Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2067(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0317/2016

Ingediende teksten :

A8-0317/2016

Debatten :

PV 22/11/2016 - 12
CRE 22/11/2016 - 12

Stemmingen :

PV 23/11/2016 - 10.5
CRE 23/11/2016 - 10.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0440

Aangenomen teksten
PDF 200kWORD 50k
Woensdag 23 november 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
P8_TA(2016)0440A8-0317/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (2016/2067(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid),

–  gezien artikel 42, lid 6, en artikel 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) over de instelling van een permanente gestructureerde samenwerking,

–  gezien het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV) aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) (13026/2016), in het bijzonder de delen over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB),

–  gezien de artikelen 2 en 3 en titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en in het bijzonder de artikelen 21 en 36 en artikel 42, leden 2, 3 en 7,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016 en 17 oktober 2016 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013 en 26 juni 2015,

–  gezien zijn resoluties van 21 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(1), van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa(2), van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(3), van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(4), en van 7 juni 2016 over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie(5),

–  gezien het document getiteld "Shared Vision, Common Action: A Stronger Europe – A Global Strategy for the European Union’s Foreign and Security Policy", dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door HV/VV Federica Mogherini,

–  gezien het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie, dat op 14 november 2016 is gepresenteerd door VV/HV Federica Mogherini, en gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2016 over de uitvoering van de integrale EU-strategie op het gebied van veiligheid en defensie,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 6 april 2016 van de HV/VV en de Commissie over de bestrijding van hybride bedreigingen (JOIN(2016)0018), en de conclusies van de Raad van 19 april 2016 die hiermee verband houden,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 28 april 2015 van de HV/VV en de Commissie over capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (JOIN(2015)0017) en het voorstel van de Commissie van 5 juli 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (COM(2016)0447),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 5 juli 2016 van de HV/VV en de Commissie over elementen voor een EU-breed strategisch kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector (JOIN(2016)0031),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 april 2016 over het missieondersteuningsplatform,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de vernieuwde interneveiligheidsstrategie voor de Europese Unie 2015-2020 en de conclusies van de Raad van 15-16 juni 2015 die hiermee verband houden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 april 2016 over de uitvoering van de Europese veiligheidsagenda ter bestrijding van terrorisme en ter voorbereiding van een echte en doeltreffende veiligheidsunie (COM(2016)0230),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 11 december 2013 van de HV/VV en de Commissie over de brede EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties (JOIN(2013)0030), en de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en defensie(6), gezien de gezamenlijke mededeling van de HV/VV en de Commissie van 7 februari 2013 over de strategie inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: een open, veilige en beveiligde cyberspace (JOIN(2013)0001), gezien het EU-beleidskader voor cyberdefensie van de Raad van 18 november 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over het versterken van het Europese cyberbeveiligingssysteem en bevorderen van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingsbranche (COM(2016)0410),

–  gezien de technische regeling tussen de computercrisisteams van de NAVO (NATO Computer Incident Response Capability, NCIRC) en de EU (Computer Emergency Response Team, CERT), die op 10 februari 2016 is ondertekend en de informatie-uitwisseling met betrekking tot cyberincidenten bevordert,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en de NAVO, die op 8 juli 2016 is ondertekend in het kader van de NAVO-top van Warschau 2016 (gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie, en van de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie),

–  gezien het communiqué van de top van Warschau, afgegeven door de staatshoofden en regeringsleiders die op 8-9 juli 2016 deelnamen aan de vergadering van de Noord-Atlantische Raad in Warschau,

–  gezien de resultaten van de Eurobarometer 85.1 van juni 2016,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0317/2016),

De strategische context

1.  merkt op dat de Europese veiligheidssituatie aanzienlijk is verslechterd, en dat de instabiliteit, de complexiteit, het gevaar en de onvoorspelbaarheid toenemen; wijst erop dat zich zowel conventionele als hybride bedreigingen voordoen, dat de bedreigingen door statelijke en niet-statelijke actoren worden veroorzaakt en afkomstig zijn uit het Zuiden en het Oosten, en dat ze verschillende gevolgen hebben voor de lidstaten;

2.  herinnert eraan dat de veiligheid van de EU-lidstaten onderling nauw verbonden is en dat de lidstaten op een ongecoördineerde en gefragmenteerde wijze op gemeenschappelijke dreigingen en risico's reageren, waardoor een meer gemeenschappelijke aanpak bemoeilijkt en dikwijls belemmerd wordt; benadrukt dat dit gebrek aan coördinatie een van de zwakke plekken is van het optreden van de Unie; merkt op dat Europa niet veerkrachtig genoeg is om hybride dreigingen, die vaak een grensoverschrijdende dimensie hebben, doeltreffend het hoofd te bieden;

3.  is van mening dat Europa vandaag de dag moet reageren op een grote verscheidenheid aan steeds complexer wordende crises, in een zone die zich uitstrekt van West-Afrika – via de Sahel, de Hoorn van Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Oekraïne – tot de Kaukasus; is van mening dat de EU de dialoog en de samenwerking moet opvoeren, zowel met derde landen in de regio als met regionale en subregionale organisaties; is van mening dat de EU erop voorbereid moet zijn om te reageren op structurele veranderingen in de internationale veiligheidssituatie, het hoofd te bieden aan uitdagingen die cyberaanvallen, conflicten tussen staten en de ineenstorting van staten omvatten en om te gaan met de veiligheidsgevolgen van de klimaatverandering;

4.  merkt bezorgd op dat de Europese levenswijze onder druk komt te staan doordat Europa het doelwit is geworden van terroristische acties van een nooit eerder geziene omvang, die zowel door radicale islamistische organisaties als door individuele personen worden uitgevoerd; benadrukt dat de veiligheid van het individu hierdoor op de eerste plaats is komen te staan en dat het traditionele onderscheid tussen de externe en interne dimensies is weggevallen;

5.  vraagt de EU zich aan te passen aan deze veiligheidsuitdagingen, in het bijzonder door de bestaande GVDB-instrumenten efficiënter en in samenhang met andere externe en interne instrumenten te benutten; vraagt de lidstaten beter samen te werken en te coördineren, vooral op het vlak van terrorismebestrijding;

6.  verzoekt om een sterk preventief beleid op basis van alomvattende deradicaliseringsprogramma's; merkt op dat het tevens van essentieel belang is radicalisering en terroristische propaganda actiever te bestrijden, zowel binnen de EU als in de externe betrekkingen van de EU; roept de Commissie op tot actie over te gaan om de verspreiding van extremistische inhoud online aan te pakken en in de strijd tegen radicalisering en terrorisme in alle lidstaten actievere justitiële samenwerking tussen strafrechtstelsels, met inbegrip van Eurojust, te bevorderen;

7.  merkt op dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog grenzen in Europa met geweld werden hertekend; wijst op de schadelijke impact van militaire bezetting op de veiligheid van Europa als geheel; herhaalt dat elke met geweld afgedwongen hertekening van de Oekraïense grenzen indruist tegen de beginselen van de Slotakte van Helsinki en het Handvest van de Verenigde Naties;

8.  merkt op dat uit de Eurobarometer 85.1 van juni 2016 blijkt dat ongeveer twee derde van de EU-burgers graag meer betrokkenheid van de EU zou zien op het vlak van veiligheid en defensiebeleid;

9.  meent dat een eensgezinder en bijgevolg doeltreffender Europees buitenlands en veiligheidsbeleid in belangrijke mate kan bijdragen tot de vermindering van de intensiteit van de gewapende conflicten in Irak en Syrië, en tot de eliminatie van de zelfverklaarde Islamitische Staat;

Een herzien en krachtiger GVDB

10.  is er vast van overtuigd dat een grondige en wezenlijke herziening van het GVDB derhalve noodzakelijk is, zodat de EU en haar lidstaten op beslissende wijze kunnen bijdragen tot de veiligheid van de EU, de beheersing van internationale crises en de handhaving van de strategische autonomie van de EU; benadrukt andermaal dat geen enkel land alleen het hoofd kan bieden aan de huidige veiligheidsdreigingen;

11.  is van mening dat voor een succesvolle herziening van het GVDB de EU-lidstaten vanaf het prille begin bij het proces moeten worden betrokken om uit te sluiten dat naar verloop van tijd impasses ontstaan; benadrukt de praktische en financiële voordelen van verdere samenwerking voor de ontwikkeling van de Europese defensiecapaciteiten en wijst op de lopende initiatieven, die tijdens de Europese Raad over defensie in december 2016 moeten worden omgezet in concrete maatregelen; dringt voorts bij de lidstaten en de EU aan op passende investeringen in veiligheid en defensie;

12.  onderstreept dat de instelling van een permanente gestructureerde samenwerking als bedoeld in artikel 42, lid 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het mogelijk maakt om een eigen defensie of een permanente structuur voor eigen defensie te ontwikkelen, die operaties voor crisisbeheersing kan versterken;

13.  benadrukt dat de EU, aangezien Europa haar veiligheidssituatie niet langer in de hand heeft en het zich niet langer kan veroorloven om zelf de tijd en de plaats van haar acties te bepalen, door middel van GVDB-missies en -operaties alsook andere relevante instrumenten actie moet kunnen ondernemen in het hele domein van crisisbeheersing en tijdens alle fasen van de conflictcyclus, met inbegrip van crisispreventie en crisisafwikkeling, en een volwaardige rol moet krijgen bij de beveiliging van de Europese ruimte en bij het waarborgen van de gemeenschappelijke veiligheid en defensie van de gehele ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; moedigt de Europese Raad aan ertoe over te gaan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen tot een gemeenschappelijke defensie, zoals bepaald in artikel 42, lid 2, van het VEU; is van mening dat de versterking van de veerkracht van de EU een van de voornaamste doelstellingen van het GVDB moet zijn;

14.  is ingenomen met de routekaart over het GVDB, die door de VV/HV is gepresenteerd en concrete tijdschema's en stappen bevat; is verheugd dat deze routekaart een aanvulling vormt op het komende Europees defensieactieplan; benadrukt dat de militaire component van het GVDB moet worden versterkt; is er sterk voorstander van dat de lidstaten hun investeringen in veiligheid en defensie coördineren en de financiële steun voor defensieonderzoek op EU-niveau verhogen;

15.  onderstreept tegelijkertijd dat het GVDB op sterke collectieve defensie en doeltreffende financiering moet zijn gebaseerd en moet worden uitgevoerd in afstemming met internationale instellingen op het vlak van veiligheid en defensie, en in volledige complementariteit met de NAVO; is van mening dat de EU de lidstaten moet oproepen de door de NAVO vastgestelde capaciteitsdoelen te verwezenlijken, krachtens welke minimaal 2% van het bbp voor defensie-uitgaven moet worden bestemd, zoals tijdens de top in Wales en de top in Warschau opnieuw is bevestigd;

16.  herinnert eraan dat conflicten en crises in Europa en elders zowel in de materiële ruimte als in de cyberruimte plaatsvinden en benadrukt dat cyberveiligheid en cyberdefensie tot de kernelementen van het GVDB moeten behoren en volledig in al het intern en extern beleid van de EU moeten worden verwerkt;

17.  is verheugd dat de HV/VV de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie heeft gepresenteerd als een noodzakelijke en positieve ontwikkeling voor het institutionele kader binnen hetwelk het GBVB en het GVDB zullen opereren en zich zullen ontwikkelen; betreurt de geringe betrokkenheid van de lidstaten bij de voorbereiding van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie;

18.  benadrukt dat een grote mate van betrokkenheid, inbreng en steun van de kant van de lidstaten en de nationale parlementen, in nauwe samenwerking met alle relevante EU-organen, onontbeerlijk is om in de vorm van een EU-witboek inzake veiligheid en defensie, voorafgegaan door het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie, de snelle en doeltreffende uitvoering van het politieke ambitieniveau, de prioriteiten en de alomvattende benadering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie te waarborgen; onderstreept dat het uitvoeringsplan nauw aansluit bij de uitvoering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie in bredere zin, bij het komende Europees defensieactieplan en bij de uitvoering van de gezamenlijke, in Warschau ondertekende verklaring van de EU en de NAVO; is verheugd over het werk dat de HV/VV en de lidstaten leveren in verband met het uitvoeringsproces; onderstreept dat er passende middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de uitvoering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en voor een doeltreffend en krachtiger GVDB;

19.  is van mening dat de door de Europese Raad overeen te komen sectorale strategie als een follow-up van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie moet dienen, waarin het civiel en het militaire ambitieniveau, de taken, de vereisten en capaciteitsprioriteiten nader worden gespecificeerd; herhaalt zijn eerdere verzoeken om een Europees witboek over defensie te ontwikkelen en vraagt de Raad dit document onverwijld voor te bereiden; spreekt de bezorgdheid uit dat het voorgestelde uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie de verwachtingen van het Parlement en het publiek bij lange na niet inlost; herhaalt dat de veiligheid van alle lidstaten van de Europese Unie ondeelbaar is;

20.  wijst op het Europees veiligheidspact dat de ministers van buitenlandse zaken van Duitsland en Frankrijk hebben voorgesteld en staat onder meer achter het voorstel om een gemeenschappelijke analyse van de Europese strategische context uit te voeren, de uitvoering van dreigingsevaluaties tot een periodieke gemeenschappelijke activiteit te maken en daarmee zowel respect te krijgen voor elkaars zorgen als ondersteuning voor gemeenschappelijke vermogens en acties; verwelkomt tevens andere recente initiatieven van de lidstaten die gericht zijn op de ontwikkeling van het GVDB; betreurt echter het gebrek aan zelfbeoordeling van de inactiviteit van de lidstaten met betrekking tot de uitvoering van voormalige Europese toezeggingen op het vlak van defensie;

21.  stelt vast dat samenwerking met de NAVO op vergelijkbare gebieden hiertoe noodzakelijk is; benadrukt dat een oprechte toezegging en een verbeterde en efficiëntere uitwisseling van inlichtingen en informatie tussen de lidstaten onontbeerlijk zijn;

22.  merkt op dat, aangezien interne en externe veiligheid meer en meer met elkaar verweven raken en het steeds moeilijker wordt om onderscheid te maken tussen materiële ruimte en cyberruimte, hun middelen ook moeten worden geïntegreerd, hetgeen de EU in staat zal stellen over het volledige arsenaal aan instrumenten te beschikken, in dien mate als in artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald;

Het GVDB en de geïntegreerde crisisaanpak

23.  wijst op de noodzaak om een permanent EU-hoofdkwartier voor civiele en militaire GVDB-missies en -operaties op te richten, van waaruit geïntegreerd operationeel personeel de hele planningscyclus zou ondersteunen, van het initiële politieke concept tot de gedetailleerde plannen; benadrukt dat dit, in plaats van een kopie van de NAVO-structuren, de noodzakelijke institutionele regeling zou zijn om de planning en het verloop van de capaciteiten van GVDB-missies en -operaties te versterken;

24.  merkt op dat de GVDB-missies en -operaties, waaronder bijstand inzake grensbeheer, capaciteitsopbouw, militaire opleidingsmissies en operaties ter zee, bijdragen tot internationale vrede en stabiliteit;

25.  vindt het betreurenswaardig dat de GVDB-missies en -operaties op structurele zwakheden blijven stuiten, waardoor hun doeltreffendheid wordt ondermijnd; is van mening dat ze echte instrumenten moeten zijn en beter in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie geïntegreerd kunnen worden;

26.  wijst in dit verband op het politieke ambitieniveau dat in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie is vastgelegd met het oog op een geïntegreerde aanpak van conflicten en crises die niet alleen engagement van de Unie in alle fasen van de conflictcyclus omvat – in de vorm van preventie, afwikkeling en stabilisering – maar ook de toezegging om overhaast terugtrekken te vermijden; is van mening dat de EU de lidstaten die betrokken zijn bij de coalitie tegen de zelfverklaarde Islamitische Staat, op coherente wijze moet steunen door een op opleiding gerichte GVDB-operatie op touw te zetten in Irak;

27.  is verheugd over het idee van "geregionaliseerde" GVDB-missies in de Sahel, vooral omdat het overeenstemt met de wens van de landen in de subregio om de samenwerking op het vlak van veiligheid op te voeren via het G5-Sahel-platform; is ervan overtuigd dat dit de mogelijkheid biedt om de doeltreffendheid en relevantie van de GVDB-missies ter plaatse (EUCAP Sahel Mali en EUCAP Sahel Niger) te verhogen; benadrukt dat dit concept van "regionalisering" gebaseerd moet zijn op expertise ter plaatse, duidelijke doelstellingen en de middelen om ze te verwezenlijken en niet alleen moet worden bepaald onder impuls van politieke overwegingen;

28.  benadrukt dat de betrokkenheid bij conflicten die een rechtstreekse invloed hebben op de veiligheidssituatie van de EU of van een groep partners en regio's waar de EU de rol heeft van veiligheidsverstrekker, prioriteit moet krijgen bij alle besluiten van de Raad inzake toekomstige missies en operaties; is van mening dat het besluit om zich in te laten met een conflict gebaseerd moet zijn op een gemeenschappelijke analyse, op inzicht in de strategische context en op de gedeelde strategische belangen van de lidstaten, daarbij rekening houdend met de acties van andere bondgenoten en organisaties, zoals de VN en de NAVO; is van mening dat GVDB-missies inzake capaciteitsopbouw moeten worden afgestemd op de hervorming van de veiligheidssector en op de werkzaamheden van de Commissie op het gebied van de rechtsstaat;

29.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 (tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede) om de bijstand van de Unie uit te breiden tot capaciteitsopbouw voor militaire actoren in partnerlanden, aangezien hiermee een onmiskenbare bijdrage wordt geleverd aan de veerkracht van de partnerlanden, waardoor de kans kleiner wordt dat zij opnieuw het onderwerp van conflict worden of als wijkplaats voor vijandige activiteiten tegen de EU worden gebruikt; benadrukt dat hiertoe moet worden overgegaan in uitzonderlijke omstandigheden, zoals omschreven in artikel 3 bis van bovengenoemd voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014, teneinde bij te dragen tot duurzame ontwikkeling, behoorlijk bestuur en de rechtsstaat; spoort in dit verband de EDEO en de Commissie aan meer vaart te zetten achter het CBSD-initiatief ter verbetering van de doeltreffendheid en de duurzaamheid van GVDB-missies;

30.  benadrukt dat er tevens andere financieringsinstrumenten moeten worden gevonden ter bevordering van de capaciteitsopbouw van partners op het vlak van veiligheid en defensie; vraagt de EDEO en de Commissie te zorgen voor volledige samenhang en coördinatie om de beste resultaten te bereiken en overlap ter plaatse te voorkomen;

31.  merkt op dat de Petersbergtaken bijgevolg moeten worden herzien en dat de gevechtsgroepen, door de modulariteit te verhogen en de doelgerichtheid van de financiering te bevorderen, zo spoedig mogelijk een inzetbaar militair instrument moeten worden; merkt op dat de weinig constructieve houding van de lidstaten een politieke en operationele belemmering blijft vormen voor de inzet van gevechtstroepen; verzoekt de Raad over te gaan tot de oprichting van het startfonds (bedoeld in artikel 41, lid 3, VEU) voor de dringende financiering van de beginfasen van militaire operaties;

32.  roept op tot meer flexibiliteit in de financiële regels van de EU, dit ter ondersteuning van haar mogelijkheden om op crises te reageren en ter uitvoering van bestaande bepalingen van het Verdrag van Lissabon; wenst dat het Athenamechanisme zodanig wordt herzien dat het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle gerelateerde kosten, eerst tot snellereactieoperaties en de inzet van EU-gevechtstroepen en dan tot alle militaire operaties;

Samenwerking met de NAVO en andere partners

33.  herinnert eraan dat de NAVO en de EU dezelfde strategische belangen hebben en in het Oosten en het Zuiden met dezelfde uitdagingen worden geconfronteerd; wijst erop dat de clausule inzake wederzijdse verdediging – artikel 42, lid 7, VEU – onder meer relevant is voor de EU-lidstaten, ongeacht of ze al dan niet lid zijn van de NAVO; merkt op dat de EU er met haar eigen middelen toe in staat moet zijn om de EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO in dezelfde mate te beschermen; wijst op de doelstelling van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie om een passend niveau van Europese strategische autonomie te bewaren en benadrukt dat beide organisaties over complementaire middelen moeten beschikken; is van mening dat de strategische autonomie van de EU moet worden ingezet ter versterking van het Europese vermogen om de veiligheid binnen en buiten haar grenzen te bevorderen, het partnerschap met de NAVO te versterken en de trans-Atlantische banden aan te halen;

34.  meent dat het fundament van een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de EU en de NAVO wordt gevormd door de complementariteit en compatibiliteit van hun missies en, bijgevolg, van het arsenaal aan instrumenten waarover beide organisaties beschikken; benadrukt dat de betrekkingen tussen beide organisaties van coöperatieve aard moeten blijven en niet competitief moeten worden; is van mening dat de EU de lidstaten moet oproepen het door de NAVO vastgestelde capaciteitsdoel van minimaal 2% van het bbp voor defensie-uitgaven te verwezenlijken;

35.  benadrukt dat de NAVO op afschrikkings- en defensiegebied het best is toegerust en wijst erop dat de organisatie bereid is tot collectieve defensie over te gaan (artikel V van het Noord-Atlantisch Verdrag) in gevallen waarin een van haar leden wordt aangevallen, terwijl het zwaartepunt van het GVDB momenteel bij vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid (artikel 42 VEU) ligt en de EU over bijkomende middelen beschikt om te reageren op bedreigingen van de interne veiligheid van de lidstaten, waaronder ondermijning, bedreigingen die geen van alle onder artikel V vallen; herhaalt dat de solidariteitsclausule van artikel 222 VWEU het waarborgen van de bescherming van de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele terroristische aanval beoogt;

36.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring die in Warschau door de EU en de NAVO is ondertekend, en staat volledig achter de samenwerkingsgebieden die daarin worden genoemd; merkt op dat in de verklaring veeleer algemeen aanvaarde informele praktijken worden beschreven dan dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO naar een hoger niveau wordt getild; benadrukt dat meer bepaald de samenwerking moet worden geïntensiveerd en de capaciteitsopbouw met betrekking tot hybride bedreigingen, cyberbedreigingen en onderzoek verder moet worden aangevuld; is ingenomen met de verklaarde doelstelling van de routekaart van Bratislava om onmiddellijk met de uitvoering van de gezamenlijke verklaring te beginnen;

37.  staat volledig achter nauwere samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie met andere institutionele partners, waaronder de VN, de Afrikaanse Unie en de OVSE, alsook strategische bilaterale partners, in het bijzonder de VS, op domeinen zoals hybride bedreigingen, maritieme veiligheid, snelle reactie, terrorismebestrijding en cyberveiligheid;

De Europese samenwerking op defensiegebied

38.  is van mening dat de ontwikkeling van een sterkere defensie-industrie de strategische autonomie en de technologische onafhankelijkheid van de EU zou ondersteunen; is van mening dat voor de versterking van de status van de EU als veiligheidsverstrekker in het nabuurschap van Europa gepaste en voldoende capaciteit nodig is, evenals een competitieve, doelmatige en transparante defensie-industrie die voor een duurzame toeleveringsketen zorgt; wijst erop dat de Europese defensiesector wordt gekenmerkt door versnippering en duplicatie, en dat daaraan geleidelijk een einde moet worden gemaakt door stimulansen te bieden en beloningen uit te loven aan alle nationale componenten, daarbij rekening houdend met het langetermijnperspectief van een geïntegreerde defensiemarkt;

39.  betreurt het dat de lidstaten het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie nog niet met het nodige engagement hebben uitgevoerd en dat het initiatief voor bundelen en delen geen tastbare resultaten heeft opgeleverd; vraagt de Raad regelmatige halfjaarlijkse defensiedebatten in te voeren om strategische richtsnoeren te verstrekken en politieke impuls te geven aan het GVDB en de Europese defensiesamenwerking;

40.  benadrukt dat de samenwerking op het vlak van cyberdefensie verder moet worden versterkt en dat de volledige cyberveerkracht van GVDB-missies moet worden gegarandeerd; dringt er bij de Raad op aan cyberdefensie als een integraal onderdeel op te nemen in zijn defensiedebatten; is van mening dat nationale cyberdefensiestrategieën dringend noodzakelijk zijn; vraagt de lidstaten cybercapaciteitsopbouwmaatregelen ten volle te benutten, onder verantwoordelijkheid van het Europees Defensieagentschap (EDA), en gebruik te maken van het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence (CCDCOE) van de NAVO;

41.  wijst erop dat alle lidstaten moeite hebben om een zeer brede waaier aan volledig operationele defensiecapaciteiten in stand te houden, vooral wegens financiële beperkingen; roept derhalve op tot meer coördinatie en duidelijkere keuzes over welke capaciteiten in stand worden gehouden, zodat de lidstaten zich in bepaalde capaciteiten kunnen specialiseren;

42.  is van mening dat interoperabiliteit van essentieel belang is om de strijdkrachten van de lidstaten compatibeler en meer geïntegreerd te maken; benadrukt derhalve dat de lidstaten de mogelijkheid van gezamenlijke aanbestedingen voor defensiemiddelen moeten onderzoeken; merkt op dat de protectionistische en gesloten aard van de defensiemarkten in de EU dit bemoeilijkt;

43.  herinnert eraan dat een krachtige Europese industriële en technologische defensiebasis, die tevens voorzieningen biedt aan kmo's, een van de hoekstenen vormt van het GVDB en een voorwaarde is voor een gemeenschappelijke markt, waardoor de EU haar strategische autonomie kan opbouwen;

44.  betreurt het te moeten vaststellen dat de lidstaten Richtlijn 2009/81/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied en Richtlijn 2009/43/EG betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap in compleet verschillende mate toepassen; vraagt de Commissie de leidraad over artikel 346 consequent toe te passen en haar rol als hoedster van de Verdragen op zich te nemen door inbreukprocedures in te leiden in geval van schendingen van de richtlijnen; vraagt de lidstaten de multinationale inspanningen aan de vraagzijde van militaire aanbestedingen te verbeteren en vraagt de Europese industrie aan de aanbodzijde de globale marktposities te versterken door betere coördinatie en industriële consolidatie;

45.  is verontrust over de aanhoudende daling van de middelen voor defensieonderzoek in de lidstaten, die de industriële en technologische basis en daarmee de strategische autonomie van de EU op losse schroeven zet; verzoekt de lidstaten hun legers uit te rusten met materieel dat door de Europese defensie-industrie is vervaardigd en niet door concurrerende industrieën;

46.  is ervan overtuigd dat een versterking van de rol van het Europees Defensieagentschap bij de coördinatie van capaciteitsgerichte programma's, projecten en activiteiten, de doeltreffendheid van het GVDB ten goede zou komen; is van mening dat het Europees Defensieagentschap moet worden ondersteund bij de volledige verwezenlijking van zijn doelstellingen, waaronder met name zijn toekomstige prioriteiten en rollen in het kader van het Europees defensieactieplan (EDAP) en het Europees onderzoeksprogramma voor defensie (EDRP); vraagt de lidstaten derhalve de organisatie, procedures en activiteiten van het agentschap te herzien, waardoor meer mogelijkheden voor verdere samenwerking en integratie kunnen ontstaan; vraagt de lidstaten het Europees Defensieagentschap te voorzien van richtsnoeren voor het coördineren van een herziening van het vermogensontwikkelingsplan (CDP), in overeenstemming met de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de sectorale strategie;

47.  benadrukt dat cyberveiligheid alleen al door haar aard een beleidsdomein is waarin samenwerking en integratie cruciaal is, niet alleen tussen de EU-lidstaten, belangrijke partners en de NAVO, maar ook tussen verschillende actoren in de samenleving, aangezien het niet alleen een militaire verantwoordelijkheid is; verzoekt om duidelijkere richtsnoeren over hoe en in welke context de defensieve en offensieve capaciteiten van de EU moeten worden benut; herinnert eraan dat het Europees Parlement meermaals om een grondige herziening van de wetgeving inzake de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik heeft verzocht om te vermijden dat software en andere systemen die tegen de digitale infrastructuur van de EU kunnen worden gebruikt en die kunnen worden gebruikt om de mensenrechten te schenden, in verkeerde handen vallen; vraagt de EU op internationale fora – met inbegrip van maar niet beperkt tot fora voor internetbeheer – het beginsel te bepleiten dat de kerninfrastructuur van het internet een neutrale zone moet zijn waarin het regeringen die hun nationale belangen nastreven, verboden is zich te mengen;

48.  ondersteunt de initiatieven van de Commissie die verband houden met defensie, zoals het defensieactieplan en het defensie-industriebeleid, die na de presentatie van een EU-witboek inzake veiligheid en defensie moeten starten; is voorstander van verdere betrokkenheid van de Commissie op defensiegebied, door middel van uitgebreide en gerichte onderzoeken, planning en tenuitvoerlegging; is ingenomen met de voorbereidende actie voor GVDB-gerelateerd onderzoek en verzoekt om toereikende financiering voor de verdere duur van het huidig meerjarig financieel kader (MFK); is voorstander van de ontwikkeling van een onderzoeksprogramma voor defensie binnen het volgende MFK (2021-2027);

49.  is van mening dat een toekomstig onderzoeksprogramma voor defensie onderzoeksprojecten moet financieren op prioritaire, door de lidstaten overeen te komen gebieden, en dat een Europees defensiefonds zou kunnen worden ingezet ter ondersteuning van de financiering van door de lidstaten overeengekomen vermogens met erkende Europese meerwaarde;

50.  dringt aan op een hervorming van het Europees recht zodat de Europese defensie-industrie dezelfde overheidssteun kan ontvangen als de Amerikaanse industrie;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de OVSE.

(1) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 59.
(2) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 74.
(3) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0249.
(6) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 145.

Juridische mededeling