Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 13 april 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/009 SE/Volvo Trucks, ingediend door Zweden)
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016: Een nieuw instrument voor de verstrekking van noodhulp binnen de Unie
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Samo Jereb
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Mihails Kozlovs
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Jan Gregor
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ladislav Balko
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Janusz Wojciechowski
 Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat
 De EU in een veranderende mondiale omgeving - een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld
 Tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië
 Uitbraak van het zikavirus
 Situatie in Polen

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/009 SE/Volvo Trucks, ingediend door Zweden)
PDF 268kWORD 76k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden - EGF/2015/009 SE/Volvo Trucks) (COM(2016)0061 – C8-0033/2016 – 2016/2022(BUD))
P8_TA(2016)0111A8-0077/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0061 – C8-0033/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG Verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure zoals bedoeld in punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0077/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld om de terugkeer naar de arbeidsmarkt van de ontslagen werknemers te vergemakkelijken, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Zweden aanvraag EGF/2015/009 SE/Volvo Trucks heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 29 (Vervaardiging van motorvoertuigen, aanhangwagens en downstreamproducenten) voornamelijk in de regio van NUTS-niveau 2 SE33 (Upper Norrland), en dat 500 van de 647 ontslagen werknemers die voor de EFG-bijdrage in aanmerking komen naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen; overwegende dat 470 van die werknemers zijn ontslagen in de Volvo Group Truck-actie EMEA na reducties in de Umeå-fabriek, en dat 177 andere werknemers zijn ontslagen bij vier leveranciers en downstreamproducenten (IL Logistics AB, Lemia, Caverion en Isringhausen);

E.  overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten, en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

F.  overwegende dat de financiële controle van de door het EFG gesteunde maatregelen de verantwoordelijkheid van de lidstaten is, zoals vastgelegd in artikel 21, lid 1, van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Zweden bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 1 793 710 EUR, oftewel 60 % van de totale kosten van 2 989 518 EUR;

2.  stelt vast dat de Zweedse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 16 september 2015 hebben ingediend, en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 16 februari 2016 is afgerond en op dezelfde dag aan het Parlement is meegedeeld;

3.  betreurt het dat de Commissie zich door een uitzonderlijke tekort aan personeel niet heeft kunnen houden aan de termijn voor de afronding van de beoordeling van deze aanvraag; herinnert eraan dat de steun in het belang van de begunstigden zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld; verzoekt de lidstaten en de bij het EFG-besluitvormingsproces betrokken instellingen van de Unie alles in het werk stellen om de voor de behandeling benodigde tijd te verminderen en de procedures te vereenvoudigen zodat de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG probleemloos en snel kunnen worden vastgesteld;

4.  neemt ter kennis dat de productie van bedrijfsvoertuigen niet langer door Europese en Noord-Amerikaanse bedrijven wordt gedomineerd ten gevolg van de opkomst van nieuwe, Aziatische vrachtwagenproducenten; stelt vast dat de productie van zware vrachtwagens in de EU, alsook de exporten van zware bedrijfsvoertuigen, bussen en touringcars, in 2014 zijn gedaald (-11%, ten belope van 6,3 miljard EUR), terwijl de invoer van bedrijfsvoertuigen in de Unie is toegenomen (+10 %); stelt vast dat de vrachtwagenindustrie het moeilijk heeft met het inspelen op grote veranderingen en met het zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden in onze steeds verder globaliserende wereld; neemt ter kennis dat de Zweedse autoriteiten argumenteren dat de gedeeltelijke verplaatsing van de Umeå-fabriek van Volvo gedicteerd wordt door de noodzaak, in het kader van Volvo's optimalisatieprogramma, om de efficiëntie te verhogen en de kosten te drukken, teneinde de bestaande en verwachte wereldwijde concurrentie het hoofd te bieden;

5.  geeft aan dat de gedwongen ontslagen in de regio in kwestie van het district Västerbotten (waar Umeå de hoofdstad van is) een uitdaging vormen, gezien het feit dat de vacatures er banen in het hoogopgeleide segment betreffen, terwijl de meeste betrokken werknemers alleen een middelbareschoolopleiding hebben; neemt ter kennis dat in de aanvraag verwezen wordt naar een recent rapport waarin staat dat in de regio Västerbotten 40 000 nieuwe werknemers nodig zullen zijn; is verheugd over de maatregelen voor werknemers die een gespecialiseerde opleiding nodig hebben;

6.  verzoekt de lidstaten samen met de sociale partners strategieën te ontwikkelen om in te spelen op de verwachte veranderingen op de arbeidsmarkt, en banen en vaardigheden in de Unie te beschermen op basis van een alomvattende beoordeling - door de Commissie - van de effecten op de handel van elk handelsakkoord;

7.  neemt ter kennis dat de aanvraag geen betrekking heeft op NEET's (mensen zonder baan en die ook geen onderwijs of opleiding volgen), omdat deze regio onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet voor maatregelen voor deze groep in aanmerking komt;

8.  is ingenomen met het feit dat de Zweedse autoriteiten op 30 januari 2015 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, ruimschoots vóór het besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

9.  wijst erop dat Zweden negen soorten maatregelen plant voor ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) diepgaande beoordeling en individuele planning, ii) diverse activiteiten in verband met het zoeken van een baan en coaching, iii) motiverings- en gezondheidsmaatregelen, iv) ondernemerschap en oprichting van een bedrijf, v) onderwijs en opleiding, vi) validatie van competenties, vii) hulp van particuliere dienstverleners bij het zoeken van een baan, viii) reis- en aanverwante kosten, ix) toelage voor het zoeken naar werk;

10.  is ingenomen met de motiverings- en gezondheidsmaatregelen; acht dergelijke maatregelen nodig om de motivering te vergroten en hulp te geven aan diegenen wier gezondheid achteruit is gegaan doordat ze hun baan waren verloren; is daarnaast blij met de maatregelen voor de validatie van de competenties van de deelnemers;

11.  neemt kennis van het grote bedrag voor toelagen en stimulansen; merkt ook op dat de financiering voor deze maatregelen beperkt is tot ten hoogste 35 % van de totale kosten van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening, zoals vastgelegd in de EFG-verordening, en dat deze maatregelen afhankelijk gesteld zijn van de actieve participatie van de begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

12.  wacht op het antwoord van de Commissie waarin zij bevestigt dat de voorgestelde toelage voor het vinden van werk niet in de plaats komt van de verplichting voor de lidstaat om actieve arbeidsmarktmaatregelen of socialebeschermingsmaatregelen te treffen; verwacht daarnaast een analyse van het aanvullende karakter van de maatregelen waar met middelen van het EFG steun wordt toegekend;

13.  stelt vast het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden en hun vertegenwoordigers, alsook met de plaatselijke overheidsinstanties;

14.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht dient te zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

15.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op de huidige ondernemingsomgeving en de toekomst van de beroepssectoren;

16.  verzoekt de Commissie om in haar volgende voorstellen nader aan te geven in welke sectoren de werknemers het meest kans op een nieuwe baan maken en of de aangeboden opleidingen afgestemd zijn op de toekomstige economische vooruitzichten en behoeften van de arbeidsmarkt in de regio's waar de ontslagen plaatsvonden;

17.  wijst erop dat de Zweedse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat bestaande regelingen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

18.  stelt vast dat tot op heden voor de sector "Vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers", met inbegrip van deze aanvraag, 22 EFG-aanvragen zijn ingediend, waarvan er 12 gebaseerd waren op handelsgerelateerde globalisering en 10 op de wereldwijde financiële en economische crisis;

19.  verzoekt de Commissie goed te kijken naar de gevallen waarin een aanvraag voor EFG-financiering wordt ingediend voor ontslagen die het gevolg zijn van delocalisatiestrategieën van bedrijven en erop toe te zien dat de bedrijven in kwestie zich volledig houden aan de wettelijke of de CAO-verplichtingen ten opzichte van de ontslagen werknemers en dat het EFG als een aanvullende maatregel wordt ingezet;

20.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

21.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

22.  herinnert de Commissie aan haar verantwoordelijkheid en aan de verplichting om tijdig gedetailleerde informatie te verstrekken die bevestigt dat de voorgestelde toelage voor het vinden van werk niet in de plaats komt van de verplichting voor de lidstaat om actieve arbeidsmarktmaatregelen of socialebeschermingsmaatregelen te treffen, alsmede een gedetailleerde analyse te overleggen waaruit blijkt dat deze EFG-maatregelen een complementair karakter hebben;

23.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

24.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

25.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden – EGF/2015/009 SE/Volvo Trucks)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/618.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)
PDF 336kWORD 77k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (COM(2016)0078 – C8-0095/2016 – 2016/2025(BUD))
P8_TA(2016)0112A8-0078/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0078 – C8-0095/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2015/000 TA 2015 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0078/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat het maximale jaarlijkse bedrag dat voor het EFG beschikbaar is 150 miljoen EUR bedraagt (prijzen van 2011) en dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat op initiatief van de Commissie jaarlijks maximaal 0,5 % van dit bedrag (d.w.z. 828 060 EUR in 2016) kan worden gebruikt voor technische bijstand, ter financiering van de voorbereiding van, het toezicht op, de gegevensverzameling voor en het creëren van een kennisbasis, administratieve en technische bijstand, informatie- en communicatieactiviteiten alsook boekhoudkundige, controle- en evaluatiewerkzaamheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de EFG-verordening;

E.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzakelijke verbetering van de meerwaarde, de doeltreffendheid en de inzetbaarheid van begunstigden van het EFG als EU-instrument ter ondersteuning van werknemers die zijn ontslagen;

F.  overwegende dat het voorgestelde bedrag van 380 000 EUR overeenkomt met circa 0,23 % van het beschikbare jaarlijkse maximumbedrag voor het EFG in 2016;

1.  neemt kennis van de door de Commissie voorgestelde maatregelen als technische bijstand, ter financiering van uitgaven in overeenstemming met artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;

2.  wijst andermaal op het belang van netwerken en de uitwisseling van informatie over het EFG en steunt derhalve de financiering van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG en de netwerkseminars over de implementatie van het EFG; verwacht dat deze informatieuitwisseling ook zal bijdragen tot een betere en gedetailleerdere verslaglegging over de mate van succes van de door het EFG gesteunde maatregelen in de lidstaten, in het bijzonder over het bereik en het herintredingspercentage van begunstigden; steunt tevens alle initiatieven ter verbetering van de participatie en raadpleging van lokale autoriteiten die het dagelijks beheer van de door het EFG gesteunde maatregelen verzorgen;

3.  is ingenomen met het voortgezette werk aan de gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en -beheer waarbij gebruik wordt gemaakt van de functies van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC2014), hetgeen een vereenvoudiging en snellere verwerking van aanvragen mogelijk maakt, alsmede betere verslaglegging; constateert dat de Commissie voornemens is, als prioriteit voor 2016, de module voor eindverslagen waarmee de implementatie van elk EFG-dossier wordt afgesloten, uit te werken en bij te stellen; stelt echter vast dat de kosten voor de EFG-begroting van het SFC2014-proces relatief hoog blijven;

4.  verwelkomt de integratie van de verslaglegging in het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC2014); is van mening dat dit de administratieve belasting voor de lidstaten zal verminderen en het gebruik van verslagen voor evaluatiedoeleinden zal vergemakkelijken;

5.  wijst erop dat de procedure voor de integratie van het EFG in SFC2014 al jaren loopt en dat de relevante kosten voor het EFG relatief hoog zijn; wijst erop dat dit kostenniveau nog een jaar zal moeten worden aangehouden, waarna de onderhoudskosten lager zullen zijn;

6.  is teleurgesteld dat de Commissie geen uiteenzetting heeft gegeven van de voortgang met de integratie in SFC2014 van begin 2011 tot 2014, als gevraagd in de resolutie van het Parlement van 24 juni 2015 over het voorstel voor de technische bijstand in 2015; herinnert de Commissie eraan dat zij bovengenoemde voortgang moet presenteren, met inbegrip van de laatste ontwikkelingen;

7.  is van mening dat SFC2014 tevens kan worden gebruikt om de Commissie in staat te stellen gedetailleerde gegevens te verzamelen over de effecten van EFG-middelen, vooral ten aanzien van de herintredingspercentages van ontslagen werknemers die van EFG-middelen hebben geprofiteerd; vraagt om een betere evaluatie van het soort en de kwaliteit van de gevonden banen op middellange en lange termijn in het kader van de herintreding door middel van de EFG-maatregelen;

8.  is verheugd dat de Commissie voornemens is 70 000 EUR van de onder technische bijstand beschikbare begroting te investeren, met name ter verbetering van het toezicht op en de evaluatie van de effecten van EFG-steun voor afzonderlijke deelnemers; doet de volgende aanbevelingen:

   de begroting voor toezicht en evaluatie moet worden gebruikt voor het beoordelen van de gevolgen op langere termijn voor de EFG-begunstigden, de doeltreffendheid en efficientië van de verstrekking van steun ter plaatse, alsmede voor het uitvoeren van een grondiger analyse van de economische veranderingen die de oorzaak zijn van de ontslagen van EFG-begunstigden;
   de EFG-coördinator en de lidstaten moeten betrouwbare en volledige gegevens leveren over de werkgelegenheidsresultaten voor de begunstigden die twaalf maanden na de uitvoering van de maatregelen zijn bereikt; de Commissie moet deze gegevens samenvoegen, met inbegrip van de herintredingspercentages van de begunstigden, en deze aan het Europees Parlement en de Raad ter beschikking stellen;
   er moet gedetailleerdere informatie worden vastgelegd en op duidelijke wijze worden doorgegeven over maatregelen waarvan gebruik is gemaakt door individuele deelnemers, om bijvoorbeeld een duidelijker kosten-batenanalyse te kunnen maken van de verschillende maatregelen, vooral in het licht van de hogere administratieve kosten (activiteiten uit hoofde van artikel 7, lid 4, van de EFG-verordening);
   de goedkeuring van de eindverslagen over dossiers en de definitieve afsluiting van dossiers moeten worden gekoppeld aan het leveren van volledige informatie over de resultaten voor de begunstigden (op geaggregeerd niveau);

9.  benadrukt dat het nodig is het contact verder te versterken tussen alle betrokkenen bij EFG-aanvragen, waaronder met name de sociale partners en de belanghebbenden op regionaal en lokaal niveau, om zo veel mogelijk synergieën tot stand te brengen; wijst erop dat de interactie tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners moet worden versterkt en dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over communicatie, ondersteuning en informatievoorziening (interne verdeling van taken en bevoegdheden), waarmee alle partners moeten instemmen;

10.  roept de Commissie andermaal op het Parlement, binnen redelijke termijnen, uit te nodigen voor de vergaderingen en seminars van de Deskundigengroep, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(5);

11.  verzoekt de Commissie een rechtvaardiging te geven voor het besluit om de uit hoofde van artikel 20, lid 1, onder a), van de EFG-verordening vereiste tussentijdse evaluatie uit te besteden aan een externe contractant; dringt erop aan dat de Commissie een besluit neemt over de aanpak op basis van een kosten-batenanalyse met een duidelijke nadruk op objectiviteit, resultaten, meerwaarde, inzetbaarheid en efficiëntie;

12.  verzoekt de Commissie in de tussentijdse evaluatie van het EFG alle aspecten inzake de kostenefficiëntie van alle EFG-projecten en gegevens over steun voor rechtstreekse uitkeringen op te nemen, alsmede suggesties voor de verbetering van de participatie van de lidstaten in het EFG en synergieën met maatregelen die vallen onder het ESF of nationale programma's; stelt vast dat een en ander moet worden gekoppeld aan de inspanning om een volledige databank op te zetten over de resultaten van alle interventies door het EFG; roept op tot een debat over de resultaten van de tussentijdse evaluatie, om te beoordelen of het EFG het efficiëntste instrument is om de problemen rond gedwongen ontslagen aan te pakken;

13.  verzoekt de Commissie om een kwalitatieve en kwantitatieve analyse op te stellen van de EFG-steun aan jongeren tot 25 jaar zonder werk, scholing of stage en deze maatregel na december 2017 te handhaven, op permanente en duurzame wijze door middel van een voorstel voor een nieuwe EFG-verordening, vooral met het oog op de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie en de aanhoudende crisis op het gebied van de jeugdwerkloosheid;

14.  onderstreept het belang van het geven van meer bekendheid en zichtbaarheid aan het EFG; herinnert de lidstaten die aanvragen indienen aan hun taak om bekendheid te geven aan de acties die met het EFG worden gefinancierd en zich daarbij te richten tot de beoogde begunstigden, de autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek, zoals bepaald in artikel 12 van de EFG-verordening;

15.  verzoekt de lidstaten en alle betrokken instellingen de nodige inspanningen te leveren om de procedurele en begrotingsregelingen verder te verbeteren ten einde de effecten van het EFG te vergroten; wijst in dit verband op het feit dat het Parlement bezig is een initiatiefverslag op te stellen op basis van de evaluatie door de Commissie om de balans op te maken van de werking van de EFG-verordening en de onderzochte gevallen;

16.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement heeft ingevoerd om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van dossiers; doet een beroep op de lidstaten om meer gebruik te maken van de bijstand van de Commissie alvorens officiële aanvragen in te dienen;

17.  verzoekt de lidstaten en alle betrokken instellingen om in te stemmen met het gebruik van de ontheffing van de drempel voor het in aanmerking komen voor steun, met name voor kmo's, de verlenging van de referentieperiode en de mogelijkheid om ontslagen werknemers gerelateerde diensten te laten aanbieden aan ontslagen werknemers van de betreffende onderneming, wat bijdraagt aan een doeltreffender en waardevoller gebruik van het EFG;

18.  verzoekt de lidstaten de additionaliteit van de EFG-middelen en de banden met andere middelen duidelijker te benadrukken, en de geschiktste manieren te vinden om met het EFG een meerwaarde te bieden, te zorgen voor synergie met andere geldbronnen, en overdrachten en overlappingen te voorkomen;

19.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/619.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0237.
(5) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016: Een nieuw instrument voor de verstrekking van noodhulp binnen de Unie
PDF 254kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, Een nieuw instrument voor het verlenen van noodsteun binnen de Unie (07068/2016 – C8-0122/2016 – 2016/2037(BUD))
P8_TA(2016)0113A8-0130/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, zoals definitief vastgesteld op 25 november 2015(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU) 2016/369 van de Raad van 15 maart 2016 betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie(6),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016, dat de Commissie op 9 maart 2016 heeft goedgekeurd (COM(2016)0152),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016 dat de Raad op 16 maart 2016 heeft goedgekeurd en op 17 maart 2016 heeft toegezonden aan het Europees Parlement (07068/2016 – C8-0122/2016),

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0130/2016),

A.  overwegende dat de massale instroom van vluchtelingen en migranten in Europa heeft geleid tot een uitzonderlijke situatie waarin een groot aantal mensen in de Unie dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp; overwegende dat deze noodsituatie de responscapaciteit van de lidstaten die het sterkst met deze instroom te maken hebben, te boven gaat; overwegende dat er op Unieniveau geen adequaat instrument bestond om binnen de Unie te voorzien in de behoeften van mensen die door een ramp zijn getroffen;

B.  overwegende dat de Commissie op 2 maart 2016 met een voorstel is gekomen voor een verordening van de Raad die een leemte in het beschikbare instrumentarium moet opvullen, zodat op het grondgebied van de Unie kan worden voorzien in humanitaire behoeften; overwegende dat de verordening is gebaseerd op artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat geen rol aan het Europees Parlement toekent; overwegende dat Verordening (EU) 2016/369 op 15 maart 2016 door de Raad is goedgekeurd;

C.  overwegende dat de Commissie vervolgens een ontwerp van gewijzigde begroting heeft voorgesteld om de begrotingsstructuur voor dat instrument tot stand te brengen en via een herschikking binnen rubriek 3 van het meerjarig financieel kader (MFK) 100 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 80,2 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar te stellen om in de onmiddellijke financieringsbehoefte te voorzien;

D.  overwegende dat de Commissie ervan uitgaat dat voor dit instrument in 2016 300 miljoen EUR nodig zal zijn (en vervolgens 200 miljoen EUR in 2017 en 200 miljoen EUR in 2018), maar dat er waarschijnlijk meer geld bij zal moeten als de migranten- en vluchtelingenstromen op het huidige niveau blijven;

E.  overwegende dat de Commissie ook voorstelt het personeel bij het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol uit te breiden en hiervoor uit het Fonds voor interne veiligheid 2,0 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten te verstrekken;

1.  is verheugd over het voorstel van de Commissie om de mogelijkheid te scheppen dat uit de begroting van de Unie noodsteun op het grondgebied van de Unie wordt verleend om de humanitaire gevolgen van de huidige vluchtelingencrisis te verzachten; wijst op de verslechterende situatie van migranten en asielzoekers, vooral als gevolg van het ongecoördineerde optreden van Europese landen, dat deze noodsteun des te noodzakelijker en dringender maakt; onderstreept dat er blijk moet worden gegeven van solidariteit met de lidstaten die op hun grondgebied met een dergelijke noodsituatie worden geconfronteerd;

2.  neemt kennis van de oplossing die de Commissie als noodmaatregel voorstelt; merkt op dat er na de twee trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije een nieuw ad-hocmechanisme is opgezet, zonder dat er een globale strategie voor de aanpak van de vluchtelingencrisis bestaat en zonder dat wordt toegezien op de volledige inachtneming van de prerogatieven van het Parlement als medewetgever; wijst op het probleem dat het nieuwe instrument niet berust op een voorstel van de Commissie voor een verordening volgens de gewone wetgevingsprocedure; benadrukt dat het Parlement altijd constructief en snel heeft gehandeld bij de ondersteuning van alle initiatieven in verband met de vluchtelingencrisis, en dat ook nu weer doet met de snelle goedkeuring van deze gewijzigde begroting;

3.  is van mening dat er moet worden nagedacht over een duurzamer juridisch en budgettair kader, zodat er in de toekomst humanitaire steun binnen de Unie beschikbaar kan worden gesteld, wanneer de omstandigheden daarom vragen; merkt op dat dergelijke noodfinanciering, die bedoeld is om te reageren op crises en onvoorziene situaties, uit de aard der zaak geput moet worden uit speciale instrumenten en niet mag worden meegerekend in de maximumbedragen die in het MFK gelden;

4.  is verheugd over de toezegging van de Commissie dat er geen kredieten worden weggehaald uit het budget voor externe humanitaire hulp; merkt op dat de Commissie voorstelt om de eerste tranche voor dit nieuwe instrument te financieren door middel van een herschikking van kredieten voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), die toch al bedoeld waren voor de lastenverdeling tussen de lidstaten bij de opvang van vluchtelingen; is van mening dat het gehele bedrag niet via herschikkingen kan worden gedekt zonder dat dit van invloed is op het functioneren van het AMIF, dat dit jaar ongetwijfeld onder druk zal komen te staan en wellicht verder versterkt moet worden, mocht de uitvoering van het herplaatsingsprogramma op volle snelheid komen; beschouwt dit bedrag van 100 miljoen EUR daarom als een voorschot dat in een later stadium moet worden gecompenseerd; merkt op dat er in rubriek 3 geen marge over is en dat de middelen van het flexibiliteitsinstrument voor 2016 al geheel zijn verbruikt; pleit er daarom voor om voor het resterende bedrag voor dit jaar gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven, zodra dit noodzakelijk wordt, en verzoekt de Commissie een voorstel daartoe in te dienen; voorziet dat het onvermijdelijk zal blijken het MFK-plafond voor rubriek 3 naar boven bij te stellen, teneinde al het nodige in verband met de vluchtelingen- en migratiecrisis te doen;

5.  hecht, gelet op de huidige veiligheidssituatie in de Europese Unie, zijn goedkeuring aan de voorgestelde personeelsuitbreiding bij het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol; merkt op dat het hierbij gaat om een extra uitbreiding naast de personeelsuitbreiding die reeds bij de recente herziening van het rechtskader van Europol is overeengekomen;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om alle agentschappen die in bredere zin met migratie en veiligheid te maken hebben, uit te zonderen van de beoogde personeelsinkrimping met 5 %, omdat zij als gevolg van de enorme toename van de werklast en de taken in de afgelopen twee jaar allemaal onderbezet zijn; verzoekt de Commissie voor een evenwicht te zorgen tussen de op het gebied van justitie en binnenlandse zaken actieve agentschappen voor wat betreft hun werklast en hun taken;

7.  bevestigt bereid te zijn het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016, zoals gepresenteerd door de Commissie, goed te keuren, gezien de spoedeisendheid van de situatie;

8.  keurt daarom het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2016 goed;

9.  verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat gewijzigde begroting nr. 1/2016 definitief is vastgesteld en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 48 van 24.2.2016.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(6) PB L 70 van 16.3.2016, blz. 1.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Samo Jereb
PDF 235kWORD 59k
Besluit van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de voordracht van Samo Jereb voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0025/2016 – 2016/0804(NLE))
P8_TA(2016)0114A8-0060/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0025/2016),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0060/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 15 maart 2016 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Samo Jereb tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Mihails Kozlovs
PDF 235kWORD 60k
Besluit van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de benoeming van Mihails Kozlovs tot lid van de Rekenkamer (C8-0411/2015 – 2015/0814(NLE))
P8_TA(2016)0115A8-0059/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0411/2015),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0059/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 15 maart 2016 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad van Mihails Kozlovs voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Jan Gregor
PDF 235kWORD 58k
Besluit van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de voordracht van Jan Gregor voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0412/2015 – 2015/0815(NLE))
P8_TA(2016)0116A8-0057/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0412/2015),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0057/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat deze commissie vervolgens de kandidaat van de Raad voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 15 maart 2016 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad van Jan Gregor voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ladislav Balko
PDF 234kWORD 59k
Besluit van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de voordracht van Ladislav Balko voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0413/2015 – 2015/0816(NLE))
P8_TA(2016)0117A8-0055/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0413/2015),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0055/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidate heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 15 maart 2016 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht door de Raad van Ladislav Balko voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Janusz Wojciechowski
PDF 238kWORD 59k
Besluit van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de voordracht van Janusz Wojciechowski voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0414/2015 – 2015/0817(NLE))
P8_TA(2016)0118A8-0061/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0414/2015),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0061/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 15 maart 2016 heeft gehoord;

1.  brengt negatief advies uit over de voordracht van de Raad van Janusz Wojciechowski voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat
PDF 289kWORD 94k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (D044281-01 – 2016/2624(RSP))
P8_TA(2016)0119B8-0439/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (D044281/01),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1), en met name artikel 20, lid 1,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(3),

–  gezien de conclusie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over de peer review van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de systemische herbicide glyfosaat op dit moment wereldwijd van alle herbiciden het hoogste productievolume haalt ; overwegende dat het wereldwijde gebruik ervan de afgelopen 40 jaar dramatisch, namelijk met een factor 260, is toegenomen (van 3 200 ton in 1974 tot 825 000 ton in 2014)(5);

B.  overwegende dat glyfosaat een niet-selectieve herbicide is die alle vegetatie vernietigt; overwegende dat de werking ervan berust op blokkering van de shikiminezuurroute, een stofwisselingsroute die ook voorkomt bij algen, bacteriën en schimmels; overwegende dat is vastgesteld dat subletale blootstelling van Escherichia coli en Salmonella enterica serovar Typhimurium aan commerciële toepassingen van glyfosaat kan leiden tot verandering in de reactie op antibiotica;

C.  overwegende dat glyfosaat wereldwijd voor 76 % in de landbouw wordt gebruikt; en ook wijdverbreide toepassing vindt in de bosbouw en bij tuinieren in stedelijke gebieden;

D.  overwegende dat glyfosaat en /of residuen daarvan zijn aangetroffen in water, bodem, voedsel en dranken en niet-eetbare producten, en ook in het menselijk lichaam (bv. in urine en moedermelk);

E.  overwegende dat de bevolking vooral met de stof in contact komt door wonen in de buurt van besproeide gebieden, door eigen gebruik thuis en door voeding; overwegende dat blootstelling aan glyfosaat steeds veelvuldiger voorkomt door de toename in de totale hoeveelheid glyfosaat die wordt gebruikt; overwegende dat het effect van glyfosaat en de meest voorkomende co-formulanten daarvan op de menselijke gezondheid regelmatig moet worden gecontroleerd;

F.  overwegende dat volgens Verordening (EG) nr. 1107/2009 een werkzame stof alleen mag worden toegelaten wanneer deze niet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 is of moet worden ingedeeld als kankerverwekkende stof van categorie 1A of 1B, tenzij er sprake is van een geringe en te verwaarlozen blootstelling aan die werkzame stof of van een op geen enkele andere manier te beheersen ernstig fytosanitair gevaar;

G.  overwegende dat het International Agency for Research on Cancer (IARC) in maart 2015 glyfosaat heeft ingedeeld onder de stoffen die "waarschijnlijk kankerverwekkend zijn bij mensen" (groep 2A), aan de hand van "beperkte aantoonbaarheid" van kanker bij mensen (onder de gevallen van reële blootstelling die werkelijk heeft plaatsgevonden), "voldoende aantoonbaarheid" van kanker bij proefdieren in het laboratorium (uit studies naar "zuivere" glyfosaat), en "sterke aantoonbaarheid" van mechanistische informatie rond kankerverwekkende eigenschappen (genotoxiciteit en oxidatiestress) van zowel "zuivere" glyfosaat als glyfosaatformuleringen;

H.  overwegende dat de criteria die het IARC hanteert voor groep 2A vergelijkbaar zijn met die voor categorie 1B in Verordening (EG) nr. 1272/2008;

I.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in november 2015 niettemin een peer review over glyfosaat uitbracht waarin het onwaarschijnlijk wordt genoemd dat glyfosaat kankerverwekkend zou zijn voor mensen en dat het bewijsmateriaal geen steun biedt voor indeling als potentieel kankerverwekkende stof in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

J.  overwegende dat de uitvoeringsverordening (EU) …/... van XXX van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (hierna: de "ontwerpuitvoeringsverordening") het voorstel inhoudt, op basis van een wetenschappelijke beoordeling van zowel het BfR, als EFSA, om glyfosaat tot 30 juni 2031 toe te laten, d.w.z. voor de maximale periode die mogelijk is, voor alle gebruik, met een beperking voor een van de coformulanten en de opstelling door de lidstaten van een lijst van co-formulanten die niet in gewasbeschermingsmiddelen mogen worden opgenomen, zonder wettelijk bindende voorwaarden voor het gebruik, en alleen gebonden aan bevestigende informatie over hormoonontregelende eigenschappen;

K.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft "een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren";

L.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 stelt: "De bepalingen van deze verordening stoelen op het voorzorgsbeginsel teneinde te garanderen dat werkzame stoffen of middelen die op de markt worden gebracht niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu"; overwegende dat voorts in de tekst wordt overwogen "In het bijzonder worden de lidstaten er niet van weerhouden het voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer er wetenschappelijk gezien onzekerheid bestaat over de risico's voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu van de op hun grondgebied toe te laten gewasbeschermingsmiddelen.";

M.  overwegende dat ingevolge artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een besluit inzake de goedkeuring/weigering/voorwaardelijke goedkeuring van een werkzame stof gebaseerd behoort te zijn op het evaluatieverslag van de Commissie en "andere voor het desbetreffende geval legitieme factoren en het voorzorgsbeginsel wanneer de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ter zake doend zijn";

N.  overwegende dat artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 bepaalt dat "...in specifieke situaties, waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement (kunnen) worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen";

O.  overwegende dat de voorwaarden voor toepassing van het voorzorgsbeginsel zoals geregeld in Verordening (EG) nr. 178/2002 klaarblijkelijk zijn vervuld, gezien de aanhoudende controverse over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat;

P.  overwegende dat volgens artikel 14, lid 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof ten hoogste 15 jaar geldt; overwegende dat de goedkeuringsperiode omwille van de veiligheid in verhouding moet staan tot het mogelijke risico dat met het gebruik van dergelijke stoffen is gemoeid, en dat bij elk besluit tot verlenging van de goedkeuring rekening gehouden moet worden met de ervaring opgedaan met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die de bewuste stof bevatten en eventuele wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen;

Q.  overwegende dat de Europese Ombudsman in haar besluit in zaak 12/2013/MDC d.d. 18 februari 2016 betreffende de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden), de Commissie heeft gevraagd haar aanpak rond de vaststelling en uitvoering van risicobeperkende maatregelen (voorwaarden en beperkingen) te herzien en aan te vullen met nadere vereisten, en haar verantwoordelijkheid voor een effectieve bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu niet langer uit handen te geven door de lidstaten een nagenoeg absolute beoordelingsvrijheid te laten voor de keuze van risicobeperkende maatregelen voor mogelijk onveilige stoffen, met standaardformuleringen die zeer rekbaar zijn en waarvan te betwijfelen valt of daarmee juridisch überhaupt wel risicobeperkende maatregelen worden verlangd;

R.  overwegende dat de ontwerpuitvoeringsverordening geen melding maakt van juridisch bindende risicobeperkende maatregelen, ofschoon er bij nagenoeg alle vormen van gebruik van glyfosaat een hoog langetermijnrisico is vastgesteld voor gewervelde landdieren die geen doelsoort zijn, met inbegrip van zoogdieren en vogels; overwegende dat het niet-selectieve herbicide glyfosaat niet alleen ongewenst onkruid verdelgt maar alle gewassen, evenals algen, bacteriën en schimmels, met alle onaanvaardbare gevolgen van dien voor de biodiversiteit en het ecosysteem; overwegende dat glyfosaat als zodanig dus niet voldoet aan artikel 4, lid 3, onder e), punt (iii) van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

S.  overwegende dat een aantal lidstaten al voorzorgsmaatregelen hebben genomen ter bescherming van volksgezondheid en milieu; overwegende dat er bij de goedkeuring van een werkzame stof, duidelijke en juridisch bindende voorwaarden voor het gebruik ervan op EU-niveau moeten worden vastgesteld, zodat in alle lidstaten eenzelfde beschermingsniveau wordt gerealiseerd;

T.  overwegende dat de EFSA op verzoek van de Commissie het rapport van het International Agency for Research on Cancer (IARC) bij haar beoordeling heeft betrokken, waarin glyfosaat als waarschijnlijk kankerverwekkende stof werd ingedeeld; overwegende dat de beoordeling door EFSA gebaseerd was op een omvangrijke hoeveelheid bewijsmateriaal waaronder een aantal studies die het IARC niet in aanmerking had genomen, wat volgens EFSA een van de oorzaken is geweest van zijn andersluidende conclusie;

U.  overwegende dat het hoofd van de eenheid Pesticiden bij EFSA die de leiding had over de beoordeling, bepaalde door het IARC buiten beschouwing gelaten studies omschreef als "belangrijk" en "essentieel"; overwegende dat EFSA die studies tot dusver niet openbaar heeft willen maken, omdat aanvragers beweren dat dit hun commerciële belangen zou schaden; overwegende dat niet-openbaarmaking onafhankelijke wetenschappelijke toetsing onmogelijk maakt; overwegende dat EFSA niet conform zijn wettelijke verplichting ingevolge artikel 63 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verifieerbaar heeft aangetoond dat openbaarmaking de bedrijfstak zou schaden;

V.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake het recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(6), de instellingen de toegang tot een document moeten weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van commerciële belangen, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt; overwegende dat gezien de lopende controverse tussen het IARC en EFSA over een kwestie van zulk algemeen belang als kanker, en de wereldwijde betekenis van een besluit tot verlengde of voorwaardelijke goedkeuring of afkeuring van glyfosaat hier duidelijk sprake is van een hoger openbaar belang bij openbaarmaking van bedoelde studies;

W.  overwegende dat er niet alleen ernstige ongerustheid bestaat rond de kankerverwekkendheid van glyfosaat, maar ook twijfel omtrent een mogelijke hormonale werking in verband met de hormoonontregelende eigenschappen van deze stof; overwegende dat gebleken is dat glyfosaat-formuleringen als hormoonontregelaars kunnen werken in menselijke cellijnen en dat bij gebreke van deugdelijke wetenschappelijke horizontale criteria een hormonaal gemedieerde werking niet valt uit te sluiten; overwegende dat de Commissie ten laatste in augustus 2016 normen voor het definiëren van hormoonontregelende eigenschappen zal vaststellen;

X.  overwegende dat EFSA het "zorgelijk" noemt dat "een hormonaal gemedieerde werking niet valt uit te sluiten", nu de beoordeling niet volledig kon worden doorgevoerd wegens leemten in de data; overwegende evenwel dat volgens punt 2.2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 een werkzame stof pas mag worden goedgekeurd als er een volledig dossier wordt voorgelegd; overwegende dat dit des te belangrijker is nu er sprake is van een geringe en te verwaarlozen bepaling in Verordening (EG) nr. 1107/2009 dat een werkzame stof pas mag worden goedgekeurd als er hormoonontregelende eigenschappen aan worden toegeschreven die schadelijk zijn voor mensen tenzij er sprake is van een geringe en verwaarloosbare blootstelling aan die werkzame stof of van een op geen enkele andere manier te beheersen ernstig fytosanitair gevaar;

Y.  overwegende dat de Commissie ten onrechte deze beduidende tekortkoming afhandelt middels bevestigende, na het besluit tot hernieuwde goedkeuring voor te leggen informatie, omdat de procedure met bevestigende informatie alleen in bepaalde uitzonderlijke gevallen mag worden gevolgd zoals bepaald in punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, en geen gegevensvereisten mag betreffen zoals die golden op het moment van indiening van het dossier;

Z.  overwegende dat er de afgelopen twee decennia nog meer bewijs is verzameld van nadelige effecten, met name dat de stofwisseling van verschillende gewervelde dieren vatbaar is voor de werking van glyfosaat, met hepatorenale schade en uitwerking op het voedingsevenwicht door de chelaterende werking van glyfosaat(7);

AA.  overwegende dat de rapporteur-lidstaat in juli 2015 aankondigde een dossier met betrekking tot een geharmoniseerde indeling van glyfosaat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008 te willen voorleggen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen, de aangewezen wetenschappelijke autoriteit voor geharmoniseerde indeling van chemische stoffen; overwegende dat de aanvraag tegen het einde van maart 2016 werd verwacht; overwegende dat de besluitvorming naar verwachting 18 maanden zal duren;

AB.  overwegende dat glyfosaat in belangrijke mate wordt gebruikt voor "uitdroging", het doden van de eigenlijke gewasaanplant vóór de oogst, om de rijping te versnellen en de oogst te vergemakkelijken (ook bekend als "groen platbranden"); overwegende dat deze praktijk niet alleen een zeer ongunstige weerslag heeft op de biodiversiteit, maar ook resulteert in een veel hoger residu-gehalte in de eindproducten van de oogst, en daarmee leidt tot een toegenomen menselijke blootstelling via de voeding(8); overwegende dat deze praktijk ook het afval van het bewerkte gewas besmet en daardoor ongeschikt maakt voor diervoeders; overwegende dat het onaanvaardbaar is voor zowel de menselijke gezondheid als het milieu dat een niet-selectieve herbicide voor dergelijke doeleinden wordt gebruikt;

AC.  overwegende dat de meeste genetisch gemodificeerde gewassen resistent zijn tegen glyfosaat(9); overwegende dat 56 % van het wereldwijd gebruikte glyfosaat in 2012 werd ingezet voor glyfosaat-resistente genetisch gemodificeerde gewassen(10);

AD.  overwegende dat het Europees Parlement in 2015 en 2016 bezwaar maakte tegen vier verschillende ontwerp van uitvoeringsbesluiten van de Commissie inzake het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde gewassen(11)(12)(13)(14); overwegende dat al die gewassen genetisch waren gemodificeerd om ze resistent te maken tegen glyfosaat; overwegende dat drie van die gewassen ook genetisch waren gemodificeerd om ze resistent te maken tegen nog een andere herbicide, waardoor meerdere resistenties werden gecombineerd;

AE.  overwegende dat het wijdverbreide gebruik van glyfosaat op glyfosaat-resistente gewassen de laatste 20 jaar de ontwikkeling van resistent onkruid in de hand heeft gewerkt, doordat herhaald gebruik van glyfosaat zonder voldoende afwisseling in onkruidverdelgers of wiedgewoonten zeer gunstig blijkt te werken op de evolutie van resistente onkruidsoorten; overwegende dat agro-biotechbedrijven in reactie hierop nog meer herbicide-verdragende eigenschappen aan gewassen toevoegen, zoals gebleken is bij drie van de vier genetisch gemodificeerde gewassen waartegen het Parlement zich heeft verzet, een vicieuze cirkel die de meervoudige resistentie van onkruid nog kan doen toenemen(15); overwegende dat een dergelijke toxische spiraal niet duurzaam is;

AF.  overwegende dat met studies is aangetoond dat met geïntegreerde beheersing van schadelijke organismen op basis van gewassendiversificatie, omploegregimes, inzaaitijden en mechanisch wieden het gebruik van herbicide kan worden teruggedrongen met behoud van dezelfde oogstopbrengst, alles op duurzamer en milieuvriendelijker manier, met de voordelen van dien voor de biodiversiteit(16);

AG.  overwegende dat de EFSA in 2015 heeft geconstateerd dat voor bepaalde bestrijdingsmiddelen, waaronder glyfosaat, het aantal gerapporteerde bepalingen van maximumresidugehalten (MRL's) ver beneden het aantal lag dat nodig is om statistisch betrouwbare conclusies te kunnen trekken; overwegende dat, volgens de EFSA, de verslagleggende landen derhalve de reikwijdte van de analytische methoden die worden gebruikt met het oog op de naleving van de MRL's moeten verruimen om ervoor te zorgen dat het opsporingspercentage en het overschrijdingspercentage van de MRL's niet worden vertekend door het lage aantal analyses of het gebrek aan gegevens uit bepaalde landen(17);

AH.  overwegende dat de stemming in de vaste commissie fytofarmaceutica over de ontwerpuitvoeringsverordening tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat in maart 2016 werd uitgesteld;

AI.  overwegende dat het US Government Accountability Office (GAO) onlangs een aanbeveling heeft uitgebracht aan de United States Food and Drug Administration om het risico te beoordelen en informatie bekend te maken inzake glyfosaat-residuen met het oog op de volksgezondheid;

1.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie geen waarborg biedt voor een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, het voorzorgsbeginsel niet hanteert, en de uitvoeringsbevoegdheden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te buiten gaat;

2.  verzoekt de Commissie een nieuw ontwerp van uitvoeringsverordening voor te leggen en daarin gedetailleerder aandacht te besteden aan het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat; vraagt de Commissie de lidstaten aan te bevelen met name de verkoop van glyfosaat aan niet-professionele gebruikers te beperken of te verbieden, en dringt erop aan dat de Commissie samen met deskundigen uit de lidstaten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers aan een beoordeling onderwerpt en voorstellen doet voor opleidingen en gebruiksvergunningen voor professionele gebruikers, voor een betere informatieverstrekking over het gebruik van glyfosaat zorgt en het gebruik van producten met de actieve stof glysofaat voorafgaand aan de oogst aan strenge beperkingen onderwerpt;

3.  dringt er bij de Commissie op aan de goedkeuring van glyfosaat met 7 jaar te vernieuwen; herinnert eraan dat de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 de goedkeuring van een werkzame stof gedurende de geldigheidsduur van de vergunning kan intrekken op basis van nieuw wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat de stof niet langer aan de voorwaarden voor de goedkeuring voldoet; vraagt de Commissie en de lidstaten hun werkzaamheden voor de opstelling van een lijst van co-formulanten die niet in gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten, te versnellen; is er verheugd over dat POE-tallowamine niet langer in gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat mag worden gebruikt;

4.  verzoekt de Commissie met name het niet-professioneel gebruik van glyfosaat niet goed te keuren;

5.  verzoekt de Commissie met name het gebruik van glyfosaat in of in de buurt van openbare parken, openbare speeltuinen of openbare tuinen, niet goed te keuren;

6.  verzoekt de Commissie met name het gebruik van glyfosaat in de landbouw niet goed te keuren wanneer systemen voor geïntegreerde plaagbestrijding volstaan voor de noodzakelijke bestrijding van onkruid;

7.  vraagt de Commissie haar goedkeuring in het licht van de aangekondigde indiening bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) van een dossier met betrekking tot een geharmoniseerde indeling van glyfosaat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008 opnieuw te beoordelen;

8.  dringt er bij de Commissie op aan om snel te zorgen voor een onafhankelijke herziening van de totale toxiciteit en de indeling van glyfosaat aan de hand van alle beschikbare wetenschappelijke materiaal, met inbegrip van materiaal omtrent de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat, alsmede mogelijke hormoonontregelende eigenschappen volgens de af te wachten wetenschappelijke horizontale criteria voor hormoonontregelaars;

9.  dringt er bij de Commissie en EFSA op aan onverwijld alle wetenschappelijke materiaal openbaar te maken waarop de positieve indeling van glyfosaat en de voorgestelde verlenging van de goedkeuring waren gebaseerd, gezien het hoger openbaar belang dat hiermee is gemoeid; dringt er voorts bij de Commissie op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om volledige openbaarmaking van het in de context van het EU-beoordelingsproces gebruikte bewijs te faciliteren;

10.  dringt er bij de Commissie op aan om in de Unie geproduceerde en van elders ingevoerde voedingswaren en dranken door het voedsel- en veterinair bureau te laten testen en controleren op glyfosaat-residuen;

11.  vraagt de Commissie en de lidstaten financiering ter beschikking te stellen voor onderzoek en innovatie op het gebied van alternatieve duurzame en kostenefficiënte oplossingen voor gewasbestrijdingsproducten, teneinde een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen;

12.  is van mening dat een passend gevolg aan deze resolutie door de Commissie belangrijk is voor het vertrouwen in en tussen de instellingen van de Europese Unie;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) PB L 031 van 1.2.2002, blz. 1.
(4) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4302
(5) http://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/s12302-016-0070-0
(6) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(7) http://ehjournal.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12940-016-0117-0
(8) http://ehjournal.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12940-016-0117-0
(9) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738
(10) http://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/s12302-016-0070-0
(11) Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456).
(12) Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (MON-877Ø5-6 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).
(13) Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).
(14) Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (MON-877Ø5-9 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).
(15) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738
(16) http://ec.europa.eu/environment/integration/research/newsalert/pdf/herbicide_reduction_can_preserve_crop_yields_as_well_as_biodiversity_benefits_of_weeds_445na2_en.pdf
(17) http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/scientific_output/files/main_documents/4038.pdf


De EU in een veranderende mondiale omgeving - een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld
PDF 365kWORD 102k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld (2015/2272(INI))
P8_TA(2016)0120A8-0069/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, leden 1, 2 en 5, artikel 21, in het bijzonder lid 1, lid 2, onder h), en lid 3, tweede alinea, en de artikelen 8, 22, 24, 25, 26, artikel 42, met name lid 7, en artikel 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie voor 2003 (EVS) en het desbetreffende uitvoeringsverslag uit 2008,

–  gezien het verslag van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HR), getiteld "De Europese Unie in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld",

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "De alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en conclusies" (JOIN(2013)0030),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De Europese veiligheidsagenda" (COM(2015)0185),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid" (JOIN(2015)0050),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid)(1),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de clausule inzake wederzijdse verdediging (artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie)(2),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad op 19 en 20 december 2013 (EUCO 217/13) en van 25 en 26 juni 2015 (EUCO 22/15) en de conclusies van de Raad over het GVDB van 18 mei 2015 (8971/15),

–  gezien besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap(3),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "Strategie inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: een open, veilige en beveiligde cyberspace" (JOIN(2013)0001),

–  gezien de maritieme veiligheidsstrategie van de EU, zoals goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie op 24 juni 2014,

–  gezien het strategisch concept van de NAVO in 2010 en de verklaring van de NAVO bij de top in Wales in 2014,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(4),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB(5),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN in september 2015 en door de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering,

–  gezien de brief van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0069/2016),

A.  overwegende dat de vele huidige en toekomstige uitdagingen en dreigingen voor de EU complex en met elkaar verbonden zijn, afkomstig zijn van Europese en niet-Europese actoren, en zowel van binnenuit als van buiten de gemeenschappelijke grenzen komen; overwegende dat de lokale, regionale en mondiale contexten met elkaar moeten worden verbonden; overwegende dat meer politieke wil en leiderschap voor resolute gemeenschappelijke maatregelen van de EU en de lidstaten nodig zijn om een proactief, gemeenschappelijk en doeltreffend antwoord te kunnen bieden op deze uitdagingen, om de waarden en het samenlevingsmodel van de EU te beschermen, om van de EU een effectieve en meer strategische actor te maken en om bij te dragen tot de veiligheid op wereldvlak; overwegende dat de algehele EU-strategie voor buitenlands en veiligheidsbeleid het pad voor deze ontwikkeling moet effenen door een politieke ambitie te definiëren voor de EU als internationale actor;

B.  overwegende dat de EU zich volledig rekenschap moet geven van de verslechterende situatie in haar directe strategische omgeving en van de gevolgen daarvan op lange termijn; overwegende dat er zich verscheidene crises tegelijk voordoen, die in toenemende mate directe gevolgen binnen de EU hebben, wat betekent dat geen enkele lidstaat er alleen het hoofd aan kan bieden en dat de Europeanen hun verantwoordelijkheden gezamenlijk moeten uitoefenen om hun veiligheid te waarborgen;

C.  overwegende dat de dreigingen die in de Europese Veiligheidsstrategie 2003 in kaart gebracht zijn – terrorisme, massavernietigingswapens, regionale conflicten, falende staten en georganiseerde misdaad – voor het grootste deel nog steeds relevant zijn; overwegende dat de EU momenteel geconfronteerd wordt met een aantal ernstige en onvoorziene extra uitdagingen, zoals de pogingen van revisionistische machten om de grenzen met geweld en door schendingen van het internationaal recht te hertekenen en de op regels gebaseerde wereldorde te verstoren, de klimaatverandering, trage economische groei, grote migratie- en vluchtelingenstromen en de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog, alsook technologische ontwikkelingen in de ruimte en de cybernetica, financiële misdrijven, nucleaire proliferatie en wapenwedlopen, en hybride en asymmetrische oorlogvoering en dreigingen;

D.  overwegende dat de Europese veiligheidsarchitectuur is gebaseerd op de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE); overwegende dat de EU een sleutelrol speelt in de OVSE;

E.  overwegende dat de EU, gezien de verminderde regionale veiligheid, prioriteit moet geven aan het stabiliseren van haar directe omgeving, zonder echter afbreuk te doen aan haar mondiale verplichtingen; overwegende dat de veiligheidscrises aan de grenzen van de EU zijn ontstaan en vorm hebben gekregen door wereldwijde tendensen, en dat de EU dus eerst voor een doeltreffend beheer van de regionale veiligheid moet zorgen voordat zij wereldwijd kan optreden;

F.  overwegende dat de Europese Raad de hoge vertegenwoordiger op 26 juni 2015 heeft opgedragen om het proces van strategische reflectie voort te zetten, zodat in nauw overleg met de lidstaten een algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid tot stand kan komen die uiterlijk in juni 2016 aan de Europese Raad moet worden voorgelegd;

G.  overwegende dat de EU pas snel en efficiënt op dreigingen kan reageren als de lidstaten onderling sterk solidair zijn, als er een einde wordt gemaakt aan de barrières en het hokjesdenken binnen de instellingen, bij de buitenlandse vertegenwoordigingen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en in de lidstaten, en als er voldoende en flexibele begrotingsmiddelen worden uitgetrokken om de belangen van de EU te helpen behartigen; overwegende dat een doeltreffende Europese strategie in de eerste plaats vereist dat alle lidstaten een sterke politiek wil hebben en er gezamenlijk naar streven om echte Europese instrumenten te creëren en te gebruiken;

H.  overwegende dat verschillende soorten dreigingen tegen afzonderlijke lidstaten moeten worden gezien als dreigingen tegen de hele EU, die een sterke eensgezindheid en solidariteit tussen de lidstaten en een consistent gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vereisen;

I.  overwegende dat de nieuwe strategie moet uitgaan van een alomvattende aanpak en een consistent en gecoördineerd gebruik van de EU-instrumenten voor extern en intern beleid; overwegende dat de wapenuitvoer van de EU niet kan worden geacht in het rechtstreekse belang van de veiligheid van de EU te zijn en dat er bij de ontwikkeling van een algehele EU-strategie rekening moet worden gehouden met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB; overwegende dat het voornaamste doel van de EU erin bestaat haar waarden te promoten en zo bij te dragen aan vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling in de wereld, alsook aan solidariteit en wederzijds respect tussen de volkeren; overwegende dat deze fundamentele doelstellingen niet uit het oog mogen worden verloren wanneer de EU maatregelen neemt om haar interne en externe beleid uit te voeren; overwegende dat de EU, zelfs wanneer zij haar handelsbelangen behartigt, er altijd voor moet zorgen dat haar acties stroken met het nastreven van haar doelstellingen met betrekking tot vredeshandhaving en bescherming van de mensenrechten;

J.  overwegende dat de EU in zo'n veranderlijke en onzekere internationale omgeving de nodige strategische onafhankelijkheid moet hebben om haar veiligheid te kunnen waarborgen en haar belangen en waarden te kunnen bevorderen;

K.  overwegende dat menselijke veiligheid centraal moet staan in de algehele EU-strategie en dat er ten volle rekening moet worden gehouden met het genderperspectief van veiligheid en met resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad;

L.  overwegende dat de EU zich sinds de goedkeuring van de Europese Veiligheidsstrategie van 2003 tot doel heeft gesteld om een op effectief multilateralisme en de regels van het internationaal recht gebaseerde internationale orde tot stand te brengen;

M.  overwegende dat de nieuwe strategie moet stroken met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

N.  overwegende dat de toekomstige strategie moet worden opgevolgd met jaarlijkse uitvoeringsverslagen en de volgende doelstellingen moet omvatten, die verder moeten worden uitgewerkt in "substrategieën" met specifieke bepalingen voor verschillende actiegebieden:

De EU verdedigen

1.  merkt op dat het doel van de EU erin bestaat vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen, en tegelijk de veiligheid van haar burgers en haar grondgebied te waarborgen; benadrukt dat het externe optreden van de EU berust op de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 21 VEU; benadrukt dat de EU er bijgevolg voor moet zorgen dat zij zowel intern als extern weerbaar is, dat zij in staat is te anticiperen op voorspelbare uitdagingen en dreigingen en deze kan ondervangen en oplossen, maar eveneens paraat is om snel te reageren op onvoorspelbare crises, dat zij kan herstellen van verschillende soorten aanvallen, en dat zij de zekerheid van de energie- en grondstoffenvoorziening kan veiligstellen, rekening houdend met de gevolgen van de klimaatverandering, die dringend moeten worden aangepakt, waarbij de EU een leidende rol moet vervullen bij de wereldwijde klimaatmaatregelen en de bevordering van duurzame ontwikkeling;

2.  is ervan overtuigd dat de EU-strategie, om het hoofd te bieden aan een veranderende mondiale omgeving, gebaseerd moet zijn op:

   a) het in kaart brengen en prioriteren van de dreigingen en uitdagingen;
   b) het bepalen van het antwoord daarop;
   c) het bepalen van de benodigde middelen;

3.  benadrukt dat de grenzen van elke lidstaat de grenzen van de EU vormen en als zodanig moeten worden verdedigd;

4.  is van mening dat de EU, als mondiale actor, een essentiële rol speelt bij het hooghouden van de in de internationale mensenrechtenwetgeving vervatte beginselen, met name de beginselen van universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten; is daarom van mening dat de mensenrechten op een zinvolle manier moeten worden geïntegreerd in de nieuwe mondiale strategie met het oog op de volledige tenuitvoerlegging van het strategisch kader van de EU, de richtsnoeren en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie; wijst er in dit verband op dat het maatschappelijk middenveld van de EU, de lidstaten en derde landen altijd moeten worden geraadpleegd, zodat de ervaring en deskundigheid van beroepsbeoefenaren en mensenrechtenactivisten het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de EU kunnen onderbouwen en aanscherpen; verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat in het buitenlands beleid van de EU een strategische benadering van mensenrechten wordt toegepast, waarin de nadruk wordt gelegd op concrete maatregelen en resultaten en blijk wordt gegeven van een samenhangend engagement van de EU voor mensenrechten in verschillende landen en regio's, ongeacht bezwaren op het gebied van veiligheid, buitenlands beleid, handel, energie, hulp of andere vlakken;

5.  is van mening dat het van essentieel belang is om de belangen van een echt gemeenschappelijk buitenlands beleid van alle 28 EU-lidstaten in elke regio van de wereld en op elk relevant beleidsgebied in kaart te brengen; benadrukt voorts dat het zichtbaar maken van die gemeenschappelijke belangen de EU als actor op het gebied van buitenlandse zaken al aanzienlijk zou versterken; vraagt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de EDEO op te dragen om die specifieke belangen in kaart te brengen en strategische en operationele doelstellingen te helpen vaststellen die rechtstreeks tot concrete resultaten kunnen leiden;

6.  is van mening dat de Verenigde Staten de belangrijkste strategische partner van de EU zijn; merkt op dat de EU en haar lidstaten meer verenigd moeten zijn en bereid moeten zijn om meer verantwoordelijkheid voor hun collectieve veiligheid en de verdediging van hun grondgebied op zich te nemen, en zich minder op de Verenigde Staten moeten verlaten, met name in de buurlanden van Europa; benadrukt dat het trans-Atlantisch bondgenootschap een essentiële pijler van een op regels gebaseerde wereldorde moet blijven; vraagt de EU en de lidstaten daarom hun defensiecapaciteit te vergroten teneinde paraat te zijn om, in synergie met de NAVO, op een brede waaier aan civiele, militaire en hybride dreigingen en risico's te reageren, en ten volle gebruik te maken van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon betreffende het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

7.  spoort de EU bijgevolg aan tot een meer coherente en gestructureerde samenwerking op het gebied van defensieonderzoek, de industriële basis en cyberdefensie, met gebruikmaking van bundelen en delen en andere samenwerkingsprojecten teneinde de nationale defensiebegrotingen efficiënter te benutten, teneinde de collectieve doelstelling te verwezenlijken om 2 % van de defensie-uitgaven aan onderzoek te besteden, en teneinde binnen het volgende meerjarig financieel kader een door de EU gefinancierd programma voor defensieonderzoek en -technologie op te zetten; is van mening dat het Europees Defensieagentschap (EDA) een grotere rol en meer middelen moet krijgen zodat het doeltreffender kan optreden; is van mening dat de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor het opbouwen van dringend noodzakelijke Europese capaciteiten en het bijdragen aan de strategische autonomie van de EU, meer moeten uitgeven aan militair onderzoek via het EDA, en de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) en de Europese defensiemarkt (EDM) moeten versterken; vraagt dat de lidstaten de veiligheids- en defensiebegrotingen op transparantere wijze gebruiken en daar meer verantwoording over afleggen; vraagt de EU-lidstaten ook de nodige capaciteit ter beschikking te stellen om de taken overeenkomstig artikel 43 VEU te vervullen, onder meer voor desbetreffende VN-vredesmissies; is voorts van mening dat de Europese uitwisseling van inlichtingen moet worden verbeterd en dat er een echte Europese inlichtingen- en voorspellingscapaciteit moet worden ontwikkeld, met de nodige toezichtsmechanismen;

8.  verzoekt de VV/HR het gebrek aan duidelijkheid over de clausule betreffende wederzijdse verdediging in artikel 42, lid 7, VEU, te verhelpen en de richtsnoeren en procedures voor de uitvoering ervan vast te stellen, zodat de lidstaten doeltreffend kunnen reageren wanneer er een beroep op wordt gedaan;

9.  uit scherpe kritiek op de Commissie omdat zij zich niet op tijd heeft gekweten van de taken die de Europese Raad haar in 2013 heeft toevertrouwd wat betreft een geplande routekaart voor een alomvattende EU-regeling voor gegarandeerde aanvoer, een gepland groenboek inzake de controle op industriële capaciteiten op defensie- en veiligheidsgebied, het toezicht op overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied en verkooptransacties tussen regeringen in de defensiesector;

10.  neemt kennis van Besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015; vraagt de directeur van het Europees Defensieagentschap (EDA) en de VV/HV het Europees Parlement te laten weten hoe dit besluit van de Raad strookt met de herhaalde vraag van het Parlement om het EDA te versterken door zijn personeel en exploitatiekosten uit de EU-begroting te financieren;

11.  is van mening dat eerst en vooral de overstap moet worden gemaakt naar permanent gebundelde multinationale militaire eenheden, gezamenlijke defensiekrachten en een kader voor een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat uiteindelijk moet leiden tot een Europese defensie-unie; vraagt in dit verband dat er een permanent militair hoofdkwartier van de EU wordt opgericht om de militaire crisisbeheersingscapaciteit te verbeteren, voor noodplanning te zorgen en de interoperabiliteit van de strijdkrachten en de uitrusting te garanderen; vraagt de lidstaten de samenwerking op defensiegebied collectief, bilateraal of in regionale clusters te versterken; is voorstander van de goedkeuring van een witboek inzake Europese defensie op basis van de algehele EU-strategie;

12.  is van mening dat de huidige activering van artikel 42, lid 7, VEU de aanzet moet geven om het potentieel van alle Verdragsbepalingen inzake veiligheid en defensie te ontsluiten;

13.  benadrukt hoe belangrijk is om de samenwerking tussen de EU en de NAVO te versterken, die de coördinatie tussen operaties moet garanderen, en is voorstander van de oprichting van Europese capaciteiten die de NAVO versterken bij de verdediging van het grondgebied en die in staat zijn om autonoom interventies buiten de grenzen van de EU uit te voeren; benadrukt dat het GVDB de Europese pijler van de NAVO moet versterken en ervoor moet zorgen dat de Europese NAVO-leden hun NAVO-verbintenissen daadwerkelijk nakomen; stelt voor om de concepten van EU-gevechtsgroepen en NAVO-reactiemacht te combineren; herinnert eraan dat de militaire bijdragen moeten worden gebaseerd op het beginsel van solidariteit onder de EU-lidstaten;

14.  benadrukt dat de controle op wapenuitvoer een integraal onderdeel vormt van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en moet plaatsvinden volgens de beginselen van artikel 21 VEU, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is te zorgen voor samenhang tussen wapenuitvoer en de geloofwaardigheid van de EU als wereldwijd pleitbezorger van de mensenrechten; is er ten stelligste van overtuigd dat een effectievere toepassing van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt een belangrijke bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling van de algehele EU-strategie;

15.  vraagt de lidstaten het gemeenschappelijk standpunt over wapenuitvoer in acht te nemen en geen wapens meer te verkopen aan derde landen die niet aan de vermelde criteria voldoen;

16.  pleit ervoor om de efficiënte governance van mondiale gemeenschappelijke domeinen zoals de zee, de lucht, de ruimte en cyberspace, verder te verdiepen;

17.  wijst erop dat technologie een steeds grotere rol speelt in onze samenlevingen en dat het EU-beleid een antwoord moet bieden op de snelle veranderingen op het gebied van technologische ontwikkeling; onderstreept in dit opzicht dat internet en technologie een fundamentele emanciperende rol kunnen spelen in de ontwikkeling, democratisering en emancipatie van burgers wereldwijd, en benadrukt daarom hoe belangrijk het is dat de EU werk maakt van het bevorderen en veiligstellen van een vrij en open internet en het beschermen van digitale rechten;

18.  benadrukt dat met de impact van technologie ook rekening moet worden gehouden in de algehele strategie en in initiatieven inzake cyberveiligheid, terwijl het verbeteren van de mensenrechten integraal deel moet uitmaken van alle beleidsgebieden en programma's van de EU, voor zover van toepassing, teneinde de bescherming van de mensenrechten, de bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vreedzame conflictoplossing in de hand te werken;

De ruimere omgeving van Europa stabiliseren

19.  is van mening dat de EU, om een effectievere en geloofwaardige speler te zijn, meer verantwoordelijkheid op zich moet nemen en zich moet concentreren op het bestrijden van het veiligheidsvacuüm in de buurlanden en de ruimere omgeving, alsook op het scheppen van voorwaarden voor stabiliteit en welvaart, gebaseerd op de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten omvat, hetgeen noodzakelijkerwijs de diepere oorzaken van de huidige oorlogen en conflicten, migratiestromen en de vluchtelingencrisis;

20.  is ervan overtuigd dat de EU zich vooral in het zuidelijke nabuurschap meer moet bezighouden met diplomatie die escalatie voorkomt; is van mening dat de nieuwe strategie moet voorzien in wijzen waarop de EU kan voortbouwen op het recente nucleaire akkoord met Iran en verder kan werken aan vertrouwenwekkende en andere veiligheidsgerelateerde regionale overeenkomsten, die ook zouden kunnen voortbouwen op Europa's eigen ervaring met regionale veiligheidsovereenkomsten zoals de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en akkoorden zoals de Slotakte van Helsinki;

21.  is van mening dat de EU, om stabiliteit en vrede tot stand te brengen en de menselijke veiligheid, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en democratisering te bevorderen, trouw moet blijven aan haar toezeggingen inzake uitbreiding en integratie, op basis van beleid ter bevordering van economische groei en inclusieve samenlevingen, en moet blijven samenwerken met de landen waarmee zij in het kader van het onlangs herziene Europese nabuurschapsbeleid (ENB) nauw geassocieerd is; brengt in herinnering dat artikel 49 VEU bepaalt dat elke Europese staat kan verzoeken lid te worden van de EU, op voorwaarde dat hij de criteria van Kopenhagen, die vastliggen en waarover niet kan worden onderhandeld, alsook de democratische beginselen in acht neemt, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden eerbiedigt en het functioneren van de rechtsstaat garandeert; is van mening dat de EU zich te allen tijde op coherente en consistente wijze moet blijven engageren in zowel het oostelijke als het zuidelijke nabuurschap;

22.  is van mening dat de huidige vluchtelingencrisis een holistische Europese aanpak en spoedeisende gecoördineerde maatregelen vereist, waarbij zowel interne als externe instrumenten worden gebruikt; vraagt om een langetermijnstrategie en een duurzaam asiel-, migratie- en overnamebeleid op basis van gemeenschappelijke beginselen en solidariteit en met eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke veiligheid; vraagt dat het Schengensysteem, de Europese grens- en kustwacht en Frontex worden versterkt; vraagt de Commissie in dit verband doeltreffende en duurzame oplossingen voor te stellen; is van mening dat de EU een meer praktische en alomvattende aanpak van de hulp aan Afrika, het Midden-Oosten en fragiele en voor oorlog vatbare landen en regio's moet stimuleren;

23.  is van mening dat inclusieve multilaterale diplomatie, gecoördineerd door en onder leiding van de VV/HV, essentieel is om zowel in het nabuurschap als wereldwijd conflicten op te lossen en met crises om te gaan; benadrukt dat er op EU-niveau, binnen de lidstaten en tussen de EDEO en de Commissie, meer strategische sturing, consistentie en positieve synergieën moeten worden ontwikkeld tussen de steeds nauwer met elkaar verweven maatregelen van extern optreden en van intern beleid;

Versterking van de multilaterale mondiale governance

24.  is van mening dat de EU op wereldvlak een constructieve en weerbare actor met een regionale focus moet zijn, die met de nodige civiele en militaire middelen is uitgerust, en dat zij moet ambiëren een "regelgever" te zijn, die bijdraagt tot het versterken van een efficiënte multilaterale mondiale governance, met als doel democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten te bevorderen; onderstreept dat het GVDB een essentieel instrument is om crises te voorkomen en op te lossen;

25.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten hun externe optreden op alomvattende / gezamenlijke / geïntegreerde wijze voort te zetten en rekening te houden met het onlosmakelijke verband tussen interne en externe veiligheid; vraagt de EU in dit verband synergieën te ontwikkelen tussen maatregelen ter bevordering van veiligheid, ontwikkeling, handel, mensenrechten, democratie en het externe optreden van de EU, en ervoor te zorgen dat deze beleidsmaatregelen op te nemen in haar algehele strategie; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het EU-optreden op handelsgebied ook doelstellingen met betrekking tot non-proliferatie, bevordering van vrede en de eerbiediging van de mensenrechten helpt verwezenlijken;

26.  herinnert aan de aanzienlijke en toenemende rol die energiezekerheid zal spelen in de interne ontwikkeling van de EU en haar betrekkingen met lokale, regionale en internationale partners; vraagt dat de vijf pijlers van de energie-unie spoedig en volledig ten uitvoer worden gelegd; is van mening dat het in het strategisch belang van de EU is om de Commissie het prerogatief te verlenen om mee te onderhandelen over alle contracten betreffende energielevering uit en/of energieproductie in derde landen en om deze mee te ondertekenen;

27.  benadrukt dat er politieke wil in de lidstaten nodig is om meer flexibiliteit met betrekking tot het GVDB aan de dag te leggen, zodat er op dit gebied een echte dynamiek ontstaat; steunt de oprichting van een formele Raad van defensieministers en regelmatige vergaderingen van de Europese Raad over defensie; vraagt de lidstaten die dat willen, om een permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (PESCO) op te zetten; benadrukt in dit verband dat structurele beperkingen met betrekking tot, met name, de beoordeling van de behoeften, de (civiele en militaire) capaciteiten en de gemeenschappelijke financiering moeten worden verholpen; is van mening dat gebruikmaking van permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (PESCO) en artikel 44 VWEU de meest geschikte institutionele methoden vormen om dit gemeenschappelijk beleid op realistische wijze te bevorderen;

28.  steunt het principe dat de EU-lidstaten zich ertoe moeten verbinden om tegen 2024 2 % van hun bbp aan defensie te besteden, zodat de noodzakelijke en toereikende civiele en militaire capaciteiten kunnen worden opgebouwd om de doelstellingen van het GBVB/GVDB te verwezenlijken en zodat meer schaalvoordelen kunnen worden gecreëerd door gezamenlijke ontwikkeling, samenwerking en vermindering van de verschillen tussen de lidstaten;

29.  benadrukt dat meer samenwerking met mondiale en regionale actoren met betrekking tot wereldwijde bedreigingen en uitdagingen nodig is om wereldwijd een op regels gebaseerde orde te bewerkstellingen; meent dat samenwerking met geïnteresseerde regionale actoren rond specifieke sectorale thema's de mogelijkheid biedt om Europese waarden te delen, en bijdraagt tot groei en ontwikkeling; herinnert eraan dat wereldwijde bedreigingen vaak lokale oorzaken hebben en dat het vinden van een oplossing bijgevolg de betrokkenheid van lokale actoren vereist; merkt op dat nauwere betrekkingen met niet-overheidsactoren, lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld aangaan ook van groot belang is om te zorgen voor een alomvattende aanpak van wereldwijde uitdagingen zoals klimaatverandering en terrorisme, en dat de wijze waarop de EU partnerschappen bouwt en definieert, aan herziening toe is om de partners een groter gevoel van ownership te geven en om een aanpak met diverse belanghebbenden verder te integreren;

30.  is van mening dat de betrekkingen met belangrijke mondiale en regionale actoren – staten, organisaties en instellingen – gebaseerd moeten zijn op de grondbeginselen en strategische belangen van de EU, de eerbiediging van het internationaal recht, en welomschreven gemeenschappelijke doelstellingen en belangen, rekening houdend met hun strategische gewicht en hun potentiële bijdrage aan de aanpak van wereldwijde dreigingen en uitdagingen; is van mening dat strategische connectiviteitsprojecten een belangrijke rol kunnen spelen bij het opbouwen van sterke en stabiele betrekkingen met de belangrijke partners van Europa;

31.  dringt aan op nauwere betrekkingen met regionale machten en kaders met het oog op duurzame synergieën op het vlak van vrede, veiligheid, conflictpreventie en crisisbeheersing, en extra steun voor landen die door regionale crises zwaar onder druk staan, waaronder bijstand bij het opbouwen van veerkrachtige en stabiele instellingen en een inclusieve samenleving, zodat handelsakkoorden en sectorale overeenkomsten als hefboom kunnen dienen om veiligheid, stabiliteit en welvaart te bevorderen en alomvattende regionale strategieën na te streven;

32.  betreurt het dat autocratische en repressieve regimes er steeds beter in slagen om de mensenrechten, ontwikkeling, democratie en de ontwikkeling van een actief maatschappelijk middenveld te ondermijnen of te dwarsbomen; vraagt de VV/HV deze negatieve mondiale trend tegen te gaan in het kader van de algehele EU-strategie;

33.  merkt op dat de welvaart in de EU wordt bepaald door haar vermogen om innovatief en concurrerend te blijven en profijt te trekken van een snel veranderende mondiale economie; meent dat de EU al haar beleidsinstrumenten op coherente wijze moet gebruiken om gunstige externe voorwaarden te creëren voor een duurzame groei van de Europese economie; is van mening dat de EU een betrokken en actieve actor moet zijn, die vrije en eerlijke handel en investeringen, veilige handelskanalen en een betere markttoegang wereldwijd bevordert en die de stabiliteit van het mondiale financiële systeem vrijwaart door strenge normen inzake regelgeving en governance te promoten;

34.  merkt op dat de EU, om de bovenstaande doelstellingen te bereiken, haar samenwerking met een hervormde VN moet versterken en positie moet nemen om maatregelen te beïnvloeden en te sturen in de mondiale fora voor de governance van de gebieden waar de strategische belangen en de veiligheid van de EU in het spel zijn, haar partnerschappen met andere mondiale en regionale actoren moet verdiepen, haar strategische partnerschappen nieuw leven moet inblazen en die moet omvormen tot doeltreffende beleidsinstrumenten, met inbegrip van haar partnerschappen met niet-statelijke actoren; is van oordeel dat de EU ook de Europese diplomatie moet versterken, meer operationele capaciteiten moet opbouwen om conflicten te voorkomen, democratie en vrede te bevorderen, crises te beheren, en allianties te vormen door bemiddeling en dialoog, en het maatschappelijk middenveld moet versterken en empoweren; pleit voor nauwere samenwerking tussen de EU en de VN en tussen de EU en de Afrikaanse Unie bij vredesoperaties; benadrukt dat conflicten zoveel mogelijk via multilaterale overeenkomsten moeten worden opgelost, met inachtneming van de verschillende dimensies die deze interventies moeten omvatten op het vlak van vredeshandhaving en -afdwinging, duurzame ontwikkeling, het aanpakken van de oorzaken van migratie en eerbiediging van de mensenrechten;

35.  wijst op de essentiële rol die de EU speelt op het gebied van ontwikkelingshulp, en vraagt de lidstaten hun belofte na te komen om 0,7 % van hun bbp te besteden aan officiële ontwikkelingshulp; verzoekt de EU een meer pragmatische aanpak van de hulp te bevorderen door het gebruik van begrotingssteun aan te moedigen; vraagt de lidstaten alles in het werk te stellen om de doelstellingen van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

36.  benadrukt dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder veiligheid en dat veiligheid niet mogelijk is zonder ontwikkeling; wijst erop dat het ontwikkelingsbeleid van de EU daarom een essentieel onderdeel moet zijn van de algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid;

37.  is verheugd dat de nieuwe algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid beoogt alomvattend te zijn, de samenhang tussen interne en externe beleid te versterken en de coördinatie tussen de instellingen en met de lidstaten te verbeteren; herinnert aan de uit het Verdrag voortvloeiende verplichting om het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in acht te nemen en tegenstrijdigheden tussen het ontwikkelingsbeleid en ander beleid dat op ontwikkelingslanden van invloed is, te vermijden; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom systemen voor de coördinatie tussen hun respectieve ministeries en binnen het volledige college van commissarissen op te zetten en te consolideren, en de nationale parlementen nog meer te betrekken bij de agenda voor beleidscoherentie voor ontwikkeling, en vraagt de EU te zorgen voor een sterker coördinatiemechanisme om te wijzen op de mogelijke effecten van beleidsmaatregelen op haar ontwikkelingsdoelstellingen, ontwikkelingsaspecten van meet af aan te integreren in beleidsinitiatieven, en het effect en de voortgang met betrekking tot beleidscoherentie voor ontwikkeling systematischer te meten; pleit in dit verband voor doeltreffende rechtsmiddelen voor slachtoffers in zaken waarin de nationale justitie duidelijk niet in staat is om te gaan met beleid dat door een buitenlandse entiteit ten uitvoer wordt gelegd;

38.  is ingenomen met het feit dat het verband tussen vrede en ontwikkeling in de nieuwe Agenda 2030 tot uiting komt en dat daardoor doelstelling 16 inzake duurzame ontwikkeling, die betrekking heeft op vrede en justitie, is opgenomen; verzoekt de EU en de lidstaten onder meer voorrang te geven aan activiteiten ter verwezenlijking van doelstelling 16 (mensenrechten, goed bestuur, vrede en democratieopbouw) en ervoor te zorgen dat deze bij de programmering van ontwikkelingssamenwerking worden aangemerkt als kernsectoren van de nationale indicatieve programma's (NIP's);

39.  vraagt om een herziening van de Europese consensus inzake ontwikkeling als belangrijke bijdrage tot een geactualiseerde, coherente algehele EU-strategie; benadrukt dat bij deze herziening rekening moet worden gehouden met nieuwe mondiale uitdagingen en de verwezenlijking binnen de EU van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en opnieuw de nadruk moet worden gelegd op onderliggende waarden zoals de eerbiediging van de mensenrechten – met bijzondere aandacht voor de rechten van kwetsbare groepen zoals meisjes, vrouwen en mensen met een handicap, de democratie en de rechtsstaat – maar ook op essentiële beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën, een grotere verantwoordingsplicht van de nationale systemen van partnerlanden en differentiatie op basis van behoeften, maar ook prestatiecriteria op basis van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de EU alles in het werk stelt om de complementariteit tussen alle actoren op het gebied van ontwikkeling te versterken, om zo het volledige potentieel van het Europese ontwikkelingsbeleid te benutten en de verwezenlijking van de ontwikkelingsagenda voor 2013 te versnellen;

40.  neemt met bezorgdheid kennis van de toename van onhoudbare schulden in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie het beginsel van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van kredietgevers en -nemers aan te scherpen en de beginselen van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) voor het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van krediet op al haar beleidsterreinen daadwerkelijk in acht te nemen en te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband constructief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN met het oog op een internationaal mechanisme voor de herschikking van staatsschulden;

41.  betreurt het dat er nog steeds geen regelgevend kader is voor de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechten en verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen, waardoor bepaalde landen en bedrijven deze straffeloos kunnen omzeilen; vraagt de EU en de lidstaten actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad en het Milieuprogramma van de VN met het oog op een internationaal verdrag waarmee transnationale ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

42.  steunt het idee van het opnieuw definiëren van de betrekkingen van de EU met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) door het beginsel van gelijke partners te versterken, de democratische beleidsruimte van de regeringen van soevereine landen voor het nemen van beleidsbeslissingen ten gunste van hun bevolking te eerbiedigen en het beginsel van goed bestuur en de mensenrechten op te waarderen tot essentiële onderdelen van de post-Cotonou-overeenkomst en door de doelstellingen van het EU-beleid voor ontwikkeling, handel, veiligheid, klimaatverandering en migratie doeltreffend nauwer op elkaar af te stemmen, met het oog op wederzijdse versterking; vraagt dat er met betrekking tot het Europees Ontwikkelingsfonds formele toetsingsbevoegdheden worden verleend, eventueel door een bindende interinstitutionele overeenkomst in het kader van artikel 295 van het Verdrag van Lissabon; vraagt om een eerlijk en ambitieus partnerschap tussen de EU en de ACS na 2020 dat gebaseerd is op de beginselen van eigen inbreng en wederzijds respect tussen partners met gelijke rechten en plichten, meer is toegespitst op gemeenschappelijke uitdagingen en belangen en beter is aangepast aan het bewerkstelligen van concrete veranderingen in de wensen van beide partijen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; verzoekt de EU de instrumenten voor de externe handel met de ACS-landen – met name de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) – te bevorderen, om zo concrete veranderingen te bewerkstelligen in de veiligheid en welvaart van beide partijen;

43.  benadrukt dat de EU haar inspanningen ter bevordering van economische ontwikkeling en veerkracht in haar nabuurschap en in regio's die voor haar van belang zijn, moet volhouden en verhogen; herinnert eraan dat kleine en middelgrote ondernemingen de meeste banen scheppen en dat het vergemakkelijken van hun activiteiten derhalve cruciaal is voor het bevorderen van toekomstige economische ontwikkeling;

44.  vraagt de VV/HV, de Commissie en de lidstaten een duidelijk verband te leggen tussen de algehele EU-strategie en de structuur en de prioriteiten van de EU-begroting, in meer eigen middelen te voorzien, de nodige middelen uit te trekken voor de uitvoering ervan, en worden uitgetrokken voor de tenuitvoerlegging ervan en de bestaande begrotingsmiddelen optimaal te benutten door betere samenwerking en gecoördineerd optreden op het gebied van diplomatie, ontwikkeling, handel, energie en defensie;

Zorgen voor betrokkenheid – de EU, nationale parlementen en burgers in Europa

45.  benadrukt dat de algehele strategie om de vijf jaar moet worden herzien, gelijktijdig met het nieuwe Europees Parlement en de nieuwe Commissie, zodat kan worden nagegaan of de doelstellingen en prioriteiten nog steeds aangepast zijn aan de dreigingen en de veiligheidsomgeving, en zodat de nieuwe VV/HV bij de herziening kan worden betrokken;

46.  benadrukt dat EU-maatregelen zijn onderworpen aan controle door het Europees Parlement en nationale parlementen en dat het Europees Parlement een essentiële rol speelt bij het regelmatige en toezicht op het externe optreden van de EU-instellingen, en is van mening dat de nationale parlementen nauwer bij dit toezicht kunnen worden betrokken; herinnert eraan dat het Europees Parlement een essentiële partner van de VV/HV is bij het vormgeven van de externe betrekkingen van de EU en het aanpakken van de huidige uitdagingen, onder meer door toezicht te houden op de maatregelen van het externe beleid van de EU; vraagt dat er jaarlijks een verslag over de uitvoering van de strategie wordt ingediend bij het Europees Parlement;

47.  is van mening dat het Parlement zijn rol bij de inspanningen van de EU om conflicten te voorkomen, ten volle moet vervullen;

48.  benadrukt dat het belangrijk is de nationale parlementen actief bij het proces te betrekken door een grondigere collectieve controle samen met het Europees Parlement tijdens de zittingen van de interparlementaire conferentie voor het GBVB/GVDB;

49.  vraagt de Europese beleidsmakers met klem om met de burgers, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en de lokale en regionale overheden in dialoog te gaan over de noodzaak en de voordelen van een sterker kader voor de veiligheid in Europa;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0213.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0019.
(3) PB L 266 van 13.10.2015, blz. 55.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0472.


Tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië
PDF 366kWORD 160k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië (2015/2220(INI))
P8_TA(2016)0121A8-0051/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het vierde voortgangsverslag van 13 januari 2015 over de tenuitvoerlegging van de in 2007 aangenomen EU-strategie voor Centraal-Azië,

–   gezien de conclusies van de Raad over de EU-strategie voor Centraal-Azië, zoals goedgekeurd door de Raad Buitenlandse Zaken op 22 juni 2015,

–  gezien de verbintenissen die op 20 november 2013 in Brussel zijn aangekondigd tijdens de ministeriële vergadering van de EU en Centraal-Azië,

–  gezien de gezamenlijke verklaring naar aanleiding van de vijfde conferentie op hoog niveau van de EU en Centraal-Azië, gehouden in Milaan op 12 en 13 oktober 2015, over de samenwerking op het gebied van energie en water,

–  gezien de resultaten van de OVSE-bijeenkomst betreffende de uitvoering van de menselijke dimensie, die van 21 september tot 2 oktober 2015 plaatsvond in Warschau,

–  gezien het proces van Istanbul inzake regionale veiligheid en samenwerking voor een veilig en stabiel Afghanistan, dat in 2011 in Turkije van start is gegaan, en de ministeriële conferentie "Heart of Asia" die op 14 juni 2012 in Kabul werd gehouden en gericht was op de uitvoering van het proces,

–  gezien het feit dat de Commissie buitenlandse zaken zich tijdens haar hoorzitting op 1 juni 2015 positief heeft uitgelaten over de onlangs benoemde speciale vertegenwoordiger van de EU voor Centraal-Azië, Peter Burian, en heeft verklaard hem te zullen steunen,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de regio, met name die van 20 februari 2008 over een EU-strategie voor Centraal-Azië(1) en die van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(2),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijting van de Commissie voor 2013(3), met name deel II hiervan over het speciaal verslag nr. 13/2013 van de Rekenkamer getiteld "EU-ontwikkelingshulp aan Centraal-Azië",

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen(4), en met name artikel 240,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over samenwerking op het gebied van energiebeleid met partners buiten onze grenzen: een strategische benadering van gegarandeerde, duurzame en concurrerende energievoorziening(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over EU-prioriteiten voor de 25e vergadering van de VN-Raad voor de mensenrechten(7),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2011 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie ter zake(9),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU-beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(10),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(11),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over versterking van de OVSE – een rol voor de EU(13),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 met aanbevelingen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan(14),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over Kazachstan(15),

–  gezien zijn resolutie van 18 april 2013 over de mensenrechtensituatie in Kazachstan(16),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2015 over Kirgizië, wet op homoseksuele propaganda(17),

–  gezien zijn standpunt van 22 oktober 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Kirgizische Republiek(18),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de situatie in Kirgizië(19),

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2010 over de situatie in Kirgizië(20),

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2009 over de sluiting van een Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds(21),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2014 over de mensenrechten in Oezbekistan(22),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel(23),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over de betrekkingen EU-China(24),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), aangenomen door de Raad op 20 juli 2015,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties A/RES/53/144 met als titel "Verklaring betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden" (Verklaring over mensenrechtenverdedigers),

–  gezien de lopende evaluaties van de globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid en van het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien artikel 21 van het VEU,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0051/2016),

A.  overwegende dat de EU-strategie voor Centraal-Azië is aangenomen in een context van toenemend belang van de regio en een toegenomen EU-engagement in het naburige Afghanistan, de uitbreiding van het Europees nabuurschapsbeleid naar de Kaspische regio, aanhoudende steun van de EU voor de hervorming en modernisering van samenlevingen die vroeger deel uitmaakten van de Sovjet-Unie, en EU-belangen op het vlak van energiezekerheid; overwegende dat in de strategie ook erkenning werd gegeven aan de gevaren en uitdagingen op het vlak van veiligheid waarvoor meer samenwerking tussen Centraal-Azië, de EU en haar lidstaten vereist is; overwegende dat de strategie al bijna acht jaar wordt uitgevoerd;

B.  overwegende dat de regio Centraal-Azië weliswaar een gemeenschappelijk verleden heeft, maar desondanks een heterogene regio is met een multi-etnisch en multiconfessioneel karakter; overwegende dat het gebrek aan wederzijds vertrouwen, evenals de aanhoudende spanningen over het gebruik en de verdeling van natuurlijke hulpbronnen, de ontwikkeling van echte regionale samenwerking tot dusver in de weg hebben gestaan;

C.  overwegende dat de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten een basisvoorwaarde vormt voor een intensere samenwerking tussen de EU en de vijf landen van Centraal-Azië op gebieden van wederzijds belang, overeenkomstig de ware betekenis van de term "partnerschap", zoals vastgelegd in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten; overwegende dat de globale toestand van de democratie en de mensenrechten in de regio in verschillende gradaties slecht en zorgwekkend blijft;

D.  overwegende dat ernstige tekortkomingen in de werking van de rechtsstaat en ten aanzien van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden de kansen van de Centraal-Aziatische landen op duurzame ontwikkeling en goed bestuur in de weg staan, ten koste van hun samenlevingen;

E.  overwegende dat banden op het gebied van handel en energie ervoor zorgen dat de betrekkingen tussen de EU en Centraal-Azië worden aangehaald en dat gemeenschappelijke waarden, zoals de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten, worden bevorderd; overwegende dat het stelsel van algemene preferenties (SAP) de diversifiëring van de Centraal-Aziatische economieën beoogt;

F.  overwegende dat enkele lidstaten bilaterale betrekkingen met een aantal Centraal-Aziatische landen hebben aangeknoopt en versterkt; overwegende dat de EU de regio op een samenhangende en consistente wijze moet benaderen, teneinde overlappingen te vermijden en te voorkomen dat er meerduidige en verwarrende signalen worden afgegeven;

G.  overwegende dat de ontwikkelingshulp van de EU aan Centraal-Azië, voornamelijk in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, is verhoogd tot 1 miljard EUR voor de periode van 2014 tot 2020, wat neerkomt op een stijging van 56 % ten opzichte van de programmeringsperiode 2007-2013;

H.  overwegende dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een belangrijk financieringsinstrument vormt dat gericht is op de ondersteuning van democratisering en van organisaties uit het maatschappelijk middenveld;

I.  overwegende dat de regio in toenemende mate te maken krijgt met religieus fanatisme, dat zich uit door steun aan IS/Da'esh, Al Qaeda in Afghanistan en Hizb ut-Tahrir, en een groot aantal mensen heeft zien vertrekken om IS/Da'esh te gaan vervoegen in Syrië en Irak;

J.  overwegende dat de regio een belangrijke transitroute voor drugs vormt tussen Afghanistan en Rusland en dat bepaalde lokale clans zich bezighouden met deze lucratieve handel, die hen in staat stelt om door middel van corruptie en belangenvermenging veel politieke invloed uit te oefenen;

K.  overwegende dat onderwijs een cruciale rol speelt als het gaat om de bevordering van een stabiele, veilige en duurzame ontwikkeling van de regio;

L.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken in juni 2015 nogmaals heeft beloofd de rechten van vrouwen te bevorderen en geconcludeerd heeft dat het versterken van de positie van vrouwen een essentiële voorwaarde is voor stabiliteit op langere termijn en goed bestuur;

M.  overwegende dat de landen van Centraal-Azië de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van hun asielbeleid moeten verbeteren en dat regionale overlegprocedures zoals het proces van Almaty, dat gecoördineerd wordt door het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), daartoe kunnen bijdragen;

N.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatopwarming voor Centraal-Azië nog grotendeels onbekend zijn, maar dat nu al duidelijk is dat de problemen van watervoorziening in de laaggelegen landen nog zullen verergeren;

O.  overwegende dat Rusland en China nauwe banden hebben met de regio en er een aanzienlijke invloed uitoefenen, maar dat er voor de EU desondanks nog meer dan voldoende mogelijkheden zijn om de inspanningen op te voeren en de samenwerking met de Centraal-Aziatische landen te verbeteren;

P.  overwegende dat diverse regionale samenwerkingsverbanden, zoals de Collectieve Veiligheidsverdragorganisatie (CSTO), de Shanghai-samenwerkingsorganisatie (SCO) en de Euraziatische Economische Unie (EEU), verschillende Centraal-Aziatische landen onder hun leden tellen en gedomineerd worden door Rusland en/of China;

Q.  overwegende dat de regio is opgenomen in het initiatief "One Belt, One Road", en in het bijzonder in "The New Silk Road Economic Belt", waardoor de regio aan strategisch belang wint;

R.  overwegende dat de Centraal-Aziatische regio weliswaar bestaat uit de Centraal-Aziatische landen van de voormalige Sovjet-Unie, maar ook sterk onder invloed van Rusland, China, Mongolië, Iran en Afghanistan staat;

Algemene bepalingen met betrekking tot verbintenissen van de EU

1.  benadrukt de grote strategische, politieke en economische belangen van de EU bij een versterking van de bilaterale en multilaterale betrekkingen met alle Centraal-Aziatische landen, op basis van gemeenschappelijke, gedeelde waarden, zoals vermeld in de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Oezbekistan, en in de overeenkomst met Turkmenistan, alhoewel die nog niet van kracht is;

2.  wijst nogmaals op het grote belang dat de EU heeft bij een welvarend, vreedzaam, democratisch, stabiel en inclusief Centraal-Azië dat functioneert als een economisch en ecologisch duurzame regio, zoals vermeld in de strategie van 2007;

3.  wijst erop dat de tot dusver gehanteerde strategische benadering om de betrekkingen met de landen in Centraal-Azië vorm te geven slechts tot op zekere hoogte uitvoerbaar en succesvol is gebleken; stelt vast dat de economische betrekkingen tussen de EU en de onder de strategie voor Centraal-Azië vallende landen geen relevante uitbreiding hebben ondergaan, dat de nagestreefde bevordering van de onderlinge regionale samenwerking en integratie van de Centraal-Aziatische landen door uitwisseling van ervaringen en overdracht van normen stagneert aan de EU-kant;

4.  is van mening dat er op de in deze resolutie genoemde gebieden nog geen aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt, maar drukt zijn hoop uit dat de betrokken partijen, namelijk zowel de EU en haar lidstaten als de vijf Centraal-Aziatische landen, zich serieus zullen inspannen om de doelstellingen te verwezenlijken die zijn vastgelegd in de officiële documenten en verdragen die de rechtsgrond vormen voor de bilaterale en multilaterale betrekkingen tussen de Unie en respectievelijk Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan;

5.  is ingenomen met de evaluatie van de EU-strategie voor Centraal-Azië die in 2015 is uitgevoerd door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Commissie en de Raad; is niettemin van mening dat de prioriteiten, doelstellingen en streefdoelen beter moeten worden afgestemd op de interesses, vereisten en randvoorwaarden van de Centraal-Aziatische partnerlanden, rekening houdend met de verschillen tussen de landen in de regio en met het unieke karakter van elk van hen, en daarom nauwkeuriger moeten worden gedefinieerd door middel van afzonderlijke, op maat gesneden actieplannen per land en vergezeld moeten gaan van benchmarks en indicatoren met een redelijk tijdpad voor voltooiing, zodat deze actieplannen op flexibelere wijze kunnen worden aangepast aan de randvoorwaarden in de regio, en dit zo snel mogelijk;

6.  is het ermee eens dat de in 2007 aangenomen strategie en de daarin gedefinieerde prioriteitsgebieden voor de lange termijn (eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, goed bestuur en democratisering; jeugd en onderwijs; economische ontwikkeling; handel en investeringen; energie en vervoer; milieuduurzaamheid en water; gemeenschappelijke gevaren en uitdagingen met betrekking tot de veiligheid; en interculturele dialoog) zinvol en noodzakelijk blijven voor een concreet Europees engagement in de regio, in overeenstemming met de doelstellingen die in de EU-strategie zijn bepaald; is evenwel ingenomen met de meer gerichte aanpak van de evaluatie van de strategie;

7.  stelt met tevredenheid vast dat de evaluatie van de strategie relatief ambitieus is opgevat; sluit zich aan bij de aanduiding van de regio door de Raad als strategisch belangrijk en stemt er dan ook mee in een sterkere, doeltreffende samenwerking op het gebied van politieke, diplomatieke en handelsbetrekkingen tot stand te brengen en een daadwerkelijk democratisch overgangsproces te ondersteunen; is in dit verband ingenomen met de stijging van 56 % in de ontwikkelingshulp van de EU aan de regio voor de periode van 2014 tot 2020 ten opzichte van de voorafgaande periode, en met het feit dat de EU haar ontwikkelingshulp meer afstemt op deze regio;

8.   stelt het op prijs dat de evaluatie is besproken tijdens de ministeriële vergadering van de EU en Centraal-Azië op 21 december 2015 in Astana; is voorstander van een top EU-Centraal-Azië om de EU-doelstellingen in de regio te bevorderen en om punten van zorg en samenwerkingskwesties aan de orde te stellen;

9.  deelt de mening dat een gedifferentieerde, voorwaardelijke en op stimulansen gebaseerde benadering moet worden gehanteerd om op bilateraal en regionaal vlak betere resultaten te behalen; is van mening dat regionale programma's, zoals die voor grensbeheer, voor de strijd tegen drugs en illegale handel, en voor vervoer en energie, op maat moeten worden gesneden om de doelgroepen te bereiken, waaronder de landen in de omliggende regio, zoals Afghanistan, Iran, Mongolië of Azerbeidzjan;

10.  dringt er bij de EU op aan om op ad-hocbasis intensiever samen te werken met de Centraal-Aziatische landen die verder willen gaan dan de EU-Strategie voor Centraal-Azië;

11.   benadrukt dat nauwere regionale samenwerking ten goede zou komen aan de economische en de veiligheidssituatie in de regio; verzoekt de EDEO en de Commissie om, gezien de zwakke interregionale banden in Centraal-Azië, projecten op te zetten ter versterking van een dergelijke samenwerking voor landen die dit soort banden willen aanhalen;

12.  benadrukt dat EU-middelen duidelijk op basis van stimulansen en prestaties moeten worden uitbetaald, rekening houdend met de resultaten ten aanzien van een aantal benchmarks die voor elk land worden vastgelegd, en afhankelijk van een meetbare vooruitgang, met name op het gebied van democratisering, preventie en bestrijding van corruptie, vrije en eerlijke verkiezingen, mensenrechten, stopzetting van de drugshandel, eerbiediging van arbeidsregelgeving, goed bestuur, de rechtsstaat, ontwikkeling, menselijke veiligheid en betrekkingen van goed nabuurschap;

13.  is het ermee eens dat concreet en constructief engagement, de goedkeuring van democratische hervormingen en de vaststelling van overheidsprogramma's kunnen meetellen als resultaatindicatoren op diverse gebieden; dringt er bij de Commissie en de EDEO niettemin op aan hun beoordelingen te baseren op ter plaatse vastgestelde feiten;

14.  wijst er nogmaals op dat de EU meer politieke zichtbaarheid moet krijgen in de regio Centraal-Azië; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan met één stem te spreken, zonder bilaterale onderhandelingen waarbij de eerbiediging van de mensenrechten vaak wordt afgezwakt, om de coherentie en coördinatie van het buitenlands beleid in de regio te bevorderen, en allemaal samen over te gaan tot een gemeenschappelijke programmering van hulp en projecten met de lidstaten, teneinde hun effect en synergie volledig tot hun recht te laten komen; roept de Raad/de EDEO/de Commissie op een concreet actieplan op te stellen met meetbare benchmarks, zodat in de toekomst op een degelijke wijze kan worden beoordeeld in hoeverre er vooruitgang is geboekt; is ingenomen met de grotere betrokkenheid en eigen inbreng van de lidstaten wat betreft de uitvoering van de strategie;

15.  is ingenomen met de herinvoering na een jarenlange pauze van de functie van speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor Centraal-Azië, en rekent erop dat de nieuw aangestelde SVEU een belangrijke bijdrage levert aan de uitvoering van de strategie voor de Centraal-Aziatische landen en aan het vormgeven van de betrekkingen met deze landen, door te zorgen voor samenhang in het buitenlands optreden van de Unie in de regio en door de standpunten van de EU kenbaar te maken aan de politieke leiders en samenlevingen in Centraal-Azië;

16.  wenst dat de SVEU zich toelegt op het versterken van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, het bevorderen van regionale samenwerking en het dichterbij brengen van dialoog en een vreedzame oplossing voor omstreden kwesties, het leggen van contacten, niet alleen met regeringen en parlementen, maar ook met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en de media, het bevorderen van conflictpreventie, regionale veiligheid, en goed beheer op het gebied van milieu en klimaatverandering, in het bijzonder met betrekking tot watervoorraden en koolwaterstofreserves; verzoekt de SVEU om, overeenkomstig zijn mandaat en artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zowel mondeling als schriftelijk aan het Parlement verslag te doen van de belangrijkste uitdagingen;

17.  vraagt de EDEO, de Commissie en de SVEU om de EU meer op de voorgrond te plaatsen in Centraal-Azië en meer voor het voetlicht te brengen bij de bevolking, het maatschappelijk middenveld, de plaatselijke media, het bedrijfsleven en de academische wereld; roept de EDEO ertoe op een evenwicht te zoeken tussen stille diplomatie en toegenomen open diplomatie;

18.   verzoekt de EDEO regelmatig analyses te verstrekken over Centraal-Azië, rekening houdend met de diversiteit van de omliggende gebieden, met aandacht voor kwesties die te maken hebben met het integreren van Afghanistan en Iran, en met een alomvattende benadering voor het gebied rond de Kaspische Zee;

19.  verzoekt de Commissie synergieën, samenhang en consistentie te waarborgen tussen de acties van internationale organisaties zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), het VN-Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC), het UNHCR en de IOM, alsook tussen de verschillende EU-financieringsinstrumenten voor het externe optreden die in de regio worden gebruikt, zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het partnerschapsinstrument (PI), en verzoekt eveneens de coördinatie te verbeteren met de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en de Europese Investeringsbank (EIB);

20.  verzoekt de EU om op vlak van milieu, onderwijs en klimaatbeleid samen te werken met de hulp- en ontwikkelingsprojecten van de Verenigde Staten, om tot een hogere doeltreffendheid te komen en gezamenlijk een groter publiek te bereiken;

21.  roept de EU en de OVSE op nauwer samen te werken ten aanzien van Centraal-Azië, in het bijzonder op het gebied van mensenrechten, democratisering en veiligheid, met als doel de inspanningen in de regio te bundelen en, daar waar nodig, aan te vullen;

22.  spoort de EU-delegaties in Centraal-Azië aan alles in het werk te stellen om bij te dragen tot de uitvoering van de EU-strategie, in het bijzonder als het gaat om de steun aan en de contacten met het maatschappelijk middenveld;

23.  is voorstander van verdere interparlementaire samenwerking en wijst erop dat het aan de vaste delegatie voor de betrekkingen met de regio is om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met de landen in de regio;

Democratisering, mensenrechten en de rechtsstaat

24.  dringt er bij de Raad, de EDEO en de Commissie op aan om in de Centraal-Aziatische landen groot belang te hechten aan en zich proactief bezig te houden met de bevordering en de versterking van democratie, de handhaving van burgerrechten, politieke rechten en mensenrechten – met inbegrip van de sociale rechten uit het VN-verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten – het instellen van de rechtsstaat, de bevordering van goed bestuur en degelijke bestuursdaden, en aldus ook de voorwaarden te scheppen voor veiligheid en stabiliteit, voor de totstandkoming van een open samenleving in de betrokken landen en uiteindelijk voor het verstrekken van optimale werkwijzen om externe en interne problemen en uitdagingen op het vlak van politiek, veiligheid en economie het hoofd te bieden;

25.  benadrukt dat de eerbiediging van mensenrechten en democratie centraal moet staan in de EU-strategie om te bepalen welke domeinen in aanmerking komen voor samenwerking in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, wat erop neerkomt dat de mensenrechten- en democratieclausule moet worden toegepast; betreurt dat de wettelijke verplichtingen die in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten zijn vastgelegd ter ondersteuning van de democratie en de rechtsstaat niet naar behoren ten uitvoer zijn gelegd, met uitzondering van enige vooruitgang die in Kirgizië is geboekt;

26.  betreurt dat de globale eerbiediging van democratische normen, mensenrechten en fundamentele vrijheden nog niet van een aanvaardbaar niveau is; betreurt dat de mensenrechtensituatie in het algemeen zorgwekkend blijft, maar benadrukt dat er toch beperkte positieve ontwikkelingen kunnen worden waargenomen in een aantal landen uit de regio, waaronder wetswijzigingen, toegenomen inspanningen om foltering te voorkomen en maatregelen om kinderarbeid en dwangarbeid uit te bannen;

27.  onderstreept de toegevoegde waarde en het bijkomende potentieel van het rechtsstaatplatform, dat door Duitsland en Frankrijk gecoördineerd en door Finland en Letland actief ondersteund wordt, voor het organiseren van verschillende evenementen met betrekking tot constitutioneel en bestuursrecht en scholing van rechters; spoort de overige lidstaten aan zich in dit verband proactiever op te stellen; verzoekt echter nadrukkelijk om uitbreiding van het rechtsstaatsplatform met de thema's van echte democratisering en mensenrechten; roept ertoe op organisaties uit het maatschappelijk middenveld volledig bij het platform te betrekken en in dit kader nauwer met hen samen te werken; verzoekt de EU en de ambassades van de lidstaten om daadwerkelijk onafhankelijke niet-gouvernementele partners te steunen;

28.  vestigt de aandacht op de discrepanties tussen de goedkeuring van wetten en hun tenuitvoerlegging in de praktijk, waardoor zaken onterecht als vooruitgang worden beoordeeld; verzoekt de EDEO/de Commissie om vooruitgang aan de hand van echte resultaten uit de praktijk te evalueren in plaats van aan de hand van beoordelingen op basis van wetgeving en verklaringen;

29.  adviseert de EU om de instrumenten voor het mensenrechtenbeleid en externe financiering meer op maat te snijden, met een rechtlijnige democratische hervorming op lange termijn als leidraad;

30.  veroordeelt met klem de aanhoudende vervolging van mensenrechtenverdedigers, politici uit de oppositie en journalisten in Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Kazachstan en Kirgizië, en verzoekt de EDEO alle beschikbare middelen aan te wenden om het prompt voor hen op te nemen;

31.  veroordeelt praktijken waarbij oppositieleden in ballingschap door een aantal Centraal-Aziatische regimes onder vuur worden genomen, onder meer door moord of door misbruik te maken van uitleveringsprocedures via Interpol; vraagt de lidstaten voor betere bescherming te zorgen en uitzetting te voorkomen, in overeenstemming met het beginsel van "non-refoulement", op grond waarvan het verboden is om een waarachtig slachtoffer van vervolging uit te leveren aan zijn vervolger;

32.  roept de EDEO in dit verband op repressieve maatregelen van Centraal-Aziatische regimes in naam van het behoud van de openbare veiligheid zonder meer te veroordelen, en tegelijkertijd oog te hebben voor terechte redenen tot bezorgdheid omtrent de veiligheid;

33.  roept de Raad, de EDEO en de Commissie op om er bij de verdere ontwikkeling van betrekkingen op aan te dringen dat de Centraal-Aziatische partnerlanden zo snel mogelijk toetreden tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en overgaan tot de aanneming en tenuitvoerlegging van nog niet door hen vastgestelde essentiële basisnormen en andere bepalingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

34.  begrijpt het veiligheidsrisico dat de terugkeer van buitenlandse strijders vormt die aan de zijde van IS hebben gevochten, maar uit zijn diepe bezorgdheid over de toenemende tendens om het maatschappelijk middenveld en oppositiepartijen de mond te snoeren onder het voorwendsel van veiligheid en stabiliteit, wat onder geen beding een passende reactie genoemd kan worden, onder meer via twijfelachtige aanklachten van terroristische activiteiten of vage beschuldigingen van aanzetten tot sociale haat, de goedkeuring van zogenaamde wetten inzake buitenlandse agenten, op grond waarvan de activiteiten van erkende ngo's die financiering ontvangen uit het buitenland worden gestigmatiseerd en ingeperkt, en het toegenomen gebruik van toezichts-, surveillance-, censurerings- en filtertechnologieën; herinnert de partnerlanden eraan dat vrijheid van meningsuiting en pluraliteit van de media moeten worden geëerbiedigd in een volledig functionerende democratie; benadrukt in dit verband dat de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting allesbehalve bijdraagt tot blijvende interne stabiliteit; benadrukt dat de desbetreffende EU-instrumenten, zoals het houden van regelmatige seminars met het grote publiek en intensievere uitwisselingen, moeten bijdragen aan een sterkere positie van het publiek en dat men vandaag de dag in vele van de gemeenschappen in kwestie veeleer geneigd is zich te verlaten op de onderlinge wisselwerking van groepen, clans of netwerken die onder controle van de heersende elite staan;

35.  verzoekt de landen in de regio de aanwezigheid van internationale ngo's niet te zien als een bedreiging maar als een verrijking van de samenleving en hen volledige toegang te verlenen tot gevangenisinstellingen om de strafuitvoering transparanter te maken, in het bijzonder met betrekking tot samenwerking met alle organen van de Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis;

36.  maakt zich zorgen over de toenemende hoeveelheid wetgeving in de landen van de regio ter beperking van de vrijheid van de media, de vrijheid van meningsuiting, en de vrijheid van vergadering en vereniging, en wetgeving die de financiering van het maatschappelijk middenveld (de zogenaamde wetten inzake buitenlandse agenten) en de LGBTI-gemeenschap (de zogenaamde wetten inzake LGBTI-propaganda) in het vizier neemt; meent dat de EU in deze context naast de bevordering van de genoemde vrijheden ook de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de rechten van vrouwen, minderjarigen en minderheden tot prioriteit moet verheffen;

37.  verzoekt de overheden zich meer in te spannen om etnische en religieuze minderheden en de LGTBI-gemeenschap in Centraal-Aziatische samenlevingen te beschermen, om ervoor te zorgen dat ze niet meer gediscrimineerd worden en om de rechten van kwetsbare personen te doen gelden, in het bijzonder de rechten van personen met een beperking;

38.  herinnert eraan dat de bescherming en de bevordering van de rechten van het kind een van de centrale doelstellingen is van de EU en verzoekt de autoriteiten de tenuitvoerlegging ervan te ondersteunen, in overeenstemming met het internationaal recht en de internationale normen, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind;

39.  is verheugd over het tot stand brengen van mensenrechtendialogen met alle vijf de landen uit Centraal-Azië; wijst er evenwel op dat het proces te weinig transparant is, en verzoekt de VV/HV om de rol, het mandaat, de doelstellingen en de follow-up van de mensenrechtendialogen met de landen uit de regio te evalueren, en in het bijzonder om alle belanghebbenden te betrekken, met inbegrip van hervormingsgezinde, islamitische politieke bewegingen die extremisme afwijzen, en stelselmatige toezichtsmechanismen voor mensenrechten in te voeren, alsook noodplannen ter verbetering van deze mechanismen mochten ze ernstige gebreken aan de dag leggen; merkt op dat de EU met de mensenrechtendialogen instrumenten in handen heeft die van belang zijn voor de betrekkingen met de Centraal-Aziatische landen en tevens de mogelijkheid bieden tot de uitvoering van slimme strategieën, en daarom adequaat moeten worden gebruikt; verzoekt om deze dialogen deel te laten uitmaken van een alomvattende mensenrechtenagenda in de regio; roept er in dit verband toe op mensenrechtenkwesties op alle niveaus, ook op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders, aan de orde te stellen; vraagt de EU met klem op samenhangende wijze en in het openbaar ruchtbaarheid te geven aan individuele concrete zaken;

40.  benadrukt het belang van het stelsel van universele periodieke evaluatie van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties om de bescherming van de mensenrechten, het democratiseringsproces en de rechtsstaat in Turkmenistan, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Oezbekistan doeltreffend ten uitvoer te leggen;

41.  wijst de regeringen van de Centraal-Aziatische landen op hun verplichtingen in het kader van de menselijke dimensie van de OVSE;

42.  is ingenomen met de verklaringen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon naar aanleiding van zijn bezoek aan de regio in juni 2015, waarin hij wijst op het gevaar van de krimpende democratische ruimte;

43.  merkt op dat er nauwelijks sprake is van coördinatie tussen de acties van de EU en de VS in Centraal-Azië; dringt aan op meer praktische samenwerkingsverbanden; is van mening dat een gemeenschappelijk optreden vruchten zou kunnen afwerpen, in het bijzonder op gebieden als menselijke veiligheid en de bevordering van de mensenrechten;

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

44.  is zich ervan bewust dat Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Turkmenistan elk met hun eigen problemen te kampen hebben bij de bevordering van de mensenrechten, maar dat de regio ook gemeenschappelijke uitdagingen het hoofd moet bieden, zoals het aanpakken en bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid;

45.  stelt vast dat, ofschoon alle vijf de Centraal-Aziatische landen het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) hebben geratificeerd, er nog steeds een patriarchale, door mannen gedomineerde cultuur heerst en er op veel gebieden nog steeds aanzienlijke ongelijkheden bestaan tussen mannen en vrouwen, onder meer inzake de toegang tot hoger onderwijs, tot delen van de arbeidsmarkt en tot rechtsbescherming en rechten, en dat geweld tegen vrouwen in grote delen van Centraal-Azië nog steeds wijdverbreid is en vele vormen kent, waaronder huiselijk geweld, bruidontvoering, mensenhandel, huwelijken op jonge leeftijd en lichamelijk misbruik; roept de vijf landen ertoe op om het CEDAW volledig ten uitvoer te leggen; wijst er nogmaals op dat de steun die door de EU wordt verstrekt specifieke maatregelen moet omvatten om discriminatie van vrouwen uit te bannen;

46.  stelt vast dat vrouwen een volwaardige en cruciale rol vervullen in de landbouwproductie en de landbouw in alle Centraal-Aziatische landen en dat het gemiddelde aandeel van vrouwen die in de landbouwsector werken 58 % bedraagt(25); roept alle landen in Centraal-Azië ertoe op de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en vrouwelijk ondernemerschap aan te moedigen, in het bijzonder in landelijke gebieden; pleit ervoor de economische en sociale rechten en het versterken van de positie van meisjes en vrouwen te bevorderen en erop toe te zien, als een kerndoelstelling van de EU-betrekkingen met de regio;

47.  erkent dat afzonderlijke Centraal-Aziatische landen stappen hebben gezet om de gendergelijkheid te verbeteren, zoals de wijzigingen van artikelen 154 en 155 van het strafwetboek van Kirgizië, die in februari 2014 van kracht werden en die voorzien in strengere straffen voor het wijdverbreide gebruik van bruidontvoering; merkt evenwel op dat de bescherming van de rechten van vrouwen en het bevorderen van gendergelijkheid in de gehele regio nog steeds een probleem vormen; vraagt de Commissie dat zij de Centraal-Aziatische landen blijft steunen bij de ontwikkeling van hun vrouwenrechtenagenda's teneinde gendergelijkheid te ontwikkelen en te verwezenlijken en ervoor te zorgen dat eenieder, ook de meest kwetsbaren in de samenleving, hun mensenrechten ten volle kunnen genieten;

48.  is verheugd over de gendergelijkheidsstrategie van Kazachstan en de 45 politieke, sociale en economische maatregelen die hierin zijn vervat; vraagt de Commissie dat zij de Centraal-Aziatische landen blijft steunen bij de ontwikkeling van hun vrouwenrechtenagenda's en verzoekt om een doeltreffender tenuitvoerlegging van deze strategie; betreurt het gebrek aan vrouwelijke vertegenwoordiging in Kazachse openbare besluitvormingsorganen, hoewel er een wettelijk verplicht quotum van 30 % geldt voor politieke instellingen;

49.  vraagt de EDEO om, in het kader van zijn herziening van de strategie voor Centraal-Azië en in overeenstemming met zijn prioriteiten voor 2016-2020 en de vorderingen die de Centraal-Aziatische landen al hebben gemaakt, een omvattend actieplan voor gendergelijkheid uit te werken met concrete maatregelen om de rechten en de levensomstandigheden van vrouwen te verbeteren; meent dat elk Centraal-Aziatisch land moet worden aangemoedigd wetgeving uit te werken waarin alle vormen van geweld tegen en discriminatie van vrouwen uitdrukkelijk worden verboden, met inbegrip van seksueel, lichamelijk, fysiologisch en economisch misbruik, waarbij isolerende tactieken worden toegepast, onder meer dat hen verboden wordt te werken of hen de toegang tot bankrekeningen, kredietkaarten of vervoermiddelen wordt ontzegd; merkt op dat financiële zekerheid de belangrijkste factor is die bepaalt of een slachtoffer al dan niet aan het huiselijk geweld zal ontsnappen en vrij van geweld zal kunnen leven; roept de Centraal-Aziatische landen op geweld tegen vrouwen strafbaar te stellen, alle gemelde gevallen terdege te onderzoeken en maatregelen te treffen om de bescherming van, bijstand aan en toegang tot rechtspraak voor de slachtoffers te garanderen, samen met mechanismen om de handhaving van de wetgeving te verzekeren; merkt op dat de sector van de huwelijksbureaus relatief omvangrijk is in Centraal-Azië en verzoekt de landen in de regio te overwegen deze bureaus te reglementeren om kwetsbare vrouwen zo goed mogelijk te beschermen tegen uitbuiting; verzoekt de landen van Centraal-Azië om voorlichtingscampagnes te organiseren over het recht op een leven zonder geweld en om initiatieven uit te werken om de gehele samenleving en in het bijzonder religieuze leiders bewust te maken van de absolute vereiste om bij huwelijksceremonies de instemming van beide partijen te verkrijgen;

50.  wijst op de kloof tussen de wet en de werkelijkheid en dat er, hoewel sommige lidstaten over wetgeving beschikken om gelijke rechten op het gebied van eigendomsverdeling te waarborgen, nog altijd discriminatie bestaat in het voordeel van mannelijke erfgenamen; is bezorgd dat het gebrek aan wettelijke registratie van huwelijken in Tadzjikistan vrouwen in een bijzonder kwetsbare positie plaatst na een scheiding, aangezien uit onderzoek van de OVSE is gebleken dat 80 % van de vrouwen in een echtscheidingsprocedure hierdoor het recht op eigendom en levensonderhoud voor kinderen wordt ontzegd;

51.  dringt er bij de EU op aan om steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de verdediging van de mensenrechten en de bevordering van gendergelijkheid in de landen van Centraal-Azië en actief samen te werken met internationale organisaties op het gebied van gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals de IAO, de OESO en de VN, teneinde synergieën tot stand te brengen die helpen om de positie van vrouwen te versterken;

52.  stelt vast dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in ministeriële functies: in 2015 was in Kirgizië 15 % en in Turkmenistan 5,7 % van de ministersposten bezet door vrouwen(26); moedigt de landen van Centraal-Azië en de Commissie aan ook aandacht te besteden aan het betrekken van vrouwen bij de besluitvorming, met name de politieke besluitvorming, en is voorstander van de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen, vooral als kandidaten voor een ambt;

53.  roept de Centraal-Aziatische landen op de gelijke toegang tot informatie- en communicatietechnologieën te bevorderen om de mogelijkheden van vrouwen om groei in plaatselijke economieën en in de wereldeconomie te stimuleren veilig te stellen;

54.  pleit ervoor dat het justitieel personeel bewust wordt gemaakt van genderkwesties en hierin ook opleiding krijgt, en wijst erop dat de daders van gendergerelateerd geweld gestraft moeten worden;

55.  wijst erop dat er opleidingen inzake geweld tegen vrouwen en mensenhandel moeten worden georganiseerd voor wetshandhavingsambtenaren, aanklagers en justitieel personeel en dat er laagdrempelige centra en opvangtehuizen moeten worden opgericht waar slachtoffers psychologische hulp en rechtsbijstand kunnen krijgen;

56.  benadrukt dat instellingen en instanties die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het beleid inzake gendergelijkheid adequate financiering moeten krijgen en dat moet worden gezorgd voor de autonomie en financiering van organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich inzetten voor de rechten van vrouwen;

Onderwijs en jeugd – interpersoonlijke uitwisselingen

57.  benadrukt dat onderwijs een van de gebieden is die de EU centraal moet stellen bij het inzetten van langetermijnmaatregelen in Centraal-Azië; beschouwt onderwijs als een cruciale pijler voor integratie en als katalysator voor democratische, economische en sociale ontwikkeling in alle landen van Centraal-Azië; steunt de werkzaamheden van het Centraal-Aziatisch Onderwijsplatform door middel van institutionele en onderwijsprogramma's waarin via seminars technische bijstand wordt geboden en de dialoog wordt aangegaan (bv. het congres in Bisjkek 2014); is verheugd dat Letland het initiatief heeft genomen om de organisatie van de eerste ministeriële vergadering van de EU en Centraal-Azië inzake onderwijs op zich te nemen en is ingenomen met de toezegging van Letland en Polen om de leiding te nemen over het regionaal onderwijsprogramma, na een teleurstellend lange periode waarin een aantal lidstaten niet bereid bleek deze taak op zich te nemen; verzoekt de EU en de lidstaten een actieve bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen die tijdens het Letse voorzitterschap in het eerste halfjaar van 2015 naar voren zijn geschoven; beschouwt investeringen in inclusief en kwalitatief hoogstaand onderwijs als de beste manier om de socio-economische toestand van de regio geleidelijk aan te verbeteren;

58.  spoort de Commissie aan de aandacht te richten op de gesignaleerde tekortkomingen van het Centraal-Aziatisch Onderwijsplatform, bijvoorbeeld eerlijke toegang tot onderwijs, problemen die voorkomen uit braindrain, en opleiding voor kansarme en kwetsbare groepen zoals meisjes, kinderen met een beperking en kinderen uit minderheidsgroepen;

59.  dringt er bij de EU op aan meer aandacht te besteden aan de bevordering van kwaliteitsvol onderwijs voor jongeren in de landen van Centraal-Azië, aangezien dit een positief effect heeft op het vlak van sociale inclusie, sociale samenhang en stabiliteit en de ontwikkeling van duurzame, democratische samenlevingen, en aangezien dit de beste vorm van preventie is tegen gewelddadig extremisme en radicalisering van de jeugd in de regio; beschouwt dit als een prioriteit, gezien het jongerenoverschot dat de regio voor een demografische uitdaging stelt, met een aandeel jongeren van 14 jaar of minder dat oploopt tot 25 à 35 % van de bevolking; vraagt om meer aandacht te besteden aan grensoverschrijdende projecten voor interculturele verzoening en ontwikkeling in de Ferganavallei;

60.  is verheugd over het toegenomen aantal inschrijvingen in het basis- en secundair onderwijs en wijst erop hoe belangrijk het is de ingeslagen weg niet te verlaten; is verheugd dat bijna evenveel vrouwen als mannen hun studies in het basis- en secundair onderwijs afronden; wijst erop hoe belangrijk het is dat vrouwen toegang krijgen tot beroepsopleiding en academische vorming, met name in Oezbekistan en Tadzjikistan, waar nog een aanzienlijke kloof bestaat tussen het aantal vrouwen en mannen in het tertiair onderwijs;

61.  onderstreept hoe belangrijk het is dat vrouwen toegang hebben tot beroepsopleiding en academische vorming, onder meer met een grotere vertegenwoordiging in de domeinen van wetenschap en technologie, en vraagt de SVEU met klem ertoe aan te zetten dat dit wordt gestimuleerd; meent dat de EU op dit gebied intensiever moet optreden, bijvoorbeeld door opleidingen voor leerkrachten te organiseren en onderwijsmateriaal ter beschikking te stellen; verzoekt stappen te ondernemen om de openbare onderwijssector te moderniseren, internationale academische uitwisseling te bevorderen en vrouwen in staat te stellen onder gelijke voorwaarden deel te nemen; meent dat opleidingen inzake gendergelijkheid moeten worden opgezet voor het onderwijspersoneel;

62.  is van mening dat de positieve rol van de EU in de regio via onderwijs en interpersoonlijke contacten moet worden bevorderd; onderstreept nogmaals dat internationale uitwisselingsprogramma's, zoals Erasmus+, Erasmus Mundus en Erasmus Tempus, in belangrijke mate bijdragen tot de bevordering van de mobiliteit en de interculturele dialoog tussen de EU en Centraal-Azië en kansen bieden om de studenten die aan de programma's deelnemen een sterkere positie te geven, waardoor beide culturen naar elkaar kunnen toegroeien; vindt het lovenswaardig dat de EU 115 miljoen EUR heeft uitgetrokken voor het programma Erasmus+ voor onderwijssamenwerking in de regio; verzoekt alle belanghebbenden, zowel op EU-niveau als in de lidstaten, om de bestaande mechanismen met betrekking tot onderwijs- en beursregelingen en de uitwisseling van jonge vakmensen tussen de EU en de regio Centraal-Azië te evalueren en te versterken, met name op het gebied van technologie en toegepaste wetenschappen;

63.  is verheugd dat alle vijf de Centraal-Aziatische landen het Bolognaproces, dat de afgelopen jaren de stuwende kracht is geweest achter tal van nationale hervormingen, op de voet hebben gevolgd;

64.  verzoekt de Commissie om de deelname van wetenschappers, instellingen en ondernemingen uit de Centraal-Aziatische landen aan de in het kader van het Horizon 2020-programma gefinancierde samenwerkingsprojecten op het gebied van onderzoek en innovatie te bevorderen;

Economische integratie, handel en duurzame ontwikkeling

65.  wijst op de gemeenschappelijke kenmerken die voortvloeien uit een verder verleden, onder meer de zijderoute, de kolonisering door Turkse stammen en de islamisering; constateert bovendien dat de vijf landen van de regio zich in uiteenlopende stadia van ontwikkeling bevinden: Kazachstan neemt een steeds belangrijkere positie in de regio in en zijn betrekkingen met de EU ontwikkelen zich gestaag; Kirgizië en Tadzjikistan zijn veel armere, maar wel betrekkelijk open landen, waar het maatschappelijk middenveld een bescheiden rol speelt; ook de betrekkingen tussen de EU en Oezbekistan zijn in ontwikkeling; Turkmenistan blijft echter het meest gesloten land in de regio, waar een onafhankelijk maatschappelijk middenveld als zodanig ontbreekt;

66.  wijst erop dat er in de regio ook een aanzienlijke diversiteit is, niet in het minst op het gebied van natuurlijke rijkdommen zoals fossiele brandstoffen en landbouwareaal, en – gedeeltelijk als gevolg hiervan – in het actuele niveau van menselijke en economische ontwikkeling in deze landen; onderstreept hoe belangrijk het is dat er rekening wordt gehouden met de culturele verschillen binnen de regio enerzijds en de onderlinge afhankelijkheid tussen de landen anderzijds;

67.  erkent de mogelijke positieve gevolgen van een nieuw elan op het vlak van economische samenwerking tussen de EU en Centraal-Azië voor de modernisering en democratisering van de regio;

68.  meent dat de economische diversifiëring van de regio een meerwaarde betekent op het vlak van regionale ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid, rekening houdend met het sociale, economische en ecologische evenwicht; acht het van essentieel belang duurzaam binnenlands vervoer en duurzame energie-infrastructuur, met name in landelijke gebieden, te moderniseren en te ontwikkelen, de toegang tot hogesnelheidsinternet te verbeteren en de ontwikkeling van interregionale verbindingen te faciliteren; is van oordeel dat milieusanering en duurzame ontwikkeling evenveel gewicht moeten krijgen in het kader van de ontwikkeling van de regio, en benadrukt het belang van handel om beide te bevorderen; is voorstander van een verhoging van de EU-steun voor het beheer van hulpbronnen in de Centraal-Aziatische landen en voor het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking tussen deze landen;

69.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan socio-economische ontwikkeling – die is stilgevallen en ongelijkmatig is – het gebrek aan overheidstransparantie en de daaruit voortvloeiende corruptie, slecht bestuur en een zwak institutioneel kader, het gebrek aan eerbiediging van de rechtsstaat en de lage participatiegraad van het maatschappelijk middenveld, waardoor cliëntelisme in de hand wordt gewerkt en het probleem van corruptie en het gebrek aan een efficiënte overheid nog erger wordt;

70.  onderstreept dat de handelsbetrekkingen tussen de EU en de regio Centraal-Azië aan belang winnen en wijst erop dat de EU momenteel de belangrijkste handelspartner in de regio is; beklemtoont dat de EU de handels- en investeringsbetrekkingen met de Centraal-Aziatische landen verder moet uitbouwen; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is dat de Centraal-Aziatische landen zich, met het oog op het aantrekken van buitenlandse investeringen, meer toeleggen op corruptiebestrijding en op de bevordering van een stabiel klimaat;

71.  is van mening dat de vooruitgang in de economische en handelsbetrekkingen met de landen van Centraal-Azië moet samengaan met, en nooit ten koste mag gaan van de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; herinnert er in dit verband aan hoe belangrijk het is de bepalingen te activeren die zijn vastgelegd in de desbetreffende clausules van de met de EU afgesloten handelsovereenkomsten ingeval de andere partij bij de overeenkomst de mensenrechten zou schenden;

72.  wijst erop dat inclusieve en duurzame economische ontwikkeling tot de kernprioriteiten van de strategie behoort; benadrukt dat de Centraal-Aziatische landen een actief beleid moeten voeren om armoede terug te dringen en sociale uitsluiting tegen te gaan; wijst erop dat de vertraging van de economie in Rusland en China, alsook de aanhoudende geopolitieke spanningen en het conflict in Oekraïne erg negatieve gevolgen hebben voor de regio; onderstreept in dit verband dat de neerwaartse economische trends die een gevolg zijn van de dalende grondstoffenprijzen, de devaluatie van de roebel en de afnemende geldoverschrijvingen door in Rusland werkende migranten – waarvan velen momenteel werkloos naar hun thuisland terugkeren – ernstige sociaal-economische problemen voor de regio met zich meebrengen; merkt op dat tegen deze achtergrond het groeipercentage van de regio vanaf 2014 naar verwachting ongeveer de helft zal bedragen van het gemiddelde groeipercentage voor het afgelopen decennium;

73.  vraagt de Commissie met klem programma's uit te werken ter bevordering van de maatschappelijke re-integratie en tewerkstelling van burgers die uit het buitenland terugkeren, en ter versterking van de dialoog over migratie en mobiliteit;

74.  onderstreept dat er behoefte is aan een EU-strategie voor Centraal-Azië die niet gebaseerd is op geostrategische belangen, maar die gericht is op de ontwikkeling van een participatieve en democratische samenleving, gekenmerkt door vrijheid van vereniging voor vakbonden en een actief maatschappelijk middenveld, en op de bevordering van de gelijkheid tussen man en vrouw en de versterking van de positie van vrouwen, met name in de plattelandsgebieden;

75.  onderstreept dat de regio, ondanks de snelle economische groei in de afgelopen jaren, te kampen heeft met hoge armoedepercentages, een grote inkomenskloof en een dalende levensverwachting, met name in de plattelandsgebieden, waar 80 à 90 % van de bevolking woont; onderstreept dat de berggebieden ten gevolge van het privatiseringsproces tijdens de economische overgang grotendeels achterop zijn geraakt; onderstreept dat in deze regio's vooral de vrouwen worden getroffen, aangezien vele mannen naar de steden migreren op zoek naar werk, zodat vrouwen het werk op de boerderij en de gezinstaken alleen moeten zien te bestieren;

76.  onderstreept hoe belangrijk het is om de strategie in overeenstemming te brengen met mondiale afspraken, met name met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die op 25 september 2015 is goedgekeurd tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling;

77.  pleit voor de algemene integratie van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) in de ontwikkelingsagenda van de EU voor de regio; herhaalt dat het opnemen van de SDG's tot een bredere duurzame ontwikkeling in de Centraal-Aziatische regio zal leiden;

78.  onderstreept dat de EU ontwikkelingssamenwerking moet aangrijpen als kans om de eerbiediging van de mensenrechten en de verwezenlijking van de SDG's te bevorderen, teneinde het niveau van handel en investeringen in alle landen van de regio te verhogen en de rol en betrokkenheid van de sociale partners in het maatschappelijk middenveld te versterken;

79.  is van mening dat ontwikkelingshulp enkel uitbetaald mag worden in landen die een oprechte belangstelling tonen voor de terugdringing van armoede, voor een gelijkmatige en duurzame socio-economische vooruitgang en voor de eerbiediging van de mensenrechten, en dat deze landen blijk moeten geven van een doeltreffend anticorruptiebeleid en de EU toezicht moeten laten houden op de tenuitvoerlegging van de inspanningen ter zake; heeft in dit verband zijn twijfels over de beweegredenen voor en de kosteneffectiviteit van de hulp aan Turkmenistan en aan Oezbekistan; verzoekt om een evaluatie van het beleid indien er verbeteringen zichtbaar zijn; spoort de VV/HV aan mee te zorgen voor vooruitgang op dit vlak; betreurt dat de absorptiecapaciteit van hulp als gevolg van het hoge corruptieniveau en een inefficiënte bureaucratie bijzonder laag is en de positieve impact ervan heel beperkt blijft;

80.  merkt op dat de huidige evaluatie opzettelijk is losgekoppeld van de in 2014 voltooide programmering voor de periode 2014-2020 van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor Centraal-Azië, met als doel verwarring en overlapping te vermijden en de coherentie van het EU-optreden in de regio te vrijwaren;

81.  dringt erop aan dat ontwikkelingssteun specifiek wordt ingezet voor plattelandsontwikkeling en duurzame landbouw, in het bijzonder om af te stappen van monoculturen zoals de katoenteelt;

82.  vraagt met klem dat de EU toezicht houdt op de doeltreffendheid van haar technische en financiële steun voor de hervorming van de overheidssector in de Centraal-Aziatische landen;

83.  dringt aan op de coördinatie van het ontwikkelingsbeleid van de EU met de activiteiten van de lidstaten in de regio; dringt erop aan dat er inzake ontwikkelingsbeleid nauw wordt samengewerkt met de VS in het kader van ons partnerschap voor duurzame ontwikkeling; roept tevens op tot samenwerking met China en Rusland bij de ontwikkeling van de Centraal-Aziatische regio;

84.  houdt rekening met de dominante houding van China in de regio en diens veranderende rol van externe handelspartner naar tussenpersoon op het vlak van regionaal economisch bestuur, met inbegrip van de regionale verstrekking van collectieve goederen;

85.  is van mening dat synergieën tussen het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het Chinese initiatief "One Belt One Road" in belangrijke mate zullen bijdragen tot de economische en sociale ontwikkeling in de regio;

86.  stelt tevens vast dat twee landen, Kazachstan en Kirgizië, zich bij de door Rusland opgerichte Euraziatische Economische Unie hebben aangesloten;

87.  dringt aan op nauwe samenwerking van de EU met de fondsen en organisaties van de VN en met de Wereldbank;

88.   neemt kennis van de voortgezette sectorale begrotingssteun in Kirgizië en Tadzjikistan en verzoekt de Commissie en de EDEO om degelijke en objectief verifieerbare voorwaarden te bepalen en toe te passen voor alle begrotingssteunprogramma's die worden voortgezet; beklemtoont echter dat dit vergezeld moet gaan van strengere criteria, met inbegrip van een sterke hervormingsagenda en doeltreffende anticorruptiemaatregelen; wijst erop dat EU-begrotingssteun niet mag worden gebruikt voor de rechtstreekse financiering van elementaire openbare diensten (zoals basis- en secundair onderwijs, basisgezondheidszorg en basisinfrastructuur), waarvoor de autoriteiten de hoofdverantwoordelijkheid dragen; is veeleer van mening dat EU-hulp moet worden gekoppeld aan de prestaties van de autoriteiten op dit vlak en dat EU-begrotingssteun de ontwikkeling van geavanceerde openbare diensten zoals onderzoek, innovatie, universitair onderwijs, vernieuwende infrastructuur enzovoort moet bevorderen;

89.  is ingenomen met de verhoging van de macrofinanciële bijstand en dringt erop aan dat het instrument in kwestie wordt gebruikt op basis van strenge kosten-batencriteria en gedetailleerde effectbeoordelingen waarin de overloopeffecten nader worden bekeken; onderstreept, met inachtneming van de belangrijkste punten uit de voortgangsverslagen inzake de strategie, hoe belangrijk het is de lidstaten te betrekken bij de tenuitvoerlegging van EU-steun, teneinde voor meer effect en betere resultaten te zorgen;

90.  staat positief tegenover het verzoek van Kirgizië om de toepassing van SAP+ en hoopt dat ook Tadzjikistan en Oezbekistan dit voorbeeld zullen volgen;

91.  vindt het belangrijk dat alle landen van Centraal-Azië de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) eerbiedigen en lid worden van de WTO;

92.  erkent, in overeenstemming met de bevindingen van de OESO, het bijzondere belang van bedrijfsverbindingsprogramma's tussen buitenlandse directe investeringen en kmo's als een instrument voor de diversifiëring en optimalisering van het overloopeffect van investeringen, waardoor de Centraal-Aziatische landen in staat worden gesteld buitenlandse directe investeringen nauwer te koppelen aan hun binnenlandse economieën, zodat hun concurrentievermogen toeneemt en zij toegang kunnen krijgen tot internationale markten, financiering, technologie en managementvaardigheden; verzoekt de regeringen van de Centraal-Aziatische landen in dit verband deze programma's in werking te stellen en de betrokkenheid van belanghebbenden in reeds bestaande bedrijfsverbindingsprogramma's te vergroten; wijst erop dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de plaatselijke productie voldoet aan internationale kwaliteitsnormen, bijvoorbeeld het aanbieden van opleidingsprogramma's om kmo's te helpen de vaardigheden van hun personeel te vergroten, of het bijstaan van kmo's bij het halen van internationaal erkende kwaliteitsnormen;

93.  onderstreept dat het voor een duurzame economische ontwikkeling in de regio van fundamenteel belang is de regionale integratie en de intraregionale handel te intensiveren, de nadruk te leggen op vervoersnetwerken en logistieke diensten, alsook het ondernemingsklimaat en het wettelijke en regelgevende kader te verbeteren, met name voor kmo's;

94.  wijst andermaal op de talrijke gevallen van besmettelijke tuberculose in de Centraal-Aziatische regio; onderstreept het belang van continuïteit in de verspreiding van tuberculosebehandeling in de opkomende landen die niet langer bilaterale steun van de EU krijgen, in het licht van de ontwikkeling van resistentie tegen geneesmiddelen in bepaalde tuberculosestammen;

Energie, milieu, water en vervoer

95.  benadrukt dat er een intensievere dialoog moet komen over de ontwikkeling van infrastructuur, met aandacht voor energie- en vervoersnetwerken, alsook voor internetverbindingen met een grote capaciteit;

96.   erkent dat de samenwerking op het gebied van energie een centraal element vormt in de betrekkingen tussen de EU en Centraal-Azië; beschouwt de regio als een bijkomende potentiële bron van energiezekerheid voor de EU, en denkt daarbij met name aan de mogelijkheden voor nauwere samenwerking met Kazachstan en Turkmenistan; herhaalt dat het belangrijk is voor de EU om over een veilige, stabiele en betaalbare energievoorziening te beschikken, in overeenstemming met de plannen voor de energie-unie en evenzeer in het licht van de relevantie hiervan voor de globale veiligheid van de Unie; onderstreept bijgevolg dat energievoorziening en -diversifiëring een centraal element moeten vormen van de EU-strategie voor Centraal-Azië en vraagt de EU haar inspanningen voor de integratie van de energiemarkt op te voeren, aangezien het in het belang van alle partijen is om energie te diversifiëren; vraagt in dit verband om een verdubbeling van de inspanningen om de doelstelling van een uitbreiding van de zuidelijke gascorridor naar Centraal-Azië en de Trans-Kaspische gasleiding te kunnen halen; onderstreept echter dat overeenkomsten en dialogen inzake energie moeten worden gekoppeld aan krachtige mensenrechtenaspecten;

97.  neemt kennis van de EU-steun voor energieprojecten die de zuidelijke gascorridor zouden kunnen uitbreiden, onder meer via de Trans-Kaspische gasleiding en, eventueel, leidingen in Iran; vraagt niettemin dat de EU voor dergelijke projecten volledige haalbaarheidsstudies uitvoert, met inbegrip van milieu- en sociale-effectbeoordelingen;

98.  is voorstander van de bevordering door de EU van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de integratie van de energiemarkten in Centraal-Azië met die van aangrenzende landen en de EU;

99.  herhaalt dat het van mening is dat het herinvesteren van inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen van cruciaal belang is voor een duurzame sociaal-economische ontwikkeling;

100.  spoort aan tot een betere coördinatie en hernieuwde inspanningen in het kader van het cruciale regionale platform inzake water en milieu, onder leiding van Italië en Roemenië;

101.  pleit voor een grotere, proactieve rol van de EU op het vlak van ecologisch duurzame ontwikkeling; benadrukt in deze context het belang van de beginselen inzake milieuduurzaamheid bij de winning of verwerking van natuurlijke hulpbronnen in de regio, beginselen die worden uitgedragen door het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI); benadrukt dat in de regio alleen Kazachstan en Kirgizië de beginselen van het EITI naleven, en dat de status van Tadzjikistan als kandidaat-lid in 2015 tijdelijk is opgeschort;

102.  stelt met bezorgdheid vast dat bovenop de toenemende invloed van de klimaatverandering talrijke alarmerende, uit de Sovjetperiode overgeërfde milieuproblemen hardnekkig standhouden, onder meer met betrekking tot ongecontroleerde radioactieve besmetting uit de voorbije decennia die tot op vandaag blijft doorwerken, alsook dringende maatregelen voor het opruimen van locaties voor kernproeven, industriële en mijnbouwactiviteiten, niet-duurzame exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, bodemdegradatie en aantasting van ecosystemen, luchtvervuiling, woestijnvorming en bovenal een aanhoudend rampzalig waterbeheer; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan meer technische bijstand te bieden, te helpen bij het mobiliseren van middelen en Europese knowhow en beproefde methoden aan te reiken over de manier waarop deze problemen kunnen worden aangepakt;

103.  vraagt de EU met klem om financiële en technische steun te blijven bieden voor het aanpakken van de humanitaire en economische problemen en de problemen op het vlak van gezondheid, milieu en bekendheid in verband met de gevolgen van de kernproeven die de Sovjet-Unie heeft uitgevoerd op de testlocatie van Semipalatinsk in de buurt van de stad Semej (het voormalige Semipalatinsk) in het noordoosten van Kazachstan;

104.  waardeert en spoort aan tot bijkomende inspanningen op het vlak van aanpassing aan de klimaatverandering en weerbaarheid tegen de gevolgen ervan, en vraagt de Centraal-Aziatische landen met klem constructief bij te dragen tot het welslagen van de klimaatconferentie van 2015 in Parijs;

105.  verzoekt de EU de programma's voor rampenrisicovermindering en bevordering van weerbaarheid verder te intensiveren in Centraal-Azië, een regio die bijzonder gevoelig is voor natuurrampen en die wat milieurampen en klimaatverandering betreft met ernstige risico's te kampen heeft;

106.  uit zijn grote bezorgdheid over de massale sterfte die in mei 2015 heeft plaatsgevonden onder de saiga-antilopen in Kazachstan; vraagt de EU met klem om via onderzoek en milieumaatregelen bij te dragen tot het voorkomen van een mogelijke herhaling in de toekomst;

107.  vraagt dat de EU haar inspanningen ter bevordering van de samenwerking tussen de Centraal-Aziatische landen op het vlak van waterbeheer opvoert;

108.  spoort de EU aan prioriteit te geven aan haar "waterdiplomatie" en deze verder in te zetten om een beter grensoverschrijdend waterbeheer mogelijk te maken en te bemiddelen in geschillenbeslechting, waaronder het naar voren schuiven van een open en doeltreffend kader, met name in het geval van de Rogundam; verzoekt de EU in deze context met klem om te ijveren voor en spoed te zetten achter verdere aansluiting bij internationale verdragen en rechtsbeginselen met betrekking tot gemeenschappelijke watervoorraden;

109.  verzoekt de landen uit de regio, indien ze dit nog niet hebben gedaan, om de VN-Verdragen van Espoo en Aarhus met betrekking tot waterconflicten te ondertekenen en te ratificeren en het maatschappelijk middenveld mee te betrekken in de uitvoering ervan;

110.  roept op tot hernieuwde inspanningen om de dramatische gevolgen van de milieuramp van het opdrogende Aralmeer het hoofd te bieden en aan te pakken; vraagt de Commissie met klem om meer steun te verlenen aan het Internationale Fonds voor het Aralmeer, en roept de EDEO ertoe op deze kwestie in het kader van haar regelmatige contacten met Oezbekistan als een prioriteit te beschouwen;

111.  wijst erop dat het zowel voor China als voor de EU en Rusland van fundamenteel belang is om langs de zijderoute een strategische, moderne en interoperabele weg- en spoorinfrastructuur uit te bouwen en dat de succesvolle integratie van de regio via moderne en betrouwbare infrastructuur een prachtige gelegenheid zou bieden, niet alleen voor meer regionale economische integratie maar ook voor de mobiliteit van mensen en multiculturele uitwisseling, wat dan weer ten goede zou komen aan vooruitgang op het gebied van de rechtsstaat en de democratie;

112.  herhaalt dat de EU bereid is haar ervaring en knowhow ter beschikking te stellen om de introductie en handhaving van veiligheids-, beveiligings- en milieunormen in alle vervoerswijzen te bevorderen en verbindingen op de vervoerscorridor langs Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië te faciliteren; steunt met name de aanhoudende inspanningen van de EU met betrekking tot de ontwikkeling van zeker en veilig lucht- en zeevervoer in Centraal-Azië;

113.  pleit ervoor dat de EU voor coördinatie zorgt met het vervoersbeleid van China in de regio;

Regionale samenwerking, uitdagingen op het vlak van veiligheid en grensbeheer

114.  spoort de EU ertoe aan meer over Centraal-Azië in dialoog te gaan met relevante regionale en internationale organisaties, alsook met de buurlanden van de Centraal-Aziatische landen en andere landen die in de regio actief zijn;

115.  spoort de EU ertoe aan voor meer connectiviteit te zorgen door samen met de Centraal-Aziatische landen na te gaan op welke gebieden nauwer kan worden samengewerkt, met name met betrekking tot vervoer en energie; benadrukt dat er prioriteit moet worden gegeven aan de integratie van de Centraal-Aziatische landen onderling en in de internationale markten en corridors;

116.  meent dat de EU zich, in samenwerking met de lidstaten, moet blijven inzetten voor specifieke regionale integratie en vertrouwenwekkende maatregelen, maar daarnaast ook positieve stappen van individuele Centraal-Aziatische landen of groepen van landen moet belonen met meer samenwerking; is van oordeel dat EU-maatregelen afgestemd moeten zijn op de behoeften en specifieke kenmerken van de afzonderlijke landen; benadrukt dat de politieke dialoog tussen de verschillende landen van de regio moet worden verdiept en dat vertrouwenwekkende maatregelen moeten worden bevorderd;

117.  beschouwt diepgaande regionale economische integratie als een belangrijke factor voor regionale stabiliteit en vredesopbouw;

118.  benadrukt het belang van samenwerking met de OVSE en de VN op alle beleidsdomeinen;

119.  verzoekt de EU om ook Mongolië op ad-hocbasis te betrekken in bepaalde aspecten van de Europese strategie voor Centraal-Azië;

120.  erkent dat de belangrijkste bedreigingen en uitdagingen die in de strategie voor Centraal-Azië zijn gesignaleerd nog steeds gelden;

121.  is van mening dat de EU regionale samenwerking moet aanmoedigen, in het bijzonder met betrekking tot gemeenschappelijke problemen en uitdagingen, en dat gedeelde belangen boven de heterogeniteit van de betrokken landen moet worden geplaatst;

122.  merkt op dat onopgeloste etnische problemen, een gebrek aan vooruitzichten op vreedzame opvolging van de macht en niet-inclusieve bestuursstructuren in de landen van Centraal-Azië bronnen van potentiële instabiliteit en extremisme zijn en dat daardoor ernstige twijfels rijzen over een succesvolle tenuitvoerlegging van centrale EU-belangen in aansluiting op de strategie voor Centraal-Azië;

123.  steunt de langetermijndoelstelling van de EU om de ontluikende veiligheidsdialoog op hoog niveau tussen de EU en Centraal-Azië te transformeren tot een echt forum gericht op samenwerking bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen op het vlak van veiligheid in de regio en daarbuiten, zoals de overloopeffecten van de oorlog in Afghanistan, de dreiging van IS, drugshandel, mensenhandel, gewelddadig extremisme en terrorisme, en chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's (CBRN-risico's); benadrukt het belang en het positieve effect van regionale samenwerkingsprogramma's, met inbegrip van de programma's ter versterking van grensoverschrijdende samenwerking en grensbeveiliging, zoals het grensbeheerprogramma voor Centraal-Azië (Bomca) en het drugsactieplan voor Centraal-Azië (Cadap); is van mening dat in de dialoog een invalshoek van menselijke veiligheid moet worden opgenomen, veeleer dan louter over staatsveiligheid te spreken; herhaalt dat de EU vastbesloten is om de regionale en bilaterale veiligheidsdialogen met Centraal-Aziatische landen verder uit te bouwen en samen met de regionale partners in kwestie en in het bijzonder met het UN Regional Centre for Preventive Diplomacy for Central Asia (UNRCCA) voor een grotere betrokkenheid van Afghanistan te zorgen;

124.  neemt kennis van de goedkeuring van het Cadap voor de periode 2014-2020; is echter verontrust over de recordhoogte van de opiumteelt en de aanverwante handel vanuit Afghanistan via Centraal-Azië; vraagt de EDEO/de Commissie zich te buigen over het probleem van de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad en van elites bij deze handel, en over de negatieve gevolgen hiervan voor de volksgezondheid in de regio;

125.  pleit er andermaal voor dat Bomca en Cadap worden ondergebracht bij het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) in plaats van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking;

126.  vraagt de EU met klem om de door het IcSP gefinancierde regionale steunprogramma's voor conflictpreventie en vredesopbouw, onder meer via de aanmoediging van verzoening tussen gemeenschappen en etnieën, en voor grensafbakening in Centraal-Azië voort te zetten;

127.  is ingenomen met het door Zwitserland en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) gesponsorde project voor grensoverschrijdende samenwerking met het oog op duurzame vrede en ontwikkeling, dat tot doel heeft een gunstiger klimaat te scheppen voor duurzame vrede en ontwikkeling in grensgebieden tussen Kirgizië en Tadzjikistan;

128.  benadrukt de rol van het UNRCCA, dat sinds 2007 in Asjchabad is gevestigd, en van de OVSE bij conflictpreventie in de regio;

129.  vraagt de EU steun te verlenen aan de initiatieven van het UNRCCA, en onder toezicht van het centrum aandacht te besteden aan de waterproblematiek en een dialoog op gang te brengen tussen de vijf landen voor het aanpakken van grensoverschrijdende vervuiling;

130.  vraagt de Commissie oog te hebben voor de ongunstige gevolgen die de problematiek van toegang tot watervoorraden kan hebben voor stabiliteit en veiligheid in Centraal-Azië, en alle ontwikkelingen van nabij te volgen;

131.  stelt met bezorgdheid vast dat Turkmenistan en Oezbekistan in het jaarverslag over mensenhandel van de VS uit 2015(27) op de "Watch List" worden geplaatst, wat betekent dat het aantal slachtoffers van mensenhandel toeneemt; roept de EU-coördinator voor mensenhandel op om Turkmenistan en Oezbekistan te steunen in de strijd tegen de mensenhandel, die een aanslag vormt op de menselijke waardigheid en vaak gepaard gaat met psychologische terreur en lichamelijk geweld en daarom moet worden uitgebannen; verzoekt de lidstaten om deze belangrijke kwestie aan te kaarten in hun contacten met deze landen;

132.   wijst op het belang van samenwerking tussen de EU en de landen van Centraal-Azië bij het voorkomen en bestrijden van terrorisme; maakt zich ernstige zorgen over de ronselpraktijken van de extremistische organisatie Islamitische Staat (IS) waarbij een groeiend aantal burgers uit Centraal-Azië wordt overtuigd naar het Midden-Oosten af te reizen om te gaan vechten of om IS, al-Nusra en andere terroristische en extremistische organisaties op andere wijze te steunen, deels onder invloed van politieke marginalisering en sombere economische vooruitzichten; is zich ervan bewust dat de mogelijke terugkeer van een groot aantal geradicaliseerde Centraal-Aziatische burgers naar hun thuisland ertoe zou kunnen leiden dat de veiligheid en stabiliteit in heel Centraal-Azië, Afghanistan, Iran, Rusland, China en India in gevaar worden gebracht;

133.  spoort de EU aan tot een gezamenlijke aanpak, samen met de Centraal-Aziatische regeringen, van het gedeelde probleem van de rekrutering van strijders en aanhangers door IS, door zich te richten op politieke en administratieve tekortkomingen en bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid te bevorderen, seculiere grondwetten te vrijwaren, discriminatoire wetten en beleidsmaatregelen te herzien, bijstandsprogramma's voor zowel mannen als vrouwen in te voeren, de werkgelegenheid voor kansarme jongeren te verbeteren, politiehervormingen tot prioriteit te verheffen en voor een betere coördinatie van veiligheidsdiensten te zorgen, alsook lessen te trekken uit Europese en Aziatische ervaringen met de rehabilitatie en re-integratie van radicale islamisten;

134.  is van mening dat internationale samenwerking, onder meer met Rusland en China, essentieel is om de groeiende dreiging van islamistische radicalisering in Centraal-Azië aan te pakken; vraagt dat alle internationale partijen met invloed in de regio de Centraal-Aziatische landen ertoe aansporen om zich in onderling overleg in te spannen voor een betere coördinatie van de samenwerking tussen hun veiligheidsdiensten, onder meer met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen; benadrukt dat dergelijke samenwerking in overeenstemming moet zijn met hun internationale verbintenissen op het vlak van de mensenrechten;

135.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de verslechterende veiligheidssituatie in het noorden van Afghanistan en het gevaar dat hieruit voortvloeit voor de militaire en politieke stabiliteit in de regio; is blij met de verbeterde coherentie tussen de EU-strategieën voor Afghanistan en voor Centraal-Azië; benadrukt echter dat de EU-benadering van Centraal-Azië en Afghanistan nauwer aan elkaar moeten worden gekoppeld en dat het bestaande beleid moet worden aangepast aan de strategie voor Afghanistan voor de periode na 2014; pleit voor de betrokkenheid van Afghanistan bij programma's voor stabiliteit en veiligheid in de regio; spoort de regeringen van de Centraal-Aziatische landen ertoe aan een proactievere rol te spelen en op grotere schaal samen te werken in het belang van stabiliteit in Afghanistan; benadrukt dat menselijke veiligheid, terrorismebestrijding, immigratie en strategieën om drugshandel tegen te gaan regionaal gecoördineerd moeten worden;

136.  vraagt de Raad, de Commissie en de EDEO om in hun betrekkingen met de Centraal-Aziatische landen prioriteit te geven aan de hervorming van de veiligheidssector, onder meer in de vorm van betere financiering en opleiding, de bevordering van godsdienstvrijheid in het kader van seculiere grondwetten, preventieve aspecten van de strijd tegen terrorisme en inspanningen om voormalige jihadisten te rehabiliteren, als onderdelen van een globale strategie voor het aanpakken van islamistisch extremisme; betreurt dat de EU niet in staat is gebleken een hervorming van de veiligheidssector in de Centraal-Aziatische landen op te nemen in haar strategie, hoewel hier dringend behoefte aan is; toont zich in deze context verheugd over de vooruitgang die in Kazachstan is geboekt als vertrekpunt voor een hervorming op regionaal niveau; vraagt dat de EU specifieke programma's ter hervorming van de veiligheidssector uitwerkt voor Kirgizië en eventueel Tadzjikistan, en daarbij vooral aandacht besteedt aan de beginselen van de rechtsstaat en mensenrechtennormen in het strafrecht en aan civiele politie;

137.  erkent dat de vijf Centraal-Aziatische landen de tenuitvoerlegging van de kernwapenvrije zone in Centraal-Azië blijven voortzetten;

138.  vraagt de lidstaten om een meer uniforme interpretatie en tenuitvoerlegging en om een strikte naleving van de acht criteria die in 2008 zijn vastgesteld in het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake de controle op de uitvoer van wapens; wijst in dit verband met bezorgdheid op de omzeiling van dit gemeenschappelijk standpunt door een aantal Europese ondernemingen naar aanleiding van bilaterale overeenkomsten die bepaalde lidstaten hebben gesloten;

139.  vraagt de lidstaten om de uitvoer van kant-en-klare systemen voor inkijkoperaties naar landen in de regio stop te zetten indien er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat deze systemen kunnen worden gebruikt tegen journalisten, politici of mensenrechtenverdedigers; roept de Commissie ertoe op het Europese systeem voor controle op de uitvoer te herzien om te voorkomen dat dergelijke inkijksystemen in verkeerde handen vallen;

Landenspecifieke kwesties

140.  onderstreept dat in de volgende paragrafen met betrekking tot specifieke landen enkel wordt ingegaan op prioritaire problemen en dat de opsomming bijgevolg niet alomvattend is;

Kazachstan

141.  benadrukt dat hechtere politieke en economische betrekkingen gebaseerd moeten zijn op gedeelde waarden; merkt op dat Kazachstan de eerste Centraal-Aziatische partner is met wie de EU over een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (EPCA) heeft onderhandeld; verwacht, gezien de voltooiing van de overeenkomst, een actieve en concrete verbintenis van Kazachstan tot politieke en democratische hervormingen, een verbintenis die voortvloeit uit zijn internationale verplichtingen en toezeggingen; erkent dat het honderdstappenprogramma een poging vormt om dringende hervormingen in het land door te voeren;

142.  benadrukt in dit verband de aanbevelingen van het Parlement van 22 november 2012 over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan, die van cruciaal belang zijn voor het Parlement om in te stemmen met het sluiten van deze nieuwe overeenkomst en voor de toekomstige samenwerking tussen de EU en Kazachstan;

143.  vindt het zeer verontrustend dat de vrijheid van media, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging steeds verder afneemt; herhaalt en benadrukt dat concrete en tastbare vorderingen op het vlak van politieke hervormingen gekoppeld zijn aan vorderingen in de onderhandelingen over de nieuwe EPCA; vraagt dat Kazachstan alle mogelijke inspanningen doet om ervoor te zorgen dat zijn wetgeving in overeenstemming is met de normen van de Raad van Europa en garandeert dat de fundamentele vrijheden volledig worden toegepast, zonder eigenhandig opgelegde beperkingen; roept de Kazachse autoriteiten ertoe op concrete en doeltreffende maatregelen te nemen ter uitvoering van de aanbevelingen die de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging heeft gedaan in het slotverslag van zijn bezoek aan Kazachstan in januari 2015; spoort Kazachstan er in dit verband toe aan zijn nieuwe strafwetgeving te herzien en te wijzigen wat de criminalisering van laster betreft, aangezien deze criminalisering de fundamentele vrijheden ondermijnt; geeft uiting aan zijn ernstige ongerustheid over de wet inzake organisaties zonder winstoogmerk, die de onafhankelijkheid en zelfs het bestaan van ngo's in Kazachstan in gevaar brengt, en vraagt dat deze wet wordt herzien;

144.  herinnert Kazachstan aan zijn verbintenissen in het kader van de OVSE tot democratische hervormingen en vraagt het land met klem om zijn ambities inzake buitenlands beleid – als lid van de VN-Mensenrechtenraad voor 2013-2015, gastland voor de Wereldtentoonstelling in 2017 en kandidaat voor een tijdelijke zetel in de VN-Veiligheidsraad voor 2017-2018 – te koppelen aan even ambitieuze, diepgaande binnenlandse politieke hervormingen;

145.  onderstreept dat Kazachstan volgens de voorlopige conclusies van de internationale OVSE/ODIHR-waarnemingsmissie bij de verkiezingen van 20 maart 2016 nog een lange weg te gaan heeft bij het nakomen van zijn OVSE-verbintenissen ten aanzien van democratische verkiezingen, hoewel enige vooruitgang is geconstateerd; spoort de Kazachstaanse autoriteiten ertoe aan de nodige maatregelen te nemen voor de volledige tenuitvoerlegging van alle aanbevelingen van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten;

146.  vraagt om de vrijlating van alle politieke gevangenen, met inbegrip van Vladimir Kozlov, leider van oppositiepartij Alga!;

147.  erkent de positieve rol van Kazachstan bij de organisatie en het faciliteren van de onderhandelingen tussen de E3+3 en Iran in 2013 over het kernprogramma van Iran, de bijdrage van het land tot internationale initiatieven inzake nucleaire beveiliging en veiligheid, met inbegrip van het optreden als gastheer voor de nieuwe, door de IAEA beheerde internationale splijtstofbank die vanaf 2017 operationeel zal zijn, de pogingen van het land om te bemiddelen in de crisis tussen Rusland en Oekraïne, en het aanbieden van goede diensten in het kader van overleg tussen de Syrische oppositiepartijen;

148.  toont zich verheugd dat Kazachstan zich met ingang van 2015 in het eindstadium van de procedure voor toetreding tot de WTO bevindt;

Kirgizië

149.  betreurt de terugval van Kirgizië, het land in de regio waarover de EU de hoogste verwachtingen koesterde wat het streven naar democratische doelstellingen betreft;

150.  prijst Kirgizië met de vooruitgang waarvan blijk is gegeven in de recente parlementsverkiezingen; erkent dat deze vreedzaam zijn verlopen en aanzienlijk transparanter waren; is ingenomen met de bevindingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE voor de parlementsverkiezingen in Kirgizië op 4 oktober 2015, waarin werd gewezen op de ruime keuze die kiezers werd geboden en op een competitieve verkiezingscampagne; toont zich evenwel ongerust over de verplichte registratie van biometrische gegevens als een voorwaarde om te kunnen stemmen, waardoor de inclusiviteit van de kiezerslijst erg problematisch genoemd kan worden; benadrukt dat er meer inspanningen nodig zijn om een volledig functionerende parlementaire democratie uit te bouwen, ondanks de eerste bemoedigende tekenen waarvan Kirgizië blijk gaf met betrekking tot het streven naar democratische hervormingen en de overgang naar een echt meerpartijenstelsel, als een van de landen waar een proefproject voor EU-steun aan de democratie loopt;

151.  is verheugd dat Kirgizië de beperkende ontwerpwetgeving inzake buitenlandse agenten en LGBTI's heeft ingetrokken en vraagt het land om alle discriminerende wetgeving ten aanzien van LGBTI's en het maatschappelijk middenveld te verwerpen;

152.   verheugt zich over de opname van Kirgizië in de VN-Mensenrechtenraad voor de periode 2016-2018 en vraagt het land om constructief gebruik te maken van zijn komende lidmaatschap om mensenrechtenkwesties aan te pakken;

153.  vraagt de Commissie/de EDEO met klem om Kirgizië te helpen recht te doen aan de slachtoffers van de etnische confrontaties van 2010;

Tadzjikistan

154.  vraagt Tadzjikistan met klem zijn internationale verbintenissen inzake mensenrechten na te leven en de vrijheid van vereniging en de onafhankelijkheid van juristen te beschermen; vestigt de aandacht op de problematische situatie van de media sinds de ondertekening door de president van een nieuwe verordening uit hoofde waarvan alle informatie over officiële evenementen via het informatiebureau van de staat zal gaan, hetgeen de toegang voor andere media zal beperken; vraagt dat Tadzjikistan afziet van ongepaste inmenging in de werkzaamheden van ngo's en de nieuwe wetgeving inzake de financiering van ngo's niet ten uitvoer legt;

155.  spreekt in dit verband zijn bezorgdheid uit over de beslissing om de Partij van de Islamitische Wedergeboorte van Tadzjikistan te verbieden, een beslissing die past in een zorgwekkende tendens om uit veiligheidsoverwegingen legitieme politieke krachten te onderdrukken en kritische stemmen het zwijgen op te leggen; verzoekt de Tadzjiekse overheid haar verbintenissen in het kader van de vredesovereenkomst van 1997 na te komen en de nodige maatregelen te nemen om de vrijheid van meningsuiting, pluralisme en een vrij en open politiek klimaat te waarborgen;

156.  neemt kennis van de bevindingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten voor de parlementsverkiezingen van 1 maart 2015 in Tadzjikistan, waarin wordt gesteld dat de verkiezingen "plaatsvonden in een beperkte politieke ruimte en kandidaten niet over gelijke voorwaarden beschikten";

157.  blijft zijn bezorgdheid uitspreken over het gebrek aan efficiëntie van de EU-ontwikkelingshulp in het land; vraagt de EDEO/de Commissie met klem voorrang te verlenen aan programma's die gericht zijn op de preventie van foltering in gevangenissen en op mediavrijheid in Tadzjikistan;

158.  is ingenomen met de toetreding van Tadzjikistan tot de WTO in maart 2013;

Turkmenistan

159.  benadrukt dat Turkmenistan partij is bij de meeste belangrijke internationale overeenkomsten en daarom de verplichting heeft de mensenrechten onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te beschermen; benadrukt zijn bereidheid om de EU-steun op het gebied van democratische beginselen en mensenrechten te verhogen, met name door ten volle gebruik te maken van het EIDHR en andere middelen om het hervormingsproces in het land te ondersteunen;

160.  betreurt dat de toestand op het vlak van de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden tijdens de verslagperiode nagenoeg ongewijzigd is gebleven, ondanks een aantal wetgevingsinspanningen op politiek, justitieel, economisch en sociaal vlak en op het vlak van onderwijs; is van mening dat de nieuwe wetgeving in het licht van de internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten aan een beoordeling door internationale deskundigen moet worden onderworpen;

161.  dringt er bij de VV/HV en de Commissie op aan in contact te treden met de Turkmeense autoriteiten om concrete maatregelen te eisen ter verbetering van de mensenrechtensituatie en de rechtsstaat, conform artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU); vraagt voorts om punten van zorg inzake de mensenrechten op alle niveaus ter sprake te blijven brengen, bovenop de lopende mensenrechtendialoog; herhaalt zijn oproep aan de EDEO om van het verbindingskantoor in Asjchabad zo snel mogelijk een volwaardige EU-delegatie in Turkmenistan te maken, onder meer om met het maatschappelijk middenveld te interageren en toezicht te houden op de mensenrechtensituatie;

162.  onderstreept het belang van een voortzetting van de mensenrechtendialoog, in het bijzonder om druk te blijven uitoefenen met betrekking tot de vrijlating van personen die om politieke redenen gevangen zitten, en om duidelijkheid te krijgen over het lot van personen die tijdens hun gevangenschap verdwenen zijn;

163.  erkent dat de inwerkingtreding van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Turkmenistan ertoe zal bijdragen dat het potentieel van de tot stand gebrachte betrekkingen ten volle wordt benut;

164.  vraagt de VV/HV om gevolg te geven aan de met haar voorganger gesloten overeenkomst met betrekking tot een toezichtsmechanisme, waardoor het Parlement naar behoren door de EDEO zou worden geïnformeerd over de uitvoering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst vanaf de inwerkingtreding;

165.  is ingenomen met het onlangs versterkte engagement van Turkmenistan ten aanzien van de EU met betrekking tot gebieden van wederzijds belang; neemt kennis van de deelname van het land aan de OVSE-bijeenkomst betreffende de uitvoering van de menselijke dimensie in 2015 en van de aanwezigheid van hooggeplaatste Turkmeense vertegenwoordigers op de 15e jaarlijkse bijeenkomst van het gemengd comité in het kader van de interim-handelsovereenkomst in oktober 2015;

166.  vraagt Turkmenistan om de lopende campagne voor het verwijderen van satellietschotels en het blokkeren van de toegang tot bepaalde websites stop te zetten en een eind te maken aan het intimideren en pesten van onafhankelijke journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld;

Oezbekistan

167.  betreurt dat de EU onvoldoende doeltreffend is in haar streven naar democratisering in Oezbekistan, en drukt nogmaals de hoop uit dat de EU deze doelstelling actief probeert te bereiken in het land; stelt vast dat de Oezbeekse regering weigert verregaande hervormingen door te voeren; spoort de VV/HV aan een beleid te ontwikkelen voor een kritisch, constructief, voorwaardelijk en samenhangend Europees engagement ten aanzien van Oezbekistan;

168.  betreurt de systematische en routineuze schending van fundamentele rechten en vrijheden, ondanks de aanneming van verbeterde wetten hierover en ondanks de ratificering van internationale mensenrechteninstrumenten; vraagt de Oezbeekse autoriteiten met klem reële stappen te zetten om deze problemen ten volle aan te pakken en alle aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor foltering, het Comité tegen Foltering en het Comité voor de rechten van de mens daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;

169.  dringt erop aan dat de Oezbeekse autoriteiten alle personen vrijlaten die in hechtenis zijn genomen omdat ze op vreedzame wijze hun recht op vrije meningsuiting, vergadering en vereniging hebben uitgeoefend, en benadrukt dat foltering in gevangenissen moet worden voorkomen en dat dergelijke gevallen van foltering moeten worden onderzocht; toont zich bezorgd over de willekeurige verlenging van gevangenisstraffen; vraagt de Oezbeekse autoriteiten om onafhankelijke mensenrechten-ngo's in staat te stellen hun werkzaamheden ongehinderd uit te voeren;

170.   verheugt zich over de bescheiden vooruitgang van het land met betrekking tot de uitbanning van kinderarbeid en met name het overheidsverbod in deze zin; wijst nogmaals op het belang van onafhankelijk en objectief toezicht op de tenuitvoerlegging van het verbod; brengt in herinnering dat dwangarbeid bij de jaarlijkse katoenoogst moet worden uitgebannen en dat de overheid moet worden aangespoord tot de verbintenis zich concreet te blijven inspannen, bijvoorbeeld via een actieplan, om dwangarbeid uit te bannen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO en de Wereldbank;

171.  herinnert eraan dat het Parlement heeft besloten niet te overwegen zijn goedkeuring te hechten aan het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Oezbekistan waarmee de bepalingen van de overeenkomst worden verruimd tot de bilaterale handel in textiel, tot is bevestigd dat er concrete hervormingen zijn gerealiseerd en dat die wezenlijke resultaten hebben opgeleverd, en tot er garanties zijn dat Oezbekistan daadwerkelijk bezig is de praktijk van dwangarbeid, naast kinderarbeid, uit te bannen;

172.  is in dit verband van mening dat een deel van de ontwikkelingshulp die de EU in het verleden aan Oezbekistan heeft verleend, onder meer voor de capaciteitsopbouw van het Oezbeekse parlement, niet de juiste bestemming heeft gekregen en afgeleid moeten worden naar belangrijker gebieden zoals plattelandsontwikkeling of milieu- en waterbeheer;

173.  uit zijn diepe bezorgdheid over de activiteiten van de Islamitische Beweging van Oezbekistan, die in augustus 2015 trouw heeft gezworen aan Islamitische Staat en duizenden jihadisten in Centraal-Azië heeft gerekruteerd;

o
o   o

174.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Centraal-Azië, alsook de regeringen en parlementen van Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Tadzjikistan en Turkmenistan.

(1) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 49.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(3) PB L 255 van 30.9.2015, blz. 68.
(4) PB L 255 van 30.9.2015, blz. 27.
(5) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 28.
(6) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 153.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0252.
(8) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 111.
(9) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 87.
(10) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 69.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.
(12) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 24.
(13) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 12.
(14) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 159.
(15) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 93.
(16) PB C 45 van 5.2.2016, blz. 85.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0008.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0426.
(19) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 92.
(20) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 80.
(21) PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 12.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0040.
(23) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 195.
(24) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 126.
(25) Statistieken van de Wereldbank voor het jaar 2012.
(26) Statistieken van de Wereldbank voor de vijfjarige periode 2011-2015.
(27) Samengesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS.


Uitbraak van het zikavirus
PDF 194kWORD 85k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de uitbraak van het zikavirus (2016/2584(RSP))
P8_TA(2016)0122B8-0449/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 1 februari 2016, waarin de uitbraak van het zikavirus wordt beschreven als een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang,

–  gezien Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(2),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de uitbraak van het zikavirus (O-000030/2016 – B8-0119/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de WHO de uitbraak van het zikavirus op 1 februari 2016 heeft beschreven als een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang;

B.  overwegende dat het zikavirus een opkomend muggenvirus is dat in 1947 voor het eerst is vastgesteld bij resusapen in het in Uganda gelegen Zikawoud, via een netwerk voor toezicht op sylvatische gele koorts;

C.  overwegende dat er sporadische uitbraken van het zikavirus zijn geregistreerd in twee EU-regio's (Martinique en Frans-Guyana) en Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en het Stille-Oceaangebied, en dat er gevallen van besmetting zijn vastgesteld op EU-grondgebied, in het bijzonder Guadeloupe en Saint-Martin;

D.  overwegende dat het zikavirus in 2007 voor het eerst de bekende endemische zikagrenzen overschreed en een epidemie veroorzaakte op het eiland Yap in de Federale Staten van Micronesia, die werd gevolgd door een wijdverbreide epidemie in Frans-Polynesië in 2013-2014, en zich vervolgens verspreidde naar diverse landen in Oceanië, waaronder Nieuw-Caledonië en de Cookeilanden; overwegende dat algemeen werd aangenomen dat het zikavirus slechts een milde menselijke ziekte veroorzaakte, maar dat door de uitbraak in Frans-Polynesië duidelijk is geworden dat het virus neurologische complicaties kan veroorzaken (namelijk het syndroom van Guillain-Barré en meningo-encefalitis);

E.  overwegende dat volgens het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) de meeste besmettingen symptoomvrij blijven (circa 80 %);

F.  overwegende dat de grootste uitbraak van het zikavirus is geregistreerd in Brazilië, met name in het noordoosten van het land;

G.  overwegende dat de Braziliaanse minister van Volksgezondheid in november 2015 een noodtoestand voor de volksgezondheid afkondigde vanwege een opvallende toename van het aantal kinderen dat werd geboren met microcefalie in de deelstaat Pernambuco in 2015; overwegende dat deze opvallende toename met name zichtbaar is voor de meest ernstige vormen van microcefalie, maar dat uit sommige rapporten blijkt dat het aantal gevallen van mildere vormen van deze aandoening zelfs enkele jaren vóór de uitbraak van het zikavirus in 2015 uitzonderlijk hoog was;

H.  overwegende dat de levenscyclus van muggen afhankelijk is van het klimaat, de habitat en de biodiversiteit, en dat de verspreiding van muggen in de hand wordt gewerkt door menselijke factoren, zoals klimaatverandering, kunstmatige aquatische habitats, ontbossing, verstedelijking en een gebrek aan sanitaire voorzieningen, stedelijk afval, conflicten en reizen;

I.  overwegende dat de uitbraak van het zikavirus bestaande ongelijkheden in de getroffen landen aan het licht heeft gebracht, bijvoorbeeld wat gezondheidszorg en woonomstandigheden betreft, en de armsten in de samenleving — die vaak dicht bij bronnen van stilstaand water wonen en slecht zijn uitgerust om de ziekte te voorkomen en te bestrijden — onevenredig vaak treft; overwegende dat vrouwen nog altijd de meerderheid van de armen in de wereld uitmaken en hun situatie met name in het geding is, aangezien zij in het huishouden primair verantwoordelijk zijn voor voedsel, schoon water, hygiëne en de opvoeding van kinderen met aan microcefalie gerelateerde syndromen, waarvoor mogelijk aanvullende financiële middelen nodig zijn, met name bij gebrek aan passende of betaalbare ondersteunende structuren;

J.  overwegende dat in diverse Europese landen melding is gemaakt van ingevoerde gevallen van besmetting met het zikavirus; overwegende dat het ECDC op 11 februari 2016 heeft gewezen op een vastgesteld geval van microcefalie bij een zwangere vrouw in Slovenië, die tijdens haar zwangerschap in Brazilië woonde en daar een zika-achtige besmetting ontwikkelde;

K.  overwegende dat er sinds 9 februari 2016 op het Europese continent geen gevallen van autochtone overdracht van het zikavirus meer zijn gesignaleerd, maar wel een paar gevallen in ultraperifere gebieden van de EU;

L.  overwegende dat de verschijning van het virus in verband is gebracht met clusters van microcefaliegevallen en andere neurologische stoornissen, waaronder gevallen van het syndroom van Guillain-Barré; overwegende dat de WHO op 1 februari 2016 heeft verklaard dat er een sterk vermoeden is dat er een causaal verband bestaat tussen zikavirusbesmettingen bij zwangere vrouwen en microcefalie, maar dat dit nog niet wetenschappelijk is bewezen;

M.  overwegende dat onder wetenschappers op grond van steeds meer voorlopig onderzoeksmateriaal algemeen wordt aangenomen dat het zikavirus een van de oorzaken is van microcefalie(3), een aandoening die bij de foetus de cellen beschadigt die de hersens maken(4), een aandoening waardoor baby's worden geboren met een abnormaal klein hoofd en in de meeste gevallen vertraagde hersenontwikkeling, en gedurende de gehele zwangerschap schade schijnt te kunnen toebrengen aan de foetus(5) en tevens de oorzaak is van het Guillain-Barré syndroom; overwegende dat onzekerheid omtrent de gezondheid van de ongeboren baby, evenals de onzekerheid met betrekking tot overdrachtsmechanismen, vrouwen en meisjes — en met name zwangere vrouwen en hun gezinnen — in een uitzonderlijk moeilijke positie brengen, in het bijzonder voor wat hun gezondheid en de langetermijngevolgen voor het huishouden betreft, en dat deze onzekerheden in geen geval mogen worden gebruikt om dringende besluiten en maatregelen uit te stellen die nodig zijn om deze crisis het hoofd te bieden;

N.  overwegende dat microcefalie vele mogelijke oorzaken kent, maar dat de werkelijke oorzaak vaak onbekend blijft, en overwegende dat het belangrijk is dat bij gebrek aan een specifieke behandeling voor microcefalie een multidisciplinair team wordt opgericht om pasgeborenen en kinderen met microcefalie te onderzoeken en te behandelen, dat vroege interventie met stimulatie en spelletjes een positief effect op de ontwikkeling kunnen hebben en dat gezinsbegeleiding en ondersteuning van de ouders eveneens van essentieel belang zijn;

O.  overwegende dat het cluster van microcefaliegevallen in Brazilië door Argentijnse en Braziliaanse onderzoekers in verband is gebracht met de larvicide pyriproxyfen, die in 2014 aan de drinkwatervoorziening werd toegevoegd in getroffen gebieden van Brazilië; overwegende dat de lokale overheid in Rio Grande do Sul, een deelstaat in het zuiden van Brazilië, in reactie op dit mogelijke verband, tegen het advies van het Ministerie van Volksgezondheid en in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel het gebruik hiervan met ingang van 13 februari 2016 heeft opgeschort;

P.  overwegende dat van meer dan 700 van de 4 783 gemelde microcefaliegevallen sinds oktober 2015 is uitgesloten dat het microcefalie betreft;

Q.  overwegende dat slechts 17 van de 404 zuigelingen waarvan is bevestigd dat zij microcefalie hebben positief zijn getest op het zikavirus;

R.  overwegende dat de uitbraak van het zikavirus sinds 2013 een realiteit is in overzeese gebieden van de EU;

S.  overwegende dat er in Europa gedurende de zomermaanden van 2016 een risico op lokale overdracht via vectoren bestaat;

T.  overwegende dat er momenteel geen specifieke behandeling of specifiek vaccin beschikbaar is, maar dat het Indiase bedrijf Bharat Biotech op 3 februari 2016 heeft aangekondigd dat het twee kandidaat-vaccins aan het ontwikkelen is, namelijk een recombinant vaccin en een geïnactiveerd vaccin dat het stadium van preklinische tests op dieren heeft bereikt;

U.  overwegende dat het zikavirus seksueel overdraagbaar is(6)(7)en dat de WHO heeft verklaard dat seksuele overdracht "relatief vaak voorkomt"(8);

V.  overwegende dat er ook meldingen zijn gemaakt van overdracht van het zikavirus via bloedtransfusies;

W.  overwegende dat er een reëel gevaar bestaat op grensoverschrijdende overdracht van het zikavirus als gevolg van besmette reizigers en de wereldwijde handel;

1.  erkent dat het zikavirus meestal op mensen wordt overgedragen via een beet van een besmette mug van het genus Aedes, met name Aedes aegypti in tropische gebieden, en dat dezelfde mug dengue, chikungunya en gele koorts verspreidt;

2.  wijst erop dat, volgens de evaluatie van het ECDC, aangezien er geen behandeling of vaccins voorhanden zijn en de muggen die het zikavirus verspreiden zowel binnenshuis als buitenshuis steken, met name overdag, preventie momenteel gebaseerd is op persoonlijke beschermingsmaatregelen, zoals het dragen van met permethrine behandelde shirts met lange mouwen en lange broeken (met name tijdens de uren waarin de muggensoort die het zikavirus verspreidt het meest actief is) en het slapen of rusten in kamers die zijn voorzien van een hor of airconditioning of onder klamboes;

3.  benadrukt het belang van de opstelling van communicatieplannen op de meest passende schaal om onder de bevolking meer besef te kweken en passend gedrag te stimuleren om muggenbeten te voorkomen;

4.  is ingenomen met het feit dat het ECDC permanent toezicht houdt op de situatie; verzoekt het ECDC zijn risicobeoordelingen en epidemiologische updates regelmatig bij te werken; is van oordeel dat het ECDC een deskundigencomité inzake tropische overdraagbare ziekten moet oprichten teneinde alle in de EU te treffen maatregelen doeltreffend te coördineren en te monitoren;

5.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om 10 miljoen EUR vrij te maken voor onderzoek naar het zikavirus en stelt voor de aandacht toe te spitsen op gevallen van ernstige aangeboren hersenmisvormingen in Latijns-Amerika en het vermoede verband daarvan met zikavirusbesmettingen; vraagt zich echter af of dit bedrag in verhouding staat tot de grote wetenschappelijke uitdaging om inzicht te krijgen in het zikavirus en de neurologische complicaties ervan en om diagnostische onderzoeken en een behandeling voor de ziekte te ontwikkelen;

6.  wijst erop dat het zikavirus in 28 landen is gesignaleerd en mogelijk levensveranderende gevolgen heeft, met name voor jonge en arme vrouwen, van wie de overgrote meerderheid in de minst ontwikkelde regio's van deze landen woont; benadrukt dat, met het oog op de te verwachten verdere verspreiding van de ziekte, de lessen die uit de ebolacrisis van vorig jaar zijn getrokken dringend in de praktijk moeten worden gebracht door de internationale gemeenschap;

7.  benadrukt dat onderzoek in de eerste plaats gericht moet zijn op preventieve maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het virus en op behandelingen; verzoekt om een drieledig onderzoek naar het zikavirus: een onderzoek naar het sterk vermoede verband tussen het zikavirus en aangeboren hersenmisvormingen, de ontwikkeling van behandelingen en vaccins, en de ontwikkeling van tests voor snelle en doeltreffende diagnoses;

8.  benadrukt dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar het mogelijke verband tussen microcefalie en de larvicide pyriproxyfen, gezien het feit dat er geen wetenschappelijk bewijs bestaat dat dit verband uitsluit;

9.  benadrukt dat onderzoekers de andere mogelijke en aanvullende oorzaken van microcefalie niet over het hoofd mogen zien;

10.  benadrukt de verdere financieringsmogelijkheden die uit hoofde van Horizon 2020 en KP7 beschikbaar zijn voor onderzoek naar de ontwikkeling van vaccins voor malaria en verwaarloosde infectieziekten, waartoe het zikavirus behoort;

11.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat, indien EU-overheidsgeld aan onderzoek wordt besteed, de resultaten van dit onderzoek vrij van intellectuele-eigendomsrechten zijn en de prijstoegankelijkheid voor patiënten van de in het kader hiervan ontwikkelde producten is gewaarborgd;

12.  verzoekt de Commissie om specifieke maatregelen voor te stellen voor de Europese regio's waar het zikavirus zich reeds heeft verspreid, teneinde alle mogelijke overdrachtsvectoren in die regio's uit te roeien, om reeds besmette personen ondersteuning te bieden, met name zwangere vrouwen, en om verdere verspreiding in die regio's en op de rest van het Europese continent te voorkomen;

13.  verzoekt de Commissie met een actieplan te komen om de verspreiding van het virus in Europa te voorkomen en de lidstaten en derde landen te helpen bij de bestrijding van deze epidemie in de zwaarst getroffen regio's (met name in het Caribisch gebied en Midden- en Zuid-Amerika); is van mening dat dit plan moet voorzien in gerichte en voldoende doelstellingen op het gebied van gratis verstrekking van mechanische barrières, zoals klamboes (om muggenbeten te voorkomen) en condooms (om overdracht door middel van seksueel contact te voorkomen); verzoekt de Commissie om de opstelling van een beheersprotocol dat gericht is op burgers die, gezien hun epidemiologische achtergrond, mogelijk met het zikavirus zijn besmet, teneinde door middel van vroegtijdige opsporing de keten van besmetting door middel van seksueel contact en bloedtransfusies op doeltreffende wijze te verbreken;

14.  benadrukt de noodzaak van een genderbewuste aanpak bij het bespreken van de financiering en het inschatten van de behoeften van laboratoria, gezien de complexiteit van het testen en ontwikkelen van veilige, doeltreffende, betaalbare en leverbare vaccins voor zwangere vrouwen, die vaak zijn uitgesloten van preklinische experimenten; dringt er bij de financiële donoren op aan realistisch te blijven over de verwachte kosten van de ontwikkeling van deze vaccins, ook bij de toewijzing van EU-onderzoeksfinanciering, en de veiligheid van meisjes en vrouwen voorop te stellen;

15.  wijst op het feit dat het zikavirus de zwakheden heeft blootgelegd in zowel de respons van de gezondheidszorgstelsels, met name op het niveau van primaire gezondheidszorg, als de zorgverlening en toekenning van rechten op het gebied van reproductieve gezondheid aan vrouwen en meisjes in de getroffen landen, met name wat betreft voorlichting en zorg tijdens en na de zwangerschap en de preventie en beëindiging van zwangerschappen, hoewel overheidsfunctionarissen in deze landen vrouwen hebben geadviseerd om zwangerschap uit te stellen tot er meer over het zikavirus bekend is;

16.  erkent dat de laboratoriumcapaciteit moet worden uitgebreid om vermoedelijke besmettingen met het zikavirus in de EU/EER te kunnen bevestigen, teneinde onderscheid te maken tussen besmettingen met het zikavirus en andere arbovirusbesmettingen (bijvoorbeeld dengue en chikungunya); verzoekt de lidstaten en de Commissie om de activiteiten van de laboratoria die onderzoek doen naar het zikavirus te coördineren en om de oprichting van dergelijke laboratoria te bevorderen in de lidstaten die er nog geen hebben;

17.  verzoekt de EU en de lidstaten met strategieën te komen die bijdragen aan onderlinge verbindingen tussen vaccinmakers, centra voor ziektepreventie en -bestrijding en andere nationale en openbare volksgezondheidsinstanties en zorgverleners, teneinde de uitwisseling van gegevens en analyses te bevorderen;

18.  benadrukt het belang van het vergroten van het besef onder verloskundigen, kinderartsen en neurologen dat patiënten die sinds 2014 naar Brazilië of een ander getroffen land zijn gereisd, moeten worden gecontroleerd op besmettingen met het zikavirus, evenals personen met een aangeboren misvorming van het centrale zenuwstelsel, microcefalie of het syndroom van Guillain-Barré;

19.  merkt met bezorgdheid op dat zwangerschap in veel van de getroffen landen niet enkel een kwestie van keuze is, met name niet in landen waar de frequentie van seksueel geweld hardnekkig hoog blijft; verzoekt de EU de getroffen landen te ondersteunen bij de verwezenlijking van universele toegang tot primaire gezondheidszorg, met inbegrip van antenatale en postnatale zorg en diagnostische tests voor het zikavirus, en verzoekt de EU de regeringen van de getroffen landen te ondersteunen bij de verstrekking van een uitgebreid pakket met informatie en zorgverlening op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, met inbegrip van mogelijkheden voor gezinsplanning, waarbij de nadruk ligt op toegang tot een scala aan kwalitatief hoogwaardige anticonceptiemiddelen voor alle vrouwen en meisjes, en toegang tot veilige abortus om de toename van het aantal onveilige abortussen sinds het begin van de epidemie te bestrijden, en in dit verband de vereiste dialoog met partnerlanden over anticonceptie en de rechten van vrouwen en meisjes te bevorderen;

20.  wijst erop dat tot nu toe (10 februari 2016) 25 EU/EER-landen, de Verenigde Staten en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding zwangere vrouwen en vrouwen die proberen zwanger te worden hebben geadviseerd om reizen naar door het zikavirus getroffen gebieden uit te stellen;

21.  verzoekt de Commissie, aangezien er momenteel geen profylaxe, behandeling of vaccin ter bescherming tegen het zikavirus bestaat, en met het oog op het risico op lokale overdracht via vectoren in Europa gedurende de zomermaanden van 2016, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de effecten van insecticiden op de menselijke gezondheid en hun doeltreffendheid tegen de mug die het zikavirus verspreidt; verzoekt de Commissie tevens een reeks preventierichtsnoeren te coördineren die deze zomer door de nationale autoriteiten in de praktijk moeten worden gebracht;

22.  erkent dat er een testalgoritme is gepubliceerd voor zwangere vrouwen die terugkeren uit een gebied waar het zikavirus zich verspreidt; wijst er echter op dat de gezondheidsautoriteiten de kwesties van de langdurige aanwezigheid van het zikavirus in sperma en de bewezen overdracht van het zikvirus via geslachtsgemeenschap nog niet hebben aangepakt, die gevolgen kunnen hebben voor mannelijke reizigers die terugkeren uit regio's waar het virus zich verspreidt; is van mening dat, aangezien veel besmettingen symptoomvrij zijn, mannelijke reizigers moeten worden geadviseerd om na terugkeer uit regio's waar het virus zich verspreidt condooms te gebruiken tot er overtuigende gegevens worden gepubliceerd over de omvang van deze wijze van overdracht;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, naar aanleiding van de aanbevelingen van de WHO inzake preventie in Europese landen, om het toezicht op invasieve muggensoorten aanzienlijk te verbeteren en muggen intensiever te bestrijden door broedplaatsen (zoals stilstaande wateren) te verwijderen en te zorgen voor bespuiting met insecticiden in geval van uitbraken, en om lading, cargovoertuigen en de voor vliegtuigpassagiers en cabinepersoneel gereserveerde ruimten aan boord van vliegtuigen die terugkeren uit besmette landen vaker te desinfecteren;

24.  verzoekt de ambassades van de EU en van de lidstaten om de EU-burgers die in besmette gebieden wonen en reizen informatie te verstrekken en steun te bieden;

25.  verzoekt vliegtuigmaatschappijen uit de EU en uit derde landen om vliegtuigen die terugkeren uit besmette gebieden behoorlijk en correct te desinfecteren;

26.  verzoekt de EU om lidstaten en derde landen (nationale, regionale en lokale overheden) die deskundig zijn op het gebied van toezicht, sensibilisering, preventie en/of bestrijding van de mug van het genus Aedes — zoals de regionale overheid van Madeira en het stadsbestuur van Funchal, die meer dan tien jaar ervaring hebben met de aanpak van dit probleem, en de Franse ultraperifere en overzeese gebieden, met jarenlange expertise op het gebied van nieuwe vectorziekten en met name het zikavirus — te raadplegen, met het oog op de ontwikkeling van een strategie voor de bestrijding van het zikavirus;

27.  wijst op de noodzaak van een gecoördineerde aanpak op EU- en internationaal niveau bij de bestrijding van deze uitbraak; is in dit verband ingenomen met de oprichting van het Europees medisch korps en acht dit van belang voor de mobilisatie van medische en volksgezondheidsteams en -apparatuur om, indien nodig, het zikavirus te bestrijden; verzoekt de Commissie tevens snel te komen met een horizontale EU-strategie inzake mondiale gezondheid, gericht op de verwezenlijking van het nieuwe kader voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen daarvan;

28.  verzoekt de Commissie om, in samenwerking met andere partners, te helpen bij het toezicht op de verspreiding van het zikavirus, ook in ontwikkelingslanden, en om een passende respons wat betreft ontwikkeling van gezondheidscapaciteiten, opleiding van gezondheidspersoneel, epidemiologisch toezicht, voorlichting en mobilisatie van de gemeenschap en beheersing van muggenpopulaties op te nemen in de bestaande landenspecifieke ontwikkelingsprogramma's, in samenwerking met de getroffen landen;

29.  benadrukt dat elk voorstel gebaseerd moet zijn op een ruime waaier van epidemiologische studies die niet alleen betrekking hebben op de effecten van het zikavirus, maar ook op andere oorzaken van deze effecten;

30.  verzoekt de lidstaten meer bewustzijn te creëren bij clinici en klinieken voor gezondheid op reis over de evolutie van de zikavirusepidemie en de door de autoriteiten beoogde vectorbestrijding in de getroffen gebieden, zodat zij besmetting met het zikavirus kunnen opnemen in hun differentiële diagnose voor inwoners en bezoekers van die gebieden en zich indien nodig kunnen voorbereiden op de quarantaine van reizigers van wie wordt vermoed dat zij drager van het zikavirus zijn, teneinde autochtone overdracht te voorkomen; verzoekt de nationale gezondheidsautoriteiten een door het ECDC gecoördineerde voorlichtingscampagne op te zetten om de Europese burgers voor te lichten en gerust te stellen en onnodige bezorgdheid te voorkomen;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun waakzaamheid te vergroten met betrekking tot de vroege opsporing van ingevoerde gevallen van besmetting met het zikavirus in de EU, met inbegrip van de overzeese landen en gebieden van de EU en de ultraperifere gebieden van de EU, met name waar vectoren of potentiële vectoren aanwezig zijn, teneinde het risico op autochtone overdracht te beperken; erkent bovendien dat er een — zij het laag en seizoensgebonden — risico op invoer van het zikavirus bestaat in gebieden met een gematigd klimaat waar veel Aedes-muggen voorkomen (waaronder gebieden in Noord-Amerika en Europa), met daaropvolgende autochtone overdracht;

32.  benadrukt het belang van toegang tot een breed scala aan gezondheidsdiensten bij de bestrijding van het zikavirus;

33.  steunt de verzoeken van de Verenigde Naties(9) om wetten en beleidsmaatregelen in te trekken die de toegang tot zorgverlening en rechten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid beperken, in strijd met internationale normen, en herhaalt zijn bereidheid om erop toe te zien dat de maatregelen op het gebied van de volksgezondheid in overeenstemming zijn met de mensenrechten, met name op het gebied van gezondheid en hiermee verband houdende rechten;

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de Wereldgezondheidsorganisatie.

(1) PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(3) http://www.who.int/features/qa/zika/en/
(4) http://www.nature.com/news/zika-highlights-role-of-controversial-fetal-tissue-research-1.19655
(5) Brasil, P. et al. N. Eng. J. Med. http://dx.doi.org/10.1056/NEJMoa1602412 (2016).
(6) http://www.dallascounty.org/department/hhs/press/documents/PR2-2-16DCHHSReportsFirstCaseofZikaVirusThroughSexualTransmission.pdf
(7) https://www.rt.com/news/333855-zika-sex-case-france/
(8) http://www.reuters.com/article/us-health-zika-qanda-factbox-idUSKCN0X22TY
(9) http://www.un.org/apps/news/story.asp?NewsID=53173#.VswcHE32aUk


Situatie in Polen
PDF 167kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 april 2016 over de situatie in Polen (2015/3031(RSP))
P8_TA(2016)0123B8-0461/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU-Verdragen, in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 11 maart 2014: "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),

–  gezien zijn debat van dinsdag 19 januari 2016 over de situatie in Polen,

–  gezien het advies van de Commissie van Venetië van 12 maart 2016 over de amendementen van 22 december 2015 op de Wet inzake het Constitutioneel Hof van Polen van 25 juni 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat, de democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten vervatte waarden en beginselen verplichtingen zijn die rusten op de Unie en haar lidstaten, en overwegende dat deze verplichtingen nagekomen dienen te worden;

B.  overwegende dat eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot een minderheid behoren, de waarden zijn waarop de Unie overeenkomstig artikel 2 VEU berust; overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben en dat de EU en iedere afzonderlijke lidstaat deze waarden in al hun beleidsvormen dienen te eerbiedigen;

C.  overwegende dat op grond van artikel 4, lid 2, VEU de EU de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen dient te eerbiedigen, alsmede hun nationale identiteit;

D.  overwegende dat de Unie en de lidstaten uit hoofde van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie krachtens het beginsel van loyale samenwerking elkaar dienen te respecteren en te steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien;

E.  overwegende dat ingevolge artikel 17 VEU de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

F.  overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de democratie vormt en een van de grondbeginselen van de EU is, en functioneert op grond van de veronderstelling van wederzijds vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het Handvest van de grondrechten en het EVRM;

G.  overwegende dat een doeltreffend, onafhankelijk en onpartijdig rechtsstelsel van essentieel belang is voor de rechtsstaat en dient om erop toe te zien dat de grondrechten en burgerlijke vrijheden van de Europese burgers worden beschermd;

H.  overwegende dat het Constitutioneel Hof is opgericht om te fungeren als één van de centrale onderdelen die het evenwicht waarborgen dat voortvloeit uit de scheiding der machten binnen de constitutionele democratie en de rechtsstaat in Polen;

I.  overwegende dat recente gebeurtenissen in Polen, in het bijzonder het politieke en juridische geschil inzake de samenstelling van het Constitutioneel Hof en de nieuwe regels inzake de werking van het Hof (die onder meer verband houden met het onderzoek van zaken en de volgorde waarin dit plaatsvindt, de verhoging van het quorum en de meerderheden die nodig zijn om vonnissen van het Hof aan te nemen) aanleiding hebben gegeven tot bezorgdheid over de mate waarin het Constitutioneel Hof in staat is de grondwet te handhaven en de eerbiediging van de rechtstaat te garanderen;

J.  overwegende dat de Commissie van Venetië duidelijk heeft verklaard dat het Constitutioneel Hof zijn rol als hoeder van de suprematie van de grondwet van Polen niet kan vervullen omdat het vonnis van het Hof van 9 maart 2016 niet openbaar is gemaakt en daarom niet in werking kan treden; overwegende dat deze situatie de rechtsstaat ondermijnt; overwegende dat de Commissie van Venetië ervoor heeft gewaarschuwd dat verlamming van het Hof de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat zal ondermijnen;

K.  overwegende dat het handelen van de Poolse regering en van de president van de Republiek Polen ten aanzien van het Constitutioneel Hof een bedreiging vormt voor de constitutionele democratie;

L.  overwegende dat de Commissie na het oriëntatiedebat van 13 januari 2016 besloten heeft de gestructureerde dialoog van start te laten gaan overeenkomstig het kader voor de rechtsstaat, en de Poolse regering een brief heeft gestuurd met het oog op opheldering van de situatie in Polen;

M.  overwegende dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen, thans alle relevante informatie zal verzamelen en onderzoeken, en zal beoordelen of er duidelijke indicaties zijn voor een systematische bedreiging van de rechtsstaat;

N.  overwegende dat met het kader voor de rechtsstaat beoogd wordt om systematische bedreigingen van de rechtsstaat aan de orde te stellen, in het bijzonder in situaties die niet effectief kunnen worden opgelost door inbreukprocedures, en waar de 'waarborgen voor de rechtsstaat', die op nationaal niveau bestaan, niet langer in staat lijken te zijn deze bedreigingen effectief het hoofd te bieden;

O.  overwegende dat de huidige Poolse grondwet, die in 1997 is aangenomen, de scheiding der machten waarborgt, alsmede politiek pluralisme, persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie;

P.  overwegende dat er naast de constitutionele crisis andere kwesties spelen die het Europees Parlement ernstige zorgen baren, voor zover zij de Europese wetgeving en grondrechten schenden, met inbegrip van de rechten van vrouwen; overwegende dat de Europese instellingen nauwlettend toezicht moeten houden op dergelijk handelen van de Poolse regering;

1.  acht het van essentieel belang dat de volledige eerbiediging van de in artikel 2 VEU vermelde gemeenschappelijke Europese waarden wordt gewaarborgd;

2.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving, waaronder ook het primaire recht van elke lidstaat of kandidaat-lidstaat, een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten;

3.  is ernstig bezorgd dat de effectieve verlamming van het Constitutioneel Hof in Polen een gevaar vormt voor de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

4.  verzoekt de Poolse regering om zonder verdere vertraging de uitspraak van het Constitutioneel Hof van 9 maart 2016 te eerbiedigen, openbaar te maken en volledig ten uitvoer te leggen, alsmede uitvoering te geven aan de uitspraken van het Hof van 3 en 9 december 2015;

5.  verzoekt de Poolse regering volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; deelt de mening van de Commissie van Venetië dat eerbiediging van de vonnissen van het Constitutioneel Hof een vereiste is op grond van de Poolse grondwet en van de Europese en internationale maatstaven;

6.  is ermee ingenomen dat vicevoorzitter van de Commissie Timmermans onlangs een bezoek heeft gebracht aan Polen en stemt in met zijn verklaring tijdens de Commissievergadering van 6 april 2016 over het starten van een dialoog om een uitweg te vinden uit de huidige situatie, die stoelt op volledige eerbiediging van het constitutioneel kader, hetgeen openbaarmaking en tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Constitutioneel Hof impliceert; deelt zijn bezorgdheid over het mogelijk ontstaan van twee parallelle rechtsstelsels, wat leidt tot juridische onzekerheid;

7.  schaart zich achter het besluit van de Commissie om een gestructureerde dialoog van start te laten gaan op grond van het kader voor de rechtsstaat, waarmee de vraag beantwoord kan worden of er daadwerkelijk sprake is van een systematische bedreiging van democratische waarden en de rechtsstaat in Polen; is ingenomen met de verzekering van de Commissie dat de dialoog met de Poolse autoriteiten gevoerd zal worden op onpartijdige en coöperatieve wijze en op feiten gebaseerd zal zijn, en verzoekt de Commissie, indien de Poolse regering in de loop van de gestructureerde dialoog geen gehoor geeft aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, de tweede fase van de rechtsstaatprocedure te laten ingaan door haar 'aanbeveling inzake de rechtsstaat' te doen en Polen te ondersteunen bij het zoeken naar oplossingen ter versterking van de rechtsstaat;

8.  benadrukt niettemin dat alle stappen die worden genomen in overeenstemming moeten zijn met de bevoegdheden van de EU en haar lidstaten, zoals vervat in de Verdragen, en met het subsidiariteitsbeginsel;

9.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig en nauwgezet te informeren over haar bevindingen, de geboekte voortgang en de actie die zij heeft ondernomen;

10.  geeft uitdrukking aan zijn hoop dat de gestructureerde dialoog tussen de Poolse regering en de Commissie tevens zal leiden tot herziening van andere besluiten van de Poolse regering die aanleiding hebben gegeven tot bezorgdheid over de wettigheid en de mogelijke invloed ervan op de grondrechten;

11.  verwacht dat de Commissie alle lidstaten even nauwgezet volgt op het gebied van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten en zo voorkomt dat zij met twee maten meet, en daarover verslag doet aan het Parlement;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de president van de Republiek Polen.

Juridische mededeling