Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 5 juli 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Overeenkomst tussen de EU en Peru inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Emissiegrenswaarden voor niet voor de weg bestemde mobiele machines***I
 Vluchtelingen: sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt
 Sociale en milieunormen, mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen
 Een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen
 Bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU

Overeenkomst tussen de EU en Peru inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 240kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Peru inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12099/2015 – C8-0143/2016 – 2015/0199(NLE))
P8_TA(2016)0295A8-0197/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12099/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Peru inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12097/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0143/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0197/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Peru.


Emissiegrenswaarden voor niet voor de weg bestemde mobiele machines***I
PDF 247kWORD 102k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren (COM(2014)0581 – C8-0168/2014 – 2014/0268(COD))
P8_TA(2016)0296A8-0276/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0581),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0168/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 februari 2015(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 22 april 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0276/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1628.)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Vluchtelingen: sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt
PDF 253kWORD 135k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over vluchtelingen: sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt (2015/2321(INI))
P8_TA(2016)0297A8-0204/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1951 en het aanvullende protocol hierbij,

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(2),

–  gezien het tienpuntenplan inzake migratie van de Commissie, gepresenteerd tijdens de gezamenlijke Raad van ministers van Buitenlandse en Binnenlandse Zaken van 20 april 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240),

–  gezien de mededeling van de Commissie van dinsdag 7 juni 2016 over het Europese actieplan voor de integratie van onderdanen van derde landen (COM(2016)0377),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (COM(2016)0378),

–  gezien de mededeling van de Commissie van vrijdag 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa" (COM(2016)0381),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015)0452),

–  gezien Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (de richtlijn opvangvoorzieningen),

–  gezien de mededeling van de Commissie "EU-actieplan inzake terugkeer" (COM(2015)0453),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijk "terugkeerhandboek" voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij het uitvoeren van terugkeergerelateerde taken (C(2015)6250),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de regels inzake overheidsopdrachten in verband met de huidige asielcrisis (COM(2015)0454),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU (JOIN(2015)0040),

–  gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika (C(2015)7293),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda (COM(2015)0490),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2015 getiteld "EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015 - 2020)" (COM(2015)0285),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de Europese Agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda (COM(2015)0510),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van de bijeenkomst in juni 2014, de buitengewone bijeenkomst van 23 april 2015, de bijeenkomst van 25 en 26 juni 2015, de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU over migratie van 23 september 2015, de bijeenkomst van 15 oktober 2015 en de bijeenkomsten van 17 en 18 december 2015 en 18 en 19 februari 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over veilige landen van herkomst, van 20 juli 2015 over migratie, van 8 oktober 2015 over de toekomst van het terugkeerbeleid, van 12 oktober 2015 over migratie, van 9 november 2015 over maatregelen om de vluchtelingen- en migratiecrisis te beheersen en van 4 december 2015 over staatloosheid,

–  gezien de conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het hervestigen middels multilaterale en nationale regelingen van 20 000 personen die duidelijk internationale bescherming behoeven,

–  gezien het gezamenlijk actieplan EU-Turkije van 15 oktober 2015,

–  gezien de verklaring naar aanleiding van de Conferentie op hoog niveau over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute die op 8 oktober 2015 is aangenomen, evenals de verklaring van de regeringsleiders die tijdens de bijeenkomst over vluchtelingenstromen via de Westelijke Balkanroute op 25 oktober 2015 is aangenomen,

–  gezien het actieplan en de politieke verklaring, goedgekeurd tijdens de top EU-Afrika over migratie in Valletta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging,

–  gezien het gemeenschappelijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad bij de mededeling over de jaarlijkse groeianalyse 2016,

–  gezien Resolutie 1994 (2014) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa,

–  gezien het werk en de verslagen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), en met name het jaarverslag over de asielsituatie in de Europese Unie 2014,

–  gezien artikel 33, lid 1, en artikel 33, lid 2, van het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het werk, de jaarverslagen en de studies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en met name de studies over ernstige vormen van arbeidsuitbuiting,

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling A over de integratie van migranten en haar gevolgen voor de arbeidsmarkt, de studies van beleidsondersteunende afdeling C over de tenuitvoerlegging van artikel 80 VWEU, over nieuwe methoden, alternatieve wegen en middelen om toegang te krijgen tot asielprocedures voor personen die om internationale bescherming verzoeken, over het verkennen van nieuwe wegen voor wetgeving op het gebied van arbeidsmigratie naar de EU, over versterking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en alternatieven voor Dublin en over samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie, en de nota's en papers van beleidsondersteunende afdelingen A en D over EU-fondsen voor migratiebeleid en integratie van vluchtelingen: analyse van doelmatigheid en goede praktijken voor de toekomst, en de studie van de beleidsondersteunende afdeling van DG EXPO over migranten in het Middellandse Zeegebied: bescherming van de mensenrechten,

–  gezien de studies van het Europees migratienetwerk (EMN), en met name de studie over beleid, praktijk en gegevens inzake niet-begeleide minderjarigen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van migranten,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Internationale Organisatie voor Migratie,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen,

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's – Europese migratieagenda, goedgekeurd tijdens de 115e zitting van 3-4 december 2015,

–  gezien de adviezen van 10 december 2015 van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Europese migratieagenda en over het EU-actieplan tegen migrantensmokkel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016 over de integratie van vluchtelingen in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(3),

–  gezien de ervaring die is opgedaan via het Equal-programma en de geleerde lessen,

–  gezien de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie, aangenomen door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in november 2004, met name beginselen 3, 5 en 7,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over integratie van migranten, gevolgen voor de arbeidsmarkt en externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid(4),

–  gezien de relevante publicaties van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), in het bijzonder "Indicators of Immigrant Integration 2015: Settling In", "Making Integration Work: Refugees and others in need of protection", en "A New Profile of Migrants in the Aftermath of the Recent Economic Crisis",

–  gezien de relevante publicaties van Eurofound, in het bijzonder "Challenges of policy coordination for third-country nationals" en "Approaches towards the labour market integration of refugees in the EU",

–  gezien de discussienota van het personeel van het Internationaal Monetair Fonds "The Refugee Surge in Europe: Economic Challenges",

–  gezien het jaarverslag van de Asylum Information Database van 2014-2015 getiteld "Common Asylum System at a turning point: Refugees caught in Europe's solidarity crisis",

–  gezien het document "International Protection Considerations with regard to people fleeing the Syrian Arab Republic, Update II" van de UNHCR van 22 oktober 2013,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid(5),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU(7),

–  gezien de studie van het beleidsdepartement C van het Europees Parlement van februari 2016 over "Female refugees and asylum seekers: the issue of integration",

–  gezien de conclusies van de Europese tripartiete sociale top van 16 maart 2016, met name de verklaring van de Europese economische en sociale partners over de vluchtelingencrisis,

–  gezien de internationale verplichtingen krachtens het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en met het oog op het grondrecht van ieder kind op toegang tot gratis basisonderwijs, ongeacht zijn geslacht, ras dan wel etnische of maatschappelijke achtergrond,

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0204/2016),

A.  overwegende dat de vluchtelingencrisis in de eerste plaats een humanitaire crisis is die onder meer het gevolg is van de destabilisering van landen in het nabuurschap van de EU, en die ook effecten op lange termijn heeft op de arbeidsmarkt en de samenleving in de EU en dus oplossingen op lange termijn en weloverwogen tegenmaatregelen vergt om sociale cohesie op lokaal niveau en een succesvolle integratie van nieuwkomers in onze samenlevingen te kunnen verzekeren;

B.  overwegende dat het Verdrag van Genève in het leven is geroepen om de Europese vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog te beschermen en dat er in dit verdrag wordt bepaald wie een vluchteling is en een aantal rechten worden neergelegd die vluchtelingen genieten, evenals de verplichtingen van staten;

C.  overwegende dat er drie soorten juridische status bestaan waaronder personen internationale bescherming genieten of kunnen genieten, te weten de status van vluchteling, de asielzoekersstatus en de status van personen die subsidiaire bescherming genieten; overwegende dat het beleid inzake sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt moet worden afgestemd op hun specifieke behoeften;

D.  overwegende dat de oorzaken van de vluchtelingencrisis moeten worden geanalyseerd om doeltreffend en onmiddellijk te kunnen optreden; voorts overwegende dat conflicten de belangrijkste oorzaken van de vluchtelingencrisis zijn en dat een oplossing van deze conflicten zou betekenen dat er veel minder nieuwe vluchtelingen zouden zijn en dat de overige naar hun eigen land zouden kunnen terugkeren;

E.  overwegende dat er in 2014 en 2015 in Europa een ongekend hoog aantal vluchtelingen werd geregistreerd, wat het gevolg is van de moeilijke humanitaire situatie in bepaalde buurlanden van de EU; overwegende dat betere toegang tot informatie door middel van nieuwe technologieën zou kunnen helpen voorkomen dat mensensmokkelaars en smokkelaars floreren;

F.  overwegende dat het actieplan en de politieke verklaring, goedgekeurd tijdens de top EU-Afrika over migratie in Valletta op 11 en 12 november 2015, niet tot concrete, baanbrekende maatregelen hebben geleid;

G.  overwegende dat de integratie van vluchtelingen zowel in de samenleving als op de arbeidsmarkt alleen kan worden bereikt als alle lidstaten en hun samenlevingen solidair zijn en zich daar gezamenlijk voor inzetten;

H.  overwegende dat de beroepsbevolking in de EU tussen nu en 2020 naar verwachting met 7,5 miljoen personen zal dalen; overwegende dat er volgens prognoses inzake de ontwikkeling van de behoeften van de arbeidsmarkt in de EU in de toekomst op bepaalde gebieden tekorten zullen ontstaan;

I.  overwegende dat arbeidsintegratie een springplank is naar sociale inclusie;

J.  overwegende dat sociale inclusie en integratie van vluchtelingen in de samenlevingen van de gastlanden, en met name op hun arbeidsmarkt, een dynamisch tweerichtingsproces is, alsook een tweedimensionaal proces (met rechten en plichten), dat zowel een uitdaging als een kans vormt waarbij de inclusie van vluchtelingen op elkaar afgestemde maar uiteenlopende verantwoordelijkheden en inspanningen vergt van de zijde van de vluchtelingen zelf en van die van de lidstaten, hun lokale en, indien van toepassing, hun regionale overheden en gastgemeenschappen, alsook de betrokkenheid en steun van sociale partners, het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties;

K.  overwegende dat voor geslaagde integratie niet alleen inclusie op de arbeidsmarkt nodig is, maar ook toegang tot passende taalopleidingen bij aankomst en tot huisvesting, onderwijs en opleiding, sociale bescherming en gezondheidszorg, met inbegrip van geestelijke gezondheidszorg;

L.  overwegende dat de arbeidsmarktsituatie in gastlanden een doorslaggevende factor is voor een succesvolle integratie van vluchtelingen; overwegende dat de werkloosheid in de EU, met name de jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, nog steeds alarmerend hoog is en dat het op elkaar afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt een aanhoudende uitdaging vormt;

M.  overwegende dat elke vluchteling een individu is met zijn of haar persoonlijke achtergrond, kennis, vaardigheden, kwalificaties, werk- en levenservaring en behoeften, die alle erkenning verdienen; overwegende dat vluchtelingen economische activiteiten kunnen uitoefenen en genereren die positieve effecten zouden kunnen hebben op de gastgemeenschappen;

N.  overwegende dat bovendien 24,4 % van de totale bevolking van de EU het risico loopt op armoede en sociale uitsluiting en dat bijna 10 % te maken heeft met ernstige materiële deprivatie;

O.  overwegende dat onderdanen van derde landen veel problemen ondervinden met de erkenning van hun vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat de erkenning van kwalificaties uit een derde land hand in hand gaat met het screenen van vaardigheden;

P.  overwegende dat de erkenning van de opleiding en de kwalificaties van volwassen vluchtelingen en specifieke voorzieningen die hen in staat stellen academische kwalificaties en specifieke vaardigheden te verwerven, van essentieel belang zijn voor hun intrede op de arbeidsmarkt;

Q.  overwegende dat het verlenen van effectieve toegang tot de arbeidsmarkt aan vluchtelingen en asielzoekers belangrijk is om hun menselijke waardigheid en zelfwaarde te herstellen en dat dit ook rendabel is, en dat het ook een verantwoorde benadering is vanuit het oogpunt van de overheidsfinanciën omdat het door de lidstaten en de lokale autoriteiten gedragen kosten verlicht en ervoor zorgt dat zij zo ook belasting kunnen gaan betalen;

R.  overwegende dat vrouwen en kinderen, of het nu vluchtelingen of asielzoekers zijn, specifieke beschermingsbehoeften hebben; benadrukt dat elk beleid inzake sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt een gender- en een kinderbeschermingsperspectief moet omvatten;

S.  overwegende dat er volgens Europolgegevens uit 2015 ten minste 10 000 niet-begeleide kinderen na hun aankomst in Europa verdwenen zijn;

T.  overwegende dat gedwongen verplaatsingen, conflicten, schendingen van de mensenrechten en oorlogen een aanzienlijke impact kunnen hebben op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mensen die erdoor worden getroffen; overwegende dat vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers bovendien zeer vaak gendergerelateerd geweld ervaren;

U.  overwegende dat een groot deel van de asielzoekers die in Europa zijn aangekomen in mensonwaardige en precaire omstandigheden leeft, in kampen waar zij geen toegang hebben tot voorzieningen en diensten van goede kwaliteit om in hun basisbehoeften te voorzien;

V.  overwegende dat in artikel 33, lid 1, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van de Verenigde Naties van 1951 wordt bepaald dat "[g]een der Verdragsluitende Staten […], op welke wijze ook, een vluchteling [zal] uitzetten of terugleiden ("refouler") naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging";

W.  overwegende dat in artikel 3, leden 1 en 2, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (1984) wordt bepaald dat "[g]een enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, […] een persoon [mag] uitzetten of terugzenden ("refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering" en dat "[...] de bevoegde autoriteiten rekening [dienen] te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten";

X.  overwegende dat discriminatie, naast taalkundige, educatieve en institutionele factoren, in het algemeen een van de belangrijkste obstakels vormt voor een volwaardige deelname van migranten aan de arbeidsmarkt en de samenleving(9);

Y.  overwegende dat de helft van de asielzoekers en vluchtelingen die in 2015 de EU binnenkwamen, tussen 18 en 34 jaar oud is en dat het in één op de vier gevallen om kinderen gaat; overwegende dat deze kinderen afkomstig zijn uit conflictgebieden waar zij niet langer of slechts beperkt naar school konden gaan, soms gedurende langere periodes, of uit vluchtelingenkampen waar slechts een minderheid van hen een vorm van onderwijs kon genieten of naar een plaatselijk school kon gaan;

Z.  overwegende dat in Richtlijn 2003/86/EG met betrekking tot gezinshereniging van vluchtelingen wordt bepaald dat de landen van de EU "ten aanzien van een vluchteling niet [mogen] eisen dat hij gedurende een bepaalde periode op hun grondgebied heeft verbleven voordat zijn gezinsleden zich bij hem kunnen voegen";

1.  benadrukt dat de EU haar onmiddellijke respons op de situatie moet baseren op solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, zoals bepaald in artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en op een alomvattende aanpak die rekening houdt met de behoefte aan verbeterde veilige en legale migratiekanalen en waarborgt dat bestaande wetten en fundamentele Europese rechten en waarden onverkort geëerbiedigd worden; wijst erop dat het nodig is onmiddellijk een permanent herplaatsingsmechanisme in te voeren voor alle lidstaten om de instroom van vluchtelingen en asielzoekers te kunnen beheren;

2.  neemt nota van de grote verschillen en het gebrek aan duidelijkheid in de wijze waarop de term "vluchteling" wordt gebruikt in het openbare en politieke debat; benadrukt dat het belangrijk is vluchtelingen duidelijk te benoemen in overeenstemming met de wettelijke definitie zoals die is neergelegd in het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, en in de EU-wetgeving, met name de erkenningsrichtlijn (2011/95/EU)(10), artikel 2, onder c) t/m g), en de richtlijn opvangvoorzieningen, artikel 2, onder a), b) en c); benadrukt dat het van belang is om voor de uitvoering van de verschillende Europese en internationale beleidsmaatregelen duidelijk onderscheid te maken tussen vluchtelingen en economische migranten;

3.  wijst erop dat een persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming een onderdaan van een derde land of een staatloze is die niet wordt erkend als vluchteling, maar die niettemin een reëel risico loopt op ernstige schade, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, of een burger die wordt geconfronteerd met een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict (zie erkenningsrichtlijn);

4.  benadrukt dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan met betrekking tot de termijnen waarbinnen en de wijze waarop verzoeken om internationale bescherming worden behandeld; wijst erop dat trage en al te bureaucratische procedures een belemmering kunnen vormen voor de toegang van vluchtelingen en asielzoekers tot onderwijs en opleiding, beroepsadvies en de arbeidsmarkt, de inwerkingstelling van programma's van de EU en de lidstaten en het doeltreffend en gecoördineerd gebruik van fondsen op dit gebied, en ertoe kunnen leiden dat vluchtelingen en asielzoekers meer worden blootgesteld aan zwartwerk en precaire werkomstandigheden; wijst erop dat het dringend noodzakelijk is een gemeenschappelijk asielstelsel op te zetten om de erkenningsprocedures te verbeteren en tegelijkertijd het hoogste veiligheidsniveau te garanderen voor vluchtelingen en Europese burgers; beveelt aan dat de noodzakelijke maatregelen worden genomen om de lidstaten die om geografische redenen het meest betrokken zijn bij de primaire opvang, te ondersteunen; erkent dat de duur van de verleende verblijfsvergunning (vooral voor personen met subsidiaire bescherming), als die slechts van relatief korte duur is, de integratie op de arbeidsmarkt belemmert;

5.  dringt er voorts op aan dat buiten het Europese grondgebied efficiënte maatregelen worden genomen, zowel om degenen die daartoe het recht hebben, in staat te stellen de gastlanden veilig te bereiken, als om de verzoeken om internationale bescherming te beheren en onbestemde migratiestromen in te dammen;

6.  benadrukt dat het, om de sociale inclusie en de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, nodig is een op aanpasbaarheid en samenwerking gebaseerde aanpak te ontwikkelen en een aantal ernstige en complexe problemen aan te pakken, zoals alle vormen van discriminatie, taalbarrières, die de belangrijkste hinderpaal voor integratie vormen, de validering van vaardigheden, verschillen qua sociaal-economische, educatieve en culturele achtergrond, huisvesting, gezondheidsbehoeften, waaronder psychosociale en posttraumatische ondersteuning, gezinshereniging en het feit dat veel van de vluchtelingen tot kwetsbare groeperingen behoren, in het bijzonder het verontrustend hoge aantal kinderen, waaronder niet-begeleide kinderen, gehandicapten, ouderen en vrouwen(11), die alle aan hun specifieke behoeften aangepaste maatregelen behoeven;

7.  verwerpt het idee om speciale arbeidsmarkten voor vluchtelingen te creëren;

8.  pleit ervoor dat het respectievelijke nationale minimumloon ook voor vluchtelingen geldt;

9.  herinnert aan de uiterst zorgwekkende situatie van vrouwen in vluchtelingenkampen in Europa en in het bijzonder aan hun hygiënische en leefomstandigheden, die van dien aard zijn dat urgente sanitaire maatregelen geboden zijn; benadrukt dat vrouwen andere zorgbehoeften hebben dan mannen omdat ze vaker worden blootgesteld aan meerdere risico's, waaronder gendergerelateerd geweld, complicaties bij reproductieve gezondheid en culturele belemmeringen bij de toegang tot gezondheidszorg; is daarom van mening dat de beleidslijnen op dit gebied niet genderneutraal kunnen zijn;

10.  onderstreept dat het van belang is onderscheid te maken tussen spoedmaatregelen en maatregelen voor de middellange tot lange termijn teneinde op doeltreffende wijze te kunnen inspelen op de uiteenlopende behoeften;

11.  herhaalt dat het belangrijk is bij de behandeling van aanvragen voor de vluchtelingenstatus van meet af aan de genderdimensie te erkennen en rekening te houden met de behoeften van vrouwen die internationale bescherming aanvragen, alsook met de specifieke problemen die vrouwen ondervinden op het gebied van sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt; dringt aan op gelijke kansen voor mannen en vrouwen in alle beleidsmaatregelen en procedures in verband met sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt en inzake asiel en migratie, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat vrouwen vaker dan mannen de verantwoordelijkheid dragen voor de zorg voor kinderen en oudere, zieke of anderszins afhankelijke familieleden; herinnert eraan dat kwaliteitsvolle en betaalbare zorg voor kinderen en andere verwanten, alsook flexibele arbeidsregelingen, cruciale voorbeelden zijn van hoe de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle ouders kan worden verbeterd en hoe zij economisch en sociaal gezien zelfredzaam kunnen worden gemaakt;

12.  benadrukt de voordelen van voorlichting over sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt; benadrukt dat het belangrijk is om alle vluchtelingen, in het bijzonder meisjes en vrouwen, toegang te verlenen tot formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en tot langdurige opleidingen in combinatie met werkervaring(12); vraagt voorts om solide en transparante procedures voor de erkenning van in niet EU-landen verworven kwalificaties;

13.  dringt er bij de lidstaten op aan een taalonderwijsstelsel op te zetten in het kader waarvan algemeen en beroepsgericht taalonderwijs nauw op elkaar worden afgestemd;

14.  benadrukt het belang van een op maat gesneden integratieaanpak op basis van gelijke kansen, met de nodige aandacht voor de behoeften en specifieke uitdagingen van de verschillende doelgroepen; benadrukt in dit verband dat er een grote behoefte bestaat aan alfabetiseringsprogramma's;

Uitdagingen en kansen

15.  meent dat het faciliteren voor vluchtelingen van effectieve toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, sociale bescherming en de arbeidsmarkt, met eerbiediging van hun grondrechten, en het inclusiever maken van de arbeidsmarkten op lokaal en nationaal niveau, belangrijk zou kunnen zijn om hun menselijke waardigheid en zelfwaarde te herstellen, en benadrukt dat dit ook rendabel is omdat ze dan voor zichzelf kunnen zorgen, financieel onafhankelijk worden en een positieve bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij, wat een essentiële stap is voor hun succesvolle integratie in die samenleving, en ook een verantwoorde benadering is vanuit het oogpunt van de overheidsfinanciën, omdat het de kosten voor de lidstaten en lokale autoriteiten verlicht, aangezien het betekent dat vluchtelingen geïntegreerd worden en tegelijkertijd ook belasting kunnen gaan betalen, wat als positief kan worden gezien voor hun persoonlijke groei, ontwikkeling en zelfvertrouwen en voor hun erkenning in de samenleving, alsook voor die samenleving en gemeenschap in hun geheel; wijst erop dat niet alle vluchtelingen die in de EU aankomen, kunnen werken om gezondsheids-, leeftijds- of andere redenen; herinnert eraan dat de erkenningsrichtlijn en de richtlijn opvangvoorzieningen voorzien in het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en tot beroepsopleiding, zowel voor asielzoekers als voor personen die internationale bescherming genieten;

16.  verzoekt de lidstaten te werken aan de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees semester zijn opgesteld;

17.  wijst erop dat vroegtijdige en voortgezette maatregelen essentieel zijn voor het streven om de sociale inclusie en integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt en in de plaatselijke gemeenschap zo doeltreffend mogelijk te laten verlopen, zodat er minder kans bestaat dat zij zich later geïsoleerd voelen en het gevoel hebben tekort te schieten en niet in de samenleving te passen; herinnert eraan dat die vroegtijdige maatregelen onder meer zouden kunnen bestaan in participatie in een vroeg stadium door middel van vrijwilligerswerk, stages, begeleiding en inzet voor de gemeenschap;

18.  onderkent het belang van het ondersteunende werk van maatschappelijke en vrijwilligersorganisaties voor de zelfredzaamheid, de integratie en de weerbaarheid van alle asielzoekers en vluchtelingen vóór en tijdens hun deelname aan de arbeidsmarkt; onderstreept dat de nodige maatregelen moeten worden getroffen om degenen die zich als vrijwilliger inzetten voor de integratie van en het onderwijs aan vluchtelingen, een gedegen opleiding te bieden; wijst erop dat het belangrijk is om sociale en gemeenschapsnetwerken tussen en met vluchtelingen- en migrantengemeenschappen op te bouwen om hun toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken;

19.  benadrukt dat de toestand van de arbeidsmarkt in gastlanden een van de doorslaggevende factoren is voor een duurzame en succesvolle integratie van vluchtelingen; is zich ervan bewust dat vluchtelingen qua leeftijd, vaardigheden en kennis een heterogene groep vormen; benadrukt dat de werkloosheid in de EU, in het bijzonder de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid, nog steeds alarmerend hoog is en dat de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen en investeringen moeten blijven prioriteren die gericht zijn op het scheppen van kwaliteitsvolle banen voor de hele samenleving, met bijzondere nadruk op de meest kwetsbare personen, en op economische groei; herinnert eraan dat maatregelen om hoogwaardige werkgelegenheid te scheppen, actieve arbeidsmarkten te bevorderen en werkloosheid te bestrijden in de lokale context moeten passen, omdat zij anders niet doeltreffend zullen zijn;

20.  wijst er voorts op dat de sociale en economische omstandigheden binnen de Unie sterk verschillen; benadrukt dat het van belang is dat hiermee rekening wordt gehouden bij de herplaatsing van vluchtelingen, teneinde hun vooruitzichten op integratie in de arbeidsmarkt te optimaliseren, want zij worden te vaak eerst herplaatst in plaatsen waar zij geen werk kunnen vinden;

21.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het verwelkomen van migranten hand in hand gaat met een solide integratiebeleid, zoals taal- en inburgeringscursussen, die een volledig inzicht geven in de fundamentele rechten en waarden van de EU en de betekenis van sociale inclusie; benadrukt dat het verwerven van taalvaardigheden een essentiële rol speelt bij de succesvolle integratie van vluchtelingen, met name op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten van vluchtelingen die waarschijnlijk een verblijfsvergunning zullen krijgen en werk zullen vinden in het gastland, te eisen dat zij omvattende, zowel algemene als werkgerelateerde taalcursussen volgen, en hun die cursussen aan te bieden; is van mening dat al in de hotspots en de opvangcentra met het taalonderwijs moet worden begonnen;

22.  benadrukt dat het nodig is de formele en niet-formele vaardigheden van vluchtelingen en asielzoekers vroegtijdig, eerlijk, transparant en gratis te beoordelen en hun kwalificaties te erkennen en te valideren , zodat hun toegang tot actief marktbeleid wordt vergemakkelijkt, met name door middel van opleiding en beroepsoriëntatie, waaronder maatregelen om hun toegang tot de arbeidsmarkt en tot niet-discriminerende arbeidsomstandigheden te waarborgen, en op maat gesneden maatregelen die hen in staat e stellen hun potentieel optimaal te benutten en die zijn afgestemd op de vraag en het aanbod van de arbeidsmarkt in de gastlanden; benadrukt in dit verband dat het van belang is een grotere rol toe te kennen aan het Europees kwalificatiekader en snel doeltreffendere regelingen in te voeren voor de erkenning en validering van kwalificaties, ervaringen en bekwaamheden; herinnert eraan dat alle burgers van de Unie baat zouden hebben bij dergelijke doeltreffende regelingen; benadrukt evenwel dat deze beoordeling in geen geval mag leiden tot discriminatie met betrekking tot de kwalificaties van asielzoekers en dat vaardigheden en mogelijke inzetbaarheid op de arbeidsmarkt geen criteria mogen zijn bij het nemen van beslissingen over asielaanvragen; wijst erop dat de schaarse beschikbare middelen zorgvuldig moeten worden besteed voor de tijdige behandeling van asielprocedures en de snelle en effectieve integratie van vluchtelingen;

23.  benadrukt dat overheidsuitgaven voor buitengewone investeringen in maatregelen en programma's voor sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt vaak een positief effect hebben op het nationale bbp op korte termijn, terwijl de gevolgen op middellange of lange termijn voor de overheidsfinanciën afhankelijk zullen zijn van de doeltreffendheid van deze maatregelen;

24.  is in dit kader verheugd over het besluit van de Commissie om bij de beoordeling van mogelijke tijdelijke afwijkingen van de voorschriften van het Stabiliteits- en Groeipact(13) rekening te houden met de begrotingsgevolgen van de uitzonderlijke instroom van vluchtelingen in verband met de buitengewone uitgaven van de lidstaten in het kader van het preventieve en corrigerende deel het pact;

25.  benadrukt dat de belangrijkste fondsen die beschikbaar zijn voor sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt, met name het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), verschillende doelen en doelgroepen hebben en op lidstaatniveau op verschillende wijzen worden beheerd; benadrukt dat deze fondsen steun geven aan gerichte initiatieven om taal- en beroepsvaardigheden te versterken, de toegang tot diensten en tot de arbeidsmarkt te bevorderen en voorlichtingscampagnes voor zowel gastgemeenschappen als migranten te bevorderen; herinnert aan het belang van integratiefondsen voor echte integratiemaatregelen en herinnert de lidstaten aan het belang van het partnerschapsbeginsel voor een doeltreffende en beter gecoördineerde aanwending van deze fondsen; wijst er evenwel op dat de doelstelling van integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt tot uiting moet komen in het feit dat het Europees Sociaal Fonds een grotere rol krijgt toebedeeld;

26.  benadrukt dat deze fondsen ontoereikend zijn en dat er dus extra overheidsinvesteringen en financiële middelen nodig zijn om in de eerste plaats lokale overheden, sociale partners, sociale en economische actoren, het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties te voorzien van rechtstreekse financiële steun voor maatregelen die zijn gericht op een snelle integratie van vluchtelingen en asielzoekers in de samenleving en op de arbeidsmarkt, niet in de laatste plaats om sociale spanningen te voorkomen, vooral in gebieden waar de werkloosheid het hoogst is;

27.  is zich bewust van de inspanningen van de Commissie om de beschikbare financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en de synergieën ertussen te vergroten; benadrukt niettemin dat de toegankelijkheid, de complementariteit en de transparantie van deze instrumenten verder moeten worden ontwikkeld om het vermogen van de lidstaten om vluchtelingen en asielzoekers op te vangen en te integreren, te versterken;

28.  onderstreept in dit verband dat alle middelen van het AMIF zijn gebruikt; dringt er daarom op aan dat dit fonds bij de herziening van het meerjarig financieel kader wordt gehandhaafd;

29.  benadrukt dat de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, gelijke kansen en gendergelijkheid altijd gewaarborgd moeten worden bij het uitstippelen en uitvoeren van beleid en maatregelen ten behoeve van sociale inclusie en integratie;

30.  wijst er ook op dat integratie- en inclusiemaatregelen voor vluchtelingen en asielzoekers niet mogen worden gefinancierd met middelen van programma's die voor andere benadeelde groepen bestemd zijn, maar dat ze noodzakelijkerwijs bijkomende sociale investeringen vereisen die de behoefte aan aanvullende maatregelen weerspiegelen; benadrukt voorts dat de beschikbare EU-middelen doelmatiger en doeltreffender moeten worden besteed; verzoekt de Commissie om gegevens over de arbeidsmarkt en de sociale situatie in aanmerking te nemen bij het ontwerpen van dat integratiebeleid om te waarborgen dat het integratieproces de sociale en economische situatie in gastregio's niet verslechtert;

31.  verzoekt de Commissie derhalve te overwegen bij de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) ten minste 25 % van de begroting voor het cohesiebeleid voor het ESF te bestemmen om te zorgen voor voldoende middelen voor de integratie op de arbeidsmarkt op lange termijn; verzoekt de Raad in het kader van de komende herziening van het MFK de bovengrenzen voor de in totaal toegewezen middelen en de afzonderlijke rubrieken aan te passen om rekening te houden met de interne en externe uitdagingen die ontstaan zijn in verband met de vluchtelingencrisis en de middelen af te stemmen op de behoeften van de lidstaten die met de grootste integratieproblemen kampen(14);

32.  wijst erop dat de lidstaten, om een passende toewijzing binnen het toepassingsgebied van het ESF zeker te stellen, waar nodig de desbetreffende nationale regels moeten bijstellen om ervoor te zorgen dat asielzoekers op dezelfde wijze behandeld worden als EU-burgers en onderdanen van derde landen die toegang hebben tot de arbeidsmarkt;

Integratie tot een succes maken

33.  wijst op de behoefte aan een strikte correlatie tussen alle wetgevingshandelingen die deel uitmaken van de Europese migratieagenda(15) teneinde een goed beheer van vluchtelingen en migranten te waarborgen;

34.  merkt op dat de deelname van alle bij de samenleving betrokken actoren cruciaal is en beveelt derhalve aan om, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot integratiemaatregelen, de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied te versterken; onderstreept dat integratiemaatregelen voor alle legaal verblijvende onderdanen van derde landen inclusie moeten bevorderen in plaats van tot isolement te leiden; merkt op dat lokale en regionale autoriteiten, waaronder stadsbesturen, een belangrijke rol spelen in integratieprocessen;

35.  is er stellig van overtuigd dat de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt moeilijk zal zijn zonder actieve en massale ondersteuning van de zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen in de EU; is van mening dat de desbetreffende bevoegde instanties in de lidstaten de kmo's uitgebreide en passende steun en advies moeten bieden in verband met oor de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt;

36.  ondersteunt de inspanningen van de Commissie om de Europese migratieagenda bij te werken, in het bijzonder door de Dublin III-verordening te herzien teneinde de solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden en de harmonisatie van beschermingsnormen tussen de lidstaten te bevorderen; benadrukt de positieve impact die mobiliteit van vluchtelingen zou hebben voor het voorzien in de behoeften en het aanpakken van tekorten aan arbeidskrachten, alsook voor de inclusie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt, waarbij ook aspecten zoals het aanmoedigen van lidstaten om gezinshereniging toe te staan, een rol spelen; benadrukt dat er verder moet worden gewerkt aan een werkelijk eenvormig gemeenschappelijk Europees asielstelsel en een alomvattend en houdbaar wettelijk migratiebeleid in de EU dat beantwoordt aan de vraag naar vaardigheden op de arbeidsmarkt, waarbij beleidsmaatregelen ten behoeve van sociale inclusie en actieve integratie een centrale rol spelen;

37.  betreurt dat de Commissie 40 inbreukprocedures moest instellen tegen tal van lidstaten, omdat ze hebben verzuimd belangrijke beleidsmaatregelen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel ten uitvoer te leggen, en dat zij onder meer aan 19 lidstaten aanmaningsbrieven heeft moeten sturen omdat ze geen mededeling hadden gedaan van de noodzakelijke maatregelen voor de omzetting van de richtlijn opvangvoorzieningen, die de minimumnormen bevat op punten zoals toegang tot werk, scholen en onderwijs voor minderjarigen, voedsel, huisvesting, gezondheidszorg, medische en psychologische zorg en voorzieningen voor kansarme personen; is stellig van mening dat de Commissie meer moet doen om ervoor te zorgen dat de bestaande voorschriften onverkort en effectief ten uitvoer worden gelegd; dringt er bij de lidstaten op aan deze situatie recht te zetten in overeenstemming met de mensenrechtennormen en met de in de Verdragen neergelegde Europese beginselen van solidariteit, billijke verdeling van verantwoordelijkheid en oprechte samenwerking;

38.  neemt kennis van de verklaring van voorzitter Juncker(16) in de Staat van de Unie 2015 waarin hij verklaarde er voorstander van te zijn dat asielzoekers toegang krijgen tot de arbeidsmarkt terwijl hun aanvragen worden behandeld; betreurt echter de geringe doortastendheid van de Commissie bij het uitvoeren van de genomen besluiten; geeft uiting aan zijn verontrusting over het feit dat enkele lidstaten hebben besloten hun binnengrenzen te sluiten of tijdelijk grenscontroles in te voeren, wat het vrije verkeer in het Schengengebied in gevaar brengt;

39.  betreurt dat het akkoord van september 2015 over de herverdeling van vluchtelingen tussen de lidstaten niet naar behoren wordt uitgevoerd; onderstreept dat de vluchtelingenquota in de meeste lidstaten niet worden gehaald; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de akkoorden zo snel mogelijk ten uitvoer te leggen en vaart te zetten achter de procedures rond de opvang en hervestiging van vluchtelingen;

40.  wijst erop dat wanneer de verwerking van aanvragen tot internationale bescherming lang duurt en asielzoekers bij hun aankomst niet worden geregistreerd, dit niet alleen de tijdige en rechtmatige toegang van vluchtelingen en asielzoekers tot de arbeidsmarkt belemmert, maar ook de voorwaarden schept voor de ontwikkeling van zwartwerk en allerlei vormen van uitbuiting; onderstreept de noodzaak om de frontlijnlidstaten te ondersteunen bij het beheer van de registratie van asielzoekers;

41.  benadrukt dat toegang tot de rechter en bescherming moet worden gewaarborgd voor alle slachtoffers van uitbuiting en discriminatie; wijst op het essentiële werk van de sociale partners, het maatschappelijk middenveld, plaatselijke autoriteiten, economische en sociale actoren en vrijwilligersorganisaties die contacten leggen met deze werkenden en hun informatie verstrekken, vooral over hun rechten en plichten, en hun de bescherming bieden waar ze recht op hebben en de steun die ze nodig hebben, mede gezien de mogelijk tijdelijke aard van het verblijf van de vluchteling;

42.  wijst erop dat gettovorming moet worden voorkomen om een doeltreffende integratie van vluchtelingen in de samenleving te realiseren;

43.  is tevreden met de invoering van een "instrument voor het opstellen van een vaardigheidsprofiel van onderdanen van derde landen" in het kader van de nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa van de Commissie, om de vroege identificering en documentering van de vaardigheden en kwalificaties van onderdanen van derde landen te versterken, een gids in te voeren inzake beste praktijken ter ondersteuning van de integratie op de arbeidsmarkt in de lidstaten en het online leren van talen voor pas gearriveerde vluchtelingen en asielzoekers te verbeteren door middel van de onlinetaalcursussen van Erasmus +;

44.  is tevreden met het actieplan van de Commissie voor de integratie van onderdanen van derde landen, met daarin maatregelen vóór vertrek en vóór aankomst, onderwijs, werk en beroepsopleiding, toegang tot basisdiensten, actieve participatie en sociale inclusie;

Aanbevelingen en beste praktijken

45.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een snelle en volledige integratie op de arbeidsmarkt en sociale inclusie van vluchtelingen, overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling, de nationale arbeidsmarktsituatie en de nationale en EU-wetgeving, en hen voor te lichten over en toegang te verlenen tot openbare diensten, met name huisvesting, gezondheidszorg en sociale bescherming, integratiecursussen, taalcursussen en andere maatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding;

46.   verzoekt de Commissie een gerichte herziening van de richtlijn opvangvoorzieningen te overwegen om ervoor te zorgen dat aanvragers van internationale bescherming zo snel mogelijk nadat ze hun aanvraag hebben ingediend, toegang krijgen tot de arbeidsmarkt; vraagt de Commissie om in de lidstaten opwaartse convergentie van de socialebeschermingsregels en een snelle afgifte van werkvergunningen te bevorderen;

47.   verzoekt de Commissie er intensiever naar te streven dat vluchtelingen en asielzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, met name door te verifiëren dat de lidstaten geen te restrictieve voorwaarden voor de toegang tot arbeid opleggen, die de toegang tot de arbeidsmarkt onnodig moeilijk zouden maken; verzoekt de lidstaten de administratieve formaliteiten te beperken opdat arbeidsgeschikte mensen gemakkelijker de weg naar de arbeidsmarkt vinden; herinnert eraan dat dergelijke maatregelen zowel de integratie van de vluchtelingen als meer in het algemeen de burgers van de Unie ten goede zouden komen;

48.  moedigt de lidstaten aan om de termijnen voor de behandeling van aanvragen tot internationale bescherming in te korten, met inachtneming van de rechten van de betrokken personen en zonder de kwaliteit van de besluitvorming in het gedrang te brengen, om reeds in de centra voor eerste opvang opleidingsniveaus en kwalificaties vast te stellen en zo meer gericht vroegtijdige maatregelen zoals taalcursussen, beoordeling van vaardigheden en inburgeringscursussen aan te bieden, met inbegrip van cursussen over de Europese grondrechten, waarden en cultuur, in het bijzonder voor asielzoekers die een goede kans maken om internationale bescherming te krijgen, en dringt aan op gelijke behandeling ten aanzien van de toegang tot die maatregelen; verzoekt de Commissie met klem de lidstaten te ondersteunen met specifieke en doeltreffende maatregelen om de behandeling van aanvragen te helpen stroomlijnen;

49.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat vluchtelingen en asielzoekers in een vroeg stadium gemakkelijke en gelijke toegang krijgen tot opleiding, met inbegrip van stages, om te zorgen voor een snelle, doeltreffende en volledige integratie in onze samenlevingen en op de arbeidsmarkt, onder meer door hun de vaardigheden aan te reiken die nodig zijn om bij terugkeer in hun land van herkomst een nieuwe toekomst op te bouwen; benadrukt dat dit moet gebeuren in de vorm van initiatieven die samen met de particuliere sector, de vakbonden en het maatschappelijk middenveld worden genomen; verzoekt de lidstaten tevens de bestaande vaardigheden en formele en niet-formele capaciteiten, talenten en knowhow op individuele basis te erkennen en te valideren; herinnert eraan dat de taalbarrière de eerste hindernis is die vluchtelingen moeten nemen; beveelt daarom doeltreffende maatregelen aan om hen in staat te stellen niet alleen de taal van het gastland te leren en te begrijpen, maar ook een proces te bevorderen om elkaars cultuur te leren kennen teneinde de verspreiding van xenofobe en racistische sentimenten te voorkomen;

50.  verlangt de instelling van een taskforce van DG EMPL van de Commissie die zo snel mogelijk voor heel Europa geldende normen voor "zachte vaardigheden" en methoden voor de catalogisering ervan moet uitwerken;

51.  is ingenomen met initiatieven in het kader waarvan meertalige informatie wordt aangeboden over mogelijkheden op het gebied van formeel en niet-formeel onderwijs, beroepsopleiding, stageplaatsen en vrijwilligerswerk voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers; dringt erop aan dat dergelijke diensten worden uitgebreid;

52.  wijst erop dat innovatieve instrumenten op basis van nieuwe media, zoals sociale media en app's, een centrale rol zouden kunnen spelen bij het vergemakkelijken van de toegang tot diensten - en de uitwisseling van informatie - in verband met de registratie van vluchtelingen, de beoordeling van vaardigheden, het zoeken van werk en taalopleidingen, alsook bij het verlenen van directe bijstand aan personen in nood; moedigt de lidstaten aan specifieke platforms en meertalige internetportalen op te zetten met beknopte en gemakkelijk toegankelijke informatie over de mogelijkheden van erkenning, de bestaande integratieprogramma's en lijsten van bevoegde instanties, en herinnert eraan dat elk EU- en EER-land een specifiek nationaal informatiecentrum voor academische erkenning heeft dat academische kwalificaties helpt vergelijken; moedigt de lidstaten in dit verband aan deze dienst te promoten;

53.  herinnert aan de verschillende opleidings- en nascholingsmogelijkheden en -modellen in de lidstaten en wijst met name op het duale opleidingsmodel, dat in veel lidstaten en bij vluchtelingen en asielzoekers nauwelijks of helemaal niet bekend is, maar dat in aanzienlijke mate kan bijdragen aan de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt en in de samenleving doordat zij de overgang van school en opleiding naar het beroepsleven versoepelen, waardoor arbeidskrachten ook doelgericht kunnen worden opgeleid voor beroepen met een tekort aan starters op de arbeidsmarkt;

54.  roept de Commissie op richtsnoeren voor te stellen voor hoe de bestaande kwalificaties en vaardigheden van vluchtelingen kunnen worden erkend; wijst er in dit verband op dat de opleiding en de wijze waarop kwalificaties worden verkregen in de landen van herkomst van de vluchtelingen in veel gevallen niet voldoen aan de Europese normen; stelt voor dat de Commissie aanbevelingen opstelt aan de hand waarvan lidstaten de vaardigheden, capaciteiten, talenten en kennis van vluchtelingen eenvoudiger, sneller en beter kunnen vaststellen; wijst in dit verband op de verschillen tussen en de uiteenlopende behoeften van de arbeidsmarkten van de lidstaten en hoopt dat, als hiermee rekening wordt gehouden, gemakkelijker en efficiënter in de behoefte aan arbeidskrachten op bepaalde gebieden kan worden voorzien en dat vluchtelingen zo sneller op de arbeidsmarkt kunnen worden geïntegreerd;

55.  verzoekt de Commissie een herziening van de Blauwekaartrichtlijn voor te stellen;

56.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten er intensiever naar moeten streven om alle vormen van discriminatie, xenofobie en racisme te bestrijden, onder meer door bewustmaking over antidiscriminatiewetgeving, door plaatselijke autoriteiten, maatschappelijke organisaties, de sociale partners en nationale gelijkheidsorganen te steunen bij hun werk en door hun inspanningen op het gebied van communicatie naar de media en de Europese burgers op te voeren om elke vorm van desinformatie of xenofobie die in schril contrast staat met de Europese waarden, te bestrijden; is van mening dat al deze inspanningen in hoge mate zullen bijdragen tot de aanvaarding en inclusie van vluchtelingen in de maatschappij; moedigt de lidstaten aan om financiering uit het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap te gebruiken voor opleidingen op het gebied van diversiteit en om vluchtelingen en migranten die de arbeidsmarkt betreden voor te lichten en te informeren over hun rechten als werknemer, om op die manier te voorkomen dat ze het slachtoffer worden van uitbuitingspraktijken of van werkgevers; benadrukt dat meervoudige discriminatie in aanmerking moet worden genomen in al het migratie- en integratiebeleid;

57.  is verheugd over de gemeenschappelijke verklaring van 16 maart 2016 over de vluchtelingencrisis van de sociale partners die aan de tripartiete sociale top deelnamen, waarin ze hun engagement en bereidheid uitspraken om samen te werken met de regeringen en andere betrokken partijen om een beleid ter bevordering van de inclusie uit te stippelen en uit te werken; is van mening dat de sociale partners en de maatschappelijke organisaties onmisbare tussenschakels zijn die een belangrijke rol te spelen hebben bij de inclusie van de vluchtelingen op de arbeidsmarkt en in de samenleving in haar geheel; spoort de Commissie aan om de dialoog met de sociale partners te versterken op basis van een evenwichtige vertegenwoordiging van belangen teneinde vast te stellen waar de arbeidsmarkt- en banenkansen voor vluchtelingen liggen;

58.  vraagt de lidstaten om te leren van de op het niveau van de steden opgebouwde ervaringen en praktijken en om het delen daarvan te vergemakkelijken teneinde inclusieve arbeidsmarkten te bevorderen voor alle inwoners, inclusief begunstigden van internationale bescherming, en om steden en lokale overheden te betrekken bij het ontwerpen en uitvoeren van beleid inzake sociale en economische inclusie; merkt op dat daarvoor een effectiever partnerschap tussen de verschillende bestuursniveaus nodig is, en dat nationale en EU-initiatieven maatregelen van steden moeten aanvullen en versterken en gericht moeten zijn op de werkelijke behoeften van onze burgers; is van mening dat goede praktijken van de lidstaten op het gebied van het doeltreffend coördineren met en het bij de beleidsvorming betrekken van steden moeten worden erkend en zichtbaar moeten worden gemaakt;

59.  acht het noodzakelijk passende opleidingen op het gebied van arbeids- en non-discriminatiewetgeving aan te bieden aan vluchtelingen, alsook aan overheidsautoriteiten, om ervoor te zorgen dat vluchtelingen niet worden uitgebuit door middel van zwartwerk en andere vormen van ernstige arbeidsuitbuiting en niet gediscrimineerd worden op het werk;

60.  verzoekt de Commissie financiële steun te verlenen voor transnationale regelingen die de overdraagbaarheid en aanpasbaarheid van goede praktijken - zoals peer-to-peer-begeleidings- en coachingprojecten waarbij alle bestuursniveaus en diverse belanghebbende partijen zijn betrokken en die worden opgezet en uitgevoerd door verschillende belanghebbenden op EU-niveau - en de effectieve toepassing ervan in de praktijk te waarborgen;

61.  roept de lidstaten op het Kaderbesluit betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat en de nieuwe richtlijn betreffende slachtoffers van strafbare feiten ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat aanzetting tot geweld, waaronder gendergerelateerd geweld, tegen migranten en asielzoekers ongeacht hun verblijfsstatus onverwijld wordt onderzocht en vervolgd;

62.  wijst erop dat er zowel bij instellingen als onder individuele personen steeds vaker sprake is van haatzaaiende uitlatingen, negatieve gevoelens tegenover migranten en xenofoob geweld;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de diplomatieke betrekkingen te versterken en alle economische en sociale maatregelen te treffen die nodig zijn om de landen van herkomst van de vluchtelingen te stabiliseren, opdat zij in hun eigen land kunnen blijven of daarnaar kunnen terugkeren;

64.  wenst dat er zo snel mogelijk wordt overgegaan tot herschikking van middelen binnen het ESF, het AMIF, het EFRO en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), zodat de lidstaten die de grootste last van de vluchtelingencrisis dragen effectiever ondersteund kunnen worden;

Cultuur, onderwijs en sport

65.  wijst op de dringende noodzaak te waarborgen dat niet-begeleide minderjarigen bijzondere bescherming genieten tegen uitbuiting op het werk, geweld en mensenhandel; onderstreept de noodzaak van mentoren en specifieke maatregelen voor met name meisjes, die vaak kwetsbaarder zijn en blootgesteld zijn aan verschillende vormen van uitbuiting, mensenhandel en seksueel misbruik, en vaker onderwijskansen ontberen;

66.  verzoekt de Commissie om grotere aandacht voor cultuur, onderwijs en opleiding bij de operationele maatregelen die als onderdeel van de Europese agenda voor migratie worden getroffen; verzoekt de Commissie een specifiek beleid inzake interculturele dialoog vast te stellen;

67.  verzoekt de EU en de lidstaten voorrang te geven aan economische integratie via vroegtijdige, gerichte maatregelen op het gebied van onderwijs, opleiding, cultuur en sport, alsmede aan de uitdagingen waarmee de ontvangende samenlevingen worden geconfronteerd als zij met name het recht van kinderen op onderwijs willen garanderen, ongeacht hun verblijfsstatus, zoals bepaald in artikel 22 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en aldus de belangen van kinderen voorop te stellen;

68.  benadrukt dat er behoefte is aan een grondige analyse in e vorm van studies, onderzoek en statistieken, waaruit optimale aanbevelingen voor beleidsinitiatieven en -maatregelen kunnen worden afgeleid teneinde vast te stellen wat de onderwijsstrategie voor vluchtelingen zou moeten zijn, met name wat volwassenenonderwijs betreft, rekening houdend met de kwalificaties die zij al bezitten;

69.  benadrukt de cruciale rol van gratis openbaar onderwijs, cultuur, interculturele en interreligieuze dialoog, niet-formele en informele scholing, een leven lang leren, en van een jeugd- en sportbeleid voor de bevordering van de integratie en de sociale inclusie van vluchtelingen en asielzoekers in Europa alsmede van begrip en solidariteit van de kant van de gastlanden bij het bestrijden van racisme, vreemdelingenhaat en extremisme, en voor het helpen opbouwen van een hechtere en inclusievere samenleving die stoelt op culturele verscheidenheid, bevordering van gemeenschappelijke Europese waarden en bescherming van de grondrechten; benadrukt dat gezorgd moet worden voor culturele en taalkundige bemiddeling wanneer vluchtelingen en asielzoekers kennis opdoen van de taal en de culturele en maatschappelijke waarden van het gastland;

70.  onderstreept de belangrijke rol van sport als instrument om de sociale en interculturele dialoog te bevorderen door te stimuleren dat er positieve contacten ontstaan tussen de plaatselijke bevolking en de vluchtelingen en asielzoekers, en verzoekt de Europese instellingen en de lidstaten programma's uit te voeren die gericht zijn op de maatschappelijke integratie van vluchtelingen door middel van gezamenlijke culturele en sportactiviteiten; steunt derhalve de bestaande initiatieven van sportorganisaties en moedigt de verschillende entiteiten die zich bezighouden met sportactiviteiten ten behoeve van de maatschappelijke integratie van vluchtelingen aan optimale benaderingen uit te wisselen;

71.  betreurt ten zeerste dat culturele netwerken aan het verdwijnen zijn als gevolg van de nieuwe koers van het programma Creatief Europa;

72.  benadrukt dat er behoefte is aan doeltreffende procedures voor een soepele overgang tussen de onderwijsfaciliteiten in vluchtelingenkampen en het onderwijssysteem van lidstaten waar die kampen gelegen zijn;

73.  benadrukt dat de lidstaten de instroom van vluchtelingenkinderen op alle niveaus van het onderwijssysteem moeten vergemakkelijken en dringt aan op grotere inspanningen om leerlingen te verdelen en op doeltreffende wijze in het nationale onderwijssysteem te plaatsen;

74.  verzoekt de EU en de lidstaten "onderwijscorridors" in het leven te roepen door overeenkomsten met Europese universiteiten en de Unie van Mediterrane Universiteiten (Unimed) over het opnemen van studenten uit conflictgebieden te bevorderen, teneinde hun betere toegang te verlenen en collegiale ondersteuning en vrijwilligerswerk te stimuleren; verwelkomt de initiatieven die in dit verband door een aantal Europese universiteiten en hun partners zijn genomen;

75.  is ingenomen met de Europese en nationale programma's en de door instellingen zonder winstoogmerk gelanceerde particuliere initiatieven die hulp bieden aan gemigreerde academici op het gebied van wetenschap en andere vakgebieden en pleit ervoor dat die programma's en initiatieven worden uitgebreid en ondersteund;

76.  roept de lidstaten op te waarborgen dat de integratie onmiddellijk van start gaat en daartoe oplossingen te voorzien voor praktijkgerichte, begrijpelijke voorbereidende onderwijsinformatie in meerdere talen;

77.  verzoekt de lidstaten gerichte steun te verlenen aan gevluchte en asielzoekende kinderen en jongeren die in het onderwijssysteem instromen, onder meer via intensieve taallessen en algemene introductieprogramma's, met inbegrip van pedagogische ondersteuning, zodat zij zo snel mogelijk aan de gewone lessen kunnen deelnemen; benadrukt dat het noodzakelijk is in te spelen op de uiteenlopende behoeften en kwetsbare punten van specifieke groepen, met name niet-begeleide minderjarigen en volwassenen die geen basisonderwijs hebben genoten;

78.  herinnert de EU en de lidstaten aan hun plicht om overeenkomstig de internationale bepalingen te voorzien in bijzondere bescherming van minderjarigen, met inbegrip van vluchtelingenkinderen, in noodsituaties, en met name te garanderen dat zij toegang hebben tot scholen en onderwijsfaciliteiten; is ingenomen met het streven om 4 % van de totale EU-begroting voor humanitaire bijstand voor 2016 toe te wijzen aan onderwijs en verzoekt de Commissie en de lidstaten op internationaal niveau te blijven pleiten voor verhoging van de kredieten voor onderwijs in noodsituaties in het kader van bestaande hulpprogramma's, met het oog op de wereldtop over humanitaire hulp in mei 2016 te Istanbul;

79.  beveelt aan te voorzien in aanvullende taallessen voor vluchtelingenkinderen in de taal van hun thuisland;

80.  benadrukt hoe belangrijk het is om maatregelen voor educatieve ondersteuning te lanceren, met name met het doel om passende faciliteiten in EU-hotspots en -knooppunten in te richten ter ondersteuning van de inspanningen van humanitaire organisaties en ngo's die reeds begonnen zijn met het organiseren van onderwijs- en andere activiteiten in de kampen, en om stimulansen en steun te bieden voor de ontwikkeling van officiële onderwijsstructuren in vluchtelingenkampen, ook in derde landen;

81.  is ingenomen met de nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen voor programma's en projecten in het kader van Creatief Europa en Erasmus op het gebied van cultuur, onderwijs, sport en jongerenmobiliteit die gericht zijn op interculturele dialoog, culturele en sociale inclusie en integratie; wijst op de noodzaak om obstakels en barrières die projecten ten behoeve van de integratie van vluchtelingen belemmeren, uit de weg te ruimen en de toegang tot de programma's voor iedereen te vergemakkelijken;

82.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan initiatieven ten behoeve van meer samenwerking, beleidscoherentie en dialoog tussen de overheid, de betrokken ngo's, de sociale partners, de middenveldorganisaties en vluchtelingengemeenschappen, met het doel elkaar beter te leren kennen en begrijpen en verdere mogelijke initiatieven te verkennen om gelijke toegang tot kwaliteitsonderwijs te waarborgen, zodat migranten en vluchtelingen in een positieve leeromgeving worden opgenomen;

83.  wijst op de essentiële rol van docenten bij de integratie van minderjarige vluchtelingen en migranten in het onderwijssysteem, en benadrukt de behoefte aan gespecialiseerd onderwijspersoneel en aan geavanceerde bijscholing voor docenten; verzoekt de EU en de lidstaten in dit verband te overwegen samenwerkingsstructuren voor docenten op te zetten zodat zij ervaringen kunnen uitwisselen, optimale methodes kunnen delen en collegiale ondersteuning kunnen krijgen;

84.  verzoekt de lidstaten gemigreerde docenten en professoren te helpen om werk in het onderwijs te vinden, om zowel hun omstandigheden te verbeteren als hun taal- en onderwijsvaardigheden en ervaring te benutten in de onderwijssystemen;

85.  steunt het idee om helpdesks voor docenten op te zetten die tijdig hulp bieden bij het omgaan met verschillende soorten diversiteit in de klas en het bevorderen van interculturele dialoog en begeleiding als zij geconfronteerd worden met conflicten of leerlingen die dreigen te radicaliseren; verzoekt de lidstaten de mogelijkheden voor politieke scholing uit te breiden en adequate verdere scholingsmogelijkheden en onderwijsmateriaal te verstrekken als middel om inzicht te krijgen in de redenen waarom mensen vluchten en om extremisme te bestrijden;

86.  wijst op de rol van scholen bij het aanbieden van advies en taalkundige en culturele bemiddeling, ook met betrekking tot democratische waarden door middel van maatschappijleer en programma's voor actief burgerschap, en bij het bespoedigen en waarborgen van maatschappelijke en culturele inclusie en integratie van niet alleen leerlingen maar ook hun families;

87.  is ingenomen met het besluit van de Raad om in het werkplan voor cultuur 2015-2018 specifieke maatregelen te wijden aan de rol van cultuur, kunst en interculturele dialoog bij de integratie van migranten en bestaande optimale benaderingen in de lidstaten te inventariseren;

88.  benadrukt dat het inzetten van kunst als instrument voor integratie meer gestimuleerd moet worden en dat de deelname van vluchtelingen aan activiteiten op het gebied van kunst vergemakkelijkt en aangemoedigd moet worden;

89.  verwelkomt de door de Commissie opgezette nieuwe deskundigenwerkgroep voor interculturele dialoog en de integratie van migranten en vluchtelingen door middel van kunst en dialoog(17), die naar verwachting eind 2017 een handboek met optimale benaderingen zal publiceren;

90.  benadrukt het belang van bevordering en verdere ontwikkeling van educatieve app's, video's en oefeningen alsmede onderwijsplatforms voor vluchtelingen waarmee onderwijs en scholing voor deze groep worden gefaciliteerd en aangevuld;

o
o   o

91.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0176.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.
(4) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 91.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0008.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0418.
(9) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/note/join/2014/518768/IPOL-EMPL_NT%282014%29518768_EN.pdf
(10) PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9.
(11) http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/social-issues-migration-health/making-integration-work-humanitarian-migrants_9789264251236-en
(12) Zie aangenomen teksten van 8.3.2016, P8_TA(2016)0073.
(13) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-6067_nl.htm
(14) http://www.europarl.europa.eu/news/en/news-room/20131118IPR25534/MEPs-approve-new-cohesion-policy-%E2%82%AC325bn-to-invest-in-Europe’s-regions
(15) COM(2015)0240.
(16) http://ec.europa.eu/avservices/video/player.cfm?ref=I107934
(17) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-14444-2015-INIT/nl/pdf


Sociale en milieunormen, mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen
PDF 224kWORD 116k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen (2015/2038(INI))
P8_TA(2016)0298A8-0217/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 11, 153, 191, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de conclusies van de tiende Ministeriële Conferentie van de WTO (MC10)(1),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs (30 november t/m 11 december 2015)(2),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld (2014)(3),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) getiteld "De mensenrechten in de EU centraal blijven stellen",

–  gezien de richtsnoeren voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(4),

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van de beleidsondersteunende afdeling van het Europees Parlement over de mensenrechten- en de democratieclausule in internationale overeenkomsten,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015 over onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(7),

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen(8),

–  gezien het OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden(9),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2011 getiteld "Een vernieuwde EU‑strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD(10),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling van het Europees Parlement getiteld "The EU’s Trade Policy: from gender-blind to gender-sensitive?",

–  gezien het vierde verslag van de onafhankelijke deskundige over de bevordering van een democratische en rechtvaardige internationale orde – mededeling van de secretaris‑generaal van de VN aan de Algemene Vergadering van 5 augustus 2015 (A/70/285),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(11),

–  gezien VN-resolutie 64/292, waarin de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties water en sanitaire voorzieningen uitdrukkelijk als een mensenrecht erkent en verklaart dat schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen van essentieel belang zijn voor de naleving van alle mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over de follow-up van het burgerinitiatief "Right2Water"(12),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(14),

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement over gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement,

–  gezien resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad(15) tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd,

–  gezien het herziene Stelsel van Algemene Preferenties van de EU (SAP), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 978/2012,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het stelsel van algemene preferenties voor de periode 2014–2015 (COM(2016)0029),

–  gezien de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de herziene richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO, het raamwerk van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad, de tien beginselen van het "Global Compact" van de Verenigde Naties, en de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid,

–  gezien de Franse ontwerpwet over een zorgvuldige bevordering van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de verklaring die voorzitter Juncker tijdens de G7-top 2015 heeft afgelegd,

–  gezien het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen voor verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0217/2016),

A.  overwegende dat het Parlement in 2010 aanbevelingen over sociale en milieunormen, mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft gedaan aan de Commissie; overwegende dat een deel van de aanbevelingen is uitgevoerd;

B.  overwegende dat het Parlement optreedt als medewetgever voor de maatregelen die het kader tot uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Unie bepalen; overwegende dat de goedkeuring van het Parlement vereist is voor de ratificering van alle handelsovereenkomsten die door de Unie via onderhandelingen tot stand worden gebracht; overwegende dat de aanbevelingen van het Parlement dus moeten worden uitgevoerd om de initiatieven van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid te doen slagen;

C.  overwegende dat handel een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van zakelijke mogelijkheden, het creëren van welvaart, het stimuleren van werkgelegenheid, economische ontwikkeling en sociale vooruitgang en het verbeteren van de leefomstandigheden, de levenskwaliteit en de mensenrechten op lange termijn;

D.  overwegende dat de EU benadrukt dat zij zich volledig inzet voor de bevordering van duurzame ontwikkeling, zoals opnieuw bevestigd in de strategie Handel voor iedereen, alsook voor de bevordering van de mensenrechten en goed bestuur via stimulansen zoals SAP+ en de bepalingen voor preferentiële markttoegang in landen die zich ertoe verbinden de fundamentele internationale verdragen op die gebieden ten uitvoer te leggen;

E.  overwegende dat de EU via haar handelsbeleid een positieve bijdrage kan leveren aan een betere eerbiediging van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling wereldwijd; overwegende dat de Commissie haar werkzaamheden moet voortzetten met deze doelstelling voor ogen; overwegende dat handels- en investeringsovereenkomsten gevolgen hebben voor de mensenrechten en duurzame ontwikkeling en dus zo moeten worden opgesteld dat ze sociale en ecologische vooruitgang niet belemmeren maar bevorderen, en waarborgen dat de Europese normen niet worden verlaagd en dat de rechten van de mens en sociale en milieunormen worden geëerbiedigd;

F.  overwegende dat handel en buitenlandse investeringen van internationale ondernemingen bijdragen tot een grotere inzet voor sociale en mensenrechten, alsmede voor de rechten van werknemers in de landen waar deze ondernemingen actief zijn;

G.  overwegende dat de bijdrage van het Parlement kan worden afgemeten naar de mate waarin haar aanbevelingen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd; overwegende dat regelmatig toezicht moet worden uitgeoefend op de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten om ervoor te zorgen dat de in de handelsovereenkomsten gestelde doelstellingen en gedane toezeggingen worden geëerbiedigd, met name ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten;

H.  overwegende dat de EU en haar lidstaten, overeenkomstig artikel 208, VWEU, wettelijk verplicht zijn hun beleid in overeenstemming te brengen met ontwikkelingsdoelstellingen;

I.  overwegende dat in het voorstel van de Commissie voor een nieuwe handels- en investeringsstrategie ("Handel voor iedereen") wordt erkend dat er sprake is van een koppeling tussen handel, mensenrechten en sociale en milieunormen en wordt benadrukt dat deze rechten en normen een integrerend bestanddeel moeten worden van de economische en handelsbetrekkingen van de Unie;

J.  overwegende dat internationale detailhandelaren en ondernemingen een verantwoordelijkheid dragen als het gaat om het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en lonen in productielanden;

K.  overwegende dat vrouwenrechten een wezenlijk onderdeel van de mensenrechten vormen; overwegende dat gendergelijkheid onder de hoofdstukken van handelsovereenkomsten over duurzame ontwikkeling valt; overwegende dat de specifieke gevolgen van handels- en investeringsovereenkomsten vanwege structurele ongelijkheden tussen de seksen anders zijn voor vrouwen dan voor mannen; voorts overwegende dat de mensenrechten, onder meer vanuit een genderperspectief, in acht moeten worden genomen bij duurzame en inclusieve ontwikkeling, groei en handelsovereenkomsten;

L.  overwegende dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling wordt erkend dat het handelsbeleid een grote invloed heeft op de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, doordat een aantal beleidsterreinen zoals oorsprongsregels, de levensmiddelenwetgeving, grondstoffenmarkten en gendergelijkheid wordt behandeld;

M.  overwegende dat de mogelijkheden van de SAP- en SAP+-systemen om te zorgen voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten in ontwikkelingslanden kunnen worden uitgebreid door economische stimulansen te verbinden aan de daadwerkelijke goedkeuring en de voortdurende monitoring van de tenuitvoerlegging van de belangrijkste verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten;

N.   overwegende dat de EU, na de Rana Plaza-ramp, in samenwerking met de regering van Bangladesh en de IAO een "Global Compact" heeft gelanceerd inzake de verbetering van de arbeidsrechten en de fabrieksveiligheid in Bangladesh, met als doel om de arbeids-, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden voor de werknemers te verbeteren; overwegende dat deze inspanningen meer bewustwording onder de bevolking hebben gecreëerd en innovatieve oplossingen hebben opgeleverd voor kwesties met betrekking tot handel en duurzame ontwikkeling, zoals een overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh;

O.  overwegende dat niet alleen de publieke sector maar ook de particuliere sector moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling; overwegende dat ondernemingen op sociaal en ecologisch verantwoorde wijze moeten handelen; overwegende dat de nieuwe generatie handels- en investeringsovereenkomsten van de Unie hoofdstukken bevat over duurzame ontwikkeling, op grond waarvan de partijen worden opgeroepen zich ertoe te verbinden de mensenrechten te beschermen, de sociale en milieunormen na te leven en maatschappelijk verantwoord ondernemen te waarborgen; overwegende dat het van EU‑handelsovereenkomst tot EU-handelsovereenkomst verschilt hoe ambitieus deze hoofdstukken zijn; overwegende dat de Commissie wordt aangemoedigd het hoogste ambitieniveau na te streven;

P.  overwegende dat de strategie 2015 "Handel voor iedereen" van de Commissie van handel en duurzame ontwikkeling een prioriteit voor de EU maakt; overwegende dat de Commissie haar ambitie, die zeer op prijs wordt gesteld, moet omzetten in krachtdadige en concrete acties opdat deze strategie een krachtige stimulans zou vormen voor de agenda inzake handel en duurzame ontwikkeling;

Q.  overwegende dat het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN‑beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN, aantoont dat economisch herstel in Europa en de rest van de wereld verenigbaar is met de beginselen van sociale rechtvaardigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten, en dat economisch herstel en deze beginselen elkaar versterken;

R.  overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

S.  overwegende dat artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bekrachtigt dat het extern optreden van de EU geleid wordt door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

T.  overwegende dat de koppeling tussen handel en mensenrechten enerzijds en sociale en milieunormen anderzijds een integrerend bestanddeel van de economische en handelsbetrekkingen van de EU is geworden; overwegende dat het nodig is het EU‑beleid op het gebied van mensenrechten en democratie ten aanzien van derde landen te blijven integreren in andere beleidsterreinen van de EU met een externe dimensie, waaronder het handelsbeleid; overwegende dat de EU het handelsbeleid moet gebruiken om te streven naar de vaststelling van strenge internationale normen op het gebied van sociale en mensenrechten, consumentenbescherming en milieuvraagstukken;

U.  overwegende dat het handelsbeleid en ambitieuze handelsovereenkomsten het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel bevorderen en versterken; overwegende dat mensenrechtenkwesties eveneens in aanmerking moeten worden genomen, voordat handelsbesprekingen op correcte en transparante wijze worden afgerond; overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, evenals alle andere relevante instrumenten, waaronder de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, gericht zijn op de bevordering van de mensenrechten in de context van het handelsbeleid;

V.  overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad op 26 juni 2014 een resolutie heeft aangenomen tot instelling van een intergouvernementele werkgroep met als taak het opstarten van een proces dat moet leiden tot de invoering van een internationaal juridisch bindend instrument voor de regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht;

W.  overwegende dat handel en mensenrechten elkaar kunnen versterken en dat het bedrijfsleven niet alleen verplicht is de mensenrechten te eerbiedigen, maar ook een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het bieden van positieve stimulansen wat betreft de bevordering van mensenrechten en democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen; overwegende dat de EU een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het onderhandelen over en het uitvoeren van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die hand in hand gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen, waaronder sociale gerechtigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat het een erkend feit is dat Europese ondernemingen die op mondiaal niveau actief zijn en het goede voorbeeld geven met een niet-discriminerende bedrijfscultuur, op de lange termijn een positief effect weten uit te oefenen op de mensenrechten; overwegende dat versterking van de handelsbetrekkingen op basis van de bescherming en handhaving van de mensenrechten bijdraagt aan onderling begrip en gemeenschappelijke waarden, zoals de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten;

Algemene beginselen

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in alle beleidslijnen een genderperspectief integreren, waaronder in het handelsbeleid, en onder meer te waarborgen dat het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) daadwerkelijk wordt nageleefd; wenst dat de Commissie bij haar effectbeoordeling van de handelsstrategie van de EU rekening houdt met de aspecten die verband houden met gendergelijkheid, waaronder de eerbiediging van de rechten van de vrouw, en dringt bij de Commissie aan op een systematische beoordeling van de bestaande handels- en investeringsovereenkomsten, teneinde in kaart te brengen in hoeverre er sprake is van gevolgen op het gebied van gendergelijkheid;

2.  verzoekt de Commissie een betere samenhang te waarborgen ten aanzien van ontwikkeling, te zorgen voor doeltreffende beleidsbeoordeling en coördinatie tussen ontwikkelingshulp en handelsbeleid, en zich ervoor in te zetten dat internationale normen inzake mensenrechten, gendergelijkheid, arbeidsrecht en respect voor het milieu door alle belanghebbenden worden nageleefd;

3.  verzoekt de Unie om actief mee te werken aan het verwezenlijken van de zeventien duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zoals aangenomen tijdens de 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;

4.  roept de EU en de lidstaten op bindende maatregelen te bevorderen om ervoor te zorgen dat bedrijven belasting afdragen in de landen waar hun economische activiteiten plaatsvinden en waar waarde wordt gecreëerd, om verplichte verslaglegging per land door de particuliere sector te stimuleren, zoals aanbevolen door de OESO, en om goed bestuur te bevorderen, met name als het gaat om belastingaangelegenheden en doeltreffende belastinginning; vraagt voorts aan de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat dit onderwerp hoog op de agenda van de politieke dialoog komt te staan (op politiek niveau over ontwikkeling en handel), en om het maatschappelijk middenveld te steunen bij de publieke controle van het fiscaal bestuur en bij het toezicht op gevallen van belastingfraude; is van mening dat het fiscaal beleid van een bedrijf als een essentieel onderdeel van MVO moet worden beschouwd, en dat strategieën die gericht zijn op belastingontduiking of gebruikmaking van belastingparadijzen derhalve onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

5.  erkent dat de toegang tot publieke goederen zoals water, gezondheidszorg en onderwijs een duidelijke afspiegeling vormen van het vermogen van een land om sociale rechten en de eerbiediging van de mensenrechten te kunnen waarborgen;

6.   benadrukt dat de staat van dienst van de EU op lange termijn, als het gaat om de verantwoordelijkheid voor sociale en milieukwesties in de context van haar handelsdiplomatie, al beter is dan die van andere belangrijke spelers in de internationale handel; benadrukt dat de verbintenissen inzake mensenrechten van onze handelspartners een stevige basis vormen voor continue dialoog, samenwerkingsprocessen en progressieve verbeteringen op lange termijn;

7.  benadrukt het belang van handel en buitenlandse investeringen als belangrijke middelen om economische groei, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en de bescherming van de mensenrechten tot stand te brengen;

8.   herinnert eraan dat handel en directe buitenlandse investeringen de welvaart in armere landen verhogen; wijst erop dat er een noemenswaardig verband bestaat tussen toegenomen welvaart en betere bescherming van sociale en mensenrechten, van rechten van werknemers en een hoger niveau van milieubescherming;

9.  herinnert eraan dat de EU zich ertoe verbindt mensenrechten en democratie in haar betrekkingen met derde landen op coherente wijze te bevorderen en te eerbiedigen in het kader van al haar beleidsmaatregelen, met inbegrip van het handelsbeleid, evenals in alle relevante instrumenten voor externe financiering;

10.  beveelt dan ook aan de handelsstrategie van de EU in te zetten als instrument ter bevordering van de democratische waarden in derde landen; spreekt derhalve zijn voldoening uit over het feit dat handelsakkoorden en programma's inzake handelspreferenties ook worden ingezet als hefboom om de mensenrechten te bevorderen, gedwongen en kinderarbeid uit te roeien en voedselzekerheid en het recht op gezondheid, duurzame ontwikkeling en strenge veiligheids- en milieunormen alsmede economische kansen voor eenieder te waarborgen;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op multilateraal niveau

11.  benadrukt hoe belangrijk het voor de EU is om betere multilaterale samenwerkingsverbanden tot stand te brengen en herhaalt derhalve zijn oproep aan de Commissie om het voortouw te nemen bij de hervorming van de governancestructuur van de WTO, vooral om de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

   a) de doeltreffendheid van de samenwerking en de regelmaat van de dialoog tussen de WTO en de overige relevante VN-agentschappen, met name de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de VN-Conferentie voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), versterken, in het bijzonder door de IAO de status van officiële waarnemer bij de WTO toe te kennen en te betrekken bij alle handelsgeschillen die te maken hebben schendingen van internationale mensenrechten- en arbeidsverdragen; is van mening dat de IAO ook in de toekomst moet worden betrokken bij bilaterale, multilaterale en plurilaterale handelsovereenkomsten;
   b) de regelingen inzake toetsing van het handelsbeleid van de WTO zodanig hervormen dat de sociale dimensie, de milieudimensie en de mensenrechtendimensie ook worden meegenomen, op basis van de richtsnoeren van de IAO, de mensenrechtenrichtsnoeren van de VN en de richtsnoeren van de multilaterale milieuovereenkomsten (MEA's) en in het bijzonder door, zoals voorgesteld in zijn aanbevelingen van 2010, binnen de WTO een Commissie voor handel en waardig werk op te richten naast de bestaande Commissie voor handel en milieu;
   c) beoordelen in hoeverre de Commissie voor handel en milieu van de WTO haar taak heeft vervuld, zoals deze is omschreven in het ministerieel besluit van de WTO over handel en milieu dat op 15 april 1994 te Marrakesh werd genomen en in de conclusies over wat er nog meer te doen staat, vooral in het kader van de internationale dialoog met de WTO over de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, waar het Parlement aanvankelijk om vroeg;
   d) constructief deelnemen aan de VN-werkgroep voor een verdragsproces inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten naar aanleiding van de studie naar het aanpakken via rechtsmiddelen van ernstige schendingen van de mensenrechten door ondernemingen, die is uitgevoerd door het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten;

12.  roept de Commissie op verdere hervormingen van de WTO actief aan te moedigen, zodat op een verantwoorde manier multilaterale voorschriften voor een duurzaam beheer van de mondiale toeleveringsketens kunnen worden vastgesteld die met name de volgende zaken omvatten:

   a) effectieve en uitvoerbare transparantievereisten en vereisten inzake passende zorgvuldigheid voor de toeleveringsketen, gebaseerd op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;
   b) gezondheids- en veiligheidsnormen, die in het bijzonder het recht van de werknemers op veiligheidscomités erkennen;
   c) een socialebeschermingsvloer;
   d) inachtneming van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO;

13.  herhaalt zijn verzoek om ervoor te zorgen dat alle maatregelen die door een partij zijn goedgekeurd in het kader van de Overeenkomst van Parijs of die verband houden met beginselen of verbintenissen die zijn neergelegd in de artikelen 3 en 4 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, worden gewaarborgd, ook door te voorzien in degelijker juridische bescherming van het reguleringsrecht in handelsovereenkomsten;

14.  wenst dat de Commissie meer vaart zet achter de ontwikkeling van regelingen om producten, in het kader van handelsovereenkomsten, van elkaar te onderscheiden aan de hand van productieprocessen, productiemethoden en duurzaamheidscriteria;

15.  roept de lidstaten op meer moeite te doen om hun toezegging inzake de geleidelijke afschaffing van de subsidies voor fossiele brandstoffen na te komen, die in overeenstemming is met de toezegging van de G20;

16.  is van mening dat het handelsbeleid een grotere bijdrage kan leveren aan de energietransitie en dat de handelsinstrumenten van de Unie de opkomst en ontwikkeling van hernieuwbare energie, evenals de ontwikkeling van milieugoederen en milieuvriendelijke technologieën in Europa, moeten stimuleren; waardeert de inspanningen van de Commissie om een plurilaterale overeenkomst inzake milieugoederen te sluiten (de overeenkomst inzake milieugoederen – EGA) en wenst dat de onderhandelingen tot een ambitieuze en evenwichtige overeenkomst leiden; verlangt dat de Commissie in het kader van de onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen kwantitatieve of kwalitatieve criteria ontwikkeld om producten als milieugoederen aan te merken en ertoe aanspoort een geloofwaardige en transparante methode in te zetten voor de onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen; roept de Commissie voorts op terdege rekening te houden met factoren die de handel in milieugoederen beïnvloeden, zoals het antidumpingbeleid in de sector voor hernieuwbare energie, intellectuele-eigendomsregelingen, strenge financieringsprogramma's en nationale milieubeleidslijnen die de vraag naar dergelijke goederen helpen creëren;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op bilateraal niveau

17.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om ex-ante en ex-post duurzaamheidseffectbeoordelingen uit te voeren van alle handelsovereenkomsten, overeenkomstig de richtsnoeren voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven; verzoekt de Commissie in dit verband:

   a) de richtsnoeren toe te passen bij het uitwerken van duurzaamheidseffectbeoordelingen voor alle huidige en toekomstige onderhandelingen;
   b) de richtsnoeren van de speciale VN-rapporteur over het recht op voedsel eveneens een plaats te geven in deze duurzaamheidseffectbeoordelingen;
   c) rekening te houden met de gevolgen van handels- en investeringsovereenkomsten voor met name de kwetsbaren, zoals degenen die tot een minderheid behoren, te maken hebben met sociale uitsluiting, geografisch geïsoleerd zijn of gebukt gaan onder armoede; herinnert in dit verband tevens aan de toezegging van de Commissie om de gevolgen van vrijhandelsovereenkomsten voor de ultraperifere regio's van de EU te beoordelen;
   d) ervoor te zorgen dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld en de sociale partners naar behoren bij de ontwikkeling van duurzaamheidseffectbeoordelingen worden betrokken en dat het Parlement bij elke fase van dit proces wordt betrokken;
   e) tijdens onderhandelingen de uitkomsten van deze beoordelingen ten volle in acht te nemen;
   f) ervoor te zorgen dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen tijdig worden gepubliceerd, zodat richting kan worden gegeven aan onderhandelingsposities, nog voordat deze worden geformuleerd, en zodat de bevolking en de gekozen vertegenwoordigers elke voorgestelde overeenkomst grondig kunnen beoordelen;

18.  onderschrijft de conclusies van de Europese Ombudsman met betrekking tot het besluit van de Commissie om de overeenkomst met Vietnam te voltooien terwijl de mensenrechteneffectbeoordeling nog niet is afgerond, en vraagt de Commissie met klem om deze beoordeling zo spoedig mogelijk en op basis van de nieuwe methodologie uit te voeren, zodat het Parlement een geïnformeerde beslissing kan nemen;

19.  verklaart andermaal er voorstander van te zijn conditionaliteitsclausules inzake de mensenrechten op te nemen in internationale overeenkomsten en herinnert eraan hoe belangrijk het is dat mensenrechtenclausules worden geëerbiedigd en toegepast; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie en de Raad om, overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak, juridisch bindende mensenrechtenclausules op te nemen in alle handels- en investeringsovereenkomsten, en dringt aan op de bekendmaking van de gemeenschappelijke aanpak van de Raad; merkt op dat niet in alle overeenkomsten van de EU mensenrechtenclausules zijn opgenomen en verzoekt om tijdens de lopende handelsbesprekingen met andere partners van de EU, in het bijzonder tijdens de onderhandelingen over TTIP, een bindende mensenrechtenclausule overeen te komen;

20.   is evenwel van mening dat de bestaande clausules weinig effect hebben gehad op de mate waarin verplichtingen en toezeggingen op het gebied van de mensenrechten werden nagekomen; roept de Commissie en de Raad bijgevolg op de volgende aanpassingen door te voeren:

   a) handelsbeschermende bepalingen op te nemen, met als doel om te waarborgen dat elk van de partijen bij de overeenkomst in het geval van aangetoonde schendingen van de mensenrechtenclausules haar verplichtingen tot eerbiediging van de rechten van de mens kan blijven vervullen op die gebieden waarvoor zij als eerste verantwoordelijk is;
   b) regelmatig en uitgebreid toezicht uit te oefenen op de toepassing van de mensenrechtenclausules in handels- en associatieovereenkomsten, in het bijzonder door regelmatig gezamenlijke verslagen van de Commissie en de EDEO voor te leggen aan het Parlement, waarin de eerbiediging van de mensenrechten door de lidstaten wordt behandeld, en door een interinstitutionele commissie op te richten;
   c) te overwegen om een subcomité voor mensenrechten en handel op te nemen in alle handelsovereenkomsten van de EU, om daadwerkelijk en op systematische wijze gevolg te kunnen geven aan mensenrechtenkwesties in verband met overeenkomsten; wijst in dit verband op het belang van de betrokkenheid van burgers bij onderhandelingen om transparantie te waarborgen;
   d) ervoor te zorgen dat de EU interne rechtsmiddelen tot haar beschikking heeft, zodat er klachten kunnen worden ingediend wanneer handelsovereenkomsten of mensenrechtenclausules niet worden nageleefd;

21.  herhaalt het in zijn aanbevelingen van 2010 gedane verzoek om uitgebreide, uitvoerbare en ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen in elke bilaterale of plurilaterale handelsovereenkomst van de EU; wijst op de vele tegenstrijdigheden in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in de verschillende handelsovereenkomsten van de EU; vraagt de Commissie derhalve om bij alle handelsbesprekingen zo consequent mogelijk te blijven en hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling voor te stellen, met daarin:

   a) een toezegging door elk van de partijen om de acht fundamentele verdragen en de vier prioritaire verdragen van de IAO, alsook de internationale multilaterale milieuverdragen, te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;
   b) een algemeen geschillenbeslechtingsmechanisme dat onder meer kan worden ingezet voor mensenrechtenclausules en hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, dat op voet van gelijkheid staat met de andere delen van de overeenkomst en waarop werd aangedrongen in de aanbevelingen van 2010, dit met het oog op de naleving van de mensenrechten en de sociale en milieunormen;
   c) beroep- en verhaalmogelijkheden via een klachtenprocedure voor sociale partners en het maatschappelijk middenveld;
   d) effectieve repressieve maatregelen, onder meer in de vorm van geldboetes, die worden ingezet in het geval van ernstige aangetoonde schendingen van de bepalingen van het hoofdstuk van de overeenkomst over handel en duurzame ontwikkeling; dergelijke maatregelen kunnen, in de vorm van een tijdelijke vertraging, vermindering of zelfs opschorting van bepaalde handelsvoordelen die in de overeenkomst zijn voorzien, bij wijze van uiterste maatregel worden ingezet in het geval van ernstige, voortdurende schendingen van deze normen, en de invoering van actieplannen met onze partners kan helpen het niet-naleven van bepaalde in de handels- en investeringsovereenkomsten opgenomen verbintenissen te verhelpen;

22.  herhaalt zijn verzoek om voor de verschillende stadia – van de onderhandelingen over een overeenkomst tot het opstellen en de tenuitvoerlegging ervan – adviesgroepen of forums over duurzame ontwikkeling op te zetten; wijst er andermaal op dat alle interne adviesgroepen volledig onafhankelijk moeten zijn en van toereikende middelen moeten worden voorzien; neemt nota van de kritiek die regelmatig wordt geuit door een aantal van de deelnemers aan de interne adviesgroepen die door de EU zijn ingesteld op grond van de bestaande handelsovereenkomsten, namelijk dat hun vergaderingen geen concrete impact hebben, en stelt voor dat de Commissie de volgende maatregelen treft;

   a) een rapportagesysteem opzetten op basis waarvan het Parlement de werkzaamheden van de interne adviesgroepen kan evalueren;
   b) een systematisch en concreet antwoord bieden op de kwesties die worden aangekaart door de interne adviesgroepen van de EU en de in dit verband door de organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU en de sociale partners voorgestelde initiatieven opvolgen;
   c) zowel logistieke basisbepalingen opnemen in hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling – dit met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging, aangezien deze aspecten in sommige gevallen ernstige belemmeringen bleken te vormen – als daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen inzake technische bijstand en samenwerkingsprogramma's;

23.  pleit voor meer transparantie en een grotere verantwoordingsplicht voor basisorganisaties bij de uitwerking van internationale handelsvoorschriften en nationaal handelsbeleid, en roept op tot het waarborgen van de samenhang bij de eerbiediging van de rechten van werknemers en de mensenrechten, inclusief vrouwenrechten;

24.  dringt er bij de Commissie op aan het Parlement meer te betrekken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de handels- en investeringsovereenkomsten in het licht van de eerbiediging van de mensenrechten en de sociale en milieunormen en verzoekt de Raad om het Parlement altijd te raadplegen over besluiten om een overeenkomst te herzien of zelfs op te schorten, indien zulks noodzakelijk is;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op unilateraal niveau

25.  is verheugd dat het nieuwe stelsel van algemene preferenties (SAP) op 1 januari 2014 in werking is getreden (Verordening (EU) nr. 978/2012) en is ingenomen met de publicatie van het eerste SAP-monitoringverslag voor de periode 2014-2015; is van mening dat het handelsbeleid moet worden gebruikt om de partnerlanden van de Unie aan te moedigen strengere sociale en milieunormen vast te stellen en wenst derhalve dat de Commissie de volgende corrigerende maatregelen neemt:

   a) hetzij via een gedelegeerde handeling, hetzij via de aanstaande herziening van Verordening (EU) nr. 978/2012 de definities van "ernstige fouten bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging" van internationale verdragen en van "ernstige en systematische schendingen van de beginselen" in internationale verdragen verduidelijken;
   b) de standpunten van alle relevante toezichthoudende instanties in kaart brengen, om zo de naleving van de internationale verdragen, waarnaar wordt verwezen in de SAP-verordening, beter te kunnen beoordelen; haar beoordeling toespitsen op de standpunten van het comité van deskundigen inzake de toepassing van verdragen van de IAO als het gaat om het toekennen en opschorten van handelspreferenties uit hoofde van de SAP-verordening;
   c) het toezicht op de toezeggingen van begunstigde landen verbeteren in het kader van de aanstaande herziening van de SAP-verordening (Verordening (EU) nr. 978/2012); sociale partners en organisaties uit het maatschappelijk middenveld moeten een formele rol toebedeeld krijgen bij het toezicht op SAP en SAP+, met name via een procedure om tot de Commissie gerichte punten van zorg te horen en erop te reageren;
   d) bij deze herziening, zoals gevraagd in 2010, ook MVO opnemen in de SAP‑verordening om ervoor te zorgen dat transnationale ondernemingen voldoen aan nationale en internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot mensenrechten, arbeidsnormen en milieuvoorschriften;
   e) de ontwikkelingen in verband met de doeltreffendheid en de tenuitvoerlegging van de EBA-regelingen en de standaard SAP-regelingen controleren en evalueren en er verslag over uitbrengen aan het Europees Parlement;

26.  steunt het voornemen van de Commissie om toe te werken naar de uitbanning van kinderarbeid; is verheugd dat er een werkdocument van de diensten van de Commissie is goedgekeurd en herhaalt zijn verzoek van 2010 om een evenwichtig en realistisch wetgevingsinitiatief dat maatregelen omvat zoals het etiketteren van producten die zonder kinderarbeid zijn vervaardigd, het toekennen van handelspreferenties aan landen die aan bepaalde arbeidsnormen voldoen en het uitvaardigen van horizontale invoerverboden voor door middel van kinderarbeid vervaardigde producten; onderstreept hoe belangrijk het is om, naast de andere zes fundamentele verdragen van de IAO, de bestrijding van gedwongen arbeid en kinderarbeid als doelstelling op te nemen in de hoofdstukken van de handelsovereenkomsten van de EU over handel en duurzame ontwikkeling en benadrukt dat de EU moet deelnemen aan internationale discussies op het niveau van de WTO, de OESO en de IAO om haar multilaterale dimensie te ontwikkelen;

27.  geeft eens te meer aan bezwaar te hebben tegen alle directe dienstverlening en indirecte dienstverlening met een weerslag op de handel in energiegerelateerde diensten die de technologische neutraliteit van subsidies mogelijk zouden maken; wenst dat de Commissie en de lidstaten beseffen dat de door de internationale handel veroorzaakte stijging van de CO2-uitstoot de Europese klimaatstrategie ondermijnt en benadrukt dat de overstap op lokale productie- en consumptiepatronen kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

28.  herinnert aan het intrinsieke verband tussen klimaatverandering en ontbossing door niet‑duurzame en illegale grondstofwinning; roept de Commissie op te zorgen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van FLEGT en EUTR, ook wat betreft de verplichting inzake de wettigheid van de houtleveringsketens;

29.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om een haalbaarheidsstudie te starten naar een Europees actieplan over ontbossing en bosdegradatie;

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)

30.  herinnert aan het verzoek van het Parlement van 2010 om MVO op te nemen in alle EU-handelsovereenkomsten en bepalingen voor betere handhaving, waarmee met name wordt voorzien in de mogelijkheid om een onderzoek te starten naar vermeende schendingen van toezeggingen op het gebied van MVO en in de ontwikkeling van EU‑contactpunten die gebaseerd zijn op de OESO-contactpunten en deze versterken; roept de Commissie op zich meer toe te leggen op de naleving ervan door bedrijven, in hun hele toeleveringsketen, en op de volledige inachtneming, met name in de kledingsector en in de winningsindustrieën waar de kans op schendingen van de mensenrechten en de sociale normen groter is, van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO en internationaal erkende normen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, in het bijzonder de herziene OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tien beginselen van het Global Compact van de Verenigde Naties, de ISO-norm 26000 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; wijst erop dat de Commissie, na de tragedie van het Rana Plaza in Bangladesh in 2013, in samenwerking met Bangladesh, de IAO en de Verenigde Staten een duurzaamheidspact heeft gesloten; onderstreept hoe belangrijk het is om de doelstellingen van het duurzaamheidspact na te streven teneinde de verbetering van de rechten van werknemers te bevorderen, en benadrukt dat de toeleveringsketens op internationaal niveau verantwoordelijker moeten worden beheerd; vraagt de Commissie dit soort programma's en acties uit te breiden naar andere handelspartners van de Unie;

31.  is van mening dat het van essentieel belang is om zich te blijven inzetten voor de naleving van de OESO-verklaring inzake internationale investeringen en multinationale ondernemingen, om ervoor te zorgen dat de richtlijnen expliciet worden geciteerd in alle nieuwe overeenkomsten tussen de EU en derde landen en om te waarborgen er een actieve in plaats van een passieve benadering wordt aanhouden bij de tenuitvoerlegging van de richtlijnen; roept de Commissie op de transparantie ten aanzien van de toegang tot informatie over gedragingen van ondernemingen te waarborgen en een effectief en haalbaar rapportagesysteem in te voeren dat informatie verstrekt over de waardeketens van producten; herinnert aan zijn standpunt van 2010 om ondernemingen te vragen hun MVO-balans te publiceren en om alle ondernemingen te vragen passende zorgvuldigheid te betrachten; roept de Commissie op haar strategie voor MVO bij te werken teneinde strengere rapportage- en nalevingsvoorschriften vast te leggen en een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten te waarborgen, en spoort de lidstaten aan de bevordering van MVO in handelsovereenkomsten te ondersteunen;

32.  verzoekt de Unie om dialoogplatformen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen op te zetten die het maatschappelijk middenveld, ondernemingen, internationale organisaties en andere belanghebbenden bijeenbrengen;

33.  verzoekt de Commissie de resultaten van het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN, toe te passen op haar eigen Europees Fonds voor strategische investeringen en haar dialoog met investeerders als zij onderhandelt over handelsovereenkomsten, en het concept van een "Unie van duurzame kapitaalmarkten" te ondersteunen door duurzame handel te steunen;

34.  brengt in herinnering dat de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de IAO-agenda voor waardig werk en de arbeidsgerelateerde onderdelen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen fundamentele teksten zijn op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen; vraagt de Commissie de initiatieven van de OESO en de VN op te volgen door in de EU-wetgeving recente en pas ontwikkelde internationale normen op te nemen en tijdens de bijeenkomst van de ministers van handel van de G20 in juli 2016 in Shanghai te stimuleren tot evenwichtige en uitvoerige beleidsaanbevelingen, met inbegrip van een sterke dimensie op het gebied van de duurzame ontwikkeling van wereldwijde waardeketens;

35.  herinnert eraan dat de EU wereldwijd een leidende rol speelt op het gebied van nationale actieplannen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; dringt er bij de Commissie op aan verantwoord ondernemen te bevorderen bij EU-ondernemingen die actief zijn in het buitenland, en daarbij het zwaartepunt te leggen bij de strikte naleving van al hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van nationale wetgeving en bilaterale of internationale overeenkomsten die op hun activiteiten van toepassing zijn, en niet in de laatste plaats bij de naleving van internationale normen en regels op het gebied van mensenrechten, arbeid en het milieu; stelt voor dat de Commissie om dit doel te verwezenlijken actief samenwerkt met haar partnerlanden als het gaat om het uitwisselen van optimale werkwijzen en knowhow met betrekking tot manieren om het ondernemingsklimaat te verbeteren en verantwoord ondernemen meer onder de aandacht te brengen;

36.  merkt op dat de MVO-agenda moet worden aangepast aan de specifieke behoeften van regio's en landen om zo te kunnen bijdragen aan de verbetering van duurzame economische en sociale ontwikkeling;

37.  roept de Commissie op tot handels- en investeringsmaatregelen die gericht zijn op de toekenning van keurmerken, de verlening van preferentiële toegang tot overheidsopdrachten van de Unie en de uitvoering van steunprogramma's voor kmo's, waardoor ondernemingen zullen worden gestimuleerd tot en beloond voor de invoering van strategieën voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

38.  juicht het toe dat in de EU-richtlijn betreffende de bekendmaking van niet-financiële informatie is opgenomen dat grote ondernemingen verslag moeten uitbrengen over de mensenrechten; verzoekt de EU-lidstaten de richtlijn spoedig en doeltreffend om te zetten; vestigt de aandacht op het verslagleggingskader van de VN-richtsnoeren, de Corporate Human Rights Benchmark en de doelstelling van "geïntegreerde verslaglegging", en verzoekt alle in de EU geregistreerde ondernemingen en hun belanghebbenden de strekking van de richtlijn te eerbiedigen als zij handel drijven binnen en buiten de EU;

39.  roept de EU en de lidstaten op zich binnen de Mensenrechtenraad van de VN en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) actief in te zetten voor een internationaal verdrag op grond waarvan multinationals verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

40.  benadrukt dat de doeltreffende uitvoering van deze aanbevelingen een essentieel element is van de beoordeling door het Parlement van handelsovereenkomsten die de Commissie heeft gesloten; vraagt een gedetailleerd en tijdig antwoord van de Commissie op alle kwesties die in deze resolutie worden aangekaart;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) https://www.wto.org/english/news_e/news15_e/mc10_19dec15_e.htm
(2) http://unfccc.int/resource/docs/2015/cop21/eng/l09r01.pdf
(3) http://eeas.europa.eu/human_rights/docs/2014-hr-annual-report_en.pdf
(4) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf
(5) op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie (A/RES/70/1). (http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E)
(6) PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1.
(7) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(8) http://mneguidelines.oecd.org/text/
(9) http://www.oecd.org/daf/inv/mne/GuidanceEdition2.pdf
(10) http://unctad.org/en/pages/PublicationWebflyer.aspx?publicationid=1437
(11) PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0294.
(13) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(14) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(15) A/HRC/RES/26/9: http://www.ihrb.org/pdf/G1408252.pdf


Een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen
PDF 358kWORD 147k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen (2015/2105(INI))
P8_TA(2016)0299A8-0220/2016

Het Europees Parlement,

—  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over de stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda aan de vooravond van de tiende Ministeriële Conferentie van de WTO(1),

–   gezien zijn aanbevelingen aan de Commissie van respectievelijk 8 juli 2015(2) en 3 februari 2016(3) voor de onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen en de overeenkomst over de handel in diensten,

—  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–   gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling van 2015 in New York,

—  gezien zijn resolutie van 7 juli 2015 over het externe effect van het handels- en investeringsbeleid van de EU op publiek-private initiatieven in landen buiten de EU(4),

—  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen(5),

–   gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh(6),

—  gezien speciaal verslag nr. 2/2014 van de Europese Rekenkamer getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?",

—  gezien de richtsnoeren van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) over multinationale ondernemingen en de Tripartiete Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over beginselen inzake multinationale ondernemingen en sociaal beleid,

–   gezien de EU-verordening inzake illegale houtkap, de EU-richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie, het Commissievoorstel voor een verordening inzake conflictmineralen, de in de Britse wet op moderne slavernij opgenomen clausule inzake transparantie van toeleveringsketens en het Franse wetsvoorstel inzake de zorgplicht,

—  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over een nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie(7),

—  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over Europa 2020(8),

—  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(9),

—  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(10),

—  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(11),

–   gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 7-8 februari 2013, zijn conclusies van 21 november 2014 over handel en de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 27 november 2015,

–   gezien het advies van de Commissie internationale handel bij het verslag over transparantie, controleerbaarheid en integriteit in de EU-instellingen,

—  gezien de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie,

—  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

—  gezien de artikelen 207, 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer,

–  gezien het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals bedoeld in het VWEU,

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0220/2016),

A.  overwegende dat handel geen doel op zich is, maar een middel om voorspoed en gelijkheid te bereiken, kansen voor bedrijven, een duurzame economische ontwikkeling, sociale vooruitgang en cultureel begrip te bevorderen, de werkgelegenheid uit te breiden en het levenspeil te verbeteren, zonder de overheidsuitgaven te verhogen;

B.  overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een grondige verandering heeft ondergaan sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in december 2009; overwegende dat handel niet in een vacuüm plaatsvindt, maar verbonden is met en afhankelijk is van tal van andere beleidsmaatregelen; overwegende dat onderhandelingen over handels- en investeringsovereenkomsten zich niet mogen beperken tot een eenvoudige verlaging van douanetarieven, aangezien regelgevingskwesties en de convergentie van internationale normen vandaag de dag complexe uitdagingen vormen;

C.  overwegende dat tot dusver in de Europese Unie geen serieus debat is gevoerd over de kosten van het vrijhandelsbeleid (onder meer in de vorm van aanpassingen in de industrie: sluitingen van industriële vestigingen, banenverlies in de producerende sector, verplaatsing van hele bedrijfstakken naar derde landen en toenemende invoer) en de algehele kosten-batenanalyse van dat beleid; overwegende dat diverse belanghebbenden vanwege het gebrek aan een eerlijk debat daarover twijfels hebben over de zin en de koers van het handelsbeleid van de Unie en haar beleid in het algemeen, en dat een dergelijk betreurenswaardig resultaat met een eerlijk debat zou worden voorkomen;

D.  overwegende dat de wereldwijde overcapaciteit in belangrijke industrietakken en de daaruit voortvloeiende verstoring van het handelsevenwicht inmiddels het vertrouwen van de Europese ondernemingen en bedrijfstakken in de deugdelijkheid van het handelsbeleid van de EU ondermijnen;

E.  overwegende dat in perioden van geringe economische groei de bijdrage van de buitenlandse handel aan het herstel van de Europese economie van essentieel belang is voor het behalen van concrete en meetbare resultaten en het creëren van fatsoenlijke banen en duurzame economische groei en gelijkheid in Europa en daarbuiten;

F.  overwegende dat het handelsbeleid van de nieuwe generatie een antwoord moet bieden op de zorgen van de mensen met betrekking tot transparantie en participatie, sociale voorzieningen en werkgelegenheid, op de verwachtingen van het bedrijfsleven van een mondiale netwerkeconomie, op de armoedebestrijding en op de behoefte aan een eerlijker verdeling van de inkomsten uit handel, en dat in dit beleid aandacht moet worden besteed aan nieuwe vraagstukken, zoals de digitale handel en de sleutelrol van kmo's;

G.  overwegende dat de lopende handelsbesprekingen het handelsbeleid van de EU onder de aandacht van het publiek hebben gebracht, en dat een groeiend aantal burgers belangstelling heeft voor het handelsbeleid en zich zorgen maakt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid de Europese en nationale regelgeving en normen zou kunnen ondermijnen;

H.  overwegende dat de Commissie duidelijk heeft toegezegd dat geen enkele handelsovereenkomst tot minder wettelijke bescherming zal leiden, dat bij wijzigingen in de mate van bescherming alleen sprake mag zijn van een stijgende lijn en dat het reguleringsrecht te allen tijde zal worden beschermd;

I.  overwegende dat bij de samenwerking op regelgevingsgebied in het kader van handelsovereenkomsten overeenkomstig het voorzorgsbeginsel van artikel 191 VWEU het hoogste niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid moet worden gewaarborgd;

J.  overwegende dat burgers, ondernemingen en kmo's in de EU zich afvragen of grote brancheorganisaties de belangen van de Europese burgers en ondernemingen en de Europese Unie in het algemeen daadwerkelijk behartigen;

K.  overwegende dat de transparantie vereist dat de EU-instellingen nagaan of de standpunten die namens het bedrijfsleven in de EU worden ingenomen, ook daadwerkelijk een afspiegeling zijn van de opvattingen van dit bedrijfsleven;

L.  overwegende dat het handels- en investeringsbeleid van de EU moet worden versterkt niet alleen door te zorgen voor gunstige resultaten op het gebied van werkgelegenheid en het scheppen van welvaart voor burgers en het bedrijfsleven, maar ook door de ecologische en sociale rechten te versterken en maximale transparantie, betrokkenheid en verantwoordingsplicht te waarborgen, door steeds in dialoog te blijven met ondernemingen, consumenten, de sociale partners, alle andere relevante belanghebbenden en de lokale en regionale overheden, en door duidelijke richtsnoeren voor de onderhandelingen vast te stellen;

M.  overwegende dat de oorsprongsregels bepalend zijn voor de daadwerkelijke mate van handelsliberalisering, aangezien zij bepalen welke goederen in de praktijk van vrijhandelsakkoorden profiteren, maar dat die regels vaak niet voorkomen in het openbare debat over het handelsbeleid en tot dusver nog niet zijn onderworpen aan een analyse door het Parlement;

N.  overwegende dat de Europese Unie in haar handelsbeleid en in de handelsbesprekingen die zij voert, rekening moet houden met het gevoelige karakter van bepaalde sectoren wat de openstelling van de markt betreft, met name de landbouwsector;

O.  overwegende dat de EU-28 tegen 2050 naar verwachting slechts voor 15 % van 's werelds bbp zal instaan, tegenover 23,7 % in 2013, en dat sinds 2015 90 % van de mondiale economische groei buiten de EU wordt verwezenlijkt; overwegende dat het groeitempo in de opkomende economieën aanzienlijk afneemt;

P.  overwegende dat de EU momenteel het grootste handelsblok ter wereld is en een derde van de wereldhandel voor haar rekening neemt, en dat dit aandeel tot 2020 naar verwachting zal dalen tot ongeveer 26 %;

Q.  overwegende dat ook andere variabelen, zoals demografische veranderingen, negatieve gevolgen zullen hebben voor de positie van de EU in de wereldhandel; overwegende dat het aandeel van de EU in de wereldbevolking naar verwachting zal dalen van 7,1 % in 2013 naar 5,3 % in 2060;

R.  overwegende dat in toekomstige handelsakkoorden en -besprekingen rekening moet worden gehouden met en aangesloten moet worden bij de standpunten die het Parlement heeft ingenomen in zijn resoluties over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de overeenkomst over de handel in diensten (TiSA);

S.  overwegende dat het centrum waar welvaart tot stand komt duidelijk naar het oosten aan het verschuiven is, naar de regio Azië-Stille Oceaan met China, dat Japan reeds voorbijgestoken is en waarschijnlijk de VS zal inhalen en in 2025 's werelds grootste economie zal zijn; overwegende dat dit erop duidt dat de opkomende economieën en de ontwikkelingslanden de achterstand op de groep van de industrielanden inlopen en tot volwassen economieën uitgroeien;

T.  overwegende dat de omvang van de wereldeconomie door het grensoverschrijdende verkeer van kapitaal, goederen, diensten en gegevens in 2014 met 7,8 biljoen dollar is toegenomen, waarbij alleen al 2,8 biljoen dollar daarvan is toe te schrijven aan de gegevensstromen, wat meer is dan de op 2,7 biljoen dollar geraamde handel in goederen;

Vlotter inspelen op snel veranderende wereldwijde handelstrends

1.  is verheugd over de nieuwe strategie van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" en juicht het toe dat daarin het accent is komen te liggen op elementen als een verantwoord beheer van toeleveringsketens, de mondiale digitale markt, de handel in digitale goederen en diensten, eerlijke en ethische handel en de sociale kosten van de handelsliberalisering; is ervan overtuigd dat het toekomstige handelsbeleid gericht moet zijn op bestrijding van alle vormen van protectionisme, waaronder het wegnemen van onnodige non-tarifaire handelsbelemmeringen, en de toegang tot nieuwe markten moet verzekeren, in het bijzonder voor kmo's; herinnert eraan dat de liberalisering van de handel behoorlijk moet verlopen om een duurzame ontwikkeling te garanderen; betreurt de vertraging die de Commissie heeft opgelopen bij het voorstellen van een nieuwe strategie, aangezien het Parlement haar had verzocht om uiterlijk in de zomer van 2012 een herziene handelsstrategie voor de middellange en lange termijn te presenteren;

2.  is ervan overtuigd dat diensten weliswaar meer dan 70 % van het bbp in de EU uitmaken en in de toekomst goed zullen zijn voor 90 % van de banen, maar dat de be- en verwerkende industrie in de EU cruciaal is voor de herindustrialisering van Europa en dat de strategie daarom sterker moet ingaan op de rol van deze sector in het gemeenschappelijke handelsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan om er samen met de handelspartners voor te zorgen dat hun markten sterker geopend worden voor bedrijven uit de EU, met name bij vervoer, telecommunicatie en overheidsopdrachten, gezien het feit dat buitenlandse ondernemingen nog steeds op brede schaal toegang hebben tot de interne markt van de EU;

3.  erkent dat het handelsbeleid van de EU van het hoogste geopolitieke en economische belang voor Europa is met het oog op de sturing van de globalisering, de versterking van internationale normen en de verbetering van de toegang tot buitenlandse markten; merkt op dat de internationale regels door anderen worden vastgesteld als wij nu niet in actie komen; onderstreept dat, gezien de status van de EU als grootste economie in de wereld, een duurzame en verantwoorde handel ons krachtigste beleidsinstrument is voor zowel het ondersteunen van Europese belangen, investeringen en handelszaken, en het bevorderen van de Europese waarden in het buitenland, als het aanzwengelen van economische groei en investeringen en het creëren van banen in de Unie; steunt het streven van de Commissie om synergie-effecten tussen het handels- en het internemarktbeleid tot stand te brengen, en beveelt aan hierbij vooral in te zetten op maatregelen die helpen bij het scheppen van nieuwe banen;

4.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie dat geen enkele handelsovereenkomst tot een verlaging van de Europese normen voor consumentenbescherming zal leiden, ook binnen de context van de digitale revolutie; beklemtoont dat het Parlement er streng op zal blijven letten dat deze toezegging in de lopende onderhandelingen in acht wordt genomen;

5.  beklemtoont de band tussen de interne markt en het handelsbeleid van de EU, die volledig op elkaar en op het algemene beleid en de waarden van de Unie moeten aansluiten; is van oordeel dat een open, verantwoorde en vrije wereldhandel, op basis van doeltreffende, transparante en sterke mondiale regels, essentieel is om de interne markt in staat te stellen zijn volledige potentieel te ontwikkelen door te functioneren, te groeien en te werken in het belang van de burgers, de consumenten en de bedrijven, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen; brengt in herinnering dat liberalisering van de handel tot een hogere productiviteit leidt, aan een betere externe concurrentiepositie bijdraagt en nu reeds goed is voor bijna één op de zeven banen in de interne markt, en ook aanzienlijke voordelen voor de consument oplevert;

6.  verzoekt de Commissie haar handels- en investeringsbeleid regelmatig te actualiseren en om te twee jaar in het openbaar een uitgebreid uitvoeringsverslag in het Parlement te presenteren, te beginnen in 2017, om te waarborgen dat zij haar toezeggingen gestand doet; vraagt de Commissie om in deze verslagen in te gaan op de voortgang van de lopende handelsbesprekingen en de uitvoering van de bestaande handelsovereenkomsten;

7.  dringt er bij de Commissie op aan haar procedures te bespoedigen, zodat handelsakkoorden na afsluiting van de onderhandelingen eerder aan het Parlement kunnen worden voorgelegd en vervolgens sneller voorlopig kunnen worden toegepast of in werking kunnen treden;

Een transparant handelsbeleid en meer inspraak voor de burger

8.  is verheugd dat de Commissie meer transparantie en openheid betracht in alle stadia van de handelsbesprekingen en steunt het transparantie-initiatief van de Commissie met betrekking tot TTIP; erkent dat de Commissie, na een aantal verzoeken van het Parlement, de transparantie van de onderhandelingen heeft verbeterd door alle leden van het Europees Parlement en van de nationale parlementen inzage te geven in gerubriceerde onderhandelingsdocumenten en meer informatie te verstrekken aan de belanghebbenden; herinnert eraan dat een bredere toegang tot gerubriceerde informatie voor de leden van het Parlement tijdens de TTIP-onderhandelingen de parlementaire controle heeft verscherpt, zodat het Parlement zijn verantwoordelijkheid in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid nog beter kan uitoefenen; pleit daarom voor een verbreding van het transparantie-initiatief van de Commissie om voor alle lopende en toekomstige handelsbesprekingen te voorzien in volledige transparantie en in de mogelijkheid van openbare controle, en wenst dat er in overleg met de partnerlanden wordt toegewerkt naar de strengste transparantienormen, dat gewaarborgd wordt dat dit een wederkerig proces is waarbij de onderhandelingspositie van de EU niet wordt ondermijnd, en dat er in de verkennende gesprekken overeenstemming wordt bereikt over het nagestreefde transparantieniveau van de onderhandelingen; onderstreept dat daadwerkelijke transparantie voor een versterking van het mondiale draagvlak voor een op regels gebaseerd handelsstelsel kan zorgen;

9.  verzoekt de Raad alle reeds goedgekeurde en toekomstige onderhandelingsmandaten onverwijld openbaar te maken;

10.  dringt er bij de Commissie op aan voor een sterke en evenwichtige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners te zorgen, o.a. via passende openbare onlineraadplegingen en communicatiecampagnes, teneinde het handelsbeleid inhoudelijk te verbeteren en het te richten op de bescherming van de burgerrechten, om zo de legitimiteit van het beleid te versterken;

11.  onderstreept in de context van het huidige debat over de reikwijdte van handelsbesprekingen dat bij samenwerking op regelgevingsgebied de primaire functie van regelgeving moet blijven: het behartigen van het algemeen belang; benadrukt dat een betere samenwerking tussen regelgevende instanties de handel en investeringen ten goede dient te komen door het opsporen van onnodige technische handelsbelemmeringen en dubbele of overbodige administratieve lasten en formaliteiten, die onevenredige nadelen voor kmo's inhouden, maar dat daarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de technische procedures in verband met fundamentele normen en regelgeving, terwijl de Europese normen op het gebied van gezondheid, veiligheid, consumenten-, arbeids-, sociale en milieurechten en culturele verscheidenheid intact moeten blijven en het voorzorgsbeginsel en de autonomie van nationale, regionale en lokale overheden op regelgevingsgebied volledig moeten worden beschermd; herinnert eraan dat de wederzijdse mechanismen gebaseerd moeten zijn op een verbeterde uitwisseling van informatie en een betere invoering van internationale technische normen en tot een verhoogde convergentie moeten leiden, waarbij in geen geval de democratisch gelegitimeerde besluitvormingsprocedures van de handelspartners mogen worden ondermijnd of vertraagd; juicht het toe dat er gewerkt wordt aan de ontwikkeling en het gebruik van meer internationale technische normen op basis van effectbeoordelingen, en dat ernaar gestreefd wordt onze handelspartners volledig te laten participeren in internationale normalisatieorganen; gelooft echter niet dat het ontbreken van een algemene internationale standaard een sta-in-de-weg mag zijn voor wederzijdse erkenning van gelijkwaardigheid, indien van toepassing, of voor inspanningen gericht op een gemeenschappelijke trans-Atlantische technische normen;

12.  verzoekt de Commissie om met het oog op de transparantie en de bescherming van de handelsbelangen van de EU er bij de raadpleging van het bedrijfsleven over handelsinitiatieven op toe te zien dat brancheorganisaties in de EU ook werkelijk de handelsbelangen van de EU vertegenwoordigen doordat zij de werkelijke belangen van de nationale bedrijfstakken behartigen; onderstreept dat de documenten van de EU-instellingen waar mogelijk moeten worden gepubliceerd, omdat transparantie essentieel is om het publiek achter het gemeenschappelijke handelsbeleid te krijgen; roept de Commissie op om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van juli 2015 te implementeren, met bijzondere aandacht voor de toegang tot documenten voor alle besprekingen;

Grotere samenhang tussen de handelsdoelstellingen van de EU en andere aspecten van haar extern beleid inzake handel voor ontwikkeling

13.  herinnert eraan dat het gemeenschappelijk handelsbeleid moet worden gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, zoals bepaald in artikel 21 VEU en artikel 208 VWEU, en de waarden moet bevorderen waarvoor de Unie zich inzet, zoals omschreven in artikel 2 VEU; herinnert eraan dat externe beleid coherent moet zijn met intern beleid met een externe dimensie; beklemtoont dat de EU wettelijk verplicht is de mensenrechten te eerbiedigen en dat zij de duurzame economische, maatschappelijke en milieuvriendelijke ontwikkeling van handelslanden dient te bevorderen; is van mening dat de EU de verantwoordelijkheid heeft om alles in het werk te stellen om mogelijke negatieve gevolgen van haar gemeenschappelijk handelsbeleid te voorzien, te voorkomen en aan te pakken door regelmatig ex  ante- en ex post-beoordelingen van de impact ervan op mensenrechten en duurzaamheid te verrichten en op grond daarvan handelsovereenkomsten indien nodig te herzien; herinnert eraan dat alleen eerlijke en naar behoren gereguleerde handel die op de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) is afgestemd, de ongelijkheid kan verminderen en de ontwikkeling kan stimuleren; brengt in herinnering dat de SDG's verschillende handelsgerelateerde doelstellingen op diverse beleidsgebieden omvatten, en dat een van de meest concrete doelstellingen erin bestaat de export van de ontwikkelingslanden te verhogen teneinde het aandeel van de minst ontwikkelde landen (MOL's) in de mondiale export tegen 2020 te verdubbelen;

14.  is verheugd dat het aantal mensen dat in absolute armoede leeft, zoals gedefinieerd door de Wereldbank, sinds 1990 sterk is gedaald; merkt evenwel op dat meer inspanningen nodig zijn om particuliere en openbare investeringen in de MOL's te stimuleren, teneinde de institutionele en infrastructurele kaders op te zetten die de MOL's in staat stellen sterker van de handelsvoordelen te profiteren, en deze landen te helpen hun economie te diversifiëren en in de mondiale waardeketens te integreren, zodat zij zich kunnen toeleggen op producten met een hogere toegevoegde waarde;

15.  neemt kennis van de aankondigingen van de Commissie dat zij via haar handels- en investeringsovereenkomsten overal ter wereld de duurzame ontwikkeling wil versterken en de mensenrechten, arbeidsnormen, sociale normen en milieuduurzaamheid wil bevorderen, maar dringt erop aan dat zij vastberaden inspanningen onderneemt met het oog op de volledige praktische uitvoering en handhaving van de desbetreffende hoofdstukken; deelt het standpunt van de Commissie dat de EU een bijzondere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de gevolgen van haar handelsbeleid voor de ontwikkelingslanden en in het bijzonder voor de MOL's;

16.  meent dat migratie voor de EU in de 21e eeuw een van de grootste uitdagingen is; beklemtoont dat het waarborgen van de coherentie van het handels- en investeringsbeleid van de EU van fundamenteel belang is voor het aanpakken van de oorzaken van de migratie; betreurt het dat dit onvoldoende wordt aangegeven in de strategie "Handel voor iedereen";

17.  is van oordeel dat diepe en brede vrijhandelsruimtes (DCFTA's), met name voor wat betreft partnerlanden die in een economische crisis verkeren, in de eerste plaats moeten zijn gericht op voelbare en duurzame verbeteringen in de levensomstandigheden van gewone mensen;

18.  beklemtoont dat bepalingen inzake mensenrechten, sociale en milieunormen, arbeidsrechtelijke verplichtingen op grond van de kernverdragen van de IAO en beginselen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met inbegrip van de beginselen van de OESO voor multinationale ondernemingen en de VN-beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten, bindend dienen te zijn en een belangrijk onderdeel van de EU-handelsovereenkomsten moeten zijn in de vorm van afdwingbare verplichtingen; vraagt de Commissie om in alle handels- en investeringsovereenkomsten van de EU hoofdstukken over duurzame ontwikkeling op te nemen; is van oordeel dat deze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling bindend moeten worden gemaakt door middel van een drieledige aanpak, waarbij van overleg op regeringsniveau, interne adviesgroepen en deskundigenpanels met de IAO, en - in laatste instantie - de algemene geschillenregeling van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt om geschillen te behandelen, met de mogelijkheid om financiële sancties op te leggen; wijst erop dat arbeids- en milieunormen niet beperkt mogen blijven tot de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, maar ook effect moeten hebben in alle andere onderdelen van handelsovereenkomsten;

19.  onderstreept het belang van doeltreffende vrijwaringsmechanismen in handelsovereenkomsten; vraagt tegelijkertijd om een doeltreffend handhavingsmechanisme op te nemen voor arbeids- en milieurechten waarop de mensenrechtenclausule niet van toepassing is; verzoekt de Commissie een gestructureerde en gedepolitiseerde regeling vast te stellen die inhoudt dat met een partnerland volgens duidelijke criteria overleg moet worden gevoerd als het vermoeden bestaat dat het verplichtingen uit hoofde van de hoofdstukken betreffende handel en duurzame ontwikkeling niet is nagekomen;

20.  beklemtoont het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij vrijhandelsovereenkomsten (VHO's) en van de mogelijkheid geavanceerdere media te gebruiken om de deelname van het maatschappelijk middenveld te bevorderen;

21.  herhaalt het belang van de naleving van de Europese en internationale voorschriften inzake wapenhandel, met name het Wapenhandelsverdrag van de Verenigde Naties en de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer; onderstreept dat het handelsbeleid van de Unie een instrument voor economische diplomatie vormt dat ook kan bijdragen tot het aanpakken van de diepere oorzaken van terrorisme; benadrukt dat doeltreffende wetgeving inzake uitvoercontrole ook een belangrijk aspect is van het handelsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie in dit verband om de EU-wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij te werken, in het licht van de strategische doelstellingen en de universele waarden van de EU;

22.  herinnert eraan dat volgens ramingen van de IAO 865 miljoen vrouwen overal ter wereld een sterkere bijdrage zouden kunnen leveren aan de economische groei als ze beter worden ondersteund; merkt op dat bedrijven waarvan een vrouw eigenaar is een te weinig benutte hefboom zijn om de concurrentiekracht te stimuleren, het bedrijfsleven impulsen te geven en de groei te ondersteunen; verklaart dat het handelsbeleid uiteenlopende gendergevolgen kan hebben in de verschillende economische sectoren en dat er meer gegevens over gender en handel nodig zijn; neemt kennis van het feit dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" de genderdimensie van handelsovereenkomsten niet behandelt; vraagt de Commissie om meer inspanningen te leveren om handelsbesprekingen als instrument te gebruiken om gendergelijkheid wereldwijd te bevorderen en ervoor te zorgen dat zowel vrouwen als mannen kunnen profiteren van de handelsliberalisering en dat ze tegen de negatieve gevolgen ervan worden beschermd; is van mening dat de Commissie met het oog hierop moet zorgen voor de horizontale integratie van het genderperspectief in alle toekomstige handelsovereenkomsten en dat zij het gendereffect van de van kracht zijnde handelsovereenkomsten in het oog moet houden;

23.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij een tussentijdse evaluatie wil uitvoeren van het stelsel van algemene preferenties (SAP) en in het bijzonder wil nagaan of de preferenties binnen het stelsel kunnen worden uitgebreid naar diensten; onderstreept tegelijkertijd dat het SAP, met inbegrip van de EBA- en SAP+-regelingen, een instrument is dat de eerbiediging van fundamentele waarden mogelijk maakt en een doeltreffende uitvoering en monitoring vereist;

Transparante mondiale waardeketens die wereldwijd fundamentele waarden en normen eerbiedigen

24.  erkent dat de internationalisering van 's werelds productiesysteem ertoe heeft bijgedragen dat er nieuwe mogelijkheden voor economische ontwikkeling zijn ontstaan en dat honderden miljoenen mensen door werkgelegenheid konden ontsnappen aan de armoede; herinnert eraan dat volgens de IAO ongeveer 780 miljoen actieve vrouwen en mannen niet voldoende verdienen om zich aan de armoede te ontworstelen; onderstreept dat de uitbreiding van mondiale waardeketens werkgelegenheid heeft gecreëerd, maar dat de gebrekkige handhaving van het bestaande arbeidsrecht en van de normen inzake veiligheid op het werk - die zijn ingevoerd om werknemers te beschermen tegen uitputtende werktijden en onaanvaardbare omstandigheden - in producerende landen een nijpend probleem blijft; merkt op dat de mondiale waardeketens sommige toeleveranciers er ook toe hebben gebracht de arbeidswetgeving te negeren, hun economische activiteiten naar landen buiten de EU te verplaatsen, werknemers in onveilige en onaanvaardbare omstandigheden te laten werken, uitputtende werkroosters op te leggen en werknemers hun grondrechten te ontzeggen; herinnert eraan dat deze praktijken oneerlijke concurrentie tot stand brengen voor leveranciers die zich wel houden aan de arbeidswetgeving en de internationale arbeids- en milieunormen en voor regeringen die de lonen en het levenspeil willen verbeteren; verzoekt de Commissie de gevolgen van het toenemende aantal mondiale waardeketens te bestuderen en in nauwe samenwerking met de IAO en de OESO met concrete voorstellen te komen voor de verbetering van de omstandigheden in deze ketens; wijst er met klem op dat er bij de verdere integratie van de EU in mondiale waardeketens moet worden uitgegaan van twee beginselen, namelijk de vrijwaring van het Europese sociale en regelgevingsmodel en het veiligstellen en creëren van duurzame en rechtvaardige groei en fatsoenlijke banen in de EU en voor de partners van de EU; beseft dat het invoeraandeel in de interne productie en uitvoer door de globalisering van de waardeketens toeneemt, waardoor de kosten van protectionistische maatregelen aanzienlijk stijgen;

25.  is van mening dat het handelsbeleid moet bijdragen tot een transparant productieproces in de gehele waardeketen en tot de naleving van de fundamentele sociale, milieu- en veiligheidsnormen; verzoekt de Commissie initiatieven te bevorderen die gericht zijn op zorgvuldigheidsnormen voor de toeleveringsketens; is ingenomen met de wens van de Commissie om nauw samen te werken met de IAO en de OESO teneinde een wereldwijde aanpak te ontwikkelen voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden, vooral in de textielsector; onderstreept dat het belangrijk is om nieuwe sectorale of geografische mogelijkheden voor bijkomende initiatieven inzake verantwoorde waardeketens op te sporen en te beoordelen; kijkt met belangstelling uit naar de aanstaande mededeling van de Commissie over MVO;

26.  dringt er bij de Commissie op aan het alomvattende investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van UNCTAD te bevorderen;

27.  verlangt dat de "hulp voor handel"-programma's en de technische ondersteuning zich richten op het weerbaarder maken van arme producenten, kleine en micro-ondernemingen, coöperaties en vrouwen alsmede op gendergelijkheid, zodat ze meer voordeel kunnen halen uit handel op de plaatselijke en regionale markten;

28.  verzoekt de Commissie om wetgevingsvoorstellen uit te werken met het oog op een verbod op de invoer van goederen bij de productie waarvan enige vorm van dwangarbeid of moderne slavernij is toegepast, en om in de tussentijd de controles op ingevoerde producten en de toeleveringsketens op ethische gronden te verscherpen;

29.  beklemtoont dat een betere bescherming van het hele spectrum van intellectuele-eigendomsrechten (IER) en een doeltreffendere handhaving van fundamenteel belang zijn voor de verdere integratie in mondiale waardeketens;

30.  vraagt de Commissie alle ontwikkelingslanden te helpen ten volle en doeltreffend gebruik te maken van de flexibele regelingen die in de TRIPS-overeenkomst zijn ingebouwd en in de Verklaring van Doha van 14 november 2001 over deze overeenkomst en volksgezondheid zijn erkend en bekrachtigd, teneinde die landen in staat te stellen betaalbare geneesmiddelen aan te bieden in het kader van hun binnenlandse volksgezondheidsprogramma's; verzoekt de Raad in dit verband zijn met de Verklaring van Doha aangegane verbintenissen na te komen door ervoor te zorgen dat de Commissie uitdrukkelijk de toegang tot geneesmiddelen garandeert wanneer zij onderhandelt over bepalingen over farmaceutica in toekomstige bilaterale en regionale handelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden of bij de toetreding van ontwikkelingslanden tot de WTO; is verheugd dat de Commissie haar steun heeft uitgesproken voor het verzoek van de MOL's om verlenging van de regeling inzake intellectuele eigendom op farmaceutisch gebied, maar betreurt de uiteindelijke beslissing van de TRIPS-Raad van de WTO om een verlenging van slechts 17 jaar toe te kennen;

31.  is verheugd dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" aandacht besteed aan eerlijke handel en verzoekt haar prioriteit te geven aan de nakoming van haar toezegging om de bestaande structuur voor de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomsten te gebruiken om eerlijke handel te bevorderen, regelingen inzake eerlijke handel via de EU-delegaties te promoten bij kleine producenten in derde landen en bewustmakingsactiviteiten in de EU te ontwikkelen, zoals de onderscheiding van een "Europese stad voor eerlijke en ethische handel";

32.  is van mening dat door nieuwe technologieën en het internet nieuwe instrumenten beschikbaar komen die producten traceerbaar maken in de gehele toeleveringsketen;

33.  wijst op het belang van bankdiensten bij de ontwikkeling van handel en investeringen; vraagt de EU de bevordering van de toegang tot bankdiensten in ontwikkelingslanden te ondersteunen;

34.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij de oorsprongsregels wil moderniseren, omdat die regels een steeds grotere handelsbelemmering vormen in handelspatronen die worden gedomineerd door mondiale waardeketens; benadrukt dat de modernisering van de oorsprongsregels een prioriteit moet vormen in alle vrijhandelsovereenkomsten waarover de Unie onderhandelt; spoort de Commissie aan zich bijzonder in te spannen voor flexibele oorsprongsregels, waaronder soepele eisen met betrekking tot de toegevoegde waarde en de wijziging van de GS-onderverdeling;

In het handelsbeleid van de EU voorrang geven aan de monitoring, evaluatie en follow-up van bestaande overeenkomsten

35.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verbeterd partnerschap met het Parlement en de belanghebbenden op het gebied van de tenuitvoerlegging van handelsakkoorden; beklemtoont dat het Parlement tijdig moet worden betrokken bij en volledig moet worden geïnformeerd over alle stadia van de procedure, ook door middel van stelselmatig overleg met het Parlement vóór de opstelling van onderhandelingsmandaten; wijst erop dat de Commissie de verplichting heeft het Parlement te informeren over haar activiteiten met betrekking tot de uitvoering, controle en follow-up van handels- en investeringsovereenkomsten;

36.  vraagt de Commissie niet om voorlopige toepassing van handelsakkoorden, waaronder hoofdstukken over handel in associatieovereenkomsten, te verzoeken voordat het Parlement zijn toestemming heeft gegeven; herinnert eraan dat dit de rechten van het Parlement ernstig zou ondergraven en mogelijk rechtsonzekerheid zou creëren ten aanzien van de andere partij bij de overeenkomst en de betrokken marktdeelnemers; herinnert aan en is verheugd over de desbetreffende toezeggingen van de voor handel bevoegde commissaris, maar raadt met klem aan deze regeling te formaliseren in de nieuwe interinstitutionele overeenkomst;

37.  is van oordeel dat de beproefde praktijk volgens welke een overeenkomst in afwachting van ratificatie door de nationale parlementen alleen op voorlopige basis wordt toegepast nadat het Parlement zijn toestemming heeft gegeven, in het geval van gemengde overeenkomsten het beste evenwicht biedt tussen democratische controle en een efficiënte werkwijze;

38.  dringt erop aan dat de monitoring, evaluatie en follow-up van bestaande overeenkomsten voorrang krijgen in het gemeenschappelijk handelsbeleid; vraagt de Commissie om gezien de steeds vollere onderhandelingsagenda voldoende middelen van elders toe te wijzen om DG Handel in staat te stellen scherper toezicht uit te oefenen op de uit te voeren handelsakkoorden; verzoekt de Commissie specifieke indicatoren vast te stellen om toezicht op de tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten te verzekeren, en publiekelijk en regelmatig aan het Parlement een uitvoerig, gedetailleerd uitvoeringsverslag te presenteren, waarin bijvoorbeeld wordt ingegaan op de prestaties van bedrijfstakken in de EU en het effect van de overeenkomsten op verschillende sectoren en hun respectieve marktaandelen;

39.  vraagt de Commissie om op basis van de herziene methodiek de kwaliteit en nauwkeurigheid van de beoordelingen vooraf en achteraf te verbeteren; beklemtoont dat het, vooral gezien de recente aanbeveling van de Ombudsman naar aanleiding van klacht 1409/201/JN over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, altijd nodig is om voor initiatieven in het kader van het handelsbeleid een grondige, alomvattende duurzaamheidseffectbeoordeling voor te leggen; onderstreept dat in deze beoordeling ten minste het volgende aan bod moet komen: gevoelige economische sectoren; mensenrechten, sociale rechten en milieurechten; en landbouw en lokale productie in ultraperifere gebieden; drukt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan tussentijdse en ex-postbeoordelingen en over de slechte kwaliteit van de beoordelingen die wel uitgevoerd worden, zoals blijkt uit speciaal verslag nr. 2/2014 van de Europese Rekenkamer; dringt erop aan dat er voor alle handelsovereenkomsten tussentijdse en ex-postbeoordelingen van hogere kwaliteit worden verricht, zodat de beleidsmakers, belanghebbenden en Europese belastingbetalers kunnen beoordelen of de handelsovereenkomsten de beoogde resultaten hebben behaald; vraagt de Commissie om gegevens te verstrekken over de effecten, ook in de partnerlanden, van de handelsakkoorden die gesloten zijn, met bijzondere aandacht voor kmo's, behoorlijke nieuwe banen, mensenrechten en het milieu, en aanvullende maatregelen voor te stellen om te waarborgen dat de MOL's profijt hebben van ons handelsbeleid;

40.  verzoekt de Commissie een verslag voor te leggen aan het Parlement inzake dubbele prijsstelling en andere prijsverstorende praktijken van belangrijke handelspartners van de EU, met speciale aandacht voor energie, waarin de economische impact van dergelijke praktijken op de economie van de EU wordt aangegeven, alsook de door de Commissie genomen stappen - op bilateraal, multilateraal en WTO-niveau - om dergelijke praktijken te beëindigen; verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om een einde te maken aan dubbele prijsstelling en andere prijsverstorende praktijken in haar handelsbetrekkingen met al haar handelspartners;

De wereldhandel bevorderen via een multilaterale aanpak binnen de WTO

41.  benadrukt dat het multilaterale handelssysteem dat gestalte heeft gekregen in de WTO, de beste optie blijft om een open, eerlijk en op regels gebaseerd systeem te garanderen waarin de vele uiteenlopende belangen van haar leden in aanmerking worden genomen en met elkaar in evenwicht worden gebracht; herhaalt dat het Parlement sterk voorstander is van de multilaterale agenda; is verheugd dat de onderhandelingen over de handelsfacilitatieovereenkomst zijn afgerond, die de douaneprocedures in veel landen zal helpen vereenvoudigen en moderniseren, waardoor het voor ontwikkelingslanden gemakkelijker wordt deel te gaan uitmaken van het wereldhandelssysteem; wenst dat alle partijen de overeenkomst snel en correct uitvoeren;

42.  merkt op dat er in 2015 tijdens de 10e Ministeriële Conferentie van de WTO in Nairobi beperkte verbeteringen zijn gerealiseerd; erkent dat de WTO-leden op verschillende wijze te werk willen gaan met betrekking tot de Doharonde, inclusief de noodzaak om nieuwe benaderingen te overwegen teneinde nog open vraagstukken op te lossen met eerbiediging van de uiteenlopende belangen in de ontwikkelingslanden en de MOL's, maar ziet wat de afsluiting van de Doharonde betreft een grotere verantwoordelijkheid voor de opkomende economieën; is ingenomen met de toezegging van de EU om over een periode van vijf jaar 400 miljoen EUR beschikbaar te willen stellen om de ontwikkelingslanden, en met name de MOL's, te ondersteunen bij hun pogingen om de handelsfacilitatieovereenkomst ten uitvoer te leggen; stelt vast dat sommige WTO-leden belangstelling hebben om nieuwe onderhandelingsdomeinen te verkennen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot investeringen, staatsbedrijven, mededinging en digitale handel; meent dat de resultaten van de Ministeriële Conferentie in Nairobi de kans bieden om de onderhandelingsfunctie van de WTO nieuw leven in te blazen; dringt er bij de Commissie op aan om het initiatief te nemen voor een hervorming en versterking van de WTO, o.a. door een betere coördinatie met de IAO en andere VN-agentschappen op het gebied van milieu en mensenrechten, teneinde te komen tot een grotere inclusiviteit, doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht; herinnert aan de cruciale rol van "Hulp voor handel" voor de capaciteitsopbouw op handelsgebied en de technische bijstand aan de ontwikkelingslanden en MOL's; vraagt dat de EU en haar lidstaten er zich in dit kader toe verbinden de "Hulp voor handel" te verhogen, zodat een groter deel van de in de mondiale waardeketens gerealiseerde meerwaarde aan de ontwikkelingslanden ten goede komt; verzoekt de Commissie het vraagstuk van eerlijke en ethische handel aan de orde te stellen bij de komende herziening van de strategie inzake "Hulp voor handel";

43.  beschouwt plurilaterale onderhandelingen, bij voorkeur in de WTO (bijv. over de overeenkomst inzake informatietechnologie (ITA), de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst inzake handel in diensten (TiSA)); zij bieden weliswaar een kans om op WTO-niveau weer vooruitgang te boeken, maar alleen als de deur open wordt gehouden zodat geïnteresseerde WTO-leden zich erbij kunnen aansluiten; gelooft ten stelligste dat deze overeenkomsten, waar mogelijk, voldoende ambitieus moeten zijn om op basis van het meestbegunstigingsbeginsel op alle WTO-leden te worden toegepast, en dat zij als bouwstenen voor toekomstige multilaterale overeenkomsten moeten fungeren; beklemtoont dat het handelsbeleid ook moet worden gebruikt als instrument om de concurrentiekracht te vergroten van producten die beter zijn voor het milieu, zowel in het gebruik als in de wijze waarop zij geproduceerd zijn; benadrukt dat het belangrijk is om het initiatief inzake milieugoederen een multilaterale dimensie te geven en om na te denken over de vraag of in handelsakkoorden een voorkeursbehandeling voor echte milieugoederen kan worden opgenomen; beklemtoont dat de TiSA een kans zou kunnen bieden om op WTO-niveau weer vooruitgang te boeken bij de handel in diensten;

44.  pleit voor een sterke en doeltreffende parlementaire dimensie van de WTO om de organisatie transparanter te maken en de democratische legitimiteit van de wereldhandel te versterken en te garanderen; dringt er bij de WTO op aan de parlementaire conferentie over de WTO ten volle te benutten en ervoor te zorgen dat de parlementsleden toegang hebben tot alle informatie die ze nodig hebben om hun toezichthoudende rol effectief te kunnen vervullen en op een betekenisvolle manier aan het handelsbeleid te kunnen bijdragen;

Een toegesneden aanpak voor de keuze van toekomstige vrijhandelsbesprekingen

45.  vraagt de Commissie om zich op een evenwichtige manier en met aandacht voor wederkerigheid en wederzijdse voordelen, te concentreren op de afronding van de lopende handelsbesprekingen, en om de mogelijke impact van het cumulatieve effect te beoordelen, met name voor gevoelige producten met betrekking tot contingenten of liberalisering in het kader van lopende onderhandelingen en reeds gesloten handelsovereenkomsten; verlangt dat de feitelijke en potentiële effecten van reeds gesloten handelsovereenkomsten worden gemeten en beter worden gecommuniceerd, ter bereiking van een gezond evenwicht tussen de bescherming van gevoelige landbouwsectoren en de offensieve belangen van de Unie als een van de grootste uitvoerders van agrovoedingsmiddelen, o.a. door inlassing van overgangsperioden en quota's voor, en in enkele gevallen uitsluiting van, de meest gevoelige producten; herinnert de Commissie eraan om verkenningen uit te voeren en onpartijdige en onbevooroordeelde effectbeoordelingen, rekening houdende met Europese belangen alvorens onderhandelingsmandaten te formuleren;

46.  is van oordeel dat het van het allergrootste belang is te waarborgen dat succesvol afgeronde handelsbesprekingen zo snel mogelijk worden geratificeerd; pleit er met name voor dat er akkoorden met Canada en Singapore worden afgesloten zodat er twee grote markten worden ontsloten die van cruciaal belang zijn voor de toekomstige belangen van de Europese ondernemingen; dringt erop aan dat er in de hele EU met kennis van zaken door politici wordt gedebatteerd;

47.  onderstreept dat het van groot belang is dat bij alle vrijhandelsbesprekingen door de EU gevoelige en offensieve belangen voor de EU zoals bevordering van investeringen, verwijdering van onnodige non-tarifaire handelsbelemmeringen, erkenning en bescherming van geografische aanduidingen (GA's) en werknemersrechten, betere toegang tot overheidsopdrachten (met name in het licht van de huidige gesprekken over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de vrijhandelsovereenkomst EU-Japan), fatsoenlijke en hoogwaardige banen, integratie van kmo's in mondiale waardeketens, uitsluiting van openbare en audiovisuele diensten, en wettige waarborgen voor het regelgevingsrecht bij vrijhandel besprekingen, als onderdelen van ambitieuze, evenwichtige en alomvattende pakketten;

48.  dringt erop aan dat handelsbesprekingen een toegesneden regionale handelsstrategie volgen en dat volledige samenhang met regionale integratie gewaarborgd blijft, met name in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, die door de Commissie zijn aangewezen als regio's die voor de Europese economische belangen van cruciale betekenis zijn, zonder af te doen aan de sleutelrol die de EU-VS als strategisch partnerschap vervullen; vraagt de Commissie om onmiddellijk over een investeringsovereenkomst te gaan onderhandelen met Taiwan; herinnert eraan dat de EU en Latijns-Amerika natuurlijke bondgenoten zijn met een totale bevolking van één miljard mensen die een kwart van het wereldwijde bnp voortbrengen; wijst erop dat het potentieel van dit partnerschap nog onvoldoende is onderzocht; is ingenomen met het feit dat de nieuwe handels- en investeringsstrategie van de Commissie bijzondere aandacht schenkt aan Latijns-Amerika; vraagt de Europese Commissie om de huidige dynamiek in de handelsbesprekingen met Mercosur aan te grijpen om tot een brede, evenwichtige en ambitieuze overeenkomst te komen; staat achter de modernisering van de overeenkomsten met Mexico en Chili; vraagt om meer vaart te zetten achter vrijhandelsbesprekingen met Australië en Nieuw-Zeeland, en acht het belangrijk dat er handelsrelaties worden aangeknoopt met India, gezien het enorme potentieel van die markt; dringt er bij de Commissie op aan de onderhandelingen met Maleisië nieuw leven in te blazen en zo snel mogelijk na het afronden van de voorbereidende gesprekken voor een uitgebreid economisch partnerschap onderhandelingen op te starten met Indonesië;

49.  onderstreept dat in het licht van de huidige uitdagingen bijzondere aandacht moet uitgaan naar het post-Cotonoukader, met nadruk op de koppeling daarvan aan de mensenrechtenclausules in vrijhandelsovereenkomsten, en naar het ondersteunen van de oprichting van een continentale vrijhandelszone voor Afrika ter stimulering van stabiliteit, regionale integratie, plaatselijke groei, werkgelegenheid en innovatie; herinnert eraan dat de EU moet zorgen voor stabiliteit in de haar Oostelijke en Zuidelijke Nabuurschap, en pleit voor meer handelseconomische integratie waardoor het tot een volledige, snelle en juiste uitvoering kan komen van de diepe en alomvattende vrijhandelsovereenkomsten (DCFTA's) met Oekraïne, Georgië en Moldavië, en tot concrete vooruitgang met Tunesië, Marokko en Jordanië;

50.  vraagt de Commissie om het nationale bedrijfsleven volledig te betrekken bij alle stadia van de handelsbesprekingen mede door directe raadplegingen met nationale verenigingen en met Europese overkoepelende verenigingen, en de tekst van een uitonderhandelde handelsovereenkomst vergezeld te doen gaan van een lijst met de uitkomt van de onderhandelingen voor de verschillende sectoren en de redenen voor de keuzes die de Commissie heeft gemaakt;

Verzet tegen het verlenen van de status "markteconomie" aan China en de behoefte aan effectieve handelsbeschermingsinstrumenten

51.  beklemtoont dat verdere maatregelen tot handelsliberalisering - die tot oneerlijke handelspraktijken en concurrentie tussen landen met allerlei niet-tarifaire handelsbelemmeringen kunnen leiden, waaronder arbeidsrechten, milieunormen en volksgezondheidsnormen - de EU zullen nopen tot een nog doelmatiger respons op oneerlijke handelspraktijken en tot waarborging van een gelijk speelveld; onderstreept dat handelsbeschermingsinstrumenten (TDI's) een onmisbaar onderdeel van de EU-handelsstrategie moeten blijven en zij het concurrentievermogen van de EU kunnen verbeteren door waar nodig de voorwaarden voor eerlijke concurrentie te herstellen; herinnert eraan dat de huidige EU-wetgeving inzake handelsbescherming dateert van 1995; wijst er met klem op dat het handelsbeschermingssysteem van de Unie dringend moet worden gemoderniseerd zonder het te verzwakken; wijst erop dat de EU-wetgeving inzake handelsbescherming doelmatiger en toegankelijk voor kmo's moet zijn, en aan de hedendaagse uitdagingen en handelspatronen, dat de onderzoeksfase minder lang moet duren en dat meer transparantie en grotere voorspelbaarheid nodig zijn; betreurt dat de modernisering van deze TDI's is blijven steken in de Raad die niet in staat blijkt met deze essentiële wetgeving voor de dag te komen; betreurt dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" met geen woord rept over de noodzakelijke modernisering van de TDI's; vraagt de Raad dringend om de impasse in verband met die modernisering van de TDI's te doorbreken op basis van het standpunt van het Parlement, vooral nu China aandringt op erkenning van zijn status als markteconomie;

52.  wijst nogmaals op het belang van het partnerschap van de EU met China, waarin vrije en eerlijke handel en investeringen een belangrijke rol spelen; is ervan overtuigd dat de EU, totdat China voldoet aan alle vijf criteria om als markteconomie te worden aangemerkt, bij haar antidumping- en antisubsidieonderzoeken naar Chinese invoer gebruik moet maken van een niet-standaardmethode om de vergelijkbaarheid van de prijzen te bepalen, overeenkomstig en met volledige uitvoering van de onderdelen van afdeling 15 van het toetredingsprotocol van China die de rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode; vraagt de Commissie om aan de hand van dit beginsel met een voorstel te komen en herinnert eraan dat een en ander terdege moet worden gecoördineerd met de andere WTO-partners;

53.  vraagt de Commissie om dienaangaande geen maatregelen te nemen zonder voorafgaande grondige en uitgebreide effectbeoordeling die ingaat op alle mogelijke effecten en gevolgen voor de werkgelegenheid en de duurzame groei in alle Uniesectoren, alsook op de mogelijke effecten en gevolgen voor het milieu;

Grotere samenhang tussen het handels- en industriebeleid van de EU en betere bescherming van IER

54.  meent dat er meer moet worden gedaan om de behoeften van de Europese industrie volledig en over de gehele lijn aan te pakken en dat de maakindustrie in de EU al te vaak bij de dienstensector ten achter wordt gesteld; beklemtoont dat het handelsbeleid de Europese industrie een gelijk speelveld moet bezorgen, toegang moet bieden tot nieuwe en opkomende markten, de achterstand op het gebied van normen moet wegwerken en tegelijk dubbele certificering moet beperken; vraagt de Commissie om te zorgen voor samenhang tussen het handels- en industriebeleid van de EU en de ontwikkeling en concurrentiekracht van de Europese industrie te bevorderen en daarbij met name aandacht te schenken aan de herindustrialisatiestrategie;

55.  beklemtoont de centrale rol die oorsprongsregels spelen wanneer wordt bepaald welke sectoren voordeel halen uit of nadeel ondervinden van de door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten; erkent dat het Parlement de oorsprongsregels tot nu toe nog niet volledig heeft geanalyseerd en vraagt de Commissie om een verslag op te stellen met de veranderingen die zij de laatste tien jaar, op het niveau van de viercijferige GN-codes, heeft aangebracht aan haar favoriete standaardonderhandelingspositie inzake oorsprongsregels bij vrijhandelsovereenkomsten, samen met de redenen voor elke eventuele wijziging;

56.  is van mening dat het gebrek aan doeltreffende handhaving van IER de overleving van hele sectoren van de Europese industrie in gevaar brengt; benadrukt dat namaak tot banenverlies leidt en innovatie ondermijnt; herhaalt dat adequate bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten en doeltreffende doorzetting het fundament van de globale economie vormen; verwelkomt de toezegging van de Commissie om de bescherming en handhaving van IE-rechten in vrijhandelsovereenkomsten en bij de WTO te versterken en met partners samen te werken aan fraudebestrijding; onderschrijft de doelstelling van de Commissie om het gehele spectrum van IER's te beschermen, met inbegrip van octrooien, handelsmerken, auteursrechten, ontwerpen, geografische aanduidingen, oorsprongsaanduidingen en geneesmiddelen;

Nieuwe marktopportuniteiten voor EU-dienstverleners en erkenning van beroepskwalificaties als essentieel element van de EU-handelsstrategie

57.  herinnert eraan dat de EU een leidende positie inneemt in de dienstensector; beklemtoont dat nieuwe marktopportuniteiten een essentieel onderdeel moeten vormen van de internationale handelsstrategie van de EU; beklemtoont dat de opname van diensten in handelsovereenkomsten van het allergrootste belang is aangezien dit Europese bedrijven en werkgevers kansen biedt waarbij, overeenkomstig de artikelen 14 en 106 van het VWEU en protocol 26, huidige en toekomstige diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van elke overeenkomst, ongeacht of die diensten door de overheid of particulier worden gefinancierd; verlangt dat de Commissie de erkenning van beroepskwalificaties in handelsovereenkomsten bevordert en opneemt, wat nieuwe kansen zal bieden aan Europese bedrijven en werknemers; geeft specifiek in overweging om bepaalde voordelen van de richtlijn inzake de intracommunautaire overdracht van defensiegerelateerde producten in handels- en investeringsovereenkomsten op te nemen in ruil voor die erkenning;

58.  deelt het standpunt van de Commissie dat de tijdelijke detachering van beroepsbeoefenaren essentieel is geworden om internationaal meer zaken te doen en daarmee een offensief belang blijft voor de EU; benadrukt dat in alle handels- en investeringsovereenkomsten van de EU een hoofdstuk over arbeidsmobiliteit moet worden opgenomen; herinnert er echter aan dat verbintenissen inzake dienstverleningsvorm 4 alleen mogen gelden voor de mobiliteit van hoogopgeleide beroepsbeoefenaren (universitaire of daarmee equivalente opleiding of hogere leidinggevende functie) voor een specifiek doel, voor een beperkte periode en onder precieze voorwaarden die in de nationale wetgeving van het land waar de dienst wordt verricht en in een contract dat conform artikel 16 van de dienstenrichtlijn in overeenstemming is met deze nationale wetgeving nader zijn omschreven, waarbij ervoor wordt gezorgd dat niets de EU en de lidstaten kan beletten hun arbeidsnormen en collectieve arbeidsovereenkomsten te handhaven en te verbeteren;

59.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om het handelsbeleid aan te wenden voor het aanpakken van nieuwe vormen van digitaal protectionisme en om regels vast te stellen voor elektronische handel en grensoverschrijdende gegevensstromen in overeenstemming met de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en de bescherming van de privacy en van de fundamentele rechten; is van mening dat er nog veel meer moet worden gedaan om in de EU een klimaat te scheppen dat gunstig is voor elektronische handel en ondernemerschap, zoals monopolies en misbruik van monopolistische posities in de telecommarkt en geoblokkeren tegengaan en concrete oplossingen zoeken voor geschillenbeslechting; beklemtoont dat het van vitaal belang is om te zorgen voor reglementaire samenwerking, internetfraude te verminderen, wederzijdse erkenning en harmonisatie van de normen in de e-handelssector; verzoekt de Commissie een nieuw model voor e-commercehoofdstukken uit te vaardigen, dat het bestaande en eventuele toekomstige rechtskader voor gegevensbescherming in alle handelsbesprekingen moet vrijwaren, en dat een vrije uitwisseling van gegevens moet waarborgen, in volledige overeenstemming met de bestaande gegevensbeschermingsregels in het land van herkomst van het gegevenssubject; roept op tot een betere samenwerking tussen de handhavingsinstanties, in het bijzonder inzake oneerlijke handelspraktijken op internet;

Het wezenlijke belang van de digitale economie voor de toekomstige wereldhandel

60.  merkt het toenemend en toekomstig belang van de digitale economie op, niet enkel in Europa, maar overal ter wereld, met een geschat aantal van 3,3 miljard internetgebruikers wereldwijd, die 40 % van de wereldbevolking vertegenwoordigen; is van mening dat trends zoals cloud computing, mobiele webdiensten, slimme netten en sociale media tot een ingrijpend veranderd ondernemerslandschap; onderstreept dat het EU-handelsbeleid gelijke tred moet houden met de digitale en technologische ontwikkelingen;

61.  verlangt dat de Commissie samen met WTO-partners niet enkel een werkgroep oprichten voor digitale handel in de WTO, die de geschiktheid van het huidige kader voor elektronische handel grondig onderzoekt, waarbij specifieke aanbevelingen, verduidelijkingen en aanpassingen onder de loep worden genomen, maar dat ze ook onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor de oprichting van een nieuw kader voor de dienstenhandelsfacilitatie, gebaseerd op beste praktijken voortkomend uit de uitvoering van de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO;

Steun voor de Commissie in haar strijd tegen corruptie

62.  is zich ervan bewust dat de opname van bepalingen betreffende financiële diensten in handelsovereenkomsten bezorgdheid heeft gewekt over hun mogelijke negatieve gevolgen op het gebied van het witwassen van geld, belastingontduiking en -ontwijking; spoort de Commissie aan tot bestrijding van corruptie, een grote niet-tarifaire belemmering in ontwikkelde en ontwikkelingslanden; is van mening dat handels- en investeringsovereenkomsten een goede gelegenheid bieden voor grotere samenwerking bij bestrijding van corruptie, witwassen en belastingfraude en -ontduiking; is van mening dat bedingen uit hoofde van internationale normen, rapportageplicht per land en automatische informatie-uitwisseling in speciale internationale overeenkomsten moeten worden vastgelegd die als grondslag moeten dienen voor verdere liberalisering van financiële diensten;

63.  is van mening dat het verband tussen handels- en investeringsovereenkomsten en verdragen tot het vermijden van dubbele belasting nog helemaal onverkend is en verzoekt de Commissie de invloed die dergelijke instrumenten op elkaar en op een algemene samenhang van het beleid kunnen hebben in de strijd tegen belastingontduiking grondig te onderzoeken;

Een toekomstgericht handelsbeleid inzake de specifieke noden van kmo's

64.  beklemtoont dat een toekomstgericht handelsbeleid meer aandacht moet schenken aan de specifieke noden van micro- en kleine en middelgrote ondernemingen en ervoor moet zorgen dat zij volop kunnen profiteren van de handels- en investeringsovereenkomsten; herinnert eraan dat slechts een klein percentage van de Europese kmo's de door de mondialisering en handelsliberalisering geboden kansen kan identificeren en benutten; merkt op dat slechts 13 % van de Europese kmo's internationaal actief is geweest buiten de EU terwijl zij goed zijn voor een derde van de EU-export; steunt initiatieven die de internationalisering van de Europese kmo's bevorderen en dringt daarom aan op de voordelen van een hoofdstuk inzake kmo's in alle toekomstige vrijhandelsovereenkomsten; is van mening dat er nieuwe manieren moeten worden verkend om kmo's beter te helpen bij de verkoop van hun goederen en diensten in het buitenland; beklemtoont dat kmo's beter afgestemde bijstand nodig hebben, die eerst en vooral in de lidstaten wordt verleend, gemakkelijker toegang tot gebruiksvriendelijke online informatie over handelsmaatregelen, en specifieke en duidelijke handleidingen over de kansen en voordelen van elke bestaande of toekomstige dor de EU gesloten handelsovereenkomst;

65.  vraagt de Commissie om de behoeften van de kmo's horizontaal te behandelen in alle hoofdstukken van de handelsovereenkomsten met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de oprichting van een speciale internetsite voor kmo's om meer te weten te komen over relevante verordeningen, wat van cruciaal belang is voor grensoverschrijdende dienstverleners op het gebied van vergunningen en andere administratieve vereisten; wijst erop dat deze instrumenten, in voorkomend geval, kansen aan kmo's moeten bieden om nieuwe markten te betreden benutten, in het bijzonder voor aanbestedingen van lage waarde; benadrukt de noodzaak om handelskosten te verlagen voor de kmo's door douaneprocedures te stroomlijnen, onnodige niet-tarifaire belemmeringen en regelgevingslasten te beperken en de oorsprongsregels te vereenvoudigen; is van mening dat de kmo's een rol moeten spelen bij het helpen van de Commissie om deze instrumenten vorm te geven om ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten voldoen aan hun behoeften; moedigt de Commissie aan om een nauwe dialoog te onderhouden met de kmo-vertegenwoordigers in alle stadia van de handelsbesprekingen;

66.  benadrukt dat snellere toegang tot antidumpingprocedures voor Europese kmo's van essentieel belang is om hen tegen oneerlijke handelspraktijken te beschermen; benadrukt de noodzaak van een hervorming van het multilateraal kader van de WTO om kmo's meer te betrekken en een snellere geschillenregeling te waarborgen;

67.  vraagt de Commissie om de bestaande instrumenten inzake subsidiariteit, niet-duplicatie en complementariteit ten aanzien van de respectieve programma's van de lidstaten en met Europese toegevoegde waarde te beoordelen en te verbeteren alvorens andere zelfstandige vorderingen te ontwikkelen om de internationalisering van kmo's te ondersteunen; beklemtoont dat de Commissie een onafhankelijke evaluatie van alle bestaande programma's aan het Parlement dient voor te leggen;

Investeringen

68.  onderstreept het belang van inkomende en uitgaande investeringen voor de EU-economie en de behoefte van EU-bedrijven om te worden beschermd wanneer ze in markten van derde landen investeren; heeft oog, in dit verband, voor de inspanningen van de Commissie rond het nieuwe stelsel van investeringsgerechten (ICS); benadrukt de noodzaak van nadere discussie met belanghebbenden en Parlement over ICS; onderstreept dat dit systeem moet beantwoorden aan de rechtsorde van de EU, met name op het punt van de competentie van de EU-rechter, en meer bepaald van de mededingingsregels van de EU; deelt de ambitie om op de middellange termijn een multilaterale oplossing uit te werken voor investeringsgeschillen; betreurt dat het ICS-voorstel geen bepaling omvat inzake de verplichtingen van de investeerders;

69.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de aanbevelingen van het omvattende investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van UNCTAD te volgen om verantwoorde, transparante en verantwoordbare investeringen te stimuleren;

70.  wijst erop dat in het Investeringsplan voor Europa van de Commissie de vereiste is vastgelegd de investeringen in de EU te stimuleren, en is van oordeel dat handelsstrategieën een essentieel middel zijn om deze doelstelling te verwezenlijken; merkt op dat het Europees Fonds voor strategische investeringen geen externe dimensie heeft; verzoekt de Commissie de oprichting van een externe tak slechts te overwegen na een zorgvuldige analyse van de prestaties van het fonds en een onderzoek van haar nut, gezien het bestaan van leningen door de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de acties van het Europees Ontwikkelingsfonds; beklemtoont dat deze fondsen zouden kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling en fatsoenlijke banen, dat het de armoede zou kunnen bestrijden en de diepere oorzaken van migratie zou kunnen aanpakken;

71.  herinnert aan de noodzaak om de transparantie en de verantwoordingsstructuur van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en publiek-private partnerschappen te versterken teneinde de geldstromen, de schuldhoudbaarheid en de toegevoegde waarde van hun projecten voor duurzame ontwikkeling doeltreffend te kunnen volgen en te monitoren;

Handel en landbouw.

72.  benadrukt dat de hoge Europese normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, dierenwelzijn en sociale voorwaarden van groot belang zijn voor de EU-burgers, zowel in moreel opzicht als in termen van bewuste keuzemogelijkheden voor de consument, en is van mening dat handelsakkoorden bevorderlijk zouden moeten zijn voor eerlijke mededinging, zodat landbouwers in de EU optimaal kunnen profiteren van tariefconcessies en in economisch opzicht niet worden benadeeld ten opzichte van landbouwers in derde landen; benadrukt dat de EU-normen op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn moeten worden beschermd door behoud van het voorzorgsbeginsel, duurzame landbouw en een hoge mate van traceerbaarheid en productetikettering, en te zorgen dat alle ingevoerde producten aan de geldende EU-wetgeving voldoen; wijst erop dat de normen inzake dierenwelzijn internationaal sterk uiteenlopen; onderstreept in dit verband dat de uitvoer van levende dieren moet worden gereguleerd met inachtneming van de geldende EU-wetgeving en de dierenwelzijnsnormen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

73.  acht het openen van nieuwe markten voor landbouwproducten uit de EU, zoals zuivelproducten, vlees en groenten en fruit, belangrijk in de huidige context van landbouwcrises; benadrukt dat er nieuwe afzetmarkten met een grote koopkracht in kaart moeten worden gebracht;

74.  acht het noodzakelijk de meerwaarde van landbouw te versterken en promotiecampagnes te bevorderen met het oog op het openen van nieuwe markten; benadrukt bovenal dat het onontbeerlijk is met name de steun ter bevordering van de Europese kwaliteitsregelingen te versterken, aangezien de EU daarmee de beste reputatie op de wereldmarkt heeft opgebouwd, hetgeen indirect ten goede komt aan de gehele Europese landbouw;

75.  benadrukt de noodzaak van strengere invoercontroles en versterkte controles door het Voedsel- en Veterinair Bureau met betrekking tot de productie- en afzetomstandigheden in landen die naar de EU uitvoeren, teneinde ervoor te zorgen dat de EU-voorschriften worden nageleefd;

76.  benadrukt dat er vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot sanitaire, fytosanitaire en andere niet-tarifaire obstakels voor de handel in landbouwproducten bij alle onderhandelingen over vrijhandel, met name wat de door de EU getrokken rode lijnen betreft die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de consument;

77.  herinnert aan het belang van GA's bij de promotie van traditionele Europese agrovoedingsmiddelen, aangezien ze deze tegen schadelijke meeliftpraktijken beschermen, consumentenrechten en bewuste keuzes waarborgen, en plattelandsproducenten en landbouwers, met name kmo's, beschermen; merkt op dat de bescherming en erkenning van geografische aanduidingen in derde landen van groot belang kan zijn voor de gehele landbouw- en voedingssector van de EU, en is van oordeel dat alle handelsakkoorden moeten voorzien in beschermingsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van namaak;

Betere toegang tot overheidsopdrachten voor Europese marktdeelnemers

78.  vraagt om de huidige onevenwichtigheden en verschillen in openheid van de aanbestedingsmarkten tussen de EU en andere handelspartners weg te werken; verzoekt de Commissie om nog verder te gaan en te streven naar een ambitieuze en wederzijdse openstelling van de internationale aanbestedingsmarkten, waarbij de uitsluiting van diensten van algemeen economisch belang wordt gewaarborgd en ervoor wordt gezorgd dat de lidstaten vrij blijven om sociale en ecologische criteria voor overheidsopdrachten in te voeren, zoals criteria inzake de economisch voordeligste inschrijving; onderstreept dat Europese marktdeelnemers, zowel vennootschappen als kmo's, betere toegang moeten krijgen tot aanbestedingscontracten in derde landen, met behulp van instrumenten als de wet voor kleine ondernemingen en door wegnemen van de huidige asymmetrische verhoudingen; herinnert er in dit verband aan dat de EU onder de WTO-landen tot de meest open markten voor overheidsopdrachten behoort;

79.  neemt kennis van het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een verordening over toegang van goederen en diensten uit derde landen tot de interne aanbestedingsmarkt van de Unie – een belangrijk instrument om te komen tot een gelijk speelveld voor de markttoegang van derde landen en betreurt het ten zeerste dat de regeringen van de lidstaten het oorspronkelijke voorstel hebben tegengehouden; vraagt de Commissie om positieve wederkerigheid te bewerkstelligen met de belangrijke handelspartners betreffende de toegang tot de aanbestedingsmarkten;

Gelijke toegang tot middelen voor eerlijke concurrentie op de wereldmarkt

80.  beklemtoont dat natuurlijke rijkdommen beperkt zijn en op economisch en ecologisch duurzame wijze moeten worden gebruikt, met voorrang aan recyclage; onderkent de grote afhankelijkheid van ontwikkelingslanden en speciaal van de minst ontwikkelde landen van natuurlijke rijkdommen; herinnert eraan dat het Europese handelsbeleid een consistente, duurzame, alomvattende beleidsoverschrijdende strategie met betrekking tot grondstoffen moet nastreven, zoals reeds beschreven door het Parlement in zijn verslag over een "Nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie";

81.  wijst met klem op de noodzaak van overgang naar een koolstofarme economie en spoort de Commissie daarom aan de samenwerking op gebied van energieonderzoek, -ontwikkeling en -innovatie te versterken, om te bevorderen dat er meer diversificatie komt van energieleveranciers, -transport en -bronnen, dat er nieuwe energiehandelspartners worden gevonden en dat er meer concurrentie komt, met lagere prijzen voor de Europese energieverbruiker: beklemtoont dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en het stimuleren van de energie-efficiëntie essentieel zijn om de energiezekerheid te verhogen en de invoerafhankelijkheid te verlagen; onderstreept dat het belangrijk is in vrijhandelsovereenkomsten bepalingen op te nemen die erop gericht zijn partnerschappen voor duurzame energie op te bouwen en technologische samenwerking te bevorderen, vooral op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en -waarborgen, en koolstoflekkage te voorkomen om de COP21-doelstellingen te kunnen halen;

De strijd tegen illegale handel in het wild levende dieren en planten en hun producten

82.  blijft ernstig bezorgd over de recente stijging van de criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten en de daaraan verbonden illegale handel, wat niet alleen een verwoestend effect heeft op de biodiversiteit en het aantal soorten, maar ook een duidelijk en aanwezig gevaar vormt voor inkomens en lokale economieën, met name in ontwikkelingslanden; is ingenomen met de toezegging van de EU om de illegale handel in het wild levende dieren en planten te beëindigen als deel van haar reactie op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, in het bijzonder SDG 15, waarin het heet dat niet alleen een einde moet worden gemaakt aan stroperij en handel in beschermde dier- en plantensoorten, maar dat ook de markt voor illegale natuurproducten, zowel aan vraag- als aanbodzijde, moet worden aangepakt; verwacht in dit verband, dat de Commissie, na afloop van een bedenktijd en overleg met het Europees Parlement en de lidstaten, nagaat hoe bepalingen inzake illegale handel in het wild levende dieren en planten het beste kunnen worden opgenomen in alle toekomstige EU-handelsovereenkomsten;

Betere douanesamenwerking en bestrijding van illegale handel aan de grenzen van de EU

83.  benadrukt dat betere, geharmoniseerde en efficiëntere douaneprocedures in Europa en daarbuiten de handel zouden kunnen bevorderen, voldoen aan de respectieve vereisten voor handelsfacilitatie, en zouden helpen bij de bestrijding van namaak-, illegale en vervalste goederen die de interne markt binnenkomen, de economische groei van de EU ondermijnen en ernstige risico's inhouden voor de EU-consument; is verheugd over het voornemen van de Commissie om de samenwerking tussen de douaneautoriteiten te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten eens te meer een eengemaakte EU-douaneadministratie op te zetten voor een doelmatiger toepassing van de douanevoorschriften en -procedures in het gehele douanegebied van de EU;

84.  benadrukt dat de Commissie er bij handelsbesprekingen haar handelspartners ervan moet overtuigen one-stop shops voor de afhandeling van douane- en grensformaliteiten in te voeren, indien nodig vergezeld van hulp bij capaciteitsopbouw voor commerciële fondsen;

85.  beklemtoont dat degelijke communicatie en sterke coördinatie vereist zijn om ervoor te zorgen dat de opheffing van tarieven vergezeld gaat van passende technische, institutionele en beleidsmaatregelen om veilig handelsverkeer verder te waarborgen

86.  vraagt de Commissie om kernprestatie-indicatoren te overwegen aan de hand waarvan de prestaties van de douaneadministratie in het binnen- en buitenland zich laten beoordelen. betreurt dat er op dit moment er zeer weinig overheidsgegevens beschikbaar zijn. bedenkt dat het nuttig zou zijn om te weten hoe de douane en andere grensdiensten in eigen land en in partnerlanden presteren om aan de hand daarvan beste praktijken te delen en specifieke belangen voor handelsbevordering binnen de Europese instellingen te coördineren – rekening houdende met artikel 13 van de WTO-handelsfacilitatieovereenkomst;

87.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de aanzet te geven tot een open debat over de mogelijke verschuiving van douaneautoriteiten van nationaal naar EU-niveau;

Tastbare voordelen leveren aan de consument

88.  erkent dat handelsovereenkomsten de consumenten zeer ten goede kunnen komen, met name door de concurrentie te doen toenemen, prijzen te verlagen, meer keuze aan te bieden en innovatie te bevorderen; verzoekt de Commissie, om dit potentieel te benutten, in alle onderhandelingen sterk te pleiten voor een beperking van oneerlijke handelspraktijken op internet, voor een vermindering van de kosten voor internationale roaming, en voor een versterking van de passagiersrechten;

89.  dringt aan op maatregelen ter ondersteuning van de consument in het grensoverschrijdende handelsverkeer in goederen en diensten met derde landen, bijvoorbeeld door onlinecontactpunten die informatie ter beschikking stellen of kunnen helpen bij geschillen;

90.  houdt eraan vast dat consumenten accurate informatie moeten krijgen over de eigenschappen van de verhandelde producten;

Handel voor iedereen: flankerende beleidsmaatregelen in het open-handels- en investeringsbeleid voor maximaal profijt en minimaal verlies

91.  deelt het standpunt van de OESO dat voor het open-handels- en investeringsbeleid een reeks flankerende beleidsmaatregelen nodig zijn, om te zorgen dat de handelsliberalisering de bevolking van de EU en derde landen zoveel mogelijk profijt en zo weinig mogelijk verlies oplevert; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan meer inspanningen te leveren om de openstelling van de handel aan te vullen met een reeks begeleidende maatregelen teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen – bijvoorbeeld op terrein van openbare diensten en investeringen, onderwijs en gezondheidszorg, actief arbeidsmarktbeleid, onderzoek en ontwikkeling, infrastructuuruitbouw en passende regels om sociale bescherming en milieubescherming te waarborgen;

92.  vraagt de Commissie en de lidstaten grondige analyses vooraf en achteraf te maken op basis van sector per sector en regionaal uitgevoerde effectbeoordelingen voor alle handelsovereenkomsten en de relevante juridische bestanden om negatieve effecten op de arbeidsmarkt binnen de Unie tijdig te onderkennen en om geavanceerder manieren te zoeken om verzachtende maatregelen in te voeren voor de herontwikkeling van industrieën en regio's die buiten de boot vallen met het oog op een eerlijkere verdeling en garantie van breedgedragen handelswinsten; beklemtoont dat de Europese structuur- en investeringsfondsen, en meer bepaald het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds, op dit punt een bijzondere rol kunnen spelen; wijst erop dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering eveneens een belangrijk instrument kan zijn op voorwaarde dat het wordt hervormd en voldoende middelen ontvangt om ondernemingen en producenten in de EU die te lijden hebben onder handelssancties tegen derde landen hulp te kunnen bieden, alsmede aan werknemers van kmo's die rechtstreeks worden getroffen door de globalisering;

o
o   o

93.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, aan UNCTAD en aan de WTO.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0415.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0252.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0041.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0250.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0219.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0175.
(7) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 87.
(8) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 42.
(9) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(10) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(11) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.


Bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU
PDF 255kWORD 136k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU (2015/2340(INI))
P8_TA(2016)0300A8-0205/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en alle relevante internationale mensenrechtenverdragen,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (2000) en de bijbehorende protocollen, met name het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel (2000) en het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht (2000),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (1990),

–  gezien het werk van internationale mensenrechteninstanties, zoals de speciale VN-rapporteur inzake de handel in mensen, met name vrouwen en kinderen, en andere speciale VN-rapporteurs, de universele periodieke doorlichting en het werk van de organen van het VN-mensenrechtenverdrag,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN-mensenrechtenraad inzake de handel in mensen, met name vrouwen en kinderen (2014),

–  gezien het algemeen verslag van het Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding van de VN over mensenhandel (2014),

–  gezien de modelwet van de VN tegen de handel in mensen, die landen moet bijstaan bij de herziening en wijziging van bestaande wetgeving en de vaststelling van nieuwe wetgeving ter bestrijding van mensenhandel (2009),

–  gezien de aanbevolen beginselen en richtsnoeren inzake mensenrechten en mensenhandel, als addendum toegevoegd aan het verslag van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (UNHCHR) aan de Economische en Sociale Raad (E/2002/68Add. 1),

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, tot uitvoering van het VN-kader "Protect, Respect and Remedy",

–  gezien het door de VN erkende grondbeginsel van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor slachtoffers van mensenhandel,

–  gezien de richtsnoeren van UNICEF inzake de bescherming van kinderen die het slachtoffer zijn van mensenhandel,

–  gezien het IAO-Verdrag betreffende de gedwongen arbeid (1930, nr. 29), het Protocol van 2014 daarbij, het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (1957, nr. 105) en de Aanbeveling betreffende gedwongen arbeid (aanvullende maatregelen) (2014, nr. 203),

–  gezien het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces (1073, nr. 138) en het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid (1999, nr. 182),

–  gezien het IAO-Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel (2011, nr. 189),

–  gezien het IAO-verslag getiteld "Profits and Poverty: The Economics of Forced Labour (2014),

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 5,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten,

–  gezien Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen,

–  gezien het actiegericht document over het versterken van de externe dimensie van de EU met betrekking tot de bestrijding van de mensenhandel (2009) en de twee desbetreffende uitvoeringsverslagen (2011 en 2012),

–  gezien de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016),

–  gezien het tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (COM(2014)0635),

–  gezien het werk van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1),

–  gezien het kader voor de EU-activiteiten inzake gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen van de EU 2016-2020,

–  gezien het situatieverslag van Europol van februari 2016, getiteld "Trafficking in human beings in the EU",

–  gezien de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM),

–  gezien de Europese migratieagenda van 13 mei 2015,

–  gezien het actieplan van de top van La Valletta van november 2015,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (2005),

–  gezien het laatste algemeen verslag van 2014 over de werkzaamheden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen mensenhandel (GRETA), waarin richtsnoeren worden vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen, dat sinds maart 2015 voor ondertekening openstaat,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde,

–  gezien de Verklaring van Istanbul inzake orgaanhandel en transplantatietoerisme (2008),

–  gezien de OVSE-richtsnoeren inzake de mensenrechten bij de terugkeer van slachtoffers van mensenhandel (2014),

–  gezien het verslag van de intergouvernementele Financiële-actiegroep (FATF) (2011),

–  gezien het Verdrag van Den Haag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

–  gezien het activiteitenverslag van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) over de preventie van mensenhandel en de hulp aan kwetsbare migranten (2012),

–  gezien het verslag van de IOM over de aanpak van mensenhandel en uitbuiting in tijden van crisis (2015),

–  gezien het Verdrag van de ASEAN inzake de voorkoming van handel in mensen, met name vrouwen en kinderen (2015),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0205/2016),

A.  overwegende dat mensenhandel, een praktijk die deel uitmaakt van de georganiseerde misdaad, een van de ergste mensenrechtenschendingen is, omdat het mensen tot koopwaar reduceert, de waardigheid, de integriteit en de rechten van het slachtoffer verregaand en blijvend aantast en hele families en gemeenschappen ontwricht, en omdat opzettelijk misbruik wordt gemaakt van de kwetsbaarheid van mensen die geïsoleerd zijn geraakt of gebukt gaan onder armoede;

B.  overwegende dat mensenhandel door de Verenigde Naties (Protocol van Palermo) wordt gedefinieerd als werving, vervoer, overbrenging, huisvesting en opneming van personen met gebruikmaking van bedreiging, geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, fraude, misleiding, misbruik van machtspositie of van een situatie van kwetsbaarheid, het geven of ontvangen van geld of voordelen om de instemming te verkrijgen van een persoon die controle heeft over een ander persoon, teneinde deze persoon uit te buiten; overwegende dat uitbuiting in ieder geval gedwongen prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting omvat, alsook gedwongen arbeid of diensten, slavernij of soortgelijke praktijken, met inbegrip van kinderslavernij met het doel kinderen als soldaat in te zetten, evenals het verwijderen van organen; overwegende dat dit verfoeilijke praktijken zijn, in het bijzonder wanneer kinderen ten prooi vallen aan de ergste vorm van uitbuiting;

C.  overwegende dat "handel in kinderen" in artikel 2, lid a, van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, over de handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, wordt gedefinieerd als "iedere handeling of transactie waarbij een kind wordt overgedragen door een persoon of groep personen aan een andere persoon of groep personen tegen betaling of een andere vorm van vergoeding";

D.  overwegende dat volgens het algemeen verslag van het Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding van de Verenigde Naties (UNODC) over mensenhandel 70 % van alle gesignaleerde slachtoffers vrouwen en meisjes zijn; overwegende dat 79 % van de gesignaleerde slachtoffers van seksuele uitbuiting vrouwen zijn, wat neerkomt op 53 % van alle gesignaleerde gevallen van vormen van uitbuiting wereldwijd, terwijl 83 % van de gesignaleerde slachtoffers van gedwongen arbeid mannen zijn, wat neerkomt op 40 % van alle gesignaleerde gevallen van vormen van uitbuiting wereldwijd;

E.  overwegende dat complexe en onderling samenhangende factoren, zoals systematische en structurele discriminatie, mensenrechtenschendingen, armoede, ongelijkheid, corruptie, gewelddadige conflicten, landonteigening, gebrek aan opleiding, werkloosheid en slecht functionerende regelingen inzake arbeidsmigratie, de kwetsbaarheid van mensen voor uitbuiting en misbruik vergroten, omdat er voor hen maar beperkte keuzes en middelen overblijven; overwegende dat geweld tegen vrouwen in de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016) als een onderliggende oorzaak van mensenhandel wordt aangemerkt;

F.  overwegende dat mensenhandel een gendergerelateerde misdaad is; overwegende dat vrouwen en meisjes ook een groot percentage uitmaken van de slachtoffers van andere vormen van mensenhandel, zoals gedwongen uitbuiting in de sectoren van huishoudelijk en verzorgend werk, productiewerk, de voedselsector, schoonmaakdiensten en andere sectoren;

G.  overwegende dat mensenhandel naast illegale drugs- en wapenhandel een van de meest winstgevende georganiseerde misdaadactiviteiten ter wereld is; overwegende dat de jaarlijks illegale winst uit gedwongen arbeid – witgewassen geld inbegrepen – volgens de meest recente ramingen van de IAO rond de 150 miljard USD bedraagt, waarbij naar schatting 90 % van de slachtoffers in de particuliere sector wordt uitgebuit en twee derde van de winst afkomstig is uit commerciële seksuele uitbuiting, waardoor dit de meest lucratieve vorm van uitbuiting is;

H.  overwegende dat mensenhandel moet worden bezien in het kader van de vraag en de opbrengsten, aangezien met name de uitbuiting van vrouwen voor seksuele diensten wordt aangewakkerd door de vraag naar dergelijke diensten en de gegenereerde opbrengsten;

I.  overwegende dat de tekortschietende toepassing van het wettelijk kader ter bestrijding van mensenhandel in de lidstaten en het ontbreken van een vergelijkbaar wettelijk kader in derde landen tot de belangrijkste obstakels voor het bestrijden van de mensenhandel behoren;

J.  overwegende dat toegang tot de rechter voor slachtoffers van mensenhandel varieert van simpelweg problematisch tot onmogelijk; overwegende dat corruptie en een gebrek aan capaciteit één van de grote problemen vormen waarmee politie en justitie in veel landen kampen;

K.  overwegende dat de wereldwijde verbreiding van internettoegang mensenhandelnetwerken volgens Europol in staat stelt zich steeds meer online te ontwikkelen; overwegende dat dit nieuwe vormen van rekrutering en uitbuiting van slachtoffers in de hand werkt;

L.  overwegende dat er een verband bestaat tussen migrantensmokkel en mensenhandel; overwegende dat smokkelaars onder meer gebruikmaken van internet om hun diensten bij potentiële migranten onder de aandacht te brengen;

M.  overwegende dat mensenhandel en mensensmokkel helaas geen fenomenen van voorbijgaande aard zijn en de volgende jaren wellicht nog in omvang zullen toenemen omdat conflicthaarden, repressieve regimes en economische situaties waar ook ter wereld voedingsbodems zijn voor de criminele activiteiten van mensenhandelaars en mensensmokkelaars;

N.  overwegende dat het risico op mensenhandel toeneemt door de irreguliere migratiestromen, aangezien irreguliere migranten, vanwege hun kwetsbaarheid en illegale status, een verhoogd risico lopen het slachtoffer van mensenhandel te worden; overwegende dat niet-begeleide minderjarige migranten – die een aanzienlijk deel uitmaken van de migranten die in Europa aankomen – een doelgroep vormen voor mensenhandelnetwerken;

O.  overwegende dat mensenhandel zowel een regionaal als een mondiaal probleem is, dat niet altijd alleen op het niveau van de lidstaten kan worden aangepakt;

P.  overwegende dat volgens de Global Slavery Index wereldwijd naar schatting 35,8 miljoen mensen vastzitten in een situatie van moderne slavernij en dat mensenhandel dus een endemisch karakter heeft en in alle delen van de wereld voorkomt;

Q.  overwegende dat voorbije en opkomende tendensen op het gebied van mensenhandel uiteenlopende vormen aannemen en dat er grote verschillen bestaan tussen regio's en binnen subregio's;

R.  overwegende dat mensenhandel zich niet enkel beperkt tot landen die als minder ontwikkeld worden beschouwd, maar eveneens, in meer bedekte vormen, voorkomt in ontwikkelde landen;

S.  overwegende dat volgens de IAO 56 % van het geschatte aantal slachtoffers van gedwongen arbeid in de wereld, met inbegrip van slachtoffers van seksuele uitbuiting, uit de regio Azië-Stille Oceaan afkomstig is, hetgeen wereldwijd veruit het grootste aandeel is;

T.  overwegende dat wereldwijd naar schatting 300 000 kinderen bij gewapende conflicten zijn betrokken; overwegende dat kinderhandel, voor het ronselen van kindsoldaten, in Afrika meer voorkomt dan elders in de wereld;

U.  overwegende dat in Noord-Afrika en het Midden-Oosten 95 % van de slachtoffers volwassenen zijn; overwegende dat met name de landen in het Midden-Oosten bestemmingslanden zijn voor migrerende werknemers en dat in deze landen het zogenaamde Kafalasysteem werknemers via sponsorschap bindt aan een specifieke werkgever, hetgeen aanleiding geeft tot misbruik en arbeidsuitbuiting, soms neerkomend op gedwongen arbeid;

V.  overwegende dat seksuele uitbuiting in de landen van het Oostelijk Nabuurschap van de EU de belangrijkste beweegreden voor gerapporteerde mensenhandel is; overwegende dat stelselmatige discriminatie en racisme ertoe hebben geleid dat de Roma-gemeenschappen – zowel mannen als vrouwen – bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel voor verschillende doeleinden;

W.  overwegende dat de samenwerking tussen de lidstaten, Europol en de landen van herkomst en doorreis van de slachtoffers van mensenhandel een essentieel instrument is in de strijd tegen mensenhandelnetwerken;

X.  overwegende dat de EU een aantal prioritaire landen en regio's heeft vastgesteld om de samenwerking in de strijd tegen mensenhandel verder te versterken en te stroomlijnen;

Y.  overwegende dat de Commissie in 2010 een EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel heeft benoemd om de coördinatie en de samenhang tussen de EU-instellingen, -agentschappen, lidstaten, niet-EU-landen en internationale actoren te verbeteren;

Mondiale tendensen op het gebied van mensenhandel

1.  hekelt en veroordeelt expressis verbis de mensenhandel, een groeiende industrie van menselijk lijden die alle maatschappijen en economieën verregaand en blijvend treft;

2.  benadrukt dat mensenhandel een moderne vorm van slavernij is, en een ernstige misdaad die een van de ergste schendingen van de mensenrechten vormt, welke in een maatschappij die gebaseerd is op de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder gendergelijkheid, niet kan worden geaccepteerd; is voorts van oordeel dat mensenhandel een holistische aanpak vergt, waarbij de aandacht niet alleen moet uitgaan naar seksuele uitbuiting, maar tevens naar dwangarbeid, orgaanhandel, gedwongen bedelarij, gedwongen huwelijken, kindsoldaten en de handel in baby's;

3.  herinnert eraan dat mensenhandel een misdaad is die grensoverschrijdend van aard is en over de hele wereld voorkomt en dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel de dieperliggende oorzaken en mondiale tendensen in aanmerking moeten nemen; onderstreept in dit verband het belang van een consistente aanpak van de interne en externe aspecten van het EU-beleid ter bestrijding van mensenhandel;

4.  erkent dat mensenhandel als georganiseerde misdaad zowel grensoverschrijdend plaatsvindt als binnen landen zelf en dat daarom niet alleen robuuste nationale wetgeving tegen mensenhandel nodig is maar ook samenwerking tussen landen;

5.  betreurt dat in veel landen in de wereld nog steeds geen adequate wetgeving bestaat om mensenhandel strafbaar te stellen en op doeltreffende wijze te bestrijden;

6.  betreurt tevens de grote kloof tussen de bestaande wetgeving en de toepassing daarvan, met inbegrip van de beperkte of niet-bestaande toegang tot de rechter voor slachtoffers enerzijds en het gebrek aan vervolging van daders anderzijds;

7.  betreurt met name dat er veel minder slachtoffers van mensenhandel worden opgespoord dan er volgens de schattingen zouden moeten zijn en dat de vervolgingscijfers bijzonder laag zijn; vindt het uiterst zorgwekkend dat veel slachtoffers van mensenhandel verstoken blijven van passende ondersteuning en bescherming, en betreurt dat er geen maatregelen bestaan om schendingen van hun grondrechten recht te zetten;

8.  herinnert eraan dat slachtoffers van mensenhandel vaak als het ware onzichtbaar zijn in het land waar ze worden uitgebuit, dat ze te maken hebben met problemen doordat de taal en de cultuur anders zijn, en dat dit het voor hen nog moeilijker maakt om aangifte te doen van de misdaden waarvan ze het slachtoffer zijn; hekelt het feit dat deze problemen voor bepaalde categorieën bijzonder kwetsbare slachtoffers, zoals vrouwen en kinderen, nog groter zijn;

9.  benadrukt dat de vraag naar seksuele diensten in ontwikkelde landen het verhandelen van mensen vanuit ontwikkelingslanden in de hand werkt en vooral vrouwen en meisjes in een kwetsbare positie plaatst; verzoekt de lidstaten het opzettelijk gebruikmaken van de diensten van slachtoffers van mensenhandel strafbaar te stellen;

10.  herinnert eraan dat internationaal opgezette groepen slachtoffers clandestien of met hun instemming, verkregen door middel van valse beloften, vervoeren naar rijkere regio's, met name voor de sekshandel, en dat Europese landen, waar rijkere klanten te vinden zijn, boven aan deze lijst met rijkere regio's staan;

11.  hekelt het feit dat volgens de persverklaring van de stafchef van Europol meer dan 10 000 niet-begeleide vluchtelingen- en migrantenkinderen zijn verdwenen in Europa; wijst de EU en de lidstaten erop dat veel van deze kinderen in netwerken voor sekshandel, de bedelarij, de illegale en lucratieve markt voor orgaantransplantatie of in de slavenhandel terecht zijn gekomen;

12.  onderstreept dat er een wezenlijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de concepten "mensenhandel" en "migrantensmokkel"; merkt daarbij op dat mensensmokkel tot het actieterrein behoort van criminele netwerken en georganiseerde misdaad en tot mensenhandel kan leiden, hoewel beide concepten een verschillende wettelijke en praktische aanpak vereisen en verschillende verplichtingen voor staten inhouden; spoort de EU en haar lidstaten aan het personeel dat belast is met de opvang en identificatie van migranten en asielzoekers een opleiding te bieden, met inbegrip van specifieke bewustmakingsprogramma's die gericht zijn op het kunnen onderscheiden tussen mensensmokkel en mensenhandel, in het bijzonder als het gaat om de signalering en bescherming van kinderen die het slachtoffer van mensenhandel zijn geworden alsmede niet-begeleide kinderen die het risico lopen eraan ten prooi te vallen;

13.  wijst erop dat het belangrijkste verschil is dat migranten hebben ingestemd met de smokkel, die eindigt op het moment dat zij op hun bestemming aankomen, terwijl de slachtoffers van mensenhandel tegen hun wil worden uitgebuit door middel van dwang, misleiding of misbruik; benadrukt dat de twee fenomenen ook raakvlakken kunnen hebben, in die zin dat het gevaar bestaat dat vluchtelingen en migranten, en met name niet-begeleide minderjarigen en alleen reizende vrouwen, die door criminele groepen naar de EU worden gesmokkeld, in een situatie van uitbuiting worden gedwongen en het slachtoffer worden van mensenhandel; dringt er bij de bevoegde autoriteiten in de lidstaten op aan om zowel bij hun werkzaamheden op het gebied van politiële en justitiële samenwerking als bij hun rechtshandhavingsactiviteiten aandacht te besteden aan deze overlap;

14.  stelt vast dat internet en sociale netwerken in toenemende mate door criminele netwerken worden ingezet voor het ronselen en uitbuiten van slachtoffers; roept de EU en de lidstaten daarom op in hun strijd tegen de mensenhandel voldoende te investeren in technologie en expertise om het misbruik van internet door criminele netwerken, zowel voor het ronselen van slachtoffers als voor het aanbieden van diensten die de uitbuiting van slachtoffers tot doel hebben, te identificeren, op te sporen en te bestrijden;

15.  erkent het belang en de rol van informatie- en communicatietechnologieën op het gebied van mensenhandel en erkent dat deze technologieën, hoewel zij worden gebruikt om het ronselen en uitbuiten van de slachtoffers te faciliteren, ook kunnen worden benut als instrument om mensenhandel te voorkomen; is van mening dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar de rol van informatie- en communicatietechnologieën in relatie tot mensenhandel;

16.  verzoekt de Commissie zich te buigen over het gebruik van internet in het kader van mensenhandel en met name wat betreft seksuele uitbuiting op internet; wenst dat Europol de strijd tegen mensenhandel opvoert in het kader van de eenheid voor de melding van internetuitingen (EU IRU), met het oog op de opsporing, identificatie en verwijdering van onlinemateriaal dat verband houdt met mensenhandel;

17.  vraagt de Commissie in haar samenwerking met derde landen rekening te houden met de nieuwe ontwikkelingen omtrent de uitbreiding van mensenhandel via internet; roept de Commissie en Europol ertoe op zich te buigen over de mogelijkheden voor samenwerking tussen Europese organen voor de bestrijding van cybercriminaliteit (met name in het kader van Europol) en die van derde landen; wenst dat de Commissie tevens alle nuttige vormen van samenwerking met internetserviceproviders overweegt met het oog op het opsporen en tegengaan van onlinemateriaal dat verband houdt met mensenhandel; vraagt de Commissie om het Parlement naar behoren op de hoogte te houden;

De economie van de mensenhandel

18.  hekelt het feit dat mensenhandel een zeer lucratieve business is en dat de opbrengsten van deze criminele activiteiten grotendeels terechtkomen in de mondiale economie en het financieel stelsel; hekelt het feit dat de meest georganiseerde en machtige internationale misdaadorganisaties betrokken zijn bij mensenhandel en een werkelijk internationaal en wijdvertakt crimineel netwerk hebben gecreëerd; roept alle landen en relevante actoren op dit gebied op om ernaar te streven dat mensenhandel van een handel met weinig risico en grote winst verandert in een handel met groot risico en geringe winst;

19.  is de mening toegedaan dat financiële recherche, waarbij winsten uit criminele activiteiten worden getraceerd, inbeslaggenomen en teruggevorderd, en maatregelen tegen het witwassen van geld een cruciale rol spelen in de strijd tegen mensenhandel; herinnert eraan dat er behoefte is aan meer informatie en aandacht voor activiteiten met betrekking tot het witwassen van geld; betreurt dat er weinig gebruik wordt gemaakt van maatregelen om financiële informatie te verzamelen, te analyseren en te delen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel, en dat het vaak problematisch is om onderzoek naar financiële aspecten volledig te integreren in onderzoeken naar mensenhandel; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de samenwerking, de coördinatie en het delen van informatie met derde landen te bevorderen teneinde de opbrengsten van die criminele activiteiten op te sporen en in beslag te nemen; dringt erop aan dat in beslag genomen opbrengsten gebruikt worden om slachtoffers van mensenhandel te steunen en een schadevergoeding te geven;

20.  verzoekt de regeringen de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij de bestrijding van corruptie, die mensenhandel in de hand werkt, en betrokkenheid of medewerking van overheidsinstanties bij mensenhandel te identificeren en uit te bannen, onder meer door te waarborgen dat degenen die in de publieke sector werken, ertoe worden opgeleid dergelijke gevallen te herkennen en interne richtsnoeren ter beschikking hebben om hen te helpen met verdachte gevallen om te gaan;

21.  herinnert eraan dat misbruik bij aanwerving in alle landen en regio's van de wereld voorkomt en nauw samenhangt met mensenhandel, ongeacht in welk land het voorkomt, en hetzij gebeurt doordat instanties die rechtstreeks betrokken zijn bij aanwerving gebruik maken van misleiding of dwang, hetzij doordat er hoge bedragen voor aanwerving worden gevraagd, waardoor mensen kwetsbaar worden gemaakt voor arbeidsuitbuiting en vooral migranten en laaggeschoolde werknemers financieel kwetsbaar of afhankelijk worden;

22.  verzoekt de EU en de lidstaten nauwer samen te werken met derde landen om alle facetten van mensenhandel, ook in de aanwervingsfase, te onderzoeken, de uitwisseling van informatie te verbeteren, en proactieve maatregelen, (financiële) onderzoeken en vervolgingen in te stellen; vraagt alle landen om het toezicht op en de regelgeving inzake wervingsbureaus te verbeteren;

23.  is van mening dat van geldige toestemming geen sprake kan zijn wanneer een onderdaan van een derde land uit zijn eigen land wordt weggevoerd naar de EU (of wanneer een onderdaan van een EU-lidstaat naar een andere lidstaat wordt gebracht) met het oog op prostitutie, een andere vorm van seksuele uitbuiting of dwangarbeid;

24.  is van mening dat regeringen de dialoog en partnerschappen tussen de verschillende belanghebbenden moeten aanmoedigen, met als doel om bedrijven, deskundigen op het gebied van bestrijding van mensenhandel en ngo's bijeen te brengen, gezamenlijk op te treden tegen mensenhandel en ervoor te zorgen dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd, met inbegrip van fundamentele arbeidsrechten; verzoekt de regeringen voorts wettelijke maatregelen te nemen om de transparantie en traceerbaarheid van producten in de toeleveringsketen te garanderen en om bedrijven te verplichten beter verslag te doen van hun inspanningen om mensenhandel uit hun toeleveringsketen te weren; verzoekt de EU en de lidstaten actief samen te werken met nationale en internationale bedrijven om ervoor te zorgen dat hun producten over de volledige toeleveringsketen vrij van uitbuiting zijn en dat zij zelf aansprakelijk worden gesteld wanneer ergens in hun toeleveringsketen – die ook de activiteiten van gelieerde ondernemingen en onderaannemers omvat – sprake is van mensenhandel;

25.  verzoekt de EU en de lidstaten een constructieve bijdrage te leveren aan de onderhandelingen van de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, en roept hen op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten ten uitvoer te leggen;

Verschillende vormen van uitbuiting

26.  wenst dat de EU en de lidstaten de nodige inspanningen leveren om gedwongen arbeid te bestrijden in Europese industriële activiteiten in het buitenland, en in het algemeen met betrekking tot derde landen, door strengere arbeidsnormen te hanteren en te handhaven en regeringen te ondersteunen bij de vaststelling van arbeidswetgeving waarbij een minimale bescherming van werknemers, inclusief buitenlandse werknemers, wordt gegarandeerd en ervoor te zorgen dat Europese bedrijven die in derde landen actief zijn, aan deze normen voldoen; verzoekt de regeringen de arbeidswetgeving te handhaven en alle werknemers gelijk te behandelen en te verzekeren van dezelfde rechten, ongeacht hun nationaliteit of afkomst, en corruptie uit te bannen; dringt aan op verdere internationale samenwerking om het beleid inzake arbeidsmigratie aan te scherpen en betere regelgeving voor particuliere aanwervers uit te werken en te handhaven;

27.  dringt erop aan dat de fundamentele arbeids- en milieunormen van de IAO wereldwijd op alle niveaus beter worden nageleefd, onder meer ook door een betere sociale zekerheid en arbeidsinspecties; dringt tevens aan op de ratificatie en tenuitvoerlegging van het IAO-Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel (2011, nr. 189) en de omzetting van de bepalingen ervan in nationale wetgeving, ook wat betreft huishoudelijk personeel in huishoudens van diplomaten;

28.  wijst erop dat het duidelijke verband tussen mensenhandel voor seksuele doeleinden en prostitutie noopt tot maatregelen die een einde maken aan de vraag naar prostitutie;

29.  wijst erop dat slachtoffers van gedwongen prostitutie in de meeste lidstaten moeilijk toegang kunnen krijgen tot psychologische begeleiding en dat ze daarom bijna uitsluitend op de hulp van liefdadigheidsorganisaties zijn aangewezen; pleit om die reden voor betere ondersteuning van deze organisaties en roept de lidstaten op de hindernissen voor de toegang tot psychologische begeleiding uit de weg te ruimen;

30.  benadrukt dat gedwongen huwelijken kunnen worden beschouwd als een vorm van mensenhandel indien het slachtoffer daarbij op enige wijze wordt uitgebuit, en verzoekt alle lidstaten dit aspect op te nemen in hun definitie van mensenhandel; benadrukt dat uitbuiting seksueel (verkrachting binnen het huwelijk, gedwongen prostitutie en pornografie) of economisch (gedwongen huishoudelijk werk en bedelarij) van aard kan zijn en dat een gedwongen huwelijk het uiteindelijke doel kan zijn van de handel (om een slachtoffer als echtgenote te verkopen of het huwelijk onder dwang te voltrekken); brengt in herinnering dat gedwongen huwelijken een grensoverschrijdend karakter kunnen hebben; verzoekt de lidstaten daarom erop toe te zien dat de nationale migratieautoriteiten goed zijn opgeleid op het gebied van de problematiek van gedwongen huwelijken in de context van mensenhandel; verzoekt de Commissie voorts de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken;

31.  veroordeelt de praktijk van mensenhandel voor gedwongen draagmoederschap als een schending van de rechten van de vrouw en het kind; merkt op dat de vraag wordt gestimuleerd door ontwikkelde landen en ten koste gaat van kwetsbare en arme mensen, meestal in ontwikkelingslanden, en vraagt de lidstaten de gevolgen van hun eigen beperkende beleid op het gebied van reproductieve gezondheid onder ogen te zien;

32.  staat erop dat kinderen die het slachtoffer zijn van mensenhandel als dusdanig worden erkend en dat hun belangen, rechten en behoeften te allen tijde als absolute prioriteit worden beschouwd; roept op tot rechtsbijstand en fysieke, emotionele en psychologische ondersteuning en bescherming, zowel op korte als op lange termijn, en wenst dat er maatregelen worden genomen om, met inachtneming van de waardigheid en de rechten van het kind, gezinshereniging te faciliteren waar dit aangewezen is en in het belang van het kind is, of te voorzien in passende zorgregelingen;

33.  herinnert eraan dat de handel in kinderen vaak leidt tot seksueel misbruik, prostitutie, dwangarbeid of orgaanroof en -handel en benadrukt dat nooit sprake kan zijn van geldige toestemming als een kind dat het slachtoffer is geworden van mensenhandel, heeft ingestemd met het verrichten van arbeid of het verlenen van diensten; betreurt het feit dat kinderen die gevaar lopen, door rechtshandhavingsfunctionarissen vaak als daders of als irreguliere migranten worden behandeld, omdat er niet systematisch gekeken wordt naar indicatoren van mensenhandel, aan de hand waarvan slachtoffers kunnen worden gesignaleerd;

34.  is met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen van oordeel dat het belangrijk is dat de signalering van minderjarige slachtoffers van mensenhandel sneller en op proactievere wijze verloopt, met name bij grensovergangen en in opvangcentra, en dat de multidisciplinaire samenwerking wordt geïntensiveerd, om ervoor te zorgen dat de belangen van kinderen doeltreffend worden beschermd; acht het noodzakelijk de voogdijstelsels in de lidstaten te versterken om te voorkomen dat niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen in handen van georganiseerde mensenhandelnetwerken vallen;

35.  dringt aan op verbetering van de nationale voogdijsystemen voor kinderen in Europa, als onderdeel van de EU-strategie ter bestrijding van mensenhandel, waarin de essentiële rol van voogden om kinderen voor kwaad te behoeden, erkend wordt;

36.  vraagt de EU zich te blijven inzetten voor de strijd tegen het fenomeen van kindsoldaten, met name door steun te verlenen aan regeringen die deze kwestie aanpakken en aan maatschappelijke organisaties die ter plaatse actief zijn, om maatregelen in te voeren ter voorkoming van het ronselen en inzetten van kindsoldaten, om de ontwikkeling van wetgeving ter bescherming van kinderen te ondersteunen, met inbegrip van de strafbaarstelling van het ronselen van kindsoldaten, en om middelen te mobiliseren waarmee veerkracht kan worden opgebouwd en kinderen een beschermende omgeving kan worden geboden; roept de EU op er bij derde landen op aan te dringen de desbetreffende internationale normen te ratificeren en toe te passen, waaronder het Facultatieve Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten;

37.  benadrukt dat kinderen en personen met een handicap een verhoogd risico lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel; wijst erop dat slachtoffers van mensenhandel gehandicapt kunnen raken ten gevolge van het misbruik door de mensenhandelaar, en dat personen met een handicap andersom juist vanwege hun kwetsbaarheid het slachtoffer kunnen worden van mensenhandel;

38.  is verheugd dat gedwongen bedelarij in Richtlijn 2011/36/EU is opgenomen als vorm van mensenhandel; dringt er bij de lidstaten op aan hun nationale wetgeving te harmoniseren en de regeringen van derde landen in dit verband te verzoeken wettelijke bepalingen vast te stellen en ten uitvoer te leggen; veroordeelt iedere vorm van strafbaarstelling van slachtoffers van gedwongen bedelarij en dringt aan op toegang tot werkgelegenheid en huisvesting; dringt erop aan dat er cursussen over gedegen signalering en doorverwijzing worden gegeven aan politie- en andere functionarissen, teneinde slachtoffers van gedwongen bedelarij te verzekeren van passende hulp; onderstreept dat veel van de slachtoffers afkomstig zijn uit arme milieus en randgroepen; dringt erop aan dat preventieve maatregelen gericht moeten zijn op het minder kwetsbaar maken van risicogroepen, beginnend met basisstructuren zoals integratie in het onderwijs en de arbeidsmarkt, en op vergroting van het aantal opvangplaatsen en beschermende omgevingen om kwetsbare personen te helpen;

39.  benadrukt dat het VN-Protocol van Palermo vereist dat schuldarbeid strafbaar wordt gesteld als een vorm van mensenhandel; dringt er bij de regeringen op aan de wet te handhaven, en te waarborgen dat degenen die van schuldarbeid profiteren, worden bestraft;

40.  wijst erop dat er een nieuwe vorm van mensenhandel in opkomst is, waarbij personen worden verhandeld voor losgeld en ernstig worden gemarteld; merkt op dat bij deze nieuwe vorm van commoditisering gebruikt wordt gemaakt van afpersing, mishandeling en verkrachting om gezins- en familieleden die binnen of buiten de EU verblijven ertoe te bewegen losgeld te betalen;

41.  veroordeelt de handel in menselijke organen, weefsels en cellen, met inbegrip van de onwettige handel in geslachtscellen (eicellen, sperma), foetale weefsels en cellen en stamcellen van volwassenen en embryo's;

42.  benadrukt dat mensenhandel volgens een verslag van Global Financial Integrity een van de tien illegale activiteiten is waar wereldwijd het meeste geld mee wordt verdiend en dat met mensenhandel op jaarbasis door vele landen tezamen een winst wordt geboekt die schommelt tussen 600 miljoen en 1,2 miljard USD; wijst er verder op dat volgens de Verenigde Naties mensen van alle leeftijden het doelwit kunnen zijn, maar dat migranten, daklozen en analfabeten het meest kwetsbaar zijn;

43.  benadrukt dat de economische stagnatie, de leemten in de wetgeving en tekortkomingen in de wetshandhaving in ontwikkelingslanden in combinatie met de toegenomen globalisering en de verbeterde communicatietechnologieën het perfecte scenario creëren voor criminele, illegale orgaanhandel; wijst erop dat een gebrek aan economische kansen mensen dwingt om opties te overwegen die ze anders gevaarlijk of verwerpelijk zouden vinden, en dat inadequate wetshandhaving handelaren in staat stelt te opereren zonder dat ze bang hoeven zijn om te worden vervolgd;

44.  benadrukt dat het illegaal is om menselijke organen, weefsels en cellen te kopen; merkt op dat mensen die verhandeld worden voor het wegnemen van organen geconfronteerd worden met specifieke problemen, en dat de slachtoffers zich vaak niet bewust zijn van de langdurige en slopende medische gevolgen van het wegnemen van organen en het gebrek aan postoperatieve behandeling, en evenmin van de psychologische gevolgen van de operatie; roept op tot gerichtere bewustmakingsinitiatieven om beter duidelijk te maken welke schade de verkoop van organen aanricht, met name onder de armste en meest kwetsbare personen, die mogelijk bereid zijn om een orgaan te verkopen als ze op die manier hun economische situatie kunnen verbeteren;

45.  spoort de Commissie aan alle vormen van mensenhandel te veroordelen die orgaanverwijdering tot doel hebben, en een duidelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de illegale handel in organen, weefsels en cellen; wenst dat de EU de medische en transplantatie-organisaties ertoe aanspoort een ethische gedragscode op te stellen voor gezondheidswerkers en transplantatiecentra en daarin aandacht te besteden aan de manier waarop transplantatie-organen in het buitenland worden verkregen, alsmede aan de procedure voor medische zorg na een transplantatie; wijst erop dat burgers die tot de armste gemeenschappen ter wereld behoren, in het bijzonder risico lopen het slachtoffer te worden van illegale orgaanhandel;

46.  dringt aan op de ratificatie en tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen; verzoekt de EU om er bij de regeringen van derde landen op aan te dringen gerechtelijke stappen te ondernemen tegen medisch personeel, ziekenhuizen en particuliere klinieken die actief zijn op de illegale en lucratieve markt van orgaantransplantaties;

47.  wenst dat de lidstaten, door de problemen omtrent mensenhandel meer onder de aandacht te brengen en verplichte scholing aan te bieden, aansturen op meer inspanningen om de medische gemeenschap te betrekken bij het opvoeren van de strijd tegen deze vorm van mensenhandel;

48.  benadrukt dat preventie en een sectoroverschrijdende, multidisciplinaire benadering belangrijk zijn voor het aanpakken van de illegale aanschaf van menselijke organen, inclusief de mensenhandel voor het wegnemen van organen, die zich heeft ontwikkeld tot een wereldwijd probleem; roept op tot gerichtere bewustmakingsinitiatieven om beter duidelijk te maken welke schade de verkoop van organen aanricht, teneinde slachtoffers en potentiële slachtoffers beter te informeren over de fysieke en psychologische risico's, met name de armsten en personen die het kwetsbaarst zijn wat ongelijkheid en armoede betreft, omdat zij de verkoop van een orgaan kunnen beschouwen als de prijs die ze moeten betalen om hun economische situatie te verbeteren; onderstreept dat de bewustmakingscampagnes een verplicht onderdeel moeten vormen van zowel het Europese nabuurschapsbeleid als van de ontwikkelingssamenwerking van de EU;

49.  wijst op de cruciale rol van dokters, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers en ander medisch personeel, die als enigen van beroepswege contact hebben met de slachtoffers terwijl deze zich in gevangenschap bevinden, en die een sleutelrol spelen bij de voorkoming van mensenhandel; vindt het zorgwekkend dat deze kansen om te interveniëren momenteel niet worden benut; merkt op dat de medische gemeenschap erin moet worden getraind om de alarmsignalen van mensenhandel te herkennen en moet worden geschoold op het gebied van rapportageprocedures zodat zij slachtoffers beter kunnen helpen, en stelt dat er strenge straffen moeten worden ingevoerd voor elke betrokkenheid bij illegale orgaanhandel;

50.  spoort ertoe aan dat in verschillende landen en binnen verschillende regelingen programma's van veronderstelde toestemming worden ingevoerd, waarbij burgers bij het uitvoeren van bepaalde administratieve procedures de optie wordt geboden zich direct in te schrijven in een donorregister, zodat patiënten minder afhankelijk worden van de zwarte markt en er tegelijkertijd meer organen beschikbaar komen, waardoor de kosten van transplantaties worden teruggebracht en de aantrekkelijkheid van medisch toerisme afneemt;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om "transplantatietoerisme" te voorkomen, door maatregelen aan te nemen die de beschikbaarheid van wettig verkregen organen vergroten, om illegale orgaanaanschaf beter te voorkomen, en een transparant systeem op te zetten voor de traceerbaarheid van getransplanteerde organen, met anonimiteitsgarantie voor de donors; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen om EU-lidstaten aan te moedigen deel te nemen aan samenwerkingspartnerschappen als Eurotransplant en Scandiatransplant;

52.  benadrukt dat er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie slechts beperkte wetenschappelijke gegevens voorhanden zijn over mensenhandel en gezondheid, vooral wat mentale en psychische gezondheid betreft; benadrukt eveneens dat de behoeften van slachtoffers en overlevenden vaak worden onderschat; roept de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten derhalve op om dit op te volgen en informatie te verstrekken over de gevolgen van mensenhandel en de behoeften van de slachtoffers op het gebied van fysieke en psychische gezondheid;

Rechten van slachtoffers, inclusief het recht op verhaal

53.  verzoekt de EU en de lidstaten te kiezen voor een op mensenrechten gebaseerde en op het slachtoffer gerichte benadering, en slachtoffers en kwetsbare bevolkingsgroepen centraal te stellen bij alle inspanningen ter bestrijding en preventie van mensenhandel en ter bescherming van de slachtoffers;

54.  laakt de zorgwekkende kloof tussen de verplichtingen van de overheid en de mate waarin deze in de praktijk worden nagekomen wanneer het om de rechten van slachtoffers gaat; is ingenomen met Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten; hoopt dat deze richtlijn correct door de lidstaten is omgezet, aangezien de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging ervan 16 november 2015 was; vraagt de lidstaten, met inbegrip van de landen van herkomst, de transitlanden en de landen van bestemming, om op hun grondgebied en binnen hun rechtsgebied aan alle personen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, met inbegrip van onderdanen van derde landen, toegang te verlenen tot rechtvaardige, adequate en passende rechtsmiddelen of de toegang tot deze rechtsmiddelen te faciliteren;

55.  herinnert eraan dat snelle en accurate signalering van slachtoffers van essentieel belang is om de rechten waarop zij wettelijk aanspraak kunnen maken te garanderen; staat erop dat in verband met de signalering van slachtoffers van mensenhandel met name door diensten die verantwoordelijk zijn voor migratie, veiligheid en grenscontrole maatregelen worden genomen voor capaciteitsopbouw;

56.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan met derde landen optimale werkwijzen uit te wisselen op het gebied van, ten eerste, de scholing van politiediensten en hulpverleners om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop slachtoffers het best benaderd kunnen worden en, ten tweede, toepassing van het beginsel van individuele beoordeling van slachtoffers, om te bepalen wat hun specifieke behoeften zijn en welke hulp en bescherming zij nodig hebben;

57.  wijst op het belang van het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals verankerd in artikel 82, lid 1, VWEU; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EU-agentschappen de positie van slachtoffers van mensenhandel te verbeteren door middel van volledige wederzijdse erkenning van gerechtelijke en administratieve besluiten, waaronder die met betrekking tot maatregelen ter bescherming van de slachtoffers van mensenhandel, zodat de status van slachtoffer, toegekend door een lidstaat, geldig is in de hele Europese Unie en slachtoffers (of organisaties die hen vertegenwoordigen) moeten worden geholpen en bijgestaan ingeval hun status tijdens reizen binnen de Unie niet wordt erkend;

58.  staat erop dat de strafrechtelijke respons slachtoffers verzekert van gelijke en doeltreffende toegang tot de rechter en hen informeert over hun wettelijke rechten; verzoekt alle staten hun internationale verplichting na te komen om de rechten van slachtoffers die onder hun rechtsmacht vallen te beschermen, en slachtoffers ten volle te ondersteunen, onder meer door middel van psychologische bijstand, ongeacht hun bereidheid om mee te werken aan strafprocedures;

59.  bevestigt dat slachtoffers van mensenhandel het recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte, inclusief toegang tot de rechtspraak, erkenning van hun wettelijke identiteit en burgerschap, teruggave van eigendom, passende schadeloosstelling alsook medische en psychologische zorg, wettelijke en maatschappelijke dienstverlening, en ondersteuning voor hun (re-)integratie op lange termijn, onder meer in de vorm van economische steun;

60.  merkt op dat universele toegang tot gezondheidszorg en seksuele en reproductieve gezondheid belangrijk is, vooral voor slachtoffers van mensenhandel, die als direct gevolg van hun uitbuiting veel fysieke en psychische problemen kunnen ondervinden; vraagt de lidstaten om te voorzien in gemakkelijk toegankelijke gezondheidsdiensten en nazorg voor slachtoffers van mensenhandel;

61.  verzoekt de lidstaten waar de uitbuiting van de slachtoffers van mensenhandel heeft plaatsgevonden de nodige adequate genderbewuste medische zorg te bieden op basis van individuele behoeften, met bijzondere aandacht voor slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting;

62.  merkt op dat personen die handicaps hebben of deze oplopen terwijl ze worden verhandeld, extra bescherming tegen uitbuiting nodig hebben en roept de EU en de lidstaten op te waarborgen dat de hulp die aan deze slachtoffers wordt geboden, ook werkelijk specifiek op hun behoeften is toegesneden;

63.  onderstreept de noodzaak om slachtoffers van mensenhandel in de samenleving te re-integreren en hun recht op bescherming te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten netwerken van opvangcentra op te zetten, bestaande netwerken te versterken, te zorgen voor dienstverlening in een taal die het slachtoffer begrijpt en slachtoffers toegang te bieden tot onderwijs; dringt erop aan dat ngo's, internationale organisaties, overheidsorganen en agentschappen in de landen van herkomst en bestemming gezamenlijke inspanningen leveren met het oog op sociale inclusie en het verlenen van bijstand, met name wanneer slachtoffers terugkeren naar hun thuisland;

64.  onderstreept hoe belangrijk het is de veiligheid te waarborgen van slachtoffers van mensenhandel die voor de rechter getuigen tegen mensenhandelaars;

65.  dringt erop aan dat bij strafrechtelijke procedures meer aandacht uitgaat naar de slachtoffers; verzoekt de bevoegde autoriteiten slachtoffers van mensenhandel niet vast te houden en ervoor te zorgen dat ze niet kunnen worden gestraft voor strafbare feiten waartoe ze werden gedwongen in de context van hun situatie als slachtoffer van mensenhandel, met name in het geval van prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting of dwangarbeid; roept de lidstaten op het beginsel van niet-strafbaarstelling te respecteren;

66.  verzoekt de lidstaten rechtsinstrumenten te ontwikkelen die slachtoffers van mensenhandel in staat stellen gemakkelijker contact op te nemen met de autoriteiten zonder hun eigen veiligheid en rechten als slachtoffer op het spel te zetten;

67.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2011/36/EU, met name artikel 8, onverwijld ten uitvoer te leggen, ter aanvulling van alle relevante juridische kaders inzake mensenhandel; dringt er bij de Commissie op aan gerechtelijke stappen te ondernemen tegen lidstaten die de richtlijn niet ten uitvoer leggen en zo snel mogelijk het uitvoeringsverslag te publiceren dat in april 2015 gepubliceerd had moeten worden;

68.  roept de regeringen op een strikte scheiding aan te brengen tussen immigratieautoriteiten en arbeidsinspecties, teneinde slachtoffers aan te moedigen om klachten in te dienen, en te waarborgen dat er, indien er gevallen van mensenhandel worden ontdekt, geen maatregelen getroffen worden tegen de slachtoffers;

69.  verzoekt de lidstaten ieder gebruik van de diensten van een slachtoffer van mensenhandel door hun burgers – waaronder prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of gedwongen dienstverlening, met inbegrip van bedelarij, slavernij of met slavernij te vergelijken praktijken, lijfeigendom of uitbuiting van criminele activiteiten of orgaanverwijdering – strafbaar te stellen, zelfs indien zij zich hier buiten de lidstaat en/of buiten de EU schuldig aan maken;

70.  is van oordeel dat het risico om slachtoffer van mensenhandel te worden groter is voor vluchtelingen, asielzoekers, houders van een humanitair visum of personen die om internationale bescherming verzoeken; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat rechtshandhavings- en asielinstanties samenwerken om slachtoffers van mensenhandel die internationale bescherming behoeven te helpen bij het indienen van een asielverzoek; wijst er nogmaals op dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel geen afbreuk mogen doen aan de rechten van slachtoffers van mensenhandel, migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven;

71.  verzoekt de lidstaten gendergevoelige maatregelen te treffen teneinde slachtoffers van mensenhandel beter op te sporen in asiel- en terugkeerprocedures, meer gedetailleerde en naar gender uitgesplitste gegevens te bewaren en ervoor te zorgen dat deze slachtoffers ook worden doorverwezen naar gepaste steunmogelijkheden;

72.  herinnert de lidstaten eraan dat Richtlijn 2011/36/EU het beginsel van non-refoulement onverlet laat, overeenkomstig het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951;

73.  moedigt de lidstaten aan asielzoekers die het slachtoffer zijn van mensenhandel dezelfde rechten toe te kennen als die welke voor andere slachtoffers van mensenhandel gelden;

74.  merkt op dat de terugkeer van migranten en vluchtelingen volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) inherente veiligheidsrisico's met zich meebrengt, omdat het gevaar dat deze personen opnieuw door hun uitbuiters worden verhandeld vaak toeneemt als zij erin geslaagd zijn te ontsnappen, als zij contact hebben gehad met rechtshandhavingsfunctionarissen of als zij een getuigenis hebben afgelegd voor de rechter, en dat deze risico's in kaart gebracht, onderzocht en beperkt moeten worden(2);

75.  vraagt de EU en de lidstaten de strijd tegen mensenhandel zichtbaarder te maken voor de bevolking, met name op luchthavens, trein- en busstations, scholen, universiteiten en relevante werkplekken; roept de EU en de lidstaten op de aandacht van hun overheidsfunctionarissen te vestigen op de EU-richtsnoeren inzake de signalering van slachtoffers van mensenhandel en op de publicatie van de Commissie over de EU-rechten van slachtoffers van mensenhandel, en moedigt actief gebruik hiervan aan;

76.  pleit voor gerichte EU-financiering voor lokale ngo's met het oog op de signalering en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel en voor bewustmaking onder bevolkingsgroepen die kwetsbaar zijn voor uitbuiting en mensenhandel; wijst in dit verband op de rol van de media, die voor bewustmaking kunnen zorgen en informatie kunnen verstrekken over risico's;

Regionale en internationale samenwerking in de strijd tegen mensenhandel

77.  vindt het zorgwekkend dat de huidige mate van internationale samenwerking op het gebied van mensenhandel tekortschiet, met name wat landen van herkomst en transitlanden betreft, en dat dit een groot struikelblok is met het oog op doeltreffende bestrijding van mensenhandel; dringt aan op betere coördinatie en samenwerking en op de systematische uitwisseling van gegevens om grensoverschrijdende mensenhandel te onderzoeken en te bestrijden, door ruimere financiële en technische bijstand en betere communicatie over de grenzen heen, samenwerking en capaciteitsopbouw op gouvernementeel en politioneel niveau, inclusief grenswachten, personeel van immigratie- en asieldiensten, opsporingsambtenaren en diensten voor slachtofferhulp, maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen, onder meer om na te gaan hoe slachtoffers kunnen worden herkend en beschermd en om te overleggen hoe moet worden omgegaan met de landen van herkomst, doorreis en bestemming die het VN-Protocol van Palermo niet hebben geratificeerd; verzoekt de EU een regionale aanpak te ontwikkelen die voornamelijk gericht is op routes voor mensenhandel en in oplossingen voorziet die zijn toegesneden op de vormen van uitbuiting in de verschillende regio's; onderstreept voorts het nut van internationale uitwisselingsprogramma's voor beroepsbeoefenaars die zich bezighouden met de bestrijding van mensenhandel;

78.  vraagt de Commissie, de bevoegde EU-agentschappen en de lidstaten genderspecifieke scholing te ontwikkelen voor personeel van rechtshandhavings- en grensinstanties om potentiële slachtoffers van mensenhandel, in het bijzonder van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, beter te leren herkennen en bij te staan;

79.  wijst erop dat de EU de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten en met derde landen – met name met landen van herkomst en doorreis van slachtoffers van mensenhandel – gericht op het voorkomen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die verband houden met mensenhandel, moet intensiveren, met name via Europol en Eurojust, onder meer op het gebied van de uitwisseling van informatie, met name over bekende routes voor mensenhandel, deelname aan gemeenschappelijke onderzoeksteams en de bestrijding van rekrutering van mensen met het oog op mensenhandel via internet of andere digitale middelen; onderstreept hoe belangrijk het is dat gegevens systematisch worden uitgewisseld en dat de lidstaten de Europoldatabanken Focal Point Phoenix en Focal Point Twins bijhouden; pleit voor meer samenwerking tussen Europol en Interpol op het gebied van de bestrijding van mensenhandel en herinnert eraan dat bij de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten en met derde landen de EU-normen op het gebied van gegevensbescherming volledig moeten worden geëerbiedigd; verzoekt de lidstaten meer vergelijkbare gegevens over de bestrijding van mensenhandel te verzamelen en de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten onderling en met derde landen te verbeteren;

80.  wenst dat de EU en de lidstaten ervoor zorgen dat hun rechtshandhandhavingsinstanties en politiediensten over voldoende personeel en middelen beschikken om ook informatie van familieleden of andere bronnen te kunnen ontvangen, deze informatie met de bevoegde Europese en nationale autoriteiten te kunnen uitwisselen en op passende wijze te kunnen behandelen en analyseren;

81.  beklemtoont dat de landen van doorreis van cruciaal belang zijn in de strijd tegen de mensenhandel, aangezien de uitbuiting van de slachtoffers in dat stadium nog niet is begonnen; beklemtoont dat het belangrijk is de grenspolitie extra scholing te bieden, teneinde hun signaleringsvaardigheden te verbeteren;

82.  wijst op de talrijke uitdagingen in verband met grensoverschrijdende arbeidsmigratie, met name het risico dat migranten in de illegaliteit terechtkomen en hun meest fundamentele rechten verliezen; pleit voor de instelling van mechanismen voor grensoverschrijdende arbeidsmigratie in de EU en op internationaal niveau om reguliere arbeidsmigratie te bevorderen en te formaliseren;

83.  erkent dat de EU zich inspant om geformaliseerde kanalen voor grensoverschrijdende arbeidsmigratie te creëren, waar meer aandacht naar zou moeten uitgaan, en wenst dat in dit verband grotere en meer samenhangende inspanningen worden geleverd; wijst erop dat geformaliseerde arbeidsmigratie een middel kan zijn om mensenhandel te voorkomen en levens te redden;

84.  verzoekt de EU nauwer samen te werken met ngo's en andere betrokken internationale organisaties, onder meer door te zorgen voor toereikende financiering en gecoördineerde steun, om zo de uitwisseling van optimale werkwijzen en de ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen te bevorderen en het onderzoek op te voeren, en daarbij ook lokale actoren te betrekken, en de aandacht in het bijzonder te richten op toegang tot de rechter voor slachtoffers en op vervolging van daders;

85.  herinnert eraan dat de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2011/36/EU organisaties uit het maatschappelijk middenveld moeten stimuleren en nauw met deze organisaties moeten samenwerken, meer bepaald in het kader van beleidsinitiatieven, voorlichtings- en bewustwordingscampagnes, onderzoeks- en onderwijsprogramma's en opleiding, alsook bij het monitoren en evalueren van de impact van maatregelen ter bestrijding van mensenhandel; wijst er voorts op dat ngo's ook een bijdrage moeten leveren als het aankomt op vroegtijdige signalering van en het bieden van bijstand en ondersteuning aan slachtoffers; dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat ngo's beschermd worden tegen wraakacties, bedreiging en intimidatie en niet strafrechtelijk worden vervolgd als zij steun verlenen aan slachtoffers van mensenhandel in een irreguliere situatie;

86.  roept de EU, de lidstaten en de internationale gemeenschap op bijzondere aandacht te besteden aan het voorkomen en bestrijden van mensenhandel in gebieden die door een humanitaire crisis zijn getroffen, zoals natuurrampen en gewapende conflicten, teneinde de kwetsbaarheid van slachtoffers voor mensenhandelaars en andere criminele netwerken te verminderen; benadrukt dat bescherming moet worden geboden aan alle personen die daar overeenkomstig de internationale en regionale afspraken recht op hebben;

87.  wijst erop dat mensen die worden gedwongen hun woonplaats te verlaten door plotselinge of progressieve veranderingen die verband houden met het klimaat en hun leven of levensomstandigheden negatief beïnvloeden, een groot risico lopen om slachtoffer te worden van mensenhandel; benadrukt dat dit soort menselijke mobiliteit als gevolg van klimaatverandering een sterke economische dimensie heeft – klimaatverandering kan onder andere leiden tot een verlies van middelen van bestaan en tot een lager inkomen – en dat deze personen daarom het directe risico lopen om slachtoffer te worden van dwangarbeid of slavernij;

Bestrijding van mensenhandel in het externe optreden van de EU

88.  erkent en steunt de activiteiten van de EU-coördinator tegen mensenhandel die is benoemd om de coördinatie en de coherentie tussen de EU-instellingen, de EU-agentschappen en de lidstaten met derde landen en internationale actoren te verbeteren, en dringt er bij de coördinator op aan de gezamenlijke concrete acties en maatregelen van de EU, de lidstaten, derde landen en internationale actoren verder uit te bouwen, niet alleen met het oog op coherentere en efficiëntere samenwerking bij het opzetten van systemen voor signalering, bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel, maar ook om de preventie van mensenhandel te verbeteren, naar betere vervolging van mensenhandelaren te streven en een netwerk te creëren waarmee op nieuwe problemen kan worden gereageerd;

89.  dringt er bij de EU op aan op internationaal niveau het nodige te doen om slavenhandel te voorkomen en te bestrijden en alle vormen van slavernij stap voor stap en zo snel mogelijk volledig uit te roeien;

90.  acht het van essentieel belang dat met strategieën ter bestrijding van mensenhandel ook de factoren worden aangepakt die mensenhandel faciliteren, evenals de achterliggende oorzaken van het fenomeen, en dat de strategieën een geïntegreerde benadering aanhouden die de verschillende actoren bijeenbrengen en de verschillende mandaten en perspectieven combineren, zowel op nationaal als op internationaal niveau; meent dat preventiestrategieën maatregelen moeten omvatten ter bestrijding van armoede, onderdrukking, gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten, gewapende conflicten en economische en sociale ongelijkheden, en erop gericht moeten zijn om potentiële slachtoffers minder kwetsbaar te maken, de vraag naar diensten van verhandelde personen te ontmoedigen (deze vraag kan ook worden beschouwd als een onderliggende oorzaak van mensenhandel), de bevolking beter voor te lichten en corruptie onder overheidsfunctionarissen uit te bannen; roept alle landen tevens op hun verplichtingen uit het hoofde van het Protocol van Palermo daadwerkelijk na te komen;

91.  verzoekt de lidstaten alle relevante internationale instrumenten, overeenkomsten en juridische verplichtingen te ratificeren, met inbegrip van het Verdrag van Istanbul, en de inspanningen op te voeren om de effectiviteit, coördinatie en samenhang van de strijd tegen mensenhandel te verbeteren; wenst dat de EU aandringt op de ratificatie van alle relevante internationale instrumenten;

92.  vraagt de vertegenwoordigers van de EU om bijzondere aandacht te besteden aan mensenhandel, niet alleen tijdens politieke dialogen met derde landen, maar ook door middel van de samenwerkingsprogramma's van de EU en in multilaterale en regionale fora, onder meer via openbare verklaringen;

93.  verzoekt de EU haar steunprogramma's met betrekking tot mensenhandel te herzien, te zorgen voor gerichtere financiering en van mensenhandel een volwaardig samenwerkingsgebied te maken; moedigt in dit verband aan meer middelen beschikbaar te stellen voor diensten die binnen de EU-instellingen actief zijn op het gebied van mensenhandel; vraagt de Commissie haar lijst van prioritaire landen regelmatig bij te stellen, met inbegrip van de selectiecriteria, om ervoor te zorgen dat deze lijst de realiteit weerspiegelt en gemakkelijker kan worden aangepast aan veranderende omstandigheden en nieuwe tendensen;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten niet alleen de wetgevende maatregelen tegen mensenhandel te versterken maar ook de definitie van mensenhandel uit te breiden, door er verwijzingen in op te nemen naar nieuwe vormen van mensenhandel;

95.  roept de EU en de lidstaten op alle maatregelen met betrekking tot de bestrijding van mensenhandel ten uitvoer te leggen die zijn voorzien in het huidige EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie en aansluiten bij de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel;

96.  verzoekt de Commissie te beoordelen of het mandaat van het toekomstige Europees Openbaar Ministerie eventueel moet worden herzien om de strijd tegen mensenhandel op te nemen in zijn bevoegdheden;

97.  wenst dat het EU-beleid tegen mensenhandel doeltreffender wordt gemaakt door het beter te integreren in de bredere strategieën van de EU op het gebied van veiligheid, gelijkheid van vrouwen en mannen, economische groei, cyberveiligheid, migratie en externe betrekkingen;

98.  roept alle EU-instellingen en de lidstaten ertoe op zowel intern als extern een coherent beleid te voeren door de mensenrechten, overeenkomstig de fundamentele waarden van de Unie, centraal te stellen in de betrekkingen van de EU met alle derde landen, en met name economische en handelsbetrekkingen te gebruiken als hefboom;

99.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat mensenrechten, gendergelijkheid en de bestrijding van mensenhandel de kern blijven uitmaken van het EU-ontwikkelingsbeleid en de EU-partnerschappen met derde landen; verzoekt de Commissie bij het uitstippelen van nieuw ontwikkelingsbeleid en het herzien van bestaand beleid genderbewuste maatregelen in te voeren;

100.  benadrukt dat de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes en het risico dat zij lopen om slachtoffer te worden, zouden verminderen als hun economische en maatschappelijke positie wordt versterkt, en vraagt de Commissie haar gerichte actie op het vlak van gendergelijkheid in alle ontwikkelingsoperaties voort te zetten en ervoor te zorgen dat gendergelijkheid samen met vrouwenrechten tijdens politieke dialogen met derde landen een agendapunt blijft;

101.  wijst op het belang van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 5.2, die gericht is op de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes in de publieke en in de private sfeer, waaronder mensenhandel en seksuele en andere vormen van uitbuiting;

102.  verzoekt de EU derde landen bij te staan in hun inspanningen om de signalering, ondersteuning en re-integratie van slachtoffers en de vervolging van mensenhandel te verbeteren, door passende wetgeving aan te nemen en ten uitvoer te leggen en hun juridische definities, procedures en samenwerking beter af te stemmen op de internationale normen;

103.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat rechtshandhavingspersoneel, onder meer bij agentschappen zoals Frontex, Europol en het EASO, en andere functionarissen die in contact kunnen komen met slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenhandel, degelijk worden opgeleid om gevallen van mensenhandel te kunnen aanpakken, aan de hand van een geïntegreerde intersectionele benadering, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de behoeften van vrouwen, kinderen en andere groepen in kwetsbare situaties, zoals Roma en vluchtelingen, die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, en aan manieren om de slachtoffers van mensenhandel volledige bescherming te bieden en slachtoffers en anderen ertoe te bewegen mensenhandelaars aan te geven;

104.  is van oordeel dat uit derde landen afkomstige slachtoffers van mensenhandel in een zo vroeg mogelijk stadium van de handelsketen moeten worden opgespoord en dat daarom aan de grenzen meer inspanningen moeten worden geleverd om slachtoffers direct bij binnenkomst van de Unie als zodanig te herkennen; verzoekt de lidstaten samen met derde landen te werken aan de verbetering van bestaande richtsnoeren die consulaire diensten en grenswachters kunnen helpen bij de signalering van slachtoffers van mensenhandel en onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling van optimale werkwijzen, met name wat betreft de verhoren aan de grens; benadrukt eveneens dat de grens- en kustwacht toegang moet hebben tot de databanken van Europol;

105.  roept de lidstaten ertoe op de samenwerking met derde landen te verbeteren teneinde alle vormen van mensenhandel te bestrijden, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de genderdimensie van mensenhandel om kinderhuwelijken, seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes en sekstoerisme gericht tegen te gaan; spoort de Commissie en de EDEO ertoe aan het proces van Khartoem te intensiveren door het aantal concrete, te realiseren projecten op te voeren en de actieve deelname uit te breiden tot een groter aantal landen;

106.  wenst dat de Commissie, de Raad en de EDEO tijdens hun onderhandelingen met derde landen over internationale overeenkomsten, overnameovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten benadrukken dat derde landen mensenhandel doeltreffend moeten bestrijden, de daders vaker moeten vervolgen en de bescherming van slachtoffers moeten verbeteren;

107.  wenst dat de EU zich effectief inzet voor de bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel; verzoekt de EU en de lidstaten te investeren in de signalering van slachtoffers van mensenhandel onder vluchtelingen en migranten en onder slachtoffers van schendingen en misbruik in het kader van smokkelactiviteiten die worden geleid door criminele netwerken;

108.  onderstreept de noodzaak van voorbereiding en training voor internationale civiele politiemissies alsmede training voor diplomaten, verbindingsfunctionarissen, consulaire medewerkers en ontwikkelingswerkers, teneinde de signalering van slachtoffers van mensenhandel te verbeteren; acht training voor deze groepen noodzakelijk, daar zij vaak het eerste contact zijn voor slachtoffers van mensenhandel, en vindt dat er maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze functionarissen toegang hebben tot adequaat materiaal om mensen die het risico lopen om een prooi van mensenhandel te worden, te informeren;

109.  wijst erop dat de tweede fase van EUNAVFOR MED oftewel operatie Sophia, die op 7 oktober 2015 is ingegaan, het mogelijk maakt mensenhandel concreet te bestrijden, doordat het aan boord gaan, doorzoeken, in beslag nemen en afleiden in volle zee van vaartuigen waarvan men vermoedt dat ze voor mensensmokkel of mensenhandel worden gebruikt nu is toegestaan; herinnert eraan dat tot op heden 48 personen zijn aangehouden op verdenking van mensensmokkel en mensenhandel en dat hun zaken in handen zijn van de Italiaanse justitie; vraagt de EU haar operaties in het Middellandse Zeegebied voort te zetten en te intensiveren;

110.  vraagt de EU concrete oplossingen te vinden als het gaat om legale, reguliere, niet-uitbuitende en veilige manieren voor migranten en vluchtelingen om de EU binnen te komen; herinnert de lidstaten en de EU eraan dat zij het internationaal recht – met inbegrip van het beginsel van non-refoulement – in al hun beleid, en met name in hun migratiebeleid, moeten eerbiedigen; herinnert eraan dat ontvangende landen en de landen van herkomst moeten zorgen voor veilige vrijwillige terugkeer van slachtoffers van mensenhandel, en dat er wettelijke alternatieven moeten worden geboden indien repatriëring een risico inhoudt voor de veiligheid van de betrokkenen en/of hun familie; stelt dat de ontvangende landen en de landen van herkomst bij de terugkeer van slachtoffers van mensenhandel naar hun thuisland de noodzakelijke voorwaarden voor veiligheid en re-integratie moeten waarborgen;

111.  spoort de Commissie en de lidstaten aan het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van de asielwetgeving te eerbiedigen;

112.  roept de EU op steun te verlenen aan programma's ter ondersteuning van de inclusie van migranten en vluchtelingen waarbij belangrijke actoren in derde landen alsmede culturele mediators worden betrokken, met het doel het besef van mensenhandel in gemeenschappen te vergroten en deze beter bestand te maken tegen infiltratie door de georganiseerde misdaad;

113.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op zich in te zetten voor de bescherming en opsporing van alle vluchtelingen en migranten, met name kinderen, die na aankomst in Europa vermist zijn geraakt;

114.  is ingenomen met de inspanningen van Europol, met name in het kader van Focal Point Twins, om personen op te sporen die naar derde landen afreizen om kinderen te misbruiken; roept de lidstaten ertoe op met Europol samen te werken en toe te zien op een snelle en systematische uitwisseling van gegevens;

115.  brengt in herinnering dat de Commissie vóór het sluiten van een visumversoepelingsovereenkomst een evaluatie moet uitvoeren van de risico's die het desbetreffende derde land met zich meebrengt op het vlak van irreguliere immigratie; benadrukt dat mensenhandelnetwerken ook gebruik kunnen maken van reguliere migratiekanalen; verzoekt de Commissie daarom de effectieve medewerking van de desbetreffende derde landen op het gebied van mensenhandel op te nemen als een van de criteria waaraan moet worden voldaan om een visumversoepelingsovereenkomst te mogen sluiten;

116.  wijst erop dat de EU behoefte heeft aan een bindende en dwingende wetgevende aanpak met betrekking tot hervestiging, zoals uiteengezet in de migratieagenda van de Commissie; wijst erop dat toelating op humanitaire gronden gebruikt kan worden als aanvulling op hervestiging om, indien nodig en meestal op tijdelijke basis, te kunnen voldoen aan een dringende behoefte aan bescherming bij zeer kwetsbare personen, zoals niet-begeleide minderjarigen of vluchtelingen met een handicap of personen die dringend medisch geëvacueerd moeten worden;

117.  roept de EU op samen met derde landen een gestandaardiseerd systeem voor het verzamelen van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens en analyses over mensenhandel op te zetten, zodat in de EU en in derde landen een gemeenschappelijk of ten minste vergelijkbaar model wordt ingevoerd voor het verzamelen en analyseren van gegevens over alle aspecten van mensenhandel; dringt aan op de toewijzing van voldoende middelen voor het verzamelen van gegevens en het verrichten van onderzoek naar mensenhandel;

118.  moedigt de EU aan om een nieuwe strategie tegen mensenhandel voor de periode na 2016 uit te tekenen, met een sterkere en gerichtere externe dimensie, die meer voorrang geeft aan de ontwikkeling van partnerschappen met lokale maatschappelijke organisaties in niet-EU landen van herkomst, doorreis en bestemming, met regeringen en met de particuliere sector, alsook aan de aanpak van de financiële en economische aspecten van mensenhandel;

o
o   o

119.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegaties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(2)Zie blz. 23 van "Counter Trafficking and Assistance to Vulnerable Migrants Annual Report of Activities 2011" van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

Juridische mededeling