Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 23 juni 2016 - BrusselDefinitieve uitgave
Protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (kaderovereenkomst) ***
 Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (de uitbreiding van 2004) ***
 Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (de toetreding van Bulgarije en Roemenië) ***
 Overeenkomst EU-Monaco betreffende de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2015/012 BE/Henegouwen machines
 Meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn ***I
 Meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 Bevoegdheid, toepasselijke recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels *
 Bevoegdheid, toepasselijke recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen *
 Bloedbaden in Oost-Congo
 Follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)
 Voortgangsverslag hernieuwbare energie
 Verslag over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn

Protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (kaderovereenkomst) ***
PDF 242kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Libanon aan programma’s van de Unie (16136/2014 – C8-0044/2015 – 2014/0110(NLE))
P8_TA(2016)0281A8-0193/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16136/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds en de Republiek Libanon, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Libanon aan EU-programma's (16135/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 212, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0044/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0193/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Libanon.


Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (de uitbreiding van 2004) ***
PDF 247kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (13349/2014 – C8-0095/2015 – 2007/0078(NLE))
P8_TA(2016)0282A8-0194/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13349/2014),

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen,Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (11300/2007),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0095/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0194/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Libanon.


Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Libanon (de toetreding van Bulgarije en Roemenië) ***
PDF 243kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie (13395/2014 – C8-0170/2015 – 2008/0027(NLE))
P8_TA(2016)0283A8-0195/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13395/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (13376/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0170/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0195/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Libanon.


Overeenkomst EU-Monaco betreffende de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen *
PDF 242kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Monaco waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad (COM(2016)0201 – C8-0157/2016 – 2016/0109(NLE))
P8_TA(2016)0284A8-0206/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2016)0201),

–  gezien het ontwerp van wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Monaco waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad,

–  gezien de artikel 115 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder b), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0157/2016),

–  gezien artikel 59, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0206/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het wijzigingsprotocol bij de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Vorstendom Monaco.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2015/012 BE/Henegouwen machines
PDF 267kWORD 74k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2015/012 BE/Henegouwen machines) (COM(2016)0242 – C8-0170/2016 – 2016/2074(BUD))
P8_TA(2016)0285A8-0207/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0242) – C8-0170/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0207/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat België aanvraag EGF/2015/012 BE/Henegouwen machines heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 28 (Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.) in de regio van NUTS-niveau 2 van Henegouwen (BE32) in België, evenals 300 jongeren uit de regio Henegouwen die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen ("NEET's") van jonger dan 25, naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen; overwegende dat de ontslagen hebben plaatsgevonden bij Carwall NV, Caterpillar Belgium NV en Doosam NV;

D.  overwegende dat de aanvraag weliswaar niet aan de subsidiabiliteitscriteria zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening voldoet, maar ingediend is onder de interventiecriteria zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, dat voorziet in een afwijking op basis van het aantal ontslagen werknemers;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, van de EFG-verordening, en dat België bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 1 824 041 EUR, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 3 040 069 EUR;

2.  stelt vast dat de Commissie de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de ingevulde aanvraag van de Belgische autoriteiten op 11 februari 2016 heeft gerespecteerd, aangezien zij haar beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage afrondde op 4 mei 2016 en het Parlement nog dezelfde dag hiervan in kennis stelde;

3.  stelt vast dat na de ernstige problemen van de afgelopen jaren in de handel in bouwmachines op de Europese markt, de vraag naar de producten die door de drie onder deze aanvraag vallende ondernemingen worden vervaardigd dienovereenkomstig is afgenomen;

4.  stelt vast dat na de aankondiging van Caterpillar Belgium NV op 23 februari 2013 van een collectieve ontslagprocedure voor de fabriek in Gosselies voor de meeste van de 1 399 werknemers aanvraag EGF/2014/011 BE/Caterpillar werd ingediend en wijst erop dat de onderhavige aanvraag een follow-up van die aanvraag is aangezien het onderdeel uitmaakt van dezelfde ontslagprocedure; benadrukt daarnaast dat de werkgelegenheidssituatie in Henegouwen moeilijk is, met een werkloosheidspercentage van 14,5 % (5,9% hoger dan het nationale gemiddelde), een verlies van 1 236 banen in 2013 en van 1 878 banen in 2014 in de productiesector, een daling van het aantal vacatures met 13 % sinds 2012 en een groot aantal ongeschoolde werknemers, daar meer dan de helft van de werkzoekenden de bovenbouw van het middelbaar onderwijs niet heeft afgerond, evenals hoge percentages langdurig werklozen, die in de regio Henegouwen 39 % van alle werklozen uitmaken;

5.  is ingenomen met het feit dat de Belgische autoriteiten op 1 januari 2015 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de beoogde begunstigden, ruimschoots vóór de aanvraag voor de toekenning van EFG-steun;

6.  wijst erop dat België de volgende soorten maatregelen plant voor ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: ondersteuning/begeleiding/integratie; hulp bij het zoeken van werk; geïntegreerde opleidingen; ondersteuning bij het opzetten van een bedrijf; ondersteuning voor collectieve projecten, vergoedingen voor het zoeken van werk en het volgen van opleidingen;

7.  is ingenomen met het feit dat de toelagen en stimulansen, waarvan België heeft bevestigd dat zij afhankelijk zijn van de actieve participatie van de beoogde begunstigden aan het zoeken van werk of opleidingsactiviteiten (maatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van de EFG-verordening), beperkt blijven tot 5 % van de totale kosten, ruim onder de in de verordening in kwestie voorziene drempel van 35 % van de totale kosten voor het pakket van individuele dienstverlening;

8.  wijst erop dat werknemers in de leeftijdsgroep van 55 tot 64 jaar 35,9 % van de beoogde begunstigden uitmaken; is van mening dat deze werknemers een hoger risico lopen op langdurige werkloosheid en sociale uitsluiting en specifieke behoeften hebben in verband met het aanbieden van individuele dienstverlening overeenkomstig artikel 7 van de EFG-verordening;

9.  dringt er bij de Commissie op aan informatie te verschaffen over de huidige steun voor de ontslagen werknemers van Caterpillar, aangezien een deel van deze aanvraag een vervolg vormt op de eerdere aanvraag EGF/2014/011 BE/Caterpillar;

10.  is ingenomen met het feit dat naast de 488 ontslagen werknemers 300 jongeren onder de 25 jaar uit dezelfde regio die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen ("NEET's") naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen en door het EFG medegefinancierde individuele diensten zullen ontvangen, waaronder: mobilisering en begeleiding, zowel voor aanvullend onderwijs of een aanvullende opleiding als voor een introductieprogramma waar deelnemers kunnen verkennen waar hun interesses liggen; specifieke opleidingsprogramma's; gepersonaliseerde bijscholing; zoeken naar werk, opleidings- en mobiliteitstoelagen;

11.  is ingenomen met de verlengde toegang tot het EFG voor NEET's; wijst er evenwel op dat in de EFG-verordening momenteel is bepaald dat deze toegang slechts geldt tot 31 december 2017; dringt aan op een herziening van de EFG-verordening, in het kader van de herziening van het meerjarig financieel kader, opdat de toegang voor NEET's na 2017 kan blijven bestaan;

12.  is ingenomen met het feit dat de Belgische autoriteiten speciale maatregelen voor NEET's voorstellen, om zo specifieker op hun behoeften te kunnen inspringen;

13.  wijst op het belang van de opzet van een informatiecampagne om NEET's te bereiken die voor deze maatregelen in aanmerking kunnen komen; wijst nogmaals op zijn standpunt dat de steun aan NEET's op permanente en duurzame wijze gehandhaafd dient te worden;

14.  is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgezet na verder overleg met alle betrokken partijen, inclusief de sociale partners, het bedrijfsleven en de openbare diensten voor arbeidsbemiddeling, die via een toezichtscommissie de tenuitvoerlegging van de voorgestelde maatregelen tevens zullen volgen;

15.  is met name verheugd over de benadering van de Belgische autoriteiten om, in samenwerking met de sociale partners, steun te verlenen aan collectieve projecten voor werknemers die overwegen als groep een "sociale onderneming" op te zetten, en beschouwt dit als een maatregel met een hoge potentiële toegevoegde waarde;

16.  wijst erop dat de voorgestelde maatregelen actieve arbeidsmarktmaatregelen zijn die onder de in artikel 7 van de EFG-verordening opgenomen subsidiabele acties vallen en herinnert eraan dat overeenkomstig dat artikel in de verstrekte individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat zij gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie, en rekening moeten houden met de ervaring die tot nu toe is opgedaan met de steun voor de ontslagen werknemers in het kader van aanvraag EGF/2014/011 BE/Caterpillar; wijst er tegelijkertijd op dat deze acties niet in de plaats komen van maatregelen die gericht zijn op een passieve sociale bescherming;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan om samen met de sociale partners strategieën te ontwikkelen om in te springen op de verwachte veranderingen op de arbeidsmarkt en om banen en vaardigheden in de Unie te beschermen, met name bij de onderhandelingen over handelsverdragen, teneinde regels voor eerlijke mededinging en gemeenschappelijke maatregelen tegen economische, sociale en milieudumping te waarborgen; herinnert aan zijn oproep tot een deugdelijke herziening van de handelsbeschermingsinstrumenten van de Unie;

18.  benadrukt dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door aangepaste opleidingen en verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden aan zowel de behoeften van de werknemers voldoet als aan het ondernemingsklimaat in de regio en de naburige regio's;

19.  verzoekt de Commissie de regels inzake staatssteun zo te herzien dat die steun mag worden verleend om projecten die sociale en milieuvoordelen opleveren te versterken, en noodlijdende kmo's en industrieën te helpen door bij te dragen aan de wederopbouw van hun productiecapaciteit, die ernstig aangetast is door de mondiale financiële en economische crisis;

20.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, waaronder over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

21.  wijst erop dat de Belgische autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslag een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat bestaande regelingen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

22.  stelt vast dat tot op heden voor de sector "Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g." 14 EFG-aanvragen zijn ingediend, waarvan 8 gebaseerd op handelsgerelateerde globalisering en 6 op de wereldwijde financiële en economische crisis;

23.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

24.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement heeft ingevoerd om de toekenning van subsidies te versnellen; wijst op de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en op de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

25.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-dossiers openbaar toegankelijk zijn;

26.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

27.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2015/012 BE/Henegouwen machines)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/1145.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn ***I
PDF 247kWORD 88k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 (COM(2015)0180 – C8-0118/2015 – 2015/0096(COD))
P8_TA(2016)0286A8-0367/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0180),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0118/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2015(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 april 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0367/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 juni 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1627.)

(1) PB C 383 van 17.11.2015, blz. 100.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 19 januari 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0003).


Meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 246kWORD 73k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (COM(2014)0614 – C8-0174/2014 – 2014/0285(COD))
P8_TA(2016)0287A8-0128/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0614),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0174/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 april 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0128/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 juni 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1139.)

(1) PB C 230 van 14.7.2015, blz. 120.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 28 april 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0104).


Bevoegdheid, toepasselijke recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels *
PDF 240kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (COM(2016)0106 – C8-0127/2016 – 2016/0059(CNS))
P8_TA(2016)0288A8-0209/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0106),

–  gezien artikel 81, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0127/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0209/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Bevoegdheid, toepasselijke recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen *
PDF 240kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (COM(2016)0107 – C8-0128/2016 – 2016/0060(CNS))
P8_TA(2016)0289A8-0208/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0107),

–  gezien artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0128/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0208/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Bloedbaden in Oost-Congo
PDF 174kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over de bloedbaden in Oost-Congo (2016/2770(RSP))
P8_TA(2016)0290RC-B8-0801/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name die van 10 maart 2016(1) en van 9 juli 2015(2),

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 15 juni 2016 over de situatie aan de vooravond van de verkiezingen en de veiligheidssituatie in de DRC,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en haar woordvoerder over de situatie in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar de Democratische Republiek Congo over de mensenrechtensituatie in het land,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2016 over de Democratische Republiek Congo,

–  gezien het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2014, dat op 22 juni 2015 door de Raad is aangenomen,

–  gezien de open brief van maatschappelijke groeperingen in de gebieden Beni, Butembo en Lubero van 14 mei 2016 aan de president van de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de verklaringen van Nairobi van december 2013,

–  gezien het Kader voor vrede, veiligheid en samenwerking voor de DRC en de regio, dat in februari 2013 in Addis Abeba werd ondertekend,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de DRC, met name Resolutie 2198(2015) over verlenging van het sanctieregime inzake de DRC en het mandaat van de groep van deskundigen, en Resolutie 2277(2016) waarbij het mandaat van de Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de DRC (Monusco) met een jaar werd verlengd,

–  gezien het verslag van de groep van deskundigen van de VN inzake de DRC van 23 mei 2016,

–  gezien het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 27 juli 2015 over de mensenrechtensituatie en de activiteiten van het gezamenlijke mensenrechtenkantoor van de Verenigde Naties in de DRC,

–  gezien de besluiten en bevelen van het Internationaal Strafhof,

–  gezien de gezamenlijke persverklaring van de groep van internationale gezanten en vertegenwoordigers voor het gebied van de Grote Meren in Afrika van 2 september 2015 over de verkiezingen in de DRC,

–  gezien de verklaring van 9 november 2015 van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in de DRC,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN van 9 maart 2016 over de Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties en de tenuitvoerlegging van het Kader voor vrede, veiligheid en samenwerking voor de DRC en de regio,

–  gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de Congolese grondwet van 18 februari 2006,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de veiligheidssituatie in de Democratische Republiek Congo blijft verslechteren in het noordoosten van het land, waar nog steeds tientallen gewapende groeperingen opereren, waarbij er herhaaldelijk sprake is van bloedbaden, het ronselen en inzetten van kinderen door gewapende groepen, en wijdverspreide seksuele en op gender gebaseerde gewelddaden;

B.  overwegende dat tussen oktober 2014 en mei 2016 in de gebieden Beni, Lubero en Butembo meer dan 1 160 mensen op gewelddadige wijze om het leven zijn gebracht, meer dan 1 470 mensen zijn verdwenen, talloze huizen, gezondheidscentra en scholen werden platgebrand en veel vrouwen, mannen en kinderen het slachtoffer waren van seksueel geweld;

C.  overwegende dat veel dorpen in deze gebieden nu bezet zijn door gewapende groepen;

D.  overwegende dat er steeds meer ongenoegen heerst over het feit dat de regering van de DRC niet ingrijpt en zich niet uitspreekt over deze gruweldaden, die naar verluidt zowel door gewapende rebellengroepen als door staatstroepen worden gepleegd;

E.  overwegende dat er bijzonder gewelddadige moorden zijn begaan, in sommige gevallen in de onmiddellijke nabijheid van stellingen van het nationale leger (FARDC) en bases van de VN-vredeshandhavingsmissie in de DRC (Monusco);

F.  overwegende dat deze bloedbaden op onverschilligheid van de internationale gemeenschap en stilzwijgen van de media stuiten;

G.  overwegende dat de president van de DRC op basis van het bepaalde in de grondwet garant staat voor de nationale integriteit, de nationale onafhankelijkheid, de veiligheid van mensen en goederen en de normale werking van de instellingen van het land, en de opperbevelhebber van de strijdkrachten van het land is;

H.  overwegende dat de politieke spanningen in de DRC hoog oplopen omdat president Kabila, die sinds 2001 aan de macht is, volgens de grondwet op 20 december 2016 zou moeten aftreden, maar nog niet heeft aangekondigd dat ook inderdaad te zullen doen;

I.  overwegende dat het Congolese leger en Monusco in de regio aanwezig zijn om de stabiliteit te handhaven, gewapende groepen te bestrijden en burgers te beschermen;

J.  overwegende dat het mandaat van Monusco verlengd en uitgebreid is;

K.  overwegende dat het wijdverbreide onvermogen om de daders van mensenrechtenschendingen te berechten ertoe heeft geleid dat een klimaat van straffeloosheid wordt bevorderd en nieuwe misdaden worden gepleegd;

L.  overwegende dat de aarzelende inspanningen van de DRC om duizenden rebellenstrijders te demobiliseren, ofwel door hen op te nemen in het nationale leger ofwel door hun integratie in de burgerlijke samenleving te bevorderen, een grote belemmering voor de vrede is geweest;

M.  overwegende dat er volgens schattingen van humanitaire actoren momenteel 7,5 miljoen mensen hulp nodig hebben; overwegende dat het lopende conflict en de militaire operaties ook tot interne ontheemding van 1,5 miljoen mensen hebben geleid en meer dan 400 000 mensen het land hebben doen ontvluchten;

N.  overwegende dat het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) meldt dat er steeds vaker hulpverleners worden ontvoerd en hulpkonvooien worden aangevallen, waardoor de humanitaire organisaties zich gedwongen hebben gezien hun steunverlening uit te stellen en hun activiteiten tijdelijk stop te zetten;

O.  overwegende dat de bloedbaden in Oost-Congo het gevolg zijn van banden tussen de regionale en nationale politiek, de instrumentalisering van etnische spanningen en de exploitatie van grondstoffen;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de escalatie van het geweld en over de alarmerende en verslechterende humanitaire situatie in de DRC, die het gevolg zijn van de gewapende conflicten in de oostelijke provincies, die nu al meer dan 20 jaar aanslepen; betreurt het verlies van mensenlevens en spreekt zijn medeleven uit met de bevolking van de DRC;

2.  herhaalt zijn oproep aan alle bij het conflict betrokken partijen om onmiddellijk een einde te maken aan het geweld, de wapens neer te leggen, alle kinderen te laten gaan en een dialoog met het oog op een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict te bevorderen; dringt met name aan op snelle en actieve hervatting van de samenwerking tussen Monusco en de strijdkrachten van de RDC (FARDC), op basis van de militaire-samenwerkingsovereenkomst die op 28 januari 2016 in Kinshasa is ondertekend, teneinde de vrede en veiligheid in zowel de oostelijke regio als het land in zijn geheel te herstellen en te consolideren;

3.  herinnert eraan dat de neutralisering van alle gewapende groepen in de regio aanzienlijk zal bijdragen tot vrede en stabiliteit, en dringt er bij de regering van de DRC op aan hier een prioriteit van te maken en voor alle burgers de veiligheid te herstellen evenals de stabiliteit in de gebieden Beni, Lubero en Butembo;

4.  verzoekt de internationale gemeenschap met klem zo snel mogelijk een diepgravend, onafhankelijk en transparant onderzoek naar de bloedbaden te verrichten, en ervoor te zorgen dat de regering van de DRC en Monusco daaraan volledig meewerken; dringt aan op een spoedbijeenkomst van de groep van internationale gezanten en vertegenwoordigers voor het gebied van de Grote Meren in Afrika over de verkiezingen in de DRC, teneinde hiertoe passende maatregelen te nemen, zoals het mobiliseren van de VN-Veiligheidsraad;

5.  benadrukt dat de huidige situatie geen belemmering mag vormen voor het houden van verkiezingen, zoals overeenkomstig de bepalingen van de grondwet gepland; benadrukt dat regelmatig verlopen en op tijd gehouden verkiezingen cruciaal zullen zijn voor de stabiliteit en de ontwikkeling van het land op lange termijn;

6.  verzoekt de openbaar aanklager van het Internationaal Strafhof informatie te verzamelen over en te kijken naar de misstanden, teneinde vast te stellen of een onderzoek van het Internationaal Strafhof naar de vermeende misdaden in het Beni-gebied gerechtvaardigd is;

7.  herhaalt dat er geen sprake kan zijn van straffeloosheid voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, en voor degenen die verantwoordelijk zijn voor het ronselen van kindsoldaten; benadrukt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor dergelijke daden moeten worden aangegeven, geïdentificeerd, vervolgd en gestraft overeenkomstig het nationale en internationale strafrecht;

8.  verzoekt om de opstelling en openbaarmaking van een evaluatieverslag over het optreden van Monusco; is ingenomen met resolutie 2277(2016) van de VN-Veiligheidsraad, waarbij het mandaat van Monusco werd verlengd en haar bevoegdheden op het gebied van burgerbescherming en mensenrechten, inclusief gendergebaseerd geweld en geweld tegen kinderen, werden uitgebreid;

9.  verzoekt Monusco met klem door middel van "machtstransformatie" invulling te geven aan zijn mandaat om de burgerbevolking te beschermen, en te zorgen voor meer operationele capaciteit om burgers te beschermen door middel van snelle-interventiemechanismen en luchtverkenning in Oost-Congo, waaronder via patrouilles en mobiele bases;

10.  roept de AU en de EU op te zorgen voor een permanente politieke dialoog tussen de landen van het Grote Merengebied, om verdere destabilisatie te voorkomen; betreurt dat er slechts beperkte vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de kaderovereenkomst voor vrede, veiligheid en samenwerking van februari 2013, en verzoekt alle partijen actief bij te dragen aan de stabilisatie-inspanningen;

11.  benadrukt dat het maatschappelijk middenveld moet worden betrokken bij alle maatregelen om burgers te beschermen en conflicten op te lossen, en dat mensenrechtenverdedigers moeten worden beschermd en een platform aangereikt moeten krijgen van de regering van de DRC en de internationale gemeenschap;

12.  erkent de door de Congolese autoriteiten geleverde inspanningen ter bestrijding van straffeloosheid en ter voorkoming van seksueel geweld en geweld tegen kinderen, maar is van mening dat deze inspanningen traag vorderen;

13.  herinnert de EU eraan dat haar beleid, waaronder met betrekking tot de wapenhandel en de handel in grondstoffen, coherent moet zijn en dat de onderhandelingen over overeenkomsten in de regio vrede, stabiliteit, ontwikkeling en mensenrechten moeten bevorderen;

14.  verzoekt de EU te overwegen gerichte sancties op te leggen, met inbegrip van reisverboden en bevriezing van tegoeden, aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de bloedbaden in Oost-Congo het gewelddadige optreden in de DRC, teneinde verder geweld te helpen voorkomen;

15.  verzoekt de EU en haar lidstaten hun steun aan de bevolking van de DRC te handhaven, teneinde de levensomstandigheden van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen te verbeteren, met name van de intern ontheemden;

16.  veroordeelt alle aanvallen op humanitaire actoren en elke belemmering van humanitaire toegang; verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen met klem de onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid van humanitaire actoren te respecteren;

17.  herhaalt dat bedrijven ervoor moeten zorgen dat hun activiteiten volledig in overeenstemming zijn met de internationale mensenrechtennormen; verzoekt de lidstaten derhalve erop toe te zien dat bedrijven onder hun nationale jurisdictie de mensenrechten en de internationale normen niet schenden bij hun activiteiten in derde landen;

18.  is verheugd dat de Congolese autoriteiten zich inspannen om de wetgeving toe te passen die de handel in en verwerking van mineralen verbiedt in gebieden waar mineralen illegaal worden geëxploiteerd, zoals gebieden die door gewapende groeperingen worden gecontroleerd; verzoekt de Congolese autoriteiten de toepassing van de wetgeving te verbeteren en ervoor te zorgen dat strikter toezicht wordt uitgeoefend op mijnbouwovereenkomsten en het gebruik van de inkomsten uit mijnbouwactiviteiten; vraagt de EU de DRC hierbij te helpen via haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid; verwelkomt het dat Europa onlangs overeenstemming heeft bereikt over verplichte "due diligence"-controles van de leveranciers van conflictmineralen als een eerste stap in de richting van het bij de Europese bedrijven neerleggen van een grotere verantwoordelijkheid op dit vlak, en spoort de EU aan deze overeenstemming zo snel mogelijk te vertalen in ambitieuze wetgeving;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de ACS-EU-Raad, de secretaris-generaal van de VN, de VN-Mensenrechtenraad en de president, de premier en het parlement van de DRC.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0085.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0278.


Follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)
PDF 215kWORD 102k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over de follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) (2015/2281(INI))
P8_TA(2016)0291A8-0176/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 14 daarvan,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(1),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa"(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's met als titel "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding" (COM(2015)0408),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 en 29 november 2011 over een benchmark voor leermobiliteit(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over onderwijs voor duurzame ontwikkeling(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2014 over investeren in onderwijs en opleiding, een antwoord op "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" en de jaarlijkse groeianalyse voor 2013(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(8),

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding(9),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(10),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(12),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(13),

–  gezien de verklaring van de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU op 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (de Verklaring van Parijs)(14),

–  gezien de zogeheten Rigaconclusies, die op 22 juni 2015 zijn goedgekeurd door de ministers die bevoegd zijn voor beroepsonderwijs en -opleiding(15),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 3 juli 2008 met als titel "Migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen" (COM(2008)0423),

–  gezien het verslag dat in februari 2010 voor de Commissie is opgesteld door de deskundigengroep inzake nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen met als titel "New Skills for New Jobs: Action Now" (Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen: actie nu)(16),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit(17),

–  gezien het verslag van het zesde University-Business Forum (forum voor universiteit en bedrijfsleven) van maart 2015(18),

–  gezien de Cedefopvooruitzichten inzake vaardigheden van 2012 met als titel "Future skills supply and demand in Europe" (Toekomstige vraag en aanbod op het gebied van vaardigheden in Europa)(19),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(20) en zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow-up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(21),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises(22),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(23),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0176/2016),

A.  overwegende dat "onderwijs en opleiding" hierna moet worden beschouwd als verwijzing naar alle formele, niet-formele en informele vormen, gezien het complementaire karakter ervan in het kader van de overgang naar een cognitieve samenleving en de rol ervan voor het aanpakken van specifieke doelgroepen, om de inclusie te faciliteren van mensen met minder onderwijskansen;

B.  overwegende dat onderwijs en opleiding er niet alleen op gericht mogen zijn om te voorzien in de behoeften van de arbeidsmarkt, maar een waarde moeten vormen op zich, omdat onderwijs een even belangrijke rol speelt voor de ontwikkeling van ethische en burgerlijke waarden en van humanistische waarden in ruime zin, die zijn vastgesteld in de verdragen, en voor de versterking van de democratische principes waarop Europa gebaseerd is;

C.  overwegende dat onderwijs moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling, het wederzijdse respect en de groei van jongeren, om van hen proactieve, verantwoordelijke en bewuste burgers te maken met burgervaardigheden en sociale en interculturele vaardigheden op alle terreinen, naast onderlegde vaklui;

D.  overwegende dat onderwijs moet worden beschouwd als een fundamenteel mensenrecht en een publiek goed dat voor iedereen toegankelijk moet zijn;

E.  overwegende dat onderwijs en opleiding een belangrijke rol kunnen spelen voor het aanpakken van armoede en sociale uitsluiting en dat het verruimen van de toegang tot een leven lang leren nieuwe mogelijkheden kan creëren voor laag opgeleiden, werklozen, personen met speciale behoeften, bejaarden en migranten;

F.  overwegende dat inclusieve en hoogwaardige opleiding en onderwijs essentieel zijn voor de culturele, economische en sociale ontwikkeling van Europa;

G.  overwegende dat onderwijs en opleiding in Europa een bijdrage moeten leveren tot de EU-strategieën en initiatieven, inclusief de Europa 2020-strategie, het initiatief inzake de Digitale Interne Markt, de Europese veiligheidsagenda en het investeringsplan voor Europa;

H.  overwegende dat alle lidstaten niet aankijken tegen hetzelfde soort uitdagingen en tegen uitdagingen van hetzelfde niveau, zodat de aanbevelingen die voor onderwijs en opleiding worden voorgesteld, flexibel moeten zijn en dat er rekening bij moet worden gehouden met de nationale en regionale economische, sociale, demografische en culturele factoren, terwijl ook moet worden gestreefd naar een verbetering van de situatie in de EU als geheel;

I.  overwegende dat de ET 2020-samenwerking met eerbiediging van de bevoegdheden van de lidstaten de nationale acties moet aanvullen en de lidstaten moet ondersteunen bij hun inspanningen om onderwijs- en opleidingssystemen te ontwikkelen;

J.  overwegende dat economische ontwikkeling en sociale cohesie op gelijke voet moeten worden geplaatst door middel van een beleidsmix die erop is gericht om een eerlijkere verdeling te realiseren van de kennis over de bevolking, om de toenemende inkomenskloven aan te pakken die ontstaan als nevenverschijnsel van een technologische groei die bepaalde vaardigheden bevoordeelt;

K.  overwegende dat doeltreffende investeringen in onderwijs en opleidingen van hoog gehalte een bron van duurzame groei zijn;

L.  overwegende dat het lage niveau dat er momenteel is op het gebied van kennis en basisvaardigheden, zorgwekkend is en vereist dat het primaire en secundaire onderwijs de nodige basis leveren voor verder onderwijs en integratie op de arbeidsmarkt;

M.  overwegende dat de trends die wijzen op lage basisvaardigheden bij volwassenen, een versterking nodig maken van het volwassenenonderwijs, als instrument voor bijscholing en omscholing;

N.  overwegende dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse voor 2014 van mening is dat de lidstaten, wat de uitgaven betreft, manieren moeten vinden voor het beschermen of bevorderen van investeringen voor de langere termijn in onderwijs, onderzoek, innovatie, energie en klimaatactie en dat het essentieel is om te investeren in de modernisering van onderwijs- en opleidingssystemen, inclusief een leven lang leren;

O.  overwegende dat de overheidsbudgetten nog steeds onder grote druk staan, met diverse lidstaten die hun uitgaven voor onderwijs en opleiding hebben verlaagd, en dat bijkomende investeringen op dit terrein nu efficiënter moeten worden gemaakt, als beslissende factor voor productiviteit, concurrentievermogen en groei;

P.  overwegende dat, hoewel er betere resultaten zijn in verband met het halen van de ET 2020- doelstellingen inzake hoger onderwijs, in de hele Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR) melding is gemaakt van bezorgdheid in verband met de efficiëntie van de investeringen in onderwijs door de lidstaten, een primaire focus op kwantitatieve indicatoren, de onderwijsvoorwaarden, de onderwijskwaliteit, een afname van de academische vrijheid en scepticisme met betrekking tot sommige aspecten van het Bolognaproces en de tenuitvoerlegging ervan in sommige landen;

Q.  overwegende dat uit de ET 2020-Monitor blijkt dat de belangrijkste uitdaging waarmee we vandaag te maken krijgen, onderwijsarmoede is en de beperkte inclusie van personen met een lage sociaaleconomische achtergrond, zodat een sterkere sociale focus nodig is om de ET 2020-doelstellingen te realiseren en het inclusieve karakter en de kwaliteit van de onderwijs- en opleidingssystemen te verbeteren;

Het strategisch kader "ET 2020"

1.  is tevreden met de inventarisatie in het kader van ET 2020 en onderstreept het feit dat met de conclusies ervan rekening moet worden gehouden en dat deze conclusies naar behoren ten uitvoer moeten worden gelegd om de meerwaarde te vergroten en het kader zo effectief mogelijk te maken, met een versterking van de land specifieke relevantie en van wederzijds leren;

2.  betreurt het feit dat in onderwijs en opleiding enorme problemen op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en sociaaleconomische discriminatie nog niet opgelost zijn en is van mening dat zowel op Europees als op nationaal niveau ambitieuzere, beter gecoördineerde en effectievere beleidsacties moeten worden ondernomen;

3.  herhaalt dat de in maart 2015 in Parijs goedgekeurde verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs belangrijk is;

4.  is tevreden met de vermindering van het aantal prioritaire gebieden van ET 2020 tot zes, met een opsomming van specifieke gebieden waaruit de lidstaten kunnen kiezen om deze te vervullen volgens hun eigen behoeften en omstandigheden, maar merkt op dat de doeltreffendheid en het operationele aspect van ET 2020 moeten worden opgevoerd en dat een werkprogramma moet worden vastgesteld;

5.  is tevreden met de voorgestelde verlenging van de werkcyclus van 3 tot 5 jaar, om de strategische doelstellingen op lange termijn beter ten uitvoer te leggen en te werken aan kwesties als mindere resultaten van leerlingen op sommige studiegebieden, lage participatiecijfers in het volwassenenonderwijs, vroegtijdig schoolverlaten, sociale inclusie, maatschappelijke betrokkenheid, genderkloven en inzetbaarheidscijfers van afgestudeerden;

6.  is tevreden met de nieuwe generatie ET 2020-werkgroepen en verzoekt de Commissie de vertegenwoordiging van de diverse belanghebbenden in deze groepen te verbeteren, met name door de opname van meer onderwijsexperts, jongerenwerkers, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, onderwijzers en docenten, wier ervaring op het terrein essentieel is om de ET 2020-doelstellingen te realiseren; benadrukt het feit dat de resultaten van de groepen beter moeten worden verspreid op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau;

7.  is tevreden met de versterking van de sturingsrol van de informele organen binnen ET 2020, alsmede met de instelling van feedbackprocessen waarbij de groep op hoog niveau, de groepen van directeuren-generaal en de werkgroepen aan elkaar worden gekoppeld; erkent de rol die middenveldorganisaties spelen door contacten te leggen met lokale, regionale en nationale belanghebbenden en burgers met betrekking tot Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding en vraagt dat zij financiële steun krijgen in het kader van Erasmus+ (KA3) en het Europees Sociaal Fonds;

8.  vraagt dat een informeel coördinatieorgaan wordt opgericht met de directeur-generaal van het directoraat-generaal van de Commissie voor Onderwijs en Cultuur (DG EAC), de voor onderwijs bevoegde directeuren in andere DG's, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en de Commissie cultuur en onderwijs van het Parlement , dat vergaderingen op hoog niveau zou houden om te zorgen voor nauwere coördinatie van het werk, beleidscoherentie en follow-up van de aanbevelingen van formele en informele ET 2020-organen; is van mening dat deze coördinatie nodig is door de bezorgdheid inzake een gebrek aan reële dialoog tussen de Commissie en de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de spreiding van de bevoegdheden in verband met ET 2020 over diverse DG's van de Commissie en diverse commissarissen; vraagt dat over de conclusies van deze werkzaamheden naar behoren wordt gecommuniceerd, zowel op Europees als op nationaal niveau;

9.  herhaalt dat het wel belangrijk is vaardigheden te verwerven die bevorderlijk zijn voor de inzetbaarheid, maar dat de waarde, de kwaliteit en het praktische gebruik van kennis en academische rigueur moeten worden verdedigd; benadrukt het feit dat, gezien de verschillende sociaaleconomische situatie en de diverse onderwijstradities van de lidstaten, algemene prescriptieve benaderingen moeten worden vermeden; onderstreept het feit dat met de komende Vaardighedenagenda voor Europa, waarin terecht wordt gefocust op economische en werkgelegenheidsuitdagingen, ook het feit moet worden aangepakt dat feitelijke kennis, academische prestaties, kritisch denken en creativiteit belangrijk zijn; verzoekt de lidstaten tegelijk initiatieven te ondersteunen waarbij studenten hun vaardigheden kunnen tonen voor een publiek en voor potentiële werkgevers;

10.  wijst op de risico's in verband met toenemende radicalisering, geweld, pesten en gedragsproblemen vanaf de lagere school; verzoekt de Commissie op EU-niveau onderzoek uit te voeren en een overzicht te presenteren van de situatie in alle lidstaten, waarbij zij opgeeft hoe de lidstaten op deze trends reageren en of en hoe de lidstaten ethisch, persoonlijk en sociaal onderwijs in hun curricula hebben opgenomen als instrument die tot nu toe in vele scholen succesvol is gebleken, inclusief ondersteuning voor leraren met betrekking tot de horizontale vaardigheden in kwestie; dringt er bij de lidstaten op aan beste praktijken op dit gebied uit te wisselen;

11.  wijst op de waarde van een op de gemeenschap gebaseerde aanpak van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en van sterke banden tussen leeromgevingen en gezinnen;

12.  vraagt een ruimere participatie van alle betrokken spelers in het werk van ET 2020;

13.  is van mening dat lerenden zelf moeten worden aangemoedigd om actief te participeren in de governance van hun leerstructuren, op alle leeftijden en in alle soorten van leren;

14.  moedigt de lidstaten ertoe aan de banden aan te halen tussen hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, onderzoeksinstellingen en de economische sector en te zorgen voor de betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld; merkt op dat dit partnerschap de impact van ET 2020 en de relevantie van de leersystemen voor een vergroting van de innovatiecapaciteit van Europa zal vergroten;

15.  benadrukt het feit dat strategieën voor de communicatie tussen school en ouders, karakteropvoedingsprogramma's en andere programma's inzake persoonlijke ontwikkeling die in leeromgevingen in samenwerking met gezinnen en andere relevante sociale partners ten uitvoer worden gelegd, kunnen bijdragen tot opwaartse sociale convergentie, het bevorderen van actief burgerschap en van de Europese waarden die zijn vastgesteld in de verdragen en het voorkomen van radicalisering; onderstreept het feit dat een ondersteunende thuisomgeving cruciaal is voor het vormgeven van de bekwaamheid van kinderen met betrekking tot basisvaardigheden en wijst op de waarde van cursussen voor ouders, die effectief kunnen zijn voor het bestrijden van onderwijsarmoede;

16.  moedigt de uitwisseling van beste praktijken binnen het ET 2020-kader aan;

17.  benadrukt het feit dat samenwerking via ET 2020 een fundamentele aanvulling is van nationale maatregelen als leren van elkaar, gegevensverzameling, werkgroepen en uitwisselingen van goede nationale praktijken, die zullen worden versterkt door verbeteringen wat de transparantie en coördinatie ervan en verspreiding van de resultaten ervan betreft;

18.  benadrukt de rol die externe verenigingen en ngo's spelen door scholen te betreden om kinderen bijkomende vakkundigheid en sociale vaardigheden te leren, bijvoorbeeld in de kunsten of manuele activiteiten, en door te helpen bij integratie, een beter begrip van hun omgeving, solidariteit bij het leren en in het leven en het verlichten van de leervaardigheden van hele klassen;

19.  maakt zich zorgen over het feit dat de kwaliteit van de lerarenopleiding in sommige landen tekortschiet, wat breedte en complexiteit betreft, ten opzichte van de vaardigheden die vandaag nodig zijn om les te geven, bijvoorbeeld omgang met de toenemende diversiteit van de leerlingen, het gebruik van innoverende pedagogieën en instrumenten op het gebied van ICT;

20.  moedigt de lidstaten ertoe aan hun initiële lerarenopleiding en permanent bijscholingsprogramma's aan te passen, beter gebruik te maken van peer-learningactiviteiten tussen de lidstaten en samenwerking en partnerschappen tussen instellingen voor lerarenopleiding en scholen te bevorderen;

21.  is tevreden met de nieuwe ET 2020-priorieit van betere ondersteuning voor leraren en een verhoging van hun status, hetgeen voor hen essentieel is om het nodige respect af te dwingen, zodat hun beroep attractiever wordt gemaakt; is van mening dat het realiseren van deze doelstelling een betere voorbereiding en opleiding vereist van leraren en een verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, inclusief een verhoging van de salarissen in sommige lidstaten, aangezien leraren vaak minder verdienen dan het gemiddelde salaris van afgestudeerden van het hoger onderwijs;

22.  merkt bezorgd op dat in sommige lidstaten, met name in landen die in moeilijkheden verkeren, de voorbereiding van leraren en de onderwijskwaliteit zijn verminderd als gevolg van een tekort aan personeel en van besparingen op onderwijs;

23.  wijst erop dat het aanbod van onderwijs en opleiding die open en innoverend zijn, een prioritair onderdeel van ET 2020 is; wijst erop dat het belangrijk is innovatie en flexibiliteit te ontwikkelen en te bevorderen in methoden voor lesgeven, leren en kennisoverdracht waarin individuen actief participeren;

24.  moedigt de lidstaten ertoe aan ten volle gebruik te maken van het potentieel dat wordt geboden door digitalisering, ICT en nieuwe technologieën, inclusief opendataplatforms en MOOC's, om de kwaliteit en de toegankelijkheid van lesgeven en leren te verbeteren; verzoekt de EU en de lidstaten de nodige inspanningen te leveren om de digitale en ICT-vaardigheden te vergroten, mede door de organisatie van specifieke opleiding in het gebruik van deze instrumenten voor leraren en studenten op school- en universitair niveau; moedigt de uitwisseling aan van beste praktijken en meer grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied;

25.  juicht de aandacht toe die de Commissie besteedt aan het feit dat digitale vaardigheden belangrijk zijn; onderstreept het feit dat deze vaardigheden essentieel zijn om jongeren uit te rusten voor de 21e eeuw;

26.  onderstreept het feit dat de kwestie van het verbeteren van de leerresultaten ten opzichte van de beschikbare middelen binnen het ET 2020-kader meer aandacht moet krijgen, met name wat volwassenenonderwijs betreft;

27.  moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de bestaande regels voor de evaluatie van de met Europese financieringsinstrumenten gefinancierde onderwijs- en opleidingsprogramma's te herzien, met een grotere focus op effectbeoordeling op basis van de kwaliteit en op de voor aangewezen ET 2020-prioriteiten behaalde resultaten;

28.  verzoekt de lidstaten via beurzen en leningen de onderwijs- en studiepaden te ondersteunen waarvan de structuur kan helpen de kloof te dichten tussen onderwijs en praktische behoeften;

29.  benadrukt dat de inspanningen op het gebied van onderwijs en opleiding beter moeten worden geconcentreerd door bestaande programma's en initiatieven te fuseren en te stroomlijnen;

30.  verzoekt de Commissie indien nodig minderheidsgroepen afzonderlijk en verschillend te behandelen, om beter rekening te houden met de respectieve problemen waarmee elke groep te maken heeft;

31.  is er sterk van overtuigd dat investeringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen (OOJK), met passende afstemming op het gevoeligheids- en ontwikkelingspeil van elke doelgroep, meer opleveren dan investeringen in welke andere onderwijsfase ook; wijst erop dat er bewijzen zijn dat investeren in de eerste onderwijsjaren de latere kosten drukt;

32.  is ervan overtuigd dat het succes van onderwijs op alle niveaus afhankelijk is van goed opgeleide leerkrachten en op hun voortdurend verbeterende beroepsopleiding, zodat toereikende investeringen in lerarenopleidingen nodig zijn;

Kwaliteit van onderwijs en opleiding

33.  vraagt dat meer aandacht wordt besteed aan de kwaliteit van onderwijs, te beginnen bij de peutertuin en het hele leven lang;

34.  vraagt de ontwikkeling van goede praktijken voor de beoordeling van kwalitatieve vooruitgang en investering in het gebruik van kwaliteitsgegevens met belanghebbenden op lokaal, regionaal en nationaal niveau, ongeacht de relevantie van de indicatoren en benchmarks die in het ET 2020-kader worden gebruikt;

35.  benadrukt het belang van het onderwijzen en leren van algemene basisvaardigheden zoals ICT, wiskunde, kritisch denken, vreemde talen, mobiliteit enz. die jongeren in staat stellen zich gemakkelijk aan te passen aan een veranderende sociale en economische omgeving;

36.  merkt op dat een ongezien aantal lerenden formeel onderwijs volgt; speekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat het werkloosheidscijfer bij jongeren in de EU hoog blijft en dat de partcipatiegraad van afgestudeerden van het hoger onderwijs is afgenomen;

37.  benadrukt het feit dat de benchmarkdoelstellingen voor onderwijs en opleiding die zijn vastgesteld in de Europa 2020-strategie, met name het verminderen van het aantal vroegtijdige schoolverlaters tot minder dan 10 % en het realiseren van een cijfer van 40 % van de jongere generatie met een tertiair diploma, niet mogen worden gehaald ten koste van de onderwijskwaliteit, maar veeleer moeten worden gerealiseerd door rekening te houden met de eerste ET 2020-doelstelling van relevante en hoogwaardige vaardigheden; merkt op dat één manier om hiertoe te komen, de ontwikkeling is van projecten op het gebied van duaal onderwijs;

38.  vestigt de aandacht op het feit dat gestandaardiseerde tests en kwantitatieve benaderingen van de onderwijsaansprakelijkheid in het beste geval een nauwe bandbreedte aan traditionele vaardigheden meten en ertoe kunnen leiden dat scholen de lessyllabi moeten aanpassen aan het testmateriaal, zodat de intrinsieke waarden van onderwijs worden verwaarloosd; wijst erop dat onderwijs en opleiding een belangrijke rol spelen voor het ontwikkelen van ethische en burgerlijke waarden en van menselijkheid, terwijl het werk van leraren en de prestaties van leerlingen op dit gebied in testresultaten niet naar voren komen; wijst in verband hiermee op het feit dat in onderwijsomgevingen flexibiliteit, innovatie en creativiteit nodig zijn, die de leerkwaliteit en de onderwijsprestaties kunnen stimuleren;

39.  benadrukt het feit dat basisvaardigheden moeten worden ontwikkeld om tot hoogwaardig onderwijs te komen;

40.  benadrukt het feit dat het belangrijk is hoogwaardig onderwijs aan te bieden voor jonge kinderen en dit tijdig te moderniseren; benadrukt het feit dat een cruciale rol is weggelegd voor een op het individu gerichte benadering van onderwijs- en opleidingssystemen die ten goede komt aan de ontwikkeling van creativiteit en kritisch denken, terwijl wordt gefocust op de persoonlijke interesses, behoeften en bekwaamheden van studenten;

41.  verzoekt de lidstaten investeringen te sluizen naar inclusief onderwijs dat voldoet aan de maatschappelijke behoeften met betrekking tot het garanderen van gelijke toegang en kansen voor iedereen; benadrukt dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, inclusief mogelijkheden op het gebied van een leven lang leren en programma's voor het aanpakken van alle vormen van discriminatie, economische en sociale ongelijkheden en de oorzaken van uitsluiting, essentieel zijn om de sociale cohesie en de levens van jongeren te verbeteren die te lijden hebben onder sociale en economische achterstelling, alsmede leden van minderheidsgroepen, en wijst erop dat de inspanningen moeten worden voortgezet om hun vroegtijdig schoolverlaten te verminderen;

42.  vraagt meer inclusie in onderwijs en opleiding om te voorzien in de behoeften van personen met een handicap of met speciale behoeften en dringt tegelijk aan op een verbetering van de lerarenopleiding, om leraren uit te rusten met de vaardigheden die nodig zijn om studenten met een handicap op te nemen, te integreren en te helpen;

43.  wijst erop dat de neveneffecten van het Bolognaproces en de studentenmobiliteit moeten worden beoordeeld en geëvalueerd; moedigt de lidstaten ertoe aan meer inspanningen te leveren om de doelstellingen te realiseren en de tenuitvoerlegging te garanderen van de hervormingen die in het kader van het Bolognaproces en de mobiliteitsprogramma's zijn afgesproken en zich te verplichten tot effectievere samenwerking om de tekortkomingen ervan te corrigeren, zodat zij beter de behoeften weerspiegelen van de studenten en de academische gemeenschap als geheel en kwaliteitsverbeteringen in het hoger onderwijs stimuleren en ondersteunen;

44.  pleit voor een ruimere betrokkenheid van de universitaire gemeenschap bij de werkcyclus van ET 2020;

45.  merkt op dat het Bolognaproces significante resultaten heeft opgeleverd en is van mening dat onderwijsinstellingen flexibiliteit moeten toepassen bij het gebruik van modules en het Europese puntenoverdrachtsysteem (European Credit Transfer System, ECTS);

46.  is tevreden met de inspanningen om de inschrijvingen in de STEM-disciplines (Science, Technology, Engineering, and Mathematics) te laten toenemen, maar niet ten koste van de menswetenschappen, die onontbeerlijk zijn om behoorlijk gebruik te maken van de kansen die de STEM-disciplines bieden;

47.  wijst erop dat de productie van financiële output geen voorwaarde mag zijn voor alle academische activiteiten en vraagt in verband hiermee dat inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat de menswetenschappen niet van het onderzoekslandschap dreigen te worden geveegd;

48.  pleit voor een holistischere kijk waarbij wordt benadrukt dat een variëteit aan disciplines in onderwijs en onderzoek belangrijk is;

49.  pleit voor een omschakeling naar het opzetten van mobiliteitsprogramma's volgens kwalitatieve resultaten die overeenkomen met prioriteiten en die vastgestelde leer- en opleidingsdoelstellingen dienen; vraagt een behoorlijke tenuitvoerlegging van de voorstellen van het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit en een beter gebruik van alle beschikbare instrumenten om studenten voor te bereiden op de juiste soort van mobiliteit die zij nodig kunnen hebben; moedigt de lidstaten ertoe aan ten volle het potentieel te benutten van internationalisering in eigen land, om studenten die ervoor kiezen niet te participeren in mobiliteit naar het buitenland, een internationale dimensie tijdens hun studie te bieden;

50.  herhaalt dat het nodig is toegankelijkheid te garanderen van mobiliteitsmogelijkheden, met name in de beroepsopleiding, voor achtergestelde jongeren en personen die te lijden hebben onder diverse vormen van discriminatie; benadrukt het feit dat een belangrijke rol wordt gespeeld door mobiliteitsprogramma's als Erasmus+ voor het stimuleren van de ontwikkeling van horizontale vaardigheden bij jongeren; wijst erop dat de vernieuwde Europese agenda voor volwasseneneducatie moet worden versterkt;

51.  benadrukt het feit dat een algemeen kader voor de erkenning van kwalificaties en diploma's van essentieel belang is om grensoverschrijdende onderwijs- en arbeidsmobiliteit te garanderen;

52.  vraagt dat meer inspanningen worden geleverd voor het waarderen van niet-formeel en informeel leren, inclusief vrijwilligersdiensten, en dat instrumenten worden ontwikkeld voor de erkenning van kennis en vaardigheden die verworven zijn op digitale wijze;

53.  merkt op dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het vereenvoudigen en rationaliseren van de bestaande EU-instrumenten voor vaardigheden en kwalificaties die bedoeld zijn voor het grote publiek, om dit beter te bereiken, overeenkomstig de resultaten van het in 2014 door de Commissie uitgevoerde onderzoek naar de Europese ruimte van vaardigheden en kwalificaties;

Migratie en onderwijs

54.  benadrukt het feit dat de uitdagingen die de intra- en extra-Europese migratie en de huidige vluchtelingen- en humanitaire crisis stellen aan de onderwijs- en opleidingsstelsels, op Europees, nationaal en regionaal niveau moeten worden aangepakt;

55.  wijst erop dat, als migranten, vluchtelingen en asielzoekers geen onderwijs en opleiding wordt geboden, dit negatieve gevolgen heeft voor hun toekomstige inzetbaarheid, voor de ontwikkeling van hun kennis van de culturele en sociale waarden van hun gastland en uiteindelijk voor hun integratie in en hun bijdrage tot de maatschappij;

56.  vraagt betere samenwerking tussen de EU- en de nationale autoriteiten om de juiste aanpak te vinden om vluchtelingen en migranten vlot, volledig en duurzaam te integreren in de onderwijs- en opleidingssystemen;

57.  is tevreden met het besluit om migrantenonderwijs een plaats te geven in het werk van de ET 2020-werkgroepen en om aan het begin van de levenscyclus van de groepen peer-learningactiviteiten op dit gebied te organiseren;

58.  benadrukt het feit dat de ministeries van Onderwijs van de lidstaten en DG EAC van de Commissie moeten samenwerken om gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs te garanderen, met name door contact te leggen met de meest achtergestelden en met mensen met diverse achtergronden, inclusief pas gearriveerde migranten, en door deze te integreren in een positieve leeromgeving;

59.  vraagt maatregelen om kinderen van intra- en extra-Europese migranten, vluchtelingen en asielzoekers te integreren in de onderwijs- en opleidingssystemen en hen te helpen zich aan te passen aan de curricula en de onderwijsnormen van het gastland, door innoverende leermethoden te ondersteunen en kinderen taalhulp en indien nodig sociale hulp te bieden en door hen in staat te stellen zich vertrouwd te maken met de cultuur en waarden van het gastland, met behoud van hun eigen cultureel erfgoed;

60.  moedigt de lidstaten ertoe aan de mogelijkheden te onderzoeken om gemigreerde leraren en academici te integreren in de Europese onderwijsstelsels, waar zij hun taal- en onderwijsvaardigheden en hun ervaring kunnen benutten;

61.  beveelt aan dat de lidstaten en onderwijsaanbieders advies en steun verlenen voor de kinderen van migranten, vluchtelingen en asielzoekers die toegang willen tot onderwijsdiensten door de verstrekking van duidelijke informatie en zichtbare contactpunten;

62.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de helft van de lerarenopleiders in de OESO-landen van mening is dat de systemen voor lerarenopleiding hen er onvoldoende op voorbereiden om effectief om te gaan met diversiteit en moedigt de betrokken lidstaten aan permanente professionele ondersteuning te garanderen voor leraren op dit gebied, om hen uit te rusten met de nodige pedagogische vaardigheden wat de kwesties van migratie en acculturatie betreft en hen in staat te stellen diversiteit te gebruiken als rijke leerbron in de klassen; pleit voor een beter gebruik van het potentieel van peer-learningactiviteiten onder de lidstaten;

63.  steunt de idee van de invoering van helpdesks en richtsnoeren voor leraren, om snel hulp te bieden voor een positieve omgang met diverse soorten diversiteit en voor de bevordering van de interculturele dialoog in de klas, alsmede sturing, wanneer zij geconfronteerd worden met studenten die dreigen te radicaliseren;

64.  vraagt de totstandbrenging van gedifferentieerde synergieën tussen de ET 2020-werkgroepen en netwerken als de werkgroep onderwijs van het netwerk voor voorlichting over radicalisering (Radicalisation Awareness Network, RAN);

65.  vraagt de oprichting van de desbetreffende deskundigengroep overeenkomstig het werkplan voor jeugdzaken van de Europese Unie voor 2016-2018;

66.  benadrukt het feit dat er meer leerprogramma's nodig zijn op basis van taal;

67.  verzoekt de lidstaten inspanningen te leveren om snel mechanismen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen ter verbetering van het begrip en de identificatie van de kwalificaties van migranten, vluchtelingen en asielzoekers, aangezien vele nieuwkomers in de EU geen bewijs hebben meegebracht van hun formele kwalificaties;

68.  verzoekt de lidstaten te onderzoeken hoe bestaande vormen van erkenning van beroepskwalificaties kunnen worden ontwikkeld, inclusief passende controles van de onderwijsachtergrond;

69.  is van mening dat niet-formeel en formeel leren het potentieel hebben een doeltreffend instrument te zijn voor de succesvolle integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt en de samenleving;

70.  wijst erop dat niet-formeel en informeel leren, naast deelname aan sport en vrijwilligersactiviteiten, een belangrijke rol spelen voor het stimuleren van de ontwikkeling van burgerlijke, sociale en interculturele vaardigheden; benadrukt het feit dat sommige landen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met de ontwikkeling van wettelijke kaders op dit gebied, terwijl andere moeilijkheden ondervinden om algemene valideringsstrategieën te creëren; benadrukt daarom het feit dat algemene strategieën voor validering moeten worden ontwikkeld;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te faciliteren voor studenten die migrant, vluchteling of asielzoeker zijn die zich inschrijven op universitair niveau, onverminderd de nationale regels en bevoegdheden inzake toegang tot onderwijs en opleiding; verwelkomt de initiatieven die in dit verband door een aantal Europese universiteiten zijn genomen en moedigt de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied;

72.  vraagt de oprichting van onderwijscorridors, om studenten die vluchteling zijn of die komen uit conflictgebieden, in staat te stellen zich in te schrijven aan Europese universiteiten, inclusief voor afstandsonderwijs;

73.  verzoekt de lidstaten de inschrijving te faciliteren van studenten die migrant zijn op alle onderwijsniveaus;

74.  is van mening dat het Science4Refugees-programma moet worden geëvalueerd en indien nodig verder ontwikkeld; pleit voor steun op EU- en nationaal niveau voor non-profitinstellingen die steun verlenen aan academici in de wetenschap en op andere beroepsterreinen die migrant, vluchteling of asielzoeker zijn;

75.  merkt op dat er risico's zijn voor de lidstaten als gevolg van de braindrain, vooral in Centraal-/Oost- en Zuid-Europa, waar een toenemend aantal jonge afgestudeerden verplicht is te emigreren; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de ET 2020-werkgroepen er niet in zijn geslaagd het concept van onevenwichtige mobiliteit adequaat aan te pakken en benadrukt het feit dat het probleem moet worden aangepakt op nationaal en EU-niveau;

76.  benadrukt het feit dat onderwijs en opleiding een cruciale rol spelen voor de empowerment van vrouwen op alle terreinen van het leven; benadrukt het feit dat de genderkloven moeten worden aangepakt en dat de bijzondere behoeften van jonge vrouwen moeten worden erkend door opname van het genderperspectief in ET 2020; benadrukt het feit dat, aangezien gelijkheid tussen mannen en vrouwen een van de basiswaarden is van de EU, alle onderwijsinstellingen dit principe moeten steunen en onder hun studenten ten uitvoer moeten leggen, ter bevordering van tolerantie, non-discriminatie, actief burgerschap, sociale cohesie en interculturele dialoog;

o
o   o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(2) PB C 70 van 8.3.2012, blz. 9.
(3) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(4) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 31.
(5) PB C 327 van 4.12.2010, blz. 11.
(6) PB C 64 van 5.3.2013, blz. 5.
(7) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 22.
(8) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.
(9) PB C 17 van 20.1.2015, blz. 2.
(10) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(11) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(12) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(13) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(14) http://ec.europa.eu/education/news/2015/documents/citizenship-education-declaration_en.pdf
(15) http://ec.europa.eu/education/policy/vocational-policy/doc/2015-riga-conclusions_en.pdf
(16) http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/125en.pdf
(17) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 5.
(18) http://ec.europa.eu/education/tools/docs/university-business-forum-brussels_en.pdf
(19) http://www.cedefop.europa.eu/files/3052_en.pdf
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0107.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0418.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.


Voortgangsverslag hernieuwbare energie
PDF 228kWORD 117k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie (2016/2041(INI))
P8_TA(2016)0292A8-0196/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name titel XX over milieu en titel XXI over energie,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name titel IX over werkgelegenheid en titel XVIII over economische, sociale en territoriale samenhang,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang en Protocol nr. 28 betreffende economische, sociale en territoriale samenhang,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Voortgangsverslag hernieuwbare energie" (COM(2015)0293) en de nationale plannen,

–  gezien de 21e Conferentie van partijen (COP 21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die zijn gehouden in Parijs van 30 november tot 11 december 2015, en het akkoord van Parijs,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een geïntegreerd strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan): een snellere omvorming van het Europese energiesysteem" (C(2015)6317),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 over de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)" en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(3),

–  gezien de studie van het EESC naar de rol van de civiele samenleving bij de uitvoering van de EU-richtlijn hernieuwbare energie, getiteld "De energievoorziening van de toekomst: de civiele samenleving als belangrijke speler bij de opwekking van hernieuwbare energie",

–  gezien het actieplan voor duurzame energie van het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie,

–  gezien het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden,

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(4),

–  gezien zijn resolutie van 14 oktober 2015 over "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie"(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0196/2016),

A.  overwegende dat de EU als geheel goed op schema ligt om de 2020-doelstellingen voor hernieuwbare energie te halen, maar dat er in enkele lidstaten verdere inspanningen nodig zijn;

B.  overwegende dat de kosten voor hernieuwbare energie in de afgelopen jaren aanzienlijk zijn afgenomen, waardoor, in combinatie met de technologische vooruitgang op het gebied van productie en opslag, hernieuwbare energie steeds concurrerender is geworden met conventionele energieopwekking, wat een unieke gelegenheid biedt om een echt Europees energiebeleid tot stand te brengen waardoor het concurrentievermogen wordt versterkt en broeikasgasemissies worden verlaagd; overwegende dat de transitie naar een duurzaam, toekomstgericht energiesysteem inspanningen moet omvatten voor energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, optimaal gebruik van Europese energiebronnen, technologische ontwikkeling en slimme infrastructuren; overwegende dat een op de lange termijn stabiel regelgevingskader nodig is om economische groei en banen te creëren en ervoor te zorgen dat de EU op deze gebieden een leidende rol blijft spelen;

C.  overwegende dat het Europese energiebeleid er overeenkomstig artikel 194 VWEU op gericht is de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, energie-efficiëntie en energiebesparing te stimuleren, alsmede de ontwikkeling van hernieuwbare energie en de interconnectie van energienetwerken te bevorderen; overwegende dat bindende nationale en EU-doelstellingen, concrete plannings- en rapportageverplichtingen en faciliterende maatregelen de belangrijkste drijvende krachten zijn geweest voor investeringszekerheid en voor de uitbreiding van de capaciteit voor hernieuwbare energie in de EU, alsmede van transmissie- en distributie-infrastructuur;

D.  overwegende dat de richtlijn hernieuwbare energie moet worden herzien overeenkomstig het Akkoord van Parijs van de CoP 21, teneinde te voldoen aan de overeengekomen doelstelling om de verwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C in vergelijking met het pre-industriële niveau; overwegende dat een economie die gebaseerd is op 100 % hernieuwbare energiebronnen alleen kan worden gerealiseerd wanneer ons energieverbruik wordt beperkt, de energie-efficiëntie wordt verbeterd en hernieuwbare energiebronnen worden bevorderd;

E.  overwegende dat een ambitieus beleid voor hernieuwbare energie in combinatie met energie-efficiëntie, een belangrijke drijvende kracht vormt voor het beperken van de invoerafhankelijkheid van de EU, het verlagen van haar totale externe energierekening en het vergroten van de energiezekerheid ten opzichte van externe leveranciers; overwegende dat de EU meer dan de helft van de energie die zij verbruikt invoert, wat meer dan 1 miljard EUR per dag kost, ofwel meer dan 20% van de totale invoer; overwegende dat de invoerafhankelijkheid met name hoog is voor ruwe olie, aardgas en steenkool; overwegende dat de niet-gemaakte kosten voor ingevoerde brandstoffen als gevolg van een verhoogd gebruik van hernieuwbare energie ten minste 30 miljard EUR per jaar bedragen;

F.  overwegende dat de ontwikkeling van hernieuwbare energie kan helpen de energiezekerheid en -soevereiniteit te garanderen, de energiearmoede uit te bannen en de economische ontwikkeling en het technologisch leiderschap van de EU te bevorderen terwijl de klimaatverandering wordt tegengegaan; overwegende dat hernieuwbare energiebronnen ertoe zouden bijdragen dat Europese burgers worden voorzien van stabiele, betaalbare, duurzame energie, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare groepen; overwegende dat hernieuwbare energiebronnen burgers in staat moeten stellen te profiteren van zelfopwekking en een voorspelbare energievoorziening;

G.  overwegende dat de ontwikkeling van hernieuwbare energie gepaard moet gaan met de ontwikkeling van een goed werkende interne elektriciteitsmarkt; overwegende dat de energie-unie gebaseerd moet zijn op een transitie naar een duurzaam, toekomstgericht energiesysteem met energie-efficiëntie en -besparing, hernieuwbare energie en slimme infrastructuren als belangrijke pijlers;

H.  overwegende dat EU-bedrijven in de sector hernieuwbare energie, waaronder veel mkb-bedrijven, in Europa aan meer dan 1,15 miljoen personen werkgelegenheid bieden en wereldwijd 40 % van alle octrooien op het vlak van hernieuwbare technologieën bezitten, waardoor de EU wereldleider is; overwegende dat volgens de Commissie tussen nu en 2020 20 miljoen banen kunnen worden gecreëerd in de groene economie, wat ook een enorme kans biedt voor het creëren van werkgelegenheid in plattelandsgebieden; overwegende dat projecten van mkb-bedrijven, coöperaties en particulieren een belangrijke rol spelen in het innoveren en ontwikkelen van de hernieuwbare-energiesector;

I.  verwegende dat de Commissie vastbesloten is om van Europa de wereldleider op het vlak van hernieuwbare energie te maken, wat noodzakelijk is in het kader van het industriebeleid; overwegende dat China de wereldwijde koploper is geworden in het investeren in hernieuwbare energie, terwijl de investeringen in Europa met 21 % daalden, van 54,61 miljard EUR (62 miljard USD) in 2014 tot 42,99 miljard EUR (48,8 miljard USD) in 2015, het laagste bedrag in negen jaar;

J.  overwegende dat voortdurende investeringen in hernieuwbare energie zowel ambitieus publiek als particulier leiderschap vereisen en een stabiel en betrouwbaar beleidskader voor de lange termijn dat strookt met de toezeggingen die voortvloeien uit het klimaatakkoord van Parijs, waardoor er veel werkgelegenheid en groei in Europa kan worden gecreëerd;

K.  overwegende dat ambitieuze en realistische doelstellingen - overheidsparticipatie en ‑toezicht, duidelijke en eenvoudige regelgeving, steun voor hernieuwbare energie op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau en betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden, inclusief de sociale partners (waardoor de vertegenwoordigers van werknemers en de industrie bijeen worden gebracht) - essentieel zijn en verder moeten worden versterkt voor de succesvolle ontwikkeling van hernieuwbare energie;

L.  overwegende dat het belangrijk is om eigendomsrechten te respecteren bij het bevorderen van hernieuwbare energie;

M.  overwegende dat hernieuwbare energie een kans biedt meer voor energiedemocratie op energiemarkten door burgers in staat te stellen om actief deel te nemen aan de energiemarkt, op gelijke voet met andere belanghebbenden, om zelf energie op te wekken en zelf opgewekte energie te gebruiken, op te slaan en te verkopen, op individuele wijze of op basis van collectief beheer, en door publieke en private investeringen, met inbegrip van gedecentraliseerde vormen van energieproductie door steden, regio's en lokale overheden; overwegende dat hernieuwbare-energieprojecten burgers in staat moeten stellen om het energieverbruik en de energietransitie meer zelf ter hand te nemen en hun directe betrokkenheid bij het energiesysteem te bevorderen, o.a. door investeringsregelingen;

N.  overwegende dat windmolens op de Noordzee in 2030 meer dan 8 % van de in Europa geleverde elektriciteit kunnen opwekken;

O.  overwegende dat bepaalde lidstaten afhankelijker zijn van een enkele leverancier van fossiele brandstoffen; overwegende dat dankzij hernieuwbare energie 30 miljard EUR werd bespaard op fossiele brandstoffen en het aardgasverbruik met 7 % werd verminderd, zodat de energie-onafhankelijkheid en energiezekerheid van Europa, dat nog steeds de grootste importeur van energie ter wereld is, werden versterkt;

Voortuitgang op het gebied van hernieuwbare energie

1.  is verheugd over de toezeggingen van de Commissie op het gebied van hernieuwbare energie; is van mening dat, met betrekking tot de richtlijn hernieuwbare energie, de huidige combinatie van bindende nationale doelstellingen, nationale plannen voor hernieuwbare energie en tweejaarlijkse monitoring de belangrijkste drijvende kracht was voor de ontwikkeling van capaciteit voor hernieuwbare energie in de EU; dringt er bij de Commissie op aan om te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn hernieuwbare energie voor 2020 en een ambitieus wettelijk kader voor te stellen voor de periode na 2020; benadrukt in dit verband dat een stabiel regelgevingskader voor de lange termijn nodig is, met inbegrip van bindende doelstellingen voor hernieuwbare energie die consistent zijn met de meest efficiënte route naar de klimaatdoelstellingen van de Unie voor de lange termijn (2050);

2.  merkt met tevredenheid op dat de EU op schema ligt om haar 2020-doelstelling te halen, uit tegelijkertijd zijn bezorgdheid over het grote aantal landen (België, Frankrijk, Luxemburg, Malta, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) dat zijn beleid en instrumenten, volgens het voortgangsverslag hernieuwbare energie 2014-2020 van de Commissie van 2015, wellicht zal moeten versterken om zijn 2020-doelstellingen te kunnen halen, terwijl het van Hongarije en Polen evenmin zeker is of zij de 2020-doelstellingen voor hernieuwbare energie zullen halen; dringt er bij de achterblijvende lidstaten op aan aanvullende maatregelen te nemen om weer op schema te komen liggen; is verheugd over het feit dat enkele lidstaten, zoals Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Estland, Kroatië, Italië, Letland, Litouwen, Oostenrijk, Roemenië, Finland en Zweden, hun 2020-doelstellingen al hebben gehaald of deze binnenkort, ruimschoots op tijd, zullen halen;

3.  betreurt dat er in het voortgangsverslag hernieuwbare energie van de Commissie geen landenspecifieke aanbevelingen worden gedaan om hun beleidsmaatregelen en ‑instrumenten aan te passen om ervoor te zorgen dat zij hun 2020-doelstellingen halen; benadrukt dat de toegang tot kapitaal essentieel is, maar dat de kosten van kapitaal in de EU-28 sterk uiteenlopen, resulterend in een kloof tussen het noordwesten en zuidoosten; merkt op dat het bestaan van veel verschillende beleidsmaatregelen voor de bevordering van hernieuwbare energie het risico met zich meebrengt dat de concurrentiekloof tussen de EU-landen groter wordt; wijst op de noodzaak van een financieel mechanisme van de EU dat gericht is op het verlagen van de hoge risico-gerelateerde investeringskosten van hernieuwbare-energieprojecten;

4.  benadrukt in dit verband dat het van belang is dat beste praktijken op het gebied van nationaal beleid voor hernieuwbare energie worden vastgesteld en gedeeld en dat de navolging ervan wordt aangemoedigd in het kader van een meer convergent Europees model, dat versterkte samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten bevordert; vraagt de Commissie de vooruitgang te blijven monitoren en de ontwikkeling op het gebied van hernieuwbare energie actief te blijven ondersteunen; benadrukt dat het belangrijk is dat hernieuwbare energiebronnen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen, duurzaamheid, kosteneffectiviteit en op hun bijdrage aan het bewerkstelligen van geopolitieke stabiliteit en het behalen van de klimaatveranderingsdoelstellingen;

5.  erkent de belangrijke rol die nationale plannen en verslagleggingsverplichtingen spelen bij het monitoren van de vooruitgang van de lidstaten en is van mening dat deze verplichtingen moeten worden voortgezet in de periode na 2020; erkent dat de vaststelling van de energiemix van lidstaten een nationale bevoegdheid blijft in het kader van artikel 194 VWEU, waarbij iedere lidstaat de ontwikkeling van zijn eigen hernieuwbare vormen van energie bevordert, en de energiemixen bijgevolg zeer verschillend blijven;

6.  benadrukt het belang van eenvoudige, toegankelijke, betaalbare en efficiënte administratieve procedures;

7.  verzoekt de Commissie een beoordeling van de gevolgen van hernieuwbare energiebronnen voor de kosten en prijzen, en met name de prijzen voor huishoudens, op te nemen in de toekomstige voortgangsverslagen inzake hernieuwbare energie;

8.  wijst op het belang van een EU-wetgevingsvoorstel met betrekking tot de regels inzake de energiemarkt, aangezien een verder geïntegreerde markt essentieel is voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en het terugdringen van de energiekosten voor huishoudens en bedrijven;

9.  benadrukt het belang van stabiele en kosten-effectieve steunregelingen voor hernieuwbare energie voor langetermijninvesteringen die op korte termijn kunnen worden aangepast en die worden afgestemd op nationale behoeften en omstandigheden, waardoor subsidies voor rijpe hernieuwbare technologieën geleidelijk kunnen worden afgebouwd; is verheugd over het feit dat een aantal technologieën voor hernieuwbare energie qua kosten snel zal kunnen concurreren met conventionele manieren van opwekking; benadrukt dat de energietransitie afhangt van transparantie, samenhang en continuïteit van wettelijke, financiële en regelgevingskaders, teneinde het investeerdersvertrouwen te versterken; betreurt retroactieve wijzigingen van steunregelingen voor hernieuwbare energie die het rendement op reeds gedane investeringen veranderen; verzoekt de lidstaten om aanpassingen van steunregelingen voor hernieuwbare energie altijd ruim op tijd aan te kondigen en belanghebbenden tijdig op grote schaal te raadplegen; verzoekt de Commissie snel te controleren of nationale steunregelingen verenigbaar zijn met de regels voor staatssteun volgens de richtsnoeren van de Europese Commissie, teneinde onnodige vertragingen bij de uitvoering hiervan te voorkomen en marktverstoringen tot een minimum te beperken;

10.  benadrukt dat onderzoek en ontwikkeling een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen; herinnert aan het streefcijfer van het Parlement van 85 % financiering voor niet-fossiele energie in het energiehoofdstuk van Horizon 2020; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten het feitelijke gebruik van alle bestaande steunregelingen verder te faciliteren en ervoor te zorgen dat met name mkb-bedrijven toegang hebben tot kapitaal, en onderzoek en ontwikkeling op het gebied van hernieuwbare energie, opslag en gerelateerde productontwikkeling te ondersteunen om de hernieuwbare-energiesector van de EU concurrerender te maken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er meer gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie en te vermijden dat de concurrentiekloof tussen EU-lidstaten breder wordt;

11.  benadrukt dat de opslag van elektriciteit kan bijdragen tot het zorgen voor flexibiliteit in het elektriciteitssysteem van de EU en het inspelen op schommelingen als gevolg van de productie van hernieuwbare energie; herhaalt dat opslag niet wordt genoemd in de huidige Elektriciteitsrichtlijn 2009/72/EG en benadrukt dat bij de komende herziening van de Elektriciteitsrichtlijn rekening moet worden gehouden met de meerdere diensten waarin energieopslag kan voorzien; is van mening dat een verduidelijking van de functie van opslag ervoor zou zorgen dat beheerders van transmissiesystemen en netwerken kunnen investeren in diensten voor energieopslag;

12.  benadrukt dat steunregelingen op alle niveaus gericht moeten zijn op technologieën die in hoge mate kunnen bijdragen tot het beperken van de kosten van hernieuwbare energie en/of vergroting van de afname hiervan op de markt;

13.  is van mening dat toekomstige onderzoeks- en ontwikkelingsstrategieën gericht moeten zijn op het vergemakkelijken van de ontwikkeling van slimme netten en slimme steden; is bovendien van mening dat de overschakeling op elektrisch vervoer, oplaadpunten voor intelligente voertuigen en technologieën voor de koppeling van voertuigen en stroomnetten aanzienlijk kunnen bijdragen tot de verbetering van de energie-efficiëntie en het potentiële gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

14.  meent dat het EFRO en het Cohesiefonds een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG en het beleidskader voor klimaat en energie voor 2030, alsook aan de financiering van onderzoek en innovatie met betrekking tot de opwekking van hernieuwbare energie, waarbij tegelijk het scheppen van banen en de economische groei worden ondersteund; wijst op het belang van thematische concentratie in het cohesiebeleid, waardoor investeringen beter naar een koolstofarme economie gesluisd kunnen worden, met inbegrip van hernieuwbare energie, met name in het licht van de prominente rol van de thematische doelstelling "De overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken ondersteunen"; vraagt de lidstaten dat zij hun inspanningen opvoeren en optimaal gebruik maken van de financieringsmogelijkheden die voor dit doel bestaan, en dat zij daarbij extra aandacht besteden aan de kansen voor de ontwikkeling van plaatselijke ondernemingen en het scheppen van banen; wijst op de gemeenschappelijke bepalingen in het EFRO en het Cohesiefonds ter ondersteuning van de subsidiabiliteit van projecten in verband met energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in particuliere huishoudens, openbare gebouwen en ondernemingen en meent dat de regionale integratie van de markt voor hernieuwbare energie, die dankzij deze financiering kan worden gerealiseerd, een belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid op dit gebied zou vormen;

15.  onderstreept dat er meer samenwerking en coördinatie nodig is binnen en tussen de lidstaten en regio's en een integrale aanpak van overheidsinvesteringen in en kredieten voor technische verbetering, de ontwikkeling en uitvoering van slimme netten, aanpassing van het net en capaciteit, slimme meters, opslag, vraagsturing, energie-efficiëntie en de innovatieve productie van hernieuwbare energie;

16.  benadrukt dat de netten in veel lidstaten eenvoudigweg geen stroom kunnen ontvangen uit variabele hernieuwbare energiebronnen; benadrukt dat het van groot belang is om de energienetten te moderniseren om deze aan te passen aan de veranderingen op het gebied van productie en transmissie;

17.  vraagt dringend om meer transparantie en meer inspraak van het publiek, waarbij alle relevante belanghebbenden in een vroeg stadium worden betrokken bij de ontwikkeling van de nationale plannen voor hernieuwbare energie; betreurt het huidige gebrek aan informatie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn hernieuwbare energie en benadrukt dat meer gedetailleerde tweejaarlijkse verslagen van de lidstaten nodig zijn; vraagt de Commissie een grotere rol op zich te nemen in het monitoren en ondersteunen van de vooruitgang op het gebied van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie de transparantie ten aanzien van het gebruik van haar handhavingsbevoegdheid te verhogen;

18.  benadrukt het belang van betrokkenheid van alle bestuurslagen, alsmede verenigingen, bij de tenuitvoerlegging van een Europees op hernieuwbare energie gebaseerd model van energieproductie, -verbruik en eigen verbruik; vraagt de Commissie meer steun te verlenen aan het Burgemeestersconvenant, Slimme Steden en Gemeenschappen en de 100 % RES-gemeenschappen, waardoor kennis en beste praktijken kunnen worden gedeeld;

19.  merkt op dat het uitbreiden van de regionale samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie essentieel is om de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen te waarborgen;

20.  is verheugd over het feit dat er in 2013 dankzij het gebruik van hernieuwbare energiebronnen circa 388 miljoen brutoton minder CO2 is geproduceerd en de vraag naar fossiele brandstoffen in de EU met 116 Mtoe is gedaald;

21.  wijst op het enorme potentieel voor het scheppen van werkgelegenheid in de hernieuwbare-energiesector; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat arbeidsnormen niet worden verlaagd als gevolg van de energietransitie, die gebaseerd moet zijn op het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen;

Hernieuwbare energie voor de toekomst

22.  benadrukt dat de doelstellingen van de richtlijn hernieuwbare energie moeten worden afgestemd op de klimaatdoelstellingen die in december 2015 door 195 landen zijn overeengekomen in Parijs; neemt nota van het voorstel van de Europese Raad om tegen 2030 een aandeel van ten minste 27 % hernieuwbare energie in het energieverbruik te hebben; herinnert aan zijn vraag om bindende doelstellingen, namelijk een aandeel van ten minste 30 % hernieuwbare energie in het energieverbruik, die moeten worden gehaald middels nationale doelstellingen om te zorgen voor de noodzakelijke investerings- en rechtszekerheid; is van mening dat een aanzienlijk ambitieuzere doelstelling wenselijk is met het oog op het recente akkoord van de CoP 21; staat erop dat duidelijke en ambitieuze doelstellingen op dit vlak een middel zijn om de zekerheid te verbeteren en een leidende positie voor de EU op mondiaal niveau te waarborgen; verzoekt de Commissie dan ook om te komen met een ambitieuzer klimaat- en energiepakket voor 2030 waarmee het streefcijfer van de EU voor het aandeel van hernieuwbare energie tot ten minste 30 % wordt verhoogd en dat ten uitvoer moet worden gelegd door middel van afzonderlijke nationale doelstellingen;

23.  benadrukt het belang van de nieuwe wetgeving voor hernieuwbare energie en marktontwerp voor het creëren van een nieuw kader dat geschikt is voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, op basis van betrouwbare steunregelingen en een volledige participatie van hernieuwbare technologieën op de markt;

24.  realiseert zich dat belastingverlaging een krachtige prikkel is om van fossiele brandstoffen over te stappen op hernieuwbare energie, en dringt er bij de Commissie op aan de energiebelastingrichtlijn en de staatssteunregeling, die een optimaal gebruik van dergelijke prikkels in de weg staan, te hervormen;

25.  benadrukt dat de reeds voor 2020 overeengekomen doelstellingen als minimaal uitgangspunt moeten dienen wanneer de richtlijn hernieuwbare energie wordt herzien, zodat de lidstaten na 2020 niet onder hun nationale doelstelling voor 2020 kunnen geraken; benadrukt dat de EU-doelstelling voor hernieuwbare energie voor 2030 collectieve prestaties vereist; benadrukt dat de lidstaten hun nationale plannen tijdig moeten ontwikkelen en dat de Commissie ook na 2020 versterkt toezicht moet uitoefenen en moet beschikken over toereikende instrumenten voor een doeltreffende en tijdige monitoring en de mogelijkheid om in te grijpen in het geval van contraproductieve maatregelen; is van mening dat een dergelijke monitoring alleen mogelijk is als de Commissie nationale benchmarks vaststelt voor de lidstaten aan de hand waarvan hun vooruitgang op het gebied van de inzet van hernieuwbare energiebronnen kan worden gemeten;

26.  wijst op het potentieel voor Europa van de ontwikkeling van hernieuwbare energie en benadrukt het belang van gunstige langetermijnvoorwaarden voor alle marktdeelnemers;

27.  wijst erop dat hernieuwbare energie een belangrijke bijdrage levert bij het terugdringen van de totale CO2-uitstoot; benadrukt het belang van de ontwikkeling van hernieuwbare energie om de tijdens de CoP 21 overeengekomen doelstellingen te halen;

28.  benadrukt dat de lidstaten het gebruik van bepalingen betreffende statistische overdrachten en de ontwikkeling van samenwerkingsmechanismen moeten verhogen om hun doelstellingen te halen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van de richtlijn hernieuwbare energie; wijst op het belang van samenwerking tussen de lidstaten, aangezien dit goed zou zijn voor de systeemoptimalisatie, efficiënte voorziening en een betere kostenbesparing van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie in dit verband aanvullende informatie te verstrekken aan de lidstaten, evenals een kosten-batenanalyse en richtsnoeren;

29.  benadrukt dat er een stevig, robuust en transparant bestuurssysteem moet komen voor de tenuitvoerlegging van de hernieuwbare-energiedoelstelling voor 2030, met inachtneming van de nationale bevoegdheden om de energiemix vast te stellen, en ervoor te zorgen dat er volledige democratische controle en toetsing van het energiebeleid kan plaatsvinden; pleit voor een uitgebreide replicatie van het huidige succesvolle systeem van nationale doelstellingen, nationale plannen voor hernieuwbare energie en tweejaarlijkse verslagen; benadrukt dat deze moeten worden ingebed in de richtlijn hernieuwbare energie, die moet zorgen voor een toerekenbare, doeltreffende en transparante monitoring van de toezeggingen van de lidstaten en de uitvoering van de bestaande Europese wetgeving, teneinde een fundament te leggen voor een goed werkende Europese energie-unie;

30.  wijst op het belang van uniforme bindende templates voor nationale energie- en klimaatplannen om de vergelijkbaarheid, transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te waarborgen; is van mening dat de uitsplitsing van trajecten en beleidsplannen per sector, technologie en bron voor elke lidstaat moet worden voortgezet;

31.  dringt er bij de Europese Commissie op aan om in de wetgeving een "grandfathering"-beginsel op te nemen voor hernieuwbare-energiecentrales om veranderingen met terugwerkende kracht van steunmechanismen voor hernieuwbare energie te voorkomen en de economische haalbaarheid van bestaande activa te waarborgen;

32.  pleit voor het wegnemen van onnodige bureaucratische belemmeringen en voor investeringen waarmee de doelstelling van 10 % voor interconnectie van elektriciteit uiterlijk in 2020 kan worden gehaald; onderstreept dat een intensievere regionale samenwerking kan bijdragen tot kostenoptimalisatie bij de integratie van hernieuwbare energie en tot lagere kosten voor consumenten; wijst er nogmaals op dat het grote publiek al in een vroeg stadium moet worden geraadpleegd en betrokken bij de planning van nieuwe milieuvriendelijke hernieuwbare-energieprojecten, daarbij rekening houdend met plaatselijke omstandigheden; wijst er nogmaals op dat technisch advies en milieueffectbeoordelingen van belang zijn voor projecten voor de opwekking en distributie van hernieuwbare energie;

33.  wijst op de kloof tussen de beschikbare vaardigheden en de veranderingen in de vraag op de arbeidsmarkt ten gevolge van de ontwikkeling van hernieuwbare energie; benadrukt dat actieve strategieën inzake onderwijs/opleiding en vaardigheden van fundamenteel belang zijn voor de transitie naar een duurzame, energie-efficiënte economie; benadrukt het belang van de sociale partners, evenals van de overheid bij de ontwikkeling van vaardigheden- en opleidingsprogramma's;

34.  wijst op de noodzaak van adequate financiering op EU-niveau, onder meer door het risico op investeringen zoveel mogelijk te verkleinen om stimulansen te bieden voor een breed gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

Burger- en gemeenschapsenergie

35.  is van mening dat lokale overheden, gemeenschappen, huishoudens en particulieren de ruggengraat van de energietransitie moeten vormen en actief moeten worden gesteund om hen te helpen energieproducenten en -leveranciers te worden op gelijke voet met andere actoren op de energiemarkt; pleit in deze context voor een gemeenschappelijke alomvattende definitie van het concept "prosument" op EU-niveau;

36.  is van mening dat het van groot belang is om een grondrecht op zelfopwekking en eigen verbruik vast te stellen, evenals een recht om overtollige elektriciteit op te slaan en te verkopen tegen een eerlijke prijs;

37.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten op basis van inspraak van het publiek een strategie voor burger- en gemeenschapsenergie moeten opstellen, met een beschrijving in hun nationale actieplannen hoe zij kleine en middelgrote projecten voor hernieuwbare energie en energiecoöperatieven zullen bevorderen en hoe zij hiermee rekening zullen houden in hun wetgevingskader, hun ondersteuningsbeleid en markttoegankelijkheid;

38.  verzoekt om de invoering van een nieuw hoofdstuk Burger- en gemeenschapsenergie in de herziene richtlijn hernieuwbare energie, dat toegespitst is op de hoofdmarkt en op administratieve belemmeringen en dat een gunstiger investeringsklimaat schept voor zelfopwekking en eigen verbruik van hernieuwbare energie;

39.  merkt op dat er nog niet in alle landen geschikte vergunnings- en administratieve procedures zijn voor alle technologieën; verzoekt de lidstaten administratieve en marktbelemmeringen voor nieuwe capaciteit voor zelfopwekking weg te nemen, de lange vergunningsprocedures te vervangen door een eenvoudige meldingsplicht en doeltreffende "one-stop-shops" op te richten voor projectvergunningen, toegang tot het net en ondersteuning middels financiële en technische kennis, en de toegang van prosumenten tot alternatieve mechanismen voor geschillenbeslechting te waarborgen; dringt er bij de Commissie op aan de volledige uitvoering en continuïteit na 2020 te waarborgen van de artikelen 13 (administratieve procedures) en 16 (toegang tot en beheer van de netwerken) van de huidige richtlijn hernieuwbare energie;

40.  benadrukt hoe belangrijk het is rekening te houden met de verschillen tussen micro-, kleine en grote producenten; wijst op de noodzaak om niet- discriminerende voorwaarden te scheppen en geschikte instrumenten te ontwikkelen voor "prosumenten" (actieve energieconsumenten, zoals huishoudens – zowel eigenaars als huurders –, instellingen en kleine bedrijven die hernieuwbare energie opwekken, hetzij individueel, hetzij collectief via coöperaties, andere sociale bedrijven of aggregaties), zodat zij kunnen bijdragen aan de energietransitie teneinde hun integratie in de energiemarkt te vergemakkelijken; beveelt aan om de administratieve belemmeringen voor nieuwe zelfopwekkingscapaciteit tot een absoluut minimum te beperken, met name door beperkingen op de toegang tot de markt en het net af te schaffen; stelt voor vergunningsprocedures te verkorten en te vereenvoudigen door een eenvoudige meldingsplicht in te voeren; stelt voor om bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie specifieke bepalingen op te nemen om belemmeringen weg te nemen en gemeenschaps- of samenwerkingsregelingen op het gebied van energie te bevorderen via "one-stop-shops" – die zich bezighouden met projectvergunningen en financiële en technische deskundigheid bieden; moedigt de lidstaten aan gebruik moeten maken van de "de minimis"-vrijstellingen waarin is voorzien in de Europese richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie, zodat kleine en middelgrote projecten gebruik kunnen blijven maken van dynamische teruglevertarieven, waardoor ze zijn vrijgesteld van complexe veilingprocedures;

41.  benadrukt dat het van belang is dat het publiek al in een vroeg stadium inspraak heeft in het stimuleren van milieuvriendelijke hernieuwbare-energieprojecten, daarbij rekening houdend met plaatselijke omstandigheden;

42.  benadrukt dat er een evenwicht moet worden gevonden, via een adequate marktregulering, tussen de ontwikkeling van gecentraliseerde en gedecentraliseerde energieproductie, zodat verbruikers die het zich niet kunnen veroorloven "prosumenten" te worden, niet worden gediscrimineerd; onderstreept dat moet worden voorzien in technische en administratieve faciliteiten voor het collectieve beheer van energieproductie; benadrukt dat zelfopwekking en hernieuwbare energiebronnen niet de oorzaak zijn van hogere energiekosten in Europa;

43.  benadrukt het feit dat meer aandacht voor de verwezenlijking van energie-efficiëntie in alle sectoren de EU zal helpen haar concurrentievermogen te verbeteren en innovatieve en kosteneffectieve oplossingen voor energiebesparing te ontwikkelen;

44.  wijst op de milieu-, economische en sociale voordelen van een geïntegreerde benadering van energie en de noodzaak om synergiën te bevorderen tussen en binnen de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer; verzoekt de Commissie bovendien te beoordelen hoe flexibele hernieuwbare energiebronnen een aanvulling kunnen vormen op variabele energiebronnen en hoe hiermee rekening moet worden gehouden bij de energieplanning en het ontwerp van steunregelingen;

Elektriciteit

45.  benadrukt dat hernieuwbare elektriciteitsproductie op alle niveaus moet worden geïntegreerd in de elektriciteitsdistributiesystemen, evenals in de transmissiesystemen, gezien de veranderingen in de richting van een meer flexibel en gedecentraliseerd model voor energieproductie dat rekening houdt met de markt;

46.  merkt op dat niet-variabele vormen van productie van hernieuwbare energie, zoals elektriciteit uit waterkracht, die snel inzetbaar zijn en milieuvriendelijk, de integratie van variabele hernieuwbare energie in de markt kunnen ondersteunen;

47.  pleit voor een geïntegreerde benadering van het energiebeleid die de ontwikkeling en regulering van het net, opslag, vraagsturing en verbetering van de energie-efficiëntie, alsmede verhoging van het aandeel hernieuwbare energiebronnen omvat; benadrukt dat we moeten voorkomen dat we vast blijven zitten aan technologieën die niet verenigbaar zijn met de transitie naar een koolstofarme economie;

48.  merkt op dat de marktintegratie van de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen flexibele markten vereist, zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde, en dat hiervoor netten moeten worden gebouwd, gemoderniseerd en aangepast en nieuwe opslagtechnologieën moeten worden ontwikkeld;

49.  benadrukt dat de elektrificatie van verwarmings- en koelsystemen, vervoer en andere sectoren cruciaal is om te zorgen voor een snelle en efficiëntie transitie naar hernieuwbare energiebronnen;

50.  benadrukt dat zolang het elektriciteitssysteem niet flexibel is, er behoefte bestaat aan een prioritaire toegang en dispatching voor hernieuwbare energie, teneinde verbeteringen van netten te bevorderen en de inzet van opslagcapaciteit en vraagresponsmechanismen te bevorderen; verzoekt de Commissie voorstellen te doen om regels voor de prioritaire toegang en dispatching voor hernieuwbare energie voor de periode na 2020 aan te scherpen en te verduidelijken; benadrukt dat de mogelijkheid van een geleidelijke afbouw van de prioritaire toegang en dispatching moet worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse herziening van de toekomstige richtlijn hernieuwbare energie, naar verwachting tegen 2024;

51.  benadrukt dat prioritaire toegang tot het net en prioritaire dispatching voor hernieuwbare energie, zoals vastgelegd in de huidige richtlijn hernieuwbare energie in stand moeten worden gehouden en moeten worden versterkt; pleit voor een regelgevingskader voor de periode na 2020 dat een behoorlijke compensatie waarborgt van de belemmering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;

52.  neemt nota van de strategie van de Commissie om vraagresponsmechanismen te bevorderen; benadrukt dat dit niet mag leiden tot extra lasten voor burgers of een verhoging van de energiekosten voor verbruikers; benadrukt dat vraagresponsmechanismen een gelegenheid kunnen bieden voor verlaging van de energiekosten, waarbij onderstreept wordt dat de deelname aan vraagrespons- of dynamischeprijsstellingsmechanismen altijd alleen strikt op "opt-in"-basis mag plaatsvinden;

53.  is van mening dat het ontwikkelen van oplossingen voor elektriciteitsopslag een onmisbaar onderdeel zal zijn van de ontwikkeling en integratie van hoge niveaus van hernieuwbare energie, het net in evenwicht helpt te houden en voorziet in een manier om een overschot aan opgewekte hernieuwbare energie op te kunnen slaan; dringt erop aan het bestaande regelgevingskader te herzien om de inzet van systemen voor energieopslag te bevorderen en bestaande belemmeringen weg te nemen;

54.  wijst erop dat het probleem van de elektriciteitsknelpunten de onbelemmerde doorvoer van hernieuwbare energie tussen de lidstaten blijft dwarsbomen en de vooruitgang bij de totstandbrenging van een echte interne energiemarkt in de Europese Unie vertraagt;

55.  benadrukt dat verbruikers in staat moeten worden gesteld en moeten worden voorzien van de juiste stimulansen om deel te nemen aan energiemarkten; merkt op dat er dynamische, op de markt gebaseerde prijzen moeten worden vastgesteld om de juiste vraagrespons bij de verbruikers teweeg te brengen en de nodige productie te activeren, alsmede slim en efficiënt verbruik te faciliteren; beveelt de Commissie aan de gevolgen hiervan voor verschillende groepen verbruikers verder te analyseren;

56.  benadrukt dat sommige verbruikers rigide verbruikspatronen hebben en negatieve gevolgen kunnen ondervinden van sterkere op de prijs gebaseerde efficiëntiemechanismen; benadrukt in dit verband het belang van beleid voor energie-efficiëntie in de lidstaten dat is gericht op kwetsbare verbruikers;

57.  is van mening dat er een duidelijk EU-regelgevingskader moet zijn voor eigen verbruik van hernieuwbare energie en voor gemeenschappen/coöperatieven voor hernieuwbare energie, waarbij rekening wordt gehouden met al deze voordelen wanneer er betaalmechanismen worden ontworpen voor de verkoop van productieoverschotten, toegang tot en gebruik van het netwerk; verzoekt de Commissie en de lidstaten het zelf produceren van energie en het opzetten en onderling verbinden van lokale distributienetten voor hernieuwbare energie te bevorderen, als aanvulling op hun nationale energiebeleid; benadrukt het feit dat "prosumenten" tegen een billijke prijs toegang tot het energienet en de energiemarkt moeten kunnen krijgen en niet mogen worden benadeeld met extra belastingen of heffingen; uit zijn bezorgdheid over de initiatieven die sommige lidstaten hebben genomen om obstakels op te werpen voor de uitoefening van het recht om zelf opgewekte energie te verbruiken;

58.  wijst erop dat verbruikers momenteel weinig bijdragen tot de beoogde opbouw van nieuwe capaciteiten voor de opwekking van hernieuwbare energie wanneer zij kiezen voor elektriciteitstarieven die als 100 % uit hernieuwbare energiebronnen op de markt worden gebracht; pleit voor een nauwkeurig, betrouwbaar en transparant volgmechanisme, zodat "groene claims" worden gekoppeld aan meetbare criteria ten aanzien van extra milieuvoordelen;

59.  spoort de lidstaten aan beter gebruik te maken van de verwarmings- en koelingsenergie die uit de bodem wordt gewonnen;

Verwarming en koeling

60.  is verheugd over de mededeling van de Commissie van februari 2016 over een EU-strategie voor verwarming en koeling, maar wijst op het gebrek aan vooruitgang en de lage doelstellingen voor het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling, met name in gebouwen; wijst op het grote potentieel voor verdere vooruitgang in het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling; merkt op dat de sector verwarming en koeling goed is voor de helft van het eindenergieverbruik van de EU en daarom een belangrijke rol speelt bij het halen van de EU-doelstellingen inzake klimaat en hernieuwbare energiebronnen; erkent de voordelen van een toenemend gebruik van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling; benadrukt dat de grotere flexibiliteit van warmte-infrastructuur en -opslag de integratie van variabele hernieuwbare bronnen vergemakkelijkt door energie op te slaan in de vorm van warmte, hetgeen een uitstekend rendement op investeringen biedt, evenals mogelijkheden voor de uitbreiding van kwalitatief hoogwaardige lokale werkgelegenheid; dringt er bij de Commissie op aan de lacunes in de regelgeving te dichten in het wetgevingspakket voor hernieuwbare energiebronnen voor de periode na 2020; herhaalt dat inspanningen in de sector verwarming en koeling een groot potentieel bieden voor een grotere energiezekerheid (gezien het feit dat 61 % van het in de Europese Unie ingevoerde gas wordt gebruikt in gebouwen, met name voor verwarmingsdoeleinden), bijvoorbeeld door de ontwikkeling van netwerken voor stadsverwarming/-koeling, die een efficiënt middel zijn om duurzame verwarming op grote schaal te integreren in steden, aangezien zij tegelijkertijd warmte kunnen leveren uit verschillende bronnen en niet per definitie afhankelijk zijn van een enkele bron;

61.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over een strategie voor verwarming en koeling waarin de nadruk wordt gelegd op de noodzaak om het gebruik van fossiele brandstoffen, die nog steeds goed zijn voor 75 % van het brandstofverbruik in de sector, geleidelijk af te bouwen en deze volledig te vervangen door maatregelen voor energie-efficiëntie – onze grootste kans om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen – en hernieuwbare energie;

62.  dringt aan op verdere maatregelen om het resterende, aanzienlijke potentieel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling te benutten om de 2020-doelstellingen volledig te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan lacunes in de regelgeving voor die sectoren te dichten met het wetgevingspakket voor hernieuwbare energiebronnen voor de periode na 2020;

63.  wijst erop dat biomassa momenteel de meest gebruikte hernieuwbare energiebron is voor verwarming en goed is voor 90 % van alle verwarming op basis van hernieuwbare energiebronnen; biomassa speelt in Midden- en Oost-Europa een belangrijke rol bij de duurzame verbetering van de energiezekerheid;

64.  benadrukt dat een transitie naar energie-efficiënte verwarmingstoestellen op hernieuwbare energie moet worden bevorderd, en dat tegelijk moet worden voorzien in voldoende steun en een verbeterde informatievoorziening en ondersteuning voor energiearme burgers;

65.  benadrukt de noodzaak van een alomvattende en doeltreffende definitie van koeling met hernieuwbare energie;

66.  benadrukt dat het noodzakelijk is om de systemen voor stadsverwarming en -koeling te renoveren en hun prestaties te verbeteren, aangezien systemen voor stadsverwarming en -koeling elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kunnen gebruiken en opslaan en deze vervolgens kunnen distribueren aan gebouwen en industrieterreinen, waardoor het gebruik van verwarming en koeling met hernieuwbare energie toeneemt;

67.  wijst op het potentieel van prosumentengroepen, inclusief huishoudens, micro- en kleine ondernemingen, coöperatieven en lokale overheden, bij de oprichting van collectieve energiesystemen, zoals stadsverwarming, die voorzien in een kostenefficiënte verwarming en koeling met hernieuwbare energie, evenals de vele synergiën tussen energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

68.  is van mening dat synergiën tussen de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn inzake energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen moeten worden versterkt om het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling te doen toenemen;

69.  merkt op dat energie-efficiëntieprojecten die betrekking hebben op zowel verwarming als koeling belangrijke instrumenten zijn om te zorgen voor stabiele en voorspelbare energieverbruikspatronen en om de energiearmoede te bestrijden;

Vervoer

70.  merkt op dat we nog ver verwijderd zijn van het bereiken van de doelstelling van 10 % hernieuwbare energie in de vervoerssector tegen 2020, deels ten gevolge van de uitdagingen voor een op biobrandstoffen gebaseerde strategie voor de vervoerssector; wijst erop dat vervoer de enige sector in de EU is waar de emissies van broeikasgassen sinds 1990 zijn gestegen; herinnert eraan dat hernieuwbare energie essentieel is om tot duurzame mobiliteit te komen; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om duurzame maatregelen in de vervoerssector te treffen, zoals vraagreductie, een verschuiving naar duurzamere vervoerswijzen, betere efficiëntie en de elektrificatie van de vervoerssector; verzoekt de Commissie een kader te ontwikkelen ter bevordering van het gebruik van elektrische voertuigen die worden geladen met hernieuwbare elektriciteit en het wetgevingskader te verbeteren om perspectief te bieden voor biobrandstoffen met een hoge broeikasgas-efficiëntie, waarbij rekening wordt gehouden met veranderingen in indirect grondgebruik (ILUC) in de periode na 2020;

71.  dringt erop aan het gedeeltelijke gebruik van het GLB om investeringen in de productie en het gebruik van hernieuwbare energie in de landbouwsector te ondersteunen, te handhaven en op te voeren;

72.  schat dat het vervoer verantwoordelijk is voor meer dan 30 % van het energieverbruik in Europa en voor 94 % afhankelijk is van olieproducten; is derhalve van mening dat de inspanningen voor een verhoogd gebruik van hernieuwbare energie in de vervoerssector ambitieus moeten zijn, met een duidelijke koppeling aan de decarbonisering van de vervoerssector;

73.  verzoekt de Commissie ambitieuze maatregelen voor te stellen om de decarbonisering van het vervoer te versnellen, onder meer door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen, verhoogde elektrificatie en verbeterde efficiëntie, en meer inspanningen te leveren om de ontwikkeling en innovatie van technologieën op deze terreinen te bevorderen;

74.  wijst op het belang van de elektrificatie van de vervoerssector voor de decarbonisering van de economie en verzoekt de Commissie een kader te ontwikkelen voor de bevordering van het gebruik van elektrische voertuigen op hernieuwbare elektriciteit, met het oog op het halen van de doelstellingen voor 2030;

75.  wacht op de bekendmaking van de strategie van de Europese Commissie voor de decarbonisering van de vervoerssector in juni 2016 en benadrukt dat in deze context een verhoogd gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het vervoer actief bijdraagt tot het halen van de 2020-doelstellingen;

76.  is verheugd over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe biobrandstoffen en motoren door projecten die in het kader van de Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky van de EU zijn voltooid;

77.  wijst op het belang van de ontwikkeling van biobrandstoffen van de volgende generatie op basis van biomassa of afval;

78.  wijst op de noodzaak van verbeterde regelgeving en langetermijnvoorwaarden om de ontwikkeling van hernieuwbare energie in het luchtvervoer en de zeescheepvaart te ondersteunen;

79.  benadrukt dat er een modale overschakeling in de vervoerssector nodig is voor een duurzame regulering van mobiliteit, inclusief intermodaliteit, duurzame logistieke systemen, mobiliteitsbeheer en duurzaam stedelijk beleid dat zorgt voor een overschakeling van het vervoer op hernieuwbare energiebronnen en/of een zo laag mogelijk energieverbruik, waarbij actievere reismodellen worden aangemoedigd, oplossingen voor slimme steden worden ontwikkeld en uitgevoerd en stedelijke ecomobiliteit en aangepaste stedelijke planning worden ondersteund; verzoekt de lidstaten en de EU de modale overschakeling van passagiers en vracht van weg- en luchtvervoer op rail- en maritiem vervoer te bevorderen; verzoekt de Commissie het potentieel van trolley-technologieën voor vrachtwagens te onderzoeken;

80.  dringt er bij de EU-instellingen op aan eigen capaciteiten voor hernieuwbare energie te ontwikkelen om te voldoen aan de energievraag van hun eigen gebouwen, om te laten zien dat zij hechten aan hernieuwbare energie; benadrukt dat de EU-instellingen groene energie moeten kopen om in hun behoeften te voorzien totdat dergelijke capaciteiten zijn ontwikkeld;

81.  benadrukt dat een groter modaal aandeel van wandelen, fietsen, autodelen en carpoolen, in combinatie met openbaar vervoer, cruciaal is voor het beperken en voorkomen van de olieafhankelijkheid van de EU en het terugdringen van de broeikasgasemissies;

82.  wijst op het potentieel van systemen en infrastructuren voor fietsen om de duurzaamheid van het vervoer in steden te verbeteren;

83.  wijst op het potentieel van verhoogde elektrificatie van de vervoerssystemen voor het beperken van emissies en het bijdragen aan de koolstofarme economie;

Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa

84.  verzoekt de Commissie, gezien de behoefte aan meer synergie en consistentie in het Europees beleid, duurzaamheidscriteria vast te leggen voor bio-energie, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgvuldige beoordeling van het functioneren van reeds bestaand EU-beleid inzake duurzaamheid en het beleid inzake de circulaire economie; wijst erop dat de energiezekerheid in de EU moet worden vergroot door middel van het duurzame gebruik van eigen grondstoffen, in overeenstemming met de doelstelling om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren;

85.  is van mening dat voorzichtigheid geboden is ten aanzien van de stijgende trend om gebruik te maken van bosbiomassa als belangrijkste hernieuwbare energiebron in de EU omdat die mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben voor het klimaat en het milieu, tenzij de biomassa uit duurzame bronnen komt en goed wordt beheerd; merkt op dat de gevolgen van bio-energie voor het klimaat op lange termijn moeten worden berekend, gezien de lange perioden die nodig zijn voordat de gerooide bossen weer op peil zijn;

86.  merkt op dat bio-energie nu al 60 % uitmaakt van de hernieuwbare energie in Europa en dat het gebruik ervan blijft toenemen; benadrukt dat er dringend duidelijkheid moet komen over de broeikasgasemissies van de verschillende toepassingen van bosbiomassa voor energie en dat moet worden vastgesteld welke toepassingen de grootste reductie binnen een beleidsrelevant tijdsbestek kunnen opleveren;

87.  onderstreept dat de productie van biobrandstoffen de levensmiddelenproductie niet mag hinderen en de voedselzekerheid niet in gevaar mag brengen; is van evenwel mening dat met een evenwichtig beleid ter bevordering van hogere opbrengsten van gewassen zoals tarwe, mais, suikerbieten en zonnebloemen in Europa ook kan worden voorzien in de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik (ILUC), op een wijze die de Europese landbouwers van een vaste stroom van inkomsten voorziet, investeringen aantrekt en banen schept in plattelandsgebieden, helpt bij de bestrijding van het chronische tekort aan (ggo-vrij) eiwitrijk diervoeder in Europa, Europa minder afhankelijk maakt van de invoer van fossiele brandstoffen; is van mening dat de productie van biobrandstoffen en bio-ethanol in geval van een overaanbod aan bovengenoemde landbouwproducten een tijdelijke afzetmogelijkheid zou zijn die de inkoopprijzen houdbaar houdt, het inkomen van de landbouwers tijdens crises garandeert en als marktstabiliteitsmechanisme dient; pleit voor stimulansen om braakliggende landbouwgrond die niet voor voedselproductie wordt gebruikt, te gebruiken voor de productie van bio-energie, teneinde de nationale en Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie te halen;

88.  is van mening dat dierlijke mest een waardevolle bron van biogas kan vormen door het gebruik van mestverwerkingstechnieken zoals vergisting, en benadrukt ook dat het belangrijk is dit tot een economisch haalbare optie voor landbouwers te maken;

89.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan om het belang te onderstrepen van duurzaam bosbeheer, en bijgevolg van de centrale rol van bosbiomassa als een van de essentiële hernieuwbare grondstoffen waarmee de EU haar energiedoelstellingen kan halen; vestigt de aandacht op de toenemende vraag naar bosbiomassa, wat inhoudt dat duurzaam bosbeheer, overeenkomstig de bosbouwstrategie van de EU, verder moet worden versterkt en bevorderd, aangezien het van cruciaal belang is voor de ecosysteemfunctie van bossen, waaronder de opname van CO2 uit de atmosfeer; wijst daarom op de noodzaak van een evenwichtige exploitatie van in de EU gekweekte en uit derde landen ingevoerde grondstoffen, rekening houdend met de zeer lange regeneratietijd van hout;

o
o   o

90.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.
(3) PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0359.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0445.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.


Verslag over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn
PDF 300kWORD 114k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het verslag over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) (2015/2232(INI))
P8_TA(2016)0293A8-0199/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 114 en 194,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Pakket voor de energie-unie – Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 en 24 oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid tot 2030,

–  gezien het akkoord van Parijs van december 2015 gesloten op de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het UNFCCC,

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015: "op weg naar een Europese energie-unie"(3),

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 november 2015 getiteld "Beoordeling van de voortgang die de lidstaten hebben gemaakt op weg naar de nationale energie-efficiëntiedoelstelling voor 2020 en met de uitvoering van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 24, lid 3, van die richtlijn" (COM(2015)0574),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0199/2016),

A.  overwegende dat verhoging van de energie-efficiëntie en energiebesparing belangrijke factoren zijn voor de milieu- en klimaatbescherming, de versterking van het economische concurrentievermogen, het creëren van banen, de energievoorzieningszekerheid en het aanpakken van de energiearmoede, en voor de EU geopolitieke en democratische dimensies hebben; overwegende dat de richtlijn energie-efficiëntie (EER) in dit verband een belangrijke basis vormt; overwegende dat in het voorstel van de Commissie betreffende de oprichting van de energie-unie energie-efficiëntie wordt beschouwd als een aparte energiebron;

B.  overwegende dat de EU met haar klimaat- en energiedoelstellingen voor 2020 (vermindering van de CO2-uitstoot, een groter verbruiksaandeel voor hernieuwbare energiebronnen, meer energie-efficiëntie) volgens prognoses die uitgaan van een volledige tenuitvoerlegging van alle relevante wetgeving tegen 2020, globaal op schema ligt en mondiaal een voortrekkersrol moet blijven vervullen;

C.  overwegende dat de meeste besparingen worden verwacht van multisectoraal en transversaal beleid (44 %), gevolgd door gebouwen (42 %), industrie (8 %) en transport (6 %);

D.  overwegende dat er aanzienlijke onzekerheden bestaan rond de betrouwbaarheid van de door de lidstaten verstrekte ramingen inzake energiebesparing;

E.  overwegende dat gebouwen goed zijn voor 40 % van het energie-eindgebruik en voor 36 % van de CO2-uitstoot; daarnaast overwegende dat 50 % van het eindenergieverbruik bestaat uit verwarming en koeling en dat 80 % wordt gebruikt in gebouwen, waarbij veel verloren gaat; overwegende dat er op nationaal niveau een indicator voor de vraag naar energie voor verwarming en koeling van gebouwen moet worden ontwikkeld; overwegende dat 50 % van de emissiereducties die nodig zijn om de temperatuurstijging op aarde te beperken tot minder dan 2° C, van energie-efficiëntie moet komen; overwegende dat een verlaging van de energiebehoefte van gebouwen tevens de meest kostenefficiënte weg naar het verbeteren van de energiezekerheid en het verminderen van de CO2-uitstoot is, en tegelijkertijd bijdraagt aan de herindustrialiseringsdoelstellingen van de EU;

F.  overwegende dat energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een energiebron op zich, die de hoeveelheid bespaarde energie in Nw (negawatt) voorstelt, zoals zonder enige twijfel is gebleken uit de recente wereld- en Europese geschiedenis;

G.  overwegende dat 61 % van het ingevoerde gas bestemd is voor gebouwen (en 75 % daarvan voor woningen); overwegende dat onderzoek heeft uitgewezen dat met een ambitieus EU-breed beleid voor de renovatie van gebouwen de ingevoerde hoeveelheid (gebruikt in gebouwen) op de korte termijn (d.w.z. in 15 jaar) kosteneffectief met 60 % kan worden teruggebracht en op de lange termijn volledig kan worden geëlimineerd (het Europese gebouwenbestand zou in 2040 het equivalent van de EU-gasproductie in 2011 verbruiken);

H.  overwegende dat het van fundamenteel belang is dat de EU en haar lidstaten inzien dat er plaats moet worden ingeruimd voor burgerinitiatieven, zoals coöperaties en maatschappelijke projecten op het gebied van energie-efficiëntie; overwegende dat economische, regelgevende en administratieve belemmeringen moeten worden weggenomen om de burgers in staat te stellen actief te participeren in het energiesysteem;

I.  overwegende dat de richtlijn energie-efficiëntie een belangrijke richtlijn is die het belang van energiebesparing erkent als een doorbraak om de ambities na de COP21 te realiseren, en tegelijkertijd vele voordelen oplevert; overwegende dat er nieuwe banen worden gecreëerd door investeringen in de renovatie van gebouwen en andere maatregelen voor energie-efficiëntie, verhoging van het levenspeil door middel van de vermindering van energiearmoede, werkgelegenheid in kmo's, hogere vastgoedprijzen, productiviteitswinst en verbeterde gezondheid en veiligheid, verbetering van de luchtkwaliteit, een verbeterde belastinggrondslag en een hoger bbp;

J.  overwegende dat een grotere energie-efficiëntie, met name in de bouwsector, voor extra voordelen zorgt in de vorm van flexibiliteit aan de aanbodzijde en een vermindering van de totale grondlast en de pieken in het energieproductiesysteem;

De energie-efficiëntierichtlijn: gebrekkig omgezet, maar biedt kader voor het verwezenlijken van energiebesparing

1.  onderstreept dat energie-efficiëntie van cruciaal belang is voor het halen van onze klimaat- en energiedoelstellingen, uitgaande van de doelen die zijn onderschreven in het COP21-akkoord van Parijs; benadrukt dat energie-efficiëntie van het allergrootste belang is voor het verminderen van onze afhankelijkheid van ingevoerde energie, het creëren van banen, het terugdringen van energiearmoede, het verbeteren van comfort en gezondheid en het stimuleren van onze economie; benadrukt dat de richtlijn energie-efficiëntie tal van positieve ontwikkelingen in de lidstaten teweeg heeft gebracht, maar dat een zwakke implementatie er debet aan is dat de mogelijkheden niet ten volle worden benut;

2.  onderstreept dat het essentieel is om zo spoedig mogelijk te beginnen met de overgang naar een duurzamer energiesysteem dat op hernieuwbare energiebronnen berust en niet meer op fossiele brandstoffen; is bezorgd omdat de lagere prijzen van fossiele brandstoffen maatregelen gericht op koolstofarme energie en energie-efficiëntie kunnen belemmeren;

3.  roept op tot het opstellen van plannen om subsidies voor fossiele brandstoffen af te bouwen en financiële middelen vrij te maken voor projecten inzake energie-efficiëntie die helpen de doelstelling van de EU, namelijk het koolstofarm maken van de energiesector tegen 2050, te bereiken;

4.  stelt vast dat de lidstaten tot nu toe de richtlijn energie-efficiëntie uit 2012 en de gebouwenrichtlijn uit 2010 nog niet volledig hebben uitgevoerd; merkt op dat de uiterste termijn voor omzetting van de richtlijn energie-efficiëntie 5 juni 2014 was; is van mening dat burgers en bedrijven zelf belang hebben bij kostenbesparing en vermindering van het energieverbruik; benadrukt het belang van een sterk regelgevingskader dat bestaat uit doelstellingen en maatregelen om investeringen in energie-efficiëntie en verlaging van het energieverbruik en de energiekosten te stimuleren en mogelijk te maken, en daarbij het concurrentievermogen en de duurzaamheid te ondersteunen; voegt hieraan toe dat sommige lidstaten niet naar behoren gebruikmaken van de beschikbare EU-steun voor de bevordering van de energie-efficiëntie van woongebouwen; wijst op de aanzienlijke mogelijkheden voor het creëren van kwalitatieve werkgelegenheid die de volledige tenuitvoerlegging van de maatregelen voor energie-efficiëntie biedt, aangezien het werk van ongeveer 900 000 werknemers verband houdt met de levering van energie-efficiënte goederen en diensten (gegevens voor 2010);

5.  herinnert eraan dat energie-efficiëntie moet worden beschouwd als de meest duurzame maatregel om te voldoen aan onze plicht om ons energieverbruik te verminderen, en niet als excuus om meer te gaan verbruiken;

6.  is het met de Commissie eens dat lagere brandstofprijzen en het vooruitzicht op economische groei het behalen van de 20 %-doelstelling verder in gevaar kunnen brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de monitoring-, verificatie-, controle- en nalevingsregelingen te verbeteren, zodat het juiste ambitieniveau wordt gewaarborgd;

7.  erkent dat de lidstaten in 2020 naar verwachting een besparing op primaire energie van slechts 17,6 % zullen hebben gerealiseerd en dat de 20 %-doelstelling in gevaar is, tenzij de bestaande EU-wetgeving volledig ten uitvoer wordt gelegd, de inspanningen worden opgevoerd en de belemmeringen voor investeringen worden opgeheven; merkt evenwel op dat een beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EER in dit stadium slechts een gedeeltelijk beeld geeft gezien de relatief recente inwerkingtreding en omzettingstermijn ervan; dringt er bij de lidstaten op aan om de richtlijn volledig en snel uit te voeren; verzoekt de Commissie om, waar nodig, snel te reageren met verzoeken tot aanpassing van de nationale plannen aan de doelstellingen van de richtlijn, en alle wettelijke middelen in te zetten om ervoor te zorgen dat de lidstaten actuele en nauwkeurige informatie verstrekken;

8.  herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie van 5 februari 2014en aan zijn resoluties van 26 november 2014(6) en 14 oktober 2015(7), waarin het Parlement o.a. heeft gevraagd om een energie-efficiëntiedoelstelling van 40 % voor 2030; is van mening dat een bindend globaal streefcijfer met afzonderlijke nationale streefcijfers voor 2030 de EU onafhankelijker zal maken van energie-import, de innovatie zal stimuleren en haar technologische leiderschap op het gebied van energie-efficiëntie zal helpen waarborgen; is ook van mening dat bindende verplichtingen van vitaal belang zijn om een maximale mate van ambitie en inspanning in de lidstaten te bereiken en om voldoende flexibiliteit te bieden voor de mix van instrumenten die op nationaal niveau moet worden samengesteld;

9.  merkt op dat de lokale overheden een cruciale rol moeten spelen bij het mogelijk maken van de uitvoering van de richtlijn door te werken aan ambitieuze energiebesparingsmaatregelen middels lokale actieplannen, bijvoorbeeld in het kader van het Burgemeestersconvenant voor Klimaat en Energie; is van mening dat de gegevens van lokale actieplannen, zoals de energie-efficiëntiebeleidslijnen en -maatregelen die vermeld staan in meer dan 5 000 actieplannen voor duurzame energie in het kader van het Burgemeestersconvenant, een effectieve bijdrage kunnen leveren bij het medeontwerpen en ambitieuzer maken van de nationale energie-efficiëntiedoelstellingen;

10.  is van mening dat het potentieel van de lokale energiebesparing veel meer moet worden benut, aangezien lokale en regionale overheden centraal staan bij het stimuleren van energie-efficiëntie en van de energietransitie in het algemeen; vraagt de Commissie de stadsnetwerken te versterken, zoals het Burgemeestersconvenant, Slimme Steden en Gemeenschappen of de 100 % RES-gemeenschappen, die het delen van kennis en beste praktijken tussen steden, lokale overheden, regio's en lidstaten mogelijk maken op het gebied van het lokaal, vanuit de basis plannen van de energietransitie, de ontwikkeling en uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen en zelfopwekking alsmede de toegang tot financiële steun;

11.  betreurt het van weinig ambitie getuigende streefcijfer dat de Europese Raad in 2014 heeft goedgekeurd (een verbetering van de energie-efficiëntie met minstens 27 % in 2030), waarvoor een uiterst onrealistisch hoog discontopercentage in een eerdere effectbeoordeling als voornaamste rechtvaardiging dient; herinnert eraan dat dit discontopercentage (17,5 %) buitensporig hoog is; verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met haar eigen richtsnoeren voor betere regelgeving, over te gaan op alomvattende kosten-batenanalyses waarin de vele voordelen van energie-efficiëntie worden meegenomen, en op een sociaal discontopercentage; verzoekt de Commissie en de lidstaten om het streefcijfer van 27 % voor de verbetering van de energie-efficiëntie in 2030 in het licht van het klimaatakkoord van Parijs te herzien om de beoogde beperking van de aardopwarming tot duidelijk onder 2°C te realiseren, en er overeenkomstig het door het Parlement goedgekeurde streefcijfer voor energie-efficiëntie naar te blijven streven dat die temperatuurstijging wordt beperkt tot 1,5°C; verzoekt de Commissie voor 2030 een bindend streefcijfer voor energie-efficiëntie van 40 % vast te stellen, dat de potentiële kosteneffectieve energie-efficiëntie weerspiegelt;

12.  benadrukt dat een langetermijnstrategie voor de vermindering van de vraag naar energie verder moet worden bevorderd in de EU;

13.  onderstreept dat veel lidstaten dankzij de flexibiliteit van de richtlijn in sommige gevallen een begin konden maken met energie-efficiëntiemaatregelen, en is van mening dat deze flexibiliteit met betrekking tot alternatieve maatregelen cruciaal is voor lidstaten om in de toekomst energie-efficiëntieprogramma's en -projecten uit te voeren; verlangt dat de mazen in de bestaande richtlijn die verantwoordelijk zijn voor de tegenvallende resultaten, met name in artikel 7, moeten worden gedicht, maar dat de lidstaten voldoende flexibiliteit moeten behouden bij de keuze van maatregelen; merkt op dat de EPRS in zijn studie naar de uitvoering van artikel 7(8), die gebaseerd is op door de lidstaten verstrekte cijfers, tot de conclusie komt dat wanneer de lidstaten toestemming is gegeven om het streefcijfer gefaseerde in te voeren, vroegere maatregelen in aanmerking te nemen of de vervoers- en ETS-sector buiten de berekening van hun streefcijfer te houden, het jaarlijkse streefcijfer voor de globale energiebesparing in vrijwel alle gevallen slechts de helft bedroeg (0,75 %); wijst op de verklaring van de auteurs dat de analyse slechts zo goed kan zijn als de verstrekte gegevens; stelt dat de alternatieve maatregelen waarvan sprake is in artikel 7, lid 9, beter moeten worden omschreven en gemakkelijk kwantificeerbaar moeten zijn;

14.  merkt op dat inleidende en vroegtijdige maatregelen op grond van artikel 7, lid 2, niet langer geldig zijn; wijst erop dat ervan wordt uitgegaan dat meer dan de helft van de in de richtlijn vastgestelde doelstelling van 20 % via artikel 7 moet worden behaald;

15.  wijst erop dat het grootste manco van de bestaande richtlijn erin bestaat dat de meeste maatregelen in 2020 aflopen tenzij de richtlijn adequaat wordt geamendeerd, hetgeen o.a. inhoudt dat de belangrijkste bepalingen, in het bijzonder artikel 7, niet alleen tot 2030, maar nog verder moeten worden verlengd en dat de huidige richtlijn in deze context moet worden beoordeeld, met doelstellingen die moeten worden gedefinieerd in functie van de ontwikkelingen (behaalde resultaten, technologische en marktinnovaties, enz.); verwacht dat dit maatregelen voor de lange termijn zal bevorderen; wijst tevens op de noodzaak van het invoeren van een tussentijdse evaluatie om te garanderen dat de doelstellingen in 2030 worden gehaald;

16.  onderstreept dat een grotere harmonisatie van de methodes voor de berekening van de additionaliteit (capaciteit om technologieën te stimuleren die beter presteren dan het gemiddelde op de markt) en de materialiteit (stimulering van maatregelen die niet noodzakelijkerwijs zouden zijn uitgevoerd) en de procedures voor meting en controle van de energiebesparingen zou kunnen bijdragen tot een betere tenuitvoerlegging van artikel 7;

17.  stelt voor de titel van artikel 7 te veranderen in "Steunregelingen voor energiebesparing", zodat wordt benadrukt dat de lidstaten de consumenten, met inbegrip van kmo's, moeten helpen om energie te besparen en hun energiekosten te verminderen, en maatregelen moeten invoeren om dergelijke besparingen door middel van verplichtingsregelingen of anderszins te kunnen verwezenlijken;

18.  stelt voor dat zowel in artikel 7 als met name in de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie (EEOS) voorrang wordt gegeven aan acties in de bouwsector, met name door de tenuitvoerlegging van de nationale langetermijnstrategieën waarvan sprake is in artikel 4 te bevorderen, om zo het volledige potentieel voor investeringen in op energiebesparing gerichte renovatie van gebouwen te ontsluiten;

19.  onderstreept dat van de belangrijkste uitdagingen en barrières voor de tenuitvoerlegging van artikel 7 de geringe kennis en bekwaamheden van de betrokken partijen een belangrijke rol spelen, net als het geringe besef bij de eindverbruikers met betrekking tot de verplichte efficiëntieplannen of de alternatieve maatregelen en de beperkte periode (2014-2020) waarin de doelstellingen moeten worden bereikt; nodigt de EU daarom uit om meer te investeren in informatie- en begeleidingscampagnes in de afzonderlijke lidstaten;

20.  benadrukt dat door het ontbreken van indicatoren voor energie-efficiëntie, zoals het energieverbruik per bbp-eenheid, sommige lidstaten hun burgers en bedrijven niet stimuleren om de politieke doelstellingen inzake klimaat en energie-efficiëntie te halen;

21.  benadrukt dat de bepaling in artikel 7, op grond waarvan de lidstaten kunnen eisen dat een deel van de energie-efficiëntiemaatregelen bij voorrang wordt uitgevoerd in huishoudens die met energiearmoede kampen of in sociale woningen, tot nu toe door slechts twee lidstaten is gebruikt; dringt aan op aanscherping van deze bepaling;

22.  is van mening dat energie-efficiëntiemaatregelen voor kwetsbare en energiearme huishoudens met voorrang omgezet moeten worden, om ervoor te zorgen dat de energiekosten vooral voor deze huishoudens duurzaam worden verlaagd;

23.  stelt voor dat in de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie, zoals bedoeld in artikel 24 van de huidige richtlijn, de eis kan worden opgenomen dat de lidstaten doelstellingen formuleren voor het gebruik van energie-efficiëntiemaatregelen teneinde het risico van energiearmoede te reduceren, en verslag uitbrengen over hoe zij aan deze doelstellingen voldoen;

24.  is van mening dat maatregelen voor de energie-efficiënte renovatie van bestaande gebouwen eerst en vooral op de meest energiearmen moeten zijn gericht; verzoekt de Commissie om, in het kader van de herziening van de richtlijn energie-efficiëntie, een streefcijfer voor te stellen voor een betere energie-efficiëntie van woningen, samen met toekomstige minimumnormen voor de energie-efficiëntie van huurwoningen;

25.  stelt vast dat 16 lidstaten hebben gekozen voor het vaststellen van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie (artikel 7, lid 1), dat 24 lidstaten in uiteenlopende mate gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van alternatieve maatregelen en dat 18 landen de voorkeur hebben gegeven aan alternatieven voor het renovatiepercentage (artikel 5); uit kritiek op het feit dat zeven lidstaten geen energie-audits (artikel 8) hebben ingevoerd;

26.  benadrukt dat voor enkele centrale onderdelen van de richtlijn energie-efficiëntie (slimme verbruiksmeting, warmtekrachtkoppeling, saneringsplannen) meer tijd nodig is en dat een stabiel kader voor energie-efficiëntie in de periode na 2020 essentieel is, zodat investeerders, overheden en bedrijven het noodzakelijke vertrouwen en een stabiele regelgeving krijgen om aan projecten en innovaties te beginnen, omdat deze geweldige mogelijkheden bieden voor een lager energieverbruik en daarmee voor lagere kosten voor de consument; merkt op dat de vraag en de markt de beste drijfveren zijn voor deze projecten;

27.  erkent dat de vraagrespons voornamelijk wordt ondermijnd door een tekort aan prijssignalen; verzoekt de lidstaten om dit obstakel weg te nemen en om slimme meters en transparante facturering te bevorderen als een manier om consumenten bewuster te doen omgaan met energieverbruik en investeringen in energie-efficiëntie;

28.  juicht nieuwe innovatieve en slimme oplossingen toe om de vraag naar en het aanbod van energie in evenwicht te brengen, om hernieuwbare energie beter te gebruiken en om het energieverbruik tijdens de piekuren te beperken; roept op om met name kmo's financieel te steunen bij hun onderzoek naar en ontwikkeling van deze nieuwe oplossingen;

29.  benadrukt de cruciale rol van de consumenten, burgers en distributiesysteembeheerders (DNB's) in het steeds verder gedecentraliseerde energielandschap en het belang van hun betrokkenheid voor het bereiken van de doelstellingen voor energie-efficiëntie; benadrukt derhalve dat er meer maatregelen moeten worden genomen om hun rol te versterken, o.a. door het faciliteren van de vraagrespons, kleinschalige opslag, renovatie van gebouwen en regelingen voor stadsverwarming en -koeling, zowel op individuele als op coöperatieve basis;

30.  wijst erop dat de richtlijn energie-efficiëntie niet alleen energie-efficiëntie stimuleert, maar ook op energiebesparing uit is via de bindende verplichting tot jaarlijkse energiebesparing in artikel 7; onderstreept het belang van een streefcijfer voor de energie-efficiëntie in 2030 dat aansluit bij de klimaatdoelstellingen in het COP 21-akkoord, om onze klimaatdoelstellingen te kunnen halen en onze afhankelijkheid van derde landen te verminderen; merkt op dat gebouwen goed zijn voor 40 % van het energiegebruik in de EU en dat 50 % hiervan wordt gebruikt voor verwarmings- en koelingsdoeleinden; benadrukt daarom dat een betere energie-efficiëntie van gebouwen van het allergrootste belang is voor een lagere CO2-uitstoot, een grotere energiezekerheid, het terugdringen van energiearmoede en de versterking van onze economie; dringt er bij de lidstaten op aan aanzienlijke investeringen te doen ter verbetering van de energie-efficiëntie en daarbij gebruik te maken van EU-financiering, aangezien daardoor niet alleen de energierekening lager zal uitvallen, maar ook veel werkgelegenheid wordt gecreëerd en de beoogde herindustrialisering dichterbij komt;

31.  onderstreept dat 85 % van het energieverbruik in een gebouw nodig is voor het verwarmen van de ruimte en het water en dat het daarom nodig is de modernisering van oude en inefficiënte verwarmingssystemen in Europa te versnellen, teneinde de energie-efficiëntie met ten minste 20 % te verbeteren met behulp van beschikbare technologieën, waaronder verwarmingssystemen die op hernieuwbare energie werken;

Concurrerende wettelijke bepalingen zetten rem op ecologisch succes en zorgen voor bureaucratie en hogere energiekosten

32.  merkt op dat rapportageverplichtingen op energiegebied als onderdeel van een kader essentieel zijn om de voortgang en de uitvoering van de bestaande wetgeving inzake energie-efficiëntie te beoordelen; betreurt evenwel de buitensporige rapportageverplichtingen die ook door overijverige lidstaten aan ondernemingen, consumenten en overheidsdiensten worden opgelegd en die de mogelijkheden voor groei en innovatie beperken; onderstreept dat de rapportageverplichtingen waar mogelijk moeten worden vereenvoudigd om de administratieve lasten en kosten terug te dringen; uit kritiek op het feit dat de gegevens die via rapportage worden verkregen, vaak niet vergelijkbaar zijn in de EU als gevolg van verschillende uitsplitsingen, methoden en normen; verzoekt de Commissie om ook door middel van digitale oplossingen de administratieve lasten in verband met rapportageverplichtingen te verminderen en met het oog op een betere evaluatie van de gegevens meer richtsnoeren voor de vergelijkbaarheid van die gegevens op te stellen; pleit voor het in overeenstemming brengen van de verwachte energievraag met het kostenefficiënte besparingspotentieel in belangrijke sectoren en is van mening dat door een vermindering van de bureaucratie energie-efficiëntiemaatregelen sneller kunnen worden uitgevoerd; merkt op dat de toepassing van het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" de herziening van energieplanning en -rapportage en de verbetering van de beleidscoherentie vereist om hun wederzijdse versterking te waarborgen, in het besef dat energiebesparing Europa's eerste en meest betrouwbare energiebron is; merkt op dat energie-efficiëntie de beste investering in een "energiebron" kan zijn: energie wordt betaalbaarder, er is minder behoefte aan aanvullende en dure infrastructuur aan de aanbodzijde en het helpt de klimaatverandering tegengaan;

33.  benadrukt dat de berekeningsregels voor energiebesparing en de interpretaties voor in aanmerking komende maatregelen, zoals uiteengezet in de bijlagen bij de richtlijn, te ingewikkeld zijn en het nauwgezet volgen ervan derhalve onmogelijk is; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de herziening van de EER een veel eenvoudigere methode voor het berekenen van de energie-efficiëntie oplevert, en te overwegen nieuwe gedelegeerde handelingen voor te stellen die de berekeningsmethoden in de huidige richtlijn vereenvoudigen;

34.  roept de Commissie op de omzettingsfactor voor elektriciteit in bijlage IV van de richtlijn te herzien voor een betere afspiegeling van het voortgaande overgangsproces in de elektriciteitsopwekking;

35.  wijst erop dat niet alle risico's die verband houden met investeringen in energiebesparing, kunnen worden opgevangen door de regeling voor emissiehandel (ETS), omdat deze slechts 45 % van de broeikasgasemissies in de EU dekt; wijst erop dat de richtlijn energie-efficiëntie raakvlakken heeft met andere EU-wetgeving op energiegebied en een zeker effect heeft op de CO2-balans en de ETS-regeling (prijzen van certificaten); verzoekt de Commissie de onderlinge verbanden te beoordelen en complementariteit te garanderen; stelt vast dat de lage prijs van ETS-emissierechten een van de vele factoren is die de prikkel voor de industrie om te investeren in energiebesparing verminderen;

36.  onderstreept het belang van een behoorlijke uitvoering van de marktstabiliteitsreserve, die de energie-efficiëntie zou kunnen helpen verbeteren door het versterken van de samenhang tussen de ETS-regeling en EU-maatregelen ten behoeve van koolstofarme energie;

37.  kijkt uit naar het toekomstige moderniseringsfonds, dat zich zal richten op de modernisering van energiesystemen en het verbeteren van de energie-efficiëntie in minder welvarende lidstaten van de EU, en verzoekt de Commissie te komen met een goede governancestructuur, met inbegrip van bijzonderheden over de rol van de begunstigde lidstaten, de EIB en andere instellingen;

38.  onderstreept dat een gebrekkige afstemming tussen verschillende onderdelen van de nationale wetgeving een belemmering kan vormen voor doeltreffende oplossingen die uit een oogpunt van kostenefficiëntie optimale resultaten bij de energie-efficiëntie opleveren, en de prijsvoordelen die energiebesparing oplevert, teniet doet; verzoekt de lidstaten en de Commissie coördinatiemaatregelen op te stellen om de potentiële energie-efficiëntie volledig te realiseren, waardoor er meer samenhang tussen de lidstaten zou ontstaan, zonder dat zij beperkt worden in hun mogelijkheden om hun beleid af te stemmen op hun eigen energiemarkt en -prijzen, de beschikbare technologie en oplossingen en hun nationale energiemix; wenst dat in de ETS beter rekening wordt gehouden met de nationale maatregelen die het aantal emissierechten en de prijs beïnvloeden;

39.  benadrukt dat de energie-efficiëntie in de overheidssector moet worden verbeterd en roept op om energiebesparingsinitiatieven beter te integreren in overheidsopdrachten;

40.  merkt op dat de energie-efficiëntievereisten voor overheidsopdrachten niet voor alle afnemers duidelijk zijn; verzoekt de Commissie om met duidelijkere richtsnoeren te komen, zodat artikel 6 van de richtlijn beter kan worden nageleefd, en deze regels beter op te nemen in de algemene EU-regels inzake overheidsopdrachten;

41.  verzoekt de Commissie om lokale en regionale instellingen te betrekken bij de bevordering van energie-efficiëntie op regionaal, lokaal en microniveau;

42.  wijst erop dat ondanks het feit dat de Europese stroomtarieven voor kleine en middelgrote industriële en commerciële afnemers en particulieren in veel lidstaten relatief hoog zijn, het investeren in energie-efficiëntie het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven kan versterken en de energiekosten voor particulieren kan verlagen; onderstreept echter dat de stroomrekening voor particuliere huishoudens in de EU gemiddeld voor een derde bestaat uit indirecte belastingen en heffingen van overheidswege, waardoor het bij facturering als vaste bedragen voor de consument lastig wordt de voordelen van energiebesparing te voelen, en energiearmoede in de hand wordt gewerkt; merkt op dat heffingen ter financiering van het Europese klimaat- en energiebeleid het kleinste deel van de rekening vormen; onderstreept dat de hoge energieprijzen in de EU resulteren in een verschil in energieprijzen tussen de lidstaten van de EU en onze belangrijkste concurrenten in grote delen van de wereld, waardoor het concurrentievermogen van Europese energie-intensieve bedrijven wordt aangetast; merkt op dat innovatie ook toeneemt naarmate er meer wordt geïnvesteerd in energie-efficiëntie, hetgeen de EU-industrie op een vooraanstaande positie in de wereld plaatst;

43.  merkt op dat energie-efficiëntie de beste investering in een "energiebron" kan zijn: energie wordt betaalbaarder, er is minder behoefte aan aanvullende en dure infrastructuur aan de aanbodzijde en het helpt de klimaatverandering tegengaan;

44.  merkt op dat het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" een kostenefficiënte uitbreiding van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de mix mogelijk maakt; benadrukt dat besparingsverplichtingen verenigbaar moeten zijn met de ontwikkeling van duurzame hernieuwbare energiebronnen en dat synergieën moeten worden versterkt met het oog op een doeltreffende overgang naar een koolstofarm, veerkrachtig en slim energiesysteem; is van mening dat er met een verbeterde supraregionale distributie, opslagsystemen en vraagbeheer goede kansen bestaan voor een uitbreiding van het aantal locaties die zeer geschikt zijn voor de opwekking van wind-, waterkracht- en zonne-energie voor heel Europa; is ervan overtuigd dat de energieprijs daardoor zal worden gedrukt;

45.  onderstreept dat energie-efficiëntie de meest kostenefficiënte maatregel is om aan de verplichtingen van de EU op het gebied van het terugdringen van de CO2-uitstoot te voldoen;

Meer samenhang in de energiewetgeving nodig

46.  verzoekt de Commissie vast te houden aan het beginsel "betere wetgeving", na te gaan hoe de EU-regels op het gebied van energie en klimaatverandering beter kunnen worden gecoördineerd en maatregelen voor te stellen ter verbetering van de huidige regelgeving; vraagt de Commissie tevens om versterking van de methodologie voor de grondige langetermijnbeoordeling van initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie, met inbegrip van alle belangrijke externe factoren; dringt aan op een maatschappelijk perspectief bij het gebruik van modellen en bij de beoordeling van de totale kosten en baten van de verschillende ambitieniveaus met betrekking tot energie-efficiëntie en wenst dat energie-efficiëntie wordt beschouwd als een energiebron op zich;

47.  verzoekt de Commissie energie-efficiëntie te behandelen als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen(9) gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, en hiervan een centraal aspect en een prioritaire overweging te maken bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in de Europese energie-infrastructuur;

48.  merkt op dat energie-efficiëntie de veerkracht van het energiesysteem kan helpen vergroten en daarmee kan helpen bij de overgang naar een duurzame en veilige situatie;

49.  benadrukt dat een functionele interne energiemarkt, ook voor diensten op het gebied van energie-efficiëntie, ertoe leidt dat de kosten van energiesystemen worden geoptimaliseerd, waarvan alle consumenten profiteren en waardoor de energie-efficiëntie en het concurrentievermogen in heel Europa aanzienlijk worden verbeterd; vraagt de lidstaten daarom het derde energiepakket volledig ten uitvoer te leggen ter waarborging van volledig functionerende concurrerende en onderling verbonden energiemarkten;

50.  wijst erop dat de energie-intensieve industrieën ook moeten bijdragen, en dat een gelijk speelveld binnen de EU hiervoor van groot belang is;

51.  benadrukt dat energie-efficiëntie deel uitmaakt van de kerndoelstellingen van de EU en dat de Europese landen derhalve moeten worden aangemoedigd om verspillend energieverbruik in industrie, vervoer en bouw te voorkomen, aangezien dit de sectoren met het grootste verbruiksaandeel zijn;

52.  is verheugd over het positieve effect van de certificeringsregelingen of de besparingsverplichtingen (artikel 7) in veel lidstaten; beschouwt de mogelijkheid om te kiezen voor alternatieve maatregelen met eenzelfde ambitieniveau als een essentiële voorwaarde voor de aanvaarding ervan; wijst op het belang ervoor te zorgen dat gecertificeerde besparingen overeenkomen met reële energiebesparingen en niet alleen besparingen op papier zijn; wijst op de rol van energiebedrijven bij het actief ontwikkelen van energie-efficiëntiemaatregelen; verlangt dat de aanrekening van certificeringsregelingen en maatregelen gericht op energiebesparing niet wordt bemoeilijkt; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de besparing van primaire energie door geïntegreerde warmtekrachtinstallaties in aanmerking te nemen;

53.  vestigt de aandacht op het EPRS-verslag voor het Parlement, waarin wordt geconcludeerd dat het merendeel van de vastgestelde verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie (EEOS) bij het verbeteren van de nationale energie-efficiëntie aantoonbaar van belang zijn geweest en kosteneffectieve besparingen hebben opgeleverd voor een groot aantal huishoudens en organisaties; wijst ook op de conclusie in het verslag dat EEOS zeer kosteneffectief zijn en dat er bewijs bestaat dat een land met een behoorlijk ontworpen en ten uitvoer gelegde EEOS tot 100 % van de besparingen uit hoofde van artikel 7 kan realiseren; stelt daarom voor dat de Commissie een lijst van goede en slechte praktijken samenstelt en een reeks criteria ontwikkelt waaraan een behoorlijk ontworpen en doeltreffende EEOS moet voldoen;

54.  wenst dat er plausibele methoden komen voor de berekening van besparingen en efficiëntie, zonder onnodige bureaucratie; acht het mogelijk dat de richtlijn energie-efficiëntie daarvoor ook als rechtskader dient, en is van mening dat concrete maatregelen en efficiëntiecriteria kunnen worden opgenomen in bestaande richtlijnen (bijv. de gebouwenrichtlijn) of in een globale etiketteringsverplichting (energie-efficiëntie-etikettering, ecodesign, kringloopeconomie, CE);

55.  vindt dat de klimaat- en efficiëntiedoelstellingen van de EU elkaar moeten versterken, en dat bindende verplichtingen voor energie-efficiëntie van vitaal belang zijn voor het bereiken van een maximale mate van ambitie en inspanning in de lidstaten, terwijl er ook voldoende flexibiliteit moet worden geboden voor de mix van instrumenten die op nationaal niveau moet worden samengesteld;

56.  verlangt dat de herziene richtlijn energie-efficiëntie aansluit bij de klimaatdoelen van de EU en doelstelling in het COP21-akkoord; benadrukt dat voortzetting en verbetering van de bestaande maatregelen, het wegnemen van tegenstrijdigheden en het sluiten van mazen in de wet deel moeten uitmaken van de herziening van de richtlijn, om de voorspelbaarheid van de regelgeving te waarborgen en beleggersvertrouwen op lange termijn mogelijk te maken;

Meer energie-efficiëntie – meer werkgelegenheid en groei

57.  betreurt de weinig doeltreffende energie-efficiëntieprojecten die steun hebben ontvangen uit de EU-structuurfondsen (2007-2013), waarop in het verslag van de Rekenkamer kritiek is geuit; verzoekt de Commissie snel de nodige verbeteringen door te voeren, waarbij de nadruk vooral moet liggen op rechtvaardiging, monitoring inkorting van de terugbetaalperiode voor gefinancierde projecten; dringt aan op verbeterde richtsnoeren en een sterker toezicht door de Commissie met het oog op een betere benutting van de structuurfondsen en het EFSI in combinatie met private investeringen voor haalbare energie-efficiëntieprojecten, met name in gebouwen; is van mening dat de financiering van energie-efficiëntieprojecten uit de structuurfondsen en het EFSI zich moet richten op consumenten die gevoeliger zijn voor energiekosten, zoals bedrijven waar het gevaar van koolstoflekkage bestaat, kmo's en huishoudens die door energiearmoede bedreigd worden; acht het een absolute prioriteit om financieringsinstrumenten en innovatieve modellen te ontwikkelen om overheidsmiddelen te mobiliseren en private financiering aan te trekken op lokaal, nationaal, regionaal en Europees niveau teneinde investeringen in belangrijke energie-efficiëntiesectoren zoals de renovatie van gebouwen te ondersteunen, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen en ook voor de specifieke kenmerken van langetermijninvesteringen;

58.  roept de lidstaten op om investeringen in de bouwsector te stimuleren, ook door meer prikkels te bieden om het slecht geïsoleerde gebouwenbestand in de EU grondig te renoveren;

59.  wijst erop dat als de lidstaten een middels heffingen gefinancierde energie-efficiëntieregeling vaststellen, er een minimumdrempel moet gelden voor huishoudens die met energiearmoede kampen; wijst er tevens op dat de lidstaten moeten aantonen hoe deze via heffingen gefinancierde regeling bijdraagt aan het verbeteren van de slechtste woningen in het bestaande binnenlandse woningenbestand;

60.  benadrukt het belang van Europese financiële instrumenten in de vorm van leningen, garanties en aandelenkapitaal als hefboom voor de particuliere financiering van energie-efficiëntieprojecten; benadrukt echter dat projecten op sociaal gebied moeten worden gefinancierd via subsidies;

61.  benadrukt dat de EU een ambitieus streefcijfer voor de energiebesparing moet vaststellen en innovatie met betrekking tot investeringen in energie-efficiëntie moet stimuleren, aangezien dergelijke investeringen winst opleveren en redelijk snel kunnen worden terugverdiend;

62.  verzoekt de lidstaten om een bepaling op te nemen die inhoudt dat een aanzienlijk minimumpercentage van de maatregelen in het kader van verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie op verbruikers met een laag inkomen is gericht;

63.  merkt op dat energie-efficiëntieprojecten vaak kleinschalig zijn en moeten worden samengevoegd tot grotere portefeuilles; verzoekt met het oog hierop de Commissie, de EIB en de lidstaten meer technische bijstand en steun bij de projectontwikkeling te bieden, om zo investeringen te faciliteren;

64.  is van mening dat een langetermijnstrategie voor energie-efficiëntie in gebouwen en de verdere stimulering van energie-efficiënte renovatie van gebouwen nodig zijn om verder te gaan dan eenvoudige en goedkope maatregelen in de bouwsector;

65.  wenst dat de lidstaten hun coördinatie verbeteren en ideeën en beste praktijken uitwisselen over de besparingsverplichtingen en de renovatieplannen voor gebouwen (artikel 4, 5, 6 en 7), teneinde bestaande en nieuwe instrumenten (belastingverlichting, steunprogramma's, modelcontracten en investeringen in sociale woningbouw) sneller toe te passen; is van mening dat artikel 5 zo mogelijk moet worden uitgebreid tot alle overheidsorganen; dringt aan op richtsnoeren van de Commissie voor toekomstige nationale plannen om de transparantie en de vergelijkbaarheid te garanderen; is ingenomen met de technische ondersteuning van de Commissie bij de uitvoering van de EER; dringt aan op verplichte modellen voor de nationale plannen om de transparantie en de vergelijkbaarheid te garanderen; roept de lidstaten op om na te denken over innovatieve, marktgerichte steunregelingen;

66.  merkt op dat er in de woningsector het minst vooruitgang is geboekt en roept bijgevolg de lidstaten op om van energiedienstverleners en energieprestatiecontracten gebruik te maken, belastingregelingen en leningsprogramma's in te voeren teneinde het lage aantal gebouwenrenovaties in Europa op te voeren, en energie-efficiëntiemaatregelen, zoals de toepassing van energie-efficiënte verwarming en koeling, te belonen;

67.  verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te zetten de regelingen betreffende de controle, de meting en het beheer van de efficiëntie van gebouwen goed te keuren en te verbeteren, om de energie-efficiëntie van het gebouwenbestand in de EU aanzienlijk te verhogen;

68.  dringt erop aan dat de lidstaten in de volgende versie van hun renovatiestrategie (in te dienen in april 2017), zoals bedoeld in artikel 4, aangeven hoe zij de energierenovatie van hun gebouwenbestand willen bereiken, om daarmee de EU-brede visie van een bijna energieneutraal gebouwenbestand tegen 2050 te verwezenlijken;

69.  is van mening dat uitbreiding van de voorbeeldfunctie van overheidsgebouwen tot alle niveaus van het openbaar bestuur en niet alleen de centrale overheid ertoe zal bijdragen dat alle mogelijkheden die deze gebouwen bieden kostenefficiënt worden benut, want dit is de sector met het grootste potentieel gebleken, niet alleen qua energiebesparing, maar ook voor andere, bredere voordelen, waaronder meer comfort en welzijn; is in dit verband van mening dat de lidstaten moeten worden verplicht tot het instellen van een intern mechanisme voor de verdeling van de te realiseren 3 % renovatie tussen de verschillende bestuurslagen, en dat het mogelijk moet blijven voor andere maatregelen te kiezen als alternatief voor de in de leden 1 en 2 beschreven benadering, en dat het effect daarvan moet worden gekwantificeerd;

70.  verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe te bewegen om zich sterker in te zetten voor de renovatie van niet-residentiële gebouwen op grond van hun grote potentiële rentabiliteit op korte termijn;

71.  stelt voor de titel van artikel 4 van de richtlijn te wijzigen in "Langetermijnstrategieën voor de grondige renovatie van het nationale gebouwenbestand en het inzetten op investeringen";

72.  vraagt de nodige middelen uit te trekken voor de opleiding van installateurs, zodat zij renovatiewerk van hoge kwaliteit kunnen uitvoeren;

73.  verlangt van de Commissie een strategische benadering om meer bekendheid te geven aan nieuwe technische ontwikkelingen (onder meer op het gebied van koelmiddelen, verlichting, isolatie, thermostaten, meetapparatuur en beglazing);

74.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om voorrang te geven aan artikel 4 van de richtlijn wat de voorbereiding van de tweede versie van de strategieën betreft, die in 2017 moet worden voorgelegd, op behoorlijk overleg met de belanghebbenden moet berusten en verplichte modellen moet volgen met tussentijdse streefcijfers en uitvoeringsplannen voor een vijfjarige termijn, met het oog op een bijna-energieneutraal gebouwenbestand op EU-niveau tegen 2050, mede omdat dit nodig zal zijn om de doelstellingen van het COP 21-akkoord te halen;

75.  beschouwt ondernemingsgewijze energie-audits als een beproefd instrument om de energie-efficiëntie te verhogen, en benadrukt de voordelen voor het concurrentievermogen; dringt aan op een uniforme definitie en toepassing van de in de richtlijn omschreven criteria (definitie van kmo, audits, geen dubbele certificering bij grensoverschrijdende bedrijfsstructuren) en op een uniforme benadering van de in artikel 8, lid 4, bedoelde de minimis-drempel; wenst dat het toepassingsgebied van dat artikel wordt uitgebreid naar alle bedrijven met een hoog energieverbruik; verzoekt om een evaluatie die ertoe moet leiden dat de systemen voor energie-audits doeltreffender worden; dringt erop aan dat de uitvoering van kosteneffectieve aanbevelingen in energie-audits verplicht wordt gesteld in het kader van gepland onderhoud overeenkomstig de doelstellingen van de betrokken bedrijven;

76.  stelt voor de definitie van "kmo" in de richtlijn (artikel 2, punt 26) te herzien en enkel te verwijzen naar het aantal werknemers en de jaaromzet, zodat bedrijven die voor 25 % of meer onder zeggenschap van een overheidsinstantie staan, nog steeds kunnen worden beschouwd als een kmo;

77.  juicht het toe dat de Commissie aan richtsnoeren werkt voor de uitvoering van de artikelen 9 tot 11 van de EER, om consumenten te helpen hun energieverbruik beter te beheersen; beschouwt de technische haalbaarheid en de invoering van slimme meters – rekening houdend met de kostenefficiëntie en transparantie van de kosten – als belangrijke punten met het oog op het realiseren van energiebesparing; is van mening dat ten behoeve van de consistentie alle bestaande bepalingen inzake metergebruik en facturering op één plaats moeten worden samengebracht;

78.  wijst erop dat de energiefactuur van de consument nog steeds onduidelijk en onnauwkeurig is; beveelt aan de transparantie en de duidelijkheid van facturen te verbeteren door op EU-niveau overkoepelende beginselen voor facturen vast te stellen, zodat de consument over belangrijke informatie in een vergelijkbaar formaat beschikt als steun bij de aanpassing van zijn verbruikspatroon; wijst erop dat consumenten een breed scala aan voorkeuren en toegankelijke tools hebben en dat daarom de benadering van informatieverstrekking door middel van consumentenonderzoek op nationaal niveau moet worden ontwikkeld;

79.  is van mening dat de toegang tot onafhankelijke en betrouwbare informatie en advies over passende energie-efficiëntiemaatregelen en financiële regelingen van essentieel belang is, met name voor huishoudens, maar ook voor de lokale en regionale overheden, om weloverwogen energiebewuste keuzes te maken en hun energieverbruik beter te beheren, onder meer door middel van slimme meters en individuele meting van het energieverbruik voor verwarming en koeling;

80.  pleit voor strenge normen voor kwaliteitsborging, nationale opleidingsprogramma's en één vereenvoudigd nationaal certificeringssysteem voor dienstverleners op het gebied van energie-efficiëntie, ondersteund door geïntegreerde en gemakkelijk toegankelijke structuren voor advies en verhaalsmogelijkheden; onderstreept dat dit wordt voorgesteld teneinde een aantal niet-financiële belemmeringen voor de acceptatie door de consument van energie-efficiëntieproducten en -diensten weg te nemen, bijv. door het mogelijk te maken betrouwbare handelaren te vinden;

81.  verwacht verdere investeringen in energiebesparing doordat moet worden voldaan aan de in artikel 14 gestelde zeer efficiënte eisen inzake warmtekrachtkoppeling;

82.  wijst erop dat als de lidstaten een via heffingen gefinancierde energie-efficiëntieregeling vaststellen (artikel 20), hierin voorrang moet worden gegeven aan huishoudens die met energiearmoede kampen; wenst dat de herziene energierichtlijn de lidstaten voor de lange termijn een stabiele beleidsomgeving biedt die een duurzame toename van de investeringen in energie-efficiëntie waarborgt, in het bijzonder op lokaal niveau; verlangt van de EU en de EIB dat zij hun inspanningen op het gebied van capaciteitsopbouw en technische bijstand opvoeren om voor banken aanvaardbare energie-efficiëntieprojecten te ontwikkelen die private investeringen uit de markt aantrekken; dringt erop aan dat de EU-financieringsprogramma's (bijv. structuurfondsen, plan-Juncker, ELENA-EIB) het aandeel toegewezen middelen voor capaciteitsopbouw en technische bijstand op het gebied van energie-efficiëntie vergroten;

83.  betreurt de geringe omvang van de publieke en particuliere investeringen in slimme stroomnetten; verzoekt de Commissie intensiever te werken aan de uitvoering van artikel 15 van de richtlijn om de ontwikkeling van zulke netten te bevorderen;

84.  dringt aan op het verplicht stellen van nationale kosten-batenanalyses van energie-efficiëntieprogramma's die via – of in combinatie met – de lokale overheden worden uitgevoerd, en wenst dat aan deze benadering wordt vastgehouden als daarmee efficiëntieverbeteringen en kostenbesparingen voor consumenten worden behaald;

85.  uit zijn bezorgdheid over de toenemende vervuiling door bepaalde installaties voor woningverwarming op vaste biomassa, die grote hoeveelheden fijn stof, stikstofoxide, koolmonoxide en dioxines produceren, stoffen die zeer slecht zijn voor de luchtkwaliteit en dus schadelijk voor de menselijke gezondheid; spoort daarom de lidstaten aan om efficiënte en milieuvriendelijke alternatieven toe te passen;

86.  benadrukt dat er dringend voor een globalere benadering moet worden gekozen om de energie-efficiëntie van het gehele vervoersysteem te verbeteren, en dat niet alleen mag worden vertrouwd op de technische ontwikkeling van voertuigen of aandrijfsystemen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nieuwe, ambitieuze maatregelen te nemen met het oog op een verschuiving naar de meest energie-efficiënte vervoerswijzen, en om maximaal gebruik te maken van intelligente vervoersystemen (ITS), zodat zowel de voertuigen als de infrastructuur – ook in de sectoren logistiek, luchtvaart en zeevervoer – efficiënter worden gemaakt en de beschikbare capaciteit beter wordt benut;

87.  herinnert eraan dat energie-efficiëntie tot stand kan worden gebracht door CO2-normen vast te stellen en gebruikers te informeren over het brandstofverbruik van hun voertuigen; verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen om gebruikers te informeren over het brandstofverbruik van nieuwe vrachtwagens, bussen en touringcars en om hun CO2-uitstoot te begrenzen;

88.  betreurt de geringe bijdrage van het vervoer aan de energiebesparing – slechts 3 % als we kijken naar de totale besparingen opgedeeld per sector – ondanks de stabilisering van het personenvervoer en de daling van het goederenverkeer tussen 2005 en 2013 als gevolg van de economische crisis; roept de lidstaten op om het aantal maatregelen voor de vervoersector te verhogen;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.
(2) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0266.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0063.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0359.
(8) Zie Tina Fawcett and Jan Rosenow: "The Member States’ plans and achievements towards the implementation of Article 7 of the Energy Efficiency Directive", EPRS-studie.
(9) "Energy efficiency as infrastructure: leaping the investment gap", rapport van E3G consultancy, 3 maart 2016.

Juridische mededeling