Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2921(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1086/2016

Ingediende teksten :

B8-1086/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/10/2016 - 5.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0388

Aangenomen teksten
PDF 267kWORD 48k
Donderdag 6 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verlenging van de vergunning voor zaden van genetisch gemodificeerde mais MON 810
P8_TA(2016)0388B8-1086/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) (D046170/00 – 2016/2921(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit inzake de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) (D046170/00),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 23, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het wetenschappelijk advies met een bijgewerkte conclusie van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft uitgebracht(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies met een aanvullende conclusie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810 dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft aangenomen(4),

–  gezien het advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 28 mei 2015 heeft uitgebracht(5),

–  gezien het wetenschappelijk advies inzake het jaarlijkse verslag over de milieumonitoring na het in de handel brengen (PMEM) betreffende de teelt van genetisch gemodificeerde MON 810-mais in 2014 van Monsanto Europe nv dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 9 maart 2016 heeft uitgebracht(6),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 11 en 18 april 2007 drie aanvragen heeft ingediend bij de Commissie, overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, voor de verlenging van de vergunning voor bestaande levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders geproduceerd met mais MON 810, voor de verlenging van de vergunning voor diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais MON 810, en voor de verlenging van de vergunning voor mais MON 810 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met inbegrip van de teelt; overwegende dat deze producten na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bij de Commissie zijn aangemeld overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a) en b), en artikel 20, lid 1, onder b), van de genoemde verordening, en in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders zijn opgenomen;

B.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 9 maart 2016 een brief naar de Commissie heeft verstuurd met het verzoek om het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot teelt afzonderlijk van de rest van de aanvraag te behandelen;

C.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais MON 810, zoals beschreven in de aanvraag, het Cry1Ab-eiwit tot expressie brengt, dat is afgeleid van de Bacillus thuringiensis subsp. kurstaki, en dat beschermt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, zoals de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en de paarsrode boorders (Sesamia spp);

D.  overwegende dat de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 oorspronkelijk overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(8) is verleend bij Beschikking 98/294/EG(9) van de Commissie; overwegende dat Frankrijk op 3 augustus 1998 toestemming heeft gegeven aan Monsanto Europe nv (hierna "Monsanto" genoemd) voor het in de handel brengen van MON 810-maisproducten;

E.  overwegende dat de teelt van genetisch gemodificeerde mais MON 810 op grond van artikel 26 quater, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG verboden is in de volgende gebieden: Wallonië (België); Bulgarije; Denemarken; Duitsland (tenzij voor onderzoeksdoeleinden); Griekenland; Frankrijk; Kroatië; Italië; Cyprus; Letland; Litouwen; Luxemburg; Hongarije; Malta; Nederland; Oostenrijk; Polen; Slovenië; Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk); Schotland (Verenigd Koninkrijk); Wales (Verenigd Koninkrijk);

F.  overwegende dat volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uit bewijs blijkt dat circa 95 à 99 % van het vrijkomende stuifmeel binnen ongeveer 50 meter van de stuifmeelbron wordt afgezet, al kunnen verticale windbewegingen of windstoten tijdens het afgeven van stuifmeel de korrels hoog in de atmosfeer optillen en ze over aanzienlijke afstanden van enkele kilometers verspreiden;

G.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijke adviezen over MON 810-mais kruisbestuiving arbitrair buiten beschouwing heeft gelaten, waardoor potentiële risico's voor de biologische diversiteit over het hoofd worden gezien;

H.  overwegende dat in Spanje sinds 2009 teosinte voorkomt, de voorouder van gecultiveerde mais; overwegende dat transgeen DNA, afkomstig van genetisch gemodificeerde mais MON 810 die in Spanje wordt verbouwd in sommige streken waar teosinte wijdverspreid is, in teosintepopulaties terecht zou kunnen komen; overwegende dat er genetische uitwisseling met teosinte kan plaatsvinden, waardoor het Bt-toxine kan aanmaken en mais- en teosintehybriden sterker kunnen worden dan de inheemse teosinteplanten; overwegende dat dit scenario grote risico's voor de landbouwers en het milieu inhoudt;

I.  overwegende dat de bevoegde Spaanse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte hebben gebracht dat er teosinte voorkomt in Spaanse maisvelden en in zeer beperkte mate in gg-maisvelden; overwegende dat er bovendien volgens de beschikbare informatie ook teosinte is aangetroffen in Frankrijk;

J.  overwegende dat de Commissie de EFSA op 13 juli 2016 heeft verzocht om uiterlijk eind september 2016 te beoordelen of er op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur en andere relevante informatie nieuwe bewijzen voorhanden zijn die de conclusies en aanbevelingen in de wetenschappelijke adviezen van de EFSA over de teelt van de genetisch gemodificeerde maissoorten MON 810, Bt11, 1507 en GA21 zouden veranderen;

K.  overwegende dat de Commissie in punt 22 van haar ontwerp van uitvoeringsbesluit beweert dat de EFSA wat het lokale sterftecijfer betreft, twee niveaus van "aanvaardbaar" lokaal sterftecijfer (0,5 % en 1 %) heeft bekeken, maar dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais, in feite duidelijk stelt dat "elk specifiek beschermingsniveau dat door het ggo-panel van de EFSA wordt gebruikt ter illustratie slechts bedoeld is als voorbeeld" en dat "elke gehanteerde drempelwaarde noodzakelijkerwijs arbitrair is en gewijzigd kan worden op grond van de in de EU geldende doelstellingen voor beschermingsdoelen";

L.  overwegende dat de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit het gewenste lokale sterftecijfer op een percentage lager dan 0,5 % stelde, en in de bijlage voorziet in arbitraire isolatieafstanden van ten minste 5 meter tussen een veld met MON 810-mais en een beschermde habitat, als vastgelegd in artikel 2, lid 3 van Richtlijn 2004/35/EG, ondanks het feit dat de EFSA duidelijk als bewezen verklaart dat het opleggen van een isolatieafstand van 20 meter rond een beschermde habitat tot de dichtstbijzijnde aanplant van Bt11-/MON 810-mais, d.w.z. een viermaal grotere afstand dan die in het voorstel van de Commissie, het lokale sterftecijfer, zelfs van zeer gevoelige larven van de niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen, naar verwachting omlaag zal brengen tot een percentage lager dan 0,5 %;

M.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats verklaarde dat "de momenteel beschikbare gegevens ontoereikend zijn om op grond van het Bt-gerelateerde sterftecijfer van larven conclusies te trekken over het algemene sterftecijfer";

N.  overwegende dat de milieumonitoring na het in de handel brengen al jaren slecht wordt gehandhaafd, aangezien de EFSA opmerkt dat uit het PMEM-verslag van 2014 blijkt dat de aanleg van Bt-vrije refugia in Spanje, net als in de voorgaande jaren, deels dode letter is gebleven en dat bij de analyse van de vragenlijsten voor landbouwers en de uitvoering van het literatuuronderzoek soortgelijke methodologische tekortkomingen zijn vastgesteld als in vorige jaarlijkse PMEM-verslagen over MON 810-mais;

O.  overwegende dat het ggo-panel van de EFSA elk jaar tevergeefs zijn aanbevelingen over de milieumonitoring na het in de handel brengen van MON 810 herhaalt, namelijk dat er meer gedetailleerde informatie over de steekproefmethode moet worden verstrekt, dat de mogelijkheid van selectievertekening in de vragenlijsten voor landbouwers moet worden verkleind en dat ervoor moet worden gezorgd dat alle relevante wetenschappelijke publicaties worden vermeld; overwegende dat het ggo-panel wat de verbetering van het steekproefkader voor de vragenlijst voor landbouwers betreft, elk jaar weer tevergeefs wijst op het belang van nationale ggo-teeltkadasters en vergunninghouders aanbeveelt om waar MON 810-mais wordt geteeld, te overwegen hoe zij de informatie in de nationale registers het beste kunnen benutten en overleg te bevorderen met degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van die registers;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling over de teelt onvolledig is en dat de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen inzake het risicobeheer inadequaat zijn;

3.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003, namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn vastgesteld, de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met een bijgewerkte conclusie van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal (2012); 10(12):3017 [98 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(4) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met een aanvullende conclusie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810. EFSA Journal 2012;10(12):3016 [32 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2012.3016.
(5) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); Wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais. EFSA Journal 2015;13(7):4127 [31 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2015.4127.
(6) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's).Wetenschappelijk advies inzake het jaarlijkse verslag over de milieumonitoring na het in de handel brengen betreffende de teelt van genetisch gemodificeerde MON 810-mais in 2014 van Monsanto Europe nv. EFSA Journal 2016;14(4):4446 [26 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2016.4446.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0036.
(8) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15).
(9) Beschikking 98/294/EG van de Commissie van 22 april 1998 betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L., lijn MON 810) overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 32).

Juridische mededeling