Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 26 mei 2016 - BrusselDefinitieve uitgave
Virtuele valuta
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/010 FR/MoryGlobal
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno
 Voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden *
 Transatlantische gegevensstromen
 Een "new deal" voor energieconsumenten
 Armoede: een genderperspectief
 Non-tarifaire belemmeringen in de interne markt
 Strategie voor de interne markt

Virtuele valuta
PDF 210kWORD 95k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over virtuele valuta (2016/2007(INI))
P8_TA(2016)0228A8-0168/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het paper van de Bank voor Internationale Betalingen over digitale valuta van november 2015(1),

–  gezien de publicatie van de Bank of England over het economisch belang van digitale valuta (Q3/2014)(2),

–  gezien het advies van de Europese Bankautoriteit over virtuele valuta van juli 2014(3),

–  gezien de analyse van de Europese Centrale Bank over virtuelevalutastelsels van februari 2015(4),

–  gezien het actieplan van de Commissie voor effectievere bestrijding van de financiering van terrorisme van 2 februari 2016(5),

–  gezien de studie van de Commissie over de omvang van de btw-kloof in de EU van mei 2015(6),

–  gezien de studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie over de digitale agenda van virtuele valuta(7),

–  gezien de richtsnoeren voor een op risico's gebaseerde benadering van virtuele valuta van de Financial Action Task Force (FATF) van juni 2015,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over de bestrijding van terrorismefinanciering van 12 februari 2016(8),

–  gezien het arrest van het Europese Hof van Justitie over de btw-behandeling van het inwisselen van virtuele valuta (C-264/14)(9), en de conclusies van advocaat-generaal Kokott van 16 juli 2015(10),

–  gezien de raadpleging van ESMA over "Investment using virtual currencies or distributed ledger technology" van juli 2015(11),

–  gezien de briefing van EPRS "Bitcoin market, economics and regulation"(12),

–  gezien het rapport van Europol "Changes in modus operandi of Islamic State terrorist attacks" van 18 januari 2016(13),

–  gezien het rapport van de FATF over virtuele valuta van juni 2014(14),

–  gezien de studie van de OESO "The Bitcoin Question - currency versus trust-less transfer technology"(15),

–  gezien het werkdocument van het IMF "Virtual Currencies and Beyond" van januari 2016(16),

–  gezien het rapport van de wetenschappelijke hoofdadviseur van het Britse Government Office for Science "Distributed Ledger Technology: beyond block chain", van 2016(17),

–  gezien de hoorzitting van de Commissie economische en monetaire zaken over virtuele valuta van 25 januari 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0168/2016),

A.  overwegende dat, aangezien er nog geen algemeen toepasbare definitie is, maar virtuele valuta soms worden aangeduid als digitaal geld, de Europese Bankenautoriteit (EBA) virtuele valuta als een digitale weergave van waarde beschouwt die noch door een centrale bank, noch door een overheid wordt uitgegeven en evenmin aan een vertrouwensmunt is gekoppeld, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als een ruilmiddel wordt aanvaard en kan worden overgedragen, opgeslagen of elektronisch verhandeld; overwegende dat virtuele valuta vooral gebaseerd zijn op de zogeheten "distributed ledger"-technologie (DLT), die de technologische basis vormt voor meer dan 600 stelsels van virtuele valuta(18)waarvan de bekendste tot dusverre de Bitcoin is, en die "peer-to-peer" ruilen vergemakkelijkt; overwegende dat de Bitcoin in 2009 werd gelanceerd en momenteel onder de op DTL gebaseerde virtuele valuta een marktaandeel van bijna 90% en een marktwaarde aan uitstaande Bitcoins ten belope van circa 5 miljard EUR(19)heeft en dus geen systeemrelevante verspreiding heeft gevonden;

B.  overwegende dat DLT databanken omvat met uiteenlopende niveaus van vertrouwen en bestendigheid, die grote aantallen transacties snel kunnen verwerken en niet alleen op het gebied van virtuele valuta over omzettingscapaciteit beschikken, maar ook meer in het algemeen op het gebied van de financiële technologie waarbij de verrekening en verevening voor de hand liggende toepassingen zijn evenals, buiten het financieel gebied, vooral het bewijzen van identiteit en eigendom;

C.  overwegende dat investeringen in DLT integraal deel uitmaken van de lopende innovatiecyclus van de financiële technologie en dat zij tot op heden meer dan 1 miljard EUR belopen, zowel uit durfkapitaalfondsen als uit bedrijfsinvesteringen(20);

Kansen en risico's van virtuele valuta en DLT in de snel evoluerende technologische betalingsomgeving

1.  onderstreept dat virtuele valuta en DLT een positieve bijdrage kunnen leveren aan het welzijn van de burger en de economische ontwikkeling, met inbegrip van de financiële sector, middels:

   a) een verlaging van de operationele en transactiekosten voor betalingen en vooral de grensoverschrijdende overdracht van middelen, wellicht tot ver beneden de 1 % in vergelijking met de traditionele 2 tot 4 % voor online-betalingssystemen(21), en gemiddeld tot meer dan 7 % voor grensoverschrijdende overmakingen(22), waardoor, volgens een optimistische schatting, de totale kosten voor overmakingen met tot 20 miljard EUR zouden kunnen worden verlaagd;
   b) meer in het algemeen, een verlaging van de kosten van de toegang tot financiering, zelfs zonder een traditionele bankrekening, waardoor in aanleg wordt bijgedragen tot financiële integratie en tot de verwezenlijking van de G20- en G8- "5x5"-doelstelling(23);
   c) het vergroten van de bestendigheid en, afhankelijk van de architectuur van het systeem, de snelheid van betalingssystemen en de handel in goederen en diensten dankzij de inherent gedecentraliseerde architectuur van DLT, die waarschijnlijk betrouwbaar kan blijven functioneren, zelfs als delen van haar netwerk slecht zouden functioneren of gehackt zouden worden;
   d) het mogelijk maken van systemen die het gebruiksgemak paren aan lage operationele en transactiekosten en een hoge mate van privacy, maar zonder volledige anonimiteit, zodat transacties tot op zekere hoogte kunnen worden getraceerd in geval van misdrijven en zodat de transparantie voor marktdeelnemers in het algemeen kan worden vergroot;
   e) de aanwending van dergelijke systemen voor het ontwikkelen van veilige online-oplossingen voor microbetalingen die de individuele privacy respecteren en die mogelijkerwijze een aantal van de bestaande onlinebedrijfsmodellen zouden kunnen vervangen welke een aanzienlijke bedreiging voor de individuele privacy vormen;
   f) het potentieel doen opgaan van diverse soorten traditionele en innovatieve betalingsmechanismen, van kredietkaarten tot mobiele oplossingen, in één veilige en gebruikersvriendelijke toepassing, hetgeen bevorderend kan zijn voor bepaalde aspecten van de e-handel in Europa en kan bijdragen tot een verdieping van de interne markt;

2.  constateert dat virtuele valuta en DLT-systemen risico's met zich meebrengen die naar behoren moeten worden aangepakt ter verhoging van de betrouwbaarheid, waarbij in de huidige omstandigheden onder andere moet worden gedacht aan:

   a) het ontbreken van flexibele, maar bestendige en betrouwbare bestuursstructuren of een definitie van dergelijk structuren, vooral in het geval van sommige DLT-toepassingen, zoals de Bitcoin, die onzekerheid en problemen voor de bescherming van de consument en - meer in het algemeen - van de gebruiker veroorzaken, vooral bij uitdagingen die de ontwerpers van de oorspronkelijke software niet hebben voorzien;
   b) de grote volatiliteit van virtuele valuta en potentiële speculatieve zeepbellen, alsmede het ontbreken van traditionele vormen van toezicht op de regelgeving, van waarborgen en van bescherming, kwesties die voor consumenten een groot probleem vormen;
   c) de soms beperkte capaciteit van regelgevers op het gebied van nieuwe technologie, die het moeilijk maakt tijdig de passende beveiligingen af te bakenen waarmee de juiste en betrouwbare werking van DLT-toepassingen kunnen worden gegarandeerd wanneer en zelfs voordat zij zo groot worden dat zij systeemrelevant worden;
   d) de rechtsonzekerheid ten aanzien van nieuwe DLT-toepassingen;
   e) het energieverbruik van het in omloop houden van bepaalde virtuele valuta dat, volgens het rapport over DLT van de wetenschappelijke hoofdadviseur van de Britse regering, in het geval van de Bitcoin wordt geraamd op meer dan 1 GW, hetgeen investeringen in onderzoek naar en de bevordering van efficiëntere mechanismen voor het verifiëren van transacties nodig maakt;
   f) het ontbreken van voldoende transparante en gemakkelijk toegankelijke technische documentatie over de werking van specifieke virtuele valuta en andere DLT-regelingen;
   g) potentiële bronnen van financiële instabiliteit in verband met derivaten die zijn gebaseerd op slecht begrepen kenmerken van virtuele valuta;
   h) de mogelijke toekomstige beperkingen op de lange termijn van de doeltreffendheid van het monetair beleid, indien particuliere systemen van virtuele valuta op grote schaal worden gebruikt als vervanging van officiële vertrouwensmunten;
   i) het potentieel voor transacties op de zwarte markt, het witwassen van geld, terrorismefinanciering(24), belastingfraude en -ontwijking en andere criminele activiteiten op basis van "pseudonimiteit" en "het combineren van diensten" die sommige dienstverleners aanbieden, en het gedecentraliseerde karakter van sommige virtuele valuta waarbij moet worden bedacht dat transacties in contanten nog veel moeilijker te traceren zijn;

3.  wijst erop dat voor de aanpak van deze risico's de regelgevingscapaciteit, met inbegrip van de technische expertise moet worden vergroot, en een gedegen wettelijk kader dat gelijke tred houdt met innovatie, moet worden ontwikkeld om te zorgen voor een tijdige en passende reactie, indien en wanneer het gebruik van DLT-toepassingen systeemrelevant wordt;

4.  stelt echter dat, als er te vroeg regelgeving wordt vastgesteld, deze misschien niet is afgestemd op een situatie die nog verandert, hetgeen naar het publiek een verkeerd signaal kan uitsturen over de voordelen of de veiligheid van virtuele valuta;

Een aanwending van DLT die verder gaat dan betalingen

5.  constateert dat het potentieel van DLT voor het bespoedigen, decentraliseren, automatiseren en standaardiseren van datagestuurde processen tegen geringere kosten het in aanleg mogelijk maakt de wijze waarop activa worden overgedragen en gegevens worden bewaard fundamenteel te veranderen met gevolgen voor zowel de particuliere als de overheidssector waarbij laatstgenoemde in drie opzichten betrokken is: als dienstverlener, als toezichthouder en als wetgever;

6.  wijst erop dat de verrekening, verevening en andere transactieverwerkingsprocessen de financiële sector wereldwijd momenteel meer dan 50 miljard EUR per jaar kosten(25), en dat het gebruik van DLT hierbij en bij de processen voor het afstemmen van banksaldi wel eens een ingrijpende verandering teweeg zou kunnen brengen op het punt van efficiëntie, snelheid en bestendigheid, maar ook tot nieuwe uitdagingen voor de regelgeving kan leiden;

7.  onderstreept dat particuliere actoren op dit gebied meerdere initiatieven hebben ontplooid en vraagt de bevoegde Europese en nationale autoriteiten deze initiatieven te volgen;

8.  constateert dat DLT daarnaast kan worden gebruikt om zowel tussen regeringen en burgers, alsook tussen particuliere actoren en klanten voor een betere uitwisseling van gegevens en meer transparantie en vertrouwen te zorgen;

9.  erkent dat het zich nog steeds ontwikkelende potentieel van DLT verder reikt dan de financiële sector, met inbegrip van crowdfunding met geëncrypteerd kapitaal, conflictbemiddelingsdiensten, met name in de financiële en juridische sectoren, en de mogelijkheden van slimme contracten in combinatie met digitale handtekeningen, toepassingen die een betere gegevensbescherming en synergieën met de ontwikkeling van het internet der dingen mogelijk maken;

10.  onderstreept dat de "block-chain"-technologieën in de economie een bepaalde dynamiek tot stand brengen en over het potentieel beschikken om op de lange termijn verandering in de reële economie op gang te brengen;

11.  onderkent het potentieel van DLT voor regeringen bij de bestrijding van witwaspraktijken, fraude en corruptie;

12.  moedigt overheidsinstanties aan, na verrichting van de passende effectbeoordelingen, DLT-systemen te testen om de dienstverlening aan burgers en e-governmentoplossingen te verbeteren, overeenkomstig de EU-regels inzake gegevensbescherming; moedigt overheidsinstanties aan lock-ineffecten te voorkomen die zich kunnen voordoen wanneer men vertrouwt op DLT-systemen waaraan eigendomsrechten verbonden zijn; erkent met name het potentieel van DLT voor verbeteringen van kadastersystemen;

13.  beveelt overheidsinstanties en bevoegde autoriteiten die met het analyseren van grote hoeveelheden gegevens zijn belast, aan het gebruik van real-time toezicht- en rapportage-instrumenten op basis van DLT te bestuderen als deel van een RegTech-agenda in de financiële sector en daarbuiten, mede om ten minste de aanzienlijke btw-kloof in de Unie te verkleinen(26);

Slimme regelgeving ter bevordering van innovatie en ter waarborging van de integriteit

14.  dringt aan op een evenredige regelgevingsaanpak op EU-niveau ten einde innovatie niet in de kiem te smoren, hieraan in dit vroege stadium geen overbodige kosten toe te voegen en daarbij de uitdagingen op het stuk van regelgeving serieus te nemen die door het wijdverbreide gebruik van virtuele valuta en DLT kunnen ontstaan;

15.  beklemtoont de overeenkomsten tussen DLT, die uit een aantal knooppunten bestaat die in een systeem participeren en een gemeenschappelijk gegevensbestand delen, en het world wide web, dat gedefinieerd worden als een wereldwijd pakket op logische wijze via hyperlinks met elkaar verbonden bronnen; wijst erop dat zowel DLT, als het world wide web op het internet gebaseerd zijn, dat wil zeggen op een mondiaal systeem van onderling verbonden mainframe-, personal- en draadloze computernetwerken;

16.  herinnert eraan dat het internet, ondanks de inspanningen om tot een benadering met meerdere belanghebbende partijen te komen, nog altijd onder de National Telecommunications and Information Administration valt, een agentschap dat onder het Amerikaanse Ministerie van Handel ressorteert;

17.  is verheugd over het feit dat op het niveau van het Forum voor internetbeheer een dynamische coalitie voor "block-chain"-technologieën tot stand is gebracht, en verzoekt de Commissie te werken aan een gedeeld en inclusief beheer van DLT, ten einde problemen zoals destijds bij de ontwikkeling van het internet te voorkomen;

18.  constateert dat essentiële EU-wetgeving, zoals de verordening inzake de Europese marktinfrastructuur, de verordening inzake centrale effectenbewaarinstellingen, de finaliteitsrichtlijn, MiFID/MiFIR, de icbe-richtlijn en de AIFM-richtlijn, een regelgevingskader kan vormen naar gelang van de ontplooide activiteiten, ongeacht de basistechnologie, zelfs nu virtuele valuta en op DLT gebaseerde toepassingen actief worden op nieuwe markten en hun activiteiten uitbreiden; constateert echter dat wellicht meer op maat gesneden wetgeving nodig is;

19.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om omwisselingsplatformen voor virtuele valuta in de antiwitwasrichtlijn op te nemen om een einde te maken aan de anonimiteit die met deze platforms verbonden is; verwacht dat elk voorstel in dit verband doelgericht is, gerechtvaardigd wordt door een alomvattende analyse van de aan virtuele valuta verbonden risico's en gebaseerd wordt op een gedegen effectbeoordeling;

20.  beveelt de Europese Commissie aan een omvattende analyse van virtuele valuta op te maken en op basis van deze evaluatie, indien nodig, te overwegen de desbetreffende EU-wetgeving inzake betalingen, met inbegrip van de richtlijn betalingsrekeningen, de richtlijn betalingsdiensten en de richtlijn elektronisch geld, te herzien in het licht van de nieuwe mogelijkheden die door nieuwe technologische ontwikkelingen worden geboden, met inbegrip van virtuele valuta en DLT, ten einde de concurrentie verder te vergroten en de transactiekosten te verlagen, mede middels een versterkte interoperabiliteit en mogelijk ook via de bevordering van een universele en niet aan eigendomsrechten gebonden elektronische portemonnee;

21.  constateert dat in Europa meerdere virtuele plaatselijke valuta zijn ontwikkeld niet in de laatste plaats als reactie op de financiële crisissen en de kredietschaarste; dringt erop aan in de context van toekomstige wetgevingsvoorstellen uiterst zorgvuldig te zijn bij het vaststellen van een definitie van virtuele valuta ten einde terdege rekening te houden met de zogenaamde "lokale valuta" zonder winstoogmerk, die vaak een beperkte fungibiliteit hebben en belangrijke maatschappelijke en milieuvoordelen opleveren, en onevenredige regelgeving te vermijden, zolang belastingen niet vermeden noch ontweken worden;

22.  dringt aan op de instelling van een horizontale DLT-task force onder leiding van de Commissie die bestaat uit technische en regelgevingsexperts om te zorgen voor:

   i) het bieden van de nodige technische en regelgevende expertise in de diverse sectoren van de relevante DLT-toepassingen, het bij elkaar brengen van de belanghebbende partijen en het ondersteunen van de betrokken overheidsactoren op het niveau van zowel de EU als van de lidstaten in hun inspanningen toezicht te houden op het gebruik van DLT op Europees niveau en in de wereld;
   ii) het bevorderen van de bewustwording en het analyseren van de voordelen en risico's - mede voor de eindgebruikers - van DLT-toepassingen ten einde een optimaal gebruik van het potentieel ervan te maken, mede door het in kaart brengen van de belangrijkste kenmerken van DLT-systemen die in het algemeen belang zijn, zoals niet aan eigendomsrechten gebonden, open normen, en het afbakenen van normen voor optimale praktijken, wanneer dergelijke normen zich ontwikkelen;
   iii) het ondersteunen van een tijdige, goed gefundeerde en passende reactie op de nieuwe mogelijkheden en uitdagingen die voortvloeien uit de invoering van belangrijke DLT-toepassingen, met inbegrip van een routekaart voor verdere stappen op EU-niveau en in de lidstaten waartoe een beoordeling van de bestaande Europese regelgeving behoort ten einde deze, waar nodig, aan te passen in reactie op het significante en systeemrelevante gebruik van DLT waarbij tevens de consumentenbescherming en systeemuitdagingen worden aangepakt;
   iv) het ontwikkelen van stresstests voor alle relevante aspecten van virtuele valuta en ander DLT-systemen die zoveel gebruikt worden dat zij voor de stabiliteit systeemrelevant zijn;

23.  onderstreept het belang van de bewustmaking van de consumenten, van transparantie en vertrouwen bij het gebruik van virtuele valuta; vraagt dat de Commissie, in overleg met de lidstaten en de sector van de virtuele betalingen, richtsnoeren opstelt om te garanderen dat correcte, duidelijke en volledige informatie wordt gegeven aan de huidige en toekomstige gebruikers van virtuele valuta, zodat zij met kennis van zaken hun keuze kunnen bepalen, en aldus de virtuelevalutasystemen voor de consumenten transparanter te maken ten aanzien van de wijze waarop deze systemen georganiseerd zijn en werken, en hoe zij zich onderscheiden van gereguleerde en gecontroleerde betalingssystemen op het stuk van de consumentenbescherming;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) http://www.bis.org/cpmi/publ/d137.pdf
(2)http://www.bankofengland.co.uk/publications/Documents/quarterlybulletin/2014/qb14q3digitalcurrenciesBitcoin2.pdf
(3) https://www.eba.europa.eu/documents/10180/657547/EBA-Op-2014-08+Opinion+on+Virtual+Currencies.pdf
(4) https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/virtualcurrencyschemesen.pdf
(5) http://ec.europa.eu/justice/newsroom/criminal/news/160202_en.htm
(6) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5592_en.htm
(7)http://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/bitstream/JRC97043/the%20digital%20agenda%20of%20virtual%20currencies_final.pdf
(8) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/02/12-conclusions-terrorism-financing/
(9)http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?qid=1463564584935&uri=CELEX:62014CJ0264
(10) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/Nl/TXT/?uri=CELEX%3A62014CC0264
(11) https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/2015/11/2015-532_call_for_evidence_on_virtual_currency_investment.pdf
(12)http://www.europarl.europa.eu/RegData/bibliotheque/briefing/2014/140793/LDM_BRI(2014)140793_REV1_EN.pdf
(13) https://www.europol.europa.eu/sites/default/files/publications/changes_in_modus_operandi_of_is_in_terrorist_attacks.pdf
(14) http://www.fatf-gafi.org/media/fatf/documents/reports/virtual-currency-key-definitions-and-potential-aml-cft-risks.pdf
(15) http://www.oecd.org/daf/fin/financial-markets/The-Bitcoin-Question-2014.pdf
(16) https://www.imf.org/external/pubs/ft/sdn/2016/sdn1603.pdf
(17) https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/492972/gs-16-1-distributed-ledger-technology.pdf
(18) http://www.bis.org/cpmi/publ/d137.pdf
(19) http://coinmarketcap.com/
(20) Zie onder andere: http://www.coindesk.com/state-of-Bitcoin-blockchain-2016/
(21) https://www.eba.europa.eu/documents/10180/657547/EBA-Op-2014-08+Opinion+on+Virtual+Currencies.pdf
(22) https://remittanceprices.worldbank.org/sites/default/files/rpw_report_december_2015.pdf
(23)  http://web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/TOPICS/EXTFINANCIALSECTOR/0,,contentMDK:22383199~pagePK:210058~piPK:210062~theSitePK:282885,00.html
(24) Hoewel het mogelijk is virtuele valuta te gebruiken voor de financiering van terrorisme, heeft Europol onlangs (18 januari 2016) erop gewezen dat, hoewel derden hebben gemeld dat anonieme valuta, zoals de Bitcoin, die door terroristen worden gebruikt om hun activiteiten te financieren, dit door wetshandhavingsinstanties niet is bevestigd.
(25) https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/492972/gs-16-1-distributed-ledger-technology.pdf
(26) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5592_en.htm


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/010 FR/MoryGlobal
PDF 267kWORD 74k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk – EGF/2015/010 FR/MoryGlobal) (COM(2016)0185 – C8-0136/2016 – 2016/2043(BUD))
P8_TA(2016)0229A8-0182/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0185) – C8-0136/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0182/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Frankrijk aanvraag EGF/2015/010 FR/MoryGlobal heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE herziening 2 - afdeling 49 (Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen) en ook in NACE herziening 2 - afdeling 52 (Opslag en vervoerondersteunende activiteiten) in heel Europees Frankrijk, en dat 2 132 ontslagen werknemers die voor een EFG-bijdrage in aanmerking komen naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen; overwegende dat het verzoek voortvloeit uit de gerechtelijke vereffening van MoryGlobal en een vervolg vormt op de eerdere aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros;

E.  overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Frankrijk bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 5 146 800 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 8 528 000 EUR;

2.  stelt vast dat de Commissie de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de aanvraag van de Franse autoriteiten op 19 november 2015 heeft gerespecteerd, aangezien zij haar beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage op 7 april 2016 heeft afgerond en haar beoordeling dezelfde dag aan het Parlement heeft toegezonden;

3.  is van mening dat de ontslagen bij MoryGlobal verband houden met de algemene daling van de fysieke output in Europa, die heeft geleid tot een afname van de hoeveelheid te vervoeren goederen en een prijzenoorlog in het wegvervoer, wat op zijn beurt heeft geresulteerd in een gestage afkalving van de exploitatiemarges en een aantal verliezen voor de sector in Frankrijk sinds 2007, gevolgd door een golf van faillissementen, waaronder dat van Mory-Ducros en later van MoryGlobal waar 2 107 voormalige werknemers van Mory-Ducros een nieuwe baan hadden gevonden;

4.  wijst erop dat de EFG-steun aan 2 513 voormalige werknemers van Mory-Ducros, goedgekeurd in april 2015(4), 6 052 200 EUR bedraagt;

5.  merkt op dat tot nu toe voor de sector "Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen" twee andere EFG-aanvragen zijn ingediend: aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros en aanvraag EGF/2011/001 AT/Niederösterreich-Oberösterreich, die beide op de wereldwijde financiële en economische crisis waren gebaseerd, met betrekking tot 2 804 ontslagen in die sector; stelt vast dat meerdere maatregelen in de twee aanvragen soortgelijk zijn;

6.  merkt op dat de Franse autoriteiten reeds op 23 april 2015 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, dus ruimschoots vóór de aanvraag tot toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

7.  is ingenomen met het feit dat Frankrijk het sociaal plan heeft ingevoerd, waaraan MoryGlobal ook financieel bijdraagt, alvorens de extra steun uit het EFG te hebben aangevraagd; waardeert het dat de gevraagde steun uit het EFG geen maatregelen bevat op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, namelijk vergoedingen, maar gericht is op maatregelen met echte meerwaarde voor de herintegratie op de arbeidsmarkt van de ontslagen werknemers;

8.  merkt op dat de door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening bestaat uit advies en begeleiding door een team van deskundige adviseurs, die een aanvulling vormen op het sociaal plan en het Contrat de Sécurisation Professionnelle die door de Franse overheid worden gefinancierd om de werknemers aan een nieuwe baan te helpen; constateert dat de drie contractanten die het team consultants vormen, dezelfde consultants zijn die diensten verlenen aan de bij Mory-Ducros ontslagen werknemers; verwacht dat de Commissie en de Franse autoriteiten zich nauwgezet zullen houden aan het beginsel dat de betalingen aan deze bureaus moeten gebeuren op basis van de behaalde resultaten;

9.  merkt op dat de contractanten (BPI, Sodie en AFPA Transitions) de ontslagen werknemers zullen bijstaan en hen zullen helpen oplossingen te vinden om op de arbeidsmarkt te blijven en een nieuwe baan te vinden, door middel van individuele dienstverlening zoals collectieve en individuele informatiesessies, overgang naar een nieuwe baan en begeleiding bij de herintegratie op de arbeidsmarkt;

10.  is van mening dat werknemers in de leeftijdsgroep van 55 tot 64 jaar een groter risico lopen op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt, met sociale uitsluiting als mogelijk gevolg; is daarom van mening dat deze werknemers, die samen goed zijn voor ruim 19 % van de beoogde begunstigden van de voorgestelde maatregelen, specifieke behoeften hebben in verband met het aanbieden van individuele dienstverlening overeenkomstig artikel 7 van de EFG-verordening;

11.  constateert dat Frankrijk heeft aangegeven dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de vertegenwoordigers van de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd en de sociale partners;

12.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie; is ingenomen met het feit dat Frankrijk alle nodige garanties heeft geboden dat de voorgestelde maatregelen complementair zullen zijn met acties die door de structuurfondsen worden gefinancierd, als een gecombineerde maatregel ter aanpassing aan de mondiale uitdagingen teneinde te zorgen voor duurzame economische groei, zoals vermeld in de beoordeling van de uitvoering van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering 2007-2014(5);

13.  constateert dat de contractanten die het team consultants vormen, dezelfde consultants zijn die diensten verlenen aan de bij Mory-Ducros ontslagen werknemers; verzoekt de Commissie een beoordeling te verstrekken van de kosten-/batenanalyse van de huidige steun voor de ontslagen werknemers van Mory-Ducros, aangezien deze aanvraag een vervolg vormt op de eerdere aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros, alsook van de individuele diensten die door dezelfde contractanten worden verleend;

14.  houdt rekening met het gevoelige karakter van deze specifieke arbeidsmarkt aangezien Frankrijk het grootste meerwaarde-aandeel van de EU-28 in de dienstensector "vervoer te land" heeft;

15.  wijst erop dat de Franse autoriteiten bevestigen dat voor de voorgestelde maatregelen geen financiële steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen en dat de voorgestelde maatregelen complementair zijn met maatregelen die vanuit de structuurfondsen worden gefinancierd;

16.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun een aanvulling vormt op nationale maatregelen en niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe lidstaten of ondernemingen verplicht zijn;

17.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; wijst op de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en op de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

18.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

19.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(aanvraag van Frankrijk – EGF/2015/010 FR/MoryGlobal)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/989.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Besluit (EU) 2015/738 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk – EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros) (PB L 117 van 8.5.2015, blz. 47).
(5) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2016/558763/EPRS_IDA(2016)558763_EN.pdf


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa
PDF 272kWORD 74k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland - EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa) (COM(2016)0210 – C8-0149/2016 – 2016/2050(BUD))
P8_TA(2016)0230A8-0181/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0210 - C8-0149/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de vijf eerdere EFG-aanvragen in verband met detailhandel,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0181/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt; overwegende dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) ten goede komt van werknemers die ontslagen zijn door kleine en middelgrote ondernemingen en multinationals, ongeacht het beleid of de belangen op grond waarvan de beslissing tot sluiting is genomen, met name die van de multinationals; overwegende dat de EFG-verordening en het EU-handelsbeleid zich nader moeten richten op de mogelijkheden om werkgelegenheid, productie en knowhow binnen de Unie te redden;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan werknemers in nood flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het EFG;

C.  overwegende dat Griekenland aanvraag EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 47 (Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen) in de regio's van NUTS-niveau 2 van Centraal-Macedonië (Κεντρική Μακεδονία) (EL12) en Thessalië (Θεσσαλία) (EL14), en dat 557 ontslagen werknemers, evenals 543 jongeren jonger dan 30 jaar uit dezelfde regio's die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen ("NEET's"), naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen; overwegende dat de werknemers werden ontslagen na het faillissement en de sluiting van Supermarket Larissa ABEE;

D.  overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Griekenland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 6 468 000 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 10 780 000 EUR;

2.  wijst erop dat de financiële bijdrage gericht zal zijn op 557 werknemers die werden ontslagen, onder wie 194 mannen en 363 vrouwen;

3.  wijst er nogmaals op dat aan nog eens 543 jongeren onder de 30 jaar in dezelfde regio die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen individuele dienstverlening kan worden verstrekt, zoals loopbaanbegeleiding in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

4.  merkt op dat de Commissie de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de aanvraag van de Griekse autoriteiten op 26 november 2015 heeft gerespecteerd, aangezien zij haar beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage afrondde op 14 april 2016 en het Parlement hiervan in kennis stelde op 15 april 2016;

5.  merkt op dat naast de 557 ontslagen werknemers 543 jongeren onder de 30 jaar uit dezelfde regio's die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen ("NEET's") naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen en door het EFG medegefinancierde individuele diensten zullen ontvangen; merkt op dat het verzoek van de Griekse autoriteiten om deze maatregelen uit te breiden tot NEET's het gevolg is van het feit dat er in de regio te weinig vacatures zijn voor het hoge aantal werkzoekenden, en dat 73,5 % van de werklozen in Thessalië reeds meer dan 12 maanden werkloos is (Eurostat);

6.  merkt op dat, als gevolg van de diepe recessie van de Griekse economie die werd gevolgd door een daling van de huishoudelijke consumptie en koopkracht, de omzet van de detailhandel in levensmiddelen, dranken en tabak in 2015 meer dan 30 % lager is dan bij het begin van de crisis in 2008; merkt op dat de verkopen van Supermarket Larissa dezelfde neergang kenden;

7.  merkt op dat Supermarket Larissa, een in 1986 opgerichte coöperatie van kleine kruidenierswinkels die 42 winkels en 600 werknemers telde, haar verliezen dus niet te boven kon komen en haar winkels tijdens het tweede kwartaal van 2014 moest sluiten; wijst erop dat de bezuinigingsmaatregelen, met name loonsverlagingen (-30 %), het opnieuw onderhandelen over huurovereenkomsten en het uitstel van de vervaldata van facturen, dit niet hebben kunnen voorkomen; merkt op dat deze situatie ook het gevolg is van de drastische vermindering van de kredietverlening aan ondernemingen, in een context waarin de kwantitatieve versoepeling door de Europese Centrale Bank de kredietverlening niet op gang heeft kunnen brengen; merkt op dat dit geval het dramatische gevolg is van de voortdurende druk die schuldeisers uitoefenen op Griekenland en van het Europese bezuinigingsbeleid;

8.  is ingenomen met het feit dat de Griekse autoriteiten op 26 februari 2016 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, vóór het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

9.  merkt op dat de maatregelen inzake inkomenssteun strikt beperkt blijven tot maximaal 35 % van de kosten van het gehele pakket van individuele dienstverlening, zoals vastgelegd in de EFG-verordening, en dat deze maatregelen afhankelijk gesteld zijn van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

10.  merkt op dat de coöperatie, hoewel zij een aantal bezuinigingsmaatregelen heeft genomen, zoals loonsverlagingen, het opnieuw onderhandelen over huurovereenkomsten, uitstel van de vervaldata van facturen, het aanbieden van goedkopere producten en het verlagen van de exploitatiekosten, de ene winkel na de andere moest sluiten;

11.  wijst erop dat de door Griekenland geplande maatregelen voor de ontslagen werknemers en de NEET's zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: loopbaanbegeleiding; opleiding, omscholing en beroepsopleiding; bijdrage aan het opstarten van een bedrijf; toelage bij deelname en opleidingstoelage; mobiliteitstoelage;

12.  wijst op het behoorlijk hoge bedrag (15 000 EUR) dat de werknemers of NEET's die een eigen bedrijf oprichten ontvangen als onderdeel van de individuele dienstverlening; merkt tegelijkertijd op dat een groot aantal van de ontslagen werknemers een ondernemersachtergrond heeft die hun kans op succes in deze sector vergroot;

13.  wijst op de mogelijkheid dat een deel van de nieuwe bedrijven de vorm zal hebben van een sociale coöperatie, en is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Griekse autoriteiten om de sociale economie in Griekenland te versterken;

14.  wijst op het belang van de organisatie van een informatiecampagne om de NEET's te bereiken die voor deze maatregelen in aanmerking kunnen komen; wijst nogmaals op zijn standpunt dat de steun aan de NEET's op permanente en duurzame wijze gehandhaafd dient te worden;

15.  is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd vastgesteld via verder overleg met vertegenwoordigers van de begunstigden en de sociale partners;

16.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 7 van de EFG-richtlijn het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de op die markten benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

17.  benadrukt dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door aangepaste opleidingen en verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden aan zowel de behoeften van de werknemers voldoet als aan het ondernemingsklimaat;

18.  verzoekt de Commissie om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, waaronder over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

19.  wijst erop dat de Griekse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

20.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

21.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(aanvraag van Griekenland - EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/990.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0112.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno
PDF 162kWORD 65k
Besluit van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno (2016/2003(IMM))
P8_TA(2016)0231A8-0180/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om toestemming om bij telefoonmaatschappijen de belgegevens op te vragen voor het nummer dat in gebruik is bij Gianluca Buonanno, welk verzoek op 20 november 2015 werd doorgezonden door de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli, Italië, en op 14 december 2015 in de plenaire vergadering werd aangekondigd, in verband met een strafzaak voor de rechtbank van Vercelli naar aanleiding van de aangifte die Gianluca Buonanno heeft gedaan van telefonische bedreigingen die hij op 14 april 2015van een anonieme beller op zijn mobieltje zegt te hebben ontvangen (Ref. No 2890/15 R.G.N.R. mod. 44),

–  na Gianluca Buonanno te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 68 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 4 van wet nr. 140 van 20 juni 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 68 van de grondwet in verband met vervolging van personen in een hoog staatsambt(2),

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0180/2016),

A.  overwegende dat de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli een verzoek heeft doorgezonden om toestemming om bij telefoonmaatschappijen de belgegevens op te vragen voor het nummer dat in gebruik is bij een in Italië gekozen lid van het Europees Parlement, Gianluca Buonanno, in verband met een strafzaak voor de rechtbank van Vercelli naar aanleiding van de aangifte van dat parlementslid van telefonische bedreigingen die hij op 14 april 2015 van een anonieme beller op zijn mobieltje zegt te hebben ontvangen;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat artikel 68 van de grondwet van de Italiaanse Republiek bepaalt dat "leden van het parlement niet zonder toestemming van dit Huis mogen worden onderworpen aan fouillering of huiszoeking, niet mogen worden aangehouden of anderszins in hun bewegingsvrijheid worden beperkt of gedetineerd, tenzij krachtens definitieve veroordeling of bij betrapping op heterdaad bij een delict dat verplicht tot aanhouding moet leiden. Ook voor het natrekken van gesprekken of berichten of onderschepping van de post van het parlementslid is die toestemming vereist";

D.  overwegende dat artikel 4 van wet nr. 140 van 20 juni 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 68 van de grondwet in verband met vervolging van personen in een hoog staatsambt onder meer bepaalt dat wanneer de belgegevens van een parlementslid moeten worden opgevraagd, de bevoegde autoriteit daarvoor de toestemming moet vragen van de kamer waarin de betrokkene zitting heeft;

E.  overwegende dat het de opsporingsinstantie met dit verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca te doen is om toegang tot de belgegevens van de betrokkene 's mobiele nummer van de dag waarop hij zegt telefonische dreigementen te hebben ontvangen;

F.  overwegende dat de plaatsvervangend aanklager in zijn verzoek toegeeft er niet zeker van te zijn dat dit parlementaire voorrecht ook geldt in gevallen dat het parlementslid wordt verondersteld het slachtoffer van een delict te zijn; overwegende dat hij niettemin tot de slotsom komt dat dit voorrecht naar de meest waarschijnlijke uitlegging van de nationale wetgeving aan een lid van het EP toekomt ongeacht diens processuele positie; overwegende dat hij zijn conclusie evenwel niet met nationale jurisprudentie weet te onderbouwen;

G.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement staat om uitlegging te geven aan nationaalrechtelijke regels omtrent voorrechten en immuniteiten van leden van het Parlement; overwegende dat het dienstig is eraan te herinneren dat artikel 9 van Protocol nr. 7 voornamelijk tot doel heeft de onafhankelijkheid van de EP-leden te waarborgen door te zorgen dat er niet met dreiging van arrestaties of rechtszaken druk op hen wordt uitgeoefend zolang zij in het Europees Parlement zitting hebben; overwegende dat het in onderhavig geval duidelijk is dat er geen sprake is van druk die op het betrokken lid wordt uitgeoefend, nu deze zelf, als slachtoffer, van de gestelde telefonische bedreigingen aangifte heeft gedaan;

H.  overwegende dat er voor de plaatsvervangend aanklager in Vercelli dus geen noodzaak lijkt te hebben bestaan om het Europees Parlement om toestemming te vragen voor het opvragen van de belgegevens van Gianluca Buonanno van 14 april 2015;

I.  overwegende dat het niettemin omwille van de rechtszekerheid dienstig voorkomt het verzoek van de plaatsvervangend aanklager in Vercelli voor alle zekerheid in te willigen;

1.  besluit de immuniteit van Gianluca Buonanno op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli in Italië, en aan Gianluca Buonanno.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Legge n. 140, disposizioni per l’attuazione dell’articolo 68 della Costituzione nonché in materia di processi penali nei confronti delle alte cariche dello Stato, van 20 juni 2003 (GURI No 142, 21 juni 2003).


Voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden *
PDF 249kWORD 67k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2015)0677 – C8-0017/2016 – 2015/0314(NLE))
P8_TA(2016)0232A8-0170/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0677),

–  gezien artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0017/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0170/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 5
(5)  Zweden wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen op zijn grondgebied, te wijten aan een sterke verschuiving van migratiestromen. Op 8 december 2015 heeft Zweden formeel verzocht om opschorting van zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad.
(5)  Zweden wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen op zijn grondgebied, te wijten aan een sterke verschuiving van migratiestromen. Op 8 december 2015 heeft Zweden formeel verzocht om opschorting van zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad, omdat het land voor een dubbele uitdaging staat als land van eerste aankomst en tevens van eindbestemming.
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 9
(9)  Zweden heeft in 2015 veruit het hoogste aantal verzoekers om internationale bescherming per hoofd van de bevolking in de EU (11 503 verzoekers per miljoen inwoners).
(9)  Zweden had in 2015 veruit het hoogste aantal verzoekers om internationale bescherming per hoofd van de bevolking in de EU (11 503 verzoekers per miljoen inwoners) en naar de stand van maart 2016 in totaal 170 104 verzoekers opgevangen waaronder 73 331 kinderen en 36 181 niet-begeleide minderjarigen.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 10
(10)  Ook wordt Zweden met een moeilijke situatie geconfronteerd als gevolg van de recente aanzienlijke stijging van het aantal niet-begeleide minderjarigen: één op vier verzoekers verklaart een niet-begeleide minderjarige te zijn.
(10)  Ook wordt Zweden met een moeilijke situatie geconfronteerd als gevolg van de recente aanzienlijke stijging van het aantal niet-begeleide minderjarigen: één op vier verzoekers verklaart een niet-begeleide minderjarige te zijn, die als zodanig dus speciale behoeften heeft en extra middelen vergt met het oog op toegang tot gezondheidszorg, tot waardig onderdak en tot onderwijs overeenkomstig de EU-asielregeling.

Transatlantische gegevensstromen
PDF 177kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen (2016/2727(RSP))
P8_TA(2016)0233RC-B8-0623/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(1) (hierna "richtlijn gegevensbescherming"),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(2),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene richtlijn gegevensbescherming)(3) en gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Besluit 2000/520/EG van de Commissie van 26 juli 2000 (het veiligehavenbesluit),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 over het herstel van vertrouwen in de gegevensstromen tussen de EU en de VS (COM(2013)0846),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 betreffende de werking van de veiligehavenregeling ("Safe Harbour") uit het oogpunt van EU-burgers en in de EU gevestigde ondernemingen (COM(2013)0847) (de veiligehavenmededeling),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner (EU:C:2015:650),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2015 over de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar de Verenigde Staten van Amerika krachtens Richtlijn 95/46/EG, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-362/14 (Schrems) (COM(2015)0566),

–  gezien de verklaring van de Groep artikel 29 van 3 februari 2016 over de gevolgen van het arrest-Schrems,

–  gezien de Judicial Redress Act van 2015, die op 24 februari 2016 door president Obama werd bekrachtigd (H.R.1428),

–  gezien de USA Freedom Act van 2015(5),

–  gezien de hervormde inlichtingen uit berichtenverkeer in de VS, zoals bepaald in presidentiële richtlijn 28 (PPD-28)(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van maandag 29 februari 2016 getiteld "Trans-Atlantische gegevensstromen: herstel van vertrouwen door solide waarborgen" (COM(2016)0117),

–  gezien Advies 01/2016 van de Groep artikel 29 van 13 april 2016 over het ontwerp van adequaatheidsbesluit met betrekking tot het Europees-Amerikaanse privacyschild,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(7), en zijn resolutie van 29 oktober 2015 over de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over grootschalig elektronisch toezicht op EU-burgers(8),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Hof van Justitie de veiligehavenregeling ongeldig heeft verklaard in zijn uitspraak van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner, en dat het heeft verduidelijkt dat een passend beschermingsniveau in een derde land "in wezen moet overeenstemmen" met de bescherming waarin is voorzien in de Unie, zodat de onderhandelingen over het privacyschild tussen de EU en de VS dringend afgerond moeten worden, om rechtszekerheid te bieden over de manier waarop persoonsgegevens van de EU naar de VS moeten worden overgedragen;

B.  overwegende dat gegevensbescherming betekent dat de mensen worden beschermd op wie de verwerkte informatie betrekking heeft en overwegende dat deze bescherming een van de door de Unie erkende grondrechten is (artikel 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie);

C.  overwegende dat de bescherming van persoonsgegevens, eerbiediging van het privéleven en van privécommunicatie, het recht op veiligheid, het recht om informatie te ontvangen en te verspreiden en de vrijheid van ondernemerschap allemaal grondrechten zijn die gewaarborgd en met elkaar verzoend moeten worden;

D.  overwegende dat de Commissie bij de beoordeling van het in een derde land geboden beschermingsniveau verplicht is de inhoud te beoordelen van de in dat land toepasselijke regels die afgeleid zijn van zijn nationale wetgeving of internationale verbintenissen, alsook de praktijken die zijn ingevoerd ter garantie van de naleving van deze regels, aangezien zij volgens artikel 25, lid 2, van de richtlijn gegevensbescherming rekening moet houden met alle omstandigheden die op de doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land van invloed zijn; overwegende dat bij deze beoordeling niet alleen naar de wetgeving en praktijken met betrekking tot de gegevensbescherming voor persoonlijke en commerciële doeleinden moet worden gekeken, maar naar alle aspecten van het kader dat van toepassing is op dat land of die sector, in het bijzonder maar niet uitsluitend, nationale veiligheid, rechtshandhaving en de eerbieding van grondrechten;

E.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) de snelst groeiende sector zijn van de economie van de EU en dat zij steeds meer afhangen van kosteloze gegevensstromen; overwegende dat kmo's 60 % uitmaakten van de bedrijven die vielen onder het veiligehavenakkoord, dat hen de voordelen liet genieten van de gestroomlijnde en kostenefficiënte nalevingsprocedures;

F.  overwegende dat de economieën van de VS en de EU goed zijn voor meer dan 50 % van het mondiale bbp, 25 % van de mondiale export en meer dan 30 % van de mondiale import; overwegende dat de hoogst gewaardeerde economische relatie wereldwijd die tussen de VS en de EU is, met in 2014 een totale trans-Atlantische handel die 1,09 biljoen USD beliep, ten opzichte van 741 miljard USD en 646 miljard USD voor de handel van de VS met respectievelijk Canada en China;

G.  overwegende dat de grensoverschrijdende gegevensstromen tussen de Verenigde Staten en Europa de grootste ter wereld zijn (50 % groter dan de gegevensstromen tussen de VS en Azië en bijna het dubbele van de gegevensstromen tussen de VS en Latijns-Amerika) en overwegende dat de doorgifte en uitwisseling van persoonsgegevens een essentiële component is van de nauwe banden tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten met betrekking tot commerciële activiteiten en de sector van de rechtshandhaving;

H.  overwegende dat de Groep artikel 29 zich in zijn Advies 01/2016 tevreden heeft verklaard met de verbeteringen als gevolg van het privacyschild ten opzichte van het veiligehavenbesluit, met name de invoering van belangrijke definities, de mechanismen die zijn ingesteld om toezicht op de privacyschildlijst te garanderen en de externe en interne nalevingscontroles die voortaan verplicht zijn, en overwegende dat de Groep ook zijn grote bezorgdheid heeft geuit zowel over de commerciële aspecten als over de toegang van overheidsinstanties tot gegevens die in het kader van het privacyschild worden doorgegeven;

I.  overwegende dat momenteel het niveau van gegevensbescherming in de landen/gebieden Andorra, Argentinië, de Faeröer, Guernsey, het eiland Man, Jersey, Uruguay, Israël, Zwitserland en Nieuw-Zeeland als passend werd erkend en dat deze landen/gebieden bevoorrechte toegang krijgen tot de EU-markt;

1.  is tevreden met de inspanningen van de Commissie en de regering van de VS om aanzienlijke verbeteringen te realiseren in het privacyschild ten opzichte van het veiligehavenbesluit, in het bijzonder de invoering van belangrijke definities zoals "persoonsgegevens", "verwerking" en "verwerkingsverantwoordelijke", de mechanismen die zijn ingesteld om toezicht op de privacyschildlijst te garanderen en de externe en interne nalevingscontroles die voortaan verplicht zijn;

2.  benadrukt het belangrijke karakter van de trans-Atlantische betrekkingen, die van vitaal belang zijn voor beide partijen; beklemtoont dat er een globale oplossing tussen de EU en de VS moet worden gevonden waarin het recht op gegevensbescherming en het recht op privacy worden geëerbiedigd; herinnert eraan dat een van de fundamentele doelstellingen van de EU de bescherming van persoonsgegevens is, inclusief bij doorgifte ervan naar haar belangrijkste internationale handelspartner;

3.  benadrukt het feit dat de privacyschildregeling in overeenstemming moet zijn met de primaire en secundaire wetgeving van de EU en met de relevante uitspraken zowel van het Europees Hof van Justitie als van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

4.  merkt op dat bijlage VI (brief van Robert S. Litt, kabinet van de directeur van de Nationale Inlichtingendienst (ODNI)) verduidelijkt dat het op grond van presidentiële richtlijn 28 (hierna "PPD-28") in zes gevallen nog steeds is toegestaan om persoonsgegevens en communicatie van niet-Amerikanen op grote schaal te verzamelen; wijst erop dat dit grootschalig verzamelen slechts "zo specifiek als haalbaar" en "redelijk" moet zijn, en dus niet beantwoordt aan de strengere criteria van noodzakelijkheid en evenredigheid, zoals vastgelegd in het handvest;

5.  herinnert eraan dat rechtszekerheid, in het bijzonder duidelijke en uniforme voorschriften, van cruciaal belang is voor de ontwikkeling en groei van bedrijven, vooral kmo's, om te voorkomen dat zij te maken krijgen met rechtsonzekerheid en dat zij ernstige gevolgen ondervinden voor hun werking en voor hun vermogen zaken te doen over de oceaan;

6.  is tevreden met de invoering in het kader van het privacyschild van het beroepsmechanisme voor individuen; verzoekt de Commissie en de regering van de VS de huidige complexiteit aan te pakken, om de procedure gebruiksvriendelijk en doeltreffend te maken;

7.  verzoekt de Commissie opheldering te verkrijgen over de wettelijke status van de door de VS verstrekte "schriftelijke garanties";

8.  is tevreden met de benoeming bij het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken van een ombudsman, die zal samenwerken met onafhankelijke instanties om toezichtautoriteiten van de EU die dienen als kanaal voor individuele verzoeken in verband met overheidstoezicht, van antwoord te dienen; is evenwel van mening dat deze nieuwe instelling onvoldoende onafhankelijk is en niet beschikt over passende bevoegdheden om haar taak effectief uit te oefenen en op te leggen;

9.  is tevreden met de prominente rol die de autoriteiten voor gegevensbescherming in de lidstaten op grond van het privacyschild krijgen voor het onderzoek naar klachten in verband met de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig het EU-Handvest van de grondrechten en voor de opschorting van gegevensstromen, en met de verplichting voor het Amerikaanse Ministerie van Handel om deze klachten op te lossen;

10.  erkent dat het privacyschild deel uitmaakt van een ruimere dialoog tussen de EU en derde landen, met inbegrip van de Verenigde Staten, over gegevensbescherming, handel, veiligheid en daarmee samenhangende rechten en doelstellingen van gemeenschappelijk belang; verzoekt alle partijen daarom samen te werken voor de totstandbrenging en voortdurende verbetering van werkbare, gemeenschappelijke internationale kaders en binnenlandse wetgeving om deze doelstellingen te realiseren;

11.  benadrukt het feit dat rechtszekerheid met betrekking tot de doorgifte van persoonsgegevens tussen de EU en de VS een essentieel element is voor het consumentenvertrouwen, de trans-Atlantische bedrijfsontwikkeling en de samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, zodat het voor de doeltreffendheid en de tenuitvoerlegging op lange termijn van de instrumenten die deze doorgifte mogelijk maken, nodig is dat deze instrumenten zowel stroken met de primaire als met de secundaire EU-wetgeving;

12.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen die de Groep artikel 29 in zijn Advies 01/2016 over het ontwerp van adequaatheidsbesluit met betrekking tot het Europees-Amerikaanse privacyschild heeft geformuleerd, volledig uit te voeren;

13.  verzoekt de Commissie haar verantwoordelijkheid in het kader van het privacyschild na te komen door op gezette tijden een grondige evaluatie uit te voeren van haar vaststelling van adequaatheid en de juridische gronden hiervoor, met name gezien de toepassing van de nieuwe algemene richtlijn gegevensbescherming over twee jaar;

14.  verzoekt de Commissie de dialoog met de regering van de VS voort te zetten om via onderhandelingen bijkomende verbeteringen in de privacyschildregeling aan te brengen, gezien de huidige tekortkomingen ervan;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan het Congres en de regering van de VS.

(1) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(2) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(3) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(4) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(5) https://www.congress.gov/114/plaws/publ23/PLAW-114publ23.pdf
(6) https://www.whitehouse.gov/the-press-office/2014/01/17/presidential-policy-directive-signals-intelligence-activities
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0388.


Een "new deal" voor energieconsumenten
PDF 194kWORD 89k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over een "new deal" voor energieconsumenten (2015/2323(INI))
P8_TA(2016)0234A8-0161/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 getiteld "Een 'new deal' voor energieconsumenten" (COM(2015)0339),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 getiteld "Startsein voor een openbare raadpleging over de nieuwe opzet van de elektriciteitsmarkt" (COM(2015)0340),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2012 getiteld "De interne energiemarkt doen werken" (COM(2012)0663),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885),

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen,

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van persoonsgegevens,

–  gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken,

–  gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten,

–  gezien Aanbeveling 2012/148/EU van de Commissie van 9 maart 2012 inzake de voorbereiding van de uitrol van slimme metersystemen,

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2008 getiteld "Naar een Europees Handvest betreffende de rechten van de energieconsument"(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2013 over een effectief werkende interne energiemarkt(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over het Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over de lokale en regionale gevolgen van de ontwikkeling van slimme netwerken(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over consumentenbescherming – bescherming van de consument bij openbare dienstverlening(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie"(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0161/2016),

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Een 'new deal' voor energieconsumenten";

2.  onderstreept dat dit verslag uitsluitend gaat over huishoudelijke energieconsumenten in het kader van de energietransitie; benadrukt dat industriële consumenten in een afzonderlijk kader moeten worden onderzocht;

3.  benadrukt dat de aan de gang zijnde energietransitie leidt tot een verschuiving van een energiesysteem op basis van traditionele, gecentraliseerde opwekking naar een meer gedecentraliseerd, energie-efficiënt, flexibel en grotendeels op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd systeem;

4.  vestigt de aandacht op de kosten van de overgang naar een nieuwe marktopzet in bepaalde lidstaten; vraagt de Commissie naar behoren met deze kosten rekening te houden wat betaalbaarheid en concurrentievermogen betreft;

5.  herinnert eraan dat het uiteindelijke doel een economie moet zijn die ten volle gebruik te maken van het beginsel "energie-efficiëntie eerst / brandstof nummer 1" en energiebesparingen en -maatregelen aan de vraagzijde voorrang te geven op de aanbodzijde, teneinde te voldoen aan onze klimaatdoelstellingen overeenkomstig het scenario van 1,5 °C waarin het klimaatakkoord van Parijs voorziet, en te zorgen voor energiezekerheid, concurrentievermogen en vooral lagere facturen voor de consument;

6.  is in dit verband van mening dat de energie-unie de belangen van de huidige en toekomstige generaties burgers centraal moet stellen en:

   a) de burger moet voorzien van stabiele, betaalbare, efficiënte en duurzame energie en kwalitatief hoogwaardige, energie-efficiënte producten, diensten en gebouwen;
   b) de burger in staat moet stellen om hetzij individueel, hetzij collectief, zijn eigen hernieuwbare energie op te wekken, te verbruiken, op te slaan of te verhandelen, energiebesparende maatregelen te nemen, een actieve deelnemer op de energiemarkt te worden door zijn keuzes als consument, en hem de mogelijkheid moet bieden om veilig en vol vertrouwen deel te nemen aan vraagrespons; meent in dit verband dat op EU-niveau, via een participatief proces onder leiding van Commissie, een praktische afspraak moet worden gemaakt over wat onder "prosument" wordt verstaan;
   c) moet bijdragen tot het uitbannen van energiearmoede;
   d) de consument moet beschermen tegen misbruik, concurrentievervalsing en oneerlijke praktijken van marktspelers en hem in staat moet stellen zijn rechten volledig uit te oefenen;
   e) de juiste voorwaarden moet scheppen voor een goed functionerende en concurrerende interne energiemarkt die de consument keuze biedt en toegang geeft tot transparante en duidelijke informatie;

7.  is van mening dat bij het geleidelijk afbouwen van gereguleerde energieprijzen rekening moet worden gehouden met de reële mate van marktconcurrentie in de context van de strategie voor de energie-unie, zodat de consumenten toegang hebben tot veilige energieprijzen;

8.  is van mening dat de energietransitie, als algemeen beginsel, moet resulteren in een efficiënter, transparanter, duurzamer, concurrerender, stabieler, meer gedecentraliseerd en inclusiever energiesysteem dat de hele samenleving ten goede komt, de betrokkenheid van burgers en lokale en regionale actoren en gemeenschappen vergroot en hen in staat stelt eigenaar of mede-eigenaar te zijn van de opwekking, distributie en opslag van hernieuwbare energie, en dat tegelijk de meest kwetsbaren beschermt en hen de vruchten laat plukken van energie-efficiëntiemaatregelen en hernieuwbare energie;

Naar een goed functionerende energiemarkt die de burger ten goede komt

9.  meent dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat het doel van het derde energiepakket, namelijk een echt concurrerende, transparante en consumentvriendelijke retailmarkt voor energie tot stand brengen, nog niet in alle EU-lidstaten volledig is verwezenlijkt, zoals blijkt uit de nog steeds grote marktconcentratie, het feit dat de dalende groothandelskosten niet worden doorberekend in de detailprijzen, het geringe aantal consumenten dat van leverancier verandert en de lage klantentevredenheid;

10.  is daarom van mening dat verdere indicatoren voor een goed functionerende, consumentvriendelijke energiemarkt door de Commissie moeten worden geïdentificeerd of ontwikkeld; onderstreept dat dergelijke indicatoren onder andere rekening moeten houden met de economische impact van het veranderen van leverancier op de energieconsumenten, technische barrières voor het veranderen van leverancier of tariefplan en niveaus van consumentenbewustzijn;

11.  benadrukt dat open, transparante, concurrerende en goed gereguleerde markten belangrijk zijn om de prijzen te drukken, innovatie te stimuleren, de klantenservice te verbeteren en barrières weg te werken voor innovatieve nieuwe bedrijfsmodellen die de burgers waar voor hun geld kunnen bieden, hen mondiger kunnen maken en energiearmoede kunnen helpen voorkomen;

12.  herinnert eraan dat de klant maar een beperkte keuze aan distributienetten heeft doordat zij natuurlijke monopolies vormen, d.w.z. dat klanten niet van exploitant van het distributiesysteem kunnen veranderen; benadrukt de noodzaak van een adequate marktbewaking van exploitanten van distributienetten om de klanten te beschermen tegen plotse stijgingen van de distributiefactuur;

13.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen opdat het voordeel van meer interconnectie tussen de nationale netten niet naar de distributiesysteembeheerders (DSB's) gaat, maar rechtstreeks wordt omgezet in voordelen voor de eindconsumenten; is voorts van mening dat meer interconnectie tussen de nationale netten een positief effect moet hebben op de energieprijs voor de consument en dat dus moet worden voorkomen dat de voordelen enkel naar de DSB's gaan;

14.  vraagt de Commissie en de lidstaten nauwlettend toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van het derde energiepakket, en vraagt dat het in de vorm van een nieuwe opzet van de energiemarkt wordt herzien om rekening te houden met de volgende aanbevelingen in verband met huishoudelijke consumenten:

   a) beveelt aan om de frequentie van energierekeningen te verbeteren en zowel de rekeningen als de contracten transparanter en duidelijker te maken zodat ze makkelijker te begrijpen en te vergelijken zijn; benadrukt dat er duidelijke taal moet worden gebruikt en dat technische termen moeten worden vermeden; vraagt de Commissie hiervoor minimumnormen voor informatieverstrekking vast te stellen, met inbegrip van best practices; benadrukt dat zowel vaste kosten als belastingen en heffingen duidelijk als dusdanig moeten worden vermeld op de rekening, zodat de consument ze gemakkelijk kan onderscheiden van de variabele, verbruiksgerelateerde kosten; herinnert aan de bestaande verplichting om in of bij de rekening op bevattelijke en makkelijk vergelijkbare wijze aan te geven welk aandeel elke energiebron het voorafgaande jaar in de energiemix van de leverancier had, en te vermelden waar informatie te vinden is over het milieueffect wat CO2-uitstoot en radioactief afval betreft;
   b) beveelt aan om één loket op te richten dat alle relevante informatie ter beschikking stelt aan consumenten zodat zij in staat zijn om met kennis van zaken een beslissing te nemen;
   c) beveelt aan dat distributienetbeheerders, aangezien zij toegang hebben tot de historische verbruikspatronen van huishoudens, alsook exploitanten van onafhankelijke vergelijkingstools, met de energieregulators gaan samenwerken om te onderzoeken wat de beste manier is om consumenten proactief vergelijkingen van het aanbod te verschaffen zodat alle consumenten, ook als ze geen internettoegang of internetvaardigheden hebben, kunnen nagaan of ze geld zouden kunnen uitsparen door van leverancier te veranderen;
   d) beveelt aan om EU-richtsnoeren op te stellen, zodat de consument toegang heeft tot onafhankelijke, actuele en bevattelijke vergelijkingstools; is van mening dat de lidstaten accreditatieregelingen moeten ontwikkelen die alle prijsvergelijkingstools omvatten, overeenkomstig de richtsnoeren van de CEER;
   e) beveelt aan om nieuwe platforms tot stand te brengen die moeten dienen als onafhankelijke prijsvergelijkingstools om consumenten meer duidelijkheid te verschaffen over de facturatie; beveelt aan dat dergelijke onafhankelijke platforms consumenten informatie verstrekken over het aandeel van de verschillende gebruikte energiebronnen en de verschillende belastingen, heffingen en toeslagen die in de energietarieven vervat zitten, en dat op een vergelijkbare wijze, zodat de consument gemakkelijk op zoek kan gaan naar meer geschikte aanbiedingen wat prijs, kwaliteit en duurzaamheid betreft; stelt voor dat deze rol kan worden opgenomen door bestaande instanties zoals nationale ministeries voor energie, regulators of consumentenorganisaties; vraagt dat per lidstaat ten minste één dergelijke onafhankelijke prijsvergelijkingstool wordt ontwikkeld;
   f) beveelt, teneinde de concurrentie op detailhandelsniveau tussen de leveranciers te vergroten, aan dat de lidstaten, in overleg met exploitanten van prijsvergelijkingstools en consumentenverenigingen, richtsnoeren opstellen om ervoor te zorgen dat de leveranciers hun verschillende tarieven zo ontwerpen dat ze gemakkelijk vergelijkbaar zijn en geen verwarring teweegbrengen bij de consument;
   g) beveelt aan dat de consumenten in of bij de energierekening wordt meegedeeld wat op basis van hun historische verbruikspatronen voor hen het meest geschikte en voordelige tarief is, en dat de consumenten desgewenst zo eenvoudig mogelijk op dat tarief kunnen overschakelen; merkt op dat, aangezien in veel lidstaten maar weinig consumenten van leverancier veranderen, veel huishoudens, en met name de meest kwetsbare, niet actief aan de energiemarkt deelnemen en vastzitten aan ongeschikte, achterhaalde en dure tarieven;
   h) beveelt aan om maatregelen te onderzoeken om de detailprijzen beter te laten aansluiten bij de groothandelsprijzen, en zo de trend om te buigen dat energierekeningen steeds meer vaste onderdelen bevatten, met name belastingen en heffingen en in sommige gevallen netwerkkosten; wijst op het verschil tussen de hoogte van de heffingen en belastingen die huishoudelijke en industriële consumenten betalen;

15.  meent stellig dat de websites van energieleveranciers en digitale facturatie volledig toegankelijk moeten zijn voor personen met een handicap en aan de betreffende vereisten van de Europese norm EN 301 549 moeten voldoen;

16.  benadrukt dat de lidstaten de in het derde energiepakket opgenomen bepalingen betreffende het veranderen van leverancier volledig ten uitvoer moeten leggen en dat de nationale wetgeving de consument het recht moet garanderen om snel, eenvoudig en kosteloos van leverancier te veranderen, zonder opzeggingsvergoedingen of boetes dat belemmeren; benadrukt dat het essentieel is dat dit recht wordt gehandhaafd door markttoezicht en doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, en steunt de "Bridge to 2025"-aanbevelingen van de ACER over veranderen van leverancier;

17.  is van mening dat collectieve overstapregelingen en -campagnes moeten worden gepromoot om consumenten te helpen betere voorwaarden te vinden, zowel wat de prijs als wat de kwaliteit betreft; benadrukt dat dergelijke regelingen onafhankelijk, betrouwbaar, transparant, alomvattend en inclusief moeten zijn, en ook minder mondige consumenten moeten bereiken; suggereert dat lokale overheden, regulators, consumentenorganisaties en andere non-profitorganisaties goed geplaatst zijn om deze rol te vervullen en misbruik te voorkomen;

18.  benadrukt dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijnen inzake oneerlijke handelspraktijken en consumentenrechten betreffende huis-aan-huisverkoop, oneerlijke bedingen of praktijken en agressieve verkooptechnieken correct ten uitvoer moeten leggen en moeten handhaven om energieconsumenten, en met name de meest kwetsbare onder hen, te beschermen; stelt vast dat het aantal klachten over huis-aan-huisverkoop in verschillende lidstaten is toegenomen;

19.  is verheugd dat de Commissie wil overwegen om wetten die specifiek op energie betrekking hebben, op te nemen in de bijlage bij de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming(7);

Zorgen voor een inclusief energiesysteem door burgers in staat te stellen de energietransitie in eigen hand te nemen, hun eigen hernieuwbare energie op te wekken en energie-efficiënt te worden

20.  meent dat lokale autoriteiten, gemeenschappen, coöperaties, huishoudens en particulieren in de context van een goed functionerend energiesysteem een centrale rol moeten spelen, in grote mate moeten bijdragen tot de energietransitie en moeten worden aangemoedigd om energieproducenten en -leveranciers te worden als zij dat wensen; vindt het daarom belangrijk dat de Europese Unie een gemeenschappelijke operationele definitie van "prosumenten" vaststelt;

21.  vraagt de lidstaten nettobemeteringsregelingen in te voeren om zelfopwekking en coöperatieve energieproductie te ondersteunen;

22.  meent dat een aanzienlijke gedragsverandering van de burgers belangrijk zal zijn om een optimale energietransitie te bewerkstelligen; meent dat stimulansen en toegang tot goede informatie in dit verband van essentieel belang zijn en vraagt de Commissie dit in toekomstige voorstellen op te nemen; suggereert dat onderwijs, opleiding en voorlichtingscampagnes belangrijke factoren zullen zijn om een gedragsverandering teweeg te brengen;

23.  is van mening dat een beperkte toegang tot kapitaal en financiële knowhow, de hoge initiële investeringskosten en de lange terugbetalingstermijnen belemmeringen vormen om zelf energie te gaan opwekken en energie-efficiëntiemaatregelen te nemen; pleit daarom voor nieuwe bedrijfsmodellen, collectieve aankoopregelingen en innovatieve financieringsinstrumenten die zelfopwekking, zelfverbruik en energie-efficiëntie voor alle consumenten aanmoedigen; suggereert dat dit een belangrijke doelstelling moet worden voor de EIB, het EFSI, Horizon 2020 en de structuurfondsen, waarvan overheidsinstanties en marktdeelnemers ten volle gebruik moeten maken; herhaalt dat projecten moeten worden gefinancierd op basis van vergelijkende kostenefficiëntie, rekening houdend met nationale en Europese klimaat- en energiedoelstellingen en -verplichtingen;

24.  vraagt om stabiele, toereikende en kosteneffectieve beloningsregelingen om investeerders zekerheid te geven en ervoor zorgen dat kleine en middelgrote projecten voor hernieuwbare energie meer ingang vinden, terwijl de markt zo weinig mogelijk wordt verstoord; vraagt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de "de minimis"-vrijstellingen waarin de richtsnoeren inzake staatssteun van 2014 voorzien; is van mening dat de nettarieven en andere vergoedingen transparant moeten zijn en niet mogen discrimineren, dat op billijke wijze rekening moet worden gehouden met het effect van de consument op het netwerk, dat dubbele kosten moeten worden voorkomen en dat er voldoende financiering voor het onderhoud en de ontwikkeling van het distributienet moet worden gegarandeerd; betreurt dat steunregelingen voor hernieuwbare energie met terugwerkende kracht zijn gewijzigd en dat er onrechtvaardige en bestraffende belastingen of heffingen zijn ingevoerd die de verdere uitbreiding van zelfopwekking in de weg staan; benadrukt hoe belangrijk goed ontworpen en toekomstbestendige steunregelingen zijn om investeerders zekerheid en waar voor hun geld te bieden en dergelijke wijzigingen in de toekomst te voorkomen; benadrukt dat prosumenten die opslagcapaciteit aan het net aanbieden, moeten worden beloond;

25.  beveelt aan om de administratieve belemmeringen voor nieuwe zelfopwekkingscapaciteit tot een absoluut minimum te beperken, met name door beperkingen op de toegang tot de markt en het net af te schaffen; stelt voor om de vergunningsprocedures te versnellen en te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door die te vervangen door een eenvoudige meldingsplicht, waarbij wel alle wettelijke vereisten in acht worden genomen en de DSB's in kennis worden gesteld; stelt voor om bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie specifieke bepalingen op te nemen om belemmeringen weg te nemen en gemeenschaps- of samenwerkingsregelingen op het gebied van energie te bevorderen met "one-stop-shops" – die zich bezighouden met projectvergunningen en financiële en technische deskundigheid bieden – en/of specifieke informatiecampagnes op lokaal en gemeenschapsniveau, alsook door prosumenten toegang te bieden tot alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen;

26.  benadrukt dat er een gunstig, stabiel en billijk kader voor huurders en bewoners van meergezinswoningen moet worden ontwikkeld, zodat ook zij kunnen profiteren van mede-eigendom, zelfopwekking en energie-efficiëntiemaatregelen;

27.  vraagt de Commissie meer steun te verlenen aan het Burgemeestersconvenant, Slimme Steden en Gemeenschappen en de 100 % RES-gemeenschappen teneinde deze uit te breiden en verder te ontwikkelen als instrument om zelfopwekking en energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen, energiearmoede te bestrijden en de uitwisseling van best practices tussen alle lokale overheden, regio's en lidstaten te vergemakkelijken, en ervoor te zorgen dat alle lokale autoriteiten weten dat ze financiële steun kunnen krijgen;

De ontwikkeling van vraagresponsbeheer bevorderen

28.  benadrukt dat de energieprijzen, om vraagrespons te stimuleren, moeten verschillen tussen piek- en daluren, en pleit daarom voor de ontwikkeling van een dynamische prijsstelling op "opt in"-basis, die grondig moet worden beoordeeld op het effect ervan op alle consumenten; benadrukt dat er technologieën moeten worden uitgerold die prijssignalen geven die flexibel verbruik belonen, zodat de consumenten daar meer op reageren; is van mening dat de tarieven transparant en vergelijkbaar moeten zijn en duidelijk moeten worden toegelicht; beveelt aan om verder te onderzoeken hoe progressieve en variabele tariefstelsels kunnen worden vastgesteld en toegepast teneinde energiebesparing, zelfopwekking, vraagrespons en energie-efficiëntie te stimuleren; herinnert de Commissie eraan dat bij de opstelling van toekomstige wetgevingsvoorstellen moet worden gewaarborgd dat de invoering van een dynamische prijsstelling gepaard gaat met meer informatie voor de consumenten;

29.  is van mening dat consumenten gemakkelijk en tijdig hun verbruiksgegevens en de daarmee verband houdende kosten moeten kunnen raadplegen om hen te helpen met kennis van zaken te beslissen; merkt op dat slechts 16 lidstaten zich ertoe hebben verbonden om tegen 2020 op grote schaal slimme meters te installeren; is van mening dat de lidstaten wanneer slimme meters worden geïnstalleerd, een degelijk rechtskader moeten vaststellen om een einde te maken aan ongerechtvaardigde facturering achteraf en ervoor te zorgen dat de uitrol efficiënt en voor alle consumenten, ook energiearme consumenten, betaalbaar is; onderstreept dat de voordelen die slimme meters bieden, eerlijk moeten worden verdeeld tussen de netbeheerders en de verbruikers;

30.  benadrukt dat de ontwikkeling van slimme technologie een centrale rol speelt in de energietransitie en consumenten kan helpen hun energiekosten te verlagen en de energie-efficiëntie te vergroten; vraagt om snelle uitrol van ICT, waaronder mobiele toepassingen, online platformen en online facturering; benadrukt evenwel dat deze ontwikkeling er niet toe mag leiden dat de meest kwetsbare of minder mondige consumenten aan hun lot worden overgelaten of dat hun rekeningen stijgen als ze er niet direct van hebben geprofiteerd; merkt op dat deze groepen speciale ondersteuning moeten krijgen en dat moet worden vermeden dat consumenten vast komen te zitten en niet vrij tussen tarieven en leveranciers kunnen kiezen;

31.  onderstreept dat de ontwikkeling van slimme netwerken en apparatuur moet worden vergemakkelijkt zodat het beheer van de energievraag in reactie op prijssignalen wordt geautomatiseerd; merkt op dat die slimme apparatuur een hoog niveau van gegevensbescherming moet garanderen, interoperabel moet zijn, moet zijn ontworpen ten bate van de eindconsument en moet zijn voorzien van functies die meer energie helpen besparen en de ontwikkeling van markten voor energiediensten en vraagbeheer ondersteunen;

32.  benadrukt dat consumenten vrij moeten kunnen kiezen voor aankoopgroeperingen en leveranciers van energiediensten, los van leveranciers;

33.  onderstreept dat de verzameling, verwerking en opslag van energiegerelateerde gegevens van burgers moet worden beheerd door entiteiten die de toegang tot de gegevens op niet-discriminerende wijze beheren en moet voldoen aan de bestaande privacy- en gegevensbeschermingswetgeving van de EU, die voorschrijft dat consumenten altijd de controle over hun persoonsgegevens moeten behouden en dat deze gegevens alleen met uitdrukkelijke toestemming van de consument aan derden mogen worden verstrekt; meent voorts dat burgers hun recht moeten kunnen uitoefenen om persoonsgegevens te laten corrigeren of wissen;

De oorzaken van energiearmoede aanpakken

34.  vraagt om meer coördinatie op EU-niveau ter bestrijding van energiearmoede door de uitwisseling van best practices tussen lidstaten, en vraagt dat er een ruime, gemeenschappelijke definitie van energiearmoede wordt ontwikkeld, waarbij de nadruk ligt op de idee dat de toegang tot betaalbare energie een sociaal basisrecht is;

35.  onderstreept dat een betere beschikbaarheid en verzameling van gegevens essentieel zijn om de situatie te beoordelen en zo doeltreffend mogelijk gerichte steun te verlenen aan energiearme burgers, huishoudens en gemeenschappen;

36.  onderstreept dat het belangrijk is om op dit gebied alle synergieën aan te moedigen, met name tussen de lokale autoriteiten en de distributienetbeheerders, die zoveel mogelijk gegevens over energiearmoede kunnen verstrekken en risicosituaties kunnen opsporen, met naleving van de Europese en nationale wet- en regelgeving inzake gegevensbescherming;

37.  is van mening dat het governancekader voor de energie-unie moet voorzien in doelstellingen en rapportage door de lidstaten over energiearmoede, en dat er een set van good practices moet worden ontwikkeld;

38.  is van mening dat energie-efficiëntiemaatregelen essentieel zijn voor een kosteneffectieve strategie ter bestrijding van energiearmoede en een aanvulling vormen op het socialezekerheidsbeleid; vraagt om maatregelen om ervoor te zorgen dat de energie-efficiënte renovatie van bestaande gebouwen in het kader van de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen en de energie-efficiëntierichtlijn, en met name artikel 7, beter gericht is op energiearme burgers; stelt voor om een doelstelling te overwegen om het aantal energie-inefficiënte woningen tegen 2030 te verminderen, met de nadruk op huurwoningen en sociale woningen; is van mening dat gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheden een voorbeeld op dit gebied moeten zijn;

39.  vraagt dat de EU-middelen voor energie-efficiëntie en de steun voor zelfopwekking meer naar energiearme huishoudens met een laag inkomen gaan en dat het probleem van de "gesplitste stimulansen" voor huurders en eigenaars wordt aangepakt;

40.  is van mening dat goed gerichte sociale tarieven, met inachtneming van de uiteenlopende praktijk in de lidstaten, van vitaal belang zijn voor kwetsbare burgers met een laag inkomen en dus moeten worden bevorderd; is van mening dat dergelijke sociale tarieven volledig transparant moeten zijn;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 286 E van 27.11.2009, blz. 24.
(2) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 8.
(3) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 62.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0065.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0342.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.
(7) Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1).


Armoede: een genderperspectief
PDF 232kWORD 118k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (2015/2228(INI))
P8_TA(2016)0235A8-0153/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikelen 8, 9, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de groeistrategie van de EU, Europa 2020, en met name haar doelstelling het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft uiterlijk in 2020 met 25 % te verminderen, waardoor meer dan 20 miljoen mensen niet langer in armoede zullen leven, en gezien de noodzaak om volledig gebruik te maken van de socialezekerheids- en pensioenstelsels van de lidstaten om adequate inkomenssteun te waarborgen,

–  gezien het pakket sociale-investeringsmaatregelen (SIP) van de Commissie van 2013,

–  gezien de Europese Groep voor praktijkgemeenschap aangaande gendermainstreaming (GenderCop) van het Europees Sociaal Fonds, en met name de GenderCop-werkgroep armoede en inclusie,

–  gezien artikel 7 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Structuurfondsen 2014-2020,

–  gezien de jaarlijkse bijeenkomst in 2014 van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep,

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG,

–  gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien de resultaten van het onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in de EU, gepubliceerd op 17 mei 2013,

–  gezien zijn resoluties van 13 oktober 2005 over vrouwen en armoede in de Europese Unie(1), alsmede zijn resolutie van 3 februari 2009 over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties(2),

–  gezien zijn in eerste lezing op 20 oktober 2010(3) vastgestelde standpunt met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof,

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen voor de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(8),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW)(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(10),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(13),

–  gezien de in april 2014 gepubliceerde en in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie "Single parents and employment in Europe",

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het armoedebestrijdingsdoel halen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten, en het bijgevoegde advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0040/2016),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0153/2016),

A.  overwegende dat de jongste Eurostatgegevens aantonen dat het aantal vrouwen in armoede permanent hoger blijft dan het aantal mannen, met momenteel zo'n 64,6 miljoen vrouwen tegenover 57,6 miljoen mannen(14); overwegende dat dit aantoont dat armoede vrouwen anders treft dan mannen; overwegende dat vooral vrouwen werden getroffen door het risico op armoede in de EU-28 in 2014, met een percentage van 46,6 % vóór sociale transfers en 17,7 % na deze transfers; overwegende dat de percentages van armoede onder vrouwen zeer verschillen van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat ongeacht het specifieke karakter van de risicogroepen, zoals oudere vrouwen, alleenstaande vrouwen, alleenstaande moeders, lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen, transgenders en vrouwen met een handicap, de armoede onder migrantenvrouwen en vrouwen van etnische minderheden overal in de EU even groot is; overwegende dat 38,9 % van de bevolking en 48,6 % van de alleenstaande vrouwen in de EU-28 geen onverwachte kosten kunnen dragen; overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN meldt dat vrouwen wereldwijd de armste bevolkingsgroep zijn en dat het aantal vrouwen op het platteland dat in armoede leeft sinds 1975 met 50 % is gestegen, dat vrouwen op mondiale schaal gezien twee derde van alle gewerkte uren en de helft van de voedselproductie voor hun rekening nemen, en dat ze daarentegen, ook weer op mondiale schaal, maar 10 % van de inkomens ontvangen en minder dan 1 % van het vermogen bezitten;

B.  overwegende dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, die bewerkstelligd wordt door het sociaal en economisch welzijn te verbeteren, niet alleen vrouwen maar ook de economie en de samenleving als geheel ten goede komt; overwegende dat de doelstelling van het waarborgen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor het eerst werd geformuleerd in het Verdrag van Rome van 1957;

C.  overwegende dat de regeringen zich er in het VN-verdrag inzake de rechten van het kind en in de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030 toe hebben verbonden te waarborgen dat alle jongens en meisjes het volledige basisonderwijs doorlopen; overwegende dat het Parlement in mei 2015 op Internationale Vrouwendag een evenement heeft georganiseerd onder de naam "Empowering girls and women through education"; overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meerdere vormen van discriminatie, door een dialoog tot stand te brengen, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

D.  overwegende dat in tijden van economische recessie personen die reeds risico op armoede liepen, waarvan de meerderheid vrouw is, zich in een kwetsbare positie bevinden op de arbeidsmarkt en qua sociale zekerheid, voornamelijk als het gaat om mensen die behoren tot groepen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie; overwegende dat uit het LGBT-onderzoek van de EU blijkt dat lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen en vrouwelijke transgenders worden geconfronteerd met een onevenredig groot risico op discriminatie op grond van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit, en wel op het gebied van werkgelegenheid (19 %), onderwijs (19 %), woningen (13 %), gezondheidszorg (10 %) en toegang tot sociale diensten (8 %); overwegende dat dit leidt tot onevenredige risico's voor hun economisch en sociaal welzijn;

E.  overwegende dat het bezuinigingsbeleid dat door de Commissie gevraagd wordt en door de lidstaten gevoerd wordt, naast de economische crisis van de laatste jaren, de ongelijkheid heeft doen toenemen en vooral vrouwen heeft getroffen, waardoor armoede bij vrouwen is verergerd en ze steeds verder vervreemd raken van de arbeidsmarkt; overwegende dat het netwerk van openbare diensten en infrastructuur voor de opvang van kinderen, ouderen en zieken en het aanbod van kwalitatief hoogwaardige en gratis openbare diensten op dit gebied verminderd zijn;

F.  overwegende dat eenoudergezinnen een groter risico lopen op armoede of sociale uitsluiting (49,8 % tegenover 25,2 % van de gemiddelde huishoudens met kinderen ten laste, hoewel er grote verschillen tussen lidstaten bestaan)(15); overwegende dat volgens Eurostat in 2014 vrouwen 56,6 % van de eenoudergezinnen in de Unie uitmaakten; overwegende dat armoede een grote impact heeft op de ontplooiing, de ontwikkeling en de opleiding van kinderen en dat de effecten zich een leven lang kunnen blijven manifesteren; overwegende dat de onderwijskloof tussen kinderen uit verschillende sociaaleconomische klassen is toegenomen (in elf landen bereiken het aanbod van voorschools onderwijs en de opvangmogelijkheden voor kinderen minder dan 15 % van de 0- tot 3-jarigen); overwegende dat er een grote kans bestaat dat armoede van generatie op generatie wordt overgebracht; overwegende dat een gebrek aan kwalitatief hoogwaardig onderwijs een factor is die het risico van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen aanzienlijk vergroot, en een verscheidenheid aan factoren die verband houden met het gezinsleven – zoals instabiliteit, slechte huisvestingsomstandigheden of geweld – het risico op vroegtijdig schoolverlaten aanmerkelijk verhoogt;

G.  overwegende dat vrouwen die in rurale gebieden wonen het hardst worden getroffen door armoede; overwegende dat veel vrouwen die in rurale gebieden wonen niet eens als werkzoekend of werkloos worden geregistreerd; overwegende dat de werkloosheid onder vrouwen in rurale gebieden buitengewoon hoog is en dat vrouwen met werk zeer lage inkomens hebben; overwegende dat vrouwen in rurale gebieden beperkte toegang tot onderwijs, vroegtijdige opsporing van kanker en gezondheidszorg in het algemeen hebben;

H.  overwegende dat leven met risico op armoede leidt tot sociale uitsluiting en een gebrek aan sociale participatie qua toegang tot opleiding, rechtspraak, levenslang leren, primaire gezondheidszorg, fatsoenlijke huisvesting en voeding, water en elektriciteit, toegang tot en deelname aan cultuur en informatie, sport en het openbaar vervoer; overwegende dat investeren in een beleid dat vrouwen ondersteunt ook de levensomstandigheden van hun gezin verbetert, en dan vooral van hun kinderen;

I.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen 16,3 % bedraagt en overwegende dat atypische en onzekere arbeidsovereenkomsten ook meer voor vrouwen dan voor mannen gelden;

J.  overwegende dat vrouwen die van plan zijn met een activiteit te starten veel moeilijker toegang hebben tot krediet omdat de traditionele financiële tussenpersonen onwillig zijn om leningen toe te kennen, daar ze van mening zijn dat vrouwelijke leners meer blootgesteld zijn aan risico's en minder geneigd zijn een bedrijf te laten groeien en investeringen te doen die geld opbrengen;

K.  overwegende dat vrouwen vaak werken als huishoudelijke hulp, en in veel gevallen buiten het nationale arbeidsrecht worden tewerkgesteld; overwegende dat vooral vrouwen zonder papieren gevaar lopen dit werk te moeten doen en te worden uitgebuit;

L.  overwegende dat vrouwen vaker dan mannen de verantwoordelijkheid van de zorg voor oudere, zieke of afhankelijke familieleden alsook voor kinderen op zich nemen, en dat ze hun loopbaan vaker onderbreken, hetgeen leidt tot een geringere participatie op de arbeidsmarkt en lange perioden van afwezigheid op de arbeidsmarkt; overwegende dat het risico op verpaupering verkleint door het opzetten van kwaliteitsvolle en betaalbare sociale diensten en infrastructuren voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen of voor zorg voor andere afhankelijke personen zoals ouderen; overwegende dat maar weinig lidstaten de doelstellingen van Barcelona hebben gehaald of deze hebben overtroffen, terwijl de verwezenlijking ervan van essentieel belang is voor een gelijkere verdeling van zorgverantwoordelijkheden;

M.  overwegende dat armoede een intergenerationele dimensie heeft en dat de aanpak van de situatie van meisjes en jonge vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting en armoede, van essentieel belang is voor het bestrijden van de feminisering van armoede;

N.  overwegende dat in de hele EU-27 34 % van de alleenstaande moeders in de werkzame leeftijdsgroep aan armoede dreigt te worden blootgesteld tegenover 17 % in het geval van andere gezinnen in de werkzame leeftijdsgroep met kinderen;

O.  overwegende dat het verschil in pensioenrechten gemiddeld 39 % bedraagt als gevolg van de onevenwichtigheden die zijn ontstaan door hardnekkige ongelijkheid in lonen en toegang tot de arbeidsmarkt, discriminatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat het verschil in pensioen een obstakel is voor de economische onafhankelijkheid van vrouwen en een van de redenen is waarom vrouwen op latere leeftijd onder de armoedegrens belanden; overwegende dat actie geboden is om gelijke toegang tot fatsoenlijke pensioenregelingen voor vrouwen veilig te stellen; overwegende dat de pensioenkloof tussen 2006 en 2012 kleiner is geworden in de landen waar Richtlijn 2006/54/EG ten uitvoer is gelegd(16);

P.  overwegende dat de toename van het risico op armoede nauw verband houdt met de bezuinigingen die het onderwijs, de socialezekerheidsstelsels en opvangvoorzieningen treffen; overwegende dat vrouwen en kinderen het hardst getroffen zijn door de crisis en de bezuinigingsmaatregelen die in diverse Europese landen zijn genomen;

Q.  overwegende dat vrouwen een belangrijke drijvende kracht achter economische en sociale ontwikkeling zijn en dat een goede opleiding een van de meest effectieve strategieën is voor succes op de arbeidsmarkt en het doorbreken van de armoedecyclus; overwegende dat de aanzienlijke financiële last van niet-gratis onderwijs, door de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten die hiermee gepaard gaan, voor mensen die in armoede leven een belangrijk obstakel vormt om betere kwalificaties te verwerven; overwegende dat meisjes op school beter presteren dan jongens, maar dat zij vaak grotere moeilijkheden ondervinden of er door familie- en andere druk vaak van worden weerhouden dit succes op school te vertalen in prestaties op het werk;

R.  overwegende dat de in de samenleving heersende stereotypen zijn geworteld in patriarchale tradities en vrouwen in een ondergeschikte rol in de samenleving drukken, en daardoor bijdragen tot feminisering van de armoede; overwegende dat deze stereotypen zich al in de jeugd ontwikkelen en van invloed blijven op de keuze van onderwijs en opleiding tot aan de arbeidsmarkt; overwegende dat vrouwen zich maar al te vaak beperken tot "vrouwvriendelijke" beroepen waarin ze nog steeds geen loon naar werken krijgen en dat ze ondervertegenwoordigd blijven op bepaalde gebieden zoals wiskunde, wetenschappen, het bedrijfsleven, ICT en technische wetenschappen, alsook in functies met verantwoordelijkheid; overwegende dat deze stereotypen, in combinatie met het feit dat door mannen gedomineerde sectoren bepalend zijn voor de loonvorming, leiden tot genderdiscriminatie;

S.  overwegende dat de Europa 2020-strategie die bedoeld is om van de Unie een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken, ambitieuze doelstellingen nastreeft zoals een werkgelegenheidspercentage van 75 % en een reductie met ten minste 20 miljoen van het aantal personen dat te lijden heeft onder dan wel het risico loopt op armoede en sociale uitsluiting in de periode van nu tot 2020; overwegende dat de doelstellingen van de strategie onder meer een vermindering betreft van het schooluitvalpercentage tot onder 10 %;

T.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie erop gericht is dat 40 % van de personen tussen 30 en 34 jaar een universitaire opleiding volgt, in vergelijking met het huidige gemiddelde van 37,9 %; overwegende dat het gemiddelde voor vrouwen meer dan 42,3 % bedraagt, en dat van mannen 33,6 %;

U.  overwegende dat het streefdoel inzake armoedevermindering van de Europa 2020-strategie, als een van de vijf meetbare doelstellingen van de strategie, een sterke nieuwe impuls van de politiek vereist; overwegende dat deze doelstellingen alleen kunnen worden bereikt wanneer het armoedebestrijdingsbeleid een sterke genderdimensie omvat, met de vaststelling van nationaal beleid om vrouwen tegen met name het risico op armoede te beschermen;

V.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting en de economische afhankelijkheid van vrouwen verergerende factoren kunnen zijn voor geweld tegen vrouwen, en ook omgekeerd, aangezien geweld gevolgen heeft voor de gezondheid van vrouwen en in vele gevallen leidt tot het verlies van werk, dakloosheid, sociale uitsluiting en armoede; overwegende dat hierdoor het risico vergroot dat vrouwen het slachtoffer van mensenhandel en seksuele uitbuiting worden; overwegende bovendien dat veel vrouwen die slachtoffer van gendergeweld zijn met de agressor blijven samenleven omdat ze economisch afhankelijk zijn;

W.  overwegende dat gendergelijkheid een instrument is in de strijd tegen armoede onder vrouwen, omdat de arbeidsproductiviteit en de economische groei er wel bij varen en de arbeidsparticipatie van vrouwen erdoor toeneemt, wat weer talrijke sociaaleconomische baten heeft;

Armoede en evenwicht tussen werk en privéleven

1.  onderstreept de cruciale rol van hoogwaardige openbare diensten voor de bestrijding van armoede, met name armoede onder vrouwen, aangezien zij meer afhankelijk zijn van dergelijke diensten;

2.  benadrukt de noodzaak van aanmoediging en betrokkenheid van mannen om gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus van de arbeidsmarkt te bevorderen;

3.  is van mening dat de lidstaten het goed kunnen combineren van privé- en beroepsleven prioriteit moeten geven door gezinsvriendelijke arbeidsregelingen in te voeren, zoals aanpasbare werktijden en de mogelijkheid tot telewerken; merkt op dat het gebrek aan betaalbare kinderopvangvoorzieningen van kwaliteit, zorg voor afhankelijke personen en oudere mensen, en in het bijzonder crèches, kinderdagverblijven en voorzieningen voor langdurige zorg, bijdraagt tot sociale uitsluiting en de kloof tussen mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid, salariëring en pensioen vergroot; benadrukt dat gelijke toegang tot gratis onderwijs van kwaliteit voor jonge kinderen en betaalbare opvang, tot formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en tot gezinshulp van cruciaal belang zijn om vrouwen aan te sporen om te gaan en te blijven werken, om gelijke kansen te waarborgen en de armoedecyclus te doorbreken, aangezien dit vrouwen helpt autonomie te verwerven, alsook de kwalificaties die nuttig zijn voor de uitoefening van een functie;

4.  betreurt het bezuinigingsbeleid dat, samen met de economische crisis, bijdraagt tot een stijging van het armoedepercentage, vooral bij vrouwen;

5.  verzoekt de lidstaten en de Commissie uitvoering te geven en gebruik te maken van de beschikbare financiële en beleidsinstrumenten, waaronder het pakket "sociale investeringsmaatregelen", om de doelstellingen van Barcelona te bereiken; dringt er in dit verband op aan om het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te optimaliseren, om bij de tenuitvoerlegging van de sociale investeringen en de verordening van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) prioriteit te verlenen aan het opzetten van openbare en particuliere voorzieningen voor opvang van en hulp aan kinderen en andere afhankelijke personen; pleit bij de Commissie voor de toewijzing van specifieke middelen in het kader van een cofinancieringsmechanisme, om stimulerende maatregelen te bevorderen voor specifieke gebieden waar het ontbreekt aan voorzieningen voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen (ECEC) en de werkgelegenheid onder vrouwen extreem laag is;

6.  verzoekt de lidstaten om beleid ten uitvoer te leggen dat gratis openbare diensten van kwaliteit zal beschermen, opwaarderen en bevorderen, vooral op de gebieden gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en justitie; wijst erop dat het van cruciaal belang is dat er voldoende financiële en menselijke middelen worden uitgetrokken voor openbare diensten om de doelstellingen ervan te verwezenlijken;

7.  verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de combinatie van werk en privéleven te bevorderen, zodat vrouwen, en met name vrouwen die een grotere kans lopen om tot armoede te vervallen, voltijds kunnen blijven werken, of, als ze daar de voorkeur aan geven, een deeltijdbaan of een baan met flexibele uren kunnen nemen;

8.  verzoekt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met alomvattende initiatieven voor wetgevingsvoorstellen te komen om tegemoet te komen aan de behoeften van moeders en vaders betreffende de diverse soorten verlof, te weten het moederschapsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof, teneinde met name mannen te steunen een actieve vaderrol op te nemen, om zo een eerlijkere verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden mogelijk te maken en vrouwen de mogelijkheid te bieden op een gelijkwaardige participatie op de arbeidsmarkt, ter versterking van hun economische onafhankelijkheid; neemt in aanmerking dat enkele lidstaten reeds wetgeving ter zake hebben vastgesteld die verder gaat dan de wetgeving van de Unie; verzoekt de lidstaten om wetgeving te overwegen die moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten waarborgt en versterkt; onderstreept dat slechts 2,7 % van de personen die in 2010 gebruik hebben gemaakt van hun recht op ouderschapsverlof, mannen waren, wat duidelijk maakt dat concrete maatregelen moeten worden genomen om het recht op ouderschapsverlof te garanderen;

9.  drukt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de richtlijn moederschapsverlof is ingetrokken, nadat er jarenlang inspanningen waren geleverd om de impasse te doorbreken en Europese burgers op die manier een betere bescherming te bieden; verzoekt de Commissie met een nieuw voorstel te komen en een gegarandeerd recht op betaald vaderschapsverlof te introduceren; is van mening dat er in alle lidstaten concrete maatregelen moeten worden genomen voor een beter evenwicht tussen gezin en werk voor vrouwen; dringt er bij de Commissie op aan om zowel een meer robuuste sociale dimensie als doelstellingen inzake gendergelijkheid op de werkplek in het Europees semester te integreren;

10.  is verheugd over het voorstel voor de invoering van zorgverlof, zoals beoogd in het stappenplan van de Commissie voor een nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken;

Armoede en werk

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beleid ten uitvoer te leggen om de werkgelegenheid onder vrouwen en de integratie op de arbeidsmarkt van sociaal gemarginaliseerde groepen vrouwen in het licht van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verbeteren, om het onderwijs te versterken en te verbeteren, en om meer te investeren in opleiding en in informatiecampagnes, en daarbij te garanderen dat de kwalificatie heerst bij de hieruit voortvloeiende instroom van vrouwen op de arbeidsmarkt, met de nadruk op levenslang leren aangezien vrouwen hierdoor de nodige vaardigheden opdoen om een hoogwaardige baan te vinden en de kans krijgen op herscholing voor de continu veranderende arbeidsmarkt; roept op tot meer promotie van onderwijs in STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) aan jonge meisjes, teneinde de heersende onderwijsstereotypen op vroege leeftijd aan te pakken en op lange termijn de werkgelegenheids- en loonkloof aan te pakken; roept op tot de ontwikkeling van betaalbare openbare diensten voor opvang van kwaliteit, aanpasbare maar niet-precaire werktijden die zowel voor vrouwen als voor mannen gunstig zijn, en regelingen voor de bestrijding van de sectorale en beroepssegregatie van mannen en vrouwen, ook in de ondernemerswereld en in verantwoordelijke functies;

12.  benadrukt dat de toegang tot krediet, financiële diensten en advies de sleutel is tot empowerment van vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting in ondernemerschap, en tot het verhogen van hun vertegenwoordiging in de sector; roept de Commissie en de lidstaten op om effectieve maatregelen te nemen om de toegang tot financiering te verruimen voor vrouwen die een eigen bedrijf of een investeringsproject willen starten, en ondernemerschap van vrouwen te bevorderen, aangezien dit bijdraagt tot de algemene economische en maatschappelijke ontwikkeling, evenals om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, ook via instrumenten van microkrediet, met name met betrekking tot kwetsbare vrouwen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, en om programma's voor zelfstandig ondernemerschap op een niet-precaire wijze te ontwikkelen en uit te breiden; onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling en bevordering van goede praktijken, mentoring, vrouwelijke rolmodellen en andere vormen van steun voor werkloze vrouwen;

13.  benadrukt het cruciale belang van: de hervorming van macro-economisch, sociaal en arbeidsmarktbeleid door dit af te stemmen op gendergelijkheidsbeleid teneinde economische en sociale rechtvaardigheid voor vrouwen te garanderen; een heroverweging van de methoden die worden gebruikt om armoedecijfers vast te stellen en de ontwikkeling van strategieën ter bevordering van een eerlijke verdeling van welvaart;

14.  merkt op dat vrouwen vaker onzekere of slecht betaalde banen hebben met een niet-standaardarbeidscontract; constateert dat onvrijwillig deeltijdwerk waarvan het percentage ten opzichte van de totale werkgelegenheid gestegen is van 16,7 % naar 19,6 % en dat bijdraagt aan het risico op armoede, een ander aspect van onzeker werk is; verzoekt de lidstaten zich beter in te spannen om zwartwerk, onzeker werk en het misbruik van atypische contractvormen, waaronder nulurencontracten, in een aantal lidstaten te bestrijden; legt de nadruk op het vele zwartwerk dat door vrouwen wordt verricht en dat het inkomen, de sociale zekerheid en bescherming van vrouwen negatief beïnvloedt en nadelige gevolgen heeft voor het bbp van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te overwegen om de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) die gericht zijn op de vermindering van het aantal onzekere banen op te volgen(17), zoals het analyseren en beperken van de omstandigheden waarin gebruik kan worden gemaakt van tijdelijke contracten en een verkorting van de periode waarvoor werknemers met opeenvolgende tijdelijke contracten kunnen worden aangenomen, waarna ze de optie van een vast contract moeten krijgen;

15.  nodigt de lidstaten uit om toe te zien op de rechten van werkende vrouwen, die steeds vaker slecht betaald werk doen en het slachtoffer zijn van discriminatie;

16.  benadrukt dat er nieuwe categorieën van vrouwen in armoede bestaan, bevolkt door jonge vakvrouwen, en er op die manier een groot deel van de jonge gediplomeerde vrouwen veroordeeld worden tot onzekere banen, met een loon dat nauwelijks boven de armoedegrens uitkomt (nieuwe armen);

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en de verschillen in pensioen tussen mannen en vrouwen te verkleinen; merkt op dat maatregelen voor meer loontransparantie van fundamenteel belang zijn voor het dichten van de loonkloof, en verzoekt de lidstaten om de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 over de versterking van het beginsel van gelijk loon tussen mannen en vrouwen door transparantie, met inbegrip van de omkering van de bewijslast bij het aanvechten van genderdiscriminatie op het werk;

18.  verzoekt de Commissie een studie te verrichten naar de wijze waarop procedures voor de officiële erkenning van de genderbeleving van personen, of het gebrek van dergelijke procedures, van invloed zijn op de positie van transgenders op de arbeidsmarkt, met name wat betreft hun kans op een baan, loonniveau, loopbaan en pensioen;

19.  constateert met zorg dat vrouwen vaak pensioenen ontvangen die maar net boven het bestaansminimum liggen, als gevolg van diverse oorzaken, zoals onderbreking of beëindiging van de beroepsactiviteit om voor hun gezin te zorgen, het feit dat veel vrouwen gedurende hun hele werkzame leven deeltijdcontracten hebben gehad, of het feit dat ze in het bedrijf van hun echtgenoot hebben gewerkt, in het bijzonder in de sectoren handel en landbouw, zonder salaris en zonder sociale verzekeringen;

20.  is verheugd over het feit dat de Commissie de gelijke beloning voor gelijkwaardig werk als een van de belangrijkste actievelden beschouwt in haar strategie voor gendergelijkheid; verzoekt de Commissie een mededeling aan te nemen over een nieuwe strategie voor gendergelijkheid en rechten van vrouwen voor de periode na 2015, zodat de daarin vervatte doelstellingen en beleidsmaatregelen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd;

21.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat iedereen die tijdelijk zijn beroepsactiviteit heeft onderbroken om zich te wijden aan de opvoeding van kinderen of aan de verzorging van ouderen, zich opnieuw op de arbeidsmarkt kan begeven of zijn vroegere functie kan hervatten en professioneel promotie kan maken;

22.  verzoekt de Commissie een effectbeoordeling te maken van de minimuminkomens in de Unie en verdere stappen in overweging te nemen om rekening te houden met de economische en sociale omstandigheden in elke lidstaat alsook een beoordeling te maken van de vraag of die stelsels het huishoudens mogelijk maken om in hun basisbehoeften te voorzien; dringt bij de lidstaten opnieuw aan op de invoering van een nationaal minimumpensioen dat niet lager mag zijn dan de armoederisicodrempel;

23.  stelt vast dat gepensioneerde vrouwen de meest kwetsbare groep vormen en vaak in armoede leven of het risico lopen om tot armoede te vervallen; roept de lidstaten op de verkleining van de pensioenkloof te behandelen als een economische doelstelling; verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels te hervormen om altijd toereikende pensioenen te waarborgen voor iedereen en zo de pensioenkloof te kunnen dichten; is van mening dat de pensioenkloof onder andere met de volgende instrumenten kan worden aangepakt: de aanpassing van pensioenstelsels om gelijkheid van vrouwen en mannen te waarborgen, en aanpassingen in het onderwijs, loopbaanplanning, stelsels voor ouderschapsverlof en andere diensten ter ondersteuning van ouders; verzoekt de lidstaten te overwegen gedeelde pensioenrechten te verschaffen in geval van scheiding of scheiding van tafel en bed, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming(18); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als loon moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

Armoede: algemene aanbevelingen

24.  stelt vast dat personen die in armoede leven vaak een hoger eenheidstarief betalen dan meer bemiddelde bevolkingsgroepen, en wel voor dezelfde goederen en diensten om sociaal en economisch te kunnen overleven, met name op het vlak van telecommunicatie, energie en water; roept de lidstaten op nauw samen te werken met providers en exploitanten aan de ontwikkeling van mechanismen voor steun en sociale tarifering ten behoeve van de allerarmsten, met name op het gebied van de water- en energievoorziening, met als doel om de energiearmoede van huishoudens uit te bannen;

25.  wijst nogmaals op de rol van voorlichting bij de bestrijding van genderstereotypen, waardoor de positie van vrouwen en meisjes op sociaal, economisch, cultureel en politiek gebied en in wetenschappelijke carrières verbetert, en bij het doorbreken van de armoedecyclus door de integratie van vrouwen in sectoren waar zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals wetenschap, technologie, techniek en ondernemerschap en dringt er bij de Commissie op aan doelstellingen voor beroepsopleiding voor vrouwen op te nemen in de landenspecifieke aanbevelingen; benadrukt de rol van niet-formeel onderwijs; verzoekt de lidstaten om van investeringen in onderwijs voor meisjes en vrouwen ter vergroting van hun potentieel een integraal onderdeel van hun economieën en herstelplannen te maken; moedigt de lidstaten aan toe te werken naar het helpen van jonge vrouwen bij de overgang van het formele onderwijs naar de arbeidsmarkt; benadrukt de noodzaak dat alle onderwijsinstellingen democratische waarden meegeven met het oog op de bevordering van tolerantie, actief burgerschap, maatschappelijke verantwoordelijkheid en respect voor verschillen in geslacht, minderheden en etnische en religieuze groepen; wijst op het belang van sport en lichamelijke opvoeding om vooroordelen en stereotypen te overwinnen en hun mogelijke waarde voor maatschappelijk kwetsbare jongeren om hun levens weer op de rails te zetten;

26.  spreekt zijn bezorgdheid uit dat vrouwen met kinderen gediscrimineerd worden op de werkplek omdat zij moeders zijn en niet omdat hun werkprestaties minder zijn dan die van hun collega's; dringt er bij de lidstaten op aan een positief beeld van moeders als werknemers te bevorderen en de "moederschapssanctie" aan te pakken, een verschijnsel dat in een aantal onderzoeken wordt beschreven;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de structuur- en investeringsfondsen, met name het ESF en het EFSI, worden gebruikt om onderwijs en opleiding te verbeteren voor een betere toegang tot de arbeidsmarkt en de bestrijding van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; benadrukt dat het percentage van 20 % van het ESF dat is toegewezen aan maatregelen voor sociale insluiting en aan sociale innovatieprojecten, actiever kan worden gebruikt om initiatieven zoals kleinschalige lokale projecten te ondersteunen die erop gericht zijn vrouwen die kampen met armoede en sociale uitsluiting zelfstandiger te maken; dringt er bij de lidstaten op aan om meer voorlichtingscampagnes te organiseren over de mogelijkheden voor deelneming aan door de EU gefinancierde projecten;

28.  verzoekt om financieringsmechanismen die een impuls geven aan de gelijke vertegenwoordiging op gebieden waar er geen genderevenwicht is, en benadrukt de noodzaak van naar gender uitgesplitste gegevens om de situatie van meisjes, jongens, mannen en vrouwen beter te begrijpen, en op basis daarvan een meer doeltreffende respons op onevenwichtigheden te kunnen formuleren; verzoekt de Commissie in een uitsplitsing naar gender en leeftijd te voorzien inzake de deelneming aan Europese onderwijsmobiliteitsprogramma's, zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor burgers;

29.  herinnert in het bijzonder aan het recht van kinderen – zowel jongens als meisjes – van migranten en vluchtelingen op toegang tot onderwijs, aangezien dit een van de prioriteiten van Europese samenlevingen vormt; benadrukt derhalve dat, in het licht van de aanhoudende migratiecrisis, dringende maatregelen op het gebied van onderwijs aan migranten moeten worden genomen, op zowel EU- als nationaal niveau; beklemtoont dat onderwijs de sleutel is tot integratie en werk en dat wanneer nationale onderwijsstelsels deze uitdaging niet het hoofd bieden, dit een verdere culturele segregatie en grotere maatschappelijke verdeling kan veroorzaken; wijst erop dat toegang tot onderwijs, zowel in vluchtelingenkampen als gastgemeenten, die aan de vereiste kwaliteitsnormen voldoet en vergezeld gaat van taalkundige en psychologische steun, niet mag worden ondergraven door bureaucratische en administratieve kwesties in verband met de toekenning van de vluchtelingenstatus;

30.  benadrukt de bijdrage van vrijwilligersorganisaties en de tertiaire sector op dit gebied en verzoekt de lidstaten hun inspanningen te ondersteunen; herinnert aan het hoge participatieniveau van vrouwen in onderwijs van vrijwilligers en andere activiteiten, en in de ondersteuning en verbetering van onderwijskansen van bijvoorbeeld vluchtelingen en behoeftige kinderen;

31.  wijst erop dat de gevolgen van armoede en sociale uitsluiting bij kinderen een leven lang kunnen duren en resulteren in de intergenerationele overdracht van armoede; benadrukt dat het risico van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in alle lidstaten nauw verband houdt met het onderwijsniveau van hun ouders, en met name van hun moeders, en met de situatie van hun ouders op de arbeidsmarkt, hun maatschappelijke positie en de vormen van gezinsondersteuning die de lidstaten aanbieden; beveelt de lidstaten aan om alle jonge mensen toegang te bieden tot gratis, kwaliteitsvol openbaar onderwijs, op alle leeftijden, ook in de vroege kindertijd; benadrukt de rol van studiekeuzebegeleiding aan kinderen waardoor zij zich volledig kunnen ontplooien; onderstreept de noodzaak van begeleiding van tienermoeders met programma's die gericht zijn op het voortzetten van hun studies, omdat ze door voortijdig de school te verlaten een eerste stap richting armoede zetten; onderstreept de noodzaak om een uitgebreide reeks maatregelen vast te stellen voor de aanpak van kinderarmoede en het bevorderen van het welzijn van kinderen op basis van drie pijlers: toegang tot voldoende middelen en de combinatie van werk en gezin; toegang tot diensten van goede kwaliteit; en participatie van kinderen bij beslissingen die hen treffen alsook in culturele, recreatieve en sportieve activiteiten; herhaalt de noodzaak tot het vergemakkelijken van toegang tot informatie op basis van gelijkheid, in het bijzonder met betrekking tot sociale verzekeringen, volwassenenonderwijs, gezondheidszorg en beschikbare economische steun;

32.  wijst erop dat de niet-erkenning van LGBTI-gezinnen door tal van lidstaten in lagere inkomens en hogere kosten van het levensonderhoud voor LGBTI-personen resulteert, waardoor zij een hoger risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; is van mening dat de wetgeving inzake gelijke behandeling een essentieel instrument is om de armoede te bestrijden die het gevolg is van marginalisering en discriminatie die seksuele en genderminderheden treffen; roept de Raad in dit verband op om het voorstel van 2008 aan te nemen voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; pleit bovendien voor de expliciete opname van een discriminatieverbod op grond van genderidentiteit in de eventueel toekomstige herschikking van de richtlijnen voor gendergelijkheid; blijft bezorgd over het feit dat het bewustzijn van rechten en het bewustzijn van het bestaan van instanties en organisaties die ondersteuning aan slachtoffers van discriminatie bieden, laag zijn; doet in dit verband een beroep op de Commissie om nauwlettend de doeltreffendheid te monitoren van de nationale klachteninstanties en procedures;

33.  verzoekt om de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, en om de herziening ervan met een vereiste voor bedrijven om maatregelen of plannen in verband met gendergelijkheid op te stellen, met inbegrip van acties op het gebied van desegregatie, de ontwikkeling van betalingssystemen en maatregelen om de loopbanen van vrouwen te ondersteunen;

34.  bevestigt het belang van economische en financiële educatie op jonge leeftijd, aangezien is aangetoond dat dit de economische besluitvorming later in het leven verbetert, ook op het gebied van beheersing van de kosten en het inkomen; beveelt de uitwisseling van best practices aan en de bevordering van educatieve programma's gericht op vrouwen en meisjes in kwetsbare groepen en gemarginaliseerde gemeenschappen die worden geconfronteerd met armoede en sociale uitsluiting;

35.  constateert dat het ontbreken van een inkomen van een partner in aanzienlijke mate kan bijdragen tot armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; merkt op dat de situatie van weduwen en van gescheiden vrouwen en alleenstaande moeders aan wie de rechter de kinderen heeft toegewezen vaak onzeker is en dat voor hen een passende alimentatieregeling moet worden vastgesteld; constateert dat het niet nakomen van de alimentatieplicht alleenstaande moeders in armoede kan storten; onderstreept het feit dat gescheiden vrouwen gevoelig zijn voor discriminatie en armoede, en dat dit het bewijs is dat vrouwen nog niet volledig economisch onafhankelijk zijn, wat de noodzaak aantoont voor verdere acties op het gebied van de arbeidsmarkt en het dichten van de loonkloof;

36.  benadrukt dat het verzamelen van gegevens met betrekking tot huishoudelijke kosten en opbrengsten moet worden aangevuld met geïndividualiseerde gegevens om rekening te houden met op gender gebaseerde ongelijkheden binnen huishoudens;

37.  dringt erop aan dat macro-economisch beleid verenigbaar moet zijn met het beleid voor sociale gelijkheid; herhaalt dat financiële instellingen zoals de ECB en de nationale centrale banken rekening moeten houden met sociale gevolgen bij het modelleren van en beslissen over macro-economisch monetair beleid, of financieel beleid aangaande diensten;

38.  herhaalt zijn steun voor het initiatief om een richtlijn op te stellen met betrekking tot een referentiebudget en dringt er bij de Commissie op aan om bij het ontwerpen genderspecifieke overwegingen te betrekken, onder andere met inbegrip van de genderongelijkheid die binnen de huishoudens bestaat;

39.  herhaalt de noodzaak om onderzoek te doen naar vrouwelijke dakloosheid en de oorzaken ervan, omdat het verschijnsel in de huidige gegevens niet naar behoren is vastgelegd; merkt op dat de sekse-specifieke elementen die in aanmerking genomen zouden moeten worden, de volgende elementen bevatten: economische afhankelijkheid op grond van geslacht, tijdelijke huisvesting en het vermijden van sociale diensten;

40.  benadrukt dat geweld tegen vrouwen in de EU nog steeds een groot probleem is waaronder de slachtoffers te lijden hebben, en dat er dringend behoefte is om de daders ervan te betrekken bij maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, ongeacht hun leeftijd, onderwijsniveau, inkomen of maatschappelijke positie, en dat de invloed ervan op het risico van marginalisering, armoede en sociale uitsluiting steeds toeneemt; constateert dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt voor hun vermogen om zich aan situaties van gendergeweld te onttrekken door proactieve maatregelen te nemen; roept de lidstaten en regionale en lokale overheden op om socialebeschermingsstelsels in het leven te roepen om de sociale rechten te waarborgen van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld, in welke vorm dan ook, of het nu huiselijk geweld, mensenhandel of prostitutie is, en om actie te ondernemen om hen opnieuw in het arbeidsproces te doen intreden, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van instrumenten zoals het ESF; onderstreept de noodzaak van een toename van de beschikbaarheid van informatie als het gaat om juridische diensten voor slachtoffers van geweld;

41.  beklemtoont dat huiselijk geweld, met name tegen vrouwen, op daadkrachtige wijze moet worden bestreden; merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun leven en hun vermogen om zich te ontworstelen aan situaties van huiselijk geweld, en dat vrouwen die geen betaald verlof meer kunnen opnemen het gevaar lopen hun baan en economische onafhankelijkheid te verliezen; merkt op dat de recente invoering van verlof wegens huiselijk geweld in Australië en de VS veel werknemers arbeidsrechtelijke bescherming heeft geboden bij het omgaan met de gevolgen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door de betrokkenen voldoende tijd te gunnen om doktersafspraken te maken, voor de rechter te verschijnen en andere procedures na te leven waaraan zij zich in dergelijke situaties moeten houden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en de mogelijke resultaten van de invoering van een systeem van betaald buitengewoon verlof voor slachtoffers en overlevenden van huiselijk geweld te onderzoeken indien slachtoffers vanwege een gebrek aan betaald verlof hun baan kunnen verliezen, maar daarbij wel hun privacy te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen in te stellen om het bewustzijn omtrent het probleem van huiselijk geweld te vergroten en de slachtoffers van dergelijk geweld te helpen, een betere kennis van hun rechten en de verdediging daarvan te bevorderen en hun economische onafhankelijkheid te beschermen;

42.  herhaalt zijn verzoek aan de EU en alle lidstaten om het Verdrag van Istanbul te ondertekenen en te ratificeren en vraagt om een dringend initiatief om een EU-richtlijn vast te stellen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie eens te meer om een Europese strategie tegen gendergeweld te presenteren en een Europees Jaar voor de bestrijding van gendergeweld in te stellen;

43.  gelooft dat er behoefte bestaat om op een proactieve manier geweld tegen vrouwen te overwinnen door zich te richten op normen die geweld verheerlijken; onderstreept dat stereotypen en structuren die de basis vormen voor geweld van mannen tegen vrouwen moeten worden bestreden, door proactieve maatregelen te nemen door middel van het organiseren van campagnes en permanente voorlichting rondom het probleem van machoculturen op nationaal niveau;

44.  herinnert eraan dat nieuwe technologieën moeten worden beschouwd als een fundamenteel instrument voor de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen en als een gelegenheid om vrouwen uit de armoede te halen;

45.  spoort de lidstaten ertoe aan om in samenwerking met regionale en lokale overheden de kwaliteit van het leven van vrouwen in rurale gebieden te verbeteren teneinde het risico op armoede terug te dringen, door te zorgen voor kwalitatief goede onderwijsprogramma's die erop gericht zijn om de positie van plattelandsvrouwen te verbeteren alsook kwaliteitsbanen en fatsoenlijke inkomens voor deze groep te waarborgen; spoort de lidstaten ertoe aan om te zorgen voor een goede gemeentelijke, sociale en publieke infrastructuur om de algemene leefomstandigheden in rurale gebieden te verbeteren;

46.  is van oordeel dat talrijke aspecten van de armoede, en in het bijzonder de armoede onder vrouwen, nog steeds niet erkend worden, met name het geen toegang hebben tot cultuur en deelname aan het sociale leven, en verzoekt de lidstaten daarom de nodige ondersteuning te verlenen zodat alle vrouwen cultuur, sport en andere vrijetijdsbestedingen kunnen uitoefenen, met bijzondere aandacht voor vrouwen die in armoede leven, vrouwen met een handicap en vrouwelijke migranten; is van mening dat de bestaande indicatoren van ernstige materiële deprivatie de factoren voor toegang tot cultuur en maatschappelijke participatie uitsluiten en daarom slechts een onvolledig begrip van armoede weergeven; dringt aan op de ontwikkeling van meer indicatoren voor het beoordelen van uitsluiting in termen van sociale, culturele en politieke participatie en met name de invloed daarvan op de vicieuze armoedecirkel evenals de intergenerationele effecten ervan;

47.  merkt op dat vrouwen met een handicap vaak worden gediscrimineerd in de familiesfeer en in het onderwijs, dat hun toegang tot werk beperkt is en dat de sociale bescherming die ze ontvangen onvoldoende is om het risico van armoede te vermijden; onderstreept in dit verband dat de lidstaten en regionale en lokale overheden vrouwen met een handicap de gespecialiseerde aandacht zouden moeten geven die deze vrouwen nodig hebben om van hun rechten te kunnen genieten en aanvullende en ondersteunende maatregelen zouden moeten voorstellen om hun integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen, met name op het gebied van onderwijs en opleiding;

48.  roept op tot het treffen van ambitieuze maatregelen om energiearmoede aan te pakken, waardoor alleenstaande vrouwen, alleenstaande ouders en vrouwen die aan het hoofd van huishoudens staan onevenredig hard getroffen worden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een definitie van energiearmoede op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met genderaspecten, en deze in de toekomstige herschikking van richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen op te nemen; benadrukt de belangrijke rol van communautaire energie-initiatieven zoals coöperaties in de empowerment van kwetsbare energieconsumenten en met name vrouwen die worden geconfronteerd met armoede, sociale uitsluiting en marginalisering;

49.  herhaalt haar oproep aan de Commissie om te streven naar de oprichting van een Garantie voor het Europese Kind dat ervoor zorgt dat ieder Europees kind met risico op armoede toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en voldoende voeding; benadrukt dat dergelijk beleid de situatie van vrouwen en meisjes, met name in kwetsbare en gemarginaliseerde gemeenschappen, moet aanpakken; merkt op dat het Jeugdgarantie-initiatief een genderperspectief moet bevatten;

50.  spoort de lidstaten en de Commissie aan om over te gaan tot de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens en om nieuwe individuele indicatoren voor armoede onder vrouwen in te voeren als instrument om de effecten van breder sociaal, economisch en werkgelegenheidsbeleid op vrouwen en armoede te monitoren met als doel de uitwisseling van goede praktijken inzake wetgevings- en begrotingsinstrumenten om armoede te bestrijden, met de nadruk op die groepen die een verhoogd risico lopen op armoede, ongeacht hun seksuele geaardheid of genderidentiteit;

51.  wijst op de rol van maatschappelijk ondernemen in empowerment en met inbegrip van vrouwen die te maken hebben met armoede en sociale uitsluiting en meervoudige discriminatie;

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in de beleidsvorming over sociale integratie op alle niveaus bij belanghebbende partijen processen te creëren die de directe betrokkenheid van personen die risico lopen op armoede en sociale integratie, met name vrouwen en meisjes, bevorderen en vergemakkelijken;

53.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering in te voeren als een instrument om te garanderen dat er in begrotingsbeslissingen rekening wordt gehouden met de genderdimensie en uiteenlopende effecten worden aangepakt;

54.  verzoekt de lidstaten om in de strijd tegen armoede samen te werken met ngo's die succesvol functioneren in gebieden waar extreme armoede heerst, en waardevolle kennis in huis hebben over lokale gemeenschappen; verzoekt de lidstaten doeltreffende samenwerking op lokaal niveau te ondersteunen;

55.  roept de lidstaten en de Commissie op de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties voor gendergelijkheid, te betrekken bij de verwezenlijking van gendergelijkheid, om gelijke behandeling te bevorderen; benadrukt dat de sociale dialoog het toezicht op en de bevordering van gendergelijkheid op de werkplek moet omvatten, met inbegrip van flexibele werkregelingen, met als doel om een beter evenwicht aan te brengen tussen werk en privéleven; benadrukt het belang van collectieve overeenkomsten bij de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid tussen vrouwen en mannen op het werk alsmede het belang van andere instrumenten zoals gedragscodes, onderzoek, uitwisselingen van ervaringen en goede werkwijzen op het gebied van gendergelijkheid;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 130.
(2) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 31.
(3) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162.
(4) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.
(5) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(6) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.
(7) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.
(8) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(9) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 8.
(10) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 6.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(14) http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=1&pcode=t2020_50&language=en
(15) Save the Children, "Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in Europa", Brussel, 2014, blz. 14.
(16) http:\\www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/547546/EPRS_STU(2015)547546_EN.pdf, blz.11
(17) Internationale Arbeidsorganisatie, Policies and regulations to combat precarious employment (Beleid en regelgeving om de strijd aan te binden tegen onzeker werk), 2011.
(18) http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/conference_sept_2011/dgjustice_oldagepensionspublication3march2011_en.pdf.


Non-tarifaire belemmeringen in de interne markt
PDF 194kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over non-tarifaire belemmeringen in de interne markt (2015/2346(INI))
P8_TA(2016)0236A8-0160/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "Verbetering van de interne markt: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "A Digital Single Market Strategy for Europe – Analysis and Evidence" (SWD(2015)0202),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "Report on Single Market Integration and Competitiveness in the EU and its Member States" (SWD(2015)0203),

–  gezien het onderzoek van de Parlementaire Onderzoeksdiensten van september 2014 getiteld "The Cost of Non-Europe in the Single Market",

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over de interne dienstenmarkt: stand van zaken en volgende stappen(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen(2),

–  gezien de in oktober 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8‑0160/2016),

A.  overwegende dat de Europese interne markt een aanzienlijke bijdrage levert aan de Europese economieën;

B.  overwegende dat de voltooiing van de interne markt voor het vrije verkeer van goederen, diensten, overheidsopdrachten, de digitale economie en de consumentenwetgeving naar schatting economische winsten zal opleveren gaande van 651 miljard tot 1,1 biljoen EUR per jaar, wat overeenkomt met 5 à 8,63 % van het bbp van de EU;

C.  overwegende dat ongerechtvaardigde non-tarifaire belemmeringen (NTB's) ruim twintig jaar na de invoering van de interne markt de handel en het vrije verkeer van goederen en diensten tussen de lidstaten blijven bemoeilijken; overwegende dat deze NTB's door protectionisme kunnen zijn ingegeven en gepaard kunnen gaan met bureaucratische hinderpalen die zeer vaak onevenredig zijn met het gestelde doel;

D.  overwegende dat de interne markt voor diensten naar schatting 70 % van de Europese economie uitmaakt, maar slechts 20 % van de handel binnen de EU vormt;

E.  overwegende dat 25 % van de gereglementeerde beroepen in slechts één lidstaat gereglementeerd zijn;

F.  overwegende dat de potentiële winsten uit de werking van de digitale eengemaakte markt naar schatting jaarlijks ongeveer 415 miljard EUR bedragen en het bbp tegen 2020 met ongeveer 0,4 % zullen doen stijgen, en overwegende dat er in de EU‑wetgeving tal van lacunes zijn die de goede werking van de digitale eengemaakte markt belemmeren;

G.  overwegende dat slechts 2 % van de nieuwe kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en startende ondernemingen zich over de grenzen heen hebben uitgebreid door directe buitenlandse investeringen;

H.  overwegende dat lacunes in de interne markt, zoals een onvolledige of tegen de doelstellingen van de interne markt indruisende toepassing van de EU-wetgeving, voor de consumenten in veel gevallen leiden tot een suboptimale keuze aan producten en duurdere goederen en diensten;

I.  overwegende dat de kosten voor bedrijven merkbaar zijn aan duurdere toeleveringsketens, waardoor hun eigen producten meer kosten, of aan een beperkte toegang tot zakelijke diensten, die hun concurrentievermogen schaadt; overwegende dat innovatie wordt aangemoedigd door een door concurrentie gekenmerkte markt;

J.  overwegende dat de complexiteit van het huidige btw-stelsel als een NTB kan worden aangemerkt;

K.  overwegende dat concurrentieverstorende fiscale afspraken tussen lidstaten en grote multinationale ondernemingen als een ongerechtvaardigde NTB kunnen worden aangemerkt;

L.  overwegende dat ondernemingen en personen worden geconfronteerd met belangrijke belemmeringen voor het uitoefenen van grensoverschrijdende activiteiten in de interne markt doordat er geen of weinig kwaliteitsvolle informatie, bijstand en onlineprocedures beschikbaar zijn, wat leidt tot zware administratieve lasten en hoge nalevingskosten;

M.  overwegende dat de monitoring van belemmeringen en kosten versnipperd is en niet stelselmatig plaatsvindt en dat belemmeringen en kosten niet worden gekwantificeerd en niet duidelijk worden geïdentificeerd, wat de prioritering van beleidsmaatregelen bemoeilijkt;

I.Achtergrond en beleidsdoelstellingen

1.  is zich ervan bewust dat, hoewel de tariefbelemmeringen sinds 1 juli 1968 afgeschaft zijn, het vrije verkeer van goederen en diensten nog steeds hinder heeft ondervonden door NTB's zoals ongerechtvaardigde nationale technische voorschriften en al dan niet in regelgeving vastgestelde vereisten voor producten, dienstverleners en voorwaarden voor dienstverlening, of bureaucratie; beklemtoont dat voor de versterking van de interne markt dringend maatregelen van zowel de EU als de lidstaten nodig zijn om die NTB's aan te pakken;

2.  verstaat onder een NTB een onevenredige of discriminerende regelgevingsmaatregel die resulteert in een last of een kost die moet worden gedragen door een bedrijf dat een markt wenst te betreden, maar niet door bedrijven die al op de markt aanwezig zijn, of een kost die wordt opgelegd aan buitenlandse bedrijven maar niet aan binnenlandse bedrijven, onverminderd het recht van de lidstaten om regelgeving vast te stellen en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid na te streven, zoals de bescherming van het milieu en van de rechten van consumenten en werknemers;

3.  stelt vast dat er op nationaal niveau verschillen kunnen ontstaan als gevolg van meerlagig bestuur; is van mening dat op alle niveaus van de besluitvorming over regelgeving goed moet worden beseft dat de maatregelen evenredig moeten zijn en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid moeten nastreven; meent dat consistentie en samenhang van het beleid en de regelgevingspraktijk aanzienlijk kunnen bijdragen aan een vermindering van NTB's;

4.  is van mening dat indien dergelijke NTB's als evenredig kunnen worden gerechtvaardigd, de informatie over de uiteenlopende nationale wettelijke voorschriften gemakkelijk toegankelijk moet zijn en de daarmee verband houdende kennisgeving van gegevens en afwikkeling van procedures zo gebruikersvriendelijk mogelijk moeten zijn; is van oordeel dat de toepassing van het huidige systeem op basis van een verscheidenheid aan contactpunten, waaronder de productcontactpunten en de één-loketten, niet samenhangend verloopt in de lidstaten en te complex is; herinnert eraan dat het belangrijk is om de bestaande instrumenten van de interne markt voor kmo's te versterken en te stroomlijnen teneinde de grensoverschrijdende expansie van kmo's te vereenvoudigen; vraagt de Commissie en de lidstaten meer nadruk te leggen op de stroomlijning en verbetering van deze systemen, met name de noodzaak om de één-loketten snel te verbeteren, en vraagt de Commissie om eind 2016 aan het Parlement verslag uit te brengen over de voortgang en de volgende stappen; beklemtoont dat de lidstaat in kwestie door opener en toegankelijker te zijn wat wettelijke voorschriften betreft, aantrekkelijker wordt voor buitenlandse investeringen;

5.  verwelkomt het initiatief voor één digitale toegangspoort, dat is aangekondigd in de mededeling van de Commissie over de digitale eengemaakte markt, als een positieve stap; dringt er bij de Commissie op aan om één loket voor bedrijven en consumenten te creëren met toegang tot alle informatie, bijstand en probleemoplossing betreffende de interne markt en tot de nodige nationale en EU-brede procedures voor grensoverschrijdende activiteiten in de EU;

6.  is van mening dat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten om de werking van Solvit te verbeteren belangrijk is om NTB's weg te werken, met name in geografische gebieden en industriële sectoren waar bedrijven niet vaak van Solvit gebruikmaken en waar niet alle ingediende zaken door de bevoegde overheid worden behandeld;

7.  onderstreept dat voor veel bedrijven, met name kmo's, die in een andere lidstaat handel wensen te drijven, een dergelijke uitbreiding vanuit hun oogpunt nog steeds "internationale handel" zal zijn; beklemtoont dat kmo's, startende en innoverende bedrijven, met name in de deeleconomie, niets in de weg mag worden gelegd om via grensoverschrijdende handel te kunnen groeien;

8.  is van mening dat een van de taken van de EU en haar afzonderlijke lidstaten erin moet bestaan NTB's uiteindelijk af te schaffen als die niet kunnen worden gerechtvaardigd of niet bevorderlijk zijn voor de doelstellingen van artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin staat dat Europa is gebaseerd op een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen;

9.  herhaalt dat de strategie voor een digitale eengemaakte markt en de strategie voor de eengemaakte markt in Europa initiatieven zijn die snel en ambitieus moeten worden uitgevoerd om de NTB's op de eengemaakte markt weg te werken; beklemtoont dat het van cruciaal belang is dat deze initiatieven worden gestoeld op de beginselen van betere regelgeving en op de meest doeltreffende instrumenten, zoals harmonisatie en wederzijdse erkenning;

II.Horizontale non-tarifaire belemmeringen

10.  is van mening dat verschillen in de snelheid waarmee bestaande richtlijnen op nationaal niveau worden omgezet en in de manier waarop zij precies worden uitgevoerd, rechtsonzekerheid creëren voor bedrijven en op de interne markt uiteenlopende concurrentievoorwaarden tot stand brengen;

11.  is van mening dat wanneer de Commissie onnodige EU-wetgeving heeft ingetrokken, de lidstaten snel moeten handelen om de overeenkomstige nationale bepalingen in te trekken;

12.  is van mening dat het schadelijk is voor de interne markt en de consumenten als het EU‑recht op grote schaal niet door de lidstaten wordt nageleefd; is ook van mening dat het trage omzettingsproces ertoe leidt dat sommige lidstaten van een onrechtmatige verlenging van de nalevingstermijn profiteren; vraagt dat een nalevingscultuur verder wordt bevorderd in samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten, zoals vastgesteld in de strategie voor de eengemaakte markt; onderstreept dat de kwestie van niet-naleving door de lidstaten snel moet worden aangepakt;

13.  vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten op het feit dat sommige nationale overheden bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving extra voorschriften toevoegen aan omgezette richtlijnen, het zogenoemde "gold-plating";

14.  wijst erop dat de intensiteit en de frequentie van de controles die onlangs bij buitenlandse dienstverleners verricht zijn, verder toenemen; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat deze controles evenredig, gerechtvaardigd en niet-discriminerend zijn;

15.  benadrukt dat een inconsequente handhaving van bestaande, correct omgezette voorschriften door de lidstaten de interne markt evenzeer schaadt als een laattijdige omzetting; meent dat de naleving en de handhaving worden bemoeilijkt wanneer vaak gebruikte definities, bijvoorbeeld "traceerbaarheid" of "in de handel gebracht", verschillende betekenissen krijgen in verschillende wetgevingsteksten;

16.  meent dat een ongelijke toepassing van dezelfde regels in verschillende lidstaten mogelijk nieuwe ongerechtvaardigde NTB's kan doen ontstaan; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om verschillen in het vroegst mogelijke stadium tot een minimum te beperken;

17.  meent dat de Commissie vaker gebruik moet maken van richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van richtlijnen, aangezien deze een nuttig instrument kunnen zijn om voor een meer eenvormige tenuitvoerlegging te zorgen;

18.  stelt vast dat er in de regulering van de productmarkten nog altijd verschillen op nationaal niveau zijn waarmee bedrijven die over de grenzen heen actief zijn, nog steeds te kampen hebben, zowel wat de mate van de beperkingen als wat de verschillen tussen de lidstaten betreft; is van oordeel dat dit bedrijven er onnodig toe dwingt hun producten en diensten aan te passen om aan uiteenlopende normen te voldoen of herhaaldelijk tests te ondergaan, hetgeen de handel binnen de EU beperkt, de groei beknot en het scheppen van banen belemmert;

19.  meent dat kmo's en micro-ondernemingen daar – juridisch, financieel of anderszins – onevenredig onder te lijden hebben, aangezien de schaalvoordelen kleiner worden doordat ze verschillende productlijnen moeten laten draaien;

20.  wijst erop dat er tot nog toe weinig grensoverschrijdende overheidsopdrachten zijn: minder dan 20 % van alle overheidsopdrachten in de EU wordt op pan-Europese platforms gepubliceerd en slechts 3,5 % van de opdrachten wordt gegund aan ondernemingen uit andere lidstaten; wijst op de moeilijkheden waarmee met name kmo's te kampen hebben als ze willen deelnemen aan grensoverschrijdende overheidsopdrachten; onderstreept in dit verband het belang van de nieuwe EU‑richtlijnen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten, die uiterlijk in april 2016 door de lidstaten dienden worden omgezet; vraagt de lidstaten om deze wetgeving volledig ten uitvoer te leggen, met inbegrip van een volledig elektronische procedure voor overheidsopdrachten;

21.  beklemtoont dat de kosten van de naleving van btw-voorschriften een van de grootste NTB's zijn; vraagt om praktische voorstellen om de btw te vereenvoudigen;

22.  erkent dat de uiteenlopende btw-stelsels in de EU als een NTB kunnen worden gezien; onderstreept dat het mini-éénloketsysteem voor btw-aangiften (VAT MOSS) een goede manier is om deze belemmering te helpen wegwerken en met name om kmo's te steunen bij hun grensoverschrijdende activiteiten; erkent dat er nog enkele kleine problemen zijn met het VAT MOSS; verzoekt de Commissie de betaling van btw-verplichtingen door bedrijven in de hele EU verder te vergemakkelijken;

23.  meent dat veel nationale administratieve praktijken ook ongerechtvaardigde NTB's met zich brengen, zoals vereisten inzake het formaliseren van documenten door nationale organen of instanties; dringt er bij de lidstaten op aan om e‑governanceoplossingen te gebruiken, met prioriteit voor interoperabiliteit en digitale handtekeningen, teneinde hun overheidsdiensten te moderniseren, naar het voorbeeld van Estland en Denemarken, door meer en beter toegankelijke digitale diensten te verlenen aan burgers en bedrijven en door de grensoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit van overheidsdiensten te bevorderen, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van persoonsgegevens; is van mening dat het gebruik van e‑governance een belangrijk instrument is voor bedrijven, maar dat dit alternatieve manieren om toegang tot informatie te krijgen niet mag uitsluiten en burgers die geen toegang tot digitale diensten hebben, niet mag benadelen;

24.  vraagt de Commissie sterk in te zetten op handhaving in de praktijk en ervoor te zorgen dat de lidstaten de internemarktregels correct toepassen en uitvoeren; meent in dit verband dat de tenuitvoerlegging van omgezette richtlijnen beter moet worden gecoördineerd, bijvoorbeeld aan de hand van door de Commissie georganiseerde omzettingsworkshops en de uitwisseling van best practices, teneinde verschillen tussen de lidstaten in een vroeg stadium tot een minimum te beperken;

III.Sectorspecifieke non-tarifaire belemmeringen

Interne markt voor goederen

25.  onderstreept hoe belangrijk het beginsel van wederzijdse erkenning is om toegang tot de interne markt te garanderen voor goederen die niet op EU-niveau zijn geharmoniseerd, alsook in gevallen waarin de lidstaten nationale, zeer vaak uiteenlopende, productvoorschriften hebben, maar met dezelfde onderliggende doelstelling;

26.  wijst erop dat veel bedrijven geen weet hebben van wederzijdse erkenning en denken dat zij aan de nationale voorschriften van de lidstaat van bestemming moeten voldoen wanneer zij op de interne markt handel drijven;

27.  vraagt de Commissie op te treden om de toepassing van wederzijdse erkenning te verbeteren; kijkt in dit verband uit naar de plannen van de Commissie om aan bewustmaking te doen en de verordening inzake wederzijdse erkenning te herzien; meent dat ook harmonisatie een doeltreffend instrument is om gelijke toegang tot goederen en diensten op de interne markt te garanderen;

Interne markt voor diensten

28.  wijst op de problemen voor dienstverleners, met name in de zakelijke dienstverlening, de transportsector en de bouw, die het gevolg zijn van tal van uiteenlopende ongerechtvaardigde of onevenredige vereisten inzake vergunningen, registratie, voorafgaande kennisgeving of feitelijke vestigingsvoorwaarden; onderstreept dat dit kan leiden tot discriminatie van buitenlandse dienstverleners, wat indruist tegen het beginsel van het vrije verkeer van diensten; verzoekt in dit verband om een sterker ontwikkelde e‑overheid en elektronische registratie om de procedures voor dienstverleners te vereenvoudigen;

29.  beklemtoont dat vooral het gebrek aan uitvoering en de divergerende toepassing van de dienstenrichtlijn een belemmering vormen voor de interne markt;

30.  beklemtoont dat er behoefte is aan een duidelijk en eenvormig regelgevingskader dat het mogelijk maakt dat diensten zich ontwikkelen op een markt die werknemers en consumenten beschermt en ervoor zorgt dat bestaande en nieuwe marktdeelnemers op de interne markt niet worden geconfronteerd met zinloze, door regelgeving ingevoerde belemmeringen, ongeacht de soort bedrijfsactiviteit die zij verrichten;

31.  wijst ook op de ongerechtvaardigde of onevenredige beperkingen die in sommige lidstaten van toepassing zijn op de rechtsvorm van dienstverleners en hun aandeelhouders- of bestuursstructuur, alsook op gezamenlijke beroepsuitoefening; benadrukt dat sommige van deze beperkingen onevenredige of ongerechtvaardigde belemmeringen voor grensoverschrijdende dienstverlening kunnen vormen; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een consistente beoordeling van de evenredigheid van wettelijke eisen en beperkingen die gelden voor diensten;

32.  benadrukt dat de in de dienstenrichtlijn vervatte kennisgevingsplicht ongerechtvaardigde NTB's effectief had kunnen verminderen of afschaffen, maar door de lidstaten en de Commissie is verwaarloosd; is daarom verheugd over de hernieuwde aandacht voor de kennisgevingsprocedure in de strategie voor de interne markt, omdat een vroegtijdige tussenkomst ervoor kan zorgen dat nationale maatregelen worden bijgestuurd om problemen op te lossen voordat ze optreden; meent voorts dat van de lidstaten uitvoeriger rechtvaardigingen moeten worden gevraagd wanneer zij nieuwe regelgeving invoeren; wijst op de positieve ervaringen met de kennisgevingsprocedure voor producten en stelt voor om dit als voorbeeld te nemen voor een verbetering van de procedure voor diensten;

33.  herinnert eraan dat openbare diensten bijzondere bescherming genieten ten aanzien van de regels van de interne markt gezien de taken van algemeen belang die zij moeten vervullen, en dat de regels die de overheid heeft vastgesteld om openbare diensten goed te laten werken daarom geen NTB's vormen; herinnert in er in dit verband aan dat de dienstenrichtlijn niet geldt voor sociale diensten en gezondheidsdiensten;

34.  wijst erop dat dienstverleners in de bouwsector vaak worden geconfronteerd met bepaalde voorschriften betreffende hun organisatie in hun land van herkomst, onder meer met betrekking tot organisatorische certificeringsregelingen, die het voor hen te ingewikkeld maken om hun diensten over de grenzen heen aan te bieden, wat het vrije verkeer van diensten in de bouwsector en van beroepsbeoefenaren ontmoedigt;

35.  vraagt de Commissie iets aan deze belemmeringen te doen, onder meer, voor zover dit zinvol is, door een betere wederzijdse erkenning en zo nodig wetgevende maatregelen; benadrukt dat toekomstige maatregelen, zoals het voorgestelde dienstenpaspoort, geen extra administratieve lasten met zich mogen brengen, maar NTB's moeten aanpakken;

36.  vraagt de Commissie iets te doen aan de lasten in verband met de gefragmenteerde bankensector in Europa, die het voor niet-ingezetenen, en met name kmo's, moeilijk maken om een bankrekening te openen in een andere lidstaat;

37.  wijst erop dat sommige regels van de lidstaten inzake de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde beroepen onevenredig kunnen zijn en daardoor onnodige obstakels kunnen opwerpen die de toegang tot een aantal beroepen belemmeren en de mobiliteit van dienstverleners in gereglementeerde beroepen beknotten; erkent evenwel dat het belangrijk is om eerlijke concurrentie en de kwaliteit van de opleiding te garanderen en succesvolle kwalificatiestelsels te steunen;

38.  is het met de Commissie eens dat alternerend leren kan worden aanbevolen als voorbeeld van best practice in de EU;

39.  is verheugd dat er de afgelopen twee jaar een wederzijdse evaluatie is verricht; is van mening dat peerreviewprocessen die goed opgezet zijn en een eerlijke discussie tussen de lidstaten bevorderen, effectief verandering kunnen aanmoedigen; moedigt de lidstaten en de Commissie ertoe aan deze praktijk uit te breiden, met name tot andere gebieden van de internemarktregelgeving;

40.  verzoekt de Commissie de prioriteiten van de lidstaten voor hervormingen op het gebied van diensten van deskundigen aan de orde te stellen in het kader van het Europees semester en de landenspecifieke aanbevelingen inzake de deregulering van bepaalde beroepen in de lidstaten;

De interne markt voor detailhandel

41.  vestigt de aandacht op de peerreview over de vestiging van detailhandelszaken die de Commissie in 2014-2015 heeft uitgevoerd, en waaruit blijkt dat detailhandelaren op de interne markt vaak worden geconfronteerd met onevenredige of ondoelmatige vestigings- en exploitatievoorwaarden en ‑procedures;

42.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de vrijmaking van het potentieel te versnellen met het oog op een voltooide digitale eengemaakte markt en de uitvoering van de digitale agenda voor Europa;

43.  wijst erop dat sommige lidstaten regels aan het invoeren zijn die discriminerend zijn voor economische activiteiten in de detail- of groothandel op grond van de oppervlakte waarop de activiteiten worden verricht, de omvang van de onderneming of de oorsprong van het kapitaal, wat indruist tegen het idee van de interne markt en de beginselen van vrije concurrentie en wat de ontwikkeling van de arbeidsmarkt belemmert;

44.  wijst erop dat regels die beperkingen op detail- en groothandelsactiviteiten opleggen die tegen het EU-recht indruisen en onevenredig zijn, aanzienlijke toegangsbelemmeringen kunnen creëren, wat ertoe leidt dat er minder nieuwe vestigingen worden geopend, dat de concurrentie wordt verstoord en dat de prijzen voor de consument hoger zijn; onderstreept in dit verband dat sommige maatregelen, zoals vergoedingen en inspectiekosten, als NTB's kunnen functioneren als ze niet gerechtvaardigd zijn door legitieme doelstellingen van overheidsbeleid; is van mening dat alle operationele beperkingen op detail- of groothandelsactiviteiten deze activiteiten niet onnodig of onevenredig mogen beperken, en niet mogen leiden tot feitelijke discriminatie tussen marktdeelnemers;

45.  vraagt de Commissie om, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, best practices inzake de vestiging van detailhandelszaken vast te stellen om het vrije verkeer van goederen en diensten te garanderen;

46.  vraagt de Commissie om operationele beperkingen op de detail- en groothandel in de interne markt te onderzoeken, zo nodig met hervormingsvoorstellen te komen en in het voorjaar van 2017 verslag uit te brengen over dit onderzoek;

47.  benadrukt dat toegankelijke, betaalbare, efficiënte en kwalitatief hoogwaardige pakketbezorging een essentiële voorwaarde is voor een succesvolle, grensoverschrijdende e‑commerce ten behoeve van kmo's en consumenten in het bijzonder;

IV.Conclusies

48.  vraagt de Commissie in 2016 een uitgebreid overzicht van de NTB's op de interne markt te presenteren, alsook een analyse van de manieren waarop deze kunnen worden aangepakt, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een NTB en regelgeving waarmee een legitieme doelstelling van het overheidsbeleid van een lidstaat op evenredige wijze wordt verwezenlijkt, en een ambitieus voorstel in te dienen om deze NTB's zo spoedig mogelijk uit de weg te ruimen zodat het nog onbenutte potentieel van de interne markt kan worden aangeboord;

49.  vraagt de Commissie om op opkomende gebieden tijdig EU-beleidsmaatregelen en ‑wetgeving te overwegen, met brede raadpleging van de belanghebbenden, in het bijzonder kmo's en maatschappelijke organisaties;

50.  vraagt de Commissie om er in eerste instantie voor te zorgen dat de lidstaten de reeds bestaande regels betreffende de interne markt naleven in plaats van nieuwe, aanvullende wetgevingsteksten op te stellen over kwesties die reeds onder de bestaande regels vallen;

51.  vraagt de Commissie meer werk te maken van handhaving en de beginselen die aan de interne markt ten grondslag liggen; is van mening dat vroegtijdig ingrijpen met betrekking tot nationale maatregelen of implementatieprocedures die ongerechtvaardigde NTB's vormen, doeltreffend kan zijn en dat er sneller resultaten mee kunnen worden geboekt dan met inbreukprocedures; onderstreept evenwel dat de Commissie bij ernstige of aanhoudende tekortkomingen of verkeerde toepassing van het EU-recht alle beschikbare middelen moet aanwenden, en ook prioriteit moet geven aan inbreukprocedures, om de volledige toepassing van de wetgeving inzake de interne markt te garanderen;

52.  betreurt dat het Parlement nog steeds beperkte toegang heeft tot relevante informatie over precontentieuze en inbreukprocedures, en dringt wat dat betreft aan op meer transparantie, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels;

53.  vraagt de lidstaten de interne markt te zien als een gezamenlijk initiatief dat gecoördineerd en samen moet worden gehandhaafd en een voorwaarde is om de EU‑economie concurrerend te maken; is van mening dat het uiteindelijk de consumenten zijn die de nadelige gevolgen van ongerechtvaardigde NTB's ondervinden, omdat zij geen toegang krijgen tot nieuwe spelers op de binnenlandse markten en te maken krijgen met hogere kosten, inferieure kwaliteit en minder keuze; meent dat de lidstaten meer tijd moeten besteden aan horizontale problemen in verband met de interne markt, en in kaart moeten brengen op welke gebieden een of meer lidstaten prioritair actie moeten ondernemen om de interne markt te handhaven en te bevorderen;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 84.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0580.


Strategie voor de interne markt
PDF 261kWORD 135k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt (2015/2354(INI))
P8_TA(2016)0237A8-0171/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "Een strategie voor de eengemaakte markt voor Europa – analyse en onderzoeksgegevens" (SWD(2015)0202),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "Integratie van de interne markt en concurrentiekracht in de EU en de lidstaten" (SWD(2015)0203),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 met als titel "Akte voor de interne markt  Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen  Samen werk maken van een nieuwe groei" (COM(2011)0206),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 getiteld "Akte voor de interne markt II  Samen voor nieuwe groei" (COM(2012)0573),

–  gezien het verslag van 9 mei 2010 dat Mario Monti op verzoek van de voorzitter van de Europese Commissie heeft opgesteld over "Een nieuwe strategie voor de eengemaakte markt  ten dienste van de Europese economie en samenleving",

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 "Naar een akte voor een digitale interne markt"(4),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over doeltreffende arbeidsinspecties als middel om de arbeidsomstandigheden in Europa te verbeteren(5),

–  gezien de door de Commissie interne markt en consumentenbescherming bestelde studie van september 2014 over "De kosten van een niet-verenigd Europa voor de interne markt",

–  gezien de door de Commissie interne markt en consumentenbescherming bestelde studie van september 2015 over "Een strategie voor voltooiing van de interne markt: de triljoen euro-bonus",

–  gezien de door de Commissie bestelde studie van 20 november 2015 "Ex-post evaluatie van de richtlijn betalingsachterstand",

–  gezien de door de Commissie bestelde studie van november 2014 "De situatie van de meubelmarkt in de EU en een mogelijk initiatief voor meubelproducten",

–  gezien de in oktober 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0171/2016),

A.  overwegende dat de interne of eengemaakte markt nog steeds de hoeksteen is van de EU-integratie en de motor voor duurzame groei en werkgelegenheid doordat zij de handel in de EU bevordert en daarbij een zeer concurrentiekrachtige sociale markteconomie verzekert zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, VEU;

B.  overwegende dat de verdieping van de interne markt een essentiële economische uitdaging blijft, met name tegen de achtergrond van de ontwikkeling van nieuwe technologieën, waar de markt een zekere kritieke massa nodig heeft om de opkomst van innoverende en concurrerende spelers op het wereldtoneel te bevorderen;

C.  overwegende dat de eengemaakte markt de laatste jaren vele positieve ontwikkelingen heeft gekend, maar in bijna alle opzichten meer zou kunnen bereiken – of het nu gaat om stimulering van de digitale markt, aanmoediging van startende ondernemers, integratie van mondiale aanleveringsketens, verbetering van de mobiliteit en sociale rechten van werknemers, omgaan met nieuwe bedrijfsmodellen en zorgen voor marktversoepeling, wederzijdse erkenning, standaardisering en toelating van professionals - als onterechte fysieke, juridische en technische obstakels worden weggenomen;

D.  overwegende dat volgens eigen onderzoek van het Parlement bij voltooiing van de interne markt baten ten bedrage van 1 triljoen euro te verwachten zijn, wat betekent dat er voor 615 miljard euro per jaar aan efficiëntie te winnen zou zijn; overwegende dat versnippering van de interne markt een van de grootste belemmeringen voor hogere structurele economische groei vormt;

E.  overwegende dat een werkelijk strategische benadering is geboden voor de verdere integratie van de interne markt, en dat de respons op de gestelde uitdagingen zowel van politieke als technische aard moet zijn, met name in het geval van ongerechtvaardigde niet-tarifaire belemmeringen binnen de interne markt;

F.  overwegende dat de EU een werkelijk eengemaakte markt moet nastreven en deze moet behandelen als gemeenschappelijk vermogensbestanddeel van alle burgers, marktdeelnemers en lidstaten, en overwegende dat het potentieel van de interne markt alleen volledig kan worden benut wanneer alle lidstaten er ten volle achter staan en met elkaar samenwerken;

G.  overwegende dat de normen en het optreden van de EU moeten worden ingepast in een samenhangende strategische visie en dus met elkaar moeten stroken en geen tegenstrijdigheden mogen vertonen; overwegende dat de lidstaten geen discriminerende maatregelen dienen te nemen zoals handels- en belastingwetten die alleen betrekking hebben op bepaalde sectoren of bedrijfsmodellen en die de concurrentie verstoren, waardoor het voor buitenlandse bedrijven moeilijk wordt om zich in een bepaalde lidstaat te vestigen, hetgeen een duidelijke inbreuk vormt op de beginselen van de interne markt;

H.  overwegende dat de interne markt niet geïsoleerd van andere horizontale beleidsterreinen moet worden bekeken, met name de digitale interne markt, gezondheidszorg, sociale en consumentenbescherming, duurzame ontwikkeling, energie, vervoer en extern beleid;

I.  overwegende dat de voltooiing van de interne markt voor goederen en diensten en het wegnemen van obstakels een topprioriteit is die een "fast track"-benadering van de lidstaten en de EU-instellingen vergt;

J.  overwegende dat obstakels op de interne markt voor de consumenten leiden tot minder keuze en duurdere goederen en diensten;

K.  overwegende dat ondernemingen in de sociale economie op Europees niveau slechts in geringe mate erkenning vinden en dat het merendeel van deze ondernemingen niet in een wettelijk kader op Europees niveau wordt erkend, maar slechts op nationaal niveau in sommige lidstaten, onder verschillende rechtsvormen; overwegende dat het ontbreken van een dergelijk Europees wettelijk kader hun vermogen om binnen de interne markt grensoverschrijdend te opereren belemmert;

L.  overwegende dat namaak een grote bedreiging vormt voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid en dat de wereldwijde handel in namaakproducten de afgelopen jaren is toegenomen, waardoor het schadelijke effect van namaak op innovatie, werkgelegenheid en imago van de Europese ondernemingen verder versterkt wordt;

M.  overwegende dat de totstandbrenging van een uniforme kapitaalmarkt zou bijdragen tot een betere grensoverschrijdende risicospreiding en tot meer liquide markten;

N.  overwegende dat uit het samenvattend verslag van de raadpleging van de Commissie inzake geoblockingpraktijken blijkt dat consumenten warm voorstander zijn van wetgevingsmaatregelen tegen geoblocking;

O.  overwegende dat de economische gevolgen van de financiële crisis nog steeds voelbaar zijn en dat het bbp in diverse lidstaten nog altijd beneden het niveau ligt van 2008;

P.  overwegende dat de interne markt wordt gekenmerkt door aanhoudend hoge werkloosheidspercentages; overwegende het aantal werklozen sinds de financiële crisis met meer dan 6 miljoen is toegenomen; overwegende dat de Unie eind 2015 meer dan 22 miljoen werklozen telde;

Beleidsdoelstellingen

1.  stelt zich achter de algemene doelstellingen van de internemarktstrategie van de Commissie voor goederen en diensten: "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen", en onderschrijft haar belangrijkste acties om het volle potentieel van de interne markt vrij te maken in het belang van consumenten, werknemers en ondernemingen, met name startende ondernemers, van meer duurzame werkgelegenheid en omwille van de groei en ontwikkeling van kmo's; spoort de Commissie aan tot horizontale beleidsmaatregelen die gericht zijn op een eerlijker en competitievere interne markt, overeenkomstig Titel II van het VWEU over algemeen toepasselijke bepalingen;

2.  merkt op dat de totstandbrenging van een interne markt waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal wordt gewaarborgd, een wezenlijke doelstelling is van de Unie;

3.  stelt met voldoening vast dat de strategie bedoeld is om de inspanningen op andere terreinen aan te vullen; gelooft dat de strategie door verbeteren van reeds ondernomen initiatieven, goede mogelijkheden biedt om economische voorspoed te helpen bewerkstelligen, duurzame werkgelegenheid en groei te doen toenemen, het welzijn van de Europese burgers door middel van concrete maatregelen te verbeteren en de Europese Unie aantrekkelijk te maken voor investeerders en het Europese bedrijfsleven concurrerender te maken op mondiaal niveau; benadrukt evenwel dat bij de tenuitvoerlegging van deze strategie inconsistenties en overlappingen tussen de verschillende initiatieven moeten worden voorkomen; onderstreept dat voorstellen feitelijk moeten zijn onderbouwd en aan de beginselen van betere regelgeving moeten beantwoorden;

4.  onderstreept dat het dringend zaak is de resterende belemmeringen voor de interne markt te verwijderen zodat tastbare en snelle resultaten kunnen worden behaald waar het gaat om concurrentievermogen, groei, onderzoek, innovatie, banenschepping, consumentenkeuze en nieuwe bedrijfsmodellen; is van mening dat er om deze doelstellingen te bereiken moet worden gestreefd naar meer harmonisering van wetgeving, waar nodig en dienstig, met behoud van een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming, en de nodige actie moet worden ondernomen tegen ongerechtvaardigde obstakels die door lidstaten worden opgeworpen;

5.  is van mening dat bij de tussentijdse herziening van de EU 2020-strategie ambitieuze doelen moeten worden gesteld om voor 2020 een hoog competitieve sociale markteconomie en duurzame groei te verwezenlijken; benadrukt dat de interne markt centraal zou moeten staan bij het verwezenlijken van dat doel;

6.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan vernieuwend te werk te gaan bij de tenuitvoerlegging van de internemarktwetgeving; wijst met klem op het grote potentieel dat arbeidsintensieve sectoren zoals de retailsector en de horeca bieden voor het scheppen van banen, integratie en de aanpak van jeugdwerkloosheid;

7.  is van mening dat het verslag-Monti van 2010 getiteld "Een nieuwe strategie voor de interne markt" volledig ten uitvoer moet worden gelegd en in aanmerking moet worden genomen tijdens de werkzaamheden omtrent de internemarktstrategie;

8.  benadrukt dat de strategie voor de interne markt niet voorbij mag gaan aan het potentieel van de industriesector als het gaat om duurzame groei en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid in Europa;

9.  is van mening dat de binnenlandse vraag - en in het bijzonder het versterken van de koopkracht, het treffen van innovatieve maatregelen en het investeren in de groene economie - essentieel is om het potentieel van de interne markt ten volle te benutten en duurzame groei te bevorderen;

Een moderne en meer innovatieve interne markt

10.  stelt met voldoening vast dat de strategie zich richt op aspecten die bedrijven, met name kmo's, micro-ondernemingen en starters, mede in staat stellen hun activiteiten uit te breiden, en op de interne markt te groeien en zich staande te houden, wat de innovatie en banenschepping ten goede komt; onderstreept dat alle initiatieven ten behoeve van kmo's en startende ondernemingen om onmiddellijke actie vragen en als prioriteit te beschouwen zijn, maar herinnert eraan dat deze initiatieven oneerlijke bedrijven geen kansen mogen bieden om bestaande regels te omzeilen, geen verlaging van de normen voor werknemers en consumenten teweeg mogen brengen, en het risico op bedrijfsfraude, criminele activiteiten en brievenbusmaatschappijen niet mogen vergroten;

11.  is van mening dat de strategie voor de interne markt nieuwe kansen kan bieden aan kmo's, die de ruggegraat van de economieën van de EU vormen, en aan micro-ondernemingen en innoverende start-ups; is van mening dat de totstandbrenging van een gunstig ondernemingsklimaat, door middel van betere kaders inzake particuliere participatie voor kmo's, bevordering van de toegang tot financiering, de ontwikkeling van degelijke wetgeving en de consequente toepassing van het "denk eerst klein"-principe in de hele interne markt, van essentieel belang is en de groei en het scheppen van werkgelegenheid zou kunnen ondersteunen;

12.  is van mening dat het essentieel is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de strategie voor de interne markt dat de administratieve lasten worden gereduceerd, evenals de nalevingskosten voor ondernemingen, in het bijzonder voor kmo's, en dat overbodige wetgeving wordt ingetrokken, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de hoge normen inzake de bescherming van de consument, de werknemer, de gezondheid en het milieu;

13.  acht het nodig dat wordt nagedacht over mogelijke objectieve criteria en indicatoren voor een definitie van "innovatieve" starters, kmo's en ondernemingen in de sociale economie, die als referentiepunt kunnen dienen voor de ter zake te treffen maatregelen; vraagt de Commissie met voorstellen te komen voor zo'n definitie;

14.  benadrukt dat het nodig is om ondernemingen in de sociale economie binnen het internemarktbeleid te stimuleren, gezien het feit dat er in de EU circa 2 miljoen ondernemingen in de sociale economie zijn, ongeveer 10-12 % van alle Europese ondernemingen; benadrukt voorts dat de sociale economie snel groeit, kwalitatief hoogwaardige producten en diensten levert en voorziet in kwaliteitsbanen;

15.  vraagt de Commissie om het REFIT-platform iets te laten doen aan de barrières die innovatie in de weg staan, en, in aanvulling op het voorstel voor de oprichting van een Europese innovatieraad, met voorstellen te komen voor manieren om die te verkleinen of op te ruimen; benadrukt dat dit proces niet mag leiden tot minder werkgelegenheid, minder consumentenbescherming en lagere milieunormen; is van mening dat om betere wetgeving te waarborgen bestaande wetgeving moet worden geëvalueerd en, waar nodig, vereenvoudigd, om haar op de doelstellingen af te stemmen, terwijl alle nieuwe wetgeving standaard toekomstbestendig en digitaal moet zijn, en gebaseerd op het "denk eerst klein"-beginsel;

16.  wijst erop dat goede regelgeving zowel ondernemingen als werknemers ten goede kan komen en bovendien de economische groei en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid op de interne markt kan helpen bevorderen; neemt kennis van de agenda voor betere regelgeving van de Commissie , die onder meer voorziet in grotere betrokkenheid van belanghebbenden, bijvoorbeeld door middel van het REFIT-platform, en betere effectbeoordelingen; benadrukt dat het belangrijk is om niet alleen de kortetermijneffecten te onderzoeken, maar tevens na te gaan wat de langetermijnwaarde van de regelgeving is en wat de gevolgen zijn van het niet uitvaardigen van wetten; is van mening dat betere, doeltreffendere en eenvoudigere wetgeving de administratieve lasten zal verminderen en groei en werkgelegenheid zal stimuleren, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de hoge normen inzake de bescherming van de consument, de werknemer, de gezondheid en het milieu;

17.  is van mening dat verdere ontwikkeling van de interne markt het wegnemen van handelsbarrières tussen de lidstaten vereist; onderschrijft de Europese verklaring van concurrentievermogen van februari 2016, in het bijzonder de toezegging om wetgeving te vereenvoudigen en de lasten te verlichten, om meer te doen om de algehele regelgevingslasten van EU-wetgeving, met name voor kmo´s, te verminderen, en om, waar mogelijk, streefdoelen voor lastenvermindering in specifieke sectoren vast te stellen; pleit ervoor de werkzaamheden voor het vaststellen van dergelijke streefdoelen voor lastenvermindering onmiddellijk te laten beginnen;

18.  is van mening dat de EU, om de doelstellingen van de interne markt te verwezenlijken en groei en werkgelegenheid te creëren, haar concurrentievermogen moet versterken aan de hand van de lijnen die zijn uitgezet in de verklaring van de Europese Raad over concurrentievermogen;

19.  is verheugd over de vastbeslotenheid van de Commissie om iets te doen aan het gebrek aan coördinatie op belastinggebied binnen de EU en in het bijzonder aan de moeilijkheden die de kmo's ondervinden door complicaties met uiteenlopende nationale btw-regels; betuigt de Commissie zijn volle steun bij de btw-hervorming; verzoekt de Commissie na te denken over de vraag hoe de nieuwe regels voor btw op digitale diensten met betrekking tot de plaats van levering kunnen worden gewijzigd om te tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kleine en micro-ondernemingen; vraagt de Commissie de haalbaarheid na te gaan van verdergaande coördinatie en met name de mogelijkheid te verkennen van een vereenvoudigde btw-aanpak (voor dezelfde categorie goederen) in de e-handelssector;

20.  schaart zich achter het streven van de Commissie om voor fiscale rechtvaardigheid in de Europese Unie te zorgen en agressieve belastingplanning en praktijken ter vermijding van belasting te bestrijden; spoort de Commissie aan haar aandacht te richten op de ontwikkeling van een rapportageplicht per land voor transnationale ondernemingen;

21.  wijst op de moeilijkheden die het bedrijfsleven, meer bepaaldelijk de kmo's en startende ondernemingen, ondervinden bij het verkrijgen van financiering; benadrukt dat verschillen in externe factoren, zoals het gemak waarmee toegang tot krediet wordt verkregen, de fiscale stelsels en de arbeidsvoorschriften, ertoe leiden dat sommige kmo's benadeeld worden ten opzichte van andere; vraagt de Commissie om die ondernemingen haar waardevolle steun te blijven bieden via het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en programma's als Horizon 2020, Cosme en de ESI-fondsen, en tegelijkertijd om te zien naar manieren waarmee de toegang tot deze en andere programma's en instrumenten, voor met name micro-ondernemingen nog meer kan worden vergemakkelijkt, bijvoorbeeld door aanvraagtermijnen te bekorten tot zes maanden, de desbetreffende procedures verder te vereenvoudigen en de zichtbaarheid van financiering met Europese middelen te vergroten; acht het een goede zaak dat de Commissie middelen van het COSME-programma wil gebruiken voor de financiering van informatiecampagnes voor innoverende jonge kmo's; dringt erop aan alle regionale en plaatselijke autoriteiten bij deze campagnes te betrekken die verantwoordelijk zijn voor het begeleiden van bedrijven, met name de bedrijven die deel uitmaken van het Enterprise Europe Network; is van mening dat vereenvoudiging een cruciaal element is om de toegang van kmo´s en startende ondernemingen tot financiering te bevorderen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat crowdfunding probleemloos over de grenzen heen mogelijk is;

22.  vraagt de Commissie haar gedachten te laten gaan over versterking van het netwerk van kmo-gezanten, door middel van een aantal acties – met vermijding van nog meer bureaucratie – waarmee onder de kmo's meer bekendheid en zichtbaarheid aan dit instrument moet worden gegeven, en de uitwisseling tussen de respectieve nationale netwerken van kmo-gezanten en de kmo-vertegenwoordigers moet worden geïntensiveerd, en van de activiteiten van het netwerk eenmaal per jaar aan het Parlement verslag te doen;

23.  wijst erop dat, hoewel het Europees Parlement de richtlijn inzake de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties in februari 2011 heeft goedgekeurd, elk jaar duizenden kmo's overal in Europa failliet gaan doordat hun debiteuren, waaronder ook nationale overheidsinstanties, op betaling van hun facturen laten wachten; vraagt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de toepassing en handhaving van de Richtlijn betalingsachterstand te vergemakkelijken; vraagt de lidstaten voorts om voor het geval van een onbevredigende uitvoering van de betalingsachterstand-richtlijn te denken aan vormen van adequate bescherming voor ondernemingen die van een overheidsinstantie geld te vorderen hebben, zodat zij niet failliet hoeven te gaan als gevolg daarvan;

24.  neemt met waardering kennis van het wetgevingsvoorstel inzake ondernemingsinsolventie, met bepalingen inzake vroege herstructurering en tweede kansen, dat ervoor zorgt dat de lidstaten voorzien in een regelgevingsklimaat waarin wordt aanvaard dat mislukkingen zich nu eenmaal kunnen voordoen en innovatie wordt gestimuleerd, maar herinnert eraan dat de kosten en gevolgen van falende ondernemingen niet alleen de eigenaar en aandeelhouders van een bedrijf treffen, maar ook de crediteuren, werknemers, burgers en belastingbetalers; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat met dit initiatief insolventieprocedures in de hele EU worden geharmoniseerd en de lengte en de kosten van deze procedures worden beperkt;

25.  betreurt dat de Commissie niet genoeg nadruk heeft gelegd op de specifieke rol van de traditionele verwerkende industrie en kmo´s, die een belangrijke bijdrage leveren aan zowel het concurrentievermogen als de economische stabiliteit in Europa; spoort de Commissie aan om het potentieel van de digitalisering van en innovatie door de verwerkende industrie, en met name door micro- en kleine verwerkende ondernemingen en startende ondernemingen, volledig te benutten, alsook om in de minder geïndustrialiseerde regio´s te helpen de regionale ongelijkheid te verminderen en de lokale economieën opnieuw tot bloei te brengen; is van mening dat een sterker beleid ten aanzien van kmo´s en ambachtelijke bedrijven de komende jaren een van de topprioriteiten van alle Europese instellingen en de lidstaten zou moeten zijn;

26.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie voor één digitale toegangspoort die moet worden gebaseerd op bestaande één-loketsystemen in het kader van de dienstenrichtlijn en moet worden verbonden met andere soortgelijke internemarktnetwerken; vraagt de Commissie om alle mogelijkheden na te gaan voor een zo goed mogelijk gebruik van die enige digitale toegangspoort waardoor Europese startende ondernemingen geholpen worden in Europa tot schaalvergroting te komen en zich meer internationaal te oriënteren, door accurate en duidelijke informatie in verschillende talen te verstrekken over alle nodige procedures en formaliteiten om in eigen land of in een ander EU-land te opereren; dringt er bij de Commissie op aan om één loket voor bedrijven en consumenten te creëren met toegang tot alle informatie, bijstand en probleemoplossing betreffende de interne markt en tot de nodige nationale en EU-brede procedures voor grensoverschrijdende activiteiten in de EU; vraagt de Commissie dringend hieraan snel uitvoering te geven;

27.  wijst erop dat bedrijven, met name kmo´s, ofwel niet op de hoogte zijn van de regels die in andere lidstaten gelden ofwel moeilijkheden ondervinden bij het vinden en begrijpen van de informatie over de regels en procedures die op hun bedrijf van toepassing zijn; dringt er bij de Commissie op aan alle verschillende webportalen, toegangspunten en informatiewebsites samen te brengen in een centrale toegangspoort waar kmo´s en startende ondernemingen gebruiksvriendelijke informatie kunnen krijgen zodat zij weloverwogen besluiten kunnen nemen, en tijd en kosten kunnen besparen;

28.  dringt er bij de Commissie op aan de onestopshops om te vormen van een regelgevingswebportaal tot een systeem van volledig uitgeruste onlinebedrijfsportalen waar regelmatige uitwisseling van informatie door en tussen bedrijfsvertegenwoordigers wordt aangemoedigd en door middel waarvan nationale bedrijven en burgers worden geholpen om in andere EU-landen te concurreren;

29.  herinnert eraan dat het belangrijk is om de bestaande instrumenten van de interne markt voor kmo's te versterken en te stroomlijnen, teneinde de grensoverschrijdende expansie van kmo's te vereenvoudigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem meer nadruk te leggen op het stroomlijnen en verbeteren van de productcontactpunten en de éénloketsystemen;

30.  herinnert eraan dat de consument eenzelfde beschermingsniveau moet worden geboden, ongeacht of de handel wel of niet via internet plaatsvindt; benadrukt dat alle economische actoren op de interne markt, zij het op internet of daarbuiten, alle redelijke en adequate maatregelen moeten treffen om namaak te bestrijden teneinde de bescherming van de consument en de veiligheid van producten te waarborgen;

31.  benadrukt dat de deeleconomie snel groeit en dat zij, aangezien zij verandering brengt in de manier waarop veel diensten en goederen worden geleverd en geconsumeerd, innovatie kan aanjagen en het potentieel heeft om bedrijven en consumenten aanvullende voordelen en kansen te bieden op de interne markt; benadrukt de economische, maatschappelijke en ecologische voordelen en uitdagingen die de deeleconomie brengt; dringt er bij de Commissie op aan de inspanningen van de lidstaten te coördineren bij het vinden van wetgevingsoplossingen voor de korte of lange termijn ten aanzien van de deeleconomie; verzoekt de Commissie en de lidstaten met voorstellen te komen om misbruik op arbeidsrechtelijk of fiscaal gebied in de deeleconomie te verhinderen;

32.  verwelkomt het door de Commissie aangekondigde initiatief inzake de deeleconomie, en haar voornemen om de in dat segment gevestigde bedrijven nader te bezien, en door middel van richtsnoeren duidelijkheid te verschaffen over de wisselwerking tussen de bepalingen van bestaande EU-wetgeving en de toepassing ervan op en de functionering van bedrijfsmodellen van de deeleconomie; is van mening dat regelgeving op dit terrein gekenmerkt moet worden door voldoende flexibiliteit om onmiddellijk te kunnen worden aangepast aan en toegepast in een snel veranderende sector die behoefte heeft aan snelle en doeltreffende aanpassingen; benadrukt dat bestaande normen voor consumentenbescherming ook in de deeleconomie moeten worden toegepast en gehandhaafd; dringt er bij de Commissie op de best mogelijke voorwaarden voor de deeleconomie te garanderen, zodat deze tot ontwikkeling en bloei kan komen;

33.  benadrukt dat nieuwe veiligheidskenmerken waarin de deeleconomie voorziet zoals de veiligheid van betalingen, geo-lokalisering en verzekeringen, de positie van consumenten versterken en daarom vragen om een beoordeling van de vraag in welke gevallen ex post rechtsmiddelen effectiever zouden zijn dan ex ante wetgeving; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan publiek-private samenwerking verder te stimuleren, teneinde de bestaande belemmeringen in de deeleconomie weg te nemen, met name wat betreft het toegenomen gebruik van digitale identiteit om het vertrouwen van consumenten in onlinetransacties te vergroten, de ontwikkeling van digitale oplossingen voor het betalen van belasting, grensoverschrijdende verzekeringsregelingen en de modernisering van arbeidswetgeving;

34.  meent dat in de deeleconomie de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen, innovatieve diensten en het tijdelijk gebruik van activa moeten worden aangemoedigd, waarbij wel voor dezelfde diensten dezelfde regels moeten gelden, zodat een hoge kwaliteit van dienstverlening gewaarborgd blijft, ongeacht hoe de toegang tot die diensten en de verlening ervan is georganiseerd, en gezorgd wordt voor een gelijk speelveld, veiligheid voor de consument, onder vermijding van versnippering die de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen zou belemmeren; meent stellig dat ten aanzien van de deeleconomie alleen een internemarktaanpak kan worden gehanteerd, aangezien versnippering van de interne markt als gevolg van lokale of nationale regelgeving het Europese bedrijven van de deeleconomie belet om op Europees niveau aan schaalvergroting te doen;

35.  brengt de belangrijke rol onder de aandacht van technische normen op het niveau van de EU voor innovatie, concurrentiekracht en vooruitgang op de interne markt; wijst erop dat er tijdig meer hoge Europese normen inzake kwaliteit, interoperabiliteit en veiligheid moeten worden ontwikkeld ter bevordering van het industriebeleid van de EU en dat die normen ook internationaal moeten worden bevorderd; vraagt de Commissie dringend zich sterk te maken en te ijveren voor Europese normen, zoals reeds voorzien in Verordening (EU) nr. 1025/2012, en het kader voor standaardisering efficiënter te maken en beter op zijn doel toegesneden, onder meer door gebruikmaking van de gelegenheid die door internationale handelsbesprekingen worden geboden; beklemtoont dat normen op een marktgestuurde open, inclusieve en competitieve manier proces moeten worden bepaald, zodat zij door kmo's gemakkelijk te hanteren zijn en het risico van gesloten waardeketens wordt vermeden, terwijl de publicatie ervan desondanks geen vertraging mag lijden;

36.  onderstreept de belangrijke rol van standaardiseringssysteem voor het vrije verkeer van producten en, in steeds grotere mate, diensten; neemt ter kennis dat het vrijwillige gebruik van normen tussen de 0,3% en 1,0% aan het bbp in Europa bijdraagt en ook een positieve bijdrage aan de arbeidsproductiviteit levert;

37.  herinnert eraan dat verreweg de meeste normen worden ontwikkeld in reactie op een door het bedrijfsleven geïdentificeerde behoefte, na een "bottom-up"-benadering die beoogt ervoor te zorgen dat de normen relevant zijn voor de markt; steunt de toezegging in de strategie voor de interne markt dat Europa een voortrekkersrol zal blijven vervullen bij de mondiale ontwikkeling van normen; juicht standaardisering toe die verenigbaar is met een internationale benadering middels hetzij de ontwikkeling van mondiale internationale normen, hetzij de erkenning, in voorkomend geval, van equivalente internationale normen; neemt kennis van het voornemen om in het kader van een gemeenschappelijk initiatief voor standaardisering een kader en prioriteiten voor standaardisering vast te stellen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk initiatief gestoeld blijft op een "bottom-up"-benadering waarbij de behoeften van het bedrijfsleven leidend zijn, en derhalve prioriteit toekent en tot normen leidt die aansluiten bij de geïdentificeerde behoeften en die relevant zijn voor de markt, en niet resulteert in onnodige normen of vereisten die niet consistent zijn met andere terzake vastgestelde normen;

38.  stelt vast dat het voorstel betreffende een gemeenschappelijk initiatief voor Europese standaardisering voortbouwt op de onafhankelijke toetsing van het Europese standaardiseringssysteem, en stemt in met de bedoeling om de Europese standaardiseringsgemeenschap acties te laten ontwikkelen die het hele systeem ten goede komen, inclusief aanbevelingen betreffende inclusiviteit en ondersteuning van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven;

39.  verzoekt de Commissie de Europese standaardiseringsorganisaties (ESO's) en hun nationale tegenhangers te helpen bij hun inspanningen gericht op het vergroten van de betrokkenheid van kmo's bij zowel het proces van het vaststellen van normen zelf, als de acceptatie van de normen nadat deze zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie daarnaast nauw met de ESO's, de nationale standaardiseringsorganisaties en anderen samen te werken bij het verbeteren van de transparantie van het standaardiseringsproces, daarmee uitvoering gevend aan de toezeggingen in het werkprogramma voor Europese standaardisering voor 2016 en de onderliggende verordening;

40.  is van oordeel dat de gemeenschappelijke initiatieven zich moeten richten op het voortdurend verbeteren van de werkpraktijken, met name door het ontwikkelen van procedures voor het toetsen van de samenstelling van technische comités en van maatregelen voor het bevorderen van openheid en inclusiviteit, waardoor een breed scala aan betrokken partijen aan de discussies in de technische comités zal kunnen deelnemen;

41.  is van oordeel dat een transparanter een toegankelijker mechanisme voor het aantekenen van beroep tot meer vertrouwen zou leiden en het standaardiseringsproces in het algemeen ten goede zou komen; is van oordeel dat wanneer de Commissie in het verlengde van de vaststelling van EU-wetgeving om de vaststelling van een norm vraagt de ter zake bevoegde commissie van het Parlement een rol zou kunnen spelen in het proces van publieke toetsing en debat, voorafgaand aan - in voorkomend geval - de formulering van een negatief standpunt; onderstreept dat bij besluiten betreffende het aan standaardiseringsinstanties voorleggen van standaardiseringsverzoeken een proportionele en op risico's gebaseerde benadering moet worden gevolgd;

42.  is van oordeel dat het vergroten van de openheid in verband met ontwerpnormen voorafgaand aan de definitieve goedkeuring ervan de verantwoordingsplicht en de transparantie ten goede zou komen en tot een robuuster proces zou leiden, in overeenstemming met de goede praktijken van de Europese standaardiseringsgemeenschap;

43.  verzoekt de Commissie voor eind 2016 verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk initiatief inzake Europese standaardisering, alsmede over de voortgang die de Europese standaardiseringsgemeenschap geboekt heeft wat betreft de implementatie van de aanbevelingen in het werkprogramma van de Unie voor 2016;

44.  doet een beroep op de Commissie, aangezien zij verantwoordelijk is voor de mededinging op de interne markt, om in samenwerking met de nationale toezichtautoriteiten te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor de concurrenten die de markt bedienen;

45.  is ingenomen met de recente initiatieven voor efficiëntere en transparantere openbare aanbestedingsprocedures, door een beter gebruik van aanbestedingsgegevens en meer vrijwillige evaluaties van de aanbestedingsprocedures voor bepaalde grootschalige infrastructuurprojecten; dringt er bij de lidstaten op aan op aan met de lidstaten samen te werken om deze initiatieven ten uitvoer te leggen;

46.  hoopt dat de Commissie de hervorming van het systeem van openbare aanbestedingen zal voortzetten, waarmee met de richtlijnen uit 2014 een begin is gemaakt en stappen zijn gezet in de richting van een toenemende specificering van de vraag op het gebied van aanbestedingen, teneinde technologische innovatie en energie-efficiëntie te belonen;

47.  stelt vast dat de nieuwe (uit 2014 stammende) aanbestedingsregels minder omslachtig zijn en meer flexibiliteit bieden, en daarmee beter aansluiten bij overheidsbeleid op andere terreinen en bij nationale en/of plaatselijke bijzondere omstandigheden; wijst erop dat er bij overheidsopdrachten in de lidstaten nog steeds sprake is van aanzienlijke ondoelmatigheid die grensoverschrijdende uitbreiding en groei op de binnenlandse markt beperkt houdt;

48.  is in principe ingenomen met de door de Commissie aangekondigde initiatieven ten behoeve van meer transparantie, efficiëntie en verantwoordingsplicht bij de gunning van overheidsopdrachten; benadrukt evenwel dat de omzetting en toepassing van de nieuwe EU-richtlijnen voorrang moeten krijgen vóór de invoering van nieuwe instrumenten zoals het aanbestedingsregister; onderstreept tegen deze achtergrond dat eventuele instrumenten voor gegevensanalyse niet tot nieuwe of bijkomende verslagleggingsplichten mogen leiden; wijst erop dat een ex-ante-beoordelingsmechanisme voor grote infrastructuurprojecten zuiver vrijwillig zou moeten zijn;

49.  onderstreept dat er behoefte is aan een volledig elektronisch systeem voor openbare aanbesteding; wijst erop dat de richtlijn voor openbare aanbesteding snel en volledig in haar geheel ten uitvoer moet worden gelegd; wijst erop dat ruimschaliger gebruik van e-aanbestedingen nodig is om de markten voor kmo's te openen;

50.  benadrukt het belang van het eenheidsoctrooi; staat achter het voornemen van de Commissie tot opheffen van de onzekerheid omtrent het naast elkaar bestaan van het eenheidsoctrooi, nationale octrooien en aanvullende beschermingscertificaten (SPC's, supplementary protection certificates), en omtrent mogelijke invoering van een eengemaakt SPC-recht, met inachtneming van de volksgezondheid en de patiëntenbelangen;

51.  spoort de Commissie aan om vóór 2019 een ontheffing van de SPC-verplichting te introduceren om het mondiale concurrentievermogen van de Europese sector van generieke en biosimilaire geneesmiddelen te vergroten, alsook om in de EU voor nieuwe banen en groei te zorgen, zonder evenwel ondermijning van de marktexclusiviteit die in het kader van de SPC-regeling in beschermde markten wordt toegekend; is van oordeel dat dergelijke bepalingen een positieve invloed zouden kunnen hebben op de toegang tot kwalitatief hoogwaardige geneesmiddelen in ontwikkelings- en de minst ontwikkelde landen, en ertoe kunnen bijdragen dat productie niet naar elders wordt verplaatst;

52.  dringt aan op maatregelen ter vergemakkelijking van het octrooistelsel in Europa voor alle micro-ondernemingen en kmo's die gebruik willen maken van het Europees octrooi met eenheidswerking bij het innoveren van hun producten en procedés, onder meer door verlaging van de verschuldigde taksen bij aanvraag of verlenging van een octrooi of hulp bij het vertalen van documenten; benadrukt het belang van zowel standaard-essentiële octrooien (SEP's) als oplossingen op het vlak van innovatieve open licentieverlening die soms meer draagvlak bieden voor innovatie; herinnert eraan dat octrooilicentie-overeenkomsten, binnen de perken van de Europese concurrentiewetgeving, onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende licentievoorwaarden (FRAND), belangrijk zijn voor het behoud van O&O en standaardiseringsprikkels, de bevordering van innovatie en de verzekering van eerlijke licentievoorwaarden;

53.  vraagt de Commissie op zo kort mogelijke termijn een wetgevingsvoorstel in te dienen voor invoering van een enkel Europees systeem voor bescherming van geografische aanduidingen voor niet-landbouwproducten in de EU - iets waar het Parlement al lang op aandringt - , teneinde tot een Europees systeem te komen en daarmee een eind te maken aan de huidige, inadequate en uitermate versnipperde situatie in Europa, hetgeen veel positieve gevolgen zou hebben voor burgers, consumenten, producenten en het Europese sociaal-economische klimaat in het algemeen; benadrukt dat zo'n instrument de mogelijkheid zou bieden om de meerwaarde van talrijke lokale producten expliciet onder de aandacht te brengen, wat evidente voordelen oplevert voor de producenten, de betrokken regio en het consumentenbewustzijn;

54.  wijst erop dat het potentieel dat publiek-private partnerschappen met zich meebrengen in de meeste Europese lidstaten niet voldoende wordt aangesproken; roept op om de kadernormen voor publiek-private partnerschappen in de lidstaten te harmoniseren, goede praktijken te verspreiden en deze formule te bevorderen;

55.  roept de lidstaten op structuren op te zetten om grensarbeiders te adviseren en bij te staan in verband met de economische en sociale gevolgen die voortvloeien uit het feit dat ze in een andere lidstaat werken;

56.  stelt vast dat de verdieping van de interne markt en de digitale interne markt nieuwe kansen en uitdagingen met zich mee kan brengen en vragen op zal roepen wat betreft vaardigheden, nieuwe vormen van werk, financiële structuren, sociale bescherming, en gezondheid en veiligheid op het werk, en dat hierop moet worden ingegaan; meent dat deze verdieping in gelijke mate ten goede moet komen aan werknemers, ondernemingen en consumenten;

57.  vindt het jammer dat in de strategie voor de interne markt geen specifieke aandacht wordt besteed aan de discrepantie tussen het aanbod van en de vraag naar vaardigheden, die nog altijd een belemmering vormt voor groei op de interne markt; stelt met bezorgdheid vast dat tussen 40 % - 47 % van de bevolking in de EU over onvoldoende digitale vaardigheden beschikt en dat de vraag naar digitaal vaardige werknemers jaarlijks met 4 % toeneemt, terwijl de overheidsuitgaven voor onderwijs sinds 2010 met 3,2 % zijn afgenomen; wijst erop dat als gevolg hiervan de concurrentiepositie van de EU op de middellange termijn alsook de inzetbaarheid van haar beroepsbevolking bedreigd worden; spoort de lidstaten aan te investeren in digitaal onderwijs en digitale vaardigheden;

58.  wijst erop dat met het maatregelenpakket voor arbeidsmobiliteit wordt beoogd bij te dragen tot het verdiepen en eerlijker maken van de interne markt; benadrukt evenwel dat ervoor moet worden gezorgd dat de maatregelen van dit pakket evenredig zijn en rekening houden met de gevolgen van het verschijnsel dat mobiliteit in belangrijke mate op bepaalde regio's kan zijn gericht;

59.  wijst op de steun van de Commissie voor duale onderwijsstelsels, die naast de bevordering van persoonlijke ontwikkeling kunnen helpen om de vaardigheden en kwalificaties van Europese werknemers beter af te stemmen op de reële behoeften van de arbeidsmarkt; onderstreept dat duale onderwijsstelsels in geen geval nadelen mogen ondervinden van de strategie, terwijl de kwaliteit van stages en met name de arbeidsbescherming moeten worden gewaarborgd; wijst op de belangrijke rol die de sociale partners spelen bij de ontwikkeling van duale onderwijsstelsels; is van mening dat een duaal onderwijsstelsel in een bepaalde lidstaat niet eenvoudigweg kan worden gekopieerd in een andere lidstaat, maar dat er in Europees verband wel aandacht moet worden besteed aan de sterke onderlinge samenhang tussen duaal onderwijs en jeugdwerkgelegenheid;

60.  is voorstander van maatregelen om de hiaten in de antidiscriminatiewetgeving van de EU op te vullen die verband houden met werkgelegenheid, in het bijzonder ten aanzien van personen met beperkingen; steunt voorts de onverwijlde tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

61.  is ingenomen met de oprichting van een platform tegen zwartwerk en spoort de lidstaten en de sociale partners in het bijzonder aan er volop in te investeren om een meer doeltreffende strijd te kunnen voeren tegen zwartwerk en schijnzelfstandigheid;

62.  hamert erop dat om de mogelijkheden te benutten die voortvloeien uit de digitalisering van banen, er gezorgd moet worden voor veilige, flexibele werktijdregelingen, stabiele arbeidsomstandigheden en sociale bescherming, terwijl ‘het slimme werken’ moet worden bevorderd teneinde de productiviteit en het evenwicht tussen privé- en beroepsleven te verbeteren; benadrukt dat het van belang is om in plattelandsgebieden digitale infrastructuur aan te leggen, zodat deze gebieden kunnen profiteren van de talloze kansen die de digitale agenda biedt, bijvoorbeeld telewerken;

63.  onderstreept het belang van sterke en onafhankelijke sociale partners en een doeltreffende sociale dialoog; benadrukt dat de sociale partners in voorkomend geval betrokken moeten worden bij gesprekken over eventuele nationale hervormingen op het gebied van gereglementeerde beroepen;

64.  onderstreept het belang van een sociale dialoog over de kansen en veranderingen die de interne markt op werkgelegenheidsgebied met zich meebrengt;

Een verdiepte eengemaakte markt

65.  verzoekt de Commissie meer te doen op het gebied van de handhaving; wijst erop dat er al veel maatregelen zijn vastgesteld die nog niet goed worden gehandhaafd, waarmee het "level playing field" in de interne markt wordt ondermijnd; wijst er voorts op dat er volgens gegevens die de Commissie medio 2015 bekendmaakte, ongeveer 1 090 inbreukprocedures aanhangig waren die op de interne markt betrekking hadden; vraagt de Commissie om er met het oog op een betere omzetting, toepassing en handhaving van de internemarktwetgeving, voor te zorgen dat de administratieve coördinatie, samenwerking en handhaving op alle niveaus (EU, tussen de lidstaten en nationale, plaatselijke en regionale autoriteiten) prioriteit krijgen door gerichte, op transparante en objectieve criteria stoelende handhavingsmaatregelen te nemen, om te garanderen dat de economisch gezien belangrijkste gevallen van ongerechtvaardigde of disproportionele obstakels worden aangepakt; is met betrekking tot nationale maatregelen of implementatie van mening dat vroegtijdig ingrijpen doeltreffender kan zijn en dat er sneller resultaten mee kunnen worden geboekt dan met inbreukprocedures; onderstreept evenwel dat indien vroegtijdig ingrijpen geen resultaat oplevert de Commissie alle haar ter beschikking staande middelen, inclusief inbreukprocedures, moet inzetten om te garanderen dat de internemarktwetgeving volledig ten uitvoer wordt gelegd;

66.  juicht het toe dat de strategie gericht is op totstandbrenging van een nalevingscultuur en een consequente nultolerantie jegens inbreuken op de regelgeving rond de interne markt; verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of de bevoegdheden van de Commissie in het kader van de inbreukprocedures niet zouden moeten worden gelijkgetrokken met haar bevoegdheden in het kader van het mededingingsbeleid;

67.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten verder te steunen bij de ontwikkeling van een sterke nalevings- en handhavingscultuur, waaronder het bevorderen en verder uitbouwen van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI), het uitwerken van omzettingsschema's voor belangrijke nieuwe wetgeving, het organiseren van uitvoeringsdialogen met de lidstaten en opleidingen voor nationale ambtenaren die met handhaving belast zijn, en het stimuleren van effectievere coördinatie tussen nationale toezichthouders; vraagt de lidstaten om met volle inzet de EU-wetgeving toe te passen en te handhaven en het beginsel van wederzijdse erkenning te eerbiedigen; onderstreept dat correcte handhaving en betere regulering essentieel zijn vanwege de versnippering van de interne markt, die de economische bedrijvigheid en de keuze van de consument beperkt, en voor alle economische sectoren en voor bestaande en toekomstige wetgeving moeten gelden;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de onnodige en niet door zwaarwegende redenen in verband het openbaar belang gerechtvaardigde beperkingen in de interne markt in kaart brengen, voorstellen te presenteren over hoe deze uitdagingen, in voorkomend geval, kunnen worden aangepakt en hierover in 2017 verslag uit te brengen;

69.  vraagt de lidstaten de internemarktregels op coherente en consistente wijze om te zetten en deze regels en wetgeving volledig en op de juiste wijze uit te voeren; wijst er nadrukkelijk op dat eisen betreffende extra tests en registraties, de niet-erkenning van certificaten en normen, territoriale leveringsbeperkingen en soortgelijke maatregelen extra kosten voor consumenten en detailhandelaren met zich brengen, waardoor de Europese burgers niet ten volle van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren; verzoekt de Commissie tevens, teneinde een goed bestuur te waarborgen, een adequaat beleid ten aanzien van lidstaten te voeren die de internemarktregels niet correct toepassen, door, in voorkomend geval, inbreukprocedures in te leiden en deze via een versnelde procedure te bespoedigen;

70.  is van oordeel dat een stelselmatige, uniforme toepassing en geëigende handhaving van de EU-regels, in combinatie met regelmatig toezicht en evaluaties op basis van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, benchmarking en de uitwisseling van goede praktijken, een absolute "must" zijn voor een meer homogene toepassing van de bestaande internemarktwetgeving; wijst er daarom nog maar eens op dat de Europese regels betreffende de werking van de interne markt in alle lidstaten volledig en correct moeten worden omgezet en geïmplementeerd;

71.  verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren om mogelijke schendingen van de EU-wetgeving door de lidstaten in een pril stadium op te sporen en zich krachtig te verzetten tegen alle wetgevingsmaatregelen die in de nationale parlementen aangenomen of in behandeling zijn en die versnippering van de interne markt in de hand kunnen werken;

72.  wijst erop dat het engagement en de bereidheid van de lidstaten om de EU-wetgeving behoorlijk ten uitvoer te leggen en toe te passen essentieel is om de interne markt te doen slagen; verzoekt de lidstaten onterechte en disproportionele belemmeringen voor de interne markt te verwijderen en geen discriminerende en protectionistische maatregelen te nemen om banen, groei en concurrentievermogen te bevorderen;

73.  stelt vast dat de lidstaten een centrale rol vervullen bij het goed beheren en goed doen functioneren van de interne markt, en dat zij zich gezamenlijk verantwoordelijk moeten voelen voor en moeten werken aan een proactief beheer van die interne markt, onder andere door het genereren van een nieuwe politieke dynamiek via geconsolideerde verslagen over de "gezondheidstoestand" van de interne markt, regelmatige thematische discussies tijdens bijeenkomsten van de Raad Mededinging, specifiek aan de interne markt gewijde jaarlijkse vergaderingen van de Europese Raad en de opname van de interne markt als een van de pijlers voor governance in het Europees semester;

74.  herhaalt dat de EU haar eigen pakket, op wetenschappelijke gegevens stoelende, onafhankelijke indicatoren voor het meten van de mate van integratie van de interne markt zou kunnen ontwikkelen en als onderdeel van de jaarlijkse groeistrategie zou kunnen publiceren, en roept op tot de goedkeuring van een strategiedocument van de vijf voorzitters/presidenten van de EU-organen met een routekaart voor een werkelijke interne markt;

75.  onderstreept dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement haar banden met de nationale parlementen moet aanhalen, teneinde ten aanzien van kwesties in verband met de omzetting en implementatie van de regels betreffende de interne markt voor coördinatie te zorgen en deze aan te pakken;

76.  onderstreept dat versterking van het Solvit-netwerk nodig is, met name door het verbeteren van de interactie tussen Solvit, CHAP, EU Pilot en Enterprise Europe Network (EEN), om het bredere kader van klachtenprocedures in de EU te stroomlijnen, en dat onder burgers en kmo's meer bekendheid moet worden gegeven aan dit netwerk en de rol daarvan voor oplossing van interpretatieproblemen rond de interne markt; is van oordeel dat de Commissie, wanneer zij overdenkt hoe de prioriteiten voor handhavingsmaatregelen moeten worden aangewezen, rekening moet houden met kwesties die in het Solvit-netwerk aan de orde zijn geweest; verzoekt de Commissie de lidstaten meer steun te geven bij het oplossen van de moeilijkste dossiers; verzoekt de lidstaten hun nationale Solvit-centra passend uit te rusten en te positioneren, teneinde hen in staat te stellen zich goed van hun taak te kwijten;

77.  onderstreept dat transparantie ten aanzien van nationale regels van essentieel belang is voor het faciliteren van grensoverschrijdende handel in de interne markt en niet-tarifaire obstakels in kaart helpt brengen; spoort de lidstaten aan hun regels online beter toegankelijk te maken en in meer dan één taal, in belang van een toenemend handelsverkeer, waar allen baat bij hebben;

78.  benadrukt dat de mobiliteit moet worden bevorderd door middel van opleidingen, stages, vaardigheden en inzetbaarheid, en via programma's zoals Erasmus+ en Eures, die miljoenen EU-werknemers de mogelijkheid bieden om waardevolle ervaringen op te doen;

79.  betreurt het dat veel lidstaten het beginsel van wederzijdse erkenning niet goed toepassen; kijkt vooruit naar het voorstel van de Commissie terzake, dat als onderdeel van de versterking van de interne goederenmarkt, het wederzijds vertrouwen moet verbeteren door middel van actie waarmee aan het beginsel van wederzijds vertrouwen meer bekendheid wordt gegeven, naast betere toepassing en handhaving, en door herziening van de verordening inzake wederzijdse erkenning, onder meer met het oog op een verbetering van de instrumenten voor het beslechten van geschillen die ontstaan door een gebrekkige tenuitvoerlegging of toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; onderstreept dat indien het beginsel van wederzijdse erkenning door de bevoegde autoriteiten in de hele EU correct werd toegepast het bedrijfsleven zich op zijn kerntaak zou kunnen concentreren, te weten zaken doen en het aanzwengelen van groei in de EU, en niet bezig zou hoeven zijn met het overwinnen van de problemen die deze niet-correcte toepassing door de lidstaten met zich meebrengt;

80.  is daarnaast van mening dat de Commissie actiever moet vaststellen welke sectoren een groot potentieel vertegenwoordigen voor grensoverschrijdende handel en digitalisering en in welke sectoren het beginsel van wederzijdse erkenning kan worden toegepast;

81.  verzoekt de Commissie te verduidelijken hoe de voorgestelde marktinformatie-instrumenten zouden moeten werken en wat de rechtsgrond ervoor is;

82.  dringt er nogmaals op aan dat de Raad nu snel zijn goedkeuring hecht aan het Productveiligheids- en markttoezichtspakket en vraagt de Commissie in dit verband haar faciliterende rol bij het zoeken naar oplossingen ten volle waar te maken; onderstreept het belang van passende productinformatie voor de detailverkoop, en met name de aanduiding van het land van herkomst, zo cruciaal voor de bescherming van de consument en bestrijding van productvervalsing;

83.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de sancties op namaak aan te scherpen en erop toe te zien dat de bestaande Europese wetgeving ter zake onverkort wordt toegepast;

84.  benadrukt dat de uiteenlopende regelgeving in de lidstaten op punt van etiketterings- of kwaliteitsvereisten onnodige obstakels opwerpt voor de activiteiten van leveranciers van goederen en voor de bescherming van de consumenten; onderstreept de meerwaarde van milieu-etikettering, vraagt de Commissie om te bezien welke etikettering essentieel is en welke niet om de consument van informatie te verzekeren, en na te denken over invoering van een verplichte regeling voor het verschaffen van essentiële informatie omtrent handgemaakte en industriële producten, zoals bijvoorbeeld op EU-niveau in de meubelsector is overwogen, zodat de consument van essentiële informatie wordt voorzien en voor een gelijke productkwaliteit in de verschillende lidstaten wordt gezorgd; verwacht van een dergelijk initiatief een heilzaam effect voor de consument, de industrie en de handel, doordat het kan zorgen voor transparantie, voor de nodige erkenning voor Europese producten, en voor geharmoniseerde regels voor marktdeelnemers op de interne markt;

85.  benadrukt wat de interne dienstenmarkt betreft, dat er duidelijk behoefte bestaat aan een beter grensoverschrijdend dienstenaanbod, maar dat er tegelijkertijd op moet worden gelet dat sociale dumping niet wordt aangemoedigd; vraagt de lidstaten dringend op een deugdelijke en effectievere toepassing van de dienstenrichtlijn toe te zien, zonder deze met andere regelgeving op te tuigen; is tevreden met het Commissievoorstel voor verbetering van de kennisgevingsprocedure overeenkomstig de dienstenrichtlijn, aangezien de bestaande procedure inefficiënt is en niet transparant; is van mening dat de kennisgeving eerder in het wetgevingsproces moet plaatshebben, om een vroegtijdige feedback van de belanghebbenden en de lidstaten mogelijk te maken en vertragingen bij de vaststelling van nieuwe wetgeving tot een minimum te beperken; stemt in met uitbreiding van de in Richtlijn (EU) 2015/1535 geregelde kennisgevingsprocedure tot alle niet in die richtlijn genoemde sectoren; spreekt zich uit tegen een eventueel voornemen om het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn uit te breiden; vraagt de Commissie om een aanpak van de lasten in verband met de versplinterde bankensector in Europa die niet-ingezetenen problemen bezorgt, met name kmo's die een bankrekening willen openen in een andere lidstaat;

86.  verzoekt de Commissie om ernaar te streven dat de procedure voor de grensoverschrijdende dienstverlening een vereenvoudigde vorm krijgt en gelijkgetrokken wordt, zodat kmo's beter in de interne markt kunnen worden geïntegreerd;

87.  wijst erop dat de eisen aan een evenredige regeling in artikel 16, lid 1, van de dienstenrichtlijn en in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie duidelijk gedefinieerd zijn; herinnert eraan dat het feit dat een lidstaat minder strenge voorschriften vaststelt dan een andere, niet betekent dat de voorschriften van deze laatste onevenredig en dus niet verenigbaar met het Unierecht zouden zijn; herhaalt dat regelingen die grensoverschrijdende dienstverlening bemoeilijken, belemmeren of onaantrekkelijk maken alleen met de vereisten van de interne markt verenigbaar zijn als zij om dwingende redenen van algemeen belang noodzakelijk zijn, hiertoe ook werkelijk geschikt zijn en de vrijheid van diensten niet meer beperken dan nodig is voor de hiermee nagestreefde bescherming van het algemeen belang;

88.  benadrukt dat het nodig is om te zorgen voor een consistente beoordeling van de evenredigheid van wettelijke eisen en beperkingen die gelden voor diensten; staat achter het voorstel van de Commissie voor invoering van een dienstenpaspoort om in essentiële economische sectoren als zakelijke diensten de ontwikkeling van bedrijven en de mobiliteit ervan in de interne markt te faciliteren; stelt dat dit initiatief moet strekken tot vereenvoudiging van administratieve procedures voor de dienstverrichter die actief wil zijn over de grens en voor de autoriteiten, en tot het aanpakken van belemmeringen in de vorm van regelgeving die deze bedrijven ervan afbrengen om zich op de markt te begeven in een andere lidstaat; dringt erop aan dat een eventueel dienstenpaspoort moet passen in de reeks horizontale instrumenten ter ondersteuning van de wetgeving voor de interne markt, zoals het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) en het één-loketsysteem, die in de dienstenrichtlijn zijn voorzien als uniforme institutionele contactpunten voor het regelen van alle noodzakelijke administratieve procedures rond grensoverschrijdende dienstverlening; benadrukt dat de invoering van een dienstenpaspoort er niet toe mag leiden dat de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie over dwingende redenen van algemeen belang, die een beperking van het grensoverschrijdend verkeer kunnen legitimeren, afgezwakt wordt of buiten werking wordt gesteld; onderstreept evenwel het feit dat een dienstenpaspoort overbodig kan zijn, als de dienstenrichtlijn behoorlijk ten uitvoer wordt gelegd en gehandhaafd; benadrukt dat dit echter niet gepaard mag gaan met invoering van het oorsprongslandbeginsel;

89.  is tevreden met het feit dat sterk wordt gefocust op de rol van diensten op de interne markt en dat ervoor wordt gezorgd dat beroepsbeoefenaars en dienstenbedrijven, met name kleinhandelaars, niet opgesloten zitten in hun nationale markt; benadrukt het feit dat de verdere uitbreiding van de regelingen inzake een beroeps- en een dienstenpaspoort van centraal belang zullen zijn om de onnodige administratieve voorwaarden tussen lidstaten te voorkomen die onze burgers beletten over de grens te werken en handel te drijven;

90.  herhaalt hoe belangrijk het is obstakels (waaronder taalkundige en administratieve obstakels en gebrek aan informatie) weg te nemen die de commerciële mogelijkheden van grensoverschrijdende e-handel beperken en het vertrouwen van de consumenten in de interne markt ondermijnen; benadrukt dat het van belang is om de operationele beperkingen voor de ontplooiing van retailactiviteiten weg te nemen, zoals de regulering van winkelopeningstijden, specifieke en selectieve retailbelasting en de onevenredige hoeveelheid informatie die van ondernemingen wordt gevraagd;

91.  erkent de bevoegdheid van lokale overheden met betrekking tot stadsplanning; wijst er echter op dat stadsplanning niet mag worden gebruikt als voorwendsel om het recht van vrije vestiging te omzeilen; herinnert er in dit verband aan hoe belangrijk een goede handhaving van de dienstenrichtlijn is; roept de lidstaten op om belemmeringen voor het vrije verkeer uit de weg te ruimen en hun markt open te stellen teneinde het concurrentievermogen te stimuleren en een divers winkelaanbod te bevorderen, hetgeen van essentieel belang is als winkelgebieden, in het bijzonder in het centrum van steden, aantrekkelijk willen blijven;

92.  onderstreept dat de detail- en groothandel de grootste bedrijfssector in Europa is; beschouwt het reduceren van onnodige regelgevings-, administratieve en praktische obstakels voor de detailhandel een prioriteit;

93.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de detailhandel als pijler van de interne markt, waaronder de digitale interne markt, politiek maximaal op de voorgrond te plaatsen en administratieve en bureaucratische en praktische obstakels uit de weg te ruimen, die de oprichting, de ontwikkeling en het voortbestaan van ondernemingen bemoeilijken en die het voor detailhandelaren en ondernemers lastig maken om ten volle van de interne markt te profiteren; is van mening dat de wetgeving betreffende de kleinhandel moet steunen op gegevens, rekening houdend met de behoeften van de sector;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een analyse te maken van de onnodige beperkingen voor de vestiging van detailhandelszaken in de interne markt die niet gerechtvaardigd zijn door zwaarwegende redenen in verband met het openbaar belang en indien nodig voorstellen in te dienen om deze problemen te overwinnen en hierover voorjaar 2017 verslag uit te brengen;

95.  is wat de freelance-dienstensector betreft van mening dat uiteenlopende reguleringsconcepten op zichzelf geen belemmering voor de verdieping van de interne markt vormen; benadrukt dat regelingen inzake de toegang tot en uitoefening van beroepen nodig kunnen zijn om het algemeen belang te beschermen en dat de beoordeling ervan alleen in de desbetreffende nationale context zinvol is;

96.  is het eens met de Commissie dat veel van de regelgeving van de lidstaten inzake de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde beroepen niet in verhouding staat tot de behoeften en belemmeringen opwerpt waarmee de toegang tot de uitoefening van deze beroepen wordt ingeperkt;

97.  is van mening dat grensoverschrijdende verlening van diensten op tijdelijke basis, inclusief professionele dienstverrichting, moet worden beschouwd als essentieel element voor de interne markt, doordat deze diensten banen creëren en kwalitatief hoogstaande producten en diensten opleveren voor de EU-burgers; beschouwt de periodieke richtsnoeren daarom als een nuttig instrument voor de lidstaten, rekening houdend met de verschillende economische, geografische en sociale achtergronden van alle lidstaten;

98.  is verheugd over het feit dat er in de strategie voor de interne markt weer aandacht wordt besteed aan de gereglementeerde en de vrije beroepen in Europa, die belangrijk zijn voor de groei en de werkgelegenheid op de interne markt; verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen voor de uitvoering van de aanbevelingen van de werkgroep "Actielijnen ten behoeve van de vrije beroepen" van de Commissie;

99.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om, als een belangrijke stap richting het openstellen van de interne markt en het stimuleren van de werkgelegenheid, de regelgevingsbelemmeringen weg te werken die de toegang tot bepaalde beroepen beperken;

100.  steunt het initiatief van de Commissie inzake een evaluatie van gereglementeerde beroepen, maar wijst erop dat bij elke actie op dit gebied hoge kwaliteitsnormen voor banen en diensten, degelijke kwalificaties en de veiligheid van de consumenten behouden moeten blijven;

101.  vermoedt dat het zonder concurrerende professionele en zakelijke diensten in de hele EU voor ondernemingen lastig is om concurrerend te blijven en nieuwe banen te creëren en in stand te houden;

102.  onderstreept dat inefficiënte bezorgdiensten, met name wat de laatste kilometer betreft, een aanzienlijke belemmering zijn voor grensoverschrijdende verkoop in de EU; wijst erop dat toegankelijke, betaalbare, efficiënte en hoogwaardige bezorgdiensten een essentiële voorwaarde zijn voor een bloeiende interne markt; verzoekt de Commissie een algemeen actieplan in te dienen voor pakketbezorging en doelstellingen te bepalen die uiterlijk eind 2020 op deze markt moeten worden gerealiseerd; verzoekt de Commissie meer nadruk te leggen op het afbreken van de belemmeringen waarmee aanbieders bij grensoverschrijdende aflevering te maken krijgen;

103.  dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de lidstaten om de procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties te vereenvoudigen en te verkorten, onder meer door de invoering van gemeenschappelijke opleidingskaders te bevorderen en aan te moedigen, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; verzoekt de Commissie en de lidstaten om opleiding en onderwijs op ICT- en STEM-gebied te stimuleren, met als doel zowel de huidige als de toekomstige beroepsbevolking relevante e-vaardigheden bij te brengen;

104.  is tevreden met het feit dat in de strategie wordt verwezen naar het hoge werkloosheidscijfer in de hele EU, maar betreurt het feit dat er geen specifieke stappen en maatregelen in worden gepresenteerd die mensen kunnen helpen werk te vinden, bijvoorbeeld een verbetering van de normen inzake onderwijs en opleiding, het halen van de doelstellingen inzake een leven lang leren en het aanpakken van onaangepaste vaardigheden en van de kwalificaties van werknemers en beroepsbeoefenaars; noemt het vanzelfsprekend dat de interne markt snel verandert door de digitalisering van de verschillende sectoren en dat de nieuwe banen een ander pakket vaardigheden en kwalificaties zullen vereisen;

105.  keurt het af dat de Commissie in de strategie voor de interne markt geen specifieke maatregelen heeft vastgesteld om de behoeften aan te pakken van mensen en consumenten met een handicap, ouden van dagen en mensen die wonen in rurale en afgelegen gebieden;

106.  is van mening dat het door de voorzitter van de Commissie, de heer Juncker, aanbevolen beginsel van gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek essentieel is om marktverstoring tegen te gaan;

Een eerlijker interne markt

107.  benadrukt dat een echte interne markt voordelen en bescherming moet bieden aan burgers, consumenten en bedrijven in de vorm van betere kwaliteit, een grotere variëteit, redelijke prijzen en veilige goederen en diensten; onderstreept dat ongerechtvaardigde, op geen enkel objectief of verifieerbaar criterium gebaseerde discriminatie van consumenten en ondernemers op grond van nationaliteit of woonplaats, online of offline, op de interne markt niet aanvaardbaar is; is evenwel van mening dat een verplichting voor bedrijven om te verkopen aan de hele EU niet haalbaar is;

108.  vraagt de Commissie om met spoed een wetgevingsvoorstel uit te brengen dat ongerechtvaardigde geo-blocking en andere niet te rechtvaardigen vormen van discriminatie door marktdeelnemers moet tegengaan; vraagt de Commissie om bruikbare criteria te formuleren om het ongerechtvaardigde karakter van geo-blocking te meten; benadrukt het feit dat elk voorstel in deze zin het basisprincipe van de vrijheid van handel moet eerbiedigen; benadrukt eveneens dat de Commissie in haar voorstel rekening moet houden met het evenredigheidsbeginsel, met name ten aanzien van kleine en micro-bedrijven; merkt op dat marktdeelnemers vaak moeten overgaan tot marktselectie om bij de gegeven marktvoorwaarden te functioneren;

109.  beaamt dat consumenten bij de aankoop van goederen en diensten op de interne markt transparante informatie nodig hebben en een reeks moderne en degelijke rechten voor de bescherming van hun belangen; is van mening dat bij elke herziening, samenvoeging of consolidatie van richtlijnen op het gebied van consumentenrecht moet worden voorzien in een niveau van consumentenbescherming dat echt hoog is en in afdwingbare rechten, volgens de beste praktijken in nationale wetgeving;

110.  verzoekt de Commissie de bestaande juridische onzekerheden waarmee de consumenten te maken hebben, te analyseren en indien nodig te remediëren door middel van verduidelijking en aanvullingen van het juridische kader inzake consumentenrechten; herhaalt zich te verplichten tot het principe van flexibele harmonisatie voor alle EU-wetgeving met betrekking tot consumenten die wordt voorgesteld, waarbij volledige harmonisatie alleen wordt toegepast, als hierdoor een zeer hoog niveau van consumentenbescherming ontstaat en als deze harmonisatie duidelijke voordelen oplevert voor de consumenten;

111.  benadrukt het feit dat ondernemingen van de sociale economie een divers scala aan bedrijfsmodellen te zien geven, hetgeen essentieel is voor een sterk concurrerende en eerlijker interne markt; verzoekt de Commissie de sociale economie te mainstreamen in haar beleid inzake de interne markt en een Europees actieplan voor ondernemingen van de sociale economie te ontwikkelen, om het volledige potentieel aan duurzame en inclusieve groei te benutten;

Conclusie

112.  vraagt de Commissie de geplande wetgevingsvoorstellen en initiatieven na de nodige belanghebbendenraadplegingen en effectbeoordelingen snel aan de wetgevers voor te leggen, rekening houdende met bovenstaande suggesties, zodat zij binnen een kort tijdsbestek kunnen worden aangenomen;

o
o   o

113.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 304 van 22.11.2011, blz.64.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0580.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0012.

Juridische mededeling