Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 6 juli 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Deelname van Azerbeidzjan aan EU-programma's ***
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016: overschot van 2015
 Gemeenschappelijk hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid in de Unie ***II
 Energie-efficiëntie-etikettering ***I
 Europese grens- en kustwacht ***I
 Europees Agentschap voor maritieme veiligheid ***I
 Communautair Bureau voor visserijcontrole ***I
 Secretariaat van het Comité van toezicht van OLAF ***I
 Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel
 Fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2)
 Synergieën tussen de structuurfondsen en Horizon 2020
 Voorbereiding van het werkprogramma van de Commissie 2017
 Het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten

Deelname van Azerbeidzjan aan EU-programma's ***
PDF 241kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Azerbeidzjan aan EU-programma's (05616/2014 – C8-0043/2014 – 2013/0420(NLE))
P8_TA(2016)0301A8-0210/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05616/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Azerbeidzjan aan programma's van de Unie (05618/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0043/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0210/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Republiek Azerbeidzjan.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016: overschot van 2015
PDF 249kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016: boeking van het overschot van het begrotingsjaar 2015 (09586/2016 – C8-0225/2016 – 2016/2051(BUD))
P8_TA(2016)0302A8-0212/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, definitief vastgesteld op 25 november 2015(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016, goedgekeurd door de Commissie op 15 april 2016 (COM(2016)0227),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016, vastgesteld door de Raad op 17 juni 2016 en dezelfde dag toegezonden aan het Parlement (09586/2016 – C8-0225/2016),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0212/2016),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2015, te weten 1 349 miljoen EUR, op te nemen in de begroting voor 2016;

B.  overwegende dat dit overschot hoofdzakelijk bestaat uit hogere inkomsten ten bedrage van 980 miljoen EUR, onderbestedingen van 187 miljoen EUR en negatieve wisselkoersverschillen van 182 miljoen EUR;

C.  overwegende dat aan de inkomstenzijde de rente op late betalingen en boetes (180 miljoen EUR) en hogere eigen ontvangsten (1 071 miljoen EUR) de belangrijkste componenten zijn, waarvan de lagere inkomsten uit overschotten, saldi en aanpassingen (-537 miljoen EUR) moeten worden afgetrokken;

D.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbesteding voor Afdeling III relatief laag is (78 miljoen EUR voor 2015 en 14 miljoen EUR voor overdrachten uit 2014), maar voor de andere instellingen 94 miljoen EUR bedraagt;

E.  overwegende dat het hoge uitvoeringspercentage in afdeling III de hoge druk op de betalingskredieten illustreert, die in 2015 nog steeds een belangrijke uitdaging was en dat naar verwachting ook in de laatste jaren van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) zal blijven;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2015, ter hoogte van 1 349 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement, en neemt kennis van het standpunt van de Raad hierover;

2.  wijst erop dat de goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016 het aandeel van de bni-bijdragen van de lidstaten in de begroting van de Unie in 2016 met 1 349 miljoen EUR zal verminderen; dringt er eens te meer op aan dat de lidstaten deze terugvloeiende middelen zouden gebruiken om hun toezeggingen met betrekking tot de vluchtelingencrisis na te komen en hun bijdrage aan de twee desbetreffende trustfondsen met die van de Unie in overeenstemming te brengen; constateert met bezorgdheid dat de lidstaten in het voorjaar van 2016 slecht 82 miljoen EUR hebben bijgedragen aan het trustfonds voor Afrika en 69 miljoen EUR aan het Madad-trustfonds voor de crisis in Syrië, terwijl de bijdragen van de Unie respectievelijk 1,8 miljard en meer dan 500 miljoen EUR bedragen;

3.  dringt erop aan dat, in plaats van de bni-bijdrage aan te passen, overschotten op de begroting van de Unie die het resultaat zijn van de onderbesteding van kredieten of van boetes die aan bedrijven zijn opgelegd wegens inbreuken op het mededingingsrecht zouden kunnen worden gebruikt om tegemoet te komen aan de financieringsbehoeften van de Unie, met name bij betalingstekorten; verwacht dat deze kwestie in het kader van de herziening van het MFK wordt opgelost;

4.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2016 goed;

5.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2016 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 48 van 24.2.2016.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Gemeenschappelijk hoog niveau van netwerk- en informatieveiligheid in de Unie ***II
PDF 247kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (05581/1/2016 – C8-0188/2016 – 2013/0027(COD))
P8_TA(2016)0303A8-0211/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05581/1/2016 – C8-0188/2016),

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Zweeds Parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 mei 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0048),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0211/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 271 van 19.9.2013, blz. 133.
(2) Aangenomen teksten van 13.3.2014, P7_TA(2014)0244.


Energie-efficiëntie-etikettering ***I
PDF 505kWORD 318k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 6 juli 2016 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-efficiëntie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (COM(2015)0341 – C8-0189/2015 – 2015/0149(COD))(1)
P8_TA(2016)0304A8-0213/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  De Europese Unie is vastbesloten een energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid op te bouwen. Energie-efficiëntie is een cruciaal element van het klimaat- en energiebeleidskader voor 2030 van de Europese Unie en is essentieel voor de matiging van de energievraag.
(1)  De Europese Unie is vastbesloten een energie-unie met een toekomstgericht energie- en klimaatbeleid op te bouwen. Energie-efficiëntie is een cruciaal element van het klimaat- en energiebeleidskader voor 2030 van de Europese Unie en is essentieel voor de matiging van de energievraag en de beperking van de uitstoot van broeikasgassen.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Door middel van energie-efficiëntie-etikettering kunnen de consumenten wat betreft het energieverbruik van producten weloverwogen keuzes maken, waardoor de innovatie wordt bevorderd.
(2)  Door middel van energie-efficiëntie-etikettering kunnen de consumenten wat betreft efficiënte en duurzame energiegerelateerde producten weloverwogen keuzes maken, waardoor een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan energiebesparing en het verlagen van de energiefactuur en tegelijkertijd de innovatie en investeringen in de vervaardiging van energie-efficiëntere producten worden bevorderd.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het is passend Richtlijn 2010/30/EU te vervangen door een verordening waarin de werkingssfeer ongewijzigd blijft, maar waarin een aantal bepalingen wordt versterkt teneinde de inhoud ervan te verduidelijken en bij te werken. Een verordening is het geschikte rechtsinstrument, aangezien hierbij duidelijke en gedetailleerde regels worden opgelegd die niet op uiteenlopende wijze door de lidstaten kunnen worden omgezet, waardoor een hoge mate van harmonisering in de hele Unie wordt gewaarborgd. Doordat het regelgevingskader op het niveau van de Unie en niet van de lidstaten wordt geharmoniseerd, worden de kosten voor fabrikanten verminderd en wordt een gelijk speelveld gewaarborgd. Door harmonisering in de hele Unie wordt het vrije verkeer van goederen op de hele eengemaakte markt gewaarborgd.
(4)  Het is passend Richtlijn 2010/30/EU te vervangen door een verordening waarin de werkingssfeer ongewijzigd blijft, maar waarin een aantal bepalingen wordt versterkt teneinde de inhoud ervan te verduidelijken en bij te werken, rekening houdend met de in de afgelopen jaren behaalde snelle technologische vooruitgang op het gebied van energie-efficiëntie in producten. Een verordening is het geschikte rechtsinstrument, aangezien hierbij duidelijke en gedetailleerde regels worden opgelegd die niet op uiteenlopende wijze door de lidstaten kunnen worden omgezet, waardoor een hoge mate van harmonisering in de hele Unie wordt gewaarborgd. Doordat het regelgevingskader op het niveau van de Unie en niet van de lidstaten wordt geharmoniseerd, worden de kosten voor fabrikanten over de gehele waardeketen verminderd en wordt een gelijk speelveld gewaarborgd. Door harmonisering in de hele Unie wordt het vrije verkeer van goederen op de hele eengemaakte markt gewaarborgd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Het is passend om tweedehandsproducten vrij te stellen van deze verordening, die alle producten omvat die in gebruik zijn genomen voordat ze voor een tweede of extra keer op de markt zijn gebracht.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   Aangezien het energieverbruik van vervoermiddelen voor personen of goederen direct of indirect wordt geregeld in andere wetgeving en beleidslijnen van de Unie, dienen zij verder ook buiten de werkingssfeer van deze verordening te worden gehouden. Deze uitsluiting omvat transportmiddelen waarvan de motor tijdens bedrijf op dezelfde locatie blijft, zoals liften, roltrappen en transportbanden.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Verbetering van de efficiëntie van energiegerelateerde producten via weloverwogen keuzes door de consumenten komt de algehele economie van de Unie ten goede, bevordert de innovatie en draagt bij tot de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie voor 2020 en 2030. Bovendien besparen de consumenten hierdoor geld.
(7)  Verbetering van de efficiëntie van energiegerelateerde producten via weloverwogen keuzes door de consumenten en een versterkt maatschappelijk bewustzijn komt de algehele economie van de Unie ten goede, vermindert de vraag naar energie en genereert besparingen op de energiefactuur. Dit draagt eveneens bij tot de energiezekerheid, stimuleert onderzoek, innovatie en investeringen in energie-efficiëntie en biedt bedrijven die de meest energie-efficiënte producten ontwikkelen en produceren de mogelijkheid een concurrentievoordeel behalen. Het zal tevens bijdragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie voor 2020 en 2030, alsook tot de milieu- en klimaatdoelen van de Unie.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)   In de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 is voor de verbetering van de energie-efficiëntie in 2030 een indicatief streefcijfer op EU-niveau van ten minste 27 %, ten opzichte van ramingen van toekomstig energieverbruik, vastgelegd. Dit streefcijfer wordt in 2020 geëvalueerd, waarbij een EU-streefcijfer van 30 % voor ogen wordt gehouden. Bovendien is er een bindend EU-streefcijfer van ten minste 40 % reductie van de in de EU uitgestoten broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 vastgelegd, met inbegrip van een emissiereductie van 30 % in de niet-ETS-sector.
Schrappen
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Als klanten over nauwkeurige, relevante en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten beschikken, kiezen zij eerder producten die tijdens het gebruik minder energie en andere essentiële hulpbronnen verbruiken. Een gestandaardiseerd verplicht etiket is een doeltreffend middel om vergelijkbare informatie over het energieverbruik van energiegerelateerde producten aan klanten te verstrekken. Het etiket moet worden aangevuld met een productinformatieblad. Het etiket moet gemakkelijk herkenbaar, eenvoudig en beknopt zijn. Hiertoe moet de bestaande kleurenschaal van het etiket (van donkergroen tot rood) worden gehandhaafd als basis om de klanten te informeren over de energie-efficiëntie van producten. Classificatie met de letters A tot en met G is voor klanten het meest doeltreffend gebleken. In situaties waarin producten door maatregelen betreffende ecologisch ontwerp overeenkomstig Richtlijn 2009/125/EG niet meer tot de klassen "F" of "G" behoren, worden die klassen niet op het etiket weergegeven. In uitzonderlijke gevallen kan dat worden uitgebreid tot de klassen "D" en "E"; deze situatie is evenwel onwaarschijnlijk, aangezien de schaal van het etiket wordt aangepast zodra het merendeel van de productmodellen onder de twee hoogste klassen valt.
(9)  Als klanten over nauwkeurige, relevante, verifieerbare en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten beschikken, kiezen zij eerder producten die tijdens het gebruik en voor een bepaalde prestatie minder energie en andere essentiële hulpbronnen verbruiken, zodat de levenscycluskosten afnemen. Een gestandaardiseerd verplicht etiket is een doeltreffend middel om vergelijkbare informatie over de energie-efficiëntie en het absolute energieverbruik van energiegerelateerde producten aan potentiële klanten te verstrekken. Het etiket moet worden aangevuld met een productinformatieblad, dat "productfiche" wordt genoemd in de door Richtlijn 2010/30/EU vastgestelde gedelegeerde handelingen, dat elektronisch mag worden verstrekt. Het etiket moet beknopt zijn, gebaseerd zijn op passende meet- en berekeningsmethoden, en gemakkelijk herkenbaar en begrijpelijk zijn. Hiertoe moet de vastgestelde kleurenreeks van het etiket (van donkergroen tot rood) worden gehandhaafd als basis om de klanten te informeren over de energie-efficiëntie van producten. De bekende classificatie met de letters A tot en met G is voor klanten het meest doeltreffend gebleken. De eenvormige toepassing ervan binnen productgroepen moet zorgen voor meer transparantie en inzicht bij de klanten. In situaties waarin producten door maatregelen betreffende ecologisch ontwerp overeenkomstig Richtlijn 2009/125/EG1a niet meer tot de klassen "F" of "G" behoren, worden die klassen niettemin in het donkergrijs op het etiket weergegeven, teneinde een uniforme schaal van A tot en met G voor alle productgroepen te handhaven. In dat verband moet de kleurenschaal van het etiket (van donkergroen tot rood) worden gehandhaafd voor de overige hogere klassen en uitsluitend van toepassing zijn op nieuwe producteenheden die in de handel worden gebracht.
_______________
1a Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Door vooruitgang op het gebied van de digitale technologie kunnen etiketten op alternatieve wijze elektronisch ter beschikking gesteld en weergegeven worden, bijvoorbeeld op internet en op elektronische schermen in winkels. Teneinde deze vooruitgang te benutten, wordt op grond van deze verordening toegestaan elektronische etiketten te gebruiken ter vervanging van of als aanvulling op het fysieke energie-etiket. In gevallen waarin het niet haalbaar is het energie-etiket weer te geven, zoals bij bepaalde vormen van verkoop op afstand alsmede in advertenties en technisch reclamemateriaal, moet ten minste de energieklasse van het product aan de klanten worden verstrekt.
(10)  Door vooruitgang op het gebied van de digitale technologie kunnen etiketten op alternatieve wijze elektronisch ter beschikking gesteld en weergegeven worden, bijvoorbeeld op internet en op elektronische schermen in winkels. Teneinde deze vooruitgang te benutten, wordt op grond van deze verordening toegestaan elektronische etiketten te gebruiken als aanvulling op het gedrukte energie-etiket. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting van de leverancier om elke eenheid van een product te voorzien van een gedrukt etiket voor de handelaar. In gevallen waarin het niet haalbaar is het energie-etiket weer te geven moet ten minste de energieklasse van het productmodel aan de klanten worden verstrekt. Middels gedelegeerde handelingen voor specifieke productgroepen kunnen eveneens alternatieve bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de weergave van labels voor producten van kleine omvang, en wanneer identieke producten samen in grote hoeveelheden worden uitgestald.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Fabrikanten reageren op het energie-etiket door steeds efficiëntere producten te vervaardigen. Deze technologische ontwikkeling leidt tot producten die voornamelijk onder de hoogste klassen van het energie-etiket vallen. Om ervoor te zorgen dat klanten producten op een deugdelijke manier kunnen vergelijken, kan verdere productdifferentiatie nodig zijn, dientengevolge moeten de etiketten van een aangepaste schaal worden voorzien. Teneinde te zware lasten voor de fabrikanten te voorkomen, zou het passend zijn de schaal ongeveer om de tien jaar aan te passen. Om te zorgen voor een optimale rechtspositie van leveranciers en handelaren moeten bij deze verordening gedetailleerde regelingen betreffende een nieuwe schaal worden vastgesteld. De hoogste klassen van een nieuw etiket met een aangepaste schaal dienen vooralsnog leeg te blijven om de technologische vooruitgang te bevorderen en ervoor te zorgen dat er steeds efficiëntere producten worden ontwikkeld en erkend. Bij een aanpassing van de schaal moeten alle energie-etiketten op korte termijn worden vervangen om verwarring bij de klanten te voorkomen.
(11)  Fabrikanten reageren op het energie-etiket door steeds efficiëntere producten te ontwikkelen en in de handel te brengen. Tegelijkertijd stoppen zij met de vervaardiging van minder efficiënte producten, waarin zij gestimuleerd worden door Uniewetgeving op het gebied van ecologisch ontwerp. Deze technologische ontwikkeling leidt tot productmodellen die voornamelijk onder de hoogste klassen van het energie-etiket vallen. Om ervoor te zorgen dat klanten producten op een deugdelijke manier kunnen vergelijken, kan verdere productdifferentiatie nodig zijn, dientengevolge moeten de etiketten van een aangepaste schaal worden voorzien. Teneinde te zware lasten voor de fabrikanten en handelaren te voorkomen, zou het wenselijk zijn de schaal ongeveer om de tien jaar aan te passen, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met kleine ondernemingen. Een dergelijke benadering vermijdt het onnodig of inefficiënt aanpassen van de schaal, wat nadelig zou zijn voor zowel consumenten als fabrikanten. Om te zorgen voor een optimale rechtspositie van leveranciers en handelaren moeten bij deze verordening gedetailleerde regelingen betreffende een nieuwe schaal worden vastgesteld. Voorafgaand aan elke schaalaanpassing moet de Commissie een grondige voorbereidende studie uitvoeren. De hoogste klassen van een nieuw etiket met een aangepaste schaal kunnen, afhankelijk van de productgroep en op basis van een gedetailleerde beoordeling van het potentieel, vooralsnog leeg blijven om de technologische vooruitgang te bevorderen en ervoor te zorgen dat er steeds efficiëntere productmodellen worden ontwikkeld en erkend. Om verwarring bij de klanten te voorkomen moeten bij een aanpassing van de schaal alle energie-etiketten op korte en haalbare termijn worden vervangen, en moeten de uiterlijke kenmerken van het nieuwe etiket gemakkelijk te onderscheiden zijn van het oude etiket, in combinatie met adequate informatiecampagnes voor consumenten waarin duidelijk wordt gemaakt dat een nieuwe versie van het etiket is ingevoerd met een verbeterde classificatie.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   De huidige beoordeling van etiketten die zijn ingevoerd bij krachtens Richtlijn 2010/30/EU vastgestelde gedelegeerde handelingen, noopt tot een eerste schaalaanpassing van bestaande etiketten, teneinde een homogene A tot G-schaal te waarborgen, waarbij deze wordt aangepast aan de vereisten van deze verordening.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om ervoor te zorgen dat het vertrouwen van de klanten in het energie-etiket in stand wordt gehouden, mogen voor energiegerelateerde producten geen andere etiketten worden gebruikt die het energie-etiket nabootsen. Aanvullende etiketten, markeringen, symbolen of opschriften waardoor klanten wat betreft het energieverbruik kunnen worden misleid of verward kunnen raken, zijn evenmin toegestaan.
(14)  Om ervoor te zorgen dat het vertrouwen van de klanten in het energie-etiket in stand wordt gehouden, mogen voor energiegerelateerde producten geen andere etiketten worden gebruikt die het energie-etiket nabootsen. Aanvullende etiketten, markeringen, symbolen of opschriften die niet duidelijk genoeg verschillen van het energie-etiket en waardoor klanten wat betreft het energieverbruik of enige andere kenmerken die vallen onder de betrokken gedelegeerde handelingen kunnen worden misleid of verward kunnen raken, zijn evenmin toegestaan.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Om de rechtszekerheid te waarborgen, moet duidelijk worden gemaakt dat de in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad21 vastgestelde voorschriften inzake markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen, op energiegerelateerde producten van toepassing zijn. Met het oog op het beginsel van het vrije verkeer van goederen is het essentieel dat de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten doeltreffend met elkaar samenwerken. Deze samenwerking betreffende energie-etikettering dient te worden versterkt door middel van ondersteuning door de Commissie.
(15)  Om de rechtszekerheid te waarborgen, moet duidelijk worden gemaakt dat de in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad21 vastgestelde voorschriften inzake markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen, op energiegerelateerde producten van toepassing zijn. Met het oog op het beginsel van het vrije verkeer van goederen is het essentieel dat de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten doeltreffend met elkaar samenwerken via een voortdurende uitwisseling van informatie, in het bijzonder over de resultaten van de conformiteitsbeoordelingstests van de producten en de gevolgen ervan. Daarnaast moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten betrokken worden bij de uitwisseling van informatie over energiegerelateerde producten die vanuit derde landen naar de Unie worden geïmporteerd. De werkgroepen voor administratieve samenwerking ("ADCO") inzake milieuvriendelijk productontwerp en inzake energie-etikettering moeten door de Commissie worden versterkt en ondersteund als kader voor de samenwerking van markttoezichtautoriteiten.
__________________
__________________
21PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.
21PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Om doeltreffender markttoezicht en eerlijkere concurrentie in de Unie te waarborgen, en om de schaarse hulpbronnen op een zo efficiënt mogelijke manier te benutten, moeten nationale markttoezichtautoriteiten toezien op de naleving, ook door middel van fysieke testen van producten en door het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICSMS) te gebruiken om informatie over geplande en voltooide producttests uit te wisselen, testprotocollen ter beschikking te stellen en de uitkomsten van hun tests te delen, om aldus dubbele tests te voorkomen en de weg vrij te maken voor regionale kenniscentra voor fysisch onderzoek. Resultaten dienen eveneens te worden gedeeld wanneer een test niet aantoont dat er sprake is geweest van een inbreuk.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Teneinde het toezicht op de naleving te vergemakkelijken en actuele marktgegevens ten behoeve van het regelgevingsproces voor herzieningen van productspecifieke etiketten en informatiebladen ter beschikking te stellen, moeten de leveranciers op elektronische wijze informatie over de naleving met betrekking tot hun producten verstrekken die in een door de Commissie opgezette databank wordt opgenomen. Deze informatie moet publiek toegankelijk zijn, zodat klanten erover kunnen beschikken en handelaren op alternatieve wijzen etiketten kunnen opvragen. De markttoezichtautoriteiten moeten toegang tot de informatie in de databank hebben.
(16)  Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten inzake markttoezicht en teneinde een nuttig instrument voor consumenten op te zetten, het toezicht op de naleving te vergemakkelijken en actuele marktgegevens ten behoeve van het regelgevingsproces voor herzieningen van productspecifieke etiketten en informatiebladen ter beschikking te stellen, moeten de leveranciers op elektronische wijze de vereiste informatie over de naleving met betrekking tot hun producten verstrekken, die in een door de Commissie opgezette en onderhouden databank moet worden opgenomen. Het deel van de informatie dat bestemd is voor de consumenten moet publiekelijk toegankelijk zijn op de openbare interface van de productendatabank. Deze informatie moet openbaar worden gemaakt in de vorm van open data, zodat app-ontwikkelaars en andere vergelijkingsinstrumenten de mogelijkheid wordt gegeven haar te gebruiken. Gemakkelijke, rechtstreekse toegang tot de openbare interface van de productendatabank moet worden bevorderd door een quick response-code (QR) of elk ander passend, op de gebruiker gericht middel. Aanvullende informatie moet door de leveranciers op de compliance-interface van de productendatabank ter beschikking worden gesteld aan zowel de markttoezichtautoriteiten als aan de Commissie. Voor de databank moeten strenge regels inzake gegevensbescherming gelden. Wanneer de technische informatie van gevoelige aard is, moeten markttoezichtautoriteiten de bevoegdheid behouden om wanneer noodzakelijk toegang tot deze informatie te krijgen, overeenkomstig de voor leveranciers geldende verplichting tot samenwerking.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   De Commissie moet een onlineportaal opzetten en onderhouden dat markttoezichtautoriteiten toegang verleent tot gedetailleerde productinformatie op de servers van de leveranciers.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Het energieverbruik en andere informatie over de producten waarop de productspecifieke vereisten van deze verordening van toepassing zijn, dienen te worden gemeten door middel van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende, geavanceerde meet- en berekeningsmethoden. Het is in het belang van de werking van de interne markt dat kan worden beschikt over op EU-niveau geharmoniseerde normen. Indien er geen gepubliceerde normen bestaan op het moment waarop productspecifieke vereisten worden toegepast, moet de Commissie ten behoeve van die productspecifieke vereisten voorlopige meet- en berekeningsmethoden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaken. Zodra een dergelijke norm in het Publicatieblad van de Europese Unie is genoemd en die norm wordt nageleefd, geldt er een vermoeden van overeenstemming met de meetmethoden voor de productspecifieke vereisten die op basis van deze verordening zijn vastgesteld.
(19)  Het absolute energieverbruik en andere informatie over de milieukenmerken en de prestaties van producten waarop de productspecifieke vereisten van deze verordening van toepassing zijn, dienen overeenkomstig geharmoniseerde normen en methoden en door middel van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden te worden gemeten, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende, geavanceerde meet- en berekeningsmethoden. Deze methoden en de testomgeving, zowel voor leveranciers als voor markttoezichtautoriteiten, moeten zo veel mogelijk aansluiten bij het werkelijke gebruik van een bepaald product door de gemiddelde consument. Daarnaast moeten zij solide zijn om bewuste en onbewuste omzeiling ervan te ontmoedigen. De energie-efficiëntieklasse mag niet uitsluitend worden gebaseerd op de meest energie-efficiënte instelling of ecomodus, wanneer niet kan worden verwacht dat deze het gemiddelde consumentengedrag weerspiegelt. Tolerantiewaarden en optionele testparameters moeten zodanig worden vastgesteld dat ze niet leiden tot significante variaties in efficiëntiewinsten die de energie-efficiëntieklasse van een product zouden kunnen veranderen. De toegestane afwijkingen tussen de geteste en de aangegeven resultaten moeten worden beperkt tot de statistische meetonzekerheid. Indien er geen gepubliceerde normen bestaan op het moment waarop productspecifieke vereisten worden toegepast, moet de Commissie ten behoeve van die productspecifieke vereisten voorlopige meet- en berekeningsmethoden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaken. Zodra een dergelijke norm in het Publicatieblad van de Europese Unie is genoemd en die norm wordt nageleefd, geldt er een vermoeden van overeenstemming met de meetmethoden voor de productspecifieke vereisten die op basis van deze verordening zijn vastgesteld.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De Commissie dient een werkplan op te stellen voor de herziening van de etiketten van bepaalde producten, met inbegrip van een indicatieve lijst van overige energiegerelateerde producten waarvoor een energie-etiket kan worden ingevoerd. In het kader van het werkplan dienen de betrokken productgroepen als eerste op technisch, ecologisch en economisch vlak te worden geanalyseerd. Hierbij dient ook aanvullende informatie te worden geanalyseerd, met inbegrip van de mogelijkheid om consumenten van informatie over de prestatie van een energiegerelateerd product te voorzien, bijvoorbeeld het absolute energieverbruik, de duurzaamheid of de milieuprestatie, en de kosten van het verstrekken van die informatie, in samenhang met de doelstelling van het bevorderen van de kringloopeconomie. Met dergelijke aanvullende informatie dient het etiket voor de consumenten begrijpelijker en doeltreffender te worden, maar de consumenten mogen hiervan geen negatieve effecten ondervinden.
(20)  De Commissie dient op basis van het toepassingsgebied van deze verordening een werkplan voor de lange termijn op te stellen voor de herziening van de etiketten van bepaalde producten, met inbegrip van een indicatieve lijst van overige energiegerelateerde producten waarvoor een energie-etiket kan worden ingevoerd, en dient dit werkplan geregeld te actualiseren. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad jaarlijks informeren over de voortgang van het werkplan.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   In het kader van het werkplan dienen de betrokken productgroepen als eerste op technisch, ecologisch en economisch vlak te worden geanalyseerd. Hierbij dient ook aanvullende informatie te worden geanalyseerd, met inbegrip van de mogelijkheid om consumenten van nauwkeurige informatie over de prestatie van een energiegerelateerd productmodel te voorzien, bijvoorbeeld levenscycluskosten, repareerbaarheid, connectiviteit, het percentage gerecycleerd materiaal, de duurzaamheid en de milieuprestatie of de gecombineerde energie-efficiëntie-kwaliteitsindex, en de kosten van het verstrekken van die informatie, in samenhang met de doelstelling van het bevorderen van de kringloopeconomie. Met dergelijke aanvullende informatie dient het etiket voor de consumenten begrijpelijker en doeltreffender te worden, maar de consumenten mogen hiervan geen negatieve effecten ondervinden.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – leden 1 en 2
1.  Deze verordening biedt een kader voor de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen door energiegerelateerde producten tijdens het gebruik op de etikettering en in de standaardproductinformatie alsmede in aanvullende informatie over energiegerelateerde producten, waardoor klanten efficiëntere producten kunnen kiezen.
1.  Deze verordening biedt een kader dat van toepassing is op energiegerelateerde producten en voorziet deze producten van een etiket inzake energie-efficiëntie, het absolute energieverbruik en het absolute verbruik van energie en andere milieu- en prestatiekenmerken. Het stelt consumenten in staat efficiëntere producten te kiezen en hun energieverbruik te verminderen.
2.  Deze verordening is niet van toepassing op:
2.  Deze verordening is niet van toepassing op:
(a)  tweedehandsproducten;
(a)  tweedehandsproducten;
(b)  middelen voor personen- of goederenvervoer die niet door een stationaire motor worden aangedreven.
(b)  middelen voor personen- of goederenvervoer.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
(6)  "fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die een energiegerelateerd product vervaardigt of onder zijn naam of handelsmerk laat ontwerpen of vervaardigen en in de handel brengt;
(6)  "fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die een energiegerelateerd product vervaardigt of een dergelijk product onder zijn naam of handelsmerk laat ontwerpen of vervaardigen en in de handel brengt;
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
(9)  "handelaar": een detailhandelaar of andere persoon die producten aan klanten verkoopt, verhuurt, in huurkoop aanbiedt of voor hen uitstalt;
(9)  "handelaar": een detailhandelaar of andere natuurlijke of rechtspersoon die producten aan klanten verkoopt, verhuurt, in huurkoop aanbiedt of voor hen uitstalt;
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10 bis (nieuw)
(10 bis)   "energie-efficiëntie": de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energie-input;
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 11
(11)  "energiegerelateerd product": een in de Unie in de handel gebracht en in gebruik genomen goed, systeem of dienst dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om te worden ingebouwd in energiegerelateerde producten die in de handel worden gebracht en in gebruik worden genomen;
(11)  "energiegerelateerd product" hierna "product": een in de Unie in de handel gebracht en in gebruik genomen goed dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om te worden ingebouwd in energiegerelateerde producten die ten behoeve van klanten in de handel worden gebracht en in gebruik worden genomen als losse onderdelen waarvan de energie- en milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 13
(13)  "etiket": een grafisch diagram inclusief een classificatie met de letters A tot en met G in zeven verschillende kleuren, variërend van donkergroen tot rood, waarmee het energieverbruik wordt weergegeven;
(13)  "etiket": een grafisch diagram, in afgedrukte of elektronische vorm, inclusief een gesloten schaalclassificatie met uitsluitend de letters A tot en met G, waarin elke klasse overeenkomt met aanzienlijke energiebesparingen, in zeven verschillende kleuren, variërend van donkergroen tot rood, waarmee consumenten worden geïnformeerd over de energie-efficiëntie en het energieverbruik;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
(13 bis)   "productgroep": een groep energiegerelateerde producten met hetzelfde hoofdelement in de werking;
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 17
(17)  "productinformatieblad": een standaardtabel met informatie betreffende een product;
(17)  "productinformatieblad": een standaardtabel met informatie betreffende een product, in afgedrukte of elektronische vorm;
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 18
(18)  "aanpassing van de schaal": een periodieke procedure om de vereisten voor het voldoen aan de energieklasse op het etiket voor een bepaald product aan te scherpen, waardoor bepaalde energieklassen van bestaande etiketten kunnen worden geschrapt;
(18)  "aanpassing van de schaal": een procedure om de vereisten voor het voldoen aan de energieklasse op het etiket voor een bepaalde productgroep aan te scherpen;
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 19
(19)  "etiket met aangepaste schaal": een etiket voor een bepaald product dat bij een aanpassingsprocedure is aangepast;
(19)  "etiket met aangepaste schaal": een etiket voor een bepaald product dat bij een aanpassingsprocedure is aangepast, dat duidelijk kan worden onderscheiden van de etiketten van voor de aanpassing van de schaal;
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 19 bis (nieuw)
(19 bis)   "intelligent apparaat": een apparaat dat met behulp van geavanceerde informatie- en communicatietechnologieën en een gestandaardiseerde referentie-ontologie kan worden geconfigureerd om te reageren op externe stimuli zoals prijsinformatie, rechtstreekse controlesignalen die via draadloze verbindingen of apps worden verzonden en/of plaatselijke metingen, en om automatisch over te schakelen op een stand die energiezuiniger en efficiënter is;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 20
(20)  "aanvullende informatie": informatie over de functionele en milieuprestatie van een energiegerelateerd product, zoals het absolute energieverbruik of de duurzaamheid ervan, die is gebaseerd op door de markttoezichtautoriteiten meetbare gegevens, eenduidig is en wat betreft de klanten geen significant negatief effect op de begrijpelijkheid en doeltreffendheid van het etiket in zijn geheel heeft.
(20)  "aanvullende informatie": enigerlei in de desbetreffende gedelegeerde handeling gespecificeerde informatie over de functionele, milieu- en hulpbronnenefficiëntieprestatie van een energiegerelateerd product die is gebaseerd op door de markttoezichtautoriteiten meetbare en verifieerbare gegevens, makkelijk te begrijpen is en wat betreft de klanten geen significant negatief effect op de begrijpelijkheid en doeltreffendheid van het etiket in zijn geheel heeft.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 20 bis (nieuw)
(20 bis)   "productendatabank": een verzameling gegevens over de energiegerelateerde producten die onder deze verordening en de daarbij vastgestelde gedelegeerde handelingen vallen, systematisch geordend en bestaande uit een openbare interface, opgezet als een consumentgerichte website, waar informatie afzonderlijk met elektronische middelen toegankelijk is, en een compliance-interface, opgezet als een elektronisch platform ter ondersteuning van de activiteiten van de nationale markttoezichtautoriteiten, met duidelijk gespecificeerde toegankelijkheids- en veiligheidsvereisten.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Leveranciers moeten aan de volgende verplichtingen voldoen:
1.  Leveranciers:
(a)  zij waarborgen dat in de handel gebrachte producten overeenkomstig deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen kosteloos worden voorzien van accurate etiketten en productinformatiebladen;
(a)  waarborgen dat in de handel gebrachte producten kosteloos worden voorzien van accurate, afgedrukte etiketten en van productinformatiebladen voor elk afzonderlijke eenheid;
(b)  zij verstrekken etiketten onverwijld en kosteloos aan handelaren;
(b)  verstrekken etiketten en productinformatiebladen kosteloos en binnen vijf werkdagen na een verzoek aan handelaren;
(b bis)   verstrekken gedurende een periode van drie maanden voorafgaand aan de in de desbetreffende gedelegeerde handeling gespecificeerde datum de etiketten met aangepaste schaal en de productinformatiebladen aan de handelaren;
(c)  zij zorgen ervoor dat de te verstrekken etiketten en productinformatiebladen nauwkeurig zijn en zij stellen afdoende technische documentatie ter beschikking op basis waarvan de nauwkeurigheid kan worden beoordeeld;
(c)  zorgen ervoor dat de etiketten en productinformatiebladen nauwkeurig zijn en stellen afdoende technische documentatie ter beschikking op basis waarvan de nauwkeurigheid kan worden beoordeeld;
(d)  voordat zij een model van een product in de handel brengen, voeren zij de in bijlage I genoemde informatie in in de overeenkomstig artikel 8 opgezette productendatabank.
(d)  voeren de in bijlage I genoemde informatie in in de compliance-interface van de overeenkomstig artikel 8 opgezette productendatabank:
(i)   voor alle nieuwe modellen, voordat een eenheid van het model in de handel wordt gebracht,
(ii)   voor alle modellen die na 1 januari 2014 in de handel zijn gebracht en die nog worden geleverd, niet later dan 18 maanden nadat de databank volledig operationeel is geworden overeenkomstig artikel 16;
(d bis)   bewaren overeenkomstig artikel 8 in de databank de productinformatiebladen en de technische documentatie voor een periode van ten minste 10 jaar nadat de laatste producteenheid in de handel is gebracht;
(d ter)   verstrekken etiketten voor productgroepen waarvan het product bestaat uit meerdere onderdelen of componenten en waarvan de energie-efficiëntieklasse afhankelijk is van de specifieke combinatie van de onderdelen;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 bis (nieuw)
1 bis.   Leveranciers:
(a)   brengen geen producten in de handel die zo ontworpen zijn dat de prestatie ervan in testmodus automatisch wordt gewijzigd, middels in het product ingebouwde hardware of software, met het oog op het behalen van een gunstiger niveau;
(b)   voeren, wanneer het product een onderhoudsbeurt ondergaat, geen wijzigingen door middels software updates die in het nadeel zouden zijn van de parameters van het originele efficiëntie-etiket, als omschreven in de desbetreffende gedelegeerde handeling.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  Handelaren moeten aan de volgende verplichtingen voldoen:
2.  Handelaren:
(a)  zij brengen het door de leverancier verstrekte of op andere wijze verkregen etiket voor een product waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is, goed zichtbaar aan;
(a)  geven, wanneer het product te koop is, inclusief via online verkoop, het etiket op een zichtbare en prominente manier weer, als beschreven in de betreffende gedelegeerde handeling
(a bis)   vervangen, zowel in winkels en online, bestaande etiketten met etiketten met aangepaste schaal binnen drie weken na de in de betreffende gedelegeerde handeling vermelde datum;
(b)  indien zij niet over een etiket of een etiket met aangepaste schaal beschikken:
(b)  vragen, indien zij niet over een etiket of een etiket met aangepaste schaal beschikken, dit aan de leverancier;
(i)   verzoeken zij de leverancier om een etiket of een etiket met aangepaste schaal;
(ii)   drukken zij het etiket af via de overeenkomstig artikel 8 opgezette productendatabank, voor zover deze functie voor het desbetreffende product beschikbaar is; of
(iii)   drukken zij het etiket of een etiket met aangepaste schaal af via de website van de leverancier, voor zover deze functie voor het desbetreffende product beschikbaar is.
(c)  zij stellen het productinformatieblad ter beschikking aan klanten.
(c)  stellen het productinformatieblad op verzoek ter beschikking aan klanten, ook in afgedrukte vorm.
Amendementen 35 en 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  Leveranciers en handelaren moeten aan de volgende verplichtingen voldoen:
3.  Leveranciers en handelaren:
(a)  zij vermelden de energie-efficiëntieklasse van het product overeenkomstig de desbetreffende gedelegeerde handeling in advertenties en technisch reclamemateriaal voor een specifiek productmodel;
(a)  vermelden de energie-efficiëntieklasse van het product overeenkomstig de desbetreffende gedelegeerde handeling in visuele advertenties en technisch reclamemateriaal voor een specifiek productmodel;
(b)  zij werken samen met de markttoezichtautoriteiten en nemen op eigen initiatief of op verzoek van de markttoezichtautoriteiten onmiddellijk maatregelen indien de in deze verordening en de bijbehorende gedelegeerde handelingen vastgelegde vereisten door hun toedoen niet worden nageleefd;
(b)  werken samen met de markttoezichtautoriteiten en nemen, overeenkomstig artikel 5, onmiddellijk maatregelen om iedere vorm van niet-naleving te verhelpen;
(c)  met betrekking tot de producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, verstrekken of tonen zij geen andere etiketten, merktekens, symbolen of opschriften die niet voldoen aan de vereisten van deze verordening en van de desbetreffende gedelegeerde handelingen indien dit kan leiden tot misleiding of verwarring bij de klanten over het verbruik van energie of andere essentiële hulpbronnen tijdens het gebruik;
(c)  onthouden zich, met betrekking tot de producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, ervan enige misleidende, verwarrende of nagebootste etiketten, merktekens, symbolen of opschriften te verstrekken of te tonen, betreffende het verbruik van energie of andere essentiële hulpbronnen tijdens het gebruik;
(d)  voor producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, verstrekken of tonen zij geen etiketten die de in deze verordening gedefinieerde etiketten nabootsen.
(d)  voor producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, verstrekken of tonen geen etiketten die de in deze verordening gedefinieerde etiketten nabootsen.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Alle algemene verplichtingen inzake etiketten als vermeld in de leden 1 tot en met 3 zijn in gelijke mate van toepassing op bestaande etiketten, nieuwe etiketten en etiketten met aangepaste schaal.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De lidstaten mogen het binnen hun grondgebied in de handel brengen of in gebruik nemen van energiegerelateerde producten die onder deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen vallen en eraan voldoen, niet verbieden, beperken of verhinderen.
1.  De lidstaten mogen het binnen hun grondgebied in de handel brengen of in gebruik nemen van producten die onder deze verordening vallen en eraan voldoen, niet verhinderen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat leveranciers en handelaren voldoen aan de verplichtingen en vereisten van deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen.
2.  De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat leveranciers en handelaren voldoen aan de verplichtingen en vereisten van deze verordening.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Wanneer lidstaten stimulansen verstrekken voor een energiegerelateerd product dat onder deze verordening valt en in een gedelegeerde handeling is gespecificeerd, nemen zij de hoogste energie-efficiëntieklasse die in de toepasselijke gedelegeerde handeling is vastgelegd als doelstelling.
3.  Wanneer lidstaten stimulansen verstrekken voor een product dat onder deze verordening valt en in een gedelegeerde handeling is gespecificeerd, nemen deze stimulansen de twee hoogste beschikbare energie-efficiëntieklassen die in de toepasselijke gedelegeerde handeling zijn vastgelegd als doelstelling.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de invoering van etiketten, met inbegrip van etiketten met aangepaste schaal en productinformatiebladen, gepaard gaat met educatieve voorlichtingscampagnes en promotiecampagnes om energie-efficiëntie en een meer verantwoord energiegebruik door de klanten te stimuleren, zo nodig in samenwerking met de handelaren.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de invoering en de aanpassing van de schaal van etiketten gepaard gaat met educatieve voorlichtingscampagnes en promotiecampagnes inzake energie-etikettering.
De Commissie coördineert deze campagnes waarbij ze een nauwe samenwerking bevordert met leveranciers en handelaren evenals de uitwisseling van optimale werkwijzen.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5
5.  De lidstaten stellen de sancties en handhavingsmechanismen vast die worden toegepast wanneer de bepalingen van deze verordening en de bijbehorende gedelegeerde handelingen niet worden nageleefd, en zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties en mechanismen worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de datum van toepassing van deze verordening in kennis van de desbetreffende bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.
5.  De lidstaten stellen de sancties en handhavingsmechanismen vast die worden toegepast wanneer de bepalingen van deze verordening niet worden nageleefd, en zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties en mechanismen worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, en in verhouding staan tot het economische voordeel van niet-naleving. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de datum van toepassing van deze verordening in kennis van de desbetreffende bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De Commissie ondersteunt de samenwerking en uitwisseling van informatie betreffende markttoezicht op de energie-etikettering van producten tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het markttoezicht of de controle aan de buitengrenzen alsmede tussen die autoriteiten en de Commissie.
2.  De Commissie stimuleert en coördineert de samenwerking en uitwisseling van informatie betreffende markttoezicht op de energie-etikettering met betrekking tot producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het markttoezicht of de controle van producten die p de Uniemarkt worden gebracht alsmede tussen die autoriteiten en de Commissie door de werkgroepen voor administratieve samenwerking ("ADCO") inzake Ecodesign en energie-etikettering te versterken.
Dergelijke uitwisseling van informatie vindt eveneens plaats wanneer testresultaten aantonen dat de fabrikant de desbetreffende wetgeving naleeft.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Tegen 1 januari 2018 moeten de lidstaten een markttoezichtplan voor het toezicht op de handhaving van de vereisten van deze verordening opstellen en ten uitvoer leggen. Ten minste om de drie jaar bekijken de lidstaten hun markttoezichtplan opnieuw.
Tegen 1 januari 2020 en daarna jaarlijks stellen de lidstaten een verslag over markttoezicht op, waarin zij evalueren in welke mate deze verordening en Richtlijn 2009/125/EG worden nageleefd.
De lidstaten moeten het gebruik van het Informatie- en Communicatiesysteem over markttoezicht (ICSMS) voor alle nationale markttoezichtautoriteiten verplicht maken.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Nationale markttoezichtautoriteiten voeren fysieke producttesten uit, waarmee zij ten minste een productgroep per jaar bestrijken, overeenkomstig de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.
De markttoezichtautoriteiten informeren de andere lidstaten en de Commissie over hun geplande en voltooide fysieke tests via de compliance-interface van de overeenkomstig artikel 8 opgezette productendatabank
Zij moeten, overeenkomstig artikel 9, betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare meetprocedures toepassen waarbij ernaar wordt gestreefd de omstandigheden van het dagelijkse leven te simuleren en opzettelijke of onopzettelijke manipulatie of wijziging van de testresultaten uit te sluiten;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.   De markttoezichtautoriteiten moeten het recht hebben de kosten van een fysieke producttest terug te vorderen bij de leveranciers in geval van bewezen inbreuk op deze verordening.
De Commissie kan de naleving rechtstreeks of door derden verifiëren.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1
1.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een energiegerelateerd product dat onder een bij deze verordening behorende gedelegeerde handeling valt een risico voor de onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van het algemeen belang vormt, voeren zij een beoordeling van het desbetreffende energiegerelateerde product uit in het licht van de in deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen vastgestelde vereisten. De leverancier werkt hiertoe op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.
1.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een product dat onder een bij deze verordening behorende gedelegeerde handeling valt een risico voor de onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van het algemeen belang vormt, stellen zij de Commissie onverwijld in kennis en voeren een beoordeling van het desbetreffende productmodel uit in het licht van de in deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen vastgestelde vereisten, waarbij eveneens wordt bekeken of het wenselijk is de beoordeling uit breiden naar andere productmodellen. De leverancier werkt op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij deze beoordeling vaststellen dat het energiegerelateerde product niet aan de vereisten van deze verordening en de bijbehorende gedelegeerde handelingen voldoet, verlangen zij onverwijld van de leverancier dat hij passende corrigerende maatregelen neemt om het energiegerelateerde product in overeenstemming met deze vereisten te brengen of binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, uit de handel te nemen of terug te roepen. Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in dit lid genoemde maatregelen.
2.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij deze beoordeling vaststellen dat het productmodel niet aan de vereisten van deze verordening voldoet, verlangen zij van de leverancier dat hij passende corrigerende maatregelen neemt om het productmodel in overeenstemming met de vereisten te brengen, en zij kunnen eisen dat het productmodel uit de handel wordt genomen of dat de eenheden die reeds in gebruik zijn genomen worden teruggeroepen binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, waarbij dergelijke maatregelen worden uitgebreid naar de soortgelijke modellen die op de markt beschikbaar zijn. Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in dit lid genoemde maatregelen.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten van mening zijn dat de non-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de leverancier hebben verlangd.
3.  De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten via het ICSMS op de hoogte van eventuele resultaten van de beoordeling en van eventuele maatregelen die zij van de leverancier hebben verlangd overeenkomstig lid 2.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  De leverancier zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken producten die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden.
4.  De leverancier zorgt ervoor dat eventuele beperkende maatregelen die overeenkomstig lid 2 vereist zijn, worden toegepast op alle betrokken productmodellen die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5
5.  Wanneer de desbetreffende leverancier niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van het energiegerelateerde product te verbieden of te beperken, dan wel het energiegerelateerde product in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen. De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.
5.  Wanneer de desbetreffende leverancier de corrigerende maatregelen niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn ten uitvoer legt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van het productmodel te verbieden of te beperken, dan wel het productmodel in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen. De markttoezichtautoriteiten stellen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen in kennis en voeren de informatie in in de compliance-interface van de krachtens artikel 8 opgezette productendatabank.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6
6.  De in lid 5 bedoelde informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het niet-conforme energiegerelateerde product te identificeren en om de oorsprong van het energiegerelateerde product, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de leverancier. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de non-conformiteit van het energiegerelateerde product te wijten is aan ofwel het feit dat het niet aan de in deze verordening vastgestelde vereisten ten aanzien van aspecten van de bescherming van het algemeen belang voldoet, ofwel aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen waarnaar in artikel 9 wordt verwezen als normen die een vermoeden van conformiteit vestigen.
6.  De in lid 5 bedoelde kennisgeving omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het niet-conforme product te identificeren en om de oorsprong ervan, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de leverancier. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de niet-conformiteit van het productmodel te wijten is aan ofwel het feit dat het niet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften ten aanzien van aspecten van de bescherming van het algemeen belang voldoet, ofwel aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen waarnaar in artikel 9 wordt verwezen als normen die een vermoeden van conformiteit vestigen. In dit geval past de Commissie de procedure van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 toe.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 7
7.  De andere lidstaten dan die welke de procedure in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie over de non-conformiteit van het betrokken energiegerelateerde product, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.
7.  De andere lidstaten dan die welke de procedure in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie over de non-conformiteit van het betrokken productmodel, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 8
8.  Indien binnen zestig dagen na de ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie geen bezwaar tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat is ingebracht door een lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.
8.  Indien binnen vier weken na de ontvangst van de in lid 5 bedoelde kennisgeving geen bezwaar tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat is ingebracht door een lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 9
9.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het energiegerelateerde product in kwestie onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van het energiegerelateerde product.
9.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het productmodel in kwestie parallelle beperkende maatregelen worden genomen, die in verhouding staan tot de specifieke nationale situatie, en brengen de Commissie hier dienovereenkomstig van op de hoogte.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10
10.  Indien na voltooiing van de procedure in de leden 4 en 5 bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de leverancier en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.
10.  Indien na voltooiing van de procedure in de leden 4 en 5 bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat een dergelijke nationale maatregel in strijd is met het recht van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de leverancier en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit, aan de hand waarvan zij besluit of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is, en zij een passende alternatieve maatregel kan voorstellen.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 11
11.  De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de leverancier daarvan onmiddellijk op de hoogte
11.  De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en stelt de lidstaten en de leverancier daarvan onmiddellijk in kennis.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 12
12.  Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om het non-conforme energiegerelateerde product uit de handel te nemen en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in.
12.  Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om het non-conforme productmodel uit de handel te nemen en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 13
13.  Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van het energiegerelateerde product wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen als bedoeld in lid 6, past de Commissie de procedure toe van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012.
13.  Indien een nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van het productmodel wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen als bedoeld in lid 6, past de Commissie de procedure toe van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 13 bis (nieuw)
13 bis.   In geval van bewezen non-conformiteit van een product met de in deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen vastgestelde voorschriften, moeten klanten het recht hebben dit product gratis naar de handelaar terug te sturen en de volledige oorspronkelijke aankoopprijs van de leverancier terugbetaald te krijgen.
De leverancier doet, in samenwerking met de markttoezichtautoriteiten en overeenkomstig het toepasselijke consumentenrecht, alle redelijke inspanningen om contact op te nemen met de betrokken klanten.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – titel en lid 1
Etiketten en aanpassing van de schaal
Procedure voor de invoering van etiketten en de aanpassing van de schaal ervan
1.  De Commissie kan door middel van overeenkomstig de artikelen 12 en 13 vastgestelde gedelegeerde handelingen etiketten invoeren of de schaal van bestaande etiketten aanpassen.
1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door etiketten in te voeren of de schaal ervan aan te passen.
Etiketten die voor 1 januari 2017 worden ingevoerd op grond van overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2010/30/EU vastgestelde gedelegeerde handelingen, worden beschouwd als etiketten in het kader van deze verordening.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer tot de energieklassen D, E, F of G behorende modellen van een bepaalde productgroep op grond van een overeenkomstig Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde uitvoeringsmaatregel niet in de handel mogen worden gebracht, wordt de klasse of worden de klassen in kwestie niet meer op het etiket weergegeven.
2.  Om te zorgen voor een homogene A tot en met G-schaal voert de Commissie etiketten in waarvan de schaal is aangepast voor bestaande productgroepen, als bedoeld in lid 1, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, in overeenstemming met de vereisten van lid 4.
Productgroepen die vallen onder de Gedelegeerde Verordeningen van de Commissie (EU) nr. 811/20131a en 812/20131b worden iedere zes jaar na inwerkingtreding van deze verordening herzien teneinde de schaal aan te passen.
Voor productgroepen die vallen onder de Gedelegeerde Verordeningen van de Commissie (EU) nr. 1059/20101c, 1060/20101d, 1061/20101e, 1062/20101f en 874/20121g, voert de Commissie, indien de voorbereidende studies zijn afgerond en uiterlijk 21 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening, etiketten in waarvan de schaal is aangepast.
__________________
1aGedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PB L 239 van 6.9.2013, blz. 1).
1b Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 812/2013 van 18 februari 2013 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van waterverwarmingstoestellen, warmwatertanks en pakketten van waterverwarmingstoestellen en zonne-energie-installaties betreft (PB L 239 van 6.9.2013, blz. 83).
1c Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1059/2010 van de Commissie van 28 september 2010 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van afwasmachines (PB L 314 van 30.11.2010, blz. 1).
1d Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1060/2010 van de Commissie van 28 september 2010 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van huishoudelijke koelapparaten (PB L 314 van 30.11.2010, blz. 17).
1e Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1061/2010 van 28 september 2010 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van huishoudelijke wasmachines (PB L 314 van 30.11.2010, blz. 47).
1f Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2010 van 28 september 2010 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van televisies (PB L 314 van 30.11.2010, blz. 64).
1g Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 874/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van elektrische lampen en verlichtingsarmaturen (PB L 258 van 26.9.2012, blz. 1).
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  Wanneer een etiket wordt ingevoerd of de schaal ervan wordt aangepast, waarborgt de Commissie dat de vereisten zodanig worden vastgelegd dat naar verwachting geen enkel product onder de energieklassen A of B valt op het moment dat het etiket wordt ingevoerd, zodat het merendeel van de modellen naar schatting ten minste tien jaar daarna onder die klassen valt.
3.  De Commissie waarborgt dat iedere eventuele aanpassing van de schaal van nieuwe etiketten of etiketten waarvan de schaal is aangepast als bedoeld in lid 2 in gang wordt gezet zodra aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, waaruit blijkt dat voldoende technologische vooruitgang is gemaakt in de relevante productgroep:
(a)   25% van de op de Uniemarkt verkochte producten onder energie-efficiëntieklasse A valt; of
(b)   50% van de op de Uniemarkt verkochte producten onder energie-efficiëntieklassen A en B valt;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Door de productgroep op te nemen in het werkplan overeenkomstig artikel 11, waarborgt de Commissie dat:
(a)   de voorbereidende studie voor aanpassing van de schaal wordt voltooid uiterlijk 18 maanden nadat aan de in lid 3 omschreven voorwaarden is voldaan;
(b)   de aanpassing van de schaal wordt voltooid, middels de herziening en inwerkingtreding van de desbetreffende gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 13, uiterlijk drie jaar nadat aan de in lid 3 omschreven voorwaarden is voldaan;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4
4.  De schaal van etiketten wordt op gezette tijden aangepast.
4.  De Commissie legt de vereisten vast voor nieuwe etiketten of etiketten waarvan de schaal is aangepast en streeft daarbij naar een verwachte geldigheidsduur van ten minste 10 jaar.
Met het oog hierop waarborgt de Commissie dat, wanneer een etiket wordt ingevoerd of de schaal ervan wordt aangepast, naar verwachting geen enkel product onder energieklasse A valt op het moment dat het etiket wordt ingevoerd.
Bij productgroepen waarvoor de in lid 3 bis, onder a) bedoelde voorbereidende studie een snelle technologische vooruitgang laat zien, wordt niet verwacht dat er producten onder de energieklassen A en B vallen op het moment dat het etiket wordt ingevoerd.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 5
5.  Wanneer de schaal van een etiket wordt aangepast:
5.  Wanneer, voor een bepaalde productgroep, tot de energie-efficiëntieklassen F of G behorende modellen niet langer in de handel mogen worden gebracht op grond van een uitvoeringsmaatregel voor milieuvriendelijk productontwerp die overeenkomstig Richtlijn 2009/125/EG is vastgesteld , wordt de klasse of worden de klassen in kwestie in het grijs op het etiket aangeduid overeenkomstig de betreffende gedelegeerde handeling. De standaard kleurenschaal van het etiket (van donkergroen tot rood) wordt gehandhaafd voor de overige hogere klassen. De wijzigingen zijn uitsluitend van toepassing op de nieuwe producteenheden die in de handel worden gebracht.
(a)   verstrekken de leveranciers gedurende een periode van zes maanden voorafgaand aan de onder b) bedoelde datum zowel het huidige etiket als het etiket met aangepaste schaal aan de handelaren;
(b)   vervangen de handelaren de bestaande etiketten op uitgestalde producten, inclusief op internet, uiterlijk een week na de voor dat doeleinde in de desbetreffende gedelegeerde handeling vastgelegde datum door de etiketten met aangepaste schaal. De handelaren geven de etiketten met aangepaste schaal voorafgaand aan die datum niet weer.
Handelaren mogen enkel energiegerelateerde producten zonder een etiket of een etiket met aangepaste schaal verkopen wanneer voor een bepaald product nooit een etiket (al dan niet met aangepaste schaal) is vervaardigd en de leverancier van het product niet meer actief is op de markt.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 6
6.   Etiketten die voorafgaand aan de datum van toepassing van deze verordening worden ingevoerd op grond van overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2010/30/EU vastgestelde gedelegeerde handelingen, worden beschouwd als etiketten in het kader van deze verordening. De Commissie evalueert die etiketten uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening met het oog op de aanpassing van de schaal ervan.
Schrappen
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 8
Productendatabank
Productendatabank
De Commissie zet een productendatabank op waarin de in bijlage I genoemde informatie wordt opgenomen, en houdt deze bij. De onder punt 1 van bijlage I genoemde informatie wordt openbaar gemaakt.
1.   De Commissie zet een productendatabank op die bestaat uit twee verschillende interfaces, de openbare interface en de compliance-interface, en houdt deze bij.
De openbare interface bevat de onder punt 1 van bijlage I genoemde informatie, in overeenstemming met de functionele vereisten als bedoeld in punt 3 van bijlage I.
De compliance-interface bevat de onder punt 2 van bijlage I genoemde informatie, in overeenstemming met de functionele vereisten als bedoeld in punt 4 van bijlage I.
2.   Wanneer leveranciers informatie invoeren in de productendatabank houden zij recht op toegang tot en wijziging van deze informatie. Eventuele wijzigingen worden gedateerd en zijn duidelijk zichtbaar voor de markttoezichthoudende autoriteiten.
In de compliance-interface opgenomen gegevens worden uitsluitend gebruikt voor doelen die verband houden met de handhaving van deze verordening en zijn verboden voor onbedoeld gebruik.
Leveranciers mogen krachtens artikel 3, lid 1, onder c) op hun servers technische documentatie, testrapporten of vergelijkbare documentatie over de conformiteitsbeoordeling bewaren, als bepaald in punt 2 bis van bijlage I, met betrekking tot tests die de leveranciers zelf hebben uitgevoerd. Deze informatie is uitsluitend toegankelijk voor de markttoezichthoudende autoriteiten en de Commissie.
Bij het instellen van de databank worden criteria gevolgd om de administratieve last voor leveranciers en andere databankgebruikers tot een minimum te beperken en de databank gebruiksvriendelijk en kostenefficiënt te maken.
De productendatabank vervangt of wijzigt de verantwoordelijkheden van de markttoezichtautoriteiten niet.
3.   Met steun van de markttoezichthoudende autoriteiten besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan het overgangsproces tot de openbare en compliance-interface volledig ten uitvoer zijn gelegd.
4.   De Commissie heeft de bevoegdheid om, overeenkomstig artikel 13, gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door de operationele details in verband met de opzet van de productendatabank te specificeren.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 2
Wanneer dergelijke geharmoniseerde normen bij de conformiteitsbeoordeling van een product worden toegepast, wordt het product geacht te voldoen aan de desbetreffende vereisten betreffende meting en berekening van de gedelegeerde handeling.
2.   Wanneer dergelijke geharmoniseerde normen bij de conformiteitsbeoordeling van een productmodel worden toegepast, wordt het product geacht te voldoen aan de desbetreffende vereisten betreffende meting en berekening van de gedelegeerde handeling.
2 bis.   geharmoniseerde normen zijn erop gericht het werkelijke gebruik van een product zo veel mogelijk na te bootsen terwijl een standaard testmethode wordt gebruikt, hetgeen niet mag afdoen aan de vergelijkbaarheid binnen de productgroep;
2 ter.   In de geharmoniseerde normen opgenomen meet- en berekeningsmethoden dienen betrouwbaar, nauwkeurig en reproduceerbaar te zijn en in overeenstemming met de vereisten van artikel 3, lid 1 bis.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
De Commissie draagt er zorg voor dat zij bij de uitvoering van haar werkzaamheden op grond van deze verordening ten aanzien van iedere gedelegeerde handeling oog heeft voor een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten en belanghebbende partijen van die productgroep, zoals het bedrijfsleven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de ambachtelijke industrie, handelaren, detailhandelaren, importeurs, milieuorganisaties en consumentenorganisaties. Met dat doel richt de Commissie een overlegforum op waarin deze partijen bijeen kunnen komen. Dit overlegforum kan worden gecombineerd met het in artikel 18 van Richtlijn 2009/125/EG genoemde overlegforum.
1.   De Commissie draagt er zorg voor dat zij bij de uitvoering van haar werkzaamheden op grond van deze verordening met het oog op de invoering van etiketten of de aanpassing van de schaal ervan uit hoofde van artikel 7, en met het oog op de opzet van de databank uit hoofde van artikel 8, oog heeft voor een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten, met inbegrip van markttoezichtautoriteiten, en belanghebbende partijen van die productgroep, zoals het bedrijfsleven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de ambachtelijke industrie, handelaren, detailhandelaren, importeurs, milieuorganisaties en consumentenorganisaties, alsook voor de betrokkenheid van het Europees Parlement.
2.   De Commissie richt een overlegforum op waarin de in lid 1 genoemde partijen daartoe bij elkaar komen. Dat overlegforum kan volledig of gedeeltelijk overeenkomen met het in artikel 18 van Richtlijn 2009/125/EG genoemde overlegforum. De notulen van de vergaderingen van het overlegforum worden gepubliceerd in de openbare interface van de op grond van artikel 8 opgezette databank.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 2
Indien passend onderzoekt de Commissie voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen of de consumenten het ontwerp en de inhoud van de etiketten van specifieke productgroepen goed begrijpen.
3.   Indien passend onderzoekt de Commissie voorafgaand aan de vaststelling krachtens deze verordening van gedelegeerde handelingen aan de hand van representatieve groepen consumenten van de Unie of de consumenten het ontwerp en de inhoud van de etiketten van specifieke productgroepen goed begrijpen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1
Na raadpleging van het in artikel 10 genoemde overlegforum stelt de Commissie een werkplan op, waarna dat werkplan wordt bekendgemaakt. Het werkplan bevat een indicatieve lijst van productgroepen die voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen als prioritair worden beschouwd. Het werkplan bevat plannen voor de herziening en aanpassing van de schaal van de etiketten van productgroepen. Het werkplan kan door de Commissie op gezette tijden worden gewijzigd na raadpleging van het overlegforum. Dit werkplan kan worden gecombineerd met het in artikel 16 van Richtlijn 2009/125/EG genoemde werkplan.
1.   Na raadpleging van het in artikel 10 genoemde overlegforum stelt de Commissie krachtens artikel 13 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening, teneinde een werkplan voor de lange termijn op te stellen, waarna dat werkplan wordt bekendgemaakt, onder meer via de openbare interface van de uit hoofde van artikel 8 opgezette databank.
2.   De Commissie verdeelt het werkplan onder in secties die prioriteiten bevatten voor de invoering van energie-efficiëntie-etiketten in nieuwe productgroepen en voor de aanpassing van de schaal van etiketten voor productgroepen.
De Commissie zorgt voor de noodzakelijke middelen voor het plan en de coherentie ervan.
Dit werkplan kan worden gecombineerd met het in artikel 16 van Richtlijn 2009/125/EG genoemde werkplan inzake ecologisch ontwerp.
De Commissie actualiseert het werkplan geregeld, na raadpleging van het overlegforum. Het Europees Parlement en de Raad worden jaarlijks geïnformeerd over de voorgang bij het werkplan en worden formeel op de hoogte gebracht van eventuele wijzigingen ervan.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende gedetailleerde vereisten met betrekking tot etiketten voor specifieke groepen energiegerelateerde producten ("specifieke productgroepen").
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door gedetailleerde vereisten vast te stellen met betrekking tot etiketten voor specifieke groepen energiegerelateerde producten ("specifieke productgroepen").
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  In de gedelegeerde handelingen worden productgroepen gespecificeerd die aan de volgende criteria voldoen:
2.  In de gedelegeerde handelingen worden productgroepen gespecificeerd die aan de volgende criteria voldoen:
(a)  volgens de meest recente cijfers en rekening houdend met de hoeveelheden die in de Unie in de handel worden gebracht, heeft de productgroep een significant potentieel voor besparing van energie en, waar van toepassing, van andere hulpbronnen;
(a)  gezien de feitelijke penetratie van de Uniemarkt, is er een significant potentieel voor besparing van energie en, waar van toepassing, van andere hulpbronnen;
(b)  productgroepen met een soortgelijke werking verschillen sterk wat de desbetreffende prestatieniveaus betreft;
(b)  binnen de productgroep verschillen de modellen met een soortgelijke werking sterk wat hun energie-efficiëntieniveaus betreft;
(c)  er is geen significant nadelig effect wat de betaalbaarheid en de levenscycluskosten van de productgroep betreft.
(c)  er zijn geen significant negatieve effecten op de betaalbaarheid, de levenscycluskosten en de werking van het product vanuit het oogpunt van de gebruiker.
Amendementen 73 en 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  In de gedelegeerde handelingen met betrekking tot specifieke productgroepen wordt met name het volgende gespecificeerd:
3.  In de gedelegeerde handelingen met betrekking tot specifieke productgroepen wordt voor de desbetreffende productgroep met name het volgende gespecificeerd:
(a)  de omschrijving van de specifieke productgroepen die onder de in artikel 2, lid 11, vastgelegde definitie van "energiegerelateerd product" vallen en waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is;
(a)  de omschrijving van de energiegerelateerde producten waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is;
(b)  het ontwerp en de inhoud van het etiket, met inbegrip van een schaalindeling van A tot en met G die het energieverbruik weergeeft, zijn voor alle productgroepen uniform en in elk geval duidelijk en goed leesbaar;
(b)  het ontwerp, de dimensies en de inhoud van het etiket, dat in alle gevallen duidelijk en leesbaar moet zijn, waarbij rekening wordt gehouden met slechtziende klanten, en waarop op een prominente plaats de volgende informatie wordt aangeduid die is vastgesteld in overeenstemming met de betreffende gedelegeerde handeling:
(i)   een schaalindeling van A tot en met G die de energie-efficiëntie-klasse van het corresponderende productmodel weergeeft, die voor alle productgroepen uniform en in elk geval duidelijk en goed leesbaar is;
(ii)   het absolute energieverbruik in kWh, getoond per jaar of een andere relevante periode.
(c)  indien passend, het gebruik van andere hulpmiddelen en aanvullende informatie met betrekking tot energiegerelateerde producten, waarbij de nadruk op het etiket op de energie-efficiëntie van het product wordt gelegd;
(c)  indien passend, het gebruik van andere hulpmiddelen en aanvullende informatie met betrekking tot energiegerelateerde producten, waarbij de nadruk op het etiket op de energie-efficiëntie van het product wordt gelegd;
(c bis)   indien passend, de opname van een verwijzing op het etiket waaruit de consument kan afleiden of het een product met verbindingsmogelijkheden betreft (d.w.z. een intelligent apparaat);
(d)  de plekken waarop het etiket wordt weergegeven, zoals op het product bevestigd, op de verpakking afgedrukt, in elektronische vorm ter beschikking gesteld of op internet weergegeven;
(d)  de plekken waarop het etiket wordt weergegeven, zoals op het product bevestigd waar het niet beschadigd raakt, op de verpakking afgedrukt, in elektronische vorm ter beschikking gesteld of op internet weergegeven;
(e)  indien passend, elektronische middelen voor de etikettering van producten;
(e)  indien passend, elektronische middelen voor de etikettering van producten;
(f)  de manier waarop het etiket en de technische informatie bij verkoop op afstand worden verstrekt;
(f)  de manier waarop het etiket en de technische informatie bij verkoop op afstand worden verstrekt;
(g)  de inhoud en, indien passend, het formaat en andere details met betrekking tot de technische documentatie en het productinformatieblad;
(g)  de vereiste inhoud en, indien passend, het formaat en andere details met betrekking tot het productinformatieblad en de technische documentatie;
(h)  bij de controle van de naleving van de vereisten zijn uitsluitend de in de gedelegeerde handeling(en) vastgelegde controletoleranties van toepassing;
(h)  bij de controle van de naleving van de vereisten zijn uitsluitend de in de gedelegeerde handeling(en) vastgelegde controletoleranties van toepassing;
(i)  de verplichtingen van de leveranciers en handelaren in verband met de productendatabank;
(i)  de verplichtingen van de leveranciers en handelaren in verband met de productendatabank;
(j)  de specifieke vermelding van de energieklasse die moet worden opgenomen in advertenties en technisch reclamemateriaal, met inbegrip van vereisten betreffende de leesbaarheid en de zichtbaarheid;
(j)  indien van toepassing, de specifieke vermelding van de energieklasse die moet worden opgenomen in advertenties en technisch reclamemateriaal, met inbegrip van vereisten betreffende de leesbaarheid en de zichtbaarheid;
(k)  de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures alsmede de meet- en berekeningsmethoden die moeten worden gebruikt om de gegevens betreffende het etiket en het informatieblad te bepalen;
(k)  de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures alsmede de meet- en berekeningsmethoden, als vastgelegd in artikel 9, die moeten worden gebruikt om de gegevens betreffende het etiket en het informatieblad te bepalen, met inbegrip van de definitie van de energie-efficiëntie-index (EEI) of een equivalente parameter, en de schalen A tot en met G die de energie-efficiëntieklassen vertegenwoordigen;
(l)   of voor grotere toestellen een hoger niveau van energie-efficiëntie is vereist om een bepaalde energieklasse te bereiken;
(l)  of voor grotere toestellen een hoger niveau van energie-efficiëntie is vereist om een bepaalde energieklasse te bereiken;
(m)   het formaat van alle aanvullende verwijzingen op het etiket waarmee klanten op elektronische wijze toegang kunnen krijgen tot meer gedetailleerde informatie over de prestaties van het product, onder meer in het productinformatieblad;
(m)   het formaat van alle aanvullende verwijzingen op het etiket waarmee klanten op elektronische wijze toegang kunnen krijgen tot meer gedetailleerde informatie over de prestaties van het product, onder meer in het productinformatieblad;
(n)   of en op welke manier de energieklassen die het energieverbruik van het product tijdens het gebruik omschrijven op slimme meters of op het interactieve scherm van het product moeten worden weergegeven;
(n)   of en op welke manier de energieklassen die het energieverbruik van het product tijdens het gebruik omschrijven op slimme meters of op het interactieve scherm van het product moeten worden weergegeven;
(o)   de uiterlijk datum voor de beoordeling en eventuele herziening van de gedelegeerde handeling.
(o)   de uiterlijk datum voor de beoordeling en eventuele herziening van de gedelegeerde handeling;
Met betrekking tot de in de eerste alinea, onder b), bedoelde inhoud van het etiket, stemmen de stappen A tot en met G van de indeling in klassen overeen met significante energie- en kostenbesparingen vanuit het oogpunt van de eindgebruiker.
De in de eerste alinea, onder m) bedoelde verwijzingen kunnen de vorm hebben van een internetadres, een QR-code (Quick Response), een koppeling op online etiketten, of elk ander passend, op de consument gericht middel.
De in de eerste alinea, onder m) bedoelde verwijzingen kunnen de vorm hebben van een internetadres, een dynamische QR-code (Quick Response), een koppeling op online etiketten, of elk ander passend, op de consument gericht middel dat gekoppeld is aan de openbare interface van de krachtens artikel 8 opgezette databank.
De invoering van een etiket voor een product dat onder een gedelegeerde handeling valt, mag vanuit het oogpunt van de gebruiker geen significant negatief effect op de werking van het product hebben.
Het in de eerste alinea onder g) vermelde productinformatieblad voorziet in directe koppelingen naar de openbare interface van de krachtens artikel 8 opgezette databank, en het wordt aan consumenten ter beschikking gesteld in alle officiële talen van de Unie van de nationale markten waar het desbetreffende productmodel in de handel is gebracht.
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen met betrekking tot operationele details betreffende de productendatabank vast te stellen, met inbegrip van verplichtingen voor leveranciers en handelaren overeenkomstig artikel 13.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door operationele details in verband met de productendatabank vast te stellen, met inbegrip van verplichtingen voor leveranciers en handelaren.
Met betrekking tot de onder g), van de eerste alinea bedoelde informatie en om de nodige bescherming van vertrouwelijke informatie en technische documentatie te verzekeren, wordt in deze gedelegeerde handelingen gespecificeerd welke informatie in de productendatabank moet worden vermeld en welke informatie beschikbaar moet zijn op verzoek van de nationale autoriteiten en de Commissie.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De Commissie houdt een bijgewerkte inventaris bij van alle gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening en de gedelegeerde handelingen die Richtlijn 2009/125/EG betreffende ecologisch ontwerp ontwikkelen, met inbegrip van alle geharmoniseerde normen die voldoen aan de desbetreffende in artikel 9 vastgelegde meet- en berekeningsmethoden, en maakt deze inventaris openbaar beschikbaar.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  De in de artikelen 7 en 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van toepassing van deze verordening.
2.  De in de artikelen 7,  8, lid 4, artikel 11, lid 1, en 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van zes jaar met ingang van 1 januari 2017.
De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie.
De bevoegdheids​delegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 7 en 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in deze verordening genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 7, 8, lid 4, 11, lid 1, en 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Voordat zij een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 5
5.  Een overeenkomstig de artikelen 7 en 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar maakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd.
5.  Een overeenkomstig de artikelen 7, 8 lid 4, 11, lid 1, en 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar maakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – alinea 1
Uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding evalueert de Commissie de toepassing van deze verordening en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt beoordeeld in welke mate deze verordening klanten op doeltreffende wijze de mogelijkheid heeft gegeven efficiëntere producten te kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten ervan op het bedrijfsleven.
Uiterlijk … [zes jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie de toepassing van deze verordening en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt beoordeeld in welke mate deze verordening en de gedelegeerde handelingen ervan klanten op doeltreffende wijze de mogelijkheid heeft gegeven energie-efficiëntere producten te kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met criteria zoals de effecten ervan op het bedrijfsleven, energieverbruik, broeikasgasemissies, markttoezichtactiviteiten, en de kosten om de databank tot stand te brengen en bij te houden.
De overeenkomstig lid 1 uitgevoerde evaluatieprocedure maakt uitdrukkelijk gebruik van de door artikel 5 vastgestelde jaarlijkse follow-upverslagen betreffende handhaving en markttoezicht.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – alinea 3
Artikel 3, lid 1, onder d), is evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 2019.
Artikel 3, lid 1, onder d), is van toepassing zodra de openbare interface van de krachtens artikel 8 opgezette productendatabank volledig operationeel is en in ieder geval niet later dan met ingang van 1 januari 2018.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Bijlage I - titel en punt 1
In de productendatabase op te nemen informatie
In de productendatabase op te nemen informatie, plus functionele vereisten
1.  Publiekelijk beschikbare productinformatie:
1.  In de openbare interface van de productendatabase op te nemen informatie:
(a)  de naam of het handelsmerk van de fabrikant of leverancier;
(a)  de naam of het handelsmerk, het adres, de contactgegevens en andere wettelijke identificatiegegevens van de leverancier;
(a bis)   de contactgegevens van de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten;
(b)  de typeaanduiding(en), met inbegrip van die van alle gelijkwaardige modellen;
(b)  de typeaanduiding(en), met inbegrip van die van alle gelijkwaardige modellen;
(c)  het etiket in elektronisch formaat;
(c)  het etiket in elektronisch formaat;
(d)  de klasse(n) en andere parameters op het etiket;
(d)  de energie-efficiëntieklasse(n) en andere parameters van het etiket;
(e)  het productinformatieblad in elektronisch formaat.
(e)  de parameters van het productinformatieblad in elektronisch formaat;
(e bis)   de educatieve en informatieve campagnes van de lidstaten als bedoeld in artikel 4, lid 4;
(e ter)   het werkplan van de Commissie als bedoeld in artikel 11;
(e quater)   notulen van het overlegforum;
(e quinquies)   de inventaris van gedelegeerde handelingen en toepasselijke geharmoniseerde normen.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2
2.  Informatie over de naleving die uitsluitend beschikbaar is voor de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten en de Commissie:
2.  In de compliance-interface van de productendatabase op te nemen informatie:
(a)  de in de toepasselijke gedelegeerde handeling gespecificeerde technische documentatie;
(a)  het testrapport of vergelijkbare documentatie over de conformiteitsbeoordeling op basis waarvan de naleving van alle vereisten van de toepasselijke gedelegeerde handeling kan worden beoordeeld, met inbegrip van de testmethoden en reeksen metingen;
(b)  het testrapport of vergelijkbaar technisch bewijsmateriaal op basis waarvan de naleving van alle vereisten van de toepasselijke gedelegeerde handeling kan worden beoordeeld;
(b)  voorlopige maatregelen die in het kader van markttoezicht in verband met deze verordening zijn aangenomen;
(c)  de naam en het adres van de leverancier;
(c)  de in artikel 3, lid 1, onder c), bedoelde technische documentatie:
(c bis)   de rechtstreekse contactgegevens van de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten en de coördinatie van de Commissie;
(c ter)   het resultaat van de conformiteitscontroles van de lidstaten en de Commissie en, indien van toepassing, corrigerende handelingen en beperkende maatregelen die de markttoezichtautoriteiten hebben genomen als bedoeld in artikelen 5 en 6.
(d)   de contactgegevens van de vertegenwoordiger van de leverancier.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.   Functionele vereisten voor de openbare interface van de productendatabank:
(a)   ieder productmodel wordt georganiseerd als een afzonderlijk dossier;
(b)   het stelt consumenten in staat voor iedere productgroep gemakkelijk de beste energieklasse te vinden, waardoor ze kenmerken van modellen kunnen vergelijken en de meest energie-efficiënte producten kunnen vinden en kiezen;
(c)   het genereert het energie-etiket van ieder product in een zichtbaar en afdrukbaar formaat, evenals de taalversies van het volledige productinformatieblad, beschikbaar in alle officiële talen van de Unie;
(d)   de informatie is machinaal leesbaar, sorteerbaar en doorzoekbaar, waarbij open standaarden voor kosteloos gebruik door derden worden geëerbiedigd;
(e)   dubbele registratie wordt automatisch vermeden;
(f)   er wordt een online helpdesk of contactpunt voor consumenten opgezet en gehandhaafd, waarnaar duidelijk wordt verwezen op de interface.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 ter (nieuw)
2 ter.   Functionele vereisten voor de compliance-interface van de productendatabank:
(a)   er wordt gezorgd voor strikte veiligheidsregelingen ter bescherming van vertrouwelijke informatie;
(b)   toegangsrechten zijn gebaseerd op het beginsel van de noodzaak van kennisneming;
(c)   er wordt een link gecreëerd naar het Informatie- en communicatiesysteem over markttoezicht (ICSMS).

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0213/2016).


Europese grens- en kustwacht ***I
PDF 248kWORD 95k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2007/2004, Verordening (EG) nr. 863/2007 en Besluit 2005/267/EG van de Raad (COM(2015)0671 – C8-0408/2015 – 2015/0310(COD))
P8_TA(2016)0305A8-0200/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0671),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 77, lid 2, onder b) en d), en 79, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0408/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie visserij (A8-0200/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 juli 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1624.)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Europees Agentschap voor maritieme veiligheid ***I
PDF 244kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (COM(2015)0667 – C8-0404/2015 – 2015/0313(COD))
P8_TA(2016)0306A8-0215/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0667),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0404/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van woensdag 16 maart 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0215/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 juli 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1625)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Communautair Bureau voor visserijcontrole ***I
PDF 242kWORD 62k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole (COM(2015)0669 – C8-0406/2015 – 2015/0308(COD))
P8_TA(2016)0307A8-0068/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0669),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0406/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0068/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 juli 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1626.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Secretariaat van het Comité van toezicht van OLAF ***I
PDF 268kWORD 64k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft het secretariaat van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (COM(2016)0113 – C8-0109/2016 – 2016/0064(COD))
P8_TA(2016)0308A8-0188/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0113),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0109/2016),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 5 april 2016(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 8 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0188/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaring van de Commissie;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 juli 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft het secretariaat van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/2030.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

De Commissie zet zich ten volle in voor het onafhankelijk functioneren van het secretariaat van het Comité van toezicht van OLAF. Het belangrijkste doel van de voorgestelde wijziging van de OLAF-verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 is meer garanties te bieden voor de onafhankelijkheid van het secretariaat. Dit streven zal de leidraad zijn bij de tenuitvoerlegging van de gewijzigde verordening.

Zoals vicepresident Georgieva in haar brief van 20 mei 2016 aan de voorzitter van het Comité van toezicht heeft bevestigd, is de Commissie voornemens het secretariaat van het Comité vanaf de datum van toepassing van de gewijzigde verordening over te dragen aan PMO. Deze overdracht zal louter administratief van aard zijn, om bepaalde organisatorische en budgettaire aspecten te vergemakkelijken. Zij zal het onafhankelijk functioneren van het secretariaat niet in het gedrang brengen.

Zoals eveneens in de brief wordt vermeld, zal de administratieve overdracht van het secretariaat naar PMO geen impact hebben op de huidige personeelssterkte en begrotingsmiddelen. Het hoofd van het secretariaat zal bevoegd zijn voor het beheer en de beoordeling van zijn personeel. De beoordeling van het hoofd van het secretariaat zal gebeuren aan de hand van een rapport van het Comité van toezicht.

Na raadpleging van het Comité van toezicht zal de Commissie de passende interne regels voor interne mobiliteit vaststellen om de duur van de detachering bij het secretariaat te beperken en tegelijk continuïteit te verzekeren, zodat het secretariaat daadwerkelijk onafhankelijk kan functioneren en belangenconflicten en draaideurproblemen met OLAF worden vermeden

De wijziging van de verordening heeft geen gevolgen voor de toegang van het Comité van toezicht tot informatie in de IT-systemen, databanken en documenten van OLAF.

De kantoren van het personeel van het secretariaat van het Comité van toezicht blijven in het gebouw waar OLAF momenteel is gevestigd, om aldus het onafhankelijk functioneren van het Comité van toezicht en OLAF te verzekeren, en tegelijkertijd vlotte contacten te verzekeren.

(1) PB C 150 van 27.4.2016, blz. 1.


Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel
PDF 325kWORD 138k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel (2015/2353(INI))
P8_TA(2016)0309A8-0224/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name artikel 2,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623 van 21 april 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de instellingen die de nationale regeringen vertegenwoordigen(7),

–  gezien zijn resoluties van 19 november 2013 over het MFK 2014-2020(8) en over het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(9),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over het politiek akkoord over het MFK 2014-2020(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2013 over het meerjarig financieel kader(11),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over het bereiken van een positief resultaat van de goedkeuringsprocedure van het meerjarig financieel kader 2014-2020(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 getiteld "Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa"(13),

–  gezien de interinstitutionele gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse toetsing van het meerjarig financieel kader,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid(A8-0224/2016),

A.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) voor het eerst is vastgesteld onder de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waarin staat dat de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure de MFK-verordening met eenparigheid van stemmen vaststelt, na goedkeuring door het Europees Parlement;

B.  overwegende dat het huidige MFK, waarover in 2013 overeenstemming werd bereikt, de prioriteiten ten tijde van de vaststelling ervan weerspiegelt; overwegende dat de EU ook in de komende jaren voor uitdagingen zal komen te staan die niet waren voorzien toen het MFK werd goedgekeurd; overwegende dat de financieringsprioriteiten van de EU zijn verveelvoudigd, terwijl het MFK onveranderd is gebleven;

C.  overwegende dat het Parlement, teneinde de democratische legitimiteit van het nieuwe MFK te waarborgen en de nieuwe Commissie en het nieuwgekozen Parlement in de gelegenheid te stellen de politieke en begrotingsprioriteiten van de EU te beoordelen en te bekrachtigen, op een postelectorale herzieningsclausule had aangedrongen;

D.  overwegende dat het akkoord over het MFK 2014-2020 het resultaat was van een lang en zwaar onderhandelingsproces, dat plaatsvond in een zeer moeilijke sociale, economische en financiële context; overwegende dat het MFK uiteindelijk over de hele linie werd verlaagd in vergelijking met de voorgaande programmeringsperiode;

E.  overwegende dat het Parlement, nadat het politiek gezien onhaalbaar was gebleken om de door de Europese Raad overeengekomen totale MFK-bedragen te veranderen, in de onderhandelingen wel met succes heeft aangedrongen op de opname in de MFK-verordening van een specifiek artikel betreffende een verplichte en alomvattende toetsing/herziening van het MFK, de vaststelling van nieuwe en aangescherpte flexibiliteitsbepalingen, en de oprichting van een Groep op hoog niveau voor eigen middelen;

Wettelijk kader en toepassingsgebied van de tussentijdse toetsing/herziening

1.  herinnert eraan dat - in overeenstemming met artikel 2 van de MFK-verordening - de Commissie het MFK vóór eind 2016 aan een toetsing moet onderwerpen en daarbij rekening moet houden met de economische situatie op dat moment, alsook met de meest recente macro-economische vooruitzichten, en dat ze deze toetsing in voorkomend geval vergezeld moet doen gaan van een wetgevingsvoorstel voor de herziening van de MFK-verordening;

2.  is in dit verband van oordeel dat, terwijl het woord "toetsing" aangeeft dat het een beoordeling van het MFK en de toepassing ervan betreft in het licht van nieuwe economische omstandigheden en andere nieuwe ontwikkelingen, waarbij de wetgevingsstatus wordt gehandhaafd, de term "herziening" een wijziging van de MFK-verordening impliceert, inclusief (afgezien van de wetgevingsbepalingen) de MFK-plafonds, met inachtneming van artikel 312 VWEU en de beperkingen van het toepassingsgebied van de MFK-herziening zoals bedoeld in de laatste zin van artikel 2 van de MFK-verordening; herinnert eraan dat in dit artikel staat dat bij een herziening de eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen niet worden verlaagd; benadrukt dat er geen andere beperkingen voor de herziening van het MFK zijn vastgesteld en dat een verhoging van de MFK-plafonds dus mogelijk is; beklemtoont in dit verband dat in artikel 323VWEU staat dat erop wordt toegezien dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee zij haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen;

3.  herinnert eraan dat in artikel 311 VWEU staat dat de Unie zich van de middelen voorziet die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen; is derhalve van oordeel dat indien bij de toetsing wordt geconcludeerd dat de huidige plafonds te laag zijn het een op het primair recht stoelende vereiste is om de plafonds te verhogen;

4.  benadrukt dat artikel 17 van de MFK-verordening voorziet in de mogelijkheid het MFK in het geval van onvoorziene omstandigheden te herzien; wijst op de enorme omvang van de crises die de Unie hebben getroffen sinds de vaststelling van het huidige MFK in 2013;

5.  beklemtoont dat deze resolutie alleen tot doel heeft de begrotingsaspecten van de toepassing van het MFK te analyseren en dat de rechtsgrondslagen voor de sectorale wetgeving derhalve niet aan bod komen; wijst er overigens op dat veel EU-maatregelen en -programma's aan een toetsing c.q. herziening moeten worden onderworpen, in veel gevallen in 2017;

I.Toetsing van het MFK – de eerste jaren

6.  is van oordeel dat bij een toetsing van het MFK in 2016 rekening moet worden gehouden met een aantal ernstige crises en nieuwe politieke initiatieven, én hun respectieve begrotingsgevolgen, die niet konden worden voorzien op het moment dat het MFK werd vastgesteld; refereert hier onder andere aan de migratie- en vluchtelingencrisis, externe noodsituaties, interne veiligheidskwesties, de crisis in de landbouwsector, de financiering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de betalingscrisis in de EU-begroting, aanhoudende hoge werkloosheid, met name onder jongeren, alsook de armoede en sociale uitsluiting; wijst daarnaast op de recente internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en de toenemende druk op het ontwikkelingsbeleid; merkt op dat voor het financieren van de bijkomende, urgente behoeften op niet eerder geziene wijze gebruik moest worden gemaakt van de flexibiliteitsmechanismen en de speciale instrumenten van het MFK, aangezien de MFK-plafonds in een aantal rubrieken te laag bleken te zijn; is van oordeel dat het MFK de afgelopen twee jaar de grenzen van het haalbare heeft bereikt;

7.  beklemtoont dat de EU-begroting bij de politieke en strategische prioriteiten van de Unie moet aansluiten en evenwicht moet waarborgen tussen prioriteiten op de lange termijn en nieuwe uitdagingen; benadrukt in dit verband de belangrijke rol die de EU-begroting moet spelen bij het verwezenlijken van de gezamenlijk overeengekomen EU 2020-strategie, die de voornaamste beleidsoriëntatie en de belangrijkste prioriteit vormt; is derhalve van mening dat de toetsing van het MFK ook een kwalitatieve analyse moet bevatten van de vraag of en in welke mate de in deze strategie opgenomen doelstellingen zijn verwezenlijkt; benadrukt dat deze evaluatie gekoppeld is aan een raming met betrekking tot de vraag of de financiële middelen die voor de resterende jaren van het huidige MFK zijn uitgetrokken ter ondersteuning van deze strategie voldoende zullen zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging ervan;

A.Belangrijke gebeurtenissen en uitdagingen

Migratie- en vluchtelingencrisis

8.  beklemtoont dat de conflicten in Syrië, het Midden-Oosten en verschillende regio's in Afrika ongekende humanitaire en migratiegevolgen hebben gehad; herinnert eraan dat de EU rechtstreeks met de gevolgen ervan te maken heeft gekregen, met meer dan één miljoen vluchtelingen die alleen al in 2015 naar Europa zijn gekomen en naar verwachting meer vluchtelingen in de komende jaren; herinnert eraan dat de EU in reactie op deze crisis een belangrijke financiële inspanning heeft geleverd en dat dit een grote impact op de begroting van de Unie heeft gehad, met name op de rubrieken 3 (veiligheid en burgerschap) en 4 (mondiaal Europa);

9.  herinnert eraan dat de aanvullende maatregelen in het kader van de Europese Agenda voor migratie in 2015 een direct begrotingsgevolg hebben gehad, zoals tot uitdrukking is gekomen in gewijzigde begrotingen 5/2015 en 7/2015; herinnert er verder aan dat het gebruik van een extra bedrag van 1 506 miljoen EUR in de begroting voor 2016 – via de mobilisering van het flexibiliteitsinstrument – was goedgekeurd om over bijkomende middelen te beschikken voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde maatregelen onder rubriek 3 (veiligheid en burgerschap), zoals het aanvullen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF), alsook over middelen voor de drie migratiegerelateerde agentschappen, te weten Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Europol;

10.  stelt vast deze begrotingsbeslissingen de kleine marge onder deze rubriek volledig hebben opgesoupeerd en tot een de facto herziening van de plafonds onder rubriek 3 hebben geleid; vestigt daarnaast de aandacht op de nieuwe voorstellen van de Commissie en hun verwachte impact op de EU-begroting, in concreto het voorstel voor een herschikking van de "Dublin III"-verordening, met een totaal begrotingseffect van 1 829 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, het voorstel voor de oprichting van het Europees Agentschap voor grens- en kustbewaking, met een totaalbudget van 1 212 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, en het nieuwe noodhulpmechanisme, waarvoor in de periode 2016-2018 naar verwachting ten minste 700 miljoen EUR nodig zal zijn; beklemtoont dat de situatie zo nijpend is dat de aanvullende kredieten die in november 2015 voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) waren goedgekeurd in maart 2016 moesten worden verlaagd om over middelen voor nog urgentere doeleinden te kunnen beschikken, te weten de terbeschikkingstelling van humanitaire hulp in de EU via het hierboven genoemde noodhulpmechanisme;

11.  is van mening dat de oplossing van de Europese migratie- en vluchtelingencrisis een Europese benadering vereist die is gebaseerd op solidariteit en lastendeling; benadrukt in dit verband dat lidstaten vanuit de EU-begroting moeten worden ondersteund om de financiële lasten die gepaard gaan met de opvang van vluchtelingen te verlichten, aangezien op deze manier de druk op de begrotingen van de lidstaten die met een zeer hoge instroom van vluchtelingen kampen, wordt verminderd; onderstreept dat deze benadering synergieën tot stand zal brengen en bovendien efficiënt en kosteneffectief is voor alle lidstaten;

12.  beklemtoont dat significante, maar toch nog onvoldoende begrotingsmiddelen zijn ingezet voor het aanpakken van de oorzaken van de vluchtelingen- en migrantencrisis middels versterking van de specifieke EU-programma's onder rubriek 4; herinnert aan de genomen maatregelen, zoals de hertoewijzing van 170 miljoen EUR aan migratie- en vluchtelingengerelateerde acties in de loop van 2015, alsook aan de goedkeuring van een aanvullend bedrag van 130 miljoen EUR onder rubriek 4 voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde activiteiten in 2016, en aan de herverdeling van 430 miljoen EUR onder het Instrument voor pretoetredingssteun, het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees Nabuurschapsinstrument; herinnert er verder aan dat de Commissie voor het aanpakken van de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis diverse aanvullende voorstellen heeft gedaan met gevolgen voor de EU-begroting, zoals het voorstel voor de oprichting van EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het noodtrustfonds voor Afrika met een geschatte begrotingsimpact van in eerste instantie 570 miljoen EUR, respectievelijk 405 miljoen EUR), en het voorstel voor de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, waarvoor het de bedoeling is 1 miljard EUR met middelen van de EU-begroting te financieren, met mogelijkerwijs behoefte aan nog meer financiële middelen in de toekomst; beklemtoont dat de druk op de EU-begroting door andere geplande acties van de Commissie, zoals de "London pledge", of door besluiten van de top EU-Turkije op 18 maart 2016, nog verder zou kunnen toenemen; beklemtoont dat nieuwe aanvullende begrotingsmiddelen gebruikt zouden kunnen worden voor hulp aan de meest kwetsbare migranten, in het bijzonder vrouwen, kinderen en leden van de LGBTI-gemeenschap; vindt het evenwel zorgwekkend dat de omvang van de problemen waar de EU mee wordt geconfronteerd, betekent dat het optreden nog meer moet worden uitgebreid;

13.  concludeert dat de omvang van de migranten- en vluchtelingencrisis en de financiële impact van de door de Commissie genomen maatregelen om deze kwestie aan te pakken op het moment van de vaststelling van het MFK 2014-2020 niet hadden kunnen worden voorzien; onderstreept dat het gebrek aan voldoende financiële middelen de EU heeft gedwongen ad-hocinstrumenten te ontwikkelen, die gezamenlijk gefinancierd werden door de lidstaten, de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds, zoals de EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het EU-noodtrustfonds voor Afrika) en de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije; herinnert eraan dat het ontbreken van een algemene begrotingsstrategie voor het aanpakken van de migranten- en vluchtelingencrisis ertoe heeft geleid dat het Parlement wat betreft besluiten over het gebruik van de middelen van de EU-begroting op een zijspoor terecht is gekomen; geeft aan dat de toename van de instrumenten in kwestie problemen ten aanzien van controleerbaarheid en democratisch toezicht in de EU creëert, en dat deze moeten worden opgelost; betreurt verder het feit dat de lidstaten de door hen toegezegde gelden nog altijd niet aan de trustfondsen hebben overgemaakt en daarmee het succes van die fondsen in gevaar brengen; roept de lidstaten nogmaals op zich aan hun beloften en verantwoordelijkheden te houden;

Laag investeringsniveau

14.  wijst erop dat de EU sinds het begin van de mondiale financieel-economische crisis te kampen heeft met lage en ondermaatse investeringsniveaus; wijst er in het bijzonder op dat de totale investeringen in 2014 15 % onder het niveau van 2007 lagen, hetgeen neerkomt op een daling van de investeringen met 430 miljard EUR; geeft aan dat achterblijvende investeringsniveaus het economisch herstel bemoeilijken en grote gevolgen hebben voor groei, banen en het concurrentievermogen;

15.  beklemtoont dat de nieuwe Commissie in reactie op dit nijpende probleem in 2014 voorstellen heeft gedaan voor een investeringsplan voor Europa en voor de oprichting van het EFSI, ter mobilisering van 315 miljard EUR voor nieuwe investeringen in de reële economie; verklaart opnieuw veel waarde te hechten aan het EFSI, waarvan een krachtige en gerichte impuls wordt verwacht aan economische sectoren die groei en werkgelegenheid bevorderen; neemt er nota van dat een aantal projecten reeds goedgekeurd is en zich in de implementatiefase bevindt; wijst erop dat de garantie van de Unie voor het EFSI gedekt wordt door een met middelen van de EU-begroting gefinancierd garantiefonds ten belope van 8 miljard EUR;

16.  brengt in herinnering dat deze aanvullende financiering alleen ter beschikking kon worden gesteld door een uiteindelijke verlaging van twee belangrijke EU-programma's, Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), met 2,2 miljard EUR, respectievelijk 2,8 miljard EUR, en dat de overige 3 miljard EUR afkomstig is van niet-toegewezen MFK-marges; vindt het belangrijk erop te wijzen dat het Parlement zich er in de EFSI-onderhandelingen voor heeft ingezet de mogelijke negatieve gevolgen voor deze twee programma's, waarvan de financiële middelen, die nog maar in 2013 werden vastgesteld, tijdens de onderhandelingen over het MFK 2014-2020 in vergelijking met het voorstel van de Commissie significant werden verlaagd, zoveel mogelijk te beperken;

17.  vindt het betreurenswaardig dat rationaliseringen van de begroting dikwijls als eerste hun weerslag hebben op het gedeelte van de EU-begroting dat voor onderzoek en innovatie is bestemd; wijst erop O&O-programma's Europese meerwaarde opleveren, en onderstreept de belangrijke rol van deze programma's voor het ondersteunen van het concurrentievermogen en, in het verlengde daarvan, het waarborgen van toekomstige groei en welvaart op de lange termijn in de Unie;

18.  wijst er in dit verband op dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie heeft plaatsgevonden van financiële middelen voor Horizon 2020 (200 miljoen EUR voor de Europese Onderzoeksraad en Marie Curie-acties) en voor COSME (50 miljoen EUR), ter compensatie van de verlaging van de kredieten in 2013 en 2014; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; beklemtoont overigens dat de naar voren gehaalde financiële middelen voor Horizon 2020 en COSME volledig zijn geabsorbeerd, waarmee is aangetoond dat deze programma's goed functioneren en in staat zijn nog meer middelen te absorberen;

19.  vindt het verder uitermate zorgwekkend dat het succespercentage van Horizon 2020 gedaald is naar 13%, terwijl zijn voorloper (FP7) in de vorige programmeringsperiode nog een succespercentage kende van 20-22%; betreurt het dat derhalve minder kwalitatief hoogwaardige onderzoeks- en innovatieprojecten EU-financiering ontvangen; neemt er ook kennis van dat een groot aantal aanvragen betreffende de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen wordt afgewezen vanwege een tekort aan middelen;

Jeugdwerkloosheid

20.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid onverminderd extreem hoog blijft en daarmee op dit moment een van de meest urgente en nijpende problemen voor de EU is; onderstreept dat in februari 2016 in de Unie 4,4 miljoen personen jonger dan 25 jaar werkloos waren en dat dit in verschillende lidstaten neerkomt op meer dan 40 %, met uitschieters van meer dan 60 % in bepaalde regio's en gebieden van de EU; beklemtoont dat de arbeidsparticipatie in de EU ver achterblijft bij de doelstelling voor 2020; wijst erop dat daardoor te veel jongeren het risico lopen op sociale uitsluiting en benadrukt dat er meer specifieke maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's); wijst erop dat het grote aantal hoogopgeleide en goedgetrainde arbeidskrachten een grote invloed heeft op het concurrentievermogen, de innovatiecapaciteit en de productiviteit van Europa, en beklemtoont in dit verband de noodzaak van investeringen in onderwijs, opleiding, jeugd en cultuur; erkent daarnaast het belang van de EU-jongerenstrategie 2010-2018;

21.  beklemtoont dat de EU veel begrotingsmiddelen ter beschikking stelt voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, in het bijzonder via het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI); wijst erop dat de Commissie heeft aangegeven dat, met het oog op de financieringsstromen van het programma, de aanwijzing van uitvoerende instanties een belangrijke uitdaging is geweest; benadrukt daarnaast dat ondanks de aanvankelijke vertragingen bij de bedoelde aanwijzingen en de tenuitvoerlegging van het YEI de actuele cijfers aangegeven dat de volledige absorptiecapaciteit is bereikt (onder meer door middel van een aanzienlijke verhoging van het voorfinancieringspercentage van dit programma); neemt er kennis van dat de Commissie de beoordeling van dit initiatief binnenkort zal afronden en verwacht dat de nodige aanpassingen zullen worden doorgevoerd om een geslaagde tenuitvoerlegging te garanderen; denkt dat het voorgestelde programma ter ondersteuning van structurele hervormingen mogelijkerwijs een waardevolle bijdrage kan leveren aan het in deze context verbeteren van de administratieve capaciteit in de lidstaten; beklemtoont dat het belangrijk is dat door wordt gegaan met de permanente beoordeling van de prestatie van het YEI door de betrokken partijen, met inbegrip van jongerenorganisaties;

22.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het gebrek aan nieuwe vastleggingskredieten voor het YEI voor de periode die in 2016 begint, gezien het feit dat het totale bedrag dat voor dit initiatief was gereserveerd reeds in 2014-2015 naar voren is gehaald ("frontloading") (artikel 15 van de MFK-verordening); vindt het belangrijk aan te geven dat de steun van het Parlement voor de "frontloading"-operatie niet betekende dat het ermee instemde dat het programma na slechts twee jaren van financiering zou worden beëindigd en dat andere MFK-mechanismen, zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen (GMC), zouden worden gebruikt om de continuering ervan te waarborgen; herinnert er echter aan dat de GMC reeds ter beschikking is gesteld, uitsluitend voor de financiering van het EFSI; neemt ook kennis van de "frontloading"-operatie – op basis van hetzelfde artikel – voor Erasmus+ (150 miljoen EUR), een van de andere EU-programma's die in belangrijke mate aan de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt bijdragen en dat in de eerste twee jaar van deze periode is geïmplementeerd; herinnert eraan dat een efficiënte jongerengarantie op het niveau van de Europese Unie volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) op jaarbasis voor de landen van de eurozone 21 miljard EUR zou kosten;

Interne veiligheid

23.  refereert aan de recente terroristische aanslagen in Frankrijk en België en aan de toegenomen dreiging in andere lidstaten, die beter gecoördineerde en versterkte maatregelen en middelen op het niveau van de EU noodzakelijk maken; beklemtoont dat de Unie over het Fonds voor interne veiligheid beschikt als een geëigend instrument en ook meerdere agentschappen heeft die op dit gebied actief zijn en steeds meer onder druk komen te staan; is van oordeel dat Europa op dit vlak meer moet doen en derhalve meer geld moet krijgen om adequaat op deze dreiging te kunnen reageren; onderstreept dat voor meer samenwerking op dit gebied uitbreiding van het personeelsbestand van de betrokken agentschappen noodzakelijk is waardoor de EU-begroting verder onder druk kan komen te staan, en herinnert aan de beperkte uitbreiding van het personeelsbestand van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol, gefinancierd door middel van een herschikking van de middelen van het Fonds voor interne veiligheid;

24.  benadrukt dat, gezien de huidige maatregelen en wetsvoorstellen die gericht zijn op intensivering van de justitiële samenwerking, de financiële en personele middelen van Eurojust gaandeweg zullen moeten worden uitgebreid, hetgeen gevolgen zal hebben voor de EU-begroting;

Crisis in de landbouwsector

25.  wijst erop dat er met de krappe maxima voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) tot 2020 veel kleinere marges overblijven dan in het vorige MFK, terwijl de sector met meer uitdagingen kampt; herinnert eraan dat dit beleid cruciaal is voor de inkomenssituatie van vele landbouwers, vooral in tijden van crisis, en wijst op het hoge jaarlijkse absorptiepercentage van bijna 100%; herinnert eraan dat de Europese boeren sinds het begin van het huidige MFK een aantal crises hebben meegemaakt, met name de crisis in de zuivel-, varkens-, runder-, en groente- en fruitsector, en de negatieve langetermijneffecten van de verliezen ten gevolge van het Russische embargo op de invoer van landbouwproducten; wijst op de afschaffing van de suikerquota in 2017 en de mogelijke uitwerking ervan op de suikersector waarbij tevens terdege de aandacht wordt gevestigd op de speciale behoeften van de ultraperifere regio's; wijst op de begrotingsimpact van de noodmaatregelen die in reactie op deze crises zijn genomen, ten belope van 500 miljoen EUR op de begroting voor 2016 en 300 miljoen EUR voor de begroting voor 2015, en die vanuit de marges van rubriek 2 zijn gefinancierd; onderstreept dat een vermindering op dit gebied de territoriale samenhang van de EU in gevaar zou brengen, met name wat de plattelandsgebieden betreft; is bovendien tegen iedere ontwikkeling in de richting van hernationalisatie van het landbouwbeleid, hetgeen de markt zou verstoren en oneerlijke concurrentie tussen boeren in de hand zou werken;

Milieu-uitdagingen

26.  is bezorgd dat de doelstelling om minstens 20% van de EU-begroting (in het kader van het huidige MFK) aan klimaatmaatregelen te besteden, niet is bereikt, en dat volgens de mainstreamingmethode van de Commissie slechts circa 12,7 % van de jaarlijkse EU-begroting hieraan wordt besteed; wijst op het feit dat er een grote behoefte is aan financiering voor klimaatmaatregelen, de bescherming van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, die nog zal toenemen door de gevolgen van de aanhoudende aardopwarming; neemt nota van de klimaatovereenkomst van de COP 21 die tijdens de recente Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties in 2015 in Parijs is bereikt;

Economische, sociale en territoriale samenhang

27.  wijst andermaal op het feit dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat erop is gericht de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen alle regio's van de EU terug te dringen en aldus de levenskwaliteit van Europese burgers te verbeteren; onderstreept de belangrijke rol ervan bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei met name door duidelijk middelen te reserveren voor klimaatmaatregelen en sociale doelstellingen, vooral om de toenemende armoede, met inbegrip van kinderarmoede, ongelijkheden en sociale uitsluiting te bestrijden en de werkgelegenheid te stimuleren; verzoekt de Commissie toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van bovengenoemde doelstellingen; is bovendien van mening dat, hoewel vooraf aan de lidstaten toegewezen bedragen moeten worden gerespecteerd, de structuurfondsen eveneens een waardevolle bijdrage aan de huidige uitdagingen, zoals de gevolgen van de vluchtelingencrisis, kunnen bieden;

Toenemende druk op de ontwikkeling en het nabuurschapsbeleid

28.  constateert de toenemende druk op de algehele behoeften aan humanitaire hulp en de rampenrisicovermindering ten gevolge van conflicten en oorlogen; wijst op de overeenkomst van Addis Abeba waarin staatshoofden en regeringsleiders hun sterke politieke wil bekrachtigden om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, en is zich ervan bewust dat hiervoor financiële middelen nodig zijn; herinnert eraan dat de EU onlangs haar collectieve toezegging heeft verlengd om haar officiële ontwikkelingshulp (ODA) tot 0,7% van haar bni te verhogen en ten minste 20% van haar ODA aan sociale basisdiensten toe te wijzen, met het accent op onderwijs en gezondheidszorg; is sterk gekant tegen het gebruik van ontwikkelingshulp voor andere doelstellingen dan ontwikkelingsdoelstellingen;

29.  herinnert eraan dat de geopolitieke situatie in het oostelijke nabuurschap ook zeer wankel is; onderstreept dat de EU-begroting een belangrijke bijdrage levert aan het stabiliseren van de situatie zowel in het zuidelijke als het oostelijke nabuurschap van de EU en aan het aangaan van deze uitdagingen door steun te bieden aan landen die momenteel bezig zijn met de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten, om vaart te zetten achter hervormingen en de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de betrokken landen te waarborgen;

Gendermainstreaming

30.  is ingenomen met de tussentijdse toetsing van het MFK en ziet deze als een kans om aanzienlijke vooruitgang te boeken op weg naar een effectievere integratie van gendermainstreaming in het MFK en in de tenuitvoerlegging van en het toezicht op de bij het MFK gevoegde gezamenlijke verklaring over deze kwestie;

Betalingsachterstand

31.  wijst erop dat gedurende het vorige MFK (2007-2013) een ophoping van nog niet betaalde rekeningen is ontstaan, en dat deze is opgelopen van een niveau van 5 miljard EUR aan het eind van 2010 tot ongekende niveaus van 11 miljard EUR aan het eind van 2011, 16 miljard EUR aan het eind van 2012 en 23,4 miljard EUR aan het eind van 2013; vindt het zorgwekkend dat deze achterstand is overgedragen naar het huidige MFK (2014-2020), en eind 2014 het recordbedrag van 24,7 miljard EUR heeft bereikt; beklemtoont dat op nadrukkelijk verzoek van het Parlement een betalingsplan overeengekomen is om de achterstand bij de nog niet betaalde met het cohesiebeleid verband houdende betalingsclaims voor de periode 2007-2013 tegen eind 2016 te reduceren tot een "normaal" niveau van 2 miljard EUR; geeft aan dat eind 2015 voor de periode 2007-2013 een bedrag van ten minste 8,2 miljard EUR aan nog niet betaalde rekeningen met betrekking tot het cohesiebeleid is vastgesteld, maar dat het in de bedoeling ligt dit bedrag tegen het eind van 2016 terug te brengen tot minder dan 2 miljard EUR; stelt vast dat dit slechts tijdelijk voor wat lucht zorgt, aangezien het uitsluitend het resultaat is van een lager dan verwacht aantal ingediende te betalen claims voor zowel het programma voor 2007-2013, als het programma voor 2014-2020; betreurt het dat de "verborgen" achterstand onder andere rubrieken totaal niet is aangepakt; wijst erop dat de situatie van 2012-2014 zich naar verwachting aan het einde van het huidige MFK opnieuw zal voordoen als er geen concrete maatregelen worden genomen;

32.  moet helaas vaststellen dat deze betalingscrisis ernstige gevolgen heeft voor de begunstigden van steun uit de EU-begroting, zoals studenten, universiteiten, kmo's, onderzoekers. ngo's, plaatselijke en regionale autoriteiten, en andere betrokken entiteiten; wijst in het bijzonder op het dramatisch lage niveau van betalingen bij humanitaire acties in 2014, dat de levensreddende operaties van de EU ongunstig heeft beïnvloed; herinnert eraan dat de Commissie haar toevlucht heeft moeten nemen tot "mitigerende maatregelen", zoals het reduceren van de pre-financieringspercentages en het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daaraan gerelateerde contracten; wijst erop dat de uitvoering van de nieuwe programma's voor de periode 2014-2020 ten gevolge van een algemeen gebrek aan betalingen kunstmatig is vertraagd, waarbij de kunstmatige vertraging in 2014 met betrekking tot oproepen tot het indienen van voorstellen ten belope van 1 miljard EUR onder Horizon 2020, die erop gericht was te bewerkstelligen dat de betalingen in 2015 zouden moeten worden verricht in plaats van in 2014, als voorbeeld kan dienen; onderstreept bovendien dat de EU-begroting zowel in 2014, als in 2015 belast is met een boete voor late betalingen ten belope van 3 miljoen EUR;

B.Grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK

33.  wijst erop dat de begrotingsautoriteit, om de aanvullende kredieten te krijgen die nodig waren om op de crises in te spelen of om sinds 2014 geformuleerde nieuwe beleidsprioriteiten te financieren, heeft ingestemd met een grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in de MFK-verordening, na eerst alle beschikbare marges te hebben benut; herinnert eraan dat meerdere van deze bepalingen in de verordening zijn terechtgekomen op basis van voorstellen van het Europees Parlement, dat maximale flexibiliteit in de MFK-onderhandelingen als een van zijn belangrijkste eisen op tafel had gelegd;

34.  wijst erop dat de speciale instrumenten met name werden ingezet voor het aanpakken van de vluchtelingen- en migratiecrisis (het totaalbedrag dat in 2016 via het flexibiliteitsinstrument is ingezet bedraagt 1 530 miljoen EUR); de noodhulpreserve (150 miljoen EUR in 2016), het probleem bij de betalingen (de in 2015 geactiveerde noodmarge: 3,16 miljard EUR), en de financiering van het EFSI-garantiefonds (volledig gebruik van de overkoepelende marge voor vastleggingen in 2014: 543 miljoen EUR); herinnert eraan dat het besluit om de noodmarge voor het probleem bij de betalingen in te zetten, gekoppeld is aan een verlaging van de betalingsplafonds voor de jaren 2018 tot 2020;

35.  vindt dat elke verdere financieringsbehoefte met betrekking tot de migratie- en vluchtelingencrisis in 2016, met inbegrip van de tranche van 200 miljoen EUR voor het nieuwe instrument voor noodhulp binnen de Unie, ertoe moet leiden dat de noodmarge zodra dit nodig is wordt gemobiliseerd; merkt op dat er onder rubriek 3 geen marges over zijn, terwijl de middelen van het flexibiliteitsinstrument voor dit jaar al helemaal op zijn; stelt voor om verdere mogelijkheden voor flexibiliteit voor nieuwe uitdagingen te onderzoeken;

36.  wijst erop dat de wetgevingsflexibiliteit, zoals vastgelegd in punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord, voorziet in de mogelijkheid om het totale bedrag voor programma's die via de gewone wetgevingsprocedure zijn goedgekeurd gedurende de periode van zeven jaar met ten hoogste +/- 10% te verhogen; herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit in het geval van "nieuwe, objectieve en duurzame omstandigheden" nog meer van de aanvankelijk vastgestelde bedragen mag afwijken; juicht het toe dat de Unie deze mogelijkheid reeds eerder heeft gebruikt om te reageren op onvoorziene omstandigheden door de bedragen die aanvankelijk voor programma's zoals het AMIF waren vastgesteld, aanzienlijk te verhogen;

II.Tussentijdse herziening van het MFK – een absolute noodzaak

37.  is er op basis van de bovenstaande analyse van overtuigd dat de toetsing van de werking van het huidige MFK tot de conclusie leidt dat de Unie aan de uitdagingen waarvoor zij wordt gesteld alleen het hoofd kan bieden en tegelijkertijd haar politieke doelstellingen alleen kan verwezenlijken, indien het MFK aan een daadwerkelijke tussentijdse herziening, zoals bedoeld in de MFK-verordening, wordt onderworpen; wijst er eens te meer op dat de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie onverminderd de voornaamste door de EU-begroting te ondersteunen prioriteit is; benadrukt dat de EU-begroting over voldoende middelen moet beschikken om effectief te zorgen voor investeringen die tot groei en banen leiden, economische, sociale en territoriale samenhang te bewerkstelligen en solidariteit te bevorderen;

38.  vraagt de Commissie met klem in haar wetsvoorstel rekening te houden met de volgende eisen van het Parlement met betrekking tot wijzigingen van de MFK-verordening, die zowel de cijfers als de werking van het MFK aangaan, en die reeds van toepassing moeten zijn op het huidige MFK;

39.  onderstreept dat twee wetsvoorstellen met aanzienlijke gevolgen voor de begroting, te weten de verlenging van het EFSI en het opzetten van een plan voor externe investeringen, voor de herfst 2016 zijn voorzien; verwacht dat alle informatie met betrekking tot de financiering van deze twee voorstellen zo snel mogelijk wordt aangereikt, opdat hiermee naar behoren rekening kan worden gehouden tijdens de onderhandelingen over de tussentijdse herziening van het MFK; herhaalt zijn beginselstandpunt dat de nieuwe beleidsinitiatieven niet mogen worden gefinancierd ten koste van de bestaande programma's en beleidsmaatregelen van de EU;

40.  onderstreept dat de wijzigingen die tijdens de tussentijdse herziening van het MFK zijn overeengekomen, onverwijld moeten worden toegepast en reeds in de EU-begroting 2017 moeten worden opgenomen; doet derhalve een beroep op de Commissie om haar wetsvoorstel over de herziening van de MFK-verordening zo snel mogelijk in te dienen teneinde parallelle onderhandelingen over de herziening van het MFK en de EU-begroting 2017, alsmede tijdige overeenstemming hierover mogelijk te maken;

41.  neemt nota van de uitslag van het Britse referendum op 23 juni 2016; doet in dit verband een beroep op de Commissie om de begrotingsautoriteit van alle informatie te voorzien over de mogelijke gevolgen voor de begroting van dit referendum, onverminderd het resultaat van de komende onderhandelingen tussen het VK en de EU;

42.  wijst op de belangrijke bijdrage die de EU leverde om vrede en verzoening in Ierland aan te moedigen, met name via de Peace-programma's, gericht op Noord-Ierland en op de aangrenzende graafschappen in het zuiden; merkt op dat de uitslag van het referendum in het Verenigd Koninkrijk ernstige gevolgen voor het vredesproces kan hebben, en de integriteit van het vredesproces en van het Goede-Vrijdagakkoord ondermijnt; roept de Commissie op om door te gaan met de ondersteuning van het vredesproces, door te blijven voorzien in financiering voor het Peace-programma;

A.Eisen van het Parlement betreffende de tweede helft van de looptijd van het MFK

MFK-cijfers (vastleggingen)

43.  steunt enerzijds vol overtuiging de stevige politieke en financiële ondersteuning van het EFSI, maar vindt tegelijkertijd dat de EU-begroting niet moet worden gebruikt voor de financiering van nieuwe initiatieven indien dat ten koste zou gaan van bestaande EU-programma's en -maatregelen; blijft bij zijn steun voor het volledig compenseren van de EFSI-gerelateerde kortingen op de middelen voor Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, teneinde deze programma's in staat te stellen hun nog maar twee jaar geleden overeengekomen doelstellingen te verwezenlijken en de Unie in staat te stellen haar doelstellingen inzake onderzoek en innovatie te verwezenlijken; onderstreept in dit verband dat het financieringsniveau van de andere programma's onder subrubriek 1a ("Concurrentievermogen voor groei en banen") niet door deze compensatie mogen worden getroffen, aangezien zij een onbetwistbare bijdrage leveren aan de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen; meent dat de marges onder subrubriek 1a niet volstaan om in deze behoeften te voorzien, en vraagt daarom dat het plafond voor deze subrubriek wordt verhoogd;

44.  steunt met klem de voortzetting van het YEI omdat het vindt dat het – na de noodzakelijke aanpassingen in het kader van de lopende beoordeling – van groot nut kan zijn in de strijd tegen de jeugdwerkloosheid; is van oordeel dat dit alleen mogelijk is indien aan het YEI tot aan het einde van de looptijd van het huidige MFK ten minste hetzelfde niveau aan vastleggingskredieten ter beschikking wordt gesteld als jaarlijks in de eerste twee jaar van deze periode (6 miljard EUR die in 2014-2015 naar voren zijn gehaald), afhankelijk van de komende evaluatie van de Commissie; stelt vast dat hiervoor een verhoging van het plafond onder subrubriek 1b ("Economische, sociale en territoriale samenhang") nodig is, aangezien er geen marges meer voorhanden zijn;

45.  is de vaste overtuiging toegedaan dat tijdens de herziening van het MFK niet mag worden getornd aan de totale begrotingsmiddelen en de vooraf aan de lidstaten toegewezen nationale bedragen voor het GLB, met inbegrip van de rechtstreekse betalingen; onderstreept bovendien dat moet worden gewaarborgd dat de middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij niet worden verlaagd om de verwezenlijking van de doelstellingen van de recente hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid mogelijk te maken;

46.  is van oordeel dat uit de omvang van de migratie- en vluchtelingencrisis, veroorzaakt door conflicten en klimaatverandering, blijkt dat de komende jaren naar verwachting meer behoeften – met de bijbehorende aanzienlijke gevolgen voor de begroting – zullen ontstaan onder rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap); beklemtoont daarnaast dat in het kader van dezelfde rubriek tevens extra middelen nodig zullen zijn om een versterkt optreden op het niveau van de EU voor de interne veiligheid in de EU en de bestrijding van het terrorisme te bekostigen; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een geactualiseerde prognose op te stellen van de begroting die tot het einde van de looptijd van het huidige MFK nodig is om aan alle uitdagingen op deze gebieden het hoofd te bieden;

47.  is er derhalve van overtuigd dat ook met de mobilisering van de smalle marges onder rubriek 3 en de bestaande flexibiliteitsbepalingen de middelen niet zullen volstaan om de toenemende behoeften op dit gebied te financieren; dringt er derhalve op aan de middelen voor het AMIF en het Fonds voor interne veiligheid, alsook voor de EU-agentschappen die op dit gebied nieuwe taken hebben gekregen (Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europol, Eurojust en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)), en voor mogelijke andere initiatieven significant te verhogen; vindt dat de plafonds onder rubriek moeten worden opgetrokken;

48.  gaat ervan uit dat het antwoord op de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis in de vorm van een gezamenlijk optreden, met name de politieke stabilisering van het Europees nabuurschap en Afrika ten zuiden van de Sahara, alsmede de aanpak van de humanitaire en economische oorzaken van migratie, in de loop van de komende jaren zal worden geïntensiveerd en gepaard zal gaan met toenemende verzoeken om financiering onder rubriek 4 (Europa als wereldspeler); beklemtoont dat de terbeschikkingstelling van extra middelen niet ten koste mag gaan van het reeds in gang gezette externe optreden van de EU, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid; vraagt dan ook om een verhoging van de maxima van rubriek 4;

49.  vraagt om meer financiële ondersteuning voor de drie Europese programma's die rechtstreeks betrekking hebben op de burger (Creatief Europa, Europa voor de burger en Erasmus+), omdat deze programma's nieuwe subsidielijnen bevatten om in te spelen op de huidige situatie met betrekking tot de integratie van en onderwijs voor vluchtelingen, en een hoofdrol spelen bij acties onder leiding van de Unie en de lidstaten ter verbetering van de algehele sociale situatie, het wederzijds begrip en het naast elkaar samenleven in onze verschillende maatschappijen;

MFK-cijfers (betalingen)

50.  beschouwt het als een prioriteit om een nieuwe betalingscrisis tegen het einde van de looptijd van het huidige MFK te voorkomen; vindt dat al het mogelijke moet worden gedaan om het ontstaan van een nieuwe ophoping van nog niet betaalde rekeningen, zoals tijdens de vorige periode, te voorkomen; beklemtoont echter dat, net op het moment dat de betalingsbehoeften hun normale piek zullen bereiken, reeds een significante druk op de betalingen voor de tweede helft van het MFK kan worden voorspeld; beklemtoont dat de extra druk onder andere is toe te schrijven aan het aanrekenen van de noodmarge aan de reeds krappe betalingsmaxima voor 2018-2020, de aanzienlijke vertraging bij het lanceren van de nieuwe programma's onder gedeeld beheer, waaronder het YEI, het betalingsprofiel van het EFSI en de bijkomende betalingen die overeenkomen met de recente verhogingen van de vastleggingskredieten die voor de migratie- en vluchtelingencrisis zijn vastgelegd;

51.  herinnert eraan dat betalingskredieten een logisch gevolg zijn van eerder aangegane verplichtingen; verwacht derhalve dat de nieuwe verhoging van de vastleggingskredieten vergezeld zal gaan van een dienovereenkomstige verhoging van de betalingskredieten, inclusief een bijstelling naar boven toe van de betalingsplafonds; beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK overigens als een prima gelegenheid om te zien hoe het gesteld is met de implementatie van de betalingen en wat de bijgewerkte ramingen zeggen over de verwachte ontwikkeling van de betalingen tot het einde van de looptijd van het huidige MFK; is van oordeel dat de drie instellingen voor de periode 2016-2020 een bindend gemeenschappelijk betalingsplan zouden moeten opstellen en overeenkomen; dringt erop aan dat een dergelijk nieuw betalingsplan wordt gebaseerd op goed financieel beheer en een duidelijke strategie moet bieden om te voldoen aan alle betalingsbehoeften in alle rubrieken tot het einde van de looptijd van het huidige MFK, alsmede een "verborgen achterstand" moet voorkomen die wordt veroorzaakt door een kunstmatige vertraging van de uitvoering van bepaalde meerjarige programma's en andere beperkende maatregelen zoals de vermindering van voorfinancieringspercentages;

52.  gaat zich ervoor inzetten dat de kwestie van het budgetteren van de betalingen van de speciale MFK-instrumenten nu eens en voor al wordt geregeld; herinnert eraan dat de Commissie en het Parlement enerzijds en de Raad anderzijds over deze kwestie nog altijd van mening verschillen, en dat dit in de begrotingsonderhandelingen van de afgelopen jaren een steeds terugkerend probleem is geweest; herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten in vastleggingskredieten moeten worden meegeteld naast en bovenop de jaarlijkse MFK-betalingsplafonds;

Voorwaardelijkheid ter waarborging van de grondrechten van de EU

53.  dringt erop aan dat alle landen hun volledige verantwoordelijkheid nemen in het kader van de vluchtelingencrisis en het besluit betreffende het specifieke herplaatsingsmechanisme; verzoekt de Commissie een financieel bonus-/malusmechanisme in te voeren met betrekking tot de nakoming of niet-nakoming door de lidstaten van hun verplichtingen in het kader van door de EU aangenomen maatregelen; is van mening dat financiële bijdragen afkomstig uit sancties aan lidstaten die deze maatregelen niet uitvoeren, als extra ontvangsten moeten terugvloeien naar de EU-begroting;

Buitengewone inkomsten

54.  is van oordeel dat overschotten die het gevolg zijn van een onderbesteding van de EU-begroting of van boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op de mededingingswetgeving van de EU, als extra inkomsten op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder een dienovereenkomstige aanpassing van de bni-bijdragen; is van mening dat deze maatregelen aanzienlijk zouden bijdragen aan het verlichten van het probleem met de betalingen van de EU-begroting; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen;

55.  is ervan overtuigd dat vrijmakingen in alle rubrieken als gevolg van de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de maatregelen waarvoor de bedragen bestemd waren, in de EU-begroting moeten terugvloeien en door de begrotingsautoriteit moeten worden ingezet in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; is ervan overtuigd dat, gezien de huidige beperkingen waarmee de EU-begroting te maken heeft en de bijkomende financieringsbehoeften waar de Unie mee wordt geconfronteerd, een dergelijke maatregel ook mogelijk moet zijn voor vrijmakingen als gevolg van de uitvoering van de programma's voor 2007-2013, met inbegrip van de afsluiting van programma's in het kader van het cohesiebeleid; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen;

Flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten

56.  benadrukt dat alleen al de frequentie en het niveau van de mobilisering van de speciale MFK-instrumenten gedurende de afgelopen twee jaar het nut van de flexibiliteitsbepalingen en -mechanismen in de MFK-verordening dubbel en dwars hebben aangetoond; herhaalt nog maar eens het standpunt dat het Parlement al veel langer inneemt, namelijk dat flexibiliteit gericht moet zijn op een maximaal gebruik van de globale MFK-plafonds voor vastleggingen en betalingen;

57.  is dan ook van oordeel dat de tussentijdse herziening van de MFK-verordening moet resulteren in de schrapping van een aantal in- en beperkingen van de flexibiliteitsbepalingen die door de Raad waren opgelegd op het moment dat het MFK werd vastgesteld; vindt met name dat de beperkingen die voor de overdracht van niet-benutte kredieten en marges gelden, hetzij in de vorm van de vaststelling van jaarlijkse plafonds (overkoepelende marge voor betalingen), hetzij middels het opleggen van beperkingen in tijd (overkoepelende marge voor vastleggingen), moeten worden ingetrokken; is van mening dat, gezien de huidige budgettaire beperkingen in meerdere rubrieken, geen specifieke toepassing moet worden gedefinieerd voor de gebruikmaking van middelen binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen;

58.  onderstreept in het bijzonder de mobilisering van het volledige bedrag van het flexibiliteitsinstrument in 2016; wijst erop dat dit instrument de financiering mogelijk maakt van duidelijk omlijnde uitgaven waarvoor onder het plafond van een of meerdere rubrieken geen financiële middelen beschikbaar zijn en die geen verband houden met EU-beleid op een specifiek terrein; concludeert dan ook dat het de EU-begroting daadwerkelijk een flexibel karakter verleent, met name in het geval van een grote crisis; dringt er dus op aan de financiële middelen van dit instrument substantieel te verhogen tot 2 miljard EUR, met de toevoeging dat dit bedrag alleen wordt gebudgetteerd indien de begrotingsautoriteit besluit er werkelijk een beroep op te doen; herinnert eraan dat het flexibiliteitsinstrument geen verband houdt met een specifiek beleidsterrein en kan worden gemobiliseerd voor elk doel dat daarvoor geschikt wordt geacht;

59.  wijst erop dat de noodhulpreserve er is om derde landen snel hulp te kunnen bieden in het geval van onvoorziene gebeurtenissen, en onderstreept het buitengewone belang ervan in de huidige omstandigheden; vraagt de financiële middelen van deze reserve significant te verhogen tot 1 miljard EUR;

60.  neemt kennis van de verschillende regels die gelden voor de periode voor de overdracht van niet-benutte kredieten van de speciale MFK-instrumenten, te weten het flexibiliteitsinstrument, de noodhulpreserve, het solidariteitsfonds van de EU en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; dringt erop aan deze regels gelijk te trekken, zodat in concreto de N+3-regel voor al deze instrumenten gaat gelden;

61.  hecht bijzonder belang aan de noodmarge, vanwege zijn functie als 'laatste redmiddel' bij onvoorziene omstandigheden; beklemtoont dat de noodmarge volgens de Commissie het enige speciale instrument is dat alleen voor betalingskredieten, en dus ter voorkoming van een betalingscrisis met betrekking tot de EU-begroting (zoals in 2014), kan worden ingezet; betreurt het dat, anders dan in de voorgaande periode, in de MFK-verordening in een verplichte compensatie van de kredieten is voorzien; is van oordeel dat deze verplichting tot een onhoudbare situatie leidt waarbij de jaarlijkse bedragen met betrekking tot de MFK-plafonds in de laatste jaren van de periode in feite naar beneden worden bijgesteld en de EU-begroting dus extra onder druk komt te staan; beklemtoont dat de noodmarge sowieso een uiterste redmiddel is en dat het aan de twee takken van de begrotingsautoriteit is de mobilisering ervan in gang te zetten; vindt tegen deze achtergrond dat de regel betreffende de verplichte compensatie onmiddellijk en met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, alsook dat het jaarlijkse maximumbedrag ervan naar boven moeten worden bijgesteld tot 0,05 % van het bni van de EU;

Follow-up van de internationale akkoorden inzake milieuveranderingen

62.  neemt er nota van dat het in Parijs bereikte COP 21-akkoord een algemeen, dynamisch en gedifferentieerd akkoord is om de uitdaging van klimaatverandering aan te kunnen gaan; benadrukt dat EU-financiering krachtens dit akkoord moet worden toegewezen aan steun voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; benadrukt dat eventuele financiering ten behoeve van de mogelijke maatregelen die zijn ontwikkeld door de COP 21 een aanvulling moet zijn op de huidige uitgaven aan klimaatactie, en verzoekt de Commissie om tijdig vóór de herziening haar uitvoeringsstrategie en eerste beoordeling van de mogelijke impact van het COP 21-akkoord op de EU-begroting voor te leggen; benadrukt voorts dat de herziening van het MFK een uitstekende gelegenheid vormt om ervoor te zorgen dat de doelstelling om 20 % te besteden aan klimaatmaatregelen wordt bereikt en deze drempel mogelijk te verhogen in overeenstemming met de internationale toezeggingen die de EU tijdens de COP 21 heeft gedaan; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mechanisme voor de mainstreaming van de klimaatactie volledig operationeel wordt en dat de huidige methode om dergelijke uitgaven te kunnen traceren, wordt verbeterd; herinnert er tevens aan dat de EU zich er ook toe heeft verbonden het strategisch plan voor biodiversiteit van het Verdrag van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, en benadrukt dat zij voldoende middelen moet uittrekken om haar verbintenissen in dit verband te verwezenlijken;

Vereenvoudiging

63.  beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening als een uitstekende gelegenheid om het succes van de EU-maatregelen en -programma's in kwestie, alsook de werking van de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten van het MFK, aan een eerste beoordeling en evaluatie te onderwerpen, en verwacht van de Commissie een analyse te ontvangen waarin zij de tekortkomingen van het huidige implementatiesysteem in kaart brengt; besteedt bijzondere aandacht aan de beoordeling van de gevolgen voor het uitvoeringsproces van de nieuwe elementen die in de huidige programmeringsperiode zijn ingevoerd, zoals de ex-antevoorwaarden uit hoofde van het cohesiebeleid; is van mening dat bij de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK eveneens de balans moet worden opgemaakt van het rendement van toegewezen middelen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; verzoekt de Commissie concrete voorstellen te doen voor het aanpakken van de eventuele onvolkomenheden en de implementatie gedurende de resterende jaren van het huidige MFK te verbeteren en te rationaliseren, teneinde ervoor te zorgen dat de beperkte financiële middelen zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt en de administratieve lasten voor de begunstigden te beperken;

Op prestaties gebaseerd budgetteren / Resultaatgerichte begroting

64.  benadrukt dat het belangrijk is de meerwaarde van de uitvoering van de EU-begroting aan te tonen en pleit voor het centraal stellen van de resultaatgerichte cultuur in de EU-uitgaven; benadrukt dat prestatie- en outputgerelateerde beoordeling waar nodig een leidend beginsel moet worden, en benadrukt de bijzondere toepasselijkheid van een dergelijk beginsel op innovatiegerichte programma's; erkent het werk van de Commissie in het kader van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting, dat nog verder moet worden uitgewerkt, en kijkt uit de resultaten van de werkzaamheden van de interinstitutionele deskundigenwerkgroep inzake op prestaties gebaseerde budgettering; is van mening dat deze aanpak een instrument kan zijn om de prestaties van onderpresterende programma's te stimuleren; benadrukt evenwel dat technische of programmeringstekortkomingen er niet toe mogen leiden dat de EU-begroting wordt verlaagd of politieke prioriteiten worden opgegeven, en dat betere uitgavenpraktijken alleen geen oplossing zijn voor het probleem van het gebrek aan financiële middelen om tegemoet te komen aan dringende en toenemende behoeften; herinnert de Commissie eraan dat het Parlement in zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit moet worden betrokken bij de ontwikkeling van de strategie van de Commissie in dit verband;

Financiële instrumenten

65.  is zich ervan bewust dat financiële instrumenten in de EU-begroting nu een grotere rol spelen als een aanvullende vorm van financiering dan subsidies en schenkingen; onderkent dat deze instrumenten het in zich hebben de financiële en derhalve ook de politieke impact van de EU-begroting te vergroten; beklemtoont overigens dat een verschuiving van traditionele financieringsvormen naar meer innovatieve instrumenten niet voor alle beleidsterreinen aan te bevelen is, aangezien niet elk beleid volledig de wetten van de markt volgt; benadrukt dat financiële instrumenten een alternatieve en aanvullende financieringswijze bieden en niet moeten worden gebruikt voor projecten die uitsluitend in aanmerking komen voor schenkingen, die van bijzonder belang zijn voor minder ontwikkelde regio's;

66.  verzoekt de Commissie in de loop van de tussentijdse toetsing/herziening een diepgaande analyse uit te voeren van het gebruik van de financiële instrumenten sinds het begin van de huidige programmeringsperiode; benadrukt dat bij de beoordeling van een financieel instrument het hefboomeffect niet het enige evaluatiecriterium mag zijn; herinnert in dit verband aan het belang van de additionaliteitscriteria en de beoordeling van de bijdrage aan de verwezenlijking van de politieke doelstellingen van de EU;

67.  spoort de Commissie aan alle EU-beleidsterreinen aan te merken waarop schenkingen kunnen worden gecombineerd met financiële instrumenten en na te denken over een gepast evenwicht hiertussen; is steevast van mening dat de mogelijkheid van een combinatie van diverse EU-middelen volgens geharmoniseerde beheersvoorschriften zou bijdragen tot de optimalisering van de synergieën tussen de beschikbare vormen van financiering op EU-niveau; benadrukt dat het vergroten van de rol van financiële instrumenten niet mag resulteren in een verlaging van de EU-begroting; wijst nogmaals op zijn herhaalde oproepen om meer transparantie en democratisch toezicht op de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten die ondersteund worden door de EU-begroting;

B.Standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK na 2020

68.  herinnert eraan dat artikel 25 van de MFK-verordening bepaalt dat de Commissie ten laatste op 1 januari 2018 een voorstel voor een nieuw meerjarig financieel kader moet presenteren; vindt het dan ook logisch en juist dat reeds in het kader van de aanstaande toetsing/herziening wordt gekeken naar een aantal belangrijke elementen voor het volgende MFK;

69.  vindt dat aanpassingen aan de looptijd van het MFK, een grondige herwerking van het systeem van eigen middelen, meer nadruk op het beginsel van eenheid van de begroting en grotere budgettaire flexibiliteit hierbij tot de prioriteiten behoren; vindt verder dat de modaliteiten van het besluitvormingsproces onder de loep moeten worden gelegd, teneinde voor democratische legitimiteit en inachtneming van de bepalingen van het Verdrag te zorgen;

70.  herinnert aan de begrotingsbeginselen van eenheid, waarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen en uitvoeren van de EU-begroting in acht moeten worden genomen;

71.  beklemtoont dat de primaire focus van de lidstaten op het waarborgen van batige nettosaldo's een van de belangrijkste verklaringen is voor de problemen bij het bereiken van overeenstemming over een meerjarig financieel kader; herhaalt zijn zienswijze dat de EU-begroting niet eenvoudigweg een 'geen-winst geen-verlies'-situatie is, maar veeleer een belangrijke stimulans voor convergentie en de weerspiegeling van gemeenschappelijk beleid dat voor iedereen een meerwaarde oplevert; dringt er derhalve met klem bij de lidstaten op aan hun perceptie en benadering van de EU-begroting te wijzigen, namelijk door de omvang van de begroting te bepalen op basis van een grondige beoordeling van de financiële behoeften die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen van de Unie, haar politieke doelstellingen zoals uiteengezet in haar programma's en beleid alsook internationale verbintenissen, teneinde een nieuwe patstelling, die de kloof tussen de Unie en haar burgers alleen maar zou vergroten, te vermijden; verzoekt de Commissie daarom een studie uit te voeren naar de bezuinigingen die op nationaal niveau door de lidstaten worden gerealiseerd dankzij op EU-niveau gefinancierd beleid;

72.  wijst op de politieke noodzaak een besluitvormingsprocedure in te stellen om de beschikbaarheid van de nodige financiële middelen te waarborgen, ofwel op nationaal ofwel op EU-niveau, zodat de politieke beslissingen van de Europese Raad volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd;

Duur

73.  wijst erop dat in overweging drie van de MFK-verordening staat dat de drie instellingen besloten hebben in het kader van de toetsing/herziening gezamenlijk te onderzoeken wat de meest geschikte duur van het meerjarig financieel kader is; herinnert aan zijn standpunt dat de duur van het MFK gelijk moet worden getrokken met de politieke cyclus van zowel het Parlement als de Commissie, waarmee de Europese verkiezingen een forum zouden worden voor debat over de toekomstige uitgavenprioriteiten;

74.  onderstreept dat met name voor programma's onder gedeeld beheer op de gebieden cohesiebeleid en plattelandsontwikkeling langetermijnvoorspelbaarheid van cruciaal belang is, gezien de tijd die nodig is om op nationaal en regionaal niveau tot afspraken over sectorale wetgeving en operationele programma's te komen;

75.  is van oordeel dat vanwege de snel veranderende politieke omgeving en om voor meer flexibiliteit te zorgen bepaalde onderdelen van het MFK voor een periode van 5 jaar moeten worden overeengekomen, terwijl voor andere onderdelen, met name de onderdelen die verband houden met programma's die een langere programmeringsperiode behoeven en/of maatregelen met ingewikkelde procedures voor de vaststelling van implementatiesystemen, zoals cohesiebeleid of plattelandsontwikkeling, een periode van 5+5 jaar, in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening, zou kunnen;

Hervorming van het systeem van eigen middelen

76.  beklemtoont dat het systeem van eigen middelen volledig moet worden hervormd, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie; kijkt er derhalve naar uit dat de Groep op hoog niveau voor eigen middelen vóór 2017 een ambitieus eindverslag voorlegt, alsook dat de Commissie vóór 2018 een even ambitieus wetgevingspakket betreffende eigen middelen voor de periode na 2021 presenteert;

77.  vindt het belangrijk het aandeel van de bni-bijdragen in de EU-begroting te verlagen, teneinde af te raken van de zogenaamde "juste retour"-benadering van de lidstaten; geeft aan dat dit de druk op de schatkisten van de lidstaten zou verminderen en de financiële middelen in kwestie voor bestedingsdoeleinden op nationaal niveau vrij zou maken; herinnert eraan dat het btw-deel van de eigen middelen bovenmatig ingewikkeld is en in feite een tweede bni-bijdrage vormt, en dringt er daarom op aan dit deel van de eigen middelen hetzij vergaand te hervormen, hetzij helemaal te schrappen; vindt wel dat de bni-bijdragen als element van de begroting moeten worden gehandhaafd vanwege hun rol als kostendekkend instrument;

78.  dringt aan op de invoering van een of meerdere nieuwe eigen middelen, waarbij de voorkeur van het Parlement uitgaat naar middelen die rechtstreeks gekoppeld zijn aan Europees beleid met een meerwaarde; neemt er kennis van dat de Groep op hoog niveau reeds een groot aantal voorstellen voor nieuwe eigen middelen de revue heeft laten passeren, zoals een btw-hervorming, een belasting op financiële transacties, ECB-seigniorage, een hervormd EU-emissiehandelsysteem en belasting op koolstof, vervoersheffingen, vennootschapsbelasting, elektriciteitsbelasting en digitale belasting; wacht vol ongeduld naar de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau, teneinde van start te kunnen gaan met de voorbereiding van het standpunt van het Parlement op dit punt; dringt in dit verband aan op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen;

Eenheid van de begroting

79.  beklemtoont het belang van het beginsel van eenheid van de begroting en herinnert eraan dat in overeenstemming met artikel 310, lid 1, VWEU alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen; vindt het zorgwekkend dat sinds 2014, zowel bij de oprichting van het Bêkou-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, het regionaal trustfonds Madad dat in reactie op de Syriëcrisis werd opgericht, het EU-noodtrustfonds voor Afrika, alsook de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, in de besluitvorming wordt overgestapt van de communautaire methode naar de intergouvernementele aanpak; benadrukt dat deze vorm van financiering een hertoewijzing van middelen met zich meebrengt uit hoofde van de bestaande meerjarige financiële programma's waarover tussen de drie instellingen is onderhandeld en overeenstemming is bereikt; wijst erop dat dit de democratische verantwoordingsplicht in gevaar brengt, aangezien het Parlement is uitgesloten van de oprichting van deze fondsen;

80.  geeft aan dat in het Verdrag staat dat de twee takken van de begrotingsautoriteit, het Parlement en de Raad, de begroting van de Unie op voet van gelijkheid vaststellen; is daarnaast van mening dat volledige parlementaire controle op alle uitgaven een essentieel element is van alle EU-uitgaven; vraagt de Commissie de eenheid van de begroting te waarborgen en dit beginsel als leidend te beschouwen wanneer zij nieuwe beleidsinitiatieven voorstelt;

81.  herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) vanaf 2021 in de EU-begroting moet worden geïntegreerd, en dat tegelijkertijd voor financiering moet worden gezorgd voor de Faciliteit voor Afrikaanse vrede en voor vredesgerelateerde operaties;

82.  benadrukt dat mogelijke toekomstige integratie van het EOF of dergelijke ad-hocinstrumenten in de EU-begroting inhoudt dat hun respectieve financiële middelen bovenop de MFK-plafonds komen, die dienovereenkomstig moeten worden herzien, teneinde de financiering van andere EU-maatregelen en -programma's niet in gevaar te brengen;

Grotere flexibiliteit

83.  beklemtoont dat de rigide structuur van de EU-begroting betekent dat de begrotingsautoriteit niet de mogelijkheid heeft om adequaat op veranderende omstandigheden te reageren; dringt er dan ook op aan in het volgende MFK voor grotere flexibiliteit te zorgen, met name door middel van grotere flexibiliteit tussen rubrieken in de vorm van flexibeler gebruik van niet-bestede marges en tussen jaren, teneinde te bewerkstelligen dat de MFK-plafonds volledig kunnen worden benut;

84.  benadrukt dat het niet alleen mogelijk moet zijn flexibel op veranderende omstandigheden in te spelen onverminderd de overeengekomen programmering, maar dat de EU ook snel moet kunnen reageren op zich ontwikkelende crisissen, zoals de huidige migratiecrisis; vindt tegen deze achtergrond dat er in aanvulling op de reeds bestaande speciale MFK-instrumenten binnen de EU-begroting een permanente EU-crisisreserve moet worden gecreëerd, om niet terug te hoeven vallen op ad-hocoplossingen zoals trustfondsen; benadrukt dat een dergelijk mechanisme, bedoeld om te reageren op crisissen en onvoorziene situaties, uit de aard der zaak moet functioneren als een nieuw speciaal MFK-instrument en moet worden meegeteld naast en bovenop de MFK-plafonds;

Besluitvormingsprocedure

85.  brengt in herinnering dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de MFK-verordening voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de vaststelling van de verordening alleen mogelijk is met goedkeuring van het Parlement; beklemtoont daarom dat het Parlement vanaf het begin volledig bij de onderhandelingen in kwestie moet worden betrokken; is van oordeel dat de EU-instellingen de modaliteiten van de volgende MFK-procedure op het moment van de tussentijdse toetsing/herziening van het meerjarig financieel kader moeten formaliseren in een akkoord, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de tekortkomingen van de voorgaande onderhandelingen én dat de rol en de prerogatieven van het Parlement zoals bedoeld in de Verdragen volledig moeten worden geëerbiedigd; is van mening dat deze modaliteiten uiteindelijk in het IIA moeten worden opgenomen, zoals voor de jaarlijkse begrotingsprocedure het geval is;

86.  is van mening dat de eenparigheidsvereiste voor de vaststelling van de MFK-verordening het proces wezenlijk belemmert; verzoekt de Europese Raad in dit verband de passerelle in artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken; herinnert er voorts aan dat de algemene passerelle-clausule van artikel 48, lid 7, VEU tevens in werking kan worden gesteld, teneinde de gewone wetgevingsprocedure toe te passen; benadrukt dat de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid in overeenstemming zou zijn met de besluitvormingsprocedure voor de vaststelling van vrijwel alle EU-meerjarenprogramma's en voor de jaarlijkse procedure voor de vaststelling van de EU-begroting;

87.  herinnert eraan dat de Europese Raad uit hoofde van het Verdrag niet bevoegd is om wetgevingstaken uit te oefenen; geeft in dit verband nogmaals aan ernstige bezwaren te hebben tegen het feit dat de Europese Raad zich bemoeide met de wetgeving tijdens de afgelopen MFK-onderhandelingen; verzoekt de Europese Raad zich te beperken tot zijn taken zoals vastgesteld bij het Verdrag en niet vooruit te lopen op beleidswijzigingen waartoe in het kader van de gewone wetgevingsprocedure moet worden besloten en aldus de wetgevende bevoegdheden van het Parlement in het kader van de medebeslissing te eerbiedigen;

88.  dringt erop aan dat het wetgevingsproces ter goedkeuring van het volgende MFK tegen eind 2018 wordt afgerond, na diepgaande onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad; benadrukt dat een tijdige sluiting van de MFK-overeenkomst het mogelijk zal maken dat alle sectorale verordeningen snel worden goedgekeurd en alle nieuwe programma's zonder vertraging op 1 januari 2021 van start gaan; benadrukt dat het belangrijk is de nationale parlementen en de Europese burgers beter te informeren over de uitdagingen van het volgende MFK door zo nodig een interinstitutionele, interparlementaire conferentie te organiseren;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(3) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0599.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0455.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0456.
(10) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 47.
(11) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 49.
(12) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 1.
(13) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 89.


Fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2)
PDF 553kWORD 254k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (2016/2038(INI))
P8_TA(2016)0310A8-0223/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 2 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2)(1),

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) over fiscale rulings en andere schadelijke praktijken in Luxemburg, de zogenoemde "LuxLeaks",

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) over het gebruik van offshorebedrijven, bekend als de "Panama Papers", en in het bijzonder de documenten die op 9 mei 2016 werden gepubliceerd,

–  gezien de uitkomsten van de verschillende G7-, G8- en G20-toppen die zijn gehouden over internationale belastingaangelegenheden, in het bijzonder de top in Ise-Shima op 26 en 27 mei 2016 en het resultaat van de bijeenkomst van de ministers van Financiën en de presidenten van de centrale banken van de G20-landen die op 14 en 15 april 2016 in Washington werd gehouden,

–  gezien de resolutie over het actieprogramma van Addis Abeba die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2015 heeft goedgekeurd,

–  gezien het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 30 november 2015 getiteld "G20/OECD Principles of Corporate Governance",

–  gezien de conclusies van Ecofin van 8 maart 2016 over de uitwisseling van belastinginformatie betreffende de activiteiten van multinationale ondernemingen en over de gedragscode betreffende vennootschapsbelasting, van 8 december 2015 over vennootschapsbelasting, grondslaguitholling en winstverschuiving, van 9 december 2014 over vennootschapsbelasting en van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid, alsook de nota van de informele Ecofin-bespreking van de Panama Papers op 22 april 2016,

–  gezien de richtlijn van de Raad van 8 december 2015(2) tot wijziging van de richtlijn inzake administratieve samenwerking(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag(4),

–  gezien Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies(5),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering(6),

–  gezien de op 16 maart 2016 aangenomen gezamenlijke follow-up van de Commissie van de aanbevelingen van de resoluties van het Parlement betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie, en over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198) (het voorstel voor rapportage per land),

–  gezien het voorstel van de Commissie inzake het pakket bestrijding belastingontwijking dat bestaat uit een overkoepelende mededeling(7), een voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake het voorkomen van belastingontwijking(8), een voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de herziening van de richtlijn inzake administratieve samenwerking(9), een aanbeveling inzake belastingverdragen(10) en een onderzoek naar agressieve fiscale planning(11),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2011)0121), en het standpunt van het Parlement van 19 april 2012 daarover(12),

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(13) en gezien de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad,

–  gezien de overeenkomst inzake fiscale transparantie die op 22 februari 2016 door de EU en het Vorstendom Monaco werd geparafeerd,

–  gezien de overeenkomst die op 12 februari 2016 door de EU en het Vorstendom Andorra werd ondertekend,

–  gezien de overeenkomst betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden die op 8 december 2015 werd ondertekend door de EU en de Republiek San Marino,

–  gezien de overeenkomst betreffende de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen die op 28 oktober 2015 werd ondertekend door de EU en het Vorstendom Liechtenstein,

–  gezien de overeenkomst betreffende belastingheffing ter verbetering van de naleving van belastingwetgeving die op 27 mei 2015 werd ondertekend door de EU en de Zwitserse Bondsstaat,

–  gezien de geactualiseerde overeenkomst tussen Jersey en het Verenigd Koninkrijk van 30 november 2015 en de zogenaamde "Change of view on the interpretation of paragraph 2 of the Jersey-UK Double Taxation Arrangement",

–  gezien het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen Guernsey en het VK, zoals gewijzigd door de regeling van 2009, ondertekend op 20 januari 2009 en in werking getreden op 27 november 2009, betreffende de uitwisseling van inlichtingen,

–  gezien het wetgevingsstandpunt van het Parlement van 8 juli 2015 betreffende het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft(14),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingsbeleid in de Unie(15),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(16),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 inzake belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(17),

–  gezien de verschillende parlementaire hoorzittingen en verslagen van nationale parlementen, met name het Britse Lagerhuis, de Amerikaanse Senaat, de Australische Senaat en het Franse Parlement en de Franse Senaat, over belastingontwijking en belastingontduiking,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa CM/Rec(2014)7 van 30 april 2014 inzake de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het proces in Luxemburg tegen Antoine Deltour, Raphaël Halet en Édouard Perrin, die zijn aangeklaagd wegens hun rol in de publicatie van de zogenoemde "LuxLeaks"-documenten,

–  gezien de besluiten inzake staatssteun van de Commissie met betrekking tot Fiat(18), Starbucks(19) en de Belgische arresten inzake overwinst(20), en besluiten tot opening van onderzoek betreffende staatssteun aan McDonald's, Apple en Amazon,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2) (A8-0223/2016),

Algemene overwegingen, feiten en cijfers

A.  overwegende dat de onthullingen omtrent de "Panama Papers" en "LuxLeaks", die zijn bekendgemaakt door het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ), hebben aangetoond dat het dringend noodzakelijk is dat de EU en haar lidstaten belastingontduiking en ‑ontwijking en agressieve fiscale planning bestrijden, en zorgen voor meer samenwerking en transparantie, om de fiscale rechtvaardigheid te herstellen door onze belastingstelsel eerlijker te maken en ervoor te zorgen dat vennootschapsbelastingen worden betaald op de plaats waar de waarde wordt gecreëerd, niet alleen tussen lidstaten, maar ook wereldwijd;

B.  overwegende dat de Commissie schat dat belastingdiensten als gevolg van belastingontduiking en ‑ontwijking jaarlijks 1 triljoen euro(21) mislopen en dat de OESO(22) schat dat de inkomstenderving wereldwijd tussen de 4 en de 10 % van alle inkomsten uit vennootschapsbelasting bedraagt, wat op basis van de cijfers voor 2014 jaarlijks neerkomt op een bedrag tussen de 75 en 180 miljard euro; overwegende dat dit slechts voorzichtige schattingen zijn; overwegende dat de negatieve effecten van dergelijke praktijken voor de begrotingen van de lidstaten en voor de burgers evident zijn en het vertrouwen in de democratie zouden kunnen ondermijnen; overwegende dat belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning leiden tot grondslaguitholling in de lidstaten en daardoor tot derving van belastinginkomsten en aldus een negatieve invloed hebben op de economie en op de capaciteit van regeringen om het gebied van openbare diensten, investeringen en sociale zekerheid;

C.  overwegende dat het binnen een begrotingskader van wederzijdse controle onaanvaardbaar is dat middelen die zouden moeten worden gegenereerd door belastingen die verschuldigd zijn in een lidstaat eigenlijk in een andere lidstaat worden gegenereerd als gevolg van oneerlijke en agressieve fiscale planning;

D.  overwegende dat ontwikkelingslanden onevenredig hard worden getroffen door de ontwijking van vennootschapsbelasting, die leidt tot een verlies van belastinginkomsten van naar schatting 100 miljard USD per jaar(23), waardoor deze landen de essentiële middelen mislopen om de meest fundamentele diensten te financieren en het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking wordt geschaad;

E.  overwegende dat de Panama Papers ons eraan hebben herinnerd dat de kwestie van belastingontwijking verder gaat dan multinationale ondernemingen, sterk verbonden is met criminele activiteiten en dat de offshorerijkdom op ongeveer 10 triljoen USD wordt geraamd;

F.  overwegende dat de leiders van de G20 in april 2009 actie hebben ondernomen, waarbij ze meer specifiek aan offshorejurisdicties hebben gevraagd om minstens 12 verdragen inzake de uitwisseling van inlichtingen te ondertekenen, met als doel een einde te maken aan het tijdperk van het bankgeheim; overwegende dat economen de doeltreffendheid van deze maatregelen ernstig in twijfel hebben getrokken, door te verklaren dat verdragen hebben geleid tot de verplaatsing van bankdeposito's tussen belastingparadijzen, maar geen aanzienlijke terugkeer van fondsen met zich hebben meegebracht(24); overwegende dat er geen bewijs is dat portefeuille-investeringen in offshorejurisdicties zijn teruggelopen, ten minste tot 2014, ondanks recente internationale inspanningen om de financiële transparantie te vergroten; overwegende dat het te vroeg is om te beoordelen of de toepassing van automatische uitwisseling van belastinginformatie (Common Reporting Standard) deze trend zal kunnen doen keren;

G.  overwegende dat volgens inlichtingen die zijn verstrekt door de Bank voor Internationale Betalingen, grensoverschrijdende deposito's in offshorecentra tussen 2008 en 2015 gemiddeld met 2,81 % per jaar zijn toegenomen, terwijl ze elders in de wereld slechts met 1,24 % zijn toegenomen(25); overwegende dat de belangrijkste offshore financiële centra in termen van buitenlandse deposito's zijn: de Kaaimaneilanden (663 miljard USD), Luxemburg (360 miljard USD), Zwitserland (137 miljard USD), Hongkong (125 miljard USD), Singapore (95 miljard USD), Bermuda (77 miljard USD), Panama (67 miljard USD), Jersey (58 miljard USD) en de Bahama's (55 miljard USD); overwegende dat grensoverschrijdende deposito's in Europese belastingparadijzen zoals Andorra, Gibraltar, Liechtenstein en Zwitserland de voorbije jaren zijn afgenomen of gestagneerd, wat doet vermoeden dat de offshoreactiviteiten zijn verplaatst naar andere jurisdicties en dat de offshoresector is hertekend als gevolg van een toenemend aantal bilaterale overeenkomsten inzake belastinginformatie;

H.  overwegende dat investeringsstromen naar offshore financiële centra worden geraamd op 72 miljard USD in 2015(26) en de afgelopen jaren zijn toegenomen door de groeiende stroom van multinationale ondernemingen die gevestigd zijn in ontwikkelings- en overgangseconomieën, soms in de vorm van round-tripping van investeringen; overwegende dat investeringsstromen naar voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten het merendeel van de offshore-investeringsstromen uitmaken; overwegende dat Luxemburg in 2015 de belangrijkste ontvanger was van investeringsstromen die verband hielden met voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten, en dat instromen naar Nederland die verband hielden met voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten ook opvallend hoog waren in 2015; overwegende dat de hardnekkigheid van financiële stromen via financiële offshoremechanismen de noodzaak aantoont van meer coherentie in belasting- en investeringsbeleid op Europees en wereldwijd niveau;

I.  overwegende dat de OESO in april 2016 nogmaals een mandaat heeft gekregen om een zwarte lijst op te stellen van niet-coöperatieve jurisdicties; overwegende dat de Commissie bezig is met de opstelling van criteria voor de identificatie van belastingparadijzen, waarbij niet alleen wordt gekeken naar criteria als transparantie en medewerking, maar ook naar schadelijke belastingregimes;

J.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in Europa de meeste werkgelegenheid creëren, te weten ongeveer 85 % van alle nieuwe banen in de EU(27) in de afgelopen vijf jaar; overwegende dat studies(28) hebben uitgewezen dat een grensoverschrijdende onderneming gemiddeld 30 % minder belasting betalen dan ondernemingen die slechts in één land actief zijn; overwegende dat dit de concurrentie ernstig verstoort, leidt tot het verlies van banen en gelijkheid in de Unie en duurzame groei belemmert;

K.  overwegende dat agressieve fiscale planning door de Commissie wordt gedefinieerd als profijt trekken van de technische details van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer belastingstelsels om de verschuldigde belasting te verminderen; overwegende dat de Commissie erkent dat agressieve fiscale planning uiteenlopende vormen kan aannemen, wat ertoe leidt dat de fiscale wetgeving niet wordt toegepast zoals bedoeld door de wetgever; overwegende dat de belangrijkste vormen van agressieve fiscale planning zijn: schuldenverschuiving, vestiging van immateriële goederen en intellectuele eigendom, strategische verrekenprijstransacties, hybride mismatches en offshoreleenstructuren; overwegende dat bedrijven die door zijn bijzondere commissie zijn gehoord vooral hebben herhaald dat ze veel belastingen betalen en dat wat zij doen legaal is; overwegende dat tot nu toe slechts een klein percentage van bedrijven openlijk heeft toegegeven dat ontwijking van de vennootschapsbelasting een prioriteit is die moet worden aangepakt;

L.  overwegende dat nagenoeg een derde van de grensoverschrijdende bedrijfsinvesteringen via offshore financiële constructies wordt geleid; overwegende dat de Commissie vaststelt dat bij 72 % van de winstverschuiving in de Europese Unie wordt gebruikgemaakt van verrekenprijstransacties en fiscaal gunstige vestiging van intellectuele eigendom en dat de andere constructies voor winstverschuiving betrekking hebben op schuldverschuiving(29);

M.  overwegende dat bilaterale belastingverdragen belastingrechten toewijzen tussen landen van herkomst en landen van verblijf; overwegende dat landen van herkomst vaak het recht krijgen toegewezen om actieve bedrijfsinkomsten te belasten, op voorwaarde dat er een permanente vestiging bestaat in de landen van herkomst, en dat de landen van verblijf belastingrechten krijgen over passieve inkomsten zoals dividenden, royalty's en interesten; overwegende dat een dergelijke opdeling van belastingrechten essentieel is om constructies voor agressieve fiscale planning te begrijpen;

N.  overwegende dat boekhoudpraktijken erin bestaan de financiële toestand van het bedrijf weer te geven door inkomsten en uitgaven en winsten en verliezen op elkaar af te stemmen in de periode van het boekjaar waarin ze ontstaan, in plaats van in de periode waarin de kasstromen effectief plaatsvinden; overwegende dat wanneer belastbare inkomsten van de ene jurisdictie naar de andere gaan, en beide ze op een andere wijze behandelen, de mogelijkheid ontstaat dat er misbruik wordt gemaakt van mismatches; overwegende dat betalingen van royalty's voor zakelijke doeleinden gerechtvaardigd kunnen zijn, en dat zij zonder gepaste fiscale coördinatie een gunstige fiscale behandeling kunnen krijgen in het ene land die tot grondslaguitholling in andere landen leidt;

O.  overwegende dat 60 % van alle handel wereldwijd binnen groepen gebeurt en dientengevolge onderhevig is aan verrekenprijsmethodes; overwegende dat 70 % van alle winstverschuiving gebeurt door verrekenprijstransacties;

P.  overwegende dat de convergentie van het fiscaal beleid moet worden gecombineerd met meer controle en meer onderzoek naar schadelijke fiscale praktijken; overwegende dat de Commissie een nieuw formeel onderzoek is gestart naar de fiscale behandeling van multinationale ondernemingen (mno's); overwegende dat de beoordeling van fiscale beleidsmaatregelen vanuit het standpunt van staatssteun recentelijk aan belang heeft gewonnen; overwegende dat nadere reflectie en maatregelen nodig zijn om de wisselwerking tussen belastingen en concurrentie beter te begrijpen en aan te pakken; overwegende dat de Commissie de optie heeft om op niet-selectieve en onbevooroordeelde wijze alle gevallen te onderzoeken waarbij de verdenking bestaat dat er sprake is van illegale staatssteun door fiscale voorkeursbehandelingen; overwegende dat een aantal onderzoeken door de Commissie met betrekking tot staatssteun nog steeds gaande waren op het moment dat verslag A8-0223/2016 werd aangenomen; overwegende dat slechts enkele lidstaten terugvorderingsprocedures zijn gestart tegen een aantal mno's; overwegende dat bepaalde lidstaten een overloopanalyse van hun nationale fiscale beleid hebben uitgevoerd om de invloed op ontwikkelingslanden te beoordelen;

Q.  overwegende dat het beste middel om tegen agressieve fiscale planning op te treden een goed doordachte wetgeving is, die op gepaste en gecoördineerde wijze ten uitvoer wordt gelegd;

Rol van specifieke belastingjurisdicties

R.  overwegende dat het Parlement ontmoetingen heeft gehad met vertegenwoordigers van de regeringen van Andorra, Liechtenstein, Monaco, Guernsey en Jersey; overwegende dat de Kaaimaneilanden alleen aanwezig zijn geweest op een bijeenkomst van coördinatoren en niet bij de formele hoorzitting van de bijzondere commissie; overwegende dat het eiland Man heeft geweigerd te verschijnen voor de bijzondere commissie, maar in plaats daarvan een schriftelijke bijdrage heeft toegestuurd;

S.  overwegende dat sommige specifieke belastingjurisdicties actief bijdragen aan de ontwikkeling van agressieve fiscale strategieën namens mno's, die op deze manier belasting ontwijken; overwegende dat het vennootschapsbelastingtarief in sommige jurisdicties bijna 0 % of 0 % is; overwegende dat de complexiteit van verschillende belastingstelsels leidt tot een gebrek aan transparantie, wat wereldwijd negatieve gevolgen heeft;

T.  overwegende dat deze jurisdicties allemaal toegezegd hebben tegen 2017 automatische informatie-uitwisseling te zullen invoeren, behalve Andorra en Monaco, die dat in 2018 zullen doen; overwegende dat het belangrijk is te controleren of effectieve wetgevende wijzigingen nu al worden ingevoerd om effectieve automatische uitwisseling van inlichtingen vanaf 2017 te verzekeren;

U.  overwegende dat de bestrijding van belastingontduiking en ‑ontwijking bemoeilijkt wordt door mazen in de wetgeving, ondoeltreffende informatie-uitwisseling en, meer in het algemeen, niet-naleving van controlevoorschriften, gebrek aan inlichtingen over de uiteindelijke begunstigden en het bestaan van het bank- en bedrijfsgeheim ondanks de wetten inzake de geleidelijke opheffing van het bankgeheim; overwegende dat de ondoorzichtigheid van dergelijke praktijken door sommige belastingadviseurs in de financiële sector wordt benut om agressieve fiscale praktijken te ontwikkelen; overwegende dat initiatieven met het oog op automatische uitwisseling van inlichtingen tussen landen, naast de reeds bestaande bilaterale belastingverdragen, pas recent zijn ingevoerd; overwegende dat de zwaktes van het systeem, als er geen sprake is van effectieve handhaving, belastingontduiking en ‑ontwijking zullen aanmoedigen;

V.  overwegende dat sommige specifieke belastingjurisdicties binnen en buiten de EU niet bereid zijn hun belastingstelsel te hervormen, ondanks de huidige mondiale initiatieven en ondanks het feit dat sommige betrokken zijn bij de activiteiten van de OESO;

W.  overwegende dat de hoorzittingen die zijn gehouden met Andorra, Guernsey, Jersey, Liechtenstein en Monaco (zie bijlage 1) hebben aangetoond dat de voorwaarden voor de registratie van offshorebedrijven en de informatie die in dit kader moet worden verstrekt, in de verschillende jurisdicties sterk uiteenlopen; overwegende dat de officiële belastingautoriteiten van sommige van deze jurisdicties voor zover bekend geen volledige informatie hebben over de uiteindelijke begunstigden van trusts, stichtingen en bedrijven of dat deze informatie nooit is verzameld of openbaar is gemaakt; overwegende dat Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Zwitserland een overeenkomst met de EU hebben ondertekend voor de uitwisseling van inlichtingen; overwegende dat de Kanaaleilanden overeenkomsten hebben ondertekend met het VK en hebben verklaard bereid te zijn vergelijkbare overeenkomsten aan te gaan met andere lidstaten;

X.  overwegende dat de wetgeving van sommige jurisdicties niet borg staat voor goed bestuur en niet garandeert dat de hoogste internationale normen inzake uiteindelijke begunstigden, transparantie en samenwerking worden nageleefd;

Y.  overwegende dat sommige van deze jurisdicties afhankelijke of geassocieerde gebieden van lidstaten zijn en daardoor, hoewel ze zelfbesturend zijn, gedeeltelijk onderworpen zijn aan nationale en Europese wetgeving; overwegende dat lidstaten daarom wetgeving moeten overwegen om te verzekeren dat hun geassocieerde en afhankelijke gebieden aan de hoogste normen voldoen;

Z.  overwegende dat sommige lidstaten hun eigen lijst hebben van niet-coöperatieve jurisdicties en/of duidelijke definities van "belastingparadijzen" of "geprivilegieerde belastingjurisdictie"; overwegende dat er grote verschillen bestaan tussen deze lijsten wat betreft de manier waarop niet-coöperatieve jurisdicties of belastingparadijzen worden gedefinieerd en beoordeeld; overwegende dat de OESO-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties niet aan het gestelde doel beantwoordt; overwegende dat de Commissie in het belastingpakket van 17 juni 2015 een lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties heeft gepubliceerd die opgesteld is volgens het beginsel van gemeenschappelijke noemers op basis van bestaande nationale lijsten; overwegende dat een Unie-brede definitie en lijst van niet-coöperatieve jurisdicties broodnodig zijn, maar nog steeds ontbreken; overwegende dat geen van deze lijsten duidelijke, meetbare en uitputtende criteria bevatten over hoe geheimzinnig bepaalde jurisdicties zijn;

Rol van financiële instellingen in de agressieve fiscale planning door mno's

AA.  overwegende dat sommige financiële instellingen en boekhoud- of advocatenkantoren als intermediairs hebben gefungeerd door complexe juridische structuren tot stand te brengen die hebben geleid tot het gebruik van constructies voor agressieve fiscale planning door multinationale ondernemingen, zoals duidelijk is geworden door "LuxLeaks" en de "Panama Papers"; overwegende dat mazen in de wetgeving en een gebrek aan onderlinge coördinatie, samenwerking en transparantie tussen landen leiden tot een situatie waarin belastingontduiking wordt gefaciliteerd; overwegende dat financiële instellingen evenwel een belangrijke en onontbeerlijke hulp zijn in de strijd tegen belastingfraude vanwege de informatie over financiële rekeningen en daadwerkelijke eigendom waarover zij beschikken, en dat het daarom van cruciaal belang is dat zij volledig en effectief meewerken aan de uitwisseling van dergelijke inlichtingen;

AB.  overwegende dat tijdens dit onderzoek verschillende schandalen aan het licht zijn gekomen waarbij banken betrokken waren; overwegende dat financiële instellingen diverse constructies voor agressieve fiscale planning kunnen gebruiken om hun cliënten te helpen belastingen te ontwijken of te ontduiken; overwegende dat banken op de markt kunnen handelen in naam van hun cliënten en tegenover belastingdiensten kunnen beweren dat zij de uiteindelijke eigenaar van deze transacties zijn, wat ertoe leidt dat cliënten onterecht belastingvoordelen genieten die aan banken zijn toegekend omwille van hun status van bank of omwille van hun plaats van vestiging; overwegende dat de rol van banken (in het bijzonder investeringsbanken) bij het ontwerpen en implementeren van agressieve fiscale planning als een dubbele rol moet worden beschouwd: ten eerste doordat ze agressieve fiscale planning aanbieden aan hun cliënten - vaak door gebruik te maken van financiële producten zoals leningen, derivaten, repo's of andere aan aandelen verbonden instrumenten - en ten tweede doordat ze zelf gebruikmaken van agressieve fiscale planning - via hun eigen interbancaire en zakelijke gestructureerde financieringstransacties;

AC.  overwegende dat alle banken die voor de bijzondere commissie zijn verschenen officieel hebben ontkend dat ze hun cliënten adviseren belastingen te ontduiken of te ontwijken in welke vorm dan ook en dat ze banden hebben met boekhoud- en advocatenkantoren voor dat doel;

AD.  overwegende dat grote financiële instellingen een aanzienlijk aantal dochterondernemingen hebben opgezet in speciale belastingjurisdicties of in jurisdicties met lage of zeer lage vennootschapsbelastingtarieven om belastingen te ontwijken in naam van hun zakelijke en private cliënten of in hun eigen voordeel; overwegende dat diverse financiële instellingen onlangs een aantal van hun bijkantoren in deze jurisdicties hebben gesloten; overwegende dat diverse financiële instellingen zijn vervolgd voor belastingfraude of het witwassen van geld in de Verenigde Staten, wat leidde tot de betaling van aanzienlijke boeten, maar dat er in de Europese Unie slechts erg weinig vervolgingen zijn ingesteld;

AE.  overwegende dat banken actief zijn op een concurrerende markt en ertoe worden aangezet aantrekkelijke belastingconstructies te promoten om nieuwe cliënten aan te trekken en bestaande cliënten te bedienen; overwegende dat bankbedienden vaak onder enorme druk staan om de contracten van hun cliënten die belastingontwijking en ‑ontduiking mogelijk maken te valideren, met het risico dat ze worden ontslagen als ze dit niet doen; overwegende dat er belangenconflicten en draaideurgevallen zijn tussen topbedienden van banken, advieskantoren en vertegenwoordigers van belastingdiensten; overwegende dat belastingdiensten niet altijd voldoende toegang hebben tot inlichtingen of middelen om banken te onderzoeken en gevallen van belastingontduiking op te sporen;

AF.  overwegende dat het belangrijk is te erkennen dat niet alle complex gestructureerde financiële transacties (CGFT's) voornamelijk fiscaal gemotiveerd zijn, en dat hoofdzakelijk fiscaal gestuurde producten slechts een klein deel van alle CGFT's uitmaken; overwegende dat de bedragen die met transacties voor agressieve fiscale planning gemoeid zijn evenwel erg groot kunnen zijn, met afzonderlijke deals die soms financieringen van miljarden euro's omvatten en belastingvoordelen van honderden miljoenen euro's(30); overwegende dat belastingdiensten te maken hebben met gebrek aan transparantie van CGFT's die worden gebruikt voor doeleinden van agressieve fiscale planning, vooral wanneer afzonderlijke onderdelen van deze regelingen in verschillende jurisdicties worden uitgevoerd;

AG.  overwegende dat kredietinstellingen in de EU al aan vereisten voor de openbare verslaglegging per land zijn onderworpen krachtens de richtlijn kapitaalvereisten (RKV IV); overwegende dat dient te worden opgemerkt dat er een aantal leemten zijn in deze verslaglegging per land en dat deze leemten moeten worden aangevuld; overwegende dat geen van de financiële instellingen die voor de bijzondere commissie is verschenen aanzienlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de openbaarmakingsverplichtingen; overwegende dat sommige van hen duidelijk hebben aangegeven dat ze achter deze vereiste staan en steunen dat het een wereldwijde norm wordt;

AH.  overwegende dat er in de openbare verslaglegging per land met betrekking tot de documenten van bepaalde financiële instellingen sprake is van opmerkelijke discrepanties tussen de gerapporteerde algehele winst in buitenlandse jurisdicties en de activiteiten, betaalde belastingen en het aantal werknemers in diezelfde jurisdicties; overwegende dat deze verslaglegging ook heeft aangetoond dat er geen direct verband bestaat tussen de grondgebieden waar de bedrijven actief zijn en personeel hebben en de grondgebieden waar zij winsten tot stand laten komen;

AI.  overwegende dat banken en mno's die voor de bijzondere commissie zijn verschenen geen volledig antwoord hebben gegeven op de vragen van de leden van deze commissie en dat sommige aan de orde gestelde kwesties daarom onbeantwoord of onvoldoende gedefinieerd zijn gebleven; overwegende dat sommige van die banken en mno's in een later stadium schriftelijke bijdragen hebben ingediend (zie bijlage 2);

Octrooi-, kennis- en O&O-boxen

AJ.  overwegende dat regelingen met betrekking tot intellectueel eigendom, octrooien en onderzoek en ontwikkeling (O&O) in de Unie veel worden gebruikt; overwegende dat deze worden gebruikt door mno's om hun totale belastingbijdrage kunstmatig te verlagen; overwegende dat actie 5 van het actieplan van de OESO inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) verwijst naar de "gemodificeerde nexusbenadering"; overwegende dat het ook de rol van de groep Gedragscode is om dergelijke praktijken in de lidstaten te analyseren en er effectief toezicht op te houden;

AK.  overwegende dat de groep Gedragscode de octrooiboxregelingen heeft geanalyseerd, maar geen conclusies over specifieke regelingen heeft geformuleerd; overwegende dat intussen actie 5 van het BEPS-actieplan van de OESO verwijst naar de "gemodificeerde nexusbenadering" als de nieuwe norm voor de toekenning van O&O-stimulansen; overwegende dat lidstaten in de groep Gedragscode zijn overeengekomen de gemodificeerde nexusbenadering vanaf 2015 in hun nationale wetgeving op te nemen; overwegende dat zij het er ook over eens zijn dat bestaande octrooiboxconstructies tegen 2021 afgebouwd moeten zijn; overwegende dat de lidstaten een aanzienlijke vertraging hebben bij de tenuitvoerlegging van de gemodificeerde nexusbenadering op nationaal niveau;

AL.  overwegende dat verschillende onderzoeken van de Commissie duidelijk hebben aangetoond dat de koppeling tussen octrooiboxen en O&O vaak willekeurig en/of kunstmatig is; overwegende dat deze inconsistentie kan leiden tot de veronderstelling dat deze constructies meestal worden opgezet en gebruikt om belasting te ontwijken; overwegende dat fiscale stimuleringsmaatregelen voor inkomsten uit O&O, met name octrooiboxen, vaak leiden tot een sterke afname van belastinginkomsten voor alle overheden, ook voor degene die dergelijk beleid voeren; overwegende dat beter moet worden geanalyseerd hoe broodnodige O&O en innovatie in de EU het best kan worden gestimuleerd zonder schadelijke belastingpraktijken te creëren; overwegende dat ook de OESO en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) meermaals hebben bevestigd dat octrooiboxen in hun visie niet de juiste instrumenten zijn om O&O te bevorderen;

AM.  overwegende dat de centrale rol die octrooiboxen spelen in schadelijke fiscale constructies in eerste instantie werd opgemerkt tijdens de verkennende missies van de vorige bijzondere commissie van het Parlement (TAXE 1) in Nederland en het VK en vervolgens werd bevestigd tijdens de missie van deze commissie naar Cyprus; overwegende dat er in andere lidstaten vergelijkbare stelsels bestaan;

AN.  overwegende dat het volledig ontbreken van een geharmoniseerde aanpak tussen de lidstaten van het vraagstuk van uitgaande betalingen een uiterst urgent probleem veroorzaakt; overwegende dat in dit huidige, niet-gecoördineerde kader de combinatie van de afschaffing van bronbelasting uit hoofde van de rente- en royalty- en de moeder-dochterrichtlijn en het ontbreken van bronbelasting op dividend, licentievergoedingen en royalty's en uitgaande rentebetalingen in sommige lidstaten mazen creëren waardoor winsten effectief van elke lidstaat naar buiten de Unie kunnen stromen zonder ook maar één keer te worden belast;

Documenten van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen), de Werkgroep op hoog niveau inzake belastingen en de Groep belastingvraagstukken

AO.  overwegende dat het mandaat van de groep Gedragscode wordt gedefinieerd in de conclusies van de Ecofin-Raad van 1 december 1997; overwegende dat de documenten van de groep Gedragscode een essentiële bron van informatie vormen voor de werkzaamheden van de bijzondere commissie (zoals reeds omschreven in de resolutie van het Parlement van 25 november 2015);

AP.  overwegende dat sommige vergaderdocumenten en notulen van de groep Gedragscode pas vijf maanden na het begin van het mandaat van de bijzondere commissie beschikbaar werden gesteld aan parlementsleden tijdens besloten bijeenkomsten in de gebouwen van het Parlement; overwegende dat er aanvullende documenten beschikbaar zijn gesteld, maar dat sommige documenten en notulen nog steeds niet openbaar zijn gemaakt of ontbreken; overwegende dat de Commissie tijdens een informele bijeenkomst aangaf dat zij alle door haar geproduceerde en tot haar beschikking staande documenten aan de bijzondere commissie heeft verstrekt en dat andere relevante van de Commissie afkomstige vergaderdocumenten, mochten deze ooit in haar bezit zijn geweest, dus zijn kwijtgeraakt;

AQ.  overwegende dat lidstaten het Parlement ontoereikende antwoorden hebben gegeven op herhaaldelijke verzoeken om volledige openbaarmaking van de documenten in kwestie; overwegende dat deze praktijk al enkele maanden gaande is; overwegende dat deze documenten zijn verstrekt aan onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam na een verzoek daartoe op grond van de transparantierichtlijn; overwegende dat deze documenten desalniettemin onlangs beschikbaar zijn gesteld, maar alleen op vertrouwelijke basis, waardoor ze niet kunnen worden gebruikt in het openbare debat; overwegende dat transparantie en toegang tot informatie essentiële elementen zijn van de parlementaire werkzaamheden;

AR.  overwegende dat in de groep Gedragscode specifieke vraagstukken zijn onderzocht zonder dat dit tot concrete hervormingen heeft geleid; overwegende bijvoorbeeld dat de discussies over rulings al zeker sinds 1999 lopen en er nog steeds problemen zijn met de tenuitvoerlegging van overeengekomen aanbevelingen, zelfs na de "LuxLeaks"-onthullingen; overwegende dat het onderzoek naar octrooiboxregelingen nooit volledig is voltooid in 2014 en dat er geen nieuw onderzoek is gestart, hoewel de lidstaten laat zijn met de tenuitvoerlegging van de nieuwe gemodificeerde nexusbenadering;

De externe dimensie: de G20, de OESO en de VN; betrokkenheid van en consequenties voor ontwikkelingslanden

AS.  overwegende dat de OESO, de Verenigde Naties en andere internationale organen belanghebbenden zijn in de strijd tegen de uitholling van de grondslag van vennootschapsbelasting; overwegende dat er behoefte is aan wereldwijde harmonisatie van handelswijzen en toepassing van gemeenschappelijke normen, zoals die welke zijn voorgesteld door de OESO in het BEPS-pakket; overwegende dat een intergouvernementeel forum op VN-niveau met een minder selectief lidmaatschap dan dat van de OESO of de G20 moet worden opgezet om alle landen, met inbegrip van ontwikkelingslanden, in staat te stellen om op gelijke voet deel te nemen; overwegende dat in de conclusie van de bijeenkomst van de ministers van Financiën en de presidenten van centrale banken van de G20-landen, die op 14 en 15 april 2016 in Washington werd gehouden, alle landen en jurisdicties opnieuw worden opgeroepen om de normen van de Financiële-actiegroep (FATF) inzake transparantie en uiteindelijke begunstigden van rechtspersonen en juridische regelingen ten uitvoer te leggen; overwegende dat enkele G20-leden hebben opgeroepen tot automatische uitwisseling van informatie over uiteindelijke begunstigden en aan de FATF en het Wereldforum inzake transparantie en informatie-uitwisseling voor belastingdoeleinden hebben gevraagd om tegen oktober 2016 daartoe strekkende initiële voorstellen te formuleren;

AT.  overwegende dat het, zoals is waargenomen tijdens de onderzoeksmissie in de VS, op mondiaal niveau ontbreekt aan transparantie inzake uiteindelijke begunstigden en aan een gemeenschappelijke definitie van dat begrip; overwegende dat dit gebrek aan transparantie vooral duidelijk is in verband met fictieve vennootschappen en advocatenkantoren; overwegende dat de Verenigde Staten momenteel de tenuitvoerlegging van het BEPS-actieplan van de OESO voorbereiden;

AU.  overwegende dat ontwikkelingslanden niet als gelijkwaardige onderhandelingspartners zijn opgenomen in het BEPS-proces en dat dit proces geen doeltreffende oplossingen heeft aangereikt voor de fiscale problemen van de armste landen, zoals blijkt uit het mondiale netwerk van belastingverdragen dat ontwikkelingslanden vaak belet om op hun grondgebied gegenereerde winsten te belasten;

AV.  overwegende dat de bevoegde instanties van de EU en de VS reeds samenwerken op het gebied van gemeenschappelijke belastingaangelegenheden, maar dat deze samenwerking op politiek niveau, en met name op parlementair niveau, ontbreekt;

AW.  overwegende dat er een symposium over belastingheffing staat gepland voor juli 2016, met als doel de totstandbrenging van een sterke, duurzame en evenwichtige economisch groei; overwegende dat de G20 alle internationale instanties, waaronder de EU, heeft opgeroepen om de uitdagingen in kwestie aan te pakken;

AX.  overwegende dat tijdens de gezamenlijke hoorzitting van de bijzondere commissie (TAXE 2) en de Commissie ontwikkelingssamenwerking over de gevolgen van agressieve fiscale praktijken voor ontwikkelingslanden is gebleken dat ontwikkelingslanden te maken hebben met dezelfde problemen van grondslaguitholling, winstverschuiving, gebrek aan transparantie, wereldwijd uiteenlopende belastingstelsels en het ontbreken van samenhangende en effectieve internationale wetgeving; overwegende dat ontwikkelingslanden nadeel ondervinden van agressieve fiscale planning; overwegende dat de belastingadministraties van ontwikkelingslanden over onvoldoende middelen en deskundigheid beschikken om belastingontduiking en ‑ontwijking doeltreffend te bestrijden;

AY.  overwegende dat de leden van de G20 opnieuw hebben bevestigd zich in te zullen zetten voor maatregelen om de capaciteit van de economieën van ontwikkelingslanden te vergroten en ontwikkelde landen aan te moedigen de beginselen van het Addis Tax Initiative na te leven, zoals uiteengezet op de VN-bijeenkomst van 27 juli 2015; overwegende dat de standpunten en prioriteiten van ontwikkelingslanden essentieel zijn voor een effectieve wereldwijde coördinatie;

AZ.  overwegende dat het IMF en de Wereldbank technische bijstand verlenen, onder meer in de vorm van instrumenten, aan de belastingdiensten van ontwikkelingslanden op het gebied van internationale belastingvraagstukken, teneinde ontwikkelingslanden beter in staat te stellen belastingontduiking, belastingontwijking en witwassen van geld aan te pakken, in het bijzonder in verband met verrekenprijzen;

BA.  overwegende dat de Australische regering plannen heeft aangekondigd voor de invoering van een belasting op omgeleide winsten voor mno's die belasting ontwijken, die op 1 juli 2017 in werking zal treden, evenals voor de oprichting van een nieuwe taskforce van de belastingdienst;

De werkzaamheden van de bijzondere commissie van het Parlement (TAXE 2)

BB.  overwegende dat een aantal van de door de Commissie voorgestelde maatregelen een directe follow-up zijn van de resoluties van het Parlement van 16 december 2015 en 25 november 2015; overwegende dat belangrijke initiatieven die hierin zijn opgenomen, derhalve nu door de Commissie naar voren worden gebracht, ten minste gedeeltelijk; overwegende dat andere cruciale maatregelen waarom in de genoemde resoluties wordt gevraagd nog altijd ontbreken, zoals onder meer een hervorming van het staatssteunkader, doeltreffende wettelijke bepalingen voor de bescherming van klokkenluiders en maatregelen om de bijstand aan en bevordering van agressieve fiscale planning door adviseurs en de financiële sector aan banden te leggen;

BC.  overwegende dat de implicaties voor de Unie zijn geanalyseerd en beoordeeld, met name door de Bijzondere Commissie van het Parlement voor fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 1), en dat het werk van deze commissie heeft geleid tot de goedkeuring van de resolutie met een overweldigende meerderheid op 25 november 2015; overwegende dat de resolutie van het Parlement van 16 december 2015 is aangenomen met een al even overweldigende meerderheid; overwegende dat de Commissie een gezamenlijk antwoord heeft gegeven op de resoluties van 16 december 2015 en 25 november 2015;

BD.  overwegende dat de bijzondere commissie van het Parlement TAXE 2, die op 2 december 2015 werd opgericht, 11 bijeenkomsten heeft gehouden, sommige samen met de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie juridische zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking, en tijdens deze bijeenkomsten de commissaris voor Mededinging, Margrethe Vestager, heeft gehoord, evenals de commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane, Pierre Moscovici, de commissaris voor Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie, Jonathan Hill, de Nederlandse staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes (namens het voorzitterschap van de Raad), deskundigen op het gebied van belastingheffing en ontwikkeling, vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen (mno's), vertegenwoordigers van banken en leden van de nationale parlementen van de EU-landen; overwegende dat zij ook bijeen is gekomen met vertegenwoordigers van de regeringen van Andorra, Liechtenstein, Monaco, Guernsey en Jersey, en schriftelijke bijdragen heeft ontvangen van de regering van het eiland Man (zie bijlage 1); overwegende dat zij eveneens verkennende missies heeft georganiseerd naar de VS (zie bijlage 6 bij verslag A8-0223/2016) om de specifieke aspecten van de derdelanddimensie van haar mandaat te onderzoeken, en naar Cyprus (zie bijlage 5 bij verslag A8-0223/2016); overwegende dat leden van de bijzondere commissie persoonlijk zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de activiteiten van de interparlementaire groep op hoog niveau van de OESO "TAXE"; overwegende dat de bijzondere commissie besloten bijeenkomsten heeft gehouden op coördinatorniveau en tijdens deze bijeenkomsten vertegenwoordigers van de regering van de Kaaimaneilanden, onderzoeksjournalisten en ambtenaren van de Commissie heeft gehoord; overwegende dat al deze activiteiten, die een grote hoeveelheid buitengewoon nuttige informatie hebben opgeleverd over praktijken en belastingstelsels zowel binnen als buiten de Unie, hebben geholpen een aantal relevante kwesties te verduidelijken, terwijl andere vragen nog steeds onbeantwoord blijven;

BE.  overwegende dat slechts vier van de zeven mno's zijn ingegaan op de eerste uitnodiging om voor haar leden te verschijnen (zie bijlage 2);

BF.  overwegende dat als gevolg van de hardnekkige weigering van de Commissie en de Raad om in te stemmen met het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Parlement, de bijzondere commissies en onderzoekscommissies van het Parlement in vergelijking met vergelijkbare commissies van de parlementen van de lidstaten en het Amerikaanse Congres nog steeds over onvoldoende bevoegdheden beschikken, zoals het recht om getuigen op te roepen en toegang tot documenten af te dwingen;

BG.  overwegende dat de Raad bij talrijke recente gelegenheden op voorhand algemene politieke standpunten heeft ingenomen over fiscale kwesties, zonder rekening te houden met de standpunten van het Europees Parlement of deze ook maar af te wachten;

Conclusies en aanbevelingen

1.  benadrukt wederom de conclusies van zijn resolutie van 25 november 2015 en van zijn resolutie van 16 december 2015;

Follow-up door de Commissie en de lidstaten

2.  betreurt het dat dertien lidstaten geen passende regels hebben om agressieve fiscale planning op basis van belastingvrije doorstroming van dividenden tegen te gaan; betreurt het eveneens dat dertien lidstaten geen enkele uiteindelijkebegunstigdetoetsing hebben toegepast bij het aanvaarden van een vordering tot vermindering of vrijstelling van bronbelasting; betreurt het voorts dat veertien lidstaten tot op heden nog geen regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen hebben vastgesteld om agressieve fiscale planning te voorkomen en dat vijfentwintig lidstaten geen regels hebben vastgesteld om een ongelijke fiscale kwalificatie van een lokale vennootschap door een andere staat tegen te gaan; betreurt het dat geen enkele lidstaat tot dusver heeft opgeroepen tot een verbod op structuren voor agressieve fiscale planning;

3.  verzoekt de lidstaten en de Commissie aanvullende wetgevingsvoorstellen inzake ontwijking van vennootschapsbelasting vast te stellen, aangezien de lidstaten ruimte hebben om hun regels tegen misbruik aan te scherpen teneinde grondslaguitholling tegen te gaan; betreurt het ten zeerste dat de lidstaten de aanbevelingen van het Parlement in geen enkele werkgroep van de Raad hebben besproken;

4.  is verheugd over het pakket bestrijding belastingontwijking dat de Commissie op 28 januari 2016 heeft gepubliceerd, alsook over de wetgevingsvoorstellen en mededelingen die nadien werden gedaan (zie bijlage 4 bij verslag A8-0223/2016); is ingenomen met de goedkeuring door de Raad van de richtlijn tot wijziging van de richtlijn inzake administratieve samenwerking om verslaglegging per land aan de belastingautoriteiten in te stellen, maar betreurt dat de Raad niet heeft gewacht op het standpunt van het Parlement om zijn eigen standpunt vast te stellen en niet heeft voorzien in de betrokkenheid van de Commissie bij de uitwisseling van informatie; roept de Raad op tot een unaniem en ambitieus standpunt over het pakket bestrijding belastingontwijking te komen en de richtlijn bestrijding belastingontwijking als één enkele richtlijn te behouden, teneinde de OESO-aanbevelingen daadwerkelijk uit te voeren en verder te gaan om de ambities van de EU te verwezenlijken en ervoor te zorgen dat de interne markt naar behoren werkt in plaats van hem te verzwakken; betreurt ten zeerste dat het huidige ontwerpstandpunt van de Raad is verzwakt, met name met een grootvaderclausule inzake renteaftrek en een engere benadering van de regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen; is verheugd over het initiatief om een gezamenlijke EU-definitie en ‑lijst van niet-coöperatieve jurisdicties op te stellen, in het kader van de externe strategie voor effectieve belastingheffing; benadrukt dat deze lijst gebaseerd moet zijn op objectieve, uitputtende en kwantificeerbare criteria; herhaalt dat in de toekomst meer en bindende maatregelen nodig zijn om BEPS doeltreffend en systematisch te bestrijden;

5.  is van mening dat de richtlijn inzake administratieve samenwerking, na verscheidene achtereenvolgende ad-hocwijzigingen te hebben ondergaan met betrekking tot de automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings en verslaglegging per land, nu in haar geheel moet worden herschikt, met name, maar niet alleen, om de huidige uitzonderingen op het beginsel van uitwisseling van informatie te beperken en uiteindelijk af te schaffen;

6.  herhaalt zijn standpunt dat multinationale ondernemingen in hun financiële overzichten, uitgesplitst per lidstaat en per derde land waar zij gevestigd zijn, een reeks gegevens op duidelijke en begrijpelijke wijze openbaar moeten maken, waaronder winst of verlies vóór belasting, belasting op winst of verlies, het aantal werknemers en de uitgevoerde activiteiten; onderstreept het belang van het beschikbaar maken van deze informatie aan het publiek, mogelijk in de vorm van een centraal EU-register;

7.  dringt er bij de Commissie op aan vóór eind 2016 met een voorstel te komen voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), met een geëigende en billijke verdeelsleutel, wat een integrale oplossing zou bieden voor de aanpak van schadelijke fiscale praktijken binnen de Unie, duidelijkheid en eenvoud voor bedrijven zou scheppen en grensoverschrijdende economische activiteiten binnen de Unie zou vergemakkelijken; is van mening dat consolidatie het cruciale element van de CCCTB is; is van mening dat consolidatie zo snel mogelijk moet worden ingevoerd en dat elke tussenoplossing, zoals alleen de harmonisatie van de belastinggrondslag met een verliescompensatiemechanisme, slechts van tijdelijke aard kan zijn; is van mening dat de invoering van een volledige, verplichte CCCTB steeds urgenter wordt; roept de lidstaten op om spoedig overeenstemming te bereiken over het voorstel voor een CCCTB zodra dit is ingediend en om de daarop volgende wetgeving snel in te voeren; herinnert de lidstaten eraan dat achterdeurtjes en incongruenties tussen belastinggrondslagen voor vennootschapsbelasting en verschillen in administratieve praktijken binnen de EU een ongelijk speelveld en oneerlijke belastingconcurrentie kunnen creëren;

8.  is verheugd dat de Commissie op 12 april 2016 een voorstel heeft aangenomen voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking door bedrijven, hun dochterondernemingen en bijkantoren van informatie met betrekking tot inkomstenbelasting en meer transparantie in vennootschapsbelasting; betreurt echter dat de reikwijdte, criteria en drempels van het Commissievoorstel niet in overeenstemming zijn met de eerdere standpunten die door het Parlement werden ingenomen en daardoor geen resultaten zullen opleveren;

9.  is verheugd over de overeenstemming die op 8 december 2015 werd bereikt in de Raad over automatische uitwisseling van inlichtingen inzake fiscale rulings; betreurt echter dat de Raad de aanbevelingen ten aanzien van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor een dergelijke maatregel die het Parlement in zijn verslag van 20 oktober 2015 heeft gedaan, in de wind heeft geslagen; benadrukt dat de Commissie volledige toegang moet krijgen tot de nieuwe databank van de Unie met fiscale rulings; benadrukt de noodzaak van een volledige en efficiënte databank met alle rulings die mogelijk een grensoverschrijdend effect hebben; dringt er bij de lidstaten op aan snel het noodzakelijke wetgevingskader vast te stellen om te kunnen beginnen met de automatische uitwisseling van inlichtingen inzake fiscale rulings;

10.  benadrukt dat de automatische uitwisseling van inlichtingen ertoe zal leiden dat er een grote hoeveelheid gegevens moet worden verwerkt, en beklemtoont dat de kwesties die verband houden met de geautomatiseerde verwerking van de gegevens moeten worden gecoördineerd, evenals de benodigde personele middelen voor het analyseren van de gegevens; roept op tot het versterken van de rol van de Commissie bij deze activiteiten; verzoekt de Commissie en de lidstaten zorgvuldig toezicht te houden op en volledig te voldoen aan de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake administratieve samenwerking op nationaal niveau, met name met het oogmerk om te verifiëren hoeveel lidstaten om fiscale inlichtingen verzoeken in het kader van bilaterale belastingverdragen in plaats van op basis van deze rechtsgrondslag; vraagt de lidstaten hun belastingdiensten te versterken met toereikende personele middelen om de effectieve inning van belastinginkomsten te waarborgen en schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, omdat een gebrek aan middelen en personeelsinkrimpingen, bovenop het gebrek aan aangepaste opleiding, technische middelen en onderzoeksbevoegdheden, een ernstige hindernis vormen voor de belastingdiensten in sommige lidstaten; verzoekt de lidstaten om de met belastingautoriteiten uitgewisselde inlichtingen en de met financiële toezichthouders en regelgevers uitgewisselde inlichtingen te integreren;

11.  is verheugd over de aankondiging door Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk op 12 mei 2016 dat zij openbare registers van uiteindelijke begunstigden van vennootschappen zullen instellen; prijst Frankrijk voor zijn vaste voornemen om een openbaar register van trusts in te stellen; steunt het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om ondernemingen van buiten het Verenigd Koninkrijk die activa kopen in het land of een overeenkomst met de staat sluiten te verplichten de uiteindelijke begunstigde bekend te maken; roept alle lidstaten op om soortgelijke initiatieven te nemen;

12.  betreurt dat de nieuwe wereldwijde OESO-norm voor de automatische uitwisseling van inlichtingen geen overgangsperiode voor ontwikkelingslanden omvat, en dat door het wederkerig maken van deze norm de landen die over een beperkte capaciteit beschikken om de benodigde infrastructuur voor het verzamelen, beheren en delen van de verlangde inlichtingen op te zetten, effectief kunnen worden uitgesloten;

13.  merkt op dat het Gezamenlijk EU-Forum voor verrekenprijzen de ontwikkeling van goede praktijken heeft opgenomen in zijn werkprogramma voor 2014-2019, om te garanderen dat de richtlijnen van de OESO over dit onderwerp overeenkomen met de specifieke situatie in de lidstaten; merkt op dat de Commissie toezicht houdt op de vorderingen met betrekking tot deze activiteiten;

14.  onderstreept dat winstverschuiving in 70 % van de gevallen plaatsvindt door middel van verrekenprijzen en dat de beste manier om dit probleem aan te pakken de vaststelling van een volledige CCCTB is; verzoekt de Commissie niettemin een concreet wetgevingsvoorstel met betrekking tot verrekenprijzen in te dienen, rekening houdend met de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten van 2010; onderstreept voorts dat mogelijk aanvullende inspanningen vereist zijn ter vermindering van BEPS-risico's tussen EU-lidstaten en derde landen die voortvloeien uit het verrekenprijzenkader, met name de prijsstelling van immateriële activa, en dat mondiale alternatieven voor het huidige "arm's length"-beginsel actief moeten worden onderzocht en getest op hun potentieel om voor een eerlijker en doeltreffender mondiaal belastingstelsel te zorgen;

15.  is verheugd over het feit dat de commissaris voor Mededinging, Margrethe Vestager, verrekenprijzen heeft aangemerkt als een aandachtsgebied bij gevallen van staatssteun, aangezien bekend is dat dit een instrument is dat mno's veel gebruiken voor constructies voor belastingfraude of ‑ontwijking zoals het verstrekken van leningen tussen bedrijven van dezelfde groep; merkt op dat er momenteel geen richtsnoeren bestaan voor het vaststellen en reguleren van belastinggerelateerde staatssteun, terwijl dit type staatssteun een zorgwekkend instrument voor belastingontwijking is gebleken; verzoekt de Commissie richtsnoeren uit te werken en duidelijke criteria vast te stellen om het gebruik van verrekenprijzen nauwkeuriger af te bakenen teneinde gevallen van staatssteun beter te kunnen beoordelen; steunt de conclusies van de onderzoeken van de Commissie naar Starbucks, Fiat en Amazon; benadrukt dat de Commissie toegang moet krijgen tot alle relevante gegevens;

16.  betreurt dat veel van de gehoorde multinationale ondernemingen belastingontwijkingspraktijken en agressieve fiscale planning niet krachtig hebben veroordeeld; benadrukt dat multinationale ondernemingen op eenvoudige wijze kunstmatige leningen tussen bedrijven van dezelfde groep kunnen verstrekken in het kader van agressieve fiscale planning; benadrukt dat de voorkeur voor dergelijke schuldfinanciering ten koste gaat van de belastingbetalers en van de financiële stabiliteit; verzoekt de lidstaten derhalve om de fiscale ongelijkheid tussen eigen en vreemd vermogen in hun respectieve belastingwetgeving weg te nemen;

17.  benadrukt sterk dat klokkenluiders een cruciale rol spelen bij het onthullen van de dimensie van belastingontduiking en ‑ontwijking en dat de bescherming van klokkenluiders in de EU daarom juridisch moet worden gegarandeerd en versterkt; merkt op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Raad van Europa aan deze kwestie hebben gewerkt; is van mening dat rechtbanken en lidstaten de bescherming van legitieme bedrijfsgeheimen moeten garanderen, maar hierbij geenszins de capaciteit van klokkenluiders en journalisten mogen belemmeren, remmen of beperken om illegale, onrechtmatige of schadelijke praktijken aan de kaak te stellen wanneer dit duidelijk en ondubbelzinnig het algemeen belang dient; betreurt dat de Commissie geen plannen heeft om spoedig maatregelen te nemen op dit gebied, gezien de zeer recente en belangrijke onthullingen door klokkenluiders, in de volksmond bekend als respectievelijk "LuxLeaks" en "Panama Papers";

18.  is verheugd dat de Commissie een openbare raadpleging op gang heeft gebracht over het verbeteren van mechanismen voor de beslechting van geschillen over dubbele belastingheffing; benadrukt dat het vaststellen van een duidelijk tijdschema voor geschillenbeslechtingsprocedures essentieel is om de doeltreffendheid van de stelsels te vergroten;

19.  is ingenomen met de mededeling over een externe strategie voor effectieve belastingheffing, waarin de Europese Investeringsbank (EIB) wordt gevraagd om vereisten voor goed bestuur om te zetten in haar overeenkomsten met alle geselecteerde financiële tussenpersonen; verzoekt de EIB een nieuw beleid voor verantwoordelijke belastingheffing op te stellen, uitgaande van de evaluatie van haar beleid met betrekking tot niet-coöperatieve jurisdicties die in 2016 werd uitgevoerd, in nauwe dialoog met het maatschappelijk middenveld; wijst er nogmaals op dat de EIB haar activiteiten inzake zorgvuldigheid moet versterken om de kwaliteit van de informatie over uiteindelijke begunstigden te verbeteren en op doeltreffender wijze te voorkomen dat transacties plaatsvinden met financiële tussenpersonen die negatief scoren op het gebied van transparantie, fraude, corruptie, georganiseerde misdaad, witwassen van geld en activiteiten die schadelijke sociale en milieugevolgen hebben, of die zijn geregistreerd in offshore financiële centra of belastingparadijzen en gebruikmaken van agressieve belastingontwijkingspraktijken;

20.  verzoekt de Commissie duidelijke wetgeving vast te stellen inzake de definitie van "economische substantie", "waardecreatie" en "permanente vestiging", met het oog op het aanpakken van met name brievenbusfirma's;

Zwarte lijst en concrete sancties voor niet-coöperatieve jurisdicties en bronbelasting

21.  merkt op dat de externe strategie voor effectieve belastingheffing het enige concrete initiatief is dat de Commissie tot dusver heeft genomen met betrekking tot niet-coöperatieve jurisdicties, waaronder overzeese gebieden; is van mening dat de criteria van de OESO voor het aanmerken van een jurisdictie als niet-coöperatief niet hebben geleid tot een oplossing voor deze kwestie en ook niet afschrikkend hebben gewerkt; beklemtoont dat er nog steeds derde landen zijn die illegaal verworven activa beschermen, zodat het voor de EU-autoriteiten onmogelijk is om ze terug te vorderen;

22.  roept de Commissie op om zo snel mogelijk een gemeenschappelijke EU-definitie en ‑lijst op te stellen van niet-coöperatieve jurisdicties (dat willen zeggen, een zwarte lijst van belastingparadijzen), op basis van deugdelijke, transparante en objectieve criteria, waaronder de invoering van de aanbevelingen van de OESO, maatregelen inzake fiscale transparantie, BEPS-acties en normen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen, het bestaan van actieve schadelijke fiscale praktijken, voordelen die worden verleend aan niet-ingezeten personen of rechtspersonen, het ontbreken van vereisten inzake economische substantie, en de niet-openbaarmaking van de ondernemingsstructuur van rechtspersonen (waaronder trusts, liefdadigheidsinstellingen, stichtingen, enz.) of de eigendom van activa of rechten, en is verheugd over de intentie van de Commissie om in de komende zes maanden een akkoord te bereiken over een dergelijke lijst; roept de lidstaten op zich uiterlijk eind 2016 achter dat akkoord te scharen; is van mening dat er vóór de opneming in de lijst een escalatieprocedure moet komen, beginnend met een constructieve dialoog met de jurisdictie die tekortkomingen vertoont, om ook een preventieve werking te doen uitgaan van het proces; is van mening dat er een mechanisme dient te worden gecreëerd om jurisdicties van de lijst te kunnen schrappen zodra zij (weer) voldoen; is van mening dat deze beoordeling ook de OESO-lidstaten moet omvatten;

23.  roept op tot een concreet regelgevend kader op Unie-niveau voor sancties tegen de niet-coöperatieve jurisdicties op de zwarte lijst, waaronder de mogelijkheid om vrijhandelsovereenkomsten te evalueren en, in het uiterste geval, op te schorten, overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting op te schorten en toegang tot fondsen van de Unie te blokkeren; wijst erop dat sancties tot doel hebben wijzigingen in de wetgeving van de betrokken jurisdicties teweeg te brengen; stelt voor ook sancties toe te passen op bedrijven, banken, accountants- en advocatenkantoren en belastingadviseurs waarvan wordt bewezen dat ze betrokken zijn bij illegale, schadelijke of onrechtmatige activiteiten met deze jurisdicties of dat ze illegale, schadelijke of onrechtmatige regelingen voor vennootschapsbelastingen hebben bevorderd aan de hand van juridische constructies in die jurisdicties;

24.  roept de Commissie op bindende wetgeving voor te bereiden die het alle EU-instellingen verbiedt om rekeningen te openen of actief te zijn in de jurisdicties die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst met niet-coöperatieve jurisdicties;

25.  roept de lidstaten op opnieuw over hun bilaterale belastingverdragen met derde landen te onderhandelen door middel van een multilateraal instrument, om er voldoende stevige antimisbruikclausules in op te nemen en zo "verdragshoppen" te voorkomen, met inbegrip van een verdeling van de belastingrechten tussen het bronland en het vestigingsland die een afspiegeling vormt van het economische belang, en een goede definitie van permanente vestiging; benadrukt voorts dat dit proces aanzienlijk zou kunnen worden versneld als de Commissie van de lidstaten een mandaat zou krijgen om over dergelijke belastingverdragen te onderhandelen namens de Unie; verzoekt de lidstaten bij onderhandelingen over dergelijke verdragen een billijke behandeling van ontwikkelingslanden te waarborgen;

26.  verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een in de gehele EU door de lidstaten geheven bronbelasting in te dienen, om te garanderen dat er over de winsten die binnen de Unie worden gegenereerd, ten minste eenmaal belasting wordt geheven voordat ze de Unie verlaten; merkt op dat in een dergelijk voorstel een teruggavemechanisme moet worden opgenomen om dubbele belastingheffing te voorkomen; onderstreept dat een dergelijk algemeen bronbelastingstelsel op basis van de verrekeningsmethode het voordeel heeft dat dubbele niet-belastingheffing en BEPS worden voorkomen zonder dat dit leidt tot dubbele belastingheffing;

27.  betreurt dat Andorra en Monaco hebben toegezegd om tegen 2018 over te gaan tot de automatische uitwisseling van gegevens, in plaats van in 2017; wijst erop dat sommige niet-coöperatieve jurisdicties zoals Andorra voldoen aan de normen inzake de uitwisseling van inlichtingen, maar zich bewegen in de richting van laagbelastende jurisdicties; is bezorgd dat de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting tussen Andorra en Spanje momenteel geen doeltreffende automatische uitwisseling van inlichtingen waarborgt; roept de Commissie op nauw toe te zien op de doeltreffende toepassing van de automatische uitwisseling van inlichtingen zoals opgenomen in de overeenkomsten die de lidstaten hebben gesloten met voormalige of huidige niet-coöperatieve jurisdicties;

28.  is van mening dat de hybride mismatch tussen de EU-lidstaten en derde landen bij de aanduiding van rechtspersonen, die leidt tot dubbele niet-belastingheffing, doeltreffend moet worden aangepakt in Europese wetgeving, in aanvulling op het door de Commissie voorgestelde pakket bestrijding belastingontwijking;

Octrooi-, kennis- en O&O-boxen

29.  merkt op dat octrooi-, kennis- en O&O-boxen tot dusver minder doeltreffend dan verwacht zijn gebleken voor het stimuleren van innovatie in de Unie; betreurt dat zij in plaats daarvan door mno's worden gebruikt voor winstverschuiving door middel van constructies voor agressieve fiscale planning, zoals de bekende "Double Irish with a Dutch Sandwich"; is van mening dat octrooiboxen niet geschikt en ondoeltreffend zijn voor het behalen van economische doelstellingen; benadrukt dat O&O kan worden bevorderd aan de hand van bredere beleidsmaatregelen die innovatie op de lange termijn en onafhankelijk onderzoek bevorderen, en door middel van subsidies die voorrang moeten krijgen boven octrooiboxen, aangezien het risico op misbruik voor belastingontwijking bij subsidies kleiner is; merkt op dat de koppeling tussen octrooiboxen en O&O-activiteiten vaak willekeurig is en dat de huidige modellen leiden tot een "race to the bottom" wat betreft de effectieve belastingafdracht van mno's;

30.  betreurt dat bepaalde lidstaten deze kwestie, met name binnen de groep Gedragscode, tot nu toe hebben verwaarloosd en nog met een gepaste tijdplanning moeten komen om de kwestie aan te pakken;

31.  roept de Commissie op voorstellen te doen voor bindende EU-wetgeving inzake octrooiboxen, waarbij wordt voortgebouwd op de gemodificeerde nexusbenadering van de OESO en de tekortkomingen daarvan worden aangepakt, teneinde misbruik van octrooiboxen met het oog op belastingontwijking te verbieden en ervoor te zorgen dat octrooiboxen, als en wanneer ze worden gebruikt, bijdragen aan daadwerkelijke economische activiteit; benadrukt dat het voorstel van de Commissie moet gelden voor alle door de lidstaten ingestelde nieuwe octrooiboxen en dat alle bestaande en nog geldende octrooiboxen dienovereenkomstig moeten worden gewijzigd;

32.  roept de lidstaten op een bepaling over een minimale effectieve belasting (MEB-clausule) op te nemen in de rente- en royaltyrichtlijn en in de moeder-dochterrichtlijn en te garanderen dat de Raad geen vrijstellingen toekent;

Banken, belastingadviseurs en tussenpersonen

33.  betreurt ten zeerste dat sommige banken, belastingadviseurs, advocaten- en accountantskantoren en andere tussenpersonen medewerking hebben verleend en een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van constructies voor agressieve fiscale planning voor hun cliënten, en ook nationale regeringen hebben geholpen bij het ontwerpen van hun belastingwetgeving, waarbij een aanzienlijk belangenconflict is ontstaan;

34.  is bezorgd over het gebrek aan transparantie en toereikende documentatie in financiële instellingen en onder adviseurs en advocatenkantoren met betrekking tot de specifieke modellen van eigendom en controle die worden aanbevolen door fiscale, financiële en juridische adviseurs, zoals is bevestigd door de recente onthullingen omtrent de "Panama Papers"; beveelt aan om de transparantievereisten voor het oprichten van particuliere ondernemingen te versterken om het probleem van de fictieve vennootschappen aan te pakken;

35.  is bezorgd over het gebrek aan transparantie en behoorlijke documentatie binnen de nationale belastingdiensten met betrekking tot de mededingingseffecten van besluiten inzake verrekenprijzen, de instelling van octrooiboxen, fiscale rulings en andere elementen van discretionaire vennootschapsbelasting;

36.  roept ertoe op de bestaande gedragscodes voor belastingadviseurs te versterken, met name om rekening te houden met potentiële belangenconflicten, zodanig dat deze op duidelijke en begrijpelijke wijze openbaar worden gemaakt; roept de Commissie op een EU-gedragscode voor te stellen waarin is bepaald dat alle adviesdiensten mogelijke belangenconflicten op duidelijke en begrijpelijke wijze openbaar moeten maken; is van mening dat deze code een onverenigbaarheidsregime voor belastingadviseurs moet omvatten, niet alleen om te voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan bij het adviseren van zowel de publieke als de particuliere sector, maar ook om andere belangenconflicten te voorkomen;

37.  wijst op het risico van belangenconflicten wanneer door hetzelfde accountantskantoor juridisch advies, belastingadvies en auditdiensten worden verleend; benadrukt daarom het belang van een duidelijke scheiding tussen deze diensten; verzoekt de Commissie te zorgen voor een behoorlijke monitoring en tenuitvoerlegging van de wetgeving ter voorkoming van dergelijke conflicten, en na te gaan of een herziening nodig is van de auditrichtlijn, met name de bepalingen van artikel 22, en de auditverordening, met name de bepalingen van artikel 5 en de definitie van het "effect van materieel belang" van niet-controlediensten;

38.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de onderlinge verwevenheid van de academische wereld en de belastingadviesdiensten en daarbij ten minste in te gaan op belangenconflicten;

39.  roept de lidstaten op doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, waaronder strafrechtelijke sancties, vast te stellen voor bedrijfsleiders die betrokken zijn bij belastingontduiking, en de mogelijkheid in te voeren om vergunningen voor beroepsbeoefenaren en bedrijven in te trekken indien wordt bewezen dat zij betrokken zijn bij het ontwerp van, adviesverlening over of het gebruik van constructies voor illegale fiscale planning en belastingontduiking; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is evenredige financiële aansprakelijkheid in te voeren voor belastingadviseurs die zich bezighouden met onrechtmatige fiscale praktijken;

40.  roept de Commissie op te analyseren of het mogelijk is evenredige financiële aansprakelijkheid in te voeren voor banken en financiële instellingen die overdrachten faciliteren naar bekende belastingparadijzen, zoals gedefinieerd op de toekomstige gezamenlijke EU-lijst van belastingparadijzen en niet-coöperatieve belastingjurisdicties;

41.  roept de Commissie op de eisen voor banken aan te scherpen om overdrachten naar en uit de jurisdicties die op de gemeenschappelijke EU-lijst van belastingparadijzen en niet-coöperatieve belastingjurisdicties staan, te rapporteren aan de belastingautoriteiten van de lidstaten; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat banken en andere financiële instellingen soortgelijke informatie verstrekken aan regelgevings- en belastingautoriteiten; roept de lidstaten op de capaciteit van hun belastingdiensten om gevallen van belastingontduiking en ‑ontwijking te onderzoeken, te vergroten;

42.  roept de Commissie op een wetgevingsvoorstel in te dienen waarin een openbaarmakingsplicht wordt opgenomen voor banken, belastingadviseurs en andere tussenpersonen wat betreft complexe structuren en speciale diensten die verband houden met jurisdicties op de gemeenschappelijke EU-lijst met belastingparadijzen en niet-coöperatieve jurisdicties en die zijn ontworpen voor en worden gebruikt door klanten om belastingontduiking en ‑fraude, witwassen of de financiering van terrorisme te bevorderen;

43.  roept de Commissie(31) op specifieke gemeenschappelijke minimumregels ter bestrijding van misbruik te introduceren om te voorkomen dat men kan profiteren van bepaalde hybride activaoverdrachten(32), die vaak leiden tot de aftrek van het inkomen in het ene land zonder dat dit wordt opgenomen in de heffingsgrondslag van het andere, of tot oneigenlijke fiscale krediettransacties in het buitenland;

Klokkenluiders

44.  benadrukt wederom de cruciale rol van klokkenluiders die wangedrag, waaronder illegale of onrechtmatige praktijken, aan het licht brengen; is van mening dat dergelijke onthullingen, die een licht werpen op de omvang van belastingontduiking en ‑ontwijking, en witwaspraktijken, duidelijk in het publieke belang zijn, zoals is bewezen bij de recente "LuxLeaks" en "Panama Papers" onthullingen, die hebben getoond hoe omvangrijk de overdracht van activa naar laagbelastende jurisdicties is; wijst erop dat de beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens van doorslaggevend belang is voor de mogelijkheid tot opsporing en vervolging van belastingovertreders;

45.  betreurt dat de Commissie slechts de ontwikkelingen volgt in de verschillende gebieden waar de Unie bevoegd is, zonder concrete stappen te plannen om het probleem aan te pakken; is bezorgd dat het gebrek aan bescherming de publicatie van nieuwe onthullingen in gevaar zou kunnen brengen en er daardoor mogelijk toe zou kunnen leiden dat lidstaten legitieme belastinginkomsten mislopen; betreurt ten zeerste dat de Commissie geen toereikend antwoord heeft gegeven op de eisen die zijn opgenomen in paragrafen 144 en 145 van de resolutie van het Parlement van 25 november 2015, noch op de aanbevelingen die zijn opgenomen in de resolutie van het Parlement van 16 december 2015, en in het bijzonder op het verzoek om voor het einde van 2016 te zorgen voor een duidelijk rechtskader om klokkenluiders en dergelijke te beschermen;

46.  verzoekt de Commissie nogmaals zo snel mogelijk een duidelijk juridisch kader voor te stellen om de effectieve bescherming van klokkenluiders te waarborgen, evenals die van journalisten en andere personen die met de pers verbonden zijn en klokkenluiders helpen en hun werk faciliteren; roept de lidstaten op hun huidige wetgeving inzake de bescherming van klokkenluiders te herzien en daarbij in de mogelijkheid te voorzien om van vervolging af te zien in gevallen waarin klokkenluiders het publieke belang hebben gediend; verzoekt de lidstaten de beste voorbeelden van wetgeving inzake de bescherming van klokkenluiders die reeds van kracht is in enkele lidstaten, als model te laten dienen;

Groep gedragscode en interinstitutionele kwesties

47.  betreurt dat, ondanks het feit dat de eerste en tweede bijzondere commissie (TAXE 1 en TAXE 2) beide herhaaldelijk om volledige toegang tot de documenten en notulen van de Groep gedragscode hebben verzocht, er slechts een beperkt aantal documenten beschikbaar is gesteld voor raadpleging achter gesloten deuren door leden van het Parlement, en dat dit pas vijf maanden na het begin van het mandaat van TAXE 2 kon worden bewerkstelligd; merkt op dat een aantal van deze documenten openbaar hadden moeten worden gemaakt om publieke controle en een open politiek debat over de inhoud ervan mogelijk te maken; merkt verder op dat de bereidheid van de Raad om in te gaan op dit verzoek ontoereikend blijft;

48.  betreurt dat de Commissie geen overzicht heeft bijgehouden van alle documenten die zijn verspreid, ondanks het feit dat zij wel een aantal interne notulen van de bijeenkomsten van de Groep gedragscode heeft verstrekt; is van mening dat het, krachtens het Verdrag, de plicht van de Commissie is om een register bij te houden van alle informatie en documenten die zijn rondgestuurd onder de bevoegdheid van de Groep gedragscode, om te beoordelen of de maatregelen van de lidstaten voldoende zijn; roept de Commissie op urgente maatregelen te nemen om deze situatie te verbeteren door alle documenten op te sporen; roept de Raad en de lidstaten op om op dit gebied samen te werken met de Commissie;

49.  roept de lidstaten op de transparantie en doeltreffendheid van de werkwijzen van de Groep gedragscode te verbeteren, aangezien onder andere het gebrek hieraan de concrete potentiële verbetering in de aanpak van schadelijke fiscale praktijken belemmert; betreurt dat het Parlement verschillende van de Raad of de lidstaten afkomstige vergaderdocumenten van de Groep gedragscode, die van cruciaal belang zijn voor de goede tenuitvoerlegging van het mandaat van de bijzondere commissie, niet heeft ontvangen; verzoekt om de regelmatige publicatie van de resultaten van zijn toezicht wat betreft de mate van naleving door de lidstaten van de gedane aanbevelingen; verzoekt de Groep gedragscode een openbaar toegankelijk jaarverslag op te stellen waarin de schadelijkste fiscale praktijken die in het desbetreffende jaar door de lidstaten zijn gebruikt, worden vastgesteld en beschreven; herhaalt zijn verzoek aan de Raad uit 2015 om op politiek niveau een "fiscaal comité" op te richten;

50.  stelt op basis van openbare informatie vast dat de Groep gedragscode tussen 1998 en 2014, 421 maatregelen heeft beoordeeld en 111 daarvan (26 %) heeft aangemerkt als schadelijk, maar dat twee derde van deze maatregelen werd beoordeeld tijdens de eerste vijf jaar van het bestaan van de groep; merkt op dat de controle door de lidstaten in de loop der jaren is afgenomen en dat in 2014 slechts 5 % van alle maatregelen werd onderzocht, en betreurt dat de groep sinds november 2012 geen schadelijke fiscale maatregelen heeft geïdentificeerd; concludeert dat de Groep gedragscode in het afgelopen decennium niet volledig heeft gefunctioneerd en dat het bestuur en het mandaat ervan dringend moeten worden herzien;

51.  herhaalt zijn verzoek uit 2015 aan de Commissie om een actualisering van het verslag inzake administratieve praktijken van Simmons & Simmons van 1999, als genoemd in punt 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999 (het verslag-Primarolo (SN 4901/99));

52.  benadrukt dat, hoewel de Groep gedragscode een aantal verbeteringen mogelijk heeft gemaakt, het zelf melden van mogelijk schadelijke maatregelen door de lidstaten niet doeltreffend is, de criteria voor de identificatie van schadelijke maatregelen achterhaald zijn en het unanimiteitsbeginsel voor het nemen van besluiten over schadelijke maatregelen ondoeltreffend is gebleken; betreurt dat verschillende lidstaten tegen de noodzakelijke hervorming van de Groep gedragscode zijn; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan de noodzakelijke maatregelen te nemen om zo spoedig mogelijk de criteria voor de identificatie van schadelijke maatregelen en bepaalde bestuursaspecten van de Groep gedragscode te hervormen (waaronder de besluitvormingsstructuur en het toezicht op overeengekomen terugdraaiingen en stagnaties, voorkoming van mogelijk uitstel, sancties in geval van niet-naleving), om de transparantie en verantwoording van de groep te vergroten en ervoor te zorgen dat het Parlement bij de werkzaamheden betrokken wordt en toegang tot informatie heeft; wijst op de tekortkomingen en andere relevante informatie die worden genoemd in bijlage 3; merkt voorts op dat het, wanneer de lijst van de Commissie met alle belastingregelingen die formeel zijn beoordeeld door de Groep gedragscode wordt vergeleken met de bijbehorende vergaderdocumenten ten tijde van de besluitvorming en daarna, in de eerste plaats in veel gevallen onduidelijk is hoe een besluit is genomen, oftewel waarom regelingen waarvoor redenen bestonden om aan te nemen dat ze schadelijk waren uiteindelijk als onschadelijk werden aangemerkt, en dat het in de tweede plaats in gevallen waarbij een regeling als schadelijk werd aangemerkt onduidelijk is of de daaruit voortvloeiende terugdraaiingsprocedures naar tevredenheid zijn afgerond door de lidstaten; benadrukt dat sommige lidstaten daarom niet hebben voldaan aan de verplichtingen van de Richtlijnen 77/799/EEG en 2011/16/EU van de Raad, aangezien zij niet op eigen initiatief fiscale inlichtingen hebben uitgewisseld, ook niet toen er duidelijke gronden voor waren, ondanks de beoordelingsmarge waarin deze richtlijnen voorzien, om aan te nemen dat er in andere lidstaten een derving van belasting bestond, of dat er belastingbesparingen ontstonden door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep; benadrukt dat de Commissie haar rol van hoedster van de Verdragen, als vastgelegd on artikel 17, lid 1, VEU, niet heeft vervuld aangezien zij in deze zaak niet is opgetreden en niet al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen, met name de verplichtingen uit hoofde van de Richtlijnen 77/799/EEG en 2011/16/EU van de Raad, nakomen, ondanks de aanwijzingen van niet-nakoming;

53.  merkt op dat de bijzondere commissie een patroon heeft ontdekt waarbij sommige lidstaten alle vooruitgang in de bestrijding van belastingontwijking stelselmatig tegenwerken; merkt op dat de Groep gedragscode bijna twee decennia heeft gediscussieerd over administratieve praktijken (rulings); veroordeelt dat sommige lidstaten vóór LuxLeaks weigerden om overeenstemming te bereiken over het uitwisselen van inlichtingen over hun rulingpraktijken en nog steeds weigeren om de in de Groep gedragscode ontwikkelde modelinstructie om te zetten naar nationaal recht, ondanks de verplichtingen die zij na de LuxLeaks-onthullingen zijn aangegaan;

54.  roept de Commissie op het Parlement permanent, tijdig en regelmatig toegang te verlenen tot de vergaderdocumenten en notulen van de groepen van de Raad die zich buigen over belastingaangelegenheden, met inbegrip van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, de werkgroep op hoog niveau en de Groep belastingvraagstukken; beveelt de Commissie aan de met het Parlement bereikte overeenstemming inzake toegang tot de notulen van het GTM en de ECB voor dit doeleinde als voorbeeld te stellen;

55.  roept de Commissie op, in geval van ontoereikende antwoorden van de lidstaten, een wetgevingsvoorstel in te dienen, bij voorkeur uit hoofde van artikel 116 VWEU of artikel 352 VWEU of in het kader van nauwere samenwerking, om de werkzaamheden van de Groep gedragscode doeltreffender te laten verlopen;

56.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op urgente maatregelen te nemen tegen belastingfraude, belastingontduiking, belastingparadijzen en agressieve fiscale planning, zowel aan de vraag- als aan de aanbodkant; betreurt dat de Raad, en in het bijzonder een aantal lidstaten, deze kwesties een aantal jaar lang niet doortastend hebben aangepakt en herinnert de lidstaten aan de mogelijkheid die zij hebben om een systeem voor nauwere samenwerking op te zetten (met ten minste negen lidstaten) om schadelijke en illegale fiscale praktijken sneller aan te kunnen pakken;

57.  roept op tot het creëren van een nieuw EU-centrum voor de coherentie en coördinatie van het fiscaal beleid binnen de structuur van de Commissie, om te waarborgen dat de interne markt op juiste en coherente wijze functioneert en internationale normen worden toegepast; is van mening dat dit nieuwe centrum toezicht moet houden op het fiscaal beleid van de lidstaten en dit moet beoordelen op het niveau van de EU, moet waarborgen dat er geen schadelijke nieuwe fiscale maatregelen door lidstaten worden uitgevoerd, toezicht moet houden op de naleving door de lidstaten van de gemeenschappelijke EU-lijst met niet-coöperatieve jurisdicties, moet zorgen voor samenwerking tussen de nationale belastingdiensten en deze samenwerking moet stimuleren (bijv. door middel van opleidingen en de uitwisseling van beste praktijken) en academische programma's op dit gebied op moet zetten; is van mening dat het centrum, door dit te doen, nieuwe lacunes in de belastingwetgeving kan voorkomen die het gevolg zijn van beleidsinitiatieven die niet worden gecoördineerd tussen de lidstaten, en fiscale praktijken en normen kan bestrijden die de correcte werking van de interne markt kunnen verstoren of verhinderen of in strijd zijn met de gedachte achter de interne markt; is van mening dat dit centrum ook als contactpunt voor klokkenluiders kan dienen indien lidstaten en nationale belastingdiensten niet handelen naar aanleiding van de bekendmaking van belastingontduiking en ‑ontwijking of de zaak niet passend onderzoeken; meent dat een dergelijk centrum kennis op EU- en nationaal niveau zou kunnen combineren en de belastingbetaler zou kunnen ontzien;

Externe dimensie

58.  is verheugd over de hernieuwde aandacht voor fiscale kwesties op het niveau van de G8 en de G20, die zou moeten leiden tot nieuwe aanbevelingen; roept de Commissie op om namens de Unie een coherent standpunt in te nemen tijdens de aankomende bijeenkomsten van de G20 en ad-hocsymposia; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de bevindingen en mogelijke gevolgen van G20-besluiten met betrekking tot de strijd tegen de uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting, constructies voor agressieve fiscale planning en illegale geldstromen;

59.  roept de EU, de G20, de OESO en de VN op nog meer samen te werken om wereldwijde richtlijnen te bevorderen die ook gunstig zijn voor ontwikkelingslanden;

60.  ondersteunt de oprichting van een goed uitgerust wereldwijd VN-orgaan dat de beschikking krijgt over voldoende aanvullende middelen, om ervoor te zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de uitwerking en hervorming van het wereldwijde belastingbeleid; roept de EU en de lidstaten op aan een ambitieuze wereldwijde belastingtop te werken en te streven naar de oprichting van een dergelijk intergouvernementeel orgaan;

61.  roept de internationale fora op het eens te worden over een strengere en preciezere definitie van daadwerkelijke eigendom om de transparantie te vergroten;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om waar passend een analyse te maken van de overloopeffecten van de nationale en de EU-belastingbeleidsmaatregelen, teneinde hun impact op ontwikkelingslanden te beoordelen;

63.  wijst erop dat illegale kapitaaluitstroom een van de belangrijkste redenen is waarom ontwikkelingslanden schulden hebben en dat agressieve fiscale planning strijdig is met de beginselen van sociaal verantwoord ondernemen;

64.  roept de Commissie op in alle handels- en partnerschapsovereenkomsten clausules over goed fiscaal bestuur op te nemen en daarbij met name te verwijzen naar de naleving van de desbetreffende OESO-aanbevelingen op belastinggebied (bijvoorbeeld het BEPS-initiatief), en ervoor te zorgen dat handels- en partnerschapsovereenkomsten niet door bedrijven of tussenpersonen kunnen worden misbruikt om belasting te ontwijken of te ontduiken of om de opbrengsten van illegale activiteiten wit te wassen;

65.  roept de OESO en andere internationale organen op aan een ambitieus BEPS II te werken, dat met name moet zijn gebaseerd op minimale normen en concrete doelstellingen voor de invoering ervan;

66.  benadrukt dat de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten die in de FATF zitten, moet worden verbeterd, teneinde ervoor te zorgen dat de stem van de EU wordt gehoord; benadrukt de noodzaak van uitvoerige uitvoeringsrichtsnoeren, met name voor ontwikkelingslanden, en van toezicht op de ontwikkeling van nieuwe schadelijke fiscale maatregelen;

67.  roept, met dit doel voor ogen, op tot de oprichting van een parlementaire toezichtgroep op het niveau van de OESO om het ontwerp en de invoering van dit initiatief te volgen en kritisch te evalueren;

68.  roept op tot de instelling van een gestructureerde dialoog tussen het Europees Parlement en het Amerikaanse Congres over internationale belastingvraagstukken; beveelt aan om formele interparlementaire fora op te richten waarin deze vraagstukken worden behandeld en om in dit verband ook gebruik te maken van de bestaande trans-Atlantische wetgeversdialoog; moedigt de EU en de VS aan samen te werken bij de tenuitvoerlegging van het BEPS-project van de OESO; neemt nota van het aanzienlijke gebrek aan wederkerigheid tussen de VS en de EU in het kader van de FATCA-overeenkomst; moedigt aan om de samenwerking tussen de VS en de EU in het kader van de FATCA-overeenkomst te versterken om te zorgen voor wederkerigheid, en verzoekt alle betrokken partijen om proactief deel te nemen aan de tenuitvoerlegging ervan;

69.  is ingenomen met het proefproject dat de vijf grootste EU-lidstaten in april 2016 zijn gestart voor de automatische uitwisseling tussen de belastingautoriteiten van inlichtingen over daadwerkelijk eigendom; roept er, gelet op het voornemen dat deze landen hebben geuit, toe op dit initiatief uit te breiden en zo de basis te leggen voor een wereldwijde norm inzake de uitwisseling van inlichtingen die vergelijkbaar is met die welke geldt voor informatie over financiële rekeningen;

70.  roept, bij wijze van vervolgstap in het proces om de beschikbaarheid van informatie over daadwerkelijk eigendom en de doeltreffendheid van de uitwisseling van dergelijke informatie te verbeteren, op tot het creëren van een openbaar EU-register van daadwerkelijk eigendom, met inbegrip van geharmoniseerde normen inzake de toegang tot informatie over daadwerkelijk eigendom, en dat is voorzien van alle nodige gegevensbeschermingswaarborgen, dat de basis zal vormen voor een wereldwijd initiatief op dit gebied; benadrukt in dit opzicht de vitale rol van instellingen als de OESO en de VN;

71.  vraagt om een studie naar de haalbaarheid van een wereldwijd register met alle financiële activa van personen, bedrijven en andere entiteiten, zoals trusts en stichtingen, waar belastingautoriteiten volledige toegang toe moeten krijgen, en dat passende waarborgen omvat ter bescherming van de vertrouwelijkheid van de daarin bewaarde informatie;

72.  benadrukt dat er een gemeenschappelijke en integrale aanpak van de EU en de VS nodig is voor de invoering van OESO-normen en met betrekking tot daadwerkelijk eigendom; benadrukt daarnaast dat clausules inzake goed fiscaal bestuur moeten worden opgenomen in alle toekomstige handelsverdragen om gelijke voorwaarden te waarborgen, meer waarde voor de maatschappij als geheel te creëren en belastingfraude en ‑ontwijking te bestrijden, en om ervoor te zorgen dat de trans-Atlantische partners een leidende rol spelen bij de bevordering van goed fiscaal bestuur;

Andere aanbevelingen

73.  roept alle nationale parlementen op samen te werken om voldoende toezicht op en samenhang tussen belastingstelsels te garanderen; roept nationale parlementen op alert te zijn wat betreft besluiten van hun regeringen op dit gebied en om hun eigen betrokkenheid bij de activiteiten van interparlementaire fora over fiscale onderwerpen te vergroten;

74.  roept de Commissie op alle gevallen van illegale staatssteun die onder haar aandacht worden gebracht, te onderzoeken, teneinde te zorgen voor gelijkheid voor de wet in de Unie; roept de Commissie op te reageren op basis van een "besluit tot terugvordering" in alle gevallen waarin het vermeende belastingvoordeel als illegale staatssteun wordt beschouwd; is bezorgd over de beweringen dat Luxemburg mogelijk mondelinge rulings verstrekt om zijn plicht tot informatiedeling uit hoofde van de richtlijn betreffende administratieve samenwerking te omzeilen; roept de Commissie op te monitoren en te melden of de lidstaten de ene schadelijke praktijk vervangen door een andere nadat er op EU-niveau vooruitgang is geboekt in de wetgeving; roept de Commissie op alle gevallen van marktverstoring die voortkomen uit de verlening van specifieke belastingvoordelen te monitoren en te melden;

75.  benadrukt het potentieel van digitale oplossingen voor een effectieve belastingheffing door de belastinggegevens rechtstreeks bij bedrijven in de deeleconomie te verzamelen en door de totale werklast van de belastingautoriteiten in de lidstaten te verlagen;

76.  neemt kennis van de onthullingen in de "Panama Papers" waaruit is gebleken dat bedrijven en particulieren systematisch gebruikmaken van fictieve vennootschappen om belastbare activa en de opbrengsten van corruptie en georganiseerde misdaad te verbergen; is ingenomen met het besluit van het Parlement om een enquêtecommissie in te stellen in dit verband en om te blijven werken aan belastingontduiking en ‑ontwijking en witwassen; onderstreept het immense politieke belang van het analyseren van de werkwijzen van de belastingautoriteiten en bedrijven die betrokken zijn bij de beschreven praktijken, om lacunes in de wetgeving aan te pakken;

77.  merkt op dat er verder moet worden gewerkt aan toegang tot de documenten van de lidstaten, de Commissie en de Groep gedragscode; benadrukt wederom dat verdere analyse van de documenten die reeds aan het Parlement beschikbaar zijn gesteld nodig is om de wenselijkheid van verdere politieke maatregelen en beleidsinitiatieven te peilen; roept de aanstaande enquêtecommissie op deze werkzaamheden voort te zetten en een ander formaat aan te nemen dan dat van de bijzondere commissie, meer naar het model van een ondervragende commissie, zoals de Public Accounts Committee in het VK;

78.  roept de Raad op de raadplegingsprocedure met het Parlement ten volle te benutten, hetgeen met name inhoudt dat men wacht op de bijdrage van het Parlement alvorens een politiek besluit te nemen en dat men ernaar streeft rekening te houden met het standpunt van het Parlement;

79.  verbindt zich ertoe de werkzaamheden die zijn bijzondere commissie heeft aangevat, voort te zetten, iets te doen aan de belemmeringen waar zij bij de uitvoering van haar mandaat op is gestuit, en ervoor te zorgen dat een passend gevolg wordt gegeven aan haar aanbevelingen; draagt zijn bevoegde autoriteiten op na te gaan wat de beste institutionele constructie is om dit te bewerkstelligen;

80.  verzoekt zijn bevoegde commissie in haar komende initiatiefverslag van wetgevende aard over hetzelfde onderwerp een passend gevolg te geven aan deze aanbevelingen;

o
o   o

81.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de lidstaten, de nationale parlementen, de VN, de G20 en de OESO te doen toekomen.

BIJLAGE 1

LIJST VAN ONTMOETE PERSONEN

(COMMISSIEVERGADERINGEN, COÖRDINATOREN EN WERKBEZOEKEN)

Datum

Sprekers

11.1.2016

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

17.2.2016

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

29.2.2016

Gedachtewisseling met het voorzitterschap van de Raad

In aanwezigheid van Eric Wiebes, Nederlandse staatssecretaris van Financiën

14-15.3.2016

Gedachtewisseling met jurisdicties

Rob Gray, Director of Income Tax, Guernsey;

Colin Powell, Adviser on international affairs to the Chief Minister , Jersey;

Clàudia Cornella Durany, Secretary of State for International Financial Affairs, Andorra;

Katja Gey, Director for International Financial Affairs, Liechtenstein;

Jean Castellini, Minister of Finance and Economy, Monaco.

Gedachtewisseling met multinationale ondernemingen

Cathy Kearney, Vice President of European Operations, Apple

Julia Macrae, Tax Direcof EMEIA, Apple;

Adam Cohen, Head of Econmic Policy (EMEA), Google;

Søren Hansen, Chief Executive Officer, Inter-Ikea Group;

Anders Bylund, Head of Group Communications; Inter-Ikea Group;

Irene Yates, Vice President Corporate Tax; McDonald's.

Gedachtewisseling met onderzoeksjournalisten – met gesloten deuren

Véronique Poujol, Paperjam;

Markus Becker, Der Spiegel.

21.3.2016

Gedachtewisseling met Europese banken (deel I)

Jean-Charles Balat, Financial Director, Crédit Agricole SA;

Rob Schipper, Global Head of Tax, ING;

Eva Jigvall, Head of Tax, Nordea;

Monica Lopez-Monís, Chief Compliance Officer and Senior Executive Vice-President, Banco Santander;

Christopher St. Victor de Pinho, Managing Director, Global Head of Group Tax, UBS Group AG;

Stefano Ceccacci, Head of Group Tax Affairs, Unicredit.

4.4.2016

—  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

Gedachtewisseling met Europese banken (deel II)

Brigitte Bomm, Managing Director, Global Head of Tax, Deutsche Bank AG

Grant Jamieson, Head of Tax, Royal Bank of Scotland

Graeme Johnston, Head of International Tax, Royal Bank of Scotland

15.4.2016

Werkbezoek aan Cyprus

Ioannis Kasoulides, Minister of Foreign Affairs;

Michael Kammas, Director General, Aristio Stylianou, Chairman and George Appios, Vice-Chairman of the Association of Cyprus Banks;

Christos Patsalides, Permanent Secretary of the Ministry of Finance;

George Panteli, Head of Tax policy, Ministry of Finance;

Yannakis Tsangaris, Tax Commissioner;

Alexander Apostolides, University of Cyprus;

Maria Krambia-Kapardis, Chair of the Executive Committee of Transparency International;

Costas Markides, Board Member, International Tax, KPMG Limited and the Cyprus Investment Funds Association;

Natasa Pilides, Director General, The Cyprus Investment Promotion Agency;

Kyriakos Iordanou, General Manager, Mr Pieris Marcou, Mr Panicos Kaouris, Mr George Markides, Institute of Certified Public Accountants of Cyprus

Christos Karidis, Head of Economics Research of the Confederation Department and the Secretary of the Association of Employed Consumers;

Nikos Grigoriou, Head of the Department of Economic and Social Policy of the Pan-Cyprian Federation of Labour.

18.4.2016

Interparlementaire bijeenkomst "Het pakket bestrijding belastingontwijking en andere ontwikkelingen op EU- en internationaal niveau: toezicht en democratische controle door nationale parlementen"

Gedachtewisseling met jurisdicties (deel II) – met gesloten deuren

Wayne Panton, Minister of Financial Services, Commerce and Environment, Cayman Islands

20.4.2016

Gezamenlijke bijeenkomst ECON/JURI/TAXE

Jonathan Hill, commissaris voor Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie

02.5.2016

Bijeenkomst op hoog niveau van de parlementaire groep voor belastingzaken van de OESO, in samenwerking met de Bijzondere Commissie fiscale rulings van het Europees Parlement, Parijs

Pascal Saint-Amans, Director, OECD Centre for Tax Policy and Administration;

Valère Moutarlier, Director, Directorate General for Taxation and Customs at the European Commission;

Michèle André, Chair of the Senate Finance Committee;

Meg Hillier, Chair of the Public Accounts Committee.

17-20.5.2015

Werkbezoek aan de Verenigde Staten van Amerika (Washington DC)

David O'Sullivan, EU Ambassador;

Elise Bean, former Director and Chief Counsel of the Permanent Subcommittee on Investigations;

Orrin Grant Hatch, Chairman of the Senate Committee on Finance, President Pro Tempore of the Senate;

Dr Charles Boustany, Chairman of the Tax Policy Subcommittee;

Sander Levin, Congressman, Ranking Member of the House Ways and Means Committee;

Richard Neal, Ranking Member of the Subcommittee on Tax Policy;

Earl Blumenauer, Member of the House Committee on Ways and Means;

Lloyd Doggett, Member of Ways and Means Committee, Ranking Member of Subcommittee on Human Resources (and possibly other Democratic Members);

Anders Aslund, Resident Senior Fellow, Dinu Patriciu Eurasia Center, Atlantic Council;

Gianni Di Giovanni, Chairman of Eni USA R&M, Eni;

The Hon. Boyden Gray, Founding Partner, Boyden Gray& Associates

Jillian Fitzpatrick, Director, Government Affairs and Public Policy, S&P Global;

Marie Kasparek, Assistant Director, Global Business and Economics Program, Atlantic Council;

Benjamin Knudsen, Intern, Global Business and Economics Program, Atlantic Council;

Jennifer McCloskey, Director, Government Affairs, Information Technology Industry Council;

Susan Molinari, Vice President, Public Policy and Government Affairs, Google;

Andrea Montanino, Director, Global Business and Economics Program, Atlantic Council;

Álvaro Morales Salto-Weis, Intern, Global Business and Economics Program, Atlantic Council;

The Hon. Earl Anthony Wayne, Non-resident Fellow, Atlantic Council

Alexander Privitera, Senior Fellow, Johns Hopkins University;

Bill Rys, Director, Federal Government Affairs, Citigroup;

Pete Scheschuk, Senior Vice President, Taxes, S&P Global;

Garret Workman, Director, European Affairs, US Chamber of Commerce;

Caroline D. Ciraolo, Acting Assistant Attorney General in charge of the Tax Division, Department of Justice;

Thomas Sawyer, Senior Litigation Counsel For International Tax Matters;

Todd Kostyshak, Counsel to the Deputy Assistant Attorney-General for Criminal Tax Matters, Department of Justice (DoJ);

Mark J. Mazur, Assistant Secretary (Tax Policy) – US Department of the Treasury;

Robert Stack, Deputy Assistant Secretary (International Tax Affairs) – US Department of the Treasury;

Scott A. Hodge, President of the Tax Foundation – Tax Foundation;

Gavin Ekins, Research Economist – Tax Foundation;

Stephen J. Entin, Senior Fellow – Tax Foundation;

Scott Greenberg, Analyst – Tax Foundation;

John C. Fortier, Director of the Democracy Project, Bipartisan Policy Center;

Shai Akabas Associate Director of Bipartisan Policy Center, Economic Policy Project;

Eric Toder, Co-director, Urban-Brookings Tax Policy Center;

Gawain Kripke, Director of Policy and Research ­ OXFAM America

Didier Jacobs, Senior Economist – OXFAM America;

Nick Galass, leads on the Oxfam's economic inequality research OXFAM America;

Robbie Silverman, Senior Advisor OXFAM America;

Vicki Perry, Assistant Director in the Fiscal Affairs Department and Division Chief of the Tax Policy Division (IMF);

Ruud De Mooij, Deputy Division Chief in the Tax Policy Division (IMF);

Hamish Boland-Rudder, ICIJ’s online editor;

Jim Brumby, Director, Public Service and Performance, Governance Global Practice;

Marijn Verhoeven, Economist in the Global Practice on Governance;

Guggi Laryea, European Civil Society and European Parliament Relations Lead External and Corporate Relations;

Rajul Awasthi, Senior Public Sector Specialist in the Governance Global Practice;

Xavier Becerra, Congressman, Chairman of the House Democratic Conference;

Ron Kind, Congressman, Member of the House Committee on Ways and Means.

24.5.2015

Gezamenlijke openbare hoorzitting van TAXE/DEVE inzake de gevolgen van agressieve fiscale praktijken voor ontwikkelingslanden

Dr Attiya Waris, Senior Lecturer, Law School, University of Nairobi;

Dr Manuel Montes, Senior Advisor on Finance and Development, The South Centre;

Mrs Aurore Chardonnet, OXFAM Tax and Inequality EU Policy Advisor;

Mr Savior Mwambwa, ActionAid International, Tax Power Campaing Manager;

Ms Tove Ryding, EURODAD, Policy and Advocacy Manager, Tax Justice;

Mr Sol Picciotto, Professor, Lancaster University.

BIJLAGE 2

MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN EN BANKEN DIE WERDEN UITGENODIGD VOOR COMMISSIEVERGADERINGEN

Bijlage 2.1: Lijst van uitgenodigde multinationale ondernemingen (mno's)

Onderneming

Genodigden/vertegenwoordigers

Situatie (11.3.2016)

Apple Inc.

Timothy D. Cook

Chief Executive Officer

Deelnemers

Cathy Kearney, Vice President of European Operations

Julia Macrae, Tax Director EMEIA

Google Inc.

Nicklas Lundblad

Senior Director Public Policy and Government Relations (EMEA)

Deelnemers

Adam Cohen, Head of Economic Policy (EMEA)

Fiat Chrysler

Automobiles

Sergio Marchionne

Chief Executive Officer

Heeft uitnodiging op 11.3.2015 afgeslagen:

"Zoals u mogelijk weet, hebben we op 29 december 2015 beroep aangetekend bij het Gerecht van de EU tegen het besluit van de Commissie waarin werd geconcludeerd dat een van onze bedrijven in Luxemburg staatssteun heeft ontvangen. Luxemburg vecht dit besluit ook aan bij het Gerecht. We zijn ervan overtuigd dat we in Luxemburg geen staatssteun hebben ontvangen die een schending van het EU-recht vormt, maar het zou desalniettemin niet gepast zijn dat we onder deze omstandigheden deelnemen aan een bijeenkomst met de bijzondere commissie of verder commentaar verschaffen. Wij waarderen de inspanningen van de commissie en haar wens om het standpunt van bedrijven te horen, maar zijn helaas niet in staat deel te nemen aan deze discussie totdat deze juridische procedure is afgesloten."

Inter IKEA Group

Søren Hansen

Chief Executive Officer

Deelnemers

Søren Hansen, CEO

Anders Bylund, Head of Group Communications

McDonald's Corporation

Irene Yates

Vice President, Corporate Tax

Deelnemers

Irene Yates, Vice President, Corporate Tax

Starbucks Coffee

Company

Kris Engskov

President of Starbucks Europe, Middle East and Africa (EMEA)

Heeft uitnodiging op 23.2.2015 afgeslagen:

"Aangezien Starbucks voornemens is bezwaar aan te tekenen tegen het op 21 oktober 2015 aangekondigde besluit van de Europese Commissie dat Nederland een selectief belastingvoordeel heeft geboden aan onze koffiebranderij in Amsterdam (Starbucks Manufacturing EMEA BV), kunnen we de uitnodiging van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect niet aannemen.

Zodra deze kwestie is opgelost – en Starbucks heeft er vertrouwen in dat het besluit van de Europese Commissie in beroep zal worden vernietigd – komen wij graag bijeen.

Mocht deze informatie voor u nuttig zijn, is het de moeite van het vermelden waard dat Starbucks alle OESO-regels, -richtlijnen en -wetten naleeft en achter het belastinghervormingsproces van deze instelling staat, inclusief het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving. Starbucks betaalt een gemiddeld wereldwijd effectief belastingtarief van zo'n 33 %, wat veel hoger is dan het gemiddelde percentage van 18,5 % dat wordt betaald door andere grote Amerikaanse bedrijven."

Bijlage 2.2: Lijst van uitgenodigde banken

Naam

Genodigden/vertegenwoordigers

Situatie 4.4.2016

Crédit Agricole (FR)

Mr Dominique Lefebvre

Chairman

Aanvaard (15.3.2016)

Jean-Charles Balat,

Director of Finances, Groupe Crédit Agricole

Deutsche Bank (DE)

Mr Paul Achleitner

Chairman

Toegezegd (16.3.2016)

om deel te nemen aan een bijeenkomst op

4 april 2016

Deelnemende vertegenwoordiger

Brigitte Bomm, Managing Director, Global Head of Tax, Deutsche Bank

ING Group (NL)

Mr Ralph Hamers

CEO

Aanvaard (8.3.2016)

Drs. R.N.J. Schipper

ING Global Head of Tax

Nordea (SW)

Mr Casper von Koskull

President and CEO

Aanvaard (9.3.2016)

Eva Jigvall

Nordea’s Head of Group Taxes

Royal Bank of Scotland (UK)

Mr Ross McEwan

CEO

Toegezegd (16.3.2016)

om deel te nemen aan een bijeenkomst op

4 april 2016

Deelnemende vertegenwoordiger

Grant Jamieson, Head of Tax, Royal Bank of Scotland

Graeme Johnston, Head of International Tax, Royal Bank of Scotland

Santander (ES)

Mrs Ana Patricia Botín,

Chairwoman

Aanvaard (11.3.2016)

Monica Lopez-Monis Gallego

Chief Compliance Officer and Senior Executive Vice-President of Banco Santander

Antonio H. Garcia del Riego

Managing Director

Director European Corporate Affairs

UBS (CH)

Mr Axel A. Weber

Chairman

Aanvaard (14.3.2016)

Christopher Pinho,

Managing Director, Global Head of Group Tax

Unicredit (IT)

Mr. Giuseppe Vita

Chairman

Aanvaard (8.3.2016)

Stefano Ceccacci

UC Head of Tax Affairs

Costanza Bufalini

Head of European and Regulatory Affairs

BIJLAGE 3

DOCUMENTEN MET BETREKKING TOT DE GEDRAGSCODE

Document (1)

Datum

Resultaat

Vergaderdocument 1, bijlage 1

Vergadering van de groep Gedragscode van april 2006

De Commissie merkte op dat de voorgestelde terugdraaiing met name in een aantal afhankelijke en geassocieerde gebieden de introductie van een 0 %-tarief of de volledige afschaffing van de vennootschapsbelasting omvatte, en dat derhalve niet alle aspecten van het werk van de groep Gedragscode hadden geresulteerd in een samenhangende of bevredigende uitkomst

Vergaderdocument 1, bijlage 1

Vergadering van de groep Gedragscode van april 2006

De Commissie merkte op dat de groep Gedragscode door politieke compromissen een aantal voorstellen tot terugdraaiing heeft beschouwd als toereikend, terwijl die overeenkomstig de beginselen van de gedragscode gemakkelijk kunnen worden beschouwd als ontoereikend

Verslag van de groep Gedragscode aan de Raad

7 juni 2005

Er werd uitdrukkelijk vermeld dat Luxemburg in één geval had verzuimd de overeengekomen terugdraaiing door te voeren

Vergaderdocument 1, bijlage 1

Vergadering van de groep Gedragscode van april 2006

Ondanks deze duidelijke niet-naleving verzuimde de Raad om actie te ondernemen en Luxemburg werd niet politiek ter verantwoording geroepen of aangespoord om de beginselen en afspraken van de gedragscode na te komen

Vergaderdocument 1, bijlage 1

Vergadering van de groep Gedragscode van april 2006

De groep Gedragscode besloot in 1999 om regelingen ten gunste van de scheepvaartsector en de beoordeling van collectieve beleggingsinstrumenten buiten beschouwing te laten

Vergaderdocument 1, bijlage 1

Vergadering van de groep Gedragscode van april 2006

Verschillende lidstaten hebben geweigerd hun standpunt over de toekomst van de groep Gedragscode openbaar te maken met betrekking tot de transparantie, het mandaat, de reikwijdte en de criteria van de toekomstige werkzaamheden; Hongarije en Litouwen hebben een voorbehoud geplaatst bij wijzigingen van de criteria van de gedragscode; Ierland en Polen hebben zich uitgesproken tegen de uitbreiding van de reikwijdte van de code naar andere belastingterreinen

Vergaderdocument 2 en notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 11 april 2011

De Commissie deed verschillende voorstellen voor nieuwe werkterreinen, zoals uitbreiding van het werk inzake mismatches, het belasten van expats en rijke personen, de herziening van REIT's en collectieve beleggingsinstrumenten; Nederland en Luxemburg hebben zich uitgesproken tegen uitbreiding van de werkzaamheden inzake mismatches, Frankrijk heeft een voorbehoud geplaatst bij werkzaamheden inzake expats, rijke personen en beleggingsfondsen, en het Verenigd Koninkrijk heeft voorgesteld om de nadruk te leggen op vennootschapsbelasting in plaats van op uitbreiding

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 22 oktober 2013 en mei 2013

Belangrijke onderdelen van de belastingwet van Gibraltar, een kwestie die ten minste sinds 11 april 2011 wordt besproken en die nog steeds niet is afgerond

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 8 november 2013

De belastingregeling voor de detailhandel van het eiland Man werd als onschadelijk aangemerkt, ondanks ernstige twijfels van verschillende lidstaten over de onschadelijkheid ervan

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 29 mei, 22 oktober en 20 november 2013

Ten aanzien van octrooiboxen hebben Nederland, Luxemburg en in mindere mate België zich uitgesproken tegen een omvattende beoordeling van alle EU-octrooiboxregelingen, ondanks dat er gronden zijn om aan te nemen dat de bestaande regelingen volgens de criteria van de gedragscode schadelijk zijn

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 3 juni 2014

Spanje, Nederland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk hebben de hervorming van de octrooiboxregelingen verder vertraagd door herhaaldelijk aanvullende eisen te stellen in het besluitvormingsproces

Openbaar verslag aan de Raad

Zitting van de Raad Ecofin van juni 2015

Ondanks de verplichting om tegen 30 juni 2016 te zorgen voor volledige aanpassing van de nationale wettelijke bepalingen, hebben de lidstaten zeer weinig vooruitgang geboekt bij de omzetting in nationaal recht van de gemodificeerde nexusbenadering, waarover de ministers al in december 2014 overeenstemming bereikten, en sommige landen, waaronder Italië, hebben zelfs nieuwe octrooiboxen ingevoerd die niet verenigbaar zijn met de gemodificeerde nexusbenadering, en wel toen al overeenstemming was bereikt over die benadering, teneinde tot 2021 te profiteren van de al te genereuze uitzonderingsbepalingen

Notulen van de vergadering en vergaderdocument 3

Vergadering van de groep Gedragscode van 25 mei 2010 en vergadering van de groep Gedragscode van 17 oktober 2012

Tijdens de uitwerkingsfase van de overeengekomen richtsnoeren heeft het Verenigd Koninkrijk zich uitgesproken tegen een gecoördineerde aanpak

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 25 mei 2010

Mislukking om overeenstemming te bereiken over een follow-up van de werkzaamheden van de subgroep tegen misbruik

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 15 mei 2009

Verklaringen van België en Nederland waarin zij zich uitspreken tegen elk initiatief gericht op het coördineren van maatregelen die bescherming bieden tegen onbelaste uitgaande winstoverdrachten

Notulen

Vergadering van de subgroep Gedragscode van september en april 2014, april en juli 2015

De lidstaten hebben in september 2014 ingestemd met richtsnoeren over hybride mismatches, ondanks herhaaldelijke en stelselmatige initiatieven van bepaalde lidstaten die hebben voorkomen dat al veel eerder overeenstemming werd bereikt over deze schadelijke praktijken, die ten minste sinds 2008 actief worden besproken in de groep Gedragscode, hetgeen aanzienlijk heeft bijgedragen tot de voortdurende fiscale schade die voortvloeit uit het herhaaldelijke gebruik van die regelingen met het oog op agressieve fiscale planning

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van 15 mei en 29 juni 2009 en 25 mei 2010

Vergadering van de subgroep tegen misbruik van 25 maart en 22 april 2010

Met betrekking tot hybride mismatches hebben Nederland, Luxemburg en België, en in mindere mate Malta en Estland, spoedige collectieve actie lang vertraagd door te beweren dat hybride systemen helemaal niet aan bod moeten komen in de gedragscode

Notulen

Vergadering van de groep Gedragscode van dinsdag 13 september 2011

Vergadering van de groep Gedragscode van 11 april en 26 mei 2011

Ten aanzien van beleggingsfondsen hebben de lidstaten besloten niet langer te discussiëren over de vermeende en potentiële schadelijkheid van deze regelingen

Initiatieven van het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg en Nederland die de groep er in feite toe aanzetten om dit actieterrein niet voort te zetten

Vergaderdocument 2

Vergadering van de groep Gedragscode van 4 maart 2010

Ten aanzien van de administratieve praktijken heeft geen enkele lidstaat in het verleden op eigen initiatief en stelselmatig inlichtingen uitgewisseld over zijn rulings

Vergaderdocument 4

Vergadering van de groep Gedragscode van 10 september 2012

In de praktijk werden geen inlichtingen over rulings uitgewisseld op eigen initiatief

Conclusies van de Raad

Zitting van de Raad Ecofin van december 2015

Inzake minimale effectieve belastingheffing hebben de lidstaten geen overeenstemming bereikt over een herziening van de interest- en royaltyrichtlijn om ervoor te zorgen dat op de eengemaakte markt verleende privileges om dubbele belastingheffing te voorkomen in de praktijk niet leiden tot niet-belasting of een zeer lage belasting, ondanks de publicatie van het respectieve Commissievoorstel in 2011; de lidstaten hebben de Groep op hoog niveau belastingvraagstukken enkel uitgenodigd om de kwestie nader te onderzoeken, in plaats van zich ertoe te verbinden over te gaan tot snelle en doeltreffende actie

Conclusies van de Raad

Zitting van de Raad Ecofin, maart 2016

De lidstaten hebben geen overeenstemming bereikt over dringend noodzakelijke hervormingen van de groep Gedragscode en hebben een besluit over hervormingen uitgesteld tot 2017

(1)  Op basis van openbaar beschikbare documenten en bronnen

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0420.
(2) Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 1).
(3) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1), betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen.
(4) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(5) PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15.
(6) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(7) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Pakket bestrijsing belastingontwijking: volgende stappen naar effectieve belastingheffing en grotere fiscale transparantie in de EU (COM(2016)0023).
(8) Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken die de werking van de interne markt rechtstreeks schaden (COM(2016)0026).
(9) Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (COM(2016)0025).
(10) Aanbeveling van de Commissie van 28 januari 2016 over de implementatie van maatregelen om misbruik van belastingverdragen tegen te gaan (C(2016)0271).
(11) Studie over structuren voor agressieve fiscale planning en indicatoren, Europese Unie, 2016.
(12) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 134.
(13) PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0257.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0457.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0265.
(18) SA.38375 – Door Luxemburg aan Fiat verleende staatssteun.
(19) SA.38374 – Door Nederland aan Starbucks verleende staatssteun.
(20) Besluit van de Commissie (EU) 2016/1699 van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN), door België ten uitvoer gelegd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015)9837) (PB L 260 van 27.9.2016, blz. 61).
(21) http://ec.europa.eu/taxation_customs/taxation/tax_fraud_evasion/a_huge_problem/index_en.htm, Europese Commissie, 10 mei 2016.
(22) Measuring and Monitoring BEPS, Action 11 – 2015 Final Report, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project.
(23) [1] World Investment Report 2015 – Reforming International Investment Governance, UNCTAD, 2015.
(24) http://gabriel-zucman.eu/files/JohannesenZucman2014
(25) BIS 2016 - locational banking statistics.
(26) http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/webdiaeia2016d2_en.pdf
(27) http://ec.europa.eu/growth/smes/, Europese Commissie, 10 mei 2016.
(28) http://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-16-1351_en.htm#_ftnref8 en Egger, P., W. Eggert en H. Winner (2010), ‘Saving Taxes through Foreign Plant Ownership’, Journal of International Economics 81: 99–108; Finke, K. (2013), Tax Avoidance of German Multinationals and Implications for Tax Revenue Evidence from a Propensity Score Matching Approach, mimeo.
(29) https://polcms.secure.europarl.europa.eu/cmsdata/upload/a0cf64ee-8e0d-4b5f-b145-6ffbaa940e10/TheRoleFinancialSectorTaxPlanning_Draft_210316.pdf
(30) OESO, 2008, "Study into the role of tax intermediaries"; http://www.oecd.org/tax/administration/39882938.pdf
(31) De diensten van de Commissie hebben inderdaad bevestigd dat artikel 10 ("Hybride mismatches") van het voorstel van de Commissie van 28 januari 2016 betreffende de richtlijn bestrijding belastingontwijking is gebaseerd op wederzijdse erkenning om verschillen in de juridische kwalificatie van hybride entiteiten en hybride financiële instellingen weg te nemen, maar niet ingaat op hybride activaoverdrachten die geen betrekking hebben op mismatches in de juridische kwalificatie.
(32) De OESO definieert "hybride overdrachten" als "regelingen die worden behandeld als de eigendomsoverdracht van activa voor fiscale doeleinden in het ene land, maar niet voor fiscale doeleinden in het andere land, dat deze regelingen over het algemeen beschouwt als leningen op onderpand". Zie OESO, maart 2012, "Hybrid Mismatch Arrangements: Tax Policy and Compliance Issues", http://www.oecd.org/


Synergieën tussen de structuurfondsen en Horizon 2020
PDF 184kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's (2016/2695(RSP))
P8_TA(2016)0311RC-B8-0851/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 162 en 174 t/m 190,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006(1) van de Raad (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(8),

–  gezien het verslag van de Commissie "Regionale ontwikkeling over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)" (A8-0159/2016),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de publicatie van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld "Investeringsplan voor Europa: nieuwe richtsnoeren voor de combinatie van Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen",

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: netwerken van kenniscentra voor een doeltreffend cohesiebeleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014: "Optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU-structuurfondsen en andere EU-programma's"(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(12),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(13),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2014 getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie van 23 juli 2014 over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie uit 2014 getiteld "Bevordering van synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere programma's van de Unie op het gebied van onderzoek, innovatie en concurrentievermogen" (SWD(2014)0205 final),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2010)0553),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 juli 2013 getiteld "De innovatiekloof dichten",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 20 november 2014 getiteld "Steunmaatregelen voor het opzetten van ecosystemen voor startende hightechbedrijven",

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het cohesiebeleid in de financiële programmeringsperiode 2014-2020 nog steeds het voornaamste EU-instrument voor investeringen in de reële economie is dat beoogt de EU dichter bij de burgers te brengen en in alle regio's kan worden ingezet, en tegelijk een uiting van Europese solidariteit is, aangezien het groei en welvaart verspreidt en economische, sociale en territoriale onevenwichtigheden, die door de economische en financiële crisis zijn verergerd, verkleint;

B.  overwegende dat het cohesiebeleid volledig in overeenstemming moet zijn met de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en gebaseerd is op het samenspel tussen de drie fondsen ervan, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds (CF), met een ruimere coördinatie op basis van een gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) met de fondsen voor plattelandsontwikkeling, namelijk het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en, voor de maritieme en de visserijsector, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

C.  overwegende dat voor al deze vijf fondsen – de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) – gemeenschappelijke bepalingen zijn vastgesteld uit hoofde van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, terwijl voor elk ESI-fonds en voor het doel "Europese territoriale samenwerking" specifieke regels zijn vastgesteld in afzonderlijke verordeningen;

D.  overwegende dat met de recente hervorming van het cohesiebeleid een beperkt aantal doelstellingen en prioriteiten is ingevoerd waarmee een thematische focus/thematische concentratie wordt gecreëerd, maar waarmee tegelijkertijd een bepaalde mate van flexibiliteit en aanpassing aan bepaalde kenmerken mogelijk is; overwegende dat hiermee bovendien wordt gezorgd voor een sterker beginsel van partnerschap en degelijk meerlagig bestuur, een duidelijk omschreven benadering voor territoriale ontwikkeling, betere synergieën tussen de vijf fondsen maar ook met andere relevante programma's en initiatieven (bv. Horizon 2020, het EaSI, Cosme, LIFE, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, Erasmus+ en NER 300), een verdere vereenvoudiging van de uitvoeringsbepalingen, een doeltreffend toezicht- en evaluatiesysteem, een transparant prestatiekader, duidelijke regels voor het gebruik van financieringsinstrumenten, een degelijk beheers- en controlesysteem en een doeltreffend systeem voor financieel beheer;

E.  overwegende dat de Commissie op 14 december 2015 een mededeling heeft aangenomen over de bijdrage van de ESI-fondsen aan de groeistrategie van de EU, aan het investeringsplan en aan de prioriteiten van de Commissie voor de komende tien jaar, wat in feite neerkomt op het verslag waarin wordt voorzien in artikel 16 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen over de ESI-fondsen, over hun tenuitvoerlegging tot nu toe, en waarin ook de resultaten zijn opgenomen van de onderhandelingen met alle lidstaten over partnerschapsovereenkomsten, operationele programma's en de belangrijkste uitdagingen voor elk land;

F.  overwegende dat de ratio achter een grotere synergie tussen Horizon 2020 en ESI-fondsen is om zinvolle interacties tot stand te brengen tussen investeringsstrategieën en ingrepen met verstrekkende gevolgen voor de economie, door investeringen in innovatie waarbij slimme specialisatie als prioriteit geldt te combineren met onderzoeks- en innovatie-initiatieven van het hoogste niveau, zodat de fondsen meer impact kunnen genereren;

1.  stelt nogmaals dat de banden tussen het cohesiebeleid en andere EU-beleidsdomeinen, financieringsprogramma's en initiatieven (bv. Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, de digitale interne markt, plattelandsontwikkeling, de energie-unie, de innovatie-unie en de Europa 2020-vlaggenschipinitiatieven) zijn versterkt binnen het gemeenschappelijk strategisch kader dat is ingevoerd door de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; overwegende dat het cohesiebeleid bijgevolg door middel van alle instrumenten en doelstellingen ervan, met inbegrip van de stedelijke agenda, de territoriale agenda, investeringen in kmo's, slimme groei en strategieën voor slimme specialisatie, potentiële overheidsinvesteringen om innovatieve oplossingen op het gebied van onder meer milieu, energie, gezondheid, klimaat, digitalisering en vervoer te doen aanslaan, substantieel bijdraagt aan de versterking van de interne markt en het behalen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

2.  onderstreept dat de eerder genoemde synergieën al vanaf het stadium van strategische planning zijn ingebouwd en dat de regio's en de lidstaten derhalve van bij het begin strategische keuzes dienen te maken en planningen dienen op te stellen om kansen in kaart te brengen en te genereren, bv. om excellentie te bevorderen op de gebieden voor slimme specialisatie; wijst erop dat de rol van Horizon 2020 in dit verband bestaat uit bewustmaking, informatieverstrekking (met name over onderzoeksresultaten van KP7 en Horizon 2020-projecten), deelname aan communicatiecampagnes, het openstellen van bestaande netwerken voor nieuwkomers en het leggen van zoveel mogelijk verbindingen tussen nationale contactpunten en regionale beleidsmakers en beheersautoriteiten inzake ESIF;

3.  benadrukt dat regio's en lidstaten die EFRO-middelen wensen te investeren in onderzoek en innovatie verplicht zijn strategieën voor slimme specialisatie te ontwikkelen in samenspraak met de nationale of regionale beheersautoriteiten en belanghebbenden, zoals universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs, het bedrijfsleven en de sociale partners, in een proces om het ondernemerspotentieel te ontginnen; wijst er nogmaals op dat strategieën voor slimme specialisatie zowel upstreamacties (capaciteitsopbouw, verbetering van nationale/regionale systemen voor onderzoek en innovatie) als downstreamacties (onderzoeksresultaten benutten, steun voor innovatie en markttoegang) in het kader van Horizon 2020 moeten omvatten, hetgeen op zijn beurt een stimulans is voor samenwerking op EU-schaal om de innovatiekloof in Europa te dichten en het concurrentievermogen van de Unie in de wereld te vergroten, door ook te investeren in contacten tussen voorlopers en volgers in de context van activiteiten voor het verspreiden van topkwaliteit en het verbreden van de deelname, terwijl de methodologie van slimme specialisatie een model moet blijven voor het cohesiebeleid na 2020;

4.  meent dat het cohesiebeleid nog resultaatgerichter moet worden; onderstreept dat er dringend werk moet worden gemaakt van meer synergie met ander EU-beleid inzake concurrentievermogen, met name op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, ICT, hernieuwbare energie en kmo's, zodat de resultaten van onderzoek en ontwikkeling in de EU beter worden benut, nieuwe, hoogwaardige banen worden geschapen en bestaande banen behouden blijven, en de groene economie wordt gestimuleerd;

5.  merkt op dat in het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2014-2020 een belangrijke aanvullende rol is weggelegd voor financieringsinstrumenten, en herinnert eraan dat financieringsinstrumenten, aangezien zij een aanvulling vormen op subsidies, een hefboomeffect hebben waardoor financiering ter verbetering van de marktkansen voor innovatie meer impact kan krijgen, bv. door energie-efficiëntie, en dat zij kunnen bijdragen tot een beter absorptiepercentage door de nodige medefinanciering te verstrekken, met name in lidstaten en regio's met een lage nationale medefinancieringscapaciteit; onderstreept evenwel dat subsidies onmisbaar blijven voor bepaalde projecten, zoals projecten voor onderzoek en innovatie en projecten die sterk gericht zijn op maatschappelijke uitdagingen; herinnert eraan dat subsidies en financieringsinstrumenten niet dezelfde soort activiteiten financieren en dat de verschillende vormen van steun gericht zijn op verschillende soorten begunstigden en projecten; benadrukt hoe belangrijk het is om in het kader van toekomstige EU-programma's subsidies te blijven verlenen; benadrukt dat in de toekomst het juiste evenwicht tussen subsidies en financieringsinstrumenten moet worden gehandhaafd; herinnert eraan dat de controleerbaarheid, transparantie en resultaatgerichtheid van financieringsinstrumenten verder moeten worden verbeterd;

6.  vraagt de Commissie en de lidstaten bij de opzet en de uitvoering van de ESI-fondsen en Horizon 2020 de behoeften van kmo's steeds voor ogen te blijven houden en aandacht te besteden aan onderlinge synergieën; verzoekt de Commissie gecoördineerde oproepen tot het indienen van voorstellen op te stellen om de toegang tot financiering uit verscheidene fondsen te vergemakkelijken; vraagt ook dat de betreffende kmo-programma's, zoals Cosme, het kmo-instrument van Horizon 2020 en het kmo-onderdeel in het EFSI, grondig worden beoordeeld wat betreft de toewijzing van begrotingsmiddelen, het percentage geslaagde projecten, de administratieve lasten en de uitvoerbaarheid;

7.  merkt op dat synergieën met andere beleidsmaatregelen en instrumenten verder moeten worden versterkt om het effect van investeringen te maximaliseren; wijst in dit verband op het proefproject "ladder naar topkwaliteit" (S2E) in het kader van de EU-begroting, dat regio's in dertien lidstaten ondersteuning blijft bieden bij het ontwikkelen en benutten van synergieën tussen de ESI-fondsen; dringt aan op flexibiliteit voor de lidstaten met betrekking tot het gebruik van de Excellentiekeur; wijst er voorts op hoe belangrijk het is verwante specialisatiegebieden in andere regio's en lidstaten in kaart te brengen om de krachten te bundelen en zo beter voorbereid te zijn op projectkansen waarbij meerdere landen betrokken zijn en internationale banden te smeden;

8.  herinnert eraan dat door de budgettaire beperkingen met betrekking tot Horizon 2020 het risico bestaat dat projecten die als excellent worden beoordeeld, geen financiering ontvangen; benadrukt dat er alternatieve financiering moet worden aangeboord; zo kunnen bv. met behulp van de Excellentiekeur ESIF-subsidies worden toegekend aan excellente Horizon 2020-projecten;

9.  merkt op dat belangrijke onderdelen van het Horizon 2020-budget zullen worden gedelegeerd aan publiek-publieke partnerschappen en publiek-private partnerschappen, wat mogelijkheden biedt om de bestuursmechanismen van de publiek-publieke partnerschappen te gebruiken om de synergieën met de initiatieven voor slimme specialisatie (RIS3) en de programma's te optimaliseren door het ontwerp van de jaarlijkse werkprogramma's;

10.  benadrukt dat het EFSI complementair en aanvullend moet zijn op de ESI-fondsen en andere EU-programma's zoals Horizon 2020, alsook op de reguliere activiteiten van de Europese Investeringsbank; merkt op dat hieruit volgt dat het EFSI gericht is op andere soorten projecten dan die waarvoor de 2,2 miljard EUR via Horizon 2020 zou worden ingezet; benadrukt dat volledige samenhang en synergieën tussen alle EU-instrumenten moeten worden gewaarborgd om de overkoepelende strategische doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei te kunnen behalen en overlappingen of tegenstellingen, zowel onderling als tussen de verschillende niveaus van beleidsuitvoering, te voorkomen, en dit als aanvulling op nationale en regionale financiering en programma's; herinnert eraan dat uit de evaluatie van de Europa 2020-strategie moet blijken welke middelen nodig zijn terwijl alle beschikbare middelen effectief worden benut en de verwachte resultaten wat de overkoepelende strategische doelstellingen betreft worden behaald, aangezien de kwantiteit, kwaliteit en impact van de investeringen in onderzoek en innovatie moeten worden verbeterd door een gecoördineerd gebruik van de instrumenten van het cohesiebeleid en Horizon 2020;

11.  vraagt de Commissie de synergieën tussen de fondsen systematisch te monitoren en een mededeling over deze synergieën te publiceren, met name over de synergieën tussen Horizon 2020 en RIS3, teneinde voorbeelden van best practices te verspreiden en het effect daarvan te vergroten in de aanloop naar de evaluatie van de Europa 2020-strategie; herinnert eraan dat een dergelijk systeem niet tot meer administratieve rompslomp mag leiden;

12.  wijst op het verkennende werk van de Commissie met betrekking tot de mogelijke oprichting van een Europese Innovatieraad voor betere coördinatie van de innovatie-initiatieven in de Europese Unie; merkt op dat een Europese Innovatieraad vooral tot doel moet hebben obstakels voor commercialisering in Europa uit de weg te ruimen en de innovatiekloof te dichten; benadrukt dat alle belanghebbenden bij de Europese Innovatieraad betrokken moeten worden, dat de raadplegings- en besluitvormingsprocedures transparant en snel moeten verlopen en dat overlapping moet worden voorkomen; onderstreept voorts dat het Horizon 2020-budget volledig moet worden hersteld op zijn niveau van voor het EFSI;

13.  wijst op het verband tussen Horizon 2020 en de ESI-fondsen op het vlak van beveiliging (de noodzaak om in de hele EU te beschikken over hetzelfde niveau van ICT-infrastructuur); is voorstander van een harmonisatie van de structuren voor ICT-beveiliging; vraagt voorts dat deze programma's onderling worden gekoppeld wat de auditprocedures betreft, en vraagt de Commissie een duidelijke, afgestemde en gecoördineerde benadering voor de periode na 2020 vast te stellen, met bijzondere aandacht voor administratieve en auditprocedures, proportionaliteit en verantwoordingsplicht;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de nationale regeringen en de regionale overheden van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(9) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 2.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.


Voorbereiding van het werkprogramma van de Commissie 2017
PDF 198kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over de strategische prioriteiten met betrekking tot het werkprogramma van de Commissie voor 2017 (2016/2773(RSP))
P8_TA(2016)0312RC-B8-0885/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de politieke richtsnoeren voor de Commissie, getiteld "Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda voor banen, groei, billijkheid en democratische verandering", en gepresenteerd door Jean-Claude Juncker op 15 juli 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2015 getiteld "Werkprogramma van de Commissie voor 2016 - Tijd voor verandering" (COM(2015)0610), en de bijlagen 1 t/m 6 daarbij,

–  gezien het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016,

–  gezien het samenvattend verslag van de Conferentie van commissievoorzitters, waarin aanvullende bijdragen aan deze resolutie worden geleverd vanuit het oogpunt van de parlementaire commissies en waarmee de Commissie naar behoren rekening moet houden bij de opstelling en goedkeuring van haar werkprogramma voor 2017,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over het besluit de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het VK(1),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28-29 juni 2016,

–  gezien de bijdrage van het Comité van de Regio’s aan het werkprogramma van de Commissie voor 2017,

–  gezien artikel 37, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europese integratieproces vrede heeft gebracht en gedurende tientallen jaren heeft bijgedragen aan de veiligheid en welvaart in Europa;

B.  overwegende dat Europa nu wordt geconfronteerd met vele gemeenschappelijke en wereldwijde uitdagingen, maar ook met steeds meer frustratie en bezorgdheid onder een groot aantal burgers vanwege onzekere toekomstperspectieven en een gebrek aan kansen, waaraan besluitvormers volgens de burgers het hoofd moeten bieden; overwegende dat de Europese Unie om te slagen niet mag worden gereduceerd tot een economisch project; overwegende dat het dringend noodzakelijk is dat de Europeanen weer hart krijgen voor het Europese project en dat de economische, sociale en territoriale samenhang worden versterkt;

C.  overwegende dat de overlappende crises in de EU vragen om doeltreffende Europese oplossingen, die stevig verankerd zijn in een democratischer proces volgens de communautaire methode, met de volledige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen en in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VWU) inzake de toepassing van het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel;

D.  overwegende dat de EU ons gemeenschappelijke huis is en dat zij haar burgers een veilige plek en een stabiele economische omgeving moet bieden; overwegende dat duurzaamheid en economische groei verenigbaar zijn en elkaar kunnen versterken; overwegende dat het belangrijk is dat de EU uit de langdurige economische crisis wordt gehaald door duurzame investeringen op te voeren, ongelijkheden terug te dringen en het afgesproken beleid uit te voeren, alsmede beter beleid te ontwikkelen, met name door de interne markt te verdiepen en de economische en monetaire unie te verbeteren;

E.  overwegende dat we ervoor hebben gekozen een gemeenschappelijke toekomst na te streven, als een op gedeelde waarden gestoelde gemeenschap waarin de rijkdom en diversiteit van onze tradities en geschiedenis worden gekoesterd; overwegende dat we willen dat Europa op het wereldtoneel zijn functie vervult en zijn verantwoordelijkheid neemt en zich daarbij verbindt aan solidariteit, multilateralisme, de externe partnerschappen van de EU en de bevordering van convergentie op het vlak van betere normen; overwegende dat we ons gemeenschappelijke project van gedeelde vrede, welvaart en democratie veilig willen stellen, teneinde alle generaties een aantrekkelijke toekomst te bieden;

Verbetering van de leef- en werkomstandigheden van Europese burgers

1.  herinnert eraan dat het economisch herstel dat zich in Europa voltrekt bescheiden en onevenwichtig is, waarbij veel regio's van de Unie nog altijd in onacceptabele mate te maken hebben met werkloosheid, armoede, ongelijkheid en een ernstig gebrek aan vooruitzichten voor jonge generaties; benadrukt dat de EU daarom moet toewerken naar een dynamische, inclusieve arbeidsmarkt die is ingebed in het Europese model van de sociale markteconomie, waarbij wordt gezorgd voor een verbetering van de leefomstandigheden van de burgers en eerlijke mobiliteit mogelijk wordt gemaakt; is ervan overtuigd dat alle EU-burgers moeten kunnen rekenen op een fundamentele reeks fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en toegang tot hoogwaardig onderwijs, sociale bescherming en basisdiensten, waardoor een evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk wordt gemaakt en voorzien wordt in de behoeften van een moderne arbeidsmarkt binnen de EU; merkt op dat een essentieel element van een concurrerende en inclusieve economie haar capaciteit is om een hefboomeffect te creëren voor het talent van vrouwen en mannen in alle activiteiten;

2.  verzoekt de Commissie met het oog hierop voort te bouwen op de lopende openbare raadpleging en het komende verslag van het Parlement door een voorstel te presenteren, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel en de doelstellingen van de Verdragen, over een Europese pijler van sociale rechten, dat in concrete initiatieven moet worden omgezet, met name:

   bevordering van de toegankelijkheid en kwaliteit van voorschools onderwijs, kinderopvang en gezondheidszorg, die van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat geen enkel kind aan zijn lot wordt overgelaten; de Commissie dient daarom na te denken over verdere maatregelen om sociale investeringen op gang te brengen en, met name, de armoede onder kinderen terug te dringen;
   overbrugging van de vaardighedenkloof en een gegarandeerde toegang voor iedereen tot onderwijs, opleidingen en een leven lang leren van hoog niveau;
   terugdringing van de sociale ongelijkheden en bevordering van werkgelegenheid van hoog niveau, vooral voor jongeren en langdurig werklozen, ter bevordering van de economische groei;
   aanpak van de uitdagingen betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven en de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen;

3.  benadrukt dat de Commissie de lidstaten moet monitoren, aanmoedigen en ondersteunen bij een efficiënte en effectieve besteding van de middelen ter stimulering van de werkgelegenheid voor jongeren en het scheppen van hoogwaardige banen, met name in gebieden met hoge werkloosheidscijfers, door middel van programma's voor banen en groei, zoals degene die worden gefinancierd in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese Investeringsbank;

4.  benadrukt dat de Commissie, in samenwerking met de lidstaten en de sociale partners, tevens de Europese sociale dialoog moet versterken, teneinde arbeidsmarkten en de eisen op het gebied van sociale bescherming beter op elkaar af te stemmen met het oog op de aanpak van sociale ongelijkheden en uitdagingen op het gebied van het concurrentievermogen;

Versterking van het economisch herstel en het concurrentievermogen op de lange termijn met het oog op het scheppen van banen en het genereren van welvaart

5.  is ervan overtuigd dat de EU wereldleider kan zijn als zij het volledige potentieel van haar interne markt aanboort en ondernemerschap, eerlijke concurrentie en investeringen in innovatie bevordert;

6.  is van mening dat de EU moet zorgen voor de bevordering van een sterk en gediversifieerd Europees ondernemingslandschap; wijst erop dat het mededingingsbeleid van de EU bepalend is voor de werking van haar sociale markteconomie; benadrukt het feit dat de Europese industrie, als zij concurrerend, geschikt voor het beoogde doel en toekomstbestendig wil blijven, duurzaam moet worden en de digitale weg moet opgaan; is het eens met de filosofie van de Commissie dat Europa groot moet zijn in grote zaken en klein in kleine zaken;

7.  verzoekt om een hernieuwing van de Europa 2020-strategie voor duurzame groei en werkgelegenheid, met echte ambitie voor de toekomst, met name wat betreft de verbetering van het EU-model van de sociale markteconomie en de uitvoering van structurele hervormingen om de economieën van de lidstaten te moderniseren en algemene welvaart tot stand te brengen; is ervan overtuigd dat het stimuleren van werkgelegenheid en productiviteit de hoofdprioriteit blijft en dat de EU behoefte heeft aan gerichte investeringen om de overgang naar een innoverende, hulpbronnenefficiëntie, digitale economie te versnellen, teneinde Europa te herindustrialiseren en banen terug te halen;

8.  verzoekt de Commissie een nieuwe, ambitieuze industriële strategie te ontwikkelen die voortbouwt en een aanvulling vormt op het pakket voor een kringloopeconomie; wijst erop dat er meer private en publieke investeringen nodig zijn voor een energietransitie, eco-innovatieve kmo's, onderzoek en onderwijs;

9.  verzoekt de Commissie meer maatregelen voor te stellen ter bevordering van onderzoek en ontwikkeling, innovatie, culturele diversiteit en creativiteit, die de belangrijkste drijvende krachten zijn voor het aanzwengelen van de werkgelegenheid, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de toegang van bedrijven -en met name kmo's- tot kapitaal van vitaal belang is voor het stimuleren van de ontwikkeling en vervaardiging van nieuwe producten en diensten in zowel traditionele als opkomende sectoren en een doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendomsrechten;

10.  is van oordeel dat de interne markt verder moet worden geïntegreerd, met name op digitaal gebied, zodat er eerlijke voorwaarden voor consumenten en kmo's worden geschapen en ongerechtvaardigde obstakels worden weggenomen; is er ten stelligste van overtuigd dat een mondiaal concurrerende, innoverende, op de burger gerichte digitale interne markt een mogelijke volgende stap is om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden;

11.  verwacht dat de Commissie gebruikmaakt van al haar bevoegdheden om een overgang naar een beter groeimodel te bevorderen, dat in overeenstemming is met de beginselen van duurzame ontwikkeling en de economische, sociale en milieudimensie daarvan omvat;

Klimaatverandering en energiezekerheid

12.  herinnert eraan dat meer inspanningen geleverd moeten worden ter verwezenlijking van de energie-unie, die garandeert dat alle burgers en bedrijven energiezekerheid hebben en beschikken over betaalbare en duurzame energie;

13.  neemt kennis van de gevolgen van klimatologische rampen in Europa voor de mens en voor de economie; onderstreept hoe belangrijk het is dat de onderliggende oorzaken van de klimaatverandering voortdurend aan de orde gesteld worden, waarbij tegelijkertijd het concurrentievermogen van onze industrie gewaarborgd wordt en een ambitieuze klimaatstrategie wordt gevolgd, die tevens energie-efficiëntie omvat;

14.  verlangt dat op EU-niveau doelstellingen worden bepaald die noodzakelijkerwijs ambitieus zijn, met betrekking tot het terugdringen van broeikasgassen en hernieuwbare energie, en met betrekking tot energie-efficiëntie voor de periode na 2020, in overeenstemming met de in Parijs gesloten COP 21-overeenkomst;

15.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke strategie te ontwikkelen voor energie- en klimaatdiplomatie die ingaat op deze mondiale zorgpunten;

16.  verzoekt de Commissie inspanningen te identificeren voor de uitfasering van de subsidies voor fossiele brandstoffen, waarbij eventuele economische en sociale effecten moeten worden verminderd;

Een consistent antwoord vinden op de instroom van vluchtelingen

17.  is van mening dat de Europese Unie concrete oplossingen moet zoeken om de vluchtelingencrisis aan te pakken, met name door de onderliggende oorzaken ervan aan te pakken door nauwer te gaan samenwerken met doorgangslanden en landen van herkomst van migratiestromen en gebruik te maken van alle beschikbare beleidsmiddelen en instrumenten om de stabilisering, rehabilitatie en ontwikkeling van die landen te waarborgen;

18.  moedigt de Commissie aan om, in samenwerking met de lidstaten, de nodige humanitaire bijstand te bieden en te zorgen voor fatsoenlijke leefomstandigheden in vluchtelingenkampen, in combinatie met ontwikkelingsprogramma's voor de langere termijn, met name op het gebied van onderwijs;

19.  wijst erop dat het asiel- en migratiebeleid van de EU niet geschikt is voor het beoogde doel en fundamenteel moet worden herzien, op basis van artikel 80 van het VWEU; is van mening dat een hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel niet mag leiden tot een verlaging van het huidige beschermingsniveau in het EU-asielrecht;

20.  roept ertoe op systematische, afdwingbare programma's voor rechtstreekse hervestiging en herplaatsing van asielzoekers te organiseren;

21.  verlangt dat binnen de EU voorwaarden worden gecreëerd voor een goed beheerde ontvangst van asielzoekers, in het kader waarvan hun veiligheid en een menselijke behandeling gewaarborgd is en bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van kwetsbare groepen; benadrukt tegelijkertijd het feit dat voldoende middelen gewaarborgd moeten worden met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt en de sociale inclusie van vluchtelingen;

22.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen voor de vaststelling van een passend EU-beleid inzake economische en legale migratie dat voortbouwt op de bestaande instrumenten voor studenten, onderzoekers en hoogopgeleide arbeidskrachten, en op de langere termijn voor de vaststelling van algemenere regels voor de binnenkomst en het verblijf van de onderdanen van derde landen die werk zoeken in de Unie om de hiaten op te vullen die zijn vastgesteld op de EU-arbeidsmarkten;

23.  is van mening dat de EU en de rest van de internationale gemeenschap, aangezien internationale migratie een mondiaal probleem is dat steeds omvangrijker, complexer en ingrijpender wordt, hun verantwoordelijkheid op dit gebied moeten nemen;

Aandacht voor de zorgen van burgers over veiligheid

24.  benadrukt dat het verband tussen interne en externe veiligheid steeds sterker is;

25.  dringt er naar aanleiding van de goedkeuring van het voorstel voor een Europese grens- en kustwacht bij de Commissie op aan toe te zien op de snelle start ervan en de toewijzing van de noodzakelijke mankracht en logistieke capaciteiten;

26.  verzoekt de Commissie de dreigingen in verband met terrorisme en gewelddadig extremisme aan te pakken door nauwlettend toe te zien op de omzetting en tenuitvoerlegging van EU-maatregelen ter bestrijding van terrorisme, met inbegrip van doeltreffende politiële en justitiële samenwerking, tijdige deling van informatie tussen nationale instanties en via Europol en Eurojust, en maatregelen om nieuwe trends in verband met de financiering van terrorisme tegen te gaan;

27.  roept de Commissie op expertise en technische en financiële middelen ter beschikking te stellen, teneinde de coördinatie en uitwisseling van optimale werkwijzen op EU-niveau te waarborgen in de strijd tegen gewelddadig extremisme en terroristische propaganda, radicale netwerken en offline en online rekrutering door terroristische organisaties, en daarbij de aandacht in het bijzonder te laten uitgaan naar strategieën voor preventie, integratie en re-integratie;

28.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de reeds aangenomen wetgeving inzake veiligheid volledig ten uitvoer te leggen; roept nogmaals op tot een diepgaande evaluatie van de EU-terrorismebestrijdingsstrategie waarin zowel de toepassing van de genomen maatregelen als hun doeltreffendheid worden beoordeeld; verwacht van de Commissie dat zij de veiligheidsagenda bijwerkt in het licht van de zich steeds verder ontwikkelende terreurdreiging;

29.  verzoekt de Commissie voor de dag te komen met de aangekondigde voorstellen voor een juiste rechtsgrond voor het Europees Centrum voor terrorismebestrijding binnen Europol, voorstellen ter verbetering en ontwikkeling van bestaande informatiesystemen, het aanpakken van informatieleemten en de bevordering van interoperabiliteit, en voorstellen voor verplichte gegevensuitwisseling op EU-niveau, samen met de nodige waarborgen voor gegevensbescherming;

Inzet van een ambitieuze agenda voor extern optreden: betreffende het nabuurschap en het mondiale systeem

30.  dringt aan op een ambitieuze mondiale EU-strategie, waarbij de EU naar voren wordt geschoven als een geopolitieke speler in een snel veranderende wereld, en vraagt dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden alle instrumenten van het extern optreden van de EU op coherente wijze inzetten om te komen tot verbeterde mondiale governance, brede convergentie inzake betere normen, verbeterde veiligheid en een grotere eerbied wereldwijd voor de mensenrechten; benadrukt daarom dat de volgende essentiële elementen bovenaan de EU-agenda voor buitenlandse zaken moeten worden geplaatst:

   stabiliteit en welvaart bevorderen in de buurlanden van de EU, via initiatieven ter bevordering van ontwikkeling, democratie, goed bestuur en de rechtsstaat, door civiele conflictpreventie en verzoeningsmaatregelen, en activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te versterken, met passende betrokkenheid van de NAVO, die voor de landen die er lid van zijn de grondslag en het instrument van hun collectieve defensie blijft;
   reactiveren, met de ondersteuning van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, dat niet langer de zwakste schakel in het integratieproces van de EU mag zijn; de veiligheidssituatie vereist dat de Europese defensie een volwaardig beleid wordt dat in gelijke mate veiligheid waarborgt voor en aandacht besteedt aan de vitale veiligheidszorgen van alle lidstaten; reeds bestaande structuren, mechanismen of instrumenten moeten in de praktijk worden gebracht;
   vaart zetten achter het onderhandelingsproces voor de uitbreiding door versterking van sociale, politieke en economische stabiliteit en democratie in de kandidaat-lidstaten, zonder de toetredingscriteria van Kopenhagen af te zwakken;
   het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking doeltreffender blijven maken en blijven zorgen voor een betere coördinatie en samenhang met andere instrumenten van het extern optreden van de EU; coherentie en consistentie tussen ontwikkelings- en veiligheidsbeleid blijven waarborgen, aangezien de beleidsmaatregelen op deze gebieden onderling verbonden, onderling afhankelijk en wederzijds versterkend zijn;
   de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) integraal opnemen in het intern en extern beleid van de EU; dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen over haar plan voor de implementatie, monitoring, follow-up en integratie van de agenda 2030 en de SDG's;
   bevorderen van handel als belangrijk middel om groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen te stimuleren, en bevorderen van de EU-normen op het gebied van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling; de handelsbeschermingsinstrumenten van de Unie moeten worden gemoderniseerd en strikt worden toegepast, en zo nodig moeten niet-standaardmethoden worden gebruikt;
   oplossingen vaststellen om hybride bedreigingen het hoofd te bieden en de veerkracht van de EU en haar lidstaten te versterken, alsook die van haar partners, met name in haar buurlanden;

Beleid van fiscale rechtvaardigheid voor voldoende middelen

31.  benadrukt dat er nooit eerder zo dringend behoefte was aan een intensivering van de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking, waarmee tot 1 biljoen EUR aan potentiële inkomsten voor de nationale begrotingen gemoeid zijn; is van mening dat dit middelen zijn die hadden kunnen worden uitgegeven aan investeringen voor de toekomst, stimulering van werkgelegenheid en vermindering van ongelijkheid;

32.  benadrukt dat de Commissie onverwijld moet blijven handelen om ervoor te zorgen dat winsten worden belast in de landen van Europa waar de economische activiteit en waardecreatie daadwerkelijk plaatsvinden; is van mening dat de EU moet werken aan een verplichte gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, de inspanningen moet opvoeren om belastinggerelateerde schendingen van de regels inzake overheidssteun te onderzoeken, gemeenschappelijke regels moet toepassen voor het gebruik en de transparantie van fiscale rulings en moet streven naar een vastberaden gemeenschappelijke benadering om af te rekenen met belastingparadijzen;

33.  verzoekt de Commissie een extern perspectief op te nemen in haar strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking, onder meer wat winsten betreft die de EU verlaten zonder belast te worden;

Versterking van de begroting en financiële instrumenten van de EU

34.  is van mening dat de EU, om doeltreffend te kunnen handelen, een nieuwe financiële en fiscale strategie nodig heeft; meent dat de Commissie in dit verband maatregelen moet voorstellen op basis van de volgende beginselen en elementen:

   snel voldoende middelen inzetten; er valt niet te ontkomen aan een hervorming van het systeem van financiering van de EU door een versterking van echte eigen middelen of de invoering van nieuwe middelen, teneinde de begroting van de Unie stabieler, duurzamer en voorspelbaarder te maken; tegelijkertijd is het van belang het universaliteitsbeginsel te eerbiedigen en de transparantie te vergroten;
   voor maximale resultaten moet bij het beheer van de begrotingsinstrumenten van de EU nauwlettend worden toegezien op prestaties en kosteneffectiviteit en gewaarborgd worden dat de financiële belangen van de EU geëerbiedigd en beschermd worden;
   de EU moet maatregelen nemen om middelen samen te brengen om een antwoord te bieden op de problemen van hoge jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid en de interne en externe dimensie van de vluchtelingencrisis;
   na amper twee jaar van tenuitvoerlegging heeft het meerjarig financieel kader (MFK) zijn grenzen bereikt; bovendien zal de EU-begroting zonder een uitgebreide tussentijdse herziening van het MFK niet in staat zijn te voorzien in bijkomende financiële behoeften en nieuwe politieke prioriteiten, en niet kunnen voorkomen dat er opnieuw een betalingscrisis opduikt; verzoekt de Commissie vóór eind 2016 een evaluatie van de werking van het MFK te presenteren en krachtdadig op te treden om de maxima van het MFK te verhogen en dit kader flexibel genoeg te maken om te kunnen inspelen op omstandigheden die in 2013 niet voorzien waren;
   het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) moet zo worden beheerd dat alle lidstaten in staat worden gesteld veel strategische investeringen te doen in overeenstemming met de EFSI-verordening, en dat financiering voor investeringen bijdraagt aan de overgang naar een duurzame economie en samenleving; het voorstel van de Commissie voor de volgende fase van het EFSI moet op deze doelstellingen worden gebaseerd;
   de effectieve tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid 2014-2020 moet gepaard gaan met voorbereidingen voor de fase na 2020, met inachtneming van de ware aard van dat beleid zoals vastgesteld in de Verdragen, het belang van het beleid voor de ontwikkeling van de interne markt en het potentieel ervan als investeringsinstrument dat openstaat voor alle regio's in de EU; de synergie tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen, het EFSI en andere financieringsinstrumenten van de EU moet worden versterkt om vaart te zetten achter een slimme, groene en inclusieve groei, waarbij een geloofwaardig evenwicht tussen subsidies en financieringsinstrumenten tot stand moet worden gebracht en een inkrimping van de begroting voor het cohesiebeleid moet worden voorkomen;
   de Commissie moet voorstellen doen om de bureaucratische rompslomp van het GLB voor landbouwers te verminderen; de Commissie moet voorts verbeterde instrumenten uitwerken om extreme crises op de landbouwmarkten op te vangen; is van mening dat kaderwetgeving op EU-niveau noodzakelijk is om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken en ervoor te zorgen dat Europese landbouwers en consumenten gebruik kunnen maken van billijke verkoop- en aankoopvoorwaarden;

Voltooiing van de economische en monetaire unie

35.  houdt vast aan de naleving van de voorschriften van de EU-wetgeving inzake democratische verantwoordingsplicht voor besluiten in de context van de Europese economische governance;

36.  is van mening dat de EU moet werken aan opwaartse economische en sociale convergentie, met volledige inachtneming van de regels van het stabiliteits- en groeipact en het governancekader van het Europees semester;

37.  is van mening dat de Commissie haar toezicht op schulden, tekorten en macro-economische onevenwichtigheden consequent moet verbeteren zodanig dat het stabiliteits- en groeipact wordt nageleefd en dat economische groei en werkgelegenheid worden gestimuleerd, met meer aandacht voor de begrotingssituatie van de eurozone als geheel;

38.  meent dat de EU de geloofwaardigheid, de samenhang, de nationale inbreng en de democratische legitimiteit van het Europees semester moet verbeteren, teneinde ervoor te zorgen dat de lidstaten de landenspecifieke aanbevelingen uitvoeren met structurele hervormingen en investeringen die gericht zijn op de modernisering van hun economieën en een vergroting van hun concurrentievermogen, alsook budgettaire verantwoordelijkheid nastreven en ongelijkheden en onevenwichtigheden aanpakken;

39.  dringt aan op een nauwere coördinatie van het economisch beleid om de investeringskloven in de eurozone aan te pakken en hervormingsinspanningen te versterken, teneinde het concurrentievermogen te vergroten en de vraag te ondersteunen;

40.  is van mening dat de bankenunie moet worden voltooid en dat risicoverminderingsmaatregelen hierbij moeten samengaan met risicodeling;

41.  merkt op dat rekening moet worden gehouden met de resultaten van het lopende beraad over de ontwikkeling van een begrotingscapaciteit voor de economische en monetaire unie;

42.  verzoekt de Commissie met een samenhangende, goed onderbouwde reeks voorstellen te komen over de voltooiing van de economische en monetaire unie, zoals uiteengezet in het verslag van de vijf voorzitters;

Versterking van grondrechten en democratie

43.  is bezorgd dat de voortdurende crises niet alleen de samenhang van Europese samenlevingen schade hebben toegebracht, maar ook het vertrouwen van Europese burgers in de democratische instellingen op EU- en in sommige gevallen nationaal niveau aan het wankelen heeft gebracht; is daarom van mening dat Europa de versterking van de democratische legitimiteit van de EU en het herstel van het vertrouwen in het vermogen van de Unie om de belangen van burgers te dienen tot prioriteit moet verheffen;

44.  wijst erop dat vele van de uitdagingen van vandaag, van klimaatverandering tot asiel en migratie, van financiële markten tot toeleveringsketens van bedrijven, en van terreurnetwerken tot mislukte staten en schurkenstaten, transnationaal van aard zijn en vragen om Europese oplossingen volgens de communautaire methode, met de volledige betrokkenheid van de Commissie en het Parlement;

45.  herinnert eraan dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen, verantwoordelijk is voor het bevorderen van het algemeen belang van de Unie (artikel 17 VEU), namelijk vrede, de waarden van de Unie en het welzijn van haar volkeren (artikel 3 VEU); wijst erop dat het Parlement ook de specifieke politieke verantwoordelijkheid heeft om bij te dragen aan het overwinnen van de verdeeldheid tussen de lidstaten, het verdedigen van het algemeen belang van de Europeanen en het waarborgen van democratische legitimiteit van op Europees niveau genomen besluiten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle initiatieven, waaronder die van de Europese Raad, stroken met de bepalingen van de Verdragen;

46.  verzoekt de Commissie initiatieven te nemen om de Europese instellingen te versterken en de EU-burgers aan te moedigen om aan het Europese politieke leven deel te nemen; verzoekt alle EU-instellingen een beter contact te ontwikkelen met de jongere generaties en hun platforms voor debat; is van mening dat er ook krachtiger kan worden opgetreden om de EU-burgers voor te lichten over hun rechten, het potentieel van het Europees burgerinitiatief te benutten en de rol van de Europese Ombudsman te versterken;

47.  benadrukt dat de Commissie met voorstellen moet komen voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, waarbij rekening wordt gehouden met het komende verslag van het Parlement; meent dat de Commissie zich moet blijven inspannen voor de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), waarbij zij rekening moet houden met het advies ter zake van het Hof van Justitie en de resterende juridische problemen moet aanpakken;

48.  verzoekt alle EU-instellingen te streven naar de hoogst mogelijke normen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit, en de strijd aan te gaan met belangenconflicten;

49.  is vastbesloten al zijn instrumenten en middelen aan te wenden om te handelen als een drijvende kracht in een hernieuwd democratisch proces gericht op de hervorming van de Europese Unie;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.


Het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten
PDF 171kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (2016/2600(RSP))
P8_TA(2016)0313RC-B8-0853/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de overeenkomst van de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) om de vangstlimieten voor commerciële walvisvangst op nul te zetten (het "moratorium"), die in 1986 in werking trad,

–  gezien Resolutie 2014-5, aangenomen door de Internationale Walvisvaartcommissie tijdens haar 65e jaarvergadering in september 2014,

–  gezien de Aichi Biodiversiteitsdoelstellingen die overeengekomen zijn in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit,

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora(1) (habitatrichtlijn),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de maatregelen van de Gemeenschap voor de walvisvangst(2),

–  gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) van 31 maart 2014 in de zaak betreffende walvisvangst in de Antarctische Oceaan (Australië vs. Japan: interventie door Nieuw-Zeeland),

–  gezien de demarche die in december 2015 is ondertekend door de EU inzake de hervatting van de walvisvangst in de Zuidelijke IJszee in het kader van het nieuwe wetenschappelijk onderzoeksprogramma voor walvisvangst ("NEWREP-A"),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in 1982 een moratorium heeft ingesteld voor alle commerciële walvisvangst, dat nog steeds van kracht is, om de bestanden te beschermen tegen uitsterven en hen in staat te stellen om te herstellen; overwegende dat het Internationale Verdrag tot Regeling van de Walvisvangst bijzondere bepalingen bevat die het vangen toestaan van beperkte aantallen dieren voor strikt wetenschappelijke doeleinden, beter bekend als het "walvisvangst met speciale vergunning";

B.  overwegende dat de commerciële walvisvangst ondanks dit moratorium nog steeds door verscheidene landen wordt beoefend; overwegende dat, sinds de instelling van het moratorium, het aantal walvissen dat gedood wordt met een speciale vergunning voor zogenaamd wetenschappelijk onderzoek alleen maar is gestegen; overwegende dat Japan deze vorm van walvisvangst met een speciale vergunning decennialang heeft beoefend;

C.  overwegende dat Japan, ondanks dit internationale verbod dat in 1986 in werking is getreden, de walvisvangst heeft voortgezet, in het kader waarvan tot 2014 meer dan 20 000 walvissen(3) zijn gedood;

D.  overwegende dat de walvisvangst ernstig en verlengd lijden van individuele dieren veroorzaakt en gevaarlijk is voor de instandhouding van de walvispopulatie in haar geheel;

E.  overwegende dat alle grote walvissoorten op de lijst staan van aanhangsel I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES);

F.  overwegende dat het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in zijn uitspraak van 31 maart 2014 heeft bevolen de jaarlijkse jacht op walvissen door Japan, op basis van zijn JARPA II-programma, stil te leggen wegens een "gebrek aan wetenschappelijke meerwaarde" en omdat de afgegeven vergunningen niet werden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek zoals Japan beweerde;

G.  overwegende dat walvisvlees met wetenschappelijke vergunningen kan worden verkocht of weggegeven, terwijl in de wetenschappelijke behoeften kan worden voorzien met volstrekt onschuldige alternatieven; overwegende dat DNA-stalen en monitoring op afstand wetenschappers de mogelijkheid bieden over walvissen te leren zonder ze te doden;

H.  overwegende dat Japan in oktober 2015 bij de VN een verklaring heeft afgegeven waarin het de jurisdictie van het ICJ erkent, met uitzondering van geschillen die voortvloeien uit, betrekking hebben op of verband houden met onderzoek naar, of behoud, beheer of exploitatie van visbestanden in zee, wat er feitelijk op neerkomt dat het niet door het ICJ tot de orde kan worden geroepen over de walvisvangst met speciale vergunning;

I.  overwegende dat het Japanse visserij-agentschap de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in november 2015 heeft laten weten dat het land voornemens is de walvisvangst te hervatten op basis van het nieuwe wetenschappelijk onderzoeksprogramma voor walvisvangst (NEWREP-A);

J.  overwegende dat Japan sinds vele jaren actief is in de commerciële handel van walvisvlees- en producten, ondanks het feit dat deze op de lijst staan van aanhangsel I van de CITES;

K.  overwegende dat het deskundigenpanel van wetenschappers van de IWC, dat NEWREP-A onderzocht en geëvalueerd heeft, concludeerde dat in het voorstel niet voldoende is aangetoond dat het uitvoeren van bemonstering met fatale afloop noodzakelijk is om de genoemde doelstellingen te halen;

L.  overwegende dat het voornaamste doel moet bestaan in de bescherming van de biodiversiteit, waaronder het behoud van soorten; overwegende dat de habitatrichtlijn van de EU, die bepalend is voor het standpunt van de Gemeenschap inzake walvissen (en dolfijnen), een hervatting van de commerciële vangst op de walvisbestanden in EU-wateren niet toestaat;

M.  overwegende dat de EU en haar lidstaten Japan bekritiseerd hebben omdat het land de activiteiten hervatte en het de richtsnoeren uit het advies van het Internationaal Gerechtshof van 2014 niet voldoende in acht nam; overwegende dat zij in 2015 Nieuw-Zeeland zijn bijgetreden in een demarche ten aanzien van de Japanse regering;

N.  overwegende dat Japan een strategische partner van de EU is en dat de bilaterale relatie is gebaseerd op gedeelde waarden, inclusief een hecht geloof in effectief multilateralisme en een op regels gebaseerde internationale orde;

O.  overwegende dat de EU momenteel onderhandelingen voert met Japan over een strategische partnerschapsovereenkomst en een vrijhandelsovereenkomst;

1.  dringt er bij Japan op aan om zijn walvisvangstactiviteiten te stoppen en zich te houden aan de conclusies van de IWC;

2.  spreekt zijn krachtige steun uit voor de handhaving van een wereldwijd moratorium op de commerciële walvisvangst en een verbod op internationale commerciële handel in walvisproducten; dringt aan op de stopzetting van ongewettigde "wetenschappelijke walvisvangst" en ondersteunt de aanwijzing van aanzienlijke delen van de zeeën en oceanen tot beschermde gebieden waar alle walvisjacht voor onbepaalde tijd verboden is;

3.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat het besluit om de walvisvangst te hervatten in het kader van het NEWREP-A-programma tot gevolg heeft gehad dat er in het seizoen 2015-2016 333 dwergvinvissen, waaronder 200 drachtige vrouwtjes, in de Antarctische Oceaan gedood zijn, en dat er gedurende de hele periode van twaalf jaar in totaal bijna 4 000 walvissen zullen worden gedood;

4.  betreurt dat Japan met dit besluit rücksichtslos voorbijgaat aan de uitspraak van het ICJ; is van mening dat de walvisvangst derhalve in strijd is met de IWC-normen en het internationaal recht en de bescherming van de biodiversiteit en de mariene ecosystemen ondermijnt; benadrukt dat het voor echt wetenschappelijk onderzoek niet nodig is om op grote schaal en regelmatig walvissen te doden;

5.  is verheugd over de deelname van de EU aan de demarche om Japan kond te doen van haar ernstige bezorgdheid; roept de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad op om er bij Japan op aan te dringen dat het de internationale verplichtingen inzake de bescherming van zeezoogdieren respecteert;

6.  betreurt het dat Japan zijn besluit tot dusverre niet heeft heroverwogen ondanks de diplomatieke demarche en het wijdverbreide internationale protest; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan alles in het werk te stellen om de kwestie via een politieke dialoog op te lossen en in het kader van de IWC;

7.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten Japan met gebruikmaking van bilaterale en multilaterale kanalen, voortdurend aan te spreken op de kwestie van zogenaamd wetenschappelijke walvisvangst om een einde te maken aan deze praktijk;

8.  sluit zich aan bij IWC Resolutie 2014-5, volgens welke er geen vergunning meer mag worden afgegeven zonder een voorafgaande internationale beoordeling, inclusief door het wetenschappelijk comité van de IWC; dringt er bij de IWC op aan de uitspraak van het ICJ op te nemen in zijn werkmethoden en haar regels dienovereenkomstig te wijzigen; benadrukt dat er dringend moet worden opgetreden om de IWC in dit verband te versterken en dringt er bij de lidstaten op aan de nodige besluiten te nemen op de volgende vergadering van de IWC in oktober;

9.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om bij het opstellen van een geactualiseerd gezamenlijk EU-standpunt over walvisvangst, na de 66e vergadering van de IWC in oktober 2016, minstens even behoedzaam te werk te gaan als bij het huidige gezamenlijke standpunt (Besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Europese Unie, voor aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen, op de volgende drie vergaderingen van de Internationale Walvisvaartcommissie in te nemen standpunt – 2011/0221(NLE));

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Japan.

(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(2) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 46.
(3) https://iwc.int/total-catches

Juridische mededeling