuning en bredere toegang van kmo's mogelijk zouden maken; dringt er voorts op aan kmo's te informeren over de mogelijkheden die het EFG biedt; benadrukt dat in deze gevallen de ondersteuning van kmo's moet worden gezien als een toegevoegde waarde van het EFG;

42.  is tevreden over het feit dat het ex-postuitvoeringsverslag van de Commissie een positief verband heeft vastgesteld tussen de middelen die worden gebruikt voor het bevorderen van ondernemerschap en het percentage zelfstandigen na afloop van de maatregelen; merkt evenwel op dat het gemiddelde percentage zelfstandigen van alle EFG-begunstigden slechts 5 % bedraagt en dat maatregelen, zoals start-upsubsidies en andere stimulansen, moeten worden ingezet om ondernemerschap te bevorderen; onderstreept in dit verband het belang van een leven lang leren, mentorprogramma's en uitwisselingsnetwerken voor vakgenoten; is van mening dat er verdere ruimte is voor verbetering van het gebruik van het EFG, alleen of in combinatie met andere fondsen zoals de ESI-fondsen, om ondernemerschap en start-upactiviteiten te ondersteunen, maar benadrukt dat ondersteuning van ondernemerschap gebaseerd moet zijn op duurzame ondernemingsplannen; verzoekt de lidstaten de nadruk te leggen op de inclusie van vrouwen en meisjes in ondernemerschapsprogramma's;

43.  is verheugd over de inspanningen van verschillende lidstaten om intensiever gebruik te maken van de maatregelen ter ondersteuning van ondernemerschap en de sociale economie, in de vorm van subsidies voor start-ups en maatregelen die zijn gericht op het bevorderen van ondernemerschap en sociale coöperaties en diensten voor nieuwe ondernemers;

Gegevensvereisten

44.  is van mening dat de methodologische aanpak van de Commissie, gezien een aantal complicerende factoren zoals het mogelijk ontbreken van gegevens, regionale en nationale bijzonderheden, verschillende macro- en micro-economische omstandigheden, kleine steekproefaantallen en bepaalde noodzakelijke aannames, zorgvuldig en transparant moet zijn, en dat daartoe maatregelen moeten worden genomen om de tekortkomingen te verhelpen die deze aanpak bemoeilijken;

45.  onderstreept de conclusie in het verslag van de Rekenkamer dat sommige lidstaten geen kwantitatieve doelstellingen voor re-integratie hebben vastgesteld en dat de bestaande gegevens niet toereikend zijn om de effectiviteit van de maatregelen op het gebied van re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt te beoordelen; neemt kennis van de opmerking van de Commissie dat de EFG-verordening geen kwantitatieve re-integratiedoelstellingen bevat en dat de verschillende EFG-maatregelen ook op andere manieren kunnen worden beoordeeld; pleit er in dit verband voor dat de lidstaten kwantitatieve doelstellingen voor re-integratie vaststellen en systematisch onderscheid aanbrengen tussen maatregelen van het EFG, het ESF en andere nationale maatregelen die speciaal zijn ontworpen voor werknemers die de gevolgen van massaontslagen ondervinden; dringt er voorts bij de Commissie op aan informatie te verstrekken over het soort banen en de kwaliteit van de banen van herintreders op de arbeidsmarkt en over de trend op middellange termijn wat betreft het herintredingspercentage dat dankzij EFG-interventies bereikt is; stelt voorts dat de lidstaten onderscheid moeten maken tussen de twee belangrijkste soorten EFG-maatregelen, te weten actieve arbeidsmarktmaatregelen en inkomenssteun aan werknemers, en dat zij tevens gedetailleerdere informatie moeten verstrekken over de gepersonaliseerde maatregelen teneinde een zorgvuldigere kosten-batenanalyse van verschillende maatregelen mogelijk te maken; verzoekt de Commissie gegevens te verstrekken over de verzoeken om EFG-steun die op het niveau van de Commissie zijn afgewezen en de redenen waarom dit is gebeurd;

46.  herinnert de lidstaten aan hun verplichting om gegevens te verstrekken over de re-integratiepercentages 12 maanden na tenuitvoerlegging van de maatregelen, om ervoor te zorgen dat de effecten en de doeltreffendheid van het EFG naar behoren worden gemonitord;

47.  benadrukt dat auditprocedures op nationaal niveau moeten worden gestroomlijnd om samenhang en efficiëntie te waarborgen en onnodige herhaling te voorkomen tussen instanties die op verschillende controleniveaus werken;

48.  pleit voor versterking van de informatiestromen en steunregelingen tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners;

49.  pleit voor meer collegiale toetsingen, transnationale uitwisselingen of koppeling van nieuwe EFG-zaken aan eerdere EFG-zaken, teneinde de uitwisseling van goede praktijken en benutting van ervaringen te bewerkstelligen; beveelt daarom aan een platform met goede praktijken op te richten, dat eenvoudig toegankelijk is en een betere uitwisseling van integrale oplossingen mogelijk maakt;

50.  wijst op de bezorgdheid van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement met betrekking tot de methode die wordt gebruikt om de baten van het EFG te berekenen; benadrukt dat bijkomende eisen inzake de prestatie-indicatoren noodzakelijk zijn;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen met betrekking tot toelagen voor verzorgers in de huidige EFG-verordening te handhaven; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan flexibele arbeids- en opleidingsmaatregelen te ontwerpen en deze maatregelen, indien mogelijk, toe te passen in lokale gemeenschappen, aangezien vrouwelijke ontslagen werknemers in geografische zin wellicht minder flexibel zijn vanwege verplichtingen op gezinsgebied;

52.  verzoekt regionale en lokale bevoegde autoriteiten, sociale partners en maatschappelijke organisaties de inspanningen van actoren op de arbeidsmarkt te coördineren om de toegang tot EFG-financiering bij toekomstige ontslagen te vergemakkelijken; dringt voorts aan op nauwere betrokkenheid van de sociale partners bij de controle- en evaluatieactiviteiten van het Fonds, en spoort hen er met name toe aan vertegenwoordigers van vrouwelijke belanghebbenden te ondersteunen zodat er meer aandacht voor de genderaspecten is gewaarborgd.

53.  verzoekt de Commissie te overwegen om de evaluatie van EFG-dossiers aan Eurofound te delegeren, als vereist uit hoofde van artikel 20 van de verordening; is van mening dat de Commissie in het kader van een dergelijk verzoek Eurofound kan voorzien van de financiële middelen die nodig zijn overeenkomstig de huidige uitgaven voor EFG-evaluaties en personeelskosten; verzoekt de Commissie om de lidstaten te verplichten om de relevante gegevens aan Eurofound te verstrekken, aangezien het grootste struikelblok voor betere evaluaties een gebrek aan geschikte gegevens is;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.
(3) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(4) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 119.
(5) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 30.
(6) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.

Juridische mededeling