Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2059(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0278/2016

Ingediende teksten :

A8-0278/2016

Debatten :

PV 24/10/2016 - 19
CRE 24/10/2016 - 19

Stemmingen :

PV 25/10/2016 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0406

Aangenomen teksten
PDF 214kWORD 54k
Dinsdag 25 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
De EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag
P8_TA(2016)0406A8-0278/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (2016/2059(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 inzake een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (COM(2016)0049),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een veerkrachtige energie-unie en een toekomstgericht klimaatbeleid" (COM(2015)0080) en de bijbehorende bijlagen,

–  gezien de Energiestrategie 2030 die wordt uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2014 getiteld "Energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030" (COM(2014)0520),

–  gezien het vijfde evaluatierapport van de IPCC – rapport van Werkgroep I, getiteld "Climate Change 2013: The Physical Science Basis",

–  gezien Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen(1),

–  gezien de overeenkomst van Parijs, die in december 2015 is gesloten op de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld "Een EU‑strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien speciaal verslag nr. 16/2015 van de Europese Rekenkamer, getiteld "Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig",

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie”(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0278/2016),

A.  overwegende dat gas de komende decennia een belangrijke rol kan blijven spelen in de industriële productie, voor de verwarming van gebouwen en ter ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen in het energiebestel van de EU, terwijl de EU werkt aan de verwezenlijking van haar streefcijfers voor broeikasgasemissies, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en aan de overgang naar een koolstofarme economie, waarbij gas geleidelijk aan een steeds minder belangrijke rol zal gaan spelen ten gunste van schone energiebronnen;

B.  overwegende dat aardgas een fossiele brandstof is die, indien niet goed beheerd, gedurende de levenscyclus ervan (productie, transport, gebruik) een aanzienlijke hoeveelheid methaan kan uitstoten; overwegende dat methaan over een periode van 20 jaar een aardopwarmingspotentieel heeft dat significant hoger is dan dat van CO2 en derhalve een aanzienlijke bijdrage aan klimaatverandering levert;

C.  overwegende dat de Europese Unie er veel belang aan hecht de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990;

D.  overwegende dat de afhankelijkheid van Europa van ingevoerd gas de komende jaren waarschijnlijk zal toenemen en in bepaalde lidstaten al 100 % bedraagt wanneer er geen of slechts een beperkt aantal alternatieve leveranciers of aanvoerroutes zijn;

E.  overwegende dat vloeibaar aardgas (LNG) Europa kansen biedt, zowel om voor meer concurrentievermogen te zorgen door een neerwaartse druk op de aardgasprijzen uit te oefenen als om de voorzieningszekerheid te vergroten; overwegende dat aardgas bij de elektriciteitsopwekking ook een flexibele back-up is voor hernieuwbare energiebronnen;

F.  overwegende dat het gebruik van aardgas voor voertuigen (CNG en LNG), zoals vastgesteld in Richtlijn 2014/94/EU inzake de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, substantiële milieuvoordelen zou opleveren;

G.  overwegende dat de EU zich actief moet richten op de ontwikkeling van haar binnenlandse conventionele gasbronnen, zoals de in Cyprus ontdekte bronnen;

H.  overwegende dat de EU als op een na grootste importeur van LNG ter wereld een proactievere rol moet spelen in de internationale energiediplomatie;

I.  overwegende dat het belangrijk is om werk te maken van een geïntegreerd voorstel voor de benutting van binnenlandse energiebronnen, zoals de gasvoorraden in de Cypriotische EEZ, alsook om de oprichting te ondersteunen van een LNG‑liqueficatieterminal op Cyprus, zodat ook de voorraden uit de grotere regio kunnen worden geëxploiteerd;

J.  overwegende dat de EU nog steeds niet alle vruchten kan plukken van een geïntegreerde interne energiemarkt, hetgeen te wijten is aan een onvoldoende interconnecties en de onvolledige uitvoering van het derde energiepakket;

K.  overwegende dat in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid vijf elkaar wederzijds versterkende en onderling nauw verbonden dimensies vermeld staan, namelijk: energiezekerheid; een volledig geïntegreerde Europese energiemarkt; energie-efficiëntie; een koolstofarme economie; en onderzoek, innovatie en concurrentievermogen; overwegende dat de strategie ook betaalbare energieprijzen voor iedereen moet bevorderen;

Inleiding

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie inzake een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag; is van mening dat een interne energiemarkt waarin LNG en gasopslag volledig zijn geïntegreerd, een belangrijke rol zal spelen bij het verwezenlijken van het uiteindelijke doel, te weten een schokbestendige energie-unie;

2.  wijst erop dat de EU-strategie voor LNG en gasopslag een onderdeel vormt van de energie-unie, die tot doel heeft uiting te geven aan het streven van de EU om snel over te stappen op een duurzaam, veilig en concurrerend energiesysteem, en ook niet langer afhankelijk te zijn van externe gasleveranciers; benadrukt dat het een van de doelstellingen van de energie-unie is om de EU wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie te maken;

3.  overwegende dat het EU-gasbeleid moet worden herzien overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs van de COP21, teneinde te voldoen aan de overeengekomen doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C in vergelijking met het pre-industriële niveau; overwegende dat gas naar verwachting nog tot 2050 een rol zal blijven spelen in het energiebestel van de EU, wanneer de uitstoot van broeikasgassen overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs en het Stappenplan Energie van de EU moet zijn verlaagd tot 80-95 % onder het niveau van 1990, met name in de industriële productie en voor de verwarming van gebouwen; overwegende dat gas een steeds minder belangrijke rol zal gaan spelen en geleidelijk aan moet worden uitgefaseerd, naarmate de EU werkt aan de verwezenlijking van haar ambitieuze streefcijfers voor de broeikasgasuitstoot, de energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en aan de overgang naar een duurzame economie;

4.  is van oordeel dat energiezekerheid op efficiënte wijze kan worden bereikt door een betere coördinatie van de nationale beleidsmaatregelen op het vlak van energie, door de oprichting van een daadwerkelijke energie-unie met een interne energiemarkt en een gemeenschappelijk energiebeleid, alsook door samenwerking tussen de lidstaten op dit vlak, volgens de beginselen van solidariteit en vertrouwen; meent in dit verband dat verdere integratie van het energiebeleid ten goede moet komen aan de lidstaten, in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen en internationale verplichtingen van de EU en met de vastgestelde doelen, en niet in strijd mag zijn met de belangen van de lidstaten of hun burgers; steunt de inspanningen om in multilaterale energie-instellingen en energiekaders tot een gemeenschappelijk EU-standpunt te komen;

5.  is van mening dat alle burgers in de EU moeten kunnen beschikken over een zekere en betaalbare energievoorziening; vestigt in dit verband de aandacht op de huidige ontwikkelingen op de mondiale LNG-markten, waar door een overaanbod de prijzen zijn gedaald, hetgeen de kans biedt om de consumenten in de EU door een relatief goedkopere gasvoorziening van lagere energiekosten te laten profiteren; benadrukt dat veilige, betaalbare en duurzame energie een essentiële motor voor de Europese economie vormt en van fundamenteel belang is voor het concurrentievermogen van de industrie; verzoekt de EU en de lidstaten in het kader van de EU-energiestrategie prioriteit toe te kennen aan de uitbanning van energiearmoede, en de energievoorziening te verbeteren door op EU-niveau best practices uit te wisselen;

6.  benadrukt dat een EU-strategie voor LNG in overeenstemming moet zijn met de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie om te helpen zorgen voor een grotere energievoorzieningszekerheid, decarbonisatie, de duurzaamheid van de economie op de lange termijn, en betaalbare en concurrerende energieprijzen;

7.  is het eens met de beoordeling van de Commissie dat lidstaten in het Oostzeegebied en in Centraal- en Zuidoost-Europa, alsook Ierland – ondanks de enorme inspanningen van bepaalde lidstaten om infrastructuur te ontwikkelen – nog steeds in hoge mate aangewezen zijn op één leverancier en blootstaan aan ontwrichtingen en onderbrekingen van de voorziening;

8.  beseft dat de beschikbaarheid van LNG, met een ondersteunend leidingnet, in deze landen de huidige voorzieningssituatie aanzienlijk zou kunnen verbeteren, niet alleen in fysieke, maar ook in economische zin, omdat dit zou bijdragen tot scherpere energieprijzen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun en stimulansen te geven met het oog op een efficiënter en beter gebruik van de bestaande infrastructuur, met inbegrip van gasopslag;

10.  vestigt de aandacht op het potentieel van power-to-gastechnologie om hernieuwbare energie op te slaan en deze bruikbaar te maken als koolstofneutraal gas voor vervoer, verwarming en energieopwekking;

11.  benadrukt dat de diversiteit en de flexibiliteit van het gassysteem van de EU moet worden vergroot om zo bij te dragen aan de belangrijke energie-uniedoelstelling van een zekere, schokbestendige en concurrerende gasvoorziening; vraagt de Commissie een strategie te ontwikkelen om de EU op lange termijn minder afhankelijk te maken van gas, overeenkomstig haar verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990, en benadrukt in dit verband dat de EU veel minder afhankelijk zou worden van ingevoerde fossiele brandstoffen als energie-efficiëntie als "eerste beginsel" werd beschouwd en als subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk werden afgeschaft;

12.  herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder binnenlandse broeikasgasemissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiëntie, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd;

13.  benadrukt dat, alvorens steun wordt gegeven voor nieuwe hervergassingsterminals, eerst een zo efficiënt mogelijk gebruik van de bestaande LNG-terminals vanuit een grensoverschrijdend oogpunt moet worden bevorderd, teneinde een technologische lock-in of kapitaalvernietiging met betrekking tot infrastructuur voor fossiele brandstoffen te voorkomen en ervoor te zorgen dat de kosten van nieuwe projecten niet op rekening van de consument komen; meent dat de Commissie haar analyse van de vraag naar gas en haar beoordeling van de risico's en behoeften zorgvuldig moet herzien;

Voltooien van de ontbrekende infrastructuur

LNG-infrastructuur

14.  herinnert eraan dat de EU als geheel over voldoende hervergassingsterminals voor LNG beschikt en erkent dat, als gevolg van de zwakke binnenlandse vraag en de relatief gezien hoge prijs van LNG wereldwijd de afgelopen jaren, verschillende hervergassingsterminals voor LNG in de EU een lage benuttingsgraad hadden; onderstreept dat alle lidstaten, met name degene die afhankelijk zijn van één leverancier, direct dan wel indirect via andere lidstaten, toegang moeten hebben tot LNG;

15.  onderstreept dat er in de meeste gevallen prioriteit moet worden toegekend aan marktgerichte oplossingen en aan de benutting van de bestaande LNG-infrastructuur op regionaal niveau; constateert echter dat de oplossingen kunnen variëren naar gelang van de specifieke kenmerken op nationaal niveau en van de markt, zoals de mate van interconnectiviteit en de beschikbaarheid van opslagoplossingen en een marktstructuur;

16.  benadrukt dat er, om kapitaalvernietiging te voorkomen, alvorens over nieuwe infrastructuur wordt beslist, vanuit een regionale en ecologisch duurzame invalshoek, rekening houdend met de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU en het beginsel van geografisch evenwicht, een zorgvuldige analyse moet worden gemaakt van de alternatieven en opties voor de aanvoer van LNG, teneinde de energiezekerheid te vergroten en de meest efficiënte benutting van de bestaande infrastructuur te garanderen;

17.  benadrukt het belang van regionale samenwerking bij de aanleg van nieuwe LNG‑terminals en ‑interconnecties en onderstreept dat lidstaten met toegang tot de zee nauw dienen samen te werken met geheel door land omgeven landen om overinvestering in onnodige of economisch niet-rendabele projecten te voorkomen; benadrukt in dit opzicht dat een optimaler gebruik van de west-oost- en de noord‑zuidcorridor, met een verhoogde bidirectionele capaciteit, het aantal opties voor LNG-voorziening zou doen toenemen; is van mening dat kennis en informatie over kwesties zoals energieopslagfaciliteiten en aanbestedingsprocedures voor LNG en interconnectoren gezamenlijk zouden kunnen worden ontwikkeld; is er sterk van overtuigd dat de EU-strategie ervoor moet zorgen dat toegang tot LNG op regionaal niveau in heel Europa verzekerd is;

18.  vraagt de Commissie en de lidstaten strategieën op te stellen om faciliteiten te ondersteunen die in de toekomst gebruikt kunnen worden om de distributie en opslag van hernieuwbaar aardgas te beheren;

19.  benadrukt dat de strategie tevens het gebruik van LNG moet omvatten als alternatief voor de ontwikkeling van gasdistributie- en transmissie-infrastructuur in gebieden waar het op dit ogenblik nog niet kostenefficiënt is; merkt op dat kleine LNG-installaties de meest geschikte infrastructuur kunnen vormen voor het verhogen van het gebruik van aardgas in gebieden waar investeringen in gasinfrastructuur niet winstgevend zijn, alsook voor het verhogen van het gebruik van gas voor verwarming om zo de zogeheten huishoudelijke emissies te beperken;

20.  vraagt de Commissie en de lidstaten de centrale projecten van gemeenschappelijk belang (PGB's) volledig uit te voeren en vooral hoge prioriteit toe te kennen aan de economisch en ecologisch meest doeltreffende projecten die zijn geselecteerd door de drie regionale groepen op hoog niveau; onderstreept dat de bouw van LNG-terminals die nodig zijn voor en verenigbaar zijn met de vraag naar gas, niet voldoende is, en dat een ondersteunend leidingnet met passende tarieven nodig is opdat de voordelen ook buiten de ontvangende landen worden gevoeld;

21.  is ingenomen met het feit dat belangrijke LNG-projecten (bv. de noord-zuidcorridor) als projecten van gemeenschappelijk belang worden aangemerkt; vraagt de Commissie de Balkanlanden volledig op te nemen in de planning van de verdere aanleg van gaspijpleidingen en het TEN-E-netwerk, zodat de energiesector van de EU een sleutelrol krijgt in de regio;

22.  steunt het voorstel van de Commissie bij de aan de gang zijnde evaluatie van de verordening voorzieningszekerheid om de bestaande uitzonderingsbepalingen voor interconnectoren inzake bidirectionele gasstromen te herzien, en is het ermee eens dat het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) daarbij een grotere rol krijgt; neemt nota van de onderbezetting en het gebrek aan middelen bij ACER; benadrukt dat ACER van de nodige middelen moet worden voorzien, met name voldoende eigen personeel, zodat het agentschap zijn bij wet toegewezen taken kan uitvoeren;

Opslaginfrastructuur

23.  wijst erop dat de geologie bij de ontwikkeling van nieuwe opslaglocaties voor gas een factor van doorslaggevend belang is, en merkt op dat de gasopslaglocaties in Europa momenteel overtollige capaciteit hebben; onderstreept dat de benuttingsgraad van de bestaande gasopslaglocaties aanzienlijk zou kunnen worden verbeterd door regionale samenwerking, een voldoende aantal gasinterconnecties en het wegwerken van interne knelpunten; benadrukt dat bij de planning, de aanleg en het gebruik van de infrastructuur voor LNG-opslag de strengste milieunormen moeten worden toegepast;

24.  herinnert eraan dat de grensoverschrijdende toegankelijkheid van gasopslagfaciliteiten een van de belangrijkste instrumenten is voor de toepassing van energiesolidariteit bij gastekorten en in noodsituaties;

25.  benadrukt dat een ruimere benutting van de Oekraïense opslagcapaciteit alleen mogelijk zal zijn als een passend en stabiel commercieel en juridisch kader en de integriteit van de doorvoerinfrastructuur in Oekraïne gewaarborgd zijn, en als het juiste aantal gasinterconnecties aanwezig is zodat de energie vrijelijk over de landsgrenzen heen doorgang kan hebben, zonder fysieke barrières; benadrukt verder dat als de gasafhankelijke industriële sector in Oekraïne op korte termijn weer opleeft, extra gas zal moeten worden ingevoerd; is van mening dat de EU Oekraïne moet steunen bij de overgang van afhankelijk van Russisch aardgas naar LNG;

LNG en opslag aansluiten op de markten

26.  wijst op het belang van de werkzaamheden van regionale groepen op hoog niveau zoals CESEC (groep op hoog niveau gasconnectiviteit in Centraal- en Zuidoost-Europa), BEMIP (interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied) en de groep voor Zuidwest-Europa; is van mening dat een dergelijke regionale coördinatie op vrijwillige basis zeer doeltreffend is en is verheugd over de faciliterende rol die de Commissie hierbij speelt; benadrukt de noodzaak van een pragmatische en tijdige uitvoering van de goedgekeurde actieplannen en vraagt dat de tenuitvoerlegging van nabij wordt gevolgd;

27.  onderstreept dat het van belang is kostenefficiënte en ecologisch duurzame opties voor de energievoorziening te vinden met het oog op een grotere voorzieningszekerheid op de lange termijn op het Iberisch schiereiland en in Centraal- en Zuidoost-Europa, de Baltische staten en Ierland, die allemaal onvoldoende aangesloten zijn op en/of geïntegreerd zijn in de interne energiemarkt en de volledige steun van de EU verdienen uit hoofde van het solidariteitsbeginsel; beklemtoont ook dat de kwetsbaarste landen die nog steeds energie-eilanden zijn, zoals Cyprus en Malta, moeten worden ondersteund bij het diversifiëren van hun bronnen en aanvoerroutes; benadrukt in dit verband dat LNG en gasopslag een einde moeten helpen maken aan enigerlei energie-isolement waarmee lidstaten en regio's in de EU te kampen hebben;

28.  vraagt aandacht voor de gasproductie in het Middellandse Zee-, Zwarte Zee- en Kaspische Zeegebied en voor de aansluiting van niet aan zee grenzende landen in Centraal- en Zuidoost-Europa op deze nieuwe capaciteit teneinde de voorzieningsbronnen in die regio's te diversifiëren; merkt op dat dit concurrentie tussen gas uit verscheidene bronnen mogelijk zal maken en inhoudt dat aan de olieprijs gekoppelde overeenkomsten voor de invoer van aardgas worden vervangen, waardoor de lidstaten een sterkere onderhandelingspositie krijgen; stelt dat geen enkele energiebron ooit in de hele energiebehoefte van de EU zal kunnen voorzien, en dat diversificatie op zowel de binnen- als de buitenlandse markten dan ook van essentieel belang is; vindt dat de ontwikkeling van de in Cyprus ontdekte binnenlandse conventionele gasbronnen derhalve actief moet worden voortgezet;

29.  staat achter het voornemen van de Commissie om projectontwikkelaars meer informatie te verstrekken en meer bijstand te verlenen met betrekking tot diverse mogelijkheden voor projectfinanciering, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) en de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF), alsmede diverse technische oplossingen;

30.  merkt op dat het vinden van kostenefficiënte en ecologisch duurzame oplossingen als grondbeginsel moet gelden bij het streven naar een voor de EU en de regio's optimale toestand, en vraagt de Commissie, de lidstaten en de nationale regelgevende autoriteiten om de beperkte beschikbare middelen toe te kennen aan de ontwikkeling van kritieke infrastructuur teneinde particuliere investeringen aan te trekken ten behoeve van LNG‑infrastructuur en ‑interconnectoren;

31.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat er in 2015 7 % meer gas uit Rusland is ingevoerd dan in 2014 en dat 41 % van het gas dat in 2015 uit niet-EU-landen werd ingevoerd, afkomstig was uit Rusland; wijst erop dat, naast het verhogen van de efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie, LNG en gasopslag een cruciale rol spelen bij het verminderen van de afhankelijkheid van Russisch gas;

32.  uit zijn bezorgdheid over de voorgestelde verdubbeling van de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding en de contraproductieve gevolgen daarvan voor de energiezekerheid, de diversificatie van de leveranciers en het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten; wijst op de geopolitieke implicaties van het project en de onderliggende beginselen van een volledig geïntegreerde, zekere, concurrerende en duurzame energie-unie, en benadrukt dat het als zodanig niet mag profiteren van financiële steun van de EU of afwijkingen van het EU-recht; benadrukt dat een verdubbeling van de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding één bedrijf een dominante positie op de Europese gasmarkt zou geven, wat moet worden vermeden;

33.  is van mening dat als – in weerwil van de Europese belangen – Nord Stream 2 zou worden gebouwd, dat zou vereisen dat er een grondige evaluatie van de toegankelijkheid van de LNG-terminals wordt verricht en dat er een gedetailleerde stand van zaken van de noord-zuidgascorridor wordt opgemaakt;

Voltooiing van de interne gasmarkt: commerciële, juridische en regelgevende aspecten

Van de EU een aantrekkelijke markt voor LNG maken

34.  dringt er bij de lidstaten op aan om volledig uitvoering te geven aan het derde energiepakket en de gasnetcodes;

35.  wijst op de belangrijke rol die onderling goed verbonden knooppunten voor vloeibaar gas spelen op de gasmarkten, die garant zouden staan voor een geïntegreerde interne markt zodat het gas vrijelijk over de landsgrenzen heen doorgang kan hebben overeenkomstig de prijssignalen op de markt;

36.  benadrukt dat significante gasreserves in de Noord-Afrikaanse landen en recente ontdekkingen in het oostelijke Middellandse Zeegebied voor deze regio een gelegenheid bieden om zich op te werpen als dynamisch centrum voor het transporteren van gas naar Europa; is van mening dat nieuwe LNG-capaciteit die momenteel in het Middellandse Zeegebied wordt ontwikkeld de basis kan vormen van een infrastructuurknooppunt;

37.  stelt dat de liquiditeit van de gasmarkten sterk zou verbeteren door de voltooiing van de interne gasmarkt en het wegnemen van belemmeringen in de regelgeving; vraagt de belanghebbenden de netcode betreffende regels voor een geharmoniseerde tariefstructuur voor gastransmissies zo spoedig mogelijk te voltooien;

38.  wijst erop dat er blijvende behoefte is aan actieve samenwerking tussen overheden, nationale regelgevende autoriteiten en de belangrijkste belanghebbenden met betrekking tot grensoverschrijdende investeringen, waarbij naast de nationale belangen altijd rekening moet worden gehouden met het Europese perspectief;

Gasopslag op de interne markt

39.  wijst erop dat er in de hele EU geharmoniseerde tariefstructuren moeten worden ontwikkeld en dat de transparantie in de tariefstelling moet worden vergroot om op de bestaande gasopslaglocaties een hogere benuttingsgraad te bereiken, en is van mening dat in de netcode betreffende regels voor een geharmoniseerde tariefstructuur voor gastransmissies rekening moet worden gehouden met de noodzaak van harmonisatie;

40.  steunt het voorstel van de Commissie om toe te staan dat ook biomethaan en andere hernieuwbare gassen die aan de relevante EU-kwaliteitsnormen voldoen, in aanmerking komen voor transmissie, distributie en opslag; beveelt in dit verband aan rekening te houden met technische parameters, de gaskwaliteit, de kostenefficiëntie, schaalvoordelen en mogelijke lokale of regionale netoplossingen;

41.  vraagt de lidstaten volledig uitvoering te geven aan het derde energiepakket, in het bijzonder met betrekking tot de toegang van biomethaan tot het net en de opslagfaciliteiten; wijst in dit opzicht op Richtlijn 2009/73/EG, waarin wordt bepaald dat de lidstaten moeten waarborgen dat, rekening houdend met de nodige kwaliteitsvoorschriften, biogas en/of gas uit biomassa en andere soorten gas een niet‑discriminerende toegang tot het gasnet krijgen, op voorwaarde dat deze toegang permanent verenigbaar is met de desbetreffende technische regels en veiligheidsnormen;

42.  moedigt de exploitanten van LNG en opslagfaciliteiten aan om, in samenwerking met de nationale regelgevende autoriteiten en overeenkomstig de huidige EU-wetgeving, nieuwe flexibele producten en diensten te ontwikkelen die hervergassing en opslag van LNG aantrekkelijker maken, en om de benutting van bestaande opslaglocaties te maximaliseren;

De rol van opslag optimaliseren ten behoeve van de zekerheid van de gasvoorziening

43.  benadrukt dat gasopslag in bepaalde lidstaten onmiddellijk beschikbare, uiterst flexibele diensten biedt, en wijst erop dat opslag bij een onderbreking van de voorziening een andere rol kan spelen dan LNG, dat gekenmerkt wordt door een logistiek in de aanvoerketen die misschien niet dezelfde flexibiliteit biedt;

44.  onderstreept dat het van belang is belemmeringen in de regelgeving weg te nemen die de ontwikkeling van regionale opslagconcepten in de weg staan; is van mening dat bepaalde opslaglocaties op maat gemaakte, internationale diensten kunnen aanbieden, namelijk opslagdiensten in combinatie met grensoverschrijdend vervoer; stelt voor dat de regionale groepen op hoog niveau uitgebreider samenwerken om innovatieve oplossingen te vinden voor de vraag hoe strategisch waardevolle voorzieningen op regionaal en Europees niveau doeltreffend kunnen worden benut;

De EU als speler op de internationale LNG-markten

45.  merkt op dat er zich mondiaal een trend aftekent in de richting van uitbreiding van de liquefactiecapaciteit en dat dit mogelijk van invloed is op de Europese gasmarkten;

46.  is van mening dat de EU als belangrijke markt in opkomst kan bijdragen aan de ontwikkeling van regels voor de handel in gas om zo de flexibiliteit en de convergentie van de mondiale gasmarkten te vergroten;

47.  steunt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten in hun actieve betrokkenheid bij de energiediplomatie ter bevordering van een op regels gebaseerde, transparante en goed werkende mondiale gasmarkt;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is de afhankelijkheid van de EU van gas en olie van autoritaire regimes die de mensenrechten schenden te beperken of beëindigen, uit respect voor de fundamentele waarden van de EU en ter waarborging van de doeltreffendheid van haar externe optreden;

49.  pleit voor meer institutionele convergentie en synergie, en met name voor een betere integratie van de prioriteiten op het vlak van externe energiezekerheid in het beleid van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en voor betere coördinatie tussen de VV/HV en de bevoegde Commissieleden; vraagt de VV/HV alsmede de lidstaten om op energiegebied de bestaande samenwerking te verbeteren en nieuwe vormen van samenwerking aan te gaan met de huidige en potentiële leveranciers, alsook met de doorvoerlanden en andere belangrijke spelers; verzoekt de VV/HV in dit verband het Parlement regelmatig te informeren over de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan voor energiediplomatie;

50.  benadrukt dat alle belemmeringen voor de vrije wereldhandel in LNG moeten worden weggenomen, waarbij de productie van dit LNG duurzaam moet zijn; vraagt de beleidsmakers in de VS in dit verband voor meer investeringszekerheid te zorgen door duidelijke criteria en termijnen op te nemen in de vergunningprocedure voor de uitvoer van gas naar landen die geen partij zijn bij een vrijhandelsovereenkomst;

51.  benadrukt dat in de fora die zich bezighouden met de vrije wereldhandel het bewustzijn moet worden vergroot ten aanzien van de milieu-, klimaat- en maatschappelijke gevolgen van de invoer van LNG; onderstreept met name dat vluchtige methaanemissies moeten worden geminimaliseerd;

52.  benadrukt dat het gebruik van LNG ook kan leiden tot een vermindering van de broeikasgasemissies door maritiem en wegvervoer, op voorwaarde dat alle doeltreffende inspanningen worden geleverd om methaanslip gedurende de gehele levenscyclus van de brandstof, met inbegrip van de productie-, distributie- en verbrandingsfase, te beperken; vraagt daarom om adequate maatregelen om methaanslip in de algemene LNG-keten te beperken door de beste beschikbare technologieën en daartoe voldoende financiering voor onderzoek en ontwikkeling uit te trekken;

53.  benadrukt dat handel een belangrijke rol speelt bij de energiezekerheid en dat sterke energiepartnerschappen, geschraagd door de opname van energiehoofdstukken in de handelsovereenkomsten van de EU, onmisbare instrumenten zijn; acht het van essentieel belang dat het handelsbeleid van de EU tot een grotere energiediversificatie van de EU en de lidstaten leidt en hun afhankelijkheid van geïmporteerde energie van een te kleine groep leveranciers vermindert; benadrukt dat de EU nieuwe partnerschappen moet verkennen, de bestaande partnerschappen moet evalueren en specifieke energiegesprekken moet voeren in regio's als – maar niet uitsluitend – Centraal-Azië, Noord-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika; merkt op dat de EU een proactievere rol moet spelen in de internationale energiediplomatie; dringt aan op meer samenhang tussen het handelsbeleid en het energiebeleid van de EU; onderstreept dat de internationale onderhandelingen over LNG transparanter moeten verlopen; is van mening dat in de huidige en toekomstige onderhandelingen met partners als de VS en Australië een sterke energiecomponent aanwezig moet zijn; onderstreept dat de EU nauw met de internationale partners moet samenwerken om tot een concurrerende en transparante wereldmarkt voor LNG te komen;

54.  herinnert eraan dat de EU en de lidstaten, om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige uitdagingen en hun doelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering in de context van de wereldwijde belemmeringen op die beleidsterreinen te verwezenlijken, op basis van bestaande juridische kaders en multilaterale overeenkomsten tevens gezamenlijke maatregelen op het wereldtoneel moeten nemen door in internationale handelsfora vraagstukken met betrekking tot energiezekerheid en duurzaamheid aan de orde te stellen, ook samen met partnerlanden die op geïmporteerd gas zijn aangewezen; benadrukt dat de EU tegelijkertijd energie-efficiëntie moet ondersteunen en bevorderen;

55.  is van mening dat het bijzonder belangrijk is dat het handelsbeleid voor particuliere en overheidsbedrijven op het gebied van schone, veilige en efficiënte energietechnologie in de EU-lidstaten grote kansen creëert, met name gezien de toenemende mondiale vraag naar energie; vraagt om een aanzienlijke verlaging van de tarieven voor schone technologie in het kader van het initiatief inzake milieugoederen en ook in de vrijhandelsakkoorden van de EU, waarin de niet-tarifaire belemmeringen voor de energiehandel moeten worden aangepakt;

56.  wijst erop hoe belangrijk het hoofdstuk over energie en grondstoffen van het trans‑Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) is voor de energiezekerheid van de EU; is verheugd over het werk dat de Commissie heeft verricht om uitvoerbeperkingen voor gas uit de VS naar de EU weg te nemen;

57.  is van mening dat de uitbreiding van de LNG-markt in 2016 met 12,2 miljard m3 per jaar dankzij de Sabine Pass-terminal aan de Amerikaanse oostkust, in combinatie met wellicht nog eens 74 miljard m3 afkomstig van diverse VS-projecten voor 2020, voor Europa een belangrijke kans is om de handelsbetrekkingen met de VS op energiegebied aan te halen; gelooft dat de opties van de EU met betrekking tot de gasvoorziening aanzienlijk zullen toenemen als het werk aan het hoofdstuk over energie en grondstoffen van TTIP is afgerond;

58.  wijst erop dat Europese bedrijven zonder beperkingen en onder dezelfde voorwaarden als binnenlandse bedrijven op de energiemarkten van derde landen moeten kunnen opereren; wijst erop dat bedrijven uit derde landen die op de Europese energiemarkten opereren, aan de Europese wetgeving moeten voldoen; wijst erop dat zulke entiteiten een transparante structuur moeten hebben, zodat kan worden vastgesteld wie de aandeelhouders zijn;

59.  benadrukt dat bij planning, aanleg en gebruik van LNG evenals bij de exploitatie van binnenlandse voorraden en bronnen voor optimale milieubescherming moet worden gezorgd en dat de internationale normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk moeten worden nageleefd; onderstreept dat het besef van de milieu-, klimaat‑ en maatschappelijke gevolgen van de invoer van LNG moet worden vergroot; herinnert eraan dat plaatselijke gemeenschappen hierbij moeten worden betrokken en dat moet worden uitgegaan van een realistische beoordeling van het verbruik of – in het geval van aanleg – van de planning van nieuwe infrastructuur; onderstreept de mogelijkheden die het overstappen op LNG biedt om het vervoer over zee minder afhankelijk te maken van steenkool; verzoekt de EU financiële steun te verlenen voor Europese projecten die hierop gericht zijn;

60.  wijst erop dat deze strategie, gezien de verwachte toename van het aanbod van LNG in de komende jaren, kan worden aangevuld met een evaluatie van de behoefte aan schepen voor het vervoer van LNG en met maatregelen die de scheepsbouwsector in de EU in de gelegenheid stellen deze kans te benutten en zo bij te dragen aan de doelstelling dat de industriesector in 2020 20 % uitmaakt van het bbp; vraagt om veiligheidsnormen om toezicht te kunnen houden op het vervoer van LNG en daarvoor zo nodig strengere voorwaarden op te kunnen leggen in de context van maatregelen ter preventie van terrorisme;

Duurzaamheid en het gebruik van LNG als alternatieve brandstof in de sectoren vervoer, verwarming en elektriciteit

61.  is zich bewust van het potentieel van LNG als alternatieve brandstof, zowel in het weg‑ als in het zeevervoer; onderstreept dat een grootschaliger gebruik van LNG in het goederenvervoer zou kunnen bijdragen tot een vermindering van de mondiale uitstoot van CO2, SOx en NOx, met name door meer motoren op LNG te gebruiken in het zeevervoer;

62.  benadrukt dat het tankinfrastructuurnetwerk een noodzakelijke voorwaarde is voor een grootschalige toepassing van LNG als alternatieve brandstof in de vervoerssector; vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de volledige uitvoering van Richtlijn 2014/94/EU betreffende alternatieve brandstoffen, met inbegrip van de totstandbrenging van LNG-tankpunten langs de TEN-V-corridors en in zee- en binnenhavens ter vervanging van meer vervuilende conventionele brandstoffen; onderstreept in dit verband evenwel dat LNG niet in de plaats mag komen van hernieuwbare energiebronnen, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen inzake duurzaamheid;

63.  vraagt dat er zeeroutes worden ontwikkeld, met name langs de Azoren, die gezien hun geografische ligging als centraal LNG-tankstation voor de trans-Atlantische routes zouden kunnen dienen; verzoekt de Commissie middelen ter beschikking te stellen om Europese projecten hiertoe te ondersteunen;

64.  verzoekt de Commissie om, samen met de lidstaten en hun regio's, een gemeenschappelijk project voor "blauwe LNG-corridors voor eilanden" op te zetten voor de maritieme sector, met inbegrip van havens van het uitgebreide TEN-V-netwerk, teneinde de nodige LNG-infrastructuur uit te bouwen en dat netwerk te verbinden met het TEN-V-kernnetwerk;

65.  vraagt de lidstaten te zorgen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/94/EU wat betreft de totstandbrenging van tankpunten voor CNG, zodat motorvoertuigen op deze brandstof in steden en voorsteden en andere dichtbevolkte gebieden en ten minste langs het bestaande TEN-V-kernnetwerk kunnen rijden, zodat deze voertuigen in de gehele Unie kunnen rijden;

66.  benadrukt dat er gemeenschappelijke technische specificaties moeten worden vastgesteld voor LNG-tankpunten voor zee- en binnenschepen en motorvoertuigen, zoals bepaald in Richtlijn 2014/94/EU; pleit voor strenge, geharmoniseerde veiligheidseisen en -opleidingen voor opslag, bunkering en gebruik aan boord van LNG, waarbij ook gelijktijdige bunkering en vrachtactiviteiten mogelijk zijn; merkt op dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA);

67.  benadrukt dat er voldoende O&O-financiering moet worden uitgetrokken voor de ontwikkeling van verbeterde technologieën voor zee- en binnenschepen en motorvoertuigen, zodat snel kan worden overgestapt op een vloot met lagere koolstofemissies, en voor de ontwikkeling van onbemande systemen voor de installatie van LNG-tankpunten; vraagt de Commissie en de lidstaten stimulansen te creëren voor de ontwikkeling van vaartuigen en motorvoertuigen op LNG, of voor de aanpassing van vaartuigen en motorvoertuigen op conventionele brandstoffen zodat deze kunnen worden aangedreven door LNG;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het vervoer van LNG over het spoor te stimuleren, omdat dit het wegverkeer ontlast en bijdraagt aan het milieuvriendelijk en veilig vervoer van een schonere brandstof;

69.  vraagt de Commissie om, na overleg met de belanghebbenden, te onderzoeken of zij, vooral ter informatie van de consument, naast Verordening (EG) nr. 443/2009 tot vaststelling van emissienormen op het gebied van CO2‑emissies voor nieuwe personenauto's, een CO2-equivalent zou kunnen vaststellen voor de emissies van koolwaterstoffen;

70.  merkt op dat het gebruik van kleinschalige LNG-technologie op bepaalde gebieden, zoals vervoer over grote afstanden of geavanceerde industriële toepassingen, niet alleen zou kunnen bijdragen tot het halen van de klimaatdoelstellingen, maar ook een aanmerkelijk zakelijk voordeel zou kunnen opleveren;

71.  merkt op dat LNG, en in het bijzonder CNG, ook voor openbaar vervoer een goede oplossing is, die al beschikbaar is en kan helpen om luchtvervuiling en geluidsoverlast te beperken, hetgeen de levensomstandigheden – met name in stedelijke agglomeraties – zal verbeteren;

72.  merkt op dat LNG en CNG weliswaar goede overgangsoplossingen kunnen vormen om de milieueffecten van het vervoer te verminderen, maar dat de langetermijnvoordelen ervan slechts zullen worden verwezenlijkt indien tegelijkertijd een soepele overschakeling op het gebruik van vloeibaar biogas (LBG) en andere vormen van hernieuwbare energie wordt bevorderd door de interoperabiliteit van LNG- en LBG‑systemen te waarborgen; onderstreept verder dat de EU-strategie inzake LNG in overeenstemming moet zijn met de bredere Europese klimaat- en energiedoelen en -prioriteiten, en met de COP21-overeenkomst, door de nadruk te leggen op vermindering van de vraag, verbetering van de energie-efficiëntie en het geleidelijk afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen;

73.  onderstreept dat een efficiënt netwerk van tankinfrastructuur een randvoorwaarde is voor de grootschalige uitrol van LNG als alternatieve brandstof in de vervoersector; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom stimulansen te creëren voor de ontwikkeling van dergelijke infrastructuur, teneinde lacunes in de voorziening op te vullen en een volledig distributienetwerk te creëren;

74.  onderstreept dat LNG-infrastructuur bij zee- en binnenhavens van groot belang is om multimodaliteit te bevorderen, omdat deze infrastructuur kan worden gebruikt door zee‑ en binnenschepen en door vrachtwagens voor het verdere vervoer van de brandstof over land; vraagt de nationale en regionale exploitanten nauw samen te werken teneinde de infrastructuur multifunctioneler en beter benutbaar te maken;

75.  is van mening dat het stimuleren van het gebruik van aardgas als alternatieve brandstof voor vervoersdoeleinden een belangrijke mondiale uitdaging is, en vraagt dat in het kader van de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) werk wordt gemaakt van emissiebeperking;

o
o   o

76.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, het secretariaat van de Energiegemeenschap en de partijen bij de Energiegemeenschap.

(1) PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.

Juridische mededeling