Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2885(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1227/2016

Ingediende teksten :

B8-1227/2016

Debatten :

PV 24/11/2016 - 12
CRE 24/11/2016 - 12

Stemmingen :

PV 01/12/2016 - 6.25
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0480

Aangenomen teksten
PDF 189kWORD 50k
Donderdag 1 december 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Toegang tot energie in ontwikkelingslanden
P8_TA(2016)0480B8-1227/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 1 december 2016 over toegang tot energie in ontwikkelingslanden (2016/2885(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), met name SDG 7 over toegang tot energie en SDG's 12 en 13 over respectievelijk duurzame consumptie en productie en over klimaatverandering,

–  gezien het initiatief inzake duurzame energie voor iedereen (SE4ALL) dat in 2011 door de VN is gelanceerd,

–  gezien het in 2012 door de Commissie gelanceerde initiatief "Energising Development" dat tot doel heeft tot 2030 nog eens 500 miljoen mensen in ontwikkelingslanden toegang tot duurzame energie te bieden,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin bepaald wordt dat vermindering en, op de langere termijn, uitroeiing van armoede de hoofddoelstelling is van het EU-ontwikkelingsbeleid,

–  gezien artikel 191 VWEU en het klimaatbeleid van de EU,

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(1) (DCI), en met name bijlage I, met bepalingen inzake duurzame energie in geografische programma's, en bijlage II, met bepalingen over de duurzame-energiecomponent van het thematische programma Mondiale collectieve goederen en uitdagingen (GPGC) van het DCI,

–  gezien de desbetreffende programmadocumenten in het kader van het DCI en van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), waaronder de nationale indicatieve programma's (NIP's) die een aparte energiesectie bevatten, en de jaarlijkse actieprogramma's (JAP's) ter uitvoering van de NIP's,

–  gezien het initiatief van 2014 voor een Afrikaanse corridor voor schone energie, waarmee wordt gestreefd naar de bevordering van de versnelde inzet van hernieuwbare energie in Afrika, en de terugdringing van koolstofemissies en de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen,

–  gezien zijn toetsing van relevante ontwerpen van DCI- en EOF-programmerings­documenten voordat deze door de DCI- en EOF-comités worden goedgekeurd,

–  gezien de 21e Conferentie van de partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCC) in Parijs in december 2015, en de goedkeuring van het Akkoord van Parijs, het eerste universele, juridisch bindende klimaatakkoord ooit,

–  gezien de 22e Conferentie van de partijen (COP22) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCC) in Marrakech van 7 t/m 18 november 2016,

–  gezien de bijeenkomst op hoog niveau onder voorzitterschap van Idriss Déby, voorzitter van de Afrikaanse Unie, Alpha Condé, president van de Republiek Guinee, Nkosazana Dlamini-Zuma, voorzitter van de Commissie van de Afrikaanse Unie, en Akinwumi Adesina, voorzitter van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de Europese Unie, Stefano Manservisi, directeur-generaal van het DG Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, en Felice Zaccheo, adjunct-hoofd van afdeling C6, Energie en Klimaatverandering, en Ségolène Royal, minister van Milieu, Duurzame Ontwikkeling en Energie, over het initiatief voor hernieuwbare energie en het partnerschap tussen de EU en de Afrikaanse Unie op 21 september 2016, in de marge van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York,

–  gezien het verslag van de Wereldcommissie voor dammen van 16 november 2000: "Een nieuw kader voor besluitvorming",

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over de financiering van versterking van daminfrastructuur in ontwikkelingslanden(2), van 2 februari 2012 over ontwikkelingssamenwerking van de EU met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030(3) en van 12 juni 2012 over samenwerking op het gebied van energiebeleid met partners buiten onze grenzen: een strategische benadering van gegarandeerde, duurzame en concurrerende energievoorziening(4),

–  gezien Speciaal verslag nr. 15/2015 van de Europese Rekenkamer van 6 oktober 2015 over de steun uit de ACS-EU-Energiefaciliteit voor hernieuwbare energie in Oost‑Afrika,

–  gezien de vraag aan de Commissie over toegang tot energie in ontwikkelingslanden (O‑000134/2016 – B8‑1809/2016),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat duurzame toegang tot betaalbare, betrouwbare en veilige energie van cruciaal belang is om te voldoen aan de basisbehoeften en ‑rechten van de mens, waaronder toegang tot schoon water, sanitaire voorzieningen, een veilige en beveiligde omgeving, gezondheidszorg, verwarming en onderwijs, essentieel is voor bijna alle vormen van economische bedrijvigheid, en een stuwende kracht achter ontwikkeling is; overwegende dat er ook veiligheids- en geopolitieke aspecten verbonden zijn aan de toegang tot energie, en dat energievraagstukken conflicten in de hand kunnen werken;

B.  overwegende dat 1,2 miljard mensen geen toegang tot elektriciteit hebben en dat de toegang voor een nog veel groter aantal niet betrouwbaar is; overwegende dat de helft van de mensen die het zonder elektriciteit moeten stellen in Afrika woont; overwegende dat dit aantal toeneemt, daar de bevolking in dit werelddeel sneller groeit dan het tempo waarin de toegang tot energie wordt uitgebreid;

C.  overwegende dat de situatie wat betreft de toegang tot elektriciteit in het gebied ten zuiden van de Sahara wereldwijd de ergste is, maar dat aangezien de elektriciteitssector in deze regio volop in ontwikkeling is, de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara in 2040 waarschijnlijk evenveel elektriciteit zullen verbruiken als India en Latijns-Amerika in 2010 samen;

D.  overwegende dat meer dan 70 % van het totale energieverbruik van Afrika wordt opgewekt uit hernieuwbare bronnen, zij het bijna uitsluitend met traditionele gebruiksmogelijkheden van biomassa; overwegende dat er tal van mogelijkheden bestaan om ook andere bronnen te benutten, vooral op het gebied van zonne- en windenergie;

E.  overwegende dat demografische tendensen in Afrika van grote invloed zullen zijn op de eisen voor het gebruik van land voor de productie van gewassen, maar ook op de behoefte aan brandhout;

F.  overwegende dat de wereldwijde ontbossing bijna 20 % van alle CO2-uitstoot veroorzaakt; overwegende dat de sterke afhankelijkheid van traditionele biomassa en inefficiënte kooktoestellen bos- en struikgronden in veel regio's van het Afrikaanse continent in gevaar brengt;

G.  overwegende dat 2,3 miljard mensen traditionele biomassa, zoals houtskool gebruiken om op te koken en dat dit vaak zeer nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het milieu; overwegende dat de lasten van het gebruik van dergelijke grondstoffen onevenredig vaak op vrouwen neerkomen, zoals het sprokkelen van hout dat veel tijd vergt en tevens hun veiligheid in gevaar brengt; overwegende dat het gebruik van verbeterde kooktoestellen ervoor zorgt dat het bereiden van maaltijden minder tijd en moeite kost;

H.  overwegende dat het Afrikaanse continent het grootste potentieel voor hernieuwbare energie van de planeet heeft en de grootste achterstand op het vlak van elektrificatie kent;

I.  overwegende dat energie-armoede het meest voorkomt in plattelandsgebieden, maar dat het toegankelijk maken van energie in de agglomeraties van snel groeiende steden eveneens een grote uitdaging vormt, gezien de geografische omstandigheden, de slechte connectiviteit en het gebrek aan infrastructuur, en overwegende dat de armste landen in Afrika de hoogste energierekeningen hebben;

J.  overwegende dat het van cruciaal belang is om de nog prille markten voor elektriciteitsvoorziening op het platteland verder te blijven ontwikkelen totdat ze rijp en zelfvoorzienend zijn, en om programma's die gericht zijn op duurzame, energie-efficiënte, kleinschalige en decentrale energieoplossingen verder te ondersteunen;

K.  overwegende dat energie-armoede ook een genderdimensie heeft; overwegende dat de gevolgen van energie-armoede erger zijn voor vrouwen;

L.  overwegende dat het waarborgen van toegang tot betaalbare, betrouwbare en moderne energie voor iedereen in 2030 universele duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 7 vormt; overwegende dat het nakomen van verplichtingen inzake klimaatmaatregelen daarnaast krachtige en weloverwogen inspanningen op energiegebied vergt, en dat Afrika dan ook voor een dubbele opgave staat, omdat zij de toegang van haar burgers tot basale energievoorzieningen drastisch moet vergroten en tegelijkertijd haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst inzake de klimaatverandering moet nakomen;

M.  overwegende dat uit het rapport "Global Trends in Renewable Energy Investment 2016" van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties blijkt dat de jaarlijkse wereldwijde investeringen in nieuwe duurzame capaciteit meer dan tweemaal zo hoog waren als de investeringen in kolen- en gascentrales in 2015; overwegende dat de markt voor hernieuwbare energie in 2015 werd gedomineerd door fotovoltaïsche zonne-energie en windenergie; overwegende dat de investeringen in hernieuwbare energiebronnen in 2015 voor het eerst hoger lagen in ontwikkelingslanden dan in ontwikkelde landen;

N.  overwegende dat de Wereldcommissie voor dammen in haar verslag van 16 november 2000 concludeert dat grote dammen niet in de verwachte mate hebben bijdragen aan de elektriciteitsopwekking, de watervoorziening en de beperking van overstromingsschade, maar wel zijn weerslag heeft op de samenleving en het milieu, en dat de inspanningen om deze gevolgen te beperken veelal niet succesvol zijn gebleken;

O.  overwegende dat de doelstelling om universele toegang tot energie tot stand te brengen sterk verband houdt met de doelstelling van de verwezenlijking van klimaatrechtvaardigheid;

P.  overwegende dat bij klimaatrechtvaardigheid mensenrechten worden gekoppeld aan ontwikkeling om tot een mensgerichte aanpak te komen, waarbij de rechten van de meest kwetsbare mensen worden beschermd en de lasten en baten van de klimaatverandering en de gevolgen daarvan billijk en eerlijk worden gedeeld;

Q.  overwegende dat inconsistente stromen van klimaatfinanciering en technologieoverdracht in het kader van klimaatverandering de bereidheid van Afrikaanse leiders in gevaar kunnen brengen om duurzame energie te ontwikkelen teneinde aan de industrialiseringsagenda van het continent te voldoen;

R.  overwegende dat in het Akkoord van Parijs de noodzaak wordt onderstreept om de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in Afrika, te bevorderen door de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen aan te wakkeren;

S.  overwegende dat er ruimschoots bewijs en een brede consensus bestaat dat de kleinschalige, gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie en lokale netwerken en niet aan het net gekoppelde oplossingen vaak het meest efficiënt zijn, dat dergelijke oplossingen vaak de grootste bijdrage leveren aan de vooruitgang van de ontwikkeling in het algemeen en het meest geschikt zijn om schadelijke gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken of te voorkomen;

T.  overwegende dat de lokale productie van hernieuwbare energie in de DCI-verordening veel aandacht krijgt en dat DCI- en EOF-programma's en -projecten op energiegebied zodanig moeten worden ontworpen dat zij het inzicht in de voordelen van de gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie weerspiegelen;

U.  overwegende dat de EU-ontwikkelingshulp op energiegebied sterk is toegenomen en dat hiervoor in de periode 2014-2020 naar verwachting 3,5 miljard euro zal worden uitgegeven; overwegende dat 30 NIP's, waarvan de helft voor Afrikaanse landen zijn, een aparte energiesectie bevatten;

V.  overwegende dat de in juni 2005 opgerichte ACS-EU-Energiefaciliteit bedoeld is om de toegang tot moderne energiediensten te bevorderen voor de armen op het platteland en in voorstedelijke gebieden, met bijzondere aandacht voor de landen in Afrika ten zuiden van de Sahara en hernieuwbare energie; overwegende dat in het daarmee verband houdende Speciaal verslag nr. 15/2015 van de Europese Rekenkamer een aantal aanbevelingen aan de Commissie zijn opgenomen voor een strengere selectie van projecten, de versterking van haar toezicht en de verbetering van de vooruitzichten voor duurzaamheid;

W.  overwegende dat er onlangs een EU-initiatief voor de financiering van elektrificatie (ElectriFI) is gelanceerd en dat andere financieringsregelingen voorzieningen omvatten voor het combineren van EU-subsidies met leningen of aandelenparticipatie van publieke of particuliere financiers (blendingfaciliteiten) voor verschillende delen van de wereld, de activiteiten van de Europese Investeringsbank op energiegebied via haar mandaat voor externe leningen en de operaties van het EU-Afrika infrastructuurtrustfonds op energiegebied;

X.  overwegende dat er een steeds grotere bijdrage uit particuliere investeringen nodig is om SDG 7 te bereiken; overwegende dat elk besluit om het gebruik van publiek-private partnerschappen te bevorderen door middel van blending in ontwikkelingslanden moet worden gebaseerd op een grondige beoordeling van deze mechanismen, en op eerdere ervaringen; overwegende dat onder alle omstandigheden voorkomen moet worden dat er subsidie wordt verleend aan projecten die al commercieel levensvatbaar zijn;

Y.  overwegende dat de opleiding van gespecialiseerde lokale en zeer gespecialiseerde medewerkers prioriteit moet krijgen om de toegang tot energie in ontwikkelingslanden veilig te stellen, en dat een substantieel deel van de financiering hieraan moet worden toegewezen;

Z.  overwegende dat de wereldwijde subsidies voor fossiele brandstoffen rond de 500 miljard USD per jaar bedragen, de oorzaak ervan zijn dat de broeikasgassen eerder toe- dan afnemen en meer ten goede komen aan het relatief rijke deel van de bevolking dan aan de armen; overwegende dat deze subsidies geleidelijk moeten worden afgeschaft en dat regeringen hierdoor aanzienlijke middelen kunnen vrijmaken voor veel efficiënter sociaal beleid en voor een betere beschikbaarheid van betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie, waardoor ongelijkheden worden teruggedrongen en de levenskwaliteit wordt verbeterd;

1.  wijst erop dat de toegang tot energie leidt tot versnelde ontwikkeling; vestigt de aandacht op de omvang en de gevolgen van energie-armoede in ontwikkelingslanden en op de nauwe betrokkenheid van de EU bij de inspanningen om deze armoede terug te dringen; onderstreept de noodzaak van krachtige en gezamenlijke inspanningen van regeringen, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in de desbetreffende landen evenals van internationale partners om de energie-armoede te verminderen en SDG 7 te verwezenlijken, wat bijzondere inspanningen vergt in afgelegen plattelandsgebieden, vooral in regio’s die niet op net energienet zijn aangesloten; herinnert eraan dat klimaatverandering en handelsbeleid elkaar moeten ondersteunen om tot duurzame ontwikkeling en uitbanning van armoede te komen, in overeenstemming met de Agenda 2030 en het Akkoord van Parijs;

2.  benadrukt het nauwe verband tussen energie en potentiële beveiligingsproblemen en is van mening dat energiebeheer weliswaar lastig uit te voeren is maar van essentieel belang is voor de economische ontwikkeling en menselijke ontplooiing in ontwikkelingslanden;

3.  herinnert eraan dat succesvolle elektrificatie te danken is aan de steun van de overheden, die weer afhankelijk is van een goed beheer van de energiedistributiediensten en het vermogen van landen om hun soevereine functies uit te oefenen;

4.  roept de EU op om in al haar energiemaatregelen een genderdimensie op te nemen en zich daarbij te richten op vrouwen met specifieke behoeften;

5.  steunt het initiatief "Energising Development" van de Commissie om tot 2030 nog eens 500 miljoen mensen in ontwikkelingslanden toegang tot duurzame energie te bieden door middel van programmaonderdelen zoals de oprichting van een faciliteit voor technische bijstand, waarbij EU‑deskundigen worden ingezet om technische kennis tot stand te brengen in ontwikkelingslanden en capaciteitsopbouw en technologieoverdracht te bevorderen; benadrukt dat energie vele andere terreinen een impuls geeft, zoals gezondheidszorg, onderwijs, schoon water, landbouw, telecommunicatie en internetconnectiviteit; onderstreept dat het initiatief "Energising Development" volledig moet worden afgestemd op de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de EU, die zijn vastgelegd in het Verdrag van Lissabon;

6.  is van mening dat de desbetreffende – zij het beknopte – bepalingen in de DCI-verordening die door het Parlement en de Raad gezamenlijk is vastgesteld, een solide basis vormen voor EU-ontwikkelingshulp op energiegebied; herinnert eraan dat deze bepalingen vooral gericht zijn op toegang tot energie en de nadruk leggen op lokale en regionale hernieuwbare energie en het waarborgen van toegang voor arme mensen in afgelegen gebieden;

7.  is verheugd over het ElectriFI dat een flexibele en inclusieve structuur biedt waardoor verschillende partners, zoals de particuliere sector, openbare instellingen en lokale overheden, kunnen deelnemen en in dezelfde mate en onder dezelfde marktconforme voorwaarden de vruchten hiervan kunnen plukken, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de behoeften en mogelijkheden in alle landen/regio’s waar het initiatief zich op richt; wijst erop dat de betrokkenheid van partners uit de lokale particuliere sector en organisaties uit het maatschappelijk middenveld van cruciaal belang zal zijn om de doeltreffendheid van en de verantwoordelijkheid voor de genomen maatregelen te vergroten;

8.  verzoekt de Commissie op haar website regelmatig verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang op weg naar het doel van haar initiatief "Energising Development", duidelijk aan te geven welk percentage van de totale financiering voor energie in ontwikkelingslanden naar hernieuwbare energiebronnen, afgelegen gebieden, de opleiding van personeel, de totstandbrenging van lokale kennis en vaardigheden, lokale oplossingen en niet aan het net gekoppelde oplossingen is gegaan en kort, maar zo nauwkeurig mogelijk, de betrokkenheid van de verschillende belanghebbenden bij afgeronde en lopende acties te beschrijven;

9.  wijst op het grote potentieel van hernieuwbare energiebronnen in Afrika op het gebied van de productie van zonne- en windenergie om de toegang tot energie voor iedereen te garanderen, met name op het platteland; wijst erop dat de prijs van fotovoltaïsche apparatuur doorslaggevend is voor de daadwerkelijke benutting van het zonnepotentieel in Afrika; dringt er derhalve bij de EU en haar lidstaten op aan om de overdracht van technologie te bevorderen, zodat deze in ontwikkelingslanden kan worden ingezet;

10.  merkt op dat Afrika beschikt over ongeveer 10 % van het theoretische waterkrachtpotentieel wereldwijd; herinnert eraan dat de opwarming van de aarde van invloed zal zijn op neerslagpatronen en daardoor een steeds grotere uitdaging zal vormen op het gebied van toegang tot water en voedselzekerheid; herinnert er tevens aan dat de Wereldcommissie voor dammen heeft aangegeven dat arme en andere kwetsbare bevolkingsgroepen en toekomstige generaties waarschijnlijk een onevenredig aandeel in de sociale en economische kosten van grote damprojecten moeten dragen, waarbij zij naar verhouding te weinig profiteren van de economische voordelen; herhaalt dat kleine dammen voor hydro-elektriciteit duurzamer zijn en economisch gezien een grotere levensvatbaarheid hebben dan grote dammen voor hydro-elektriciteit;

11.  doet de aanbeveling dat financieringsagentschappen (bilaterale hulpinstellingen, multilaterale ontwikkelingsbanken, exportkredietinstellingen en de EIB) ervoor moeten zorgen dat elke optie voor de aanleg van een dam waarvoor financiering is goedgekeurd, in overeenstemming is met de richtsnoeren van de Wereldcommissie voor dammen; benadrukt in het bijzonder dat de beoogde aanleg van een dam altijd moet worden geëvalueerd op basis van vijf waarden: rechtvaardigheid, efficiëntie, op participatie gebaseerde besluitvorming, duurzaamheid en verantwoordingsplicht; wijst er met name op dat dergelijke processen, wanneer projecten van invloed zijn op inheemse volkeren en stammen, in het teken moeten staan van hun vrije, voorafgaande en weloverwogen toestemming;

12.  herinnert eraan dat bio-energie een complexe energiebron is die nauw verband houdt met de landbouw, bosbouw en industrie en die van invloed is op de ecosystemen en biodiversiteit; merkt in het bijzonder op dat de ontwikkeling van biomassa voor energiedoeleinden nieuwe bedreigingen vormt, en wel op het gebied van voedselzekerheid, veiligstelling van grondbezit, ontbossing en bodemverslechtering; herinnert eraan dat de watervoetafdruk van bio-energie ook in acht moet worden genomen, omdat veel delen van Afrika nu al kampen met een tekort aan water en ongeveer een derde van het productieve gebied in Afrika reeds is aangemerkt als droog gebied; benadrukt derhalve de noodzaak om zowel in de EU als in ontwikkelingslanden strenge en bindende milieu- en socialeduurzaamheidscriteria voor de productie van biomassa te ontwikkelen teneinde SDG 7 te verwezenlijken;

13.  onderstreept de noodzaak om zeer efficiënte kooktoestellen en de overgang naar moderne brandstoffen om te koken te ondersteunen en zo de snelle uitputting van houtbronnen tegen te gaan;

14.  vindt het bemoedigend dat er diverse initiatieven op internationaal niveau worden ontplooid ter bevordering van toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, maar hamert erop dat die beter op elkaar moeten worden afgestemd om meer efficiëntie te bewerkstelligen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun en technische bijstand te verlenen bij de uitvoering van het actieplan in het kader van het initiatief voor een Afrikaanse corridor voor schone energie, dat tot doel heeft de helft van de totale vraag naar elektriciteit in 2030 uit schone, inheemse en kosteneffectieve hernieuwbare hulpbronnen te halen, waardoor de uitstoot van koolstofdioxide wordt verminderd; pleit voor een betere coördinatie tussen de financieringsinstellingen, de particuliere sector en de regeringen van ontwikkelingslanden om de doelstellingen sneller te halen; benadrukt dat ondersteuning bij het onderhoud, met voldoende mogelijkheden voor de levering van reserveonderdelen en lokaal opgeleide technische deskundigen noodzakelijk is;

15.  steunt het gebruik van blending wanneer dit het meest efficiënte gebruik van middelen voor ontwikkelingshulp is bij het nastreven van SDG 7, waarbij de aandacht uitgaat naar kleinschalige projecten en deelnemende ondernemingen maatschappelijk verantwoord ondernemerschap aan de dag moeten leggen; verzoekt de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat er geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die ook zonder deze middelen levensvatbaar zouden zijn, ook al dient een particuliere investeerder daarvoor een aanvraag in; is van mening dat de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp ook bij blendingoperaties moeten worden nageleefd, en stelt vast dat afstemming met de ontwikkelingsplannen van de begunstigde landen evenals grootschalige betrokkenheid van belanghebbenden, transparantie en verantwoordingsplicht, coördinatie en efficiëntie en meetbare en tastbare resultaten belangrijk zijn;

16.  dringt aan op geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen en roept ertoe op de aldus vrijgekomen middelen in te zetten voor efficiënt sociaal beleid en voor maatregelen om energie-armoede in ontwikkelingslanden uit te roeien;

17.  benadrukt dat de enige graadmeter van het succes van de EU-maatregelen uiteindelijk de mate is waarin zij bijdragen aan het bewerkstelligen van universele toegang tot energie, met een minimale uitstoot van broeikasgassen, rekening houdend met het beginsel van gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheid;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de groep van landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(2) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 67.
(3) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 83.
(4) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 28.

Juridische mededeling