Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2326(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0262/2016

Ingediende teksten :

A8-0262/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/10/2016 - 5.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0385

Aangenomen teksten
PDF 178kWORD 49k
Donderdag 6 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag 2014 over de controle op de toepassing van het Unierecht
P8_TA(2016)0385A8-0262/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014 (2015/2326(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het 32e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2014) (COM(2015)0329),

–  gezien het verslag van de Commissie "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie "Tweede evaluatieverslag over EU-Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld "Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie" (COM(2012)0154),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

–  gezien het interinstitutioneel ontwerpakkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven,

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over het 30ste en 31ste jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)(1),

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0262/2016),

A.  overwegende dat artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-handvest);

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies moet uitbrengen indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen en dat zij de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

D.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling maar dat de informele EU-Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

E.  overwegende dat de Commissie met een beroep op artikel 4, lid 3, VEU en op het beginsel van loyale samenwerking tussen de Unie en de lidstaten aan haar verplichting vasthoudt om tijdens een EU Pilot-procedure discretie te bewaren met betrekking tot lidstaten;

F.  overwegende dat de EU Pilot-procedures bedoeld zijn voor nauwere en meer coherente samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waardoor inbreuken op het EU-recht zich in een vroeg stadium tot een oplossing laten brengen, zodat een formele inbreukprocedure zo mogelijk achterwege blijft;

G.  overwegende dat de Commissie in 2014 3 715 klachten over mogelijke inbreuk op het EU-recht heeft ontvangen, en dat Spanje (553), Italië (475) en Duitsland (276) de lidstaten waren waarover de meeste klachten kwamen;

H.  overwegende dat de Commissie in 2014 893 nieuwe inbreukprocedures is gestart, en dat Griekenland (89), Italië (89) en Spanje (86) de landen waren met de meeste lopende zaken;

I.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en overwegende dat artikel 298 VWEU bepaalt dat bij de vervulling van hun taken de instellingen, organen en instanties van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat moeten kunnen steunen;

1.  herinnert eraan dat de Commissie ingevolge artikel 17 VEU, de taak heeft toe te zien op de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van het EU-Handvest (artikel 6, lid 1, VEU), waarvan de bepalingen zijn gericht tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen;

2.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen bij het uitvaardigen van afgeleid EU-recht;

3.  beklemtoont dat de Commissie een cruciale rol vervult door toezicht te houden op de toepassing van het EU-recht en jaarlijks verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad; verzoekt de Commissie actief invulling te blijven geven aan haar rol bij het ontwikkelen van instrumenten voor het verbeteren van de omzetting, de handhaving en de naleving van het EU-recht in de lidstaten, en in haar volgende jaarverslag naast de gegevens over de uitvoering van EU-richtlijnen ook gegevens over de uitvoering van EU-verordeningen te vermelden;

4.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, en benadrukt dat de lidstaten bij de uitvoering van het EU-recht de fundamentele waarden en beginselen zoals vastgelegd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten volle moeten respecteren; herinnert eraan dat het een taak van de Commissie is om de omzetting van het EU-recht te volgen en te evalueren; roept de lidstaten hiertoe nogmaals op van correlatietabellen gebruik te maken, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen bij het uitvaardigen van afgeleid EU-recht; herinnert eraan dat gebruik moet worden gemaakt van de uitvoeringsverslagen ten aanzien van sectorale wetgeving;

5.  onderkent dat het Parlement ook een essentiële rol heeft te vervullen bij het uitoefenen van politiek toezicht op de handhavingsactiviteiten van de Commissie, in concreto door toetsing van de jaarverslagen over bewaking van de uitvoering van het EU-recht en door uitbrengen van resoluties; is van oordeel dat het EP nog meer aan de tijdige en correcte omzetting van het EU-recht kan bijdragen door de knowhow die in het besluitvormings- en wetgevingsproces wordt opgedaan via van tevoren ontwikkelde links te delen met de nationale parlementen;

6.  merkt op dat een tijdige en correcte omzetting van het EU-recht in nationale wetgeving en een duidelijk nationaal wetgevingskader een prioriteit voor de lidstaten moeten zijn, zodat inbreuken op het EU-recht worden voorkomen en burgers en bedrijven de beoogde voordelen genieten die mogelijk worden gemaakt door een efficiënte en effectieve toepassing van het EU-recht;

7.  onderstreept de belangrijke rol die de sociale partners, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden spelen bij het uitvaardigen van wetgeving en bij het vaststellen en melden van tekortkomingen in de omzetting en toepassing van de EU-wetgeving door de lidstaten; neemt er nota van dat de Commissie de rol van belanghebbenden heeft erkend door in 2014 nieuwe instrumenten te introduceren om dit proces te vergemakkelijken; moedigt belanghebbenden aan om in dit opzicht ook in de toekomst waakzaam te blijven;

8.  onderkent dat daadwerkelijke toepassing van het EU-recht een positief effect heeft op de geloofwaardigheid van de EU-instellingen; spreekt zijn waardering uit voor het belang dat de Commissie in haar jaarverslag toekent aan de verzoekschriften die door burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden ingediend, als een van de in het Verdrag van Lissabon verankerde grondrechten en als belangrijk aspect van het Europees burgerschap, en tevens een belangrijk middel om de toepassing van het EU-recht te toetsen en mogelijke tekortkomingen te signaleren, waarbij de burger rechtstreeks zijn visie en ervaringen kenbaar kan maken, naast verkiezingen en referenda die de voornaamste kanalen voor democratische wilsuitdrukking blijven;

9.  is van mening dat onrealistische omzettingstermijnen tot gevolg kunnen hebben dat de lidstaten zich er niet aan kunnen houden, en daarmee een stilzwijgend excuus opleveren voor te late toepassing; vraagt de Europese instellingen om passender tijdschema's af te spreken voor de uitvoering van verordeningen en richtlijnen, en voldoende rekening te houden met de noodzakelijke termijnen voor toetsing en raadpleging; is van mening dat de Commissie verslagen, evaluaties en wetgevingsherzieningen moet leveren op de datums die zijn overeengekomen met de medewetgevers en volgens hetgeen daaromtrent in de desbetreffende wetgeving is geregeld;

10.  stelt met voldoening vast dat het nieuwe Interinstitutionele Akkoord over beter wetgeven bepalingen bevat die de omzetting en toepassing van EU-recht moeten verbeteren en een meer structurele samenwerking op dit punt moeten stimuleren; onderschrijft het pleidooi in het Akkoord voor betere signalering van nationale maatregelen die strikt genomen niets met de Unie-wetgeving te maken hebben (een praktijk die bekend staat als ‘gold plating’, oftewel optuigen van regelgeving); onderstreept dat versterkte omzetting belangrijk is en dat de lidstaten nationale maatregelen die ter aanvulling dienen van Europese richtlijnen moeten aanmelden en duidelijk moeten aanwijzen; onderstreept dat de lidstaten bij de toepassing van EU-wetgeving geen onnodige ballast aan de EU-wetgeving mogen toevoegen, want dat leidt tot misvattingen rond de wetgevende activiteit van de EU en vergroot de onterechte scepsis onder de burgers jegens de EU; wijst er evenwel op dat dit geenszins afdoet aan het recht van de lidstaten om op nationaal niveau hogere sociale en ecologische normen uit te vaardigen dan op EU-niveau zijn overeengekomen;

11.  onderstreept dat het Parlement een krachtiger rol moet vervullen bij het analyseren van de wijze waarop toetredingslanden en landen die met de Europese Unie associatieovereenkomsten hebben afgesloten, het EU-recht naleven; stelt op dit punt voor die landen passende hulp te bieden in de vorm van permanente samenwerking met hun nationale parlementen op gebied van naleving en toepassing van EU-wetgeving;

12.  oppert dat het Parlement in antwoord op de voortgangsverslagen van de Commissie echte verslagen opstelt over alle kandidaatlanden, en niet enkel resoluties, zodat alle betrokken commissies de mogelijkheid krijgen ter zake advies uit te brengen; meent dat de Commissie voortgangsverslagen moet blijven uitbrengen voor alle Europese nabuurschapslanden met een associatieverdrag, zodat het Parlement tot een serieuze en stelselmatige beoordeling kan komen van de vorderingen van die landen met de omzetting van het EU-acquis voorzover verband houdende met de associatie-agenda;

13.  verwelkomt het 32e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht van de Commissie en stelt vast dat milieu, vervoer, en interne markt en diensten in 2013 de beleidsgebieden waren waarin de meeste inbreukprocedures in 2014 nog in behandeling waren; stelt eveneens vast dat milieu, gezondheid, consumentenbescherming, mobiliteit en vervoer ook in 2014 weer de beleidsterreinen waren waar de meeste inbreukprocedures werden ingesteld; spoort de Commissie aan om het Parlement omwille van de interinstitutionele transparantie, meer inzicht te geven in zaken waarbij inbreuk op het EU-recht aan de orde is;

14.  stelt vast dat volgens het jaarverslag het aantal formele inbreukprocedures in de laatste vijf jaar is gedaald en dat dit volgens de Commissie de doeltreffendheid van de structurele dialoog met de lidstaten middels EU-Pilot weerspiegelt; is evenwel van mening dat deze teruggang gedurende de afgelopen jaren, die ook voor de komende jaren te verwachten is, voornamelijk is toe te schrijven aan het feit dat het aantal nieuwe wetgevingsvoorstellen van de Commissie blijft teruglopen; wijst erop dat de Commissie geen EU Pilot-procedure aanwendt wanneer een richtlijn te laat wordt omgezet;

15.  herinnert er echter aan dat deze beoordelingen achteraf de Commissie niet ontslaan van haar verplichting om doeltreffend en continu te waken over toepassing en uitvoering van het EU-recht, en merkt op dat het Parlement middels zijn toezicht op de Commissie kan bijdragen aan de evaluatie van de uitvoering van wetgeving;

16.  merkt op dat de toename van nieuwe EU-Pilotdossiers in de onderzochte periode en de vermindering van het aantal lopende inbreukprocedures volgens het jaarverslag laten zien dat het EU Pilot-systeem zijn nut heeft bewezen en met zijn positief effect bevorderlijk gebleken is voor een efficiëntere handhaving van het EU-recht; herhaalt evenwel dat de handhaving van het EU-recht niet voldoende doorzichtig is en er geen sprake is van daadwerkelijke controle op deze handhaving door klagers en belanghebbende partijen, en betreurt dat het parlement ondanks herhaald aandringen nog steeds onvoldoende toegang heeft tot informatie over EU-Pilot-procedures en aanhangige zaken; vraagt de Commissie in dit verband om meer transparantie als het gaat om informatie over de EU Pilot-procedure en over aanhangige zaken;

17.  vindt dat de financiële sancties voor de niet-naleving van het EU-recht doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, waarbij herhaalde verzuimen op hetzelfde gebied extra moeten worden aangerekend, maar dat de wettelijke rechten van de lidstaten gewaarborgd moeten blijven;

18.  wijst erop dat de Europese burger, in een Europese Unie die berust op de rechtsstaat en de zekerheid en voorzienbaarheid van de wetgeving, de eerste moet zijn die langs duidelijke, toegankelijke, transparante en snelle weg te weten komt (via internet en andere kanalen) of en welke nationale wetgeving er is ingevoerd door omzetting van EU-wetgeving, en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor een correcte uitvoering van die regels;

19.  verzoekt de Commissie alle portalen, toegangspunten en informatiewebsites met elkaar te verbinden in één enkele "gateway" waar burgers op eenvoudige wijze toegang hebben tot online-klachtenformulieren en gebruikersvriendelijke informatie over inbreukprocedures; verzoekt de Commissie bovendien in haar volgende monitoringverslag gedetailleerdere informatie over het gebruik van deze portalen te verstrekken;

20.  wijst erop dat loyale samenwerking tussen de Commissie en het Parlement een wederzijdse verplichting is voor beide instellingen; dringt daarom aan op herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie in die zin dat informatie omtrent EU Pilot-procedures kan worden verschaft in de vorm van een (vertrouwelijk) document aan de parlementscommissie die voor uitlegging en toepassing van het Unierecht bevoegd is;

21.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013(2) heeft aangedrongen op de vaststelling van een EU-verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht uit hoofde van artikel 298 VWEU, maar dat, ofschoon de resolutie met een overweldigende meerderheid werd aangenomen (572 voor, 16 tegen, 12 onthoudingen), op dit verzoek van het Parlement nog geen voorstel van de Commissie is gevolgd; vraagt de Commissie deze resolutie nogmaals te bezien met het oog op een uit te brengen voorstel voor een wetgevingshandeling inzake bestuursprocesrecht;

22.  betreurt meer in het bijzonder dat er geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek om bindende voorschriften in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de inbreukprocedure en de precontentieuze procedure worden vastgelegd, waaronder ingebrekestellingen, bindende termijnen, het recht op verdediging, de motiveringsplicht en het recht van eenieder op toegang tot haar/zijn dossier, teneinde de rechten van de burgers te versterken en transparantie te waarborgen;

23.  herinnert er in dit verband aan dat de Commissie juridische zaken een nieuwe werkgroep bestuursrecht heeft opgericht die besloten heeft een echte ontwerpverordening op te stellen over de bestuursrechtelijke procedures binnen het bestuursapparaat van de Unie, als een "inspiratiebron" voor de Commissie, niet om het initiatiefrecht van de Commissie in vraag te stellen maar om aan te tonen dat uitvaardigen van een dergelijke verordening nuttig en haalbaar zou zijn;

24.  meent dat het niet zozeer de bedoeling van deze ontwerpverordening is de bestaande EU-wetgeving te vervangen als wel aan te vullen in geval van leemten of problemen rond de uitlegging, en te zorgen voor meer inzichtelijkheid, duidelijkheid en coherentie in de interpretatie van bestaande regels, ten behoeve van de burgers en de ondernemingen en ook van de administratie en haar ambtenaren;

25.  verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen, rekening houdende met de door het Parlement tot dusver genomen maatregelen op dit terrein;

26.  herinnert eraan dat de EU-instellingen, ook als zij handelen als groepsonderdeel van internationale kredietverleners ('trojka'), gebonden zijn aan de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

27.  dringt er bij de Commissie op aan de naleving van het EU-recht tot een werkelijke politieke prioriteit te maken waarnaar wordt gestreefd in nauwe samenwerking met het Parlement, dat immers tot taak heeft a) de Commissie politieke verantwoording te laten afleggen en b) als medewetgever zichzelf steeds volledig geïnformeerd te houden, met het oog op voortdurende verbetering van zijn wetgevingswerkzaamheden;

28.  pleit voor invoering van een proces binnen het Parlement waarmee de toepassing van het EU-recht in de lidstaten zich laat volgen, en waarmee de kwestie van niet-naleving zich op landenspecifieke manier laat analyseren, en waarin is verdisconteerd dat de vaste parlementscommissies binnen hun respectieve bevoegdheidssfeer eveneens de toepassing van de EU-wetgeving volgen;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0322.
(2) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.

Juridische mededeling