Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2814(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1043/2016

Ingediende teksten :

B8-1043/2016

Debatten :

PV 05/10/2016 - 19
CRE 05/10/2016 - 19

Stemmingen :

PV 06/10/2016 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0383

Aangenomen teksten
PDF 218kWORD 57k
Donderdag 6 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
VN-conferentie over klimaatverandering 2016 in Marrakesh, Marokko (COP22)
P8_TA(2016)0383B8-1043/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP 22) (2016/2814(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 18e conferentie van de partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de 8e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en gezien de goedkeuring van een wijziging van het protocol houdende de vaststelling van een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

–  gezien het voor ondertekening openstellen van de Overeenkomst van Parijs op 22 april 2016 in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties (VN) in New York, hetgeen nog mogelijk is tot 21 april 2017, en gezien de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs door 180 landen en de neerlegging van de akten van bekrachtiging door 27 landen, die samen instaan voor 39,08 % van de totale hoeveelheid broeikasgasemissies (met ingang van 7 september 2016),

–  gezien zijn resolutie van 14 oktober 2015 getiteld "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2016 getiteld "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag hiervan,

–  gezien het samenvattende verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2014 getiteld "The Emissions Gap Report 2014" (rapport over de emissiekloof 2014) en het rapport van het UNEP van 2014 over de aanpassingskloof,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7 t/m 8 juni 2015 in Schloss Elmau, Duitsland, getiteld "Think ahead. Act together" (Vooruitdenken. Samen handelen), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 26 t/m 27 mei 2016 in Ise-Shima, Japan, waarin zij alle partijen vragen te streven naar een inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs in 2016,

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's van februari 2016 getiteld "Too late, too sudden: Transition to a low-carbon economy and systemic risk" (Te laat, te plots: overgang naar een koolstofarme economie en systeemrisico's),

–  gezien de encycliek "Laudato si'",

–  gezien de tekst "10 Key Messages on Climate Change" (10 kernpunten inzake klimaatverandering) van het Internationaal panel voor hulpbronnen van december 2015,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs in werking treedt op de dertigste dag na de datum waarop ten minste 55 partijen bij het verdrag, die samen goed zijn voor naar schatting ten minste 55 % van de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben neergelegd;

B.  overwegende dat het emissiereductietraject dat is vastgelegd in de voorstellen van de Commissie voor het beleidskader voor klimaat 2030 niet in overeenstemming is met de in de Overeenkomst van Parijs opgenomen doelstellingen; overwegende dat, als een eerste stap, de doelstellingen moeten worden bijgesteld naar de hoogste waarden van de huidige 2050-marge, d.w.z. 95 % tegen 2050;

C.  overwegende dat de inspanningen om de opwarming van de aarde te beperken niet mogen worden gezien als een obstakel voor het streven naar economische groei, maar integendeel moeten worden gezien als een hefboom voor het realiseren van nieuwe en duurzame economische groei en werkgelegenheid;

D.  overwegende dat klimaatverandering de concurrentie om hulpbronnen zoals voedsel, water en weilanden kan vergroten, economische tegenspoed en politieke instabiliteit in de hand kan werken en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer voor volksverhuizingen, zowel binnen als buiten nationale grenzen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is de kwestie van klimaatgedreven migratie bovenaan op de internationale agenda te plaatsen;

E.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering harder zullen worden gevoeld in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en in kleine insulaire ontwikkelingslanden die niet voldoende middelen hebben om zich voor te bereiden op en zich aan te passen aan de veranderingen die plaatsvinden; overwegende dat Afrika volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) bijzonder kwetsbaar is ten aanzien van deze uitdaging en daardoor in het bijzonder wordt blootgesteld aan waterstress, erg gewelddadige meteorologische fenomenen en voedselonzekerheid ten gevolge van droogte en woestijnvorming;

F.  overwegende dat de EU en haar lidstaten op 6 maart 2015 hun voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage (INDC) in het kader van het UNFCCC hebben voorgelegd, waarin wordt voorzien in een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 ten opzichte van het niveau van 1990, zoals vastgesteld in de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2014 over het beleidskader voor klimaat en energie 2030;

Klimaatactie op een gedegen wetenschappelijke basis

1.  herinnert eraan dat in het AR5 van de IPCC van 2014 wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat klimaatverandering plaatsvindt en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de opwarming die sinds het midden van de 20e eeuw is waargenomen; toont zich bezorgd over het feit dat verstrekkende en substantiële effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in alle oceanen;

2.  neemt kennis van de conclusies van het UNFCCC-secretariaat dat het resterende koolstofbudget om de gemiddelde temperatuurstijging wereldwijd tot 1,5 °C te beperken binnen de volgende vijf jaar zal zijn opgebruikt wanneer we op het huidige niveau van wereldwijde broeikasgasemissies blijven; benadrukt dat alle landen de in de overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar een nulniveau van broeikasgasemissies en naar klimaatbestendigheid moeten versnellen om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te voorkomen;

3.  dringt er bij de ontwikkelde landen, en vooral de EU, op aan hun broeikasgasemissies drastisch en meer dan tot nu toe is beloofd te verminderen, teneinde in de mate van het mogelijke te vermijden dat negatieve emissies op grote schaal voorkomen, aangezien er nog geen bewijs is dat de technologieën hiervoor succesvol, sociaal aanvaardbaar, kostenefficiënt en veilig zijn;

Dringende noodzaak van het ratificeren en uitvoeren van de Overeenkomst van Parijs

4.  is ingenomen met de klimaatovereenkomst van Parijs als een mijlpaal in de strijd tegen de klimaatverandering en voor het multilateralisme; is van mening dat de overeenkomst ambitieus, evenwichtig, rechtvaardig en juridisch bindend is, en dat de aanneming van de overeenkomst en de cumulatieve aankondigingen tegen het einde van de COP 21 van de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) door 187 partijen een beslissend keerpunt vormen op weg naar alomvattende en collectieve mondiale maatregelen die, eens ze zijn uitgevoerd, definitief en onherroepelijk zullen zorgen voor een snellere overgang naar een klimaatbestendige, klimaatneutrale wereldeconomie;

5.  is uiterst ingenomen met het engagement van alle landen om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C, alsook met het streven om een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies door bronnen en de verwijdering van broeikasgassen door putten ("CO2-neutraliteit") in de tweede helft van deze eeuw, op basis van billijkheid;

6.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur tot ruim onder 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve gevolgen voor het klimaat zullen worden voorkomen; erkent dat een goed inzicht moet worden ontwikkeld over wat een beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 1,5 °C specifiek inhoudt voor het beleid; is derhalve tevreden dat de IPCC hiertoe tegen 2018 een speciaal rapport voorbereidt; beklemtoont dat het potentieel van koolstofputten op het vlak van hun bijdrage aan CO2-neutraliteit niet mag worden overschat;

7.  herinnert eraan dat het nodig is spoedig tot decarbonisatie over te gaan om de gemiddelde temperatuurstijging op aarde onder 2 °C te houden en tegelijk inspanningen te leveren om deze stijging tot 1,5 °C te beperken, en dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken; herinnert eraan dat de wereldwijde emissies geleidelijk moeten verdwijnen, uiterlijk in 2050 of kort daarna; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen hun nationale decarbonisatiedoelstellingen en -strategieën uit te voeren door prioriteit te geven aan het afbouwen van emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron en vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van goede praktijken te verstrekken;

8.  benadrukt dat met de juridisch bindende Overeenkomst van Parijs en het uitgestippelde pad naar decarbonisatie een betrouwbare leidraad voor de besluitvorming is gecreëerd waarmee dure afhankelijkheid van koolstofintensieve investeringen zal worden vermeden, rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor bedrijven en investeerders wordt geboden, alsook een stimulans voor een verschuiving van investeringen in fossiele brandstoffen naar koolstofarme investeringen;

9.  beklemtoont dat, zelfs al is er geen wetenschappelijk bewijs over wat een beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C betekent voor elke sector en elke regio, de inspanningen die landen momenteel leveren duidelijk niet volstaan om deze veilige grenswaarden te bereiken voor de meest kwetsbare landen; dringt er bij alle landen, met name de ontwikkelde landen, op aan dat zij hun gezamenlijke inspanningen opvoeren en hun nationaal vastgestelde bijdragen (NDC's) naar boven bijstellen in de context van de faciliterende dialoog in 2018; vraagt de EU dat zij zich in deze context verbindt tot verdere emissiereducties in haar NDC voor 2030; wijst erop dat maatregelen in de Europese Unie alleen niet zullen volstaan, en verzoekt de Commissie en de Raad derhalve hun activiteiten te intensiveren om andere partners ertoe aan te sporen hetzelfde te doen;

10.  toont zich verheugd over het engagement van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde broeikasgasemissies tot nul te reduceren in de tweede helft van de eeuw; erkent dat dit betekent dat de meeste sectoren in de EU aanzienlijk vroeger een nulniveau van emissies moeten realiseren; benadrukt dat de EU druk moet uitoefenen op partijen die een traject volgen dat niet strookt met de Overeenkomst van Parijs;

11.  dringt erop aan dat de Overeenkomst van Parijs vroeg in werking treedt en roept de Commissie en de lidstaten op een vroege en spoedige ratificatie te garanderen zodat de inwerkingtreding van de overeenkomst geen vertraging oploopt; verzoekt de Commissie derhalve regelmatig aan het Parlement en de bevoegde commissies verslag uit te brengen over de vorderingen van het ratificatieproces en vooral over de redenen van eventuele nog vastgestelde obstakels; is verheugd dat de nationale bekrachtigingsprocedures van sommige lidstaten al in gang zijn gezet en dat die van een aantal andere lidstaten reeds zijn afgerond;

12.  betreurt evenwel dat de som van alle INDC's de wereld niet eens in de buurt brengt van de tweegradendoelstelling; wijst erop dat er meer ambitie nodig is en dringt aan op een gezamenlijke inspanning van de EU en andere grote uitstoters om hun INDC's in overeenstemming met de in de Overeenkomst van Parijs opgenomen verbintenissen te brengen; benadrukt dat het dringend nodig en van cruciaal belang is dat alle partijen, met inbegrip van de EU, hun engagementen inzake emissiereducties in hun NDC's om de vijf jaar naar boven bijstellen overeenkomstig het ambitiemechanisme in de Overeenkomst van Parijs; is van mening dat de NDC's belangrijke instrumenten zijn voor nationale ontwikkelingsplanning in synergie met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

13.  benadrukt dat moet worden getoond dat de EU zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt, onder meer door de doelstellingen en beleidsinstrumenten van de EU voor de middellange en lange termijn te herzien en zo snel mogelijk met dit proces te beginnen, teneinde een breed debat mogelijk te maken waarin het Parlement een cruciale rol moet spelen, in partnerschap met vertegenwoordigers van de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven; vraagt dat de Commissie een nulemissiestrategie voor de EU voor het midden van de eeuw voorbereidt, waarin een kostenefficiënt traject wordt uitgestippeld in de richting van de verwezenlijking van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit die in de Overeenkomst van Parijs is vastgesteld;

COP 22 in Marrakesh

14.  is van mening dat er in de onderhandelingen vooruitgang moet worden geboekt op de centrale punten van de Overeenkomst van Parijs, waaronder een verbeterd transparantiekader, bijzonderheden van de algemene inventarisatie, nadere richtsnoeren inzake INDC's, inzicht in differentiëring, verlies en schade, klimaatfinanciering en capaciteitsondersteuning, inclusieve multi-level governance, alsook een mechanisme om de uitvoering te faciliteren en de naleving te bevorderen; spoort de Commissie en de lidstaten aan de in het kader van de Overeenkomst van Parijs overeengekomen beloften na te komen, met name wat betreft de EU-bijdrage tot mitigatie en aanpassing, alsook haar steun op het gebied van financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw, in weerwil van eventuele wijzigingen in de status van EU-lidstaten;

15.  beklemtoont dat de tijd dringt om de klimaatverandering met gezamenlijke inspanningen te bestrijden en de Overeenkomst van Parijs na te komen; onderstreept dat de EU zowel de capaciteit als de verantwoordelijkheid heeft om hierin het voortouw te nemen en onmiddellijk moet beginnen haar klimaat- en energiedoelstellingen aan te passen aan de internationaal overeengekomen doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2 °C, terwijl ze haar inspanningen om deze stijging tot 1,5 °C te beperken dient voort te zetten;

16.  spoort de EU en de lidstaten aan actief betrokken te blijven bij de zogenaamde "zeer ambitieuze coalitie" en zich ertoe te verbinden het onderhandelingsproces te bespoedigen en het Marokkaans voorzitterschap te steunen in zijn aandacht voor de bijdrage van hernieuwbare energie en aanpassingsmaatregelen aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering;

17.  benadrukt dat besprekingen moeten worden opgestart over de invulling van de faciliterende dialoog in 2018, die een belangrijke kans biedt om, uitgaande van de huidige INDC's, de aanhoudende kloof met betrekking tot de mitigatie-inspanningen te dichten; is van mening dat de EU een proactieve rol moet spelen in deze eerste faciliterende dialoog om een stand van zaken op te maken van de gezamenlijke ambitie en de vooruitgang bij het verwezenlijken van de toezeggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ruim voor aanvang van de faciliterende dialoog bijkomende broeikasgasemissiereducties voor te leggen die verder gaan dan de huidige toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die op adequate wijze bijdragen aan het dichten van de mitigatiekloof in overeenstemming met de capaciteiten van de EU;

18.  herinnert eraan dat het opvoeren van mitigatiemaatregelen in de periode vóór 2020 een absolute voorwaarde is om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te realiseren, en een cruciaal element vormt om het succes van de COP 22 in Marrakesh aan af te meten;

Ambities voor de periode tot 2020 en het Protocol van Kyoto

19.  merkt op dat de EU nu goed op koers ligt om meer te bereiken dan haar doelstellingen voor 2020 inzake de reductie van broeikasgasemissies en te voldoen aan haar doelstelling voor 2020 inzake hernieuwbare energie, en dat er inzake energie-intensiteit aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd dankzij efficiëntere gebouwen, producten, industriële processen en voertuigen, en dat alles terwijl de Europese economie sinds 1990 in reële cijfers met 45 % is gegroeid; wijst er evenwel op dat er meer ambitie en meer maatregelen nodig zijn om voldoende stimulansen te behouden voor de reductie van broeikasgasemissies die vereist is om de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor 2050 te halen; onderstreept dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake het verminderen van de broeikasgasemissies in de vervoers- en landbouwsector wat betreft de doelstellingen voor 2020 en dat extra inspanningen moeten worden geleverd met het oog op de bijdragen van deze sectoren aan de emissiereducties tegen 2030;

20.  benadrukt dat de 20/20/20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen drijvende krachten zijn gebleken voor deze vooruitgang en voor de instandhouding van de werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse ecobedrijfstakken, terwijl tijdens de economische crisis een gestage groei werd opgetekend;

21.  maakt duidelijk dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto weliswaar beperkt in omvang is, maar toch gezien moet worden als een belangrijke tussenstap, en verzoekt daarom de partijen, waaronder de lidstaten van de EU, om het ratificatieproces zo spoedig mogelijk af te ronden; merkt op dat het Europees Parlement zijn rol heeft vervuld door zijn goedkeuring te geven en toont zijn waardering voor de lidstaten die hun nationale ratificatieproces reeds hebben voltooid;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

22.  is verheugd dat in de hele wereld emissiehandelssystemen worden ontwikkeld, waaronder zeventien emissiehandelssystemen die op vier continenten actief zijn en samen 40 % van het mondiale bbp vertegenwoordigen en die de wereldwijde emissies op een kosteneffectieve manier helpen verminderen; spoort de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; vraagt dat krachtige inspanningen worden geleverd om lidstaten met een veranderende status binnen de EU-ETS te houden; verzoekt de Commissie waarborgen tot stand te brengen om ervoor te zorgen dat de koppeling van de EU-ETS aan andere regelingen permanente mitigatiebijdragen oplevert en de interne EU-doelstelling inzake broeikasgasemissies niet ondermijnt;

23.  benadrukt dat volgens de bevindingen van de IPCC de emissies uit landgebruik (landbouw, veeteelt, bosbouw en andere vormen van landgebruik) een aanzienlijk kosteneffectief potentieel hebben als het gaat om mitigatie en het vergroten van de veerkracht, en dat er meer EU-maatregelen en internationale samenwerking nodig zijn om het potentieel inzake het afvangen van koolstof van emissies uit landgebruik beter in te schatten en te optimaliseren en te zorgen voor veilige en duurzame koolstofvastlegging; wijst op de bijzondere kansen die dit voor de boslandbouw biedt; herinnert aan het belangrijk akkoord dat aan het begin van de zittingsperiode werd bereikt op het vlak van indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) en hoopt dat de bijdrage van het Parlement tijdens de onderhandelingen de basis kan vormen voor een ambitieuze oplossing in het kader van de volgende herziening van de regelgeving;

24.  merkt op dat ontbossing en bosdegradatie verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt het belang van bossen en actief duurzaam bosbeheer voor de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om het aanpassingsvermogen en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; benadrukt dat mitigatie-inspanningen moeten worden geleverd gericht op de tropische bosbouwsector (REDD+); onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstelling om de opwarming van de aarde onder de 2 °C te houden zonder deze inspanningen wellicht onmogelijk zal blijken; vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

25.  benadrukt dat het belangrijk is ervoor te waken dat de mensenrechten centraal blijven in klimaatacties, en vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over aanpassingsmaatregelen de noodzaak wordt erkend van respect voor en bescherming en bevordering van de mensenrechten, onder andere op het gebied van gendergelijkheid, volledige en gelijke deelname van vrouwen en de actieve bevordering van een rechtvaardige overgang van het werkbestand, zodat fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen voor iedereen worden gecreëerd;

26.  dringt erop aan dat LULUCF (landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw) wordt opgenomen in het beleidskader van de EU voor klimaat en energie voor 2030, aangezien deze emissies afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen om te vermijden dat de koolstofput van LULUCF in de EU wordt gebruikt om de mitigatie-inspanningen in andere sectoren af te bouwen;

27.  herinnert eraan dat de vervoerssector de op één na grootste bron van broeikasgasemissies is; betreurt het dat de internationale luchtvaart en scheepvaart niet worden genoemd in de Overeenkomst van Parijs; staat erop dat er een reeks beleidsmaatregelen wordt ingevoerd om de uit deze sector afkomstige emissies te verminderen; herhaalt dat de partijen bij het UNFCCC actie moeten ondernemen om de emissies van de internationale lucht- en scheepvaart op doeltreffende wijze te reguleren en te plafonneren, in overeenstemming met de behoeften en de urgentie van de situatie; dringt er bij alle partijen op aan via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te werken aan de ontwikkeling van een globaal beleidskader om een doeltreffende respons mogelijk te maken, alsook maatregelen te nemen om vóór het einde van 2016 adequate doelstellingen vast te stellen voor de verwezenlijking van de noodzakelijke reducties in het licht van de doelstelling om ruim onder de 2 °C te blijven;

28.  herinnert eraan dat broeikasgasemissies van de luchtvaartsector op 1 januari 2012 in de EU-ETS werden opgenomen, waardoor alle vliegtuigexploitanten in het kader van de ETS verplicht zijn CO2-emissierechten te bekomen; merkt op dat in 2013 en 2014 twee stop-de-tijd-besluiten werden aangenomen, waardoor het toepassingsgebied van de EU-ETS tijdelijk werd beperkt en internationale vluchten ervan werden uitgesloten, zodat de ICAO tijd zou krijgen om een mondiale marktgebaseerde maatregel ter beperking van emissies van de internationale luchtvaart te ontwikkelen, en stelt vast dat deze vrijstelling vanaf 2017 afloopt;

29.  pleit ervoor dat op de momenteel aan de gang zijnde 39e bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de ICAO een billijke en krachtige wereldwijde marktgebaseerde maatregel wordt ingesteld, die vanaf 2020 op internationaal niveau moet worden ingevoerd; uit zijn diepe teleurstelling over het voorstel dat momenteel bij de ICAO wordt besproken en herinnert eraan dat elke wijziging van de bestaande wetgeving waardoor de luchtvaart in de EU-ETS wordt opgenomen slechts in overweging kan worden genomen als de mondiale marktgebaseerde maatregel ambitieus is, en dat intra-Europese vluchten in ieder geval binnen het toepassingsgebied van de EU-ETS zullen blijven;

30.  wijst op de waarschuwing van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB), dat indien het belang van emissiecontrole pas in een laat stadium wordt erkend, dit zou kunnen leiden tot een abrupte invoering van kwantitatieve beperkingen op het gebruik van koolstofintensieve energiebronnen en dat de kosten van de transitie navenant hoger zullen zijn, met mogelijke gevolgen voor economische activiteiten en financiële instellingen; verzoekt de Commissie verder na te gaan welke systeemrisico's met een abrupte transitie gepaard kunnen gaan en in voorkomend geval voorstellen te doen voor transparantieverplichtingen voor financiële markten en voor maatregelen om systeemrisico's zoveel mogelijk te beperken;

31.  wijst op de centrale rol die de circulaire economie zal vervullen voor de overgang naar een koolstofarme samenleving; merkt op dat maatregelen die uitsluitend op emissiereductie zijn toegespitst en geen rekening houden met de bijdrage van de inzet van hernieuwbare energie en een efficiënt hulpbronnengebruik hun doel niet zullen bereiken; meent dat er gezien de gevolgen van het grondstoffengebruik en het afvalbeheer voor broeikasgasemissies op de COP 22 voldoende aandacht moet worden besteed aan de transitie naar een wereldwijde circulaire economie;

32.  benadrukt het belang van een holistische, systemische benadering voor het formuleren en uitvoeren van beleid ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en wijst met name op de ontkoppeling tussen economische groei en het welzijn van de mens enerzijds, en het verbruik van hulpbronnen anderzijds, aangezien hulpbronnenefficiëntie zowel leidt tot een vermindering van broeikasgasemissies als van andere vormen van druk op het milieu en op hulpbronnen en tegelijkertijd duurzame groei bevordert, terwijl een beleid dat alleen gericht is op de vermindering van broeikasgasemissies niet gelijktijdig hulpbronnenefficiëntie garandeert; onderstreept dat een efficiënt hulpbronnengebruik winst oplevert voor de economie en het milieu; benadrukt dat de circulaire economie en een goed beheer van natuurlijke hulpbronnen een belangrijke hefboom kunnen zijn voor het klimaatprobleem; stelt bijvoorbeeld dat een groot deel van het energieverbruik rechtstreeks samenhangt met de winning, de verwerking, het vervoer, de transformatie, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; stelt dat het verhogen van de productiviteit van hulpbronnen via efficiëntieverbetering en een beperking van de verspilling van grondstoffen door middel van hergebruik, herverwerking en recycling ook bijdraagt aan een aanzienlijke daling van het verbruik van hulpbronnen en meteen ook van de uitstoot van broeikasgassen; wijst in dit verband op de activiteiten van het Internationaal panel voor hulpbronnen;

Vermindering van niet-CO2-emissies

33.  is ingenomen met de verklaring van de leiders op de G7-top van 26 t/m 27 mei 2016 in Ise-Shima, Japan, waarin de nadruk wordt gelegd op het belang van een beperking van emissies van kortlevende verontreinigende stoffen, waaronder zwarte koolstof, fluorkoolwaterstoffen en methaan, om het tempo van de opwarming op korte termijn te doen dalen;

34.  dringt erop aan dat in het kader van het Protocol van Montreal een ambitieus plan wordt aangenomen om fluorkoolwaterstoffen in 2016 wereldwijd geleidelijk af te bouwen; herinnert eraan dat de EU ambitieuze wetgeving heeft vastgesteld om het gebruik van fluorkoolwaterstoffen uiterlijk in 2030 met 79% af te bouwen, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven op grote schaal beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut; merkt op dat het geleidelijk afbouwen van het gebruik van fluorkoolwaterstoffen een voorbeeld is van een mitigatiemaatregel die binnen en buiten de EU gemakkelijk te verwezenlijken is;

Industrie en concurrentievermogen

35.  onderstreept dat de bestrijding van de klimaatverandering de prioriteit is en wereldwijd moet worden nagestreefd, en dat daarbij moet worden gezorgd voor energiezekerheid en de ontwikkeling van duurzame economische groei en werkgelegenheid;

36.  beklemtoont dat voor klimaatgerelateerde investeringen een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke politieke signalen nodig zijn;

37.  is verheugd dat China en andere grote concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU een emissiehandelssysteem of andere prijsmechanismen invoeren; meent dat de EU, totdat er gelijke concurrentievoorwaarden tot stand zijn gebracht, adequate en evenredige maatregelen moet handhaven om het concurrentievermogen van haar industrie te garanderen en, waar nodig, koolstoflekkage moet voorkomen, vanuit de overweging dat energie-, industrie- en klimaatbeleid hand in hand gaan;

38.  onderstreept dat beter gebruik moet worden gemaakt van de bestaande programma's en instrumenten, zoals Horizon 2020, die openstaan voor de deelname van derde landen, met name op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, en dat duurzaamheid in de relevante programma's moet worden geïntegreerd;

Energiebeleid

39.  verzoekt de EU de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, waaronder een tijdschema voor de geleidelijke afschaffing van voor het milieu of de economie schadelijke subsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen;

40.  benadrukt dat een ambitieuzere doelstelling voor energie-efficiëntie in de Europese Unie kan helpen bij het verwezenlijken van een ambitieuze klimaatdoelstelling, en tegelijk ook het risico van koolstoflekkage kan verminderen;

41.  wijst erop dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energie van groot belang zijn voor het verminderen van emissies, alsook voor economische besparingen, energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede om kwetsbare huishoudens te beschermen en te helpen; dringt aan op de wereldwijde bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen en de ontwikkeling van hernieuwbare energie (bijvoorbeeld door het zelf opwekken en verbruiken van hernieuwbare energiebronnen te stimuleren) en wijst erop dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energie twee hoofddoelstellingen zijn van de energie-unie van de EU;

Onderzoek, innovatie en digitale technologieën

42.  onderstreept dat onderzoek en innovatie op het vlak van klimaatverandering en aanpassingsmaatregelen, alsook op het vlak van hulpbronnenefficiënte en emissiearme technologieën, cruciaal zijn voor een kostenefficiënte bestrijding van de klimaatverandering, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen en het gebruik van secundaire grondstoffen moeten bevorderen; dringt daarom aan op een wereldwijd engagement om de investeringen op dit gebied te bevorderen en hierop te concentreren;

43.  herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen een van de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie vormen; stelt vast dat de EU vastbesloten is een wereldleider te blijven op deze gebieden en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners te ontwikkelen; wijst erop dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van schone en duurzame energietechnologieën moet worden opgebouwd en gehandhaafd;

44.  wijst erop dat digitale technologieën de rol van katalysator kunnen vervullen voor de transformatie van het energiesysteem; onderstreept het belang van de ontwikkeling van technologieën voor energieopslag, die zullen bijdragen aan het koolstofvrij maken van de elektriciteitssector en de sector van verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

45.  onderstreept dat het aantal geschoolde werknemers in de sector moet worden verhoogd en dat kennis en beste praktijken moeten worden bevorderd om het scheppen van kwaliteitsvolle banen te stimuleren, terwijl waar nodig steun moet worden verleend aan de transitie van de werknemers;

46.  dringt aan op een beter gebruik van technologie, zoals ruimtesatellieten, voor het accuraat verzamelen van gegevens over emissies, temperatuur en klimaatverandering; wijst met name op de bijdrage die door het Copernicusprogramma is geleverd; dringt ook aan op transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen en op de openstelling van gegevens voor de wetenschappelijke gemeenschap;

De rol van niet-overheidsactoren

47.  wijst op de acties die worden ondernomen door een steeds grotere verscheidenheid aan niet-overheidsactoren om koolstofvrij te worden en beter bestand te zijn tegen klimaatverandering; benadrukt daarom het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, het bedrijfsleven, inclusief kleine en middelgrote ondernemingen, steden, regio's, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, en van hun betrokkenheid bij de planning en uitvoering van klimaatacties, teneinde krachtige, wereldwijde maatregelen te nemen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken; is ingenomen met de oprichting van de "Global Climate Action Agenda" (agenda voor mondiale klimaatactie), die voortbouwt op de actieagenda Lima-Parijs en waarbij 70 initiatieven van multistakeholders in verschillende sectoren betrokken zijn;

48.  benadrukt dat het platform van niet-statelijke actoren voor klimaatactie (NAZCA) volledig moet worden geïntegreerd in het kader van het UNFCCC; stelt vast dat plaatselijke en regionale autoriteiten de grootste bijdrage leveren aan de actieagenda Lima-Parijs en NAZCA en al blijk hebben gegeven van hun engagement om werk te maken van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, zowel wat mitigatie als aanpassing betreft, door te zorgen voor horizontale coördinatie en integratie van het beleid inzake klimaatverandering, meer bevoegdheden te geven aan plaatselijke gemeenschappen en burgers, en processen van maatschappelijke veranderingen en innovatie te bevorderen, met name via initiatieven zoals het wereldwijde burgemeestersconvenant en het "onder 2"-memorandum van overeenstemming;

49.  verzoekt de EU en de lidstaten met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) samen te werken om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer), alsook initiatieven met betrekking tot aanpassing en veerkracht, zodat het hoofd kan worden geboden aan aanpassingsproblemen, met name wat betreft de toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze actieagenda te ondersteunen en te versterken;

50.  is van mening dat het van belang is te garanderen dat de legitieme lobbyactiviteiten tijdens de onderhandelingen over de toekomstige COP 22 door de grootste transparantie worden gekenmerkt en dat alle officieel erkende belanghebbende partijen gelijke toegang krijgen tot alle noodzakelijke informatie;

51.  herinnert de partijen en de VN zelf eraan dat individuele acties even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; dringt er daarom op aan meer bewustmakings- en informatiecampagnes te organiseren voor de bevolking over de kleine en grote gebaren die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

52.  benadrukt dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling; vraagt dat dienovereenkomstig langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen ervan en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen;

53.  dringt bij de Commissie aan op een herziening van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering die in 2013 is goedgekeurd; verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een juridisch bindend instrument indien de in de lidstaten genomen maatregelen ontoereikend worden geacht;

54.  onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd zware schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële stimulans voor innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

55.  vraagt dat de problematiek van klimaatvluchtelingen en de omvang daarvan, die het gevolg zijn van klimaatrampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde, ernstig worden genomen; stelt bezorgd vast dat tussen 2008 en 2013 166 miljoen mensen gedwongen werden hun huis te verlaten vanwege overstromingen, stormen, aardbevingen en andere rampen; vestigt bijzondere aandacht op het feit dat de klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika en het Midden-Oosten politieke instabiliteit, economische tegenspoed en een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken;

56.  waardeert de inspanningen van het internationaal mechanisme van Warschau voor schade en verlies, dat op de COP 22 zal worden geëvalueerd; vraagt dat het mechanisme blijft bijdragen aan een beter inzicht en een grotere deskundigheid met betrekking tot de manier waarop de gevolgen van de klimaatverandering van invloed zijn op patronen van migratie, ontheemding en menselijke mobiliteit, en te bevorderen dat er iets wordt gedaan met dit inzicht en deze deskundigheid;

57.  vraagt de EU en alle andere landen dat zij de mensenrechtendimensie en de sociale gevolgen van klimaatverandering aanpakken, dat zij zorgen voor de bescherming en bevordering van mensenrechten en solidariteit en dat zij steun verlenen aan armere landen waarvan de capaciteiten onder druk komen te staan door de gevolgen van de klimaatverandering;

Steun aan ontwikkelingslanden

58.  benadrukt dat ook de ontwikkelingslanden een belangrijke rol spelen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en dat deze landen geholpen moeten worden om hun klimaatplannen uit te voeren door ten volle gebruik te maken van de synergieën met de desbetreffende duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de uitgevoerde klimaatmaatregelen, het actieprogramma van Addis Abeba en de Agenda 2030;

59.  onderstreept dat de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, moet worden bevorderd door op grotere schaal hernieuwbare energie in te zetten; merkt op dat Afrika over enorme hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen beschikt die de energiezekerheid van het continent kunnen waarborgen; onderstreept dat Europa, indien men erin slaagt interconnecties voor elektriciteit tot stand te brengen, op termijn een deel van haar energie uit Afrika zou kunnen halen;

60.  benadrukt dat de EU de ervaring, de capaciteit en de mondiale reikwijdte heeft om het voortouw te nemen bij de opbouw van de slimmere, schonere en meer klimaatbestendige infrastructuur die nodig is om de door Parijs gestimuleerde mondiale transitie waar te maken; verzoekt de EU steun te verlenen aan de inspanningen van ontwikkelingslanden om over te schakelen naar koolstofarme samenlevingen die inclusiever, sociaal en ecologisch duurzamer, welvarender en veiliger zijn;

Klimaatfinanciering

61.  merkt op dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat genoeg klimaatfinanciering wordt vrijgemaakt om de doelstelling van 100 miljard USD uiterlijk in 2020 te behalen; is verheugd over de voortzetting ervan tot 2025; dringt er bij de EU en alle partijen die daartoe in staat zijn op aan dat zij hun verplichtingen nakomen om klimaatfinanciering te verstrekken voor de ondersteuning van grotere inspanningen voor het verminderen van broeikasgasemissies en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering, gezien de omvang en dringende noodzaak van de uitdaging; beseft dat er aanzienlijk meer koolstofarme, klimaatbestendige investeringen en inspanningen voor de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen nodig zijn om gevaarlijke klimaateffecten tot een minimum te herleiden; benadrukt dat moet worden aangezet tot bredere financiële stromen door middel van koolstofbeprijzing en publiek-private partnerschappen;

62.  dringt aan op concrete toezeggingen op EU- en internationaal niveau om in aanvullende bronnen van klimaatfinanciering te voorzien, onder meer door een belasting op financiële transacties in te voeren, door in de periode van 2021 tot 2030 een deel van de emissierechten uit de EU-ETS opzij te zetten en door inkomsten uit EU- en internationale maatregelen inzake de emissies van de lucht- en zeevaart toe te wijzen aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds die onder meer bedoeld zijn voor projecten met betrekking tot technologische innovatie;

63.  is verheugd over het engagement in het kader van de Overeenkomst van Parijs om alle geldstromen te doen sporen met de beginselen van geringe broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling; meent dat dit de EU ertoe verplicht dringend iets te doen aan de geldstromen naar fossiele brandstoffen en koolstofrijke infrastructuur;

64.  kijkt uit naar de faciliterende dialoog om mogelijkheden te vinden om de financiële middelen te verhogen en een betere mitigatie door alle partijen te ondersteunen; erkent dat alle partijen, donoren en begunstigden de verantwoordelijkheid hebben samen te werken om de steun naar een hoger niveau te tillen en toegankelijker en doeltreffender te maken;

65.  verzoekt de Commissie een volledige evaluatie te maken van de mogelijke gevolgen van de Overeenkomst van Parijs voor de EU-begroting en een specifiek, automatisch EU-financieringsmechanisme te ontwikkelen om te zorgen voor aanvullende en toereikende steun waarmee de EU haar deel inbrengt om de beoogde internationale klimaatfinanciering van 100 miljard USD te verwezenlijken;

66.  pleit ervoor om een breedgedragen koolstofbeprijzing in te zetten als wereldwijd toepasbaar instrument voor het beheer van emissies en om inkomsten uit emissiehandel, alsook inkomsten uit de koolstofbeprijzing van voor het internationaal vervoer gebruikte brandstoffen, aan klimaatgerelateerde investeringen toe te wijzen; dringt er bovendien op aan dat landbouwsubsidies gedeeltelijk worden gebruikt om investeringen ten behoeve van de opwekking en het gebruik van duurzame energie op landbouwbedrijven te garanderen; benadrukt hoe belangrijk het is kapitaal uit de particuliere sector aan te trekken en de nodige investeringen in koolstofarme technologie vrij te maken; pleit voor een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, waaronder banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "minder dan 2 °C"-doelstelling af te stemmen en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door exportkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen; dringt aan op specifieke overheidsgaranties voor groene investeringen, op keurmerken en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en op de uitgifte van groene obligaties;

67.  wijst erop hoe belangrijk het is ervaringen te delen over de integratie van het duurzaamheidsvraagstuk in de financiële sectoren, zowel op internationaal als op Europees niveau, en vraagt na te denken over het toekennen van een keurmerk aan financiële producten, aan de hand van een beoordeling en een rapport betreffende hun gevoeligheid voor klimaatgerelateerde risico's, alsook hun bijdrage aan de overgang naar een koolstofarme economie, teneinde investeerders betrouwbare en beknopte informatie over niet-financiële kwesties te verstrekken;

Klimaatdiplomatie

68.  is verheugd dat de EU aandacht blijft besteden aan klimaatdiplomatie, wat van essentieel belang is om klimaatactie in partnerlanden en in de publieke opinie overal ter wereld meer zichtbaarheid te geven; benadrukt dat de EU, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een enorme capaciteit op het vlak van buitenlands beleid hebben en in klimaatfora het voortouw moeten nemen; benadrukt dat ambitieuze en dringende klimaatmaatregelen en de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de COP 21 een van de prioriteiten van de EU moeten blijven in de bilaterale en biregionale dialogen op hoog niveau met partnerlanden, de G7, de G20, de VN en andere internationale fora;

69.  verzoekt de EU om er bij de inspanningen die zij op het vlak van klimaatdiplomatie onderneemt vooral voor te zorgen dat de overeenkomst van Parijs een stevige structuur krijgt;

Het Europees Parlement

70.  verbindt zich ertoe de Overeenkomst van Parijs zo spoedig mogelijk te ratificeren, zijn internationale rol en lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te benutten om consequent naar vooruitgang te streven voor een snelle ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

71.  is van mening dat het Parlement goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd, aangezien het ook zijn goedkeuring zal moeten geven aan een internationale overeenkomst; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Marrakesh mag bijwonen en dat het van bij de start van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0359.

Juridische mededeling