Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2274(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0286/2016

Ingediende teksten :

A8-0286/2016

Debatten :

PV 24/10/2016 - 15
CRE 24/10/2016 - 15

Stemmingen :

PV 25/10/2016 - 7.2
CRE 25/10/2016 - 7.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0402

Aangenomen teksten
PDF 215kWORD 55k
Dinsdag 25 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-strategie ten aanzien van Iran sinds de nucleaire overeenkomst
P8_TA(2016)0402A8-0286/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst (2015/2274(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, op 16 april 2016 hebben afgelegd in Teheran,

–  gezien resolutie 2231 (2015) van de VN-Veiligheidsraad van 20 juli 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 betreffende het akkoord over het nucleair programma van Iran,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran, in het bijzonder die van 10 maart 2011 over de benadering van Iran door de EU(1), die van 14 juni 2012 over de situatie van de etnische minderheden in Iran(2), die van 17 november 2011 over Iran – recente gevallen van schending van de mensenrechten(3), en die van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran(4),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, gezien het jaarverslag van de EU over de mensenrechten,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de jaarverslagen van de EU over de mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(5),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur van 10 maart 2016 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran, gezien zijn recente verklaringen van 20 mei en 8 juni 2016 waarin hij zijn bezorgdheid uit over de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers en de recente golf van het aanzetten tot haat van de Baha'i-gemeenschap en gezien het verslag van de Secretaris-Generaal van de VN van 3 maart 2016 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien Resolutie 70/173 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran (A/RES/70/173), die is aangenomen op 17 december 2015,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 14 oktober 2015 over de executie van een minderjarige delinquent in Iran en van 20 mei 2016 over de veroordeling van de Iraanse mensenrechtenverdediger Narges Mohammadi,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0286/2016),

A.  overwegende dat de sluiting van de nucleaire overeenkomst met Iran en de interne politieke ontwikkelingen in Iran de mogelijkheid bieden voor hervormingen in het land en voor een verbetering van zijn betrekkingen met de Europese Unie;

Betrekkingen tussen de EU en Iran

Politieke dialoog

1.  is van mening dat het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA), ook wel bekend als de nucleaire overeenkomst met Iran, een belangrijk wapenfeit was voor de multilaterale diplomatie, en dan met name voor de Europese diplomatie, en niet alleen een aanzienlijke verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Iran mogelijk moet maken, maar ook moet bijdragen tot de bevordering van de stabiliteit in de regio; is van mening dat alle partijen thans verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de strikte en volledige tenuitvoerlegging ervan; is ingenomen met de oprichting van de gemengde commissie bestaande uit vertegenwoordigers van Iran en de E3/EU+3 (China, Frankrijk, Duitsland, de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, met de VV/HV); staat volledig achter de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid in haar rol als coördinator van de gemengde commissie die in het kader van het JCPOA is opgericht, en is van mening dat de strikte en volledige tenuitvoerlegging van het JCPOA van het grootste belang blijft;

2.  is ingenomen met het bezoek dat VV/HV Mogherini op 16 april 2016 samen met zeven Europese commissarissen aan Iran heeft gebracht en ziet het als een belangrijke mijlpaal voor het opstellen van een ambitieuze agenda inzake bilaterale betrekkingen tussen de EU en Iran op gebieden van gemeenschappelijk belang; merkt op dat handel en economische banden centraal stonden in meerdere verklaringen van de Commissie en bij verschillende EU-delegaties die naar Iran werden gezonden, en dat aan de laatste delegatie de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en zeven commissarissen hebben deelgenomen;

3.  herinnert eraan dat dankzij het besluit van de Raad tot opheffing van alle nucleair-gerelateerde sancties die aan de Islamitische Republiek Iran waren opgelegd – een besluit dat werd genomen omdat het land voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het gezamenlijk alomvattend actieplan – de betrekkingen met het land kunnen worden hervat en er mogelijkheden en voordelen voor beide partijen zullen ontstaan doordat de Iraanse markt weer kan worden opengesteld voor Europese bedrijven; brengt in herinnering dat Iran een grote, relatief hoogopgeleide en jonge bevolking heeft, dat de bbp-samenstelling een van de meest gevarieerde in de regio is, dat het land behoefte heeft aan investeringen en een potentiële afzetmarkt is voor hoogwaardige Europese goederen;

4.  is ingenomen met de openheid in de betrekkingen met Iran; is van mening dat de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Iran hand in hand moet gaan met de tenuitvoerlegging van de nucleaire overeenkomst/het JCPOA; herinnert eraan dat, krachtens de voorwaarden van de overeenkomst, verzuim van Iran om de overeenkomst ten uitvoer te leggen tot de herinvoering van sancties kan leiden; moedigt aan tot een hernieuwing van de betrekkingen tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Iran anderzijds, waarbij beide partijen nauw samenwerken op het gebied van bilaterale en multilaterale kwesties, om zo de stabiliteit in de regio te bevorderen en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de nucleaire overeenkomst te waarborgen; meent dat de betrekkingen tussen de EU en Iran moeten worden ontwikkeld met behulp van een dialoog op meerdere niveaus, waarbij politieke, diplomatieke, economische, academische, technische en interpersoonlijke contacten een rol spelen en actoren uit het maatschappelijk middenveld, ngo's en mensenrechtenverdedigers worden betrokken; is er voorstander van om, ten behoeve van beide partijen, de banden tussen de EU en Iran aan te halen op basis van een realistische beoordeling van gemeenschappelijke belangen en verschillen, om zo in een sfeer van vertrouwensopbouw aan te sporen tot geleidelijke uitbreiding van de samenwerking, bovenal in het belang van de bevolking van Iran en de EU; steunt in dit verband de toezegging van de Europese Unie om een hernieuwd engagement aan te gaan met Iran, op basis van "de dialoog van de vier C's": een alomvattende dialoog (comprehensive); met een coöperatieve inslag op gebieden van wederzijds belang voor Iran en de EU (cooperative); kritisch, open en oprecht op gebieden waarover Iran en de EU van mening verschillen maar waarvoor ze naar een gemeenschappelijke basis zoeken (critical); en in het algemeen opbouwend, zowel van toon als in de praktijk (constructive);

5.  is ingenomen met de institutionele veranderingen die binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zijn doorgevoerd om af te stemmen op de resultaten van het JCPOA, en is met name verheugd dat binnen de EDEO een taakgroep Iran is opgericht om de verschillende actiegebieden van alle aangelegenheden met betrekking tot Iran te coördineren; is verheugd over de stappen die de EDEO heeft gezet om, zoals verzocht in eerdere resoluties van het Europees Parlement, een EU-delegatie op te richten in Teheran, aangezien de EU daardoor kan samenwerken met de Iraanse autoriteiten teneinde de bevolking van het land beter te informeren over de EU, misverstanden te weerleggen en te zorgen voor toenemende samenwerking tussen de EU en Iran; beklemtoont in dit opzicht dat handel en investeringen competenties van de EU zijn en dat de oprichting van een EU-delegatie in Teheran de samenwerking tussen de EU en Iran op het vlak van handel, onderwijs, cultuur, mensenrechten en milieuduurzaamheid zou vergemakkelijken en daarmee aanzienlijk zou bijdragen tot het inlossen van de verwachtingen van beide kanten; benadrukt dat Euronews Farsi in de toekomst tevens een belangrijke mediaverbinding moet vormen tussen de Europese Unie en het Perzisch sprekende publiek;

6.  herinnert eraan dat de EU en Iran besloten hebben kwesties van gemeenschappelijk belang constructief te bekijken; pleit ervoor dat een EU-strategie voor een hernieuwd engagement met Iran aanvankelijk gebaseerd wordt op vertrouwenwekkende maatregelen op technische gebieden die positieve precedenten zouden scheppen voor gezamenlijke werkzaamheden van de EU en Iran, en de weg zouden kunnen bereiden voor een meer betekenisvolle samenwerking op de lange termijn;

7.  benadrukt hoe belangrijk het is om, als onderdeel van de strategie voor herstel van wederzijds vertrouwen, de parlementaire dimensie van de betrekkingen tussen de EU en Iran te ontwikkelen; spreekt in dit verband andermaal zijn steun uit voor het door het Parlement en de Majlis besproken voorstel om een interparlementaire dialoog inzake terrorismebestrijding tot stand te brengen als erkenning van de gemeenschappelijke uitdagingen in verband met de radicalisering in Iran, in het gehele Midden-Oosten en binnen de EU zelf; is verheugd over de hernieuwde politieke dialoog tussen de EU en Iran, onder meer over mensenrechten; spoort ertoe aan om in de toekomst een mensenrechtendialoog tot stand te brengen en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, de veiligheidstroepen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld daarbij te betrekken; erkent dat beide partijen weliswaar argwaan en wantrouwen koesteren, maar dat Iran een lange geschiedenis kent van betrekkingen met tal van lidstaten en dat het land de ambitie koestert om goede betrekkingen te onderhouden met de EU, hetgeen de mogelijkheid biedt voor betrekkingen die op wederzijds vertrouwen en respect zijn gebaseerd; erkent de complexiteit van de binnenlandse Iraanse politiek en herhaalt dat de EU zich niet wil mengen in interne politieke keuzes, noch in dit land noch in enig ander land, maar dat zij streeft naar een samenwerking die gebaseerd is op wederzijdse eerbiediging van internationale normen en beginselen; is van mening dat volledige normalisering van de betrekkingen alleen parallel met de verdere tenuitvoerlegging van het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA) en door middel van een regelmatige en continue dialoog kan worden bereikt en dat de onmiddellijke prioriteit moet zijn om de reikwijdte van de betrekkingen tussen de EU en Iran uit te breiden op gebieden waarover men het eens is dat deze uitbreiding noodzakelijk is; meent evenwel dat de totstandkoming van een partnerschap tussen Iran en de EU het uiteindelijke doel moet zijn;

8.  herhaalt dat de Europese Unie reeds lang een fervent en principieel tegenstander van de doodstraf is, in alle gevallen en in alle omstandigheden, en beklemtoont eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf een belangrijke doelstelling van het buitenlands en mensenrechtenbeleid van de EU is; blijft uiterst kritisch ten aanzien van de veelvuldige toepassing van de doodstraf in Iran; beschouwt het terugdringen van de toepassing van de doodstraf als een belangrijke doelstelling van de politieke dialoog; dringt erop aan in Iran onmiddellijk een moratorium in te stellen op de uitvoering van de doodstraf; merkt op dat de meeste executies plaatsvinden voor drugsdelicten; begrijpt de uitdaging waarmee Iran wordt geconfronteerd, als een van de belangrijkste doorvoerroutes voor drugs in de wereld en als een land op wiens grondgebied 86% van de wereldwijde inbeslagnames van opium plaatsvindt; is van mening dat besprekingen over kwesties in verband met de doodstraf, zoals de toepassing van de doodstraf voor drugsdelicten en voor minderjarigen, welke beiden een schending vormen van de internationale toezeggingen uit hoofde van de mensenrechten en het humanitair recht waartoe Iran zich vrijwillig heeft verbonden, tot een gemeenschappelijke agenda zouden kunnen leiden om dit probleem aan te pakken; verzoekt de leden van het Iraanse parlement om, als een eerste stap in de goede richting, artikel 91 van het wetboek van strafrecht van 2013 te herzien, teneinde de doodstraf voor minderjarigen af te schaffen; merkt op dat er een wetsontwerp is voorgelegd aan het Iraanse parlement waarmee, als de wet wordt aangenomen, de straf voor niet-gewelddadige drugsdelicten wordt teruggebracht van de doodstraf naar levenslange gevangenisstraf; wijst erop dat het wetsontwerp, als het wordt aangenomen, het aantal executies in Iran sterk kan doen afnemen;

9.  onderstreept dat afschaffing van de doodstraf voor drugsdelicten het aantal executies sterk zou doen afnemen (volgens Iraanse schattingen tot 80%); verzoekt Iran en de EU samen te werken in de strijd tegen illegale drugshandel, als een manier om het probleem van de executies in het land aan te pakken, met inachtneming van de mensenrechtennormen; roept de Commissie op technische bijstand te verlenen en administratieve capaciteit op te bouwen om de rechtsstaat in Iran te versterken, onder meer door de hervorming van het rechtsstelsel te bevorderen en daarmee de verantwoordingsplicht te verbeteren en alternatieven te bieden voor gevangenisstraffen en de doodstraf; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de technische of andere bijstand die aan Iran wordt verleend, niet wordt aangewend om de mensenrechten te schenden;

Economische en handelsaangelegenheden

10.  stelt vast dat Iran heeft verklaard een jaarlijkse groei van 8% na te streven; is van mening dat Europese investeringen van essentieel belang zijn om ervoor te zorgen dat Iran deze doelstelling verwezenlijkt; onderstreept dat de Europese Unie de toegestane zakelijke activiteiten met Iran niet belemmert, en internationale ondernemingen of financiële instellingen die zaken willen doen met Iran niets in de weg zal leggen, op voorwaarde dat zij alle toepasselijke wetten naleven; benadrukt dat Iran, om zijn economische mogelijkheden ten volle te ontplooien, stappen moet ondernemen om een transparant economisch klimaat te creëren dat gunstig is voor internationale investeringen, en corruptiebestrijdingsmaatregelen moet nemen op alle niveaus, in het bijzonder wat betreft de naleving van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF), die gericht zijn op kwesties zoals het stilleggen van geldstromen richting terroristische groeperingen; verzoekt de EU de inspanningen die Iran in het kader van dit proces levert volledig te ondersteunen, in het bijzonder door de werkzaamheden te ondersteunen die erop gericht zijn om tot een bilaterale investeringsovereenkomst tussen Iran en de EU te komen;

11.  benadrukt dat handel en het herstel van de toegang tot het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel mogelijkheden zijn om het isolement van Iran te doorbreken en dat handel een belangrijk instrument zou kunnen zijn om de politieke dialoog te versterken en samenwerking tussen de landen in de regio te stimuleren, met het doel de regionale ontwikkeling, de werkgelegenheid en de stabiliteit in de gehele regio te vergroten;

12.  merkt op dat Iran, met een nominaal bbp van naar schatting 397 miljard USD in 2015, de op één na grootste economie is in het Midden-Oosten, na Saudi-Arabië; merkt voorts op dat de handel van de EU met Iran momenteel ongeveer 8 miljard USD waard is en de volgende twee jaar naar verwachting zal verviervoudigen; herinnert eraan dat de EU in het verleden een tijdlang de belangrijkste handelspartner van Iran is geweest en meent dat zij opnieuw naar die status moet streven; ondersteunt de uitbreiding van de handelsbetrekkingen van de EU met Iran en wenst dat de EU de financiële en economische samenwerking met Iran verder ontwikkelt, in het belang van betere levensomstandigheden en werkgelegenheid voor de Iraanse bevolking en ter bevordering van de regionale ontwikkeling; meent dat de uitbreiding van handel en investeringen met Iran op de lange termijn kan bijdragen tot de bevordering van vrede en stabiliteit in de gehele regio, op voorwaarde dat de EU mogelijkheden voor regionale investeringsprogramma's kan nastreven, bijvoorbeeld in verband met energie en de connectiviteit van het vervoer;

13.  is van mening dat er weliswaar veel contracten met Europese ondernemingen zijn getekend, maar dat Iran zijn verplichtingen niet kan nakomen vanwege een tekort aan liquiditeiten, waardoor het proces tot openstelling van de Iraanse markt in een vicieuze cirkel terecht is gekomen;

14.  merkt op de economie van Iran groter is dan die van alle andere landen ter wereld die geen lid zijn van de WTO; steunt de poging van Iran om toe te treden tot de WTO; merkt op dat het huidige EU-mandaat voor de onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran verouderd is; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om de handels- en investeringsbetrekkingen te versterken met als doel Iran te doen opschuiven in de richting van de WTO-voorschriften, en de Europese investeringen te beschermen; benadrukt dat een formeel onderhandelingskader de EU in staat zou stellen haar positie als de grootste geïntegreerde markt en het grootste economische blok volledig te benutten en een forum voor uitwisseling en dialoog tot stand te brengen; vraagt de EU om na te gaan of het mogelijk is om de toetredingsbesprekingen tussen Iran en de Wereldhandelsorganisatie te hervatten, aangezien toetreding tot de WTO de liberalisering van de economie van Iran verder zou bevorderen en daarmee de groei zou stimuleren, ervoor zou zorgen dat het land wordt geïntegreerd in het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel en in een mechanisme zou voorzien ter ondersteuning van de noodzakelijke economische hervormingen in het land, aan de hand waarvan Iran ter verantwoording kan worden geroepen in verband met internationale verplichtingen; wenst dat de Commissie deze onderhandelingen aangrijpt als een kans om aan te dringen op belangrijke hervormingen van het arbeidsrecht op grond van de kernverdragen van de IAO; is bezorgd over de vertraging bij de benoeming van een voorzitter van de WTO-werkgroep voor de toetreding van Iran; verzoekt de Commissie om haar invloed ten volle te doen gelden teneinde deze belemmering zo spoedig mogelijk weg te nemen en de procedure voor de toetreding van Iran tot de WTO te starten; is van mening dat Iran ter afronding van de toetredingsprocedure van de lijst van publieke verklaring van de FATF moet worden verwijderd;

15.  meent dat het gebrek aan vrijheid van meningsuiting op het internet, de systematische bewaking en monitoring van het internetverkeer en het gebrek aan digitale vrijheden belemmeringen vormen voor de handel met Iran en schendingen vormen van de rechten en vrijheden van de burgers; wijst op de mogelijkheden die open en veilig internet biedt voor de digitale economie in Iran; dringt nogmaals aan op een doeltreffende EU-regeling voor uitvoercontrole teneinde te voorkomen dat er mensenrechtenschendingen worden begaan met behulp van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik of dat deze tegen de EU worden ingezet;

16.  benadrukt eveneens hoe belangrijk het is voor Iran om, met inachtneming van de WTO-voorschriften en met het oog op de totstandbrenging van een samenhangend economisch en handelsblok, economische en handelsbetrekkingen met de regionale spelers te ontwikkelen; merkt op dat de EU haar kennis en steun kan inzetten bij de ontwikkeling en de opbouw van deze regionale dialoog;

17.  is van mening dat de opheffing van de met het nucleaire programma van Iran samenhangende economische en financiële sancties door de EU en de internationale gemeenschap, zoals neergelegd in het JCPOA, een belangrijk onderdeel vormt van het bewijs dat de EU haar toezeggingen aan Iran is nagekomen en bereid is om de economische samenwerking te versterken, met het oog op economisch voordeel voor beide partijen; merkt echter op dat de meeste economische en financiële sancties nu weliswaar opgeheven zijn, maar dat enkele sancties nog gelden en in de nucleaire overeenkomst onverlet worden gelaten; verzoekt de EU om in de EU gevestigde bedrijven ertoe te verbinden volledige inzage te geven in hun activiteiten in Iran; wenst dat er zowel nadruk wordt gelegd op de kwaliteit als op de kwantiteit van investeringen en dat er een soortgelijk initiatief wordt ontplooid als in de tijd van de opheffing van sancties in Myanmar/Birma, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of nieuwe investeringen aan de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten voldoen; merkt op dat het van essentieel belang is om de internationale richtsnoeren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen op doeltreffende wijze toe te passen, willen de hechtere handelsbetrekkingen tussen de EU en Iran een positief effect sorteren op de Iraanse maatschappij als geheel;

18.  wijst andermaal op de rechtsonzekerheid die de sancties van de VS, alsook het feit dat transacties in dollars worden uitgevoerd, met zich meebrengen voor bedrijven uit de EU die investeringen willen doen in Iran, en wijst erop dat de Iraanse bevolking hierdoor niets merkt van de verwachte economische voordelen van het JCPOA; benadrukt dat deze en andere financiële kwesties moeten worden aangepakt om de duidelijkheid en rechtszekerheid te creëren die noodzakelijk zijn om bedrijven uit de EU in staat te stellen activiteiten te ontplooien in Iran; dringt aan op een andere benadering van de handel met Iran; wenst dat de euro de munteenheid wordt voor transacties met Iran, zodat de Amerikaanse overheid geen sancties kan opleggen zoals in het verleden het geval is geweest voor bepaalde Europese banken; pleit voor een nauwe dialoog met de VS, met het oog op het waarborgen van de continuïteit van de Europese handel en investeringen in Iran;

19.  beklemtoont tegelijkertijd dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om een klimaat te creëren dat gunstig is voor de internationale investeringen die nodig zijn om Iran in staat stellen zijn economische mogelijkheden te verwezenlijken; verzoekt Iran in dit verband de transparantie van zijn financiële sector te waarborgen en corruptie en het witwassen van geld te bestrijden, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF); is ingenomen met het actieplan van de Iraanse regering inzake de aanbevelingen van de FATF en met de technische vergaderingen die op 12 juli werden gehouden door hoge ambtenaren van de EU en van Iran om in dit verband de nodige hervormingen door te voeren;

20.  is verheugd dat het JCPOA reeds tot positieve resultaten heeft geleid, zoals de toename van de handel tussen Iran en de EU met 43% gedurende het eerste halfjaar van 2016, in vergelijking met dezelfde periode in 2015, het feit dat dertig Iraanse banken zich opnieuw op Swift hebben aangesloten en het positieve effect van het JCPOA op de versterking van de trend tot verlaging van de inflatie en de rentetarieven in Iran; is verheugd dat tegenwoordig een groeiend aantal kleine Europese banken actief is in Iran, waardoor kmo's gemakkelijker toegang krijgen tot kredieten; verzoekt bij de versterking van de handelsbetrekkingen om bijzondere aandacht voor de rol van kmo's uit Europa en Iran;

21.  is verheugd dat de Iraanse regering buitenlandse investeringen wenst aan te trekken en wijst erop dat daartoe directe buitenlandse investeringen nodig zijn in alle grote economische sectoren; merkt op dat de komende tien jaar waarschijnlijk infrastructuurinvesteringen ter waarde van meer dan 1 biljoen USD nodig zullen zijn, en dat dit kansen biedt voor Europese ondernemingen, onder meer in de energie-, automobiel- en vliegtuigbouwsector; is ingenomen met de 180 handelsdelegaties die Teheran sinds de sluiting van het JCPOA hebben bezocht, waaronder delegaties van 15 EU-lidstaten, en is van mening dat dit een teken is van de toenemende belangstelling voor economische betrekkingen met Iran; wenst dat de EU en haar lidstaten nagaan in hoeverre exportgarantiekredieten kunnen worden gebruikt om de handel, projectfinanciering en investeringen in Iran te bevorderen; pleit voor de succesvolle sluiting van de overeenkomsten tussen de Iraanse overheid en Airbus en Boeing, als een aanvullende vertrouwenwekkende maatregel na de goedkeuring van het JCPOA;

Sectorale samenwerking

22.  merkt op dat Iran de op één na grootste aardgasreserves en de op drie na grootste aardoliereserves ter wereld bezit; is van mening dat samenwerking op energiegebied een belangrijke rol kan vervullen bij de diversifiëring van de energieleveranciers van de EU en bij de vermindering van de energieafhankelijkheid van de lidstaten van één enkele leverancier, waarmee wordt bijdragen aan de energiezekerheid van de EU; meent dat de opheffing van economische sancties de mogelijkheid biedt voor grote uitgaven in de olie- en gassector en in andere sectoren van de economie, die zouden profiteren van investeringen en toegang tot nieuwe technologie; vraagt Europese ondernemingen om te investeren in de Iraanse energiesector; vraagt met name steun van de EU voor de ontwikkeling van lng-technologie in Iran; is van mening dat investeringen in Iran volledig in overeenstemming moeten zijn met de langetermijnverbintenissen van de EU op het gebied van decarbonisatie;

23.  merkt op dat aardgas momenteel in meer dan de helft van de energiebehoefte van Iraanse huishoudens voorziet; wijst erop dat Iran, een land met gemiddeld 300 dagen zon per jaar en een geschatte productiecapaciteit van dertienmaal het totale nationale energieverbruik, veel mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van hernieuwbare energie in Iran te ondersteunen, aangezien deze bijdraagt tot de diversifiëring van de energiemix van het land;

24.  wenst dat Iran zich aansluit bij het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en dat de samenwerking op energiegebied tussen de EU en Iran constant blijft berusten op de doelstelling om de inwoners van Iran en de EU meer sociale, economische en milieuvoordelen te bieden;

25.  benadrukt dat Iran het hoofd moet bieden aan vele milieu-uitdagingen, waaronder waterschaarste en bodemdegradatie, en dat de EU niet alleen alle mogelijkheden op het gebied van handelssamenwerking moet benutten maar ook met Iran moet samenwerken om milieubescherming en ecologisch duurzame ontwikkeling te bevorderen; dringt aan op samenwerking op milieugebied wat betreft waterbeheer, met inbegrip van steun aan Iran om het Urmiameer te redden, afvalbeheer, seismologisch onderzoek en de strijd tegen woestijnvorming en luchtvervuiling; uit in dit verband zijn specifieke bezorgdheid over de vervuiling van de Kaspische Zee, en dringt erop aan dat de EU en de lidstaten de Iraanse regering actief ondersteunen bij haar inspanningen om deze ernstige aantasting een halt toe te roepen; is verheugd dat Iraanse milieu-ngo's partnerschappen zijn aangegaan met andere ngo's in de regio; is ingenomen met hun deelname aan de IUCN en de Ramsarconventie; wenst dat de Commissie Iraanse ngo's bijstaat bij de ontwikkeling van participerende beheersprojecten;

26.  is van mening dat een regionale dialoog inzake samenwerking en milieukwesties tussen Iran en zijn buurlanden onmisbaar is voor het aanpakken van uitdagingen als luchtvervuiling, waterschaarste en woestijnvorming; benadrukt dat de EU dergelijke regionale samenwerking moet faciliteren als een belangrijke vertrouwenwekkende maatregel en dat zij voort moet bouwen op de bereidheid van regionale actoren om profijt te trekken van Europese deskundigheid op dit gebied;

27.  neemt kennis van studies op basis waarvan is geconcludeerd dat nucleaire energie niet concurrerend is in Iran vanwege de kleine uraniumvoorraden en de kosten voor de winning ervan; vraagt de Commissie niettemin de mogelijkheid van civiele nucleaire samenwerking met Iran te onderzoeken, zoals in het JCPOA is vastgelegd, en Iran aan te sporen het Verdrag inzake nucleaire veiligheid te ondertekenen; is ingenomen met het voorstel van een aantal Iraanse hoge ambtenaren om een regionale dialoog tot stand te brengen over de veiligheid en beveiliging van civiele nucleaire programma's;

28.  wijst op de samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van luchtvaartveiligheid, het verlenen van technische bijstand en toegang tot de componenten die noodzakelijk zijn voor Iraanse bedrijven om te worden verwijderd van de Europese zwarte lijst;

29.  stelt vast dat Iran 3 miljoen Afghaanse burgers opvangt, van wie er slechts 950 000 de formele wettelijke status van vluchteling hebben gekregen, en dat Iran zich met deze aantallen onder de landen schaart die de meeste vluchtelingen opvangen; is ingenomen met de extra EU-financiering ten belope van 6,5 miljoen EUR, die bedoeld is om Iran te ondersteunen bij het verzorgen van onderwijs en het verlenen van gezondheidszorg aan de Afghaanse populatie in het land; onderstreept het belang van concrete maatregelen om de mensenrechten van Afghaanse migranten en Afghaanse vluchtelingen in Iran veilig te stellen, met inbegrip van hun recht op een eerlijke rechtsbedeling en gelijkheid voor de wet; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van vluchtelingenbeheer kan bijdragen tot de bevordering van wederzijds begrip, tot meer respect voor het internationaal recht en de mensenrechten van de asielzoekers en vluchtelingen en tot de oplossing van conflicten, waarmee de oorzaken van huidige en toekomstige vluchtelingenstromen kunnen worden aangepakt; is van mening dat samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van vluchtelingenbeheer het welzijn van de vluchtelingen in Iran zou verbeteren en mensenhandel zou helpen voorkomen; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en Iran ook een alomvattende dialoog over migratie moet omvatten, met name over de aanpak van het beleid en de wetgeving en over de prioriteiten in verband met reguliere en irreguliere migratie, asielzoekers en vluchtelingen, zowel op nationaal als op regionaal niveau;

30.  wijst erop dat naar schatting meer dan 60% van de Iraanse bevolking jonger is dan 30 jaar en erkent dat de jonge, geschoolde en technisch vaardige Iraanse bevolking en de bruisende dynamiek van de Iraanse samenleving goede mogelijkheden kunnen bieden om de interpersoonlijke contacten met de EU te bevorderen, op basis van de beginselen van wederkerigheid en wederzijds respect; is van mening dat uitwisselingsprogramma's voor jongeren tot de meest succesvolle activiteiten behoren om maatschappijen en culturen dichter bij elkaar te brengen; is daarom ingenomen met de toename van het aantal studenten uit Iran dat in het kader van het Erasmus Mundus-programma aan Europese universiteiten studeert, en wijst erop dat daarmee misvattingen en stereotypen kunnen worden bestreden; dringt erop aan de samenwerking op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie te versterken door meer uitwisselingen van studenten en onderzoekers te organiseren, onder meer op het vlak van milieu, hernieuwbare energie, justitie, mensenrechten en goed bestuur en met inbegrip van samenwerking tussen universiteiten; verzoekt de Commissie meer financiële middelen beschikbaar te stellen voor Erasmus Mundus-studenten uit Iran; is ingenomen met de workshops die onlangs plaatsvonden aan de universiteit van Teheran met als doel om Iraanse universiteiten te wijzen op de mogelijke voordelen van deelname aan Horizon 2020; vraagt de Iraanse regering een nationale coördinator voor Horizon 2020 aan te stellen om technische bijstand te verlenen en advies te geven aan Iraanse universiteiten die zich kandidaat stellen voor Horizon 2020-projecten; vraagt de Commissie om na te gaan of het Iraanse academici en onderzoekers gemakkelijker kan worden gemaakt om onderwijs en opleidingen te volgen aan Europese universiteiten; wenst dat er een EU-programma wordt opgezet in het kader waarvan onderzoekers en studenten uit Iran, GCC-landen en Europa worden samengebracht om ervaringen met de regionale integratie in Europa te analyseren, evenals de lering die eruit kan worden getrokken;

31.  uit zijn diepe bezorgdheid over de arrestatie van mensen met de dubbele EU-Iraanse nationaliteit bij hun binnenkomst in Iran; beklemtoont dat deze arrestaties de mogelijkheden voor interpersoonlijke contacten belemmeren; wenst dat de Iraanse autoriteiten ervoor zorgen dat personen die tot de Iraanse diaspora behoren veilig naar hun geboorteland kunnen reizen;

Regionale veiligheid

32.  wijst op de grote invloed die de diverse Iraanse volkeren en culturen duizenden jaren lang hebben uitgeoefend, ook in Europa; merkt op dat Iran, vanwege zijn geostrategische ligging, inwonertal, economie, olie- en aardgasreserves en invloed in de regio, een belangrijke speler is in het Midden-Oosten en de Golfregio; benadrukt dat de Iraanse strategische belangen het meest gebaat zijn bij herstelde regionale stabiliteit, en dat het nastreven van die belangen niet ten koste gaat en mag gaan van andere belangrijke spelers in de regio;

33.  is van mening dat de nucleaire overeenkomst de mogelijkheid biedt om samen toe te werken naar een oplossing voor de veiligheidscrisis in de regio; is van oordeel dat Iran een stabiliserende rol kan en moet spelen in de regio; meent dat normalisering van de betrekkingen met Iran de hele regio ten goede kan komen; meent dat zijn status als belangrijke speler in de regio Iran ertoe zou moeten brengen een stabiliserende rol op zich te nemen in de regio; wijst erop dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) die op 18 november 2015 werd voorgesteld, plannen omvat om, met het oog op bredere samenwerkingskaders, derde partnerlanden in het nabuurschap van de EU erbij te betrekken; dringt daarom aan op de invoering van thematische kaders om samenwerking tussen de Unie, de zuidelijke partnerlanden in het nabuurschap en belangrijke regionale spelers, zoals Iran, voor te stellen en deze af te stemmen op regionale uitdagingen zoals veiligheid, energie en het beheer van vluchtelingenstromen;

34.  wenst dat alle landen in de regio, met name Saudi-Arabië en Iran, zich zowel onthouden van vijandige retoriek die conflicten aanwakkert, als van steun aan en activiteiten met betrekking tot vijandige gewapende groeperingen in de regio, met inbegrip van de militaire vleugel van Hezbollah en Al Nusra; maakt zich zorgen over de toenemende militarisering in de omliggende regio, ondersteunt inspanningen ter bevordering van de wapenbeheersing, non-proliferatie en terrorismebestrijding, en erkent tegelijkertijd de gegronde zorgen op defensiegebied, weliswaar in het kader van pogingen om tot volledige eerbiediging van de soevereiniteit van alle landen in deze regio te komen; maakt zich zorgen over de proeven met ballistische raketten die Iran herhaaldelijk uitvoert en die, hoewel ze geen schending vormen van het JCPOA, niet stroken met de strekking van resolutie 2231(2015) van de VN-Veiligheidsraad;

35.  is van mening dat de politieke dialoog tussen de EU en Iran zowel het land zelf als andere belangrijke spelers in de regio ertoe moet aanzetten een opbouwende rol te spelen bij het oplossen van de politieke crises in Irak, Jemen, Syrië, Libanon en Afghanistan, met inachtneming van het internationaal recht en de soevereiniteit van deze landen; verzoekt om een model voor EU-diplomatie dat op politieke prioriteiten berust in plaats van op religieuze identiteiten, dat stoelt op het beginsel om alle bevolkingsgroepen in de landen van het Midden-Oosten, met inbegrip van Israël en de Palestijnse bevolking, te verzekeren van respect, veiligheid en beveiliging, en dat erop gericht is om de stabiliteit en de harmonie in het Midden-Oosten te bevorderen; meent dat de samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van de bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme in de regio een belangrijk onderdeel vormt van de politieke dialoog;

36.  is van mening dat er geen oplossing kan worden gevonden voor conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Golfregio, als er overleg wordt gevoerd zonder dat alle partijen daarbij aanwezig zijn; juicht het daarom toe dat Iran, door deel uit te maken van de Internationale Steungroep voor Syrië, betrokken is bij de Syrische vredesonderhandelingen; betreurt echter dat de Iraanse betrokkenheid tot dusver geen wezenlijke verbetering van de situatie heeft opgeleverd en wenst dat het land ten minste bijdraagt tot de verdere facilitering van de humanitaire hulpverlening, zodat de burgerbevolking beter kan worden beschermd tegen aanslagen, en daarnaast voortdurend blijft zoeken naar een langetermijnoplossing voor het conflict; merkt in dit verband op dat het voortbestaan van het Assad-regime in Syrië steeds afhankelijker is geworden van Iran en roept de Iraanse autoriteiten derhalve op hun invloed aan te wenden om het conflict in Syrië tot een vreedzaam einde te brengen;

37.  is verheugd dat Iran zich bereid heeft verklaard de huidige inspanningen om de stabiliteit in Irak te doen terugkeren, te ondersteunen, spoort het land aan een betekenisvolle rol te spelen om het sektarische geweld te beëindigen, en dringt aan op meer inspanningen om alle milities die in het land actief zijn onder het gezag van het Iraakse leger te brengen en zodoende rekening te houden met alle belangen; benadrukt dat de EU en Iran geconfronteerd worden met gezamenlijke vijanden in de vorm van IS/Da'esh, Al Qaida, Al Nusra en soortgelijke, door de VNVR als terroristische organisaties aangemerkte groeperingen, die worden geïnspireerd door een extremistische opvatting van de islam; is ingenomen met de bijdrage die Iran levert aan de strijd tegen IS/Da'esh, waaronder zijn vroegtijdige steun aan de Koerdische regionale regering in Erbil, en erkent de doorslaggevende bijdrage van het land in Irak, waardoor de opmars van IS/Da'esh een halt werd toegeroepen en grondgebied dat onderworpen was aan jihadistisch terrorisme kon worden herwonnen; maakt zich echter zorgen over herhaaldelijke berichten met betrekking tot de vrijlating van kopstukken van Al Qaida; wijst op de overeenkomst tussen Iran en Australië om inlichtingen uit te wisselen in het kader van de strijd tegen IS/Da'esh;

38.  is van mening dat regionale rivaliteiten een onderliggende factor zijn in conflicten in verschillende landen in de regio; maakt zich grote zorgen over de toename van het sektarische geweld in de regio en benadrukt de noodzaak van een duurzame en uitgebreide diplomatieke betrokkenheid van de EU om de onderliggende dynamiek van het conflict aan te pakken door middel van steun op de lange termijn en met het oog op etnisch-sektarische verzoening; neemt met bezorgdheid kennis van de steeds feller wordende strijd tussen Iran en Saudi-Arabië om politieke en religieuze invloed, en waarschuwt voor de gevolgen voor de conflictoplossing en veiligheid in het Midden-Oosten en daarbuiten; is bovendien van mening dat constructieve samenwerking en een beleid van toenadering tussen Iran en Saudi-Arabië van essentieel belang zijn voor het wegnemen van regionale spanningen, en daarnaast oplossingen kunnen helpen vinden om de gewapende conflicten in Irak, Syrië en Jemen te beëindigen en zodoende de daaruit voortvloeiende migratiestromen aan te pakken, evenals de onderliggende oorzaken van terrorisme en extremisme die een bedreiging vormen voor de regio, de Europese Unie en daarbuiten; wenst dat de EU actieve diplomatieke inspanningen levert om tot een de-escalatie van de spanningen tussen Teheran en Riyad te komen, met inbegrip van het opbouwen van vertrouwen, burgerdiplomatie en maatregelen voor de-escalatie die, als een eerste stap in de richting van de normalisering van de betrekkingen, op het hervatten van de diplomatieke betrekkingen met Saudi-Arabië zijn gericht; vraagt de EU samen met de VS en Rusland daarnaartoe te werken en in het bijzonder de ontwikkeling van een nieuwe regionale veiligheidsinfrastructuur te ondersteunen, een structuur waarbij rekening wordt gehouden met de dreiging die door Iran en Saudi-Arabië wordt ervaren en met de gegronde zorgen op veiligheidsgebied, en die voorziet in veiligheidsgaranties voor Iran en de landen van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten; benadrukt dat samenwerking op het gebied van de maritieme beveiliging van de Perzische Golf, met inbegrip van de ondertekening van een handvest voor vrijheid van scheepvaart, een eerste vertrouwenwekkende maatregel kan zijn om regionaal vertrouwen en regionale samenwerking op te bouwen;

39.  veroordeelt met klem de herhaalde oproepen van het Iraanse regime tot de vernietiging van Israël, evenals zijn beleid van ontkenning van de Holocaust;

Sociaal-economische aangelegenheden, de rechtsstaat, democratie en mensenrechten

40.  is van mening dat de revolutionaire erfenis van Iran, de grondwet van het land als een islamitische staat en de grote verschillen tussen Iran en de EU wat betreft hun politiek-institutionele stelsels, geen beletsel moeten zijn om punten van overeenkomst te vinden voor kwesties die verband houden met democratie, de rechtsstaat of de mensenrechten; wenst dat de Islamitische Republiek Iran meer ruimte geeft voor politiek pluralisme; benadrukt dat de Majlis voor Europa is en een voorstander is van hervormingen, en is van mening dat de uitkomsten van de parlementsverkiezingen en de Vergadering van Deskundigen van februari 2016 niet alleen een kans bieden voor verdere toenadering tot de Europese Unie en haar lidstaten, hetgeen tot constructieve betrekkingen moet leiden, maar ook de mogelijkheid bieden voor interne economische, politieke en sociale hervormingen; roept de Iraanse autoriteiten op tot het volledig toestaan van vrije en eerlijke verkiezingen, overeenkomstig internationale normen;

41.  merkt op dat Iran opener is geworden, aangezien het hulp nodig heeft om aan de behoeften van zijn burgers te voldoen en om jongeren en hoger opgeleiden in het land te houden, hetgeen belangrijk is voor de stabiliteit in het land;

42.  merkt bezorgd op dat het aantal uitgevoerde doodstraffen per hoofd van de bevolking in Iran hoger ligt dan waar ook ter wereld; stelt vast dat afschaffing van de doodstraf voor drugsdelicten het aantal executies sterk zou doen afnemen; juicht het in dit verband toe dat de nieuw verkozen Majlis mogelijk de invoering overweegt van wetgeving om bepaalde drugsdelicten te verwijderen van de lijst van misdaden waar de doodstraf op staat;

43.  merkt op dat de aanneming van het islamitische wetboek van strafrecht van 2013 rechters een ruimere discretionaire bevoegdheid geeft en dat de ratificering door Iran van het Verdrag inzake de rechten van het kind ervoor heeft gezorgd dat de terechtstelling van kinderen is verboden en dat jeugdige delinquenten die vóór 2013 tot de doodstraf zijn veroordeeld, recht hebben op een nieuw proces; wenst dat Iran ervoor zorgt dat dit verbod volledig ten uitvoer wordt gelegd en dat alle delinquenten voor wie dit recht geldt, ervan in kennis worden gesteld; roept Iran op een moratorium op de doodstraf in te stellen;

44.  dringt er voorts bij Iran op aan volledige medewerking te verlenen aan alle mensenrechtenmechanismen van de VN en toe te werken naar de toepassing van de in dat verband gedane aanbevelingen, waaronder de universele periodieke doorlichting, door internationale mensenrechtenorganisaties in staat te stellen hun missies uit te voeren; meent dat deze ontwikkeling zal bijdragen tot een sterkere profilering van Iran in de Europese publieke opinie; benadrukt dat de Iraanse regering door middel van dialogen haar betrokkenheid bij speciale VN-procedures heeft vergroot; dringt er bij de regering van Iran op aan de wezenlijke punten van zorg die worden benoemd in de verslagen van de speciale VN-rapporteur en de secretaris-generaal van de VN over de mensenrechtensituatie in Iran aan te pakken, alsmede gehoor te geven aan de specifieke oproepen tot actie die zijn opgenomen in resoluties van de Algemene Vergadering van de VN;

45.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan een omgeving te helpen creëren waarin maatschappelijke organisaties op een correcte en onafhankelijke wijze kunnen opereren; onderstreept in het kader van de betrekkingen tussen de EU en Iran het belang van het naleven van de richtsnoeren inzake mensenrechten van de EU, waaronder de richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers;

46.  verzoekt Iran zijn verbintenissen uit hoofde van de Grondwet van de Islamitische Republiek Iran, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten te eerbiedigen, te beschermen en na te leven, door het recht op vrijheid van meningsuiting (zowel online als offline), vrijheid van mening, vereniging en vreedzame vergadering, en vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat zijn onderdanen zowel wettelijk als in de praktijk, zoals vastgelegd in deze instrumenten, individuele, sociale en politieke rechten genieten zonder daarbij te worden gediscrimineerd op grond van geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, etnische of maatschappelijk afkomst of andere status; wijst erop dat hier het grondrecht op gelijkheid voor de wet onder valt, evenals het recht op gelijke toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en beroepsmogelijkheden;

47.  is verheugd over de hervormingen die in het kader van het nieuwe wetboek van strafvordering zijn doorgevoerd, maar vindt het uiterst zorgwekkend dat de internationale beschermingsmaatregelen voor een eerlijk proces niet volledig door het wetboek worden gewaarborgd; verzoekt Iran om een herziening van het wetboek van strafvordering uit 2014, teneinde ervoor te zorgen dat er garanties op een eerlijk proces in worden opgenomen; dringt er bij Iran op aan de wetgeving te hervormen en te wijzigen, teneinde ervoor te zorgen dat verklaringen die als gevolg van marteling, mishandeling of andere vormen van dwang zijn verkregen worden uitgesloten van bewijskracht in strafzaken en dat alle beschuldigingen van marteling en andere mishandeling die aan de autoriteiten worden gemeld, automatisch worden onderzocht;

48.  roept op tot de vrijlating van alle politieke gevangenen; roept Iran op tot vrijlating van alle EU-burgers die worden vastgehouden of zijn veroordeeld na een rechtszaak die niet aan de internationale normen voldeed, waaronder: de 58-jarige Nazak Afshar, die sinds maart 2016 vastzit, de 76-jarige Kamal Foroughi, die sinds mei 2011 vastzit, de 65-jarige Homa Hoodfar, die sinds juni 2016 vastzit en de 37-jarige Nazanin Zaghari-Ratcliffe die sinds april 2016 vastzit;

49.  erkent dat Iran een grote verscheidenheid aan geloven en overtuigingen kent; merkt op dat enkele religieuze minderheden en hun fundamentele religieuze vrijheden formeel worden beschermd door de Grondwet van de Islamitische Republiek Iran; maakt zich niettemin zorgen over de toename van de aantallen gevangenen die tot een religieuze minderheid behoren en vastzitten vanwege hun geloofsovertuigingen; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan te waarborgen dat de rechten van religieuze en etnische minderheden volledig worden geëerbiedigd en wettelijk worden beschermd, en dat de vrijheid van godsdienst wordt uitgebreid;

50.  neemt nota van de vooruitgang die Iraanse vrouwen hebben geboekt op het gebied van onderwijs, wetenschap en onderzoek, hetgeen blijkt uit het feit dat de meerderheid van de studenten op Iraanse universiteiten vrouw is; spoort de EU en haar lidstaten aan kwesties die verband houden met gendergelijkheid ter sprake te blijven brengen tijdens alle bilaterale contacten met de Iraanse autoriteiten; wenst dat er volledige gendergelijkheid tot stand wordt gebracht door middel van maatregelen om de bestaande wettelijke en praktische discriminatie van vrouwen uit te bannen en te zorgen voor gelijkwaardige deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en alle aspecten van het economische, culturele, sociale en politieke leven; is ingenomen met de pogingen een wetsontwerp op te stellen over de bescherming van vrouwen tegen geweld en hoopt dat het nieuw verkozen parlement wetgeving overweegt welke alle geweld tegen vrouwen strafbaar stelt, met inbegrip van huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk;

51.  is ingenomen met de campagnebelofte van president Rohani om een handvest voor de rechten van de burger te presenteren en met zijn verklaringen ter bevordering van de rechten van etnische minderheden; is van mening dat het handvest moet voortbouwen op en volledig moet voldoen aan de internationale mensenrechtenverplichtingen van Iran; benadrukt dat, bovenal in het belang van de Iraanse bevolking zelf, de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moeten worden geëerbiedigd wanneer wordt voorzien in de rechtszekerheid die nodig is om buitenlandse directe investeringen mogelijk te maken; wenst dat de rechterlijke macht het recht op een eerlijk proces en op een eerlijke rechtsbedeling in acht neemt en verdachten toestaat een advocaat in te schakelen; roept de EDEO en de Commissie op samen te werken met de Iraanse autoriteiten als het gaat om justitiële hervormingen en de hervorming van het gevangeniswezen, met inbegrip van de gevangenisomstandigheden, de verantwoordingsplicht van de regering, de eerbiediging van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting, de universele mensenrechten, fundamentele vrijheden van burgers en corruptiebestrijding;

o
o   o

52.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Iran, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EDEO.

(1) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 163.
(2) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 102.
(3) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 157.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0339.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.

Juridische mededeling