Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2919(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1083/2016

Ingediende teksten :

B8-1083/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/10/2016 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0386

Aangenomen teksten
PDF 265kWORD 46k
Donderdag 6 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het in de handel brengen van zaden van genetisch gemodificeerde mais Bt11
P8_TA(2016)0386B8-1083/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (SYN-BTØ11-1) (D046173/01 – 2016/2919(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (SYN-BTØ11-1) (D046173/01),

–  gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(1), en met name artikel 18, lid 1,

–  gezien het advies dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 19 mei 2005 heeft uitgebracht(2),

–  gezien het advies met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft uitgebracht(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810 dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft aangenomen(4),

–  gezien het wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 28 mei 2015 heeft uitgebracht(5),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(6),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Syngenta Seeds SAS (voorheen Novartis Seeds) (hierna "de kennisgever") in 1996 overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(8) bij de bevoegde instantie in Frankrijk een kennisgeving heeft ingediend (referentie C/F/96/05.10) betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais Bt11; overwegende dat in 2003 een bijgewerkte kennisgeving is ingediend overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG;

B.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais Bt11 het Cry1Ab-eiwit tot expressie brengt, een Bt-eiwit (afkomstig van Bacillus thuringiensis subsp. Kurstaki) dat resistentie oplevert tegen de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en de mediterraanse maisboorder (Sesamia nonagrioides), alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft voor het herbicide glufosinaat-ammonium;

C.  overwegende dat glufosinaat als voor de voortplanting giftige stof is ingedeeld en derhalve onder de uitsluitingscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat de uitsluitingscriteria van toepassing zijn op reeds goedgekeurde stoffen op het moment waarop de goedkeuring moet worden verlengd; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat in 2017 afloopt; overwegende dat er dus in principe in 2017 een einde moet komen aan het gebruik van glufosinaat;

D.  overwegende dat de teelt van genetisch gemodificeerde mais Bt11 op grond van artikel 26 quater, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG verboden is in de volgende gebieden: Wallonië (België); Bulgarije; Denemarken; Duitsland (tenzij voor onderzoeksdoeleinden) Griekenland; Frankrijk; Kroatië; Italië; Cyprus; Letland; Litouwen; Luxemburg; Hongarije; Malta; Nederland; Oostenrijk; Polen; Slovenië; Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk); Schotland (Verenigd Koninkrijk); Wales (Verenigd Koninkrijk);

E.  overwegende dat volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uit bewijs blijkt dat circa 95 tot 99 % van het vrijkomende stuifmeel binnen ongeveer 50 meter van de stuifmeelbron wordt afgezet, al kunnen verticale windbewegingen of windstoten tijdens het afgeven van stuifmeel de korrels hoog in de atmosfeer optillen en ze over aanzienlijke afstanden van enkele kilometers verspreiden;

F.  overwegende dat de EFSA in een advies uit 2005 van oordeel was dat mais in Europa geen wilde verwanten heeft waarmee uitkruising kan plaatsvinden, en destijds bijgevolg van mening was dat geen onbedoelde milieueffecten van de invoering en verspreiding worden verwacht;

G.  overwegende dat sinds 2009 in Spanje teosinte voorkomt, de voorouder van gecultiveerde mais; overwegende dat transgeen DNA afkomstig van genetisch gemodificeerde mais MON 810, die in Spanje wordt verbouwd in sommige streken waar teosinte wijdverspreid is, in teosintepopulaties terecht zou kunnen komen; overwegende dat er genetische uitwisseling met teosinte kan plaatsvinden, waardoor dit gewas Bt-toxine kan produceren en maïs- en teosintehybriden sterker kunnen worden dan de oorspronkelijke teosinteplanten; overwegende dat dit scenario grote risico's voor de landbouwers en het milieu inhoudt;

H.  overwegende dat de bevoegde Spaanse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte hebben gebracht dat er teosinte voorkomt in Spaanse maisvelden en in zeer beperkte mate in gg-maisvelden; overwegende dat er volgens de beschikbare informatie ook teosinte is vastgesteld in Frankrijk;

I.  overwegende dat de Commissie de EFSA op 13 juli 2016 heeft verzocht om uiterlijk eind september 2016 te beoordelen of er, op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur en andere relevante informatie, nieuw bewijs voorhanden is dat andere conclusies en aanbevelingen zou opleveren dan die in de wetenschappelijke adviezen van de EFSA over de teelt van de genetisch gemodificeerde maissoorten MON 810, Bt11, 1507 en GA21;

J.  overwegende dat de Commissie in punt 24 van haar ontwerp van uitvoeringsbesluit beweert dat de EFSA wat het lokale sterftecijfer betreft, twee niveaus van "aanvaardbaar" lokaal sterftecijfer (0,5 % en 1 %) heeft bekeken; overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais, echter duidelijk benadrukt dat "elk specifiek beschermingsniveau dat door het ggo-panel van de EFSA ter illustratie wordt gebruikt, slechts als voorbeeld bedoeld is" en dat "elke gehanteerde drempelwaarde noodzakelijkerwijs arbitrair is en gewijzigd kan worden op grond van de in de EU geldende beschermingsdoelstellingen";

K.  overwegende dat de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit het gewenste lokale sterftecijfer op een percentage lager dan 0,5 % stelde, en in de bijlage voorziet in arbitraire isolatieafstanden van ten minste 5 meter tussen een veld met Bt11-mais en een beschermde habitat, als vastgelegd in artikel 2, lid 3 van Richtlijn 2004/35/EG, ondanks het feit dat de EFSA duidelijk als bewezen verklaart dat het opleggen van een isolatieafstand van 20 meter rond een beschermde habitat tot de dichtstbijzijnde aanplant van Bt11-/MON 810-mais, d.w.z. een viermaal grotere afstand dan die in het voorstel van de Commissie, het lokale sterftecijfer, zelfs van zeer gevoelige larven van de niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen, naar verwachting omlaag zal brengen tot een percentage van minder dan 0,5 %;

L.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats verklaarde dat "de momenteel beschikbare gegevens ontoereikend zijn om op grond van het Bt-gerelateerde sterftecijfer van larven conclusies te trekken over het algemene sterftecijfer";

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Richtlijn 2001/18/EG bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling over de teelt onvolledig is en dat de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen inzake het risicobeheer inadequaat zijn;

3.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet strookt met het recht van de Unie, aangezien het niet-verenigbaar is met de doelstelling van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, die erin bestaat om, in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op elkaar af te stemmen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen als er sprake is van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu voor andere doeleinden dan het in de handel brengen in de Gemeenschap, of het in de handel brengen in de Gemeenschap van genetisch gemodificeerde organismen als product of in producten;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
(2) Advies van het Wetenschappelijk Panel voor genetisch gemodificeerde organismen naar aanleiding van een verzoek van de Commissie met betrekking tot de kennisgeving van Syngenta Seeds (referentie C/F/96/05.10) voor het in de handel brengen van insectresistente genetisch gemodificeerde mais Bt11, voor teelt, diervoeders en industriële verwerking, in overeenstemming met deel C van Richtlijn 2001/18/EG, EFSA Journal (2005) 213, 1-33.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal (2012); 10(12):3017 [98 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(4) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810. EFSA Journal 2012; 10(12):3016 [32 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3016.
(5) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais. EFSA Journal 2015; 13(7):4127 [31 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2015.4127.
(6) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0036.
(8) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15).

Juridische mededeling