Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 12 mei 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Krim-Tataren
 Gambia
 Djibouti
 Verplichte automatische gegevensuitwisseling op het vlak van belastingen *
 Traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel
 De markteconomiestatus van China
 Follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling
 Verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen
 Raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof
 Voorkoming en bestrijding van mensenhandel

Krim-Tataren
PDF 179kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de Krim-Tataren (2016/2692(RSP))
P8_TA(2016)0218RC-B8-0582/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over het oostelijke partnerschap, Oekraïne en de Russische Federatie,

–  gezien het rapport van de Human Rights Assessment Mission naar de Krim van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), en het rapport van de hoge commissaris voor de nationale minderheden (HCNM) van de OVSE,

–  gezien het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en de verklaring van de VN over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP),

–  gezien de besluiten van de Europese Raad van 21 maart, 27 juni en 16 juli 2014 betreffende het opleggen van sancties aan de Russische Federatie naar aanleiding van de illegale annexatie van de Krim,

–  gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld "Territorial integrity of Ukraine",

–  gezien het rapport "Freedom in the World in 2016" van Freedom House, waarin de situatie van de politieke en burgerlijke vrijheden in de illegaal geannexeerde Krim als "niet vrij" wordt beoordeeld,

–  gezien de uitspraak van het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim van 26 april 2016, op grond waarvan de Mejlis van de Krim-Tataren als extremistische organisatie wordt aangemerkt die niet langer actief mag zijn op het schiereiland de Krim,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 14 april 2016 over de schorsing van de activiteiten van de Mejlis van de Krim-Tataren en van 26 april 2016 over het besluit van het "Hooggerechtshof" van de Krim om een verbod uit te vaardigen op de activiteiten van de Mejlis,

–  gezien de verklaring van de commissaris voor mensenrechten van de Raad van Europa van 26 april 2016, waarin hij oproept tot intrekking van het verbod op de Mejlis, en gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de Raad van Europa van 26 april 2016, waarin hij stelt dat het verbod op de Mejlis mogelijk de gehele Krim-Tataarse gemeenschap raakt,

–  gezien het protocol van Minsk van 5 september 2014 en het memorandum van Minsk van 19 september 2014 over de tenuitvoerlegging van een 12 punten tellend vredesplan,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Russische Federatie de Krim en Sevastopol illegaal heeft geannexeerd en daarmee een bezettende staat is die het internationaal recht heeft geschonden, met inbegrip van het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki, het Memorandum van Boedapest van 1994 en het Verdrag inzake vriendschap, samenwerking en partnerschap tussen de Russische Federatie en Oekraïne van 1997;

B.  overwegende dat de Europese Unie en de internationale gemeenschap herhaaldelijk hun bezorgdheid hebben geuit over de mensenrechtensituatie in de bezette gebieden en over de systematische vervolging van degenen die de nieuwe autoriteiten niet erkennen; overwegende dat deze zogeheten autoriteiten de inheemse gemeenschap van Krim-Tataren tot hun doelwit hebben gemaakt, waarvan een meerderheid gekant is tegen de Russische machtsovername en het zogenoemde referendum van 16 maart 2014 heeft geboycot; overwegende dat Krim-Tataarse instellingen en organisaties in toenemende mate als "extremistisch" worden aangemerkt en dat prominente leden van de Krim-Tataarse gemeenschap als "terroristen" worden bestempeld en gearresteerd worden, of het risico op arrestatie lopen; overwegende dat misdrijven jegens de Tataren worden gepleegd, onder meer ontvoering, gedwongen verdwijning, geweld, marteling en buitengerechtelijke executies die de dienstdoende autoriteiten weigeren te onderzoeken en te vervolgen, en dat de Tataren stelselmatige juridische problemen over eigendomsrechten en registratie ondervinden;

C.  overwegende dat leiders van de Krim-Tataren, waaronder Mustafa Dzhemilev en Rafat Chubarov, al eerder de toegang tot de Krim is ontzegd, en dat zij thans toestemming hebben de Krim binnen te gaan, maar bedreigd worden met arrestatie, waarmee zij het lot delen van verscheidene andere leden van de Mejlis, Krim-Tataarse activisten en ontheemden; overwegende dat meer dan 20 000 Krim-Tataren de bezette Krim hebben moeten verlaten en zich naar het vasteland van Oekraïne hebben begeven, zoals blijkt uit door de Oekraïense regering verstrekte gegevens;

D.  overwegende dat de leider van de Krim-Tataren, Mustafa Dzhemilev, die voorheen 15 jaar in Sovjetgevangenschap heeft gezeten, een lijst van 14 Krim-Tataren openbaar heeft gemaakt die politieke gevangenen zijn van de zogeheten Russische autoriteiten van de Krim, waaronder Ahtem Çiygoz, de eerste vicevoorzitter van de Mejlis, die in afwachting van zijn proces gedetineerd is in Simferopol; verlangt dat bijzondere aandacht aan diens gezondheid wordt besteed en onderstreept hoe belangrijk het is dat hij een openbaar proces krijgt waarop de Raad van Europa en andere internationale organisaties nauwlettend toezicht houden;

E.  overwegende dat de Russische Federatie de Krim beperkt toegankelijk heeft gemaakt voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de VN en de Raad van Europa, om niet te spreken van ngo's voor de mensenrechten en onafhankelijke journalisten; overwegende dat dit het erg moeilijk maakt om de mensenrechtensituatie op de Krim in kaart te brengen en er verslag over uit te brengen;

F.  overwegende dat de totale bevolking van Krim-Tataren, een inheemse bevolkingsgroep op de Krim, in 1944 naar andere delen van de USSR is gedeporteerd en pas in 1989 werd toegestaan terug te keren; overwegende dat de Verkhovna Rada van Oekraïne op 12 november 2015 een resolutie heeft aangenomen waarin de deportatie van de Krim-Tataren in 1944 als genocide wordt erkend en 18 mei tot een dag van herinnering wordt uitgeroepen;

G.  overwegende dat het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim zich op 26 april 2016 heeft uitgesproken vóór een verzoek van de zogenoemde procureur-generaal van de Krim, Natalia Poklonskaja, waarin zij de Mejlis beschuldigt van extremisme, schendingen van de mensenrechten, illegale handelingen en sabotage gericht tegen de autoriteiten, ook al fungeert de Mejlis sinds zijn oprichting in 1991 als het representatieve orgaan van de Krim-Tataren en geniet de raad sinds mei 1999 een volwaardige juridische status;

H.  overwegende dat de Mejlis inmiddels is bestempeld als extremistische organisatie en toegevoegd is aan de door het Russische Ministerie van Justitie opgestelde lijst van ngo's wier activiteiten gestaakt moeten worden; overwegende dat de activiteiten van de Mejlis daarom verboden zijn op de Krim en in Rusland; overwegende dat dit verbod kan gelden voor meer dan 2 500 leden van 250 mejlises in dorpen en steden op de Krim;

I.  overwegende dat het besluit van de "procureur-generaal" en het "Hooggerechtshof" van de Krim intrinsiek deel uitmaken van een door de Russische Federatie gevoerd beleid van repressie en intimidatie, waarmee deze minderheid wordt gestraft voor zijn loyaliteit aan de Oekraïense staat tijdens de illegale annexatie van het schiereiland twee jaar geleden;

J.  overwegende dat sprake is van een evidente schending van het internationaal humanitair recht (waaronder het Vierde Haagse Verdrag van 1907, het Vierde Verdrag van Genève van 1949 en aanvullend Protocol nr. I daarbij van 1977), uit hoofde waarvan een bezettingsmacht burgers niet kan vervolgen voor misdrijven die zij begingen voor de bezetting, en dat bepaalt dat het strafrecht van het bezette gebied van kracht blijft;

1.  veroordeelt ten stelligste het besluit van het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim om de Mejlis van de Krim-Tataren te verbieden, en verlangt dat dit verbod onmiddellijk wordt ingetrokken; beschouwt dit besluit als een systematische en doelgerichte vervolging van de Krim-Tataren en als een politiek gemotiveerde maatregel waarmee verdere intimidatie van de wettige vertegenwoordigers van de Tataarse gemeenschap wordt beoogd; benadrukt hoe belangrijk dit democratisch gekozen besluitvormingsorgaan van de Krim-Tataren is;

2.  herinnert eraan dat het verbod op de Mejlis van de Krim-Tataren - het wettige en erkende representatieve orgaan van de inheemse bevolking van de Krim - een voedingsbodem zal bieden voor stigmatisering en verdere discriminatie van de Krim-Tataren, alsmede voor schending van hun mensenrechten en fundamentele burgerlijke vrijheden, en een poging is hen van de Krim te verdrijven, terwijl de Krim hun historische thuisland is; vreest dat het bestempelen van de Mejlis als extremistische organisatie aanleiding kan geven tot nieuwe aanklachten overeenkomstig de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie;

3.  herinnert eraan dat het verbod op de Medjlis impliceert dat de raad niet langer bijeen mag komen, zijn standpunten niet kenbaar mag maken in de massamedia, geen openbare manifestaties mag organiseren en evenmin bankrekeningen mag houden; verzoekt de EU de activiteiten van de Mejlis in ballingschap financieel te ondersteunen; verzoekt om meer financiële ondersteuning van mensenrechtenorganisaties die zich inzetten voor de Krim;

4.  herinnert aan het tragische feit dat de illegale annexatie van het schiereiland de Krim door de Russische Federatie van 20 februari 2014 twee jaar geleden is; wijst nogmaals op zijn stellige veroordeling van deze schending van het internationaal recht; benadrukt groot belang te hechten aan het beleid van niet-erkenning van de illegale annexatie van de Krim en de sancties die nadien zijn opgelegd, en vraagt, naar aanleiding van het verbod op de Mejlis, te overwegen of de lijst met personen waarop de EU-sancties gericht zijn uitgebreid kan worden; verzoekt alle lidstaten zich strikt aan deze lijst te houden; betreurt het dat bepaalde politici uit EU-lidstaten, waaronder leden van hun nationale parlementen en van het Europees Parlement, de Krim hebben bezocht, waarbij deze bezoeken zonder instemming van de Oekraïense autoriteiten werden georganiseerd, en verzoekt parlementsleden dergelijke bezoeken in de toekomst achterwege te laten;

5.  bevestigt nogmaals dat het de soevereiniteit, politieke onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen krachtig steunt, alsook het recht van Oekraïne om vrij en soeverein een Europese weg in te slaan; verzoekt alle partijen om zich per direct in te zetten voor de vreedzame reïntegratie van het bezette schiereiland de Krim in de Oekaïense rechtsorde door middel van politieke dialoog en in volledige overeenstemming met het internationaal recht; is van mening dat herstel van de controle van Oekraïne over het schiereiland cruciaal is voor het opnieuw aangaan van coöperatieve betrekkingen met de Russische Federatie, en voor het opheffen van de sancties die naar aanleiding van de Krim zijn opgelegd;

6.  veroordeelt de ernstige inperking van de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering, waaronder in het kader van traditionele herinneringsmanifestaties zoals de herdenking van de deportatie van de Krim-Tataren door het totalitaire Sovjet-regime van Stalin, en van culturele bijeenkomsten van de Krim-Tataren;

7.  veroordeelt de beperkingen van de vrije media op de Krim, in het bijzonder de intrekking van de licentie van de grootste Krim-Tataarse televisiezender ATR; verlangt dat de zender weer in gebruik wordt genomen, alsook de kindertelevisiezender Lale en de radiozender Meydan; is van mening dat deze maatregelen de Krim-Tataren beroven van een cruciaal instrument voor het behoud van hun culturele en taalkundige identiteit; neemt kennis van de lancering van de nieuwe zender TV Millet en verlangt dat de volledige redactionele onafhankelijkheid van deze zender wordt gewaarborgd;

8.  betreurt ten zeerste dat de vrijheid van meningsuiting systematisch wordt ingeperkt onder voorwendsel van extremisme en dat nauwlettend toezicht wordt gehouden op de sociale media met het doel de opsporing van activisten die de nieuwe orde niet erkennen en de geldigheid van het "referendum" van 16 maart 2014 in twijfel trekken; herinnert eraan dat honderd leden van de Algemene Vergadering van de VN hetzelfde standpunt innamen bij het aannemen van resolutie 68/262;

9.  herinnert eraan dat de inheemse bevolkingsgroep van de Krim-Tataren historisch onrecht is aangedaan, waarbij zij op grote schaal gedeporteerd zijn door de Sovjetautoriteiten en hun land en hulpbronnen zijn onteigend; betreurt het feit dat het discriminerende beleid van de zogeheten autoriteiten de teruggave van deze bezittingen en hulpbronnen in de weg staat, of ingezet wordt als instrument om steun te kopen;

10.  dringt erop aan dat de Russische Federatie, die op grond van internationaal humanitair recht de uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft als bezettende staat op de Krim, de rechtsorde op de Krim handhaaft en burgers beschermt tegen willekeurige juridische of bestuurlijke maatregelen en regelingen, en daarmee haar toezeggingen als lid van de Raad van Europa gestand doet, en leiding geeft aan onafhankelijk internationaal onderzoek naar eventuele schendingen van het internationaal recht of de mensenrechten door de bezettende troepen en de zogeheten lokale autoriteiten; verlangt dat de contactgroep voor familie van vermiste personen nieuw leven wordt ingeblazen;

11.  verlangt dat de desbetreffende internationale organen voor de mensenrechten permanent en ongehinderd toegang tot de Krim krijgen, zodat zij toezicht kunnen houden op de mensenrechtensituatie;

12.  is ingenomen met het Oekraïense initiatief voor een internationaal mechanisme in "Genève plus-formaat" voor onderhandelingen over herstel van de soevereiniteit van Oekraïne over de Krim, waarbij ook is voorzien in rechtstreekse betrokkenheid van de EU; roept de Russische Federatie op met Oekraïne en andere partijen onderhandelingen te starten over beëindiging van de bezetting van de Krim en opheffing van de handels- en energie-embargo's, en een eind te maken aan de staat van beleg op de Krim;

13.  dringt erop aan het historische en traditionele multiculturele karakter van de Krim te handhaven en het Oekraïens, Tataars en andere minderheidstalen en culturen volledig te respecteren; veroordeelt de uitoefening van juridische druk op culturele en educatieve organisaties van de Krim-Tataren, met inbegrip van organisaties die zijn gericht op Krim-Tataarse kinderen;

14.  vraagt de Russische Federatie een onderzoek in te stellen naar alle gevallen van foltering van personen die illegaal op de Krim zijn gearresteerd, waaronder Ahtem Çiygoz, ondervoorzitter van de Mejlis, Mustafa Degermendzhi en Ali Asanov, die op de Krim zijn gearresteerd door de zogeheten lokale autoriteiten vanwege hun vreedzame protest tegen de bezetting, en hun een veilige terugkeer naar Oekraïne te garanderen; verzoekt andermaal om vrijlating van Oleg Sentsov en Oleksandr Kolchenko; verzoekt de Russische Federatie met klem een eind te maken aan de politiek gemotiveerde vervolging van dissidenten en burgerrechtenactivisten; veroordeelt het dat zij in dat kader naar de Russische Federatie worden overgebracht en het feit dat zij worden gedwongen het Russische staatsburgerschap aan te nemen; verzoekt de Russische Federatie in voornoemde zaken nauw samen te werken met de Raad van Europa en de OVSE;

15.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de Raad om de druk op de Russische Federatie op te voeren om internationale organisaties toegang te verschaffen tot de Krim, zodat zij toezicht kunnen houden op de mensenrechtensituatie in het licht van de flagrante schendingen van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten op het schiereiland, en om permanente, internationale en op verdragen gebaseerde mechanismen voor het houden van toezicht in te stellen; benadrukt dat elke vorm van internationale aanwezigheid ter plaatse goed gecoördineerd en afgestemd moet worden met Oekraïne en de steun moet hebben van de grote internationale organisaties voor de mensenrechten;

16.  benadrukt eens te meer ernstig bezorgd te zijn over de situatie van LGBTI op de Krim, die aanzienlijk verslechterd is na de Russische annexatie;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president, regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de president, regering en het parlement van de Russische Federatie, alsmede aan de Mejlis van de Krim-Tataarse bevolkingsgroep.


Gambia
PDF 178kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Gambia (2016/2693(RSP))
P8_TA(2016)0219RC-B8-0591/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Gambia,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(1),

–  gezien diverse parlementaire vragen over de situatie in Gambia,

–  gezien de verklaring van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 17 april 2016 over de mensenrechtensituatie in Gambia,

–  gezien diverse verklaringen van de EU-delegatie in Gambia,

–  gezien de resolutie van de Commissie van de Afrikaanse Unie van 28 februari 2015 over de mensenrechtensituatie in de Republiek Gambia,

–  gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon van 17 april 2016,

–  gezien het addendum "Mission to the Gambia" bij het verslag van de speciale rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van de VN-Raad voor de mensenrechten van 2 maart 2015,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN voor buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies over Gambia van 11 mei 2015,

–  gezien het verslag van de werkgroep universele periodieke doorlichting van de Verenigde Naties over Gambia van 24 december 2014,

–  gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien de grondwet van Gambia,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Yahya Jammeh na een staatsgreep in 1994 aan de macht is gekomen; overwegende dat hij in 1996 tot president werd verkozen en sindsdien, onder omstreden omstandigheden, drie keer is herkozen;

B.  overwegende dat er volgens planning op 1 december 2016 presidentsverkiezingen zullen plaatsvinden en op 6 april 2017 parlementsverkiezingen; overwegende dat de laatste presidentsverkiezingen, die in 2011 plaatsvonden,volgens de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS), legitimiteit misten en gepaard gingen met onderdrukking en intimidatie van oppositiepartijen en hun aanhangers;

C.  overwegende dat een vreedzame demonstratie voor electorale hervormingen, die op 14 april 2016 in Serekunda, een buitenwijk van de hoofdstad Banjul, plaatsvond, werd verstoord door gewelddadigheden door Gambiaanse veiligheidstroepen en willekeurige opsluiting van demonstranten, waaronder een aantal leden van de United Democratic Party (UDP); overwegende dat Solo Sandeng, leider van de oppositie en lid van de UDP, kort na zijn arrestatie onder verdachte omstandigheden in gevangenschap overleed;

D.  overwegende dat leden van de UDP op 16 april 2016 wederom samenkwamen om gerechtigheid voor de dood van Sandeng en de vrijlating van de andere leden van hun partij te eisen; overwegende dat de politie de demonstranten bij die gelegenheid met traangas heeft beschoten en een aantal mensen heeft gearresteerd;

E.  overwegende dat een andere oppositieleider, Ousainou Darboe, en andere gezaghebbende partijleden werden gearresteerd en nog altijd gevangen worden gehouden, naar verluidt terwijl zij ernstige verwondingen hebben;

F.  overwegende dat een verzoek om vrijlating op borgtocht van Alagie Abdoulie Ceesay, directeur van het onafhankelijke radiostation Teranga FM, die op 2 juli 2015 door de nationale veiligheidsdienst (National Intelligence Agency - NIA) werd gearresteerd, tot drie maal toe werd afgewezen, ondanks het feit dat zijn gezondheidssituatie zorgwekkend is;

G.  overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie in maart 2016 een advies heeft uitgebracht, dat was goedgekeurd op haar laatste vergadering van december 2015, waarin zij benadrukte dat de heer Ceesay willekeurig van zijn vrijheid was beroofd en waarin zij Gambia verzocht deze gevangene vrij te laten en alle aanklachten tegen hem in te trekken;

H.  overwegende dat mensenrechtenactivisten en journalisten in Gambia het slachtoffer zijn van misbruikpraktijken en repressieve wetgeving, onophoudelijk te maken hebben met pesterijen en intimidatie, arrestatie en opsluiting en het slachtoffer zijn van onvrijwillige verdwijning of gedwongen ballingschap;

I.  overwegende dat marteling en andere vormen van mishandeling in Gambia regelmatig voorkomen overwegende dat volgens berichten mensen routinematig wreed worden gemarteld of op andere wijze worden mishandeld om ze tot "bekentenissen" te dwingen die vervolgens in de rechtbank worden gebruikt, hetgeen ook blijkt uit het verslag naar aanleiding van het bezoek van de speciale rapporteur van de VN voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aan Gambia in 2014;

J.  overwegende dat de NIA en de politie stelselmatig mensen willekeurig gevangennemen, zoals de voormalige onderminister van Landbouw, Ousman Jammeh, en de islamitische geleerden Sjeik Omar Colley, Imam Ousman Sawaneh en Imam Cherno Gassama en dat het regelmatig gebeurt dat mensen zonder aanklacht en langer dan de periode van 72 uur waarbinnen een verdachte moet worden voorgeleid worden vastgehouden, hetgeen in strijd is met de grondwet;

K.  overwegende dat de huidige wetgeving tegen homoseksualiteit in Gambia op "zware homoseksualiteit" langdurige gevangenisstraffen en forse geldboetes stelt; overwegende dat LGBTI vaak het slachtoffer zijn van aanvallen, bedreiging en willekeurige arrestatie door veiligheidsdiensten en dat sommigen het land hebben moeten verlaten met het oog op hun eigen veiligheid;

L.  overwegende dat Gambia één van de vijftien armste landen in de wereld is en dat ongeveer een kwart van de Gambiaanse bevolking te maken heeft met chronische voedselonzekerheid; overwegende dat het land in hoge mate afhankelijk is van internationale steun; overwegende dat sinds 2015 14 475 Gambianen in de EU asiel hebben aangevraagd;

M.  overwegende dat de situatie op het gebied van de mensenrechten, democratie en rechtsstaat in Gambia reden geeft tot ernstige bezorgdheid; overwegende dat de EU deze onderwerpen in het kader van de dialoog krachtens artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou sinds eind 2009 aan de orde stelt, maar dat er weinig concrete vooruitgang wordt geboekt;

N.  overwegende dat de EU naar aanleiding van de zorgelijke mensenrechtensituatie haar steun aan Gambia drastisch heeft verlaagd, hoewel de EU de grootste steunverlener aan het land blijft met een bedrag van in totaal 33 miljoen EUR voor de periode 2015-2016 van het nationaal indicatief programma; overwegende dat president Jammeh na deze verlaging van de steun de zaakgelastigde van de EU in Gambia, Agnes Guillard, in juni 2015 plotseling uitwees;

O.  overwegende dat het nationaal indicatief programma voor Gambia voor de periode 2015-2016 voorziet in investeringen in landbouw en voedselveiligheid, alsmede in de vervoerssector, en dat er geen middelen zijn toegewezen aan de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, democratisch bestuur of de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat;

P.  overwegende dat Gambia lid is van ECOWAS; overwegende dat in juli 2014 een economische partnerschapsovereenkomst is gesloten tussen de Europese Unie en ECOWAS, die zal worden geratificeerd in 2016; overwegende dat economische partnerschapsovereenkomsten niet alleen dienen ter ondersteuning van eerlijke handel, maar ook van de mensenrechten en de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen;

Q.  overwegende dat Gambia lid is van de Afrikaanse Unie (AU), partij is bij het Afrikaanse Handvest en het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur heeft ondertekend;

R.  overwegende dat de wet van 2015 tot wijziging van het kiesstelsel ertoe leidt dat verkiezingen onbetaalbaar worden voor oppositiepartijen, en Gambia een van de duurste landen maakt voor kandidaten die zich verkiesbaar willen stellen, hetgeen een aantasting van de burgerrechten inhoudt;

1.  spreekt zijn zeer ernstige bezorgdheid uit over de snel verslechterende situatie in Gambia op het gebied van de veiligheid en de mensenrechten; betreurt de aanvallen van 14 en 16 april 2016 op vreedzame demonstranten;

2.  roept op tot de onmiddellijke vrijlating van alle demonstranten die zijn gearresteerd in verband met de demonstraties van 14 en 16 april 2016; verzoekt de regering van de Republiek Gambia een eerlijke rechtsgang te waarborgen voor alle verdachten die vastzitten wegens vermeende deelname aan een poging tot ongrondwettelijke regeringswijziging; roept de autoriteiten van Gambia op hun fysieke en psychologische integriteit onder alle omstandigheden te garanderen en toe te zien op medische behandeling van de gewonden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de berichten van marteling en slechte behandeling van andere gedetineerden;

3.  dringt er bij de Gambiaanse autoriteiten op aan zo spoedig mogelijk een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar deze gebeurtenissen; is met name ernstig bezorgd over berichten over de dood in gevangenschap van de activist van de oppositie Solo Sandeng;

4.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de gedwongen verdwijningen, willekeurige opsluiting, marteling en andere mensenrechtenschendingen gericht tegen dissidenten, waaronder journalisten, mensenrechtenactivisten, politieke tegenstanders en critici, alsmede tegen lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, onder het bewind van president Yahja Jammeh; vraagt om gedetineerden die afgesloten van de buitenwereld gevangen zitten ofwel voor de rechter te brengen ofwel vrij te laten;

5.  roept de EU en de AU op met Gambia samen te werken om waarborgen in te voeren tegen marteling, de onafhankelijke toegang tot gedetineerden te garanderen, en alle wetgeving te herzien die leidt tot aantasting van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, onder meer door het schrappen van de strafbare feiten van opruiing, smaad en het verspreiden van onjuiste informatie uit het strafrecht en het wijzigen van de informatie- en communicatiewet van 2013, die voorziet in censuur van online informatie;

6.  roept Gambia op het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te ratificeren;

7.  roept de regering van Gambia op onderzoek te doen naar bewijzen van mensenrechtenschendingen door de NIA, en wetgeving in te voeren voor gelijke rechten voor burgers, waarin ook ongelijkheidskwesties aan de orde komen; roept de regering van Gambia op door te gaan met de uitvoering van plannen voor de oprichting van een nationale mensenrechtencommissie, overeenkomstig de beginselen van Parijs inzake instellingen voor de mensenrechten, en vermeende mensenrechtenschendingen te onderzoeken en te volgen;

8.  dringt bij de regering van Gambia en de regionale autoriteiten aan op het nemen van alle nodige maatregelen om een einde te maken aan de discriminatie en criminalisering van en aanvallen op LGBTI, en om hun vrijheid van meningsuiting te waarborgen; dringt er onder meer op aan om uit het Gambiaanse strafrecht bepalingen te schrappen die criminalisering van LGBTI inhouden;

9.  roept de Gambiaanse autoriteiten op religieuze discriminatie te voorkomen en een vreedzame dialoog tussen alle gemeenschappen te stimuleren en mogelijk te maken;

10.  roept ECOWAS en de AU op zich te blijven afzetten tegen de aanhoudende mensenrechtenschendingen door het Gambiaanse regime; herinnert eraan dat de veiligheid en de stabiliteit in de West-Afrikaanse regio nog altijd grote uitdagingen vormen en dringt er bij de AU en ECOWAS op aan de situatie in Gambia nauwlettend in het oog te houden en een permanente politieke dialoog te voeren met de Gambiaanse autoriteiten over de versterking van de democratie en de rechtsstaat;

11.  dringt er bij de regering van de Republiek Gambia op aan om in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van december 2016 het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur te ratificeren;

12.  roept de regering van Gambia op met alle oppositiepartijen in werkelijke dialoog te treden over wetgevings- en politieke hervormingen ter waarborging van eerlijke en vrije verkiezingen en eerbiediging van de vrijheid van vereniging en vergadering, overeenkomstig de internationale verplichtingen van Gambia; herinnert eraan dat het voor het welslagen van onafhankelijke en vrije verkiezingen van groot belang is dat de oppositie en onafhankelijke maatschappelijke organisaties hieraan ten volle kunnen deelnemen;

13.  moedigt de internationale gemeenschap, waaronder plaatselijke mensenrechtenorganisaties en ngo's, alsmede de delegatie van de EU in Gambia en andere relevante internationale instellingen, aan om het verkiezingsproces actief in het oog te houden, en daarbij met name te letten op het eerbiedigen door de overheid van de vrijheid van vereniging en vergadering;

14.  roept de regering op alle nodige maatregelen te nemen om onder alle omstandigheden de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid onverkort te waarborgen; roept in dit verband op tot een herziening van de bepalingen van de informatie- en communicatiewet, om de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de internationale normen op dit gebied;

15.  is bezorgd over het feit dat het nationaal indicatief programma 2015-2016 voor Gambia niet voorziet in steun of financiering voor maatschappelijke organisaties, noch voor democratisch bestuur, de bevordering van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten; roept de Commissie op te waarborgen dat democratisch bestuur, de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten prioriteit krijgen bij mogelijke toekomstige overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking tussen de EU en Gambia;

16.  roept de delegatie van de EU in Gambia op alle mogelijke instrumenten in te zetten, waaronder het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten, om de omstandigheden in gevangenissen in Gambia actief in het oog te houden, en mee te werken aan en toezicht te houden op onderzoeken naar het neerslaan door de regering van de demonstraties van 14 en 16 april 2016 en de behandeling van de gevangen gezette demonstranten, en meer inspanningen te verrichten om in contact te treden met leden van de politieke oppositie, studentenleiders, journalisten, mensenrechtenactivisten, vakbondsvertegenwoordigers en leiders van de LGBTI-beweging;

17.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan een open raadpleging te starten uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, en te overwegen om alle niet-humanitaire steun aan de regering van Gambia stop te zetten en reisverboden en andere gerichte sancties op te leggen aan functionarissen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de lidstaten van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, de regering en het parlement van Gambia, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.


Djibouti
PDF 185kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Djibouti (2016/2694(RSP))
P8_TA(2016)0220RC-B8-0594/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande resoluties over Djibouti, waaronder die van 4 juli 2013 over de situatie in Djibouti(1) en die van 15 januari 2009 over de situatie in de Hoorn van Afrika(2),

–  gezien het nationaal indicatief programma voor Djibouti in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds van 19 juni 2014,

–  gezien de verklaringen van 12 april 2016 en van 23 december 2015 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO),

–  gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini, namens de EU, ter gelegenheid van de Werelddag van de Persvrijheid op 3 mei 2016,

–  gezien het regionaal politiek EU-partnerschap voor vrede, veiligheid en ontwikkeling in de Hoorn van Afrika,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, dat door Djibouti is geratificeerd,

–  gezien de acties en mededelingen van de Organisatie voor voedsel en landbouw (FAO) van de Verenigde Naties betreffende Djibouti,

–  gezien de voorlopige conclusies van 10 april 2016 van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Afrikaanse Unie, die toezicht hield op de presidentsverkiezingen,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, waarbij Djibouti sinds 2003 als staat partij is,

–  gezien de op 30 december 2014 getekende kaderovereenkomst tussen de UMP (Unie voor de Presidentiële Meerderheid), de heersende coalitie, en de USN (Unie voor nationale redding), de coalitie van oppositiepartijen, die ten doel heeft "vreedzame en democratische nationale politiek" te bevorderen,

–  gezien het door de Djiboutiaanse Raad van Ministers aangenomen Besluit nr. 2015-3016 PR/PM van 24 november 2015 tot vaststelling van buitengewone veiligheidsmaatregelen naar aanleiding van de aanslagen in Parijs van 13 november 2015,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het protocol bij het Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000, die op 22 juni 2010 is herzien,

–  gezien de grondwet van de Republiek Djibouti van 1992, waarin de fundamentele vrijheden en de grondbeginselen van goed bestuur worden erkend,

–  gezien de richtsnoeren voor verkiezingswaarnemingsmissies van de Afrikaanse Unie,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Ismail Omar Guelleh sinds 1999 president van Djibouti is, en dat hij tijdens de verkiezingen van april 2016 met 87,1 % van de stemmen weliswaar een monsterzege heeft behaald, maar dat deze uitslag volgens oppositiepartijen en mensenrechtenorganisaties is behaald door middel van politieke onderdrukking; overwegende dat de verkiezingen van 2005, 2011 en 2016 door sommige oppositiekandidaten werden geboycot; overwegende dat president Guelleh het parlement er in 2010 toe had overgehaald de grondwet te wijzigen, na te hebben verklaard dat hij zich in 2016 niet opnieuw bij de verkiezingen kandidaat zou stellen, zodat hij in 2011 een derde termijn kon dienen; overwegende dat de hierdoor veroorzaakte protesten van het maatschappelijk middenveld werden onderdrukt;

B.  overwegende dat Djibouti vanwege zijn gunstige ligging in de Golf van Aden van strategisch belang is voor buitenlandse militaire bases en beschouwd wordt als een uitvalsbasis voor de bestrijding van piraterij en terrorisme;

C.  overwegende dat tien Djiboutiaanse vrouwen in Parijs in hongerstaking zijn gegaan met het oog op een internationaal onderzoek naar de verkrachting van Djiboutiaanse vrouwen, waarbij vier van de hongerstakers verklaarden zelf te zijn verkracht, terwijl een andere, Fatou Ambassa (30), vastte ter nagedachtenis aan haar nichtje, Halima, dat in 2003 op zestienjarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een groepsverkrachting; overwegende dat acht van deze vrouwen hun protesten 19 dagen volhielden, van 25 maart tot 12 april 2016, en dat hun voorbeeld door tien andere vrouwen in Brussel werd gevolgd; overwegende dat de Djiboutiaanse autoriteiten hun beweringen tegenspreken; overwegende dat tijdens het conflict tussen het Djiboutiaanse leger en FRUD-armé vrouwen zijn gegijzeld; overwegende dat het in 1993 opgerichte Djiboutiaanse vrouwencomité (Comité des Femmes Djiboutiennes Contre le Viol et l'Impunité (COFEDVI)) op grond van circa twintig ingediende klachten 246 gevallen van verkrachting door soldaten heeft geregistreerd;

D.  overwegende dat er geen EU-verkiezingswaarnemingsmissie was uitgenodigd om de verkiezingen te volgen en dat het aanbod van de EU om een missie van verkiezingsdeskundigen te sturen door de Djiboutiaanse autoriteiten werd afgeslagen; overwegende dat de verkiezingswaarnemingsmissie van de Afrikaanse Unie aanbeveelt een onafhankelijke verkiezingscommissie op te richten die belast is met het aansturen van het verkiezingsproces, met inbegrip van het bekendmaken van de voorlopige resultaten;

E.  overwegende dat drie oppositiekandidaten, Omar Elmi Khaireh, Mohamed Moussa Ali en Djama Abdourahman Djama, de verkiezingsresultaten van april 2016 betwistten omdat deze niet transparant waren en niet overeenkwamen met de wil van het Djiboutiaanse volk; overwegende dat de resultaten niet door lokale mensenrechtenorganisaties werden erkend; overwegende dat de oppositie zeer weinig politieke ruimte heeft, met beperkte vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de politiemacht en veiligheidsdiensten het land onder strakke controle houden, en dat de rechterlijke macht zwak is en nauwe banden met de regering heeft; overwegende dat oppositieleiders voortdurend worden opgesloten en lastiggevallen en dat er melding is gemaakt van foltering; overwegende dat het leger de opdracht zou hebben gekregen vertegenwoordigers van de oppositie van sommige stembureaus te verwijderen zodat de stembussen konden worden gevuld, terwijl andere regio's zoals Ali-Sabieh onder militaire controle werden geplaatst; overwegende dat president Guelleh al voordat de officiële resultaten bekend werden gemaakt een feest heeft gegeven, naar verluidt om het leger te belonen voor zijn bijdrage aan de verkiezingen; overwegende dat de Afrikaanse Unie een aantal onregelmatigheden heeft vastgesteld (het ontbreken van gegevens, het verzuimen de resultaten bekend te maken en het feit dat de stemmen niet in het openbaar werden geteld);

F.  overwegende dat op 31 december 2015, nadat enkele oppositieleden uit het parlement werden gezet, beroep werd gedaan op een in november 2015 ingevoerde wet tot instelling van de noodtoestand om individuele vrijheden te beperken en oppositieactivisten, mensenrechtenbeschermers, vakbondsleden en journalisten te onderdrukken;

G.  overwegende dat de heersende coalitie, de UMP, op 30 december 2014 haar handtekening heeft gezet onder een kaderovereenkomst met de oppositiecoalitie, de USN, die voorzag in de hervorming van de onafhankelijke nationale verkiezingscommissie (Commission Électorale Nationale Indépendante), de oprichting van een gezamenlijke parlementaire commissie en hervormingen op korte en middellange termijn; overwegende dat de gezamenlijke parlementaire commissie in februari 2015 is opgericht, maar dat geen van de belangrijkste ontwerpwetten (zoals de wet inzake de oprichting van een onafhankelijke verkiezingscommissie en de wet inzake de rechten en plichten van politieke partijen) zijn ingediend; overwegende dat de Djiboutiaanse autoriteiten op 26 augustus 2015 hebben aangekondigd dat de verkiezingscommissie niet zou worden hervormd;

H.  overwegende dat er in Djibouti geen commerciële televisie- of radiozenders zijn, en dat de autoriteiten nauwlettend toezicht houden op oppositiewebsites en de websites en socialemedia-accounts van mensenrechtenorganisaties regelmatig blokkeren; overwegende dat de regering eigenaar is van de grootste krant, La Nation, en van de nationale omroep, Radiodiffusion-Télévision de Djibouti, die zelfcensuur toepassen; overwegende dat Freedom House in 2015 heeft verklaard dat Djibouti niet vrij is; overwegende dat Djibouti de 170e plaats bekleedt (op 180 landen) in de wereldwijde persvrijheidranglijst 2015 die door Verslaggevers zonder grenzen is opgesteld; overwegende dat oppositiepartijen en -activisten tijdens het bewind van de UMP-coalitie voortdurend zijn onderdrukt en dat veel partijactivisten en journalisten, onder wie een BBC-verslaggever tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2016, gerechtelijk zijn vervolgd; overwegende dat de belangrijkste oppositiekrant, L'Aurore, op 19 januari 2016 op bevel van de rechter werd gesloten; overwegende dat de Nationale Communicatiecommissie nog altijd niet is opgericht, hoewel dit in 1993 had moeten gebeuren;

I.  overwegende dat in de regio Mablas met name in 2012 een golf van willekeurige aanhoudingen van vermeende leden van FRUD-armé heeft plaatsgevonden;

J.  overwegende dat de autoriteiten ten minste 27 mensen om het leven zouden hebben gebracht en meer dan 150 mensen zouden hebben verwond tijdens een cultureel evenement in Buldugo op 21 december 2015, hoewel de Djiboutiaanse regering volhoudt dat er slechts zeven doden zouden zijn gevallen; overwegende dat de politie later ook is binnengedrongen in de gebouwen waar de oppositieleiders vergadering hielden, een aantal van hen heeft verwond en twee vooraanstaande oppositieleiders (Abdourahman Mohammed Guelleh, secretaris-generaal van de USN, en Hamoud Abdi Souldan) zonder tenlastelegging heeft opgesloten; overwegende dat beide leiders enkele dagen voor de presidentsverkiezingen zijn vrijgelaten, en dat eerstgenoemde is aangeklaagd; overwegende dat een vakbondsleider en mensenrechtenbeschermer, Omar Ali Ewado, van 29 december 2015 tot 14 februari 2016 afgesloten van de buitenwereld gevangen heeft gezeten voor het publiceren van een lijst van de slachtoffers van het bloedbad en van vermisten; overwegende dat zijn advocaat ook is aangehouden op het vliegveld; overwegende dat Said Houssein Robleh, oppositieleider en secretaris-generaal van de LDDH, door de Djiboutiaanse politie is beschoten en momenteel in Europa in ballingschap is;

K.  overwegende dat de detentievoorzieningen in de Djiboutiaanse gevangenissen bijzonder zorgwekkend zijn;

L.  overwegende dat de Raad van Ministers van Djibouti naar aanleiding van de terroristische aanslagen van 13 november 2015 in Parijs op 24 november 2015 Besluit nr. 2015-3016 PR/PM heeft aangenomen, op grond waarvan verzameling en bijeenkomsten in openbare ruimtes bij wijze van antiterrorismemaatregel is verboden;

M.  overwegende dat er in Djibouti geen wetgeving is tegen huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk; overwegende dat de autoriteiten het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) hebben geïnformeerd dat zij zich bewust zijn van de tekortkomingen in hun pogingen om gendergerelateerd geweld aan te pakken; overwegende dat in Djibouti bij 98 % van de vrouwen verschillende vormen van genitale verminking zijn toegepast, hoewel dit sinds 2005 illegaal is;

N.  overwegende dat volgens de Wereldbank meer dan 23 % van de Djiboutianen in extreme armoede leeft, en dat 74 % rondkomt van meer dan 3 USD per dag; overwegende dat de voedselonzekerheid in Djibouti is verergerd door hoge voedselprijzen, waterschaarste, klimaatverandering en de afname van weidegrond; overwegende dat Djibouti begunstigde is van het EU-steunpakket van 79 miljoen EUR voor de landen van de Grote Hoorn van Afrika die getroffen zijn door El Niño;

O.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat de hoeksteen van het ACS-EU-partnerschap vormt en een essentieel onderdeel van de Overeenkomst van Cotonou is; overwegende dat de EU de regelmatige politieke dialoog met Djibouti krachtens artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou onverwijld moet intensiveren;

P.  overwegende dat Djibouti momenteel 105 miljoen EUR ontvangt uit bilaterale EU-fondsen, met name voor water en sanitaire voorzieningen en voedsel- en voedingszekerheid, als onderdeel van het nationaal indicatief programma van de EU in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds; overwegende dat Djibouti tussen 2013 en 2017 14 miljoen EUR zal hebben ontvangen in het kader van het EU-initiatief Ondersteuning van de weerbaarheid in de Hoorn van Afrika, dat erop gericht is gemeenschappen te helpen het hoofd te bieden aan terugkerende droogte;

Q.  overwegende dat Djibouti momenteel meer dan 15 000 vluchtelingen uit Somalië en Eritrea herbergt, en nog circa 8000 uit Jemen; overwegende dat vrouwen en meisjes in vluchtelingenkampen het risico lopen op gendergerelateerd geweld; overwegende dat de Commissie bijstand, zoals levensreddende diensten, en financiële steun verleent aan de gemeenschappen met vluchtelingenkampen;

1.  geeft uiting aan zijn zorgen over de stagnatie van het democratiseringsproces in Djibouti – die wordt verergerd door de wijziging door het parlement van de bepalingen van de Djiboutiaanse grondwet betreffende de beperking van presidentiële ambtstermijnen – en over de berichten dat oppositieleden zouden zijn geïntimideerd en bij veel stembureaus zouden zijn weggehouden; benadrukt het belang van vrije verkiezingen, zonder intimidatie;

2.  dringt aan op een grondig onderzoek naar de transparantie van het verkiezingsproces en de verkiezingen van 2016 in Djibouti; herhaalt het verzoek van de EU de resultaten van ieder stembureau voor de verkiezingen van zowel 2013 als 2016 openbaar te maken;

3.  spreekt zijn sterke afkeuring uit over de door verschillende ngo's gemelde vermeende verkrachtingen van burgers door Djiboutiaanse soldaten, zoals onderstreept door de hongerstakingen, en verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar de handelingen van met name het leger en een einde te maken aan straffeloosheid; verzoekt de VN onderzoek te doen naar de mensenrechtensituatie in Djibouti, en met name naar de situatie van vrouwen in het land; verklaart zich solidair met de Djiboutiaanse vrouwen die momenteel in Frankrijk en in België in hongerstaking zijn;

4.  keurt militaire en politionele inmenging in democratische processen af en herhaalt dat een grondig en transparant onderzoek naar het verkiezingsproces van essentieel belang is; maakt zich zorgen over de klaarblijkelijke bereidheid van de president zijn overwinning tijdens de verkiezingen van april 2016 vroegtijdig te vieren; herinnert Djibouti eraan dat het partij is bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en dat er in artikel 16 van de Djiboutiaanse grondwet is vastgelegd dat niemand mag worden gefolterd of mishandeld of een wrede, onmenselijke, onterende of vernederende behandeling mag ondergaan; verzoekt Djibouti grondig onderzoek te doen naar de meldingen van foltering en mishandeling en ervoor te zorgen dat daders worden vervolgd en, indien zij schuldig worden bevonden, passende straffen krijgen opgelegd, en dat de slachtoffers adequaat worden gecompenseerd, en een onafhankelijk mechanisme op te zetten voor het onderzoeken van meldingen van wangedrag;

5.  betreurt het besluit van de Djiboutiaanse autoriteiten om de nationale verkiezingscommissie niet te hervormen zoals voorzien in de op 30 december 2014 ondertekende kaderovereenkomst en vraagt hun nauw samen te werken met de oppositie met het oog op een eerlijker en transparanter verkiezingsproces;

6.  herinnert de Djiboutiaanse autoriteiten aan hun toezegging, overeenkomstig de richtsnoeren voor verkiezingswaarnemingsmissies van de Afrikaanse Unie, om journalisten te beschermen, veroordeelt de manier waarop journalisten zijn behandeld en wijst de Djiboutiaanse autoriteiten op het belang van persvrijheid en het recht op een eerlijk proces; vraagt de Djiboutiaanse autoriteiten een met redenen omklede verklaring te verschaffen voor de behandeling van journalisten; veroordeelt de intimidatie en opsluiting zonder aanklacht van oppositieleiders, journalisten en onafhankelijke mensenrechtenactivisten tijdens de aanloop naar de presidentsverkiezingen ten zeerste; roept de Djiboutiaanse autoriteiten ertoe op een eind te maken aan de onderdrukking van politieke tegenstanders en journalisten en iedereen die op politieke gronden of wegens het uitoefenen van mediavrijheid wordt vastgehouden, vrij te laten; verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten de wetgeving inzake de noodtoestand van het land te herzien en deze volledig in overeenstemming te brengen met het internationaal recht;

7.  veroordeelt het gebrek aan onafhankelijke pers in Djibouti, evenals het feit dat websites die kritisch tegenover de regering staan worden gemonitord en gecensureerd; betreurt dat staatsmedia zelfcensuur toepassen; verzoekt de Djiboutiaanse regering FM-omroepvergunningen toe te kennen aan alle onafhankelijke mediaorganen die hierom verzoeken; vraagt de regering buitenlandse journalisten vrije toegang te bieden tot het land zodat zij hun werk veilig en objectief kunnen uitvoeren; vraagt de Djiboutiaanse regering de nationale communicatiecommissie op te richten en onafhankelijke en commerciële omroepen toe te staan;

8.  betreurt de moorden die tijdens de culturele viering van 21 december 2015 hebben plaatsgevonden, evenals de daaropvolgende aanhoudingen en intimidatie van mensenrechtenactivisten en oppositieleden; betuigt zijn deelneming aan de families van de slachtoffers en eist een volledig en onafhankelijk onderzoek teneinde de verantwoordelijken op te sporen en te berechten; herhaalt zijn krachtige veroordeling van willekeurige detentie en stelt dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd;

9.  verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten de eerbiediging te waarborgen van de mensenrechten die erkend zijn in de nationale en internationale overeenkomsten die Djibouti heeft ondertekend, en de burgerlijke en politieke rechten en vrijheden, waaronder het recht om vreedzaam te demonstreren en de mediavrijheid, te vrijwaren;

10.  verzoekt de regering met klem politieagenten en andere ambtenaren te blijven opleiden op het vlak van de toepassing van de wet ter voorkoming van mensenhandel, zich sterker in te zetten voor de berechting van mensenhandelaren en om gerechtelijke, wetgevende en administratieve autoriteiten, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties die in het land actief zijn en het publiek bewust te maken van mensenhandel;

11.  staat erop dat mannen en vrouwen in Djibouti voor de wet gelijk worden behandeld en herinnert de autoriteiten eraan dat zij partij zijn bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

12.  is ingenomen met het optreden van de regering van Djibouti tegen het wijdverbreide gebruik van genitale mutilatie bij vrouwen, maar zou graag zien dat er meer vorderingen worden geboekt;

13.  verzoekt de autoriteiten ngo's toegang te verlenen tot de regio's Obock, Tadjoural en Dikhil;

14.  verzoekt de civiele en militaire autoriteiten om de allergrootste terughoudendheid te betrachten tijdens politionele en legeroperaties in het noorden van het land, en met name om zich te weerhouden van iedere vorm van geweld tegen burgers en om hen niet te gebruiken als menselijk schild rondom militaire kampen;

15.  is bereid de situatie in Djibouti op de voet te volgen en restrictieve maatregelen voor te stellen indien de Overeenkomst van Cotonou (2000), en met name de artikelen 8 en 9, niet worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie eveneens de situatie nauwgezet te volgen;

16.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en hun partners met klem samen met Djibouti aan politieke hervormingen op de lange termijn te werken, wat met name zou moeten worden bevorderd door de reeds bestaande goede betrekkingen, gezien het feit dat Djibouti een cruciale rol vervult bij de bestrijding van terrorisme en piraterij in de regio, militaire basissen op zijn grondgebied toelaat en bijdraagt aan stabiliteit in de regio;

17.  verzoekt de Commissie verdere steun te verlenen aan onafhankelijke organisaties en het maatschappelijk middenveld, met name door zo spoedig mogelijk een oproep tot inschrijvingen uit te schrijven in het kader van het Europees Instrument voor democratie en de mensenrechten;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering van Djibouti, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit, de Arabische Liga, de Organisatie van Islamitische Samenwerking, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-lidstaten en de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 160.
(2) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 102.


Verplichte automatische gegevensuitwisseling op het vlak van belastingen *
PDF 330kWORD 141k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (COM(2016)0025 – C8-0030/2016 – 2016/0010(CNS))
P8_TA(2016)0221A8-0157/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0025),

–  gezien de artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0030/2016),

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0157/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Belastingfraude en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormen thans een grote reden tot bezorgdheid, zowel in de Unie als op mondiaal niveau. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor de automatische uitwisseling van inlichtingen en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, de nadruk gelegd op de noodzaak om er daadkrachtig voor te ijveren dat automatische inlichtingenuitwisseling de toekomstige Europese en internationale norm voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken wordt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22 mei 2013 verzocht om het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unie- en mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning.
(1)  Belastingfraude, belastingontwijking en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormen thans een grote reden tot bezorgdheid, zowel in de Unie als op mondiaal niveau. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor de automatische uitwisseling van inlichtingen en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, de nadruk gelegd op de noodzaak om er daadkrachtig voor te ijveren dat automatische inlichtingenuitwisseling de toekomstige Europese en internationale norm voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken wordt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22 mei 2013 verzocht om het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unie- en mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Aangezien multinationale ondernemingsgroepen (hierna "MNO-groepen" genoemd) actief zijn in verschillende landen, hebben zij de mogelijkheid om aan agressieve fiscale planning te doen. Binnenlandse ondernemingen kunnen evenwel geen gebruik maken van dergelijke praktijken. Wanneer MNO's dit doen, kunnen ondernemingen die uitsluitend nationaal actief zijn - waarbij het normaal gesproken gaat over kleine en middelgrote ondernemingen - bijzonder sterk getroffen zijn, aangezien hun belastingdruk hoger is dan die van MNO-groepen. Aan de andere kant kunnen alle lidstaten inkomsten derven en bestaat het risico op concurrentie bij het aantrekken van MNO-groepen door deze groepen verdere belastingvoordelen aan te bieden. Er rijst dus een probleem voor de goede werking van de interne markt.
(2)  Aangezien multinationale ondernemingsgroepen (hierna "MNO-groepen" genoemd) actief zijn in verschillende landen, hebben zij de mogelijkheid om aan agressieve fiscale planning te doen. Binnenlandse ondernemingen kunnen evenwel geen gebruik maken van dergelijke praktijken. Wanneer MNO's dit doen, kunnen ondernemingen die uitsluitend nationaal actief zijn - waarbij het normaal gesproken gaat over kleine en middelgrote ondernemingen - bijzonder sterk getroffen zijn, aangezien zij doorgaans een effectief belastingtarief betalen dat veel dichter bij de wettelijke tarieven ligt dan het tarief dat MNO´s betalen, hetgeen resulteert in verstoringen en een slechte werking van de interne markt alsook in concurrentieverstoring ten nadele van kmo´s. Om concurrentieverstoring te voorkomen zouden ondernemingen die nationaal actief zijn geen nadelen mogen ondervinden van hun omvang of van het feit dat zij geen grensoverschrijdende handel drijven. Bovendien kunnen alle lidstaten inkomsten derven en bestaat het risico op oneerlijke concurrentie tussen hen bij het aantrekken van MNO-groepen door deze groepen verdere belastingvoordelen aan te bieden. Er rijst dus een probleem voor de goede werking van de interne markt. In dit verband zij er op gewezen dat het de Commissie is die verantwoordelijk is voor de goede werking van de interne markt.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Het is voor de Unie van cruciaal belang dat belastingregels zodanig worden ontworpen dat zij geen rem zetten op groei of investeringen, de concurrentiepositie van EU-bedrijven niet benadelen, het risico van dubbele belastingheffing niet vergroten en de kosten en administratieve lasten voor ondernemingen tot een minimum beperken.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  De belastingautoriteiten van de Unie hebben nood aan uitgebreide en relevante informatie over MNO-groepen met betrekking tot hun structuur, verrekenprijsbeleid en interne transacties binnen en buiten de EU. Op grond van deze informatie kunnen de belastingautoriteiten met wijzigingen in de wetgeving of adequate risicobeoordelingen en fiscale controles optreden tegen schadelijke fiscale praktijken en nagaan of ondernemingen zich schuldig hebben gemaakt aan praktijken die een kunstmatige verschuiving van aanzienlijke inkomsten naar belastingvoordelige omgevingen tot gevolg hebben.
(3)  De belastingautoriteiten van de lidstaten hebben nood aan uitgebreide en relevante informatie over MNO-groepen met betrekking tot hun structuur, verrekenprijsbeleid, fiscale vaststellingsovereenkomsten, belastingkredieten en interne transacties binnen en buiten de Unie. Op grond van deze informatie kunnen de belastingautoriteiten met wijzigingen in de wetgeving of adequate risicobeoordelingen en fiscale controles optreden tegen schadelijke fiscale praktijken en nagaan of ondernemingen zich schuldig hebben gemaakt aan praktijken die een kunstmatige verschuiving van aanzienlijke inkomsten naar belastingvoordelige omgevingen tot gevolg hebben. Ook de Commissie moet toegang hebben tot de tussen de belastingdiensten van de lidstaten uitgewisselde inlichtingen om te kunnen toezien op de naleving van de relevante mededingingsbepalingen. De Commissie moet deze informatie als vertrouwelijk beschouwen en alle nodige maatregelen nemen om de informatie te beschermen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)   Een verhoging van de transparantie ten overstaan van de belastingautoriteiten zou tot gevolg kunnen hebben dat MNO-groepen ertoe worden aangezet bepaalde praktijken stop te zetten en een billijke bijdrage in de belastingen te leveren in het land waar de winst wordt gegenereerd. Een grotere transparantie van MNO-groepen is derhalve een essentieel onderdeel van de strijd tegen grondslaguitholling en winstverschuiving.
(4)   Een behoorlijk niveau van informatieverstrekking aan en -uitwisseling tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten onderling alsook de Commissie zou tot gevolg kunnen hebben dat MNO-groepen ertoe worden aangezet bepaalde praktijken stop te zetten en belasting af te dragen in het land waar de waarde wordt gecreëerd. Dit zou ook de 'groepsdruk' onder de lidstaten vergroten en ervoor zorgen dat financiële markten meer aandacht besteden aan de fiscale verantwoordingsplicht van MNO´s. Een grotere transparantie van MNO-groepen, zonder dat hierdoor het concurrentievermogen van de Unie wordt benadeeld, is derhalve een essentieel onderdeel van de strijd tegen grondslaguitholling en winstverschuiving, en uiteindelijk tegen belastingontwijking.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  In het landenrapport moeten MNO-groepen jaarlijks en voor elke belastingjurisdictie waarin zij zaken doen, volgende inlichtingen verstrekken: het bedrag van de inkomsten, de winst voor winstbelasting, de betaalde en toerekenbare winstbelasting. MNO-groepen moeten ook verslag uitbrengen over het aantal personeelsleden, het gestort kapitaal, de ingehouden winst en de materiële activa in elke belastingjurisdictie. Ten slotte moeten de MNO-groepen elke entiteit binnen de groep identificeren die zaken doet in een specifieke belastingjurisdictie en moeten zij een indicatie geven van de bedrijfsactiviteiten die elke entiteit verricht.
(6)  In het landenrapport moeten MNO-groepen jaarlijks en voor elke belastingjurisdictie waarin zij zaken doen, volgende inlichtingen verstrekken: het bedrag van de inkomsten, de winst voor winstbelasting, de betaalde en toerekenbare winstbelasting, alsook belastingkredieten. MNO-groepen moeten ook verslag uitbrengen over het aantal personeelsleden, het gestort kapitaal, de ingehouden winst en de materiële activa in elke belastingjurisdictie. Ten slotte moeten de MNO-groepen elke entiteit binnen de groep identificeren die zaken doet in een specifieke belastingjurisdictie en moeten zij een indicatie geven van de bedrijfsactiviteiten die elke entiteit verricht.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Om de goede werking van de interne markt te garanderen, moet de EU voorzien in een eerlijke concurrentie tussen MNO-groepen van binnen de EU en MNO-groepen van buiten de EU met een of verscheidene entiteiten die in de EU zijn gevestigd. De rapportageverplichting moet dus voor beide groepen gelden.
(8)  Om de goede werking van de interne markt te garanderen, moet de Unie voorzien in een eerlijke concurrentie tussen MNO-groepen van binnen de EU en MNO‑groepen van buiten de EU met een of verscheidene entiteiten die in de Unie zijn gevestigd. De rapportageverplichting moet dus voor beide groepen gelden. In dit verband moeten de lidstaten erop toezien dat MNO-groepen de rapportageverplichting nakomen, bijvoorbeeld door maatregelen in te voeren ter sanctionering van MNO's die niet aan de rapportageverplichting voldoen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  De lidstaten moeten toezien op de handhaving of verhoging van het niveau van personele, technische en financiële middelen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastinginstanties en de gegevensverwerking binnen belastinginstanties.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Wat betreft de uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten, voorziet Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG reeds in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op een aantal terreinen. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden uitgebreid om te voorzien in verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten.
(11)  Wat betreft de uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten, voorziet Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG reeds in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op een aantal terreinen. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden uitgebreid om te voorzien in verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten en in de verstrekking van deze rapporten aan de Commissie. Bovendien moet de Commissie de landenrapporten gebruiken om te beoordelen of de lidstaten de Unieregels inzake staatssteun naleven, aangezien er aan oneerlijke fiscale praktijken op het gebied van de vennootschapsbelasting ook een kant zit die te maken heeft met de staatssteunregels.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Bij verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten moet telkens een welomschreven set basisgegevens aan alle lidstaten worden verstrekt, waar blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot activiteiten die met behulp van een vaste inrichting van de MNO-groep worden uitgeoefend.
(12)  Bij verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen de lidstaten en met de Commissie moet telkens een welomschreven set op uniforme definities gebaseerde basisgegevens aan alle lidstaten worden verstrekt, waar blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot activiteiten die met behulp van een vaste inrichting van de MNO-groep worden uitgeoefend.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Het is noodzakelijk om de taleneisen vast te stellen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten met betrekking tot het landenrapport. Het is ook noodzakelijk om de nadere regels vast te stellen voor de upgrade van het CCN-netwerk. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 20, lid 6, en artikel 21, lid 7, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(16)  Het is noodzakelijk om de taleneisen vast te stellen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten met betrekking tot het landenrapport en de verstrekking van deze inlichtingen aan de Commissie. Het is ook noodzakelijk om de nadere regels vast te stellen voor de upgrade van het CCN-netwerk en ervoor te zorgen dat duplicatie van normen, met een verhoging van de administratieve kosten voor ondernemingen tot gevolg, wordt voorkomen. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 20, lid 6, en artikel 21, lid 7, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  In de verslagen dat de lidstaten op grond van deze richtlijn jaarlijks aan de Commissie moeten doen toekomen, moet in detail worden aangegeven in welke mate dossiers worden ingediend, overeenkomstig artikel 8 bis bis en bijlage III, deel 2, punt 1, bij deze richtlijn, en moet een lijst worden opgenomen van de rechtsgebieden waar uiteindelijkemoederentiteiten van in de EU gebaseerde groepsentiteiten zijn gevestigd maar waar geen volledige verslagen zijn ingediend of uitgewisseld.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  Er moet in de mogelijkheid worden voorzien om de uit hoofde van deze richtlijn uit te wisselen inlichtingen niet uit te wisselen indien deze uitwisseling aanleiding zou geven tot de onthulling van een handels-, bedrijfs, nijverheids- of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze, of tot de onthulling van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 quater (nieuw)
(18 quater)  Er moet rekening worden gehouden met de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, met het verslag van de commissie juridische zaken van het Europees Parlement inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft, en met de resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 met aanbevelingen voor de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(20)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten en met de Commissie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 1 – lid 1
(-1)  Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:
1.  Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de onderlinge samenwerking van de lidstaten met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen.
"1. Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen."
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 1 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 2
(-a)  Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:
(2)  „centraal verbindingsbureau”, het bureau dat als zodanig is aangewezen en is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;
„(2) „centraal verbindingsbureau”, het bureau dat als zodanig is aangewezen en is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten en met de Commissie op het gebied van de administratieve samenwerking;”
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 9 – letter a
(a)  voor de toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 8 bis en artikel 8 bis bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen; voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent "beschikbare inlichtingen" inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat.
(a)  voor de toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 8 bis en artikel 8 bis bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat en de Commissie, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen; voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent "beschikbare inlichtingen" inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 4 – lid 6
(1 bis)  Artikel 4, lid 6, wordt vervangen door:
6.  De verbindingsdienst of de bevoegde ambtenaar die een verzoek of een antwoord op een verzoek om samenwerking verzendt of ontvangt, stelt volgens de procedures van zijn lidstaat het centrale verbindingsbureau van deze lidstaat hiervan in kennis.
"6. De verbindingsdienst of de bevoegde ambtenaar die een verzoek of een antwoord op een verzoek om samenwerking verzendt of ontvangt, stelt volgens de procedures van zijn lidstaat het centrale verbindingsbureau van deze lidstaat en de Commissie hiervan in kennis."
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 1 ter (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 6 – lid 2
(1 ter)  Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Het in artikel 5 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten. In voorkomend geval deelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht.
"2. Het in artikel 5 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten. In voorkomend geval deelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit en de Commissie mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht."
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 1 quater (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(1 quater)  Aan artikel 8, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
"(e bis) landenrapporten,"
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis – lid 2
2.  De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het landenrapport overeenkomstig lid 1 is ingediend, bezorgt het rapport via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner is of aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend, binnen de in lid 4 vastgestelde termijn.
2.  De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het landenrapport overeenkomstig lid 1 is ingediend, bezorgt het rapport zo snel mogelijk via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner is of aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend, binnen de in lid 4 vastgestelde termijn. De bevoegde autoriteit van de lidstaat bezorgt het landenrapport eveneens aan de Commissie, die verantwoordelijk is voor het centrale register van landenrapporten, waar haar bevoegde diensten toegang tot hebben.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis – lid 3 - letter a
(a)  geaggregeerde informatie met betrekking tot het bedrag van de inkomsten, de winst (het verlies) vóór winstbelasting, de betaalde winstbelasting, de toerekenbare winstbelasting, het gestort kapitaal, de gecumuleerde winst, het aantal personeelsleden, materiële activa andere dan geldmiddelen of kasequivalenten met betrekking tot elke jurisdictie waarin de MNO-groep actief is;
(a)  geaggregeerde informatie met betrekking tot het bedrag van de inkomsten, de winst (het verlies) vóór winstbelasting, de betaalde winstbelasting, de toerekenbare winstbelasting, het gestort kapitaal, de gecumuleerde winst, het aantal personeelsleden, materiële activa andere dan geldmiddelen of kasequivalenten met betrekking tot elke jurisdictie waarin de MNO-groep actief is, ontvangen overheidssubsidies, de waarde van activa en de jaarlijkse kosten van het beheer hiervan, en door de groep verrichte verkopen en aankopen;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis – lid 3 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  het toekomstig Europees fiscaal identificatienummer van de MNO-groep waarnaar wordt verwezen in het actieplan van de Commissie van 2012 ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Om de transparantie voor burgers te vergroten, maakt de Commissie een geaggregeerde samenvatting van de landenrapporten openbaar, op basis van de informatie die is opgenomen in het centrale register van landenrapporten. Op die manier voldoet de Commissie aan de in artikel 23 bis opgenomen bepalingen inzake vertrouwelijkheid.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 9 – lid 1– inleidende formule
(2 bis)  Artikel 9, lid 1, inleidende formule, wordt vervangen door:
1.  De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt, in elk van de volgende gevallen, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken lidstaat:
"1. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt, in elk van de volgende gevallen, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken lidstaat en aan de Commissie:"
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 9 – lid 2
(2 ter)  Artikel 9, lid 2, wordt vervangen door:
2.  De bevoegde overheden van elke lidstaat kunnen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten spontaan alle inlichtingen uitwisselen waarvan zij kennis hebben en die de bevoegde overheden van de andere lidstaten van nut kunnen zijn.
"2. De bevoegde overheden van elke lidstaat kunnen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten en de Commissie spontaan alle inlichtingen uitwisselen waarvan zij kennis hebben en die de bevoegde overheden van de andere lidstaten van nut kunnen zijn."
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 - punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 2
(4 bis)  Artikel 23, lid 2, wordt vervangen door:
2.  De lidstaten delen de Commissie alle relevante gegevens mee die noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking overeenkomstig deze richtlijn ter bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking te kunnen evalueren.
"2. De lidstaten delen de Commissie alle relevante gegevens mee die noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking overeenkomstig deze richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking, belastingontduiking en belastingfraude te kunnen evalueren."
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 5
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3
3.  De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8, artikel 8 bis, artikel 8 bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8, artikel 8 bis, artikel 8 bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad op een gepaste manier van deze resultaten in kennis, bijvoorbeeld door middel van een jaarlijks geconsolideerd verslag waarin de bevindingen en prestaties van de verslagleggingsprocedure worden besproken. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 5 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
(5 bis)  In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 bis. De Commissie dient elk jaar een geconsolideerd verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de jaarlijkse beoordeling door de lidstaten van de doeltreffendheid van de automatische inlichtingenuitwisseling en de hiermee bereikte praktische resultaten."
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 5 ter (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3 ter (nieuw)
(5 ter)  In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 ter. Wanneer in de effectbeoordeling van de Commissie inzake de gevolgen van de openbaarmaking van de gegevens betreffende de verslaglegging per land wordt vastgesteld dat er geen sprake is van negatieve gevolgen voor MNO-groepen, stelt de Commissie onverwijld wetgeving voor om deze informatie publiek toegankelijk te maken."
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 5 quater (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 24 – lid 1
(5 quater)  In artikel 24 wordt lid 1 vervangen door:
1.  De bevoegde autoriteit van een lidstaat die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de binnenlandse wetgeving van die lidstaat betreffende de in artikel 2 bedoelde belastingen, kan deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor welke die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke verzoekende autoriteit, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan.
"1. De bevoegde autoriteit van een lidstaat die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de binnenlandse wetgeving van die lidstaat betreffende de in artikel 2 bedoelde belastingen, kan deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor welke die inlichtingen van nut kunnen zijn, aan elke verzoekende autoriteit, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan, en aan de Commissie."
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 7 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 27 bis (nieuw)
(7 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 27 bis
Evaluatie
Uiterlijk ... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] evalueert de Commissie de effectiviteit van de richtlijn."
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – Bijlage III – Afdeling II – paragraaf 1 – alinea 2
Als meer dan één Groepsentiteit van dezelfde MNO-groep fiscaal inwoner is van de Unie en één of meer van de voorwaarden in punt b) zijn vervuld, kan de MNO-groep één van die Groepsentiteiten aanwijzen om in overeenstemming met de vereisten in artikel 8 bis bis, lid 1, binnen de in artikel 8 bis bis, lid 1, vermelde termijn het landenrapport met betrekking tot een Te Rapporteren Boekjaar in te dienen en om de lidstaat ervan in kennis te stellen dat zij daarmee beoogt te voldoen aan de documentatieverplichting van alle Groepsentiteiten van die MNO-groep die fiscaal inwoner van de Unie zijn. Overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 2, bezorgt die lidstaat het ontvangen landenrapport aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend.
Als meer dan één Groepsentiteit van dezelfde MNO-groep fiscaal inwoner is van de Unie en één of meer van de voorwaarden in punt b) zijn vervuld, kan de MNO-groep één van die Groepsentiteiten aanwijzen, bij voorkeur die met de hoogste omzet, om in overeenstemming met de vereisten in artikel 8 bis bis, lid 1, binnen de in artikel 8 bis bis, lid 1, vermelde termijn het landenrapport met betrekking tot een Te Rapporteren Boekjaar in te dienen en om de lidstaat ervan in kennis te stellen dat zij daarmee beoogt te voldoen aan de documentatieverplichting van alle Groepsentiteiten van die MNO-groep die fiscaal inwoner van de Unie zijn. Overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 2, bezorgt die lidstaat het ontvangen landenrapport aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend.

Traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel
PDF 174kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel (2016/2532(RSP))
P8_TA(2016)0222B8-0581/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de voedselcrisis, fraude in de voedselketen en de controle daarop(6),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie visserij,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel (O-000052/2016 – B8-0365/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU de grootste markt voor vis, schaal- en schelpdieren ter wereld is, die zowel door de EU-visserijsector als door invoer uit derde landen wordt bevoorraad;

B.  overwegende dat consumenten recht hebben op informatie in een begrijpelijke taal, met inbegrip van kust- en geografische informatie over de vangstgebieden, en hun volle vertrouwen moeten kunnen stellen in de volledige keten die visserijproducten levert voor de EU-markt; overwegende dat de EU en de lidstaten de plicht hebben de EU-burger te beschermen tegen frauduleuze handelingen; overwegende dat alle ingevoerde producten aan de regels en normen van de EU moeten voldoen;

C.  overwegende dat de Commissie bezig is met de voorbereiding van een volledige en gedetailleerde inventaris van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten die in de EU op de markt worden gebracht; overwegende dat de bevindingen van de Commissie kunnen leiden tot de oprichting van een externe structuur voor het certificeren van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten op de EU-markt;

D.  overwegende dat de Commissie in 2015 in een controleplan(7) ter beoordeling van de aanwezigheid op de markt van wat de opgegeven soort betreft verkeerd geëtiketteerde magere vissen heeft vastgesteld dat de opgegeven soort bij 94 % van de monsters werd bevestigd; overwegende dat de non-conformiteit bij bepaalde soorten evenwel zeer groot was en dat het cijfer van 6 % als vrij laag wordt beschouwd in vergelijking met andere, beperktere studies in de lidstaten;

E.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 werd verplicht uiterlijk op 1 januari 2015 een haalbaarheidsverslag betreffende de opties voor een systeem van milieukeurmerken voor visserij- en aquacultuurproducten voor te leggen aan het Parlement en de Raad;

F.  overwegende dat de gemeenschappelijke marktordening (GMO) eerlijke concurrentie en een inkomen voor producenten van in de EU verkochte of gekochte visserijproducten moet garanderen;

1.  spreekt zijn ernstige verontrusting en onvrede uit over het feit dat uit verschillende studies blijkt dat visproducten die op de EU-markt worden verkocht – onder meer in de restaurants van de EU-instellingen – in een aanzienlijk aantal gevallen verkeerd geëtiketteerd zijn; wijst er nogmaals op dat het met frauduleuze bedoelingen verkeerd etiketteren van vissoorten een schending vormt van de EU-regelgeving, waaronder het gemeenschappelijk visserijbeleid, en een strafbaar feit kan vormen volgens de nationale wetgeving;

2.  roept de lidstaten op de nationale controles aan te scherpen, onder meer de controles op niet-verwerkte vis bedoeld voor restaurants en de cateringsector, in een poging fraude te bestrijden en na te gaan in welk stadium van de toeleveringsketen de vis verkeerd wordt geëtiketteerd; is bezorgd over de vervanging van kwalitatief betere soorten door tegenhangers van mindere kwaliteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan welke maatregelen er kunnen worden getroffen om de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten te verbeteren; is voorstander van de oprichting van een werkgroep om de tenuitvoerlegging van de traceerbaarheid in alle lidstaten te harmoniseren en van de oprichting van een externe structuur voor het certificeren van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten op de EU-markt;

3.  is voorstander van een krachtig traceerbaarheidssysteem, vanaf de aanlanding tot de consumptie, waarmee het vertrouwen van de consument kan worden teruggewonnen en vervolgens ook de commerciële afhankelijkheid van geïmporteerde visserij- en aquacultuurproducten kan worden verminderd, met een sterkere EU-markt als gevolg; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de mogelijkheden van DNA-barcodering, met behulp waarvan soorten geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van DNA-sequencing, met het oog op een betere traceerbaarheid;

4.  is ingenomen met het nieuwe kader van de GMO en dringt er bij de Commissie op aan om overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 een haalbaarheidsverslag in te dienen betreffende de opties voor een systeem van milieukeurmerken voor visserij- en aquacultuurproducten; wijst erop dat voor het toekennen van een milieukeurmerk minimumnormen moeten worden vastgesteld; is van mening dat de belangrijkste onderdelen van het keurmerksysteem transparantie, onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van het certificeringsproces moeten garanderen; vraagt om een diepgaande analyse van de voordelen van een keurmerksysteem voor de gehele EU;

5.  verzoekt de Commissie regelmatig na te gaan in hoeverre de vereiste informatie op etiketten verschijnt; benadrukt dat etikettering begrijpelijke, controleerbare en juiste informatie moet weergeven; spoort de lidstaten aan om in het kader van vrijwillige etikettering alle beschikbare informatie te vermelden die de consument in staat stelt met kennis van zaken een keuze te maken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer bewustmakingscampagnes inzake etiketteringseisen voor visserij- en aquacultuurproducten te voeren;

6.  onderstreept dat een degelijk Europees etiketteringsbeleid in de visserijsector een belangrijke factor kan zijn om de economische ontwikkeling van kustgemeenschappen te stimuleren, om de optimale methoden van vissers aan te wijzen en om de nadruk te leggen op de kwaliteit van de producten die ze de consument leveren;

7.  verzoekt de Commissie om, met het oog op het waarborgen van het recht van de consument op juiste, betrouwbare en begrijpelijke informatie, maatregelen te treffen om de verwarring tegen te gaan die veroorzaakt wordt door de huidige etiketteringseisen op basis van door de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) bepaalde gebieden en deelgebieden, waardoor vooral de visvangst in een aantal deelgebieden van gebied 27 enorm verwarrend wordt weergegeven, met onder meer een etikettering van Galicië en de Golf van Cádiz als "Portugese wateren", Wales als "Ierse Zee", en Bretagne als "Golf van Biskaje";

8.  vestigt er de aandacht op dat informatie met betrekking tot de oorsprong van visserijproducten op een transparante en duidelijke manier moet worden weergeven;

9.  wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat een toekomstig, voor de hele Unie geldend milieukeurmerk, alsook een milieukeurmerkregeling voor visserijproducten uit derde landen en certificeringsregelingen aansluiten bij de richtsnoeren van de FAO met betrekking tot het toekennen van een milieukeurmerk voor uit de zeevisserij afkomstige vis en visserijproducten;

10.  is van mening dat een milieukeurmerk voor visserij- en aquacultuurproducten voor de hele EU, waarvan de criteria verder moeten worden besproken op EU-niveau, kan bijdragen aan een betere traceerbaarheid en aan de beschikbaarheid van transparante informatie voor de consument; is van oordeel dat een dergelijk keurmerk gefinancierd kan worden door het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

11.  stelt vast dat bepaalde in de lidstaten geldende handelsbenamingen van vis verschillen van lidstaat tot lidstaat als gevolg van nationale gewoonten, hetgeen tot een zekere verwarring kan leiden; is ingenomen met de werkzaamheden van de Commissie voor het opstarten van een proefproject, zoals goedgekeurd door het Parlement, om een openbare databank op te richten met informatie over handelsbenamingen in alle officiële talen van de EU;

12.  spoort de Commissie aan haar inspanningen voor de bescherming van mariene hulpbronnen en de bestrijding van illegale visserij beter bekend te maken bij het publiek;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1.
(2) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(3) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.
(4) PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0011.
(7) http://ec.europa.eu/food/safety/official_controls/food_fraud/fish_substitution/index_en.htm?subweb=343&lang=en


De markteconomiestatus van China
PDF 163kWORD 63k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de markteconomiestatus van China (2016/2667(RSP))
P8_TA(2016)0223RC-B8-0607/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de antidumpingwetgeving van de EU (Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap)(1),

–  gezien het Protocol inzake de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de handelsbetrekkingen tussen de EU en China,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie en China twee van de grootste handelsblokken ter wereld zijn, dat China de op één na belangrijkste handelspartner van de EU en de EU de belangrijkste handelspartner van China is, met een dagelijkse onderling handelsverkeer ter waarde van ruim een miljard EUR;

B.  overwegende dat de investeringen van China in de EU in 2015 voor het eerst hoger lagen dan de investeringen van de EU in China; overwegende dat de Chinese markt voor een aantal EU-sectoren en -merken de belangrijkste rendabiliteitsmotor was;

C.  overwegende dat toen China tot de WTO toetrad, een regeling voor zijn toetreding voorzag in een specifieke methode voor dumpingberekening, die in afdeling 15 van het toetredingsprotocol werd vastgelegd en als basis dient voor een andere behandeling van Chinese invoer;

D.  overwegende dat bij elk besluit over de wijze waarop moet worden omgegaan met invoer uit China na december 2016 moet worden gewaarborgd dat de EU-wetgeving in overeenstemming is met de WTO-regels;

E.  overwegende dat de bepalingen van afdeling 15 van het Protocol inzake de toetreding van China tot de WTO die na 2016 van kracht blijven, een rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode op invoer uit China na 2016;

F.  overwegende dat, gezien de huidige mate van invloed van de staat op de Chinese economie, de besluiten van bedrijven inzake prijzen, kosten, productie en productiemiddelen niet inspelen op marktsignalen van vraag en aanbod;

G.  overwegende dat China in het toetredingsprotocol zich onder meer ertoe heeft verbonden om al zijn prijzen door de marktwerking te laten bepalen en dat de EU moet waarborgen dat China zijn WTO-verplichtingen volledig nakomt;

H.  overwegende dat de overcapaciteit van China al aanzienlijke sociale, economische en milieugevolgen heeft voor de EU, zoals onlangs duidelijk is geworden door het schadelijke effect ervan op de EU-staalsector, met name in het Verenigd Koninkrijk, en dat de toekenning van de markteconomiestatus aan China een aanmerkelijke impact kan hebben op de werkgelegenheid in de EU;

I.  overwegende dat 56 van de 73 vigerende antidumpingmaatregelen van toepassing zijn op Chinese invoer;

J.  overwegende dat de onlangs afgesloten openbare raadpleging over de mogelijke toekenning van de markteconomiestatus aan China aanvullende informatie kan opleveren die wellicht van pas komt bij de aanpak van de kwestie;

K.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582) als doel wordt gesteld het aandeel van de industrie in het bbp van de EU te verhogen naar 20 % in 2020;

1.  wijst nogmaals op het belang van het partnerschap van de EU met China, waarin vrije en eerlijke handel en investeringen een belangrijke rol spelen;

2.  benadrukt dat China geen markteconomie is en dat aan de door de EU opgestelde vijf criteria voor markteconomieën nog niet is voldaan;

3.  dringt er bij de Commissie op aan met de belangrijkste handelspartners van de EU te overleggen, ook in de context van de komende G7- en G20-toppen, op welke wijze het best kan worden gewaarborgd dat alle bepalingen van afdeling 15 van het protocol inzake de toetreding van China tot de WTO die na 2016 van kracht blijven, volledige juridische betekenis krijgen in de nationale procedures, en tegen elke unilaterale toekenning van markteconomiestatus aan China bezwaar gemaakt wordt;

4.  benadrukt dat tijdens de komende top tussen de EU en China de kwestie omtrent de markteconomiestatus van China moet worden besproken;

5.  verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met de door de industrie, vakbonden en andere belanghebbenden van de EU geuite zorgen over de gevolgen voor de werkgelegenheid in de EU, het milieu, normen en de duurzame economische groei in alle getroffen be- en verwerkende industrie en voor de EU-industrie in haar geheel, en er in dit verband voor te zorgen dat banen in de EU worden beschermd;

6.  is ervan overtuigd dat de EU, totdat China voldoet aan alle vijf EU-criteria om als markteconomie te worden aangemerkt, bij haar antidumping- en antisubsidieonderzoeken naar Chinese invoer gebruik moet maken van een niet-standaardmethode om de vergelijkbaarheid van de prijzen te bepalen, overeenkomstig en met volledige uitvoering van de onderdelen van afdeling 15 van het toetredingsprotocol van China die de rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen dat in overeenstemming is met dit beginsel;

7.  benadrukt daarnaast dat een algemene hervorming van de handelsbeschermingsinstrumenten dringend is om te waarborgen dat de EU-industrie dezelfde concurrentievoorwaarden geniet als China en andere handelspartners, met volledige inachtneming van de WTO-regels; verzoekt de Raad snel een akkoord te bereiken met het Parlement over de modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten van de Unie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.


Follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling
PDF 266kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (2016/2696(RSP))
P8_TA(2016)0224B8-0583/2016

Het Europees Parlement,

–  gezin het document getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling" dat op 25 september 2015 werd goedgekeurd op de VN-wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te New York,

–  gezien de derde internationale conferentie over financiering voor ontwikkeling die van 13 tot 16 juli 2015 in Addis Abeba plaatsvond,

–  gezien het verslag van de deskundigengroep van VN-organisaties voor indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (Inter-Agency Expert Group on Sustainable Development Goal Indicators (IAEG-SDG)), dat op 17 december 2015 werd gepubliceerd en op de 47e zitting van de Statistische Commissie van de VN in maart 2016 werd goedgekeurd,

–  gezien de bijeenkomst op hoog niveau van de Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC), die van 18 tot 22 juli 2016 zal worden gehouden met als thema "Tenuitvoerlegging van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015: van beloften naar resultaten",

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(1),

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(2),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) te Parijs op 12 december 2015,

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is vastgelegd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien de in voorbereiding zijnde globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, die als leidraad zal dienen voor het wereldwijde optreden van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over de rol van de EU binnen de VN – hoe kunnen de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU beter worden verwezenlijkt?(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling,

–  gezien de herziening van de Europa 2020-strategie – "De nieuwe aanpak na 2020",

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de Actieagenda van Accra en de verklaring en het actieplan van het forum op hoog niveau inzake de doeltreffendheid van steun, dat in december 2011 in Busan plaatsvond,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling en de aanstaande herziening daarvan,

–  gezien artikel 208 van het VWEU, waarin wordt bepaald dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in aanmerking moet worden genomen bij alle externe beleidsmaatregelen van de EU,

–  gezien de resultaten van de wereldtop over humanitaire hulp die op 23 en 24 mei 2016 te Istanbul (Turkije) zal worden gehouden,

–  gezien het schrijven van 29 maart 2016 van zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking aan de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling over de follow-up en de toetsing van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in Resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN wordt opgeroepen tot follow-up en toetsing van de doelstellingen en streefcijfers aan de hand van een reeks mondiale indicatoren; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN de opdracht heeft gekregen een jaarlijks voortgangsverslag over de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) op te stellen ter ondersteuning van de follow-up en toetsing op het politiek forum op hoog niveau (HLPF) inzake duurzame ontwikkeling; overwegende dat het SDG-voortgangsverslag gebaseerd moet worden op door nationale statistische systemen geproduceerde gegevens en op diverse niveaus verzamelde informatie;

B.  overwegende dat de Statistische Commissie op haar 46e vergadering (3-6 maart 2015) haar goedkeuring heeft gehecht aan de routekaart voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een mondiaal indicatorenkader;

C.  overwegende dat de Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development Goal Indicators (IAEG-SDG), die belast is met de volledige ontwikkeling van een voorstel voor het indicatorenkader voor de monitoring van de doelstellingen en streefcijfers voor de Ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, indicatoren heeft voorgesteld voor de toetsing van de Agenda voor 2030 waarover op de 47e vergadering van de Statistische Commissie in maart 2016 overeenstemming werd bereikt;

D.  overwegende dat de voorgestelde reeks van 230 indicatoren voor doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling een goed uitgangspunt en een robuust kader vormt voor de follow-up en de toetsing van de vooruitgang die is geboekt met de verwezenlijking van de 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

E.  overwegende dat meerdere indicatoren nog niet af zijn en dat de ondertekenende lidstaten tegelijkertijd hun eigen nationale indicatoren zullen moeten vaststellen, die afgestemd moeten zijn op de globale indicatoren en toegesneden op hun nationale omstandigheden;

F.  overwegende dat over het mondiaal indicatorenkader in juli 2016 overeenstemming moet worden bereikt door de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) en in september 2016 door de Algemene Vergadering;

G.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken, onderdeel Ontwikkelingssamenwerking, op 12 mei 2016 bijeen zal komen en dan het standpunt van de EU voor de HLPF-vergadering van juli 2016 zal moeten voorbereiden en zal moeten bepalen in welke context een thematische discussie over handel en ontwikkeling zal worden gehouden die toegespitst is op de EU-bijdrage aan de private sector bij de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

H.  overwegende dat systeembrede strategische planning, tenuitvoerlegging en verslaglegging noodzakelijk zijn om een samenhangende en geïntegreerde ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de nieuwe Agenda door het VN-ontwikkelingssysteem te waarborgen;

I.  overwegende dat het nieuwe universele kader voor duurzame ontwikkeling meer samenhang vereist tussen beleidsdomeinen en EU-spelers, wat betekent dat er meer coördinatie, dialoog en gezamenlijk werk op alle niveaus en binnen en tussen EU-instellingen nodig is om de integratie van de drie pijlers van duurzame ontwikkeling (milieu, economie en maatschappij) in het interne en externe EU-beleid zeker te stellen;

J.  overwegende dat er op de HLPF-bijeenkomst in juli 2016 onder meer vrijwillige toetsingen van 22 landen, waaronder vier Europese landen (Estland, Finland, Frankrijk en Duitsland) zullen worden gehouden, alsook thematische toetsingen van de vooruitgang die ten aanzien van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen is geboekt, met inbegrip van horizontale kwesties, ondersteund door toetsingen van de functionele commissies van ECOSOC en andere intergouvernementele organen en fora;

1.  verzoekt de afdeling Ontwikkelingssamenwerking van de Raad Buitenlandse Zaken om voorafgaand aan de HLPF-bijeenkomst in juli 2016 een coherent en gemeenschappelijk EU-standpunt te bepalen, met inachtneming van het standpunt van het Parlement zoals dat in deze resolutie is verwoord; is van mening dat het voor de geloofwaardigheid en de leidende positie van de EU cruciaal is dat er een gemeenschappelijk standpunt wordt gepresenteerd; vindt het jammer dat de Commissie niet de door de leden van de commissie Ontwikkelingssamenwerking gevraagde mededeling over de follow-up en de toetsing van de Agenda 2030 heeft gepubliceerd met het oog op de HLPF-bijeenkomst, die als uitgangspunt zou dienen voor het gemeenschappelijke EU-standpunt;

2.  is ingenomen met het verslag van de IAEG over de indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; is van mening dat dit een opmerkelijk resultaat is en een goed uitgangspunt vormt voor onderhandelingen, aangezien de voorgestelde indicatoren de aandacht vestigen op een veel breder scala aan structurele zorgpunten;

3.  is ingenomen met het aparte hoofdstuk over gegevensuitsplitsing en over het belang dat gehecht wordt aan de versterking van de nationale statistische capaciteit;

4.  beseft dat het HLPF een doorslaggevende rol speelt bij de toetsing van de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; benadrukt dat dit orgaan moet zorgen voor een gecoördineerde en efficiënte beoordeling van behoeften en voor de vaststelling van de benodigde routekaarten voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

5.  benadrukt dat de Agenda 2030 en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen een hernieuwd internationaal engagement betekenen voor het uitbannen van armoede, het herdefiniëren en moderniseren van onze ontwikkelingsstrategieën voor de komende vijftien jaar en voor het waarborgen van resultaten;

6.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een overkoepelende strategie inzake duurzame ontwikkeling die alle relevante interne en externe beleidsterreinen beslaat, met een gedetailleerd tijdspad voor de periode tot 2030, een tussentijdse herziening en een specifieke procedure die ervoor zorgt dat het Parlement volledig erbij betrokken wordt, met inbegrip van een concreet implementatieplan waarin de verwezenlijking van de 17 doelstellingen, 169 streefcijfers en 230 mondiale indicatoren gecoördineerd wordt en waarin consistentie met en verwezenlijking van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs gewaarborgd wordt; benadrukt het belang van het universele karakter van de doelstellingen en het feit dat de EU en haar lidstaten hebben toegezegd alle doelstellingen en streefcijfers volledig ten uitvoer te zullen leggen, naar de letter en de geest;

7.  wijst er nadrukkelijk op dat over de nieuwe EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling en het bijbehorende implementatiebeleid breed overleg moet plaatsvinden met alle belanghebbenden, waaronder de nationale parlementen, de plaatselijke autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, via een inclusief proces;

8.  verzoekt om een mededeling van de Commissie over de follow-up en de toetsing van de Agenda 2030, met duidelijke informatie over de implementatiestructuur van de Agenda op EU- en lidstaatniveau; benadrukt dat alle betrokken directoraten-generaal van de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) volledig betrokken moeten worden bij de integratie van de Agenda 2030 in de aanstaande toetsing van de Europa 2020-strategie en de op handen zijnde globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, zodat er gezorgd wordt voor sterke beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling;

9.  benadrukt dat de toetsing van de Europese consensus inzake ontwikkeling de nieuwe Agenda 2030 volledig moet weerspiegelen, wat onder meer betekent dat er een paradigmaverschuiving moet plaatsvinden en dat het EU-ontwikkelingsbeleid volledig op de schop moet; herinnert eraan dat een passende en doelgerichte programmering van ontwikkelingshulp binnen de ontwikkelingssamenwerking, met inachtneming van de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp, essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstellingen en de daaraan verbonden streefcijfers;

10.  benadrukt dat de EU de aanstaande tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) met beide handen moet aangrijpen om te waarborgen dat de financieringsmechanismen en begrotingslijnen alle verplichtingen uit hoofde van de Agenda 2030 weerspiegelen waarmee de EU heeft ingestemd; verzoekt de EU en haar lidstaten zich onverwijld opnieuw ertoe te verbinden dat zij 0,7 % van het bni voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) zullen bestemmen en een tijdschema in te dienen voor de wijze waarop zij de ODA geleidelijk zullen opvoeren om dat streefcijfer van 0,7 % te halen;

11.  dringt aan op een regelmatige dialoog tussen het HLPF en de Commissie over de geboekte vooruitgang, met regelmatige verslagen aan het Parlement, in overeenstemming met de beginselen van transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht; wijst nadrukkelijk op de noodzaak van meer dialoog tussen de Commissie en het Parlement over de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030, met name op het stuk van ontwikkelingsbeleid en beleidscoherentie voor ontwikkeling;

12.  verzoekt de Commissie en de EDEO om, in nauw overleg met andere partners, concrete voorstellen te doen over hoe beleidscoherentie voor ontwikkeling beter kan worden geïntegreerd in de aanpak die de EU volgt voor de uitvoering van de Agenda 2030 en roept ertoe op deze nieuwe aanpak in alle instellingen van de EU over te nemen, teneinde doeltreffende samenwerking te waarborgen en een einde te maken aan de "silo"-benadering;

13.  wijst erop dat het van belang is het concept beleidscoherentie voor ontwikkeling gestalte te geven; verzoekt de Commissie en de EDEO om, in nauw overleg met andere partners, concrete voorstellen te doen over hoe beleidscoherentie voor ontwikkeling beter kan worden geïntegreerd in de aanpak die de EU volgt voor de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en roept ertoe op deze nieuwe aanpak in alle instellingen van de EU over te nemen;

14.  verzoekt de Commissie doeltreffende mechanismen voor toezicht, toetsing en verantwoording te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en daarover regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement; herinnert er in dit verband aan dat de democratische controle door het Parlement moet worden versterkt, mogelijk via een interinstitutioneel akkoord met een bindend karakter krachtens artikel 295 van het VWEU;

15.  verzoekt de Commissie en de gespecialiseerde agentschappen, fondsen en programma's van de VN een dialoog op hoog niveau op gang te brengen over de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, om het beleid, de programma's en de activiteiten van de EU en de VN en andere donoren op elkaar af te stemmen; benadrukt het belang van uitgesplitste en toegankelijke gegevens voor het monitoren van vorderingen en het beoordelen van resultaten;

16.  verzoekt de VN-agentschappen en -organen om grotere beleidscoherentie voor ontwikkeling binnen de werkingsstructuren van de VN, zodat alle dimensies van duurzame ontwikkeling effectief worden geïntegreerd;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0196.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0403.


Verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen
PDF 185kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen (2016/2583(RSP))
P8_TA(2016)0225B8-0545/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie(1) (de "verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten") en met name artikel 26, leden 5 en 7,

–  gezien de verslagen van 20 mei 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten en andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees (COM(2015)0205) en betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken (COM(2015)0204),

–  gezien het verslag van 17 december 2013 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt (COM(2013)0755) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 december 2013 over de vermelding van herkomst van vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt: consumentengedrag, haalbaarheid van mogelijke scenario's en effecten (SWD(2013)0437),

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over oorsprongsetikettering voor vlees in verwerkte levensmiddelen(2) en het formele antwoord van de Commissie van 6 mei 2015,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vers, gekoeld of bevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2014(4) over de hierboven vermelde Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013,

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de voedselcrisis, fraude in de voedselketen en de controle daarop(5),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van bepaalde levensmiddelen (O-000031/2016 – B8-0363/2016),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 26, lid 5, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten is bepaald dat de Commissie voor 13 december 2014 verslagen moet voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees, voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten, en voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken;

B.  overwegende dat de Commissie krachtens artikel 26, lid 8, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten verplicht was om uiterlijk op 13 december 2013 uitvoeringshandelingen vast te stellen voor de toepassing van lid 3 van dit artikel;

C.  overwegende dat voorschriften betreffende oorsprongsetikettering reeds zijn ingevoerd en doeltreffend werken voor veel andere levensmiddelenproducten, waaronder onverwerkt vlees, eieren, fruit en groenten, vis, honing, extra vergine olijfolie, wijn en spiritualiën;

D.  overwegende dat in artikel 26, lid 7, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt bepaald dat in de verslagen onder andere rekening moet worden gehouden met de noodzaak om de consument te informeren en met de haalbaarheid van het aanbrengen van de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst, alsook dat zij een analyse moeten bevatten van de kosten en baten van dergelijke maatregelen; overwegende dat verder wordt bepaald dat de verslagen vergezeld kunnen gaan van voorstellen tot wijziging van relevante bepalingen van de EU-wetgeving;

E.  overwegende dat in artikel 26, lid 2, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt bepaald dat het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst verplicht is indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden aangaande het werkelijke land van oorsprong of de werkelijke plaats van herkomst van het levensmiddel, met name als de bij het levensmiddel gevoegde informatie of het etiket in zijn geheel anders zou impliceren dat het levensmiddel een ander land van oorsprong of een andere plaats van herkomst heeft;

F.  overwegende dat de Commissie op 20 mei 2015 haar verslag betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten en andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees ("verslag betreffende melk en andere soorten vlees") en haar verslag betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken, heeft gepubliceerd;

G.  overwegende dat, volgens verslag COM(2013)0755 van de Commissie, naarmate de snij- en verwerkingsfasen in de vleessector ingewikkelder worden en de graad van verwerking toeneemt, de traceerbaarheid met het oog op oorsprongsetikettering steeds moeilijker wordt;

H.  overwegende dat de voedselketen vaak lang en complex is en dat vele exploitanten van levensmiddelenbedrijven en andere partijen erbij betrokken zijn; overwegende dat consumenten steeds minder goed weten hoe levensmiddelen worden geproduceerd en afzonderlijke exploitanten van levensmiddelenbedrijven niet altijd een volledig overzicht hebben van de gehele productketen;

I.  overwegende dat de algemene bereidheid van consumenten om te betalen voor de informatie over de oorsprong gering lijkt te zijn, maar dat consumentenonderzoeken(6) naar die bereidheid laten zien dat het merendeel van de consumenten wel bereid is om meer voor deze informatie te betalen;

J.  overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 11 februari 2015 bij de Commissie op aan heeft gedrongen opvolging te geven aan haar verslag van 17 december 2013 door middel van wetgevingsvoorstellen die het vermelden van de oorsprong van vlees in verwerkte levensmiddelen verplicht stellen, teneinde voor meer transparantie in de gehele voedselketen te zorgen en de Europese consument van betere informatie te voorzien, waarbij de regels inzake effectbeoordelingen in acht worden genomen en buitensporige kosten en administratieve rompslomp worden vermeden; overwegende dat de Commissie deze follow up-wetgevingsvoorstellen nog niet heeft ingediend;

K.  overwegende dat er alleen strikte specificaties bestaan voor vrijwillige kwaliteitsregelingen, zoals de beschermde oorsprongsbenaming (BOB), de beschermde geografische aanduiding (BGA) of de gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS), aan strikte regels zijn gebonden, terwijl de criteria van de vrijwillige etiketteringsregelingen voor de in Verordening (EU) nr. 1169/2011 genoemde levensmiddelen onderling sterk kunnen verschillen;

Consumptiemelk en melk die als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt

1.  wijst erop dat in overweging 32 van de verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt gesteld dat melk een van de producten is waarvoor een oorsprongsetikettering van bijzonder belang wordt geacht;

2.  onderstreept dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2013 84 % van de consumenten een oorsprongsaanduiding voor melk noodzakelijk acht, ongeacht of deze als zodanig wordt verkocht of als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt; merkt op dat dit een van de vele factoren is die van invloed kunnen zijn op consumentengedrag;

3.  beklemtoont dat de verplichte oorsprongsaanduiding voor melk, ongeacht of deze als zodanig wordt verkocht of als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt, een nuttige maatregel is om de kwaliteit van zuivelproducten te beschermen en de werkgelegenheid in een sector in zware crisis te beschermen;

4.  wijst erop dat volgens de enquête bij het verslag betreffende melk en andere soorten vlees de kosten van verplichte oorsprongsaanduiding voor melk en melk als ingrediënt toenemen naarmate het productieproces complexer wordt; merkt op dat in dezelfde enquête wordt gesuggereerd dat ondernemingen in bepaalde lidstaten het effect van verplichte oorsprongsetikettering op hun concurrentiepositie hebben overdreven, aangezien in de enquête geen duidelijke verklaring kon worden gevonden voor de hoge kostenramingen door deze ondernemingen, terwijl werd gesteld dat deze een teken kunnen zijn van sterke weerstand tegen oorsprongsetikettering als zodanig;

5.  dringt aan op de oprichting van een werkgroep van de Commissie om het verslag van de Commissie, gepubliceerd op 20 mei 2015, nader te evalueren, om vast te stellen welke kosten tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht als verdere voorstellen voor verplichte aanduiding van het land van oorsprong worden beperkt tot zuivel- en minder intensief verwerkte zuivelproducten;

6.  is ingenomen met de in de enquête opgenomen analyse van de kosten en baten van de invoering van verplichte oorsprongsetikettering voor melk en melk als ingrediënt, maar is van mening dat de Commissie in haar conclusie niet voldoende rekening houdt met de positieve aspecten van de verplichte aanduiding van het land van oorsprong op dergelijke producten, zoals meer informatie voor consumenten; merkt op dat consumenten zich misleid kunnen voelen wanneer informatie over verplichte oorsprongsetikettering niet beschikbaar is en andere levensmiddelenetiketten, zoals nationale vlaggen, worden gebruikt;

7.  benadrukt het belang van kleine en middelgrote ondernemingen in de verwerkingsketen;

8.  is van mening dat de Commissie rekening moet houden met de economische gevolgen van verplichte oorsprongsetikettering voor kmo's in de betrokken landbouw- en levensmiddelensectoren en deze moet analyseren;

9.  is van oordeel dat in de conclusie van de Commissie betreffende melk en melk als ingrediënt de kosten van de aanduiding van het land van oorsprong voor bedrijven worden overschat, aangezien alle zuivelproducten samen in aanmerking worden genomen;

10.  wijst erop dat de Commissie tot de conclusie komt dat de kosten van de aanduiding van het land van oorsprong voor melk gering zouden zijn;

Andere soorten vlees

11.  onderstreept dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2013 88 % van de consumenten een oorsprongsaanduiding voor andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees noodzakelijk acht;

12.  merkt op dat het paardenvleesschandaal de noodzaak aantoonde van betere transparantie in de toeleveringsketen van paardenvlees;

13.  wijst erop dat uit het verslag van de Commissie is gebleken dat de exploitatiekosten van verplichte aanduiding van het land van oorsprong voor het onder haar bevoegdheid vallende vlees relatief laag zijn;

Verwerkt vlees

14.  wijst erop dat in het verslag van de Commissie van 17 december 2013 betreffende de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vlees als ingrediënt wordt erkend dat meer dan 90 % van de consumenten-respondenten aangeeft het belangrijk te vinden dat op het etiket van verwerkte levensmiddelen de oorsprong van het vlees wordt vermeld;

15.  is van oordeel dat consumenten, net als tal van beroepsbeoefenaars, voorstander zijn van een verplichte etikettering van vlees in bereide gerechten; meent dat het vertrouwen van de consumenten in levensmiddelen via deze maatregel kan worden behouden omdat de voedselketen transparanter wordt gemaakt;

16.  onderstreept dat Europese consumenten belang hebben bij een verplichte etikettering van alle levensmiddelen met de aanduiding van het land van oorsprong;

17.  wijst erop dat etikettering op zich geen bescherming vormt tegen fraude en benadrukt de behoefte aan een kostenefficiënt controlesysteem om het consumentenvertrouwen te verzekeren;

18.  wijst erop dat vrijwillige etiketteringsregelingen, indien op passende wijze ingevoerd in verschillende lidstaten, een succes zijn geweest voor zowel de informatie aan consumenten als voor producenten;

19.  is van oordeel dat vanwege het feit dat de in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 bedoelde uitvoeringshandelingen nog niet zijn vastgesteld, dat artikel nog niet naar behoren kan worden gehandhaafd;

20.  merkt op dat beschermde oorsprongsaanduiding reeds bestaat voor veel verwerkte vlees- en zuivelproducten (bijv. ham en kaas), op grond waarvan de oorsprong van het gebruikte vlees is vastgesteld in de productiecriteria en er sprake is van verhoogde traceerbaarheid; roept de Commissie derhalve op de ontwikkeling van producten met een "beschermde oorsprongsbenaming" (BOB), "beschermde geografische aanduiding" (BGA) of "gegarandeerde traditionele specialiteit" (GTS) op grond van Verordening (EU) nr. 1151/2012(7) te stimuleren, zodat wordt verzekerd dat consumenten toegang hebben tot producten van hoge kwaliteit en veilige herkomst;

21.  dringt er bij de Commissie op aan te verzekeren dat de huidige voorschriften met betrekking tot de aanduiding van het land van herkomst niet worden afgezwakt bij de lopende handelsonderhandelingen, zoals het TTIP, en dat het recht om in de toekomst nadere voorschriften met betrekking tot de aanduiding van het land van herkomst voor te stellen voor andere levensmiddelenproducten niet wordt belemmerd;

Conclusies

22.  dringt er bij de Commissie op aan uitvoering te geven aan de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor alle soorten consumptiemelk en melk voor zuivelproducten en vleesproducten, en de mogelijkheid te onderzoeken om de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst uit te breiden tot de andere producten met maar één ingrediënt of een hoofdingrediënt, en met wetgevingsvoorstellen op deze terreinen te komen;

23.  spoort de Commissie aan wetgevingsvoorstellen te doen die de oorsprongsaanduiding voor vlees in verwerkte levensmiddelen verplicht maken om de transparantie in de hele voedselketen te waarborgen en het vertrouwen van de consumenten te herstellen na het paardenvleesschandaal en andere gevallen van levensmiddelenfraude; beklemtoont ook dat de etiketteringsverplichtingen rekening moeten houden met het evenredigheidsbeginsel en met de administratieve belasting voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en de instanties die de wetgeving moeten doen naleven;

24.  is van oordeel dat er met de verplichte oorsprongsaanduiding van voedingsmiddelen naar wordt gestreefd om het vertrouwen van de consument in levensmiddelen te herstellen, vraagt de Commissie om in dit verband met een voorstel te komen en daarbij rekening te houden met de transparantie van de informatie en de begrijpelijkheid van de gegevens voor de consument, evenals met de economische levensvatbaarheid van de Europese ondernemingen en de koopkracht van de consument;

25.  benadrukt het belang van een gelijk speelveld op de interne markt en verzoekt de Commissie met klem hiermee rekening te houden bij de bespreking van voorschriften over verplichte oorsprongsetikettering;

26.  verzoekt de Commissie etiketteringsregelingen voor dierenwelzijn tijdens het fokken, het vervoer en de slacht te ondersteunen;

27.  betreurt dat de Commissie nog niets heeft gedaan om eieren en eierproducten ook op de lijst te zetten voor levensmiddelen met verplichte oorsprongsetikettering, hoewel vooral goedkope eierproducten van vloeibaar ei of eierpoeder, die hoofdzakelijk in verwerkte producten worden gebruikt, via de import uit derde landen op de Europese markt terechtkomen en zo het EU-verbod op kooi-eieren overduidelijk omzeilen; is daarom van mening dat een verplichte etikettering van eierproducten en levensmiddelen waarin eieren zijn verwerkt met betrekking tot oorsprong en houderijsysteem hier transparantie en bescherming zou kunnen bieden en vraagt de Commissie daarom een analyse van de marktsituatie voor te leggen en indien nodig wetsvoorstellen op te stellen;

28.  is van mening dat aanduiding van het land van oorsprong voor consumptiemelk, minder intensief verwerkte zuivelproducten (zoals kaas en room) en bepaalde minder intensief verwerkte vleesproducten (zoals bacon en worstjes), aanzienlijk minder kosten met zich mee zou brengen, en dat deze etikettering met prioriteit moet worden onderzocht;

29.  is van mening dat oorsprongsetikettering als zodanig fraude niet voorkomt; pleit er in dit verband voor resoluut verder in te zetten op een striktere controle, een betere handhaving van bestaande wetgeving en zwaardere sancties;

30.  verzoekt de Commissie de noodzakelijke actie te ondernemen ter bestrijding van fraude in verband met de voorschriften voor oorsprongsaanduiding op vrijwillige basis voor levensmiddelen;

31.  nodigt de Commissie uit de bestaande kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen die vallen onder Verordening (EU) nr. 1151/2012 te ondersteunen en vraagt om uitbreiding van de Europese promotiecampagnes voor deze producten;

32.  verzoekt de Commissie nogmaals te voldoen aan de wettelijke verplichting om tegen 13 december 2013 de uitvoeringshandelingen vast te stellen die nodig zijn voor de correcte handhaving van lid 3 van Verordening (EU) nr. 1169/2011, zodat de nationale instanties de overeenkomstige sancties kunnen opleggen;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0034.
(3) PB L 335 van 14.12.2013, blz. 19.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0096.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0011.
(6) http://ec.europa.eu/food/safety/docs/labelling_legislation_final_report_ew_02_15_284_en.pdf, blz. 50.
(7) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.


Raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof
PDF 199kWORD 91k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de toepassing van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst over ouderschapsverlof, en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG; (2015/2097(INI))
P8_TA(2016)0226A8-0076/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2, artikel 3, lid 3, en artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8, 10, 153, lid 1, onder i) en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 7, 9, 23, 24 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG,

–  gezien Richtlijn 2013/62/EU van de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, in verband met de wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 (777751/1/06 REV 1),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Meer steun voor het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven" (COM(2008)0635),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" (C(2013)0778),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015(1),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015,(2),

–  gezien zijn resolutie van woensdag 20 mei 2015 over moederschapsverlof(3),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(4),

–  gezien de studie van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement van mei 2015 getiteld "Gender equality in employment and occupation - Directive 2006/54/EC, European Implementation Assessment" (Gendergelijkheid in arbeid en beroep - Richtlijn 2006/54/EG, Europese uitvoeringsbeoordeling),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie van het Europees Parlement van februari 2015 getiteld: "Maternity, Paternity and Parental Leave: Data Related to Duration and Compensation Rates in the European Union" (Moederschaps- vaderschaps- en ouderschapsverlof: gegevens over de duur en de compensatiepercentages in de Unie),

–  gezien de studie van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofond) van maart 2015 getiteld ""Promoting parental and paternity leave among fathers" (Het bevorderen van ouderschaps- en vaderschapsverlof onder vaders),

–  gezien het Eurofound-verslag getiteld "Maternity leave provisions in the EU Member States: Duration and allowances" (Eurofound, 2015),

–  gezien het verslag van Eurofound van 2015 met als titel "Promoting uptake of parental and paternity leave among fathers in the European Union",

–  gezien de studie van de Europese Commissie van februari 2015 getiteld "The Implementation of Parental Leave Directive 2010/18 in 33 European Countries" (De tenuitvoerlegging van de Richtlijn 2010/18 betreffende ouderschapsverlof in 33 Europese landen),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0076/2016),

A.  overwegende dat het niet waarschijnlijk is dat de in de Europa 2020-strategie opgenomen doelstelling van een arbeidsparticipatie van 75 % tegen 2020 (momenteel 63,5 %) gehaald zal worden; overwegende dat er voorts proactieve maatregelen nodig zijn om de duurzame participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen en om moeders op de arbeidsmarkt te houden en hun terugkeer op de arbeidsmarkt te ondersteunen, teneinde de doelstelling van stabiel en fatsoenlijk werk onder gelijke voorwaarden als mannen, te verwezenlijken, met name door beleid dat erop is gericht een beter evenwicht tussen werk en privéleven tot stand te brengen voor alle ouders;

B.  overwegende dat door de ouders verrichte gezins- en opvoedingstaken een meetbare economische bijdrage van groot belang vormen, mede in het licht van de demografische ontwikkelingen in Europa;

C.  overwegende dat in Richtlijn 96/34/EG de combinatie van beroeps- en gezinsleven als apart onderwerp wordt erkend, terwijl in Richtlijn 2010/18/EU wordt voorgeschreven dat alle werknemers het recht hebben op vier maanden onbetaald ouderschapsverlof, waarbij één van de maanden op niet-overdraagbare basis moet worden verleend; overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid op het gebied van arbeid nu is vastgelegd in EU-wetgeving; overwegende dat gelijke carrièremogelijkheden voor mannen en vrouwen, onder meer door middel van het ouderschapsverlof, zou helpen om het in de Europa 2020-strategie opgenomen arbeidsparticipatiepercentage van 75 % te halen, en om het probleem aan te pakken dat vrouwen veel kwetsbaarder zijn voor armoede, maar dat zij tevens een meetbare economische bijdrage van groot belang vormen, mede in het licht van de demografische ontwikkelingen in Europa;

D.  overwegende dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat onbetaald of slecht betaald verlof om gezinsredenen leidt tot geringe participatiepercentages en dat vaders slechts in geringe mate gebruik maken van hun recht op ouderschapsverlof; overwegende dat volledig of deels niet-overdraagbaar en behoorlijk betaald ouderschapsverlof op een evenwichtigere manier door beide ouders wordt benut en helpt om discriminatie tegen vrouwen op de arbeidsmarkt te verminderen;

E.  overwegende dat een gemengd model, bestaande uit zowel een moederschaps-, als een vaderschaps- en een gemeenschappelijk verlof, d.w.z. een ouderschapsverlof waarbij beide ouders op correcte wijze samen kunnen besluiten hoe zij hun verlofrechten inrichten, in het belang is van de kinderen terwijl tevens rekening kan worden gehouden met de specifieke kenmerken van hun baan;

F.  overwegende dat het ouderschapsverlof leidt tot levenslange voordelen voor de ontwikkeling van kinderen; overwegende dat in het kader van het huidige overheidsbeleid op dit gebied het percentage vaders dat ouderschapsverlof neemt in de lidstaten van de Unie toeneemt, maar desalniettemin laag blijft, waarbij slechts 10 % van de vaders ten minste een dag ouderschapsverlof neemt, overwegende dat het daarentegen voor 97 % vrouwen zijn die gebruikmaken van het ouderschapsverlof dat voor beide ouders bestemd is;

G.  overwegende dat in studies van Eurofound wordt geïllustreerd dat er aspecten van invloed zijn op de mate waarin vaders gebruikmaken van ouderschapsverlof, waaronder het vergoedingsniveau, de flexibiliteit van het verlofsysteem, de beschikbaarheid van informatie, de beschikbaarheid en flexibiliteit van kinderopvangfaciliteiten en de mate waarin werknemers bang zijn voor uitsluiting van de arbeidsmarkt wanneer zij verlof opnemen; overwegende dat tal van onderzoekers(5) evenwel suggereren dat vaders die ouderschapsverlof opnemen een betere band opbouwen met hun kinderen en waarschijnlijk een actieve rol op zich zullen nemen bij toekomstige opvoedkundige taken; overwegende dat deze kwesties daarom moeten worden aangepakt;

H.  overwegende dat de Europese Unie in haar geheel voor ernstige demografische uitdagingen staat gezien de dalende geboortecijfers in de meeste lidstaten, en overwegende dat een rechtvaardig gezinsbeleid voor mannen en vrouwen de kansen van vrouwen op de arbeidsmarkt zou moeten verbeteren, het evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven zou moeten verbeteren, genderkloven zou moeten verminderen met betrekking tot beloning, pensioenen en de inkomsten gedurende het hele leven, en een positief effect zou moeten hebben op de demografische ontwikkelingen;

I.  overwegende dat volgens Eurostat in 2010 3 518 600 personen ouderschapsverlof opnam, waarvan slechts 94 800 (2,7 %) mannen; overwegende dat volgens onderzoek van Eurofound(6) de genderkloof in de arbeidsparticipatie tot ernstige verliezen leidt voor de Europese economieën, die in 2013 neerkwamen op ongeveer 370 miljard euro;

J.  overwegende dat de Commissie, samen met de lidstaten, concrete maatregelen zou moeten nemen om een nieuw soort arbeidsorganisatie te stimuleren via flexibelere arbeidsmodellen die het mogelijk maken het recht op ouderschap daadwerkelijk uit te oefenen met behulp van instrumenten om privéleven en werk beter te combineren; overwegende dat deze maatregelen zouden kunnen helpen om discriminatie tegen vrouwen tegen te gaan en hun te helpen toe te treden tot, actief te blijven op of terug te keren naar de arbeidsmarkt zonder enige vorm van economische of sociale druk;

K.  overwegende dat ouderschapsverlof niet alleen gendergelijkheid en de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt moet waarborgen, maar ouders ook in staat moet stellen om hun verantwoordelijkheden ten aanzien van hun kinderen te vervullen;

L.  overwegende dat het van cruciaal belang is te waarborgen dat vrouwen arbeid met rechten kunnen combineren met het recht op moederschap zonder dat zij daardoor worden benadeeld, aangezien vrouwen nog altijd het zwaarst worden getroffen en het meest worden gediscrimineerd; overwegende dat vrouwen deze discriminatie bijvoorbeeld ondervinden tijdens sollicitatiegesprekken, wanneer werkgevers vragen of zij kinderen hebben en hoe oud die zijn, om vrouwen te beïnvloeden in hun keuzen en te kunnen kiezen voor kinderloze werknemers met een "grotere beschikbaarheid", of in de vorm van de toenemende economische en werkgerelateerde druk op vrouwelijke werknemers om geen moederschapsverlof op te nemen;

M.  overwegende dat de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt en hun blijvende arbeidsparticipatie onder andere worden beperkt door de zorg voor gehandicapte, hulpbehoevende en afhankelijke kinderen en/of kinderen die tot achtergestelde categorieën of groepen behoren;

N.  overwegende dat wanneer er geen bepalingen voor verlof bestaan of wanneer de bestaande bepalingen als onvoldoende worden beschouwd, de sociale partners, door middel van collectieve overeenkomsten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van nieuwe bepalingen of het actualiseren van bestaande bepalingen voor moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof;

O.  overwegende dat een evenwicht tussen gezinsleven en beroepsleven een grondrecht is dat ten volle moet worden gewaarborgd in alle teksten van de Europese Unie die op dit domein enige invloed kunnen hebben; overwegende dat, meer in het algemeen, moet worden gewezen op het belang van een gezinsvriendelijke werkomgeving;

P.  overwegende dat de meeste lidstaten van de EU reeds voldoen aan de minimumeisen in Richtlijn 2010/18/EU inzake ouderschapsverlof en de nationale bepalingen in veel lidstaten verder gaan dan deze eisen;

Q.  overwegende dat de lidstaten zowel in de publieke als in de private sector bedrijfswelzijnsmodellen zouden moeten promoten die het recht om privéleven en werk te combineren opeisbaar maken;

R.  overwegende dat de verschillen in opname van moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof door mannen en vrouwen genderdiscriminatie laten zien wat de zorg voor kinderen en de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen betreft; overwegende dat de maatregelen om mannen ertoe aan te sporen een gelijk aandeel in de gezinstaken op zich te nemen in veel lidstaten geen bevredigende resultaten hebben opgeleverd;

S.  overwegende dat passend, individueel, gecompenseerd ouderschapsverlof van essentieel belang is voor ouders van hetzelfde geslacht om een goede balans tussen werk en privéleven te vinden;

T.  overwegende dat vrouwen die gebruikmaken van hun recht op een goede balans tussen werk en privéleven door ouderschapsverlof op te nemen bij terugkeer op de arbeidsmarkt een stempel krijgen opgedrukt, met minder gunstige arbeidsvoorwaarden en onzekere contracten tot gevolg;

De omzetting van de richtlijn

1.  onderstreept dat de bepalingen die nodig zijn voor de omzetting van Richtlijn 2010/18/EU resulteren in verschillende beleidsvormen in de lidstaten; is derhalve van mening dat de omzetting in volledige overeenstemming dient te zijn met de geldende wetten op het gebied van collectieve onderhandelingen tussen de sociale partners;

2.  is van mening dat, aangezien niet alle lidstaten de afzonderlijke of opeenvolgende benadering van de EU ten aanzien van moederschaps- en ouderschapsverlof hebben gevolgd, het indelen van de verschillende soorten verloven op EU-niveau moeilijk is;

3.  herinnert eraan dat het geven van een rooskleuriger beeld door de lidstaten de regelgeving ingewikkelder kan maken en in feite de naleving ervan kan beperken; roept de lidstaten op te voorkomen dat er administratieve lasten bijkomen wanneer zij de EU‑wetgeving omzetten;

4.  spoort de lidstaten die nog geen concordantietabellen aan de Commissie hebben verstrekt met het verband tussen de bepalingen van de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, dit binnen een redelijk tijdsbestek te doen; acht het van cruciaal belang voor de lidstaten om te verzekeren dat de noodzakelijke inspectiemiddelen zijn ingesteld om te controleren dat de wetgeving ter bescherming van de rechten van ouders wordt nageleefd; spoort de Commissie aan een passende studie te verrichten over de tenuitvoerlegging van de Europese richtlijn in de lidstaten om te garanderen dat de mogelijkheid om aanpassingen aan te brengen niet tot het uiterste wordt opgerekt; beschouwt het beginsel van uitwisseling van beste praktijken als een belangrijk instrument om deze doelstellingen te bereiken;

5.  betreurt dat er discrepanties bestaan tussen de omzettingsmaatregelen wat betreft het toepassingsgebied van de richtlijn, hetgeen situaties creëert waarin sprake is van meer of minder gunstige regelingen voor werknemers, bijvoorbeeld afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn (in de hele EU wordt in de publieke sector meer bescherming geboden dan in de private sector, dus de publieke sector heeft op dit vlak een voortrekkersrol) en afhankelijk van de duur van hun contract; beveelt daarom aan om elke mogelijke actie te ondernemen om de correcte, uniforme toepassing van de richtlijn in zowel de publieke als de private sector mogelijk te maken; benadrukt dat iedereen, ongeacht geslacht en zonder onderscheid, verzekerd moet zijn van het recht op ouderschapsverlof, ongeacht de sector waarin werkende vaders en moeders werkzaam zijn of het type arbeidscontract dat zij hebben;

6.  is verheugd over het feit dat bepaalde lidstaten de bepalingen van de richtlijn ruimer hebben omgezet dan het minimale toepassingsgebied vereist, zodat zelfstandigen, personeel in opleiding, koppels van hetzelfde geslacht en ouders van geadopteerde kinderen eveneens baat bij deze bepalingen hebben;

7.  is ervan overtuigd dat het verlenen van sociale zekerheid tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

8.  dringt er bij de lidstaten op aan sociaal beleid op gezinsgebied aan te nemen waardoor alle in de richtlijn opgenomen voordelen van toepassing zijn wanneer ouders langere tijd in het buitenland verblijven om een internationale adoptieprocedure af te ronden;

9.  wijst erop dat er, meer dan tien jaar na de omzetting van Richtlijn 96/34/EG door de lidstaten, nog steeds sprake is van verschillen tussen mannen en vrouwen bij het opnemen van ouderschapsverlof; wijst eveneens op de grote verschillen tussen de lidstaten wat betreft de maximale duur en de wettelijke status van ouderschapsverlof en de regelingen betreffende de betaling tijdens de verlofperiode; is van mening dat de kwestie van betaling tijdens het verlof van cruciaal belang is om te waarborgen dat ouders met een laag inkomen en alleenstaande ouders er evenveel gebruik van kunnen maken als andere ouders; is ingenomen met de verschillende regelingen om vaders aan te moedigen gebruik te maken van ouderschapsverlof; erkent de waarde van de EU als middel om de aandacht van de lidstaten te richten op de noodzaak om actie te ondernemen en om uitwisselingen te bewerkstelligen op het gebied van advies en bijstand voor die lidstaten die dat nodig hebben, met name op het gebied van socialezekerheidsrechten; is van mening dat de Commissie maatregelen moet voorstellen om vaders aan te moedigen meer ouderschapsverlof te nemen en dat de lidstaten het effectiever delen van de beste praktijken op dit gebied moeten stimuleren;

10.  merkt op dat sommige lidstaten ervoor hebben gekozen slechts gedurende een korte periode van de maximale duur van het ouderschapsverlof toegang tot de socialezekerheidsrechten te geven, waardoor het feitelijke gebruik van deze maximale duur door de ouders wordt gereduceerd;

11.  verzoekt de lidstaten om samen met de Commissie te waarborgen dat dat de rechten die voortvloeien uit het overheidsbeleid op gezinsgebied, zoals het ouderschapsverlof, gelijk zijn wat individuele rechten betreft en gelijkelijk toegankelijk zijn voor beide ouders, teneinde hen aan te sporen een beter evenwicht tussen gezins- en beroepsleven te bewerkstelligen in het belang van hun kinderen; benadrukt dat deze rechten zo veel mogelijk geïndividualiseerd moeten worden, teneinde het in de Europa 2020-strategie vastgelegde arbeidsparticipatiepercentage van 75 % voor vrouwen en mannen te verwezenlijken en gendergelijkheid te bevorderen; is van mening dat ouders een bepaalde mate van flexibiliteit moeten krijgen bij het gebruik van ouderschapsverlof, en dat het in geen geval een belemmering mag vormen voor de verwezenlijking van het in de Europa 2020-strategie vastgelegde arbeidsparticipatiepercentage van 75 % voor vrouwen en mannen; is van mening dat het door de sociale partners goedgekeurde systeem een oplossing moet bevorderen waarbij een aanzienlijk deel van het verlof niet‑overdraagbaar blijft; onderstreept dat beide ouders een gelijke behandeling moeten krijgen wat betreft de rechten op inkomsten en de duur van het ouderschapsverlof;

12.  benadrukt dat gezinnen met kinderen en ouders die ouderschapsverlof opnemen niet alleen een inkomensterugval ondervinden, maar nog extra belast worden door bijkomende kosten en door de onderwaardering van de ouderlijke taken;

13.  wijst op de flexibiliteit die de richtlijn de lidstaten biedt bij de vaststelling van de vormen van ouderschapsverlof, zoals voltijd- en deeltijdverlof, of met betrekking tot de arbeidstijden of voorafgaande kennisgevingen als voorwaarde voor de toekenning van ouderschapsverlof; merkt op dat werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten, zoals arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur(7) en nulurencontracten(8) niet altijd deel uitmaken van deze maatregelen en is bezorgd over misbruik van deze typen arbeidsovereenkomsten; neemt kennis van de initiatieven van de lidstaten om werkgevers in dit verband maximale flexibiliteit te bieden, zodat het ouderschapsverlof in overeenstemming is met hun beroeps- en privéomstandigheden; is evenwel van mening dat alle maatregelen erop gericht moeten zijn de opname van ouderschapsverlof te bevorderen;

14.  merkt op dat de terugkeer naar het werk na het ouderschapsverlof een moeilijke en stressvolle situatie kan opleveren voor zowel de ouder als het kind; dringt er bij de lidstaten op aan een gezinsbeleid vast te stellen dat een soepele en geleidelijke terugkeer naar het werk en een optimaal evenwicht tussen gezins- en beroepsleven bevordert, waarbij tevens moet worden overwogen telewerk, thuiswerk en vormen van "smart working" te bevorderen, zonder dat dergelijk beleid werknemers extra lasten bezorgt;

15.  verzoekt de lidstaten om bij de invulling hiervan ook de planningszekerheid voor ondernemingen te waarborgen, in het bijzonder rekening houdend met de belangen van zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen;

16.  dringt bij de Commissie aan op een verbetering en versterking van de bepalingen van Richtlijn 2010/18/EU voor wat betreft de toegangsvoorwaarden en toepassingsvormen van ouderschapsverlof voor ouders van gehandicapte, ernstig of langdurig zieke kinderen, rekening houdend met de beste voorbeelden uit de lidstaten (verhoging van de leeftijdsgrens van het kind voor toegang tot ouderschaps- of zorgverlof, gemakkelijkere toegang tot deeltijds werk bij werkhervatting, verlenging van de verlofduur, enz.);

17.  benadrukt dat het noodzakelijk is te zorgen voor gunstige voorwaarden voor de terugkeer naar het werk van degenen die ouderschapsverlof hebben opgenomen, met name wat betreft de terugkeer in dezelfde functie, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met de arbeidsovereenkomst of -voorwaarden, wijzigingen van werkroosters en/of van de organisatie van het beroepsleven bij de herintreding (met inbegrip van de verplichting voor de werkgever om eventuele weigeringen te rechtvaardigen), deelname aan opleidingen, bescherming tegen ontslag of minder gunstige behandeling wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof;

Een doeltreffende richtlijn om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin aan te pakken

18.  neemt kennis van het feit dat de Commissie de ontwerprichtlijn betreffende moederschapsverlof heeft ingetrokken, en van het feit dat zij in het kader van het stappenplan getiteld "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken" in deze fase niet voornemens is een eindverslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende ouderschapsverlof te publiceren; dringt er bij de Commissie op aan om, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel, met een ambitieus voorstel te komen dat een beter evenwicht tussen gezins- en beroepsleven daadwerkelijk mogelijk maakt;

19.  is van oordeel dat de politieke discussie zich ook zou moeten concentreren op een aantal niet-wetgevende initiatieven om samen met de lidstaten en het maatschappelijk middenveld meer de nadruk te leggen op de taken van ouders en om de verenigbaarheid van gezin en beroep te bevorderen;

20.  meent dat een breed niet-wetgevend initiatief moet worden overwogen om het combineren van werk en gezinsleven in de lidstaten te bevorderen;

21.  gelooft, gezien de overlappingen tussen verschillende soorten gezinsverloven, dat op EU-niveau met behulp van de sociale partners moet worden gezorgd voor samenhang tussen de verschillende teksten, teneinde gezinnen verlofmogelijkheden gedurende de hele levenscyclus te bieden met als doel een eerlijkere verdeling van de zorgverantwoordelijkheden te bewerkstelligen tussen vrouwen en mannen; dringt er bij de Commissie op aan hiertoe de herzieningsclausule in EU-wetgeving inzake ouderschapsverlof in werking te stellen; meent dat behoefte is aan duidelijker geformuleerde wetgeving waarmee onduidelijkheden worden weggenomen, de naleving wordt verbeterd en werknemers worden beschermd;

22.  dringt er bij de sociale partners op aan om op basis van het in februari 2015 gepubliceerde Commissieverslag, de tekortkomingen van de richtlijn inzake ouderschapsverlof aan te pakken teneinde haar doelstellingen volledig te bereiken wat betreft de combinatie van werk en gezin, de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, demografische uitdagingen en het aandeel van mannen in gezinstaken, waaronder de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevenden, en is van oordeel dat er doeltreffendere maatregelen genomen moeten worden om aan te sporen tot een gelijkwaardigere verdeling van de gezinstaken tussen mannen en vrouwen;

23.  benadrukt dat bevredigende ouderschapsverlofregelingen nauw verband houden met toereikende betaling; merkt op dat wanneer er geen bepalingen voor verlof bestaan of wanneer de bestaande bepalingen als onvoldoende worden beschouwd, de sociale partners, door middel van collectieve overeenkomsten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van nieuwe bepalingen of het actualiseren van bestaande bepalingen voor moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof; dringt er bij de lidstaten op aan om, in samenspraak met de sociale partners, hun systeem van financiële vergoeding voor ouderschapsverlof te herzien om ervoor te zorgen dat deze vergoeding als volwaardig vervangend inkomen kan dienen, hetgeen mannen eveneens zou kunnen aanmoedigen om langer verlof op te nemen dan de in de Richtlijn vastgelegde minimumduur van het ouderschapsverlof;

24.  is van mening dat de bevordering van de individualisering van het recht op verlof en van positieve actie die is gericht op het bevorderen van de rol van de vader van essentieel belang is om een uit genderoogpunt evenwichtige combinatie van werk en privéleven te bewerkstelligen;

25.  verzoekt de Commissie en de sociale partners om de mogelijkheid te onderzoeken om de minimumduur van ouderschapsverlof te verlengen van vier naar ten minste zes maanden teneinde het mogelijk te maken het beroeps- en gezinsleven beter te combineren;

26.  wijst erop dat een betere coördinatie, samenhang en toegankelijkheid van de verlofstelsels in de lidstaten (moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof) tot gevolg hebben dat er meer gebruik van wordt gemaakt en zorgen voor een hogere algemene efficiëntie; onderstreept dat een Europese richtlijn betreffende een vaderschapsverlof van minimaal twee weken in dit verband hoogst noodzakelijk en urgent is;

27.  benadrukt dat de periode waarbinnen de twee ouders hun recht op ouderschapsverlof kunnen uitoefenen, moet worden verlengd; dringt er bij de Commissie en de sociale partners op aan de leeftijd van het kind waarvoor ouderschapsverlof kan worden opgenomen te verhogen, en daarbij tevens in overweging te nemen dat de mogelijkheid om ouderschapsverlof op te nemen voor ouders van kinderen met een handicap of langdurige ziekte moet worden verlengd tot na de wettelijke leeftijd van het kind zoals voorzien in de richtlijn;

28.  verzoekt de lidstaten en de sociale partners om de vele belemmeringen voor de terugkeer naar het werk na een lange periode van ouderschapsverlof weg te nemen, om te voorkomen dat dit verlof leidt tot uitsluiting op de arbeidsmarkt; brengt in dit kader in herinnering dat gelijkheid van mannen en vrouwen uitsluitend kan worden bereikt door middel van een eerlijke herverdeling van betaald en onbetaald werk, evenals van beroeps-, gezins- en zorgverantwoordelijkheden;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan zich te blijven inspannen voor meer convergentie op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken wat betreft het combineren van gezins- en beroepsleven, en daarbij speciale aandacht te besteden aan beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de toetreding tot, participatie op en terugkeer naar de arbeidsmarkt van moeders, de participatie van vaders aan het gezinsleven en de grotere participatie van vaders aan ouderschapsverlof; spoort de Commissie aan om, samen met de lidstaten, toe te zien op deze maatregelen en deze te bevorderen;

30.  is van mening dat de lidstaten, om de Barcelona-doelstellingen te verwezenlijken, ter aanvulling van de wetgevingsmaatregelen om het evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven te bevorderen, en met financiële steun uit de verschillende Europese instrumenten, zich zouden moeten inzetten voor kwalitatief hoogwaardige, inclusieve, betaalbare en toegankelijke publieke of private kinderopvang vanaf het moment dat een ouder terugkeert naar de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor gezinnen die arm zijn en een risico lopen op sociale uitsluiting;

31.  roept de lidstaten op het bewustzijn van de ouders te vergroten ten aanzien van de voordelen van deelname aan programma's over de opvoeding en zorg in de eerste kinderjaren voor zowel hun kinderen als henzelf; verzoekt de lidstaten de ontwerp- en geschiktheidscriteria voor kwalitatief hoogwaardige en inclusieve diensten op het gebied van opvoeding en zorg in de eerste kinderjaren aan te passen aan de steeds gevarieerdere werkpatronen, zodat ouders worden geholpen te voldoen aan hun werkverplichtingen of een baan kunnen zoeken, terwijl sterk de nadruk blijft liggen op de belangen van het kind;

32.  is van mening dat een geïntegreerde benadering van gendergelijkheid - met inbegrip van beleid ter bestrijding van stereotype genderrollen - en het combineren van werk en gezinsleven in alle toekomstige EU-wetgeving zal leiden tot een samenhangend en transparant proces en zal helpen de bevordering van een vanuit genderoogpunt evenwichtige combinatie van werk en gezinsleven te waarborgen; roept de Commissie en de lidstaten op om het bewustzijn in de samenleving te vergroten over de rechten en rechtsmiddelen met betrekking tot de combinatie van beroeps- en gezinsleven;

33.  dringt er bij de Commissie op aan om het positieve effect te meten van de initiatieven inzake de combinatie van privéleven en werk, teneinde een nieuw evenwicht te bewerkstelligen op het gebied van de verdeling van de gezins-, zorg- en huishoudelijke taken, en om de bijzondere zorgtaken van ouders van gehandicapte en afhankelijke kinderen en/of kinderen die tot achtergestelde categorieën en groepen behoren, uit te breiden;

o
o   o

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0207.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(5) http://www.oecd.org/gender/parental-leave-where-are-the-fathers.pdf
(6) https://www.eurofound.europa.eu/news/news-articles/social-policies/international-womens-day-2016-the-campaign-for-equality-continues
(7) Peter Moss in the 10th International Review of Leave Policies and Related Research 2014, juni 2014, blz. 39.
(8) https://www.cipd.co.uk/binaries/zero-hours-contracts_2013-myth-reality.pdf


Voorkoming en bestrijding van mensenhandel
PDF 325kWORD 135k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan vanuit een genderperspectief (2015/2118(INI))
P8_TA(2016)0227A8-0144/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 79 en 83 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 3, 5 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag van de VN van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), met name artikel 6, betreffende de bestrijding van alle vormen van handel in vrouwen en van het exploiteren van prostitutie van vrouwen,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1949 inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van prostitutie van anderen,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Beijing +5 (2000), Beijing +10 (2005), Beijing +15 (2010) en het slotdocument van de toetsingsconferentie Beijing +20,

–  gezien het Protocol van 2000 inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, en met name de internationaal overeengekomen definitie van mensenhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en het Facultatief Protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, en gezien de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),

–  gezien het Verdrag van Oviedo inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde,

–  gezien het Haags Adoptieverdrag,

–  gezien het "Joint UN Commentary" over de EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers, waarin wordt opgeroepen om slachtoffers van mensenhandel op een gendersensitieve manier internationale bescherming te verlenen,

–  gezien AIO-Verdrag nr. 29 inzake gedwongen of verplichte arbeid, waarin in artikel 2 een definitie van gedwongen arbeid wordt gegeven,

–  gezien de Conventie van de Raad van Europa over actie tegen mensenhandel en de aanbevelingen van de Raad van Europa op dit gebied,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad(2),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(3),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen(5),

–  gezien Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven(6),

–  gezien Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016" (COM(2012)0286),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel" (SWD(2014)0318),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De Europese veiligheidsagenda" (COM(2015)0185),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien het situatieverslag van Europol over mensenhandel in de EU (februari 2016),

–  gezien het verslag van Eurostat over "Mensenhandel", editie 2015,

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2011/36/EU, opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten,

–  gezien de studie over de genderdimensie van mensenhandel waartoe de Commissie opdracht heeft gegeven, 2016,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen(8),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over seksuele uitbuiting en prostitutie en de gevolgen daarvan voor de gendergelijkheid(9),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0144/2016),

A.  overwegende dat mensenhandel een afschuwelijke schending is van de grondrechten zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name van artikel 5, lid 3, daarvan, evenals een schending van de menselijke waardigheid en de fysieke en psychologische integriteit van slachtoffers, die daardoor vaak voor het leven zijn getekend, alsook een ernstige vorm van, vaak georganiseerde, criminele activiteit die de rechtsstaat ondermijnt, gedreven door een grote vraag en hoge winsten, naar schatting 150 miljard USD per jaar(11); overwegende dat verschillen in de wetgeving tussen de lidstaten de georganiseerde misdaad aanzienlijk in de hand werken, dat er nog steeds een te kleine kans is om te worden vervolgd, en dat de straffen die worden toegepast om afschrikwekkend te werken ontoereikend zijn vergeleken met de potentieel hoge winst;

B.  overwegende dat mensenhandel in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU wordt gedefinieerd als het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting; overwegende dat uitbuiting ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening – bedelarij daaronder begrepen – slavernij en met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten, en de verwijdering van organen omvat;

C.  overwegende dat mensenhandel veel verschillende vormen aanneemt, en dat slachtoffers van mensenhandel in een groot aantal legale en illegale activiteiten te vinden zijn, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, landbouw, voedselverwerking, de seksindustrie, huishoudelijke arbeid, de productie-industrie, de zorgsector en de schoonmaaksector, of in de context van andere sectoren (in het bijzonder in de dienstensector), bedelen, criminaliteit, gedwongen uithuwelijking, seksuele uitbuiting van kinderen op het internet, illegale adopties en de handel in menselijke organen;

D.  overwegende dat, zoals vermeld in het document "Joint UN Commentary on the EU Directive – A Human Rights-Based Approach (2011)", diverse VN-organen erop wijzen dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen smokkel van mannen en smokkel van vrouwen en dat er aandacht moet worden besteed aan de overeenkomsten en verschillen tussen de ervaringen van vrouwen en mannen met betrekking tot kwetsbaarheden en schendingen;

E.  overwegende dat de huidige vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er op Europees niveau een gebrek bestaat aan adequate hulpmiddelen om mensenhandel, en in het bijzonder de seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, gezamenlijk te bestrijden;

F.  overwegende dat een standaardstrategie niet efficiënt is en overwegende dat de verschillende vormen van mensenhandel, zoals handel voor seksuele uitbuiting, handel voor arbeidsuitbuiting en kinderhandel, moeten worden aangepakt met specifieke en op maat gemaakte beleidsmaatregelen;

G.  overwegende dat Richtlijn 2011/36/EU (hierna "de richtlijn" genoemd) moet worden geprezen voor zijn op mensenrechten gebaseerde aanpak waarin de slachtoffers centraal staan, en waarin de slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bepaalde rechten en diensten op grond van internationaal recht, ongeacht hun bereidheid of mogelijkheid om mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek (op grond van artikel 11, lid 3, van de richtlijn);

H.  overwegende dat alle ondersteunende diensten voor slachtoffers van mensenhandel werkelijk onvoorwaardelijk moeten zijn en moeten waarborgen dat er geen verdere victimisatie plaatsvindt;

I.  overwegende dat mensenhandel enerzijds het gevolg is van mondiale economische en sociale ongelijkheden en anderzijds wordt verergerd door de sociale en maatschappelijke ongelijkheid en de ongelijkheid op het vlak van onderwijs en opleiding tussen vrouwen en mannen;

J.  overwegende dat uit recente statistische gegevens blijkt dat de meeste slachtoffers van mensenhandel vrouwen zijn; overwegende dat gender op zichzelf geen inherente kwetsbaarheid genereert en dat een groot aantal factoren bijdraagt tot het ontstaan van een situatie van kwetsbaarheid voor vrouwen en meisjes, waaronder armoede, sociale uitsluiting, seksisme en discriminatie;

K.  overwegende dat vrouwen en meisjes 80 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel vertegenwoordigen(12), en dat dit deels kan worden toegeschreven aan structureel geweld tegen en discriminatie van vrouwen en meisjes;

L.  overwegende dat de vraag naar vrouwen, meisjes, mannen en jongens in de seksindustrie een doorslaggevende pullfactor is voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; en overwegende dat de vraag naar goedkope arbeid en de niet–naleving van arbeidsrechten pullfactoren zijn voor mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting;

M.  overwegende dat de maatschappelijke tolerantie van genderongelijkheid en geweld tegen vrouwen en meisjes en het gebrek aan publiek bewustzijn van de problemen omtrent mensenhandel een omgeving waarin mensenhandel mogelijk is laten voortbestaan;

N.  overwegende dat de soorten prostitutie waarin slachtoffers van mensenhandel het vaakst terechtkomen, zoals straatprostitutie, zijn afgenomen in landen die het kopen van seks en het bedrijven van activiteiten waarbij winst gemaakt wordt door anderen te prostitueren strafbaar hebben gesteld;

O.  overwegende dat de handel in vrouwen, meisjes, mannen en jongens voor seksuele uitbuiting is afgenomen in landen waar de vraag strafbaar is gesteld, met inbegrip van zowel souteneurschap als het kopen van seksuele diensten;

P.  overwegende dat leden van minderheids- en immigrantengroepen, zoals Roma, onevenredig vaak slachtoffer van mensenhandel worden als gevolg van hun sociale en economische marginalisatie;

Q.  overwegende dat genderverwachtingen en -discriminatie schadelijk zijn voor iedereen, waarbij mannen minder geneigd zijn toe te geven dat ze het slachtoffer zijn geworden van uitbuiting;

R.  overwegende dat versterking van de economische en sociale positie van vrouwen en minderheidsgroepen hun kwetsbaarheid voor mensenhandel zou verminderen;

S.  overwegende dat het nog altijd zeer moeilijk is om te bepalen wie de slachtoffers zijn en dat de ondersteuning en bescherming van slachtoffers versterkt moet worden om de slachtoffers van mensenhandel te helpen en mensenhandelaren te vervolgen en veroordelen, onder meer door slachtoffers het recht te geven om rechtmatig te verblijven en werken in de lidstaat waar ze naartoe zijn gebracht, en overwegende dat het recht van slachtoffers op toegang tot de rechter en het recht op schadeloosstelling verbeterd moeten worden;

T.  overwegende dat kinderen circa 16 %(13) van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel uitmaken, en meisjes tot wel 13 %(14), en overwegende dat kinderen extra kwetsbaar zijn en als slachtoffers ernstige en blijvende lichamelijke, psychologische en emotionele schade oplopen;

U.  overwegende dat 70 % van de geïdentificeerde slachtoffers van mensenhandel en 70 % van de verdachte mensenhandelaars in de EU onderdanen zijn van de EU en dat de meeste gemelde slachtoffers vrouwelijke EU-onderdanen zijn uit Centraal- en Oost-Europa(15); overwegende dat rekening moet worden gehouden met statistische informatie bij de ontwikkeling van identificatiesystemen om alle slachtoffers van mensenhandel beter te identificeren;

V.  overwegende dat de meerderheid van de geregistreerde slachtoffers vrouwen en meisjes zijn die worden verhandeld met het oog op seksuele uitbuiting, en dat deze vrouwen en meisjes samen tot wel 95 % van de slachtoffers van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting uitmaken(16); overwegende dat mensenhandel een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is;

W.  overwegende dat mensenhandel een complex en grensoverschrijdend fenomeen is dat enkel doeltreffend kan worden aangepakt als de instellingen van de EU en de lidstaten op een gecoördineerde manier samenwerken om "forum shopping" door criminele groepen en personen te voorkomen, en zij hierbij de nadruk leggen op het identificeren en beschermen van echte en potentiële slachtoffers aan de hand van een geïntegreerde intersectionele benadering; overwegende dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen mensenhandel en mensensmokkel, maar dat bijzondere aandacht nodig is voor asielzoekers, vluchtelingen, migranten en andere kwetsbare groepen, vooral kinderen, onbegeleide minderjarigen en vrouwen, aangezien zij worden geconfronteerd met meerdere risico's en zij bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting en verdere victimisatie;

X.  overwegende dat vaak wordt aangenomen dat mensenhandel uitsluitend een activiteit is van georganiseerde criminele groepen, maar dat deze in feite ook te wijten kan zijn aan familieleden, vrienden, verwanten, liefdespartners en gewone werkgevers van het slachtoffer;

Y.  overwegende dat het merendeel (70 %) van de verdachte, vervolgde en veroordeelde mensenhandelaars uit mannen bestaat, ook al vormen vrouwelijke daders een aanzienlijke minderheid (29 %) en kunnen zij een belangrijke rol spelen in het proces van mensenhandel(17), met name bij kinderhandel;

Z.  overwegende dat wetgeving ter bestrijding van mensenhandel om doeltreffend te zijn gepaard moet gaan met een duidelijke culturele verschuiving van een cultuur van straffeloosheid naar een cultuur van nultolerantie ten aanzien van mensenhandel;

AA.  overwegende dat slachtoffers vaak geen informatie hebben over hun rechten en de manier waarop ze deze daadwerkelijk kunnen uitoefenen;

AB.  overwegende dat mensenhandel als concept zich onderscheidt van slavernij en bredere discussies over uitbuiting; overwegende dat niet alle soorten uitbuiting kunnen worden beschouwd als mensenhandel;

Algemene beoordeling van de maatregelen die zijn genomen in verband met de genderdimensie van mensenhandel bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn

1.  merkt op dat Richtlijn 2011/36/EU voor 6 april 2013 moest zijn omgezet in nationale wetgeving van de lidstaten en dat alle lidstaten op één na de Commissie in kennis hebben gesteld van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht;

2.  verzoekt alle lidstaten om de volledige en correcte handhaving van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan te versnellen;

3.  benadrukt dat in het juridische en politieke kader van de EU wordt erkend dat mensenhandel een specifiek genderfenomeen is en de lidstaten worden opgeroepen specifieke gendermaatregelen te nemen(18); herinnert eraan dat in artikel 1 van de richtlijn nadrukkelijk wordt gewezen op de noodzaak van een gendersensitieve aanpak van mensenhandel; wijst erop dat vrouwen en mannen, meisjes en jongens, op verschillende wijze kwetsbaar zijn en vaak voor verschillende doeleinden worden verhandeld, en dat preventie-, bijstands- en ondersteuningsmaatregelen daarom genderspecifiek moeten zijn; merkt ook op dat de EU in haar strategie geweld tegen vrouwen en genderongelijkheid aanduidt als fundamentele oorzaken van mensenhandel en een reeks maatregelen vaststelt op het niveau van de genderdimensie van mensenhandel;

4.  merkt op dat de Commissie een aantal verslagen over de verschillende aspecten van de tenuitvoerlegging van de richtlijn moet publiceren; geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid dat deze verslagen te laat zullen worden gepresenteerd, omdat dit een zorgwekkend signaal zal afgegeven over de prioriteit van deze aspecten wat de handhaving ervan betreft; verzoekt de Commissie om de in de richtlijn vastgelegde rapportageverplichtingen na te komen, met inbegrip van het bijbehorende tijdschema;

5.  herinnert aan de verplichting van de Commissie op grond van artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2011/36/EU om in april 2015 een rapport in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen; benadrukt dat deze rapportagetaak niet tijdig is voltooid;

6.  benadrukt dat de genderdimensie consistent moet worden gemonitord bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake de bestrijding van mensenhandel, en dringt er bij de Commissie op aan om dit te blijven monitoren bij haar beoordeling van de naleving en tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten;

7.  prijst het goede werk dat is verricht door de EU-coördinator bestrijding mensenhandel bij de ontwikkeling van kennis over en bewijs van de verschillende aspecten van mensenhandel, waaronder onderzoek naar de genderdimensie en de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen; is echter van mening dat het mandaat van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel moet worden uitgebreid, zodat de EU sneller in actie kan komen tegen mensenhandel;

8.  betreurt het dat de mogelijkheden van Europol niet volledig worden benut door de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten om zo het delen van informatie met Europol te verbeteren, zodat er verbanden kunnen worden gelegd tussen onderzoeken in verschillende lidstaten en er een beter beeld ontstaat van de inlichtingen over de meest bedreigende netwerken van georganiseerde misdaad die actief zijn in de EU;

9.  is verheugd dat de Commissie een website in het leven heeft geroepen tegen de mensenhandel, die een gegevensbank bevat van de door de EU gefinancierde projecten in de EU en elders, alsook actuele informatie over de wettelijke en politieke instrumenten van de EU, maatregelen van lidstaten tegen mensenhandel, financieringsmogelijkheden en initiatieven van de EU;

10.  benadrukt het belang van duidelijke, samenhangende informatie voor de slachtoffers en de eerstelijnsfunctionarissen die met hen in contact kunnen komen, zoals ordediensten, juridische overheden, politie en sociale diensten, over het recht op noodhulp en gezondheidszorg, verblijfsvergunningen, arbeidsrechten, toegang tot het gerecht en een advocaat, mogelijkheden om een schadevergoeding te vragen, specifieke kinderrechten enz.;

11.  benadrukt dat het ook belangrijk is om meer aandacht te schenken aan arbeidsbemiddelaars en arbeidsbemiddelingsbureaus, aannemers en onderaannemers, voornamelijk in de sectoren met een hoog risico, om mensenhandel te voorkomen, met name mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting, maar ook verborgen seksuele uitbuiting in het kader van zogenoemde contracten voor hoteldiensten of persoonlijke zorg;

12.  benadrukt dat het juridische en politieke kader van de EU inzake mensenhandel de interne en externe dimensies samenvoegt door te erkennen dat de bestrijding van mensenhandel, die een ernstige schending van de mensenrechten is, een duidelijke doelstelling van het externe optreden van de EU is; benadrukt zo ook dat de landen buiten de EU vaak landen van oorsprong of doorreis zijn voor de handel binnen de EU en dat de mensenhandel, als illegale en grensoverschrijdende activiteit, een belangrijk gebied van samenwerking met niet-EU-landen is; is ingenomen met het feit dat, op verzoek van de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden een informatiepakket hebben samengesteld over de activiteiten die zijn uitgevoerd in de voor de bestrijding van mensenhandel prioritaire landen en regio's, en een lijst hebben opgesteld van tools en instrumenten, zoals extern beleid, waarover de EU en de lidstaten beschikken en die betrekking hebben op mensenhandel en de projecten die de EU en de lidstaten op dit gebied financieren; verzoekt de lidstaten om met de Commissie en de EDEO samen te werken in de strijd tegen mensenhandel;

13.  is van mening dat asielzoekers, vluchtelingen en migranten bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel, en dat bijzondere aandacht nodig is voor de handel in vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen; verzoekt de EU en de lidstaten om het verband te onderzoeken tussen het toenemende aantal aankomende vluchtelingen en mensenhandel; verzoekt de lidstaten om intensiever samen te werken, onder meer op de hotspots, om mogelijke slachtoffers te identificeren en alle middelen aan te wenden om mensenhandelaars en smokkelaars te bestrijden, onder meer door het verzamelen van gegevens te verbeteren en de naleving van bestaande beschermingsnormen te waarborgen; herinnert aan de rol van EU-agentschappen en netwerken bij de vroegtijdige opsporing van slachtoffers aan de grenzen van de EU en bij de bestrijding van mensenhandel, en benadrukt in deze context dat de samenwerking tussen Europol, Eurojust, de nationale autoriteiten en derde landen geïntensiveerd moet worden, onder meer door gebruikmaking van Ecris; roept op tot een verhoging van de middelen voor agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken zodat zij functionarissen kunnen benoemen die zijn opgeleid op het gebied van gender, met name in lidstaten die worden geconfronteerd met gemengde migratiestromen; benadrukt dat de nieuwe "hotspot"-benadering die in de agenda voor migratie wordt beschreven, niet mag worden beperkt tot snelle verwerking en wegwerking van de achterstand, maar een evenredige component voor de bestrijding van mensenhandel moet bevatten, die is gericht op de doeltreffende doorverwijzing van potentiële slachtoffers;

14.  verzoekt de lidstaten om hun registratie van vluchtelingen en de diensten en zorgstructuren op dit gebied kritisch onder de loep te nemen, aangezien deze groep, met name niet-begeleide minderjarigen, een groot risico loopt het slachtoffer te worden van uitbuiting door criminele bendes en dus ook van mensenhandel;

15.  is van mening dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de situatie van transgenderslachtoffers, die vanwege hun genderidentiteit vaak worden gediscrimineerd, gestigmatiseerd en bedreigd met geweld; is van mening dat transgenders moeten worden beschouwd als een kwetsbare groep die bijzonder veel risico loopt om in de handen van mensenhandelaren te vallen; meent dat de lidstaten bij het uitvoeren van individuele risicobeoordelingen rekening moeten houden met deze risicoverhogende factor, om te waarborgen dat slachtoffers van mensenhandel passende bescherming en zorg geboden krijgen; verzoekt de lidstaten om functionarissen die in contact kunnen komen met slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenhandel een gepaste opleiding te bieden op het gebied van de specifieke kenmerken van transgenderslachtoffers, zodat zij proactiever kunnen zijn bij de identificatie van deze slachtoffers en de steunverlening kunnen aanpassen aan hun behoeften;

Genderperspectief bij de preventie van mensenhandel

16.  onderstreept dat volgens artikel 11 van de richtlijn de lidstaten een verplichting hebben om te voorzien in mechanismen die het mogelijk maken om, in samenwerking met de relevante hulpverleningsorganisaties, slachtoffers vroegtijdig te identificeren, bij te staan en te steunen; beklemtoont de nood aan een gestructureerde strategie op vier fundamentele gebieden: preventie, vervolging van strafbare feiten, bescherming van slachtoffers en partnerschappen op meerdere niveaus;

17.  verzoekt de lidstaten om straffeloosheid te bestrijden, mensenhandel strafbaar te stellen en te waarborgen dat de daders worden vervolgd en dat sancties worden verzwaard; dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle relevante internationale instrumenten, overeenkomsten en juridische verplichtingen te ratificeren die de inspanningen gericht op de bestrijding van mensenhandel doeltreffender, gecoördineerder en samenhangender maken, waaronder het Verdrag van de Raad van Europa tegen mensenhandel;

18.  pleit voor een consistente aanpak met betrekking tot de vervolging van misdrijven die verband houden met mensenhandel en verzoekt de lidstaten om meer inspanningen te verrichten op het gebied van onderzoek en vervolging; verzoekt de lidstaten in dit kader om de grensoverschrijdende samenwerking en de samenwerking met de bevoegde EU–agentschappen te intensiveren;

19.  wijst er opnieuw op dat vrouwen en kinderen kunnen worden gedwongen seksuele diensten te verlenen in ruil voor bescherming, om te kunnen overleven, vooruit te komen op hun migratieroute en te voorzien in hun basisbehoeften; benadrukt dat vrouwen en kinderen die seks gebruiken om te overleven niet worden beschouwd als slachtoffers van mensenhandel en derhalve niet de vereiste ondersteuning kunnen ontvangen;

20.  benadrukt dat, om mensenhandel en mensensmokkel te voorkomen, het belangrijk is kanalen te creëren waarlangs vrouwen en kinderen op een legale en veilige manier kunnen migreren (bijvoorbeeld humanitaire visa); wijst erop dat het ook belangrijk is dat de landen van bestemming ervoor zorgen dat migrantenvrouwen met een wettelijke verblijfsvergunning in het land van bestemming toegang hebben tot talenonderwijs en andere maatschappelijke-integratiemiddelen, met name onderwijs en opleiding, zodat ze hun burgerrechten kunnen uitoefenen;

21.  verzoekt de lidstaten goed gestructureerde interviews met de slachtoffers voor te bereiden, die een nauwkeurige reconstructie van de feiten ondersteunen, zonder echter de slachtoffers psychologisch onder druk te zetten, die zich al bang en verward voelen;

22.  benadrukt dat alle inspanningen ter bestrijding van mensenhandel een evenwicht moeten vinden tussen de focus op vervolging en de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen; wijst erop dat ondersteuning van slachtoffers een belangrijke rol speelt bij de preventie van mensenhandel, aangezien slachtoffers die goed worden ondersteund beter herstellen van hun traumatische ervaring, beter in staat zijn om bij te dragen aan de vervolging van de daders, aan de ontwikkeling van preventieprogramma's en aan de informering van beleid en beter kunnen voorkomen dat ze opnieuw slachtoffer van mensenhandel worden;

23.  benadrukt dat het internet de mensenhandel sterk bevordert en het bijgevolg moeilijker maakt om deze ernstige vorm van georganiseerde misdaad te bestrijden; veroordeelt dat het internet steeds vaker wordt gebruikt voor de rekrutering van de slachtoffers, zowel binnen als buiten de EU, via valse werkaanbiedingen, waarin diensten aangeboden worden door uitgebuite slachtoffers, en voor de uitwisseling van informatie tussen criminele netwerken; verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat ze hier in hun respectieve beleid ter bestrijding van mensenhandel rekening mee houden en dat bij op cybertechnologie gerichte wetshandhavingsinspanningen de genderexpertise wordt ingezet die nodig is om alle vormen van deze misdaad, met name in verband met mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, te voorkomen en efficiënt te bestrijden; benadrukt dat nieuwe technologieën, sociale media en internet ook moeten worden gebruikt om goede praktijken in de strijd tegen mensenhandel te verspreiden en om het bewustzijn te verhogen en mogelijke slachtoffers te wijzen op de risico's van mensenhandel; verzoekt de Commissie in deze context de rol van het internet in de mensenhandel verder te onderzoeken en het Parlement volledig op de hoogte te houden;

24.  betreurt dat de identificatie van slachtoffers een van de moeilijkste en meest onvolledige aspecten van de uitvoering is, maar benadrukt dat dit niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om deze kwetsbare personen te beschermen; wijst erop dat slachtoffers door de dwingende en bedrieglijke aard van het misdrijf mogelijk niet in staat zijn hun eigen kwetsbaarheid te onderkennen; benadrukt het feit dat activiteiten waartoe slachtoffers van mensenhandel worden gedwongen om deze uit te voeren in bepaalde lidstaten als criminele activiteiten worden beschouwd, hetgeen het vertrouwen tussen het slachtoffer en de autoriteiten deels verslechtert; herinnert eraan dat Richtlijn 2011/36/EU strafbaarstelling van slachtoffers van mensenhandel verbiedt; dringt er bij de lidstaten op aan om met een gendersensitieve benadering uitvoering te geven aan de artikelen 11 tot en met 17 van de richtlijn betreffende bescherming en ondersteuning van slachtoffers (met name door het aantal opvangcentra voor slachtoffers uit te breiden en de herintegratieprogramma's voor slachtoffers te versterken) en ten volle uitvoering te geven aan Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, om te zorgen voor de nodige bijstand en ondersteuning voor slachtoffers van mensenhandel, onder meer wat betreft het recht op verblijf en toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat waarin het slachtoffer via mensenhandel is terechtgekomen; benadrukt dat toepassing van deze bepalingen niet afhankelijk moet worden gesteld van indiening van een klacht door het slachtoffer of het verlenen van medewerking aan strafrechtelijk onderzoek door het slachtoffer; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de bescherming van slachtoffers te versterken;

25.  benadrukt dat niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en personen die zich inzetten voor de bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor enig misdrijf;

26.  is bijzonder kritisch over het feit dat het nog niet in alle lidstaten een strafbaar feit is om gebruik te maken van de diensten van verhandelde personen, maar erkent de moeilijkheid om dit doelbewuste gebruik in een gerechtelijke context te bewijzen, en is van mening dat dit een belangrijke stap zou zijn op weg naar erkenning van de ernst van dit misdrijf en daadwerkelijk een kader zou scheppen voor de preventie van mensenhandel en het uitbannen van de cultuur van straffeloosheid;

27.  dringt er bij de lidstaten op aan strenge strafrechtelijke sancties vast te stellen voor mensenhandel, moderne slavernij en uitbuiting, en de volgende gedragingen strafbaar te stellen: het opzettelijk gebruikmaken van de diensten van slachtoffers van mensenhandel, waaronder slachtoffers die in de prostitutie zijn beland, het exploiteren van prostitutie van anderen of andere vormen van seksuele uitbuiting, dwangarbeid of gedwongen dienstverlening, waaronder bedelarij, slavernij of met slavernij gelijk te stellen praktijken, lijfeigendom of uitbuiting van criminele activiteiten of orgaanverwijdering; wijst op het lage aantal vervolgingen en veroordelingen voor mensenhandel op nationaal niveau;

28.  merkt op dat de belangrijkste bron van informatie voor de registratie van slachtoffers de politie is, wat duidt op de noodzaak van voldoende personeel en financiële middelen, met inbegrip van een gerichte en gespecialiseerde opleiding voor rechtshandhavingsinstanties en een beter genderevenwicht onder de medewerkers; wijst erop dat de registratie van slachtoffers van mensenhandel via de gevangenissen en detentiecentra in een aantal lidstaten structurele problemen en een gebrek aan kennis bij de betrokken deskundigen blootlegt; dringt erop aan dat de EU-lidstaten de wetten ter bestrijding van mensenhandel effectief toepassen, en benadrukt ook dat, om de slachtoffers te identificeren en meer inzicht te krijgen in de subtiele middelen die voor de mensenhandel worden gebruikt, het strafrechtstelsel meer moet worden gericht op de dynamiek van uitbuiting en de toepassing van de wet; merkt in deze context op dat Cepol, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2015/2219, gemeenschappelijk respect voor en begrip van de fundamentele rechten op het gebied van de rechtshandhaving dient te bevorderen, met inbegrip van de rechten, ondersteuning en bescherming van slachtoffers;

29.  pleit ervoor dat Europol en de nationale politiediensten de vervolging van personen die betrokken zijn bij mensenhandel een hogere prioriteit toekennen en dat er hiervoor meer middelen beschikbaar worden gesteld, en dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan voorlichting aan zowel politiediensten als het brede publiek over nieuwe vormen van mensenhandel;

30.  verzoekt Europol en de lidstaten om zich meer in te spannen in de strijd tegen ronselaars, via een proactieve benadering of naar aanleiding van een verklaring van een slachtoffer, overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2011/36/EU; benadrukt dat de ronselaars verschillende kanalen gebruiken, waaronder sociale netwerken en websites (onlinewervingsbureaus); verzoekt de Commissie om het mandaat van de EU-eenheid voor de melding van internetuitingen (IRU) van Europol uit te breiden met de bestrijding van mensenhandel;

31.  verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid te beoordelen van de samenwerking tussen de lidstaten en Europol bij de bestrijding van mensenhandel; benadrukt dat systematische uitwisseling van gegevens essentieel is en dat alle lidstaten bijdragen moeten leveren aan de Europese databanken die voor deze doeleinden worden gebruikt, waaronder de databases Focal Point Phoenix en Focal Point Twins van Europol; benadrukt dat grenswachters en de kustwacht toegang moeten hebben tot de databases van Europol;

32.  merkt op dat slachtoffers uitbuiting op verschillende manieren ervaren en dat een identificatiemethode op basis van een "checklist" van indicatoren formele identificatie in de weg kan staan en daardoor gevolgen kan hebben voor de toegang van slachtoffers tot diensten, hulp en bescherming;

33.  benadrukt dat, om slachtoffers van mensenhandel aan te moedigen naar de autoriteiten te gaan om melding te maken van hun situatie, zodat de slachtoffers vroeger kunnen worden geïdentificeerd, de wetten moeten worden gewijzigd, zodat slachtoffers van mensenhandel wettelijk worden erkend als mensen met rechten; benadrukt dat slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bijstand en bescherming; benadrukt dat maatschappelijk werkers, gezondheidswerkers en immigratiediensten meer bevoegdheden moeten krijgen, zodat ze kunnen bepalen wat mensenhandel is en wie volgens de wet bijstand en bescherming moet krijgen;

34.  dringt aan op betere tenuitvoerlegging van en beter toezicht op de uitvoering van artikel 8 van Richtlijn 2011/36/EU, om te waarborgen dat slachtoffers van mensenhandel niet worden vervolgd en niet worden bestraft, en benadrukt dat dit ook inhoudt dat personen die gedwongen werkzaam zijn in de prostitutie of die op irreguliere wijze een land van doorreis of bestemming zijn binnengekomen of daar illegaal verblijven, niet worden bestraft;

35.  neemt met zorg kennis van het bewijs dat sommige slachtoffers van mensenhandel worden gearresteerd en uitgezet in plaats van dat ze in staat worden gesteld en worden geholpen om hun rechten als slachtoffers uit te oefenen en toegang te krijgen tot de benodigde hulp, zoals wordt vereist door Richtlijn 2004/81/EG;

36.  verzoekt de Commissie om richtsnoeren te ontwikkelen op basis van beste praktijken teneinde genderexpertise te ontwikkelen en te mainstreamen in de activiteiten van rechtshandhavingsautoriteiten in de hele EU;

37.  verzoekt de lidstaten om samen te werken bij het ontwikkelen van betere richtsnoeren voor de identificatie van slachtoffers van mensenhandel, aan de hand waarvan de consulaire diensten en grenswachters hun taken beter kunnen uitvoeren;

38.  benadrukt dat het belangrijk is om het beginsel "follow the money" tot leidraad te maken bij het doen van onderzoek naar en het vervolgen van georganiseerde misdaadnetwerken die inkomsten verwerven uit mensenhandel, en roept Europol en Eurojust op hun capaciteit op het gebied van de bestrijding van mensenhandel te vergroten; verzoekt de lidstaten om bij het onderzoeken van financiële aspecten en witwaspraktijken in gevallen van mensenhandel onderling nauw samen te werken en tevens nauw met Europol samen te werken; benadrukt dat de lidstaten de samenwerking op het gebied van bevriezing en inbeslagname van vermogensbestanddelen van personen die betrokken zijn bij mensenhandel moeten verbeteren, omdat dat er op doeltreffende wijze toe kan bijdragen dat mensenhandel van een activiteit met weinig risico's en hoge inkomsten een activiteit wordt met veel risico's en lage inkomsten; verzoekt de lidstaten in dit kader om doeltreffender gebruik te maken van alle beschikbare bestaande hulpmiddelen, zoals de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken, gezamenlijke onderzoeksteams en het Europees onderzoeksbevel; is van oordeel dat de in beslag genomen vermogensbestanddelen van personen die veroordeeld zijn wegens mensenhandel gebruikt moeten worden om de slachtoffers van mensenhandel te ondersteunen en schadeloos te stellen; merkt voorts op dat de enorme bedragen die worden verdiend met mensenhandel en uitbuiting worden gebruikt ter financiering van andere vormen van ernstige criminaliteit;

39.  verzoekt agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, zoals Eurojust, Europol, het FRA, Frontex, Cepol en het EASO, om een duurzaam programma te ontwikkelen voor het verbeteren van de genderbalans bij de besluitvorming in verband met mensenhandel; vraagt dat cijfers over de gendersamenstelling van hun besturen en medewerkers worden vrijgegeven, en daarna in discussie te gaan met de lidstaten over de voordelen van gelijke rekrutering en promotie bij rechts- en grenshandhavingsdiensten; roept bijgevolg op om programma's als "Female Factor" van Europol periodiek in plaats van eenmalig uit te rollen in alle door mannen gedomineerde agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;

40.  brengt in herinnering dat de opleiding van beroepsbeoefenaren en ambtenaren van cruciaal belang is om mogelijke slachtoffers vroegtijdig te identificeren en misdaad te voorkomen; verzoekt de lidstaten daarom om artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2011/36/EU volledig toe te passen en om beste praktijken te delen, in het bijzonder bij de ontwikkeling van gendersensitieve opleidingsprogramma's voor personen die in een officiële hoedanigheid in contact komen met slachtoffers van mensenhandel, waaronder politiefunctionarissen en andere veiligheidsdiensten, grensfunctionarissen, rechters, magistraten, advocaten en andere gerechtelijke autoriteiten, personeel van eerstelijnsgezondheidszorgdiensten, maatschappelijk werkers en psychologen; benadrukt dat de ontwikkeling van inzicht in geweld en uitbuiting op grond van gender, de opsporing van slachtoffers, het formele identificatieproces en passende, genderspecifieke bijstand aan slachtoffers onderdeel van de opleiding moeten zijn;

41.  vraagt om een ruimere ontwikkeling en verspreiding van publicaties die het bewustzijn verhogen en erop gericht zijn om de kennis binnen beroepsgroepen te verbeteren, zoals het "Handbook for consular and diplomatic staff on how to assist and protect victims of human trafficking"(19);

42.  erkent dat het belangrijk is om langetermijnrelaties te ontwikkelen tussen rechtshandhaving, dienstverleners, verschillende belanghebbenden en slachtoffers om vertrouwen op te bouwen en op begripvolle wijze tegemoet te komen aan de behoeften van de slachtoffers; benadrukt dat hulpverleningsorganisaties voldoende financiering voor projecten nodig hebben, en uit zijn bezorgdheid over het feit dat vele daarvan, in het bijzonder vrouwenorganisaties, het moeilijk hebben als gevolg van bezuinigingen op subsidies;

43.  benadrukt dat de financiering van de Commissie en de lidstaten moet worden gericht op de meest geschikte dienstverlener, op basis van de behoeften van slachtoffers, met inbegrip van gender- en kindspecifieke vereisten, de deskundigheid van de dienstverlener evenals de mogelijkheid van de dienstverlener om verdergaande en langdurige ondersteuning en zorg te bieden;

44.  verzoekt de lidstaten om de sociale partners, de privésector, de vakbonden en het maatschappelijk middenveld, met name de ngo's die actief zijn op het gebied van mensenhandel en bijstand aan slachtoffers, actief te betrekken bij hun initiatieven om mensenhandel te voorkomen, met name op het gebied van arbeidsuitbuiting, ook wat de identificatie van slachtoffers en bewustmakingsactiviteiten betreft;

45.  merkt op dat hoewel seksuele uitbuiting in alle lidstaten illegaal is, dit de handel voor seksuele uitbuiting niet voorkomt; dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie volledig ten uitvoer te leggen en om de politiële en justitiële samenwerking te verbeteren om de seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten te onderzoeken hoe de vraag naar seksuele diensten een drijvende kracht is voor mensenhandel, waaronder de handel in kinderen en hoe deze vraag het best kan worden teruggedrongen; herinnert er in dit kader aan dat de lidstaten verplicht zijn om bijzondere aandacht te schenken aan minderjarige slachtoffers van mensenhandel, waaronder niet-begeleide minderjarigen afkomstig uit derde landen, om bijzondere bescherming te bieden aan kinderen in strafrechtelijke procedures, en om de belangen van het kind te allen tijde voorop te plaatsen;

46.  merkt op dat de gegevensverzameling over kinderhandel moet zijn gebaseerd op een gemeenschappelijke definitie van deze criminele activiteit; wijst er eveneens op dat sommige lidstaten kinderhandel als een aparte vorm van uitbuiting beschouwen en dat andere lidstaten kindslachtoffers gelijkstellen aan volwassenen, waardoor de mogelijkheid om een alomvattend beeld van de inlichtingen te vormen en om de beste onderzoeksactiviteiten op EU-niveau vast te stellen wordt belemmerd;

47.  onderstreept de verplichting van de Commissie krachtens artikel 23, paragraaf 2, van de richtlijn om in 2016 een verslag in te dienen waarin de impact van bestaande nationale wetgeving tot strafbaarstelling van het bewuste gebruik van diensten van een slachtoffer van mensenhandel wordt beoordeeld, evenals de noodzaak van aanvullende maatregelen; benadrukt dat de Commissie niet uitsluitend mag vertrouwen op de verslaglegging van een lidstaat, maar de naleving tevens moet beoordelen door het maatschappelijk middenveld en andere relevante organen te raadplegen, zoals Greta en de landenverslagen die zijn opgesteld door de speciale vertegenwoordiger van de OVSE voor mensenhandel en de speciale rapporteur van de VN voor mensenhandel en moderne vormen van slavernij;

48.  wijst op het ontbreken van een gemeenschappelijke interpretatie door de lidstaten van het begrip "vraag naar uitbuiting", en verzoekt de Commissie en de lidstaten om richtsnoeren voor te stellen inzake het straffen van de klant op basis van het Noordse model en tegelijkertijd het bewustzijn van alle vormen van mensenhandel, in het bijzonder seksuele uitbuiting, te verhogen, en de zichtbaarheid van andere vormen van uitbuiting zoals huishoudelijke slavernij te vergroten;

49.  wijst erop dat bepaalde groepen door hun grote kwetsbaarheid ernstig risico lopen om het slachtoffer van mensenhandel te worden, maar veroordeelt het feit dat mensenhandel plaatsvindt omdat er een grote vraag is naar producten die worden gemaakt en diensten die worden verleend via de uitbuiting van mensen, hetgeen een zeer lucratieve vorm van georganiseerde misdaad is;

50.  benadrukt de gegevens die het afschrikwekkende effect bevestigen dat de strafbaarstelling van het kopen van seksuele diensten heeft gehad in Zweden; benadrukt de normatieve gevolgen van dit reguleringsmodel en de mogelijkheden ervan om de sociale houding te wijzigen en de algemene vraag naar diensten van slachtoffers van mensenhandel te verminderen;

51.  verzoekt de lidstaten artikel 18, lid 4, van de richtlijn volledig ten uitvoer te leggen en specifieke strategieën te ontwikkelen om de vraag naar mensenhandel voor seksuele uitbuiting te verminderen, zoals exitprogramma's en regelingen om de positie van personen die in de prostitutie werkzaam zijn te versterken, hun rechten te beschermen en hun kwetsbaarheid voor uitbuiting te verminderen, en campagnes om de vraag naar seksuele diensten van verhandelde personen te ontmoedigen, en merkt daarbij op dat de regulering van prostitutie een bevoegdheid van de lidstaten is; verzoekt de Commissie eventuele verbanden tussen de vraag naar seksuele diensten en mensenhandel nader te onderzoeken; is van mening dat de vraag kan worden teruggedrongen door middel van wetgeving waarmee de strafbaarheid wordt verschoven van de verkopers van seksuele diensten naar de afnemers ervan;

52.  verzoekt de EU om aandacht te besteden en zichtbaarheid te geven aan de nieuwe vormen van mensenhandel en uitbuiting, waaronder reproductieve uitbuiting en handel in baby's;

53.  merkt met bezorgdheid op dat maar zeer weinig lidstaten over welomschreven programma’s voor de terugdringing van de vraag beschikken en dat deze over het algemeen gericht zijn op mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; verzoekt de lidstaten programma’s voor de terugdringing van de vraag te ontwikkelen voor alle typen mensenhandel;

54.  merkt op dat schijnhuwelijken onder bepaalde omstandigheden kunnen worden beschouwd als mensenhandel, wanneer er sprake is van een dwang- of uitbuitingsaspect, en dat vrouwen en meisjes hier vaker het slachtoffer van worden;

55.  benadrukt dat inspanningen om de gendergelijkheid te verbeteren bijdragen tot de preventie van mensenhandel en dat deze inspanningen strategieën voor educatie- en empowermentprogramma's voor vrouwen en meisjes moeten omvatten om hun positie in de samenleving te versterken en hun kwetsbaarheid voor mensenhandel te verminderen; vraagt de lidstaten om meer proactieve preventiemaatregelen, zoals informatie- en bewustmakingscampagnes, opleidingen specifiek voor mannen, gerichte workshops met kwetsbare groepen en onderwijsactiviteiten op scholen, met inbegrip van het bevorderen van gelijkheid en het bestrijden van vooroordelen op basis van geslacht en geweld op basis van gender, aangezien gelijke behandeling een doelstelling van de volledige samenleving moet zijn;

56.  wijst op de effectiviteit van bewustmakingscampagnes in het proces om consumenten zover te krijgen dat ze kiezen voor producten van bedrijven die een slavernijvrije toeleveringsketen garanderen, maar merkt op dat dit op zichzelf niet genoeg is om de vraag naar mensenhandel terug te dringen;

57.  wijst erop dat het krachtens Richtlijn 2009/52/EG reeds illegaal is voor werkgevers om gebruik te maken van de arbeid of diensten van onderdanen van derde landen zonder wettelijke verblijfsstatus in de EU in de wetenschap dat ze slachtoffer van mensenhandel zijn; erkent dat EU-burgers die slachtoffer van mensenhandel zijn niet onder deze wetgeving vallen; verzoekt de lidstaten om te verzekeren dat EU-onderdanen die het slachtoffer zijn van mensenhandel in hun nationale wetgeving worden beschermd tegen arbeidsuitbuiting en dat toepasselijke sancties worden ingevoerd;

58.  herinnert eraan dat er volgens Europol in 2015 ongeveer 10 000 niet-begeleide kinderen na hun aankomst in de EU zijn verdwenen en dat deze kinderen mogelijk slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en blootgesteld zijn aan allerlei vormen van uitbuiting of misbruik; verzoekt de lidstaten om het asielpakket volledig ten uitvoer te leggen en kinderen bij aankomst te registreren om ervoor te zorgen dat zij worden opgenomen in kinderbeschermingsstelsels; verzoekt de lidstaten om meer informatie uit te wisselen en zo migrantenkinderen in Europa beter te beschermen;

59.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan gegevens over Roma-vrouwen en -kinderen die het risico lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel voor gedwongen arbeid of diensten, waaronder bedelarij; verzoekt de Commissie om gegevens te verstrekken over Roma-vrouwen en -kinderen die zijn erkend als slachtoffers van mensenhandel, hoeveel van hen er slachtofferhulp hebben gekregen en in welke landen;

60.  benadrukt dat gedwongen huwelijken beschouwd kunnen worden als een vorm van mensenhandel als het slachtoffer daarbij op enige wijze wordt uitgebuit, en verzoekt alle lidstaten dit als zodanig te erkennen; benadrukt dat uitbuiting seksueel (verkrachting binnen het huwelijk, gedwongen prostitutie of pornografie) of economisch (huishoudelijk werk of gedwongen bedelarij) van aard kan zijn en dat een gedwongen huwelijk het uiteindelijke doel van mensenhandel kan zijn (om een slachtoffer als echtgenote te verkopen of het huwelijk onder dwang te voltrekken); benadrukt dat het voor de autoriteiten moeilijk is om deze vorm van mensenhandel op te sporen, omdat deze in de privéomgeving plaatsvindt; verzoekt de lidstaten te zorgen voor gepaste opvangvoorzieningen voor deze slachtoffers; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken;

61.  maakt zich zorgen over het groeiend fenomeen "loverboys"; wijst erop dat de slachtoffers van loverboys vaak emotioneel afhankelijk zijn, hetgeen het onderzoek bemoeilijkt, omdat deze slachtoffers niet zo snel worden aangemerkt als slachtoffers van mensenhandel en vaak weigeren om tegen hun loverboy te getuigen; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken; verzoekt de lidstaten om te voorzien in specifieke opvang voor deze slachtoffers en ervoor te zorgen dat rechtshandhavingsinstanties en justitiële diensten de status van deze personen als slachtoffer erkennen, vooral als het gaat om minderjarigen, om te voorkomen dat deze slachtoffers worden gestigmatiseerd wegens "afwijkend gedrag";

De genderdimensie van bijstand aan en ondersteuning en bescherming van slachtoffers

62.  geeft uiting aan zijn zorg dat niet alle slachtoffers gemakkelijke toegang hebben tot diensten of over de kennis van deze diensten beschikken; benadrukt dat er geen discriminatie bij de toegang van diensten mag plaatsvinden;

63.  merkt op dat slachtoffers van mensenhandel gespecialiseerde diensten behoeven, waaronder toegang tot veilige accommodatie op korte en lange termijn, getuigenbeschermingsprogramma's, gezondheidszorg en advies, vertaling en vertolking, voorzieningen in rechte, compensatie, toegang tot onderwijs en opleiding, met inbegrip van les om de taal van hun land van verblijf te leren, arbeidsbemiddeling, bijstand bij hun re-integratie, gezinsbemiddeling en hervestiging; wijst erop dat deze diensten zo veel mogelijk moeten worden gepersonaliseerd, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan genderaspecten;

64.  benadrukt dat de genderdimensie van mensenhandel een verplichting voor de lidstaten met zich meebrengt om mensenhandel aan te pakken als een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de uitbuitingsdynamiek en de langdurige emotionele en psychologische schade die hiermee gepaard gaan; vraagt de Commissie om te komen met een Europese strategie tegen gendergeweld die een wetgevingsvoorstel bevat inzake geweld tegen vrouwen dat ook mensenhandel bestrijkt;

65.  wijst op het goede werk dat een aantal overheidsdiensten en het maatschappelijk middenveld hebben verricht bij de identificatie van slachtoffers van mensenhandel en het verstrekken van bijstand en ondersteuning aan slachtoffers, hoewel dit werk niet consistent in alle lidstaten of voor alle verschillende typen mensenhandel wordt uitgevoerd;

66.  wijst op de behoefte aan toereikende financiering van onafhankelijke ngo's en genderspecifieke uitwijkplekken om op alle punten van de route van het slachtoffer in de bestemmingslanden in zijn behoeften te voorzien en om preventieve actie te ondernemen in landen van oorsprong, doorvoer en bestemming;

67.  verzoekt de lidstaten hotlines in te stellen, die slachtoffers van mensenhandel of uitbuiting kunnen bellen voor ondersteuning of advies; merkt op dat dergelijke hotlines op andere gebieden, zoals radicalisering en kinderontvoering, al succesvol zijn gebleken;

68.  verzoekt de lidstaten om te zorgen voor een genderspecifieke verstrekking van diensten aan slachtoffers van mensenhandel die aansluit op hun behoeften, waarbij eventuele specifieke behoeften moeten worden erkend die gepaard gaan met de vorm van mensenhandel waaraan de slachtoffers werden onderworpen; wijst erop dat hoewel vrouwen en meisjes de meerderheid van de slachtoffers uitmaken, er gespecialiseerde diensten voor slachtoffers van alle gendertypen beschikbaar moeten zijn;

69.  benadrukt dat veel slachtoffers van seksuele uitbuiting worden gedrogeerd, zodat zij fysiek en psychisch afhankelijk blijven; verzoekt de lidstaten dan ook om gespecialiseerde begeleidingsprogramma's voor deze slachtoffers op te zetten en om bij strafrechtelijke vervolging van de daders wegens mensenhandel het drogeren van personen als verzwarende omstandigheid aan te merken;

70.  benadrukt dat het cumulatieve effect van de verschillende vormen van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit ervoor zorgt dat LGBTI gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden van mensenhandel; verzoekt de lidstaten in de specifieke behoeften van LGBTI te voorzien; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken ter zake te bevorderen;

71.  benadrukt dat het belangrijk is dat alle lidstaten het recht op toegang tot veilige abortusdiensten systematisch erkennen voor vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel die zwanger zijn geworden als gevolg van uitbuiting;

72.  is van mening dat de werkingssfeer van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2011/36/EU aldus moet worden uitgebreid dat daaronder ook steun bedoeld voor toekomstige integratie valt (taallessen, lessen over cultuur en maatschappij enz.) als het slachtoffer, gelet op zijn omstandigheden, in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning;

73.  verzoekt de lidstaten om te waarborgen dat onderdanen van de EU en van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel, recht hebben op een verblijfsvergunning;

74.  merkt op dat illegaal verblijf personen niet vrijwaart van het risico om slachtoffer van mensenhandel te worden en dat deze slachtoffers daarom dezelfde rechten moeten genieten als andere; verzoekt de lidstaten, onder verwijzing naar het beginsel van de onvoorwaardelijkheid van bijstand zoals bedoeld in de richtlijn, om de onderwerpen migratie en mensenhandel niet op één hoop te gooien;

75.  dringt er bij de lidstaten op aan de rechten van slachtoffers effectief te waarborgen en vraagt dat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU wordt geanalyseerd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 2012/29/EU; roept de lidstaten op tot het kosteloos verlenen van rechtsbijstand, met inbegrip van juridische ondersteuning en vertegenwoordiging, en psychologische bijstand, en tot het verstrekken van informatie over het recht op bijstand en gezondheidszorg, met inbegrip van het recht op abortus voor slachtoffers van seksuele uitbuiting, aan alle slachtoffers van mensenhandel die ofwel zichzelf identificeren, ofwel voldoen aan een aantal criteria voor identificatie, teneinde hen te helpen bij het uitoefenen van hun rechten, het verkrijgen van schadevergoeding en/of het verkrijgen van toegang tot een voorziening in rechte; benadrukt dat zelfidentificatie nooit een vereiste mag zijn voor toegang tot de rechten en diensten van slachtoffers;

76.  verzoekt de lidstaten om slachtoffers van mensenhandel niet alleen in strafprocedures, maar ook in eventuele civiele, arbeids- of immigratie-/asielprocedures rechtsbijstand te verlenen;

77.  verzoekt de lidstaten om bij het nemen van besluiten over ondersteuning van slachtoffers te erkennen dat het langer duurt om te herstellen van de schade die het gevolg is van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting dan om te herstellen van andere vormen van mensenhandel; verzoekt om uitbreiding van de beschermingsmaatregelen die worden aangeboden aan slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting teneinde de schade te minimaliseren en nieuw slachtofferschap en secundaire victimisatie te voorkomen en in alle gevallen rekening te houden met de individuele behoeften;

Beoordeling van andere gendersensitieve maatregelen die zijn genomen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn

78.  benadrukt dat elke verplichting van slachtoffers om deel te nemen aan de vervolging van mensenhandelaars schadelijk kan zijn; wijst erop dat een dergelijke verplichting in een op mensenrechten gebaseerde aanpak geen voorwaarde voor toegang tot diensten mag zijn;

79.  onderstreept dat alle slachtoffers van mensenhandel systematisch moeten worden geïnformeerd over de mogelijkheid om gebruik te maken van een bedenk- en hersteltijd en dat hen ook daadwerkelijk een dergelijke tijd moet worden aangeboden; betreurt dat deze rechten in sommige lidstaten slechts zijn omgezet in migratiewetten en derhalve niet van toepassing zijn op alle slachtoffers van mensenhandel, maar alleen op slachtoffers in onregelmatige situaties; wijst erop dat deze rechten moeten worden toegekend aan alle slachtoffers van mensenhandel;

80.  wijst er opnieuw op dat de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG verplicht zijn een bedenk- en herstelperiode te bieden aan slachtoffers van mensenhandel; verzoekt de lidstaten bij het vaststellen van de duur van een dergelijke periode rekening te houden met artikel 13 van het Verdrag van de Raad van Europa tegen mensenhandel en de minimale bedenk- en hersteltijd van dertig dagen, die is opgenomen in dit verdrag, te verlengen voor slachtoffers die zijn verhandeld met het oog op seksuele uitbuiting, gegeven de significante en langdurige schade die deze vorm van geweld aanricht;

81.  merkt op dat de huidige EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel in 2016 afloopt, en verzoekt de Commissie om de huidige strategie te evalueren en een nieuwe strategie in te voeren die op mensenrechten gebaseerd is, oog heeft voor de slachtoffers, een duidelijke genderdimensie en concrete acties hierrond bevat, voorziet in voldoende en effectieve preventie, en blijvend de vraag naar deze diensten, waardoor mensenhandel in verschillende vormen aanhoudt, ontmoedigt; verzoekt dat deze strategie wordt geïntegreerd in en samenhangend wordt gemaakt met andere beleidsgebieden met het oog op het waarborgen van een doeltreffende tenuitvoerlegging van maatregelen ter bestrijding van mensenhandel, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, veiligheid, gendergelijkheid, migratie, cyberveiligheid en rechtshandhaving;

82.  prijst de lidstaten die over effectieve nationale rapportagemechanismen en nationale rapporteurs beschikken en verzoekt deze lidstaten ervoor te zorgen dat voor deze mechanismen en rapporteurs toereikende middelen beschikbaar zijn en dat ze onafhankelijk zijn, zodat ze hun taken op de best mogelijke wijze kunnen vervullen;

83.  verzoekt de lidstaten, om de ondernomen strategieën en activiteiten te beoordelen en de inspanningen voor de bestrijding van de mensenhandel te verbeteren, een nationale, onafhankelijke rapporteur aan te stellen die bij wet rechtstreeks voor het nationale parlement mag verschijnen en aanbevelingen mag doen om mensenhandel beter te bestrijden;

84.  verzoekt de lidstaten meer gedetailleerde en actuele gegevens te verzamelen door van alle belangrijke actoren verkregen, betrouwbare statistische informatie bijeen te brengen, door ervoor te zorgen dat de gegevens homogeen zijn en uitgesplitst worden naar gender, leeftijd, type uitbuiting (binnen de subtypen mensenhandel) en land van herkomst en bestemming, en door ook intern verhandelde personen in aanmerking te nemen, teneinde potentiële slachtoffers te identificeren en criminele activiteiten te voorkomen; verzoekt de lidstaten het delen van gegevens op te voeren om de genderdimensie en de recente tendensen in mensenhandel beter te kunnen beoordelen en mensenhandel doeltreffender te kunnen bestrijden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat nationale rapporteurs een grotere rol krijgen bij de coördinatie van gegevensverzamelingsinitiatieven, in nauwe samenwerking met relevante maatschappelijke organisaties die actief zijn op dit gebied;

85.  merkt op dat ondanks de duidelijke definitie van mensenhandel in de richtlijn er een aantal verschillende definities zijn opgenomen in de nationale wetgeving van de lidstaten; verzoekt de Commissie om dit te onderzoeken en verslag uit te brengen over de praktische betekenis van deze definitieverschillen voor de toepassing van de richtlijn; benadrukt het belang van duidelijke concepten om samensmelting met verwante, maar losstaande kwesties te vermijden;

86.  merkt op dat belanghebbenden over het algemeen bevestigen dat de overgrote meerderheid van de slachtoffers van mensenhandel niet wordt geïdentificeerd; erkent dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de handel in bepaalde kwetsbare groepen, zoals (dakloze) jongeren, kinderen, gehandicapten en LGBTI; benadrukt het belang van verbeterde gegevensverzameling om de inspanningen voor de identificatie van slachtoffers ten aanzien van deze groepen te bevorderen, alsook van het ontwikkelen van beste praktijken voor de omgang met de specifieke behoeften van deze slachtoffers;

87.  benadrukt dat, om de mensenhandel in de Europese Unie beter te bestrijden, de EU‑instellingen zorgvuldig de toepassing van de EU-wetgeving in de lidstaten moeten beoordelen en, indien nodig, aanvullende wetgevings- of andere maatregelen moeten nemen;

88.  verzoekt de Commissie om gestandaardiseerde richtsnoeren inzake gegevensverzameling, waaronder gegevensbescherming, te ontwikkelen voor de betrokken lichamen, zoals rechtshandhavingsinstanties, grens- en immigratiediensten, sociale diensten, lokale autoriteiten, gevangenissen, ngo's en andere bijdragende entiteiten;

89.  dringt er bij de Commissie op aan te verzekeren dat de bestrijding van mensenhandel hogere prioriteit krijgt in de Europese migratieagenda (COM(2015)0240), om zo de betrokkenheid van slachtoffers bij de vervolging van handelaars te faciliteren;

90.  dringt er bij de Commissie op aan het misbruik bij het zelfstandig ondernemerschap voor de tewerkstelling van migrantenarbeid in sommige EU-lidstaten aan te pakken, en daarbij te erkennen dat vals zelfstandig ondernemerschap vaak voorkomt in de domeinen van migrantenarbeid waar het risico op mensenhandel het grootst is;

91.  verzoekt de EU en de lidstaten om de regionale samenwerking op het gebied van mensenhandel langs bekende routes (bijvoorbeeld vanuit het oosten naar de EU) te versterken, door gebruik te maken van het stabiliteitsinstrument en door van de kandidaat-lidstaten te verlangen dat zij hun vaste verantwoordelijkheden nakomen;

92.  verzoekt de EU om via Eurostat ramingen te verschaffen van het aantal al dan niet geregistreerde slachtoffers van mensenhandel, in overeenstemming met de algemene werkwijze van organisaties zoals de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

93.  verzoekt de lidstaten in hun wetgeving ter bestrijding van mensenhandel het beginsel van non-refoulement te verankeren, naar het voorbeeld van het Protocol van de VN inzake mensenhandel en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel, en in overeenstemming met de verplichtingen van staten op grond van het internationale vluchtelingenrecht en het internationale recht inzake mensenrechten;

94.  spoort de EU en de lidstaten aan om onderzoek te doen naar de nieuwste vormen en laatste ontwikkelingen op het gebied van mensenhandel, en in dit kader ook onderzoek te doen naar de mogelijke effecten van de huidige migratiecrisis op mensenhandel, zodat de nieuwe ontwikkelingen met toereikende en gerichte maatregelen kunnen worden aangepakt;

95.  wenst dat de Commissie in het volgende verslag over de implementatie van Richtlijn 2011/36/EU het verband tussen verschillende typen mensenhandel en de daarvoor gebruikte routes analyseert, aangezien slachtoffers vaak tegelijkertijd op verschillende manieren worden uitgebuit of van de ene vorm van handel overgaan in de andere; vraagt eveneens dat de Commissie verder onderzoek aanmoedigt naar de belangrijkste oorzaken van mensenhandel en de gevolgen ervan voor gendergelijkheid;

96.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nodig is om het mandaat van het toekomstig Europees Openbaar Ministerie aldus te herzien dat dat ook bevoegdheden op het gebied van de bestrijding van mensenhandel omvat;

97.  dringt er bij de Europese Commissie op aan, rekening houdend met het feit dat het Verdrag van Istanbul een doeltreffend hulpmiddel is bij het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, waaronder mensenhandel, en ter bescherming en ondersteuning van de slachtoffers, om de lidstaten te stimuleren dit verdrag te ratificeren;

o
o   o

98.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.
(2) PB L 319 van 4.12.2015, blz. 1.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(4) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(5) PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24.
(6) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.
(7) PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0162.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.
(11) Schatting van de IAO, "Winst en armoede: de economie van gedwongen arbeid", 2014.
(12) Verslag van Eurostat over "Mensenhandel", editie 2015.
(13) Idem.
(14) Idem.
(15)3 Situatieverslag van Europol over mensenhandel in de EU (februari 2016).
(16) Verslag van Eurostat, 2015.
(17) Idem.
(18) "Tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel" SWD(2014)0318), blz. 9.
(19) https://ec.europa.eu/anti-trafficking/publications/handbook-consular-and-diplomatic-staff-how-assist-and-protect-victims-human-trafficking_en.

Juridische mededeling