Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 april 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Goederen van oorsprong uit bepaalde ACS-staten ***I
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Denemarken en Groenland: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
 Overeenkomst EU/Macau inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
 Minimumhoogte van het normale btw-tarief *
 Overeenkomst inzake strategische samenwerking tussen Brazilië en Europol *
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler
 Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee: visserijaspecten
 Fokdieren en levende producten ervan ***I
 De situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie
 Jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid
 Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving
 Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt
 Leren over de EU op school
 Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren
 De rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen
 Ambachtelijke kustvisserij in regio's die afhankelijk zijn van de visserij
 Externe dimensie van het GVB, met inbegrip van de visserijovereenkomsten

Goederen van oorsprong uit bepaalde ACS-staten ***I
PDF 248kWORD 83k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (herschikking) (COM(2015)0282 – C8-0154/2015 – 2015/0128(COD))
P8_TA(2016)0094A8-0010/2016

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0282),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0154/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het standpunt van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 oktober 2015(1)

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief d.d. 16 september 2015 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie internationale handel overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0010/2016),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 april 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1076.)

(1) PB C 32 van 28.1.2016, blz. 23.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Denemarken en Groenland: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
PDF 245kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (11634/2015 – C8-0377/2015 – 2015/0152(NLE))
P8_TA(2016)0095A8-0067/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11634/2015),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (11633/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0377/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0067/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Groenland.


Overeenkomst EU/Macau inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
PDF 240kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende sluiting van de Overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten tussen de Europese Unie en de regering van de Speciale Administratieve Regio Macau van de Volksrepubliek China (05255/2014 – C8-0040/2015 – 2012/0015(NLE))
P8_TA(2016)0096A8-0072/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05255/2014),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Speciale Administratieve Regio Macau van de Volksrepubliek China inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (08179/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0040/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0072/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering van de Speciale Administratieve Regio Macau van de Volksrepubliek China.


Minimumhoogte van het normale btw-tarief *
PDF 246kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het normale tarief (COM(2015)0646 – C8-0009/2016 – 2015/0296(CNS))
P8_TA(2016)0097A8-0063/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0646),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0009/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0063/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  betreurt het dat de Commissie haar voorstel zo laat bekend heeft gemaakt, waardoor de toepassing van een minimumniveau van het normale btw-tarief met terugwerkende kracht zal plaatsvinden;

3.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

4.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

5.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 97
Vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 mag het normale tarief niet lager zijn dan 15 %.
Vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 mag het normale tarief niet lager zijn dan 15 %.

Overeenkomst inzake strategische samenwerking tussen Brazilië en Europol *
PDF 244kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Politiedienst (Europol) van de Overeenkomst inzake Strategische Samenwerking tussen de Federale Republiek Brazilië en Europol (13980/2015 – C8-0010/2016 – 2016/0801(CNS))
P8_TA(2016)0098A8-0070/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13980/2015),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0010/2016),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol)(1), en met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), en met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0070/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de inwerkingtreding van de nieuwe Europolverordening (2013/0091(COD)) de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van deze beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler
PDF 159kWORD 62k
Besluit van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler (2016/2000(IMM))
P8_TA(2016)0099A8-0062/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler, dat op 25 september 2015 werd ingediend door het Openbaar Ministerie in Leipzig in verband met een vooronderzoek naar een verkeersongeval (ref. 600 AR 3037/15), en van de ontvangst waarvan op 14 december 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien het feit dat Hermann Winkler afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 46 van de Duitse grondwet (Grundgesetz),

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0062/2016),

A.  overwegende dat het openbaar ministerie in Leipzig (Duitsland) heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler, lid van het Europees Parlement, in verband met de start van een onderzoek naar een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende, dat op grond van artikel 46, lid 2, van de grondwet van Duitsland (Grundgesetz), een lid niet ter verantwoording mag worden geroepen voor een strafbaar feit zonder de toestemming van het parlement, tenzij in geval van ontdekking op heterdaad of aanhouding op de volgende dag;

D.  overwegende dat het verzoek verband houdt met een onderzoek naar een ernstig verkeersongeval dat op 23 september 2015 heeft plaatsgevonden en waarbij Hermann Winkler betrokken was;

E.  overwegende dat de strafprocedure geen betrekking heeft op meningen die de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

F.  overwegende dat, in het licht van de door de commissie verkregen informatie, er geen reden is om aan te nemen dat het proces bedoeld is om de politieke activiteiten van een EP-lid schade toe te brengen (fumus persecutionis);

G.  overwegende dat het vermeende strafbare feit aldus duidelijk geen rechtstreeks verband heeft met de hoedanigheid van Hermann Winkler van lid van het Europees Parlement;

H.  overwegende dat het daarom raadzaam is in dit geval de parlementaire immuniteit op te heffen;

1.  besluit de immuniteit van Hermann Winkler op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Duitsland en aan Hermann Winkler.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee: visserijaspecten
PDF 193kWORD 86k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over visserijaspecten in het kader van het internationaal akkoord over mariene biodiversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (2015/2109(INI))
P8_TA(2016)0100A8-0042/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) en zijn twee uitvoeringsovereenkomsten: uitvoeringsovereenkomst deel XI en de VN-visbestandenovereenkomst (UNFSA),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen (ABNJ's),

–  gezien het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling die in 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro, getiteld "The future we want" (De toekomst die we willen),

–  gezien de verslagen van de open informele ad-hocwerkgroep van de VN,

–  gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) en de door de partijen bij het CBD goedgekeurde Aichi-doelstellingen inzake biodiversiteit, en met name de doelstellingen 6, 10 en 11,

–  gezien de in 2009 door het CBD aangenomen en in de Azoren geconsolideerde wetenschappelijke criteria en richtsnoeren voor het vaststellen van ecologisch of biologisch belangrijke mariene zones (EBSA's) en het ontwikkelen van representatieve netwerken van beschermde mariene gebieden in open oceaanwateren en diepzeehabitats,

–  gezien het CBD-proces voor de beschrijving van EBSA's, dat al geleid heeft tot de beschrijving van 204 gebieden die aan de criteria voldoen en die in vele gevallen in ABNJ's liggen,

–  gezien het feit dat er weliswaar EBSA's beschreven zijn in de zuidelijke Indische Oceaan, de oostelijke tropische en gematigde Stille Oceaan, de noordelijke Stille Oceaan, de zuidoostelijke Atlantische Oceaan, het Arctisch gebied, het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee, het westelijk deel van de zuidelijke Stille Oceaan, het Caribisch gebied in ruimere zin en het westen van het centrale deel van de Atlantische Oceaan, maar dat andere regio's nog niet gedekt zijn,

–  gezien de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling, Agenda 21, het programma voor de verdere tenuitvoerlegging van Agenda 21, het uitvoeringsplan van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (de verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling en het uitvoeringsplan),

–  gezien de gedragscode voor een verantwoorde visserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), die in oktober 1995 door de FAO-conferentie is aangenomen, alsook de bijbehorende instrumenten, met name de Overeenkomst om te bevorderen dat vissersvaartuigen op de volle zee de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de visbestanden naleven van 1995,

–  gezien de VN-Agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode tot 2030 (AVVN A/RES/70/1, goedgekeurd in 2015) en duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 14 voor het behoud en het duurzame gebruik van de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien doelstelling 14 van de VN-Agenda inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0042/2016),

A.  overwegende dat 71 % van het aardoppervlak ingenomen wordt door de zee en dat deze 97 % van het water op de planeet bevat; overwegende dat de zee een aanzienlijk deel van 's werelds biodiversiteit herbergt waarvan een groot deel nog steeds niet verkend is;

B.  overwegende dat naar schatting 64 % van de zee, met name de volle zee en de zeebodem, bestaat uit zones die buiten de nationale rechtsgebieden van staten vallen en waarop het internationaal recht van toepassing is;

C.  overwegende dat oceanen een essentiële rol spelen in vele van de grote systemen van de aarde, zoals klimaat en weer, en een plaats vormen waar een breed scala aan menselijke activiteiten plaatsvindt, zoals visserij, energiewinning, vervoer en handel;

D.  overwegende dat minder dan 1 % van de zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen beschermd wordt als gevolg van de instelling van beschermde zeegebieden, en dat er in het overgrote deel van de oceaanregio's geen beheerskader bestaat met een juridisch mandaat om beschermde zeegebieden in te stellen;

E.  overwegende dat het behoud en de instandhouding van de mariene biodiversiteit een gedeeld belang van de hele mensheid vormen en ook als zodanig behandeld moeten worden;

F.  overwegende dat de instandhouding van gezonde mariene habitats en duurzame visbestanden essentieel is voor de duurzaamheid van de visserij op lange termijn;

G.  overwegende dat beschermde ecosystemen in 2014 wereldwijd 15,2 % van het land en slechts 8,4 % van de mariene gebieden bestreken;

H.  overwegende dat de negatieve gevolgen van overexploitatie, verontreiniging, zwerfafval in zee en de vernietiging van mariene habitats en ecosystemen nog erger worden door klimaatverandering en verzuring;

I.  overwegende dat in het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio de Janeiro, 2012), getiteld "The future we want", beklemtoond wordt dat de bescherming en het beheer van de natuurlijke rijkdommen als basis voor economische en sociale ontwikkeling de overkoepelende doelstellingen van en de basisvoorwaarden voor duurzame ontwikkeling vormen;

J.  overwegende dat de zeeën en oceanen een tot nog toe onaangeboord potentieel aan blauwe groei in zich dragen, onder meer op het vlak van hernieuwbare energie en geneesmiddelen, hetgeen ook een waardevol ontwikkelingstraject voor de huidige ontwikkelingslanden kan vormen; overwegende dat de ontwikkeling van de kennis van de mariene soorten en het mariene milieu, de bathymetrische kenmerken van het mariene milieu en het in kaart brengen van kwetsbare mariene ecosystemen een noodzakelijke voorwaarde vormen voor maritieme ontwikkeling en het potentieel daarvan in termen van blauwe groei;

K.  overwegende dat de instandhouding en het duurzaam gebruik van de mariene biodiversiteit rechtstreeks verband houden met duurzame ontwikkeling op lange termijn en dus sociaal, economisch en ecologisch gezien voor alle landen en grondgebieden van belang zijn;

L.  overwegende dat het bestaande rechtskader met betrekking tot zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, dat meer dan 30 jaar geleden is ontwikkeld en op de doctrine van vrijheid van de volle zee stoelt, nader uitgewerkt moet worden om de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de rechtsgebieden met succes te bevorderen;

M.  overwegende dat het aantal activiteiten dat in het mariene milieu wordt ontplooid de afgelopen decennia is toegenomen; overwegende dat wij inzien dat er sprake is van interactie tussen de verschillende activiteiten die zich op volle zee afspelen en beseffen hoe zij mariene biodiversiteit beïnvloeden;

N.  overwegende dat wij de interacties en de cumulatieve effecten van de verschillende activiteiten die zich op volle zee voltrekken en de gevolgen daarvan voor mariene biodiversiteit onderkennen;

O.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) in 2004 de open informele ad-hocwerkgroep heeft aangesteld om de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de nationale rechtsgebieden te bestuderen en te analyseren;

P.  overwegende dat de werkgroep in 2011 heeft aanbevolen een proces op te starten om vast te stellen op welke punten er leemtes bestaan en hoe we verder kunnen gaan, onder meer door eventueel een multilateraal akkoord uit hoofde van het Unclos te ontwikkelen, en dat in dit proces samen en als één geheel aandacht besteed moet worden aan mariene genetische rijkdommen (met inbegrip van kwesties in verband met de verdeling van de baten), maatregelen zoals zonespecifieke beheersinstrumenten (waaronder beschermde mariene zones), milieueffectbeoordelingsprocedures, capaciteitsopbouw en de overdracht van mariene technologie;

Q.  overwegende dat in de samenvatting van de covoorzitters van de werkgroep van 2011 erkend wordt dat er een kloof is tussen de wetenschappelijke methode voor het beschrijven van ecologisch en biologisch belangrijke zones en het daadwerkelijk vaststellen/aanwijzen van dergelijke zones, aangezien geen enkel wereldwijd forum destijds een formeel mandaat had om dat te doen en bestaande regionale en sectorale fora hierbij met legitimiteitsproblemen kampten;

R.  overwegende dat in de samenvatting van de covoorzitters van de werkgroep van 2011 werd geconstateerd dat de status quo zijn beperkingen en tekortkomingen had;

S.  overwegende dat staatshoofden en regeringsleiders in het slotdocument van Rio+20 hebben toegezegd de kwestie van de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de nationale rechtsgebieden met spoed en nog voor het einde van de 69e zitting van de Algemene Vergadering te zullen aanpakken, voortbouwend op het werk van de werkgroep, en dat er onder meer een besluit zal worden genomen over de ontwikkeling van een internationaal instrument uit hoofde van het Verdrag inzake het recht van de zee;

T.  overwegende dat de visvangst, op zichzelf en in combinatie met klimaatverandering, zeevervuiling of andere mariene activiteiten, grote gevolgen heeft voor de mariene biomassa en biodiversiteit en dat bijgevolg in alle maatregelen inzake instandhouding en beheer uitvoerig moet worden ingespeeld op de gevolgen van de visvangst voor de mariene biodiversiteit in ABNJ's, teneinde deze gevolgen te voorkomen of te minimaliseren; overwegende dat de visvangst bovendien niet de enige op de mens terug te voeren mortaliteitsfactor is voor de rijkdommen van de oceaan en niet de enige reden mag zijn om internationale actie af te dwingen;

U.  overwegende dat onder meer ertswinning, energieboringen en het gebruik van bodemoppervlak voor stedelijke platforms tot de factoren behoren die de huidige vissterfte in de hand werken en dat de toekomstige maritieme ontwikkeling ook kan leiden tot andere onvoorziene mortaliteitsfactoren ten aanzien waarvan waakzaamheid geboden is;

V.  overwegende dat de mariene biodiversiteit fors achteruit is gegaan; overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen het behoud van de vangstmogelijkheden voor de komende generaties enerzijds, en de bescherming van mariene biodiversiteit en de instandhouding van mariene ecosystemen anderzijds;

W.  overwegende dat selectieve en duurzame vistechnieken onontbeerlijk zijn voor een duurzaam beheer van de visbestanden en de beperking van incidentele vangsten, en dus voor het behoud van de mariene biodiversiteit;

X.  overwegende dat coördinatie en overleg tussen al wie mariene activiteiten onderneemt van essentieel belang zijn om de instandhouding van mariene biologische diversiteit en het duurzaam gebruik van rijkdommen te waarborgen;

Y.  overwegende dat de ultraperifere gebieden van de EU van nature bijzondere geografische en soms ook geopolitieke omstandigheden kennen en dat zij deel uitmaken van specifieke regionale samenwerkingsmechanismen;

Z.  overwegende dat de visserij een uiterst belangrijke activiteit is die zowel binnen als buiten nationale rechtsgebieden wordt bedreven;

AA.  overwegende dat de Unie een sleutelrol vervult in de wereldwijde governance van zeeën en oceanen en internationaal veel invloed heeft op het visserijbeleid, met name ook vanwege haar deelname aan 17 regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's); overwegende dat die vooraanstaande rol van de Unie betekent dat zij verantwoordelijkheid draagt voor het voeren van een proactief beleid wat de bescherming van de mariene biodiversiteit wereldwijd betreft;

AB.  overwegende dat de UNFSA, waarin de rechten en plichten van staten die partij zijn worden vastgesteld met betrekking tot de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, een uitgebreid en vooruitziend document is dat niet mag worden gewijzigd, ondermijnd of uitgehold, en dat moet worden gewaarborgd dat de overeenkomst volledig ten uitvoer wordt gelegd door middel van versterkte samenwerkingsprocessen die in het raam van het nieuwe internationale instrument moeten worden vastgesteld;

AC.  overwegende dat lering moet worden getrokken uit de recente meningsverschillen van de EU met de Faeröer en IJsland, opdat een duurzaam beheer van de visbestanden wereldwijd mogelijk wordt;

AD.  overwegende dat elk land op grond van het Unclos het recht heeft voordeel te halen uit de instandhouding en het duurzaam gebruik van zijn rijkdommen;

AE.  overwegende dat we instemmen met de verplichting van landen om het mariene milieu te beschermen en in stand te houden, met inbegrip van de bescherming van zeldzame en gevoelige ecosystemen en de habitats van kwetsbare, uitgedunde, met uitsterven bedreigde soorten en andere mariene levensvormen;

AF.  overwegende dat in de UNFSA wordt voorzien in een kader voor het toepassen van de voorzorgsbenadering en op het ecosysteem gebaseerde benaderingen van het visserijbeheer, voor maatregelen voor instandhouding en beheer van de grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, voor internationale samenwerking via de werkzaamheden van subregionale en regionale organisaties (ROVB's) en regelingen voor visserijbeheer; overwegende dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging voor verbetering vatbaar is;

AG.  overwegende dat de staten en de ROVB's er in AVVN-resoluties 61/105 en 64/72 toe worden opgeroepen een reeks maatregelen vast te stellen om de doeltreffende instandhouding van diepzeerijkdommen te waarborgen en te voorkomen dat bodemvisserij aanzienlijke negatieve gevolgen met zich meebrengt voor kwetsbare mariene ecosystemen in ABNJ's;

AH.  overwegende dat we erkennen dat ontwikkelingslanden rechten en bijzondere behoeften hebben in de context van capaciteitsopbouw om in staat te zijn voordeel te halen uit de instandhouding en het duurzaam gebruik van de rijkdommen en van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden;

AI.  overwegende dat de inspanningen die reeds gedaan zijn door ROVB's die tonijnbestanden beheren en die onafhankelijke prestatiebeoordelingen hebben uitgevoerd erkenning krijgen in de handelwijze van het zogenaamde "proces van Kobe" en dat alle ROVB's hierin worden opgeroepen regelmatig dergelijke beoordelingen uit te voeren, de resultaten ervan openbaar te maken en de daarin vervatte aanbevelingen volledig uit te voeren; overwegende dat instanties als de AVVN en de Visserijcommissie (COFI) de andere ROVB's eveneens hebben verzocht hetzelfde te doen, en dat deze beoordelingen inmiddels zijn uitgevoerd;

AJ.  overwegende dat er ROVB's zijn opgezet en dat sommige daarvan werk maken van de instelling van beschermde zeegebieden om de visbestanden op een duurzaam peil te houden en te herstellen;

AK.  overwegende dat via het CBD een reeks workshops is gefaciliteerd om EBSA's te beschrijven, ook in ABNJ's, en dat de resultaten van deze workshops nu op grote schaal beschikbaar zijn op een website van het CBD ter consultering voor beheerdoeleinden;

AL.  overwegende dat het verzamelen en delen van wetenschappelijke gegevens van het grootste belang is om te goeder trouw en op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies besluiten te kunnen nemen;

AM.  overwegende dat het milieuprobleem van plastic zwerfafval in zee een onmiddellijke bedreiging vormt voor de mariene diversiteit, dat er tot dusverre onvoldoende is onderzocht wat de reikwijdte en de middelen zijn voor het bestrijden van dit probleem en dat het aanpakken ervan wel eens economische kansen zou kunnen bieden;

AN.  overwegende dat de werkgroep in haar tekst van 23 januari 2015 benadrukt dat de instandhouding en het beheer van mariene biologische diversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen in de uitgebreide mondiale regeling beter moeten worden aangepakt;

AO.  overwegende dat de EU actief optimale werkwijzen ontwikkelt en ertoe aanspoort ze toe te passen om tot een duurzaam gebruik van de visbestanden te komen en dat zij met programma's als Horizon 2020 gegevensverzameling, onderzoek en duurzame ontwikkeling aanmoedigt en financiert;

AP.  overwegende dat de werkgroep op 23 januari 2015 haar steun heeft uitgesproken voor een aanbeveling om uit hoofde van het verdrag een internationaal, juridisch bindend instrument te ontwikkelen;

AQ.  overwegende dat de AVVN op 19 juni 2015 een resolutie heeft aangenomen over de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen;

1.  is verheugd over de beslissing van de AVVN om uit hoofde van het Unclos een internationaal juridisch bindend instrument te ontwikkelen voor de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen om onder meer de huidige tekortkomingen aan te pakken; benadrukt dat dit proces de op dit gebied bestaande instrumenten en kaders en de mondiale, regionale en sectorale instanties (bv. ROVB's) niet mag ondermijnen; wijst erop dat het van belang is dit nieuwe instrument met spoed maar ook met de nodige voorzichtigheid uit te werken en de streefdatum van eind 2017 voor de afronding van de ontwerptekst te eerbiedigen;

2.  benadrukt de visie, de kansen en de gevolgen die het Unclos inhoudt voor de goede betrekkingen tussen staten en voor de duurzame exploitatie van de hulpbronnen, maar beseft dat de nieuwe moeilijkheden en kansen nopen tot het aanbrengen van aanpassingen;

3.  benadrukt het belang van de instandhouding en het duurzaam gebruik van de oceanen en zeeën en hun rijkdommen; verzoekt de EU en de internationale gemeenschap de instandhouding en het duurzaam gebruik van de mariene biodiversiteit te bevorderen door, naast andere maatregelen, moderne en duurzame concepten van marien ecosysteembeheer, beginselen van oceaanbeheer, het beheer van de exploitatie van mariene rijkdommen (ertswinning, energieboringen, enz.) en van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen, waarin marien beheer op wetenschappelijke basis, het herstel en de instandhouding van de bestanden op een niveau dat toelaat de maximale duurzame opbrengst te produceren, op het ecosysteem gebaseerd beheer en instandhouding van mariene biodiversiteit en de voorzorgsbenadering zijn vervat;

4.  benadrukt dat het, om tegen 2020 het hoofd te kunnen bieden aan de problemen in verband met de mariene biodiversiteit, noodzakelijk is dat in de lidstaten maatregelen worden getroffen om beheersplannen ten uitvoer te leggen, toezicht te houden op de toepassing van de regels, de kennisbasis te verdiepen en de onderzoeksnetwerken en coördinatie van gegevens over mariene diversiteit te versterken;

5.  erkent en steunt de positieve voortrekkersrol van de EU en de Commissie, gezien de invloedrijke positie van de visindustrie en de visserijmarkt van de EU en gezien het feit dat het Europese visserijbeleid op duurzaamheid gericht is;

6.  ziet in dat de EU een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van het duurzame beheer van de biologische rijkdommen van de zee, in het bijzonder in de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij); benadrukt dat IOO-visserij van nature een bedreiging vormt voor de mariene biodiversiteit en de instandhouding van de mariene ecosystemen ernstig in het gedrang brengt; herinnert eraan dat de Unie de bestrijding van IOO-visserij tot prioriteit heeft verheven en dat internationale samenwerking cruciaal is om die strijd met succes te voeren; spoort de FAO en de ROVB's aan de krachten te bundelen voor het verbeteren van de multilaterale samenwerking;

7.  benadrukt de positieve rol van de milieukeurmerken voor visserijproducten, waardoor de consumenten kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van de rijkdommen en de instandhouding van de mariene diversiteit door met kennis van zaken hun keuzes te maken;

8.  spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat de gevolgen voor de biodiversiteit in ABNJ's van menselijke activiteiten, waaronder de visserij en alle vormen van exploitatie van de zeebodem, daadwerkelijk worden aangepakt in de context van dit nieuw internationaal akkoord, hiervoor te blijven ijveren en hierbij een coördinerende rol te spelen; wijst daarom op de noodzaak de bestaande wetgeving beter te doen handhaven en de nodige beheersinstrumenten te ontwikkelen om samenhang en consistentie te waarborgen;

9.  spoort ROVB's aan te waarborgen dat hun aanbevelingen volledig ten uitvoer worden gelegd, regelmatige onafhankelijke beoordelingen te blijven verrichten en ervoor te zorgen dat dergelijke beoordelingen behoorlijk ten uitvoer worden gelegd;

10.  verzoekt de Commissie met klem haar steun uit te spreken en te ijveren voor een holistische en omvattende benadering met betrekking tot beschermde mariene zones, aangezien er op het vlak van instandhoudingsinspanningen pas echt gecoördineerd en samengewerkt kan worden bij deelname van een zo breed mogelijke groep van belanghebbenden die actief zijn in een uiteenlopende reeks menselijke mariene activiteiten in zeeën en oceanen;

11.  spoort de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk aan de aanwijzing en toepassing van EBSA's in ABNJ's te bevorderen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van het nieuwe internationale akkoord uit hoofde van het Unclos de ontwikkeling van een institutioneel mechanisme voor het aanwijzen, beheren en invoeren van de nodige bepalingen betreffende het toezicht op en de handhaving van verbonden, samenhangende, werkbare en representatieve netwerken van beschermde mariene zones samen met alle belanghebbende partijen te blijven ondersteunen en bevorderen als essentiële instrumenten voor het waarborgen van ecologische en biologische connectiviteit;

13.  verzoekt de Commissie een reeks uitgebreide gegevens te verwerken over mariene biodiversiteit in de Europese regionale zeeën; is van mening dat het verzamelen van die gegevens noodzakelijk is, aangezien 80 % van de soorten en de habitats die in de kaderrichtlijn mariene strategie aan bod komen als onbekend is ingedeeld;

14.  roept de EU op een voortrekkersrol te spelen bij de bestrijding van plastic zwerfafval in zee en dringt erop aan dat onderzoek op dit gebied wordt gefinancierd in het kader van de blauwe economie;

15.  benadrukt dat in dit nieuw internationaal akkoord gelijke voorwaarden moeten worden gegarandeerd tussen alle belanghebbende partijen; is van mening dat in het nieuw internationaal akkoord bovendien rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van ontwikkelingslanden, met name de kleine eilandstaten, op het vlak van capaciteitsopbouw om de doelstellingen van de internationale gemeenschap met betrekking tot o.a. beschermde mariene zones te behalen;

16.  verzoekt de Commissie met klem te ijveren voor een verbeterde samenwerking, coördinatie, transparantie en verantwoordingsplicht tussen alle belanghebbende partijen, alsook tussen de nieuwe onderhandelde instrumenten, de bestaande instrumenten van de UNFSA en de FAO, de ROVB's en andere sectorale organisaties, zoals onder meer de Internationale Zeebodemautoriteit en de Internationale Maritieme Organisatie;

17.  verzoekt de VN samen te werken met staten om de bestaande regelgeving doeltreffender ten uitvoer te leggen en waar nodig bijkomende regels uit te werken die de biodiversiteit in volle zee op een onrechtstreekse manier kunnen helpen beschermen en voor betere omstandigheden op het gebied van sociale voorwaarden, veiligheid en toezicht kunnen zorgen, zoals de totstandbrenging van mondiale beheerinstrumenten, namelijk een gecentraliseerd instrument voor de registratie van vaartuigen, zoals het mondiaal register van vissersvaartuigen waaraan onder leiding van de FAO wordt gewerkt; verzoekt de VN hierbij te voorkomen dat de administratieve last voor vissers toeneemt;

18.  benadrukt dat de gevolgen van visserij voor de mariene biodiversiteit in ABNJ's onder het mandaat van de ROVB's moeten vallen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen het mandaat van het nieuw internationaal akkoord uit hoofde van het Unclos de ontwikkeling te ondersteunen en te bevorderen van een institutioneel mechanisme voor de verrichting van milieueffectbeoordelingen vooraf voor activiteiten die aanzienlijke gevolgen zouden kunnen hebben voor het mariene milieu, zoals bepaald in artikel 206 van het Unclos, onder meer voor de exploitatie van mariene rijkdommen en gebaseerd op wetenschappelijke argumenten, voor zover praktisch haalbaar, en dringt erop aan dat deze activiteiten vergezeld gaan van een gedetailleerde milieu- en sociaal-economische monitoring;

20.  verzoekt de Commissie om in het kader van het nieuw internationaal akkoord aan te dringen op de erkenning van ecologische schade op zee en op de vaststelling van de aansprakelijkheidsketen voor die schade;

21.  verzoekt de Commissie de staten die dat nog niet hebben gedaan op te roepen het Unclos te ratificeren of zich erbij aan te sluiten;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, alsook aan het voorbereidend comité dat belast is met de opstelling van het toekomstig internationaal akkoord.


Fokdieren en levende producten ervan ***I
PDF 250kWORD 96k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor de handel in en de invoer in de Unie van fokdieren en levende producten ervan (COM(2014)0005 – C7-0032/2014 – 2014/0032(COD))
P8_TA(2016)0101A8-0288/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2014)0005 - 2014/0032(COD)),

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2014)0004 - 2014/0033(COD)),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 42 en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0032/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 maart 2014(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 18 december 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0288/2015),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast;

2.  is van mening dat vanwege de opname van de inhoud van het Commissievoorstel COM(2014)0004 in dat standpunt, wetgevingsprocedure 2014/0033(COD) is komen te vervallen;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 april 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij ("Fokkerijverordening")

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1012.)

(1) PB C 226 van 16.7.2014, blz. 70.


De situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie
PDF 380kWORD 165k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie (2015/2095(INI))
P8_TA(2016)0102A8-0066/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1951 en het aanvullende protocol daarbij, en in het bijzonder het recht op non-refoulement,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1982 inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 en het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee van 1979, zoals gewijzigd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 1990,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Actieplan niet-begeleide minderjarigen (2010-2014)" (COM(2010)0213) en de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(4),

–  gezien de volgende debatten van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement in 2015: van 14 april in aanwezigheid van commissaris Avramopoulos; van 6 mei over solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, onder meer inzake verplichtingen op het gebied van opsporing en redding; van 26 mei over de strategie voor samenwerking met derde landen; van 4 juni over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU en over de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel; van 25 juni over de aanpak van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten, het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie en grensbeheer en visumbeleid; van 2 juli over de wijze waarop financiële middelen voor binnenlandse zaken worden besteed aan migratie en ontwikkeling; van 6 juli over het eerste pakket voorstellen van de Commissie naar aanleiding van de migratieagenda, en over solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, onder meer inzake verplichtingen op het gebied van opsporing en redding, en over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU; van 16 juli, in aanwezigheid van deskundigen op het gebied van EU-middelen voor migratiebeleid, over beleid, praktijk en gegevens inzake niet-begeleide minderjarigen in de EU-lidstaten en Noorwegen, over de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie en over het verkennen van nieuwe wegen voor wetgeving op het gebied van economische migratie; van 22 september over het tweede pakket voorstellen van de Commissie naar aanleiding van de migratieagenda; van 23 september met de nationale parlementen over de hotspotaanpak en over de nationale en lokale aanpak van migratie; van 19 oktober over het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten; van 10 november over de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0510); van 19 november over de interne en externe financiering van het EU-migratiebeleid en asielbeleid; van 10 december over de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie; van 21 december over grensbeheer en visumbeleid, over doeltreffende uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en over het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie,

–  gezien de debatten in de gezamenlijke vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking van 1 april 2015 over de samenhang tussen ontwikkeling en migratie, en in de gezamenlijke vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten van 15 september 2015 over de eerbiediging van de mensenrechten in het kader van de migratiestromen in het Middellandse Zeegebied,

–  gezien de verslagen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de bezoeken van haar delegaties in september 2015 aan Lampedusa met als thema opsporings- en reddingsoperaties en in oktober 2015 aan Tunesië met als thema samenwerking met derde landen op het gebied van migratie, asiel en grenscontrole, en gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over het bezoek van hun gezamenlijke delegatie in juli 2015 aan Sicilië met als thema de aanpak van migratiedruk in de regio, met bijzondere aandacht voor de begrotingsaspecten daarvan,

–  gezien het tienpuntenplan inzake migratie van de Commissie, gepresenteerd tijdens de gezamenlijke Raad van ministers van Buitenlandse en Binnenlandse Zaken van 20 april 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240),

–  gezien Besluit (GBVB) 2015/778 van de Raad van 18 mei 2015 inzake een militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied,

–  gezien het besluit van de EU-ambassadeurs in het Politiek en Veiligheidscomité om de tweede fase van de operatie EUNAVFOR Med op te starten, onder de nieuwe naam "Operatie Sophia"(5), en gezien de door de NAVO geleide operatie in de Egeïsche Zee,

–  gezien resolutie 2240(2015) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 9 oktober 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie "EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015 - 2020)" (COM(2015)0285),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Eurodac-verordening wat betreft de verplichting vingerafdrukken te nemen (SWD(2015)0150),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie over een Europese hervestigingsregeling (C(2015)3560) en de conclusies van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het hervestigen middels multilaterale en nationale regelingen van 20 000 personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, gepresenteerd tijdens de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 20 juli 2015,

–  gezien de toelichtende nota van de Commissie over de hotspotaanpak, de verslagen over de stand van zaken in Griekenland en Italië van 10 februari 2016 en het voortgangsverslag over Griekenland van 4 maart 2016,

–  gezien Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland,

–  gezien Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een crisisherplaatsingsmechanisme en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (COM(2015)0450),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015)0452),

–  gezien de mededeling van de Commissie "EU-actieplan inzake terugkeer" (COM(2015)0453),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijk "terugkeerhandboek" voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij het uitvoeren van terugkeergerelateerde taken (C(2015)6250) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de regels inzake overheidsopdrachten in verband met de huidige asielcrisis (COM(2015)0454),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU" (JOIN(2015)0040),

–  gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika (C(2015)7293),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0490) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0510) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese grens- en kustwacht en adequaat beheer van de Europese buitengrenzen" (COM(2015)0673) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2007/2004, Verordening (EG) nr. 863/2007 en Besluit 2005/267/EG van de Raad (COM(2015)0671), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (COM(2015)0668), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 inzake het aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen (COM(2015)0670), het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2015)0677), en de aanbeveling van de Commissie inzake een vrijwillige regeling voor toelating op humanitaire gronden met Turkije (C(2015)9490),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda (COM(2016)0085),

–  gezien de Aanbeveling van de Commissie gericht tot de Helleense Republiek over de door Griekenland te nemen dringende maatregelen in het licht van de hervatting van overdrachten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 604/2013, (C(2016)0871),

–  gezien het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad inzake de tijdelijke opschorting van de herplaatsing van 30 % van de verzoekers die aan Oostenrijk zijn toegewezen op grond van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2016)0080),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad getiteld "Terug naar Schengen – Een stappenplan" (COM(2016)0120),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Second Report on progress by Turkey in fulfilling the requirements of its visa liberalisation roadmap" (COM(2016)0140) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0097),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie (COM(2016)0115) en de komende gewijzigde begroting nr. 1/2016 om een begrotingsonderdeel voor dit instrument te creëren,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van de buitengewone bijeenkomst van 23 april 2015, de bijeenkomst van 25 en 26 juni 2015, de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU over migratie van 23 september 2015, de bijeenkomst van 15 oktober 2015 en de bijeenkomsten van 17 en 18 december 2015 en 18 en 19 februari 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over veilige landen van herkomst, van 20 juli 2015 over migratie, van 8 oktober 2015 over de toekomst van het terugkeerbeleid, van 12 oktober 2015 over migratie, van 9 november 2015 over maatregelen om de vluchtelingen- en migratiecrisis te beheersen, van 4 december 2015 over staatloosheid en van 10 maart 2016 over migrantensmokkel,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap, goedgekeurd op 14 september 2015,

–  gezien de conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het hervestigen middels multilaterale en nationale regelingen van 20 000 personen die duidelijk internationale bescherming behoeven,

–  gezien het gezamenlijk actieplan EU-Turkije van 15 oktober 2015 en de uitvoeringsverslagen van 10 februari en 4 maart 2016,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van 7 maart 2016,

–  gezien de verklaring van de Conferentie op hoog niveau van 8 oktober 2015 over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute en de verklaring van de regeringsleiders van 25 oktober 2015 over vluchtelingenstromen via de Westelijke Balkanroute en het voortgangsverslag van 10 februari 2016,

–  gezien het actieplan en de politieke verklaring, goedgekeurd tijdens de top EU-Afrika over migratie in Valetta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), met name het jaarverslag over de situatie op het gebied van asiel in de Europese Unie 2014 en de maandelijkse asielverslagen,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van Frontex, en met name de jaarlijkse risicoanalyse 2015 en de kwartaalverslagen van het Frontex-netwerk voor risicoanalyse,

–  gezien de werkzaamheden en verslagen van Europol, en met name het gezamenlijk operationeel team Mare, evenals de oprichting van het Europees centrum tegen migrantensmokkel (EMSC) door Europol,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van Eurojust, en met name de verslagen over mensenhandel,

–  gezien de werkzaamheden, jaarverslagen en studies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en met name de studies over ernstige vormen van arbeidsuitbuiting en over criminalisering van migranten in een irreguliere situatie en bij hen betrokken personen,

–  gezien de studies van beleidsondersteunende afdeling C over de tenuitvoerlegging van artikel 80 VWEU, over nieuwe methoden, alternatieve wegen en middelen om toegang te krijgen tot asielprocedures voor personen die om internationale bescherming verzoeken, over het verkennen van nieuwe wegen voor wetgeving op het gebied van arbeidsmigratie naar de EU, over versterking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en alternatieven voor Dublin, over de opvang van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU en over samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie, en gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling D over EU-fondsen voor migratiebeleid: analyse van doelmatigheid en goede praktijken voor de toekomst, en de studie van de beleidsondersteunende afdeling van DG EXPO over migranten in het Middellandse Zeegebied: bescherming van de mensenrechten,

–  gezien de studies van het Europees migratienetwerk (EMN), en met name de studie over beleid, praktijk en gegevens inzake niet-begeleide minderjarigen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van migranten,

–  gezien de werkzaamheden, verslagen en resoluties van de Raad van Europa,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Internationale Organisatie voor Migratie,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding,

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's – Europese migratieagenda, goedgekeurd tijdens de 115e zitting van 3-4 december 2015,

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Europese migratieagenda en over het EU-actieplan tegen migrantensmokkel,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(6),

–  gezien het werkdocument over artikel 80 – solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, met inbegrip van verplichtingen op het gebied van opsporing en redding,

–  gezien het werkdocument over het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten,

–  gezien het werkdocument over grensbeheer en visumbeleid, met inbegrip van de rol van Frontex en andere bevoegde agentschappen,

–  gezien het werkdocument over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU, inclusief het hervestigings- en overeenkomstig integratiebeleid van de Unie,

–  gezien het werkdocument over het opzetten van een passend rechtskader voor economische migratie,

–  gezien het werkdocument over de interne en externe financiering van het EU-migratiebeleid en asielbeleid,

–  gezien het werkdocument over effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) en de rol van het EASO daarin,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8-0066/2016),

A.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 17 december 2014 de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft verzocht de verschillende beleidsmaatregelen op dit gebied onder de loep te nemen, een reeks aanbevelingen te ontwikkelen en aan de plenaire vergadering te rapporteren in de vorm van een strategisch initiatiefverslag;

B.  overwegende dat volgens gegevens van Frontex(7) in 2015 1,83 miljoen personen hebben gepoogd om op irreguliere wijze de EU-buitengrenzen te overschrijden, een recordaantal vergeleken met de 282 500 migranten die in heel 2014 de EU binnenkwamen; overwegende dat volgens gegevens van de Internationale Organisatie voor Migratie/Unicef 20 % van alle migranten die via zee Europa binnenkomen kinderen zijn(8);

C.  overwegende dat volgens gegevens van het EASO(9) in 2015 in de EU+(10) meer dan 1,4 miljoen verzoeken om internationale bescherming zijn ingediend en dat dit aantal sinds april gestaag toeneemt en dat het aantal herhaalde verzoeken afneemt; overwegende dat ongeveer 6 % van de verzoekers stelde een niet-begeleide minderjarige te zijn; overwegende dat in februari 2016 22 % van de binnenkomsten op zee in Griekenland vrouwen waren en 40 % kinderen(11);

D.  overwegende dat op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind ieder mens jonger dan achttien jaar als kind wordt beschouwd;

E.  overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie in 2015 van 3 771 personen is gemeld dat zij in het Middellandse Zeegebied zijn omgekomen of vermist zijn geraakt(12); overwegende dat tot 8 maart 2016 van 444 personen is gemeld dat zij in het Middellandse Zeegebied zijn verdronken; overwegende dat in de eerste negen weken van 2016, 77 kinderen zijn overleden, gemiddeld meer dan één per dag; overwegende dat volgens recente gegevens van Europol minstens 10 000 niet-begeleide kinderen na hun aankomst in Europa zijn verdwenen;

F.  overwegende dat 3 oktober moet worden erkend als een dag van herinnering voor alle mannen, vrouwen en kinderen die omkomen bij een poging om hun land te ontvluchten ten gevolge van vervolging, conflict en oorlog, alsook voor alle mannen en vrouwen die elke dag hun leven wagen om hen te redden;

G.  overwegende dat sommige delen van de wereld door oorlog en geweld worden getroffen en onder extreme armoede, de achteruitgang van het milieu en het gebrek aan kansen voor jongeren lijden, hetgeen nog meer geweld en onzekerheid kan veroorzaken en nieuwe volksverhuizingen tot gevolg kan hebben;

Artikel 80 VWEU – Solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, met inbegrip van verplichtingen op het gebied van opsporing en redding

H.  overwegende dat artikel 80 VWEU bepaalt dat de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten kernbeginselen van het hele Uniesysteem vormen en dat dit artikel de rechtsgrondslag biedt voor de tenuitvoerlegging van deze beginselen in het beleid van de Unie inzake asiel, migratie en grenscontroles;

I.  overwegende dat er twee soorten solidariteit bestaan, interne en externe solidariteit; overwegende dat herplaatsing, wederzijdse erkenning van asielbesluiten, operationele steunmaatregelen, een proactieve uitlegging van de Dublinverordening, alsook de richtlijn tijdelijke bescherming instrumenten zijn voor interne solidariteit, en dat hervestiging, toelating op humanitaire gronden en opsporings- en reddingsoperaties op zee de externe solidariteit bevorderen, en dat het mechanisme voor civiele bescherming op beide kan worden gericht;

J.  overwegende dat er, op 3 maart 2016, van de 39 600 asielzoekers, die in Italië worden opgevangen en over de andere lidstaten moeten worden herverdeeld, in realiteit slechts 338 zijn gehervestigd, terwijl er in Griekenland 322 van de 66 400 geplande hervestigingen hebben plaatsgevonden;

Het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten

K.  overwegende dat mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten verschillende juridische fenomenen zijn, die onder verschillende wettelijke kaders op Europees en internationaal niveau vallen en die elk een eigen aanpak vergen, maar in de praktijk vaak overlappen; overwegende dat criminele mensensmokkel- en mensenhandelnetwerken hun werkwijze zeer snel kunnen aanpassen en dat het dus zaak is de aanpak van deze fenomenen voortdurend af te stemmen op de allerlaatste en nauwkeurigste gegevens; overwegende dat het optreden tegen criminele migrantensmokkel geen nadelige gevolgen mag hebben voor personen die humanitaire hulp verlenen aan irreguliere migranten;

L.  overwegende dat de bestrijding van mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten zowel korte- als middellange- als langetermijnantwoorden vergt, waaronder maatregelen gericht op het aanpakken van criminele netwerken, maatregelen om criminelen voor de rechter te brengen, het verzamelen en analyseren van gegevens, maatregelen ter bescherming van slachtoffers en maatregelen gericht op de terugkeer van irreguliere migranten, alsook samenwerking met derde landen en langetermijnstrategieën om de vraag naar verhandelde en gesmokkelde personen te verminderen en de onderliggende oorzaken van migratie die ervoor zorgen dat mensen in handen van criminele smokkelaars vallen, aan te pakken;

Grensbeheer en visumbeleid, met inbegrip van de rol van het Grensagentschap en andere bevoegde agentschappen

M.  overwegende dat er momenteel een gewone wetgevingsprocedure loopt met betrekking tot diverse Commissievoorstellen op het gebied van grenzen en visumbeleid, bijvoorbeeld het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de visumcode van de Unie (herschikking) (2014/0094(COD)), het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een rondreisvisum (2014/0095(COD)) en het voorstel voor een verordening betreffende de invoering van een uniform visummodel: veiligheid (2015/0134(COD)); overwegende dat de Commissie onlangs nieuwe voorstellen op dit gebied heeft ingediend, die eveneens volgens de gewone wetgevingsprocedure zullen worden behandeld;

N.  overwegende dat de afschaffing van controles aan de binnengrenzen moet samengaan met een doeltreffend beheer van de buitengrenzen, met hoge gemeenschappelijke normen, doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en volledige eerbiediging van de fundamentele rechten van iedereen;

O.  overwegende dat het Europees Parlement het Grensagentschap van de Unie heeft gevraagd zijn capaciteiten om met mogelijke schendingen van grondrechten om te gaan te versterken, ook in het kader van zijn werkafspraken met bevoegde autoriteiten van derde landen, en overwegende dat het voorstel van de Commissie voor een nieuw grensagentschap van de Unie een klachtenmechanisme bevat;

P.  overwegende dat de huidige visumcode de lidstaten de mogelijkheid biedt van de gewone ontvankelijkheidscriteria af te wijken "op humanitaire gronden" (artikelen 19 en 25);

Het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU, inclusief het hervestigings- en overeenkomstig integratiebeleid van de Unie

Q.  overwegende dat 86 % van de vluchtelingen in de wereld wordt opgevangen in niet-geïndustrialiseerde landen; overwegende dat criminele netwerken en smokkelaars misbruik maken van de wanhoop van mensen die op de vlucht zijn voor vervolging of oorlog en die proberen de Unie binnen te komen;

R.  overwegende dat er slechts een beperkt aantal veilige en legale routes is voor vluchtelingen om de Unie binnen te komen en dat velen nog altijd het risico nemen om via een gevaarlijke route te reizen; overwegende dat de ontwikkeling, op basis van de huidige wetgeving en praktijken, van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen om de Unie binnen te komen de Unie en de lidstaten in staat zou stellen om een beter overzicht te krijgen van de behoefte aan bescherming en van de instroom in de Unie, en om het bedrijfsmodel van mensensmokkelaars te ontwrichten;

De strategie voor samenwerking met derde landen, met name op het gebied van regionale beschermingsprogramma's, hervestiging, terugkeer en de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie

S.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en derde landen gestalte krijgt via politieke instrumenten zoals regionale dialogen, bilaterale dialogen, gemeenschappelijke agenda's inzake migratie en mobiliteit en mobiliteitspartnerschappen, via juridische instrumenten, zoals migratieclausules in mondiale overeenkomsten, overnameovereenkomsten, overeenkomsten voor visumversoepeling en -vrijstelling en via operationele instrumenten, zoals regionale beschermingsprogramma's (RPP's), regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's (RDPP's), werkafspraken van Frontex en samenwerking door het EASO met derde landen;

T.  overwegende dat individuele lidstaten op bilateraal niveau nog altijd intensieve vormen van extern optreden op het gebied van migratie ontwikkelen;

U.  overwegende dat de Unie haar externe samenwerking met derde landen op het vlak van migratie en asiel heeft geïntensiveerd om adequaat te reageren op de huidige vluchtelingencrisis, en nieuwe samenwerkingsinitiatieven heeft gelanceerd, zoals het gezamenlijk actieplan van de EU en Turkije, de toezeggingen die zijn gedaan met betrekking tot de Westelijke Balkanroutes en het op de top van Valetta goedgekeurde actieplan;

Het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie

V.  overwegende dat de beroepsbevolking in de Unie in de periode tot 2020 naar verwachting met 7,5 miljoen personen zal dalen; overwegende dat volgens prognoses met betrekking tot de ontwikkeling van de behoeften van de arbeidsmarkt in de Unie er op bepaalde gebieden in de toekomst tekorten zullen ontstaan; overwegende dat onderdanen van derde landen veel problemen ondervinden met de erkenning van hun buitenlandse kwalificaties en om die reden vaak werk verrichten waarvoor zij overgekwalificeerd zijn;

W.  overwegende dat de huidige aanpak van de Unie op het gebied van arbeidsmigratie gefragmenteerd is, en dat er veel verschillende richtlijnen zijn die zich richten op specifieke categorieën werknemers en onderdanen van derde landen die, onder bepaalde voorwaarden, mogen werken; overwegende dat deze aanpak alleen maar kan inspelen op specifieke kortetermijnbehoeften;

Onderzoek naar de wijze waarop financiële middelen voor binnenlandse zaken, waaronder noodfondsen, worden besteed aan migratie en ontwikkeling

X.  overwegende dat er diverse financiële instrumenten van de Unie bestaan voor de financiering van acties van de lidstaten en derde landen op het gebied van migratie, asiel en grensbeheer; overwegende dat financiële middelen voor de lidstaten voornamelijk worden toegewezen via het Fonds voor asiel, migratie en integratie (Asylum Migration and Integration Fund, AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (Internal Security Fund, ISF), maar dat er talloze andere programma's en fondsen ingezet kunnen worden voor activiteiten op het gebied van migratie; overwegende dat de toewijzing van middelen aan derde landen voornamelijk plaatsvindt via het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument, DCI), maar beheerd wordt door talloze directoraten-generaal van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden;

Y.  overwegende dat de huidige versnippering van begrotingslijnen en verantwoordelijkheden ertoe kan leiden dat het moeilijk is om een goed overzicht te krijgen van de besteding van de fondsen of om precies vast te stellen hoeveel middelen de Unie aan migratie uitgeeft;

De effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en de rol van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken daarin

Z.  overwegende dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System, CEAS) een reeks gemeenschappelijke regels behelst, alsmede een gemeenschappelijke asielprocedure en een in de gehele Unie geldige uniforme asielstatus; overwegende dat de vele waarschuwingen, waaronder inbreukbesluiten van de Commissie, laten zien dat het CEAS in veel lidstaten nog niet volledig ten uitvoer is gelegd; overwegende dat tenuitvoerlegging essentieel is om nationale wetgeving te harmoniseren en solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen en overwegende dat de lidstaten het EASO om ondersteuning kunnen vragen om aan de in het kader van het CEAS geldende normen te voldoen; overwegende dat harmonisatie van normen voor opvang en asielprocedures de druk op landen die betere voorzieningen bieden kan verminderen en van cruciaal belang is voor een billijke verdeling van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten;

AA.  overwegende dat de huidige mechanismen van het Dublinsysteem niet objectief zijn, niet voorzien in eerlijke criteria voor toewijzing van verantwoordelijkheid inzake verzoeken om internationale bescherming, en geen snelle toegang tot internationale bescherming bieden; overwegende dat het systeem in de praktijk niet wordt toegepast en dat er door middel van twee besluiten van de Raad inzake tijdelijke herplaatsing uitdrukkelijke afwijkingen zijn goedgekeurd; overwegende dat de Commissie had aangekondigd tegen maart 2016 een voorstel te zullen indienen voor een grondige herziening van de Dublin III-verordening;

AB.  overwegende dat in artikel 3 van het Verdrag van Genève van 1951 wordt bepaald dat de lidstaten vluchtelingen niet mogen discrimineren op basis van hun ras, godsdienst of land van herkomst;

Solidariteit

1.  wijst erop dat solidariteit het beginsel moet zijn waarop het optreden van de Unie op gebied van migratie berust; merkt op dat het solidariteitsbeginsel zoals in artikel 80 VWEU geformuleerd, het asiel-, immigratie- en grenscontrolebeleid omvat; is van mening dat artikel 80 VWEU "tezamen" met de artikelen 77 tot en met 79 VWEU een rechtsgrondslag biedt om op deze gebieden aan het solidariteitsbeginsel invulling te geven;

Opsporing en redding

2.  gaat ervan uit dat het redden van levens de eerste prioriteit moet zijn, en dat een behoorlijke financiering van opsporings- en reddingsoperaties zowel op Unie- als op lidstaatniveau van essentieel belang is; merkt op dat de irreguliere toestroom over zee is toegenomen en het aantal doden op zee een alarmerende stijging te zien geeft, en dat er nog steeds een betere Europese respons nodig is;

3.  herinnert eraan dat het redden van levens een daad van solidariteit is met mensen in gevaar, maar ook een verplichting ingevolge internationaal recht, want artikel 98 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee – geratificeerd door alle lidstaten en door de Unie zelf – vereist dat hulp geboden moet worden aan eenieder die op zee in nood geraakt;

4.  is van mening dat een permanente, robuuste en doeltreffende respons van de EU bij opsporings- en reddingsoperaties op zee van cruciaal belang is om het oplopende dodental onder migranten die de Middellandse Zee proberen over te steken een halt toe te roepen;

5.  brengt in dit verband naar voren dat de capaciteit voor opsporings- en reddingsoperaties verhoogd moet worden en dat de regeringen van de lidstaten meer middelen moeten inzetten – in de vorm van financiële bijstand en materieel – binnen de context van een Uniebrede humanitaire operatie met als opdracht de migranten die in gevaar zijn te vinden, te redden en te helpen, en hen naar de dichtstbijzijnde veilige plaats te brengen;

6.  wijst erop dat particuliere schippers of non-gouvernementele organisaties (ngo's) die werkelijk hulp bieden aan personen die op zee in nood verkeren, niet de kans mogen lopen voor hun hulpverlening te worden bestraft; gelooft niet dat de koopvaardij als alternatief kan dienen voor de lidstaten en de Unie waar het gaat om plichtvervulling ten aanzien van zoek- en reddingsacties;

Mensenhandel en criminele mensensmokkel

7.  dringt er op aan duidelijk onderscheid te maken tussen degenen die de Europese Unie worden binnengesmokkeld, en degenen die ten prooi vallen aan mensenhandel, omdat de beleidsrespons weliswaar terdege moet worden geïntegreerd, maar ook goed moet zijn afgestemd; stelt dat algemeen gesteld, migrantensmokkel als misdrijf de facilitering behelst van irreguliere binnenkomst van een persoon in een lidstaat, terwijl het bij mensenhandel gaat om het werven, overbrengen of opnemen van personen, met gebruik van geweld, misleiding of andere malafide middelen en met de uitbuiting van die personen als oogmerk;

8.  is van mening dat een holistische aanpak van migratie hoe dan ook maatregelen moet omvatten gericht op het oprollen van de criminele netwerken die zich met mensenhandel en -smokkel bezighouden;

9.  waardeert de positieve rol van marineschepen tot dusver die levens redden op zee en criminele netwerken helpen oprollen; stelt zich achter de doelstellingen van marine-operaties als de operatie Sophia, en onderstreept de noodzaak tot bescherming van mensenlevens, en stelt nadrukkelijk dat bij alle aspecten van de operatie de bescherming van de levens van migranten gewaarborgd moet blijven;

10.  onderstreept dat militaire operaties niet het overheersende aspect mogen worden in de holistische aanpak van migratie, en herhaalt dat operatie Sophia geen middelen mag onttrekken aan het materiaal dat reeds in de Middellandse Zee voor de redding van drenkelingen wordt ingezet;

De rol van de Unie-agentschappen bij de bestrijding van criminele mensensmokkel

11.  wijst erop dat criminelen hun werkwijze zeer snel kunnen veranderen en dat beleidsrespons daarom moet zijn afgestemd op de meest recente en accurate gegevens; verneemt dat de Commissie op 27 mei 2015, bij wijze van eerste stap een Unie-actieplan tegen migrantensmokkel heeft uitgevaardigd ("het actieplan tegen migrantensmokkel"), dat voorziet in de oprichting van een contactgroep van EU-agentschappen inzake migrantensmokkel, ter bevordering van de operationele samenwerking en onderlinge informatie-uitwisseling;

12.  benadrukt dat bestaande instrumenten, zoals de risicoanalyses van de agentschappen, ten volle moeten worden benut; merkt op dat de agentschappen van de Unie elkaar volledige medewerking moeten verlenen, maar ook intensiever moeten samenwerken met de lidstaten; wijst erop dat met een betere coördinatie van de inspanningen gegevens op nationaal niveau kunnen worden verzameld en aan de agentschappen doorgegeven;

Herplaatsing

13.  herinnert eraan dat herplaatsing – de overbrenging van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, of een persoon die internationale bescherming geniet, van de ene naar een andere EU-lidstaat – een praktisch voorbeeld is van solidariteit binnen de Unie; herinnert er tevens aan dat het Parlement al sinds 2009 aandringt op een bindend mechanisme voor verdeling van asielzoekers over alle lidstaten;

14.  merkt op dat de Raad in het afgelopen jaar twee besluiten heeft genomen inzake tijdelijke herplaatsingsmaatregelen in de Unie ("herplaatsingsbesluiten")(13), en dat het daarbij gaat om overbrenging van aanvragers van internationale bescherming vanuit Griekenland en Italië naar andere lidstaten; wijst erop dat de herplaatsingsbesluiten de huidige Dublin-regels niet opheffen, maar wel een "tijdelijke afwijking" van die regels inhouden;

15.  is van mening dat de invoering van urgente herplaatsingsmaatregelen een stap is in de goede richting en roept de lidstaten op zo spoedig mogelijk hun verplichtingen ingevolge die maatregelen te vervullen;

16.  herinnert er aan dat voor de herplaatsingsbesluiten de herplaatsing alleen de nationaliteiten omvat die blijkens gegevens van Eurostat een aandeel van positieve beschikkingen tot verlening van internationale bescherming in de Unie uitwijzen van ten minste 75 % over de voorafgaande drie maanden; merkt op dat de herplaatsingsbesluiten een relatief klein aantal mensen zullen betreffen, en de grote aantallen aanvragers uit andere derde landen die niet uit hoofde van die besluiten kunnen worden herplaatst, zullen buitensluiten;

17.  is bezorgd dat de lidstaat van eerste aankomst in het kader van de herplaatsingsbesluiten nog altijd de meer gecompliceerde verzoeken om internationale bescherming (en beroepen) zal moeten afhandelen, langduriger opvang zal moeten organiseren en de terugkeer zal moeten regelen en coördineren van degenen die uiteindelijk geen recht hebben op internationale bescherming; herinnert eraan dat een nieuw beheerssysteem voor het gemeenschappelijk Europees asielstelsel op solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid moet zijn gebaseerd;

18.  is van mening dat naast de in de herplaatsingsbesluiten genoemde criteria, te weten het bbp van de lidstaat, de bevolkingsomvang van de lidstaat, het werkloosheidsniveau in de lidstaat en de aantallen asielzoekers in de voorgaande jaren in de lidstaat, ook naar twee andere criteria moet worden gekeken, namelijk de territoriale omvang en de bevolkingsdichtheid van de lidstaat;

19.  vindt dat bij de herplaatsing zoveel als praktisch doenlijk met de voorkeuren van de aanvrager rekening moet worden gehouden; onderkent dat dit een manier is om secundaire stromen te ontmoedigen en de aanvragers zelf ertoe te bewegen een herplaatsingsbesluit te aanvaarden, maar dat dit het herplaatsingsproces niet mag tegenhouden;

Hervestiging

20.  beschouwt hervestiging als te verkiezen optie voor verlening van veilige en legale toegang tot de Unie aan vluchtelingen en anderen die internationale bescherming behoeven, wanneer die vluchtelingen niet naar hun eigen land kunnen terugkeren maar in het gastland evenmin effectieve bescherming kunnen krijgen of zich kunnen integreren;

21.  merkt voorts op dat hervestiging onder auspiciën van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (United Nations High Commissioner for Refugees, UNHCR) een beproefd humanitair programma is en een nuttig instrument voor de verwerking van ordelijke aankomst van mensen die internationale bescherming behoeven op het grondgebied van lidstaten;

22.  wijst erop dat gezien de ongekende toestroom van migranten die bij de buitengrenzen van de Unie blijven aankomen, en de gestaag toenemende aantallen verzoekers om internationale bescherming, de Unie een bindende en dwingende wetgevende aanpak voor hervestiging moet kiezen, zoals de Commissie in haar agenda voor migratie ook aangeeft; acht het raadzaam dat het programma, wil het effect hebben, hervestiging biedt aan een beduidend aantal vluchtelingen, ten opzichte van het totaal aantal vluchtelingen op zoek naar internationale bescherming in de Unie, rekening houdend met de totale behoeften aan hervestiging die jaarlijks door de UNHCR worden bekendgemaakt;

23.  onderstreept dat er behoefte is aan een permanent, voor de hele Unie geldend hervestigingsprogramma met verplichte deelname van alle lidstaten, dat voorziet in hervestiging van een beduidend aantal vluchtelingen ten opzichte van het totale aantal vluchtelingen dat bescherming zoekt in de EU;

Toelating op humanitaire gronden

24.  wijst erop dat toelating op humanitaire gronden als aanvulling op hervestiging kan dienen waardoor zo nodig – en vaak tijdelijk – spoedeisende bescherming kan worden geboden aan de meest kwetsbaren, bijvoorbeeld onbegeleide minderjarigen of vluchtelingen met handicaps of mensen die op medische gronden moeten worden geëvacueerd;

25.  onderstreept dat voor zover hervestiging niet openstaat voor onderdanen uit derde landen, alle EU-lidstaten moeten worden aangemoedigd om programma’s voor toelating op humanitaire gronden op te stellen en uit te voeren;

Humanitaire visa

26.  wijst erop dat humanitaire visa de mensen die internationale bescherming nodig hebben, de mogelijkheid geven een derde land binnen te komen om aldaar asiel te kunnen aanvragen; verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van eventueel bestaande mogelijkheden om humanitaire visa te verstrekken, vooral voor kwetsbare personen, in EU-ambassades en -consulaten in landen van herkomst of in transitlanden;

27.  is van mening dat personen die internationale bescherming zoeken, rechtstreeks bij een consulaat of ambassade van de lidstaten een humanitair visum moeten kunnen aanvragen, en indien een dergelijk humanitair visum na een beoordeling wordt verleend, de houder ervan wordt toegelaten op het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven met als enig doel een verzoek om internationale bescherming in te dienen; is daarom van mening dat de visumcode van de Unie moet worden gewijzigd door specifiekere gemeenschappelijke bepalingen over humanitaire visa op te nemen;

Gemeenschappelijk Europees asielstelsel

28.  wijst erop dat er nog nadere stappen nodig zijn om te bereiken dat het Gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System, CEAS) een werkelijk uniform systeem wordt;

29.  herinnert eraan dat een uitgebreide beoordeling (in de vorm van de evaluatierapporten van de Commissie) van de uitvoering van dit pakket, gevolgd door een snelle reactie in geval van een tekortschietende uitvoering in bepaalde lidstaten, absoluut noodzakelijk is voor een verbeterde harmonisatie;

30.  merkt bijvoorbeeld op dat niet-ontvankelijke aanvragen, opvolgende aanvragen, versnelde procedures en grensprocedures evenzovele specifieke gevallen zijn waar is getracht met de herschikking van de richtlijn inzake asielprocedures een fijn evenwicht te bereiken tussen de efficiëntie van het systeem en de rechten van de aanvragers, vooral van kwetsbare personen, onderstreept dat dit evenwicht alleen te bereiken is wanneer volledige en deugdelijke uitvoering aan deze wetgeving wordt gegeven;

31.  benadrukt het belang van juridische controle op elke vorm van detentie krachtens de desbetreffende immigratie- en asielwetten; herinnert eraan dat zowel het internationale recht als het Handvest van de grondrechten van de EU de lidstaten verplichten om alternatieven voor detentie te onderzoeken; vraagt de lidstaten de richtlijn inzake asielprocedures en de richtlijn inzake opvangvoorzieningen correct toe te passen wat toegang tot inrichtingen voor detentie betreft;

32.  herhaalt dat het aantal staatlozen moet dalen en moedigt de lidstaten aan procedures voor de vaststelling van staatloosheid in te voeren en onderling goede praktijken uit te wisselen met betrekking tot het verzamelen van betrouwbare gegevens over staatlozen en de procedures voor de vaststelling van staatloosheid;

Herziening van de Dublin III-verordening

33.  merkt op dat de operatie van de Dublin III-verordening(14) veel vragen heeft opgeroepen omtrent eerlijkheid en solidariteit bij de aanwijzing van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming; merkt op dat het huidige systeem onvoldoende rekening houdt met de specifieke migratiedruk waarmee sommige lidstaten aan de buitengrenzen van de EU te kampen hebben; gelooft dat de lidstaten de aanhoudende problemen met de Dublin-gedachte onder ogen moeten zien en dat de Unie opties moet bedenken voor solidariteit onder zowel de lidstaten als de betrokken migranten;

34.  wijst erop dat de druk op het door de Dublin-verordening ingerichte systeem als gevolg van de toenemende aantallen migranten die in de Unie arriveren, laat zien dat het systeem met de invulling die het krijgt, grotendeels heeft gefaald in zijn twee primaire doelen, namelijk de vaststelling van objectieve en eerlijke criteria voor toewijzing van verantwoordelijkheid en het bieden van snelle toegang tot internationale bescherming; herhaalt zijn bedenkingen bij het criterium dat momenteel de lidstaat van eerste binnenkomst verantwoordelijk is voor het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming en vindt dat dit criterium moet worden herzien;

35.  wijst er tevens op dat zich in de Unie nog steeds veel secundaire stromen voordoen; stelt dat het Dublin-systeem sinds zijn creatie klaarblijkelijk niet was bedoeld voor verdeling van verantwoordelijkheid onder de lidstaten, maar in de eerste plaats voor snelle toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielaanvraag aan een enkele lidstaat;

36.  acht het raadzaam de criteria waarop de herplaatsingsbesluiten berusten, rechtstreeks over te nemen in de standaardregels van de Unie voor toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming; onderstreept dat het bij de herziening van de Dublin-verordening belangrijk is het concept "verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben" te herzien, omdat migranten en vluchtelingen die niet in die categorie vallen nog steeds door de staat van eerste aankomst moeten worden behandeld;

37.  is van mening dat de Europese Unie de landen die de meeste asielaanvragen krijgen, moet ondersteunen met evenredige en passende financiële en technische steun; is van mening dat de verbetering van de kwaliteit en werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel de ultieme motivering moet zijn voor het treffen van maatregelen die gericht zijn op solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid;

38.  noemt als een van de opties voor een grondige bewerking van het Dublin-systeem een centrale inzameling van asielaanvragen op Unieniveau – waarbij elke aanvrager te beschouwen zou zijn als iemand die asiel zoekt in de Unie als geheel en niet meer in een afzonderlijke lidstaat – en de inrichting van een centraal systeem voor toewijzing van verantwoordelijkheid voor personen die in de Unie asiel zoeken; oppert als mogelijkheid een dergelijk systeem te laten voorzien in bepaalde relatieve plafonds per lidstaat, waardoor secundaire stromen waarschijnlijk zouden worden tegengegaan, omdat alle lidstaten volledig betrokken zouden zijn bij het gecentraliseerde systeem en geen individuele verantwoordelijkheid meer zouden dragen voor toewijzing van aanvragers aan andere lidstaten; gelooft dat dit systeem zou kunnen werken op basis van een aantal "hotspots" in de Unie van waaruit de verdeling over de Unie zou moeten plaatsvinden; onderstreept dat in elk nieuw systeem voor toewijzing van verantwoordelijkheid de principiële punten van gezinseenheid en belang van het kind terug te vinden moeten zijn;

Wederzijdse erkenning

39.  merkt op dat lidstaten op dit moment de asielbesluiten van andere lidstaten alleen erkennen als ze afwijzend luiden; herhaalt dat wederzijdse erkenning door lidstaten van positieve asielbesluiten een logische stap zou zijn voor een correcte uitvoering van artikel 78, lid 2, onder a), VWEU, waarin wordt opgeroepen tot een uniforme vluchtelingenstatus die geldig is in de hele Unie;

Richtlijn tijdelijke bescherming

40.  wijst erop dat in geval van een massale toestroom de Commissie, op eigen initiatief of na bestudering van een verzoek van een lidstaat, kan voorstellen om Richtlijn 2001/55/EG van de Raad inzake tijdelijke bescherming in werking te stellen (de "richtlijn tijdelijke bescherming")(15); merkt op dat voor deze inwerkingstelling een besluit van de Raad nodig is dat bij gekwalificeerde meerderheid moet worden genomen; constateert dat de richtlijn in werking moet worden gesteld als het gevaar dreigt dat het asielstelsel van de Unie de massale toestroom of de dreigende massale toestroom van ontheemden niet aankan; onderstreept evenwel dat de richtlijn tijdelijke bescherming sinds de vaststelling ervan in 2001 nog nooit in werking is gesteld;

41.  merkt op dat de richtlijn ook in de mogelijkheid voorziet van evacuatie van ontheemden uit derde landen, met behulp van humanitaire corridors, in samenwerking met de UNHCR, waarbij de lidstaten verplicht zijn om waar nodig alle faciliteiten te bieden voor verkrijging van visa;

42.  gelooft dat in sommige frontlijnlidstaten het asielsysteem al duidelijk overbelast is en dat de richtlijn tijdelijke bescherming dus – volgens de eigenlijke opzet– in werking had moeten worden gesteld; dringt er in ieder geval op aan dat bij herziening van de richtlijn een duidelijke definitie van "massale instroom" wordt opgenomen; begrijpt dat een dergelijke herziening van de richtlijn tijdelijke bescherming deel kan uitmaken van de herziening van het Dublin-systeem;

Integratie

43.   merkt op dat de deelname van alle bij de samenleving betrokken actoren cruciaal is en stelt derhalve voor om, met eerbiediging van de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot integratiemaatregelen, de uitwisseling van goede praktijken op dit vlak te versterken; benadrukt dat integratiemaatregelen voor alle legaal verblijvende onderdanen van derde landen inclusie moeten stimuleren in plaats van isolatie; merkt op dat lokale en regionale autoriteiten, waaronder steden, een belangrijke rol spelen in integratieprocessen;

44.  benadrukt dat gast-lidstaten de vluchtelingen steun en de gelegenheid moeten bieden om zich te integreren en hun leven op te bouwen in hun nieuwe samenleving; merkt op dat dit accommodatie, alfabetiserings- en taalcursussen, interculturele dialoog, onderwijs en beroepsopleiding en toegang tot de democratische structuren in de samenleving, zoals bepaald in de richtlijn inzake asielkwalificaties(16), moet omvatten; merkt op dat vluchtelingen, net als burgers van de Unie, zowel rechten als plichten hebben in de lidstaten van ontvangst; benadrukt derhalve dat integratie een tweerichtingsproces is en dat eerbiediging van de waarden waarop de EU is gegrondvest alsook de eerbiediging van de grondrechten van vluchtelingen integraal deel moeten uitmaken van dat proces;

45.  herinnert eraan dat de lidstaten ingevolge artikel 15 van de opvangrichtlijn moeten bepalen onder welke voorwaarden verzoekers om internationale bescherming toegang tot de arbeidsmarkt krijgen, dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke toegang, en dat een en ander moet geschieden binnen de in lid 1 gestelde termijn; begrijpt dat de lidstaten ingevolge artikel 15, lid 2, om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang kunnen geven aan onderdanen van de Unie en onderdanen van staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied verblijven;

46.  stelt dat wanneer iemand die in de Unie internationale bescherming geniet werk aangeboden krijgt in een andere lidstaat dan waar hem internationale bescherming is verleend, van zo'n aanbod ook gebruik moet kunnen maken;

47.  stelt nogmaals dat vlottere erkenning van buitenlandse kwalificaties een praktische manier is om te bereiken dat onderdanen van derde landen die reeds in de Unie verblijven, zich beter integreren, en vraagt de Commissie om met passende daartoe strekkende voorstellen te komen;

48.  stimuleert particuliere en gemeentelijke integratieprogramma's voor mensen die voor hervestiging zijn toegelaten, waarbij moet worden samengewerkt met en voortgebouwd op goede praktijken van lidstaten en plaatselijke overheden;

Instandhouding van de gezinseenheid

49.  spoort de lidstaten aan gezinnen en familieleden bijeen te houden, wat voor de integratievooruitzichten bevorderlijk is doordat de aandacht kan worden gericht op het opbouwen van een nieuw leven in plaats van de onzekerheid omtrent familieleden;

50.  onderstreept dat de lidstaten eventuele juridische en praktische hindernissen opzij moeten zetten om sneller tot besluiten te kunnen komen omtrent gezinshereniging;

51.  acht het belangrijk dat de lidstaten, in afwachting van de grondige bewerking van de Dublin-verordening, beter gebruik maken van de beoordelingsvrijheidsclausules, om recht te doen aan het beginsel van gezinseenheid;

Kinderen

52.  benadrukt dat de kinderen die in de Unie arriveren, zich in een kwetsbare positie bevinden, en wijst nogmaals op het recht van kinderen om bovenal als kind te worden behandeld; roept de lidstaten op de specifieke bepalingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel betreffende niet-begeleide minderjarigen volledig toe te passen, met inbegrip van de toegang tot rechtsbijstand, voogdij, toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs, het recht op communicatie in een taal die zij begrijpen, en op ondervraging door daartoe opgeleide ambtenaren; herhaalt dat de lidstaten kinderen niet mogen vasthouden met als grond dat zij migranten zijn;

53.  wijst erop dat steun-, informatie- en beschermingsmaatregelen tot niet-begeleide of van hun familie gescheiden kinderen moeten worden uitgebreid met inachtneming van hun belangen, en dat door niet-begeleide of van hun familie gescheiden kinderen ingediende verzoeken om gezinshereniging met spoed moeten worden behandeld;

54.  merkt op dat doeltreffende voogdijstelsels en beschermingssystemen voor kinderen belangrijk zijn om misbruik, verwaarlozing en uitbuiting van kinderen zonder ouderlijke zorg te voorkomen; benadrukt het belang van de vaststelling van richtsnoeren van de Unie voor een voogdijstelsel gericht op gepaste ondersteuning en bescherming alsook op een gelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse kinderen;

55.  is van mening dat leeftijdsbepaling op de minst invasieve, interdisciplinaire en veilige wijze met inachtneming van de fysieke integriteit en menselijke waardigheid van het kind, en met bijzonder respect voor meisjes, moet worden uitgevoerd door onafhankelijke gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen;

56.  roept de lidstaten op uitgesplitste gegevens over de situatie van vluchtelingen- en migrantenkinderen te verzamelen om die stelsels beter in staat stellen deze kinderen te integreren;

Terugkeer

57.  begrijpt dat veilige terugkeer van degenen die na individuele beoordeling van hun asielaanvraag niet voor bescherming in de Unie in aanmerking blijken te komen, nu eenmaal moet worden uitgevoerd als iets dat bij een correcte tenuitvoerlegging van het CEAS hoort;

58.  onderkent dat er verbetering nodig is in de doelmatigheid van het terugkeersysteem van de Unie, in aanmerking genomen dat in 2014 slechts 36 % van de onderdanen van derde landen die de Unie moesten verlaten, daadwerkelijk zijn teruggekeerd;

59.  is van oordeel dat Europese overnameovereenkomsten moeten worden aangenomen waaraan de voorkeur moet worden gegeven boven bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen, teneinde voor een doeltreffendere repatriëring en een coherenter terugkeerbeleid op Europees niveau te zorgen;

60.  is van mening dat de terugkeer van migranten veilig moet verlopen, met volle inachtneming van de fundamentele en procedurele rechten van de betrokken migranten, en alleen als het land waarheen zij worden teruggestuurd voor hen veilig is; herhaalt in dit verband dat vrijwillige terugkeer de voorkeur verdient boven gedwongen terugkeer;

61.  brengt naar voren dat eventuele pogingen van lidstaten om migranten die niet eens de kans gekregen hebben asiel aan te vragen, meteen "weg te sturen" tegen het recht van de Unie en het internationaal recht indruisen, en vindt dat de Commissie geëigende stappen moet ondernemen tegen een lidstaat die dit probeert;

Lijst van veilige herkomstlanden

62.  neemt kennis van het recente Commissievoorstel voor een Unie-lijst van veilige herkomstlanden, met wijziging van de richtlijn asielprocedures(17); merkt op dat een dergelijke Unie-lijst, indien eenmaal bindend voor alle lidstaten, in beginsel een belangrijk instrument zou worden voor de vergemakkelijking van de asielprocedure, inclusief terugkeeroperaties;

63.  betreurt de huidige situatie waarin lidstaten elk een andere lijst hanteren waarop verschillende veilige landen staan, waardoor een uniforme toepassing wordt bemoeilijkt en secundaire stromen worden aangemoedigd;

64.  onderstreept evenwel dat zulk een lijst van veilige herkomstlanden niet kan afdoen aan het beginsel dat aan eenieder een passende individuele beoordeling toekomt van zijn of haar verzoek om internationale bescherming;

Inbreukprocedures

65.  merkt op dat de Commissie zich in september 2015 genoopt zag om 40 maal tot een inbreukprocedure te besluiten in verband met de tenuitvoerlegging van het CEAS, tegen 19 lidstaten, wat bovenop de 34 reeds aanhangige zaken kwam; herhaalt dat het Parlement volledig geïnformeerd moet blijven omtrent de procedures die de Commissie opent tegen lidstaten die de Uniewetgeving op dit gebied niet of niet correct omzetten;

66.  benadrukt nog eens hoe essentieel het is dat wanneer er eenmaal Uniewetgeving is overeengekomen en vastgesteld, de lidstaten zich aan hun deel van de afspraak houden en die wetgeving ook omzetten;

67.  merkt voorts op dat de voordelen en tekortkomingen van sommige elementen van het CEAS zich niet goed laten beoordelen doordat veel lidstaten de wetgeving nog niet volledig hebben omgezet;

Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken

68.  acht het raadzaam dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office, EASO) op de lange termijn tot de belangrijkste coördinator van het CEAS wordt uitgebouwd, om een gemeenschappelijke toepassing van de regels van dat systeem te waarborgen; herhaalt dat naarmate het CEAS werkelijk tot Europese aangelegenheid wordt, het EASO zich van een verzameling deskundigen uit de lidstaten moet ontwikkelen tot een volwaardig Unie-agentschap dat aan de lidstaten en aan de buitengrenzen operationele steun moet bieden; onderstreept dienaangaande dat het voor de korte, middellange en lange termijn dan ook moet worden toegerust met de nodige financiële middelen en personeelsbezetting;

69.  wijst erop dat het budget van het EASO voor herplaatsing, hervestiging en de externe dimensie voor 2015 niet meer bedroeg dan 30 000 EUR; herhaalt dat zo'n uiterst klein budget niet ernstig te nemen valt gezien de actuele gebeurtenissen in het Middellandse Zeegebied en gezien de talloze malen dat in de herplaatsingsbesluiten naar het EASO wordt verwezen; herinnert eraan dat er op korte, middellange en lange termijn een aanzienlijke verhoging nodig is van het budget en het personeelsbestand van het EASO, en de bedragen die het EASO voor herplaatsing en hervestiging toewijst;

Frontex en de voorgestelde nieuwe Europese grens- en kustwacht

70.  neemt nota van het recente optreden van Frontex bij de hulpverlening aan schepen of mensen in nood en betuigt zijn waardering voor de bijdrage die het bij de gezamenlijke operaties Triton en Poseidon heeft geleverd aan de redding van vele levens in de Middellandse Zee;

71.  begrijpt dat de onlangs voorgestelde Europese grens- en kustwacht is bedoeld ter vervanging van Frontex en moet zorgen voor een Europees geïntegreerd grensbeheer aan de buitengrenzen, met het oog op een effectieve beheersing van de migratie en een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie, onder waarborging van het vrije personenverkeer daarbinnen; stelt vast dat, in overeenstemming met de verdragen en de protocollen daarbij, de lidstaten die partij zijn bij het Schengenakkoord maar nog geen deel uitmaken van de Schengenruimte zonder interne grenscontroles, kunnen deelnemen aan en/of voordeel halen uit alle maatregelen van het nieuwe voorstel;

72.  ziet belangstellend uit naar de onderhandelingen over het voorstel binnen en tussen beide medewetgevers in het kader van de gewone wetgevingsprocedure overeenkomstig artikel 294 VWEU;

Schengen en het beheer en de veiligheid van de buitengrenzen

73.  herinnert eraan dat de Unie sinds de totstandbrenging van het Schengengebied een gebied zonder grenzen is, dat de lidstaten die deel uitmaken van Schengen stapsgewijs een gemeenschappelijk beleid hebben ontwikkeld voor de buitengrenzen van Schengen, en dat de logica achter dit systeem altijd is geweest dat de afschaffing van binnengrenzen gepaard moet gaan met compensatiemaatregelen om de buitengrenzen van het Schengengebied te versterken, en met het delen van informatie via het Schengeninformatiesysteem (SIS);

74.  beseft dat de integriteit van het Schengengebied en de afschaffing van controles aan de binnengrenzen afhankelijk zijn van een doeltreffend beheer van de buitengrenzen, met hoge gemeenschappelijke normen die door de lidstaten aan de buitengrenzen worden gehanteerd, en een doeltreffende onderlinge uitwisseling van informatie;

75.  accepteert het dat de Unie de bescherming van haar buitengrenzen moet opvoeren en het CEAS verder moet ontwikkelen, en dat er maatregelen nodig zijn om de capaciteit van het Schengengebied te vergroten, de nieuwe uitdagingen waarmee Europa kampt aan te pakken en de grondbeginselen van veiligheid en het vrije verkeer van personen in ere te houden;

76.  wijst erop dat de toegang tot het grondgebied van Schengen algemeen wordt gecontroleerd aan de buitengrens op grond van de Schengengrenscode, en dat daarnaast burgers uit veel derde landen een visum nodig hebben om het Schengengebied binnen te komen;

77.  herinnert aan de oproep van UNHCR dat de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van internationale verplichtingen alleen kunnen worden gegarandeerd als deze verplichtingen terugkomen in operationele procedures en plannen, in de vorm van praktische en duidelijke richtsnoeren voor grenspersoneel, onder andere aan land-, zee- en luchtgrenzen; wijst op de behoefte om het EU-mechanisme voor civiele bescherming verder te versterken om te kunnen reageren op gebeurtenissen met uiteenlopende gevolgen voor een aanzienlijk aantal lidstaten;

78.  benadrukt opnieuw dat het voor specifieke wetgeving op het vlak van asiel en migratie cruciaal is dat de op het niveau van de Unie overeengekomen maatregelen op de juiste wijze door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd zodat de wetgeving over binnen- en buitengrenzen doeltreffend kan zijn; onderstreept dat, na toegenomen druk, een betere tenuitvoerlegging van de maatregelen door de lidstaten aan de buitengrenzen essentieel is en de angst voor een gebrek aan veiligheid als gevolg van de instroom van migranten enigszins kan wegnemen;

79.  merkt op dat de Commissie op 15 december 2015 een voorstel indiende voor een doelgerichte herziening van de Schengengrenscode, waarin zij voorstelde om de stelselmatige controle van alle onderdanen van de Unie (dus niet alleen van onderdanen van derde landen) in te voeren op basis van de desbetreffende databanken aan de buitengrenzen van het Schengengebied;

80.  beschouwt de Schengenzone als een van de grootste verworvenheden van de Europese integratie; wijst erop dat het conflict in Syrië en andere conflicten in de regio hebben geleid tot recordaantallen vluchtelingen en migranten die in de Unie aankomen, waardoor de gebreken bij delen van de buitengrenzen van de Unie werden blootgelegd; is bezorgd over het feit dat sommige lidstaten als reactie het nodig achten hun interne grenzen te sluiten of tijdelijke grenscontroles in te voeren, waardoor vraagtekens worden geplaatst bij de goede werking van het Schengengebied;

Hotspots

81.  herinnert eraan dat in het kader van de "hotspot-benadering" die de Commissie uiteengezet heeft in haar Europese migratieagenda, het grensagentschap, EASO, Europol en Eurojust overeenkomstig hun respectieve mandaten operationele bijstand moeten verlenen aan de lidstaten;

82.  wijst er in dat verband op dat de agentschappen van de Unie voldoende hulpbronnen nodig hebben om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren; dringt er bij de agentschappen van de Unie en de lidstaten op aan dat zij het Parlement volledig op de hoogte houden van het werk dat wordt verzet op de hotspots;

83.  constateert dat er in beide besluiten inzake herplaatsing is vastgelegd dat er operationele steun moet worden geboden aan Italië en Griekenland voor de doorlichting van migranten bij aankomst, de registratie van hun verzoek om internationale bescherming, het verstrekken van informatie aan aanvragers over herplaatsing, het organiseren van terugkeeroperaties voor personen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend maar ook op andere gronden niet mogen blijven of voor degenen van wie dit verzoek is afgewezen, en de uitvoering van alle stappen van de herplaatsingsprocedure;

84.  pleit ervoor dat de hotspots zo spoedig mogelijk worden opgezet, zodat aan de lidstaten in kwestie concrete operationele bijstand kan worden verleend; vraagt de toewijzing van technische en financiële middelen en steun aan de lidstaten van eerste aankomst, zoals Italië en Griekenland, teneinde te zorgen voor snelle en doeltreffende registratie bij de bevoegde autoriteiten van alle migranten die in de Unie arriveren met volledige eerbiediging van hun fundamentele mensenrechten; is van mening dat de snelle en doeltreffende steun van de Unie aan de lidstaten en de aanvaarding van dergelijke steun belangrijk zijn voor het wederzijds vertrouwen;

85.  beseft dat een van de belangrijkste doelstellingen van de hotspots is om de Unie in staat te stellen snel bescherming en humanitaire hulp te bieden aan mensen in nood; benadrukt dat het indelen in categorieën van migranten op hotspots met de grootste omzichtigheid moet gebeuren om de rechten van alle migranten volledig te eerbiedigen; ziet echter ook in dat de correcte identificatie van de personen die een verzoek om internationale bescherming indienen op het punt van eerste binnenkomst in de Unie bij moet dragen aan een betere werking van het CEAS na een eventuele hervorming;

Het strafrecht in verband met migratie

86.  merkt op dat de Commissie in haar actieplan tegen smokkel een herziening overweegt van Richtlijn 2004/81/EG betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie;

87.  is van mening dat deze herziening nodig is en dat moet worden overwogen om een systeem in te voeren dat slachtoffers van mensenhandel en criminele mensensmokkel in staat stelt voor het voetlicht te treden en hulp biedt bij de daadwerkelijke vervolging van een mensenhandelaar of criminele mensensmokkelaar zonder daarbij bang te hoeven zijn zelf te worden vervolgd;

88.  constateert dat de Commissie een herziening overweegt van Richtlijn 2002/90/EG van de Raad tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf; is van mening dat er geen sancties mogen worden opgelegd aan personen die enige vorm van humanitaire bijstand verlenen aan mensen in nood, en dat dit tot uiting moet komen in de wetgeving van de Unie;

89.  onderstreept dat een andere cruciale stap bij de ontmanteling van criminele netwerken voor mensensmokkel en mensenhandel is om voorrang te geven aan financiële onderzoeken, aangezien het traceren en confisqueren van de winsten van deze criminele netwerken cruciaal is om ze te verzwakken en uiteindelijk op te rollen; verzoekt de lidstaten in dit verband de vierde antiwitwasrichtlijn snel en doeltreffend om te zetten;

90.  wijst erop dat, om een doeltreffende uitvoering van strafrechtelijke onderzoeken te waarborgen, het van essentieel belang is dat wordt voorzien in opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaars, zodat de betrokkenen het fenomeen dat zij willen bestrijden volledig kunnen doorgronden en in een vroeg stadium kunnen herkennen;

Samenwerking met derde landen

91.  wijst erop dat in het kader van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (Global Approach to Migration and Mobility, GAMM) de pijler asiel en internationale bescherming verder moet worden ontwikkeld, met een grotere betrokkenheid van derde landen; merkt op dat de maatregelen die momenteel worden genomen in het kader van regionale beschermingsprogramma's of regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's gericht zijn op capaciteitsopbouw om criminele netwerken voor mensensmokkel en mensenhandel aan te pakken in de derde landen van herkomst en doorvoer; constateert tegelijkertijd dat de hervestigingscomponent van deze programma's zwak blijft; is van mening dat de inspanningen op het vlak van capaciteitsopbouw evenals de hervestigingsactiviteiten moeten worden geïntensiveerd en uitgevoerd in samenwerking met derde landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen;

92.  onderkent dat het basisinstrument waarmee de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie inzake migratie, asiel en grenzen worden vastgesteld, de GAMM is; merkt op dat er diverse instrumenten onder die overkoepelende aanpak vallen, waaronder regionale dialogen, bilaterale dialogen, mobiliteitspartnerschappen, gemeenschappelijke agenda's voor migratie en mobiliteit, overnameovereenkomsten, overeenkomsten voor visumversoepeling en -vrijstelling, regionale beschermingsprogramma's en regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's;

93.  ziet in dat de externe dimensie gericht moet zijn op samenwerking met derde landen om de onderliggende oorzaken van de irreguliere stromen naar Europa aan te pakken en die stromen in goede banen te leiden; beseft dat de aandacht moet blijven uitgaan naar partnerschappen en samenwerkingsverbanden met de belangrijkste landen van herkomst, doorvoer en bestemming, bijvoorbeeld via de processen van Khartoem en Rabat, de dialoog tussen de EU en Afrika inzake migratie en mobiliteit, alsmede de processen van Boedapest en Praag;

94.  wijst erop dat de Unie en haar lidstaten selectief moeten zijn bij het verlenen van steun aan rechtshandhavingsinstanties in derde landen en daarbij rekening moeten houden met de mate waarin deze instanties zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten van migranten;

95.  acht het raadzaam dat de samenwerking met derde landen een beoordeling omvat van de asielstelsels van die landen, de mate waarin zij steun verlenen aan vluchtelingen, en hun vermogen en bereidheid om mensenhandel en criminele mensensmokkel naar en via hun landen aan te pakken;

96.  roept de Unie op derde landen te helpen bij de opbouw van hun asielstelsels en de uitwerking van hun integratiestrategieën om onderdanen van derde landen die internationale bescherming behoeven in staat te stellen om daar een verzoek om bescherming in te dienen; is van mening dat de EU een win-winbenadering moet hanteren ten aanzien van de samenwerking met derde landen, wat wil zeggen dat zowel de Unie als het derde land in kwestie en de vluchtelingen en migranten die zich in dat land bevinden gebaat moeten zijn bij de samenwerking;

97.  herinnert eraan dat de Unie haar externe samenwerking met derde landen op het vlak van migratie en asiel heeft geïntensiveerd om adequaat te reageren op de huidige vluchtelingencrisis, en nieuwe samenwerkingsinitiatieven heeft gelanceerd, zoals het gezamenlijk actieplan van de EU en Turkije; benadrukt in dit verband dat alle partijen hun verplichtingen uit het gezamenlijk actieplan moeten nakomen, waaronder het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de massale instroom van Syriërs, nauwere samenwerking ter ondersteuning van de Syriërs die tijdelijke bescherming genieten en van hun gastgemeenschappen in Turkije, en dat Turkije zijn verplichtingen moet nakomen om irreguliere migratiestromen van zijn grondgebied naar de Unie te voorkomen;

Bewustmakingscampagnes

98.  wijst erop dat veel gesmokkelde personen tot op zekere hoogte beseffen aan welke risico's ze blootgesteld zullen worden tijdens een mogelijk gevaarlijke reis naar Europa, maar de reis desondanks ondernemen, aangezien ze de risico's lager inschatten dan de risico's die ze zouden lopen als ze in hun thuisland zouden blijven;

99.  is ingenomen met het feit dat in het actieplan tegen smokkel het opzetten van nieuwe bewustmakingscampagnes gekoppeld wordt aan de beoordeling van bestaande campagnes; pleit ervoor dat deze campagnes informatie bevatten over de criteria voor de toekenning van een beschermingsstatus in de Unie, aangezien deze informatie sommige migranten er misschien van kan weerhouden de gevaarlijke reis te ondernemen waarbij ze bovendien het risico lopen te worden teruggestuurd naar hun land van herkomst als ze niet voor bescherming in aanmerking komen;

De aanpak van de onderliggende oorzaken

100.  bevestigt dat de Unie een langetermijnstrategie moet ontwikkelen om tegenwicht te bieden aan de factoren in derde landen die migratie in de hand werken (conflict, vervolging, etnische zuivering, wijdverbreid geweld of andere factoren als extreme armoede, klimaatverandering of natuurrampen), als gevolg waarvan mensen hun toevlucht zoeken tot criminele netwerken voor mensensmokkel, omdat ze denken dat dit hun enige kans is om de Unie te bereiken;

101.  wijst erop dat de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten de Unie ook heeft opgeroepen om reguliere migratieroutes open te stellen, zodat migranten gebruik kunnen maken van formele in- en uitreisroutes in plaats van zich te moeten verlaten op criminele netwerken voor mensensmokkel;

102.  benadrukt dat de recente toename van vluchtelingen die de Unie binnenkomen, heeft aangetoond dat preventieve maatregelen alleen niet voldoende zijn om de huidige migratieverschijnselen in goede banen te leiden;

103.  ziet in dat er op de lange termijn meer inspanningen moeten worden geleverd voor het oplossen van de geopolitieke kwesties die aan migratie ten grondslag liggen, zoals oorlog, armoede, corruptie, honger en een gebrek aan kansen, waardoor mensen zich gedwongen zullen blijven voelen om naar Europa te vluchten, tenzij de Unie bekijkt hoe ze kan bijdragen aan de wederopbouw van de landen in kwestie; wijst erop dat dit betekent dat de Commissie en de lidstaten het geld op tafel moeten leggen dat nodig is om bij te dragen aan de capaciteitsopbouw in derde landen, zoals door het scheppen van voorwaarden voor investeringen en onderwijs, het versterken en handhaven van asielstelsels, beter grensbeheer, en het verbeteren van het rechtsstelsel en het gerechtelijk apparaat ter plaatse;

Financiële steun aan derde landen

104.  constateert dat het belangrijkste financieringsinstrument voor steun aan derde landen het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument, DCI) is, dat de enige wereldwijde thematische financiering voor migratie van de Unie in het kader van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen omvat en beheerd wordt door het directoraat-generaal (DG) Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO); merkt daarnaast op dat evenals bij de middelen die rechtstreeks aan de lidstaten worden toegewezen, ook andere DG's van de Commissie en andere organen van de Unie bij het beheer van het DCI betrokken zijn, en wel op de volgende manieren: de steun van de Unie aan de landen van het nabuurschap wordt verstrekt door DG Nabuurschap en Uitbreidingsonderhandelingen via het instrument voor pretoetredingssteun; humanitaire hulp wordt verleend door DG Humanitaire Hulp en Burgerbescherming (ECHO); en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) beheert het Instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede; wijst erop dat, aangezien de twee fondsen die beheerd worden door DG Binnenlandse Zaken en Migratie (HOME) – het AMIF en het ISF – ook een externe dimensie omvatten, dit een nieuwe belanghebbende oplevert op het gebied van externe financiering;

105.  is ingenomen met het onlangs opgezette Emergency Trust Fund voor Afrika en de 1,8 miljard EUR die hiervoor is toegezegd, waardoor er een extra element is toegevoegd aan de financiering voor derde landen; verzoekt de lidstaten te blijven bijdragen aan dit fonds;

106.  pleit ervoor dat, overeenkomstig de GAMM, in het extern beleid en bij de financiering van de Unie evenveel belang wordt toegekend aan alle vier de thematische pijlers, te weten i) legale migratie en mobiliteit, ii) irreguliere migratie en mensenhandel, iii) internationale bescherming, en iv) de gevolgen van migratie voor ontwikkeling;

Transparante financiering

107.  constateert dat het migratiebeleid van de Unie via verschillende beleidsinstrumenten ten uitvoer wordt gelegd, elk met hun eigen, niet noodzakelijkerwijs aan elkaar gekoppelde doelstellingen, en dat de financiering van de vele actoren die erbij betrokken zijn, niet altijd goed genoeg wordt gecoördineerd; wijst erop dat de versnippering van de begrotingslijnen en de verantwoordelijkheden een beheersstructuur creëert waarmee het moeilijker kan worden om een uitgebreid overzicht te geven van de wijze waarop de verschillende beschikbare fondsen worden toegewezen en uiteindelijk worden besteed; wijst er verder op dat deze versnippering het moeilijker maakt te kwantificeren hoeveel de Unie in totaal aan migratiebeleid uitgeeft;

108.  is van mening dat er moet worden gezorgd voor het bovengenoemde uitgebreide overzicht van de financiering van de Unie in verband met migratie, zowel binnen als buiten de Unie, aangezien het gebrek aan overzicht de transparantie en goede beleidsvorming duidelijk in de weg staat; merkt in dit verband op dat een website met een databank van alle door de Unie gefinancierde projecten in het kader van het migratiebeleid een optie is; onderstreept dat de behoefte aan transparantie zich ook uitstrekt naar de begrotingslijnen om toereikende financiering te waarborgen voor alle doelstellingen van het migratiebeleid van de Unie;

109.  herinnert eraan dat de positieve impact van de EU-migratiefondsen stoelt op processen op nationaal en EU-niveau om de transparantie, het doeltreffend toezicht en verantwoording te waarborgen, is van mening dat er moet nagedacht worden over de vraag hoe de processen voor monitoring en evaluatie een permanent karakter kan worden gegeven en dus kan worden voorkomen dat ze uitsluitend een ex post-karakter hebben en dat de Rekenkamer in dit verband een grotere rol moet worden toebedeeld; merkt op dat er kwalitatieve en kwantitatieve, onderling vergelijkbare indicatoren moeten worden ontwikkeld voor het meten van de impact van de EU-fondsen en om te helpen bepalen of de fondsen in kwestie tot verwezenlijking van de beoogde doelstellingen hebben bijgedragen;

Aanvullende financiering voor migratie

110.  is verheugd over de aanvullende financiering die beschikbaar is gesteld in de begroting van de Unie voor 2016 om een begin te maken met de aanpak van de huidige migratieverschijnselen; wijst erop dat het grootste deel van die nieuwe financiering onder het meerjarig financieel kader 2014-2020 (MFK) valt en vervroegd is, zodat de Unie nu al uitgeeft wat bedoeld was voor later;

111.  is het ermee eens dat, ofschoon de onlangs gedane begrotingsvoorstellen en de aanvullende financiering die is voorzien in de begroting van de Unie voor 2016, waaronder het gebruik van het flexibiliteitsinstrument, moeten worden toegejuicht, de financiering voor de middellange en langere termijn een bron van zorg blijft; vindt het verontrustend dat de voorgestelde verhoging van de bedragen op de AMIF-begrotingslijnen voor 2016 niet vergezeld gaan van een voorgestelde herziening van de algemene middelen die in het kader van dat fonds voor de financieringsperiode 2014-2020 beschikbaar zijn; beseft dat, indien dit zo blijft, de middelen uit het AMIF dus lang vóór 2020 op zullen zijn;

112.  spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door andere fondsen die niet rechtstreeks verband houden met het migratiebeleid, maar die wel voor de financiering van acties op dat gebied ingezet kunnen worden (bijvoorbeeld integratieacties), zoals de beschikbare middelen uit het Europees Sociaal Fonds, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, Horizon 2020, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Rechten-, gelijkheids- en burgerschapsprogramma;

113.  doet de aanbeveling dat er in het kader van de voor eind 2016 geplande toetsing van het MFK substantiële, aanvullende middelen worden voorzien in rubriek 3 van de begroting van de Unie over burgerschap, vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, zodat er voldoende geld beschikbaar wordt gesteld op basis van de ontwikkelingen die zich nu op migratiegebied aftekenen en de financiële eisen die daardoor worden gesteld aan het asiel-, migratie- en integratiebeleid van de Unie en de lidstaten;

De participatie van het maatschappelijk middenveld

114.  wijst erop dat het binnenhalen van operationele financiering een van de grootste uitdagingen voor ngo's is, aangezien de meeste financiering projectgebonden is; bevestigt dat initiatieven van vrijwilligers en het maatschappelijk middenveld voor het verlenen van bijstand aan migranten bevorderd en, in voorkomend geval, gefinancierd moeten worden door de Commissie en de lidstaten; verzoekt de lidstaten en de Commissie, waar passend en mogelijk, projecten te financieren die beheerd worden door organisaties van het maatschappelijk middenveld die actief zijn op de gebieden migratie, integratie en asiel;

115.  herhaalt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de uitwerking van acties van de Unie en van nationale programma's moet worden gegarandeerd, in overeenstemming met het in het AMIF vastgelegde partnerschapsbeginsel; stelt voor dat op het niveau van de Unie nagedacht moet worden over regelmatig overleg tussen de Commissie en de relevante organisaties van het maatschappelijk middenveld over migratie, asiel en integratievraagstukken;

Demografische trends

116.  merkt op dat volgens een studie van de OESO en de Commissie uit 2014, die was uitgevoerd vóór de toename van de migratiestromen naar de Unie in 2015, de beroepsbevolking (15-64-jarigen) in de Unie tussen 2013 en 2020 zal dalen met 7,5 miljoen personen, en dat als de netto migratie buiten beschouwing zou worden gelaten in hun prognoses, de daling zelfs nog aanzienlijker zou zijn met een afname van de beroepsbevolking van 11,7 miljoen personen;

117.  wijst erop dat in november 2015 het werkloosheidspercentage onder jongeren in alle lidstaten desondanks 20 % bedroeg;

118.  constateert verder dat volgens recente voorspellingen van Eurostat het percentage 65+-ers ten opzichte van de groep mensen tussen de 15 en 64 jaar zal stijgen van 27,5 % aan het begin van 2013 naar bijna 50 % in 2050; merkt op dat dit een kentering tot gevolg zou hebben van de huidige verhouding van vier werkenden op elke persoon van 65 jaar of ouder naar slechts twee werkenden op elke persoon van 65 jaar of ouder;

Legale arbeidsmigratie

119.  stelt vast dat de rechtsgrond voor het beheer van legale migratie op het niveau van de Unie is vastgelegd in artikel 79 VWEU;

120.  begrijpt dat in artikel 79, lid 5, de lidstaten het recht wordt voorbehouden om zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij op hun grondgebied toelaten om werk te zoeken;

121.  wijst erop dat in de Europa 2020-strategie de behoefte is vastgesteld aan een alomvattend arbeidsmigratiebeleid en aan een betere integratie van migranten, teneinde de doelstelling van de Unie van slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken;

122.  constateert dat het bestaande wetgevingskader van de Unie waarin de toegang van onderdanen van derde landen om in de Unie te werken geregeld is, behoorlijk versnipperd is, aangezien dit gericht is op specifieke categorieën werkenden in plaats van algemene regels vast te stellen die voor alle arbeidsmigranten gelden;

123.  is van mening dat de Unie op lange termijn meer algemene regels moet vaststellen voor de binnenkomst en het verblijf van de onderdanen van derde landen die werk zoeken in de Unie om de hiaten op te vullen die zijn vastgesteld op de arbeidsmarkt van de Unie;

De behoefte aan betere gegevens

124.  pleit voor een alomvattende visie van de arbeidsmarkt in de Unie als een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het arbeidsmarktbeleid; wijst erop dat er hulpmiddelen moeten worden ontwikkeld om de huidige en toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt in de Unie beter te kunnen bepalen en voorspellen; stelt in dat verband voor om bestaande hulpmiddelen – zoals de hulpmiddelen die ontwikkeld zijn door het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) of de OESO – te verbeteren of zelfs samen te voegen, aan de hand van internationale statistieken over mogelijk arbeidsaanbod uit derde landen om een accurater beeld te schetsen van de situatie;

125.  is van mening dat betere gegevens en hulpmiddelen om deze gegevens te analyseren beleidsmakers van dienst kunnen zijn bij het bepalen van toekomstig beleid op het vlak van arbeidsmigratie, en dat de Unie en de lidstaten moeten aangeven wat de knelpunten op hun arbeidsmarkt zijn zodat ze vacatures kunnen opvullen die anders open blijven;

Arbeidsuitbuiting

126.  constateert dat arbeidsuitbuiting kan voortvloeien uit mensenhandel of mensensmokkel of zelfs kan plaatsvinden zonder een van beide, met als gevolg dat personen die irreguliere migranten uitbuiten in lidstaten waar dit op zich niet strafbaar is, ongestraft blijven;

127.  betreurt het dat het geringe risico dat werkgevers die zich schuldig maken aan arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten tegen de lamp lopen en/of vervolgd worden, is aangemerkt als een factor die arbeidsuitbuiting aanzienlijk in de hand werkt, in het bijzonder in bedrijfstakken die zich daar het beste voor lenen (de landbouw, de bouw, de horeca, huishoudelijk werk en de zorg); acht het raadzaam dat er, om een einde te maken aan deze straffeloosheid, allereerst voor wordt gezorgd dat alle vormen van arbeidsuitbuiting strafbaar worden gesteld en dat de nationale wetgeving van iedere lidstaat in passende sancties voorziet, en verder dat er in alle risicosectoren meer arbeidsinspecties worden uitgevoerd;

128.  stelt vast dat veel lidstaten arbeidsuitbuiting momenteel alleen strafbaar stellen als daar sprake van is in het kader van mensenhandel, waardoor er een grote discrepantie optreedt in alle gevallen waarin de personen die zich schuldig maken aan arbeidsuitbuiting niet betrokken waren bij de handel in de werknemers in kwestie of van wie de betrokkenheid niet kan worden bewezen;

129.  herhaalt dat speciale procedures om klachten beter te kunnen behandelen, als vastgelegd in Richtlijn 2009/52/EG tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen ("richtlijn werkgeverssancties"), volledig ten uitvoer moeten worden gelegd en correct moeten worden toegepast in de praktijk; is van mening dat voor slachtoffers van mensenhandel en voor personen die de Unie zijn binnengesmokkeld, die hun medewerking verlenen en de vervolging van mensenhandelaren en/of criminele mensensmokkelaars vergemakkelijken, extra bescherming vereist is; stelt voor dat er daarnaast steun moet worden uitgetrokken voor de oprichting van een Europese bedrijfscoalitie tegen mensenhandel (zoals aan de orde wordt gesteld in de strategie voor de uitroeiing van mensenhandel van 2014) met als doel om aanvoerketens te ontwikkelen waarin mensenhandel geen rol speelt;

130.  is van mening dat bij het bestrijden van arbeidsuitbuiting te allen tijde een tweeledige aanpak moet worden gevolgd, waarbij de werkgevers die zich schuldig hebben gemaakt aan deze praktijk doeltreffend worden vervolgd en de slachtoffers in bescherming worden genomen;

De herziening van de blauwe kaart

131.  wijst erop dat de Commissie in de migratieagenda haar intentie aankondigde om de Richtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (de "blauwekaartrichtlijn") te herzien, waarbij zij vooral kijkt naar het toepassingsgebied (om mogelijk ondernemers op te nemen die bereid zijn investeringen te doen in Europa) en een verbetering van de regels voor mobiliteit binnen de EU;

132.  herhaalt dat in het uitvoeringsverslag van de Commissie over de huidige blauwekaartrichtlijn de tekortkomingen daarvan worden onderstreept, waaronder de zeer beperkte mate van harmonisatie als gevolg van de grote vrijheid die de lidstaten hebben bij de tenuitvoerlegging ervan, met name hun recht om ook nationale regelingen in stand te houden;

133.  vindt het bovendien duidelijk dat de richtlijn niet alleen gericht moet zijn op hoogopgeleiden, maar ook op specifieke beroepen waarvoor een hoge opleiding vereist is en waar er een bewezen tekort aan arbeidskrachten is; is verder van mening dat de herziening van de blauwe kaart zowel ambitieus als gericht moet zijn, en dat daarin moet worden gestreefd naar de opheffing van de inconsistenties in de huidige richtlijn, vooral als het gaat om de nationale regelingen die tevens in stand worden gehouden; geeft in overweging om het toepassingsgebied zodanig te herzien dat hieronder ook onderdanen van derde landen vallen die kunnen helpen bij het aanvullen van de vastgestelde tekorten op de arbeidsmarkten in de Unie;

o
o   o

134.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de parlementen en de regeringen van de lidstaten, en aan EASO, Frontex, Europol, Eurojust, FRA, eu-LISA, de Raad van Europa, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.
(2) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 165.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0176.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.
(5) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2015/09/28-eunavfor/
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.
(7) Frontex nieuws, http://frontex.europa.eu/news/number-of-migrants-arriving-in-greece-dropped-by-half-in-november-cITv3V.
(8) IOM en Unicef, gegevensbrief: Migratie van kinderen naar Europa, http://www.iom.int/sites/default/files/press_release/file/IOM-UNICEF-Data-Brief-Refugee-and-Migrant-Crisis-in-Europe-30.11.15.pdf.
(9) Nieuwsbrief EASO, november-december 2015, https://easo.europa.eu/wp-content/uploads/EASO-Newsletter-NOV-DEC_-20151.pdf.
(10) De EU+ bestaat uit de EU-28 en Noorwegen en Zwitserland.
(11) UNHCR – gegevensmomentopname Griekenland – 7 maart 2016.
(12) Project inzake vermiste migranten van de Internationale Organisatie voor Migratie, http://missingmigrants.iom.int/
(13) Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad.
(14) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
(15) Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).
(16) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).
(17) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).


Jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid
PDF 267kWORD 86k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid (2014/2252(INI))
P8_TA(2016)0103A8-0301/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(1),

–  gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, VWEU bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(3),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(4),

–  gezien de jaarverslagen van de Commissie van 2012 (COM(2013)0566) en 2013 (COM(2014)0506) over subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien de conclusies van de Conferentie van voorzitters van de parlementen van de Europese Unie van 21 april 2015,

–  gezien de halfjaarlijkse verslagen van COSAC van 27 september 2012, 17 mei 2013, 4 oktober 2013, 19 juni 2014 en 14 november 2014 over de ontwikkelingen in de Europese Unie van de procedures en praktijken in verband met parlementaire controle,

–  gezien het eindverslag van de Groep op hoog niveau van onafhankelijke belanghebbenden van 14 oktober 2014 inzake administratieve lasten, getiteld "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook" (Vermindering van administratieve rompslomp in Europa – erfenis en vooruitzichten)(5),

–  gezien de artikelen 52 en 132 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0301/2015),

A.  overwegende dat in 2012 de Commissie gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 83 wetgevingsvoorstellen; overwegende dat in 2012 in totaal 292 reacties zijn ontvangen, met inbegrip van de reacties die niet als gemotiveerde adviezen werden bestempeld;

B.  overwegende dat in 2013 de Commissie gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 99 wetgevingsvoorstellen; overwegende dat in 2013 in totaal 313 reacties zijn ontvangen, met inbegrip van de reacties die niet als gemotiveerde adviezen werden bestempeld;

C.  overwegende dat in 2012 de nationale parlementen 12 gemotiveerde adviezen uitgebracht hebben over het Monti II-voorstel(6); omdat het hierbij om 19 stemmen ging (18 is het minimum), was er voor het eerst sprake van een zogeheten gele kaart, met als gevolg dat de instelling die het voorstel heeft ingediend dit opnieuw in overweging moet nemen en haar besluit moet motiveren om het ontwerp in te trekken, te wijzigen of te handhaven;

D.  overwegende dat de Commissie het voorstel Monti II heeft ingetrokken maar verklaarde dat zij van oordeel was dat het voorstel strookte met het beginsel van subsidiariteit en dat zij het voorstel heeft ingetrokken omdat het onvoldoende steun genoot in het Europees Parlement en de Raad van Ministers(7);

E.  overwegende dat in 2013 de nationale parlementen 13 gemotiveerde adviezen hebben uitgebracht met betrekking tot het voorstel voor de instelling van een Europees Openbaar Ministerie(8), goed voor 18 stemmen, en daarmee de tweede gelekaartprocedure hebben ingeleid;

F.  overwegende dat de Commissie tot de slotsom kwam dat haar voorstel in overeenstemming was met het subsidiariteitsbeginsel en dat intrekking of wijziging van het voorstel niet nodig was; overwegende dat de Commissie verklaarde dat zij tijdens de wetgevingsprocedure terdege rekening zou houden met de gemotiveerde adviezen(9);

G.  overwegende dat een aantal nationale parlementen zich bezorgd toonden over de aanpak van de Commissie, en de door de Commissie opgegeven redenen en argumenten onvoldoende achtten; overwegende dat de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement over dit onderwerp debatten hebben gevoerd;

H.  overwegende dat in de daaropvolgende onderhandelingen met de Raad over het Europees Openbaar Ministerie het toepassingsgebied en de werkmethoden nauwkeuriger zijn gedefinieerd in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel naar aanleiding waarvan de gemotiveerde adviezen zijn uitgebracht;

I.  overwegende dat gezien haar initiatiefrecht de Commissie de verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat in een vroeg stadium van het beleidsontwikkelingsproces de juiste keuze wordt gemaakt over het al dan niet voorstellen van maatregelen op EU-niveau en de wijze van voorstellen;

J.  overwegende dat de Commissie de richtsnoeren voor effectbeoordelingen aan een herziening onderwerpt, en daarin onder meer aandacht besteedt aan subsidiariteit en evenredigheid;

K.  overwegende dat het Parlement zijn eigen afdeling Effectbeoordeling heeft opgericht, die in 2013 50 eerste evaluaties en twee gedetailleerde evaluaties van effectbeoordelingen van de Commissie heeft verricht;

L.  overwegende dat de nationale parlementen hebben opgemerkt dat de toewijzing van talrijke belangrijke gedelegeerde bevoegdheden de beoordeling bemoeilijkt of de definitieve regels aan het subsidiariteitsbeginsel voldoen;

M.  overwegende dat de subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing alsook een effectbeoordeling uitsluitend plaatsvinden bij de aanvang van het wetgevingsproces;

1.  stelt vast dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid grondbeginselen zijn van de Europese Unie;

2.  benadrukt dat de EU zich bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet laten leiden door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zoals bepaald in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; is ingenomen met het feit dat in 2012 en 2013 de EU-instellingen en de nationale parlementen zorgvuldig hebben toegezien op de inachtneming van deze twee beginselen;

3.  is ingenomen met de intensievere participatie en nauwere betrokkenheid van de nationale parlementen bij het Europese wetgevingsproces de afgelopen jaren, wat geleid heeft tot een toegenomen bewustwording van de beginselen waarop de EU is gegrondvest, waaronder de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in de interinstitutionele context; merkt echter op dat er in deze context nog meer werk moet worden verzet; stelt als eerste stap voor dat de Commissie jaarlijks met elk van de nationale parlementen in debat gaat om de dialoog tussen de Commissie en de nationale parlementen te versterken;

4.  is voorts van mening dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid het uitgangspunt vormen voor de beleidsvorming; benadrukt derhalve het belang van een beoordeling bij de aanvang van het wetgevingsproces of de beleidsdoelstellingen beter op Europees niveau dan door middel van nationale of regionale initiatieven kunnen worden verwezenlijkt;

5.  wijst op het belang van de parlementen en hun territoriale impact en nabijheid tot de burgers, en vraagt dat ze, waar passend, meer worden betrokken bij het systeem van vroegtijdige waarschuwing;

6.  merkt evenwel op dat de meeste adviezen van nationale parlementen worden uitgebracht door slechts enkele nationale kamers; moedigt de andere kamers aan een grotere rol te spelen in het Europese debat;

7.  benadrukt dat de Europese instellingen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid moeten respecteren, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een algemeen karakter hebben en bindend zijn voor de instellingen bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie, met dien verstande dat het beginsel van subsidiariteit niet van toepassing is op de beleidsgebieden die tot de exclusieve bevoegdheid van de Unie behoren;

8.  is van mening dat het mechanisme voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel van groot belang is voor de samenwerking van Europese en nationale instellingen;

9.  merkt op dat de door de Commissie opgestelde jaarverslagen enigszins oppervlakkig zijn en vraagt de Commissie om te overwegen verslagen op te stellen die dieper ingaan op de manier waarop het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel binnen het beleidsvormingsproces van de EU in acht worden genomen;

10.  wijst op de methodologie van de Commissie in de jaarverslagen van 2012 en 2013, waarin statistieken worden gebruikt om gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen inzake een pakket voorstellen te rubriceren als één gemotiveerd advies, in plaats van een gemotiveerd advies dat betrekking heeft op ieder voorstel afzonderlijk;

11.  merkt op dat, over het geheel genomen, het aandeel van de gemotiveerde adviezen als percentage van alle reacties in vergelijking met 2010 en 2011 aanzienlijk toegenomen is en dat in 2012 25 % van alle reacties uit gemotiveerde adviezen bestond, terwijl in 2013 dergelijke adviezen 30 % uitmaakten van de reacties van de nationale parlementen op grond van Protocol nr. 2; wijst in dit verband op de raadpleging van nationale parlementen in het wetgevingsproces;

12.  merkt op dat de nationale parlementen in 2012 voor het eerst de zogeheten gelekaartprocedure hebben toegepast met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, als reactie op het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting (Monti II); merkt op dat de Commissie weliswaar concludeerde dat het subsidiariteitsbeginsel niet was geschonden, maar dat zij het voorstel wegens gebrek aan politieke steun toch heeft ingetrokken; stelt vast dat in 2013 een tweede zogeheten gele kaart is getrokken naar aanleiding van het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie; merkt op dat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het voorstel in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel, en besloten heeft het te handhaven;

13.  merkt op dat de door de nationale parlementen uitgebrachte gemotiveerde adviezen erop wijzen dat er uiteenlopende interpretaties van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bestaan; herinnert er in dit verband aan dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals geformuleerd in de Verdragen, de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts mag optreden "indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt"; herinnert er tevens aan dat krachtens het evenredigheidsbeginsel "de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken"; moedigt de nationale parlementen ertoe aan zich aan de letter van het VEU te houden wanneer zij de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid beoordelen; beveelt de nationale parlementen en de Europese instellingen met klem aan met elkaar van gedachten te wisselen over de subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing en desbetreffende praktijken uit te wisselen;

14.  merkt op dat de door de nationale parlementen ingediende gemotiveerde adviezen aanzienlijk uiteenlopen wat de soort en de vorm van de gebruikte argumenten betreft; betreurt het ontbreken van gemeenschappelijke patronen hetgeen het moeilijker maakt om te bepalen op welke grond nationale parlementen interveniëren;

15.  wijst nogmaals op de zorgen die in voorgaande verslagen van het Parlement zijn geuit over effectbeoordelingen van de Commissie waarin het subsidiariteitsbeginsel onvoldoende aan bod komt; herinnert voorts aan het jaarverslag van de Raad voor effectbeoordeling (IAB) waarin deze kwestie aan de orde is gesteld; neemt kennis van het feit dat de IAB van oordeel was dat in meer dan 30 % van de door hem onderzochte effectbeoordelingen in 2012 en 2013 sprake was van een onbevredigende analyse van het subsidiariteitsbeginsel; is bezorgd over het feit dat in 2014 dit percentage tot 50 % gestegen is en dringt er bij de Commissie op aan deze kwestie aan te pakken tijdens de herziening van de richtsnoeren voor effectbeoordelingen en deze tendens om te buigen;

16.  wijst op het belang van effectbeoordelingen als instrument ter ondersteuning van de besluitvorming in het kader van het wetgevingsproces en benadrukt dat het noodzakelijk is om in dat verband voldoende aandacht te schenken aan subsidiariteit en evenredigheid;

17.  benadrukt dat grondige effectbeoordelingen met een diepgaande evaluatie van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel cruciaal zijn om het vertrouwen van de burger te vergroten, die subsidiariteit dikwijls als een belangrijk aspect van het democratische proces opvat; beklemtoont daarom dat een striktere subsidiariteitstoetsing kan worden beschouwd als een belangrijk instrument om het zogeheten democratisch tekort terug te dringen;

18.  herhaalt het verzoek dat het Parlement in eerdergenoemde resolutie van 14 september 2011 heeft gedaan om, in aanvulling op de effectbeoordelingen die in verband met voorgestelde wetgeving door de Commissie worden verricht, en waarvan de hervorming momenteel wordt besproken, ook nationale effectbeoordelingen uit te voeren; verwacht dat de onlangs in het leven geroepen afdelingen Effectbeoordeling van het Parlement een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de werkzaamheden van de Commissie;

19.  is teleurgesteld over het antwoord van de Commissie aan de nationale parlementen in de gevallen waarin gele kaarten gegeven zijn; is van oordeel dat de Commissie uitgebreid moet antwoorden op elk bezwaar dat door nationale parlementen tot uitdrukking gebracht wordt en dat dit op individuele basis moet gebeuren als onderdeel van een dialoog die volgt op elk bekendgemaakt advies; acht het ook noodzakelijk dat de Commissie voor de betrokken commissie of commissies van het Parlement verschijnt om haar standpunt in detail toe te lichten;

20.  benadrukt dat de gelekaartprocedure, een instrument om de EU-besluitvorming te beïnvloeden, nog zou kunnen worden versterkt door eerder informatie uit te wisselen over de standpunten van de nationale parlementen, en moedigt de nationale parlementen derhalve aan standpunten uit te wisselen over het toepassingsgebied en de evaluatiemethoden die worden gebruikt om na te gaan of wetgeving in overeenstemming is met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel;

21.  is van oordeel dat politieke dialoog van steeds groter belang wordt om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd; staat op het standpunt dat de politieke dialoog moet worden verbeterd, niet alleen in gevallen van gele of rode kaarten maar als algemene regel; is in dit opzicht ingenomen met het initiatief van de Commissie Juncker om voor meer nationale parlementen te verschijnen en verzoekt het Parlement soortgelijke initiatieven te overwegen; is van mening dat rapporteurs aangemoedigd kunnen worden om meer in contact te treden met nationale parlementen, ook al omdat videoconferenties en andere methoden van online ontmoetingen steeds gemakkelijker en doeltreffender kunnen worden gebruikt;

22.  benadrukt dat de Europese instellingen en de nationale parlementen moeten blijven werken aan de bevordering van een cultuur van subsidiariteit in de hele Europese Unie; pleit voor twee specifieke manieren om aan subsidiariteit in het huidige wetgevingsproces een grotere rol toe te kennen, ten eerste door ervoor te zorgen dat standpunten, invalshoeken en andere voorstellen van nationale parlementen in het kader van de politieke dialoog gemakkelijker toegang kunnen vinden, met name gedurende de voorbereidende werkzaamheden zoals de opstelling van groenboeken of witboeken van de Commissie, en ten tweede door te overwegen de termijn voor raadpleging van nationale parlementen in het kader van de subsidiariteitstoetsing van Protocol nr. 2 op verzoek van parlementen te verlengen wegens tijdgebrek, waarvoor gerechtvaardigde en objectieve gronden gelden, zoals natuurrampen en parlementair reces, en waarover overeenstemming bestaat tussen de nationale parlementen en de Commissie; is van oordeel dat dit kan worden bereikt met een politiek initiatief dat in eerste instantie goedgekeurd is door de instellingen en de nationale parlementen, zonder dat dit leidt tot vertraging in de vaststelling van de betreffende wetgeving;

23.  is van mening dat een verlenging van de termijn waarbinnen de nationale parlementen een gemotiveerd advies kunnen indienen, overeenkomstig artikel 6 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, bij een volgende herziening van het Verdrag moet worden opgenomen, op voorwaarde dat de lidstaten hiermee instemmen; meent dat deze verlenging ook in de secundaire wetgeving vastgelegd kan worden;

24.  acht het van belang dat de gelekaartprocedure door de parlementen gemakkelijk kan worden uitgevoerd wanneer zij het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig de Verdragen opnieuw bevestigen;

25.  merkt op dat verscheidene nationale parlementen in het kader van de COSAC belangstelling hebben getoond voor de invoering van een groene kaart als instrument om de politieke dialoog te verbeteren, hetgeen de nationale parlementen de mogelijkheid biedt, na de steun van het Parlement te hebben verkregen, ter overweging constructieve voorstellen bij de Commissie in te dienen, met inachtneming van het initiatiefrecht van de Commissie;

26.  merkt op dat wetgevingsvoorstellen drastische wijzigingen kunnen ondergaan voordat zij door de instellingen worden aangenomen; herinnert eraan dat een toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel slechts plaatsvindt bij het begin en niet bij de afsluiting van de wetgevingsprocedure; herinnert er voorts aan dat effectbeoordelingen meer in het algemeen slechts worden voorbereid voor de beginfase, en niet voor de eindfasen van het wetgevingsproces; benadrukt de noodzaak van een tussentijdse evaluatie na de aanvang van de aannemingsprocedure en een evaluatie aan het einde van het wetgevingsproces, waardoor het in bepaalde gevallen mogelijk wordt om aan lidstaten die het subsidiariteitsbeginsel niet in acht nemen, een waarschuwing af te geven;

27.  verzoekt dan ook om de uitvoering van een nadere subsidiariteitstoetsing en een volledige effectbeoordeling ten tijde van de afronding van de wetgevingsonderhandelingen en voorafgaande aan de aanneming van een definitieve tekst, om ervoor te zorgen dat inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel verzekerd is en beoordelingen van onder meer de evenredigheid kunnen plaatsvinden; is van mening dat een dergelijke afkoelingsperiode beleidsmakers kan helpen bij de beoordeling of wetgeving voldoet aan de beginselen van de Unie, en de transparantie kan verhogen omtrent de resultaten van perioden van vaak nogal intensieve onderhandelingen;

28.  neemt kennis van de nieuwe beleidsdoelstellingen van de Commissie inzake initiatieven en voorstellen voor EU-wetgeving, namelijk zo laag mogelijke kosten, voordelen voor burgers, ondernemingen en werknemers, en vermindering van onnodige regeldruk;

29.  is van mening dat moet worden gecontroleerd of en bewaakt dat de programma's in het meerjarig financieel kader voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel, in die zin dat zij een aantoonbare meerwaarde hebben voor de begunstigde lidstaten;

30.  verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, de aanvraagprocedure voor EU-middelen te vereenvoudigen, om ervoor te zorgen dat deze procedure resultaatgerichter en doeltreffender wordt;

31.  is vastbesloten zich in te zetten voor de inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid door middel van de beoordeling van zijn eigen initiatiefverslagen van wetgevende aard, de ex-ante beoordeling van effectbeoordelingen van de Commissie en de voortdurende beoordeling van de potentiële meerwaarde van optreden in EU-verband en van de "kosten van het niet-bestaan van Europa";

32.  wijst op de recente discussies over afdoening van geschillen tussen investeerder en staat en de voorstellen van de Europese Commissie voor vervanging van het huidige model; herinnert eraan dat artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de gemeenschappelijke handelspolitiek een terrein is waarop de Unie exclusief bevoegd is en dat de gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond wordt op eenvormige beginselen; merkt op dat het subsidiariteitsbeginsel derhalve niet van toepassing is op de gemeenschappelijke handelspolitiek;

33.  dringt er bij de lidstaten op aan het Uncitral-Verdrag inzake transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten te deblokkeren, zodat de Commissie het verdrag namens de hele Unie kan ondertekenen; betreurt de huidige situatie, waarin een aantal EU-lidstaten partij is bij het verdrag en een aantal niet; is van mening dat dit voorbeeld onderstreept dat er behoefte is aan meer algehele duidelijkheid over de reikwijdte van de exclusieve bevoegdheid van de Unie inzake directe buitenlandse investeringen; wijst erop dat het uiteenlopende beleid van de lidstaten ten aanzien van investeringsbescherming geleid heeft tot de huidige situatie, waarin lidstaten partij zijn bij zo'n 1 400 bilaterale investeringsverdragen, die soms verschillende bepalingen bevatten, hetgeen kan leiden tot verschillen in de behandeling van EU-investeerders in het buitenland, afhankelijk van de herkomst van de betreffende investering;

34.  pleit, waar het gaat om financiële bijstand van de EU aan andere landen, en meer specifiek om macro-financiële bijstand, voor meer diepgaande ex-ante en ex-post effectbeoordelingen op het punt van evenredigheid van de voorgestelde maatregelen, om te zorgen dat de bijstand doelmatig is en werkelijk nuttig voor onze partners in nood; houdt staande dat voorwaarden moeten worden verbonden aan uitbetaling van financiële bijstand en behoorlijke controle moet worden gehouden op de aanwending van de gelden, onder meer met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude en corruptie, en door gedegen toetsing door het Parlement; dringt aan op sterke integratie van de externe instrumenten van de EU, waarin handel, ontwikkeling en buitenlands- en veiligheidsbeleid worden gecombineerd; benadrukt dat de lidstaten op dit gebied meer inzet moeten tonen;

35.  wijst erop dat het uiterst belangrijk is dat de burgers, het bedrijfsleven (met name het mkb) en de maatschappelijke organisaties terdege worden geraadpleegd en uitgenodigd tot dialoog over de EU-handelspolitiek, en bij de besluitvorming daarover worden betrokken.

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.
(3) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.
(5) http://ec.europa.eu/smart-regulation/refit/admin_burden/docs/08-10web_ce-brocuttingredtape_en.pdf
(6) Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting - COM(2012)0130.
(7) Brief van 12 september 2012 van vicevoorzitter Šefčovič aan de nationale parlementen.
(8) Voorstel van de Commissie voor de instelling van het Europees Openbaar Ministerie - COM(2013)0534.
(9) Mededeling van de Commissie van 27 november 2013 aan het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen over de heroverweging van het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Openbaar Ministerie wat betreft het subsidiariteitsbeginsel, overeenkomstig protocol nr. 2 (COM(2013)0851).


Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving
PDF 207kWORD 99k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (2014/2150(INI))
P8_TA(2016)0104A8-0208/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Interinstitutionele Akkoorden "Beter wetgeven"(1),

–  gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, VWEU bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien het verslag van de Commissie over het Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (COM(2014)0368),

–  gezien de eerdere mededelingen van de Commissie inzake gezonde EU-regelgeving (COM(2012)0746 en COM(2013)0685),

–  gezien het verslag van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid (negentiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" 2011) (COM(2012)0373),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Monitoring and Consultation on Smart Regulation for SMEs" (SWD(2013)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Slimme regelgeving in de Europese Unie" (COM(2010)0543),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie voor de raadpleging van belanghebbenden 2014,

–  gezien het eindrapport van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten van 24 juli 2014, getiteld: "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook", en met name het afwijkend standpunt in bijlage 12 van vier leden van deze groep met een achtergrond op het gebied van werknemersrechten, volksgezondheid, milieu en consumentenrechten,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "Voorstel voor een interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving" (COM(2015)0216),

–  gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van het REFIT-platform (C(2015)3261) en de mededeling aan de Commissie met als titel "The REFIT Platform - Structure and Functioning" (C(2015)3260),

–  gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie tot oprichting van een onafhankelijke Raad voor regelgevingstoetsing (C(2015)3263), de mededeling aan de Commissie getiteld "Regulatory Scrutiny Board - Mission, tasks and staff" (C(2015)3262) en de mededeling aan de Commissie getiteld "Standard Explanatory Memorandum" (C(2015)3264/2),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Better Regulation Guidelines" (SWD(2015)0111),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0208/2015),

A.  overwegende dat het REFIT-programma een belangrijk element is van de nieuwe strategie van de Commissie om de wetgeving te verbeteren;

B.  overwegende dat met het REFIT-programma wordt beoogd de procedures voor betere wetgeving te consolideren, het EU-recht te vereenvoudigen, de administratieve en/of regelgevingslasten terug te dringen en de weg in te slaan naar goed bestuur op grond van op bewijs gebaseerde beleidsvorming, waarin effectbeoordelingen en evaluaties achteraf een belangrijke rol spelen, zonder evenwel politieke besluiten te vervangen;

C.  overwegende dat de Commissie een nieuw REFIT-platform in het leven heeft geroepen om haar werkzaamheden in de context van het REFIT-programma te ondersteunen, dat bestaat uit twee groepen: de groep regeringsvertegenwoordigers, bestaande uit vooraanstaande deskundigen uit het overheidsapparaat van iedere lidstaat, en de groep belanghebbenden, bestaande uit maximaal 20 deskundigen, waarvan er twee het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vertegenwoordigen, en de rest het bedrijfsleven, met inbegrip van kmo's, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld;

D.  overwegende dat met het jaarlijkse REFIT-scorebord de voortgang op alle beleidsgebieden en met betrekking tot alle door de Commissie vastgestelde initiatieven, alsook de acties van het Parlement en de Raad, kunnen worden geëvalueerd;

E.  overwegende dat het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 2003 niet meer voldoende aansluit op het huidige, door het Verdrag van Lissabon gecreëerde wetgevingskader;

F.  overwegende dat de agenda voor betere regelgeving de afgelopen jaren desondanks een bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van wetgevingsprocedures; overwegende dat het grote aantal verschillende programma's en benamingen dat door de Commissie werd geïntroduceerd op dit gebied, zoals "betere regelgeving", "beter wetgeven", "slimme regelgeving", "gezonde regelgeving", "denk eerst klein", "fitness checks" en "ABR+", niet zorgen voor voldoende duidelijkheid en transparantie met betrekking tot de doelstellingen van de maatregelen, met name voor burgers, en bijgevolg beter gecombineerd kunnen worden;

G.  overwegende dat de Commissie met haar mededeling van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" nu een coherente en holistische aanpak van betere wetgeving heeft voorgesteld in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de volledige beleidscyclus en waarvoor gerichte interactie tussen alle instellingen nodig is, en overwegende dat de communicatie daarom nauwkeurig zal worden bestudeerd door het Parlement om te komen tot de best mogelijke resultaten in het belang van de burgers van de Unie;

H.  overwegende dat de doelen en doelstellingen van de Unie, zoals die in artikel 3 VEU zijn neergelegd, allemaal even belangrijk zijn; overwegende dat de Commissie benadrukt dat het REFIT-programma reeds vastgestelde beleidsdoelstellingen onverlet laat en ook niet ten koste mag gaan van de gezondheid en veiligheid van burgers, consumenten, werknemers of het milieu;

I.  overwegende dat de Commissie in de tweede helft van 2014 openbare raadplegingen heeft gehouden over de herziening van haar richtsnoeren voor effectbeoordeling en haar richtsnoeren voor de raadpleging van belanghebbenden;

J.  overwegende dat de Commissie bij het opstellen van haar werkprogramma voor 2015 voor het eerst het zogeheten beginsel van politieke discontinuïteit heeft aangevoerd als reden voor intrekking van een zeer groot aantal hangende wetsvoorstellen;

K.  overwegende dat de Commissie in het kader van haar werkprogramma voor 2015 van plan was met haar activiteiten de nadruk te leggen op de belangrijke economische en maatschappelijke uitdagingen, en dat haar nieuwe structuur tot doel heeft een meer coherente beleidsaanpak te waarborgen, waardoor eveneens de transparantie in de EU zou worden verhoogd en bijgevolg ook de aanvaarding bij de burgers;

Betere regelgeving

1.  neemt kennis van het besluit van Commissievoorzitter Juncker om de eerste vicevoorzitter van de Commissie te belasten met de portefeuille betere regelgeving, waarmee gevolg wordt gegeven aan de verzoeken van het Europees Parlement en waardoor het grote politieke belang van dit onderwerp wordt benadrukt; verwacht dat deze aanstelling zal leiden tot Europese regelgeving van de best mogelijke kwaliteit, die voldoet aan de verwachtingen van de burgers en belanghebbenden en die ervoor zorgt dat de doelstellingen van het openbaar beleid, waaronder milieu-, sociale en gezondheids- en veiligheidsnormen, niet in gevaar worden gebracht;

2.  wijst erop dat binnen de hele openbaar-bestuurscultuur op alle niveaus van de Europese Unie gewerkt moet worden aan betere regelgeving, rekening houdend met de overmatige bureaucratie in de EU en de noodzaak de wetgeving te vereenvoudigen, en dat dit niet alleen dient te gelden voor de tenuitvoerlegging en toepassing van handelingen van de Unie op Europees niveau, maar ook op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zodat behoorlijk bestuur en een Europagezinde houding op alle niveaus gewaarborgd worden;

3.  benadrukt dat de Commissie voorrang moet verlenen aan de ontwikkeling van bepaalde maatregelen en zich meer op de kwaliteit van de wetgeving en een betere handhaving van bestaande wetgeving moet richten dan op de kwantiteit van wetgevingshandelingen; onderstreept in dit verband dat kosten niet de doorslaggevende factor mogen zijn, maar dat de kwaliteit van de wetgeving het enige passende ijkpunt is, en dat het REFIT-programma niet mag worden gebruikt om de duurzaamheid of de sociale, werk-, milieu- of consumentennormen te ondermijnen;

4.  stelt voor dat de Commissie de invoering van "horizonbepalingen" in overweging neemt in het kader van wetgevingsinitiatieven die in de tijd beperkt zijn, op voorwaarde dat dit niet leidt tot rechtsonzekerheid, en zo nodig "herzieningsclausules" opneemt in wetgevingsmaatregelen om de relevantie van deze maatregelen op Europees niveau regelmatig opnieuw te beoordelen;

5.  wijst erop dat een norm op Europees niveau in de regel in de plaats treedt van 28 nationale normen, hetgeen leidt tot een versterking van de interne markt en tot minder bureaucratie;

6.  is ingenomen met het pakket maatregelen van 19 mei 2015 ter verbetering van de regelgeving; steunt de blijvende inzet van de Commissie voor de agenda voor betere regelgeving; onderstreept dat de werkzaamheden waarin de REFIT-mededeling voorziet, beschouwd moeten worden als een continu proces, dat ervoor zorgt dat de wetgeving die op Europees niveau van kracht is, geschikt is voor het beoogde doel, de gemeenschappelijke doelstelling van de wetgevers bereikt en beantwoordt aan de verwachtingen van burgers, en met name werknemers, ondernemingen en andere belanghebbenden;

7.  neemt kennis van de toezegging van de Commissie betreffende het nieuw interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, dat rekening houdt met de wijzigingen ten gevolge van het Verdrag van Lissabon en de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie, waarmee de beste praktijken op het gebied van wetgevingsplanning, effectbeoordeling, systematische evaluatie achteraf van EU-wetgeving en het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden geconsolideerd, en neemt kennis van de afronding van de onderhandelingen;

8.  is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft bevestigd dat haar strategie voor betere regelgeving niet gericht is op de deregulering van bepaalde beleidsdomeinen of waarden in vraag stelt waar we belang aan hechten, zoals sociale bescherming, milieubescherming en de grondrechten, met inbegrip van het recht op gezondheid;

9.  erkent de langlopende en intensieve werkzaamheden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau, die voorstellen heeft ingediend bij de Europese Commissie om de administratieve lasten te verminderen en die optimale werkwijzen heeft geïdentificeerd met als doel de EU-wetgeving op een zo onbureaucratisch mogelijke manier ten uitvoer te leggen in de lidstaten; neemt kennis van het feit dat vier leden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau het niet eens waren met een aantal van de conclusies in het eindverslag van deze groep over administratieve lasten, en een afwijkend standpunt hebben gepubliceerd; verwacht dat de Commissie rekening houdt met de standpunten van alle betrokken partijen;

10.  benadrukt het belang van sociaal overleg en de eerbiediging van de autonomie van de sociale partners; wijst er met name met betrekking tot artikel 9 VWEU op dat de sociale partners in overeenstemming met artikel 155 VWEU overeenkomsten kunnen sluiten die op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen kunnen leiden tot EU-wetgeving; verwacht dat de Commissie de autonomie van partijen en de overeenkomsten die zij hebben gesloten eerbiedigt en hun bezorgdheid serieus neemt, en benadrukt dat de agenda voor betere regelgeving niet mag worden misbruikt om overeenkomsten tussen de sociale partners te negeren of ter zijde te schuiven, en verwerpt bijgevolg alle eventuele effectbeoordelingen van overeenkomsten tussen sociale partners;

11.  wijst erop dat de keuze tussen uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen tijdens de vorige zittingsperiode geleid heeft tot talrijke interinstitutionele geschillen; acht het bijgevolg van belang dat specifieke richtsnoeren worden opgesteld, zoals gevraagd door het Europees Parlement in zijn op 25 februari 2014 aangenomen resolutie;

12.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat ze van plan is de toekenning van subsidies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de Europese structuur- en investeringsfondsen en Horizon 2020 te vereenvoudigen;

Transparantie en raadpleging van belanghebbenden

13.  is verheugd dat de Commissie in het kader van het REFIT-programma de raadpleging van belanghebbenden zeer belangrijk acht; wijst erop dat de EU-instellingen op grond van artikel 11, lid 2, VEU verplicht zijn een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren met representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld; dringt er bij de instellingen op aan tijdens de onderhandelingen over een nieuw interinstitutioneel akkoord bijzondere aandacht te besteden aan deze regelmatige en verplichte dialoog met de representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld;

14.  wijst erop dat de werking van de EU door middel van een toegenomen transparantie efficiënter kan worden gemaakt en dat het vertrouwen van het maatschappelijk middenveld in de EU kan worden versterkt;

15.  is in dit kader ingenomen met het feit dat de Commissie aangeeft dat de dialoog met burgers, sociale partners en andere belanghebbenden binnen het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld helpt ervoor te zorgen dat de wetgeving in de EU transparant, doelgericht en coherent tot stand komt, en steunt het voornemen van de Commissie om op een preciezere manier aan te geven hoe haar voorstellen tot stand komen, bijvoorbeeld door middel van wetgevingsteksten of mededelingen van de Commissie;

16.  merkt op dat de Commissie in het kader van haar strategie voor beter wetgeven de rol van openbare raadpleging aanzienlijk vergroot; neemt kennis van het feit dat de Commissie in de toekomst een openbare raadpleging van 12 weken zal uitvoeren a) vóór nieuwe wetgevingsvoorstellen op te stellen, b) wanneer bestaande wetgevingsbepalingen worden beoordeeld en hun geschiktheid wordt nagegaan, en c) met betrekking tot routekaarten en voorafgaande effectbeoordelingen; merkt verder op dat de Commissie bovendien, nadat een voorstel is aangenomen, de burgers en belanghebbenden de kans zal bieden binnen acht weken commentaar te geven op haar voorstel, en deze standpunten zal doen toekomen aan de Raad en het Parlement;

17.  verzoekt de Commissie tegen deze achtergrond een evenwichtige en transparante beoordeling uit te voeren van de standpunten en feedback van alle deelnemers in het kader van de raadplegingsprocedure en er met name voor te zorgen dat openbare raadplegingen niet voor eigen doeleinden misbruikt kunnen worden door goed gefinancierde en goed georganiseerde organisaties van belanghebbenden; verzoekt de Commissie haar conclusies naar aanleiding van de raadplegingen openbaar te maken;

18.  merkt op dat effectbeoordelingen enkel openbaar mogen worden gemaakt wanneer de Commissie het relevante politieke initiatief heeft goedgekeurd; acht het met het oog op de transparantie van de Commissiebesluiten noodzakelijk dat effectbeoordelingen eveneens openbaar worden gemaakt wanneer de Commissie besloten heeft geen wetgevingsvoorstel in te dienen;

19.  merkt op dat het Europees Economisch en Sociaal Comité, dat een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat het Comité van de regio's, dat eveneens een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van de regionale en plaatselijke autoriteiten in de EU en een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving; merkt op dat beide raadgevende organen op grond van het geldende recht door het Parlement, de Raad en de Commissie kunnen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin het Parlement en de Raad dit wenselijk achten; is van oordeel dat een doelgerichte raadpleging ervan in een vroeg stadium over specifieke kwesties en gebruikmakend van de specifieke deskundigheid waarover deze organen beschikken, kan bijdragen tot de verwezenlijking van betere regelgeving;

20.  is van oordeel dat regionale en lokale autoriteiten meer betrokken moeten worden bij de totstandkoming van EU-beleid, en dat er met name in de eerste stadia van de uitwerking van wetgeving gebruik moet worden gemaakt van de deskundigheid en ervaring die er in de lidstaten op regionaal en lokaal niveau aanwezig is; wijst erop dat alle instellingen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht moeten nemen in het kader van hun wetgevingswerkzaamheden;

21.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het wetgevingsproces transparanter te maken en om het publiek en de belanghebbenden meer te betrekken bij het hele proces;

22.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om in te toekomst eveneens openbare raadplegingen van vier weken te organiseren over ontwerpen van gedelegeerde handelingen en belangrijke uitvoeringshandelingen vóór de lidstaten stemmen over hun standpunt in het verantwoordelijke comité;

23.  verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor evaluatie te herzien en daarbij participatie door en raadpleging van belanghebbenden te stimuleren en ernaar te streven de lijnen zo kort mogelijk te maken, zodat EU-burgers daadwerkelijk in staat worden gesteld deel te nemen aan het besluitvormingsproces;

24.  neemt kennis van de nieuwe "Lighten the Load – Have Your Say"-pagina op de website van de Commissie betreffende betere wetgeving en vraagt een evenwichtige en transparante beoordeling door de Commissie en door het nieuwe REFIT-platform van de ontvangen opmerkingen; is echter van mening dat de procedures en beraadslagingen van het REFIT-panel niet te belastend mogen zijn, en dat dit orgaan in staat moet zijn zowel snel antwoord te bieden als meer diepgaande werkzaamheden uit te voeren in het kader van het Europese wetgevingsproces; is van mening dat raadplegingen via deze website van de Commissie niet in de plaats kunnen komen van openbare raadplegingen van belanghebbenden;

Effectbeoordelingen en Europese meerwaarde

25.  merkt op dat effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de besluitvorming binnen alle EU-instellingen en een belangrijke factor zijn voor de verwezenlijking van betere regelgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit opzicht hun toezegging meer nauwgezet na te komen en de gevolgen van bestaande en toekomstige regelgeving grondiger te bestuderen; benadrukt echter dat dergelijke beoordelingen geen vervanging vormen voor politieke inschattingen en politieke besluitvorming en dat de vrijheid van de leden van het Europees Parlement om hun politieke werkzaamheden uit te voeren op geen enkele manier mag worden beperkt;

26.  is van mening dat een beoordeling van de gevolgen voor het concurrentievermogen een belangrijk onderdeel moet vormen van de effectbeoordelingsprocedure; is van mening dat de voorgestelde herziene richtsnoeren aanwijzingen moeten bevatten wat betreft de manier waarop gevolgen voor het concurrentievermogen moeten worden beoordeeld en meegewogen in de uiteindelijke analyse; steunt het huidige uitgangspunt dat voorstellen met negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen niet mogen worden aangenomen door de Commissie, tenzij aangetoond wordt dat ze aanzienlijke niet-kwantificeerbare voordelen hebben;

27.  meent dat de beginselen van betere regelgeving zowel van toepassing moeten zijn op secundaire als op primaire wetgevingsbesluiten; dringt er bij de Commissie op aan indien nodig gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vergezeld te laten gaan van een effectbeoordeling, en in dat kader ook geïnteresseerden en belanghebbenden te raadplegen;

28.  is van mening dat effectbeoordelingen omvattend moeten zijn, dat er sprake moet zijn van een evenwichtige beoordeling van met name economische, sociale en ecologische gevolgen, en dat de gevolgen voor de grondrechten van burgers en voor de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten worden geëvalueerd; benadrukt dat een kosten-batenanalyse lang niet alle aspecten dekt;

29.  wijst erop dat in veel lidstaten, zoals Zweden, Tsjechië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, onafhankelijke organen de regeringen constructieve bijdragen leveren in verband met wetgevingsprocessen, met als doel de administratieve lasten voor bedrijven en burgers te verminderen en de kosten met betrekking tot informatieverplichtingen op een meetbare en controleerbare manier terug te dringen; merkt op dat rekening kan worden gehouden met de optimale werkwijzen en de ervaringen van bestaande organen voor betere regelgeving; stelt vast dat de Raad voor effectbeoordeling van de Commissie is omgezet in een onafhankelijke "Raad voor regelgevingstoetsing" en verwacht dat de deelname van onafhankelijke deskundigen aan deze raad een positief effect zal hebben op de werkwijze van de Commissie op het gebied van effectbeoordelingen; staat erop dat de Raad voor regelgevingstoetsing uitsluitend een raadgevende functie vervult en geen bindende adviezen mag uitbrengen; benadrukt dat effectbeoordelingen consistent moeten zijn, rekening moeten houden met alle eventuele wijzigingen die worden ingevoerd tijdens het overleg tussen de diensten van de Commissie, en onder meer gebaseerd moeten zijn op ramingen van de bijkomende kosten voor de lidstaten indien geen oplossing wordt gevonden op Europees niveau; is van mening dat het standpunt van de Raad voor regelgevingstoetsing bij het definitieve wetgevingsvoorstel moet worden gevoegd; stelt voor in het kader van de komende onderhandelingen over het interinstitutioneel akkoord te bespreken of een raad voor regelgevingscontrole van gezamenlijk belang kan zijn voor de instellingen als louter adviserend orgaan;

30.  is verheugd over het feit dat de bevoegde Raadsgroepen nu verplicht zijn om in een vroeg stadium van de besprekingen over specifieke wetgevingsvoorstellen de effectbeoordelingen van de Commissie te bespreken aan de hand van een indicatieve checklist; betreurt evenwel dat het secretariaat van de Raad geen eigen afdeling effectbeoordelingen heeft en is van mening dat de voornoemde oplossing ervoor zou kunnen helpen zorgen dat de Raad aan zijn verplichting kan voldoen om alle eventuele materiële wijzigingen aan voorstellen van de Commissie te beoordelen;

31.  wijst erop dat het Parlement een intern directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde heeft opgericht dat een brede waaier aan diensten op het vlak van effectbeoordelingen voor- en achteraf aanbiedt aan de parlementaire commissies, de toegevoegde waarde van toekomstig of huidig EU-beleid beoordeelt, en beleidsopties op het gebied van wetenschap en technologie evalueert; merkt op dat er, volgens informatie van de Commissie, ongeveer twintig interne effectbeoordelingen werden uitgevoerd in het Parlement in verband met wijzigingen aan Commissievoorstellen; herinnert de deskundige commissies van het Parlement eraan consequenter gebruik te maken van eigen effectbeoordelingsinstrumenten, met name als er ingrijpende wijzigingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel worden overwogen; wijst er echter op dat dit niet mag leiden tot een beperking van de manoeuvreerruimte van de leden van het Europees Parlement;

32.  benadrukt dat het nodig is rekening te houden met alle beginselen waarop de Unie is gegrondvest, waaronder de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit; dringt er bij de EU-instellingen op aan altijd de korte- en langetermijneffecten van wetgeving te beoordelen;

33.  merkt op dat de afkoelingsperiode na de afronding van onderhandelingen maar voorafgaand aan de eindstemming, die momenteel wordt gebruikt voor revisie door juristen-vertalers, verder zou kunnen worden gebruikt voor de voltooiing van een effectbeoordeling en subsidiariteitscontrole;

34.  stelt zich op het standpunt dat alle EU-instellingen een gemeenschappelijke methode moeten vaststellen voor effectbeoordelingen; benadrukt dat de wetgevende bevoegdheid van het Parlement en de Raad om een voorstel van de Commissie te wijzigen niet aangetast mag worden;

35.  spoort de Commissie aan meer publiek en privaat overleg te plegen met alle belanghebbenden, onder meer de consumenten, bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, om na te gaan hoe voorstellen in een voorlopige fase beter bekend kunnen worden gemaakt;

Kmo's en denk eerst klein

36.  neemt kennis van de toezegging van de Commissie dat zij de kmo-test verder zal verbeteren, met name gelet op het feit dat de meer dan 20 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) 99% van alle ondernemingen in de EU vertegenwoordigen en dat kmo's als dusdanig de ruggengraat van onze economie, groei en werkgelegenheid vormen; is het ermee eens dat de effectbeoordelingen voor kmo's aangepast en vereenvoudigd kunnen worden indien vaststaat dat daarmee de doelmatigheid van de wetgeving niet afneemt en dat de vrijstellingen of vereenvoudigingen niet tot versnippering van de interne markt leiden of de toegang tot die markt bemoeilijken; is bijgevolg ingenomen met de toezegging van de Commissie om meer flexibele regels voor kmo's in overweging te nemen, met inbegrip van een regelrechte vrijstelling voor micro-ondernemingen, indien dit passend en doenbaar is en indien de daadwerkelijke verwezenlijking van de sociale, ecologische en economische doelstellingen van voorgestelde wetsbepalingen niet wordt ondergraven;

37.  verzoekt de Commissie om haar ambities niet te verlagen en zich te blijven richten op het creëren van hoogwaardige banen door middel van het verminderen van administratieve lasten voor kmo's, en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de doelstellingen van openbaar belang, waaronder milieunormen, sociale, gezondheids- en veiligheids- en consumentenbeschermingsnormen, en de normen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen niet in het gedrang komen; benadrukt dat de vermindering van de administratieve lasten niet mag leiden tot een verlaging van de arbeidsnormen of een toename van het aantal onzekere arbeidsovereenkomsten, en dat werknemers in kmo's en micro-ondernemingen dezelfde behandeling en hoge beschermingsnormen moeten genieten als werknemers in grotere bedrijven;

38.  onderstreept dat de beoordeling van de gevolgen van nieuwe voorschriften voor kmo's er niet toe mag leiden dat de rechten van werknemers worden aangetast;

39.  benadrukt dat duidelijker geformuleerde regels nodig zijn die op eenvoudige wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd en die alle actoren kunnen helpen om binnen de rechtsstaat te handelen; benadrukt dat eenvoudigere en slimmere wetgeving de consistente omzetting en doeltreffender en meer uniforme handhaving door de lidstaten kan bevorderen;

Ex-postevaluatie

40.  is verheugd dat de Commissie ex-postevaluatie tot integraal onderdeel van betere regelgeving maakt; benadrukt dat ex-postevaluaties met het oog op de rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen pas moeten worden uitgevoerd als er voldoende tijd is verstreken, bij voorkeur een aantal jaren na de termijn voor omzetting in nationaal recht; herhaalt echter nog eens zijn standpunt dat effectbeoordelingen achteraf nooit in de plaats kunnen treden van de verplichting van de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om op doeltreffende wijze en tijdig toezicht uit te oefenen op de toepassing van het recht van de Unie door de lidstaten en alle nodige maatregelen te nemen om de goede uitvoering ervan te waarborgen;

41.  benadrukt het belang van beoordelingen achteraf en de beoordeling van beleidsresultaten voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van EU-regelgeving en EU-beleid in het licht van de door de wetgevingsautoriteit beoogde resultaten;

42.  is van mening dat de nationale parlementen bij de ex-postevaluatie van nieuwe wetgeving moeten worden betrokken, omdat daarmee een nuttige bijdrage wordt geleverd aan de verslagen van de Commissie en de verschillende nationale uitdagingen die afzonderlijke wetten en regelingen met zich meebrengen hierdoor kunnen worden bestudeerd;

Tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten

43.  stelt vast dat volgens de Commissie een derde van de administratieve en regelgevingslasten van EU-wetgeving voortvloeit uit omzettingsmaatregelen van de lidstaten;

44.  beseft dat de lidstaten in het geval van richtlijnen bevoegd zijn om op nationaal niveau strengere normen voor sociale, milieu- en consumentenbescherming vast te stellen dan de minimumnormen voor bescherming die op EU-niveau zijn overeengekomen en waardeert het als lidstaten een dergelijk besluit nemen; bevestigt opnieuw dat dergelijke strengere normen niet moeten worden beschouwd als overregulering ("gold plating"); verzoekt de bevoegde autoriteiten echter rekening te houden met de mogelijke gevolgen van overregulering, waardoor de EU-wetgeving extra wordt verzwaard met onnodige bureaucratische lasten, omdat dit een verkeerd beeld kan geven van de wetgevingswerkzaamheden van de EU, hetgeen euroscepticisme kan voeden; roept de lidstaten met het oog op gebruiksvriendelijkheid op onnodige administratieve regels bij de tenuitvoerlegging van richtlijnen en verordeningen te verwijderen;

45.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de tenuitvoerlegging en toepassing van EU-richtlijnen te intensiveren; is van mening dat belanghebbenden en lokale en regionale autoriteiten hierdoor zullen worden aangespoord om de problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van EU-beleid op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau in kaart te brengen;

46.  benadrukt dat het Parlement, als medewetgever, er belang bij heeft te begrijpen wat de eigenlijke impact van EU-wetgeving is nadat ze ten uitvoer is gelegd; roept de Commissie bijgevolg op het Parlement volledige toegang te bieden tot alle beoordelingen in dit verband, met inbegrip van de verzamelde brongegevens en voorbereidende documenten;

47.  dringt er bij de Commissie op aan de wetenschappelijke grondslag, het nut en de uitvoerbaarheid van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen opnieuw te beoordelen, gelet op de ernstige, aanhoudende problemen bij de tenuitvoerlegging, waaronder de problemen op het gebied van mededingingsverstoring, en indien nodig het begrip "voedingsprofiel" te schrappen; is van mening dat de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006, met betrekking tot bijvoorbeeld waarheidsgetrouwe claims voor voedingsmiddelen en duidelijke claims met betrekking tot het vet-, suiker- en zoutgehalte, inmiddels worden verwezenlijkt door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

48.  verwijst naar de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken en naar de gezamenlijke politieke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 27 oktober 2011 over toelichtende stukken, en verzoekt de Commissie te verzekeren dat het Parlement toegang heeft tot toelichtende stukken;

Intrekking door de Commissie van hangende wetgevingsvoorstellen

49.  stelt vast dat de nieuwe Commissie in haar werkprogramma voor 2015, onder verwijzing naar het beginsel van politieke discontinuïteit, alle aanhangige wetsvoorstellen opnieuw onder de loep neemt;

50.  wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 april 2015(9) heeft bevestigd dat de Commissie op enig moment in een procedure tot vaststelling van een Uniehandeling, maar alleen zolang de Raad niet heeft gehandeld, haar oorspronkelijke voorstel kan intrekken; verzoekt de Commissie bijgevolg, om het interinstitutioneel evenwicht te bewaren, ingeval van een intrekking eerst het Parlement te raadplegen, met name na de eerste lezing, en naar behoren rekening te houden met zijn standpunten; verwijst in deze context in het bijzonder naar de resoluties van het Parlement van 15 januari 2015;

51.  wijst er verder op dat het Hof van Justitie in hetzelfde arrest de argumentatie van de Raad herhaalt dat de Commissie, in geval van de intrekking van een wetgevingsvoorstel, het beginsel van bevoegdheidstoedeling, het beginsel van institutioneel evenwicht en het beginsel van loyale samenwerking moet naleven, zoals opgenomen in artikel 13, lid 2, VEU, evenals het democratiebeginsel, zoals opgenomen in artikel 10, leden 1 en 2, VEU;

52.  wijst erop dat het belangrijk is dubbele wetgeving te voorkomen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1. Aangenomen teksten van 9 maart 2016, P8_TA(2016)0081.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0127.
(5) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.
(6) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.
(7) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 31.
(8) EESC-document INT/750.
(9) Arrest van het Hof van Justitie van 14 april 2015 in zaak C-409/13, Raad/Commissie [ECLI:EU:C:2015:217].


Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt
PDF 201kWORD 94k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016: Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt (2015/2089(INI))
P8_TA(2016)0105A8-0278/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2015" (COM(2014)0902),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie over de governance van de interne markt(1), en de follow-up van de Commissie van 8 mei 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2012 getiteld "Betere governance van de interne markt" (COM(2012)0259),

–  gezien het mededeling van de Commissie van 18 juni 2014 getiteld "Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten" (COM(2014)0368),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2013 getiteld "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over SOLVIT(3) en de follow-up van de Commissie van 28 mei 2014,

–  gezien de studie over "Slimme regelgeving inzake de interne markt" die zijn Commissie interne markt en consumentenbescherming heeft laten verrichten,

–  gezien de in april 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0278/2015),

A.  overwegende dat de interne markt een belangrijk instrument is om de economische groei en de banencreatie in de Unie weer op gang te brengen;

B.  overwegende dat de interne markt twintig jaar nadat zij officieel is gecreëerd, nog steeds versnipperd is, met name omdat de lidstaten de EU-wetgeving niet volledig hebben omgezet of niet correct hebben uitgevoerd;

C.  overwegende dat de governance van de interne markt moet worden versterkt door de hele beleidscyclus aan te pakken;

D.  overwegende dat de geplande strategie voor de interne markt tot doel moet hebben de internemarktregelgeving te verbeteren door lessen te trekken uit de ervaringen uit het verleden op het gebied van vrij verkeer van goederen en diensten, de digitale eengemaakte markt, beroepskwalificaties en overheidsopdrachten;

E.  overwegende dat de Unie bij haar streven naar een betere internemarktregelgeving moet uitgaan van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid;

F.  overwegende dat niet alleen de Commissie, de Raad en het Parlement verantwoordelijk zijn voor subsidiariteit, en dat er ook een rol is weggelegd voor de nationale en – indien van toepassing – regionale parlementen; overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel inhoudt dat beleid op het meest geschikte institutionele niveau moet worden bepaald, of dat nu het lokale, regionale, nationale of Europese niveau is;

G.  overwegende dat we een interne markt voor goederen hebben, maar geen interne markt voor diensten;

H.  overwegende dat specifieke instrumenten versterkt, herzien of beter benut moeten worden om een positieve bijdrage te kunnen leveren aan een competitief regelgevingsklimaat voor ons bedrijfsleven, steun voor groei en banencreatie, en meer vertrouwen van de consument in de Europese wetgeving;

I.  overwegende dat burgers en bedrijven de verschillende diensten die hen kunnen bijstaan, zoals Your Europe en SOLVIT, nauwelijks kennen;

J.  overwegende dat we over onvoldoende indicatoren en gegevens beschikken om de succesvolle toepassing van de wetgeving op diverse gebieden van de interne markt te meten;

K.  overwegende dat dergelijke indicatoren en gegevens het doel en het oogmerk van de wetgeving in kwestie zouden kunnen verduidelijken;

L.  overwegende dat de politiek de digitale innovatie niet kan bijbenen en dat ondernemers de digitale agenda bepalen; overwegende dat het van groot belang is dat er toekomstbestendige regels worden uitgevaardigd die "digital by default" zijn;

M.  overwegende dat een deugdelijke omzetting, uitvoering en handhaving van consumentenrechten en -wetgeving essentieel is om in de EU een hoog niveau van consumentenbescherming te realiseren;

N.  overwegende dat een betere uitvoering en handhaving van de wetgeving een van de hoofdprioriteiten was van de Europese consumententop van 2015, een jaarlijks forum waar belangrijke Europese en internationale beleidsmakers en andere stakeholders bijeenkomen;

I.Inleiding en algemene beginselen

1.  verzoekt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van de recente strategie voor de interne markt rekening te houden met de aanbevelingen in deze resolutie;

2.  is van mening dat het verbeteren van de internemarktregelgeving zowel een prioriteit als een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van de EU-instellingen; gelooft dat goede wetgeving de burger ten goede komt, bevorderlijk moet zijn voor het concurrentievermogen, de banencreatie, de groei en de ontwikkeling van kmo's, en tegelijk een hoog niveau van consumentenbescherming moet bewerkstelligen, en dit moet doen op een wijze die de Europese economie niet in de weg staat, maar stimuleert;

3.  ziet "betere regelgeving" in de context van de hele beleidscyclus, waarbij alle onderdelen bijdragen tot efficiënte en effectieve regelgeving; is derhalve van oordeel dat specifieke indicatoren voor het meten van het succes van de betreffende wetgeving reeds deel moeten uitmaken van de eerste effectbeoordeling en gedurende de hele beleidscyclus moeten worden gebruikt, ook tijdens de tenuitvoerleggingsfase na de inwerkingtreding van de wetgeving;

4.  herinnert in dit verband aan het belang van transparante en toegankelijke informatie; betreurt het dat documenten van de Raad, in tegenstelling tot die van het Parlement, niet openbaar worden gemaakt;

5.  is van mening dat het subsidiariteitsbeginsel het uitgangspunt moet vormen voor de beleidsvorming, teneinde de "Europese meerwaarde" van de governance van de interne markt te onderstrepen;

6.  stelt vast dat de deadlines in het kader van het subsidiariteitsmechanisme de parlementen niet altijd voldoende tijd geven om aspecten van de uitvoering, de samenhang met bestaande wetgeving of andere praktische kwesties nader te onderzoeken; is daarom van mening dat de parlementen zelf een actievere rol moeten spelen, met name in raadplegingsprocedures;

7.  is van mening dat de instellingen er gezamenlijk voor moeten zorgen dat bij de opstelling van de betreffende wetgeving rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel ; is daarnaast van oordeel dat het proces de doelstellingen van eenvoud, transparantie, coherentie en eerbiediging van de grondrechten moet verwezenlijken;

8.  vraagt de Commissie en de Raad om samen met het Parlement na te denken over de beste manier om ervoor te zorgen dat vereenvoudiging een doorlopend proces blijft, omdat de inspanning op die gebieden ten goede komt aan consumenten en kmo's;

9.  is van mening dat de internemarktregelgeving rekening moet houden met de nieuwe kansen die de digitale revolutie biedt en volledig verenigbaar moet zijn met de e‑governmentdimensie;

10.  verzoekt de Commissie de positie van de interne markt als afzonderlijke pijler van het Europees semester te versterken, door die te ondersteunen met een jaarlijks verslag over de integratie van de interne markt als input voor de jaarlijkse groeianalyse;

II.Instrumenten om de internemarktregelgeving te verbeteren

Effectbeoordeling

11.  gelooft dat de internemarktwetgeving tot doel moet hebben de werking van de interne markt te verbeteren, moet worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en moet dienen om concurrentievermogen, innovatie, groei en banencreatie te bevorderen; beschouwt doeltreffende effectbeoordelingen als een belangrijk instrument om de beleidsmakers te laten weten hoe zij de regelgeving het beste kunnen vormgeven om deze oogmerken en hun doelstellingen voor de interne markt te verwezenlijken, en welke de mogelijke gevolgen zijn van de wisselwerking met bestaande wetgeving;

12.  betreurt het dat de kwaliteit van ongeveer 40 % van de ontwerpeffectbeoordelingen die tussen 2010 en 2014 door het effectbeoordelingscomité van de Commissie zijn onderzocht, als onvoldoende is aangemerkt, en dat de ontwerpeffectbeoordelingen in kwestie voor verbetering zijn teruggestuurd;

13.  is van mening dat effectbeoordelingen slechts een doeltreffend instrument kunnen zijn als ze op basis van alomvattende, objectieve en volledige informatie en documentatie worden opgesteld en betrekking hebben op alle opties die grote gevolgen hebben of die politiek belangrijk zijn; is van mening dat bij het verrichten van de effectbeoordelingen ook rekening moet worden gehouden met de ex-postbeoordelingen van de bestaande wetgeving in dezelfde sector en met de samenhang tussen een nieuw wetgevingsinitiatief en het overige beleid en de algemene doelstellingen van de Unie;

14.  betreurt het dat de effectbeoordelingen bij wetgevingsvoorstellen die bij het Parlement worden ingediend, nog steeds tekortkomingen blijken te vertonen, zoals de afdeling Effectbeoordeling vooraf van het Parlement bijvoorbeeld heeft onderstreept in haar analyse van de effectbeoordeling bij het voorstel inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur;

15.  is van mening dat er tijdens het effectbeoordelingsproces terdege rekening moet worden gehouden met wetenschappelijk advies en dat aan de hand daarvan moet worden beargumenteerd hoe of waarom in de voorbereidende fasen beleidskeuzes zijn gemaakt, hetgeen het politieke proces zal ondersteunen; meent voorts dat in effectbeoordelingen rekening moet worden gehouden met de snelheid van digitale innovatie en ontwikkelingen en met de noodzaak om wetgeving technologieneutraal en zo toekomstbestendig mogelijk te maken;

16.  wijst erop dat niet duidelijk wordt gemaakt of de potentiële gevolgen van REFIT-voorstellen al dan niet moeten worden gekwantificeerd; onderstreept dat REFIT-voorstellen gerichter moeten zijn en dat de potentiële voordelen en kostenbesparingen in elk voorstel moeten worden gekwantificeerd;

17.  wijst erop dat de effectbeoordeling bij een voorstel moet worden aangevuld met effectbeoordelingen van substantiële wijzigingen die door de medewetgevers worden vastgesteld; onderstreept dat in duidelijke en transparante regels moet worden bepaald onder welke omstandigheden zulke aanvullende effectbeoordelingen nodig zijn; wijst er bijvoorbeeld op dat het Parlement de mogelijke gevolgen voor kmo's van een aantal van zijn amendementen op de twee richtlijnen inzake overheidsopdrachten zorgvuldig heeft beoordeeld; vraagt de Raad – die sinds 2007 geen enkele van zijn eigen amendementen heeft beoordeeld op de effecten ervan – daarom op dit punt beter zijn best te doen;

18.  wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor subsidiariteit niet alleen berust bij de Commissie, de Raad en het Parlement, maar dat er ook een rol is weggelegd voor de nationale parlementen;

19.  wijst erop dat volgens de studie "Smart Single Market Regulation", die is uitgevoerd in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, het Europees Parlement en de Raad nuttige bijdragen zouden kunnen leveren aan de effectbeoordelingen van de Commissie; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze het Parlement en de Raad bij het effectbeoordelingsproces betrokken kunnen worden;

Het raadplegingsproces

20.  wijst erop dat alle EU-instellingen krachtens artikel 11, lid 2, VEU een open, transparante en regelmatige dialoog moeten voeren met representatieve organisaties, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners;

21.  is van oordeel dat de raadplegingsfase altijd een "digital by default"-onderdeel moet omvatten, in het kader waarvan de Commissie probeert een grondig inzicht te krijgen in de gebruikersbehoeften en wat deze betekenen voor het ontwerp van de dienst;

22.  herhaalt zijn standpunt dat raadplegingsprocessen open, transparant en inclusief moeten zijn en moeten worden uitgebreid met suggesties van een hele reeks stakeholders over ontwerpeffectbeoordelingen; vindt dat dit evenzeer belangrijk is voor secundaire wetgeving, die van groot belang is voor de uitvoering van de internemarktregelgeving en daarom meer transparantie en toezicht vereist; beschouwt het douanewetboek van de Unie als een gebied waarop regelmatige raadpleging van de stakeholders de uitvoering van de secundaire wetgeving zou kunnen helpen verbeteren;

23.  neemt kennis van de voorstellen voor een uitgebreidere fase van strategische programmering in het pakket "betere regelgeving", met bijvoorbeeld aanvangseffectbeoordelingen; is evenwel van mening dat er nog te weinig inzicht is in de werkprocessen van de Commissie; vraagt de Commissie om routekaarten waarin beleidsinitiatieven in bepaalde sectoren worden geschetst, meer zichtbaarheid te geven en het gebruik ervan te vergemakkelijken;

24.  acht de input die burgers en bedrijven leveren aan de verschillende diensten die hen kunnen bijstaan, zoals Your Europe en SOLVIT, van groot belang voor het wetgevingsproces, en vraagt de Commissie daarom de gegevens die deze diensten aanleveren, te evalueren en in aanmerking te nemen wanneer de wetgeving in kwestie wordt herzien;

25.  gelooft dat brede, deugdelijke en evenwichtige raadpleging een essentieel onderdeel van het wetgevingsproces is; is van mening dat het openbaar maken van documenten en bewijsstukken, en het uitnodigen van alle stakeholders om effectief aan de beleidsontwikkeling op dit gebied bij te dragen, belangrijke stimulansen zijn voor innovatie en de versterking van de interne markt, met name met betrekking tot de agenda voor de digitale eengemaakte markt;

26.  benadrukt dat kleine bedrijven vaak niet de tijd en middelen hebben om aan regelmatige raadplegingen deel te nemen; meent dat de Commissie gebruiksvriendelijke en innovatie manieren moet vinden om meer naar kmo's en startende ondernemingen te luisteren;

27.  pleit voor een holistische aanpak van de raadpleging van stakeholders, die geen occasioneel gebeuren dient te zijn, maar een continu proces gedurende de hele wetgevingscyclus; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de Commissie om de oprichting van een Europees forum van stakeholders voor betere regelgeving en minder bureaucratie te overwegen;

28.  onderstreept dat deze raadpleging van stakeholders zo inclusief mogelijk moet zijn, en dat met name ook kmo's, micro-bedrijven en middenveldorganisaties moeten worden geraadpleegd;

29.  gelooft dat openbare raadplegingen er toegankelijker en begrijpelijker op zullen worden wanneer zij in alle officiële talen beschikbaar zijn, en dat ook de deelname en de transparantie dan groter zullen zijn;

Uitvoering

30.  gelooft dat de volledige en correcte uitvoering van de internemarktwetgeving van fundamenteel belang is en dat duidelijke, omvattende en multidimensionale indicatoren een nuttige bijdrage zijn opdat de voordelen van de interne markt ten volle merkbaar worden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de targets voor de uitvoering niet altijd worden gehaald; dringt in het bijzonder aan op een volledige en correcte tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn; herinnert eraan dat er nog steeds grote verschillen zijn tussen de lidstaten en de sectoren;

31.  meent dat wanneer de Commissie ernaar streeft minder wetgeving te produceren, er ruimte komt voor meer focus op beleidsinitiatieven, waardoor meer tijd en aandacht kan worden besteed aan het verbeteren van de betrokkenheid van geïnteresseerde stakeholders;

32.  wijst erop hoe belangrijk correlatietabellen zijn om toezicht te houden op een correcte uitvoering; vraagt de lidstaten hun eigen correlatietabellen op te stellen en openbaar te maken;

33.  betreurt het dat, hoewel de Commissie in het wetgevingspakket interne markt een streefcijfer van 0,5 % heeft voorgesteld, een aantal lidstaten nog altijd een achterstand heeft; benadrukt dat niet alleen de formele targets voor omzetting en uitvoering van belang zijn, maar ook de kwaliteit van de omzetting, de uitvoering in de praktijk, en de problemen of uitdagingen die deze in de dagelijkse realiteit voor de stakeholders met zich kunnen brengen;

34.  is van mening dat de voordelen van een volledig functionerende interne markt slechts kunnen worden gerealiseerd als de Commissie en de parlementen samenwerken om lessen te trekken uit de best practices en ervaring bij de uitvoering van de EU-wetgeving, zodat de oogmerken en doelstellingen van specifieke wetgeving niet worden gemist door een slechte of onsamenhangende uitvoering in de verschillende lidstaten;

35.  meent dat er meer duidelijkheid moet komen over "gold-plating" (overregulering) en dat er krachtigere maatregelen nodig zijn om gevallen van "gold-plating" in kaart te brengen, omdat die problemen en extra kosten met zich brengen voor burgers en ondernemingen die wetgeving die haar oorsprong vindt op EU-niveau, proberen te begrijpen en toe te passen; vraagt de lidstaten om in een toelichting bij de uitvoeringswetgeving duidelijk aan te geven wat het resultaat van EU-wetgeving is en wat nationale voorschriften zijn; herinnert eraan dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om strengere normen vast te stellen als de EU-wetgeving slechts in minimale harmonisatie voorziet;

Monitoring en oplossen van problemen

36.  vraagt de Commissie haar inspanningen voort te zetten en de leidraden voor de regelgeving regelmatig te actualiseren; vraagt in het bijzonder dat de leidraden van 2009 voor de toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, in nauwe samenwerking met het Parlement, spoedig worden geactualiseerd om ze aan te passen aan het digitale tijdperk; betreurt het dat de kwaliteit van diensten in de lidstaten sterkt uiteenloopt door een gebrek aan prioritering en middelen; pleit daarom voor een sterker bestuurlijk kader op EU-niveau om de werking van die instrumenten en diensten te verbeteren;

37.  beschouwt alternatieve geschillenbeslechting (ADR) en online geschillenbeslechting (ODR) als belangrijke instrumenten om de interne markt voor goederen en diensten te verbeteren; meent dat consumenten en handelaren hierdoor hun geschillen op kosteneffectieve en eenvoudige wijze kunnen oplossen zonder een beroep op de rechter te hoeven doen; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan deze belangrijke instrumenten beter bekend te maken;

38.  onderstreept dat éénloketsystemen voor geschilbeslechting, in de trant van SOLVIT, ECC-Net en FIN-Net, diensten zijn die de werking van de interne markt helpen verbeteren; verzoekt de Commissie deze diensten beter bekend te maken en ze meer complementair te maken;

39.  is ingenomen met de SOLVIT- en EU-Pilot-projecten, waarmee kan worden vermeden dat de Commissie inbreukprocedures tegen lidstaten moet inleiden; is evenwel van mening dat de diensten die EU-Pilot aanbiedt, moeten worden verbeterd op het punt van de snelheid waarmee op binnengekomen waarschuwingen wordt gereageerd;

40.  is van oordeel dat het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) verder moet worden uitgebreid met andere instrumenten van de interne markt, zodat het een centraal informatieknooppunt kan worden; onderstreept dat dit, in overeenstemming met de recente initiatieven van de Commissie, zou stroken met het "eenmaligheidsbeginsel";

41.  acht digitale platforms zoals Points of Single Contact, IMI en ISA2 belangrijk voor een betere werking van de interne markt, omdat zij de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen de autoriteiten in de lidstaten vergemakkelijken;

42.  maakt zich zorgen over het feit dat de Europeanen weinig weet hebben van de diensten die hun ter beschikking staan, zoals Your Europe, Your Europe Advice, het Europees Netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening, het netwerk voor samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (CPC), de éénloketsystemen, SOLVIT, ADR en ODR;

43.  is van mening dat diensten zoals Uw Europa, Uw Europa – Advies, het Europees Netwerk voor de werkgelegenheid, het SCB-netwerk, de éénloketdiensten, SOLVIT, SOLVIT Plus, ADR en ODR nuttige en goedkope alternatieven vormen voor gerechtelijke stappen; stelt vast dat slechts 4 % van de consumenten en de bedrijven weet hebben van deze instrumenten en dat er momenteel erg weinig van deze diensten gebruik wordt gemaakt; vraagt de Commissie en de lidstaten, om dit probleem te verhelpen, aan verdere bewustmaking over deze instrumenten te werken, en te onderzoeken of de resultaten en respons van deze instrumenten adequaat zijn voor de gebruikers; verzoekt de Commissie voorts te werken aan een betere samenwerking tussen de verschillende assistentiediensten, zoals Uw Europa en SOLVIT, om de tevredenheid van de gebruikers te vergroten;

44.  verzoekt de Commissie grondig na te denken over de interactie tussen deze diensten en te onderzoeken of ze kunnen worden vervangen door één loket voor consumenten, dat de consument zo nodig kan doorverwijzen naar andere instrumenten;

45.  is van oordeel dat deze diensten zo beter kunnen worden afgebakend, zodat hun activiteiten beter van elkaar worden onderscheiden en overlapping wordt voorkomen;

46.  verzoekt de Commissie een communicatie- en opleidingsstrategie te ontwikkelen om deze diensten beter bekend te maken bij de burger en het bedrijfsleven; beveelt in dit verband aan een één portal te ontwikkelen die toegang biedt tot alle assistentiediensten;

47.  is van oordeel dat bij de aanstaande herziening van de regeling voor samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (CPC) ten volle rekening moet worden gehouden met het feit dat de informatiestroom tussen de verschillende instrumenten van de interne markt moet worden verbeterd;

48.  wijst op de belangrijke rol van de "EU-sweeps" van de Commissie als instrument waarmee met name toezicht kan worden gehouden op de goede werking van de digitale eengemaakte markt;

49.  erkent de positieve rol van de "EU-sweeps", waarmee de Commissie is begonnen om de handhaving te verbeteren door gecoördineerde controleacties op het internet; meent dat de "EU-sweeps" ook tot de offlinesector zouden kunnen worden uitgebreid;

50.  stelt met bezorgdheid vast dat er volgens verslagen van "Uw Europa" gebieden zijn waarover voortdurend vragen worden gesteld door mensen die hun rechten proberen uit te oefenen, zoals e-commerce en de erkenning van kwalificaties; vindt dat de Commissie daar samen met de nationale en regionale instanties op moet reageren opdat mensen hun rechten beter begrijpen;

51.  pleit voor een kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de uitvoering – niet alleen van de naakte cijfers over de formele omzetting van richtlijnen – om volledig inzicht te krijgen in wat consumenten en bedrijven werkelijk aan de internemarktwetgeving hebben;

52.  vraagt de Commissie te overwegen of er een "vroegtijdige-waarschuwingssysteem" kan worden ingesteld om problemen met de uitvoering of toepassing van de EU-wetgeving te melden;

53.  gelooft dat een systematische screening van de consumentenmarkten op EU-niveau het mogelijk zou maken ophanden zijnde trends en dreigende ontwikkelingen voor consumenten en bedrijven tijdiger op te merken; wijst in dit verband de positieve rol die alle stakeholders, waaronder consumentenorganisaties, spelen;

54.  verzoekt de Commissie het functioneren van de productcontactpunten waarin de wederzijdse-erkenningsverordening van 2009 en de bouwmaterialenverordening van 2011 voorzien, te evalueren;

Handhaving en markttoezicht

55.  onderstreept de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de instrumenten voor het beheer van de interne markt die klachten van consumenten ontvangen over inbreuken op de EU-wetgeving door handelaren enerzijds en de nationale handhavingsinstanties anderzijds, en wel in de vorm van formele procedures en een betere uitwisseling van gegevens;

56.  vraagt de Commissie een grondige beoordeling te maken van de consistentie en effectiviteit van de uitvoering en – in laatste instantie – inbreukprocedures, met name als het om internemarktwetgeving gaat;

57.  betreurt het dat het Parlement slechts weinig relevante informatie krijgt over inbreukprocedures en de pre-contentieuze fase daarvan, en dringt aan op meer transparantie op dit punt, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels;

58.  vraagt de Commissie tijdig snellere inbreukprocedures in te leiden als er aanwijzingen zijn dat wetgeving niet is uitgevoerd en als redelijke inspanningen om problemen via bemiddeling, ADR, ODR, EU-Pilot of SOLVIT op te lossen, geen resultaat hebben opgeleverd; benadrukt dat de lidstaten evenzeer verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de EU-wetgeving en dat die handhaving effectief en efficiënt moet zijn, om de belangen van de consument te beschermen en overal in Europa een gelijk speelveld voor het bedrijfsleven te creëren;

59.  belooft op dit gebied zijn rol bij de handhaving van de EU-wetgeving te vervullen, onder meer door de uitvoering van de wetgeving te evalueren en toezicht te houden op de Commissie, met name door van de Commissie te verlangen dat zij jaarlijks, of ten minste meer gedetailleerd, verslag uitbrengt over werkprogramma's die specifiek betrekking hebben op handhaving;

60.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 4 februari 2014 over de toepassing van Richtlijn (2005/29/EG)(4) betreffende oneerlijke handelspraktijken de Commissie heeft gevraagd gegevens over de door de lidstaten opgelegde sancties te verzamelen en te analyseren, alsook gegevens over de efficiëntie van hun handhavingsregelingen, met name wat de complexiteit en de duur van de handhavingsprocedures betreft; heeft de Commissie herhaaldelijk gevraagd het Parlement de resultaten van deze analyses mee te delen;

61.  meent dat de markttoezichtsinstrumenten en de internemarktinstrumenten samen moeten worden ingezet om de handhaving van het EU-recht te verbeteren;

62.  wijst er in dit verband op dat de nationale autoriteiten niet altijd correct gebruik maken van het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICMS) en niet altijd tijdig de nodige maatregelen nemen; onderstreept in het bijzonder dat overheden zaken beter aan elkaar moeten doorgeven;

63.  maakt zich zorgen over het feit dat, zoals blijkt uit een steekproef die de Commissie in 2014 heeft uitgevoerd, 60 % van de afgeronde productonderzoeken geen informatie over het land van herkomst bevat, 32 % van de productonderzoeken betreffende machines geen risicoclassificatie bevat en 5 % van de dossiers geen verwijzing bevat naar de EU-verordening en/of -richtlijn waarop inbreuk is gepleegd; verzoekt de Raad en de lidstaten hier grondige aandacht aan te schenken en het Parlement op de hoogte te stellen van de genomen follow-upmaatregelen;

Evaluatie achteraf en herziening

64.  is verheugd over de regelmatige evaluatieperiodes en de invoering van analyses per sector in het kader van het REFIT-programma, dat als hoofddoel moet hebben de kwaliteit van de EU-wetgeving te verbeteren en ze te vereenvoudigen, zodat ze beter beantwoordt aan de behoeften van de burgers en het bedrijfsleven, met bijzondere aandacht voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

65.  is echter van mening dat er beter moet worden geanalyseerd of de tot dusver genomen wetgevingsmaatregelen effectief tot de verwezenlijking van hun oogmerk hebben bijgedragen en of zij nog steeds beantwoorden aan de huidige beleidsdoelstellingen; benadrukt ook hoe belangrijk transparantie voor het REFIT-proces is; gelooft in dit verband dat een doorlopende target voor de vermindering van administratieve rompslomp en regeldruk ervoor kan helpen zorgen dat de oogmerken op de meest efficiënte manier worden bereikt, met zo weinig mogelijk kosten voor mensen en bedrijven;

66.  merkt op dat de cumulatieve kosten van de regelgeving vaak een belemmering vormen voor de deelnemers op de interne markt, en met name voor kmo's; is dan ook verheugd dat de Commissie heeft beloofd deze kwestie te onderzoeken; onderstreept evenwel dat een dergelijke analyse gericht moet zijn op onbelemmerde markttoegang en gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktpartijen;

67.  vraagt de Commissie meer inzicht te verwerven in de factoren die van invloed zijn op de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld het effect van flankerende of tegenstrijdige beleidsmaatregelen op Europees en nationaal niveau, maar ook het effect en de kosten van niets doen, teneinde de beleidsvorming te verbeteren en uiteindelijk bij te dragen tot betere internemarktregelgeving;

68.  is van mening dat uitzonderlijk kan worden overwogen gebruik te maken van horizonbepalingen of strengere herzieningsbepalingen, met name voor tijdelijke verschijnselen, waarbij de instellingen zich ertoe verbinden de wetgeving slechts te actualiseren en te handhaven als dat nodig is; beschouwt waarborgen als een noodzakelijk middel om te voorkomen dat essentiële wetgeving vervalt;

III.Conclusie

69.  benadrukt dat het verbeteren van de internemarktregelgeving niet betekent dat alle regelgeving wordt afgeschaft of dat de regelgeving minder ambitieus moet worden, bv. wat milieubescherming, veiligheid, consumentenbescherming en sociale normen betreft, maar wel dat onnodige regelgeving, bureaucratie en negatieve effecten worden weggenomen en dat tegelijk beleidsdoelstellingen worden verwezenlijkt en een competitief regelgevingsklimaat wordt geschapen dat de werkgelegenheid en het bedrijfsleven in Europa ondersteunt;

70.  benadrukt dat een interne markt die productie, innovatie en handel niet overbelast of tegenwerkt, een instrument is dat banen en groei naar Europa zal terugbrengen die daarvóór buiten Europa te vinden zouden zijn geweest;

71.  benadrukt dan ook dat een gedeelde verantwoordelijkheid voor een verbeterde internemarktregelgeving tot gedeelde voordelen zal leiden, namelijk een sterke en dynamische interne markt die bijdraagt tot de groei op lange termijn in Europa en dus tot de welvaart van de Europese burgers;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 75.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0164.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0063.


Leren over de EU op school
PDF 202kWORD 91k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het leren over de EU op school (2015/2138(INI))
P8_TA(2016)0106A8-0021/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien Besluit nr. 1093/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 over het Europees Jaar van de burger (2013)(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020(3),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(4),

–  gezien de verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (Verklaring van Parijs) van de informele bijeenkomst van 17 maart 2015 van de ministers van Onderwijs van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)" (COM(2015)0408),

–  gezien het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 14 september 2015 over de goedkeuring van het jaarlijkse werkprogramma van 2016 voor de uitvoering van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport (C(2015)6151),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 en 29 november 2011 over een benchmark voor leermobiliteit(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)" (COM(2015)0429),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 april 2009 getiteld "Een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment – Een vernieuwde open coördinatiemethode om op de uitdagingen en kansen voor jongeren in te spelen" (COM(2009)0200),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(7),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(8),

–  gezien zijn resolutie 15 mei 1992 over onderwijs- en opleidingsbeleid met het oog op 1993(9),

–  gezien zijn resolutie van 26 september 2006 over initiatieven om onderwijsprogramma's met passende steunmaatregelen een Europese dimensie te geven(10),

–  gezien zijn resolutie van 23 september 2008 over de verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleiding(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0021/2016),

A.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een publiek goed dat voor iedereen op dezelfde manier toegankelijk moet zijn;

B.  overwegende dat de voornaamste rol van onderwijs is om goed geïnformeerde burgers op te leiden en dus verder gaat dan de verwezenlijking van de economische doelstellingen van de EU en nationale strategieën;

C.  overwegende dat een van de onderwijsdoelstellingen is om mensen voor te bereiden op het leven en actief burgerschap in steeds complexere, veeleisende, multiculturele en geïntegreerde samenlevingen;

D.  overwegende dat volgens een in 2014 uitgevoerde Eurobarometerenquête 44 % van de burgers in de Europese Unie het gevoel heeft dat ze weinig weten over hoe de EU functioneert en dat 52 % van de Europeanen denkt dat hun stem niet meetelt in de EU(12);

E.  overwegende dat slechts 42,61 % van de EU-burgers en 27,8 % van de 18-24-jarigen heeft gestemd bij de vorige verkiezingen voor het Europees Parlement, de laagste opkomst sinds 1979(13);

F.  overwegende dat een gebrek aan kennis over de EU en weinig benul van haar concrete toegevoegde waarde kan bijdragen aan het beeld van een democratisch tekort en kan leiden tot wijdverbreide euroscepsis in de lidstaten en kandidaat-lidstaten; overwegende dat democratische tekorten moeten worden aangepakt om de steeds groter wordende kloof tussen de Europese burgers en de EU-instellingen te dichten;

G.  overwegende dat volgens speciale Eurobarometer 437 uit 2015 een overgrote meerderheid van de Europeanen vindt dat er in schoolvakken en lesmateriaal aandacht moet worden besteed aan verscheidenheid op het vlak van godsdienst of overtuiging, etnische achtergrond, seksuele gerichtheid en genderidentiteit(14);

H.  overwegende dat een groter besef van de voordelen van het Europees beleid, zoals het vrije verkeer van personen en diensten binnen de Unie en EU-mobiliteitsprogramma's, ertoe kan bijdragen dat de burgers het gevoel krijgen deel uit te maken van de EU en dat er gemeenschapszin en acceptatie van een multiculturele en multinationale samenleving ontstaan;

I.  overwegende dat succesvolle onderwijsstelsels en lesprogramma's, in combinatie met meer invloed en een grotere participatie van Europeanen bij de besluitvormingsprocessen van het EU-beleid, meer interesse voor EU-aangelegenheden en een gevoel van begrip en verbondenheid kunnen kweken, en tevens kunnen bijdragen aan de aanpak van sociale verdeeldheid, culturele segregatie en gevoelens van gebrek;

J.  overwegende dat de meerderheid van de lidstaten lessen over de EU in hun onderwijsprogramma's en opleidingsprogramma's voor leerkrachten heeft geïntegreerd; overwegende dat er binnen de lidstaten en tussen de lidstaten onderling nog steeds verschillen bestaan;

K.  overwegende dat in sommige lidstaten EU-onderwerpen slechts een klein onderdeel vormen van het lesprogramma dat een leerkracht moet afwerken, terwijl deze onderwerpen meestal worden onderwezen op verschillende onderwijsniveaus en binnen allerlei vakken die deel uitmaken van het verplichte onderwijs;

L.  overwegende dat de kennis en vaardigheden van leerkrachten en ander onderwijzend personeel over EU-onderwerpen verder moet worden ontwikkeld en bijgehouden via een basistraining en voortdurende bijscholing, en overwegende dat onderwijsinstellingen en leerkrachten daartoe doeltreffende en op maat gemaakte assistentie nodig hebben die is afgestemd op hun speciale behoeften;

M.  overwegende dat volgens "Learning Europe at school" (Europa-lessen op school), een studie die is uitgevoerd door particulier adviesbureau ICF GHK voor DG Onderwijs en Cultuur(15), voornamelijk instellingen en verenigingen buiten het hoger onderwijs betrokken zijn bij het verzorgen van lessen voor leerkrachten over EU-aangelegenheden;

N.  overwegende dat uit de effectbeoordeling over Erasmus, die in 2014 door de Commissie werd gepresenteerd, blijkt welk positief effect er uitgaat van mobiliteit in het onderwijs en de internationalisering van studies, niet alleen op onderwijsprogramma's en inzetbaarheid voor werk, maar ook als het gaat om kennis over Europa, het ontwikkelen van een gevoel van Europees burgerschap en een positieve houding ten opzichte van Europa, en op het stemmen bij Europese verkiezingen;

Een Europese dimensie in het onderwijs

1.  onderstreept het toenemende belang van een Europese dimensie in het onderwijs bij de verschillende onderwijsdisciplines, -niveaus en -vormen en benadrukt daarbij de noodzaak van een breed en verregaand begrip van dit concept, waarbij rekening wordt gehouden met de complexe, dynamische en multidimensionale aard ervan en waarvan EU-lessen op school een cruciaal onderdeel uitmaken;

2.  benadrukt dat een EU-dimensie in het onderwijs essentieel is om burgers te helpen de EU beter te begrijpen – en er opnieuw aansluiting bij te vinden, en dat deze dimensie de rol van de waarden die zijn vastgelegd in artikel 2 VEU kan verdiepen en de stem van de Unie in deze onderling afhankelijke wereld meer gewicht in de schaal kan laten leggen;

3.  benadrukt dat het inzicht in en de verbondenheid met de fundamentele waarden van de Europese Unie moeten worden bevorderd; wijst erop dat de kennis en het begrip van de gemeenschappelijke geschiedenis en waarden van de EU en haar lidstaten cruciaal is voor wederzijds begrip, vreedzaam samenleven, tolerantie en solidariteit, en ook voor het begrijpen van de kernbeginselen van de Europese Unie;

4.  wijst erop dat de EU zichtbaarder en beter geïntegreerd moet zijn in lesmateriaal en buitenschoolse activiteiten, gezien de impact die de EU heeft op het dagelijks leven van haar burgers; is van mening dat lesstof die expliciet verband houdt met de EU aanzienlijke meerwaarde kan bieden aan onderwijsprogramma's en aan de persoonlijke ontwikkeling en groei van leerlingen;

5.  benadrukt de noodzaak om actieve en participatieve onderwijsmethoden te hanteren die zijn afgestemd op de leeftijd, het niveau, de behoeften en belangen van leerlingen, en om de mogelijkheden die worden geboden door informatie- en communicatietechnologie en de media, waaronder de sociale media, volledig te benutten;

6.  onderstreept dat een EU-dimensie in het onderwijs er niet alleen toe moet leiden dat leerlingen kennis vergaren en een gevoel van verbondenheid en vaardigheden op het gebied van Europees burgerschap ontwikkelen, maar ook dat zij kritisch kunnen nadenken over de EU, onder andere door kennis op te doen over de fundamentele waarden van de EU, die zijn gebaseerd op de rechtsstaat en mensenrechten, de bestuurlijke en besluitvormingsprocessen van de EU, en over de manier waarop deze zaken hun eigen lidstaat en participatie aan de democratie beïnvloeden; moedigt het gebruik van door het Europees Jongerenparlement ontwikkelde rollenspelen aan om kinderen en studenten meer inzicht te geven in de Europese processen en ze bewuster te maken van Europese aangelegenheden;

7.  wijst erop dat de EU is gevormd door haar lidstaten, die ieder een unieke geschiedenis en cultuur hebben, en dat de ontwikkeling van de Unie onlosmakelijk verbonden blijft met haar lidstaten; onderstreept tegelijkertijd de bijdrage van verschillende culturen aan de Europese samenlevingen en het Europese erfgoed;

8.  stelt vast dat de EU een enorme impact heeft op de lidstaten, en dat er bij het leren over de EU op school aandacht moet worden besteed aan zowel de rol van de lidstaten bij de ontwikkeling van de EU als aan de invloed die de EU uitoefent op nationale ontwikkelingen;

9.  wijst erop dat de lidstaten en de EU het goede voorbeeld moeten geven aan alle partijen die betrokken zijn bij het doceren en leren over de EU op school, door Europese kernwaarden als sociale inclusie en Europese en internationale solidariteit in de praktijk te brengen;

10.  herinnert eraan dat de mogelijkheden voor initiële en voortdurende, beroepsmatige en levenslange ontwikkeling voor leerkrachten en opleiders moeten worden gewaarborgd, verbeterd en uitgebreid, dat zij de juiste ondersteuning en hulpmiddelen moeten krijgen om een EU-dimensie te kunnen integreren in hun lesmethoden, met name wat betreft onderwijs over geschiedenis en burgerschap, dat er op maat gemaakte leerstrategieën moeten worden uitgevoerd en dat hun lesmethoden moeten worden afgestemd op de behoeften van de leerlingen;

11.  benadrukt dat de meertalige en interculturele competenties van leerkrachten, mobiliteitsmogelijkheden, peer-to-peeronderwijs en de uitwisseling van optimale werkmethoden onder het onderwijzend personeel moeten worden bevorderd en aangemoedigd, bijvoorbeeld door het organiseren van seminars op Europees niveau;

12.  benadrukt de rol van universiteiten bij de voorbereiding en opleiding van zeer gekwalificeerde en gemotiveerde leerkrachten en opleiders; pleit voor aanmoediging en ondersteuning van de maatregelen van de lidstaten om mogelijkheden te bieden voor gespecialiseerde kwalificatievakken op universiteiten, die openstaan en toegankelijk zijn voor ingeschreven studenten en voor actieve leerkrachten en opleiders;

13.  benadrukt het belang en het potentieel van een Europese aanpak van het geschiedenisonderwijs, waarbij wel de bevoegdheden van de lidstaten op dit terrein in het achterhoofd moeten worden gehouden, aangezien bepaalde historische gebeurtenissen doorslaggevend waren voor het ontstaan van de Europese idealen en waarden; verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te bieden aan historische verenigingen en centra voor historisch onderzoek, om hun waardevolle bijdrage aan de Europese geschiedenis en hun rol bij de bijscholing van leraren te benadrukken;

14.  verzoekt het Huis van de Europese geschiedenis met name voor leerlingen en leerkrachten op alle onderwijsniveaus specifieke programma's, instrumenten en activiteiten te ontwikkelen waarmee een overtuigend verhaal kan worden verteld over de Europese integratie en de fundamentele waarden waarop Europa gestoeld is;

15.  roept ertoe op om lessen over het EU-burgerschap en burgerzaken in zowel de huidige als toekomstige lidstaten op korte termijn in een nieuw jasje te steken en te verbeteren, met als doel om leerlingen relevante kennis, vaardigheden en competenties aan te leren met middelen die aansluiten bij hun leeftijd, waardoor zij in staat worden gesteld kritisch te denken en goed onderbouwde en evenwichtige meningen te vormen, hun democratische rechten en verantwoordelijkheden uit te oefenen, diversiteit te waarderen, de dialoog tussen culturen en religies aan te moedigen en actieve en verantwoordelijke burgers te worden;

16.  wijst erop dat een grotere participatie van leerlingen en ouders in het schoolbestuur kan bijdragen aan de bestrijding van discriminatie en de versterking van een duurzame participatiedemocratie en burgerschap, waarbij het vertrouwen en de samenwerking tussen de partijen wordt aangewakkerd; verzoekt onderwijsinstellingen democratisch bestuur in te voeren en de reikwijdte daarvan te vergroten, onder andere door beter te luisteren naar organisaties die studenten vertegenwoordigen, aangezien democratie moet worden aangeleerd en ondervonden;

17.  benadrukt dat de motivatie en de mogelijkheden van leerkrachten en leerlingen om meer over de EU te weten te komen via eigen ervaringen moeten worden vergroot, zoals met bezoeken aan scholen in andere landen, bezoeken aan de Europese instellingen, contacten met EU-ambtenaren, stagemogelijkheden voor studenten bij de EU-instellingen en mediaonderwijs, zoals de Europese Jongerensite, waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en open leermiddelen;

18.  roept ertoe op om volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door de digitale technologie voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdend onderwijs, door middel van digitale lessen en videoconferenties, zodat studenten in aanraking kunnen komen met andere standpunten en benaderingen over hun studierichting;

19.  onderstreept dat het leren van vreemde talen een cruciale rol kan spelen bij het vergroten van het intercultureel bewustzijn en bij het verschaffen van vaardigheden die burgers nodig hebben om te leven en werken in een steeds complexere en meer geglobaliseerde wereld;

20.  benadrukt de cruciale rol van niet-formeel en informeel leren, met inbegrip van jongerenwerk, vrijwilligerswerk, intergenerationeel, gezins- en volwassenonderwijs, en sport als pedagogisch instrument, bij het ontwikkelen van sociale en burgerlijke vaardigheden, competenties en gedragingen en bij het opleiden van verantwoordelijke en actieve Europese burgers; onderstreept dat deze competenties moeten worden erkend en gevalideerd binnen het formele leren en dat er nauwere verbanden moeten worden gelegd tussen formeel, niet-formeel en informeel leren;

21.  pleit voor een interculturele aanpak van het onderwijsbeleid waarmee echte integratie van immigrantenleerlingen op scholen kan worden bewerkstelligd op basis van wederzijdse kennis van verschillende culturen en de totstandbrenging van gedeelde gemeenschappelijke waarden;

De rol van de Unie

22.  spoort de Commissie aan haar steun te blijven verlenen aan inspanningen die gericht zijn op de ontwikkeling en bevordering van een EU-dimensie in het onderwijs en de mobiliteit van de partijen op onderwijsgebied, en om aan de voornaamste belanghebbenden en burgers actief informatie te verstrekken, waaronder informatie over relevante financieringsmogelijkheden en beschikbare onderzoeken en verslagen; moedigt in dit verband een beter gebruik van nieuwe communicatietechnologieën en media aan, waaronder sociale media;

23.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijk kader te bieden en richtsnoeren met concrete voorbeelden op te stellen voor EU-lessen om objectief en kritisch denken over de voordelen van de Europese Unie voor haar burgers te stimuleren, maar daarbij wel de bevoegdheid van de lidstaten op het vlak van onderwijs en opleiding te eerbiedigen;

24.  verzoekt de Commissie verder onderzoek aan te moedigen om zich ervan te vergewissen hoe de EU wordt behandeld in de lesstof op scholen in heel Europa, hoe de EU voorkomt in onderwijsprogramma's en examens, en a) of leerkrachten en opleiders voldoende toegang hebben tot relevante EU-programma's en maatregelen voor professionele ontwikkeling, een leven lang leren en platformen voor de uitwisseling van optimale werkmethoden, en b) dat gefinancierde maatregelen om efficiënte EU-lessen op school in het onderwijsprogramma op te nemen uiteindelijk impact hebben op scholen;

25.  verzoekt de Commissie netwerken aan te moedigen, te ondersteunen en te bevorderen die betrokken zijn bij en steun bieden aan EU-lessen op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsmede het op het niveau van de Unie uitwisselen van optimale werkmethoden tussen deze netwerken, en terreinen aan te duiden waarop verbetering nodig is;

26.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaten mogelijk te maken wat betreft de EU-dimensie van onderwijs en de bestrijding van discriminatie en vooroordelen in de onderwijssfeer, onder andere door de evaluatie van lesmateriaal en het beleid tegen pesten en discriminatie;

27.  onderstreept de belangrijke rol van Erasmus+, Europa voor de burger en Creatief Europa bij de bevordering van onderwijs en opleidingen, taalvaardigheden, actief burgerschap, cultureel bewustzijn, intercultureel begrip en andere waardevolle sleutel- en transversale competenties; beklemtoont het belang van deze programma's voor het versterken van het Europees burgerschap en de noodzaak voor meer en adequate financiële steun voor deze programma's, een grotere nadruk op de kwalitatieve resultaten daarvan en een bredere toegang tot mobiliteit, met speciale aandacht voor leerkrachten en andere opleiders, jongeren met uiteenlopende sociaal-economische achtergronden, kwetsbare en achtergestelde groepen en mensen met speciale behoeften;

28.  herinnert aan het grote scala aan acties dat wordt aangeboden in het Erasmus+-programma, en de populariteit en erkenning daarvan door het grote publiek, vooral met betrekking tot de mobiliteit van studenten als onderdeel van hun studie; verzoekt de Commissie en de lidstaten bewustzijn te kweken voor de elementen van het Erasmus+-programma die minder bekend zijn, zoals de Europese vrijwilligersdienst;

29.  is ingenomen met het werkprogramma van de Commissie voor 2016 ten aanzien van de uitvoering van het Erasmus+-programma, en haar toezegging om concrete stappen te ondernemen als opvolging van de Verklaring van Parijs, met name stappen die gericht zijn op een grotere impact van Erasmus+ op de bevordering van actief en democratisch burgerschap, interculturele dialoog, sociale inclusie en solidariteit, met inbegrip van meer steun voor organisaties van het maatschappelijk middenveld bij de essentiële rol die ze spelen in het onderwijs over burgerschap;

30.  verzoekt de Commissie de pedagogische aspecten van projecten die worden gefinancierd door middel van de Jean Monnet-projecten te versterken, en beter in te spelen op de behoeften van scholen door ervoor te zorgen dat scholen zich rechtstreeks kunnen aanmelden en door financiering aan te bieden voor een langere periode, bijvoorbeeld drie jaar, in overeenstemming met de manier waarop de Jean Monnet-modules worden gefinancierd; verzoekt de Commissie de Jean Monnet-modules beschikbaar te stellen voor lerarenopleidingen en deze instellingen aan te sporen ze in hun programma's op te nemen;

31.  constateert dat de Unie momenteel een crisis doormaakt in haar democratische legitimiteit, niet alleen omdat Europeanen te weinig weten van de EU-mechanismen, maar ook omdat ze niets meer te zeggen hebben in de besluitvormingsprocessen; benadrukt dat de Unie voor het behoud van haar legitimiteit de teloorgang van haar democratische structuren een halt moet toeroepen en de banden met haar burgers weer moet aanhalen;

32.  verzoekt de Commissie het programma "Europa voor de burger" op een efficiënte manier ten uitvoer te leggen om de doelstellingen van een democratische en inclusievere samenleving te halen, met een grotere burgerparticipatie in het besluitvormingsproces;

33.  verzoekt de Commissie nauwlettend te controleren welke invloed de EU-programma's hebben op de ontwikkeling van het gevoel van burgerschap en burgerlijke participatie onder de deelnemers;

34.  verzoekt de Commissie de virtuele platformen eTwinning, EPALE en School Education Gateway verder te ontwikkelen en in zo breed mogelijke kring aan te prijzen, en andere digitale platformen zoals Teachers' Corner verder te blijven ondersteunen en ontwikkelen, teneinde de toegang te vergemakkelijken tot hoogwaardig, gebruiksvriendelijk en actueel onderwijsmateriaal dat nuttig is bij de EU-lessen en beschikbaar is in alle EU-talen;

35.  verzoekt de Commissie een kritische evaluatie uit te laten voeren van het materiaal dat momenteel beschikbaar is op het platform Teachers' Corner door opleiders die zelf lesgeven en door academici die gespecialiseerd zijn in Europese studies, om de kwaliteit en de toepasselijkheid ervan te waarborgen;

36.  benadrukt de rol die de informatiebureaus van de Europese instellingen spelen, en is ingenomen met hun toewijding voor betere betrekkingen met de lidstaten, met nationale, regionale en lokale onderwijsinstellingen en met jongerenorganisaties en de media, om ze nader tot elkaar te brengen en ervoor te zorgen dat jongeren begrijpen welke rol de instellingen spelen in hun dagelijks leven;

37.  pleit voor een open en gezamenlijk debat tussen de Commissie en steden, en lokale en regionale instanties, over het verband tussen schoolsystemen en stedelijke modellen, als een manier om te begrijpen welke gevolgen de verschillende benaderingen van interculturele betrekkingen in Europa vandaag de dag hebben;

38.  spoort de Commissie aan EU-lessen op school te stimuleren als aanbeveling die zo snel mogelijk aan de orde moet komen in de onderhandelingsprocessen met kandidaat-lidstaten van de EU;

De rol van de lidstaten

39.  spoort de lidstaten aan hun onderwijsstelsels – en alle vormen van EU-gerelateerd lesmateriaal op ieder onderwijsniveau, waaronder beroepsonderwijs en -opleidingen – te ondersteunen, te herzien en bij te werken, met als doel om in nauwe samenwerking met alle relevante betrokkenen op EU- en nationaal niveau de EU-dimensie te versterken, waarbij zij regionale en lokale instanties stimuleren hetzelfde te doen, vooral als deze beschikken over rechtstreekse bevoegdheden op het vlak van onderwijs;

40.  spoort de lidstaten aan alle mogelijkheden om via formeel, niet-formeel en informeel leren meer informatie over de EU over te brengen op leerlingen en leerkrachten en andere opleiders te ondersteunen, en de financiële instrumenten, programma's en initiatieven van de EU op dit gebied volledig te benutten en aan te vullen;

41.  verzoekt de lidstaten verdere stappen te ondernemen ter bevordering van interculturele, non-discriminatoire en inclusieve onderwijsmethoden en burgerschapswaarden in de onderwijsprogramma's van scholen en universiteiten;

42.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in kwalitatief hoogstaand onderwijs, onder andere door intensievere partnerschappen aan te gaan met de particuliere sector, gelijke kansen voor iedereen te bevorderen, en alle onderwijsinstellingen en opleidingsinstituten, evenals leerkrachten en andere opleiders, de nodige ondersteuning te bieden zodat ze een EU-dimensie kunnen aanbrengen en voortdurend ontwikkelen in het onderwijs vanaf jonge leeftijd, die verder gaat dan het klaslokaal;

43.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle leerlingen gelijke en inclusieve toegang hebben tot innovatieve en kwalitatief hoogwaardige formele en niet-formele vormen van onderwijs en tot de mogelijkheden voor levenslang leren; verzoekt de lidstaten in dit verband om het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid van 2008 goed te keuren, waarmee bescherming kan worden geboden tegen discriminatie in het onderwijs op deze gronden;

44.  verzoekt de lidstaten het inburgeringsproces van migranten, vluchtelingen en geloofsgemeenschappen op een respectvolle en emanciperende manier te laten verlopen en ervoor te zorgen dat ze kunnen deelnemen aan het maatschappelijk en cultureel leven;

45.  verzoekt de lidstaten hoogwaardige trainingen over EU-onderwerpen aan te moedigen en mogelijk te maken voor leerkrachten, ander onderwijzend personeel, jongerenleiders en trainers, onder andere door ze een deel van hun opleiding in een andere lidstaat te laten volgen, en door te zorgen voor de erkenning van hun bevoegdheid om les te geven over de EU, bijvoorbeeld door een label "eurodocent" te ontwerpen en te promoten;

46.  is van mening dat de lidstaten, in overleg en samenwerking met de betrokken partijen op onderwijsgebied, op zoek moeten gaan naar mogelijkheden om ideeën en voorbeelden van optimale werkmethoden uit te wisselen op het gebied van de opname van een EU-dimensie in hun eigen onderwijsprogramma, onder andere om de kennis en het begrip onder jongeren over het proces van de totstandkoming van het EU-burgerschap en de EU-instellingen aan te wakkeren, waarbij ze de Unie als een integraal onderdeel van hun leefomgeving kunnen beschouwen dat ze kunnen en eigenlijk moeten vormgeven;

47.  dringt er bij de lidstaten op aan de sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld, en dan met name jongerenorganisaties, te erkennen en te ondersteunen bij het op structurele en duurzame wijze verkleinen van de kloof tussen de EU-instellingen en de Europese burgers en bij de bevordering en versterking van hulpmiddelen op het vlak van participatie en directe democratie;

o
o   o

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB L 325 van 23.11.2012, blz. 1.
(3) PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3.
(4) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(5) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(6) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 31.
(7) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(8) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(9) PB C 150 van 15.6.1992, blz. 366.
(10) PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 100.
(11) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 12.
(12) Standaard Eurobarometer 81, voorjaar 2014: "Publieke opinie in de Europese Unie" (http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb81/eb81_publ_en.pdf), blz. 117 en 131.
(13) http://www.eprs.sso.ep.parl.union.eu/lis/lisrep/13-EPRS-publications/2015/COMM_STUD_558351_UpdateReview-EN.pdf, blz. 43-45.
(14) Speciale Eurobarometer 437, 2015: "Discriminatie in de EU in 2015" (http://ec.europa.eu/COMMFrontOffice/PublicOpinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/68004), blz. 100.
(15) http://www.eupika.mfdps.si/Files/Learning%20Europe%20at%20School%20final%20report.pdf.


Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren
PDF 308kWORD 112k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren (2015/2257(INI))
P8_TA(2016)0107A8-0049/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 165 en 166,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

–  gezien de verklaring van Kopenhagen van 30 november 2002 betreffende intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding,

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van een Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(2),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport(4),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(5),

–  gezien Beschikking 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass)(6),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 getiteld "Jeugd in beweging – de leermobiliteit van jongeren bevorderen"(7),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(8),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(9),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(10),

–  gezien de verschillende instrumenten voor de erkenning van vaardigheden, zoals het Europese kwalificatiekader (EKK), het Europese puntenoverdrachtsysteem (ECTS), het Europees systeem van studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet) en het ESCO-project (Europese vaardigheden/competenties, kwalificaties en beroepen),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2012 getiteld "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien het verslag van 28 januari 2014 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van een Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (COM(2014)0030),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,

–  gezien de verklaring van de voor beroepsonderwijs en -opleiding bevoegde ministers van 22 juni 2015 over een nieuwe reeks doelstellingen voor de middellange termijn op het gebied van beroepsonderwijs en beroepsopleiding voor de periode 2015-2020,

–  gezien de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs, die werd goedgekeurd tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU op 17 maart 2015 in Parijs (8496/15),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0049/2016),

A.  overwegende dat leer- en opleidingsmobiliteit belangrijk is voor persoonlijke ontwikkeling, de maatschappelijke integratie van jongeren, multiculturele dialoog, tolerantie, het vermogen om in een interculturele omgeving te werken en actief burgerschap en duidelijk kan bijdragen tot kwalitatief goed onderwijs en meer kansen op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat leer- en opleidingsmobiliteit verder moet worden geïntensiveerd in de context van zowel de huidige als volgende EU-programma's op het gebied van onderwijs en opleiding, werkgelegenheid en cohesiebeleid;

C.  overwegende dat de voor beroepsonderwijs en -opleiding bevoegde ministers van de EU in 2002 de aanzet gaven tot het "proces van Kopenhagen" met als doel de Europese samenwerking op dit vlak te versterken ter verbetering van de prestaties, de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding (BOO) in Europa;

D.  overwegende dat het proces van Kopenhagen gebaseerd is op gezamenlijk vastgestelde prioriteiten die periodiek worden herzien, waarbij er onder meer naar gestreefd wordt om mobiliteit te vergemakkelijken en de benutting van verschillende beroepsopleidingsmogelijkheden in de context van een leven lang leren te bevorderen;

E.  overwegende dat volgens Eurostat de werkloosheid in de EU in 2014 nog altijd 10,2 % bedroeg, ondanks het feit dat er sprake is van een langzaam herstel; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU momenteel 22,1 % bedraagt, dat slechts 51 % van de leeftijdsgroep van 55 tot 64 jaar werkt en dat de genderkloof in de arbeidsparticipatie van oudere werknemers 13,6 procentpunt bedraagt;

F.  overwegende dat niet-formeel en informeel leren en beroepsopleiding een belangrijke bijdrage moeten leveren bij de aanpak van de huidige uitdagingen in een leven lang leren, zoals voortijdig schoolverlaten, onaanvaardbare aantallen jongeren zonder scholing, werk of stage (NEET's) en een tekort aan bepaalde vaardigheden en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden;

G.  overwegende dat vaardigheden nog steeds niet goed zijn afgestemd op de arbeidsmarkt, zoals blijkt uit het grote aantal vacatures dat wordt gerapporteerd in de economische najaarsprognose 2015 van de Commissie;

H.  overwegende dat de talenkennis in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding beperkter is en specifiek gestimuleerd moet worden;

I.  overwegende dat nogmaals de politieke toezegging moet worden gedaan om steun te verlenen aan het EU-optreden inzake een leven lang leren en beroepsonderwijs en ‑opleiding, met name door middel van mobiliteitsmaatregelen die gericht zijn op de ontwikkeling van transversale competenties zoals aanpassingsvermogen, nieuwsgierigheid, leren leren, en interpersoonlijke en maatschappelijke vaardigheden;

J.  overwegende dat de recente sociaal-economische ontwikkelingen duidelijk hebben gemaakt dat de stelsels voor een leven lang leren en beroepsonderwijs en -opleiding niet alleen efficiënter moeten worden, maar ook gemakkelijker toegankelijk en opener voor benadeelde groepen en personen met bijzondere behoeften; overwegende dat een bredere toegang tot onderwijs niet mag worden gerealiseerd ten koste van de onderwijskwaliteit;

K.  overwegende dat permanente financiële steun voor mobiliteitsmaatregelen en ‑activiteiten in verband met een leven lang leren en beroepsonderwijs en -opleiding van cruciaal belang is, met name in de huidige periode van economische crisis;

L.  overwegende dat het regionale en lokale niveau uiterst belangrijk is voor het ondersteunen van initiatieven om nieuwe wegen inzake mobiliteit te verkennen teneinde de doeltreffendheid, transparantie en kwaliteit van de fondsen en programma's voor beroepsonderwijs en -opleiding te verzekeren; overwegende dat de op regionaal en lokaal niveau bevorderde mobiliteit van jongeren en leerlingen in beroepsonderwijs en ‑opleiding moet worden gecoördineerd in een breed proces van democratisch en participatief bestuur dat erop gericht is de belangrijkste sociaal-economische en milieugerelateerde kwesties aan te pakken, in samenspraak met micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, startende ondernemingen, lokale gemeenschappen en sociale partners;

M.  overwegende dat ondernemers, kamers van koophandel en industrie en soortgelijke beroepsorganisaties voor ambachtelijke beroepen en landbouwers, alsook vakbonden en andere betrokken sociale partners actief moeten worden betrokken bij de opzet, organisatie, verstrekking en financiering van beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van mobiliteit; overwegende dat bij de concipiëring van beroepsonderwijs en ‑opleiding een sociale dimensie in aanmerking moet worden genomen om rekening te houden met aspecten als eerlijke handel, maatschappelijk ondernemerschap, en alternatieve bedrijfsmodellen zoals coöperaties, en dat een en ander moet worden georganiseerd met relevante partners op deze terreinen;

N.  overwegende dat de mobiliteit van jongeren moet worden aangemoedigd om hun inzetbaarheid te vergroten, maar niet als de enige oplossing voor jeugdwerkloosheid mag worden gezien;

De balans opmaken en de centrale uitdagingen onderkennen

1.  is van mening dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een collectief goed dat voor iedereen op dezelfde manier toegankelijk moet zijn; verzoekt de EU en de lidstaten alle sociaal-economische beperkingen aan te pakken die verhinderen dat iedereen gelijke toegang heeft tot mogelijkheden inzake beroepsonderwijs en -opleiding, waaronder mobiliteit; erkent dat de bestaande mobiliteitsprogramma's en -initiatieven inzake beroepsonderwijs en -opleiding een grotere rol moeten spelen en meer resultaten moeten opleveren op het vlak van toegankelijkheid, openheid en inclusiviteit, om een gepersonaliseerde benadering van onderwijs te bevorderen, het aantal voortijdige schoolverlaters terug te dringen, en gelijke toegang tot Erasmus+-mobiliteitsacties te waarborgen voor benadeelde groepen en personen met bijzondere behoeften; benadrukt daarom de behoefte aan een flexibele, gediversifieerde en op maat gesneden waaier aan mobiliteitsopties voor opleiding, waarbij ook aandacht blijft uitgaan naar de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, voor mensen met een migrantenachtergrond of uit economisch achtergestelde gezinnen, lerenden uit afgelegen regio's, personen met een handicap en mensen met andere specifieke behoeften;

2.  stelt dat bij de behandeling van mobiliteit en onderwijs een genderperspectief voor ogen moet worden gehouden en rekening moet worden gehouden met de behoeften van mensen die onder meervoudige vormen van discriminatie lijden, met inbegrip van personen met een handicap, LGBTI's en mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen; roept vanuit dit oogpunt op tot verdere maatregelen om Erasmus+-mobiliteitsacties toegankelijker te maken voor mensen uit kansarme groepen of met bijzondere behoeften;

3.  spoort de Commissie, de lidstaten en de meest essentiële belanghebbenden aan om de zichtbaarheid van programma's voor beroepsonderwijs en -opleiding te vergroten teneinde culturele barrières weg te nemen en het verschijnsel van een gebrek aan motivatie, aan een proactieve houding en aan taalvaardigheden te bestrijden, met name in de gebieden met de hoogste jeugdwerkloosheid; vindt dat gewaarborgd moet worden dat deze programma's zonder discriminatie toegankelijk zijn voor alle burgers; vindt dat gericht aandacht moet worden besteed aan groepen die een grote kans op werkloosheid hebben, zoals mensen met een handicap; dringt erop aan de toegang tot beroepsonderwijs en -opleiding en kwalificaties te vergemakkelijken door de aanpasbaarheid van leertrajecten en regelingen, alsook het opleidingsaanbod voor groepen met ontoereikende basisvaardigheden en voor werknemers met een laag of middelhoog opleidingsniveau te stimuleren; herinnert eraan dat bij de toegang tot dergelijke ervaringen rekening moet worden gehouden met het genderevenwicht, in de context van een efficiënte bevordering van mobiliteitsprogramma's voor beroepsonderwijs en -opleiding onder vrouwen; is in dit verband van mening dat er ambitieuze doelstellingen moeten worden vastgesteld en dat moet worden toegezien op de vorderingen;

4.  wijst op de genderkloof in het onderwijs, de vaardigheden en de werkgelegenheid in de STEM-sector (natuurwetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen, wiskunde) in de hele EU en verzoekt de Commissie en de lidstaten zich volledig in te zetten voor Erasmus+ en dit mechanisme aan te grijpen als belangrijke mogelijkheid om het onderwijs in STEM-vakken in die zin te ontwikkelen dat vrouwen betere carrièrekansen in de STEM-sector krijgen, zodat de bestaande vaardighedenkloof op dit terrein wordt verkleind;

5.  benadrukt het belang van een gemeenschappelijke Europese onderwijsruimte met een sterke mobiliteitscomponent, die niet alleen betrekking heeft op het hoger onderwijs, maar ook op beroepsonderwijs en -opleiding en die een bijdrage levert aan de totstandbrenging en ontwikkeling van een sterkere Europese identiteit en sterker burgerschap;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om de doelstellingen van de Europese onderwijs- en opleidingsstrategie voor 2020 te verwezenlijken; is van mening dat in het kader van mobiliteit rekening moet worden gehouden met het aspect van permanente bij- en nascholing, aangezien dit een essentieel element is voor de verbetering en de actualisering van vaardigheden en deskundigheid; beklemtoont dat een leven lang leren en beroepsonderwijs en -opleiding cruciaal zijn om langdurig werklozen betere arbeidsperspectieven te bieden;

7.  vindt dat de voormelde samenwerking moet leiden tot een herziening van de vereisten om na te gaan of deze nog steeds relevant zijn wat betreft duur, inhoud, bekwaamheden en opleidingsresultaten, waarbij de mobiliteit voor zowel opleidingscentra als op de werkplek wordt gecombineerd en voorrang wordt verleend aan ervaringsplaatsen voor langere duur (bijvoorbeeld zes maanden) boven plaatsen voor een kortere termijn;

8.  merkt op dat de middelen voor Erasmus+ en de BOO-mobiliteitsprogramma's niet evenredig zijn aan het aantal geïnteresseerden in de door deze programma's geboden mobiliteit of aan hun behoeften, en roept de lidstaten dan ook op bilaterale overeenkomsten te ondersteunen die de door Erasmus+ en de Europese BOO-mobiliteitsprogramma's bevorderde acties aanvullen, teneinde de mobiliteit van de Europese jongeren te versterken;

9.  erkent de belangrijke rol en resultaten van de bestaande mobiliteitsprogramma's en ‑initiatieven, zoals kernactie 1 van Erasmus+, Europass, het Europees systeem van studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet) en het Europees kwalificatiekader (EKK); verzoekt de Commissie een "Europese elektronische studentenkaart" in het leven te roepen die in de context van mobiliteit de status van Europese student zou verlenen en toegang tot diensten zou bieden;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten alsook bij EU-agentschappen zoals Cedefop op aan maatregelen te nemen om de BOO-mobiliteitsprogramma's te verbeteren zodat ze alle deelnemers meerwaarde bieden op het gebied van kwalificaties, erkenning en inhoud, en ervoor te zorgen dat er kwaliteitsnormen worden ingevoerd voor stages;

11.  wijst erop dat de mobiliteitsinitiatieven niet alleen bijdragen tot een versterking van de maatschappelijke waarden van de deelnemers en hun gevoel bij Europa te horen, maar ook tot een verbetering van hun academische vaardigheden en kansen op een baan, en meer in het bijzonder de vaardigheden die verband houden met het oplossen van problemen, planning en structurering, het reageren op en zich aanpassen aan nieuwe situaties, ondernemerschap, leiderschap en besluitvorming, maatschappelijke verantwoordelijkheid, kennis van vreemde talen, communicatie en werken in teamverband, alsmede persoonlijke eigenschappen die van invloed zijn op hun inzetbaarheid, zoals zelfvertrouwen, motivatie, nieuwsgierigheid, kritisch en creatief denkvermogen en assertiviteit;

12.  benadrukt dat de uitvoering van mobiliteit in het kader van Erasmus+ moet worden vergemakkelijkt door maatregelen te nemen om het percentage succesvolle aanvragen te verhogen, het ontwerp en het gebruik van elektronische apparatuur voor het mobiliteitsbeheer te vereenvoudigen, de waarde van mobiliteitsprogramma's onder de aandacht te brengen in alle algemene en beroepsonderwijsinstellingen in de Unie, en doelgerichtere informatie en opleiding te verstrekken aan de begunstigden en tussenpersonen van de programma's en acties, met inbegrip van (hoge)schoolpersoneel; benadrukt in dit verband het belang van de bijdrage van EuropeanSchoolNet; verzoekt de Commissie de bestaande buitensporige en al te ingewikkelde administratieve lasten voor aanvragers en voor de uitsturende en ontvangende bedrijven en instellingen in het kader van Erasmus+-projecten te verminderen alsmede de aanvraag-, registratie- en verslagleggingsprocedures te vergemakkelijken en te vereenvoudigen; wijst er bovendien op dat overmatige administratieve rompslomp in de betrokken scholen en hogeronderwijsinstellingen een belemmering vormt voor de eenvoudige uitvoering van het programma;

13.  verzoekt de Commissie regelingen in het leven te roepen om de taalkundige en culturele barrières voor de organisatie van mobiliteitsprogramma's te verminderen; is van mening dat deze regelingen de mogelijkheid moeten bieden om de vorderingen bij de uitvoering te beoordelen; benadrukt dat de regelingen met name het aanleren van de grondbeginselen van de taal van het gastland moeten ondersteunen; spoort de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten ertoe aan de specifieke leerbehoeften van leerkrachten en opleiders in beroepsonderwijs en -opleiding te onderzoeken, de uitwisseling van goede praktijken aan te moedigen en te ondersteunen, en hen meer bijscholingsmogelijkheden te bieden; acht het belangrijk dat er een basisopleidingsmodel wordt ontwikkeld waarmee informatie kan worden verstrekt over de hoofdkenmerken van de bedrijfs- en arbeidscultuur van het land van bestemming, en dat de opleidingscentra specifieke opleidingsprogramma's voor onderwijzend personeel in het kader van mobiliteitsbeheer bevorderen en aanbieden;

14.  wijst erop dat beroepen die verband houden met beroepsonderwijs en -opleiding overal kunnen worden uitgeoefend en dat mobiliteit in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding een sleutelelement is in de strijd tegen de werkloosheid, daar het de inzetbaarheid verbetert, de vaardighedenkloof helpt te verkleinen en afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt vergemakkelijkt, met name voor jongeren, en daarnaast vaardigheden en een unieke vorm van ervaring oplevert die nodig zijn om op de huidige arbeidsmarkt in de EU concurrerend te kunnen zijn; is van oordeel dat Erasmus+ bijdraagt tot de ontwikkeling van specifieke beroepsvaardigheden en transversale en overdraagbare vaardigheden zoals ondernemerschap, en tevens de kansen voor participatie van de productiesector vergroot, waardoor het programma een doeltreffend instrument voor de arbeidsmarkt is;

15.  benadrukt dat de herkenbaarheid van de merknamen en logo's in verband met Erasmus+ en de bijbehorende subprogramma's erg belangrijk is; vindt dat deze merknamen met name voor Erasmus+-publicaties en -brochures moeten worden gebruikt;

16.  vreest dat Erasmus+ door veel jongeren voornamelijk als programma voor studenten in het hoger onderwijs wordt gezien; beveelt derhalve aan op Europees, nationaal en regionaal niveau meer de nadruk te leggen op het zichtbaarder maken van de verschillende terreinen en de subprogramma's op elk terrein, zoals schoolopleiding (Comenius), hoger onderwijs (Erasmus), internationaal hoger onderwijs (Erasmus Mundus), beroepsonderwijs en -opleiding (Leonardo da Vinci) en volwassenenonderwijs (Grundtvig), alsook jeugd (Jeugd in actie) en sport;

17.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening de bekendheid van Erasmus+ en andere instrumenten voor de bevordering van mobiliteit in beroepsonderwijs en -opleiding te vergroten, met name onder kmo's; is van oordeel dat maximalisering van de doeltreffendheid van deze instrumenten ertoe zal leiden dat meer mensen gebruik kunnen maken van deze mogelijkheden, waardoor het doel van mobiliteit wordt bereikt;

18.  benadrukt dat bedrijven en diensten, zowel in de particuliere als in de openbare sector, met inbegrip van de productiesector (met name kmo's en microbedrijven), moeten worden geraadpleegd en/of betrokken bij het ontwerpen, afbakenen, uitvoeren en ondersteunen van BOO-mobiliteitsprogramma's van hoge kwaliteit; is van mening dat bij de selectie van programma's rekening moet worden gehouden met de arbeidskansen in de ontvangende bedrijven en organisaties; denkt dat een flexibel en constructief partnerschap op basis van dialoog, samenwerking en gebruik van optimale methodes met de deelname van alle belanghebbenden het succes en de meerwaarde van beroepsonderwijs en -opleiding zullen waarborgen; is van mening dat uitwisseling van kennis en optimale methodes tussen opleidingscentra en bedrijven eveneens noodzakelijk is; verzoekt de Commissie om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in de EU alsook de geografische en arbeidsmobiliteit te monitoren teneinde in te spelen op de behoeften van de arbeidsmarkt; denkt dat dit de kloof tussen enerzijds het opleidingsaanbod en de vooruitzichten voor jongeren in het bedrijfsleven en anderzijds de behoeften van de markt in sectoren met een meerwaarde (bijvoorbeeld de digitale en de groene economie, energie, defensie, de zorgsector en woningrenovatie) zal verkleinen;

19.  onderstreept de centrale aspecten die in aanmerking moeten worden genomen bij de voorbereiding van mobiliteitsacties en de beoordeling van de uitvoering ervan, namelijk: de economische mogelijkheid van studenten om aan een mobiliteitsactie deel te nemen; de grensoverschrijdende erkenning van studies, competenties en kwalificaties alsmede de opleidingsinhoud via studiepunten dan wel certificaten; het niveau van de talenkennis; de organisatie van de curricula of studies; de praktische waarde van studiepunten en examens van studenten nadat zij naar hun eigen universiteit zijn teruggekeerd; juridische aspecten; informatie of motivatie om opleidingen af te ronden; begeleiding en advies tijdens de hele mobiliteitsperiode; en de persoonlijke situatie van de studenten; verzoekt de Commissie daarom de indicatoren en beoordelingscriteria te verbeteren zodat de doeltreffendheid van EU-programma's regelmatiger kan worden gecontroleerd en eventueel noodzakelijke verbeteringen kunnen worden aangebracht;

20.  wijst erop dat momenteel slechts 1 % van de jongeren in werkgerelateerde opleidingsactiviteiten, waaronder stagiairs, tijdens hun opleiding deelnemen aan mobiliteitsregelingen; wijst erop dat het absoluut noodzakelijk is de voorwaarden te scheppen voor een grotere mobiliteit van leerlingen in de EU, om hen dezelfde kansen te bieden als studenten in het hoger onderwijs; moedigt de EU daarom aan een statuut van de "Europese leerling" vast te stellen; roept de EU en haar lidstaten ertoe op te waarborgen dat leer- en stageplaatsen opleidingsmogelijkheden blijven die niet als een vorm van precaire arbeid worden gebruikt, geen voltijdse banen vervangen, en geen loopje nemen met waardige arbeidsomstandigheden en de rechten van studenten, met inbegrip van hun financiële en salarisgebonden rechten; spoort de Commissie voorts ertoe aan de gevolgen van het voormelde statuut te analyseren, de uitvoering van de daarmee samenhangende maatregelen in de gaten te houden, alle daarbij betrokken belanghebbenden, inclusief die van de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen, ertoe aan te zetten haar aanbevelingen te volgen om de voorwaarden, de kwaliteit en de beschikbaarheid van leerlingplaatsen in de EU te verbeteren, en dit als een strategische prioriteit te beschouwen;

21.  verzoekt de Commissie om een – door de lidstaten te steunen – voorstel in te dienen voor een EU-regeling voor stages die stagiairs en BOO-studenten een aantal rechten garandeert; wijst op de positieve rol die ervaren werknemers kunnen spelen in onderwijs en opleiding voor jongeren, met het doel te zorgen voor een maximale intergenerationele uitwisseling op basis van stages en mentorschap en door het bevorderen van op ervaring gebaseerd leren in intergenerationele teams; roept de Commissie en de lidstaten op concrete maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat stages in het kader van Erasmus+ niet worden misbruikt als middel om de arbeidskosten te drukken;

22.  is ingenomen met de lancering van proefprojecten en met het recent goedgekeurde "Europees kader voor mobiliteit van leerlingen", die een uitgangspunt vormen voor verbeteringen in het Erasmus+-programma teneinde voor de lange termijn meer en betere BOO-mobiliteit mogelijk te maken; dringt aan op de vaststelling van een kader voor langetermijninitiatieven en niet alleen van projectmatige acties, om een volledig operationeel permanent en duurzaam systeem tot stand te brengen dat voorspelbaar is en het vrije verkeer van vaardigheden in Europa bevordert;

23.  merkt op dat voortijdig schoolverlaten een van de meest in het oog springende problemen is waarmee de doelgroepen van mobiliteit te maken hebben, en dat betere keuzemogelijkheden in het beroepsonderwijs tot minder uitvallers in onderwijs en opleiding leiden; beklemtoont daarom hoe belangrijk de resultaten van onderwijsstelsels kunnen zijn bij het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het verbeteren van de transversale vaardigheden van studenten, die op termijn zullen helpen om hun kwalificaties te laten aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt;

24.  beklemtoont dat het zaak is jongeren in het beroepsonderwijs oplossingen voor hun problemen te helpen vinden door middel van bepaalde aanvullende en flankerende maatregelen, zoals het versterken van het groepskarakter van de mobiliteitsregelingen, beter mentorschap en betere begeleiding door de instellingen van herkomst en van ontvangst vóór en tijdens hun mobiliteit, verbetering van de toegang tot hoogwaardige informatie over mogelijkheden inzake beroepsonderwijs en -opleiding, het aanbieden van gespecialiseerde begeleiding en advies en de nodige hulpmiddelen daarvoor, en het financieren van taalkundige ondersteuning voor alle deelnemers zonder beperking van de talen;

25.  wijst erop dat er een aantal factoren kunnen worden aangewezen die van invloed zijn op de verwachtingen van jongeren die binnen een BOO-systeem een opleiding volgen, met name sociaal-economische factoren, de gezinstypologie en een gebrek aan oriëntatie-instrumenten (en pedagogische hulpmiddelen) na voltooiing van het verplichte secundair onderwijs of tijdens beroepsopleidingen;

26.  benadrukt hoe belangrijk de rol van onderwijs- en opleidingsmobiliteit is bij het aanpakken van maatschappelijke en culturele uitdagingen, teneinde jongeren zoveel mogelijk kansen te bieden om hun eigen weg in de samenleving te banen; wijst erop dat de EU, met name via de Europa 2020-Strategie, haar inspanningen vooral heeft gericht op een groter concurrentievermogen van haar economie, het scheppen van werkgelegenheid en, ten slotte, de versterking van haar vermogen om mondiaal te concurreren in het derde decennium van deze eeuw; benadrukt in dit verband de belangrijke rol die onderzoek, innovatie, de digitale samenleving en energieduurzaamheid spelen als instrumenten om een hogere toegevoegde waarde te creëren;

27.  beklemtoont de rol van de EU en de lidstaten bij het ontwikkelen en aanmoedigen van een hoogwaardig en goed georganiseerd stelsel van beroepsonderwijs en -opleiding door een holistische aanpak toe te passen waarbij op het betrokken beroep gericht theoretisch onderwijs, praktijkopleiding en algemeen, formeel, informeel en niet-formeel onderwijs met elkaar in evenwicht zijn; roept de lidstaten ertoe op in hun hoger middelbaar onderwijs een tweesporenbeleid in te voeren of de bestaande systemen te versterken door middel van (werkervarings)stages en zo de duurzame integratie van BOO-studenten op de arbeidsmarkt te bevorderen en hun deelname aan transnationale mobiliteitsprogramma's op te voeren; wijst er in het algemeen op dat het verbeteren van de kwaliteit van beroepsonderwijs en -opleiding in samenwerking met de sociale partners en openbare diensten voor arbeidsvoorziening een middel is om sociale inclusie aan te pakken, de deelname aan hoger onderwijs te vergroten, goede resultaten van studenten te bevorderen en de integratie op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, wat de mobiliteit in het proces van een leven lang leren ten goede zou moeten komen;

28.  dringt erop aan de problemen bij de Europese vrijwilligersdienst (EVS) op het gebied van verzekering van deelnemers, goedkeuring, databankbeheer en begeleiding van vrijwilligers gericht aan te pakken, om te voorkomen dat het aantal deelnemers afneemt;

29.  betreurt dat niet-formeel leren aan zichtbaarheid heeft ingeboet en dat het aandeel ervan in de begroting van het huidige Erasmus+-programma kleiner is geworden; wijst op het belang van niet-formeel leren op Europees niveau, met name in het kader van jongerenwerk en vrijwilligerswerk voor ouderen; roept ertoe op om niet-formeel en informeel leren een duidelijke en zichtbare plek te geven in het Erasmus+-programma; is voorts van oordeel dat moet worden voorzien in de mogelijkheid om aanvragen in te dienen voor grootschalige projecten inzake volwassenenonderwijs, waarop dezelfde beginselen van toepassing moeten zijn als op sectorale vaardigheidsallianties of kennisallianties;

30.  steunt de ontwikkeling van moderne technologie en infrastructuur ter versterking en modernisering van de nationale beroepsopleidingsstelsels om de toegang tot en de kwaliteit van mobiliteit te verbeteren; is van mening dat voor het aanpakken van de discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden meer nadruk moet komen te liggen op innovatie en de ontwikkeling van nieuwe academische en beroepsvaardigheden, digitale leer- en onderwijsplatforms, biotechnologie, innovatieve technologieën voor de restauratie van cultureel erfgoed, en informatie- en communicatietechnologie; is er stellig van overtuigd dat de EU en de lidstaten een doeltreffende strategie moeten uitwerken om de huidige en toekomstige arbeidskansen in de circulaire economie op de stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding te laten aansluiten;

31.  merkt op dat de overgang naar een meer gedigitaliseerde economie leidt tot een herdefiniëring van banen en vaardigheden; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve om samen te werken met de particuliere sector en vaardigheidsstrategieën en BOO-programma's voor de omscholing van werknemers te ontwikkelen;

Toegang: verbetering van de mobiliteitsopties voor jongeren tijdens hun beroepsopleiding

32.  is er voorstander van dat er in navolging van het Leonardo da Vinci-programma, waarnaar in de specifieke uitnodigingen tot inschrijving voor Erasmus+ moet worden verwezen, een kader wordt gecreëerd voor het zo duidelijk en nauwkeurig mogelijk vaststellen van de mobiliteitsopties voor jongeren in een BOO-systeem, met name via platformoverschrijdende overheidscampagnes, met de gecoördineerde medewerking van alle belanghebbenden die een actieve rol spelen in beroepsonderwijs en -opleiding of daarop invloed hebben;

33.  roept de Commissie en de lidstaten op voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen om mobiliteitsprogramma's te steunen en daarbij rekening te houden met mogelijke financiële belemmeringen; pleit ervoor dat wordt bekeken hoe meer duidelijkheid kan worden geschapen over de manier waarop bedrijven de toegekende beurs aanvullen of in hoeverre andere soorten steun kan worden verleend; is van oordeel dat complementariteit tussen het Europees Sociaal Fonds (ESF) en Erasmus+ moet worden gewaarborgd en gemonitord, met het doel positieve resultaten te boeken;

34.  dringt aan op meer synergie tussen EU-beleidsmaatregelen en -instrumenten die van invloed zijn op mobiliteit en onderwijs, en verlangt met name aanvullende maatregelen tussen het ESF en Erasmus+, alsook een betere coördinatie van alle acties op alle niveaus (nationale, regionale en lokale planning);

35.  wijst eens te meer op de noodzaak van maatregelen om te zorgen voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de structuurfondsen, waaronder het ESF, en programma's zoals Erasmus+ op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

36.  onderstreept de behoefte aan compensatie voor de belemmeringen die voortkomen uit de lagere sociaal-economische status van BOO-studenten, bijvoorbeeld door een mogelijke verhoging van de individuele beurzen van de Commissie of door verhoging van de bijdragen van de lidstaten en van regionale en lokale overheden, intermediaire instellingen of ngo's, met financiering uit de eigen begroting of via partnerschapsregelingen met bedrijven, stichtingen en organisaties die meewerken aan het kwalificatiesysteem en de beroepsopleiding in hun regio of gebied;

Van mobiliteit naar inzetbaarheid: validering en erkenning van leerresultaten, vaardigheden en competenties

37.  onderstreept dat het opdoen van allerhande nieuwe, creatieve ideeën in het buitenland ondernemerschap en creativiteit kan stimuleren en aanwakkeren; benadrukt dat de kansen die onderwijs- en opleidingsmobiliteit bieden, zoals de mogelijkheid om internationale netwerken op te bouwen, ook positieve gevolgen kunnen hebben voor de inzetbaarheid, transnationale samenwerking en het Europese concurrentievermogen;

38.  is van mening dat de huidige en toekomstige maatregelen om discrepanties tussen de aangeboden en gevraagde vaardigheden tegen te gaan, de betrokkenheid van werkgevers, bedrijven en lokale gemeenschappen moeten vergemakkelijken en tevens beter moeten aansluiten op de prognoses over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de toekomstige behoefte aan vaardigheden;

39.  wijst erop dat er een positief verband bestaat tussen leermobiliteit en iemands mobiliteit en inkomen in de toekomst, aangezien Europese en internationale mobiliteitsprogramma's de inzetbaarheid van de deelnemers in het buitenland vergroten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie in 2013 heeft vastgesteld; benadrukt dat leerlingplaatsen en stages in het buitenland de taalvaardigheden van de deelnemers verbeteren (wat volgens Eurobarometer in 2013 in 79 % van de gevallen zo bleek te zijn)(11);

40.  onderstreept hoe belangrijk op omscholing gerichte mobiliteitsprogramma's zijn voor werklozen van alle leeftijden en voor personen die hun baan in het kader van een reorganisatie dreigen te verliezen;

41.  vestigt de aandacht op de verscheidenheid aan en de ongelijke ontwikkeling van de validerings- en erkenningssystemen in de lidstaten, ondanks een toenemende convergentie in de afgelopen tien jaar; benadrukt dat de compatibiliteit tussen de verschillende stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding moet worden verbeterd, dat het eenvoudiger moet worden om vaardigheden en competenties die in bedrijven of opleidingscentra in verschillende lidstaten zijn verworven, te valideren en te erkennen, en dat het Erasmus+-programma aantrekkelijker moet worden gemaakt; verzoekt de lidstaten om de tenuitvoerlegging van het Europees kwalificatiekader(12) te verbeteren en de belemmeringen weg te nemen; pleit voor de vaststelling van een Europese norm die op alle niveaus (nationaal, regionaal en plaatselijk) aanvaardbaar en uitvoerbaar is;

42.  roept op tot verdere maatregelen ter bevordering van de erkenning en validering van leerresultaten, ook als die behaald zijn via niet-formeel en informeel leren, met name door beter gebruik te maken van bestaande instrumenten als Europass en Ecvet;

43.  herinnert eraan dat er dankzij het Europees kwalificatiekader grote vooruitgang is geboekt ten aanzien van de erkenning van diploma's, studiepunten en beroepsvaardigheidscertificaten alsmede de erkenning van vaardigheden en verworven deskundigheid op het gebied van BOO; dringt aan op vaststelling van specifieke doelen, zoals de tenuitvoerlegging van een volledig operationeel systeem voor de overdracht en de erkenning van studiepunten onder gebruikmaking van Ecvet; dringt aan op de ontwikkeling van gezamenlijke BOO-kwalificaties die kunnen leiden tot de internationale erkenning van kwalificaties;

44.  pleit voor het opstellen van een groenboek over beroepsonderwijs en -opleiding alsmede mobiliteit en de erkenning van vaardigheden en bekwaamheden in Europa, in nauwe samenwerking met alle essentiële belanghebbenden; herinnert eraan dat de huidige aanbevelingen inzake BOO volledig moeten worden toegepast; wijst erop dat niet-erkenning van bekwaamheden negatieve gevolgen heeft voor de Europa 2020-doelstelling inzake arbeidsparticipatie en het in de Verdragen vastgelegde vrije verkeer belemmert;

45.  is voorstander van meer mobiliteit inzake werkgelegenheid, onderwijs, leerlingplaatsen en stages in het kader van de nationale Europese jongerengarantieregelingen teneinde de vaardigheden van jongeren te verbeteren en de geografische discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden in de EU te verminderen;

46.  benadrukt hoe belangrijk de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zijn ter ondersteuning van leerlingplaatsen, stages, BOO, arbeidsbemiddeling en vervolgopleidingen die tot een kwalificatie leiden; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat deze programma's voor de gehele programmeringsperiode 2014-2020 voldoende financiële middelen krijgen toegewezen;

47.  dringt erop aan dat de EU-Skills Panorama-website in alle officiële talen van de Unie wordt vertaald zodat hij een voor iedereen toegankelijke bron van informatie over de in Europa benodigde vaardigheden wordt;

48.  neemt nota van de vooruitgang die in tal van lidstaten is geboekt om voor hoogwaardiger BOO te zorgen, met steun van het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (Eqavet); moedigt de lidstaten aan die momenteel een nationale kwaliteitszorgmethode aan het ontwikkelen zijn, overeenkomstig het Eqavet; beklemtoont dat de lidstaten grotere inspanningen moeten leveren om ervoor te zorgen dat in kwaliteitsborgingsregelingen meer rekening wordt gehouden met leerresultaten en waarde wordt gehecht aan en ondersteuning wordt geboden voor niet-formeel leren en werkplekleren in een formele of niet-formele omgeving, naar gelang van de nationale context;

49.  onderstreept dat stageprogramma's onder leiding van een bevoegde toezichthouder moeten worden uitgevoerd;

Mobiliteitsprogramma's efficiënter, toegankelijker en inclusiever maken

50.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, in samenwerking met Cedefop, de rol van de intermediaire instellingen die betrokken zijn bij de voorbereiding, het beheer en de follow-up van mobiliteitsprogramma's zowel territoriaal als sectoraal af te bakenen en te versterken, en te verlangen dat zij inzake transparantie de hoogste normen hanteren, alsmede bij het opzetten van dergelijke instellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau behulpzaam te zijn;

51.  onderstreept dat dergelijke intermediaire instellingen moeten beschikken over adequate budgettaire en personele middelen om de mobiliteit te kunnen organiseren, en over beheerstructuren die garanderen dat er een rol is weggelegd voor het netwerk van vakscholen, en dat zij tevens de kracht en capaciteit moeten hebben om operationele allianties en overeenkomsten aan te gaan met potentiële partners, zowel in eigen land als in de lidstaten die aan de mobiliteitsprogramma's deelnemen;

52.  beklemtoont de noodzaak om minderjarigen in het buitenland rechtsbescherming te bieden;

53.  beklemtoont dat in het kader van Erasmus+ op de behoeften van opleiders, mentoren en ondernemers afgestemde mobiliteitsacties en/of diensten moeten worden aangemoedigd en benadrukt;

54.  wijst erop dat er coherente, complementaire en goed gecoördineerde medefinancieringsregelingen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau nodig zijn om opleidingscentra in staat te stellen alle kosten te dragen en doorlopende acties te plannen en uit te voeren;

55.  is verheugd dat het aantal begunstigden van BOO-programma's onder jongeren die niet naar een universiteit of hogeschool gaan, in het kader van Erasmus+ aanzienlijk is toegenomen;

56.  steunt alle nodige begeleidende maatregelen die er in eerste instantie op gericht zijn leerlingen die aan mobiliteitsprogramma's willen deelnemen, bij te staan en aan te moedigen, en hen later moeten helpen bij het beter communiceren van de vaardigheden die zij dankzij de mobiliteit hebben verworven, en bij het ontwikkelen van hun assertiviteit, zodat hun kennis tot uiting komt en blijkt dat hun ervaring verrijkend en nuttig was;

57.  is van mening dat de leerresultaten van stages overeenkomstig de Ecvet-beginselen bepaald en met de leerling besproken moeten worden voordat hij de opleiding aanvangt, en dat de resultaten na het beëindigen van de opleiding in het certificaatsupplement moeten worden opgenomen;

58.  benadrukt het belang van een kwalitatief goede lerarenopleiding en van monitoring, evaluatie en kwaliteitsborging op dit gebied, en wijst erop dat integratie en tolerantie in mobiliteitsprogramma's moeten worden aangemoedigd;

59.  benadrukt dat er goede stageplaatsen nodig zijn waar studenten wenselijke beroepsvaardigheden kunnen opdoen, en wijst er voorts op dat er op alle niveaus behoefte is aan een goede communicatie met ondernemers, zodat zij open staan voor verdere erkenning van de ervaring die jongeren opdoen wanneer zij van een mobiliteitsregeling profiteren;

60.  steunt alle bij de Erasmus+-doelstellingen aansluitende maatregelen die ondernemers, ngo's of het maatschappelijk middenveld nemen met het oog op de ontwikkeling van mobiliteitsregelingen voor jonge werknemers of leerlingen, hetzij branchegewijs hetzij in samenwerking met organen die de bedrijfstakken vertegenwoordigen, zoals kamers van koophandel en industrie, Europese netwerken zoals Eurochambres en de relevante vakbonden; dringt erop aan de rol te erkennen die ambachtskamers en hun opleidingscentra vervullen bij het ondersteunen van mobiliteit en zeer kleine ondernemingen; is van mening dat alle maatregelen ter verbetering van regelingen voor beroepsonderwijs en -opleiding ook gericht moeten zijn op sectoren die koolstofvrije energie en duurzame mobiliteit bevorderen;

61.  beveelt aan dat alle essentiële belanghebbenden zich inzetten voor gemeenschappelijke strategieën om de terugkeer van BOO-stagiairs en -leerlingen of hun mobiliteit naar andere delen van Europa te bevorderen, met eerbiediging van hun voorkeuren, teneinde de in het "buitenland" opgedane kennis en ervaring te gebruiken om het evenwicht en de cohesie in hun eigen streken van herkomst dan wel elders in Europa waar vaardigheden nodig zijn, te verbeteren;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een Europees netwerk van workshops en starterscentra op te zetten en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen omdat deze van cruciaal belang zijn om kennisallianties tussen scholen, universiteiten en bedrijven in de hand te werken en de toegang tot opleiding, ervaring, opfriscursussen voor leerkrachten en docenten, stages en start-ups te bevorderen;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het Europees netwerk van wetenschapscentra (Ecsite) – een bundeling van wetenschapscentra als plaatsen die toegang verlenen tot de wetenschapscultuur – te ondersteunen en te versterken;

64.  verzoekt om de oprichting van een éénloketsysteem waar de gegevens en communicatie-instrumenten worden gebundeld voor een gemakkelijke en efficiënte dienstverlening aan mensen die op zoek zijn naar informatie en hulp met betrekking tot de diverse mobiliteitsprogramma's die op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau bestaan;

65.  roept de Commissie op actuele statistieken voor te leggen en waar mogelijk evaluaties en/of studies uit te voeren naar Erasmus+ en andere BOO-mobiliteitsprogramma's, teneinde na te gaan welke impact deze hebben bij het afstemmen van werkervaring op banen, uitgedrukt in een aanwervingspercentage, en ook te onderzoeken waarom sommige lidstaten meer aanvragen ontvangen voor BOO-werk en opleidingservaring in het buitenland, en een plan uit te werken voor nauwere participatie van deze landen; is van mening dat de hieruit voortvloeiende statistieken en evaluaties moeten worden verwerkt en in aanmerking genomen in de tussentijdse evaluatie van Erasmus+;

66.  is ingenomen met de conclusies die de voor beroepsonderwijs en -opleiding bevoegde ministers op 22 juni 2015 in Riga zijn overeengekomen, waarbij een nieuwe reeks doelstellingen voor de middellange termijn op het gebied van beroepsonderwijs en beroepsopleiding voor de periode 2015-2020 werd voorgesteld, en dringt erop aan deze tijdig en volledig ten uitvoer te leggen;

67.  onderstreept dat het belangrijk is het positieve effect van mobiliteit op de inzetbaarheid en verworven vaardigheden in de verf te zetten, om aan te tonen dat mobiliteit echt nuttig is, en de indruk te ontkrachten dat er tijd wordt verspild aan opleiding waarvoor a priori louter nationale vaardigheden nodig zijn;

68.  pleit ervoor platformen als Drop'pin@EURES, dat tot doel heeft de mobiliteit van jongeren in de hand te werken door middel van leerlingplaatsen, stages, opleidingsprogramma's en e-learningtaalcursussen, meer te bevorderen en er meer bekendheid aan te geven onder jongeren en bedrijven;

69.  spoort de lidstaten aan om alle kansen van het nieuwe Erasmus+, dat jongeren niet alleen mogelijkheden voor studies, maar ook voor praktijkopleidingen en stages in het buitenland biedt, te ondersteunen;

70.  moedigt de invoering aan van op basis van de verschillen in leefomstandigheden, prijzen en kosten tussen de lidstaten vast te stellen minimumbeurzen; sluit zich aan bij de visie dat de lidstaten maatregelen moeten invoeren om daar waar nodig steun te bieden, bijvoorbeeld voor huisvesting en vervoer, met bijzondere aandacht voor de behoeften van minderjarigen, en om studenten en leerlingen voor te bereiden op hun internationale ervaringen, bijvoorbeeld door opleidingsadvies, taallessen en interculturele communicatie;

71.  dringt aan op een evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader (MFK), onder meer gebaseerd op een voorafgaande beoordeling van de doeltreffendheid van de toegewezen middelen ter bestrijding van werkloosheid, en daarbij begrotingsposten te besnoeien die weinig zoden aan de dijk zetten; is van mening dat een dergelijke benadering vooral belangrijk is in tijden van crisis zoals nu, wanneer sprake is van onaanvaardbare onevenwichtigheden;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten.

(1) PB C 155 van 8.7.2009, blz. 1.
(2) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(3) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(5) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(6) PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6.
(7) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.
(8) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(9) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(10) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(11) http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl_378_en.pdf
(12) Zie: aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren.


De rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen
PDF 206kWORD 92k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen (2015/2060(INI))
P8_TA(2016)0108A8-0027/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het beginsel van oprechte samenwerking tussen de Unie en de lidstaten, zoals geformuleerd in artikel 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 121 en 138 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 14 bij het VWEU betreffende de Eurogroep,

–  gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende verbetering van het EU-kader voor economisch bestuur en stabiliteit, met name in de eurozone(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de EU als wereldspeler: de rol van de EU in multilaterale organisaties(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mondiale economische beleidsaansturing(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over het opbouwen van een kapitaalmarktenunie(5),

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau van 25 februari 2009 over het financieel toezicht in de Europese Unie (verslag-Larosière),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters, waarin zij aandringen op consolidatie van de externe vertegenwoordiging van de euro,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0027/2016),

A.  overwegende dat de stabiliteit van het financieel stelsel, die een voorwaarde is voor een goede benutting van de hulpbronnen ten dienste van groei en werkgelegenheid, een mondiaal collectief goed is;

B.  overwegende dat er door de toenemende onderlinge verwevenheid van de economieën overal ter wereld behoefte bestaat aan steeds mondialere vormen van governance;

C.  overwegende dat indien de EU niet in staat is om binnen internationale instellingen en organen met één stem te spreken, alle Europese stemmen moeten worden gecoördineerd teneinde de mondiale governance te doen aansluiten op de doelstellingen en de waarden van de EU-Verdragen;

D.  overwegende dat de EU moet bijdragen aan de totstandbrenging van een democratisch kader, teneinde de mondiale uitdagingen het hoofd te bieden;

E.  overwegende dat de samenwerking op mondiaal vlak tot een verwatering van de verantwoordelijkheden en geringere controleerbaarheid kan leiden ten koste van de democratie; overwegende dat de rol van nationale parlementen en het Europees Parlement niet gemarginaliseerd mag worden, maar dat zij actief en volledig bij het gehele besluitvormingsproces moeten worden betrokken;

F.  overwegende dat de bestaande internationale instellingen en organen, met hun afzonderlijke bestuursstructuren en mandaten, door de geschiedenis heen zijn opgericht in reactie op specifieke situaties; overwegende dat dit tot complexiteit en in sommige gevallen overlapping van taken heeft geleid, en tot een systeem dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan transparantie en een tekortschietende algehele coördinatie;

G.  overwegende dat artikel 42 van het Handvest van de grondrechten en Verordening (EG) nr. 1049/2001(6), op grond waarvan burgers van de Unie recht op toegang tot documenten hebben, van toepassing moet zijn op instellingen en agentschappen van de Unie die deelnemen aan internationale organisaties of organen;

H.  overwegende dat in de Verdragen staat dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat een recht heeft van inzage in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd. (artikel 42 van het Handvest van de grondrechten); overwegende dat dezelfde mate van transparantie ook dient te gelden voor de instellingen, organen en instanties van de Unie die deelnemen aan internationale organisaties of forums, in het bijzonder wanneer regels worden vastgesteld die van invloed zijn op EU-burgers;

I.  overwegende dat de verscheidenheid aan juridische structuren, alsmede aan financierings- en operationele procedures van internationale economische organisaties en organen(7) het uitoefenen van goed toezicht moeilijk maakt, terwijl consistentie in deze procedures van essentieel belang is om een internationaal gelijk speelveld te waarborgen; overwegende dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) echte, bij verdragen opgerichte internationale organisaties met een ruim mandaat en een brede samenstelling zijn, terwijl bijvoorbeeld de G20, de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) en het Comité van Basel tot de informele publieke fora met een beperkt aantal leden behoren, die in sommige gevallen als gevolg van de crisis aan belang gewonnen hebben, en de Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders (IOSCO), de International Association of Insurance Supervisors (IAIS/AICA), de International Organisation of Pension Supervisors (IOPS) en de International Accounting Standards Board (IASB) particuliere specialistische verenigingen met een sectoraal karakter zijn, die de desbetreffende sectoren in meer of mindere mate bijeen brengen;

J.  overwegende dat er tussen het Europees Parlement en deze organisaties/organen al wel informele uitwisselingen plaatsvinden, maar deze geen stelselmatig karakter hebben;

K.  overwegende dat transparantie belangrijk is voor de democratie, terwijl tegelijkertijd terdege rekening moet worden gehouden met de bescherming van marktgevoelige informatie;

L.  overwegende dat de urgente omstandigheden de G20 ertoe hebben gebracht een mondiale agenda op te stellen gericht op een doeltreffende reeks specifieke hervormingen, maar dat op de langere termijn een daadwerkelijk multilateraal en democratische kader onontbeerlijk is om de legitimiteit van de G20 te waarborgen;

M.  overwegende dat de rol van de banken, respectievelijk de markten bij de financiering van de economie van lidstaat tot lidstaat verschilt;

N.  overwegende dat de in 2008 uitgebroken economische en financiële crisis een duidelijk gebrek aan economisch wereldbestuur aan het licht heeft gebracht; overwegende dat voor veel macro-economische aangelegenheden meer coördinatie vereist is, met name op belastinggebied; overwegende dat alle belanghebbende partijen zich daarom zouden moeten inzetten voor een alomvattend en financieel stabiel kader, en voor het waarborgen van consistentie tussen het mondiale niveau en de plaatselijke niveaus;

O.  overwegende dat de oprichting van nieuwe toezichtsinstanties van de EU niet automatisch een toename van het aantal EU-vertegenwoordigers moet betekenen, aangezien dit ondemocratische effecten zou kunnen hebben, zoals een grotere kans dat minderheden geblokkeerd worden, en tot onrust onder de partners van de EU zou kunnen leiden;

P.  overwegende dat het IMF heeft besloten de Chinese renminbi toe te laten tot de valuta waarop het bijzonder trekkingsrecht van het IMF is gebaseerd; overwegende dat als gevolg hiervan zowel de euro als de Britse pond in gewicht is gedaald, maar dat het gewicht van de Amerikaanse dollar gelijk is gebleven; overwegende dat dit de noodzaak laat zien van een sterkere Europese stem;

1.  benadrukt de behoefte aan intensievere internationale samenwerking op het gebied van regelgeving, met een krachtige betrokkenheid van het Europees Parlement;

2.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan samenhang, ten gevolge van de versnippering en de verscheidenheid van de organisaties/organen, alsmede over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van op internationaal niveau overeengekomen regels en beleidsrichtingen;

3.  dringt erop aan meer duidelijkheid te geven over de bevoegdheden van de verschillende organisaties/organen, hun werkwijzen en de manier waarop zij worden gefinancierd, met inbegrip van vrijwillige bijdragen, giften en schenkingen, teneinde zeker te stellen dat er geen sprake is van gevestigde belangen en de rechtmatigheid van besluiten te waarborgen;

4.  dringt aan op betere beleidscoherentie en coördinatie tussen de mondiale instellingen door middel van de invoering van veelomvattende normen voor democratische legitimiteit, transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; meent dat deze normen onder meer het volgende moeten betreffen:

   de betrekkingen met het publiek (bijvoorbeeld toegang van het publiek tot documenten, open dialoog met diverse belanghebbenden, instelling van verplichte transparantieregisters en transparantieregels voor ontmoetingen met lobbyisten);
   interne regels (bijvoorbeeld human resources op basis van vaardigheden, goed financieel beheer en voorkoming van belangenconflicten);

5.  is van oordeel dat de ondervertegenwoordiging van de minst ontwikkelde landen in de meeste financiële, monetaire en regelgevingsinstanties en organen een onevenwichtigheid veroorzaakt en dat als gevolg hiervan kwesties inzake ongelijkheid of de financiering van de armste landen niet op adequate wijze dreigen te worden aangepakt;

6.  is van oordeel dat er, naast het geografische onevenwicht bij de vertegenwoordiging, ook bepaalde sectoren zijn – in het bijzonder het maatschappelijk middenveld, kmo´s, consumentenorganisaties en werknemersorganisaties – die intensiever betrokken zouden kunnen worden bij het raadplegingsproces in het kader van de internationale debatten aangaande financiële, monetaire en regelgevingsorganen; is van mening dat deze organen en sectoren de plicht hebben zich in te zetten voor de verbetering van de situatie;

7.  is van mening dat de EU haar afvaardiging in multilaterale organisaties/organen moet stroomlijnen en codificeren om de betrokkenheid en de invloed van de Unie in deze organen, evenals de wetgeving die zij via democratische weg heeft aangenomen, transparanter te maken en de integriteit en verantwoordingsplicht te vergroten; is voorts van oordeel dat de EU zich tot een proactievere mondiale speler moet ontwikkelen om de toezeggingen van de G20 voor de toekomst te waarborgen, zoals de toezegging om het schaduwbankieren om te vormen, de hervorming van over-the-counter (OCT)-derivaten ten uitvoer te leggen, systeemrisico´s aan te pakken en ervoor te zorgen dat nieuwe bedreigingen voor de mondiale economie op de agenda van de relevante mondiale instellingen komen te staan;

8.  verzoekt de Europese actoren zich bij het ontwikkelen van beleid op Europees en internationaal niveau sterker te richten op het mondiale concurrentievermogen van de financiële sectoren van de EU;

9.  herinnert eraan dat de EU, waar dat nog niet het geval, maar wel wenselijk is, moet streven naar een volwaardig lidmaatschap van internationale economische en financiële instellingen (zoals de OESO en het IMF); roept de desbetreffende internationale economische en financiële instellingen ertoe op alle statutaire wijzigingen door te voeren die noodzakelijk zijn om volledige deelname van de EU mogelijk te maken;

10.  beschouwt situaties waarin een vertegenwoordiger van een lidstaat of van een nationale autoriteit bij internationale organisaties/organen standpunten inneemt die haaks staan op de in 'Europa' op democratische wijze genomen wet- of regelgevingsbesluiten, schadelijk voor de Europese Unie; dringt derhalve aan op een verbeterde en doeltreffendere onderlinge coördinatie tussen deze vertegenwoordigers, bijvoorbeeld middels mechanismen met een meer bindend karakter;

11.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat de Commissie, wanneer zij de gehele Unie in een internationale organisatie of internationaal orgaan vertegenwoordigt, of wanneer zij toezicht op een particulier orgaan van deskundigen uitoefent, op een meer rechtstreekse wijze verantwoording aan de burgers aflegt; onderstreept het belang van de rol van het Parlement bij dit proces;

12.  is van oordeel dat de processen voor het vaststellen van de prioriteiten van de organisaties in kwestie en hun werkgroepen verduidelijkt en geformaliseerd moeten worden, is van mening dat de systematische zoektocht naar consensus niet alleen het gevaar in zich draagt de werkzaamheden te vertragen, maar ook de aanbevelingen af te zwakken, en dat de samenstelling van de organisaties in kwestie een weerspiegeling moet zijn van de verscheidenheid aan modellen voor het financieren van de economie en het uitoefenen van toezicht;

13.  benadrukt dat het noodzakelijk is om bij de ontwikkeling van regelgevings-, toezichts- en ander beleid ten aanzien van de financiële sector op mondiaal niveau vooraf evaluaties uit te voeren; is van oordeel dat dergelijke evaluaties de politieke prerogatieven van de medewetgevers onverlet laten;

14.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen door de verschillende betrokken landen nog steeds niet voldoende is om te kunnen bijdragen tot een mondiaal gelijk speelveld;

15.  merkt op dat de FSB nu werkt aan de ontwikkeling van normen voor de verzekeringssector; onderkent dat de IAIS een belangrijke rol in het mondiale verzekeringsbeleid speelt, maar benadrukt dat het erbij betrekken van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) het voordeel zou hebben van versterking van de specifieke kennisbijdrage van de Europese verzekeringssector en zou waarborgen dat de normen die op mondiaal vlak worden ontwikkeld niet indruisen tegen de logica die de EU als eerste heeft uitgewerkt;

16.  verwelkomt het werk van de OESO ten aanzien van belastingkwesties, in het bijzonder het OESO/G20-project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS); is van oordeel dat het uitoefenen van toezicht op de tenuitvoerlegging de nieuwe uitdaging vormt; benadrukt dat de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten die in de Financiële Actiegroep (Financial Action Task Force – FATF) zitten, moet worden verbeterd, teneinde ervoor te zorgen dat de stem van de EU wordt gehoord;

17.  staat positief tegenover de bereidheid van de president van de ECB om verder samen te werken met het Parlement met betrekking tot de rol van de ECB in bankaangelegenheden, in het bijzonder in het kader van internationale normalisatie-instanties, zoals de FSB;

18.  is ingenomen met de organisatorische regelingen waarover de landen van de eurozone die lid zijn van de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur overeenstemming hebben bereikt en op grond waarvan deze lidstaten van de eurozone middels één enkele zetel vertegenwoordigd zullen worden in de raad van bestuur;

19.  doet dienovereenkomstig de volgende suggesties:

   verzoekt de Commissie een Europese gedragscode inzake transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht te ontwikkelen als leidraad voor de EU-vertegenwoordigers in internationale organisaties/organen, en zich daarbij te laten inspireren door bestaande goede praktijken op Europees en nationaal niveau; dringt erop aan het Parlement nauw bij het proces van het ontwikkelen van deze gedragscode te betrekken;
   spreekt in het bijzonder zijn zorgen uit over het statuut, de financiering en de werking van de organisaties/organen in kwestie, hun interactie met autoriteiten, betrokken partijen en het publiek, hun communicatiestrategie en de toegang tot hun documenten; benadrukt dat het noodzakelijk is een eerlijk evenwicht tussen belangen te bewerkstelligen, inclusief die van ngo´s met technische expertise en financiële middelen, teneinde de stem van het maatschappelijk middenveld duidelijker te laten klinken;
   roept de Europese instellingen en agentschappen, alsook de lidstaten op de verantwoordingsplicht van iedere Europese vertegenwoordiger in democratisch verkozen organen te bevorderen;
   dringt aan op de sluiting van een interinstitutionele overeenkomst gericht op het formaliseren van een "financiële dialoog" met het Europees Parlement, teneinde richtsnoeren op te stellen met betrekking tot de vaststelling en coherentie van de Europese standpunten voorafgaand aan belangrijke mondiale onderhandelingsrondes, om ervoor te zorgen dat deze standpunten vooraf worden bediscussieerd en bekend zijn en follow-up ervan te waarborgen, waarbij de Commissie geregeld verslag uitbrengt over de toepassing van deze richtsnoeren en de controle erop; stelt voor hiervoor de bevoegde Europese instellingen, de lidstaten en, in voorkomend geval, de leiders van de internationale organisaties in kwestie uit te nodigen; is van mening dat bij het vaststellen van de frequentie en de vorm van deze dialoog (publiek of achter gesloten deuren) pragmatisme voorop moet staan; is van mening dat de nationale parlementen, op hun respectievelijke niveaus, eveneens een actieve rol moeten spelen, door de door de vertegenwoordigers van de lidstaten ingenomen standpunten te controleren;
   is van oordeel dat deze gedetailleerde richtsnoeren kunnen worden aangevuld met proactieve 'sturingsresoluties', die het Parlement op gezette tijden kan aannemen en waarin de standpunten van het Parlement over de algemene beleidsoriëntatie worden weergegeven;
   vindt dat bij onderwerpen ten aanzien waarvan het Europees Parlement met de Raad als medewetgever optreedt de dialoog gericht moet zijn op het vaststellen van een onderhandelingsmandaat dat stoelt op via democratische processen genomen wetgevingsbesluiten of dat in ieder geval niet botst met nog in voorbereiding zijnde wetgeving;
   dringt er bij de Europese vertegenwoordigers op aan bij internationale onderhandelingen in het bijzonder aandacht te besteden aan de coherentie en consistentie tussen internationale vereisten en normen enerzijds en bindende, goedgekeurde EU-wetgeving anderzijds, alsook aan de naleving ervan, teneinde aldus op internationaal vlak voor een gelijk speelveld te zorgen;
   dringt aan op vergroting van de verantwoordingsplicht van de Commissie ten opzichte van het Europees Parlement door aanpassing van het proces voor de vaststelling van de standpunten die de EU inneemt in de vergaderingen van de G20 op de beleidsterreinen werkgelegenheid, energie, handel, ontwikkeling en corruptiebestrijding;
   dringt er bij de lidstaten op aan de coördinatieverplichtingen onverwijld na te leven;
   roept de lidstaten op ermee in te stemmen dat de bankenunie in het Comité van Basel voor bankentoezicht wordt vertegenwoordigd door het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme;
   verzoekt de Commissie in haar werkprogramma rekening te houden met de externe dimensie van economische en financiële regelgeving, dat wil zeggen met de geplande werkzaamheden in de internationale organisaties; verzoekt haar tevens om, met het oog op een betere interne beleidssamenhang, een werkgroep inzake mondiale economische governance en financiële instellingen op te zetten;
   neemt kennis van het initiatief van de Commissie om stapsgewijs te komen tot één vertegenwoordiger van de eurozone in het IMF; is van mening dat dit proces moet plaatsvinden zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om op termijn op te treden als één blok namens de hele Europese Unie;
   wijst erop dat overeenkomstig Protocol nr. 14 bij het VWEU, de versterkte coördinatie van de lidstaten die de euro als munteenheid hebben in handen is van de Eurogroep, die een tijdelijk en informeel karakter heeft in afwachting van het moment waarop alle lidstaten van de Unie de euro als munteenheid hebben aangenomen; is van mening dat de transparantie en verantwoordingsplicht van de eurogroep kunnen worden verbeterd; pleit voor een formelere en duurzamere oplossing langs de lijnen van de resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012(8), waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor de bankenunie en de economische, fiscale en politieke unies; herinnert eraan dat de onafhankelijke rol van de Europese commissaris voor economische en monetaire aangelegenheden dient te worden versterkt en aangevuld met solide mechanismen voor het afleggen van verantwoording aan zowel het Europees Parlement als de Raad;
   is van oordeel dat, behalve bij het IMF, de progressieve stroomlijning van de EU-vertegenwoordiging de komende jaren moet worden gerealiseerd door, in eerste instantie, verbeterde coördinatie, en vervolgens, na evaluatie, door samenvoeging van zetels; is van oordeel dat het lidmaatschap van deze organisaties en organen moet worden toegewezen in overeenstemming met de respectieve bevoegdheden van de EU-instellingen en de Europese toezichthoudende autoriteiten, de Raad/Eurogroep en de nationale autoriteiten; vindt dat de EU zich er tegelijkertijd voor zou moeten inzetten dat deze organisaties en organen overstappen van een systeem waarbij voor besluiten eenparigheid nodig is op een systeem waarbij met gewogen meerderheden wordt gewerkt;
   onderstreept dat het de taak is van de Commissie, de Raad en, in voorkomend geval, de Eurogroep om de coördinatie door middel van voorbereidingsbijeenkomsten te versterken; is van oordeel dat, indien noodzakelijk, nieuwe ad-hocwerkgroepen van de Raad moeten worden opgericht, zoals het Economisch en Financieel Comité (EFC), de werkgroep inzake IMF-aangelegenheden (SCIMF), de werkgroep van de Eurogroep (EWG) en het Comité voor de economische politiek (EPC);
   dringt aan op een grondige evaluatie van de huidige situatie waarbij het voorzitterschap van de Europese Raad en het voorzitterschap van de Commissie twee afzonderlijke zetels bekleden bij G20-vergaderingen, teneinde vast te stellen in hoe verre deze regeling schadelijk is voor de geloofwaardigheid van de EU in de rest van de wereld, met name gezien het bestaan van een interne markt voor financiële diensten; is van oordeel dat, om de convergentie van de individueel vertegenwoordigde lidstaten te bevorderen, diverse verbeteringen mogelijk zijn die tot een doeltreffende coördinatie voorafgaand aan de vergaderingen zouden kunnen bijdragen en ertoe zouden kunnen leiden dat Europa in de vergaderingen krachtig met een stem spreekt;
   verzoekt de Europese instellingen en de lidstaten te werken aan een routekaart voor de oprichting van een mondiale op een verdrag gebaseerde financiële instelling, langs de in het verslag-Larosière uiteengezette lijnen, met brede bevoegdheden om aanbevelingen te doen en te onderhandelen over bindende minimumnormen en met multilaterale mechanismen voor het beslechten van geschillen en, in voorkomend geval, sancties; is van mening dat de ervaringen die in de handelssector zijn opgedaan door middel van de WTO, kunnen worden benut om bovengenoemde multilaterale mechanismen voor geschillenbeslechting op te zetten; onderstreept dat de voorgestelde organisatie moet voldoen aan de strengste normen inzake transparantie en verantwoordingsplicht;
   is van oordeel dat de Commissie een expliciet mandaat moet krijgen om een nieuwe impuls te geven aan de bevordering van het beginsel van multilateralisme bij de internationale samenwerking op financieel, monetair en regelgevingsgebied;
   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle financiële wetgevingsvoorstellen van de EU een aanvulling vormen op de maatregelen die op mondiaal vlak worden genomen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 41.
(2) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 66.
(3) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 51.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0268.
(6) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(7) De Bank voor Internationale Betalingen, de Financiële-actiegroep (FATF) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) houden zich ook met het vaststellen van regels bezig; de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) speelt een belangrijke rol in de mondiale economische governance; de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (ADB), de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), de Caribische Ontwikkelingsbank (CDB), de West-Afrikaanse Ontwikkelingsbank (WADB), de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij (IIC), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa (CEB), de Wereldbankgroep, de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD), de International Development Association (IDA), de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC) en het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties (MIGA) ondersteunen de financiering van ontwikkelingssamenwerking.
(8) Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte Economische en Monetaire Unie" (PB C 419 van 16.12.2015, blz. 48).


Ambachtelijke kustvisserij in regio's die afhankelijk zijn van de visserij
PDF 235kWORD 114k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over innovatie en diversificatie van de ambachtelijke kustvisserij in de regio's die afhankelijk zijn van de visserij (2015/2090(INI))
P8_TA(2016)0109A8-0044/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad,

—  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad,

—  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over maatregelen tijdens de vaststelling waarvan het noodzakelijk is om rekening te houden met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden,

—  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB(1),

—  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over mariene kennis 2020: zeebodemkaarten ter bevordering van duurzame visserij(2),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten" (COM(2014)0254),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie" (COM(2010)0546),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG,

—  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 oktober 2014 over de mededeling getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten" (2015/C 012/15),

—  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 21 januari 2015 over de mededeling getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten" (2015/C 019/05),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2012 getiteld "Blauwe groei – kansen voor duurzame mariene en maritieme groei" (COM(2012)0494),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

—  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over het aanboren van het potentieel van onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor de schepping van banen en groei(3),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2013 getiteld "Actieplan voor een maritieme strategie in het Atlantische gebied. Totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2013)0279),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 29 augustus 2012 getiteld "Mariene kennis 2020 – van zeebodemkaarten tot oceaanprognoses" (COM(2012)0473),

—  gezien zijn resolutie van 2 juli 2013 over Blauwe groei: bevordering van de duurzame ontwikkeling in de mariene, maritieme en toeristische sectoren in de EU(4),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2014 over een Europese strategie voor meer groei en werkgelegenheid in kust- en maritiem toerisme (COM(2014)0086),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0044/2016),

A.  overwegende dat kustvisserij 80 % van de Europese vloot vertegenwoordigt en samen met de schaal- en schelpdiervisserij veel werkgelegenheid genereert in kustgebieden, op eilanden en in de ultraperifere gebieden, en over het algemeen een uit maatschappelijk en milieuoogpunt duurzame vorm van visserij met een groot potentieel is; overwegende dat de invloed ervan op het sociale erfgoed en de culturele kenmerken van kust- en eilandgebieden uitzonderlijk en uiteenlopend is;

B.  overwegende dat de kust- en eilandvisserij veelal een traditionele vorm van commerciële visserij is, d.w.z. een manier van leven, de belangrijkste bron van inkomsten uit visserij en directe en indirecte werkgelegenheid, in het bijzonder in gebieden die van kustvisserij afhankelijk zijn en waarvoor speciale maatregelen en steun nodig zijn om groei en ontwikkeling mogelijk te maken;

C.  overwegende dat kustvisserij in grote mate varieert in de afzonderlijke lidstaten en ook in de verschillende kustgebieden binnen eenzelfde lidstaat wat betreft de basisdefinitie en de kenmerken ervan, een situatie die in de toekomst rechtgetrokken en geharmoniseerd moet worden in het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), en overwegende dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan op het vlak van geografische, klimaat-, ecosysteem-, en sociaaleconomische aspecten;

D.  overwegende dat de kenmerken van de kustvisserij in de zeeën binnen de Europese Unie, zoals de Adriatische Zee en de Middellandse Zee als geheel, verschillen van die van de open zeeën van de Atlantische Oceaan, zoals de visserij voor de kust van Frans-Guyana en in het zeebekken van de Indische Oceaan;

E.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZ) kleinschalige kustvisserij wordt gedefinieerd als visserij door vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig, en dat dit de enige definitie van kustvisserij is in de EU-wetgeving;

F.  overwegende dat regionalisatie een van de hoekstenen is van het hervormde GVB, waarmee wordt onderkend dat gecentraliseerd beheer niet past bij de enorme verscheidenheid van de visserij in Europa; overwegende dat regionalisatie en een niet-gecentraliseerde benadering, gezien de specifieke aard van kust- en eilandvisserij, van bijzonder groot belang zijn in deze sector en de gemeenschappen die erdoor worden bediend;

G.  overwegende dat door het EFMZV gefinancierde operaties kunnen profiteren van een verhoging van de steunintensiteit met 30 punten indien zij onder kleinschalige kustvisserij vallen;

H.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het EFMZ en visserij lidstaten waar meer dan 1 000 vaartuigen kunnen worden beschouwd als vaartuigen die worden gebruikt in de kleinschalige kustvisserij, verplicht worden een actieplan voor de ontwikkeling, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de kleinschalige kustvisserij op te stellen;

I.  overwegende dat de kustvisserij moet worden beheerd als voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarbij rekening moet worden gehouden met de diversiteit van het vistuig van de vloten, geografische en klimatologische beperkingen, technieken en visbestanden in de afzonderlijke lidstaten en in elke visserijzone, om zo bij te dragen tot de instandhouding van de plaatselijke tradities en visserijgerelateerde activiteiten;

J.  overwegende dat elke visserijzone weliswaar zijn eigen kenmerken heeft, maar dat door middel van de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de verschillende zones de effecten van visserijactiviteiten op het milieu en de mariene ecosystemen aanzienlijk kunnen worden verbeterd, en er een betere interactie kan ontstaan tussen alle menselijke en economische activiteiten in de kustgebieden en op zee;

K.  overwegende dat de opbrengsten uit de kleinschalige visserij flink zijn gedaald ten gevolge van de aanzienlijke stijging van de operationele kosten, in het bijzonder vanwege de hogere brandstofkosten, en vanwege de lagere waarde van vis bij eerste verkoop, waardoor de visserijinspanningen in veel gevallen moeten worden opgevoerd;

L.  overwegende dat het beheer van talrijke bestanden van verschillende soorten die als belangrijke doelsoort gelden in veel regio's aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van zware beperkingen aan de visserij en de kleine visserijgemeenschappen;

M.  overwegende dat in de kustvisserij voornamelijk gebruik wordt gemaakt van traditioneel vistuig en traditionele technieken, bijvoorbeeld visvallen zoals de almadraba, die op grond van hun specifieke kenmerken bepalend zijn voor de identiteit en levenswijze van kustregio's, en dat het cruciaal is om het gebruik ervan in stand te houden en ze te beschermen als een element van cultureel, historisch en traditioneel erfgoed;

N.  overwegende dat de kleinschalige visserij bijdraagt aan de levensvatbaarheid van kust- en eilandgemeenschappen door de ontvolking af te remmen en de strijd aan te binden met de vergrijzing van de visserijsector en werkloosheid; overwegende dat ontwikkeling en innovatie een fundamentele rol kunnen spelen bij het creëren van werkgelegenheid in deze gemeenschappen; overwegende dat de kleinschalige visserij daarnaast in bepaalde zones gebruikmaakt van traditioneel vistuig en aloude technieken die milieuvriendelijker zijn en een minder groot effect hebben op de status van bedreigde bestanden;

O.  overwegende dat de kleinschalige, kust- en traditionele visserij milieuvriendelijke sectoren zijn en het economische fundament vormen voor de instandhouding en ontwikkeling van kust- en eilandgemeenschappen en de werkgelegenheid in deze gemeenschappen;

P.  overwegende dat krachtens de Middellandse-Zeeverordening de classificatie van gesleept vistuig ook trawlnetten en zegennetten omvat, hoewel andere indelingen, zoals die van de Voedsel- en Landbouworganisatie, zegennetten als een aparte groep vistuig beschouwen; overwegende dat bepalingen betreffende gesleepte trawlnetten niet mogen worden toegepast op traditionele zegennetten voor kustvisserij, die gebruikt worden om niet-bedreigde vissoorten te vangen;

Q.  overwegende dat hoewel er gesproken wordt over innovatie en diversificatie in de visserijsector, er rekening moet worden gehouden met het feit dat een groot deel van de visserijgemeenschap sterk afhankelijk is van traditionele, eeuwenoude vormen van visserij;

R.  overwegende dat in het nieuwe GVB het belang wordt ingezien van visserijafhankelijke kust- en eilandregio's, en overwegende dat in het kader van de rol die de lidstaten op zich moeten nemen door een passende levensstandaard te waarborgen voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten, door bij te dragen aan de verwezenlijking van die standaard in de context van kustvisserij, en door duurzame kustvisserij, de diversificatie van de visserijactiviteiten en de inkomens van de bewoners van deze kustgebieden te bevorderen, daarbij tevens rekening houdend met de culturele, sociaaleconomische realiteit en milieufactoren, ook de nadruk moet worden gelegd op het belang van opleiding en de veiligheid en gezondheid op zee voor vissers, in overeenstemming met de bijzondere bescherming als bedoeld in artikel 174 VWEU;

S.  overwegende dat de nieuwe verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid preferentiële toegang verleent aan kleinschalige, kust- en traditionele vissers binnen een zone die zich uitstrekt over 12 zeemijlen, d.w.z. in het meest kwetsbare deel van de EU-wateren, en overwegende dat uit de evaluatie van de Commissie van de oude verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid bleek dat de 12-zeemijlszone een van de zeldzame successen van de oude beheersregeling was, als gevolg waarvan talrijke spanningsvelden ontstonden tussen het gebruik van de ruimte en de middelen, en andere, overlappende menselijke activiteiten in de kustgebieden;

T.  overwegende dat in artikel 349 VWEU is vastgelegd dat bij de goedkeuring van maatregelen, met name maatregelen die van toepassing zijn op de visserijsector, rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden, waarbij de nadruk ligt op hun geografische afzondering, afgelegen ligging en oceanische omstandigheden in een regionale context die vaak heel specifiek is en waarin behoefte is aan zelfredzaamheid op het vlak van voedselproductie;

U.  overwegende dat moet worden opgemerkt dat de kustvisserij vanwege de bijzondere geografische kenmerken van de ultraperifere gebieden en hun zeer grote afstand van het Europa vasteland onlosmakelijk verbonden is met de economische ontwikkeling van deze regio's;

V.  overwegende dat de kustvisserij in de ultraperifere gebieden ook te kampen heeft met de concurrentie van onder de vlag van een derde land varende vaartuigen die in dezelfde visserijzones actief zijn en op dezelfde soorten vissen voor dezelfde afzetmarkten, naast de concurrentie van import uit derde landen waarvan de exploitatiekosten en de wettelijke, sanitaire en milieuvoorschriften totaal verschillend zijn; overwegende dat in deze context alle inspanningen die bijdragen aan de eigen ontwikkeling en zelfredzaamheid op het vlak van voedselproductie teniet zou worden gedaan zonder steun van het specifieke beleid van de EU in deze regio's;

W.  overwegende dat in de ultraperifere gebieden de mariene aquacultuur samen met de kustvisserij bijdraagt aan de economische ontwikkeling en aan het aanbod van verse producten op de lokale markt;

X.  overwegende dat de meerderheid van de kustregio's, met name in Zuid-Europese landen en eilandregio's, te maken heeft met een aanzienlijke economische achteruitgang, wat resulteert in ontvolking en de massale verhuizing van hun inwoners, die op zoek gaan naar mogelijkheden in gebieden met betere vooruitzichten op werkgelegenheid en onderwijs;

Y.  overwegende dat de Europese crisis heeft aangetoond dat Europa zijn economische activiteiten moet diversifiëren en dat er nieuwe kennis- en innovatiemodellen moeten worden geanalyseerd waarmee nieuwe werkgelegenheid zou kunnen worden gecreëerd op lokaal niveau;

Z.  overwegende dat sommige van de kustvisserij afhankelijke regio's zich in de nabijheid van economisch ontwikkelde regio's en toeristische bestemmingen bevinden, maar toch niet in staat zijn om toereikende economische groei te genereren; overwegende dat de druk om te leven van de opbrengsten van de zee in die regio's steeds groter wordt, en dat de visserijsector gemarginaliseerd wordt ten behoeve van toerisme, ook als beide sectoren naast elkaar kunnen bestaan en elkaar zelfs kunnen aanvullen;

AA.  overwegende dat het bijhouden van een logboek voor kleine ondernemingen in de kustvisserij vaak een administratieve last vormt en dat meer flexibiliteit wenselijk is;

AB.  overwegende dat deze druk van de toeristische sector op kustgebieden hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door bepaalde concrete activiteiten, zoals niet-gecontroleerde recreatievisserij, die in sommige gebieden een negatief effect hebben op de opbrengsten van de zee en op de zakelijke mogelijkheden voor de bewoners van traditionele visserijgebieden;

AC.  overwegende dat de oprichting van plaatselijke actiegroepen voor de visserij (Fisheries Local Action Groups, FLAG’s) in van visserij afhankelijke gebieden cruciaal is, aangezien zulke groepen erkend worden als een nuttig instrument dat kansen en mogelijkheden biedt voor de diversificatie van visserijactiviteiten, wat uiteindelijk leidt tot de algehele ontwikkeling en de sociale samenhang van kust- en eilandregio's, en dat er dus meer economische middelen nodig zijn om deze groepen te kunnen vormen en te laten opereren in de desbetreffende gebieden;

AD.  overwegende dat vrouwelijke schaal- en schelpdiervissers onzichtbaar blijven en dat vrouwen in het algemeen ondervertegenwoordigd zijn in visserijactiviteiten;

AE.  overwegende dat vrouwen die in de visserij werken als nettenmaakster, cateraar, losser of inpakster als groep onzichtbaar blijven;

AF.  overwegende dat de economische crisis ook voelbaar is in de visserijsector, met name bij bevolkingsgroepen die het hardst getroffen zijn door werkloosheid, zoals jongeren en vrouwen, en dat daarom diversificatie en innovatie noodzakelijk zijn om meer werkgelegenheid te creëren, nieuwe mogelijkheden zoals blauwe en groene ontwikkeling te benutten, en de marginalisering van visserij in ontwikkelings- en ultraperifere regio's te voorkomen en te bestrijden; overwegende dat er speciale aandacht moet uitgaan naar beroepsopleidingen;

AG.  overwegende dat diversificatie in kust- en eilandregio's tot stand kan worden gebracht door middel van activiteiten in verband met de marketing en promotie van visproducten, gastronomie, toerisme, cultureel, historisch en traditioneel erfgoed, het milieu en groene groei;

AH.  overwegende dat het concept van de blauwe economie zich ontwikkelt en een sterke impuls kan geven aan de economische groei en ontwikkeling en bovendien banen kan scheppen, in het bijzonder in kust- en eilandstaten en -regio's en ultraperifere gebieden;

AI.  overwegende dat de kust- en eilandgemeenschappen een fundamenteel belang hebben bij de uitwerking van het concept "blauwe economie";

AJ.  overwegende dat met het EU-initiatief "Innovatie-Unie" tekortkomingen worden vastgesteld en erkend die de ontwikkeling van onderzoek en innovatie beperken en in de weg staan, zoals ontoereikende investeringen in wetenschap, het gebrek aan adequate gegevens over zeeën en oceanen, onvoldoende financiering en een gebrek aan samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector;

AK.  overwegende dat de ontwikkeling van de blauwe economie kan bijdragen aan algehele economische groei, in het bijzonder in kust- en eilandregio's en ultraperifere gebieden, en dat juist die van visserij afhankelijke regio's een belangrijke rol moeten spelen in de ontwikkeling van innovaties en betrokken zouden moeten worden bij elke fase van de ontwikkeling van de blauwe economie;

AL.  overwegende dat in de visserijsector, net als in andere sectoren, het milieu en de economie met elkaar verweven zijn; overwegende dat in de ontwikkeling van de blauwe economie de nadruk dan ook moet komen te liggen op de sociale economie en op duurzame en milieuvriendelijke projecten en activiteiten die erop gericht zijn nieuwe activiteiten aan de kust te ontwikkelen en het maritieme milieu en de biodiversiteit als geheel te behouden, waarbij in het bijzonder steun moet worden verleend aan milieuvriendelijke ambachtelijke visserijactiviteiten waarmee de biodiversiteit wordt bevorderd; overwegende dat deze projecten en activiteiten ook vanuit sociaal en economisch oogpunt duurzaam moeten zijn om ervoor te zorgen dat de kleinschalige visserij levensvatbaar blijft;

AM.  overwegende dat de blauwe economie ook kan bijdragen aan de ontwikkeling van de veiligheid aan boord van vissersvaartuigen en aan betere arbeidsomstandigheden en het dagelijks welbevinden van de vissers;

AN.  overwegende dat de milieu- en selectiviteitsdoelstellingen voor alles en iedereen op dezelfde manier gelden, maar dat het voor kleine vissersvaartuigen moeilijk zal zijn te voldoen aan de aanlandingsverplichting voor bijvangsten;

AO.  overwegende dat antropogene invloeden, d.w.z. menselijke activiteiten, in kustregio's onderschat zijn bij de problematiek in verband met milieubescherming; overwegende dat de cumulatieve effecten van de diverse activiteiten op kustregio's niet naar behoren erkend of beoordeeld zijn; overwegende dat activiteiten die plaatsvinden in sommige gebieden, zoals zeevervoer, toerisme, niet-gecontroleerde en uitputtende recreatievisserij in een aantal gebieden, de verkoop van soorten die uit een dergelijke activiteit zijn verkregen, stroperij, lozing van stedelijk en industrieel afvalwater van het vasteland enz. met name van invloed zijn op de visserijsector;

AP.  overwegende dat kennis van het mariene milieu, met name van de toestand waarin het mariene ecosysteem zich bevindt, cruciaal is voor de beoordeling van de gevolgen van verschillende activiteiten voor het milieu, evenals de vaststelling van passende beschermingsmaatregelen en controleprogramma's met als doel het herstel van de visbestanden, het duurzame gebruik van hulpbronnen en de ontwikkeling van innovaties te bevorderen; overwegende dat gegevens over het mariene milieu ontoereikend en niet goed gesystematiseerd zijn;

AQ.  overwegende dat illegale visserij in bepaalde regio's een reële dreiging vormt voor het voortbestaan van de ambachtelijke kustvisserij en voor de instandhouding van de visbestanden en de biodiversiteit;

AR.  overwegende dat het geïntegreerd maritiem beleid een antwoord moet bieden op de nieuwe uitdagingen waarmee de zeeën, de industrie en de vissers in heel Europa worden geconfronteerd, van milieubescherming tot de ontwikkeling van kustregio's, in de vorm van aquacultuur, watersporttoerisme en andere economische activiteiten die verband houden met blauwe groei;

1.  verzoekt de Commissie de definitie van kustvisserij, kleinschalige kustvisserij en traditionele visserij aan te passen aan de sociaaleconomische kenmerken en bijzonderheden van de verschillende regio's en niet alleen aan de afmetingen en het vermogen van vissersvaartuigen, aangezien de huidige EU-regelgeving niet volstaat; stelt voor regionalisering toe te passen om de definitie van kustvisserij per geval aan te passen aan de bijzonderheden van elke visserijsector; stelt voor om rekening te houden met een aantal indicatieve criteria, zoals de grootte van de vaartuigen, het gebruikte vistuig, de selectiviteit van vistechnieken, de duur van visreizen en de eventuele aanwezigheid van de eigenaar op het vissersvaartuig, de traditionele modellen van ondernemerschap en de eigendoms- en bedrijfsstructuren die van oudsher worden toegepast in deze gebieden, de betrokkenheid van de vangstsector bij de verwerking en verkoop, de werkelijke aard en omvang van de vangstactiviteiten en andere factoren die verband houden met traditionele visserijactiviteiten, de steun van bedrijven en de invloed op lokale gemeenschappen;

2.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid van kleinschalige kustvisserij te overwegen voor eilandgemeenschappen die van oudsher afhankelijk zijn van de visserij voor hun eigen levensonderhoud en zich het hele jaar door bezighouden met visserijactiviteiten;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de quota voor de ambachtelijke visserij geleidelijk te verhogen, om dit in sociaal en ecologisch opzicht duurzame type visserij een impuls te geven;

4.  verzoekt de Commissie zich te scharen achter innovatieve projecten en wettelijke bepalingen waarmee de ontwikkeling van kust- en eilandregio's en de ultraperifere gebieden mogelijk wordt gemaakt, met inachtneming van de verscheidenheid aan sociaaleconomische activiteiten, als manier om de positieve externe effecten van kleinschalige visserij een impuls te geven, zowel vanuit het oogpunt van sociale en economische cohesie als van milieubescherming, via nieuwe soorten steun in het kader van de bestaande Europese financiering; benadrukt dat de prioriteit moet komen te liggen bij projecten die gericht zijn op het scheppen en behouden van duurzame banen, de toenemende betrokkenheid van de vangstsector bij de verwerking en de verkoop, de bevordering van modellen van ondernemerschap die gekoppeld zijn aan de sociale economie, de bevordering van korte afzetketens, de invoering van nieuwe technologieën op het gebied van de promotie en verkoop van visserijproducten- en diensten, innovatie in de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten en de instandhouding en bescherming van traditionele functies;

5.  is van mening dat bij de herziening van het kader van technische maatregelen rekening moet worden gehouden met de bijzonderheden van de kustvisserij en dat er in het kader van de regionalisering bepaalde goed gemotiveerde uitzonderingen moeten worden toegestaan;

6.  verzoekt de Commissie een Europees onderzoek naar het effect van recreatievisserij langs de kust op traditionele visserijactiviteiten te coördineren en de parameters te bepalen die nodig zijn om de recreatievisserij langs de kust in bepaalde gebieden terug te dringen; wenst dat de controle op deze activiteit wordt opgevoerd om interferentie tussen de vangstsector en deze praktijken, die in ultraperifere gebieden met een sterke toeristische sector al een bron van zorg vormen, te voorkomen;

7.  verzoekt de lidstaten bij de toekenning van financiering uit het EFMZV de kleinschalige kustvisserij voorrang te geven en de procedures voor de exploitanten van deze visserij beter te stroomlijnen;

8.  spoort de bij de bevordering van deze activiteiten betrokken autoriteiten aan om alle lokale belanghebbenden, ondernemersverenigingen, onderzoeksinstellingen op het gebied van visserij en oceanografie, universiteiten, technologische centra en lokale en regionale instituten te betrekken bij de innovatieprocessen om ervoor te zorgen dat er met behulp van deze projecten alomvattende maatregelen kunnen worden genomen, dat de financieringsmogelijkheden ervan worden verruimd en dat ze voldoende worden ondersteund om te voldoen aan de eisen van het Europees Visserijfonds;

9.  verzoekt de Commissie rekenschap af te leggen aan het Parlement over de door de lidstaten in het kader van het EFMZV opgestelde actieplannen voor de ontwikkeling, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de kleinschalige kustvisserij;

10.  verzoekt de Commissie de benodigde maatregelen uit te voeren om de verschillende groepen vrouwen in de maritieme sector te ondersteunen om hun participatie en vertegenwoordiging in alle domeinen te bevorderen, zowel bij de besluitvorming als bij visserijactiviteiten;

11.  verzoekt de Commissie specifieke maatregelen in te voeren voor de erkenning en verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de vrouwen die werken als netmaakster, cateraar, losser en inpakster;

12.  verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten de rol te versterken van het Europees Netwerk van visserijgebieden (FARNET), dat aanzienlijke bijstand verleent aan FLAG’s;

13.  verzoekt de Commissie de oprichting en werkzaamheden van FLAG’s te bevorderen en een impuls te geven door meer economische middelen beschikbaar te stellen, aangezien deze groepen door middel van constante en directe ondersteuning en advisering van de visserijsector een duurzaam en sociaal inclusief ontwikkelingsmodel in visserijgebieden bevorderen, jongeren en vrouwen inspireren om deel te nemen aan nieuwe zakelijke projecten en bijdragen aan innovatie, modernisering van de infrastructuur, economische investeringen en diversificatie, evenals aan lokale beheerplannen van de visserijbedrijven zelf; verzoekt de Commissie de rol en de functie van de bevoegde instanties bij de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve activiteiten te versterken en nauw samen te werken met de verschillende exploitanten in de sector;

14.  verzoekt de Commissie bij te dragen aan de versterking van de rol van visserijgemeenschappen in de plaatselijke ontwikkeling en in het beheer van plaatselijke visserijhulpbronnen en maritieme activiteiten;

15.  verzoekt de Commissie stil te staan bij de bijzondere rol van vrouwen in de economie van kustgebieden en dienovereenkomstig te handelen, zoals in de landbouwsector al gebeurt; pleit voor een erkenning van het bedrag als onderdeel van het bbp waarmee vrouwen in ondersteunende functies hun steentje bijdragen en van het grote belang van hun rol in huishoudens waar de klassieke rolverdeling tussen man en vrouw tot gevolg had dat de vangstactiviteiten uitsluitend door mannen werden verricht; verlangt dat er op alle niveaus meer beroepsmatige erkenning komt voor de traditionele rol van vrouwen in de sector en pleit voor de ontwikkeling van speciale programma's om vrouwelijke ondernemers in deze gebieden te ondersteunen;

16.  verzoekt de Commissie investeringen in de diversificatie van de visserijsector te bevorderen en te steunen met de ontwikkeling van elkaar aanvullende activiteiten en flexibelere carrières in de visserijsector, met inbegrip van investeringen in vaartuigen, veiligheidsuitrusting, opleidingen, milieudiensten in de visserijsector, en culturele en onderwijsactiviteiten, met bijzondere aandacht voor milieubescherming en de bevordering van duurzame groei; benadrukt dat de hoofddoelstelling moet zijn om activiteiten te financieren die in sociaal, ecologisch en economisch opzicht levensvatbaar zijn en werkgelegenheid kunnen scheppen, met name voor jongeren en vrouwen; benadrukt dat de mariene aquacultuur compatibel is met en complementair is aan de kustvisserij in de ultraperifere gebieden, en verzoekt de Commissie de ontwikkeling van kweektechnieken en technieken voor soortenselectie in de warme wateren van de tropische en subtropische zones te ondersteunen; verzoekt de Commissie de aandacht te vestigen op de rol van vrouwen in de kleinschalige visserij en alle daarmee samenhangende activiteiten;

17.  verzoekt de Commissie de totstandbrenging en de ontwikkeling van visserijtoerisme te bevorderen met het oog op de toepassing van een gedifferentieerde commerciële strategie die aansluit op het potentieel van dit segment, en waarmee op effectievere wijze tegemoet kan worden gekomen aan de behoeften van deze sector, en er wordt toegewerkt naar een nieuwe vorm van toerisme waarin onder meer kwaliteit, flexibiliteit, innovatie en de instandhouding van historisch en cultureel erfgoed van visserijgebieden, milieu en gezondheid centraal staan; verzoekt de Commissie daarnaast om investeringen in de visserij op het vlak van toerisme te bevorderen en te steunen teneinde een gedifferentieerd toeristisch aanbod te ontwikkelen door gastronomie op basis van ambachtelijke visproducten, hengelsporttoerisme, onderwater- en duiktoerisme enz. te stimuleren en op die manier bij te dragen tot een duurzame exploitatie van visserijtradities en de herkenbaarheid van een bepaald visgebied;

18.  wijst op het toenemende belang van watersportactiviteiten om plaatselijke gemeenschappen nieuw leven in te blazen, in het bijzonder in het laagseizoen, via nieuwe onderwatersporten, duiken of andere watersporten, zoals surfen of bodyboarden;

19.  verzoekt de Commissie in het belang van de totstandbrenging en de ontwikkeling van visserijtoerisme investeringen in de diversificatie van visserij op het vlak van cultuur en als onderdeel van het traditioneel erfgoed (ambachten, muziek en dans) actief te bevorderen en te steunen en om investeringen in de promotie van traditie, geschiedenis en visserijtradities in het algemeen te steunen (vistuig, technieken, historische documenten, enz.) door musea te openen en tentoonstellingen te organiseren die nauw verband houden met kustvisserij;

20.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het gemengde gebruik van vaartuigen die bedoeld zijn voor de vangst zodat deze, zonder hun vangstfunctie te verliezen, ook kunnen worden gebruikt voor andere activiteiten die verband houden met toerisme en recreatie, zoals informatiedagen over activiteiten op het water, of activiteiten in verband met de verwerking, didactische of gastronomische activiteiten, enz., volgens de formule die in de rurale sector al met succes wordt toegepast en waarvan landbouwscholen en agrotoerisme deel uitmaken;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er via hun beheersinstanties voor te zorgen dat de kleinschalige kustvisserij een billijk gedeelte van financiering uit het EFMZV ontvangt, met name gezien de administratieve verplichtingen die aan deze sector worden opgelegd;

22.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen uit te werken om de mobiliteit tussen maritieme beroepen aan te moedigen en te bevorderen;

23.  verlangt dat de resultaten van onderzoeken en projecten die gefinancierd zijn uit de overheidsbegroting onder bepaalde voorwaarden openbaar worden gemaakt om een betere vrijgave van en toegang tot bestaande gegevens over zeeën en oceanen te verkrijgen, en om de bestaande administratieve obstakels die groei en de ontwikkeling van innovaties belemmeren weg te nemen;

24.  beveelt de Commissie aan de regelgeving te verbeteren door mechanismen in te voeren voor toezicht op de eerlijke toekenning van quota aan kleinschalige vissers die op dezelfde soorten vissen;

25.  benadrukt dat het belangrijkste product van de visserij de vis zelf is en dat de uiteenlopende manieren waarop vis kan worden gebruikt beter onder de aandacht moeten worden gebracht, waaronder vis uit blik en het gebruik van bijproducten van vis; verzoekt de Commissie investeringen in de diversificatie van visserij op het vlak van het op de markt brengen en de verwerking van plaatselijke visproducten actief te bevorderen en te steunen, de ontwikkeling van lokale distributiekanalen een impuls te geven, deze producten aan de man te brengen met lokale onderscheidende symbolen en/of handelsmerken voor verse producten, en door het opzetten van lokale zakelijke projecten te steunen die gericht zijn op het uitvoeren van deze activiteiten; wijst erop dat deze bevordering van innovatie met name gericht moet zijn op de ontwikkeling van keurmerken en labels waarmee de kwaliteit van de lokale visserijproducten wordt gegarandeerd;

26.  pleit voor meer flexibiliteit met betrekking tot logboeken voor vaartuigen van minder dan 12 meter, met name ten aanzien van de verplichting om de documenten binnen 48 uur te verzenden, die een zware administratieve last vormt; stelt in dit verband voor een vrijstelling van deze verplichting in te voeren voor vaartuigen die al hun vis per opbod verkopen, waardoor de gewenste gegevens kunnen worden verkregen zonder een overbodige administratieve last op te leggen;

27.  moedigt de aanleg van beschermde mariene gebieden aan, hetgeen de toename van duurzame visbestanden in de hand zal werken en de controle op en de bestrijding van illegale, niet-gerapporteerde en niet-gereguleerde visserij zal vergemakkelijken; onderstreept dat de EU de lidstaten in dit verband passende ondersteuning, coördinatie en begeleiding moet bieden;

28.  pleit voor grote steun voor het werk van vrouwen, aangezien vrouwen een essentiële rol spelen in de kleinschalige visserij; wijst daarbij in het bijzonder op de belangrijke taken die vrouwen vervullen in de verwerkingsketen en op hun essentiële rol in de schaal- en schelpdiervisserij;

29.  merkt op dat de kustvisserij van de ultraperifere gebieden vanwege de hoge extra kosten die daarmee gemoeid zijn, in aanmerking komt voor een vergoedingsregeling die in het kader van het EFMZV wordt erkend; verzoekt de Commissie deze regeling aan te vullen met een specifiek mechanisme voor de ultraperifere gebieden naar het voorbeeld van de Posei-regeling voor de landbouw;

30.  verzoekt de Commissie om steun voor een intensiever gebruik van verse producten van de kleinschalige visserij, de schaal- en schelpdiervisserij en de duurzame extensieve aquacultuur op kleine schaal in kantines en andere openbare eetgelegenheden (scholen, ziekenhuizen, restaurants, enz.);

31.  wijst nadrukkelijk op de bijzonderheden van de ultraperifere gebieden als gevolg van hun afgelegen ligging en hun insulaire karakter; benadrukt dat deze bijzonderheden extra kosten met zich meebrengen voor de kustvisserij in deze gebieden en dat deze extra kosten volledig moeten worden vergoed in het kader van het EFMZV;

32.  benadrukt dat kustvisserijvloten in de ultraperifere gebieden vaak bestaan uit verouderde vaartuigen, wat tot veiligheidsproblemen aan boord leidt; verzoekt de Commissie voor te stellen Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het EFMZV te herzien om toestemming te geven voor steun voor de vernieuwing van vaartuigen van de kleinschalige kustvisserij in de ultraperifere gebieden, op voorwaarde dat de capaciteit niet wordt uitgebreid;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten mariene en ecologische gegevens vrij te geven met als doel de transparantie, innovatie en ontwikkeling te bevorderen, en alle geïnteresseerde partijen toegang te verschaffen tot wetenschappelijke informatie die tot stand is gekomen met de medefinanciering door de overheid;

34.  wijst op het nog grotendeels onbenutte potentieel van de oceanen en kustgebieden wat betreft ontwikkeling, werkgelegenheid, energieautonomie, innovatie en duurzame ontwikkeling; is van mening dat indien de EU deze rol en dit potentieel erkent, de kust-, insulaire en ultraperifere gebieden aantrekkelijker zullen worden en zich sterker zullen ontwikkelen;

35.  maakt zich zorgen over de toepassing van het Horizon 2020-programma op het gebied van de blauwe economie, aangezien dat het grootste programma voor onderzoek en de ontwikkeling van innovatie op Europees niveau is; pleit ervoor om in het kader van Horizon 2020 een kennis- en innovatiegemeenschap voor de blauwe economie op te richten waarmee activiteiten in kustregio's worden gestimuleerd via transnationale publiek-private partnerschappen;

36.  bepleit het gebruik van middelen die bestemd zijn voor innovatie en blauwe groei, voor de financiering van fundamenteel onderzoek, O&O, opleiding, de oprichting van bedrijven, milieubescherming en het op de markt brengen van innovatieve producten en procedés;

37.  verzoekt de Commissie steun te verlenen als onderdeel van initiatieven voor het rechtstreeks beheer van projectfinanciering, waarbij de nadruk ligt op kustvisserij en de ontwikkeling van kustregio's;

38.  benadrukt het belang van instrumenten voor milieubescherming, zoals milieueffectbeoordelingen voor afzonderlijke projecten en strategische milieubeoordelingen voor strategieën, plannen en programma's, die bijdragen aan duurzame visserij;

39.  wijst op het belang van het geïntegreerd maritiem beleid voor de toekomst van de regio's die afhankelijk zijn van de visserij, en is van mening dat er sterker moet worden ingezet op de strategie voor blauwe groei; pleit ervoor om duurzame groei op de lange termijn te ondersteunen in alle mariene en maritieme sectoren, waarbij het belang van de zeeën en oceanen als motor voor het scheppen van werkgelegenheid en banen in kustregio's moet worden onderkend;

40.  benadrukt dat kust- en eilandregio's en de ultraperifere gebieden de belangrijkste spelers bij de ontwikkeling van innovatie zijn en dat zij betrokken moeten worden bij elke fase van de ontwikkeling van de blauwe economie;

41.  benadrukt het belang van het EFMZV, dat zich met name richt op diversificatie en innovatie in de visserijsector met als doel visserijbedrijven te ondersteunen die ecologisch en sociaaleconomisch duurzaam, innovatief, concurrerend, doeltreffend en op kennis gebaseerd zijn; pleit ervoor om de financiering voor de vierde as van het Europees Visserijfonds te versterken om inwoners in visserijgemeenschappen te helpen hun levensomstandigheden te verbeteren door nieuwe activiteiten te ontwikkelen; verzoekt de Commissie de regionale componenten van het EFMZV zo spoedig mogelijk te valideren;

42.  benadrukt dat de banden tussen plaatselijke gemeenschappen en universiteiten/technologische centra moeten worden aangehaald, aangezien deze contacten bepalend zijn voor de oprichting van nieuwe starterscentra, die het mogelijk maken om nieuwe zakelijke ideeën op te doen in de maritieme sector;

43.  verzoekt de Commissie actief projecten te bevorderen waarmee steun beschikbaar komt voor de versterking van innovatie en technologische ontwikkeling met als doel nieuwe producten, uitrustingen, technieken en nieuwe of verbeterde systemen voor beheer en organisatie te ontwikkelen of in te voeren; verzoekt de Commissie de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de verschillende visserijgebieden te bevorderen en aan te moedigen om de ontwikkeling van innovatieve en duurzame visserijmethoden te stimuleren; acht het in dit verband onontbeerlijk om in het lesprogramma van beroepsopleidingen voor de zeevaart en visserij modules ondernemerschap en diversificatie op te nemen;

44.  dringt er bij de Commissie op aan om de oprichting van nieuwe, innovatieve ondernemingen in regio's die afhankelijk zijn van de visserij aan te moedigen, met stimulerende maatregelen voor ondernemerschap en de oprichting van start-ups die een grote kans van slagen hebben in de maritieme sector, om bij te dragen aan de diversificatie van de traditionele kustvisserij, het scheppen van banen en het aantrekken of in stand houden van de bevolking;

45.  verzoekt de Commissie om bij het ontwerpen van wetgevingsvoorstellen over het gebruik van visserijtechnieken en vistuig een selectieve aanpak toe te passen teneinde rekening te houden met de feitelijke gevolgen van deze visserijtechnieken en dit vistuig voor de visbestanden van de kleinschalige visserij in elk van de desbetreffende gebieden; verzoekt de Commissie om voor elk wetgevingsinitiatief een grondige effectbeoordeling uit te voeren waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elk visserijgebied; vindt dat een niet-selectieve aanpak voor het gebruik van vistuig en visserijtechnieken ernstige gevolgen heeft voor de levensvatbaarheid van toch al gemarginaliseerde kust- en eilandgemeenschappen, wat leidt tot verdere ontvolking en ontwikkeling en innovatie in de weg staat; is van mening dat er positieve discriminatie dient te worden toegepast op de ambachtelijke kustvisserij; is van oordeel dat deze aanpak, evenals het voorstel om drijfnetten te verbieden, suggereert dat de Commissie nog altijd probeert het gedecentraliseerde hervormde GVB, zoals dat door de medewetgever is goedgekeurd, aan te passen; herinnert de Commissie aan haar plicht om te opereren binnen het kader van regionalisering, als vastgelegd in de nieuwe GVB-verordening;

46.  merkt op dat mariene ecosystemen langs de kust kwetsbaar zijn en dringt er daarom bij de lidstaten en de Commissie op aan om overeenkomstig het voorzorgsbeginsel een evaluatie uit te voeren van de milieueffecten van alle activiteiten die van invloed kunnen zijn op de duurzaamheid van de visbestanden, zoals zeetransport, afval, vervoer, verontreiniging van de waterhoudende grondlaag, booractiviteiten of de bouw van nieuwe toeristische faciliteiten langs de kust;

47.  beveelt de Commissie aan de hoogste prioriteit toe te kennen aan het sociaaleconomische belang van de kleinschalige en de ambachtelijke kustvisserij in de EU, het hanteren van alternatieve methoden voor de vaststelling van de vlootsegmenten en het belang van diversificatie van de activiteiten in kustregio's die sterk afhankelijk zijn van de visserij; wijst erop dat er een corpus aan wetenschappelijke informatie moet worden verzameld waarmee het beheer van de ambachtelijke visserij kan worden verbeterd, om deze sector duurzaam te maken uit biologisch, sociaal, economisch en milieuoogpunt;

48.  verzoekt de Commissie voort te maken met het proces van de omzetting van de overeenkomst van de sociale partners inzake de tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende werkzaamheden in de visserijsector uit 2007 van de Internationale Arbeidsorganisatie naar een passend EU-wetgevingsinstrument;

49.  verzoekt de Commissie, in overeenstemming met de deskundige indeling van vistuig als vastgesteld in de Middellandse-Zeeverordening, rekening te houden met de verschillen tussen trawlnetten en zegennetten, om te zorgen voor de best mogelijke bepalingen ten behoeve van een duurzamer gebruik van beide soorten, uitgaande van de meest recente wetenschappelijke adviezen;

50.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de beoordeling van de status van visbestanden die van belang zijn voor kustvisserij wordt herzien, en benadrukt de noodzaak van een analyse van de gevolgen van kleinschalige visserij voor visbestanden, waaronder die van substantiëlere technieken zoals de tonijnvisserij, gezien het feit dat de soorten waarop gevist wordt in de kustvisserij van grote sociaaleconomische betekenis zijn, ofschoon deze slechts een klein deel van de totale vangst uitmaken, maar desondanks van groot belang zijn voor het voortbestaan van de vissers die hieruit hun dagelijkse inkomsten halen;

51.  uit zijn bezorgdheid over het verdwijnen van traditionele visserijtechnieken en vaardigheden ten gevolge van ongunstige regelgeving die van invloed is op kustgemeenschappen;

52.  verzoekt de Commissie de bepaling inzake de technische specificaties voor visnetten te wijzigen, zoals de minimale maaswijdte, de hoogte van de netten, de afstand tot de kust en de diepte waarop de netten mogen worden gebruikt, teneinde een meer evenwichtige oogst van de visbestanden te waarborgen en de biodiversiteit te behouden;

53.  verzoekt de Commissie de bepalingen van de bestaande verordening te wijzigen die de vereiste afstand tot de kust en de diepte waarop het vistuig mag worden gebruikt voorschrijven, teneinde rekening te houden met de specifieke geografische kenmerken van grensgebieden van de lidstaten;

54.  wijst op de noodzaak van een wijziging van de in 2006 aangenomen verordening betreffende beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van de visbestanden in de Middellandse Zee, die ook wel bekendstaat als de "Middellandse-Zeeverordening" en waarin de regels zijn vastgelegd voor de technische kenmerken van vistuig en het gebruik ervan; vindt dat deze verordening in overeenstemming moet worden gebracht met het nieuwe GVB (waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat het zeebekken met derde landen samen wordt beheerd), met name de doelstelling van de maximale duurzame opbrengst;

55.  benadrukt de noodzaak van effectieve coördinatie tussen de lidstaten om te waarborgen dat vissers tijdig uitgebreide informatie ontvangen over de tenuitvoerlegging van bestaande regelgeving en eventuele wijzigingen daarop;

56.  verzoekt de Commissie projecten in het kader van het cohesiebeleid te bevorderen die een bijdrage zullen leveren aan de bescherming van kust- en eilandgebieden als traditionele, culturele en historische visserijgebieden en maritiem erfgoed;

57.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de Europese fondsen aan te wenden voor de subsidiëring van een duurzaamheidscertificaat voor almadraba's, om de erkenning en bijdrage van deze vismethode te bevorderen;

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 167.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0438.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0291.
(4) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 24.


Externe dimensie van het GVB, met inbegrip van de visserijovereenkomsten
PDF 207kWORD 99k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over gemeenschappelijke regels met het oog op de toepassing van de externe dimensie van het GVB, met inbegrip van de visserijovereenkomsten (2015/2091(INI))
P8_TA(2016)0110A8-0052/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(2),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Verdrag van 10 december 1982 van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee,

–  gezien de Overeenkomst van 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van 10 december 1982 van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden,

–  gezien de gedragscode voor verantwoordelijke visserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), goedgekeurd in oktober 1995 de en daarmee verbonden instrumenten en richtsnoeren,

–  gezien het concept kwetsbaar marien ecosysteem (Vulnerable Marine Ecosystem-VME), dat naar voren kwam in besprekingen tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) en in zwang raakte na de goedkeuring van de AVVN-resolutie 61/105 van 2006, en het feit dat kwetsbare mariene ecosystemen gebieden zijn die kwetsbaar kunnen zijn voor de gevolgen van visserijactiviteiten,

–  gezien de 2009 "Azores Scientific Criteria and Guidance for identifying ecologically or biologically significant marine areas and designing representative networks of marine protected areas in open ocean waters and deep sea habitats" van het biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity-CBD),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid(3),

–  gezien de conclusies van de op 16 en 17 september 2015 gehouden conferentie van de adviesraad voor de vollezee-/verrezeevloot,

–  gezien Speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer van 20 oktober 2015 met als titel "Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0052/2016),

A.  overwegende dat volgens het verslag 2014 van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) getiteld "The State of World Fisheries and Aquaculture" het aantal overbeviste visbestanden tot 2008 gestaag is toegenomen maar in 2011 lichtelijk afnam;

B.  overwegende dat de EU een van 's werelds belangrijkste spelers in de visserijsector is en van oudsher zeer nadrukkelijk aanwezig en actief is in alle oceanen ter wereld dankzij een combinatie van vlootinspanningen, investeringen door EU-burgers, haar netwerk van bilaterale visserijovereenkomsten, haar ultraperifere regio's, en haar lidmaatschap van alle belangrijke regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), en overwegende dat de EU aandringt op goede praktijken en eerbiediging van de mensenrechten;

C.  overwegende dat een duurzaam beheer van de wereldwijde visbestanden alleen mogelijk is met multilateralisme en internationale samenwerking, ook op bilateraal niveau; overwegende dat voor de Unie een sleutelrol is weggelegd in het mondiale beheer van de zeeën en oceanen en dat de externe dimensie van het GVB gebaseerd moet zijn op een ambitieuze visie die coherent is met de interne dimensie van het GVB zoals voorzien in de basisverordening terzake;

D.  overwegende dat de FAO onlangs vrijwillige richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij heeft gepubliceerd die doelstellingen bevatten met betrekking tot de kleinschalige visserij, met name in ontwikkelingslanden;

E.  overwegende dat de EU een belangrijke markt voor visserijproducten is (zowel voor vis die gevangen is door de EU-vloten als import) en de grootste importeur van dergelijke producten, met een consumptie van, in volume, 11 % van de mondiale visserijproductie en een import van, in waarde, 24 % van de visserijproducten, hoewel zij slechts 8% van de mondiale visvangst voor haar rekening neemt; overwegende dat de EU een brede verwerkingsindustrie heeft met een belangrijke sociale dimensie die in stand moet worden gehouden;

F.  overwegende dat de externe dimensie van het GVB internationale overeenkomsten en visserij in gebieden die buiten de nationale jurisdictie vallen (ABNJ's) omvat, overwegende dat het biodiversiteitsverdrag en de FAO pleiten voor het inventariseren van in ecologisch of biologisch opzicht belangrijke mariene gebieden en kwetsbare mariene ecosystemen, en overwegende dat beschermde mariene gebieden belangrijke instrumenten zijn voor op ecosystemen gebaseerd beheer, zoals erkend wordt door regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's);

G.  overwegende dat de quota van de ROVB's vooral gebaseerd zijn op historische vangstniveaus waardoor de ontwikkelde landen een preferentiële toegang tot de wereldwijde visbestanden behouden; overwegende dat nu rekening moet worden gehouden met de visserijactiviteiten van aan zee gelegen ontwikkelingslanden die generaties lang afhankelijk zijn geweest van visbestanden in aangrenzende wateren, een feit dat de EU dient te eerbiedigen;

H.  overwegende dat er onderscheid gemaakt dient te worden tussen de noordelijke overeenkomsten met Noorwegen, IJsland en de Faeröer, en partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (PODV's) met andere landen;

I.  overwegende dat de EU moet streven naar beleidssamenhang met het ontwikkelingsbeleid, overeenkomstig artikel 201, lid 1, van het VWEU, dat het volgende bepaalt: "De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking";

J.  overwegende dat er in sommige gevallen onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de status van de visbestanden en over de totale vangst door plaatselijke vloten en vloten van derde landen met betrekking tot de visbestanden die de EU bevist in de wateren van derde landen, of die bestemd zijn voor de EU-markt, waardoor het moeilijk wordt om de grootte van het overschot in gemengde overeenkomsten te evalueren zoals vereist door het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS); overwegende dat het wenselijk zou zijn om te beschikken over meer en transparantere gegevens;

K.  overwegende dat de EU al het mogelijke moet doen om ervoor te zorgen dat de duurzamevisserijovereenkomsten die worden gesloten met derde landen wederzijdse voordelen opleveren voor de EU en de betrokken derde landen en voor hun plaatselijke bevolking en visserijsector;

L.  overwegende dat het piraterijprobleem ook negatieve gevolgen heeft voor regio's waar gereguleerde visserijactiviteiten plaatsvinden in het kader van bilaterale en multilaterale visserijovereenkomsten;

1.  is verheugd dat in de basisverordening van het GVB, voor het eerst, een hoofdstuk is opgenomen dat gewijd is aan de externe dimensie en onder meer minimumvoorwaarden voor bilaterale overeenkomsten, een verplichting om de samenwerking tussen ROVB's en de coherentie tussen de maatregelen die zij nemen te stimuleren, een uitdrukkelijke verwijzing naar gemeenschappelijke normen zowel binnen als buiten de wateren van de EU en een verklaring bevat dat maatregelen gebaseerd moeten zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies;

2.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de samenhang tussen het visserijbeleid, het milieubeleid, het handelsbeleid en de ontwikkelingssamenwerking wordt gewaarborgd;

3.  erkent het belang om de coherentie en verenigbaarheid van het bestaande rechtskader te handhaven en uit te breiden;

4.  vraagt om meer samenwerking tussen de Commissie-organen die zich bezighouden met visserij, namelijk DG MARE, DG DEVCO en DG TRADE;

5.  benadrukt dat de bevordering door de EU en de partners waarmee zij bilaterale en andere overeenkomsten heeft, van in maatschappelijk, economisch en milieuopzicht duurzame visserij op basis van transparantie en de participatie van niet-gouvernementele belanghebbenden, met name de beroepsvissers die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van visserij, van essentieel belang is om een toekomst te verzekeren voor kustgemeenschappen, het mariene milieu, de ontwikkeling van de plaatselijke industrie, de werkgelegenheid die wordt gegenereerd door de visserij, verwerking en handel, en de bijdrage van de visserij aan de voedselzekerheid;

6.  benadrukt dat het belangrijk is de bescherming van het ecosysteem te bevorderen en de visbestanden boven het niveau te houden dat nodig is om een maximale duurzame opbrengst te produceren, daar omvangrijkere visbestanden een belangrijk vereiste zijn om ontwikkeling van visserijgemeenschappen langs de kust in derde landen mogelijk te maken, overeenkomstig de vrijwillige FAO-richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij;

7.  benadrukt de noodzaak om steun te verlenen aan de ontwikkeling van lokale gemeenschappen die voor hun levensonderhoud voornamelijk afhankelijk zijn van de visserij en aan de visserijsector gerelateerde activiteiten; onderstreept de noodzaak van ondersteunende maatregelen ter bevordering van de overdracht van technologie en knowhow, capaciteitsbeheer, partnerschappen tussen meerdere belanghebbenden en andere investeringen die de visserijsector ten goede komen;

8.  wijst erop dat de milieunormen die ook op de externe visserij van de EU moeten worden toegepast de uitvoering van de op het ecosysteem gebaseerde benadering van visserijbeheer en de voorzorgsbenadering omvatten, om de geëxploiteerde visbestanden te herstellen en boven een niveau te houden dat in 2015 voor zover mogelijk de maximale opbrengst kan opleveren, en uiterlijk in 2020 voor alle visbestanden;

9.  onderstreept dat alle aspecten van de externe dimensie van het GVB gebaseerd moeten zijn op evenwichtige en wederzijds voordelige betrekkingen tussen de EU, haar lidstaten en haar partners wereldwijd, hetzij bilateraal (PODV's) of multilateraal (ROVB's), ten einde de duurzame ontwikkeling van de plaatselijke visserij-industrie te stimuleren; benadrukt dat dat evenwicht ook moet worden weerspiegeld in de EU-handelsovereenkomsten met derde landen, in overeenstemming met de beleidssamenhang voor ontwikkeling;

10.  dringt er bij de Commissie op aan in de externe dimensie van het GVB rekening te houden met de ultraperifere gebieden, inclusief de bilaterale overeenkomsten die zijn gesloten met derde landen, om ervoor te zorgen dat deze ten goede komen aan de plaatselijke visserij in de ultraperifere regio's;

11.  onderkent het werk dat de adviesraad voor de vollezee-/verrezeevloot verricht heeft om tot een standpunt te komen met betrekking tot de externe dimensie van het herziene GVB en de toepassing daarvan, in samenwerking met belanghebbenden uit derde landen;

12.  benadrukt dat de EU, voor haar externe visserijgerelateerde activiteiten (vangst, verwerking en op de markt brengen), haar strengste sociale en milieunormen moet bevorderen en strikte en doeltreffende controle- en inspectiemaatregelen moet treffen, en in al haar activiteiten transparantie moet betrachten teneinde eerlijke concurrentievoorwaarden in de EU-markt te waarborgen;

13.  erkent de rol van de externe dimensie van het GVB bij het creëren van werkgelegenheid (zowel in de EU als elders) en het bevoorraden van de EU-markten (en in sommige gevallen van plaatselijke markten), en als vehikel om technische, financiële en wetenschappelijke bijstand te verlenen aan derde landen, met name ondersteuning van de verbetering van de regelingen voor wetenschappelijk onderzoek, toezicht en controle en de ontwikkeling van haveninfrastructuur;

14.  is verheugd over het feit dat het beheer van de externe dimensie van het GVB door de EU in de afgelopen jaren aanzienlijk is verbeterd, zowel in termen van PODV's als de tenuitvoerlegging daarvan, met als resultaat dat de EU-vloten die zich in verre wateren begeven over het algemeen tot de meest progressieve behoren die voldoen aan strenge sociale en milieunormen; is van mening dat de EU dergelijke sociale en milieunormen moet stimuleren in de internationale context via ROVB's en haar netwerk van PODV's;

15.  onderkent dat wanneer de EU-vloot ophoudt visgronden te bevissen, deze vangstmogelijkheden kunnen worden verdeeld over andere vloten die veel minder strenge instandhoudings-, beheers- en duurzaamheidsnormen hanteren dan de normen die de EU bepleit en verdedigt;

16.  is van mening dat de verlening van sectorale steun aan de visserijsector in de PODV-partnerlanden van essentieel belang is om te voldoen aan hun toenemende behoefte wat betreft visserijbeheer, opbouw van de capaciteit voor wetenschappelijk onderzoek, aanleg en onderhoud van infrastructuur, en de opleiding van visserij-inspecteurs en personeel, en het verbeteren van het aanbod en de beschikbaarheid van vis met het oog op de voedselzekerheid van de bevolking in PODV-partnerlanden door steun te verlenen aan de werkzaamheden van vrouwen in de visserijsector;

17.  dringt derhalve aan op een betere koppeling tussen de sectorale steun die in het kader van de visserijovereenkomsten wordt verleend, en de instrumenten die in het kader van ontwikkelingssamenwerking beschikbaar zijn, met name het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en op volledige transparantie van de financiering van visserijprojecten en het gebruik van sectorale steun, om te zorgen voor juist gebruik van de EU-middelen;

18.  wijst opnieuw op de noodzaak om te beschikken over betere wetenschappelijke informatie over de status van de visbestanden en de vangst- en inspanningsgegevens met betrekking tot visserij buiten de EU-wateren, met name in de wateren van bepaalde aan zee grenzende ontwikkelingslanden, en om daarvoor middelen te gebruiken die beschikbaar zijn uit hoofde van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het EOF;

19.  merkt op dat, in overeenstemming met het recente verslag van de Rekenkamer over de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (POV's), een van de voornaamste doelstellingen van de POV's is dat alleen overschotten van visbestanden worden gevangen maar dat dit zeer moeilijk realiseerbaar is gebleken 'vanwege het ontbreken van betrouwbare, verifieerbare en toegankelijke informatie over de visbestanden en de activiteiten van de nationale visserijvloot of van andere vreemde vloten die eveneens toegang hebben gekregen van de partnerlanden; benadrukt in dit verband het belang van betrouwbare wetenschappelijke gegevens en onafhankelijke evaluaties achteraf van de doeltreffendheid van POV's;

20.  dringt erop aan dat de EU door middel van haar PODV's en haar werk in ROVB's de harmonisatie van de toegangsvoorwaarden voor alle buitenlandse vloten tot Afrikaanse wateren moet bevorderen voor tonijn en kleine pelagische en demersale soorten, met als doel gunstige omstandigheden te creëren voor vissers die op een duurzame en verantwoordelijke manier werken;

21.  vraagt om uitbreiding van de programma's van onafhankelijke waarnemers die bijdragen aan het toezicht op de visserij en de verzameling van wetenschappelijke gegevens;

22.  is ervan overtuigd dat duurzame en billijke exploitatie van grensoverschrijdende en gedeelde en over grote afstanden trekkende visbestanden uitsluitend door middel van regionaal visserijbeheer kan worden ontwikkeld, met inbegrip van programma's van waarnemers en inspectie- (in havens en op zee) en controlesystemen op regionaal niveau, zoals vereist door het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) en de visbestandenovereenkomst van de VN (UNFSA);

23.  merkt op dat een rechtskader bestaat voor regionaal beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden, samen met vele andere visbestanden, middels de ROVB voor tonijn en andere regionale organisaties voor visserijbeheer, hoewel enkele visserijen buiten het ROVB-netwerk blijven, en dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle betrokken visserijen zo spoedig mogelijk door een ROVB worden beheerd;

24.  vraagt de Commissie meer begrotingsmiddelen toe te wijzen aan de ROVB's, aangezien zij een sleutelrol vervullen bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOOV);

25.  stelt met bezorgdheid vast dat bepaalde andere visserijen, met name op gedeelde visbestanden die niet op volle zee aangetroffen worden, nog niet over een effectief platform beschikken voor regionale samenwerking en beheer; is van mening dat dit een ernstig probleem is, met name voor de visbestanden van kleine pelagische soorten in West-Afrika gezien hun strategische belang voor de voedselzekerheid, zoals vermeld in het recente advies van het Internationaal Hof voor het recht van de zee(4);

26.  dringt er bij de EU op aan haar invloed aan te wenden om ervoor te zorgen dat alle visserij met een regionale dimensie door een ROVB wordt beheerd; dringt er met name bij de EU op aan de Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan (CECAF) zover te krijgen dat zij een volwaardige ROVB wordt met een besluitvormingsautoriteit, i.p.v. een regionaal adviesorgaan van de FAO;

27.  is ervan overtuigd dat de EU, voorzover vissersvloten van de EU toegang hebben tot andere visserijen (bv. demersale visserij), op iedereen van toepassing zijnde maatregelen moet stimuleren om de harmonie tussen de industriële en de ambachtelijke vissersvloten te waarborgen, waarvoor een zonesysteem nodig kan zijn waarmee de lokale ambachtelijke visserijsector beschermd kan worden;

28.  vraagt om meer onderzoeken naar en een betere bescherming van diepzeesoorten en -habitats, met name die soorten en habitats die zeer kwetsbaar of fundamenteel voor de duurzaamheid van het ecosysteem op lange termijn zijn;

29.  spoort de Commissie aan een evenwichtige verdeling van de toewijzingen van toegang in ROVB's te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de sociale en milieugevolgen, de behoeften aan voedselzekerheid en het streven van ontwikkelingslanden om hun eigen visserij te ontwikkelen; wijst erop dat alle toewijzingen moeten gelden voor alle vloten, zowel verre visserijvloten als nationale vloten, en gebaseerd moeten zijn op de door de relevante ROVB's ontwikkelde juiste toewijzingscriteria;

30.  is ingenomen met het voorschrift in de basisverordening dat voor alle buitenlandse vloten die in een land actief zijn waarmee de EU een PODV heeft gesloten, soortgelijke voorwaarden voor toegang moeten gelden die duurzame visserijen bevorderen, wat een belangrijke maatregel is om ervoor te zorgen dat voor andere vloten van verre visserij dezelfde EU-normen gelden, in plaats van dat ze door die vloten worden ondergraven; moedigt de Commissie aan om aan dit voorschrift strikt de hand te houden;

31.  dringt er bij de EU op aan gebruik te maken van haar netwerk van PODV's en onderhandelingen in ROVB's om ervoor te zorgen dat onze partnerlanden de toegang van verre zeevisserijvloten beperken tot het overschot, zoals in het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) en het GVB wordt vereist, en preferentiële toegang verlenen aan vloten die van de beste sociale en milieupraktijken gebruikmaken voor de desbetreffende zone en visbestanden;

32.  is bezorgd over de mogelijke onderbreking van de visserijactiviteiten tussen twee protocollen, wanneer de onderhandelingen over een nieuw protocol lang aanslepen; verzoekt de Commissie de exploitanten juridische en economische zekerheid te bieden door voortzetting van de visserijactiviteiten tussen twee protocollen te garanderen;

33.  erkent het belang van de totstandbrenging van een breder kader met ontwikkelingslanden dat niet alleen visserij omvat, maar ook de eerdere en latere fasen in de toeleveringsketen;

34.  moedigt de EU aan geen onderhandelingen over PODV's aan te gaan met landen waar corruptie geaccepteerd wordt;

35.  erkent de noodzaak om een breder kader met ontwikkelingslanden tot stand te brengen dat visserij omvat samen met andere ontwikkelingsgerelateerde onderwerpen;

36.  acht het van belang dat visvergunningen erkend worden via de diplomatieke kanalen;

37.  erkent het belang voor ontwikkelingslanden van de visserij, met name de ambachtelijke visserij, vanwege de bijdrage die zij levert aan de voedselzekerheid, de lokale economie en de werkgelegenheid van zowel vrouwen als mannen, wat de rol onverlet laat van die industriële visserij-activiteiten die plaatsvinden in een verantwoord en transparant kader en die zorgen voor de sociaal-economische ontwikkeling van kustgebieden en de aanvoer van visserijproducten;

38.  onderstreept dat de EU zich moet houden aan haar verplichting om in maatschappelijk en milieuopzicht duurzame visserij in ontwikkelingslanden te bevorderen via alle EU-beleidsmaatregelen die verband houden met de visserij in ontwikkelingslanden (hulp, handel, visserij);

39.  benadrukt het belang van de integratie van vrouwen in de hele waardeketen, vanaf de financiering tot en met het verwerken en/of in de handel brengen van visproducten; is van mening dat het bevorderen van de toegang van vrouwen tot deze activiteiten hun economische en maatschappelijke positie zou versterken, hetgeen een belangrijke rol speelt in het dichten van de genderkloof; dringt erop aan dat in de betrekkingen van de EU met ontwikkelingslanden meer aandacht wordt besteed aan prioriteiten op het gebied van gelijkheid;

40.  onderstreept de noodzaak om lokale ontwikkeling te stimuleren met behulp van sectorale steun via een grotere verzelfstandiging van de visserij in de partnerlanden en daartoe met name de duurzame aquacultuur te versterken, de ambachtelijke visserij te behouden en te ontwikkelen, de wetenschappelijke kennis over de visbestanden te verbeteren en particuliere initiatieven van lokale actoren te versterken; verzoekt de EU om via PODV's goed bestuur en met name goed beheer van overheidsinkomsten uit visserij en financiële tegenprestaties aan te moedigen;

41.  is van mening dat de EU derde landen, om te beginnen derde landen waarmee zij een PODV sluit, dient aan te moedigen een regelgevend kader tot stand te brengen voor joint ventures met EU- en andere actoren in de vangst-, verwerkings- en verkoopsectoren; is van mening dat een dergelijk kader de beste manier is om ervoor te zorgen dat joint ventures worden opgezet en uitgevoerd overeenkomstig strenge duurzaamheids- en transparantienormen zoals die door het herziene GVB bevorderd worden, waardoor ook meer rechtszekerheid aan EU-belangen geboden wordt bij de ondersteuning van de ontwikkeling van duurzame visserij in derde landen;

42.  benadrukt dat transparantie, verantwoordingsplicht en participatie van belanghebbenden als essentiële elementen van de betrekkingen tussen de EU en derde landen op het gebied van visserij moeten worden beschouwd;

43.  benadrukt dat Europese investeringen in de visserij in derde landen die in het kader van joint ventures plaatsvinden, wel onder het GVB moeten vallen; onderstreept dat de EU via haar PODV's de dialoog met de partnerlanden zou moeten stimuleren over de totstandbrenging van een regelgevingskader om ervoor te zorgen dat in de sectoren voor vangst, verwerking en op de markt brengen actieve joint ventures, die bestaan uit partners uit de EU of andere landen, op transparante wijze te werk gaan, niet met de lokale ambachtelijke sector concurreren en bijdragen tot de ontwikkelingsdoelstellingen van het land in kwestie;

44.  schenkt aandacht aan het verslag van de Rekenkamer waarin wordt benadrukt dat de onderbenutting van de referentiehoeveelheden die in bepaalde recente protocollen zijn voorzien, leidt tot hoge kosten; verzoekt de Commissie derhalve onnodige kosten voor de EU-begroting op dit gebied zoveel mogelijk te vermijden;

45.  is van mening dat het Parlement een actievere rol zou moeten spelen dan de huidige goedkeuringsprocedure en dringt erop aan dat het in alle fasen van de procedures met betrekking tot de sluiting of verlenging van POV's onmiddellijk en volledig wordt ingelicht, teneinde de transparantie en democratische verantwoordingsplicht van de protocollen te vergroten;

46.  erkent het belang van de externe dimensie van het GVB bij het creëren van werkgelegenheid zowel in de EU als in onze partnerlanden, o.a. door het aanwerven van plaatselijke bemanningen in de context van PODV's; moedigt EU-vaartuigen aan hun vangsten, waar mogelijk, voor eerste verwerking aan te landen in de partnerlanden; dringt erop aan dat instrumenten voor de bescherming van werknemers en menswaardige arbeidsomstandigheden (met name Verdrag 188 van de Internationale Arbeidsorganisatie) worden opgenomen in Europese verordeningen inzake visserij en in PODV's, om dezelfde arbeidsomstandigheden, salarissen, bescherming van de rechten van werknemers en opleidingsniveaus te garanderen voor EU-onderdanen en andere nationaliteiten;

47.  is verheugd over de transparantiebepalingen in het meest recente protocol met Mauritanië, waarin dit land zich verbindt alle overeenkomsten openbaar te maken met zowel staten als particuliere entiteiten waarbij toegang wordt verleend aan buitenlandse vaartuigen tot zijn exclusieve economische zone (EEZ), en dringt erop aan dat dergelijke transparantiebepalingen in alle PODV's worden opgenomen;

48.  is eveneens verheugd dat het met Mauritanië gesloten protocol de EU-vloot prioritaire toegang tot de overschotbestanden van dat land verleent en spoort de Commissie aan om dit als voorbeeld te gebruiken bij het onderhandelen over protocollen met andere derde landen, rekening houdend met de hoge duurzaamheidsnormen waaraan de EU-vloot moet voldoen;

49.  spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat soortgelijke transparantiebepalingen worden opgenomen in andere toekomstige protocollen, waardoor een veel grotere transparantie inzake de totale visserijinspanning en toegangsvoorwaarden tot stand komt; dringt erop aan dat informatie over de totale vangsten van de vaartuigen van alle vloten die gemachtigd zijn in de Mauritaanse wateren te vissen, en de daarmee samenhangende toegangsvoorwaarden, voor het publiek beschikbaar zijn;

50.  verzoekt de Commissie om in de internationale organisaties waarin zij actief is, andere derde landen aan te moedigen over te gaan tot de publicatie van de voorwaarden van de met andere staten of particuliere entiteiten gesloten overeenkomsten, met inbegrip van de identiteit van vaartuigen die gemachtigd zijn om te vissen, hun activiteiten en hun vangsten; spoort derde landen bovendien aan om zich te houden aan de besluiten van de ROVB's, die de transparantie van visserijovereenkomsten bevorderen;

51.  moedigt andere derde landen aan de aanbevelingen, resoluties en besluiten van ROVB's ter bevordering van de transparantie van visserijovereenkomsten binnen de desbetreffende EEZ in overweging te nemen;

52.  is van mening dat de Commissie de transparantie zo spoedig mogelijk moet verbeteren door een databank op te zetten die alle particuliere overeenkomsten tussen of namens EU-reders en plaatselijke of regionale instanties of autoriteiten of derde landen bevat met betrekking tot toegang tot de visserij in derde landen, waaronder de toegangsvoorwaarden, toegestane vlootcapaciteit, de identiteit van de vaartuigen en de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, en dat deze databank publiekelijk toegankelijk moet zijn, behalve de onderdelen die commercieel gevoelige informatie bevatten;

53.  merkt op dat reders particuliere overeenkomsten met de regeringen van derde landen sluiten, die buiten het toepassingsgebied van het GVB vallen; is verontrust over het feit dat de Commissie niet systematisch in kennis wordt gesteld van dergelijke overeenkomsten; is bezorgd dat dit onder bepaalde omstandigheden zou kunnen leiden tot oneerlijke concurrentie met de lokale visserijgemeenschappen in ontwikkelingslanden, evenals met EU-reders die in het kader van bilaterale overeenkomsten opereren;

54.  is van oordeel dat vaartuigen die vissen op grond van de bepalingen van een PODV maar hun verplichtingen om hun lidstaat te voorzien van de uit hoofde van hun vismachtiging vereiste gegevens niet nakomen, bestraft moeten worden met de sancties als bepaald in de verordening inzake visserijcontroles en de IOO-verordening, en tevens dat er, waar nodig, geen vismachtiging aan hen mag worden verleend;

55.  betreurt het dat in eerdere ramingen van de omvang van de "externe vloot" gebruikgemaakt is van verschillende definities van de soorten vaartuigen, met als resultaat dat de bestaande ramingen niet vergelijkbaar zijn, hetgeen het onmogelijk maakt een analyse te verrichten van de omvang van de vloot en de ontwikkeling daarvan in de tijd, wat de transparantie ernstig beperkt; spoort de Commissie aan een definitie van de externe vloot te ontwikkelen die alle vaartuigen omvat die buiten de EU-wateren actief zijn, terdege rekening houdend met de relevante bepalingen van de noordelijke overeenkomsten, zodat historische vergelijking mogelijk wordt;

56.  merkt op dat, ondanks de rol die gespeeld wordt door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM), de verschillende regels die worden toegepast op de EU-vloten en de vloten van derde landen die in dezelfde wateren opereren, aanzienlijke problemen hebben veroorzaakt voor EU-vissers; acht het noodzakelijk dat de EU haar inspanningen in het Middellandse Zee-bekken verhoogt door nauwere samenwerking met de plaatselijke instanties, regionale organisaties, wetenschappelijke instituten, waarnemingsposten en landgebonden visserijclusters; is van mening dat de EU een rol moet spelen bij de oplossing van conflicten tussen vaartuigen op de Middellandse Zee, en verzoekt de Commissie te overwegen vissers die regelmatig confrontaties hebben met vaartuigen uit derde landen te steunen en bij te staan, en nauwere samenwerking aan te gaan met landen aan de zuidelijke oever van de Middellandse Zee;

57.  is ingenomen met de recente publicatie van de namen van de vaartuigen onder EU-vlag die gemachtigd zijn buiten de EU-wateren te vissen, en dringt er bij de Commissie op aan dergelijke informatie stelselmatig te publiceren, met inbegrip van gegevens over hun activiteiten en vangsten;

58.  merkt op dat transparantie een noodzakelijke voorwaarde is voor raadpleging en geïnformeerde participatie van belanghebbenden uit de visserijsector, met name beroepsvissers die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de visserij; is van mening dat dergelijke raadpleging en participatie moeten worden bevorderd in PODV's, met inbegrip van de onderhandeling over overeenkomsten en protocollen en de tenuitvoerlegging ervan, de toewijzing en het gebruik van sectorale steun, het werk dat verricht wordt in de ROVB's, en de toepassing van projecten voor ontwikkelingssamenwerking;

59.  merkt op dat de basisverordening een bepaling bevat dat vaartuigen die de EU verlaten en vervolgens terugkeren zich moeten registreren met informatie over de aan hun terugkeer voorafgaande activiteiten; is van mening dat dit vereiste dusdanig moet worden aangescherpt dat de gehele vlaggeschiedenis van een vaartuig moet worden verstrekt aan de Commissie en in de databank van het vissersvlootregister van de Gemeenschap moet worden opgenomen voordat het vaartuig in het register wordt ingeschreven;

60.  erkenthet werk dat verricht is door de EU ter bestrijding van IOO-visserij, die een bedreiging vormt van de visbestanden en een oneerlijke concurrentie voor vissers die zich wel aan de regels houden; erkent de bijdrage van de IOO-verordening aan de bevordering van duurzame visserij in de wereld; is van mening dat de EU, dankzij haar spilfunctie als 's werelds belangrijkste markt voor vis, de capaciteit heeft om steun te verwerven van andere staten, inclusief die staten waarmee zij PODV's heeft gesloten, en internationale actoren om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak en een effectieve mondiale regeling ter bestrijding van IOO-visserij;

61.  moedigt de ontwikkeling aan van een uniek internationaal systeem voor de registratie van alle vaartuigen die in internationale wateren varen;

62.  benadrukt dat de IOO-verordening rigoureus, objectief en op niet-discriminerende wijze moet worden toegepast om een "gelijk speelveld" tussen vloten en staten te bevorderen, en moedigt de Commissie en de lidstaten aan dit te doen; is voorts van mening dat, wil de verordening succesvol zijn, zij geen speelbal mag zijn van de kortetermijnbelangen van het EU-handelsbeleid en niet gebruikt mag worden door EU-visserijbelangen als een instrument om de concurrentie oneerlijk te verbeteren;

63.  verzoekt de Commissie om de opneming in de IOO-verordening van bepalingen inzake arbeidsomstandigheden te bestuderen;

64.  benadrukt dat de PODV's volledige traceerbaarheid van producten van de zeevisserij moeten waarborgen;

65.  is van mening dat door de EU gesloten bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten ecologisch duurzame en sociaal rechtvaardige voorwaarden moeten bevorderen voor de vervaardiging van visproducten in de betreffende derde landen, middels het gebruik van passende kwantitatieve en kwalitatieve beperkingen van de toegang tot de EU-markt, om de vooruitgang die met deze verordening wordt geboekt in de strijd tegen IOO-visserij niet te ondermijnen; is tevens van mening dat deze voorwaarden moeten worden gesteld aan elk visserijproduct of afgeleid visserijproduct dat op de Europese markt wordt gebracht en dat visserijproducten of afgeleide visserijproducten waarvan niet is gegarandeerd dat ze aan deze voorwaarden of aan de vereisten op het gebied van consumentenbescherming voldoen, niet op de Europese markt mogen worden gebracht;

66.  is van mening dat de economische, sociale en milieuvoorwaarden voor het vangen en verwerken van vis duidelijk moeten zijn voor consumenten;

67.  stelt voor dat de bepalingen van bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten een uitdrukkelijke verwijzing moeten bevatten naar de IOO-verordening, met inbegrip van de erin vervatte normen; adviseert de Commissie voor te stellen de handelsbetrekkingen met derde landen die vallen onder artikel 31 van de IOO-verordening op te schorten;

68.  dringt er bij de Commissie op aan om in de IOO-verordening een met de TRACES-databank (Trade Control and Expert System) vergelijkbaar systeem op te nemen om gegevens omtrent vangstcertificaten en vaartuigen te kunnen verifiëren en vergelijken of om een minimumcontrolepercentage voor de invoer van verwerkte producten te kunnen vaststellen;

69.  acht het van belang om de inspanningen van landen die gele of rode kaarten hebben gekregen intensief te begeleiden en te monitoren;

70.  verwelkomt de opneming van vissersvaartuigen als 'kwetsbaar' in het kader van de actualisering van Operatie Atalanta en verzoekt om de activiteiten van de EU-vloot te blijven steunen en beschermen;

71.  is van mening dat de VN-onderhandelingen over een nieuw systeem van internationaal oceaanbeheer in ABNJ's als doelstelling moeten hebben dat er een regeling komt waardoor de visbestanden van internationale oceaanwateren kunnen worden bestudeerd en op evenwichtige, duurzame en voorzichtige wijze kunnen worden gebruikt, en er ook gewerkt kan blijven worden aan het in kaart brengen van EBSA's ten einde een coherent netwerk van beschermde mariene gebieden tot stand te brengen;

72.  wijst nogmaals op de plicht van de Commissie als hoedster van de Verdragen om erop toe te zien dat lidstaten hun verplichtingen inzake zorgvuldigheid nakomen wat betreft de externe activiteiten van hun burgers en vaartuigen, en vraagt dat de EU rekening houdt met het advies van het Internationale Zeerechttribunaal, waarin de EU in de context van bilaterale overeenkomsten als vlagstaat wordt aangemerkt;

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(3) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 175.
(4) Advies van het Internationaal Hof voor het recht van de zee van 2 april 2015, in antwoord op het verzoek van de Subregionale commissie visserij (SRFC): https://www.itlos.org/fileadmin/itlos/documents/cases/case_no.21/advisory_opinion/C21_AdvOp_02.04.pdf

Juridische mededeling