Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2047(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0287/2016

Ingediende teksten :

A8-0287/2016

Debatten :

PV 25/10/2016 - 13
CRE 25/10/2016 - 13

Stemmingen :

PV 26/10/2016 - 6.2
CRE 26/10/2016 - 6.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0411

Aangenomen teksten
PDF 503kWORD 66k
Woensdag 26 oktober 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Algemene begroting van de Europese Unie voor 2017 - alle afdelingen
P8_TA(2016)0411A8-0287/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (11900/2016 – C8-0373/2016 – 2016/2047(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (de "MFK-verordening"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (IIA),

—  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (COM(2016)0603),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2016 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2017, afdeling III - Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017(6),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de "Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel"(7),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, goedgekeurd door de Commissie op 18 juli 2016 (COM(2016)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, vastgesteld door de Raad op 12 september 2016 en toegezonden aan het Europees Parlement op 14 september 2016 (11900/2016 – C8-0373/2016),

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0287/2016),

A.  overwegende dat in een situatie waarin de middelen beperkt zijn het des te meer geboden is om begrotingsdiscipline te betrachten en efficiënt en doeltreffend met de gelden om te gaan;

B.  overwegende dat de dialoog tussen het Parlement en de Commissie als bedoeld in artikel 318 VWEU een prestatiegerichte cultuur binnen de Commissie, waartoe ook grotere transparantie en meer verantwoordingsplicht behoren, dient te bevorderen;

Afdeling III

Algemeen overzicht

1.  benadrukt dat de begroting 2017 moet worden beschouwd in de bredere context van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK); benadrukt dat een evenwicht gevonden moet worden tussen prioriteiten op lange termijn en nieuwe uitdagingen, en onderstreept daarom dat de begroting 2017 in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen van EU-2020, die de hoofdvisie en overkoepelende prioriteit voor de begroting belichamen;

2.  herhaalt er vast van overtuigd te zijn dat, met name in de huidige context, initiatieven als de schorsing van de ESI-fondsen door de Commissie, als voorzien in artikel 23, lid 15, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen - VGB)(8), niet alleen oneerlijk en buitenproportioneel zijn, maar ook politiek onhoudbaar;

3.  benadrukt dat het Parlement in zijn lezing van de begroting 2017 ten volle aandacht besteedt aan de politieke prioriteiten die met overweldigende meerderheid zijn aangenomen in bovengenoemde resolutie van 9 maart 2016 over de algemene richtsnoeren en in zijn bovengenoemde resolutie van 6 juli 2016 over de "Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel";

4.  benadrukt dat vrede en stabiliteit kernwaarden zijn die door de Unie gehandhaafd moeten worden; is van mening dat het Goede-Vrijdagakkoord, dat van cruciaal belang is voor de vrede en de verzoening in Noord-Ierland, gehandhaafd moet blijven; benadrukt dat specifieke maatregelen genomen moeten worden om steun te waarborgen voor de regio's die het zwaarst getroffen worden in geval van een onderhandelde uittreding uit de Unie, nadat het Verenigd Koninkrijk artikel 50 VEU heeft ingeroepen, overeenkomstig de wens van zijn bevolking;

5.  benadrukt dat de Unie zich momenteel voor een aantal ernstige noodsituaties en nieuwe uitdagingen geplaatst ziet, die niet voorzien konden worden ten tijde van de voorbereidingen voor het MFK 2014-2020; is ervan overtuigd dat bijkomende financiële middelen van de begroting van de Unie ingezet moeten worden om de politieke uitdagingen aan te gaan en de Unie in staat te stellen oplossingen te bieden en op zo kort mogelijke termijn en op doeltreffende wijze te reageren op deze crises, en dat hier de hoogste prioriteit aan toegekend moet worden; is van mening dat hiertoe de politieke vastberadenheid getoond moet worden om nieuwe kredieten vast te leggen in 2017 en tot aan het einde van de programmeringsperiode;

6.  benadrukt dat de begroting 2017 moet kunnen voldoen aan de behoeften op het gebied van de migratieproblematiek en de trage economische groei, na de economische crisis; wijst erop dat er ook meer financiering moet worden toegewezen aan onderzoeks- en infrastructuurprojecten, alsmede aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid;

7.  herinnert eraan dat het Parlement onmiddellijk zijn goedkeuring heeft gehecht aan de aanvullende financiering die nodig was voor het aanpakken van de huidige vluchtelingen- en migratieproblematiek, en daarbij de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling is blijven steunen, maar er altijd op is blijven aandringen dat deze crisis geen voorrang mag krijgen boven andere belangrijke beleidsterreinen van de Unie, met name wat betreft het scheppen van fatsoenlijk en hoogwaardig werk en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap voor slimme, duurzame en inclusieve groei; wijst erop dat het plafond van rubriek 3 bij lange na niet toereikend is om te zorgen voor afdoende financiering voor de interne dimensie van de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek en benadrukt de noodzaak van het hanteren van een omvattende en op mensenrechten gebaseerde benadering, waarbij migratie wordt gekoppeld aan ontwikkeling en de integratie van arbeidsmigranten, asielzoekers en vluchtelingen, alsmede de uitvoering van prioritaire programma's, zoals culturele programma's, wordt gewaarborgd; benadrukt dat, teneinde de benodigde bijkomende financiering op dit terrein te waarborgen, de Commissie in de ontwerpbegroting 2017 (OB) een beroep deed op een ongekende hoeveelheid middelen van de speciale instrumenten van het MFK, alsmede op een aanzienlijke gebruikmaking als "uiterste redmiddel" van de marge voor onvoorziene uitgaven, hetgeen door de Raad is goedgekeurd;

8.  herhaalt zijn standpunt dat verzoeken om bijkomende financiering voor het aanpakken van de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek niet ten koste mogen gaan van de bestaande externe maatregelen van de Unie, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid; herhaalt dat het opzetten van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT), trustfondsen en andere ad-hocinstrumenten niet gefinancierd mag worden door bezuinigingen op andere bestaande instrumenten; is bezorgd over het feit dat de instelling van ad-hocinstrumenten buiten de EU-begroting een bedreiging kan vormen voor de eenheid van de begroting, en over het feit dat daarmee de begrotingsprocedure, die gekenmerkt wordt door betrokkenheid van en toezicht door het Parlement, wordt omzeild; betwijfelt ten zeerste dat het plafond van rubriek 4 (Europa als wereldspeler) toereikend is om een duurzaam en doeltreffend antwoord te bieden op de huidige externe uitdagingen, waaronder de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek;

9.  herhaalt zijn stellige mening dat de financiering van nieuwe initiatieven met middelen van de begroting van de Unie niet ten koste mag gaan van bestaande programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, en roept op tot het vinden van duurzame vormen van financiering voor nieuwe initiatieven; is bezorgd dat de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek, waarmee een bedrag van 80 miljoen EUR voor de komende drie jaar gemoeid zal zijn, in de huidige begroting van het MFK geperst zal worden; is ervan overtuigd dat, aangezien de begroting van de Unie nu reeds over te weinig middelen beschikt, ook de lidstaten voor aanvullende middelen moeten zorgen voor operaties, administratieve kosten, voorbereidende acties en proefprojecten op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; is van mening dat de lidstaten hiertoe gebruik moeten maken van de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK; benadrukt dat er duidelijkheid moet komen over de financiering op lange termijn van onderzoek op het gebied van gemeenschappelijke defensie;

10.  herinnert eraan dat de Unie het COP 21-akkoord heeft geratificeerd en een deel van haar financiële middelen moet reserveren voor de daaruit voortvloeiende internationale verplichtingen; wijst erop dat volgens de raming voor het begrotingsjaar 2017 aan dit doel 19,2 % van de begroting moet worden toegewezen; dringt er bij de Commissie met klem op aan dit doel na te streven en zelfs een doelstelling van 20 % vast te stellen, in aansluiting op de toezegging van de Commissie om klimaatmaatregelen in het huidige MFK te integreren;

11.  verzoekt de Commissie op de begroting 2017 een initiatief te presenteren om vouchers voor het openbaar vervoer aan te bieden aan jonge Europeanen die zijn uitgekozen via een prijsvraag, en dit initiatief te voorzien van toereikende kredieten; wijst erop dat een dergelijk initiatief er met name op gericht is de haalbaarheid en potentiële effecten te beoordelen van een algemenere regeling ten behoeve van met name mobiliteit van de jeugd, het bereiken van de jeugd in de EU en de bevordering van gelijke kansen;

12.  maakt alle door de Raad voorgestelde verlagingen van de OB ongedaan; begrijpt de redenen voor de voorgestelde verlagingen niet en bestrijdt het door de Raad uitgesproken voornemen om in sommige rubrieken kunstmatige marges te creëren, zoals in subrubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en banen) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), vooral gezien het feit dat dergelijke marges hoe dan ook te klein zouden zijn om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden of crises;

13.  wijst erop dat de lezing van de Raad de afgelopen vijf jaar niet bleek overeen te komen met de feitelijke uitvoering van de begroting van de Unie en dat, gezien alle gewijzigde begrotingen, aanzienlijk meer middelen nodig waren op elk van de definitieve begrotingen; roept de Raad daarom op zijn positie in het bemiddelingscomité te wijzigen om ervoor te zorgen dat er meteen vanaf het begin afdoende financiering beschikbaar is voor de begroting 2017;

14.  kondigt aan dat het Parlement, met het oog op het afdoende financieren van deze dringende behoeften, en gezien de zeer krappe marges binnen het MFK in 2017, de verhogingen van de bedragen op de OB zal financieren door alle beschikbare marges volledig te gebruiken en meer gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven;

15.  compenseert volledig alle verlagingen in verband met het Europees fonds voor strategische investeringen (EFSI) binnen de Connecting Europe Facility (CEF) en Horizon 2020 ter hoogte van 1 240 miljoen EUR aan vastleggingen voor 2017 door middel van nieuwe kredieten die bij de tussentijdse herziening van het MFK beschikbaar moeten komen; dringt aan op een doeltreffende reactie op de jeugdwerkloosheid in de Unie; verhoogt daarom de middelen voor het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (YEI) met een aanvullend bedrag van 1 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten om de voortzetting ervan mogelijk te maken; is van mening dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK gezorgd moet worden voor passende bijkomende financiering voor deze belangrijke programma's van de Unie;

16.  verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, om de Unie in staat te stellen te doen wat nodig is en doeltreffend te reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen;

17.  stelt het totale bedrag aan kredieten voor 2017 vast op 160,7 miljard EUR aan vastleggingskredieten en 136,8 miljard EUR aan betalingskredieten;

Subrubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

18.  wijst erop dat subrubriek 1a opnieuw zwaar aangepakt wordt in de lezing van de Raad, aangezien 52 % van de door de Raad gewenste verlagingen van de vastleggingen binnen deze rubriek vallen; vraagt zich daarom af hoe de politieke prioriteit van de Raad voor banen en groei in deze lezing tot uiting komt;

19.  is het zeer oneens met deze bezuinigingen in een rubriek die de Europese meerwaarde symboliseert en zorgt voor meer groei en banen voor de burgers; besluit daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken;

20.  besluit om uitvoering te geven aan zijn in juni 2015 uitgesproken voornemen om de gevolgen van het opzetten van het EFSI voor Horizon 2020 en CEF in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zo minimaal mogelijk te houden, door het oorspronkelijke EFSI-profiel van de lijnen voor Horizon 2020 en CEF die zijn verlaagd om middelen te leveren voor het EFSI-garantiefonds volledig te herstellen tot het eerdere niveau; benadrukt het belang van het grootste programma van de Unie voor onderzoek en innovatie, Horizon 2020, dat goede ideeën vertaalt in producten en diensten en daarmee zorgt voor groei en banen; vraagt om de benodigde aanvullende vastleggingskredieten van 1,24 miljard EUR boven de OB; verwacht dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK een algemeen akkoord bereikt zal worden over dit spoedeisende onderwerp; wijst erop dat EFSI moet worden verbeterd met het oog op een zo hoog mogelijke efficiëntie en doeltreffendheid, door te waarborgen dat het additionaliteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, door de geografische en sectorale onevenwichtigheden te verminderen en door de transparantie bij de besluitvorming te verbeteren;

21.  besluit om in overeenstemming met zijn vaste prioriteiten banen en groei, en na zorgvuldige beoordeling van de absorptiecapaciteit, een aantal selecte verhogingen boven het niveau van de OB voor stellen voor de programma's COSME, Progress, Marie Curie, de Europese Onderzoeksraad, EURES en Erasmus+; wijst erop dat deze verhogingen gefinancierd kunnen worden uit de beschikbare marge van deze subrubriek;

22.  verhoogt derhalve het niveau van de vastleggingskredieten voor subrubriek 1a boven de OB met 45 miljoen EUR (uitgezonderd het EFSI, proefprojecten en voorbereidende acties);

Subrubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

23.  benadrukt dat ongeveer een derde van de jaarlijkse begroting van de Unie gericht is op economische, sociale en territoriale samenhang; onderstreept dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid en een hulpmiddel van de Unie is om de ongelijkheden tussen de regio's van de Unie terug te dringen, en dat het een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

24.  is het niet eens met de verlagingen die de Raad voorstelt van 3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en, erger nog, 199 miljoen EUR aan betalingskredieten voor rubriek 1b, met inbegrip van ondersteunende lijnen; roept de Raad op uit te leggen hoe deze verlagingen in overeenstemming zijn met de doelstelling van het leveren van "de nodige kredieten om een vlotte uitvoering van de nieuwe programma's in het vierde jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020 mogelijk te maken"; herinnert eraan dat het niveau van de betalingen als voorgesteld door de Commissie voor deze rubriek reeds 23,5 % lager is dan op de begroting 2016; benadrukt dan ook dat bijkomende verlagingen van de betalingen niet kunnen worden gerechtvaardigd of aanvaard;

25.  roept op tot een evaluatie van de effecten van het Uniebeleid op basis van effectbeoordelingsverslagen om vast te stellen tot op welke hoogte het heeft bijgedragen aan onder meer het verminderen van economische verschillen, de ontwikkeling van concurrerende en gediversifieerde regionale economieën en het stimuleren van duurzame groei en banen;

26.  is verontrust over de aanzienlijke vertragingen bij de tenuitvoerleggingscyclus van het ESIF, wat waarschijnlijk uiterst nadelige gevolgen zal hebben voor de tijdige verwezenlijking van resultaten ter plaatse, maar ook dreigt te leiden tot het opnieuw ontstaan van een achterstand aan onbetaalde rekeningen in de tweede helft van het huidige MFK; dringt er bij de betreffende lidstaten op aan de resterende beheers-, betalings- en certificeringsinstanties onverwijld aan te wijzen en alle andere oorzaken van de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de programma's aan te pakken; wijst op de voorstellen van de Commissie voor verdere vereenvoudiging op dit terrein en is van mening dat de lidstaten zo snel mogelijk alles in het werk moeten stellen om te waarborgen dat de programma's op kruissnelheid kunnen komen; roept derhalve op tot meer synergieën en complementariteit tussen het beleid inzake overheidsinvesteringen van de begrotingen van de lidstaten en van de Unie, en de maatregelen gericht op het bevorderen van groei en duurzame werkgelegenheid, hetgeen de hoeksteen vormt van de Unie;

27.  neemt kennis van het Commissievoorstel tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen met een totaalbedrag van 142 800 000 EUR, en benadrukt dat deze financiering moet worden toegekend met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang;

28.  betreurt dat de Commissie in 2017 geen vastleggingskredieten voor het YEI heeft voorgesteld als gevolg van de vervroegde financiering ervan in 2014-2015; herhaalt groot voorstander te zijn van voortzetting van het YEI; besluit als eerste stap en in overeenstemming met de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds(9), dat voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke verlenging, om de kredieten voor het YEI te verhogen met 1 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 500 miljoen EUR aan betalingskredieten, om een passend antwoord te bieden op de jeugdwerkloosheid, daarbij aansluitend bij de resultaten van de evaluatie door de Commissie van de tenuitvoerlegging van het YEI; wijst erop dat, overeenkomstig de verzoeken van het Parlement, een algemeen akkoord over toereikende bijkomende financiering van het YEI voor de resterende duur van deze programmeringsperiode bereikt moet worden in het kader van de komende tussentijdse herziening van het MFK; dringt er bij de lidstaten op aan hun uiterste best te doen om vaart te zetten achter de uitvoering ter plaatse van het initiatief zodat jonge Europeanen hier meteen voordeel bij hebben;

29.  besluit de verlagingen door de Raad van de vastleggingen en de betalingen van begrotingslijnen op de OB ongedaan te maken; verhoogt in subrubriek 1b de vastleggingskredieten met 1 500 miljoen EUR en de betalingskredieten met 500 miljoen EUR boven de OB voor het YEI, en met 4 miljoen EUR aan vastleggingen en 2 miljoen EUR aan betalingen voor het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, waarmee het huidige maximum voor de vastleggingen wordt overschreden met 1,57 miljard EUR;

30.  benadrukt dat subrubriek 1b het grootste deel bevat van de huidige uitstaande verplichtingen (RAL), die begin september 2016 neerkwamen op 151 119 miljoen EUR, hetgeen de uitvoering van nieuwe programma's in gevaar brengt;

31.  benadrukt de belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid met betrekking tot de effectieve toepassing van genderbewust budgetteren; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan maatregelen om passende instrumenten vast te stellen om gendergelijkheid te verwezenlijken, zoals stimulerende structuren die de structuurfondsen gebruiken om genderbewust budgetteren op nationaal niveau te bevorderen;

Rubriek 2 – Duurzame groei: Natuurlijke hulpbronnen

32.  wijst erop dat de Raad de kredieten voor rubriek 2 heeft verlaagd met ‑179,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en ‑198 miljoen EUR aan betalingskredieten, voor administratieve bijstand, operationele technische bijstand (zoals het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het LIFE-programma), operationele lijnen uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), dat van wezenlijk belang is voor het behoud van de landbouw in levensvatbare gebieden, en gedecentraliseerde agentschappen; wijst erop dat de zwaarste bezuinigingen ten laste komen van plattelandsontwikkeling; is van mening dat de nota van wijzigingen de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de ELGF-kredieten; neemt daarom opnieuw de bedragen van de OB op;

33.  is van mening dat in de EU-begroting prioriteit moet worden gegeven aan initiatieven die voor een daadwerkelijke vergroening van de economie zorgen;

34.  kijkt uit naar de presentatie van de nota van wijzigingen voor het pakket voor noodhulp, met name voor de zuivelsector, en spreekt zijn krachtige steun uit voor de landbouwsector in de Unie; verhoogt daarom de kredieten met 600 miljoen EUR boven de OB, teneinde de gevolgen van de crisis in de zuivelsector en van het Russische embargo voor de melksector op te vangen;

35.  is ingenomen met de toewijzingen uit hoofde van Horizon 2020 voor onderzoek en innovatie in verband met landbouw, om een toereikende voorziening te garanderen van veilige en kwalitatief hoogwaardige levensmiddelen en andere producten op biologische basis; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan projecten die zich richten op primaire producenten;

36.  herhaalt zijn standpunt dat de kredieten van het GLB niet gebruikt mogen worden ter ondersteuning van het fokken van stieren die worden gebruikt voor dodelijke stierengevechten; dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk de nodige wetswijzigingen voor te stellen om aan deze wens tegemoet te komen, die reeds is geformuleerd op de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

37.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid een geheel nieuwe vorm van visserijbeheer inhoudt, zowel voor de lidstaten als voor de vissers, en herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in eerdere begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden;

38.  verwelkomt de verhoging van 30,9 miljoen EUR aan vastleggingen op de OB voor het LIFE-programma, maar betreurt tegen deze achtergrond dat ook dit jaar het LIFE-programma met een totaalbedrag van 493,7 miljoen EUR slechts 0,3 % van de gehele OB uitmaakt;

39.  wijst met name op de eerdere problemen als gevolg van het gebrek aan betalingskredieten voor het LIFE-programma, waardoor de juiste uitvoering van dit programma werd belemmerd en vertraagd;

40.  besluit om, in overeenstemming met zijn EU-2020-doelstellingen en zijn internationale verplichtingen inzake de aanpak van de klimaatverandering, een verhoging voor het LIFE+-programma voor te stellen tot boven het niveau van de OB;

41.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 619,8 miljoen EUR en de betalingskredieten met 611,3 miljoen EUR (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties), waarbij er een marge van 19,4 miljoen EUR blijft onder het maximum voor de vastleggingen in rubriek 2;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

42.  benadrukt dat het Parlement de huidige migratieproblematiek als belangrijkste agendapunt handhaaft; verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een bijkomend bedrag van 1,8 miljard EUR bovenop het bedrag dat oorspronkelijk voor 2017 was geprogrammeerd om de migratieproblematiek in de Unie aan te pakken; is van mening dat deze grote afwijking van de oorspronkelijke programmering erop wijst dat een verhoging van de maxima van rubriek 3 vereist is; benadrukt dat de Commissie voorstelt deze verhoging grotendeels te financieren door gebruik te maken van het flexibiliteitsinstrument (voor 530 miljoen EUR, waarmee de voor dit jaar beschikbare financiering volledig is gebruikt) en de marge voor onvoorziene uitgaven (voor 1 160 miljoen EUR); verzoekt geen verdere verhogingen van middelen voor beleid in verband met migratie, gezien het ongekende niveau van financiering voor met migratie verband houdende maatregelen (in totaal 5,2 miljard EUR in 2017 in de rubrieken 3 en 4 en in de vorm van gebruikmaking van het Europees Ontwikkelingsfonds) en de voorliggende voorstellen voor het toepassen van flexibiliteit; wil tegelijkertijd weerstand bieden tegen pogingen om de financiering voor acties van de Unie op dit terrein te verlagen;

43.  herhaalt dat de flexibiliteit van de begroting beperkt is en slechts een oplossing op korte termijn kan zijn; is ervan overtuigd dat een verhoging van het plafond van rubriek 3 een toekomstgericht en moedig antwoord vormt op deze langdurige vluchtelingen- en migratieproblematiek, die het gehele continent raakt en voorlopig niet lijkt af te zwakken; is van mening dat alle recente begrotingsbeslissingen om te zorgen voor nieuwe kredieten op dit terrein feitelijk laten zien dat het maximum hiervoor herzien moet worden;

44.  verwelkomt de verhoging van de financiering voor AMIF (1,6 miljard EUR) en ISF (0,7 miljard EUR), gezien de huidige veiligheids- en migratieproblematiek; is van mening dat de verhoging voor AMIF het des te noodzakelijker maakt om te zorgen voor een eerlijke en transparante verdeling van jaarlijkse financiële middelen tussen de verschillende programma's en doelstellingen van de fondsen, en voor meer duidelijkheid over de wijze waarop deze middelen besteed zullen worden;

45.  wijst erop dat op 15 maart 2016 een nieuw instrument voor noodhulp binnen de Unie is goedgekeurd, met een indicatief bedrag van 700 miljoen EUR voor drie jaar (2016-2018), dat reeds tot snelle resultaten ter plaatse heeft geleid in de vorm van noodhulpmaatregelen naar aanleiding van de humanitaire behoeften van een groot aantal vluchtelingen en migranten die in de lidstaten aankomen; herhaalt echter zijn standpunt dat er in de toekomst moet worden gezorgd voor een duurzamer juridisch en budgettair kader, zodat er humanitaire steun binnen de Unie beschikbaar kan worden gesteld; dringt aan op het houden van een geregelde dialoog met de Commissie over de werking en financiering, nu en in de toekomst, van dit instrument, op basis van volledige transparantie van informatie en effectbeoordelingsverslagen;

46.  verzoekt om aanvullende financiering voor extra personeel voor Europol, met het oog op de verhoogde dreigingsniveaus in verschillende lidstaten en de gelijktijdige uitdagingen van migratiebeheer en de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit, met als doel de oprichting van een 24 uur per dag actieve cel voor terrorismebestrijding, die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voorziet van inlichtingen; is van mening dat deze verhoging ook moet dienen ter verbetering van de bestrijding van mensensmokkel, met speciale aandacht voor onbegeleide minderjarigen en de bestrijding van cybercriminaliteit (extra personeel voor het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3)), alsmede ter uitbreiding van het personeel in de Italiaanse en Griekse hotspots; herinnert eraan dat Europol momenteel beschikt over slechts drie personeelsleden voor acht vaste en bijkomende niet-vaste hotspots, alleen al in Italië; acht dit aantal te laag om Europol in staat te stellen zijn taken te vervullen op het gebied van de bestrijding van mensensmokkel, terrorisme en andere ernstige grensoverschrijdende criminaliteit;

47.  verwelkomt de invoering van een nieuwe begrotingslijn voor de levering van financiering voor de slachtoffers van terrorisme; steunt de beschikbaarstelling van middelen om tegemoet te komen aan de vele behoeften van slachtoffers, waaronder medische behandeling, psychosociale hulp en financiële steun; is van mening dat bij maatregelen die worden voorgesteld in verband met de terroristische dreiging de behoeften van onschuldige slachtoffers van terrorisme al te vaak vergeten worden of secundair worden geacht;

48.  veroordeelt de verlagingen door de Raad ter hoogte van in totaal 24,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten van een groot aantal programma's op het gebied van cultuur, media, burgerschap, grondrechten en volksgezondheid; beschouwt het als een veeg teken dat de Raad de cultuurprogramma's wil verlagen om middelen vrij te maken voor de huidige vluchtelingen- en migratieproblematiek; betreurt dat veel van deze verlagingen op willekeurige wijze lijken te zijn toegepast, waarbij geen rekening wordt gehouden met uitstekende uitvoeringspercentages; is van mening dat ook kleine verlagingen al een bedreiging vormen voor de resultaten van programma's en de vlotte tenuitvoerlegging van acties van de Unie; maakt daarom alle verlagingen van de bedragen op de OB ongedaan;

49.  dringt aan op een verhoging van de financiering voor een aantal acties in het kader van de programma's Creatief Europa en Europa voor de burger waar reeds lange tijd te weinig middelen aan zijn toegewezen; is ervan overtuigd dat deze programma's van groter belang zijn dan ooit, zowel wat betreft het stimuleren van de bijdrage van de culturele en creatieve sectoren aan werkgelegenheid en groei als wat betreft het aanmoedigen van de actieve participatie van burgers aan de beleidsvorming en -uitvoering van de Unie; begrijpt niet hoe de Raad het kan rechtvaardigen de financiering voor kmo's in de culturele en creatieve sectoren te willen verlagen, aangezien de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector, waarvoor reeds middelen waren gereserveerd, in juni 2016 van start is gegaan en een uitstekend voorbeeld vormt van een innovatieve oplossing voor een geval van ernstig marktfalen, door capaciteit op te bouwen en bescherming tegen kredietrisico's te bieden voor financiële tussenpersonen die leningen verstrekken in de culturele en creatieve sectoren;

50.  onderstreept dat de programma's van de Unie op het gebied van cultuur, onderwijs, jongeren en burgerschap een duidelijke Europese meerwaarde bieden en synergieën tot stand brengen met het integratiebeleid voor migranten en vluchtelingen; verzoekt de instellingen van de Unie dan ook te zorgen voor een passende verhoging van de middelen voor rechtstreeks beheerde programma's, zoals Creatief Europa, alsook voor de relevante begrotingslijnen met betrekking tot de structuur- en investeringsfondsen;

51.  merkt op dat moet worden voorzien in de nodige begrotingsgaranties voor de voorbereidende activiteiten voor het Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018);

52.  herinnert eraan dat het EU-mechanisme voor civiele bescherming een van de hoekstenen vormt van de solidariteit in de Unie; benadrukt dat de Unie een "faciliterende rol" speelt om maatregelen van de lidstaten ter voorkoming van, paraatheid voor en respons op rampen te steunen, te coördineren of aan te vullen; neemt kennis van de kleine stijging van de vastleggingen voor dit programma;

53.  verwelkomt de invoering van een begrotingslijn voor het EU-fonds voor opsporing en redding, dat dient voor de uitvoering van opsporings- en reddingsacties door de lidstaten, gecoördineerd op Unieniveau, met name op de Middellandse Zee; is van mening dat het opzetten van een specifiek fonds een betere oplossing biedt dan het voortdurend verhogen van de middelen voor Frontex of de onlangs opgerichte Europese grens- en kustwacht;

54.  verwelkomt de invoering van een begrotingslijn ter ondersteuning van het Europees burgerinitiatief (EBI), een nieuw instrument om burgers te betrekken bij het besluitvormingsproces van de Unie en de Europese democratie te verdiepen; is van mening dat het in de OB voorgestelde niveau van vastleggingskredieten te laag is; besluit deze begrotingslijn te verhogen;

55.  is ingenomen met de verhoging van de middelen voor communicatie door de vertegenwoordigingen van de Commissie, burgerdialogen en partnerschapsacties met kredieten voor 2017 ten bedrage van 17,036 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 14,6 miljoen EUR aan betalingskredieten, aangezien het initiatieven betreft die erop gericht zijn de Europese burgers te bereiken, hun vertrouwen te winnen en hun inzicht in de politiek en het beleid van de Unie te vergroten;

56.  benadrukt dat het gezamenlijke secretariaat van het transparantieregister moet worden voorzien van voldoende en passende administratieve en financiële middelen om zijn taken uit te voeren, na de goedkeuring van het nieuwe interinstitutionele akkoord over het transparantieregister;

57.  wijst erop dat het in zijn lezing (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties) het maximum van rubriek 3 overschrijdt met 71,28 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, en de betalingskredieten met 1 857,7 miljoen EUR verhoogt; stelt voor om deze verhogingen onder het maximum te financieren, gezien het ontbreken van een marge in de OB, en tegelijkertijd gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven voor een aantal essentiële kostenposten in verband met migratie;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

58.  wijst erop dat de externe acties van de Unie tegen de achtergrond van de aanhoudende vluchtelingen- en migratieproblematiek te maken hebben met een voortdurend toenemende behoefte aan financiering, die de huidige omvang van rubriek 4 verre te boven gaat; vraagt zich daarom ernstig af of de maxima van rubriek 4 toereikend zijn om te zorgen voor afdoende financiering voor de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis; betreurt dat de Commissie met het oog op het financieren van nieuwe initiatieven als het Fonds voor vluchtelingen in Turkije (FRT) er in haar OB voor heeft gekozen te bezuinigen op andere programma's als het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Instrument voor vrede en stabiliteit (IcSP); benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van beleid op andere terreinen; besluit daarom de verschuiving van een aanzienlijke hoeveelheid financiële middelen van deze twee instrumenten die onder meer de achterliggende oorzaken van migratiestromen aanpakken voor een groot deel te beperken; herinnert eraan dat de bestrijding van armoede de hoofddoelstelling van het ontwikkelingsbeleid van de Unie moet blijven; betreurt dat kredieten voor humanitaire hulp en voor het mediterrane gedeelte van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) lager zijn dan die op de begroting 2016, ondanks het evidente belang ervan voor het aanpakken van het grote aantal externe uitdagingen; betreurt de ongerechtvaardigde verlagingen door de Raad;

59.  besluit daarom alle door de Raad voorgestelde verlagingen van rubriek 4 ongedaan te maken; besluit tevens de bedragen van 2016 te herstellen voor de mediterrane lijnen van het ENI en voor humanitaire hulp; besluit verder de verlagingen die de Commissie voorstelt van het DCI en het IcSP te beperken; acht het van essentieel belang de sleutelrol van de Unie en de financiële steun in het kader van de ondersteuning van het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA, alsmede voor de lijnen voor het oostelijk partnerschap van het ENI te handhaven; benadrukt het belang van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR);

60.  besluit tot verhoging van de macrofinanciële bijstand die aanzienlijk is verlaagd ten opzichte van 2016; is van mening dat een hoger financieringsniveau dan voorgesteld nodig zal zijn om te waarborgen dat alle toekomstige leningaanvragen kunnen worden ingewilligd;

61.  spreekt zijn volledige steun uit voor het FRT en stelt voor om een deel van de bijdrage van de Unie die gepland is voor 2017 reeds te financieren in 2016, gezien het goede uitvoeringspercentage en de ruime marges die nog beschikbaar zijn op de begroting 2016; roept daarom op tot een verhoging van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) met 400 miljoen EUR door middel van een gewijzigde begroting voor 2016, en daartoe gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven; plaatst hetzelfde bedrag in de reserve op de begroting 2017, in afwachting van een omvattend akkoord over alternatieve financiering voor het FRT, waarmee de ongekende druk op andere externe financieringsinstrumenten moet worden verlicht;

62.  wijst er met bezorgdheid op dat, ondanks hun actualiteit en aanzienlijke omvang, de trustfondsen van de EU en het FRT nagenoeg onzichtbaar zijn op de begroting van de Unie; roept op tot het integreren van deze instrumenten op een wijze die transparanter is en beter recht doet aan de eenheid van de begroting van de Unie en aan de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit, en voert hiertoe nieuwe begrotingslijnen in; roept de Commissie tevens op aan te tonen dat het gebruik van financiële instrumenten in het kader van de trustfondsen er niet toe leidt dat kredieten voor andere doelstellingen worden gebruikt dan waren vastgesteld overeenkomstig hun oorspronkelijke rechtsgrondslagen; wijst erop dat het streven naar het genereren van nationale bijdragen ter aanvulling van de begroting van de Unie tot nu toe jammerlijk is mislukt; benadrukt daarom dat bij toekomstige verzoeken om een bijdrage van de begroting van de Unie aan de trustfondsen het Parlement alleen zal toestemmen indien een vergelijkbaar bedrag is geleverd in de vorm van bijdragen van de lidstaten; verzoekt de lidstaten daarom hun toezeggingen zo snel mogelijk gestand te doen;

63.  wijst erop dat voor het garantiefonds voor externe acties, dat wanbetalingen dekt in verband met leningen en leninggaranties aan derde landen of in verband met projecten in derde landen, volgens het verslag van de Commissie betreffende door de algemene begroting gedekte garanties (COM(2016)0576), aanvullende financiële middelen nodig zijn om het streefbedrag te bereiken, om welke reden een voorziening van 228,04 miljoen EUR in de OB is opgenomen; is bezorgd dat deze vereisten extra druk opleveren op de toch al zeer krappe maxima in rubriek 4;

64.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie in verband met het nieuwe kader voor nieuwe migratiepartnerschappen en het extern investeringsplan; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het creëren van mogelijke nieuwe "satellieten" buiten de Uniebegroting; wijst er nogmaals op dat behoud van volledige parlementaire controle op de Uniebegroting van essentieel belang is; dringt met klem aan op eerbiediging van het beginsel van eenheid van de begroting; staat op het standpunt dat de financiering van de nieuwe prioriteit niet ten koste mag gaan van bestaande projecten van de Unie; is van mening dat gebruik gemaakt moet worden van aanvullende flexibiliteit ter verwezenlijking van een ambitieus kader voor het bevorderen van investeringen in Afrika en het nabuurschap van de EU, in de vorm van afdoende, nieuwe kredieten;

65.  herhaalt zijn verzoek om de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU op een begrotingsneutrale manier over te dragen van de GBVB-begroting naar de administratieve begroting van de EDEO om de diplomatieke activiteiten van de Unie verder te consolideren;

66.  verhoogt met het oog hierop het niveau van de vastleggingskredieten voor rubriek 4 boven de OB met 499,67 miljoen EUR en van de betalingskredieten met 493,2 miljoen EUR (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties en met inbegrip van de verplaatsing van de speciale vertegenwoordigers van de EU naar de begroting van de EDEO);

67.  acht het noodzakelijk de kredieten op de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen (+ 3 miljoen EUR) om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité vermiste personen op Cyprus en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

68.  acht de door de Raad voorgestelde verlagingen ongerechtvaardigd en schadelijk en herstelt de bedragen van de OB voor alle administratieve uitgaven van de Commissie, met inbegrip van administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek in de rubrieken 1 tot en met 4;

69.  besluit, in het licht van recente onthullingen en teneinde het vertrouwen van de burgers van de Unie te herwinnen en de geloofwaardigheid van de instellingen van de Unie te herstellen, 20 % van de kredieten van de tijdelijke vergoedingen voor voormalige leden van de Commissie in de reserve te plaatsen totdat de Commissie een strengere gedragscode voor commissarissen heeft vastgesteld om belangenconflicten en draaideurconstructies te voorkomen;

70.  is van mening dat interinstitutionele administratieve samenwerking kan zorgen voor efficiëntie, door kennis, capaciteiten en hulpbronnen van een instelling beschikbaar te stellen aan de andere instellingen; vraagt daarom een systeem in te voeren om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, de kwaliteit van de dienstverlening op een aanvaardbaar niveau te houden, de belangrijkste verantwoordelijke instelling te voorzien van de nodige begrotingsmiddelen en de samenwerking van de andere instellingen te stimuleren door hun aandeel in de marginale kosten van de operatie te beperken, en aldus besluiten voor een goed financieel beheer op het niveau van de instellingen te doen aansluiten bij het algemeen goed beheer van de begroting;

Agentschappen

71.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de aanvankelijk gevraagde kredieten van de meeste agentschappen reeds aanzienlijk heeft verlaagd; is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar zou brengen en hen zou beletten de taken uit te voeren die hun zijn toebedeeld;

72.  verwelkomt de toekenning van meer middelen aan doeltreffende JBZ-agentschappen, met name de agentschappen die werkzaam zijn op het gebied van migratie en veiligheid; benadrukt dat deze agentschappen bij een uitbreiding van hun mandaat moeten kunnen beschikken over voldoende middelen (onder meer voor investeringen in nieuwe technologieën) en personeel;

73.  is van mening dat, gezien de huidige uitdagingen op het gebied van veiligheid en met het oog op de noodzaak van een gecoördineerd Europees optreden, sommige van deze verhogingen ontoereikend zijn en besluit om een verhoging door te voeren van de kredieten voor de Europese Politiedienst (Europol), de Europese eenheid voor justitiële samenwerking, het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen (eu-LISA) en het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

74.  benadrukt specifiek dat er afdoende menselijke en materiële hulpbronnen moeten worden toegewezen aan het recent opgerichte Europees Centrum voor terrorismebestrijding, EC3 en IRU, onder meer in verband met gezamenlijke operationele planning en dreigingsevaluatie, om te zorgen voor een versterkte gecoördineerde aanpak tussen de lidstaten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, cybercriminaliteit en internetcriminaliteit, terrorisme en andere zware criminaliteit; vraagt om bijkomende middelen voor gezamenlijke onderzoeksteams;

75.  herinnert aan de geplande verbetering en interoperabiliteit van de verschillende JBZ-informatiesystemen, als aangekondigd door de Commissie in haar mededeling van 6 april 2016 over het toekomstig kader voor krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid; dringt erop aan ruimte te creëren voor afdoende middelen om deze technische oplossingen snel en efficiënt te kunnen invoeren;

76.  verwelkomt de opname op de begroting 2017 van afdoende middelen ter ondersteuning van de omvorming op lange termijn van Frontex in een Europees grens- en kustwachtagentschap en de omvorming van EASO in een volwaardig asielagentschap; benadrukt dat de middelen voor het Europese grens- en kustwachtagentschap op dit moment weliswaar toereikend lijken, maar dat zorgvuldig in de gaten gehouden moet worden hoe de behoeften van het agentschap wat betreft operationele middelen en personeel zich ontwikkelen, zodat het agentschap ook in de toekomst naar behoren kan functioneren;

77.  besluit daarnaast om de kredieten voor het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) te verhogen ten opzichte van 2016, gezien de verslechterende humanitaire situatie in het zuidelijke nabuurschap van Europa, het toegenomen aantal asielzoekers en vooral gezien het voornemen om het mandaat van het bureau verder uit te breiden dan de Commissie voorstelt;

78.  herhaalt niet te kunnen instemmen met de benadering van de Commissie en de Raad voor het personeel van de agentschappen en wijzigt daarom een aanzienlijk aantal organigrammen; benadrukt eens te meer dat elk agentschap 5 % van de posten, gespreid over 5 jaar, moet schrappen zoals overeengekomen in het IIA, maar dat de nieuwe posten die nodig zijn om extra taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en de nieuwe regelgeving sinds 2013, gepaard moeten gaan met bijkomende middelen en moeten worden geteld buiten de doelstelling van het IIA om het personeelsbestand te verminderen; benadrukt daarom dat het gekant is tegen het concept van een herschikkingspool tussen de agentschappen, maar bevestigt bereid te zijn posten vrij te maken door te komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via fusies, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap;

79.  benadrukt dat aanzienlijke bezuinigingen op operationeel en personeelsgebied verwezenlijkt kunnen worden indien agentschappen die vanuit meer locaties werken (ENISA, eu-LISA, ERA) slechts één vestigingsplaats krijgen; is van mening dat de huidige operationele behoeften van die agentschappen het uitvoeren van dergelijke wijzigingen wenselijk maken; benadrukt dat het verhuizen van de Europese Bankautoriteit (EBA) vanuit Londen en het fuseren daarvan met in ieder geval één van de twee andere toezichthoudende autoriteiten kan leiden tot aanzienlijke kostenbesparingen bij de twee agentschappen; verzoekt de Commissie een voorstel ter zake te formuleren;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

80.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van de mate van succes van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn en de maxima voor PP's en VA's;

Speciale instrumenten

81.  herinnert aan het belang van de reserve voor noodhulp (EAR) om snel te kunnen reageren op specifieke behoeften aan hulp voor derde landen bij onvoorziene gebeurtenissen, en wijst op zijn eerdere verzoek om een aanzienlijke verhoging van het hiervoor beschikbare bedrag, als onderdeel van de herziening van het MFK; wijst erop dat de zeer snelle benutting van de hulp in 2016, die waarschijnlijk geen mogelijkheid van kredietoverdracht zal overlaten, aangeeft dat dit speciale instrument ontoereikend zal zijn om alle bijkomende behoeften in 2017 te dekken; verhoogt daarom de kredieten tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR, in afwachting van een besluit over de jaarlijkse toewijzing aan de EAR, dat genomen moet worden in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK;

82.  herstelt de OB wat betreft de reserves voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Solidariteitsfonds van de Europese Unie om de beschikbaarstelling van middelen uit deze speciale instrumenten gemakkelijker te maken;

Betalingen

83.  is bezorgd over de significante verlaging van de betalingskredieten op de OB ten opzichte van de begroting 2016; is van mening dat dit wijst op vertragingen bij de tenuitvoerlegging die niet alleen zorgwekkend zijn voor de uitvoering van het Uniebeleid maar ook dreigen te leiden tot het opbouwen van een achterstand van onbetaalde rekeningen aan het einde van de huidige programmeringsperiode; is van mening dat deze kwestie in het kader van de herziening van het MFK moet worden opgelost; betreurt verder de verlaging door de Raad van de betalingen, ondanks de ruime marges die beschikbaar zijn onder de maxima;

84.  beklemtoont dat op verzoek van het Parlement een betalingsplan is overeengekomen om de achterstand bij de nog niet betaalde aan het cohesiebeleid gerelateerde betalingsclaims voor de periode 2007-2013 tegen het eind van 2016 te reduceren tot een "normaal" niveau van 2 miljard EUR; wijst erop dat eind 2015 voor de periode 2007-2013 een bedrag van ten minste 8,2 miljard EUR aan nog niet betaalde rekeningen met betrekking tot het cohesiebeleid is vastgesteld, maar dat het in de bedoeling ligt dit bedrag tegen het eind van 2016 terug te brengen tot minder dan 2 miljard EUR; is van oordeel dat de drie instellingen voor de periode 2016-2020 een bindend gemeenschappelijk betalingsplan zouden moeten opstellen; dringt erop aan dat een dergelijk nieuw betalingsplan gebaseerd moet zijn op goed financieel beheer en een duidelijke strategie moet bieden om te voldoen aan alle betalingsbehoeften in alle rubrieken tot het einde van het huidige MFK, en een "verborgen achterstand" moet voorkomen die wordt veroorzaakt door een kunstmatige vertraging van de uitvoering van bepaalde meerjarige programma's en andere beperkende maatregelen zoals de vermindering van voorfinancieringspercentages;

85.  besluit de betalingen van de OB te herstellen voor alle lijnen die de Raad heeft verlaagd en verhoogt de betalingskredieten op alle lijnen waarvan de vastleggingskredieten zijn gewijzigd;

Prestatiegebaseerd begroten

86.  herinnert aan zijn resolutie van 3 juli 2013 over het geïntegreerd internecontrolekader(10) waarin het Parlement te kennen gaf de opvatting van de Rekenkamer te delen dat het niet zinvol is prestaties te willen meten zonder eerst de begroting op basis van prestatie-indicatoren te hebben opgesteld(11), en om een prestatiegebaseerd begrotingsmodel vroeg waarbij elke begrotingslijn vergezeld gaat van aan prestatie-indicatoren te meten doelstellingen en resultaten;

87.  verwelkomt de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven die bij de OB zijn gevoegd, waarmee voor een deel tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van het Parlement omtrent doelstellingen, resultaten en indicatoren; merkt op dat deze verklaringen de gebruikelijke methode van activiteitsgestuurd begroten met enkele prestatiegegevens aanvullen;

88.  benadrukt dat het voor de vereenvoudiging van de interne beheersinstrumenten bij de Commissie nodig is dat de directeuren-generaal bij de Commissie bij de vaststelling van hun beheersplannen en hun jaarlijkse werkverslagen vasthouden aan de politieke doelstellingen en indicatoren zoals in de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven vermeld, en dat de Commissie haar evaluatieverslag bedoeld in artikel 318 VWEU hierop baseert;

Overige afdelingen

Afdeling I - Europees Parlement

89.  laat het totale niveau van zijn begroting voor 2017, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering op 14 april 2016, ongewijzigd op 1 900 873 000 EUR; voert begrotingsneutrale technische aanpassingen door om zijn recente besluiten in de begroting te verwerken en maakt de reserve vrij voor de begrotingslijn betreffende het vervoer van leden, personen en goederen;

90.  hecht zijn goedkeuring aan de wijzigingen van zijn personeelsformatie en de bijbehorende begrotingskredieten om in te spelen op de extra behoeften van de fracties; compenseert deze verhogingen volledig door de kredieten van de reserve voor onvoorziene uitgaven en de begrotingslijn betreffende de inrichting van gebouwen te verlagen;

91.  herinnert aan zijn politieke besluit om de fracties uit te zonderen van de doelstelling tot vermindering van de personeelsformatie met 5 %, zoals benadrukt in zijn resoluties over de begrotingen 2014(12), 2015(13) en 2016(14);

92.  vermindert de personeelsformatie van zijn secretariaat-generaal(15) voor 2017 met 60 posten (doelstelling tot vermindering met 1 %), overeenkomstig het akkoord van 14 november 2015 met de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016; herinnert eraan dat met de budgettaire gevolgen van deze maatregel reeds rekening is gehouden in de raming;

93.  vermindert zijn personeelsformatie met nog eens 20 posten in verband met het einde van de overdracht van posten als vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst met het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's; benadrukt dat er geen kredieten van het Parlement verlaagd hoeven te worden, aangezien deze posten ook niet waren begroot;

94.  moedigt de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité aan samen te werken aan de opstelling van mogelijke verdere regelingen voor het delen van ondersteunende kantoordiensten tussen de drie instellingen; verzoekt de secretarissen-generaal ook te onderzoeken of synergie-effecten kunnen worden gerealiseerd door samenwerking tussen ondersteunende kantoorfuncties en diensten tussen het Parlement, de Raad en de Commissie;

95.  handhaaft in zijn personeelsformatie voor 2017 de 35 nieuwe posten ter versterking van de veiligheid van de instellingen, als gevraagd in OGB 3/2016; stelt deze posten vrij van de vermindering met 5 %, aangezien ze betrekking hebben op nieuwe activiteiten van het Parlement;

96.  herhaalt dat de uitvoering van de personeelsinkrimping niet ten koste mag gaan van de goede werking van het Parlement en de uitoefening door het Parlement van zijn belangrijkste bevoegdheden, en evenmin zijn uitmuntendheid op het gebied van wetgeving of de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de leden en het personeel mag aantasten;

97.  is van mening dat, gezien de vele problemen die zich hebben voorgedaan bij de interne begrotingsprocedure van dit jaar, een herziening van hoofdstuk 9 en relevante onderdelen van andere hoofdstukken van zijn Reglement onvermijdelijk is, om te bereiken waartoe het Parlement heeft opgeroepen in zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017, te weten dat "alle relevante informatie met betrekking tot alle stadia van de begrotingsprocedure op tijdige, duidelijke en voldoende gedetailleerde en gespecificeerde wijze aan de leden van het Bureau en de Begrotingscommissie gepresenteerd moet worden, om het Bureau, de Begrotingscommissie en de fracties in staat te stellen goed overleg te voeren en hun besluiten te baseren op een volledig beeld van de situatie en de behoeften van de begroting van het Parlement";

98.  stelt de eis dat, overeenkomstig paragraaf 15 van zijn bovengenoemde resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017, de begroting voor het eerst in het kader van de begrotingsprocedure voor het begrotingsjaar 2018 wordt opgesteld op basis van bestaande behoeften en niet op basis van een systeem van coëfficiënten;

99.  herinnert eraan dat de administratie zich ertoe heeft verplicht een begrotingsplanning op middellange en lange termijn in te dienen, met een duidelijk onderscheid tussen uitgaven voor investeringen en operationele uitgaven in verband met de werking van de instelling, met inbegrip van zijn statutaire verplichtingen; verwacht daarom dat het voorontwerp van raming voor 2018 in hetzelfde formaat zal worden gepresenteerd;

100.  herinnert aan het verslag-Fox-Häfner(16), waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op 156 miljoen tot 204 miljoen EUR, oftewel 10 % van de begroting van het Parlement; wijst op de vaststelling dat 78 % van alle dienstreizen van statutair personeel van het Parlement een direct gevolg is van deze geografische spreiding; beklemtoont dat de milieugevolgen van de geografische spreiding geraamd worden op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-emissies; benadrukt het negatieve beeld dat deze spreiding bij het publiek opwekt en roept daarom op tot de vaststelling van een routekaart voor het verwezenlijken van een enkele vestigingsplaats en een vermindering van de desbetreffende begrotingslijnen;

101.  betreurt dat, ondanks herhaalde verzoeken van de Begrotingscommissie, de strategie op de middellange en lange termijn voor de gebouwen van het Parlement niet beschikbaar is voor een inhoudelijke behandeling door de commissie;

Afdeling IV - Hof van Justitie

102.  betreurt dat de Raad de forfaitaire verlaging optrekt van 2,5 % tot 3,8 %, wat neerkomt op een verlaging met -3,4 miljoen EUR en niet strookt met de extreem hoge bezettingsgraad van de posten bij het Hof (98 % eind 2015); herstelt daarom de forfaitaire verlaging tot het niveau op de OB, om het Hof in staat te stellen zijn taken uit te voeren in de context van een voortdurend toenemend aantal zaken;

103.  besluit verder de bedragen van de OB te herstellen met betrekking tot nog eens zes begrotingsposten die de Raad heeft verlaagd in de titels I en II van de begroting van het Hof, en die vooral ernstige gevolgen zouden hebben voor de prioriteiten van het Hof op taalkundig en veiligheidsgebied;

104.  is ontevreden met de unilaterale verklaring van de Raad en de bijbehorende bijlage inzake de vermindering van het personeel met 5 % in het standpunt van de Raad over de OB 2017, inhoudende dat het Hof zijn personeelsformatie moet inkrimpen met nog eens 19 posten; benadrukt dat het bij deze 19 posten gaat om de 12 en 7 posten die het Parlement en de Raad tijdens de begrotingsprocedures van respectievelijk 2015 en 2016 hadden toegekend met het oog op bijkomende behoeften, en dringt er daarom op aan dat deze 19 posten niet teruggegeven hoeven te worden, mede aangezien het Hof de vermindering van het personeel met 5 % reeds heeft verwezenlijkt door 98 posten in te leveren in de periode 2013-2017;

Afdeling V - Rekenkamer

105.  herstelt de forfaitaire verlaging tot het aanvankelijke niveau van 2,6 %, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan haar behoeften in verband met het personeelsbestand;

106.  herstelt nog eens vijf door de Raad verlaagde begrotingsposten van de Rekenkamer, zodat zij haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

107.  herstelt voor een deel de OB voor wat betreft drie begrotingsposten overeenkomstig de voorstellen voor besparingen gedaan door de Rekenkamer zelf;

Afdeling VI - Europees Economisch en Sociaal Comité

108.  herstelt de forfaitaire verlaging tot het aanvankelijke niveau van 4,5 % om aan de behoeften van het Europees Economisch en Sociaal Comité te voldoen en deze instelling in staat te stellen de aanhoudende inkrimping van het personeel in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van februari 2014 op te vangen;

109.  herstelt de door de Commissie op de OB geschrapte 12 posten en bijbehorende kredieten, in overeenstemming met bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst, waarmee het feitelijke aantal posten dat van het Europees Economisch en Sociaal Comité naar het Parlement is overplaatst wordt weerspiegeld;

110.  besluit verder de post betreffende aanvullende dienstverlening voor de vertaaldienst aan te passen tot het door de instelling zelf geraamde niveau, en daarbij de overdracht van 36 posten van het Europees Economisch en Sociaal Comité naar het Parlement overeenkomstig bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst deels te compenseren;

Afdeling VII - Comité van de Regio's

111.  herstelt de door de Commissie op de OB geschrapte acht posten en bijbehorende kredieten, in overeenstemming met bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst, waarmee het feitelijke aantal posten dat van het Comité van de Regio's naar het Parlement is overplaatst wordt weerspiegeld;

112.  herstelt daarnaast de door de Commissie op de OB geschrapte kredieten met betrekking tot kantooruitgaven en IT-toelagen van de leden van het Comité tot het door het Comité geraamde niveau, om een afdoende financiering van de kantooruitgaven en IT-toelagen van de leden van het Comité van de Regio's te waarborgen;

113.  betreurt de verlagingen van de begrotingspost "inrichting van dienstruimten" door de Commissie op de OB en besluit deze post te herstellen tot het door het Comité zelf geraamde niveau om tegemoet te komen aan de toegenomen behoeften op veiligheidsgebied, ervoor te zorgen dat de gebouwen in goede staat blijven en voldoen aan de wettelijke verplichtingen, en om de energie-efficiëntie te verbeteren;

114.  herstelt volledig de door de Commissie op de OB naar beneden bijgestelde kredieten in verband met de communicatieactiviteiten van de fracties, om een afdoende financiering van de communicatieactiviteiten van de fracties van het Comité te waarborgen;

Afdeling VIII - Europees Ombudsman

115.  stelt vast dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 195 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en ernstige gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de Europese burgers efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling IX - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

116.  betreurt dat de Raad de OB van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 395 000 EUR heeft verlaagd; wijst erop dat dit haaks staat op het feit dat het Parlement en de Raad bijkomende taken hebben toegekend aan de instelling en de capaciteit van deze instelling om de Europese instellingen doeltreffend bij te staan in gevaar zou brengen; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X - Europese Dienst voor extern optreden

117.  herstelt alle door de Raad verlaagde lijnen;

118.  besluit daarnaast een begrotingslijn in te voeren voor een strategische communicatiecapaciteit, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2015, en de EDEO te voorzien van afdoende personeel en instrumenten om de uitdaging van desinformatie van derde landen en niet-statelijke actoren tegemoet te treden;

119.  verwelkomt de schriftelijke toezeggingen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid inzake de aanpak van de huidige onevenwichtige samenstelling van het EDEO-personeel wat betreft diplomaten van de lidstaten en vast EU-personeel op bepaalde posities en inzake een herziening van het personeelsbeleid van de EDEO in de loop van 2017; roept de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op om het Parlement uiterlijk in het voorjaar van 2017 op de hoogte te brengen van de genomen stappen, nog voor het begin van de volgende begrotingsprocedure;

o
o   o

120.  is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie een bijdrage kan leveren om niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van de crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd op doeltreffende wijze aan te pakken; is evenwel van mening dat onvoorziene gebeurtenissen met een Uniebrede dimensie moeten worden aangepakt door de inspanningen te bundelen en extra middelen op het niveau van de Unie ter beschikking te stellen, en niet door vroegere verbintenissen op losse schroeven te stellen of terug te grijpen naar de illusie van louter nationale oplossingen; benadrukt daarom dat de flexibiliteitsbepalingen er zijn om een dergelijke gezamenlijke en snelle respons mogelijk te maken en dat deze ten volle moeten worden benut om de strikte beperkingen van de MFK-maxima op te vangen;

121.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0080.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0132.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(8) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(9) Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).
(10) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 100.
(11) Bijdrage van Kersti Kaljulaid op de door CONT op 22 april 2013 gehouden hoorzitting over het geïntegreerd internecontrolekader.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0376.
(15) Aangezien er een politiek besluit is om de fracties van deze berekening uit te sluiten, wordt deze vermindering toegepast op het gedeelte van het secretariaat-generaal in het organigram.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0498.

Juridische mededeling