Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2087(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0297/2016

Ingediende teksten :

A8-0297/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2016 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0396

Aangenomen teksten
PDF 161kWORD 43k
Dinsdag 25 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins
P8_TA(2016)0396A8-0297/2016

Besluit van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins (2016/2087(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het op 3 mei 2016 door Jane Collins ingediende verzoek om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen (Zaak nr. HQ14DO4882), waarvan op 11 mei 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na James Carver, die Jane Collins vertegenwoordigt, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 7, 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0297/2016),

A.  overwegende dat Jane Collins een verzoek heeft ingediend om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen;

B.  overwegende, ten eerste, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 7 van het protocol neergelegde recht van leden van het Europees Parlement om als zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren op geen enkele wijze in hun bewegingsvrijheid beperkt te worden door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard;

C.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat Jane Collins ten gevolge van de planning van de gerechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt belet zou worden naar parlementaire vergaderingen te reizen;

D.  overwegende evenwel dat artikel 7 van het protocol niet van toepassing is op beperkingen die het gevolg zijn van een gerechtelijke procedure, aangezien deze onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het protocol(2), en het verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit op grond van artikel 7 van het protocol derhalve niet-ontvankelijk is;

E.  overwegende, ten tweede, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 8 van het protocol neergelegde recht van de leden van het Europees Parlement om niet het voorwerp te zijn van opsporing en om niet te worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

F.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat er tegen Jane Collins een rechtsvordering is ingesteld tot (verhoogde) schadevergoeding wegens smaad en laster, alsmede een vordering tot oplegging van een verbod op het herhalen van de omstreden verklaringen;

G.  overwegende dat de schadevordering wegens smaad en laster betrekking heeft op beschuldigingen die Jane Collins heeft geuit tijdens een partijbijeenkomst;

H.  overwegende dat de parlementaire immuniteit die de leden van het Europees Parlement op grond van artikel 8 van het protocol genieten, uitsluitend geldt voor de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

I.  overwegende dat een door een lid van het Europees Parlement buiten de gebouwen van het Europees Parlement afgelegde verklaring slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening vormt, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt(3);

J.  overwegende evenwel dat er geen sprake is van een rechtstreeks en voor de hand liggend verband tussen de omstreden verklaringen en de uitoefening door Jane Collins van haar taken als lid van het Europees Parlement, omdat de verklaringen geen betrekking hebben op haar activiteiten als lid van het Europees Parlement, noch op het beleid van de Europese Unie, en afgelegd werden in de context van het politieke debat op nationaal niveau;

K.  overwegende dat de verklaringen in kwestie derhalve niet door artikel 8 van het protocol worden bestreken;

1.  Besluit de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins niet te verdedigen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en aan de edelhoogachtbare heer Justice Warby.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; Arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543; Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440, par. 49 en 51.
(3) Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543.

Juridische mededeling