Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2060(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0365/2016

Ingediende teksten :

A8-0365/2016

Debatten :

PV 12/12/2016 - 17
CRE 12/12/2016 - 17

Stemmingen :

PV 13/12/2016 - 5.6
CRE 13/12/2016 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0487

Aangenomen teksten
PDF 206kWORD 55k
Dinsdag 13 december 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Rechten van vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap
P8_TA(2016)0487A8-0365/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over de rechten van vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap (2016/2060(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin is neergelegd dat gendergelijkheid een van de hoofdbeginselen is waarop de EU berust,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het VN-actieprogramma van Peking (1995) voor gelijkheid, ontwikkeling en vrede,

–  gezien resolutie 1820 (2008), resolutie 1325 (2000) en de zeer recente resolutie 2242 (2015) van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van september 1995, het actieprogramma van de internationale conferentie van de VN over bevolking en ontwikkeling (conferentie van Caïro) van september 1994 en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) (SWD(2015)0500) van 18 november 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 februari 2008 over het Europees nabuurschapsbeleid, van 20 april 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid en van 14 december 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap op 7 mei 2009 in Praag,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap op 28 en 29 november 2013 in Vilnius, getiteld "Oostelijk Partnerschap: de weg vooruit",

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap op 21 en 22 mei 2015 in Riga,

–  gezien de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten (AA's/DCFTA's) tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, Moldavië en Oekraïne, anderzijds,

–  gezien Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument(1) (ENI),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over het actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015‑2019,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het genderactieplan 2016‑2020,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie van 21 september 2015 over gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2020),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(3),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU‑actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 getiteld "Gendercide, ontbrekende vrouwen?(5)",

–  gezien zijn eerdere resoluties en zijn recente resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(6),

–  gezien het project van de Raad van Europa ter verbetering van de toegang van vrouwen tot de rechter in vijf landen van het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa van 2011,

–  gezien de in het kader van het OESO-actieplan van Istanbul voor corruptiebestrijding opgestelde landenverslagen en de voortgangsverslagen voor de landen van het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien de gendergelijkheidsverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name het Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100) van 1951, het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) (nr. 111) van 1958, het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid (nr. 156) van 1981 en het Verdrag inzake de bescherming van het moederschap (nr. 183) van 2000,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0365/2016),

A.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap volgens de verklaring van Praag stoelt op eerbiediging van de beginselen van het internationale recht en op fundamentele waarden, zoals democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden; overwegende dat gendergelijkheid in de verklaring van Riga een veelbelovend nieuw samenwerkingsgebied wordt genoemd;

B.  overwegende dat meer differentiatie tussen en een grotere eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden belangrijke beginselen zijn voor het herziene ENB, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van elk land;

C.  overwegende dat gelijkheid van mannen en vrouwen is vastgelegd in de grondwetten en rechtssystemen van alle landen van het Oostelijk Partnerschap en dat al deze landen de meeste internationale verdragen op dit gebied zonder voorbehoud hebben geratificeerd; overwegende dat vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap helaas nog altijd het slachtoffer zijn van sociale discriminatie;

D.  overwegende dat alle landen van het Oostelijk Partnerschap strategieën, programma's en actieplannen hebben ontwikkeld om de situatie van vrouwen te verbeteren;

E.  overwegende dat in 2015 slechts 17 van de in totaal 136 ministersposten in de landen van het Oostelijk Partnerschap bekleed werden door een vrouw, dat gemiddeld 16 % van de gekozen leden van de parlementen vrouw was en dat gemiddeld slechts 17 % van de hoge ambtenarenposten bekleed werd door een vrouw; overwegende dat in deze hele regio slechts drie politieke partijen geleid worden door een vrouw;

F.  overwegende dat de positie van vrouwen op de arbeidsmarkten van de landen van het Oostelijk Partnerschap gekenmerkt wordt door verticale en horizontale segregatie, en dat deze situatie nog altijd diep verankerd is in de culturele en sociale normen; overwegende dat vrouwen naast hun reguliere baan ook verantwoordelijk zijn voor het huishouden, waarvoor zij niet betaald worden;

G.  overwegende dat de in de samenleving heersende stereotypen de vrouw een ondergeschikte rol toekennen; overwegende dat deze stereotypen zich al in de jeugd ontwikkelen, van invloed blijven op de keuze van opleiding en onderwijs en tot op de arbeidsmarkt doorwerken;

H.  overwegende dat veel vrouwen in plattelandsgebieden die geen andere keus hebben slechtbetaalde banen aannemen in de landbouw, vaak niet officieel geregistreerd werk zonder socialezekerheidsrechten; overwegende dat de gelijke toegang tot werk voor mannen en vrouwen evenals gelijke lonen voor gelijk werk kunnen worden gewaarborgd door een eind te maken aan de ongelijke behandeling van vrouwen en mannen in de landbouw;

I.   overwegende dat vrouwen en mannen in de landen van het Oostelijk Partnerschap vaak moeilijk toegang krijgen tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten en dat arme vrouwen, migranten, etnische minderheden en bewoners van het platteland nog steeds kampen met ernstige belemmeringen; overwegende dat minder dan 50 procent van de vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap gebruikmaakt van moderne anticonceptiemethoden en dat dit cijfer in sommige landen zelfs onder de 20 procent ligt en dat de belangrijkste oorzaken hiervan slechte medische begeleiding, hoge kosten, gebrek aan keuzemogelijkheden en onvoldoende beschikbaarheid van anticonceptiemiddelen zijn;

J.  overwegende dat het nog altijd voorkomt dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld onvoldoende toegang hebben tot de rechter, met name omdat nog niet alle vormen van geweld tegen vrouwen strafbaar zijn, en dat er van deze strafbare feiten zeer vaak geen aangifte wordt gedaan, dat er zeer weinig veroordelingen zijn wegens verkrachting en dat er weinig of geen staatssteun is voor hulpverlening op dit gebied;

K.  overwegende dat er tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap weliswaar grote verschillen bestaan wat betreft de omvang van het geweld tegen vrouwen en de acceptatie van deze vorm van geweld, maar dat er relatief veel geweld tegen vrouwen voorkomt, en dat in vier van de zes landen 20 % van de vrouwen het slachtoffer is geworden van lichamelijk geweld; overwegende dat er onvoldoende vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn om de prevalentie van lichamelijk, seksueel en geestelijk geweld op het werk te bepalen, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid ook komt doordat er weinig aangifte wordt gedaan; overwegende dat vrouwen die tot bepaalde etnische minderheden behoren (bijvoorbeeld Roma) een veel grotere kans lopen het slachtoffer van geweld te worden;

L.  overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap nog altijd landen van herkomst zijn, en in sommige gevallen landen van doorreis en bestemming, voor vrouwenhandel en handel in meisjes, onder meer met het oog op seksuele uitbuiting;

M.  overwegende dat slepende conflicten de ontwikkeling in de regio nog altijd belemmeren en verregaande gevolgen hebben voor het leven en de mensenrechten van de getroffen burgers, waaronder vrouwen en meisjes;

N.  overwegende dat het voortdurende conflict in het oosten van Oekraïne genderstereotypen versterkt die de beschermende rol van de man en de verzorgende en ondersteunende rol van de vrouw benadrukken en betrokkenheid van vrouwen bij het oplossen van het conflict en hun inspanningen op dit gebied belemmeren;

O.  overwegende dat sinds het begin van het conflict in Oekraïne meer dan 1,5 miljoen mensen – waarvan twee derde vrouwen en kinderen – in eigen land ontheemd zijn geraakt en te kampen hebben met een beperkte toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en werk;

P.  overwegende dat Roma-meisjes in Moldavië als gevolg van kindhuwelijken en huwelijken op jonge leeftijd, ongeplande zwangerschappen en zorg voor kinderen gemiddeld minder dan vier jaar naar school gaan, tegenover elf jaar bij meisjes die niet tot de Roma-gemeenschap behoren;

Q.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zich inzetten voor de bescherming, de verwezenlijking en het genot van mensenrechten door vrouwen en meisjes en dat zij de mensenrechten in het kader van al hun buitenlandse betrekkingen, ook op andere gebieden dan ontwikkelingssamenwerking, krachtig bepleiten;

R.  overwegende dat gendergelijkheid binnen het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) een horizontale prioriteit blijft en dat in het kader van het herziene ENB meer steun moet worden geboden aan het maatschappelijk middenveld en dat de focus opnieuw moet komen te liggen op het belang van gendergelijkheid; overwegende dat het maatschappelijk middenveld een zeer belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van gendergelijkheid in de landen van het Oostelijk Partnerschap;

S.  overwegende dat diverse EU-programma's, zoals Erasmus+, Cosme, Creatief Europa en Horizon 2020 openstaan voor de landen van het Oostelijk Partnerschap;

T.  overwegende dat prenatale zorg en goede verloskundige begeleiding bij de bevalling en de beschikbaarheid van spoedeisende verloskundige hulp en essentiële voorzieningen van cruciaal belang zijn om moedersterfte tegen te gaan; overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap nog steeds een achterstand hebben als het erom gaat alle vrouwen te bereiken, met name vrouwen in de armste en meest afgelegen gebieden en vrouwen uit gemarginaliseerde groepen, zoals nationale minderheden, migranten en vrouwen met een handicap;

1.  meent dat de situatie op het gebied van vrouwenrechten in de landen van het Oostelijk Partnerschap moet worden verbeterd; wijst erop dat grote economische veranderingen en economische onzekerheid negatieve gevolgen hebben gehad voor de economische situatie van vrouwen, en ertoe geleid hebben dat de gelijkheid van mannen en vrouwen de facto is afgenomen;

2.  wijst erop dat algehele politieke stabiliteit en eerbiediging van de mensenrechten doorgaans een noodzakelijke voorwaarde vormen voor de versterking van de vrouwenrechten en de verbetering van de situatie van vrouwen in de betrokken landen;

3.  meent dat er onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen in de landen van het Oostelijk Partnerschap die erop gericht zijn de gelijkheid van mannen en vrouwen in de samenleving te verbeteren, waaronder de vaststelling van nationale actieplannen en samenwerking met internationale organisaties en actoren uit het maatschappelijk middenveld;

4.  dringt er bij de landen van het Oostelijk Partnerschap op aan lacunes in hun wet- en regelgeving op het gebied van de bestrijding van discriminatie te dichten en de toepassing van anti‑discriminatiewetgeving op het gebied van discriminatie wegens geslacht alsmede van internationale normen in rechterlijke uitspraken te bevorderen, om een betere handhaving van de wetgeving mogelijk te maken en een eind te maken aan de schending van de vrouwenrechten in die landen;

5.  merkt op dat LGTBI-personen in enkele landen van het Oostelijk Partnerschap nog altijd in een precaire en zorgwekkende situatie verkeren, ondanks het feit dat homoseksualiteit uit het strafrecht is gehaald; veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen alle vormen van discriminatie van en geweld jegens LGBTI-personen en roept de nationale autoriteiten op beleidsmaatregelen vast te stellen ter bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van seksuele geaardheid;

6.  wijst erop dat er bewustmakingscampagnes moeten worden opgezet en institutionele veranderingen moeten worden doorgevoerd om een einde te maken aan de hardnekkige stereotypering van vrouwen, die negatieve gevolgen heeft voor de deelname van vrouwen op alle maatschappelijke gebieden;

7.  dringt er bij de nationale autoriteiten op aan waakzaam en standvastig te zijn en straffen op te leggen aan personen die LGBTI-personen beledigen of stigmatiseren, met name bij overheidsdiensten en in de openbare ruimte;

Deelname van vrouwen aan besluitvormingsprocessen

8.  betreurt dat machtsposities in de landen van het Oostelijk Partnerschap bijzonder en opvallend weinig door vrouwen worden bekleed;

9.  wijst erop dat in de politieke arena in de landen van het Oostelijk Partnerschap nog altijd sprake is van discriminerende praktijken en dat zelfs als vrouwen erin geslaagd zijn op hoog niveau politiek actief te zijn of een belangrijke besluitvormende positie te bekleden, hun vaardigheden en bekwaamheden in twijfel worden getrokken;

10.  dringt erop aan dat vrouwen gelijke toegang hebben tot macht en dat vrouwen op alle bestuurs- en besluitvormingsniveaus vertegenwoordigd zijn, teneinde leiderschap van vrouwen te bevorderen; erkent dat maatschappelijke organisaties en internationale ngo's een essentiële rol spelen bij het bevorderen van positieve hervormingen en maatregelen ter bescherming van de rechten van vrouwen en ter versterking van hun deelname aan politieke en economische activiteiten; pleit voor de uitwisseling van goede praktijken inzake de bevordering van de politieke participatie van vrouwen bij gedecentraliseerde instellingen en lokale instanties; wijst erop dat het best duurzame resultaten kunnen worden bereikt wanneer politieke partijen het voortouw nemen en benadrukt daarom de centrale rol die de Europese politieke partijen en hun vrouwenafdelingen op dit gebied spelen;

11.  dringt er bij de landen van het Oostelijk Partnerschap op aan leiderschap van vrouwen en deelname aan de politiek door vrouwen te bevorderen en versterken; benadrukt dat een grotere participatie van vrouwen in overheidsorganen die belast zijn met het doorvoeren van belangrijke hervormingen, bijvoorbeeld op het gebied van corruptiebestrijding of op het gebied van de economie, voordelen zal opleveren; is ingenomen met alle inspanningen om dit doel te bereiken, zoals bindende quota voor kandidatenlijsten, beurzen, scholing en ondersteuning voor vrouwelijke politici en activisten, mentorprogramma's en bewustmakingscampagnes die het beeld van vrouwen in de media veranderen;

12.  onderstreept dat de Parlementaire Vergadering Euronest een positieve rol kan spelen bij het bevorderen van de politieke participatie van vrouwen en het vergroten van hun zichtbaarheid in het Oostelijk Partnerschap; is verheugd over de eerste bijeenkomst van het Vrouwenforum van de Parlementaire Vergadering Euronest, die in maart 2016 heeft plaatsgevonden; spreekt zich daarnaast meer algemeen uit voor de oprichting en ondersteuning door de EU van transnationale vrouwennetwerken in de politiek;

13.  verleent zijn volledige steun aan de deelname en de rol van vrouwen in gouvernementele en non‑gouvernementele organisaties die zich bezighouden met corruptiebestrijding, acties en programma's en in het kader van corruptiebestrijding; is van oordeel dat een sterkere deelname van vrouwen aan het politieke leven en een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in hogere bestuursfuncties in de landen van het Oostelijk Partnerschap zouden bijdragen aan de vernieuwing van de politieke klasse, en daarmee ook aan de lopende politieke overgangsprocessen;

14.  herinnert eraan dat in de verslagen van verkiezingswaarnemingsmissies van de EU en andere internationale verkiezingswaarnemingsmissies aanbevelingen worden gedaan over de deelname van vrouwen aan het verkiezingsproces; verzoekt de EU om in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid volledig rekening te houden met deze aanbevelingen;

Economische participatie van vrouwen

15.  merkt op dat vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap relatief goed geïntegreerd zijn op de arbeidsmarkt, maar dat de economische participatie van vrouwen de laatste tijd is afgenomen;

16.  merkt op dat genderstereotypen en discriminatie van vrouwen in de weg staan aan betere integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, en de oorzaak zijn van extra belemmeringen voor vrouwen die ondernemersactiviteiten willen ontplooien;

17.  betreurt dat vrouwen in veel hogere mate vertegenwoordigd zijn in de dienstensector en bij de overheid, waar de lonen een stuk lager liggen dan in de sectoren waarin de meerderheid van de werknemers man is, dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog altijd groot is en wel kan oplopen tot 50 % en dat vrouwen die een leidinggevende functie ambiëren te maken krijgen met culturele en sociologische belemmeringen, zoals ook in de EU vaak het geval is;

18.  betreurt dat vrouwen voornamelijk in lagelonensectoren actief zijn, ondanks het feit dat vrouwen in alle landen van het Oostelijk Partnerschap gemiddeld hoger zijn opgeleid dan mannen; roept ertoe op vrouwen te betrekken bij de besluitvorming over en de tenuitvoerlegging van het economisch beleid en pleit voor het stimuleren van bedrijfsprogramma's voor de integratie en de bevordering van de positie van vrouwen in ondernemingen, alsook voor de tenuitvoerlegging van lokale ontwikkelingsprogramma's die gericht zijn op versterking van de economische positie van vrouwen; pleit voor een gerichte aanpak om voor meer vrouwelijke rolmodellen in leidinggevende functies te zorgen, teneinde vrouwen van de jongere generatie ervan te overtuigen dat zij op alle terreinen van het beroepsleven een leidende positie kunnen bekleden; benadrukt dat vrouwen actief moeten deelnemen in vakbonden en wijst erop dat discriminerende juridische en structurele belemmeringen voor vrouwen in de werkomgeving dringend moeten worden weggenomen, om te komen tot gelijke beloning voor gelijk werk, zodat er een eind wordt gemaakt aan de genderkloof op het gebied van beloning en pensioenen;

19.  benadrukt dat betaalbare kinderopvang en duidelijke regelingen voor ouderschapsverlof voorwaarden zijn voor een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen; merkt op dat het feit dat niet aan deze voorwaarden is voldaan er in sommige gevallen toe leidt dat meisjes en jonge vrouwen geen scholing volgen of worden belemmerd in hun loopbaanontwikkeling, omdat zij voor hun broertjes of zusjes moeten zorgen;

20.  onderstreept dat de verantwoordelijkheid voor de verzorging van ouderen en afhankelijke personen veelal bij vrouwen ligt en dat vrouwen met kinderen vaak moeilijkheden ondervinden bij herintreding in het beroepsleven; benadrukt dat een gelijke verdeling van onbetaald werk zoals zorg en huishoudelijke taken tussen mannen en vrouwen een van de voorwaarden is voor de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en hun economische onafhankelijkheid; dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan het netwerk van kwalitatief hoogstaande zorgvoorzieningen voor ouderen en afhankelijke personen verder te versterken;

21.  benadrukt dat de beschermende juridische bepalingen die sommige landen van het Oostelijk Partnerschap kennen en die een verbod inhouden op het tewerkstellen van vrouwen in potentieel gevaarlijke beroepen, de toegang van vrouwen tot bepaalde beroepen en werkzaamheden belemmeren en hun kansen op de arbeidsmarkt verder verkleinen; dringt er bij deze landen op aan deze bepalingen te herzien;

22.  wijst op het belang van hoogwaardig onderwijs en hoogwaardige beroepsopleidingen voor vrouwen en meisjes voor de integratie van deze groepen in de arbeidsmarkt, en op de rol van onderwijs bij het wegnemen van de stereotypen die bestaan met betrekking tot de rol van vrouwen; benadrukt dat het belangrijk is om te zorgen voor doelgerichte steun aan en mentoring van vrouwelijke ondernemers, omdat zij vaak onvoldoende mogelijkheden hebben om aan financiële middelen te komen, onvoldoende toegang hebben tot handelsnetwerken en te maken krijgen met veel administratieve formaliteiten;

23.  moedigt de ontwikkeling van een sociale economie voor vrouwen aan, alsmede vergemakkelijking van het gebruik van microkredieten als een instrument ter bevordering van de economische onafhankelijkheid van vrouwen en ter bevordering van ondernemingsprogramma's die erop gericht zijn de rol van vrouwen in het bedrijfsleven te versterken; wijst in dit verband op het cruciale belang van transparantie ten aanzien van, eerlijke toegang tot en beschikbaarheid van informatie over de financiële steuninstrumenten;

24.  dringt erop aan dat alle kinderen gelijke toegang krijgen tot onderwijs, onder meer op het niveau van kinderopvang, voorschools onderwijs, basis-, secundair en universitair onderwijs en tot vakken op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan onderwijs voor meisjes in plattelandsgebieden, door meisjes op jonge leeftijd scholing te bieden en te stimuleren, aangezien dit de groei in deze voor de economische ontwikkeling belangrijke sector bevordert; dringt erop aan vrouwen toe te laten tot opleidingen en beroepen waartoe zij tot op heden nog geen toegang hebben; wijst op het probleem van kinderarbeid dat ertoe leidt dat kinderen onvoldoende onderwijs of opleiding krijgen, waardoor hun latere kansen op de arbeidsmarkt dalen; spreekt zich uit voor een bredere samenwerking tussen de partnerlanden en de agentschappen en programma's van de EU, zoals Horizon 2020, Creatief Europa, COSME en Erasmus+;

25.  onderstreept dat kinderarbeid in enkele landen van het Oostelijk Partnerschap, met name Moldavië, Georgië en Azerbeidzjan, nog altijd een ernstig probleem vormt; roept die landen op specifieke streefcijfers vast te stellen om alle vormen van kinderarbeid af te schaffen en ervoor te zorgen dat de wetgeving op dit gebied ten volle wordt gehandhaafd;

Geweld tegen vrouwen

26.  wijst erop dat huiselijk geweld en gendergerelateerd geweld moeten worden bestreden, met inbegrip van seksuele intimidatie, gedwongen draagmoederschap en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting in de landen van het Oostelijk Partnerschap, waarvan in veel gevallen geen aangifte wordt gedaan omdat dergelijk gedrag sociaal geaccepteerd is;

27.  veroordeelt het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes als oorlogswapen, waaronder massaverkrachtingen, seksuele slavernij, prostitutie en genderspecifieke misdrijven, waaronder mensenhandel, en sekstoerisme; wijst met klem op de noodzaak om gedwongen huwelijken, zoals gedefinieerd door de Verenigde Naties, met inbegrip van kindhuwelijken en huwelijken op jonge leeftijd, tegen te gaan en roept de oostelijke buurlanden op elke vorm van uitbuiting en misbruik van vrouwen in verband met draagmoederschap consequent te bestrijden; verzoekt de landen van het Oostelijk Partnerschap dringend maatregelen te nemen ter voorkoming en vervolging van deze ernstige misdrijven wanneer die worden gepleegd binnen hun jurisdictie, en zelfs buiten hun eigen grondgebied; wijst erop dat er voldoende middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor initiatieven ter bestrijding van geweld jegens vrouwen en meisjes, teneinde een langdurigere toegang van slachtoffers en nabestaanden tot doeltreffende diensten te waarborgen, die daarom over voldoende personeel en passende capaciteiten moeten beschikken; pleit ervoor dat er met spoed positieve maatregelen worden vastgesteld, zoals programma's voor beroepsonderwijs, voor slachtoffers van geweld, met name voor slachtoffers die kinderen onder hun hoede hebben, met als doel om hen te integreren in de arbeidsmarkt;

28.  wijst erop dat gendergerelateerde misdrijven en seksueel geweld in het Statuut van Rome worden ingedeeld bij de oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid of handelingen die de grondslag vormen voor genocide of foltering; is in dit verband ingenomen met resolutie 2106 van de VN‑Veiligheidsraad inzake de voorkoming van seksueel geweld tijdens gewapende conflicten, aangenomen op 24 juni 2013;

29.  benadrukt dat er doeltreffende beschermingsmechanismen moeten komen voor verdedigers van vrouwenrechten;

30.  dringt er bij de landen van het Oostelijk Partnerschap op aan meer middelen beschikbaar te stellen voor de bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen, juridische instrumenten te herzien en steun te verlenen aan slachtoffers van geweld; benadrukt dat er institutionele veranderingen moeten worden doorgevoerd om maatschappelijke stereotypen die zorgen voor stigmatisering van slachtoffers van verkrachting en geweld te bestrijden;

31.  wijst op het belang van doelstelling nr. 5 van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en met name op punt 2 van die doelstelling, waarin wordt aangedrongen op de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes in het openbare en in het privéleven, en benadrukt dat in de landen van het Oostelijk Partnerschap de bestaande wetgeving inzake geweld jegens vrouwen en meisjes moet worden herzien om ervoor te zorgen dat dergelijk geweld adequaat wordt voorkomen en uitgebannen, waarbij er in het bijzonder op moet worden gelet dat de wetgeving alle vormen van geweld (fysiek, seksueel, psychologisch, economisch) aanpakt en in passende straffen voor de daders voorziet, evenals in passende schadevergoedingen voor slachtoffers en nabestaanden;

32.  roept de landen van het Oostelijk Partnerschap op maatregelen te ontwikkelen die ervoor moeten zorgen dat de strafrechtketen gendergevoelig is, onder meer via scholing van beoefenaars van juridische beroepen, politieagenten en ander personeel dat met aangiften van en processen-verbaal over geweld jegens vrouwen en meisjes is belast, zodat de slachtoffers van dergelijk geweld naar behoren worden gehoord; pleit voorts voor een sterkere samenwerking tussen en versterking van de deskundigheid van politiemensen, juristen, artsen, psychologen, autoriteiten en vrijwilligersorganisaties die met slachtoffers van dergelijk geweld te maken hebben;

33.  herhaalt dat geslachtsselectie een ernstige vorm van gendergerelateerd geweld is en tevens een schending van de mensenrechten; pleit voor bewustmakingscampagnes om de houding van de maatschappij ten opzichte van geslachtsselectie te veranderen en dringt aan op meer inspanningen om deze praktijken te bestrijden en te voorkomen;

34.  verzoekt de regeringen hun inspanningen op het gebied van onderzoek en vervolging van personen die verdacht worden van mensenhandel te intensiveren, mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenhandel met het oog op arbeids- of seksuele uitbuiting te veroordelen, de integriteit van de betrokken vrouwen overeenkomstig het "Noordse model" te beschermen en ngo's te steunen die slachtoffers helpen bij hun rehabilitatie en re‑integratie;

35.  dringt aan op meer samenwerking tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap aan de ene kant en EU‑agentschappen en rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten aan de andere kant, om mensenhandel, een van de meest lucratieve activiteiten van de georganiseerde misdaad, te bestrijden en criminele netwerken te ontmantelen;

36.  dringt er bij de landen van het Oostelijk Partnerschap op aan dat zij het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zo snel mogelijk ratificeren, aangezien geen van de betrokken landen dat tot nu toe heeft gedaan, en verzoekt de autoriteiten nationale strategieën op te stellen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en er nauwlettend op toe te zien dat deze strategieën daadwerkelijk worden uitgevoerd;

37.  dringt aan op de uitvoering van het actieprogramma van Peking op het gebied van onderwijs en gezondheid als basismensenrechten, waaronder toegang tot vrijwillige gezinsplanning, tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, met inbegrip van anticonceptie, veilige en legale abortus en tot seksuele voorlichting;

38.  wijst erop dat de kans op overlijden aan baarmoederhalskanker in de landen van het Oostelijk Partnerschap tien keer zo hoog is als in West-Europa, dat baarmoederhalskanker de meest voorkomende vorm van kanker is bij vrouwen tussen de 15 en 44 jaar, en dat deze ziekte daarom ingrijpende gevolgen heeft voor de samenleving; pleit voor op nationaal niveau georganiseerde screening- en vaccinatieprogramma's om deze trend te keren;

39.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de rechten die aan vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap worden toegekend, zoals een visum, het recht om legaal in een land te verblijven en sociale rechten, aan het individu worden toegekend en niet afhankelijk zijn van de burgerlijke staat of echtelijke relatie van de vrouw in kwestie;

40.  wijst op de noodzaak van procedures voor gezinshereniging in het kader waarvan de individuele rechten van vrouwen en meisjes die zich in de EU met hun familieleden herenigen gewaarborgd worden, zodat zij voor gezondheidszorg, onderwijs en werk niet afhankelijk hoeven te zijn van een relatie met een familielid waarbij mogelijk sprake is van misbruik;

De rol van vrouwen bij de vreedzame oplossing van conflicten

41.  wijst op de rol die vrouwen spelen bij de oplossing van conflicten, bij vredesopbouw en in noodsituaties ten gevolge van conflicten, bijvoorbeeld door humanitaire hulp te bieden aan ontheemden; benadrukt dat vrouwen ten volle betrokken moeten worden bij vredesonderhandelingen, wederopbouw en politieke transities;

42.  dringt aan op meer inspanningen op het gebied van de vreedzame oplossing van conflicten en op meer betrokkenheid van vrouwen bij dergelijke processen, in overeenstemming met de Resoluties 1325 en 2242 van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid;

43.  dringt aan op specifieke bescherming voor vrouwen en meisjes die asiel zoeken, omdat vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn en mogelijk op de vlucht zijn voor gendergerelateerd geweld, maar misschien niet in staat of niet bereid zijn relevante informatie bekend te maken tijdens het proces tot vaststelling van de vluchtelingenstatus;

Voorbeelden van beste praktijken

44.  wijst op het belang van de uitwisseling van beste praktijken en goede praktijkvoorbeelden, die in andere landen van het Oostelijk Partnerschap navolging kunnen krijgen; is van oordeel dat één van de projecten die onder de aandacht gebracht moet worden het project "Vrouwen in de politiek in Moldavië" is, een initiatief van UN Women – UNDP, gefinancierd door de Zweedse regering, ter ondersteuning van de capaciteitsopbouw van vrouwen in de politiek en bewustmakingscampagnes bedoeld om de bijdrage van vrouwen in het politieke proces te vergroten;

45.  is ingenomen met het programma "Women in Business" voor de landen van het Oostelijk Partnerschap, gefinancierd door de EU en de EBWO, dat kleine en middelgrote ondernemingen die geleid worden door vrouwen financieringsmogelijkheden en zakelijk advies biedt door middel van kredietlijnen, risicobeheersondersteuning en technische ondersteuning voor lokale partnerbanken die door vrouwen geleide ondernemingen steunen, en door middel van adviesverlening aan bedrijven, training en mentoring;

46.  wijst op positieve voorbeelden van meer betrokkenheid van vrouwen bij conflictoplossing en verzoening, zoals de Trans-Caucasus Women’s Peace and Security Dialogue, die tot stand werd gebracht in 1994 en ontwikkeld werd door de National Peace Foundation (uit de VS), om vrouwen in de Kaukasus de gelegenheid te bieden te werken aan projecten gericht op de rehabilitatie van minderjarige slachtoffers van de oorlog, vredestraining of democratieopbouw;

47.  steunt projecten voor het mondig maken van vrouwen, die erop gericht zijn vrouwen meer zelfvertrouwen te geven, hun participatie in de maatschappij te vergroten, hun positie te versterken en de kans geven om beslissingen te nemen op alle gebieden van hun leven; wijst in het bijzonder op de rol van de vrijheid van mening en meningsuiting bij het mondig maken van vrouwen; is een groot voorstander van projecten voor het mondig maken van vrouwen die erop gericht zijn de participatie van vrouwen in lokale verkiezingen te bevorderen, zoals het WILD-project (Women in Local Democracy), dat ervoor gezorgd heeft dat 70 % van de deelneemsters aan het project tijdens de verkiezingen van 2013 en 2014 in Armenië werd verkozen, en projecten ter bevordering van de deelname van vrouwen bij de tenuitvoerlegging van het economisch beleid, zoals het UNDP-project dat momenteel in Azerbeidzjan wordt uitgevoerd en dat ten doel heeft de oprichting van door vrouwen geleide bedrijven in de regio Masalli te steunen; is ingenomen met het project van de Raad van Europa ter verbetering van de toegang van vrouwen tot de rechter in vijf landen van het Oostelijk Partnerschap, dat erop is gericht belemmeringen voor de gelijke toegang van vrouwen tot de rechter in kaart te brengen en weg te nemen en de landen van het Oostelijk Partnerschap te helpen om maatregelen te ontwerpen die ervoor moeten zorgen dat de strafrechtketen gendergevoelig is, onder meer door middel van de opleiding van beoefenaars van juridische beroepen;

EU-steun in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid

48.  benadrukt dat de afgelopen 5 jaar 103 miljoen EUR is besteed aan 121 projecten en programma's ter bevordering van gendergelijkheid in de nabuurschapslanden, waarvan 5 miljoen EUR voor het programma "Women in Business" in de landen van het Oostelijk Partnerschap; constateert dat de EU al een flink bedrag aan steun heeft verstrekt om de doelstellingen op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid te bereiken, onder meer via steun voor het instrument Taiex peer‑to‑peer, dat een bijdrage levert aan hervorming van het openbaar bestuur en dat samenwerking bevordert op het gebied van grondbeginselen en beleid;

49.  wijst erop dat gendergelijkheid wordt toegepast bij alle maatregelen in het kader van het ENB en het ENI, maar dat er op het gebied van gendergelijkheid gedetailleerdere en meetbaarder doelstellingen moeten worden nagestreefd, onder meer bij de uitvoering van het nieuwe EU‑actieplan voor gendergelijkheid in het kader van ontwikkeling voor 2016‑2020; wijst op de dringende noodzaak van gendermainstreaming als strategie ter bevordering van gendergelijkheid en van positieve maatregelen in de nationale actieplannen van het Europees nabuurschapsbeleid;

50.  verzoekt de Commissie om op alle gebieden van het Europees nabuurschapsbeleid en het Europees nabuurschapsinstrument gendermainstreaming te gebruiken en er zo voor te zorgen dat specifieke doelstellingen inzake gendergelijkheid worden geformuleerd en de verwezenlijking ervan wordt gemonitord;

51.  merkt op dat in het kader van het herziene ENB in landenspecifieke verslagen bijzondere aandacht moet worden besteed aan de met de partners overeengekomen prioriteiten; is ingenomen met het feit dat in de periodieke verslagen, waarin de ontwikkelingen in de nabuurschapslanden worden gevolgd, ook aandacht zal worden besteed aan gendergelijkheid;

52.  dringt erop aan dat vrouwenrechten en gendergelijkheidskwesties opgenomen worden als onderwerp op de agenda voor de reguliere politieke dialoog en de mensenrechtendialoog met de landen van het Oostelijk Partnerschap, evenals voorstellen voor maatregelen;

53.  onderstreept de belangrijke rol van parlementaire diplomatie op alle bovengenoemde gebieden en de noodzaak tot uitwisseling van beste praktijken;

54.  acht het van belang dat er geharmoniseerde gegevens worden verzameld over de situatie van vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap; is er voorstander van dat de gendergelijkheidsindex die is ontwikkeld door het Europees Instituut voor gendergelijkheid wordt gebruikt in landen van het Oostelijk Partnerschap, in het kader van projecten die gefinancierd worden via het ENI;

55.  benadrukt dat via het ENI steun verleend moet worden aan lokale vrouwenorganisaties en maatschappelijke organisaties, omdat die het best in staat zijn de lokale bevolking te bereiken en een bijdrage te leveren op het gebied van voorlichting en om de problemen van vrouwen en meisjes in de regio aan te pakken;

56.  moedigt de lidstaten aan sterkere bilaterale en multilaterale betrekkingen met de landen van het Oostelijk Partnerschap aan te knopen en actief deel te nemen aan het verlenen van steun voor overgangsprocessen en technische bijstand en het uitwisselen van kennis; is van mening dat de geografisch dicht bij de landen van het Oostelijk Partnerschap gelegen lidstaten er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen nauwere betrekkingen te faciliteren en andere lidstaten bij partnerschappen in het kader van het Oostelijk Partnerschap te betrekken;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0018.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.
(5) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 21.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.

Juridische mededeling