Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 15 september 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Benoeming van een nieuwe commissaris
 De Filipijnen
 Somalië
 Zimbabwe
 Reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen ***I
 Prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten ***I
 Asiel: voorlopige maatregelen ten behoeve van Italië en Griekenland *
 Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
 Voornaamste doelstellingen voor de 17e Conferentie van de partijen bij de Cites in Johannesburg
 Toepassing van de richtlijn postdiensten
 Toegang tot financiering voor kmo's en versterking van de diversiteit van kmo-financiering in een kapitaalmarktenunie
 Hoe kan het potentieel van kmo's optimaal worden benut?
 Toepassing van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep
 De werkzaamheden, impact en toegevoegde waarde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering tussen 2007 en 2014
 Aanneming van amendementen op een voorstel van de Commissie (interpretatie van artikel 61, lid 2, van het Reglement)

Benoeming van een nieuwe commissaris
PDF 150kWORD 41k
Besluit van het Europees Parlement van 15 september 2016 houdende goedkeuring van de benoeming van Julian King als lid van de Commissie (C8-0339/2016 - 2016/0812(NLE))
P8_TA(2016)0348

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 246, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien punt 6 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1),

–  gezien het feit dat Jonathan Hill op 25 juni 2016 als lid van de Commissie is teruggetreden,

–  gezien de brief van de Raad van 15 juli 2016 waarbij de Raad het Parlement heeft geraadpleegd over een besluit tot benoeming van Julian King als lid van de Commissie, dat in onderlinge overeenstemming moet worden genomen met de voorzitter van de Commissie (C8-0339/2016),

–  gezien de hoorzitting met Julian King op 12 september 2016, die is geleid door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en de na die hoorzitting opgestelde evaluatieverklaring,

–  gezien artikel 118 van en bijlage XVI bij zijn Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Julian King als lid van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


De Filipijnen
PDF 172kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de Filipijnen (2016/2880(RSP))
P8_TA(2016)0349RC-B8-0990/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Filipijnen, met name die van 8 juni 2016(1) over de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek der Filipijnen, van 14 juni 2012(2) en van 21 januari 2010(3),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 3 september 2016 over de aanslag in Davao,

–  gezien de diplomatieke relaties tussen de Filipijnen en de EU (op dat ogenblik de Europese Economische Gemeenschap (EEG)), die een begin kenden op 12 mei 1964, toen de ambassadeur van de Filipijnen voor de EEG aangesteld werd,

–  gezien de status van de Filipijnen als stichtend lid van de Associatie van Zuid-Oost Aziatische staten (ASEAN) met de ondertekening van de Verklaring van Bangkok op 8 augustus 1967,

–  gezien de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds,

–  gezien de verklaring van Ban Ki-moon, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, van 8 juni 2016 over de klaarblijkelijke goedkeuring van buitengerechtelijke executies,

–  gezien de verklaring van de uitvoerend directeur van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) van 3 augustus 2016 over de situatie in de Filipijnen,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 4 september 2016 over de Filipijnen,

–  gezien het persbericht van de VN-Veiligheidsraad van 4 september 2016 over de terreuraanslagen in de Filipijnen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Filipijnen en de EU reeds lang diplomatieke, economische, culturele en politieke betrekkingen onderhouden;

B.  overwegende dat democratie, rechtsstaat, mensenrechten en dialoog met organisaties van het maatschappelijk middenveld altijd een belangrijk onderdeel van de bilaterale gesprekken tussen de EU en de Filipijnen uitgemaakt hebben;

C.  overwegende dat de onlangs gekozen regering van de Filipijnen met enorme uitdagingen wordt geconfronteerd, zoals het bestrijden van de ongelijkheid en de corruptie, en het sturen van het vredesproces in het land;

D.  overwegende dat de illegale drugshandel in de Filipijnen een ernstige nationale en internationale bron van bezorgdheid blijft; overwegende dat - volgens het jaarverslag van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Congres - de Filipijnse Drug Enforcement Agency (PDEA), de belangrijkste organisatie die zich in de Filipijnen met de bestrijding van de drugshandel bezighoudt, heeft gerapporteerd dat in 2015 8 629 dorpen (of barangays) (ongeveer 20 procent van het totaal) drugsgerelateerde criminaliteit hebben gemeld, en verder overwegende dat er vanuit wordt gegaan dat het gebruik van methamfetamines in de Filipijnen het grootst is van alle landen van Oost-Azië;

E.  overwegende dat een van de belangrijkste beloftes van Rodrigo Duterte's presidentscampagne het zullen beëindigen van alle drugscriminaliteit in het hele land was; overwegende dat president Duterte tijdens zijn verkiezingscampagne en op zijn eerste dag als president de wetshandhavingsautoriteiten en het publiek er herhaaldelijk toe heeft opgeroepen vermeende drugshandelaars die weigeren zich over te geven, alsook drugsgebruikers, te doden;

F.  overwegende dat president Duterte publiekelijk heeft verklaard wetshandhavingsautoriteiten en burgers die drugsdealers doden die zich tegen hun arrestatie verzetten, niet te zullen vervolgen;

G.  overwegende dat uit cijfers van de Filipijnse nationale politie blijkt dat zij tussen 1 juli en 4 september 2016 meer dan 1 000 vermeende drugsdealers en -gebruikers heeft gedood, en verder overwegende dat uit de politiestatistieken valt op te maken dat de dood van meer dan 1 000 vermeende drugsdealers en -gebruikers in de afgelopen twee maanden aan onbekende schutters wordt toegeschreven; overwegende dat - zoals gemeld op Al Jazeera - meer dan 15 000 drugsverdachten zijn gearresteerd, de meesten op basis van informatie uit de tweede hand en verdachtmakingen door medeburgers, en verder overwegende dat bijna 700 000 personen zich 'vrijwillig' bij de politie hebben gemeld en zich hebben laten registreren voor behandeling in het kader van het Tokhang-programma om te voorkomen dat de politie of burgerwachtgroeperingen achter ze aan zouden komen;

H.  overwegende dat Ban Ki-moon, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de buitengerechtelijke executies op 8 juni 2016 als illegaal en een inbreuk op de grondrechten en -vrijheden heeft veroordeeld;

I.  overwegende dat mevrouw Agnes Callamard, de speciale afgezant van de VN voor buitengerechtelijke en standrechtelijke executies, en de heer Dainius Pūras, de speciale afgezant van de VN voor het recht op gezondheid, de regering van de Filipijnen op 18 augustus 2016 opgeroepen hebben een eind te maken aan de huidige golf van buitengerechtelijke executies in het kader van de geïntensiveerde anti-misdaad- en anti-drugscampagne tegen drugsdealers en -gebruikers;

J.  overwegende dat de Filipijnse senaat en de mensenrechtencommissie hun eigen onafhankelijke onderzoeken naar de executies zijn gestart;

K.  overwegende dat de Filipijnen één van de eerste landen in Azië was die de doodstraf afschaften, in 1987; overwegende dat de doodstraf, na opnieuw te zijn ingevoerd, door president Arroyo in 2006 voor de tweede keer werd afgeschaft; overwegende dat president Duterte er tijdens zijn verkiezingscampagne op heeft aangedrongen de doodstraf opnieuw in te voeren, met name voor drugshandel, en verder overwegende dat een desbetreffend wetsontwerp op dit moment in het congres in behandeling is;

L.  overwegende dat een ander wetsontwerp dat op dit moment in het congres in behandeling is, gericht is op het verlagen van de leeftijd waarop iemand voor het strafrecht als meerderjarig wordt beschouwd van 15 naar 9;

M.  overwegende dat een door Abu Sayyaf en aan hem gelieerde groepen opgeëiste bomaanslag op 2 september 2016 op een markt in de stad Davao 14 mensen het leven heeft gekost en 70 mensen heeft verwond; overwegende dat het leger van de Filipijnen doorgaat met een militair offensief in de zuidelijke provincie Sulu tegen aan IS gelieerde militanten van Abu Sayyaf;

N.  overwegende dat de Filipijnse regering na de aanslag de nationale noodtoestand heeft uitgeroepen naar aanleiding van het wetteloze geweld in Mindanao;

O.  overwegende dat op 26 augustus 2016 onder auspiciën van de regering van Noorwegen tussen de Filipijnse regering en het NDFP (het Nationaal Democratisch Filipijns Front) een staakt-het-vuren van onbeperkte duur werd overeengekomen, hetgeen een belangrijke doorbraak is in de 47-jaar durende guerilla-oorlog, die naar schatting 40 000 mensen het leven heeft gekost;

P.  overwegende dat de Filipijnen in 2017 het voorzitterschap van ASEAN op zich nemen, en verder overwegende dat president Duterte heeft aangekondigd dat de Filipijnen tijdens dat voorzitterschap ASEAN zal presenteren als een model van regionale samenwerking en een mondiale speler, waarbij het belang van het volk voorop zal staan;

1.  veroordeelt in krachtige bewoordingen de aanslag op een avondmarkt in de stad Davao op 2 september 2016 en spreekt zijn medeleven uit met de families van de slachtoffers; beklemtoont dat de daders ter verantwoording moeten worden geroepen, maar vraagt de EU-delegatie de schendingen van de rechtsstaat goed in de gaten te blijven houden; vraagt alle staten overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad in dit verband actief samen te werken met de regering van de Filipijnen en alle andere betrokken autoriteiten;

2.  veroordeelt met klem de drugshandel en het drugsmisbruik in de Filipijnen; beklemtoont dat illegale drugs een bedreiging voor jongeren in de Filipijnen vormen en een van de ernstigste problemen in de samenleving zijn;

3.  realiseert zich dat miljoenen mensen in de Filipijnen aan drugs verslaafd zijn en daar de schadelijke gevolgen van ondervinden; maakt zich evenwel zeer ernstige zorgen over het extreem hoge aantal doden bij acties van de politie en burgerwachtgroeperingen in het kader van de geïntensiveerde anti-misdaad- en anti-drugscampagne tegen drugsdealers en -gebruikers, en vraagt de regering van de Filipijnen met klem een eind te maken aan de huidige golf van buitengerechtelijke executies;

4.  is er verheugd over dat de regering de grote criminaliteit en corruptie in het land aan wil pakken, maar vraagt haar daarbij te kiezen voor specifieke en alomvattende maatregelen en programma's, inclusief preventie- en afkickcomponenten, en niet uitsluitend voor gewelddadige repressie;

5.  is zeer verheugd over het initiatief van president Duterte om het vredesproces met het NDFP (het Nationaal Democratisch Filipijns Front) nieuw leven in te blazen, en verwacht dat het conflict in de zeer nabije toekomst kan worden beëindigd, gezien het feit dat in het plan voor de onderhandelingen staat dat een definitief akkoord over beëindiging van het gewapende conflict binnen een jaar kan worden bereikt;

6.  beklemtoont dat de aanpak van de drugshandel moet plaatsvinden met de volledige inachtneming van de nationale en internationale verplichtingen;

7.  dringt er bij de autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat de mensenrechten en fundamentele vrijheden worden gerespecteerd overeenkomstig de internationale mensenrechtennormen en de door de Filipijnen geratificeerde internationale instrumenten;

8.  spoort de autoriteiten aan onverwijld een onderzoek te starten naar de buitengewoon grote aantallen slachtoffers van het politie-optreden;

9.  geeft aan dat het UNODC bereid is nauwer met de Filipijnen samen te werken om drugsdealers voor het gerecht te brengen, met inachtneming van de geëigende wettelijke garanties overeenkomstig de internationale normen;

10.  beveelt aan zonder verder dralen een nationaal mechanisme voor de preventie van foltering te ontwikkelen, zoals bedoeld in het Verdrag tegen foltering en het bijbehorende facultatieve protocol;

11.  vraagt de Filipijnse regering met klem het optreden van burgerwachtgroeperingen te veroordelen en een onderzoek in te stellen naar hun rol bij de executies; vraagt de autoriteiten van de Filipijnen met klem onmiddellijk een grondig, effectief en onpartijdig onderzoek te starten om alle verantwoordelijken te identificeren, hen voor een bevoegde en onpartijdige civiele rechtbank te brengen, en hen de in het strafrecht voorziene straffen op te leggen;

12.  vraagt de regering van de Filipijnen mensenrechtenactivisten, vakbondsleden en journalisten passende bescherming te garanderen;

13.  is er verheugd over dat president Duterte zijn steun heeft uitgesproken voor afkickprogramma's, en vraagt de EU de Filipijnse regering te helpen bij haar inspanningen om drugsgebruikers adequate hulp te bieden bij het overwinnen van hun verslaving, alsook door te gaan met het ondersteunen van de hervormingen van het strafrechtsysteem in de Filipijnen;

14.  beveelt de Filipijnen aan zonder verder dralen het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ratificeren, en gedwongen verdwijningen en buitengerechtelijke executies in haar nationale wetgeving strafbaar te stellen;

15.  vraagt het Filipijnse congres de doodstraf niet opnieuw in te voeren en de leeftijd waarop iemand voor het strafrecht als meerderjarig wordt beschouwd, niet te verlagen;

16.  herinnert eraan dat, zoals alle empirische bewijzen laten zien, de doodstraf de aan drugs gerelateerde criminaliteit niet reduceert en dat de herinvoering ervan het eind zou betekenen van een grote verworvenheid van het Filipijnse justitieel apparaat;

17.  vraagt de EU met klem alle haar ter beschikking staande middelen in te zetten om de regering van de Filipijnen te helpen bij het eerbiedigen van haar internationale mensenrechtenverplichtingen, met name middels de kaderovereenkomst;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Filipijnen, de regeringen en parlementen van de landen van de Associatie van Zuid-Oost Aziatische staten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor mensenrechten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0263.
(2) PB C 332E van 15.11.2013, blz. 99.
(3) PB C 305E van 11.11.2010, blz. 11.


Somalië
PDF 179kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over Somalië (2016/2881(RSP))
P8_TA(2016)0350RC-B8-0989/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Somalië,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de aanslagen in Somalië op 27 februari 2016, 2 juni 2016, 26 juni 2016, 26 juli 2016 en 21 augustus 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad over Somalië van 18 juli 2016 en 15 februari 2016,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Federica Mogherini over het besluit over een verkiezingsmodel voor Somalië in 2016,

–  gezien de New Deal Compact die op 16 september 2013 is goedgekeurd in Brussel,

–  gezien de EU-strategie voor de veiligheid en ontwikkeling van de Sahel van september 2011,

–  gezien het VN-verslag over vrijheid van meningsuiting in Somalië dat op 4 september 2016 is gepubliceerd,

–  gezien resolutie 2297 (2016) van de VN-Veiligheidsraad van 7 juli 2016,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN aan de VN-Veiligheidsraad over Somalië van 8 januari 2016 en 9 mei 2016,

–  gezien het verslag van de werkgroep over de universele periodieke toetsing aan de VN-Mensenrechtenraad van 13 april 2016,

–  gezien de veroordeling van de bomaanslag op een hotel in Mogadishu door de speciale vertegenwoordiger van de VN- secretaris-generaal, Michael Keating, op 30 augustus 2016,

–  gezien de laatste universele periodieke toetsing (UPT) van Somalië voor de VN-Mensenrechtenraad in januari 2016,

–  gezien het hulpverzoek van de Missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM) van 2 september 2016 om het gebruik van Geïmproviseerde Explosieven in Somalië tegen te gaan,

–  gezien de verklaring van AMISOM van 26 juli 2016 waarin de terroristische aanslagen in Mogadishu worden veroordeeld,

–  gezien de verklaring van de Speciale Vertegenwoordiger van de Afrikaanse Unie Commissievoorzitter voor Somalië, ambassadeur Francisco Caetano Madeira, van 30 augustus 2016, waarin hij de Somalische veiligheidstroepen prijst in verband met de aanslag op een hotel in Mogadishu,

–  gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien de mededeling van de Vredes- en Veiligheidsraad van de Afrikaanse Unie op zijn 455ste vergadering van 2 september 2014 inzake de preventie en bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme in Afrika,

–  gezien het mandaat van de Afrikaanse Commissie inzake de rechten van de mens en de volkeren om de rechten van de mens en de volkeren te bevorderen en te beschermen in het kader van het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid inzake preventie en bestrijding van terrorisme, dat is aangenomen in 1999,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Somalië zich, na twee decennia van burgeroorlog, regeringsloosheid en terrorisme, nu in een cruciale overgangsfase bevindt; overwegende dat Somalië sinds 2012, toen met internationale steun een nieuwe regering werd geïnstalleerd, moeizaam op weg is naar stabiliteit, maar dat de nieuwe autoriteiten nog steeds worden geconfronteerd met aan Al-Qaeda gelieerde Al-Shabaab-opstandelingen;

B.  overwegende dat, hoewel er positieve toezeggingen en beleidsmaatregelen van de Somalische regering zijn geconstateerd, zoals de oprichting van een onafhankelijke Nationale Commissie Mensenrechten, onveiligheid en politieke machtsstrijd afbreuk blijven doen aan concrete vooruitgang op het gebied van de hervorming van de rechterlijke macht en het veiligheidsapparaat;

C.  overwegende dat omdat de civiel-rechterlijke macht niet functioneert, de regering van Somalië haar toevlucht neemt tot militaire rechtbanken om burgers te berechten en te veroordelen, waardoor de rechten van beklaagden niet gewaarborgd zijn; overwegende dat het National Intelligence and Security Agency (NISA) ruime onderzoeksbevoegdheden heeft maar geen handhavingsmandaat waardoor de procesrechten van gedetineerden van het NISA veelvuldig worden geschonden;

D.  overwegende dat de bevolking van Somalië worstelt met en gebukt gaat onder de gevolgen van voortdurende barbaarse aanslagen van krijgsheren en terroristen; overwegende dat er op 30 augustus 2016 in Mogadishu buiten het presidentieel paleis ten minste 10 mensen zijn gedood, onder wie soldaten en burgers; overwegende dat Al-Shabaab op 26 juli 2016 in Mogadishu de basis van de Afrikaanse Unie heeft aangevallen en ten minste 13 mensen heeft gedood, waaronder VN-personeel, en dat er in de maanden daaraan voorafgaand mortieraanvallen zijn gemeld waarbij meer dan 100 mensen zijn gedood; overwegende dat Al-Shabaab ook actief blijft in het buurland Kenia door regelmatig terroristische aanslagen te plegen;

E.  overwegende dat AMISOM, de vredeshandhavingsmissie van 22.000 manschappen van de Afrikaanse Unie, het mandaat heeft om o.a. de dreiging van Al-Shabaab en andere gewapende oppositiegroepen terug te dringen, voor veiligheid te zorgen zodat het politieke proces op alle niveaus kan plaatsvinden, alsmede stabilisatiepogingen, verzoening en vredesopbouw in Somalië, en de geleidelijke overdracht van veiligheidsbevoegdheden van AMISOM aan de veiligheidstroepen naar gelang de capaciteit van laatstgenoemden; overwegende dat het mandaat van AMISOM is verlengd tot 31 mei 2017, wat wordt toegejuicht door het Parlement;

F.  overwegende dat Oeganda, de grootste troepenleverancier, heeft aangekondigd dat het eind 2017 meer dan 6.000 troepen uit Somalië zal terugtrekken; overwegende dat de Afrikaanse Unie heeft aangekondigd de legermacht eind 2020 in zijn geheel terug te zullen trekken, en dat de veiligheidsbevoegdheden vanaf 2018 geleidelijk zullen worden overgedragen aan het Somalische leger;

G.  overwegende dat de AMISOM-troepen herhaaldelijk zijn beschuldigd van ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief willekeurige moorden en enkele gevallen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik;

H.  overwegende dat het naderende verkiezingsproces in Somalië een mijlpaal is voor de Somalische bevolking en langdurige gevolgen zal hebben voor de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van Somalië, en de gehele regio;

I.  overwegende dat de verkiezing van de leden van het Hogerhuis van het Federale Parlement van Somalië zal plaatsvinden op 25 september 2016 terwijl de leden van het Lagerhuis van het Federaal Parlement van Somalië zullen worden gekozen van 24 september tot 10 oktober 2016; overwegende dat de president op 30 oktober 2016 door beide huizen moet worden gekozen;

J.  overwegende dat het verkiezingsproces van groot belang is voor de democratische algemene verkiezingen in 2020 die zullen worden georganiseerd door de nationale Onafhankelijke Kiescommissie;

K.  overwegende dat Omar Mohamed Abdulle, de voorzitter van het Federale Indirecte Verkiezingsimplementatieteam (FIEIT), heeft bevestigd dat het verkiezingsproces van 2016 tijdig zal plaatsvinden en dat het verkiezingsproces transparant en geloofwaardig zal zijn;

L.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, die een centrale rol speelt bij de opbouw van democratische staten, nog steeds uiterst beperkt is; overwegende dat uit een recent VN-verslag over de vrijheid van meningsuiting in Somalië blijkt dat journalisten, mensenrechtenactivisten en politiek leiders nog steeds in een moeizaam klimaat opereren, inclusief moorden, voornamelijk door Al-Shabaab, arrestaties, intimidatie en de sluiting van kritische media; overwegende dat autoriteiten zelden een onderzoek instellen of de daders vervolgen;

M.  overwegende dat het National Intelligence and Security Agency (NISA) ruime onderzoeksbevoegdheden heeft maar geen handhavingsmandaat waardoor de procesrechten van gedetineerden van het NISA veelvuldig worden geschonden;

N.  overwegende dat er volgens het VN-verslag tussen januari 2014 en juli 2016 120 gevallen van willekeurige arrestatie en detentie van mediawerknemers zijn vastgesteld; overwegende dat sinds januari 2015 slechts 10 van 48 journalisten en mediawerknemers die gearresteerd zijn voor de rechtbank zijn gebracht;

O.  overwegende dat Somalië een van de landen met de grootste en langdurigste ontheemde gemeenschappen ter wereld is met 1,1 miljoen binnenlands ontheemden, alleen al in Mogadishu naar schatting 400.000, en bijna 1 miljoen vluchtelingen in de Hoorn van Afrika; overwegende dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) heeft gemeld dat alleen al in juli 2016 gedwongen verhuizingen en onveiligheid door het aanhoudende militaire offensief hebben geleid tot 28.000 nieuwe ontheemdingen;

P.  overwegende dat er 420.000 Somalische vluchtelingen in kampen in Kenia zitten, met 350.000 in het Dabaab-kamp, en dat de regeringen van Somalië, Kenia en de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) overeengekomen zijn de vrijwillige terugkeer te faciliteren van 100.000 vluchtelingen naar Somalië naar gebieden die niet onder controle van Al-Shabaab; overwegende dat de Keniaanse regering in mei 2016 heeft verklaard dat het Dabaab-vluchtelingenkamp in noordoost-Kenia eind dit jaar zal worden gesloten;

Q.  overwegende dat er nog steeds kinderen worden vermoord, willekeurig worden gedetineerd, en worden gerekruteerd voor de gewapende strijdkrachten, ondanks het feit dat Somalië het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind in januari 2015 heeft geratificeerd en in november 2015 de Veilige Scholen Verklaring heeft goedgekeurd, waarmee het land heeft toegezegd concrete stappen te zullen ondernemen om studenten en onderwijsinstellingen te beschermen;

R.  overwegende dat de EU via het Europees Ontwikkelingsfonds EUR 286 miljoen (2014-2020) ter beschikking heeft gesteld met focus op de tenuitvoerlegging van de "Compact" en met name staats- en vredesopbouw, voedselzekerheid, weerbaarheid en onderwijs; overwegende dat de EU heeft toegezegd AMISOM te ondersteunen via de Vredesfaciliteit voor Afrika;

1.  betuigt zijn innige deelneming aan de slachtoffers van de recente terroristische aanslagen in Somalië en aan hun achterblijvende gezinnen en betreurt ten zeerste dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen; veroordeelt tegelijkertijd ten strengste de daders van deze aanslagen die worden toegeschreven aan de opstandige groepering Al-Shabaab;

2.  dringt aan op versterking van de nationale veiligheidsstructuur en bescherming van de bevolking alsmede op aanvullende steun van de internationale gemeenschap voor AMISOM en de regering van Somalië in hun pogingen om vrede op te bouwen en stabiliteit te creëren;

3.  herinnert eraan dat duurzame stabiliteit en vrede alleen kunnen worden verwezenlijkt door sociale inclusie, duurzame ontwikkeling en goed bestuur op basis van de democratische beginselen en de rechtsstaat, waarbij de waardigheid en de rechten van de bevolking volledig worden geëerbiedigd;

4.  dringt erop aan dat er een inclusieve dialoog plaatsvindt tussen de sociale sectoren van het land, inclusief alle clans en stammen van de Somalische natie, zodat er wederzijds begrip kan ontstaan en een consensus voor langdurige en stabiele vrede;

5.  is verheugd dat de regering en de regionale leiders een nieuw beleid voor nationale veiligheid hebben goedgekeurd en dringt er bij de regering op aan dit beleid ten uitvoer te leggen met het oog op de dreiging die er nog steeds uitgaat van Al-Shabaab;

6.  dringt er bij de EU en haar internationale partners op aan zich te blijven inzetten voor samenwerking met Somalië bij de opbouw van legitieme instellingen en een Somalisch veiligheidsapparaat om terrorisme te bestrijden en alle inwoners van het land te beschermen; benadrukt dat dit van cruciaal belang is voor de constructieve ontwikkeling van Somalië en de veiligheid van de regio;

7.  dringt erbij de Afrikaanse Unie (AU) op aan ervoor te zorgen dat alle troepen-leverende landen hun informatie delen met de CCTARC (AMISOM Civilian Casualty Tracking, Analysis and Response Cell) aangaande verslagen of onderzoeken naar burgerslachtoffers door troepen-leverende landen, en dat deze informatie wordt gedeeld met de UN, als voorgeschreven door VN-resolutie 2297 (2016), en in de operationele plannen van AMISOM wordt verwerkt;

8.  verzoekt de regering en de EU, in het kader van haar activiteiten in Somalië met betrekking tot de rechtsstaat, om ervoor te zorgen dat voor het NISA regels worden vastgesteld met effectieve controlemechanismen en de technische expertise van Somaliës criminele inlichtingendienst (Criminal Investigation Department, CID) te verbeteren, zodat deze grondige en effectieve onderzoeken kan uitvoeren met eerbiediging van rechten;

9.  is verheugd over het onderzoek van de AU naar beschuldigingen van seksueel geweld door AMISOM-troepen, dringt erop aan volledig gevolg te geven aan de aanbevelingen van het verslag, en dringt er in overeenstemming met VN-resolutie 2272 (2016) bij de AU en de troepen-leverende landen op aan ervoor te zorgen dat beschuldigingen zorgvuldig en diepgaand worden onderzocht en dat de schuldigen voor de rechter worden gebracht;

10.  dringt aan op beter EU-toezicht en -capaciteitsopbouw om te zorgen voor verantwoordingsplicht voor misbruik door AMISOM-troepen, met name gezien het feit dat de EU de hoofdmoot van de financiering ter beschikking stelt;

11.  wijst op de bemoedigende vooruitgang die sinds 2012 is geboekt in de richting van inclusievere verkiezingen en een overheid die rekenschap aflegt; is tevreden met het besluit van het nationaal leiderschapsforum om de komende twee jaar de oprichting en registratie te bevorderen van politieke partijen, in de aanloop naar de verkiezingen van 2020, die gebaseerd zullen zijn op het principe van één man één stem, alsmede met de poging om de overheidsinstellingen wederop te bouwen en met de vaststelling van belangrijke nieuwe wetten, op politieke partijen en op de oprichting van een onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie; is tevreden met de besluiten die zijn genomen voor het vergroten van de vertegenwoordiging van vrouwen; benadrukt het feit dat het bijzonder belangrijk is dat er een geloofwaardig, inclusief en transparant verkiezingsproces komt met aflegging van rekenschap, om het verkozen leiderschap de vereiste legitimiteit te verlenen;

12.  erkent dat het ondersteuningsbureau van de VN in Somalië (UNSOS) positieve bijdragen heeft geleverd aan het ondersteunen van de winsten die zijn geboekt door de AMISOM en de bijstandsmissie van de VN in Somalië (UNSOM), door troepen en financiële en materiële hulpmiddelen bij te dragen, teneinde de bescherming van de burgerbevolking in Somalië te garanderen;

13.  dringt er bij het Somalische leger en de AMISOM op aan alle nodige actie te ondernemen om elke poging van de militante rebellengroep al-Shabaab om het komende verkiezingsproces te verstoren, te verhinderen; onderstreept het feit dat veiligstelling van het verkiezingsproces de hoofdprioriteit moet zijn;

14.  veroordeelt de rekrutering en het gebruik van kinderen als soldaat en informant in de veiligheidsdiensten, inclusief het gebruik van gevangen of deserterende kindsoldaten; verzoekt de Somalische regering deze praktijk te beëindigen;

15.  vraagt krachtiger maatregelen om kinderen te beschermen tegen gewapend conflict en tegen rekrutering en gebruik door de gewapende strijdkrachten en gewapende groepen; dringt er bij de autoriteiten op aan kinderen die worden verdacht van associatie met al-Shabaab, in de eerste plaats te behandelen als slachtoffers en uit te gaan van het belang van het kind en van de internationale beschermingsnormen als leidende principes;

16.  herinnert eraan dat er geen veiligheid kan zijn zonder ontwikkeling en geen ontwikkeling zonder veiligheid; vraagt meer coherentie tussen veiligheids- en ontwikkelingsacties, om de programma's te versterken, zowel ter bevordering van de economische en sociale ontwikkeling als ter bestrijding van onderontwikkeling en van de oorzaken en de basis van terrorisme; herinnert eraan dat basisdiensten en -steun moeten worden verstrekt aan vrijgelaten personen, met name om ervoor te zorgen dat vluchtelingen die naar het land terugkeren, op duurzame wijze gere-integreerd worden; benadrukt het feit dat de consolidering van de administratieve structuur van de Somalische staat en van de instellingen die genoemde diensten verstrekken, moet worden versneld;

17.  dringt er bij de gastlanden van vluchtelingen uit Somalië op aan realistisch te blijven wat de veiligheidssituatie in grote delen van Somalië betreft, wanneer zij vluchtelingen naar het land terugsturen;

18.  maakt zich grote zorgen over de aanvallen tegen humanitaire actoren in Somalië; herinnert eraan dat het van essentieel belang is dat aan mensen in nood humanitaire hulp wordt verleend, met eerbiediging van de principes van onafhankelijkheid en neutraliteit;

19.  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting een centrale rol speelt bij de opbouw van een democratische staat, met name in een periode van politieke transformatie; verzoekt de Somalische regering het strafwetboek, de nieuwe mediawet en andere wetgeving te herzien, om ze aan te passen aan de internationale verplichtingen van Somalië inzake het recht op vrije meningsuiting en vrije media;

20.  veroordeelt krachtig de talrijke moorden en arrestaties en de wijd verbreide intimidatie, sluiting van kritische mediaorganen, inbeslagname van apparatuur en blokkering van websites; vraagt dat de Somalische autoriteiten snel optreden om ervoor te zorgen dat alle schendingen van het recht op vrije meningsuiting volledig worden onderzocht en dat de daders voor het gerecht worden gebracht;

21.  prijst de UNSOM en het kantoor van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten voor het publiceren op 4 september 2016 van het rapport over het recht op vrije meningsuiting in Somalië, het eerste publieke mensenrechtenrapport van de VN over Somalië; verzoekt de VN meer publiek te rapporteren;

22.  dringt er bij de autoriteiten op aan passende wettelijke kaders vast te stellen en ten uitvoer te leggen en de nodige justitiële hervormingen uit te voeren om te voorzien in de behoeften van de bevolking met betrekking tot justitie en bescherming, aangezien straffeloosheid onaanvaardbaar is;

23.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het toenemende aantal gedwongen uitzettingen van ontheemden uit publieke en private infrastructuur in Somaliës belangrijkste steden; herinnert eraan dat deze uitzettingen moeten stroken met de toepasselijke nationale en internationale kaders; vraagt de Somalische federale regering en alle betrokken actoren concrete, duurzame oplossingen te vinden voor de problemen van ontheemden; vraagt de Somalische regering met de steun van haar partners de voorwaarden te scheppen voor de vrijwillige, waardige terugkeer van de vluchtelingen zodra de veiligheidssituatie in het land dit mogelijk maakt;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van Somalië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


Zimbabwe
PDF 171kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over Zimbabwe (2016/2882(RSP))
P8_TA(2016)0351RC-B8-0995/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Zimbabwe,

–  gezien de lokale EU-verklaring van 12 juli 2016 over geweld,

–  gezien de lokale EU-verklaring van 9 maart 2016 over de ontvoering van Itai Dzamara,

–  gezien Besluit 2016/220/GBVB van de Raad van 15 februari 2016tot wijziging van Besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe(1),

–  gezien het algemeen politiek akkoord dat in 2008 is ondertekend door de drie grootste politieke partijen, te weten ZANU PF, MDC-T en MDC,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981, dat door Zimbabwe is geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van december 1948,

–  gezien de grondwet van Zimbabwe,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevolking van Zimbabwe al vele jaren lijdt onder een door president Mugabe geleid autoritair regime, dat zijn macht behoudt door middel van corruptie, geweld, frauduleuze verkiezingen en een meedogenloos veiligheidsapparaat; overwegende dat de bevolking van Zimbabwe al tientallen jaren geen werkelijke vrijheid heeft gekend en dat veel mensen van onder de dertig daarom uitsluitend in armoede en met gewelddadige onderdrukking hebben geleefd;

B.  overwegende dat de onrust in het door crises beheerste Zimbabwe andermaal toeneemt tegen een achtergrond van kastekorten, wijdverbreide werkloosheid, corruptie van de overheid en pogingen van de autoriteiten om de vrijheid van meningsuiting en politieke oppositie te onderdrukken; overwegende dat verscheidene groepen nu hun positie innemen in afwachting van het tijdperk na Mugabe;

C.  overwegende dat sinds de val van de coalitieregering in 2013 de op het stabiliseren van de economie en het verhogen van de overheidsinkomsten gerichte werkzaamheden van Tendai Biti ongedaan zijn gemaakt door een terugkeer naar het systeem van patronage, kleptocratie en een staat van angst; overwegende dat Zimbabwe thans de ernstigste economische crisis doormaakt sinds de hyperinflatie van 2008; overwegende dat de overheid de facto failliet is;

D.  overwegende dat duizenden demonstranten - informele handelaren, werkloze jongeren en nu ook professionals - sinds mei 2016 in een aantal stedelijke centra in heel Zimbabwe de straat op gaan om te protesteren tegen het verlies van banen, de massale werkloosheid en het feit dat de regering niet voldoet aan basale economische verwachtingen van de bevolking, namelijk een arbeidsmarkt die werkgelegenheid biedt, een ambtenarenapparaat dat tijdig betaald wordt, een betrouwbare, stabiele munt en betaalbare prijzen; overwegende dat alleen het leger regelmatig wordt uitbetaald en een munt van waarde ontvangt;

E.  overwegende dat de door de geestelijke Evan Mawarire geleide protestbeweging, die gebruikmaakt van de hashtag #ThisFlag, de steun van kerken en de middenklasse heeft verworven, waarbij deze tot dusver geneigd waren zich verre te houden van straatpolitiek;

F.  overwegende dat de oppositiebewegingThisFlag op 6 juli 2016 heeft opgeroepen tot een nationale "blijf-weg-dag" als protest tegen het niet-optreden van de regering tegen corruptie, straffeloosheid en armoede; overwegende dat dit massale sluiting van de meeste winkels en bedrijven in de hoofdstad tot gevolg had, en leidde tot fel optreden van de overheid;

G.  overwegende dat Promise Mkwananzi, hoofd van #Tajamuka, een sociale beweging die in verband wordt gebracht met de blijf-weg-actie van juli, gearresteerd was op beschuldiging van het aanzetten tot openbaar geweld, maar op borgtocht is vrijgelaten; overwegende dat een andere #Tajamuka-activist, Linda Masarira, tijdens de protesten in juli 2016 was gearresteerd en nog altijd wordt vastgehouden;

H.  overwegende dat tegenwoordig veel demonstranten zich organiseren via sociale media; overwegende dat de Zimbabwaanse autoriteiten de toegang tot het internet en de elektronische berichtendienst WhatsApp hebben geblokkeerd om het protest te breken;

I.  overwegende dat honderden mensen bij demonstraties zijn gearresteerd; overwegende dat het in de hoofdstad Harare op 26 augustus 2016 tot bloedige confrontaties is gekomen toen de politie een gerechtelijk bevel in de wind sloeg en duizenden demonstranten neerknuppelde die samen waren gekomen onder auspiciën van de nationale agenda voor verkiezingshervormingen om hun protest kenbaar te maken tegen de uitblijvende herziening van het kiesrecht in het vooruitzicht van de nationale verkiezingen van 2018, waar reikhalzend naar wordt uitgekeken; overwegende dat een groot aantal gearresteerde demonstranten zich nog altijd in hechtenis bevindt, en dat de verblijfplaats van velen onbekend is;

J.  overwegende dat president Mugabe sinds de onafhankelijkheid in 1980 aan de macht is en streeft naar herverkiezing; overwegende dat diverse leden van zijn regering de verzoeken om hervorming van het kiesrecht met het oog op de verkiezingen van 2018 hebben afgekeurd;

K.  overwegende dat de veteranen van de onafhankelijkheidsstrijd, voorheen nauwe bondgenoten van Mugabe binnen de heersende partij, diens toespraak van 8 augustus 2016 hebben geboycot, waarmee zij Mugabes dictatorale koers afkeuren en tevens zijn onvermogen om de ernstige economische crisis te bezweren die het land sinds het jaar 2000 teistert; overwegende dat de president deze boycot als verraad heeft opgevat en ter vergelding drie leden van de Nationale Bond van onafhankelijkheidsveteranen heeft gearresteerd;

L.  overwegende dat de politie op 2 september 2016 verordening 101A heeft ingeroepen om alle demonstraties in het centrum van Harare te verbieden – een paar uur voordat 18 politieke partijen een grootschalige demonstratie in de hoofdstad zouden houden;

M.  overwegende dat het Hooggerechtshof dit verbod op 7 september 2016 voor 7 dagen heeft opgeschort; overwegende dat president Mugabe zich slechts een paar dagen voordat deze uitspraak werd gedaan had gemengd in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht door openlijk kritiek te leveren op Zimbabwaanse rechters die met hun 'roekeloze' uitspraken demonstraties tegen zijn regime mogelijk maakten;

N.  overwegende dat de Zimbabwaanse mensenrechtencommissie heeft gemeld dat de voedselhulp aan hongerige dorpsbewoners die de gevolgen ondervinden van de droogte in het hele land, langs partijlijnen wordt verdeeld, waarbij functionarissen van Zanu PF aanhangers van oppositiepartijen voedselhulp ontzeggen; overwegende dat de regering van Zimbabwe in februari 2016 de noodtoestand heeft afgekondigd en daarbij heeft geschat dat ca. 4,5 miljoen mensen in januari 2017 voedselhulp nodig hebben, en dat voor bijna de helft van de plattelandsbevolking de hongerdood dreigde;

O.  overwegende dat op 9 maart 2016 een jaar is verstreken sinds de ontvoering van mensenrechtenactivist Itai Dzamara; overwegende dat het Hooggerechtshof de regering heeft opgedragen te zoeken naar Dzamara en elke veertien dagen aan het Hooggerechtshof verslag dient te brengen van de vorderingen, totdat Dzamara's verblijfplaats bekend is;

P.  overwegende dat Zimbabwe de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend en dat in artikel 96 van deze overeenkomst wordt bepaald dat eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden een essentieel onderdeel vormen van de ACS-EU-samenwerking;

Q.  overwegende dat een klein aantal van de beperkende maatregelen van de EU tegen het Zimbabwaanse regime in februari 2016 zijn verlengd tot 20 februari 2017; overwegende dat de bevriezing van activa en het reisverbod van toepassing blijft op president Mugabe, op Grace Mugabe en op de Zimbabwaanse defensie-industrie; overwegende dat er een wapenembargo van kracht blijft. overwegende dat de EU eerder haar beperkingen voor 78 mensen en 8 entiteiten had opgeheven;

R.  overwegende dat in het kader van het elfde Europese ontwikkelingsfonds 234 miljoen EUR is toegewezen aan het nationaal indicatief programma voor Zimbabwe voor de periode 2014-2020, waarbij drie belangrijke sectoren centraal staan, te weten gezondheid, op de landbouw gebaseerde economische ontwikkeling en bestuur, en de opbouw van instituties;

1.  geeft uitdrukking aan zijn ernstige bezorgdheid over het toenemende geweld tegen demonstranten in Zimbabwe van de afgelopen maanden; is gealarmeerd over het onlangs afgekondigde, één maand geldende verbod op demonstraties; verzoekt de regering en alle partijen in Zimbabwe om eerbiediging van het recht op vreedzame demonstraties zodat uitdrukking kan worden gegeven aan oprechte bezorgdheid, en dringt erop aan dat de Zimbabwaanse autoriteiten een onderzoek instellen naar de aantijgingen van buitensporig gebruik van geweld en andere schendingen van de mensenrechten door de Zimbabwaanse politie, en de politie ter verantwoording roept;

2.  is bezorgd over het stijgende aantal willekeurige arrestaties van mensenrechtenactivisten en deelnemers aan vreedzame en legale demonstraties, en dringt aan op eerbiediging van de rechtsstaat en naleving van de grondwet;

3.  verzoekt de Zimbabwaanse autoriteiten om alle politieke gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

4.  veroordeelt de verklaringen die president Mugabe onlangs heeft afgelegd, waarin hij de rechterlijke macht van Zimbabwe aanvalt, en verzoekt de Zimbabwaanse autoriteiten dringend zich niet te mengen in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

5.  herinnert eraan dat Zimbabwe in het kader van het algemeen politiek akkoord heeft toegezegd te zullen waarborgen dat zowel de wetgeving als de procedures en praktijken in het land in overeenstemming zullen zijn met internationale beginselen en wetgeving op het gebied van de mensenrechten, waaronder de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting;

6.  vraagt aandacht voor de specifieke situatie van veel vrouwen in Zimbabwe en de noodzaak de rechten van vrouwen te eerbiedigen;

7.  is van mening dat de Raad en de Commissie zorgvuldig moeten onderzoeken in hoeverre het passend is bepaalde restrictieve maatregelen opnieuw op te leggen, waarbij zij duidelijk kenbaar maken dat deze maatregelen worden opgeheven en een hulppakket beschikbaar wordt gesteld zodra Zimbabwe onmiskenbaar de weg naar democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten inslaat, en in het bijzonder aangeven dat ondersteuning wordt geboden aan een vrij en eerlijk verkiezingsproces en hervormingen van de politie;

8.  roept op tot een vreedzame machtsoverdracht die stoelt op een vrij en eerlijk verkiezingsproces, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, zodat zich een vrije, welvarende en pluralistische democratie kan ontwikkelen;

9.  veroordeelt ten stelligste de belemmering van voedselhulp met het oog op politiek gewin; toont zich bezorgd over eventuele nadere maatregelen die schade kunnen toebrengen aan de landbouwproductie, en verlangt dat stappen worden genomen ter verbetering van de voedselzekerheid;

10.  onderstreept zijn aanhoudende bezorgdheid over de ontvoering van Itai Dzamara; verlangt dat het habeas corpusgeëerbiedigd wordt en dat degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn ontvoering voor de rechter worden gebracht;

11.  verlangt dat de EU erop toeziet dat de steun voor Zimbabwe in het kader van het nationaal indicatief programma effectief wordt besteed binnen de betreffende sectoren, en verzoekt de regering van Zimbabwe de Commissie ongehinderd toegang te verlenen tot door de EU gefinancierde projecten en zich meer open te stellen voor technische ondersteuning bij gezamenlijk overeengekomen projecten en programma's;

12.  benadrukt hoe belangrijk het voor de EU is om in het kader van de artikelen 8 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou een politieke dialoog te starten met de Zimbabwaanse autoriteiten, en daarbij te bevestigen dat de EU vastbesloten is de lokale bevolking te ondersteunen;

13.  verzoekt de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika en het Gemenebest zich opnieuw voor Zimbabwe in te zetten en het land te helpen de weg naar democratie terug te vinden;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Europese Dienst voor extern optreden, de regering en het parlement van Zimbabwe, de regeringen van de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de secretaris-generaal van het Gemenebest.

(1) PB L 40 van 17.2.2016, blz. 11.


Reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen ***I
PDF 241kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (COM(2015)0668 – C8-0405/2015 – 2015/0306(COD))
P8_TA(2016)0352A8-0201/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0668),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 79, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0405/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0201/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 september 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vaststelling van een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en tot intrekking van de aanbeveling van de Raad van 30 november 1994

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1953.)


Prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten ***I
PDF 996kWORD 149k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 september 2016 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten (COM(2015)0583 – C8-0375/2015 – 2015/0268(COD)(1))
P8_TA(2016)0353A8-0238/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 1 tenzij anders bepaald]

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)
P8_TA(2016)0353A8-0238/2016
op het voorstel van de Commissie
P8_TA(2016)0353A8-0238/2016
---------------------------------------------------------
P8_TA(2016)0353A8-0238/2016
Voorstel voor een
P8_TA(2016)0353A8-0238/2016

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Deze verordening vormt een essentiële stap in de richting van de voltooiing van de kapitaalmarktenunie zoals beschreven in de mededeling "Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie" die de Commissie op 30 september 2015 heeft gedaan aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Het doel van de kapitaalmarktenunie is ondernemingen meer gebruik te laten maken van een grotere diversiteit van kapitaalbronnen van overal in de Europese Unie (hierna "Unie"), de markten efficiënter te doen werken en beleggers en spaarders extra kansen te bieden om hun geld in te zetten, teneinde de groei te stimuleren en banen te scheppen.

(2)  Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) voorzag in geharmoniseerde beginselen en regels betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. Gezien de wetgevende en marktontwikkelingen sinds de inwerkingtreding dient deze richtlijn te worden vervangen.

(3)  Het is uiterst belangrijk dat bij een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt informatie wordt openbaargemaakt met het oog op de bescherming van de beleggers, doordat informatieasymmetrieën tussen hen en de uitgevende instellingen worden weggenomen. Door deze openbaarmaking te harmoniseren kan een mechanisme voor een grensoverschrijdend paspoort worden ingesteld dat de efficiënte werking van de interne markt bevordert voor een breed gamma van effecten.

(4)  Uiteenlopende regelingen zouden leiden tot een versnippering van de interne markt aangezien uitgevende instellingen, aanbieders en personen die tot de handel wensen te worden toegelaten, in de verschillende lidstaten aan andere regels onderworpen zouden zijn en prospectussen die in een gegeven lidstaat zijn goedgekeurd, mogelijk niet bruikbaar zouden zijn in andere lidstaten. Bij gebrek aan een geharmoniseerd kader dat uniformiteit moet brengen in de openbaarmaking en de werking van het paspoort in de Unie, kunnen verschillen in de wetgeving van lidstaten dan ook belemmeringen opleveren voor de vlotte werking van de interne markt voor effecten. Voor de goede werking van de interne markt en om de omstandigheden te verbeteren waarin met name de kapitaalmarkten functioneren, alsmede om een hoog niveau van bescherming van de consument en de belegger te waarborgen, is het dan ook dienstig dat in een regelgevend kader voor prospectussen wordt voorzien op het niveau van de Unie.

(5)  Wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, is het passend en noodzakelijk dat de openbaarmakingsvoorschriften hiervoor de wettelijke vorm van een verordening aannemen zodat bepalingen waarbij directe verplichtingen worden opgelegd aan personen die betrokken zijn bij aanbiedingen van effecten aan het publiek en toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, een uniforme toepassing krijgen in de hele Unie. Aangezien het rechtskader voor prospectusregelingen maatregelen moet inhouden die precieze voorschriften bevatten met betrekking tot alle verschillende aspecten die eigen zijn aan prospectussen, kunnen zelfs kleine verschillen in de manier waarop een van die aspecten wordt behandeld, aanzienlijke belemmeringen veroorzaken die grensoverschrijdende aanbiedingen van effecten, meerdere noteringen op gereglementeerde markten en Europese regels ter bescherming van de consument in de weg staan. Daarom moet het gebruik van een verordening, die rechtstreeks toepasselijk is zonder dat nationale wetgeving is vereist, de mogelijkheid beperken om op nationaal niveau uiteenlopende maatregelen te nemen, zorgen voor een consistente aanpak en meer rechtszekerheid alsmede ernstige belemmeringen voor grensoverschrijdende aanbiedingen en meerdere beursnoteringen voorkomen. Met het gebruik van een verordening zal ook het vertrouwen in de transparantie van de markten in de hele Unie groeien en zullen de complexiteit van de regelgeving alsmede de zoek- en nalevingskosten voor ondernemingen verminderen.

(6)  Uit de beoordeling van Richtlijn 2010/73/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) is gebleken dat bepaalde veranderingen in die richtlijn niet hebben voldaan aan hun oorspronkelijke doelstellingen en dat verdere wijzigingen van de prospectusregeling in de Unie noodzakelijk zijn om de toepassing ervan te vereenvoudigen en te verbeteren, de doeltreffendheid ervan te verhogen en het internationale concurrentievermogen van de Unie te versterken, hetgeen aldus bijdraagt aan de verlichting van de administratieve lasten.

(7)  De onderhavige verordening heeft tot doel de bescherming van de belegger en de efficiëntie van de markt te verzekeren, alsook de eengemaakte markt voor kapitaal te versterken. Het verstrekken van informatie, die investeerders naargelang van de aard van de uitgevende instelling en de effecten nodig hebben om hun beleggingsbeslissing met kennis van zaken te kunnen nemen, zorgt ervoor, samen met gedragsregels voor ondernemingen, dat beleggers beschermd worden. Voorts vormt deze informatie een doeltreffend middel om het vertrouwen in effecten te versterken en aldus bij te dragen tot de goede werking en ontwikkeling van effectenmarkten. De passende manier om deze informatie beschikbaar te stellen is de publicatie van een prospectus.

(8)  De in deze richtlijn vervatte voorschriften inzake openbaarmaking beletten een lidstaat, een bevoegde autoriteit of een beurs niet via de interne regelgeving andere bijzondere eisen (met name inzake goed ondernemingsbestuur) te stellen in het kader van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt. Dergelijke eisen mogen niet direct of indirect beperkingen inhouden voor de opmaak, de inhoud en de verspreiding van een door een bevoegde autoriteit goedgekeurd prospectus.

(9)  Effecten zonder aandelenkarakter, uitgegeven door een lidstaat of een van de regionale of plaatselijke overheden van een lidstaat, door een openbare internationale instelling waarbij één of meer lidstaten aangesloten zijn, door de Europese Centrale Bank of door de centrale banken van de lidstaten, vallen niet onder deze richtlijn en worden derhalve onverlet gelaten door deze richtlijn.

(10)  Het toepassingsgebied van de prospectusplicht moet met het oog op de bescherming van de belegger betrekking hebben op effecten met of zonder aandelenkarakter die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. Een aantal van de onder deze verordening vallende effecten verlenen de houder het recht verhandelbare effecten te verkrijgen of door middel van een afwikkeling in contanten een geldbedrag te ontvangen dat wordt bepaald middels een verwijzing naar andere instrumenten, met name verhandelbare effecten, valuta's, rentevoeten of rendementen, grondstoffen of andere indices of maatstaven. Deze verordening heeft met name betrekking op warrants, covered warrants, certificaten, depositary receipts en converteerbare effecten, zoals effecten die inwisselbaar zijn naar believen van de belegger.

(11)  Om ervoor te zorgen dat het prospectus goedgekeurd wordt en een paspoort verkrijgt alsook om het toezicht op de naleving van de verordening te verzekeren, met name wat de reclameactiviteiten betreft, moet voor elk prospectus een bevoegde autoriteit worden aangewezen. Deze verordening moet dan ook duidelijk de lidstaat van herkomst bepalen die zich in de beste positie bevindt om het prospectus goed te keuren.

(12)  Voor aanbiedingen van effecten aan het publiek met een totale tegenwaarde in de Unie van minder dan 1 000 000 EUR kan de kostprijs voor het vervaardigen van een prospectus overeenkomstig deze verordening mogelijk niet in verhouding staan tot de verwachte opbrengst van de aanbieding. Het is dan ook dienstig dat de verplichting om krachtens deze verordening een prospectus op te stellen niet wordt toegepast op aanbiedingen van een dergelijke onbeduidende omvang. De lidstaten mogen het vereiste van een prospectus in de zin van deze verordening niet uitbreiden tot aanbiedingen van effecten met een totale tegenwaarde die beneden die drempel blijft. De lidstaten moeten er bovendien van afzien om op nationaal niveau andere openbaarmakingsvereisten op te leggen die zouden neerkomen op onevenredige of onnodige lasten in verhouding tot deze aanbiedingen en zodoende de versnippering van de interne markt zouden versterken. Wanneer de lidstaten wel zulke nationale openbaarmakingsvereisten opleggen moeten zij de Commissie en de ESMA van de geldende regels in kennis stellen.

(12 bis)   De Commissie analyseert die nationale openbaarmakingsvereisten en integreert haar bevindingen in haar werkzaamheden inzake crowdfunding, ermee rekening houdende dat versnippering van de interne markt moet worden vermeden. Het is van belang dat de regelgeving op het niveau van de Unie ervoor zorgt dat bedrijven over voldoende opties beschikken om kapitaal aan te trekken. Daartoe moet de Commissie, in de geest van de kapitaalmarktenunie en om investeringen te ontsluiten, een reguleringsinitiatief voorstellen om crowdfunding in de Unie te regelen en te harmoniseren.

(13)  Voorts is het wenselijk dat gezien de uiteenlopende omvang van de financiële markten in de Unie, de lidstaten de optie krijgen om een aanbieding van effecten aan het publiek met een tegenwaarde tot 5 000 000 EUR vrij te stellen van de prospectusverplichting krachtens deze verordening. In het bijzonder moeten de lidstaten de vrijheid krijgen om in hun nationale wetgeving de drempel voor toepassing van deze vrijstelling vast te stellen tussen 1 000 000 EUR en 5 000 000 EUR, uitgedrukt als de totale tegenwaarde van de aanbieding over een periode van 12 maanden, rekening houdend met het niveau van binnenlandse bescherming van beleggers dat zij passend achten De lidstaten delen de Commissie en de ESMA mee welke grens zij hebben gekozen. Aanbiedingen van effecten aan het publiek die plaatsvinden in het kader van een dergelijke vrijstelling dienen niet in aanmerking te komen voor de paspoortregeling ingevolge deze verordening. Voorts dient bij dergelijke aanbiedingen duidelijk te worden vermeld dat de openbare aanbieding niet van grensoverschrijdende aard is en mag hierin niet actief worden gepoogd investeerders van buiten de desbetreffende lidstaat aan te trekken;

(13 bis)  Wanneer een lidstaat ervoor kiest om een aanbieding van effecten aan het publiek met een tegenwaarde tot 5 000 000 EUR vrij te stellen, kan niets in de verordening die lidstaat beletten om op nationaal niveau regels uit te vaardigen op grond waarvan een multilaterale handelsfaciliteit (MTF) de inhoud kan bepalen van het toelatingsdocument dat een uitgevende instelling moet overleggen bij de eerste toelating van zijn effecten tot de handel. In dat geval kan het wenselijk zijn dat de operator van de MTF aangeeft hoe het toelatingsdocument wordt nagezien, waarbij noodzakelijkerwijs een formele goedkeuring door de bevoegde autoriteit of de MTF nodig zal zijn.

(14)  Wanneer een aanbieding van effecten uitsluitend gericht is tot een beperkte groep van beleggers die geen gekwalificeerde beleggers zijn of andere beleggers die voldoen aan de voorwaarden van de punten a) en b) van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 345/2013, vertegenwoordigt het opstellen van een prospectus een onevenredige last gelet op het geringe aantal personen die de aanbieding beoogt te bereiken, en hoeft dus geen prospectus te worden verlangd. Dit geldt bijvoorbeeld voor een aanbieding die tot verwanten of kennissen van de bestuurders van een onderneming is gericht.

(15)  Bestuurders en werknemers ertoe stimuleren effecten van hun eigen onderneming aan te houden kan een positief effect hebben op de governance van de onderneming en kan op lange termijn waardecreatie teweegbrengen doordat het gevoel van toewijding en van eigenaarschap van werknemers wordt bevorderd en de respectieve belangen van aandeelhouders en werknemers op elkaar worden afgestemd, hetgeen deze laatste groep ook mogelijkheden tot investeren oplevert. Werknemersparticipatie in het vermogen van de onderneming is vooral belangrijk voor kleine en middelgrote ondernemingen waarin individuele werknemers aanzienlijk kunnen bijdragen tot het succes van de onderneming. Daarom hoeft er geen verplichting tot het vervaardigen van een prospectus te bestaan voor aanbiedingen die plaatsvinden in het kader van een aandelenplan voor werknemers binnen de Unie, mits ter bescherming van de belegger een document beschikbaar wordt gesteld met informatie over het aantal en de aard van de effecten en toelichting over de motivatie en de inhoud van de aanbieding. Om ervoor te zorgen dat alle bestuurders en werknemers gelijke toegang tot aandelenplannen voor werknemers krijgen, ongeacht of hun werkgever binnen of buiten de Unie is gevestigd, hoeft geen besluit over de gelijkwaardigheid van markten van derde landen meer te worden verlangd, op voorwaarde dat het bovengenoemde document beschikbaar wordt gesteld. Alle deelnemers van aandelenplannen voor werknemers zullen bijgevolg recht hebben op gelijke behandeling en informatieverstrekking.

(16)  Verwaterende uitgiften van aandelen of effecten die toegang geven tot aandelen, zijn vaak transacties die een significante impact hebben op de kapitaalstructuur, de vooruitzichten en de financiële situatie van de uitgevende instelling, en daarvoor is de in het prospectus geboden informatie noodzakelijk. Wanneer een uitgevende instelling aandelen heeft die reeds tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zou daarentegen geen prospectus moeten worden gevraagd voor een latere toelating van dezelfde aandelen op dezelfde gereglementeerde markt, ook wanneer deze aandelen voortvloeien uit de conversie of de omruiling van andere effecten of uit de uitoefening van rechten die aan andere effecten verbonden zijn, op voorwaarde dat de nieuw toegelaten aandelen een beperkte proportie vertegenwoordigen ten aanzien van aandelen van dezelfde klasse die reeds op dezelfde gereglementeerde markt zijn uitgegeven, tenzij een dergelijke toelating wordt gecombineerd met een binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende aanbieding aan het publiek. Hetzelfde beginsel moet meer in het algemeen gelden voor effecten die fungibel zijn met reeds tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten.

(17)  Bij de toepassing van de definitie van "aanbieding van effecten aan het publiek" moet het vermogen van een belegger om een individuele beslissing te nemen tot aankoop van of inschrijving op effecten, een doorslaggevend criterium zijn. Wanneer effecten worden aangeboden zonder enige mogelijkheid tot individuele keuze van de begunstigde, en ook wanneer effecten worden toegewezen zonder dat het recht bestaat om afstand te nemen van de toewijzing, moet deze transactie niet vallen onder de definitie van "aanbieding van effecten aan het publiek", zoals bedoeld in deze verordening.

(18)  Uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van effecten die niet onderworpen zijn aan de verplichting om een prospectus te publiceren, moeten het recht hebben op vrijwillige basis een volledige prospectus of een EU-Groeiprospectus op te stellen, indien van toepassing, in overeenstemming met deze verordening. Daarom moeten zij in aanmerking komen voor het gemeenschappelijk paspoort wanneer zij ervoor kiezen om vrijwillig aan deze richtlijn te voldoen.

(19)  Voor aanbiedingen die uitsluitend voorbehouden zijn voor gekwalificeerde beleggers, hoeft geen informatie te worden verstrekt door middel van een prospectus. Elke doorverkoop van effecten aan het publiek of openbare verhandeling door toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt vereist daarentegen de publicatie van een prospectus.

(20)  Een geldig prospectus, dat door de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon is opgesteld en dat op het tijdstip van de definitieve plaatsing van effecten via financiële intermediairs of bij een doorverkoop van effecten beschikbaar is voor het publiek, bevat voldoende informatie opdat beleggers met kennis van zaken beleggingsbeslissingen kunnen nemen. Daarom moeten financiële intermediairs die effecten plaatsen of verder doorverkopen, kunnen vertrouwen op het oorspronkelijke prospectus dat door de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon is gepubliceerd, zolang dit geldig is en naar behoren wordt aangevuld en de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon toestemt in het gebruik ervan. De uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon moet aan zijn toestemming voorwaarden kunnen verbinden. De toestemming om het prospectus te gebruiken moet, met alle bijbehorende voorwaarden, worden verleend door middel van een schriftelijke overeenkomst aan de hand waarvan de partijen in kwestie kunnen beoordelen of de doorverkoop of definitieve plaatsing in overeenstemming is met de overeenkomst. Ingeval toestemming voor gebruik van het prospectus is verleend, moet de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon aansprakelijk zijn voor de gegevens die het bevat en, wanneer het om een basisprospectus gaat, voor het verstrekken en deponeren van de uiteindelijke voorwaarden, en mag er geen ander prospectus worden geëist. Ingeval de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus verantwoordelijke persoon echter niet toestemt in het gebruik ervan, dient de financiële intermediair ertoe verplicht te worden een nieuw prospectus te publiceren. In dat geval moet de financiële intermediair aansprakelijk zijn voor de gegevens in het prospectus, met inbegrip van alle informatie die door middel van verwijzingen is opgenomen, en wanneer het om een basisprospectus gaat, de uiteindelijke voorwaarden.

(21)  De harmonisatie van de in het prospectus te vermelden informatie moet resulteren in een bescherming van beleggers die overal in de Unie gelijkwaardig is. Om investeerders in staat te stellen een beleggingsbeslissing met kennis van zaken te nemen, dient een uit hoofde van deze verordening opgestelde prospectus de relevante en noodzakelijke informatie met betrekking tot een belegging in effecten te bevatten die een investeerder redelijkerwijs nodig zou hebben om met kennis van zaken te kunnen oordelen over de activa en passiva, de financiële positie, de winsten en verliezen en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant, en de rechten die aan de effecten verbonden zijn. Deze informatie moet worden opgesteld en gepresenteerd in een beknopte, gemakkelijk te analyseren en begrijpelijke vorm en moet worden aangepast aan het soort prospectus die in overeenstemming met deze verordening wordt opgesteld, inclusief de prospectussen die de vereenvoudigde informatieregeling voor secundaire uitgiften en voor EU-groeiprospectussen volgen. Een prospectus mag geen gegevens bevatten die niet van belang zijn of niet eigen zijn aan de uitgevende instelling en de betrokken effecten, aangezien dit de voor de beleggers relevante informatie zou kunnen verdoezelen en dus afbreuk zou doen aan de bescherming van de belegger. Daarom moet de informatie in een prospectus worden aangepast zodat die weergeeft wat de aard en de positie van de uitgevende instelling is, evenals het soort effecten, het soort belegger dat een aanbieding of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt beoogt, en de waarschijnlijke kennis van deze beleggers, en de informatie waartoe deze beleggers toegang hebben omdat die overeenkomstig andere wet- of regelgeving openbaar is gemaakt.

(22)  De samenvatting van het prospectus moet een nuttige bron van informatie zijn voor beleggers, en met name kleine beleggers. Het dient een op zichzelf staand gedeelte van het prospectus te zijn en dient vooral bestemd te zijn voor kerngegevens die beleggers nodig hebben om te kunnen beslissen welke aanbiedingen en toelatingen van effecten tot de handel zij nader willen onderzoeken door het prospectus in zijn geheel te door te nemen, om met kennis van zaken een beleggingsbeslissing te kunnen nemen. Het voorgaande impliceert dat de informatie in de samenvatting niet wordt herhaald in het hoofddeel van het prospectus, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. Deze kerngegevens moeten een weergave zijn van de belangrijkste kenmerken en risico’s die verbonden zijn aan de uitgevende instelling of de eventuele garant en de effecten die worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, met inbegrip van unieke identificatiecodes zoals de identificatiecodes voor juridische entiteiten (LEI) of de actoren die betrokken zijn bij de aanbieding en de internationale effectenidentificatiecode (ISIN) van de effecten. Ook moeten de algemene voorwaarden van de aanbieding hierin worden vermeld. Met name de risicofactoren moeten in de inleiding worden voorgesteld door een beperkte keuze te maken van specifieke risico’s die de uitgevende instelling het meest relevant acht voor de belegger bij het nemen van een beleggingsbeslissing. De beschrijving van de risicofactoren in de samenvatting moet relevant zijn voor de specifieke aanbieding, moet uitsluitend ten behoeve van de beleggers worden opgesteld, en mag geen algemene verklaringen bevatten over investeringsrisico's of de aansprakelijkheid van de uitgevende instelling, de aanbieder of personen die in hun naam optreden, beperken.

(22 bis)  De samenvatting moet een duidelijke waarschuwing bevatten met nadruk op de risico's, met name voor niet-professionele beleggers, in het geval van effecten die worden uitgegeven door banken die overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn herstel en afwikkeling van banken)(8) afhankelijk zijn van inbreng.

(23)  De samenvatting van het prospectus dient kort, eenvoudig, duidelijk en voor beleggers makkelijk te begrijpen zijn. Samenvattingen moeten in doorlopende tekst en zonder technisch taalgebruik worden opgesteld en moeten de informatie op een gemakkelijk toegankelijke wijze voorstellen. Het mag niet gaan om een eenvoudige compilatie van fragmenten uit het prospectus. Er moet een maximale lengte worden vastgesteld zodat beleggers er niet van worden afgeschrikt de samenvatting te lezen, alsook om uitgevende instellingen ertoe aan te sporen een selectie te maken van de informatie die essentieel is voor beleggers. In uitzonderlijke gevallen moet de bevoegde autoriteit de uitgevende instelling evenwel in staat kunnen stellen om een langere samenvatting op te stellen van maximaal 10 afgedrukte bladzijden van A4-formaat, wanneer de complexiteit van de activiteiten van de uitgevende instelling of de aard van de uitgave of de aard van de aangeboden effecten dit vereisen, en wanneer het niet vermelden van de aanvullende informatie in de samenvatting misleiding van de belegger tot gevolg zou hebben.

(24)  Om de samenvatting van het prospectus een uniforme structuur te verlenen, moeten algemene rubrieken en subrubrieken worden aangebracht, met een indicatieve inhoud die de uitgevende instelling moet aanvullen met beknopte beschrijvingen en indien nodig ook tabellen. Zolang de informatie maar op een eerlijke en evenwichtige wijze wordt voorgesteld, moeten de uitgevende instellingen de vrijheid te krijgen de gegevens te selecteren die zij wezenlijk en zinvol achten.

(25)  De samenvatting van het prospectus moet zoveel mogelijk het model volgen van het essentiële-informatiedocument dat vereist is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad(9). Wanneer effecten zowel binnen de werkingssfeer van deze verordening als van Verordening (EU) nr. 1286/2014 vallen, moet volledig hergebruik van de inhoud van het essentiële-informatiedocument in de samenvatting worden toegestaan om de nalevingskosten en de administratieve lasten voor uitgevende instellingen zo laag mogelijk te houden. De verplichting om een samenvatting te vervaardigen mag echter niet worden opgeheven wanneer een essentiële-informatiedocument vereist is, aangezien laatstgenoemd document geen essentiële informatie bevat over de uitgevende instelling en de aanbieding van effecten aan het publiek of de toelating tot de handel van de desbetreffende effecten.

(26)  Niemand kan alleen op grond van de samenvatting of een vertaling daarvan wettelijk aansprakelijk worden gesteld, tenzij deze misleidend of onnauwkeurig is of niet strookt met de desbetreffende delen van het prospectus. De samenvatting dient daartoe een duidelijke waarschuwing te bevatten.

(27)  Uitgevende instellingen die herhaaldelijk financiering op de kapitaalmarkten aantrekken, moeten kunnen beschikken over specifieke modellen van registratiedocumenten en prospectussen en over specifieke procedures om deze te deponeren en te laten goedkeuren, zodat zij over meer flexibiliteit kunnen beschikken en gebruik kunnen maken van marktopportuniteiten. In elk geval moeten deze modellen en procedures facultatief zijn naar keuze van de uitgevende instellingen.

(28)  Voor alle effecten zonder aandelenkarakter, ook wanneer deze doorlopend of periodiek of als onderdeel van een aanbiedingsprogramma worden uitgegeven, moet het uitgevende instellingen worden toegestaan een prospectus op te stellen in de vorm van een basisprospectus. Een basisprospectus en de bijbehorende definitieve voorwaarden moeten dezelfde informatie bevatten als een prospectus.

(29)  Verduidelijkt moet worden dat de uiteindelijke voorwaarden bij een basisprospectus alleen gegevens over de verrichtingsnota mogen bevatten die specifiek verband houden met de afzonderlijke uitgifte en die pas kunnen worden bepaald op het moment waarop die afzonderlijke uitgifte plaatsvindt. Die gegevens kunnen bijvoorbeeld bestaan in het International Securities Identification Number, de uitgifteprijs, de vervaldatum, het coupon, de uitoefeningsdatum, de uitoefeningsprijs, de aflossingswaarde, en andere voorwaarden die bij de opstelling van het prospectus nog niet bekend waren. Indien de definitieve voorwaarden niet in het basisprospectus zijn opgenomen, hoeven zij niet door de bevoegde instantie te worden goedgekeurd, maar moeten zij hier alleen worden gedeponeerd. Andere nieuwe gegevens die de beoordeling van de uitgevende instelling en de effecten zouden kunnen beïnvloeden, moeten worden opgenomen in een document ter aanvulling van het basisprospectus. Noch de definitieve voorwaarden, noch de aanvulling mogen worden gebruikt om een soort effecten te behandelen dat niet reeds in het basisprospectus is beschreven.

(30)  In geval van een basisprospectus mag de door de uitgevende instelling opgestelde samenvatting alleen betrekking hebben op elke individuele aangeboden uitgifte, zodat de administratieve lasten beperkt blijven en de leesbaarheid voor investeerders verbetert. De samenvatting die specifiek betrekking heeft op de uitgifte, dient te worden gehecht aan de definitieve voorwaarden en hoeft door de bevoegde autoriteit alleen te worden goedgekeurd indien de definitieve voorwaarden opgenomen zijn in het basisprospectus of in een document ter aanvulling daarvan.

(31)  Met het oog op meer flexibiliteit en kosteneffectiviteit van het basisprospectus, moet het een uitgevende instelling worden toegestaan een basisprospectus op te stellen als afzonderlijke documenten en een universeel registratiedocument te gebruiken als een bestanddeel van dat basisprospectus, wanneer het gaat om een veelvuldig uitgevende emittent.

(32)  Veelvuldig uitgevende emittenten moeten worden aangemoedigd hun prospectus op te stellen als afzonderlijk document aangezien de kosten voor naleving van deze verordening hierdoor kunnen verminderen en zij dan snel kunnen reageren op marktopportuniteiten. Uitgevende instellingen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markten of multilaterale handelsfaciliteiten, moeten derhalve de mogelijkheid krijgen, zonder daartoe verplicht te worden, elk boekjaar een universeel registratiedocument op te stellen en te publiceren met juridische, zakelijke, financiële, boekhoudkundige en aandeelhouderinformatie alsmede een beschrijving van de uitgevende instelling voor dat boekjaar. De uitgevende instelling moet op die manier in staat worden gesteld de informatie te actualiseren en een prospectus op te stellen wanneer de marktomstandigheden gunstig worden voor een aanbieding van effecten of een toelating van effecten, door een verrichtingsnota en een samenvatting toe te voegen. Het universele registratiedocument moet multifunctioneel zijn voor zover de inhoud daarvan dezelfde moet zijn ongeacht of de uitgevende instelling daar vervolgens gebruik van maakt voor een aanbieding of toelating tot de handel van aandelen, obligaties of derivaten. Het moet dienst doen als een referentie over de uitgevende instelling, waarin beleggers en analisten de minimale informatie wordt verstrekt die nodig is om een weloverwogen beoordeling te maken van de activiteiten, de financiële positie, de inkomsten en vooruitzichten, de governance en het aandeelhouderschap van de onderneming.

(33)  Een uitgevende instelling die gedurende drie opeenvolgende jaren een universeel registratiedocument heeft gedeponeerd en daarvoor goedkeuring heeft verkregen, kan worden beschouwd als algemeen bekend voor de bevoegde autoriteit. Het moet daarom mogelijk zijn alle daarop volgende universele registratiedocumenten en eventuele wijzigingen daarop te deponeren zonder voorafgaande goedkeuring en deze ex-post door de bevoegde autoriteit te laten beoordelen wanneer de autoriteit dit nodig acht, tenzij deze wijzigingen betrekking hebben op een niet-vermelding van informatie, een niet-vermelding van informatie, of een materiële vergissing of materiële onnauwkeurigheid die het publiek zou kunnen misleiden in verband met de feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om een verantwoord oordeel over de uitgevende instelling te kunnen vormen. Elke bevoegde autoriteit moet beslissen over de frequentie van een dergelijke herziening rekening houdend met bijvoorbeeld haar beoordeling van de risico’s van de uitgevende instelling, de kwaliteit van haar eerdere vroegere openbaarmakingen of de termijn die verstreken is sinds de laatste beoordeling van het universele registratiedocument.

(34)  Zolang het universele registratiedocument nog geen onderdeel is geworden van een goedgekeurd prospectus, moet het mogelijk zijn dit te herzien, ofwel vrijwillig, door de uitgevende instelling in geval van een wezenlijke verandering in de organisatie of de financiële situatie van de instelling, ofwel op verzoek van de bevoegde autoriteit in het kader van een onderzoek na de deponering, wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden inzake volledigheid, begrijpbaarheid en consistentie. Dergelijke wijzigingen moeten worden gepubliceerd in overeenstemming met dezelfde regelingen die van toepassing zijn op het universele registratiedocument. Met name wanneer de bevoegde autoriteit een omissie of een materiële vergissing of onjuistheid constateert, dient de uitgevende instelling haar universele registratiedocument te wijzigen en deze wijziging onverwijld bekend te maken. Aangezien er geen aanbieding van effecten aan het publiek of toelating van effecten tot de handel plaatsvindt, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de procedure tot wijziging van het universele registratiedocument en de procedure tot aanvulling van het prospectus, die pas na de goedkeuring van het prospectus moet worden toegepast.

(35)  Wanneer een uitgevende instelling een prospectus opstelt dat uit afzonderlijke documenten bestaat, dienen alle onderdelen van het prospectus te worden goedgekeurd, inclusief, indien van toepassing, het universele registratiedocument en de wijzigingen daarvan, wanneer deze eerder bij de bevoegde autoriteit zijn gedeponeerd maar nog niet zijn goedgekeurd. In geval van een veelvuldig uitgevende instelling hoeven wijzigingen in het universele registratiedocument niet vóór publicatie te worden goedgekeurd maar zij moeten wel achteraf door de bevoegde autoriteit beoordeeld kunnen worden.

(36)  Om het proces van de opmaak van een prospectus te versnellen en kosteneffectieve toegang tot kapitaalmarkten te bevorderen, moeten veelvuldig effecten uitgevende emittenten aanspraak kunnen maken op een sneller goedkeuringsproces, aangezien het voornaamste bestanddeel van het prospectus reeds is goedgekeurd of reeds beschikbaar is voor beoordeling door de bevoegde autoriteit. De termijn die nodig is voor de goedkeuring van het prospectus moet derhalve worden ingekort wanneer het registratiedocument de vorm van een universeel registratiedocument aanneemt.

(37)  Indien de uitgevende instelling voldoet aan de voorwaarden voor de deponering, de verspreiding en de opslag van gereglementeerde informatie alsmede aan de termijnen als bepaald in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad(10), moet zij de mogelijkheid krijgen de bij Richtlijn 2004/109/EG voorgeschreven jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen openbaar te maken als onderdelen van het universele registratiedocument, tenzij de lidstaten van herkomst van de uitgevende instelling verschillend zijn voor de toepassing van deze verordening en van Richtlijn 2004/109/EG en tenzij de taal van het universele registratiedocument niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 20 van Richtlijn 2004/109/EG. Dit moet de administratieve last ten gevolge van meervoudige indiening verlichten, zonder dat dit van invloed is op de voor het publiek toegankelijke informatie of het toezicht op deze verslagen in het kader van Richtlijn 2004/109/EG.

(38)  Er dient een duidelijke tijdslimiet voor de geldigheidsduur van een prospectus te worden vastgesteld om te vermijden dat investeringsbeslissingen gebaseerd worden op achterhaalde informatie. Ter wille van de rechtszekerheid moet de geldigheidstermijn van een prospectus ingaan op het tijdstip van goedkeuring ervan, dat door de bevoegde autoriteit gemakkelijk kan worden gecontroleerd. Een aanbieding van effecten aan het publiek volgens een basisprospectus moet alleen verder dan de geldigheid van het basisprospectus reiken wanneer vóór het verstrijken van deze geldigheidsduur een daaropvolgend prospectus wordt goedgekeurd en dit prospectus de voortgezette aanbieding dekt.

(39)  Wegens haar aard kan informatie over belastingen op inkomsten uit effecten in een prospectus slechts algemeen zijn en biedt deze weinig toegevoegde waarde voor de individuele belegger. Aangezien dergelijke informatie niet alleen betrekking moet hebben op het land van vestiging van het hoofdkantoor van de uitgevende instelling, maar ook op de landen waar de aanbieding plaatsvindt of waar de toelating tot de handel wordt aangevraagd, is het ingeval het prospectus van een paspoort wordt voorzien, duur om deze informatie te verstrekken en kan dit grensoverschrijdende aanbiedingen belemmeren. Een prospectus moet derhalve alleen een waarschuwing bevatten dat de belastingwetgeving van de lidstaat van de investeerder en van de lidstaat van oprichting van de uitgevende instelling een weerslag kan hebben op de inkomsten uit de effecten. Het prospectus moet echter steeds passende informatie over belastingen bevatten wanneer de voorgestelde investering onder een specifieke fiscale regeling valt, bijvoorbeeld in het geval van beleggingen in effecten waarvoor beleggers een gunstige fiscale behandeling krijgen.

(40)  Zodra een klasse van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt toegelaten, worden beleggers door de uitgevende instelling voortdurend van informatie voorzien krachtens Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11) en Richtlijn 2004/109/EG. De behoefte aan een volledig prospectus is dus minder acuut in geval van volgende aanbiedingen aan het publiek of toelatingen van effecten tot de handel door de uitgevende instelling. Daarom moet een afzonderlijk, vereenvoudigd prospectus beschikbaar worden gesteld voor gebruik in geval van secundaire uitgiften en moet de inhoud daarvan worden versoepeld ten opzichte van de normale regeling, rekening houdend met de reeds openbaar gemaakte informatie. Aan investeerders moet verder nog geconsolideerde en goed gestructureerde informatie worden verstrekt over elementen zoals de voorwaarden van de aanbieding en de context daarvan▌. Het vereenvoudigde prospectus voor secundaire uitgiften moet daarom de relevante, verkorte informatie bevatten die redelijkerwijs noodzakelijk is om beleggers in staat te stellen inzicht te verwerven in de vooruitzichten van de uitgevende instelling en van een eventuele garant, de aan de effecten verbonden rechten, de redenen voor de uitgifte en het effect daarvan op de uitgevende instelling, in het bijzonder een verklaring over het werkkapitaal, de openbaarmaking van kapitalisatie en schuldenlast, het effect op de totale kapitaalstructuur en een beknopte samenvatting van relevante informatie die krachtens Verordening (EU) nr. 596/2014 openbaar is gemaakt sinds de datum van de laatste uitgifte.

(41)  De vereenvoudigde openbaarmakingsregeling voor secundaire uitgiften moet tot op mkb-groeimarkten verhandelde effecten worden uitgebreid aangezien de exploitanten op deze markten krachtens Richtlijn 2014/65/EU regels moeten vaststellen en toepassen die passende permanente informatieverstrekking verzekeren door uitgevende instellingen waarvan effecten worden verhandeld op deze handelsplatforms. Deze regeling moet ook gelden voor MTF's, niet zijnde mkb-groeimarkten wanneer die MTF's openbaarmakingsvereisten kennen die equivalent zijn aan de vereisten voor mkb-groeimarkten ingevolge Richtlijn 2014/65/EU.

(42)  De vereenvoudigde openbaarmakingsregeling voor secundaire uitgiften moet alleen voor gebruik beschikbaar zijn nadat een minimale termijn is verstreken sinds de eerste toelating tot de handel van een klasse van effecten van een uitgevende instelling. Een termijn van 18 maanden moet ervoor zorgen dat de uitgevende instelling ten minste eenmaal heeft voldaan aan haar verplichting tot bekendmaking van een jaarlijks financieel verslag overeenkomstig Richtlijn 2004/109/EG of volgens de regels van de marktexploitant van een mkb-groeimarkt of een MTF met equivalente openbaarmakingsvereisten.

(43)  Een van de belangrijkste doelstellingen van de kapitaalmarktenunie is het vergemakkelijken van de toegang tot financiering op de kapitaalmarkten voor kleine en middelgrote ondernemingen in de Unie. Aangezien dergelijke ondernemingen meestal relatief lagere bedragen nodig hebben dan andere uitgevende instellingen, kunnen de kosten voor het opstellen van een volledige prospectus buitensporig hoog zijn en kan dit hen ervan weerhouden om hun effecten aan het publiek aan te bieden. Tegelijkertijd kunnen kleine en middelgrote ondernemingen vanwege hun omvang en hun kortere staat van dienst specifieke investeringsrisico's inhouden in vergelijking met grotere emittenten en moeten zij voldoende informatie openbaarmaken zodat investeerders hun beleggingsbeslissing kunnen nemen. Om financiering op de kapitaalmarkten door kleine en middelgrote ondernemingen aan te moedigen, moet deze verordening er bovendien voor zorgen dat speciale aandacht wordt besteed aan mkb-groeimarkten. Mkb-groeimarkten zijn voor kleinere, groeiende ondernemingen een veelbelovend instrument om kapitaal aan te trekken. Het welslagen van dergelijke platformen is evenwel afhankelijk van de aantrekkelijkheid ervan voor ondernemingen van bepaalde omvang. Uitgevende instellingen die effecten aan het publiek aanbieden met een totale tegenwaarde in de Unie van niet meer dan 20 000 000 EUR zouden eveneens baat hebben bij een gemakkelijkere toegang tot financiering door kapitaalmarkten zodat ze kunnen groeien en hun volle potentieel kunnen ontwikkelen, en zij moeten daarom tegen niet onevenredig hoge kosten geld kunnen opnemen. Het is daarom wenselijk dat in deze verordening een specifieke, proportionele regeling met betrekking tot een EU-groeiprospectus wordt vastgesteld die ter beschikking staat van kleine en middelgrote ondernemingen, uitgevende instellingen die aan het publiek effecten aanbieden die tot de handel op een MKB-groeimarkt moeten worden toegelaten en uitgevende instellingen die effecten aan het publiek aanbieden met een totale tegenwaarde in de Unie van niet meer dan 20  000 000 EUR. Daarom moet bij het afwegen van de inhoud van een EU-Groeiprospectus voor kleine en middelgrote ondernemingen een goed evenwicht worden gevonden tussen kostenefficiënte toegang tot de financiële markten en bescherming van de beleggers. Met dit doel voor ogen moet derhalve een specifieke openbaarmakingsregeling worden ontwikkeld voor kleine en middelgrote ondernemingen. Eenmaal goedgekeurd moet het EU-groeiprospectus in aanmerking komen voor de paspoortregeling ingevolge deze verordening en dus geldig zijn voor alle aanbiedingen van effecten aan het publiek overal in de Unie.

(44)  De verkorte informatie die in de EU-groeiprospectussen moet worden verstrekt, moet zodanig worden afgestemd dat deze wezenlijk en relevant is bij het doen van een belegging in de uitgegeven effecten, en moet evenredigheid waarborgen tussen de omvang van de onderneming en de behoefte aan financiële middelen enerzijds en de kostprijs voor het vervaardigen van een prospectus anderzijds. Om ervoor te zorgen dat deze ondernemingen prospectussen kunnen opstellen zonder daarvoor kosten te moeten dragen die niet in verhouding staan tot de omvang van het bedrijf en dus tot de grootteorde van de aan te trekken financiële middelen, moet de regeling voor EU-groeiprospectussen ▌flexibeler zijn dan de regeling die van toepassing is op ondernemingen op gereglementeerde markten, voor zover hiermee de bekendmaking wordt verzekerd van de belangrijkste informatie die de beleggers nodig hebben.

(45)  De evenredige openbaarmakingsregeling voor EU-groeiprospectussen moet niet beschikbaar worden gesteld wanneer effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zullen worden toegelaten, omdat beleggers op gereglementeerde markten erop moeten vertrouwen dat de effecten van uitgevende instellingen waarin zij beleggen, onderworpen zijn aan één enkel geheel van openbaarmakingsregels. Daarom mag er geen sprake zijn van een tweeledige standaard voor toelating van effecten op gereglementeerde markten die afhangt van de omvang van de uitgevende instelling.

(46)  Een EU-groeiprospectus moet een gestandaardiseerd document zijn, dat eenvoudig door de uitgevende instellingen kan worden vervaardigd en moet essentiële informatie bevatten over de uitgevende instelling, de effecten en de aanbieding. De Commissie dient gedelegeerde handelingen vast te stellen om de minimale informatie en het formaat van het gestandaardiseerde EU-groeiprospectus te specificeren. Bij de nadere invulling van de evenredige openbaarmakingsregeling voor EU-groeiprospectussen moet de Commissie er rekening mee houden dat het EU-groeiprospectus aanzienlijk en daadwerkelijk lichter is dan het volledige prospectus, wat betreft administratieve lasten en kosten van uitgifte, dat de toegang tot de kapitaalmarkt voor kleine en middelgrote bedrijven (kmo's) gemakkelijker moet worden met behoud van het vertrouwen van beleggers in zulke ondernemingen, dat de kosten en lasten voor kmo's tot een minimum beperkt moeten blijven, dat er specifieke vormen van informatie uit te lezen moeten zijn die van bijzonder belang zijn voor kmo's, zoals de omvang van de uitgevende instelling en de tijd dat deze al in bedrijf is, de verschillende categorieën en aard van de aanbiedingen, en de verschillen in door beleggers verlangde gegevens met betrekking tot de uiteenlopende soorten van effecten.

(48)  Het opnemen van risicofactoren in een prospectus heeft in de eerste plaats tot doel ervoor te zorgen dat beleggers deze risico's met kennis van zaken kunnen beoordelen en dus weloverwogen investeringsbeslissingen op basis van feiten kunnen nemen. Risicofactoren moeten daarom beperkt blijven tot die welke van wezenlijk belang en specifiek zijn voor de uitgevende instelling en haar effecten en die door de inhoud van het prospectus worden bevestigd. Een prospectus mag geen risicofactoren bevatten die van algemene aard zijn en alleen dienen om aansprakelijkheid af te wijzen: hierdoor kunnen immers de meer specifieke risicofactoren worden verdoezeld waarvan beleggers op de hoogte zouden moeten zijn, en voor het prospectus zou het een belemmering zijn om de informatie op een gemakkelijk te analyseren, bondige en begrijpelijke wijze te brengen. De ESMA moet richtsnoeren ontwikkelingen inzake de beoordeling van de specificiteit en ernst van risicofactoren, teneinde de bevoegde autoriteiten te helpen bij hun herziening van risicofactoren, op een wijze die emittenten aanzet tot een passende en gerichte bekendmaking van risicofactoren.

(49)  In bepaalde omstandigheden moet het toegestaan zijn gevoelige informatie uit een prospectus weg te laten door middel van een afwijking die door de bevoegde autoriteit wordt toegestaan om nadelige situaties voor een emittent te vermijden.

(50)  De lidstaten publiceren ruime informatie over hun financiële situatie; deze informatie is in het algemeen openbaar beschikbaar. Wanneer een lidstaat een aanbieding van effecten garandeert, hoeft deze informatie derhalve niet in het prospectus te worden vermeld.

(51)  Het feit dat uitgevende instellingen in het prospectus of het basisprospectus informatie kunnen opnemen door middel van verwijzing naar documenten die deze informatie bevatten, mits de door verwijzing opgenomen documenten eerder elektronisch zijn gepubliceerd, moet de procedure voor het opstellen van een prospectus vereenvoudigen en de kosten voor de uitgevende instellingen verminderen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de belegger. Dit doel van vereenvoudiging en vermindering van de kosten voor het opstellen van een prospectus mag echter niet worden verwezenlijkt ten koste van andere belangen die het prospectus geacht wordt te beschermen, onder meer de toegankelijkheid van de informatie. De taal die gebruikt wordt voor de door middel van verwijzing opgenomen informatie moet de talenregeling volgen die van toepassing is op prospectussen. De door middel van verwijzing opgenomen informatie kan betrekking hebben op historische gegevens. Indien deze informatie echter niet langer relevant is als gevolg van wezenlijke veranderingen, dient dit duidelijk in het prospectus te worden vermeld en dient ook de geactualiseerde informatie te worden verstrekt. Voorts staat het veelvuldig uitgevende instellingen vrij om eventuele wijzigingen in het universele registratiedocument op te nemen door middel van een dynamische verwijzing in het prospectus. Een dergelijke dynamische verwijzing zorgt ervoor dat de lezer altijd naar het laatste universele registratiedocument wordt verwezen, zonder dat er een aanvulling nodig is. Het gebruik van een dynamische verwijzing in plaats van een aanvulling, mag geen invloed hebben op het recht van de belegger om zich terug te trekken.

(52)  Elke gereglementeerde informatie ▌moet in aanmerking komen om door middel van verwijzing in een prospectus te worden opgenomen. Ook voor uitgevende instellingen waarvan de effecten op een multilaterale handelsfaciliteit verhandeld worden, en uitgevende instellingen die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b), van Richtlijn 2004/109/EG zijn vrijgesteld van openbaarmaking van de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen, moet het toegestaan zijn hun jaarlijkse en tussentijdse financiële informatie, controleverslagen, financiële overzichten en bestuursverslagen of verklaringen inzake corporate governance, geheel of gedeeltelijk door verwijzing in het prospectus op te nemen, op voorwaarde dat deze informatie elektronisch gepubliceerd is.

(53)  Niet alle uitgevende instellingen hebben toegang tot adequate informatie en begeleiding in de procedure van toetsing en goedkeuring en met betrekking tot de te ondernemen stappen voor de goedkeuring van het prospectus, aangezien de bevoegde autoriteiten in de lidstaten verschillende benaderingen volgen. Deze verordening moet deze verschillen wegwerken door een harmonisering van de regels die van toepassing zijn op de toetsing en goedkeuring en die de goedkeuring door de nationale bevoegde autoriteiten stroomlijnen, zodat alle bevoegde autoriteiten een convergerende aanpak hanteren wanneer zij de volledigheid, de consistentie en de begrijpelijkheid van de informatie in het prospectus behandelen. Richtsnoeren om de goedkeuring te verkrijgen van een prospectus moeten openbaar toegankelijk zijn op de websites van de bevoegde autoriteiten. De ESMA moet een centrale rol spelen in het bevorderen van convergentie in het desbetreffende toezicht door gebruik te maken van haar bevoegdheden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(12). Met name moet de ESMA collegiale toetsingen verrichten met betrekking tot de werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze verordening, binnen een passende termijn voordat de onderhavige verordening wordt geëvalueerd, en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1095/2010. ESMA moet een centraal workflowsysteem ontwikkelen, waarbij de goedkeuring van prospectussen van begin tot uiteindelijke goedkeuring wordt bestreken, zodat de bevoegde autoriteiten, ESMA en emittenten de goedkeuringsaanvragen online kunnen beheren en volgen. Dat systeem zou cruciale informatie opleveren en voor ESMA en de bevoegde autoriteiten als instrument dienen om de convergentie van de goedkeuringsprocessen en -procedures in de Unie te stimuleren zodat in de toekomst de prospectussen in de gehele Unie op dezelfde manier zullen worden goedgekeurd.

(53 bis)  De ESMA moet samen met de nationale bevoegde autoriteiten het ontwerp, de financiering en de werking van een centraal workflowsysteem in het kader van de kapitaalmarktenunie beoordelen.

(54)  Om de toegang tot de markten van de lidstaten te bevorderen is het belangrijk dat de vergoedingen die de bevoegde autoriteiten vragen voor de goedkeuring en de deponering van prospectussen en bijbehorende documenten, redelijk zijn en openbaar worden gemaakt. De kosten die aan in een derde land gevestigde uitgevende instellingen worden opgelegd, moeten de kosten van een dergelijke uitgifte weerspiegelen.

(55)  Aangezien het internet vlotte toegang tot informatie biedt, en om de informatie beter toegankelijk te maken voor de beleggers, dient het goedgekeurde prospectus te worden gepubliceerd in elektronische vorm. Het prospectus moet worden gepubliceerd in een daarvoor bestemde rubriek van de website van de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel, of, in voorkomend geval, op de website van de financiële intermediairs die de effecten plaatsen of verkopen, met inbegrip van de betalingsgemachtigden, of op de website van de gereglementeerde markt waarop toelating tot de handel wordt aangevraagd, of van de exploitant van de multilaterale handelsfaciliteit. Het moet door de bevoegde autoriteit aan de ESMA worden doorgezonden samen met de relevante gegevens voor de classificatie ervan. De ESMA zorgt voor een centraal opslagmechanisme van prospectussen met kosteloze toegang en passende zoekmogelijkheden voor het publiek. Om ervoor te zorgen dat beleggers toegang hebben tot betrouwbare gegevens die tijdig en efficiënt kunnen worden gebruikt en geanalyseerd, moet belangrijke informatie die in de prospectussen is opgenomen, zoals de ISIN ter identificatie van de effecten en de LEI ter identificatie van de uitgevende instellingen, machinaal leesbaar zijn, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van metadata. Het prospectus moet minstens 10 jaar na de publicatie ervan beschikbaar blijven om te verzekeren dat de termijn van openbare toegankelijkheid wordt afgestemd op die van jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen uit hoofde van Richtlijn 2004/109/EG. Het prospectus moet echter altijd kosteloos op een duurzame gegevensdrager worden verstrekt aan beleggers die daarom verzoeken.

(56)  Het is ook noodzakelijk dat reclame-uitingen worden geharmoniseerd om het vertrouwen van het publiek niet te ondermijnen en geen afbreuk te doen aan de goede werking van de financiële markten. De waarheidsgetrouwheid en juistheid van reclame alsook de samenhang met de inhoud van het prospectus zijn van het grootste belang voor de bescherming van beleggers, en ook voor retailbeleggers. Zonder afbreuk te doen aan het paspoortmechanisme zoals bedoeld in deze verordening, behoort het toezicht op deze reclame-uitingen integraal tot de taken van de bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de advertenties worden verspreid, moet de bevoegdheid hebben om te controleren of de reclameactiviteiten met betrekking tot een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt aan de in deze verordening vervatte beginselen voldoen. Waar nodig dient de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de reclame-uitingen worden verspreid bij te staan in de beoordeling van de consistentie van de reclame-uitingen met de informatie in het prospectus. Onverminderd de in artikel 30, lid 1, vastgelegde bevoegdheden moet controle door een bevoegde autoriteit van de reclame-uitingen geen voorwaarde vormen om in een lidstaat van ontvangst effecten aan het publiek aan te bieden of toelating tot de handel te krijgen.

(57)  Elke belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onnauwkeurigheid die van invloed kan zijn op de beoordeling van de belegging en die zich voordoet na de publicatie van het prospectus maar vóór de sluiting van de aanbieding of de aanvang van de handel op een gereglementeerde markt, moet door de beleggers naar behoren worden geëvalueerd en vereist bijgevolg de onverwijlde goedkeuring en verspreiding van een aanvulling op het prospectus.

(58)  Ter wille van de rechtszekerheid moet duidelijk worden bepaald binnen welke termijnen respectievelijk een uitgevende instelling een document ter aanvulling van het prospectus moet publiceren en beleggers het recht hebben hun aanvaarding van het aanbod in te trekken na de publicatie van een document ter aanvulling van het prospectus. Enerzijds moet de verplichting om het prospectus aan te vullen gelden tot de definitieve afsluiting van de aanbiedingsperiode of tot het tijdstip waarop de handel in deze effecten op een gereglementeerde markt aanvangt indien dat later valt. Anderzijds moet het recht tot intrekking van een aanvaarding slechts gelden wanneer het prospectus betrekking heeft op een aanbieding van effecten aan het publiek en de nieuwe ontwikkeling, vergissing of onnauwkeurigheid zich heeft voorgedaan vóór de definitieve sluiting van de aanbieding en de levering van de effecten. Het recht tot intrekking moet dus samenhangen met het tijdstip van de nieuwe ontwikkeling, vergissing of onnauwkeurigheid die aanleiding geeft tot een aanvulling van het prospectus, en moet uitgaan van de veronderstelling dat het tot intrekking aanleiding gevende feit zich heeft voorgedaan terwijl de aanbieding nog open is en voordat levering van de effecten heeft plaatsgevonden. Omwille van de rechtszekerheid moet in het document ter aanvulling van het prospectus worden omschreven wanneer het recht tot intrekking eindigt. Financiële intermediairs dienen de handelwijze te vergemakkelijken wanneer beleggers hun recht op intrekking van de aanvaarding uitoefenen.

(59)  De verplichting voor een uitgevende instelling om het volledige prospectus in alle relevante officiële talen te vertalen, ontmoedigt grensoverschrijdende aanbiedingen of handel op meerdere platforms. Om grensoverschrijdende aanbiedingen te vergemakkelijken, moet wanneer het prospectus is opgesteld in een taal die gebruikelijk is in de internationale financiële wereld, alleen de samenvatting worden vertaald in de officiële taal (talen) van de lidstaat van ontvangst of van de lidstaat van herkomst, of in een van de officiële talen die worden gesproken in dat deel van de lidstaat waarin het beleggingsproduct wordt verdeeld.

(60)  De ESMA en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten het recht hebben van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst een verklaring te vragen waarin staat dat het prospectus of het afzonderlijke universele registratiedocument wanneer dat als enig document is goedgekeurd, conform deze verordening is opgesteld. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dient de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus of eventueel het universele registratiedocument verantwoordelijke persoon in kennis te stellen van het certificaat van goedkeuring van het prospectus dat gericht wordt tot de autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodat de uitgevende instelling of de voor het opstellen van het prospectus of eventueel het universele registratiedocument verantwoordelijke persoon zich ervan kan vergewissen of en wanneer de kennisgeving daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

(61)  Om de doelstellingen van deze verordening ten volle te verwezenlijken moet het toepassingsgebied ervan worden verruimd tot effecten van emittenten die onder het recht van derde landen vallen. ▌Om de informatie-uitwisseling en de samenwerking met autoriteiten in derde landen te verzekeren met het oog op doeltreffende handhaving van deze verordening, moeten de bevoegde autoriteiten samenwerkingsovereenkomsten sluiten met hun tegenhangers in derde landen. Overdrachten van persoonsgegevens op basis van deze overeenkomsten moeten voldoen aan Richtlijn 95/46/EG en aan Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad.

(62)  Wanneer er binnen één lidstaat meerdere bevoegde autoriteiten met verschillende verantwoordelijkheden bestaan, kan dit onnodige kosten en overlapping van verantwoordelijkheden met zich brengen zonder extra voordelen op te leveren. Derhalve moet in elke lidstaat één bevoegde autoriteit worden aangewezen die de prospectussen goedkeurt en die het toezicht op de naleving van deze richtlijn uitoefent. Deze bevoegde autoriteit moet van administratieve aard zijn en zodanig zijn opgezet dat haar onafhankelijkheid ten opzichte van marktdeelnemers is gewaarborgd en belangenconflicten worden vermeden. De aanwijzing van een voor de goedkeuring van het prospectus bevoegde autoriteit hoeft geen beletsel te vormen voor samenwerking met andere instanties, zoals de toezichthoudende instanties voor banken en verzekeringsondernemingen of beursnoteringsinstanties, om een efficiënte controle en goedkeuring van prospectussen te waarborgen in het belang van uitgevende instellingen, beleggers, marktdeelnemers en markten. Delegatie van taken door een bevoegde autoriteit aan een andere instantie kan alleen worden toegestaan wanneer deze betrekking heeft op de publicatie van goedgekeurde prospectussen.

(63)  Door de bevoegde autoriteiten van lidstaten te voorzien van een reeks effectieve instrumenten, bevoegdheden en middelen wordt de doeltreffendheid van het toezicht gewaarborgd. Derhalve moet deze verordening met name een minimumpakket van bevoegdheden op het gebied van toezicht en onderzoek voorschrijven waarmee de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving moeten worden belast. Deze bevoegdheden moeten, indien de nationale wetgeving dit vereist, worden uitgeoefend middels een verzoek aan de bevoegde justitiële autoriteiten. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden uit hoofde van deze verordening moeten de bevoegde autoriteiten en de ESMA zich objectief en onpartijdig opstellen, en moeten zij autonomie in hun besluitvormingsproces zekerstellen.

(64)  Teneinde inbreuken op deze verordening te kunnen opsporen moeten de bevoegde autoriteiten met het oog op inbeslagname van documenten toegang krijgen tot andere locaties dan privéwoningen van natuurlijke personen. De toegang tot dergelijke ruimten is noodzakelijk in geval van een gegrond vermoeden dat er documenten en andere gegevens in verband met het onderwerp van de controle of het onderzoek bestaan die dienstig kunnen zijn om een inbreuk op deze verordening te bewijzen. Daarnaast is de toegang tot dergelijke kantoren noodzakelijk wanneer de persoon die reeds een verzoek tot informatie heeft ontvangen, hieraan niet voldoet of wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat in geval van een verzoek hieraan niet zou worden voldaan, of dat de documenten of de informatie waarop het verzoek betrekking heeft, zouden worden verwijderd, gemanipuleerd of vernietigd.

(65)  Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 betreffende het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector en om de nakoming van de voorschriften van deze verordening te waarborgen moeten de lidstaten de nodige stappen ondernemen om op overtredingen van deze verordening passende bestuursrechtelijke sancties en maatregelen te stellen. Deze sancties en administratieve maatregelen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten in de lidstaten zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak en een ontradend effect. Deze verordening mag de lidstaten niet beperken in hun mogelijkheden om hogere administratieve sancties vast te stellen.

(66)  Om te garanderen dat besluiten van bevoegde autoriteiten een afschrikkend effect op het grote publiek hebben, moeten zij normaal gezien worden bekendgemaakt, tenzij de bevoegde autoriteit overeenkomstig deze verordening het noodzakelijk acht te kiezen voor een bekendmaking op anonieme basis, de bekendmaking uit te stellen of de sancties niet openbaar te maken.

(67)  Hoewel lidstaten voor dezelfde inbreuken zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke sancties kunnen vaststellen, kan van hen niet worden verlangd dat zij voor inbreuken op deze verordening die onder hun nationale strafrecht vallen, vóór [datum van toepassing van deze verordening] bestuursrechtelijke sanctieregels vaststellen. Naar nationaal recht zijn lidstaten niet verplicht voor dezelfde inbreuk zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke sancties op te leggen, maar moeten zij de mogelijkheid hebben dit te doen indien hun nationale wetgeving het toestaat. Het handhaven van strafrechtelijke sancties in plaats van bestuursrechtelijke sancties voor inbreuken op deze verordening mag de bevoegde autoriteiten echter niet belemmeren of anderszins beïnvloeden in hun mogelijkheden om voor de toepassing van deze verordening tijdig samen te werken, informatie in te winnen en uit te wisselen met bevoegde autoriteiten in andere lidstaten, ook nadat de betrokken inbreuken voor strafrechtelijke vervolging naar de bevoegde rechterlijke instanties zijn verwezen.

(68)  Klokkenluiders kunnen de aandacht van de bevoegde autoriteiten vestigen op nieuwe informatie waarmee gevallen van inbreuk op deze verordening beter kunnen worden opgespoord en bestraft. Deze verordening moet er dan ook voor zorgen dat er passende regelingen worden ingevoerd waarmee klokkenluiders de bevoegde autoriteiten attent kunnen maken op reële of potentiële inbreuken op deze verordening en beschermd worden tegen represailles.

(69)  Om de in deze verordening vastgestelde vereisten nader te omschrijven moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot ▌de minimale inhoud van de documenten bedoeld in artikel 1, lid 3, onder f) en g), en artikel 1, lid 4, onder d) en e), de aanpassing van de definities van artikel 2, ▌het model van het prospectus, het basisprospectus en de definitieve voorwaarden en de specifieke gegevens die in het prospectus moeten worden opgenomen, de minimale informatie in het universele registratiedocument, de beperkte informatie in het vereenvoudigde prospectus in geval van secundaire uitgiften en door kleine en middelgrote ondernemingen, de specifieke beperkte informatie en het model van het in deze verordening voorziene EU-groeiprospectus, de reclame voor effecten die onder de werkingssfeer van deze verordening vallen, en de algemene gelijkwaardigheidscriteria voor door uitgevende instellingen van derde landen opgestelde prospectussen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Om met name te zorgen voor gelijke deelneming aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(70)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen met betrekking tot de gelijkwaardigheid van prospectuswetgevingen van derde landen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend voor het nemen van besluiten met betrekking tot dergelijke gelijkwaardigheid. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(71)  Technische normen op het gebied van financiële diensten moeten zorgen voor een toereikende bescherming van beleggers en consumenten in de gehele Unie. Het zou efficiënt en passend zijn om de ESMA, als orgaan met hooggespecialiseerde knowhow, te belasten met de uitwerking van aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van technische reguleringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden.

(72)  De Commissie moet door de ESMA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van de presentatie van de in de samenvatting op te nemen belangrijke historische financiële informatie, de beoordeling, goedkeuring, deponering en evaluatie van het universele registratiedocument, alsmede de voorwaarden voor de wijziging of actualisering daarvan en de omstandigheden waarin de status van veelvuldig uitgevende instelling verloren kan gaan, de door middel van verwijzing op te nemen informatie en andere soorten documenten die volgens krachtens het Unierecht vereist zijn, de procedures voor de beoordeling en goedkeuring van het prospectus, de publicatie van het prospectus, de gegevens die nodig zijn voor de classificatie van prospectussen in het door de ESMA beheerde opslagmechanisme, de bepalingen met betrekking tot reclame-uitingen, de situaties waarin een belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onjuistheid met betrekking tot de in het prospectus opgenomen informatie vereist dat een aanvulling op het prospectus wordt bekendgemaakt, de informatie die wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten en de ESMA in het kader van de verplichting tot samenwerking en de minimale inhoud van de samenwerkingsregelingen met toezichthoudende autoriteiten in derde landen. De Commissie moet die ontwerpen van technische reguleringsnormen vaststellen middels gedelegeerde handelingen ingevolge artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(73)  De Commissie dient eveneens te worden gemachtigd om technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen ingevolge artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De ESMA moet worden belast met het opstellen van aan de Commissie voor te leggen technische uitvoeringsnormen met betrekking tot standaardformulieren, templates en procedures voor de kennisgeving van het certificaat van goedkeuring, het prospectus, het document ter aanvulling van het prospectus en de vertaling van de samenvatting van het prospectus en/of de samenvatting, standaardformulieren, templates en procedures voor de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, en procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en de ESMA.

(74)  Bij de uitoefening van haar gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig deze verordening dient de Commissie de volgende beginselen in acht te nemen:

   het vertrouwen van kleine beleggers en kleine en middelgrote ondernemingen in de financiële markten moet worden opgebouwd door hoge normen inzake transparantie op financiële markten te bevorderen;
   de vereisten inzake openbaarmaking van een prospectus moeten worden afgestemd, rekening houdend met de grootte van de uitgevende instelling en de informatie die een uitgevende instelling reeds verplicht is openbaar te maken krachtens Richtlijn 2004/109/EG en Verordening (EU) nr. 596/2014,
   de toegang tot de kapitaalmarkten moet worden verbeterd voor kleine en middelgrote ondernemingen en tegelijkertijd moet het vertrouwen van beleggers om in deze ondernemingen te investeren worden verzekerd;
   aan beleggers moeten een ruime keuze aan concurrerende beleggingsmogelijkheden en een op hun situatie toegesneden niveau van informatievoorziening en bescherming worden geboden;
   er moet voor worden gezorgd dat onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten de voorschriften consequent handhaven, met name in de strijd tegen financieel-economische criminaliteit;
   een hoge mate van transparantie alsmede ruim overleg met alle marktdeelnemers en met het Europees Parlement en de Raad zijn noodzakelijk;
   innovaties op de financiële markten moeten, ter wille van de dynamiek en doelmatigheid van die markten, worden gestimuleerd;
   de stabiliteit van het financiële stelsel moet worden gewaarborgd door de financiële innovaties op de voet te volgen en erop in te spelen;
   het is belangrijk de kosten van kapitaal te verlagen en de toegang tot kapitaal te verbeteren;
   bij uitvoeringsmaatregelen moet een balans worden gevonden tussen kosten en baten op lange termijn voor alle marktdeelnemers;
   het internationale concurrentievermogen van de financiële markten van de Unie moet worden versterkt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de noodzakelijke verruiming van de internationale samenwerking;
   voor alle marktdeelnemers moeten gelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd door telkens wanneer dit dienstig is regelgeving voor de hele Unie vast te stellen;
   de samenhang met andere Uniewetgeving op dit gebied moet worden gewaarborgd, omdat een onevenwichtige informatievoorziening en een gebrek aan transparantie de werking van de markten in gevaar kunnen brengen en vooral nadelig kunnen zijn voor consumenten en kleine beleggers.

(75)  Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening, zoals bij uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(14), en elke uitwisseling of doorzending van informatie door de ESMA moet plaatsvinden in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(15).

(76)  Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening evalueert de Commissie de toepassing ervan en onderzoekt zij met name of de openbaarmakingsregelingen voor secundaire uitgiften en voor het mkb, het universele registratiedocument en de samenvatting van het prospectus nog steeds geschikt zijn om te voldoen aan de doelstellingen van deze verordening.

(77)  De toepassing van de voorschriften van deze verordening dient te worden uitgesteld om de vaststelling van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen mogelijk te maken en om marktdeelnemers in staat te stellen de toepassing van de nieuwe maatregelen voor te bereiden en te plannen.

(78)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verbeteren van de bescherming van de beleggers en van de marktefficiëntie alsmede het tot stand brengen van de kapitaalmarktenunie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(79)  Deze verordening neemt de grondrechten in acht en gaat uit van de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn vastgelegd. Derhalve dient deze verordening te worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(80)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 geraadpleegd ▌.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en werkingssfeer

1.  Het doel van deze verordening is eisen vast te stellen voor de opstelling, goedkeuring en verspreiding van het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten worden aangeboden aan het publiek of toegelaten tot de handel op een in een lidstaat gevestigde gereglementeerde markt.

2.  Deze verordening, met uitzondering van artikel 4, is niet van toepassing op de volgende soorten effecten:

a)  rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging▌;

b)  effecten zonder aandelenkarakter, uitgegeven door een lidstaat of door een van de regionale of plaatselijke overheden van een lidstaat, door een openbare internationale instelling waarbij één of meer lidstaten aangesloten zijn, door de Europese Centrale Bank of door de centrale banken van de lidstaten;

c)  aandelen in het kapitaal van centrale banken van de lidstaten;

d)  effecten die volledig, onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door een lidstaat of door een van de regionale of plaatselijke overheden van een lidstaat;

e)  effecten die zijn uitgegeven door verenigingen met een wettelijke status of instellingen zonder winstoogmerk, die door een lidstaat zijn erkend, met het oog op het aantrekken van de financiering die nodig is om hun niet-commerciële doelen te verwezenlijken;

g)  niet-fungibele kapitaalaandelen die in de eerste plaats bedoeld zijn om de houder een recht te verlenen om een appartement, onroerend goed of een gedeelte ervan te betrekken en die niet verkocht kunnen worden zonder van dit recht afstand te doen;

i)  effecten zonder aandelenkarakter, die doorlopend of periodiek door een kredietinstelling worden uitgegeven, waarbij de totale geaggregeerde tegenwaarde in de Unie voor de aangeboden effecten over een periode van twaalf maanden minder dan 75 000 000 EUR per kredietinstelling bedraagt, op voorwaarde dat die effecten:

(i)  niet achtergesteld, converteerbaar of omwisselbaar zijn;

(ii)  geen recht geven tot het inschrijven op of verwerven van andere categorieën effecten en niet aan een derivaat gekoppeld zijn.

3.  Deze verordening, met uitzondering van artikel 4, is niet van toepassing op de volgende soorten aanbiedingen van effecten aan het publiek:

a)  ▌alleen tot gekwalificeerde beleggers gericht;

b)  ▌aan minder dan 350 natuurlijke of rechtspersonen per lidstaat en in het totaal niet meer dan 4 000 natuurlijke of rechtspersonen in de Unie die geen gekwalificeerde beleggers zijn of andere beleggers die voldoen aan de voorwaarden van de punten a) en b) van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 345/2013;

c)  ▌ aan beleggers die bij elke afzonderlijke aanbieding effecten aankopen tegen een totale tegenwaarde van ten minste 100 000 EUR per belegger;

d)  ▌met een totale tegenwaarde in de Unie van minder dan 1 000 000 EUR, die wordt berekend over een periode van twaalf maanden;

e)  aandelen uitgegeven ter vervanging van aandelen van dezelfde klasse welke reeds zijn uitgegeven, zonder dat de uitgifte van deze nieuwe aandelen leidt tot een verhoging van het geplaatste kapitaal;

f)  effecten aangeboden bij een overname middels een openbaar aanbod tot ruil, mits een document beschikbaar is dat informatie bevat die de transactie en het effect ervan op de uitgevende instelling beschrijft;

g)  effecten die worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn bij een fusie of splitsing, mits een document beschikbaar is dat informatie bevat die de transactie en het effect ervan op de uitgevende instelling beschrijft;

h)  dividenden die aan bestaande aandeelhouders worden uitbetaald in de vorm van aandelen van dezelfde klasse als de aandelen uit hoofde waarvan die dividenden worden betaald, mits een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat betreffende het aantal en de aard van de aandelen en de redenen voor en de bijzonderheden van de aanbieding;

i)  effecten die door de werkgever of door een verbonden,al dan niet in de Unie gelegen onderneming worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn aan huidige of voormalige bestuurders of werknemers, mits een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat betreffende het aantal en de aard van de effecten en de redenen voor en de bijzonderheden van de aanbieding of toewijzing.

De lidstaten mogen het vereiste van een prospectus in de zin van deze verordening niet uitbreiden tot aanbiedingen van effecten als bedoeld onder d) in de eerste alinea. Voorts moeten de lidstaten ervan afzien om op zulke soorten aanbiedingen andere openbaarmakingsvereisten op nationaal niveau op te leggen die zouden neerkomen op onevenredige of onnodige lasten. De lidstaten stellen de Commissie en de ESMA in kennis van eventuele openbaarmakingsvereisten die op nationaal niveau gelden, met de tekst van de desbetreffende bepalingen.

4.  Deze verordening is niet van toepassing op de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van de volgende effecten:

a)  effecten die vervangbaar zijn door effecten die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten, mits deze effecten over een periode van twaalf maanden minder dan 20 procent vertegenwoordigen van het aantal effecten dat reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt is toegelaten;

b)  aandelen voortgekomen uit de conversie of omruiling van andere effecten of uit de uitoefening van aan andere effecten verbonden rechten, indien de voortgekomen aandelen tot dezelfde klasse behoren als de aandelen die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten, mits de voortgekomen aandelen over een periode van twaalf maanden minder dan 20 procent vertegenwoordigen van het aantal aandelen van dezelfde klasse dat reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt is toegelaten. Indien bij de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel van de effecten die toegang bieden tot de aandelen, ofwel overeenkomstig deze verordening, ofwel overeenkomstig Richtlijn 2003/71/EG een prospectus is opgesteld, dan wel indien de effecten die toegang bieden tot de aandelen vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn uitgegeven, is deze verordening niet van toepassing op de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van de voortkomende aandelen, ongeacht de verhouding ervan ten opzichte van het aantal aandelen van dezelfde klasse dat reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt is toegelaten;

c)  aandelen uitgegeven ter vervanging van aandelen van dezelfde klasse welke reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten, zonder dat de uitgifte van deze nieuwe aandelen leidt tot een verhoging van het geplaatste kapitaal;

d)  effecten aangeboden bij een overname middels een openbaar aanbod tot ruil, mits een document beschikbaar is dat informatie bevat die de transactie en het effect ervan op de uitgevende instelling beschrijft;

e)  effecten die worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn bij een fusie of splitsing, mits een document beschikbaar is dat informatie bevat die de transactie en het effect ervan op de uitgevende instelling beschrijft;

f)  aandelen die kosteloos worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn aan de huidige aandeelhouders en dividenden die worden uitbetaald in de vorm van aandelen van dezelfde klasse als de aandelen uit hoofde waarvan dividenden worden betaald, mits die aandelen tot dezelfde klasse behoren als de aandelen die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten en een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat betreffende het aantal en de aard van de aandelen en de redenen voor en de bijzonderheden van de aanbieding of toewijzing;

g)  effecten die door de werkgever of een verbonden, al dan niet in de Unie gelegen onderneming worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn aan huidige of voormalige bestuurders of werknemers, mits die effecten tot dezelfde klasse behoren als de effecten die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten en een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat betreffende het aantal en de aard van de effecten en de redenen voor en de bijzonderheden van de aanbieding of toewijzing;

h)  effecten die reeds tot de handel op een andere gereglementeerde markt zijn toegelaten onder de volgende voorwaarden:

(i)  deze effecten, of effecten van dezelfde klasse, waren gedurende meer dan 18 maanden toegelaten tot de handel op die andere gereglementeerde markt;

(ii)  voor effecten die na 1 juli 2005 voor het eerst tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, is bij de toelating tot de handel op die andere gereglementeerde markt een overeenkomstig Richtlijn 2003/71/EG goedgekeurd en gepubliceerd prospectus uitgebracht;

(iii)  tenzij punt ii) van toepassing is, is voor effecten die na 30 juni 1983 voor het eerst tot de notering zijn toegelaten, het prospectus voor de toelating tot de notering conform het bepaalde in Richtlijn 80/390/EEG van de Raad(16) of Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad(17) goedgekeurd;

(iv)  de geldende verplichtingen voor de handel op die andere gereglementeerde markt zijn vervuld; en

(v)  de persoon die in het kader van deze uitzonderingsregeling verzoekt om toelating van een effect tot de handel op een gereglementeerde markt, stelt in de lidstaat van de gereglementeerde markt waar de toelating tot de handel wordt gevraagd, op de in artikel 20, lid 2, beschreven wijze een document ter beschikking van het publiek waarvan de inhoud met artikel 7 in overeenstemming is en dat is opgesteld in een taal die wordt aanvaard door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de gereglementeerde markt waar de toelating wordt gevraagd. In het document wordt vermeld waar het meest recente prospectus te verkrijgen is en waar de uitgevende instelling de op grond van zijn doorlopende informatieverplichtingen gepubliceerde financiële informatie ter beschikking stelt.

6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin wordt vastgelegd welke informatie ten minste moet worden vermeld in de documenten die in lid 3, onder f) en g), en in lid 4, onder d) en e), van dit artikel worden bedoeld.

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "effecten": verhandelbare effecten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 44, van Richtlijn 2014/65/EU, met uitzondering van geldmarktinstrumenten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 17, van Richtlijn 2014/65/EU die een looptijd van minder dan twaalf maanden hebben;

b)  "effecten met een aandelenkarakter": aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen verhandelbare effecten, alsmede andere categorieën verhandelbare effecten die recht geven tot het verwerven van om het even welke van de eerstgenoemde effecten door middel van conversie of door uitoefening van de daaraan verbonden rechten, mits laatstgenoemde categorie effecten is uitgegeven door de uitgevende instelling die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven, of door een entiteit die tot de groep van die uitgevende instelling behoort;

c)  "effecten zonder aandelenkarakter": alle effecten die geen effecten met een aandelenkarakter zijn;

d)  "aanbieding van effecten aan het publiek": een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten. Deze definitie is ook van toepassing op de plaatsing van effecten via financiële intermediairs;

e)  "gekwalificeerde beleggers": personen of entiteiten die worden genoemd in afdeling I, punten 1 tot en met 4, van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU, en personen of entiteiten die op verzoek als professionele cliënten worden behandeld in overeenstemming met afdeling II van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU, of die als in aanmerking komende tegenpartijen in de zin van artikel 30 van Richtlijn 2014/65/EU worden erkend, tenzij zij hebben verzocht om als niet-professionele cliënten te worden behandeld. Beleggingsondernemingen en kredietinstellingen delen hun kwalificatie op verzoek aan de uitgevende instelling mede, onverminderd de relevante gegevensbeschermingswetgeving;

f)  "midden- en kleinbedrijf" (mkb):

–  ofwel ondernemingen die volgens hun meest recente jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening aan ten minste twee van de volgende drie criteria voldoen: een gemiddeld aantal werknemers gedurende het boekjaar van minder dan 250, een balanstotaal van ten hoogste 43 000 000 EUR en een jaarlijkse netto-omzet van ten hoogste 50 000 000 EUR; ofwel

–  kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van Richtlijn 2014/65/EU;

g)  "kredietinstelling": een onderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt (1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(18);

h)  "uitgevende instelling": een rechtspersoon die effecten uitgeeft of voornemens is effecten uit te geven;

i)  "aanbieder": een natuurlijke of rechtspersoon die effecten aan het publiek aanbiedt;

j)  "gereglementeerde markt" gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;

k)  "reclame-uiting": een aankondiging die

–  betrekking heeft op een specifieke aanbieding van effecten aan het publiek of op een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt;

–  gepubliceerd is door of namens de uitgevende instelling, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant; en

–  er specifiek op gericht is de mogelijke inschrijving op of aankoop van effecten te promoten;

l)  "gereglementeerde informatie": informatie die openbaar moet worden gemaakt door de uitgevende instelling of elke andere persoon die verzoekt om toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zonder de toestemming van de uitgevende instelling, overeenkomstig Richtlijn 2004/109/EG of de wet- en regelgeving of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die werden aangenomen krachtens artikel 2, lid 1, onder k), van die richtlijn en krachtens de artikelen 17 en 19 van Verordening (EU) nr. 596/2014;

m)  "lidstaat van herkomst":

(i)  voor alle uitgevende instellingen van effecten die in de Unie zijn gevestigd en die niet onder punt ii) vallen, de lidstaat waar de uitgevende instelling haar statutaire zetel heeft;

(ii)  ingeval het een uitgifte betreft van effecten zonder aandelenkarakter met een minimumcoupure van 1 000 EUR, en ingeval het een uitgifte betreft van effecten zonder aandelenkarakter die recht geven op het verwerven van verhandelbare effecten of op het ontvangen van een geldbedrag, als gevolg van de conversie daarvan of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten, op voorwaarde dat de uitgevende instelling van de effecten zonder aandelenkarakter niet de uitgevende instelling is die de onderliggende effecten heeft uitgegeven, of een entiteit die tot de groep van die uitgevende instelling behoort, de lidstaat waar de uitgevende instelling haar statutaire zetel heeft, dan wel de door de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel gekozen lidstaat waar de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn of zullen worden toegelaten of waar de effecten aan het publiek worden aangeboden. Hetzelfde geldt voor effecten zonder aandelenkarakter in een andere valuta dan de euro, mits de waarde van de minimumcoupure nagenoeg gelijk is aan 1 000 EUR;

(iii)  voor alle uitgevende instellingen van effecten die in een derde land zijn gevestigd en die niet onder punt ii) vallen, de door de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel gekozen lidstaat waar de effecten voor de eerste maal aan het publiek zullen worden aangeboden of waar het eerst toelating tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, onder voorbehoud dat de uitgevende instelling die in een derde land is gevestigd achteraf een keuze maakt in één van de volgende omstandigheden:

–  indien de lidstaat van herkomst niet volgens haar voorkeur is bepaald;

–  in overeenstemming met artikel 2, punt 1, onder i), iii), van Richtlijn 2004/109/EG;

n)  "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waar een aanbieding van effecten aan het publiek wordt gedaan of waar toelating tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd wanneer dit een andere lidstaat is dan de lidstaat van herkomst;

n bis)   "bevoegde autoriteit": de autoriteit die door elke lidstaat wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 29, tenzij anders bepaald in deze verordening;

o)  "instellingen voor collectieve belegging▌": instellingen voor collectieve belegging in verhandelbare effecten (icbe's), toegelaten in overeenstemming met artikel 5 van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(19) en alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(20);

p)  "rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging": de door een instelling voor collectieve belegging uitgegeven effecten waarin de rechten van de deelnemers op het vermogen van deze instelling zijn belichaamd;

q)  "goedkeuring": het positieve besluit bij het afronden van de controle door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid van de in het prospectus verstrekte informatie;

r)  "basisprospectus": een prospectus dat aan artikel 8 van deze verordening voldoet, en, naar keuze van de aanbieder, de definitieve voorwaarden van de aanbieding;

s)  "werkdagen" voor de toepassing van deze verordening: werkdagen van de betrokken bevoegde autoriteit, exclusief zaterdagen, zondagen en feestdagen, zoals gedefinieerd in de nationale wetgeving die op die bevoegde autoriteit van toepassing is;

t)  "multilaterale handelsfaciliteit": een multilateraal systeem in de zin van artikel 4, lid 1, punt 22, van Richtlijn 2014/65/EU;

u)  "mkb-groeimarkt": een mkb-groeimarkt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van Richtlijn 2014/65/EU;

v)  "uitgevende instelling van een derde land": een uitgevende instelling die in een derde land is gevestigd;

v bis)   "duurzame drager": ieder hulpmiddel:

(i)   dat een klant in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze achteraf gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd, en

(ii)   waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd.

2.  Teneinde rekening te houden met technische ontwikkelingen op de financiële markten is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot precisering van sommige technische elementen van de in lid 1 van dit artikel vastgelegde definities, uitgezonderd de in lid 1, onder f) gegeven definitie van "midden- en kleinbedrijf (mkb)", rekening houdend met de situatie op de verschillende nationale markten ▌, Uniewetgeving ▌en economische ontwikkelingen.

Artikel 3

Prospectusplicht en vrijstelling

1.  In de Unie worden alleen effecten aan het publiek aangeboden na voorafgaande publicatie van een prospectus overeenkomstig deze verordening.

2.  Onverminderd artikel 15 kan een lidstaat besluiten aanbiedingen van effecten aan het publiek vrij te stellen van de in lid 1 vervatte verplichting een prospectus te publiceren, op voorwaarde dat ▌de totale tegenwaarde van de aanbieding in de Unie minder is dan een over een periode van twaalf maanden berekend geldbedrag dat ten hoogste 5 000 000 EUR beloopt.

Openbare aanbiedingen die worden gedaan in het kader van de in de eerste alinea genoemde vrijstelling:

a)   komen niet in aanmerking voor de paspoortregeling als bedoeld in deze verordening en bijgevolg zijn de artikelen 23 en 24 niet van toepassing;

b)   bevatten een duidelijke vermelding dat de openbare aanbieding niet van grensoverschrijdende aard is; en

c)   pogen niet actief investeerders van buiten de in de eerste alinea vermelde lidstaat aan te trekken;

De lidstaten stellen de Commissie en de ESMA in kennis van elk overeenkomstig de eerste alinea genomen besluit en van de gekozen drempel voor de totale tegenwaarde die daarin wordt vermeld.

3.  Effecten worden alleen tot de handel op een in de Unie gevestigde gereglementeerde markt toegelaten na voorafgaande publicatie van een prospectus.

3 bis.   Om rekening te kunnen houden met wisselkoersbewegingen, met inbegrip van inflatie en wisselkoersen voor andere munteenheden dan de euro, kan de Commissie, door middel van gedelegeerde handelingen in overeenstemming met artikel 42, maatregelen vaststellen om de in lid 2 van dit artikel vastgelegde drempel te specificeren.

Artikel 4

Prospectus op vrijwillige basis

Indien een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt buiten de in artikel 1 gespecificeerde werkingssfeer van deze verordening valt, heeft een uitgevende instelling, een aanbieder of een aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt het recht op vrijwillige basis een prospectus of, in voorkomend geval, een EU-groeiprospectus in overeenstemming met deze verordening op te stellen.

Een dergelijke op vrijwillige basis opgestelde prospectus dat door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zoals bepaald overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder m), is goedgekeurd, brengt alle rechten en verplichtingen met zich mee die verbonden zijn aan een krachtens deze verordening vereiste prospectus, en is aan alle bepalingen van deze verordening onderworpen, onder het toezicht van de betrokken bevoegde autoriteit.

Artikel 5

Doorverkoop van effecten

Elke doorverkoop van effecten die voorheen het voorwerp waren van één of meer soorten aanbiedingen van effecten die ingevolge artikel 1, lid 3, onder a) tot en met d) van de werkingssfeer van deze verordening is uitgesloten, wordt als een afzonderlijke aanbieding aangemerkt en moet aan de definitie van artikel 2, lid 1, onder d), worden getoetst om uit te maken of het een aanbieding van effecten aan het publiek betreft. De plaatsing van effecten via financiële intermediairs wordt afhankelijk gesteld van de publicatie van een prospectus indien voor de definitieve plaatsing aan geen enkele van de voorwaarden van artikel 1, lid 3, onder a) tot en met d), is voldaan.

Bij een dergelijke doorverkoop van effecten of definitieve plaatsing van effecten via financiële intermediairs is geen aanvullend prospectus vereist zolang een geldig prospectus in de zin van artikel 12 beschikbaar is en de uitgevende instelling of de voor de opstelling van een dergelijk prospectus verantwoordelijke persoon bij schriftelijke overeenkomst in het gebruik ervan toestemt.

HOOFDSTUK II

OPSTELLING VAN HET PROSPECTUS

Artikel 6

Het prospectus

1.  Onverminderd artikel 14, lid 2, en artikel 17, lid 2, bevat het prospectus de relevante en noodzakelijke gegevens die een redelijk handelende belegger nodig zou hebben in verband met een belegging in effecten om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over:

a)   het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant; en

b)   de rechten die aan deze effecten verbonden zijn.

Deze gegevens worden opgesteld en gepresenteerd in een gemakkelijk te analyseren, bondige en begrijpelijke vorm en kunnen variëren afhankelijk van:

a)   de aard van de uitgevende instelling;

b)   het soort effecten;

c)   de omstandigheden van de uitgevende instelling;

d)   waar relevant, het type belegger dat wordt beoogd in de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel, de waarschijnlijke kennis van een dergelijke belegger en de markt waartoe de effecten worden toegelaten;

e)   eventuele gegevens die ter beschikking van beleggers worden gesteld naast vereisten die aan de uitgevende instelling van de effecten zijn opgelegd krachtens het Unierecht of het nationale recht of de regels van enige bevoegde overheid of handelsplatform via welke of waarop de effecten van de uitgevende instelling zijn genoteerd of toegelaten, die toegankelijk zijn via een officieel aangewezen mechanisme als bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2004/109/EG.

f)   de toepasbaarheid van een eventuele vereenvoudigde of proportionele openbaarmakingsregeling als bedoeld in artikel 14 en artikel 15;

2.  De uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt kan het prospectus in de vorm van één enkel document of in de vorm van afzonderlijke documenten opstellen.

In een uit afzonderlijke documenten bestaand prospectus wordt de vereiste informatie opgesplitst in een registratiedocument, een verrichtingsnota en een samenvatting, onverminderd artikel 8, lid 7, en artikel 7, lid 1, tweede alinea. Het registratiedocument bevat de gegevens over de uitgevende instelling. De verrichtingsnota bevat de gegevens over de effecten die aan het publiek worden aangeboden of waarvoor een aanvraag tot toelating tot de handel op een gereglementeerde markt is ingediend.

Artikel 7

De samenvatting van het prospectus

1.  Het prospectus bevat een samenvatting met de kerngegevens die beleggers nodig hebben om inzicht te verwerven in de aard en risico's van de uitgevende instelling, de garant en de effecten die worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, en die samen met de andere delen van het prospectus moet worden gelezen om de beleggers te helpen wanneer zij overwegen in die effecten te investeren.

In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea, is geen samenvatting vereist wanneer het prospectus betrekking heeft op de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van effecten zonder aandelenkarakter die alleen aan gekwalificeerde beleggers worden aangeboden.

2.  De inhoud van de samenvatting is accuraat, waarheidsgetrouw, duidelijk en niet misleidend. De inhoud van de samenvatting moet worden gelezen als een inleiding tot het prospectus en is in overeenstemming met de andere delen van het prospectus.

3.  De samenvatting wordt opgesteld in de vorm van een kort document dat bondig is geformuleerd en dat maximaal zes afgedrukte bladzijden van A4-formaat beslaat.

Uitsluitend in uitzonderlijke gevallen kan de bevoegde autoriteit de uitgevende instelling evenwel in staat stellen om een langere samenvatting op te stellen van maximaal 10 afgedrukte bladzijden van A4-formaat, wanneer de complexiteit van de activiteiten van de uitgevende instelling of de aard van de uitgave of de aard van de aangeboden effecten dit vereisen, en wanneer het risico bestaat dat het niet vermelden van de aanvullende informatie in de samenvatting misleiding van de belegger tot gevolg zou hebben.

De samenvatting wordt:

a)  op zodanige wijze gepresenteerd en vormgegeven dat zij gemakkelijk leesbaar is, met gebruik van tekens van leesbare grootte;

b)  geschreven in een zodanige taal en een zodanige stijl dat de informatie gemakkelijk kan worden begrepen, meer bepaald in een taalgebruik dat duidelijk, bondig en begrijpelijk is voor het betrokken type beleggers.

4.  De samenvatting bestaat uit de volgende vier afdelingen:

a)  een inleiding met algemene en specifieke waarschuwingen, ook voor het ergste geval waarin beleggers hun investering kunnen verliezen;

b)  kerngegevens over de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt;

c)  kerngegevens over de effecten;

d)  kerngegevens over de aanbieding en/of toelating tot de handel zelf.

5.  De inleiding op de samenvatting bevat:

a)   de naam en de internationale effectenidentificatienummers (ISIN) van de effecten;

b)   de identiteit en contactgegevens van de uitgevende instelling, met inbegrip van haar identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI);

c)   de identiteit en contactgegevens van de aanbieder, met inbegrip van zijn LEI als de aanbieder rechtspersoonlijkheid bezit, of van de aanvrager van de toelating tot de handel;

d)   de identiteit en contactgegevens van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de datum van het document.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea worden, wanneer het prospectus uit afzonderlijke documenten bestaat die door verschillende bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd, in de inleiding op de samenvatting de contactgegevens vermeld en verstrekt van al deze bevoegde autoriteiten.

De inleiding bevat de waarschuwing dat:

a)  de samenvatting moet worden gelezen als een inleiding op het prospectus;

b)  elke beslissing om in de effecten te beleggen, gebaseerd moet zijn op de bestudering van het gehele prospectus door de belegger;

c)  wanneer een vordering met betrekking tot de informatie in een prospectus bij een rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt, de belegger die als eiser optreedt volgens de nationale wetgeving van de lidstaten eventueel de kosten voor de vertaling van het prospectus moet dragen voordat de rechtsvordering wordt ingesteld;

d)  alleen de personen die de samenvatting, met inbegrip van een vertaling ervan, hebben ingediend, wettelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld indien de samenvatting, wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen, misleidend, onjuist of inconsistent is, of indien zij, wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen, niet de kerngegevens bevat om beleggers te helpen wanneer zij overwegen in die effecten te beleggen.

6.  De in lid 4, onder b), bedoelde afdeling bevat de volgende informatie:

a)  in een onderafdeling met als titel "Wie is de uitgevende instelling van de effecten?", een beknopte beschrijving van de uitgevende instelling van de effecten, met vermelding van ten minste de volgende gegevens:

–  de vestigingsplaats en rechtsvorm van de uitgevende instelling, haar LEI, de wetgeving waaronder zij werkt en het land van oprichting van de uitgevende instelling;

–  haar hoofdactiviteiten;

–  haar voornaamste aandeelhouders, met vermelding of zij rechtstreeks of middellijk eigendom is of onder de zeggenschap staat van anderen, en zo ja van wie;

–  de identiteit van haar voornaamste uitvoerende directeuren en raad van bestuur;

–  de identiteit van haar wettelijke auditors;

b)  in een onderafdeling met als titel "Wat zijn de financiële kerngegevens over de uitgevende instelling?", een selectie van historische financiële kerngegevens, in voorkomend geval met inbegrip van pro forma informatie voor elk boekjaar van het door de historische financiële gegevens bestreken tijdvak en voor elke latere tussentijdse verslagperiode, samen met vergelijkende gegevens voor dezelfde periode van het voorafgaande boekjaar. Aan het vereiste inzake het verstrekken van vergelijkende balansgegevens is voldaan wanneer de gegevens uit de eindbalans voor dat jaar worden vermeld;

c)  in een onderafdeling met als titel "Wat zijn de voornaamste risico's die eigen zijn aan de uitgevende instelling?", een beknopte beschrijving van niet meer dan tien van de belangrijkste risicofactoren die eigen zijn aan de in het prospectus opgenomen uitgevende instelling, waaronder met name operationele en beleggingsrisico's.

7.  De in lid 4, onder c), bedoelde afdeling bevat de volgende informatie:

a)  in een onderafdeling met als titel "Wat zijn de hoofdkenmerken van de effecten?", een beknopte beschrijving van de effecten die worden aangeboden en/of tot de handel worden toegelaten, met vermelding van ten minste de volgende gegevens:

–  type en klasse van de effecten, hun ISIN, een eventueel effectenidentificatienummer, de munteenheid waarin zij worden uitgegeven, de coupure, de nominale waarde, het aantal uitgegeven effecten en de looptijd van de effecten;

–  de aan de effecten verbonden rechten;

–  de relatieve rangorde van de effecten in de kapitaalstructuur van de uitgevende instelling in geval van insolventie van de uitgevende instelling, inclusief, in voorkomend geval, informatie over het niveau van achterstelling van de effecten en de behandeling ervan in geval van afwikkeling uit hoofde van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken;

–  eventuele beperkingen van de vrije verhandelbaarheid van de effecten;

–  in voorkomend geval, het dividend- of uitkeringsbeleid;

b)  in een onderafdeling met als titel "Waar zullen de effecten worden verhandeld?", een vermelding of voor de aangeboden effecten de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit is of zal worden aangevraagd, met opgave van alle markten waarop de effecten worden of zullen worden verhandeld;

c)  in een onderafdeling met als titel "Is er een garantie aan de effecten verbonden?", een beknopte beschrijving van de aard en de draagwijdte van een eventuele garantie, alsook een beknopte beschrijving van de garant, met inbegrip van zijn LEI.

d)  in een onderafdeling met als titel "Wat zijn de voornaamste risico's die eigen zijn aan de effecten?", een beknopte beschrijving van niet meer dan tien van de in het prospectus weergegeven belangrijkste risicofactoren die eigen zijn aan de effecten.

Indien er overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad(21) een essentiële-informatiedocument moet worden opgesteld, mag de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel de in dit lid beschreven inhoud vervangen door de informatie beschreven in artikel 8, lid 3, onder b) tot en met i), van Verordening (EU) nr. 1286/2014. In dat geval en indien één enkele samenvatting betrekking heeft op meerdere effecten die alleen op een aantal zeer beperkte punten, zoals de uitgifteprijs of de vervaldatum, van elkaar verschillen wordt overeenkomstig artikel 8, lid 8, laatste alinea, de in lid 3 vastgelegde maximale lengte voor elk additioneel effect met 3 extra bladzijden van A4-formaat verlengd.

8.  De in lid 4, onder d), bedoelde afdeling bevat de volgende informatie:

a)  in een onderafdeling met als titel "Volgens welke voorwaarden en welk tijdschema kan ik in dit effect beleggen?", in voorkomend geval, de algemene voorwaarden en het verwachte tijdschema van de aanbieding, de gedetailleerde gegevens over de toelating tot de handel, het plan voor het op de markt brengen van de effecten, het bedrag en het percentage van de onmiddellijke verwatering die uit de aanbieding voortvloeit, en een raming van de totale kosten van de uitgifte en/of aanbieding, met inbegrip van de geraamde kosten die door de uitgevende instelling of de aanbieder aan de belegger worden aangerekend;

b)  in een onderafdeling met als titel "Waarom heeft de uitgevende instelling dit prospectus opgesteld?", een beknopte toelichting van de redenen voor de aanbieding of voor de toelating tot de handel, alsook van de bestemming en het geraamde nettobedrag van de opbrengsten.

9.  In elk van de in de leden 6, 7 en 8 beschreven afdelingen kan de uitgevende instelling subrubrieken toevoegen indien zulks noodzakelijk wordt geacht.

10.  In de samenvatting komen geen verwijzingen naar andere delen van het prospectus voor en wordt evenmin informatie door middel van verwijzing opgenomen.

11.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot precisering van de inhoud en opmaak van de in lid 6, onder b), bedoelde historische financiële kerngegevens, rekening houdend met de diverse soorten effecten en uitgevende instellingen en ervoor zorgend dat de geproduceerde informatie beknopt, bondig en begrijpelijk is.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 8

Het basisprospectus

1.  Voor effecten zonder aandelenkarakter mag het prospectus, naar keuze van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, bestaan uit een basisprospectus met de relevante informatie betreffende de uitgevende instelling en de effecten die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten.

2.  Een basisprospectus bevat de volgende informatie:

a)  een lijst van de gegevens die in de definitieve voorwaarden van de aanbieding zullen worden vermeld;

b)  een modelformulier met als titel "Formulier met de definitieve voorwaarden", dat voor elke individuele uitgifte moet worden ingevuld;

c)  het adres van de website waarop de definitieve voorwaarden zullen worden gepubliceerd.

3.  De definitieve voorwaarden worden gepresenteerd in de vorm van een afzonderlijk document of worden in het basisprospectus of een document ter aanvulling daarvan opgenomen. De definitieve voorwaarden worden gepresenteerd in een gemakkelijk te analyseren en begrijpelijke vorm.

De definitieve voorwaarden bevatten uitsluitend gegevens die betrekking hebben op de verrichtingsnota en worden niet gebruikt om het basisprospectus aan te vullen. In dergelijke gevallen is artikel 17, lid 1, onder a), van toepassing.

4.  Indien de definitieve voorwaarden niet in het basisprospectus en evenmin in een document ter aanvulling daarvan worden vermeld, worden zij overeenkomstig artikel 20 door de uitgevende instelling ter beschikking van het publiek gesteld en bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst gedeponeerd zodra dit doenlijk is vóór de aanvang van de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel.

In de definitieve voorwaarden wordt op duidelijke en opvallende wijze vermeld:

a)  dat de definitieve voorwaarden zijn opgesteld om te voldoen aan deze verordening en samen met het basisprospectus en het (de) document(en) ter aanvulling daarvan moeten worden gelezen om alle relevante informatie te verkrijgen;

b)  waar het basisprospectus en het (de) document(en) ter aanvulling daarvan overeenkomstig artikel 20 worden gepubliceerd;

c)  dat een samenvatting van de individuele uitgifte aan de definitieve voorwaarden is gehecht.

5.  Een basisprospectus kan worden opgesteld in de vorm van één enkel document of in de vorm van afzonderlijke documenten.

Ingeval de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt voordien een registratiedocument voor een specifiek type effect zonder aandelenkarakter, dan wel een universeel registratiedocument in de zin van artikel 9 heeft gedeponeerd en in een later stadium verkiest een basisprospectus op te stellen, bevat het basisprospectus het volgende:

a)  de informatie die in het registratiedocument of in het universele registratiedocument is opgenomen;

b)  de informatie die anders in de desbetreffende verrichtingsnota zou zijn opgenomen, met uitzondering van de definitieve voorwaarden indien deze niet in het basisprospectus zijn opgenomen.

6.  Er is een duidelijke scheiding aangebracht tussen de in een basisprospectus vervatte specifieke informatie over elk van de verschillende effecten.

7.  Er wordt pas een samenvatting opgesteld wanneer de definitieve voorwaarden overeenkomstig lid 3 zijn opgenomen in het basisprospectus, zijn goedgekeurd of gedeponeerd en een dergelijke samenvatting heeft specifiek betrekking op de individuele uitgifte.

8.  De samenvatting van de individuele uitgifte is aan dezelfde vereisten onderworpen als die welke voor de definitieve voorwaarden gelden en in dit artikel zijn vastgelegd, en wordt aan deze definitieve voorwaarden gehecht.

De samenvatting van de individuele uitgifte voldoet aan artikel 7 en bevat de kerngegevens van het basisprospectus en van de definitieve voorwaarden. Zij bevat het volgende:

a)  de uitsluitend voor de individuele uitgifte relevante informatie van het basisprospectus, met inbegrip van de essentiële gegevens over de uitgevende instelling;

b)  de opties in het basisprospectus die alleen relevant zijn voor de individuele uitgifte zoals bepaald in de definitieve voorwaarden;

c)  de in de definitieve voorwaarden vermelde relevante informatie die in het basisprospectus was opengelaten.

Wanneer de definitieve voorwaarden betrekking hebben op meerdere effecten die alleen op een aantal zeer beperkte punten, zoals de uitgifteprijs of de vervaldatum, van elkaar verschillen, kan voor al deze effecten een enkele samenvatting van de individuele uitgifte worden aangehecht, op voorwaarde dat er tussen de gegevens betreffende de verschillende effecten een duidelijke scheiding is aangebracht.

9.  Overeenkomstig artikel 22 wordt de in het basisprospectus vervatte informatie indien nodig aangevuld met geactualiseerde gegevens over de uitgevende instelling en over de effecten die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten.

10.  Een aanbieding aan het publiek kan worden voortgezet na het vervallen van het basisprospectus op grond waarvan zij was aangevat, mits uiterlijk op de laatste dag waarop het eerdere basisprospectus geldig was, een vervangend basisprospectus wordt goedgekeurd. Op de eerste bladzijde van de definitieve voorwaarden van een dergelijke aanbieding wordt daar op opvallende wijze voor gewaarschuwd, met vermelding van de laatste dag van de geldigheid van het eerdere basisprospectus en van de plaats waar het vervangend basisprospectus zal worden gepubliceerd. In het vervangend basisprospectus komt het formulier met de definitieve voorwaarden van het initiële basisprospectus voor of is dat daarin opgenomen door middel van verwijzing, en wordt verwezen naar de definitieve voorwaarden die relevant zijn voor de voortgezette aanbieding.

Het bij artikel 22, lid 2, verleende recht tot intrekking geldt ook voor beleggers die tijdens de geldigheidstermijn van het eerdere basisprospectus aanvaard hebben de effecten te kopen of op de effecten in te schrijven, tenzij de effecten reeds aan hen zijn geleverd.

Artikel 9

Het universele registratiedocument

1.  Een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in een lidstaat heeft en waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit zijn toegelaten, mag elk boekjaar een registratiedocument opstellen in de vorm van een universeel registratiedocument met een beschrijving van de organisatie, bedrijfsactiviteiten, financiële positie, winsten, vooruitzichten en governance- en aandeelhoudersstructuur van de instelling.

2.  Een uitgevende instelling die ervoor kiest elk boekjaar een universeel registratiedocument op te stellen, legt dit volgens de procedure van artikel 19, leden 2, 4 en 5 ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst

Nadat de bevoegde autoriteit gedurende twee jaar op rij elk boekjaar een universeel registratiedocument van de uitgevende instelling heeft goedgekeurd, mogen daaropvolgende universele registratiedocumenten of aanpassingen van dergelijke universele registratiedocumenten zonder voorafgaande goedkeuring bij de bevoegde autoriteit worden gedeponeerd, tenzij deze wijzigingen betrekking hebben op een niet-vermelding van informatie, of een materiële vergissing of materiële onnauwkeurigheid die het publiek zou kunnen misleiden in verband met de feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om een verantwoord oordeel over de uitgevende instelling te kunnen vormen.

Indien de uitgevende instelling daarna in een boekjaar nalaat een universeel registratiedocument te deponeren, komt het voordeel om zonder goedkeuring te deponeren te vervallen en worden alle daaropvolgende universele registratiedocumenten ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit voorgelegd totdat wederom aan de voorwaarde van de tweede alinea is voldaan.

3.  Uitgevende instellingen die vóór de toepassingsdatum van deze verordening beschikten over een overeenkomstig bijlage I of XI bij Verordening (EG) nr. 809/2004(22) opgesteld registratiedocument dat gedurende ten minste drie jaar op rij door een bevoegde autoriteit was goedgekeurd, en die daarna elk jaar overeenkomstig artikel 12, lid 3, van Richtlijn 2003/71/EG een dergelijk registratiedocument hebben gedeponeerd of hebben laten goedkeuren, mogen vanaf de toepassingsdatum van deze verordening overeenkomstig lid 2, tweede alinea, een universeel registratiedocument zonder voorafgaande goedkeuring deponeren.

4.  Zodra zowel het universele registratiedocument als de in de leden 7 en 9 bedoelde wijzigingen daarvan zijn goedgekeurd of zonder goedkeuring zijn gedeponeerd, worden deze onverwijld openbaar gemaakt volgens de in artikel 20 beschreven regelingen.

5.  Het universele registratiedocument voldoet aan de taalvereisten van artikel 25.

6.  In een universeel registratiedocument mag informatie worden opgenomen door middel van verwijzing, mits de voorwaarden van artikel 18 in acht worden genomen.

7.  Na de deponering of goedkeuring van een universeel registratiedocument mag de uitgevende instelling de daarin vervatte informatie te allen tijde actualiseren door een wijziging in haar universele registratiedocument bij de bevoegde autoriteit te deponeren.

8.  De bevoegde autoriteit kan te allen tijde overgaan tot de toetsing van zowel de inhoud van een universeel registratiedocument dat zonder voorafgaande goedkeuring is gedeponeerd, als van de inhoud van de wijzigingen die daarin zijn aangebracht.

De toetsing door de bevoegde autoriteit bestaat in de controle van de volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid van de informatie die in het universele registratiedocument en in de wijzigingen daarvan wordt verstrekt.

9.  Indien de bevoegde autoriteit in het kader van de toetsing tot de bevinding komt dat het universele registratiedocument niet aan de normen inzake volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid voldoet en/of dat er wijzigingen of aanvullende gegevens zijn vereist, stelt zij de uitgevende instelling daarvan in kennis.

De uitgevende instelling hoeft pas in het volgende universele registratiedocument dat voor het volgende boekjaar wordt gedeponeerd met een door de bevoegde autoriteit tot de uitgevende instelling gericht verzoek tot wijziging of tot het verstrekken van aanvullende gegevens rekening te houden, tenzij de uitgevende instelling het universele registratiedocument als een onderdeel van een ter goedkeuring voorgelegd prospectus wenst te gebruiken. In dat geval deponeert de uitgevende instelling uiterlijk bij de indiening van de in artikel 19, lid 5, bedoelde aanvraag een wijziging van het universele registratiedocument.

In afwijking van de tweede alinea deponeert de uitgevende instelling onverwijld een wijziging van het universele registratiedocument indien de bevoegde autoriteit de uitgevende instelling ervan in kennis stelt dat haar wijzigingsverzoek betrekking heeft op een niet-vermelding van informatie of een materiële vergissing of onjuistheid die het publiek zou kunnen misleiden in verband met de feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om zich een verantwoord oordeel over de uitgevende instelling te kunnen vormen.

10.  De bepalingen van de leden 7 en 9 zijn uitsluitend van toepassing wanneer het universele registratiedocument niet als een onderdeel van een prospectus wordt gebruikt. Telkens als een universeel registratiedocument als een onderdeel van een prospectus wordt gebruikt, zijn alleen de voorschriften van artikel 22 voor het aanvullen van het prospectus van toepassing tussen het tijdstip waarop het prospectus wordt goedgekeurd en het tijdstip van de definitieve afsluiting van de aanbieding aan het publiek of, al naargelang het geval, het tijdstip waarop de handel op een gereglementeerde markt aanvangt, indien dat later valt.

11.  Een uitgevende instelling die aan de in lid 2, eerste en tweede alinea, dan wel in lid 3 beschreven voorwaarden voldoet, heeft de status van uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft, en geniet het voordeel van het in artikel 19, lid 5, beschreven snellere goedkeuringsproces, op voorwaarde dat:

a)  de uitgevende instelling bij de deponering of voorlegging ter goedkeuring van elk universeel registratiedocument een schriftelijke bevestiging aan de bevoegde autoriteit verstrekt dat alle gereglementeerde informatie die overeenkomstig Richtlijn 2004/109/EG, indien toepasselijk, en Verordening (EU) nr. 596/2014 moet worden verstrekt, overeenkomstig de vereisten van deze handelingen is gedeponeerd en gepubliceerd; en

b)  indien de bevoegde autoriteit tot de in lid 8 bedoelde toetsing overgaat, de uitgevende instelling haar universele registratiedocument wijzigt volgens de in lid 9 beschreven regelingen.

Indien de uitgevende instelling niet aan één van de bovengenoemde voorwaarden voldoet, komt de status van uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft, te vervallen.

12.  Indien het bij de bevoegde autoriteit gedeponeerde of door de bevoegde autoriteit goedgekeurde universele registratiedocument uiterlijk vier maanden na het einde van het boekjaar openbaar wordt gemaakt en de informatie bevat die in het in artikel 4 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad(23) bedoelde jaarlijkse financiële verslag moet worden verstrekt, wordt de uitgevende instelling geacht te hebben voldaan aan haar verplichting om het krachtens genoemd artikel vereiste jaarlijkse financiële verslag openbaar te maken.

Indien het universele registratiedocument, of een wijziging daarvan, bij de bevoegde autoriteit wordt gedeponeerd of door de bevoegde autoriteit wordt goedgekeurd en uiterlijk drie maanden na het einde van de eerste zes maanden van het boekjaar openbaar wordt gemaakt en de informatie bevat die in het in artikel 5 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde halfjaarlijkse financiële verslag moet worden verstrekt, wordt de uitgevende instelling geacht te hebben voldaan aan haar verplichting om het krachtens genoemd artikel vereiste halfjaarlijkse financiële verslag openbaar te maken.

In de in de eerste of tweede alinea beschreven gevallen:

a)  neemt de uitgevende instelling in het universele registratiedocument een lijst met kruisverwijzingen op waarin wordt aangegeven waar elk in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen te vermelden punt in het universele registratiedocument te vinden is;

b)  deponeert de uitgevende instelling het universele registratiedocument in overeenstemming met artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG en stelt zij dit ter beschikking van het in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde officieel aangewezen mechanisme;

c)  neemt de uitgevende instelling in het universele registratiedocument een verantwoordelijkheidsverklaring op in de bewoordingen voorgeschreven bij artikel 4, lid 2, onder c), en artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2004/109/EG.

13.  Lid 12 is alleen van toepassing als de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling voor de toepassing van deze verordening ook de lidstaat van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2004/109/EG is, en als de taal van het universele registratiedocument aan de voorwaarden van artikel 20 van Richtlijn 2004/109/EG voldoet.

14.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot precisering zowel van de procedure voor het controleren, goedkeuren, deponeren en toetsen van het universele registratiedocument, als van de voorwaarden voor de wijziging ervan en de voorwaarden waaronder de status van uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft, kan komen te vervallen.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 10

Het uit afzonderlijke documenten bestaande prospectus

1.  Van een uitgevende instelling die reeds in het bezit is van een registratiedocument dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, wordt enkel nog verlangd dat zij de verrichtingsnota en de samenvatting opstelt wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. In dat geval worden de verrichtingsnota en de samenvatting afzonderlijk goedgekeurd.

Indien er sinds de goedkeuring van het registratiedocument een met de informatie in het registratiedocument verband houdende belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onjuistheid is geconstateerd die op de beoordeling van de effecten van invloed kan zijn, wordt er tegelijk met de verrichtingsnota en de samenvatting een document ter aanvulling van het registratiedocument ter goedkeuring voorgelegd. Het bij artikel 22, lid 2, verleende recht om aanvaardingen in te trekken, is in dat geval niet van toepassing.

Het registratiedocument en het document ter aanvulling daarvan, indien toepasselijk, vergezeld van de verrichtingsnota en de samenvatting vormen een prospectus zodra de bevoegde autoriteit daaraan haar goedkeuring heeft gehecht.

2.  Van een uitgevende instelling die reeds in het bezit is van een universeel registratiedocument dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, of die een universeel registratiedocument zonder voorafgaande goedkeuring heeft gedeponeerd krachtens artikel 9, lid 2, tweede alinea, wordt enkel nog verlangd dat zij de verrichtingsnota en de samenvatting opstelt wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. In dat geval worden de verrichtingsnota, de samenvatting en alle wijzigingen in het universele registratiedocument die sinds de goedkeuring of de deponering van het universele registratiedocument zijn gedeponeerd, afzonderlijk goedgekeurd, uitgezonderd wijzigingen of aanvullingen op het universele registratiedocument van een veelvuldig uitgevende instelling overeenkomstig artikel 19, lid 5.

Indien een uitgevende instelling een universeel registratiedocument zonder goedkeuring heeft gedeponeerd, moet de gehele documentatie, met inbegrip van wijzigingen in het universele registratiedocument, worden goedgekeurd, ondanks het feit dat deze documenten afzonderlijk blijven.

Het overeenkomstig artikel 9, leden 7 of 9, gewijzigde universele registratiedocument, vergezeld van de verrichtingsnota en de samenvatting vormen een prospectus zodra de bevoegde autoriteit daaraan haar goedkeuring heeft gehecht.

Artikel 11

Verantwoordelijkheid voor het prospectus

1.  De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie berust bij de uitgevende instelling of bij haar leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, ingeval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.

2.  De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die voor de in het prospectus verstrekte informatie verantwoordelijk zijn.

De lidstaten dragen er evenwel ook zorg voor dat een persoon niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van de samenvatting alleen, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen, of tenzij deze, in combinatie met de andere delen van het prospectus, niet de kerngegevens bevat om beleggers te helpen wanneer zij overwegen in die effecten te beleggen. De samenvatting bevat daartoe een duidelijke waarschuwing.

3.  Alleen in de gevallen waarin een universeel registratiedocument als een onderdeel van een goedgekeurd prospectus wordt gebruikt, berust de verantwoordelijkheid voor de in een universeel registratiedocument verstrekte informatie bij de in lid 1 bedoelde personen. Dit geldt onverminderd de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG indien de krachtens deze artikelen te verstrekken informatie in een universeel registratiedocument is opgenomen.

Artikel 12

Geldigheidsduur van een prospectus, basisprospectus en registratiedocument

1.  Een prospectus of een basisprospectus, hetzij in de vorm van één enkel document, hetzij in de vorm van afzonderlijke documenten, is gedurende twaalf maanden na de goedkeuring ervan geldig voor aanbiedingen aan het publiek of toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt, mits het wordt aangevuld met overeenkomstig artikel 22 vereiste documenten ter aanvulling van het prospectus.

Indien een prospectus of een basisprospectus uit afzonderlijke documenten bestaat, vangt de geldigheid ervan aan na goedkeuring van de verrichtingsnota.

2.  Een registratiedocument, met inbegrip van een universeel registratiedocument in de zin van artikel 9, dat eerder is gedeponeerd of goedgekeurd, is twaalf maanden na de deponering of goedkeuring ervan geldig voor gebruik als een onderdeel van een prospectus.

Het einde van de geldigheid van een dergelijk registratiedocument laat de geldigheid onverlet van een prospectus waarvan het een onderdeel vormt.

HOOFDSTUK III

INHOUD EN VORM VAN HET PROSPECTUS

Artikel 13

Minimuminformatie en vorm

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de vorm van het prospectus, het basisprospectus en de definitieve voorwaarden, alsook de schema's met de specifieke gegevens die in een prospectus moeten worden opgenomen en welke erop gericht zijn te vermijden dat tweemaal dezelfde informatie wordt verstrekt wanneer een prospectus uit afzonderlijke documenten bestaat.

Bij het opstellen van de verschillende prospectusschema's wordt met name rekening gehouden met het volgende:

a)  de verschillen in door beleggers verlangde gegevens met betrekking tot effecten met een aandelenkarakter in vergelijking met effecten zonder aandelenkarakter; er wordt een consistente aanpak gevolgd ten aanzien van de in een prospectus te verstrekken gegevens over effecten met eenzelfde economische opzet, zoals met name derivaten;

b)  de verschillende categorieën en kenmerken van aanbiedingen en toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt van effecten zonder aandelenkarakter;

c)  de vorm van en de te verstrekken gegevens in basisprospectussen betreffende effecten zonder aandelenkarakter, met inbegrip van alle vormen van warrants;

d)  indien van toepassing, het publieke karakter van de uitgevende instelling;

e)  indien van toepassing, het specifieke karakter van de activiteiten van de uitgevende instelling;

De Commissie ontwerpt met name twee sets van afzonderlijke en inhoudelijk verschillende prospectusschema's met de informatievereisten zoals die gelden voor effecten zonder aandelenkarakter, afgestemd op de verschillende categorieën beleggers - gekwalificeerd of niet-gekwalificeerd – tot wie het aanbod zich richt, rekening houdend met de verschillende informatiebehoeften onder die beleggers.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast tot vastlegging van het schema met de minimuminformatie die in het universele registratiedocument moet worden opgenomen, alsook van een specifiek schema voor het universele registratiedocument van kredietinstellingen.

Een dergelijk schema garandeert dat het universele registratiedocument alle noodzakelijke informatie over de uitgevende instelling bevat, zodat hetzelfde universele registratiedocument eveneens kan worden gebruikt voor een volgende aanbieding aan het publiek of toelating tot de handel van aandelen, obligaties of derivaten. Wat de financiële informatie, de bedrijfsresultaten, de financiële toestand en vooruitzichten en de corporate governance betreft, wordt de desbetreffende informatie zoveel mogelijk gelijkgetrokken met de informatie die in de in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen, met inbegrip van het bestuursverslag en de verklaring inzake corporate governance, openbaar moet worden gemaakt.

3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde gedelegeerde handelingen worden gebaseerd op de standaarden op het gebied van financiële en niet-financiële informatie die door de internationale effectentoezichthouders, en meer in het bijzonder door de International Organisation of Securities Commissions (IOSCO), zijn neergelegd, en op de bijlagen I, II en III bij deze verordening. Deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [6 maanden voor de toepassingsdatum van deze verordening] vastgesteld.

Artikel 14

Vereenvoudigde openbaarmakingsregeling voor secundaire uitgiften

1.  De volgende personen kunnen er bij een aanbieding van effecten aan het publiek of bij een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt voor kiezen een vereenvoudigde prospectus op te stellen volgens de vereenvoudigde openbaarmakingsregeling voor secundaire uitgiften:

a)  uitgevende instellingen waarvan reeds gedurende ten minste 18 maanden effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een mkb-groeimarkt of een MTF, niet zijnde een mkb-groeimarkt, met openbaarmakingsvereisten die equivalent zijn aan ten minste de vereisten voor een mkb-groeimarkt zoals gespecificeerd in artikel 33, lid 3, (d), (e), (f) en (g) van de MiFID, en die meerdere effecten van dezelfde klasse uitgeven;

b)  uitgevende instellingen waarvan reeds gedurende ten minste 18 maanden effecten met een aandelenkarakter zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een mkb-groeimarkt of een MTF, niet zijnde een mkb-groeimarkt, met openbaarmakingsvereisten die equivalent zijn aan ten minste de vereisten voor een mkb-groeimarkt zoals gespecificeerd in artikel 33, lid 3, (d), (e), (f) en (g) van de MiFID, en die effecten zonder aandelenkarakter uitgeven;

c)  aanbieders van een klasse van effecten die reeds gedurende ten minste 18 maanden zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een mkb-groeimarkt of een MTF, niet zijnde een mkb-groeimarkt, met openbaarmakingsvereisten die equivalent zijn aan ten minste de vereisten voor een mkb-groeimarkt zoals gespecificeerd in artikel 33, lid 3, (d), (e), (f) en (g) van de MiFID.

Het vereenvoudigde prospectus als bedoeld in de eerste alinea bestaat uit een samenvatting overeenkomstig artikel 7, een specifiek registratiedocument dat door de onder a), b) en c) bedoelde personen mag worden gebruikt en een specifieke verrichtingsnota die door de onder a) en c) bedoelde personen mag worden gebruikt.

Ten behoeve van de punten a), b) en c) van de eerste alinea publiceert de ESMA een lijst met MTF's, niet zijnde een mkb-groeimarkt, met openbaarmakingsvereisten die equivalent zijn aan ten minste de vereisten voor een mkb-groeimarkt zoals gespecificeerd in artikel 33, lid 3, (d), (e), (f) en (g) van de MiFID, en werkt deze geregeld bij.

2.  Overeenkomstig de beginselen van artikel 6, lid 1, en onverminderd artikel 17, lid 2, bevat het in lid 1 vermelde vereenvoudigde prospectus de relevante verkorte informatie die een belegger redelijkerwijs nodig heeft in verband met een secundaire uitgifte om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over:

a)   de vooruitzichten van de uitgevende instelling en van een eventuele garant, op basis van ▌financiële informatie die rechtstreeks of door middel van verwijzing in het prospectus is opgenomen en die enkel het laatste boekjaar betreft,

b)   de aan de effecten verbonden rechten;

c)   de redenen voor de uitgifte en het effect daarvan op de uitgevende instelling, in het bijzonder een verklaring over het werkkapitaal, de openbaarmaking van kapitalisatie en schuldenlast, het effect op de totale kapitaalstructuur en een beknopte samenvatting van relevante informatie die krachtens Verordening (EU) nr. 596/2014 openbaar is gemaakt sinds de datum van de laatste uitgifte.

De samenvatting verstrekt alleen de relevante informatie die volgens de vereenvoudigde openbaarmakingsregeling voor secundaire uitgiften vereist is.

De in het in lid 1 bedoelde vereenvoudigde prospectus vervatte informatie wordt opgesteld en gepresenteerd in een gemakkelijk te analyseren, bondige en begrijpelijke vorm en stelt beleggers in staat met kennis van zaken een beleggingsbeslissing te nemen.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast tot precisering van de in lid 2 bedoelde verkorte informatie die moet worden opgenomen in de schema's die volgens de in lid 1 bedoelde vereenvoudigde openbaarmakingsregeling van toepassing zijn.

Bij de nadere specificatie van de verkorte informatie die moet worden opgenomen in de schema's die volgens de in lid 1 bedoelde vereenvoudigde openbaarmakingsregeling van toepassing zijn houdt de Commissie rekening met de noodzaak de toegang tot kapitaalmarkten te versoepelen, de kosten van kapitaal te verlagen en de toegang ertoe te verruimen, alsook met de informatie die een uitgevende instelling al overeenkomstig Richtlijn 2004/109/EG, indien toepasselijk, en Verordening (EU) nr. 596/2014 openbaar moet maken. Om uitgevende instellingen niet onnodig te belasten, stemt de Commissie de vereisten zodanig af dat zij informatie opleveren die wezenlijk en relevant is voor secundaire uitgiften en evenredig zijn.

Deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [6 maanden voor de toepassingsdatum van deze verordening] vastgesteld.

Artikel 15

Het EU-groeiprospectus

1.  De volgende entiteiten mogen bij een aanbieding van effecten aan het publiek een EU-groeiprospectus opstellen volgens de in dit artikel vervatte evenredige openbaarmakingsregeling, behalve wanneer de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zullen worden toegelaten.

a)   kleine en middelgrote ondernemingen;

b)   uitgevende instellingen die geen kleine en middelgrote onderneming zijn, wanneer de aanbieding aan het publiek betrekking heeft op effecten die tot de handel op een MKB-groeimarkt moeten worden toegelaten

c)   andere uitgevende instellingen dan vermeld onder de punten a) en b), wanneer de aanbieding van effecten aan het publiek een totale tegenwaarde in de Unie heeft van niet meer dan 20 000 000 EUR, berekend over een periode van 12 maanden.

Een overeenkomstig dit artikel goedgekeurd prospectus is geldig voor elke aanbieding van effecten aan het publiek in een onbeperkt aantal ontvangende lidstaten, volgens de in de artikelen 23, 24 en 25 genoemde voorwaarden.

Een EU-groeiprospectus volgens de in de eerste alinea vermelde evenredige openbaarmakingsregeling is een gestandaardiseerd document dat eenvoudig door de uitgevende instellingen kan worden vervaardigd.

1 bis.   Het EU-groeiprospectus bevat de volgende drie essentiële elementen:

a)   essentiële informatie over de uitgevende instelling, zoals:

(i)   de naam van de uitgevende instelling en de personen die verantwoordelijk zijn voor het prospectus;

(ii)   zakelijk overzicht, huidige handelsplannen en vooruitzichten van de uitgevende instelling;

(iii)   risicofactoren met betrekking tot de uitgevende instelling;

(iv)   financiële informatie die met verwijzing kan worden ingevoegd;

b)   essentiële informatie over de effecten, zoals:

(i)   het aantal en de aard van de effecten die onder de aanbieding vallen;

(ii)   de voorwaarden van de effecten en een beschrijving van de eventueel aan de effecten verbonden rechten;

(iii)   risicofactoren met betrekking tot de effecten;

c)   essentiële informatie over de aanbieding, zoals:

(i)   de voorwaarden van de aanbieding, waaronder de uitgifteprijs;

(ii)   de redenen voor de aanbieding en de beoogde aanwending van de netto opbrengst;

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast tot precisering van de verkorte inhoud en de vorm die specifiek zijn voor het in de leden 1 en 1 bis vermelde gestandaardiseerde EU-groeiprospectus. In deze handelingen wordt gepreciseerd welke informatie in de prospectusschema’s moet worden opgenomen in eenvoudige taal, waarbij tekstgedeelten zonodig door middel van verwijzing kunnen worden ingevoegd.

Bij de nadere beschrijving van de verkorte inhoud en de vorm van het gestandaardiseerde EU-Groeiprospectus zorgt de Commissie ervoor dat de informatievereisten gericht zijn op:

a)   informatie die wezenlijk en relevant is bij het doen van een belegging in de voor beleggers uitgegeven effecten;

b)   de vereiste om te zorgen voor evenredigheid tussen de omvang van de onderneming en haar behoefte aan financiële middelen; en

c)   de kostprijs voor het vervaardigen van een prospectus.

Daarbij houdt de Commissie rekening met het volgende:

–   de noodzaak ervoor te zorgen dat het EU-groeiprospectus aanzienlijk en daadwerkelijk lichter is dan het volledige prospectus, wat betreft administratieve lasten en kosten van uitgifte;

–   de noodzaak om de toegang tot de kapitaalmarkten te verbeteren voor kleine en middelgrote ondernemingen en tegelijkertijd het vertrouwen van beleggers om in deze ondernemingen te investeren te waarborgen;

–   de noodzaak om de kosten en lasten voor kleine en middelgrote ondernemingen tot een minimum te beperken;

–   de noodzaak om er specifieke vormen van informatie in op te nemen die van bijzonder belang zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen;

–   de omvang van de uitgevende instelling en de tijd dat zij reeds in bedrijf is;

–   de verschillende categorieën aanbiedingen;

–   de uiteenlopende informatie die beleggers nodig hebben naargelang de verschillende soorten effecten.

Deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [6 maanden voor de toepassingsdatum van deze verordening] vastgesteld.

Artikel 16

Risicofactoren

1.  De in een prospectus belichte risicofactoren blijven beperkt tot de risico's die eigen zijn aan de uitgevende instelling en/of de effecten, die van materieel belang zijn om met volledige kennis van zaken een beleggingsbeslissing te nemen, en die worden bevestigd door de inhoud van het registratiedocument en de verrichtingsnota. ▌

1 bis.   Tot de risicofactoren behoren ook de factoren die het gevolg zijn van het niveau van achterstelling van een effect en de invloed op de verwachte omvang of het tijdstip van betalingen aan houders van de effecten bij faillissement of een soortgelijke procedure, met inbegrip van, waar relevant, de insolventie van een kredietinstelling of de afwikkeling of herstructurering ervan overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU (BRRD).

2.  De ESMA ontwikkelt richtsnoeren voor de beoordeling ▌van het specifieke karakter en het materiële belang van de risicofactoren, alsook voor de indeling van de risicofactoren ▌. Daarnaast ontwikkelt de ESMA richtsnoeren om de bevoegde autoriteiten te helpen bij hun herziening van risicofactoren, dit op een wijze die uitgevende instellingen aanzet tot een passende en gerichte bekendmaking van risicofactoren.

Artikel 17

Niet-vermelding van gegevens

1.  Indien de definitieve prijs waartegen de effecten zullen worden aangeboden en/of het totale aantal effecten dat aan het publiek zal worden aangeboden, niet in het prospectus kan worden vermeld:

a)  vermeldt het prospectus de criteria en/of voorwaarden waarvan bij de vaststelling van bovengenoemde gegevens wordt uitgegaan of, in het geval van de prijs, de maximumprijs; of

b)  kan de aanvaarding van de aankoop van of inschrijving op effecten gedurende ten minste twee werkdagen na de deponering van de definitieve prijs waartegen de effecten zullen worden aangeboden, en/of van het totale aantal effecten dat aan het publiek zal worden aangeboden, worden ingetrokken.

De definitieve prijs waartegen de effecten zullen worden aangeboden en het definitieve aantal effecten worden bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst gedeponeerd en gepubliceerd conform artikel 20, lid 2.

2.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan toestaan dat bepaalde in het prospectus op te nemen informatie niet in het prospectus wordt vermeld indien zij van oordeel is dat aan één of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de openbaarmaking van die informatie is in strijd met het algemeen belang;

b)  de openbaarmaking van die informatie zou de uitgevende instelling ernstig schaden, mits de niet-vermelding van dergelijke informatie het publiek niet zou kunnen misleiden in verband met de feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over de uitgevende instelling, de aanbieder of, in voorkomend geval, de garant, en over de rechten die verbonden zijn aan de effecten waarop het prospectus betrekking heeft;

c)  dergelijke informatie is van minder belang voor een specifieke aanbieding of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt en zou niet van invloed zijn op de beoordeling van de financiële positie en vooruitzichten van de uitgevende instelling, de aanbieder of de garant.

De bevoegde autoriteit dient jaarlijks bij de ESMA een verslag in over de gegevens waarvan zij de niet-vermelding heeft toegestaan.

3.  In de uitzonderlijke gevallen dat bepaalde in het prospectus te vermelden gegevens niet aansluiten bij de activiteiten of de rechtsvorm van de uitgevende instelling of bij de effecten waarop het prospectus betrekking heeft, bevat het prospectus, zonder afbreuk te doen aan de adequate informatieverstrekking aan beleggers, gegevens die gelijkwaardig zijn aan de vereiste gegevens, tenzij dergelijke gegevens niet bestaan.

4.  Indien effecten door een lidstaat zijn gegarandeerd, beschikt een uitgevende instelling, een aanbieder of een aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt bij de opstelling van een prospectus overeenkomstig artikel 4 over de mogelijkheid informatie over de betrokken lidstaat weg te laten.

5.  De ESMA kan ontwerprichtsnoeren opstellen om te preciseren in welke gevallen het overeenkomstig lid 2 is toegestaan gegevens niet te vermelden, rekening houdend met de in lid 2 genoemde verslagen van de bevoegde autoriteiten aan de ESMA.

Artikel 18

Opneming van informatie door middel van verwijzing

1.  In een prospectus of basisprospectus mag informatie worden opgenomen door middel van verwijzing, mits deze informatie eerder of gelijktijdig elektronisch is/wordt gepubliceerd, is opgesteld in een taal die aan de vereisten van artikel 25 voldoet, en is geregistreerd in het kader van de openbaarmakingsvereisten volgens de Uniewetgeving of volgens de regels van het handelsplatform of de mkb-groeimarkt, bijvoorbeeld:

a)  documenten die overeenkomstig deze verordening door een bevoegde autoriteit ▌goedgekeurd of bij deze autoriteit gedeponeerd zijn;

b)  in artikel 1, lid 3, onder f) en g), en in artikel 1, lid 4, onder d) en e), bedoelde documenten;

c)  gereglementeerde informatie in de zin van artikel 2, lid 1, onder l);

d)  jaarlijkse en tussentijdse financiële informatie;

e)  auditverslagen en financiële overzichten;

f)  bestuursverslagen in de zin van artikel 19 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(24);

g)  verklaringen inzake corporate governance in de zin van artikel 20 van Richtlijn 2013/34/EU;

h)  [beloningsverslagen in de zin van artikel [X] van [de herziene richtlijn aandeelhoudersrechten(25)];

h bis)  jaarverslagen of andere openbaarmakingsinformatie die vereist is krachtens artikel 22 en 23 van Richtlijn 2011/61/EU;

i)  de akte van oprichting en statuten;

Dergelijke informatie is de meest recente waarover de uitgevende instelling beschikt.

Indien slechts bepaalde delen van een document door middel van verwijzing zijn opgenomen, bevat het prospectus een verklaring dat de niet-opgenomen delen ofwel niet relevant zijn voor de belegger, ofwel elders in het prospectus aan de orde komen.

2.  Bij de opneming van informatie door middel van verwijzing verzekeren uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt de toegankelijkheid van de informatie. In het prospectus wordt met name een lijst met kruisverwijzingen verstrekt, zodat beleggers specifieke gegevens gemakkelijk kunnen terugvinden; het prospectus bevat tevens hyperlinks naar alle documenten met informatie die door middel van verwijzing is opgenomen.

3.  Indien mogelijk dient de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt alle door middel van verwijzing in het prospectus opgenomen informatie in doorzoekbaar elektronisch formaat in samen met het eerste ontwerpprospectus dat bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend, en in elk geval tijdens het toetsingsproces van het prospectus, tenzij deze informatie al is goedgekeurd door of gedeponeerd bij de bevoegde autoriteit die voor de goedkeuring van het prospectus verantwoordelijk is.

4.  ▌De ESMA kan ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen met het oog op de actualisering van de in lid 1 vermelde lijst van documenten door daarin extra soorten documenten op te nemen die krachtens het Unierecht bij een bevoegde autoriteit moeten worden gedeponeerd of door haar moeten worden goedgekeurd.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

HOOFDSTUK IV

REGELS VOOR DE GOEDKEURING EN PUBLICATIE VAN HET PROSPECTUS

Artikel 19

Controle en goedkeuring van het prospectus

1.  Het prospectus mag pas na goedkeuring van het prospectus of van al zijn onderdelen door de desbetreffende bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst worden gepubliceerd.

2.  De bevoegde autoriteit stelt de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt binnen een termijn van tien werkdagen volgend op de indiening van het ontwerpprospectus van haar besluit over de goedkeuring van het prospectus in kennis.

▌De goedkeuring van het prospectus en van elk document ter aanvulling daarvan wordt door de bevoegde autoriteit gelijktijdig aan de ESMA en aan de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt meegedeeld.

3.  De in lid 2 bedoelde termijn wordt verlengd tot 20 werkdagen indien het gaat om een aanbieding aan het publiek van effecten uitgegeven door een uitgevende instelling waarvan nog geen effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en die nog geen effecten aan het publiek heeft aangeboden.

De termijn van 20 werkdagen is alleen van toepassing voor de eerste indiening van het ontwerpprospectus. Indien in overeenstemming met lid 4 vervolgindieningen noodzakelijk zijn, is de termijn van lid 2 van toepassing.

4.  Indien de bevoegde autoriteit tot de bevinding komt dat het ontwerpprospectus niet aan de voor de goedkeuring ervan te vervullen normen inzake volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid voldoet en/of dat er wijzigingen of aanvullende gegevens zijn vereist:

a)  stelt zij de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt binnen een termijn van tien werkdagen na de indiening van het ontwerpprospectus en/of de aanvullende informatie daarvan uitvoerig met redenen omkleed in kennis; en

b)  zijn de in de leden 2 en 3 genoemde termijnen pas van toepassing met ingang van de datum waarop een gewijzigd ontwerpprospectus en/of de verlangde aanvullende informatie bij de bevoegde autoriteit worden/wordt ingediend.

5.  In afwijking van de leden 2 en 4 wordt de in deze leden genoemde termijn verkort tot vijf werkdagen voor de in artikel 9, lid 11, bedoelde uitgevende instellingen die veelvuldig effecten uitgeven. De uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft, stelt de bevoegde autoriteit ten minste vijf werkdagen vóór de beoogde datum van de indiening van een goedkeuringsaanvraag in kennis.

De bij de bevoegde autoriteit ingediende aanvraag door de uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft, bevat de vereiste wijzigingen in het universele registratiedocument, indien toepasselijk, de verrichtingsnota en de samenvatting die ter goedkeuring zijn voorgelegd.

Een uitgevende instelling die veelvuldig effecten uitgeeft hoeft geen goedkeuring te vragen voor wijzigingen op het universele registratiedocument, tenzij deze wijzigingen betrekking hebben op een niet-vermelding van informatie, of een materiële vergissing of materiële onnauwkeurigheid die het publiek zou kunnen misleiden in verband met de feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om een verantwoord oordeel over de uitgevende instelling te kunnen vormen.

6.  Op hun respectieve website verstrekken de bevoegde autoriteiten richtsnoeren betreffende het controle- en goedkeuringsproces teneinde een efficiënte en tijdige goedkeuring van prospectussen te bevorderen. Deze richtsnoeren bevatten contactpunten in verband met goedkeuringen. De uitgevende instelling of de voor de opstelling van het prospectus verantwoordelijke persoon beschikt gedurende het gehele goedkeuringsproces van het prospectus over de mogelijkheid rechtstreeks met de medewerkers van de bevoegde autoriteit te communiceren en in dialoog te treden.

9.  De hoogte van de vergoedingen die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst worden gevraagd voor de goedkeuring van prospectussen, registratiedocumenten, met inbegrip van universele registratiedocumenten, documenten ter aanvulling van het prospectus en wijzigingen, alsook voor de deponering van universele registratiedocumenten, wijzigingen daarvan en definitieve voorwaarden, zijn redelijk en evenredig en worden ten minste op de website van de bevoegde autoriteit openbaar gemaakt.

10.  De ESMA kan technische reguleringsnormen vaststellen tot precisering van de procedures voor de controle van de volledigheid, begrijpelijkheid en consistentie, alsook voor de goedkeuring van het prospectus.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

11.  De ESMA maakt gebruik van haar bevoegdheden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1095/2010 om de toezichtconvergentie met betrekking tot het controle- en goedkeuringsproces van de bevoegde autoriteiten te bevorderen wanneer deze de volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid van de in een prospectus vervatte informatie beoordelen. Hiertoe ontwikkelt de ESMA richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten met betrekking tot het toezicht op en de handhaving van de in prospectussen vervatte bepalingen, waaronder het toetsen van de naleving van deze verordening en eventuele daaruit voortvloeiende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, alsook de toepassing van passende administratieve maatregelen en sancties in het geval van schending overeenkomstig de artikelen 36 en 37. [Am. 2] De ESMA bevordert in het bijzonder de convergentie met betrekking tot de efficiëntie, methoden en timing van de controle door de bevoegde autoriteiten van de informatie die in een prospectus wordt verstrekt, in voorkomend geval aan de hand van collegiale toetsing.

11 bis.   De ESMA moet een centraal workflowsysteem ontwikkelen, waarbij de goedkeuring van prospectussen van begin tot uiteindelijke goedkeuring wordt bestreken, zodat de bevoegde autoriteiten, de ESMA en uitgevende instellingen de goedkeuringsaanvragen online kunnen beheren en volgen.

12.  Onverminderd artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 organiseert en verricht de ESMA ten minste één collegiale toetsing van de controle- en goedkeuringsprocedures van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de kennisgevingen van goedkeuring tussen de bevoegde autoriteiten. In het kader van de collegiale toetsing wordt ook nagegaan welke gevolgen de verschillende door de bevoegde autoriteiten gevolgde benaderingen met betrekking tot de controle en goedkeuring hebben voor het vermogen van uitgevende instellingen om in de Europese Unie kapitaal op te halen. Het verslag over deze collegiale toetsing wordt uiterlijk drie jaar na de toepassingsdatum van deze verordening gepubliceerd. In de context van deze collegiale toetsing houdt de ESMA rekening met het advies van de in artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde Stakeholdergroep effecten en markten.

Artikel 20

Publicatie van het prospectus

1.  Na goedkeuring wordt het prospectus door de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt voor het publiek beschikbaar gesteld op een redelijk tijdstip voorafgaand aan en uiterlijk bij de aanvang van de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel van de betrokken effecten.

In geval van een eerste aanbieding aan het publiek van een klasse van aandelen die voor de eerste keer tot de handel op een gereglementeerde markt wordt toegelaten, wordt het prospectus ten minste zes werkdagen vóór het einde van de aanbieding ter beschikking gesteld.

2.  Het prospectus, ongeacht of het één enkel document betreft, dan wel uit afzonderlijke documenten bestaat, wordt geacht beschikbaar voor het publiek te zijn wanneer het in elektronische vorm op één van de volgende websites is gepubliceerd:

a)  de website van de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van een toelating tot de handel;

b)  de website van de financiële intermediairs die de effecten plaatsen of verkopen, met inbegrip van betalingsgemachtigden;

c)  de website van de gereglementeerde markt waar de toelating tot de handel werd aangevraagd, of van de exploitant van de multilaterale handelsfaciliteit, al naargelang het geval.

3.  Het prospectus wordt gepubliceerd op een speciaal daarvoor bestemde afdeling van de website, die gemakkelijk toegankelijk is bij het bezoeken van de website. Het kan worden gedownload en afgedrukt, en het heeft een doorzoekbaar elektronisch formaat dat niet kan worden gewijzigd.

De documenten met informatie die door middel van verwijzing in het prospectus is opgenomen, en de documenten ter aanvulling van het prospectus en/of de definitieve voorwaarden die met het prospectus samenhangen, zijn via dezelfde afdeling samen met het prospectus toegankelijk, onder meer ook door middel van hyperlinks waar zulks noodzakelijk is.

Onverminderd het in artikel 22, lid 2, vastgelegde recht tot intrekking kunnen veelvuldig uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 9, lid 11, ervoor kiezen om, in plaats van een aanvulling, eventuele wijzigingen in het universele registratiedocument in te voegen door middel van dynamische verwijzing naar de meest recente versie van het universele registratiedocument.

4.  De toegang tot het prospectus wordt niet afhankelijk gesteld van het doorlopen van een registratieproces, de aanvaarding van een disclaimer die de juridische aansprakelijkheid beperkt, of de betaling van een vergoeding.

5.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst publiceert op haar website alle goedgekeurde prospectussen of ten minste de lijst met alle goedgekeurde prospectussen, met een hyperlink naar de in lid 3 bedoelde speciale websiteafdelingen, alsook met vermelding van de lidsta(a)t(en) van ontvangst waaraan overeenkomstig artikel 24 van prospectussen kennis wordt gegeven. De gepubliceerde lijst, met inbegrip van de hyperlinks, wordt actueel gehouden en elke vermelding blijft gedurende de in lid 7 genoemde periode op de website staan.

Wanneer de bevoegde autoriteit de ESMA op de hoogte brengt van de goedkeuring van een prospectus of van een document ter aanvulling daarvan, verstrekt zij de ESMA tegelijkertijd een elektronische kopie van het prospectus en van het document ter aanvulling daarvan, alsook de door de ESMA benodigde gegevens voor de classificatie van de kopie in het in lid 6 bedoelde opslagmechanisme en voor de opstelling van het in artikel 45 bedoelde verslag.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst publiceert informatie over alle overeenkomstig artikel 24 ontvangen kennisgevingen op haar website.

6.  Uiterlijk vanaf de aanvang van de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel van de betrokken effecten publiceert de ESMA op haar website alle van de bevoegde autoriteiten ontvangen prospectussen, met inbegrip van enigerlei documenten ter aanvulling daarvan, definitieve voorwaarden en eventuele vertalingen daarvan, alsook informatie over de lidsta(a)t(en) van ontvangst waar overeenkomstig artikel 24 van de prospectussen kennis is gegeven. De publicatie wordt verzekerd door middel van een opslagmechanisme dat het publiek gratis toegang en zoekfuncties biedt. Essentiële informatie in de prospectussen, zoals de ISIN die de effecten identificeren en de LEI die de uitgevende instellingen, aanbieders en garanten identificeren, is machinaal leesbaar, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van metadata.

7.  Alle goedgekeurde prospectussen blijven in een digitaal formaat gedurende ten minste tien jaar na de publicatie ervan beschikbaar voor het publiek op de in de leden 2 en 6 genoemde websites.

8.  Ingeval het prospectus de vorm van meerdere documenten aanneemt en/of wanneer er informatie door middel van verwijzing in is opgenomen, mogen de documenten en informatie die het prospectus omvat afzonderlijk worden gepubliceerd en verspreid, mits deze documenten conform lid 2 voor het publiek beschikbaar worden gesteld. In elk document dat een onderdeel van het prospectus vormt, wordt aangegeven waar de overige documenten kunnen worden verkregen die reeds door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd en/of bij de bevoegde autoriteit zijn gedeponeerd.

9.  De vorm en inhoud van het prospectus en/of de documenten ter aanvulling van het prospectus die voor het publiek beschikbaar worden gesteld, stemmen steeds geheel overeen met de originele versie die door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd.

10.  Indien een natuurlijke of rechtspersoon daarom verzoekt, wordt hem door de uitgevende instelling, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel, dan wel de financiële intermediairs die de effecten plaatsen of verkopen, kosteloos een ▌afschrift van het prospectus verstrekt op een duurzame gegevensdrager. De verstrekking van een dergelijk afschrift wordt beperkt tot de rechtsgebieden waar de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel overeenkomstig deze verordening plaatsvindt.

11.  Teneinde een consistente harmonisatie van de in dit artikel vastgelegde procedures te waarborgen, kan de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen tot precisering van de vereisten betreffende de publicatie van het prospectus.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

12.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot precisering van de in lid 5 bedoelde gegevens die voor de classificatie van prospectussen zijn vereist.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 21

Reclame

1.  Elke reclame-uiting betreffende een aanbieding van effecten aan het publiek of betreffende een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt voldoet aan de in dit artikel vervatte beginselen.

2.  In alle reclame-uitingen wordt vermeld dat er een prospectus is of zal worden gepubliceerd en wordt tevens aangegeven waar beleggers het prospectus kunnen verkrijgen.

3.  Reclame-uitingen zijn duidelijk als zodanig herkenbaar. De in een reclame-uiting vervatte informatie mag niet onjuist of misleidend zijn. Deze in een reclame-uiting vervatte informatie is bovendien in overeenstemming met de in het prospectus verstrekte informatie of, indien het prospectus op een later tijdstip wordt gepubliceerd, met de informatie die daarin moet worden verstrekt.

4.  Alle mondeling of schriftelijk meegedeelde informatie betreffende de aanbieding van effecten aan het publiek of de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, ook al is zij niet voor reclamedoeleinden verstrekt, strookt met die welke in het prospectus is vermeld.

Wanneer een uitgevende instelling of een aanbieder wezenlijke informatie openbaar maakt die, in mondelinge of schriftelijke vorm, gericht is tot een of meer geselecteerde beleggers, wordt deze informatie openbaar gemaakt aan alle andere beleggers aan wie het aanbod is gericht, ongeacht of volgens onderhavige verordening een prospectus is vereist. Indien een prospectus moet worden gepubliceerd, wordt die informatie opgenomen in het prospectus of, overeenkomstig artikel 22, lid 1, in een document ter aanvulling van het prospectus.

5.  Aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat ▌waar de reclame-uitingen worden verspreid, wordt de bevoegdheid toegekend om te controleren of de reclameactiviteiten met betrekking tot een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt aan de in de leden 2, 3 en 4 vervatte beginselen voldoen.

Waar nodig staat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de reclame-uitingen worden verspreid bij in de beoordeling van de consistentie van de reclame-uitingen met de informatie in het prospectus.

Onverminderd de in artikel 30, lid 1, vastgelegde bevoegdheden vormt controle door een bevoegde autoriteit van de reclame-uitingen geen voorwaarde om in een lidstaat van ontvangst effecten aan het publiek aan te bieden of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt te krijgen.

5 ter.   Bevoegde autoriteiten brengen geen vergoeding in rekening voor de controle van reclameactiviteiten uit hoofde van dit artikel.

5 quater.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de reclame-uitingen worden verspreid, kan overeenkomen met de bevoegde autoriteit van het land van herkomst, mits het hier een andere bevoegde autoriteit betreft, dat de bevoegde autoriteit van het land van herkomst de bevoegdheid krijgt toegekend om overeenkomstig lid 5 te controleren of de reclameactiviteiten voldoen. In geval van een dergelijke overeenkomst stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de uitgevende instelling en de ESMA hiervan onverwijld in kennis.

6.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot precisering van de in de leden 2, 3, 4 en 5 bis van deze verordening vastgelegde vereisten betreffende reclame-uitingen, met inbegrip van de precisering van de bepalingen betreffende de verspreiding van reclame-uitingen en de vaststelling van procedures voor de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat waar de reclame-uitingen worden verspreid.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 22

Documenten ter aanvulling van het prospectus

1.  Elke met de informatie in het prospectus verband houdende belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onnauwkeurigheid die op de beoordeling van de effecten van invloed kan zijn en zich voordoet of geconstateerd wordt tussen het tijdstip van goedkeuring van het prospectus en het tijdstip van de definitieve afsluiting van de aanbieding aan het publiek of het tijdstip waarop de handel op een gereglementeerde markt aanvangt, indien dat later valt, wordt onverwijld vermeld in een document ter aanvulling van het prospectus.

Een dergelijk document ter aanvulling van het prospectus wordt op dezelfde wijze als een prospectus binnen ten hoogste vijf werkdagen goedgekeurd en conform ten minste dezelfde regelingen als bij de verspreiding van het oorspronkelijke prospectus gepubliceerd in overeenstemming met artikel 20. Ook de samenvatting en eventuele vertalingen daarvan worden, zo nodig, aangevuld, zodat rekening kan worden gehouden met de nieuwe informatie die in het document ter aanvulling van het prospectus is opgenomen.

2.  Indien het prospectus op een aanbieding van effecten aan het publiek betrekking heeft, hebben beleggers die reeds aanvaard hebben de effecten te kopen of op de effecten in te schrijven voordat het document ter aanvulling van het prospectus is gepubliceerd, het recht om binnen vijf werkdagen na de publicatie van het document ter aanvulling van het prospectus hun aanvaarding in te trekken, op voorwaarde dat de in lid 1 bedoelde nieuwe ontwikkeling, vergissing of onnauwkeurigheid zich voordeed vóór de definitieve afsluiting van de aanbieding aan het publiek of de levering van de effecten, al naargelang wat het eerst plaatsvindt. Deze termijn kan door de uitgevende instelling of aanbieder worden verlengd. De uiterste datum voor het recht tot intrekking wordt in het document ter aanvulling van het prospectus vermeld.

Indien een uitgevende instelling ervoor kiest wijzigingen aan het universele registratiedocument aan te brengen via een dynamische verwijzing naar de meest recente versie van het universele registratiedocument, in plaats van een aanvulling krachtens artikel 20, lid 3, heeft dit geen invloed op het recht tot intrekking van de belegger zoals vermeld in de eerste alinea.

3.  Wanneer de uitgevende instelling een document ter aanvulling van het prospectus opstelt met betrekking tot informatie in het basisprospectus die alleen op een of meer individuele uitgiften betrekking heeft, is het recht van beleggers om hun aanvaarding uit hoofde van lid 2 in te trekken, alleen van toepassing op de desbetreffende uitgifte(n) en niet op enigerlei andere uitgifte van effecten overeenkomstig het basisprospectus.

4.  Er wordt slechts één document ter aanvulling van het prospectus opgesteld en goedgekeurd indien de in lid 1 bedoelde belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onnauwkeurigheid enkel betrekking heeft op de informatie in een registratiedocument of een universeel registratiedocument en indien het registratiedocument of universele registratiedocument in kwestie gelijktijdig als een onderdeel van meerdere prospectussen wordt gebruikt. In dat geval worden in het document ter aanvulling van het prospectus alle prospectussen genoemd waarop het document betrekking heeft.

5.  Bij de controle van een document ter aanvulling van het prospectus vóór de goedkeuring ervan kan de bevoegde autoriteit - onverminderd het bepaalde in artikel 20, lid 3, alinea 2 bis - verlangen dat het document ter aanvulling van het prospectus als bijlage een geconsolideerde versie van het aangevulde prospectus bevat indien zulks noodzakelijk is om de begrijpelijkheid van de in het prospectus verstrekte informatie te waarborgen. Een dergelijk verzoek wordt als een verzoek tot het verstrekken van aanvullende informatie conform artikel 19, lid 4, aangemerkt.

6.  Teneinde te zorgen voor een consequente harmonisatie van dit artikel en rekening te houden met de technische ontwikkelingen van de financiële markten, stelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op, waarin is bepaald in welke situaties een belangrijke nieuwe ontwikkeling, een materiële vergissing of een onnauwkeurigheid met betrekking tot de in het prospectus opgenomen informatie vereist dat een document ter aanvulling van het prospectus wordt bekendgemaakt.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure vast te stellen.

HOOFDSTUK V

GRENSOVERSCHRIJDENDE AANBIEDINGEN EN TOELATINGEN TOT DE HANDEL EN TAALREGELING

Artikel 23

Uniereikwijdte van een prospectusgoedkeuring en universele registratiedocumenten

1.  Ingeval in één of meer lidstaten of in een lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is, een aanbieding van effecten aan het publiek of een aanvraag voor de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt gepland, zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 35, het door de lidstaat van herkomst goedgekeurde prospectus en alle documenten ter aanvulling van dat prospectus in een willekeurig aantal lidstaten van ontvangst geldig voor een aanbieding aan het publiek of voor een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, op voorwaarde dat de ESMA en de bevoegde autoriteit van elke lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 24 een kennisgeving ontvangen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst starten geen administratieve of goedkeuringsprocedures voor prospectussen.

Het bepaalde in de eerste alinea van lid 1 is van overeenkomstige toepassing op reeds goedgekeurde universele registratiedocumenten.

Wanneer een prospectus in een of meer lidstaten ter goedkeuring wordt voorgelegd en het een universeel registratiedocument bevat dat al in een andere lidstaat is goedgekeurd, mag de bevoegde autoriteit die de goedkeuringsaanvraag voor het prospectus behandelt het universele registratiedocument niet nog eens beoordelen maar dient zij de eerdere goedkeuring over te nemen.

2.  Indien er na de goedkeuring van het prospectus belangrijke nieuwe ontwikkelingen, materiële vergissingen of onnauwkeurigheden zoals bedoeld in artikel 22 aan het licht komen, verlangt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat de publicatie van een document ter aanvulling van het prospectus conform artikel 19, lid 1, wordt goedgekeurd. De ESMA en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst kunnen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst meedelen dat nieuwe informatie vereist is.

Artikel 24

Kennisgeving

1.  Op verzoek van de uitgevende instelling of van de voor de opstelling van het prospectus verantwoordelijke persoon stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek of, indien het verzoek samen met het ontwerpprospectus is ingediend, binnen één werkdag na goedkeuring van het prospectus, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis door het verstrekken van een goedkeuringsverklaring dat het prospectus in overeenstemming met deze verordening is opgesteld, alsook van een kopie van dat prospectus. De ESMA zet een portaalsite op waarop elke nationale bevoegde autoriteit dergelijke informatie kan plaatsen.

De in de eerste alinea bedoelde kennisgeving gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een onder de verantwoordelijkheid van de uitgevende instelling of van de met de opstelling van het prospectus belaste persoon gemaakte vertaling van het prospectus en/of de samenvatting.

Wanneer een universeel registratiedocument is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9, zijn de alinea's 1 en 2 van dit artikel mutatis mutandis van toepassing.

De uitgevende instelling of de voor de opstelling van het prospectus of, indien van toepassing, het universeel registratiedocument verantwoordelijke persoon wordt tegelijk met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van de goedkeuringsverklaring in kennis gesteld.

2.  In de verklaring wordt vermeld of artikel 17, leden 2 en 3, is toegepast en, zo ja, om welke redenen.

3.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst brengt de ESMA op hetzelfde moment als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van de goedkeuringsverklaring van het prospectus.

4.  Indien de definitieve voorwaarden van een basisprospectus waarvan eerder kennis is gegeven, noch in het basisprospectus, noch in een document ter aanvulling daarvan zijn opgenomen, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst deze langs elektronische weg aan de bevoegde autoriteit van de lidsta(a)t(en) van ontvangst en de ESMA mee zodra dit doenlijk is nadat zij zijn gedeponeerd.

5.  Bevoegde autoriteiten vragen geen vergoeding voor de kennisgeving, of ontvangst van kennisgeving, van prospectussen en documenten ter aanvulling daarvan, of, indien van toepassing, het universeel registratiedocument, en evenmin voor enige daarmee verband houdende toezichtactiviteit, hetzij in de lidstaat van herkomst, hetzij in de lidsta(a)t(en) van ontvangst.

6.  Om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de toepassing van deze verordening en rekening te houden met de technische ontwikkelingen op de financiële markten, kan de ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, -templates en -procedures voor kennisgeving van de goedkeuringsverklaring, het prospectus, de documenten ter aanvulling van het prospectus of het universeel registratiedocument en de vertaling van het prospectus en/of de samenvatting.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 25

Taalregeling

1.  Wanneer alleen in de lidstaat van herkomst een aanbieding van effecten aan het publiek wordt gedaan of een toelating van effecten tot de handel wordt aangevraagd, wordt het prospectus opgesteld in een taal die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt aanvaard.

2.  Wanneer in één of meer lidstaten die niet de lidstaat van herkomst zijn, een aanbieding van effecten aan het publiek wordt gedaan of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, wordt het prospectus naar keuze van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel opgesteld hetzij in een taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaten wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

De bevoegde autoriteit van elke lidstaat van ontvangst verlangt dat de in artikel 7 bedoelde samenvatting in de officiële ta(a)l(en) van de betrokken lidstaat wordt vertaald, maar zij mag geen vertaling van enigerlei ander deel van het prospectus verlangen. [Am. 3]

Met het oog op de controle en goedkeuring door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt het prospectus naar keuze van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel opgesteld hetzij in een taal die door die bevoegde autoriteit wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

3.  Wanneer in meer dan één lidstaat, met inbegrip van de lidstaat van herkomst, een aanbieding van effecten aan het publiek wordt gedaan of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, wordt het prospectus opgesteld in een taal die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt aanvaard en tevens, naar keuze van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel beschikbaar gesteld hetzij in een taal die door de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat van ontvangst wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

De bevoegde autoriteit van elke lidstaat van ontvangst mag verlangen dat de in artikel 7 bedoelde samenvatting in de officiële ta(a)l(en) van de betrokken lidstaat wordt vertaald, maar zij mag geen vertaling van enigerlei ander deel van het prospectus verlangen.

4.  De definitieve voorwaarden en de samenvatting van de individuele uitgifte worden opgesteld in dezelfde taal als de taal van het goedgekeurde basisprospectus.

Wanneer de definitieve voorwaarden worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst of, ingeval er van meer dan één lidstaat van ontvangst sprake is, aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst, zijn de definitieve voorwaarden en de daaraan gehechte samenvatting van de individuele uitgifte onderworpen aan de taalvereisten van dit artikel.

HOOFDSTUK VI

SPECIFIEKE REGELS IN VERBAND MET IN DERDE LANDEN GEVESTIGDE UITGEVENDE INSTELLINGEN

Artikel 26

Aanbieding van effecten of toelating tot de handel op grond van een overeenkomstig deze verordening opgesteld prospectus

1.  Wanneer een uitgevende instelling van een derde land voornemens is op grond van een overeenkomstig deze verordening opgesteld prospectus in de Unie effecten aan het publiek aan te bieden of om toelating van effecten tot de handel op een in de Unie gevestigde gereglementeerde markt te verzoeken, verkrijgt zij overeenkomstig artikel 19 goedkeuring van haar prospectus door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst.

Zodra een prospectus is goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde in alinea 1, zijn daaraan alle rechten en plichten verbonden zoals voor prospectussen in deze verordening is geregeld, en het prospectus en de uitgevende instelling van het derde land zijn onderworpen aan alle bepalingen van deze verordening onder het toezicht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

Artikel 27

Aanbieding van effecten of toelating tot de handel op grond van een overeenkomstig de wetgeving van een derde land opgesteld prospectus

1.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een uitgevende instelling van een derde land kan haar goedkeuring hechten aan een prospectus voor een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, dat in overeenstemming met de nationale wetgeving van een derde land is opgesteld en daaraan is onderworpen, mits:

a)   de informatievereisten van de wetgeving van dat derde land gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening; en

b)   de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst samenwerkingsafspraken heeft met de toezichtsautoriteit in het derde land van de uitgevende instelling overeenkomstig artikel 28.

2.  Ingeval in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten welke door een uitgevende instelling van een derde land zijn uitgegeven, is het bepaalde in de artikelen 23, 24 en 25 van toepassing.

Voor deze uitgevende instellingen mag de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst een extra vergoeding vragen die de last van een dergelijke uitgifte weerspiegelt.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de vastlegging van algemene gelijkwaardigheidscriteria die op de vereisten van de artikelen 6, 7, 8 en 13 zijn gebaseerd.

Op grond van de bovenbedoelde criteria kan de Commissie een uitvoeringsbesluit vaststellen waarin is bepaald dat de informatievereisten ingevolge de wetgeving van een derde land gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening. Een dergelijk uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 43, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 28

Samenwerking met derde landen

1.  Voor de toepassing van artikel 27 en, ingeval zulks noodzakelijk wordt geacht, voor de toepassing van artikel 26 gaan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met toezichthoudende autoriteiten van derde landen samenwerkingsovereenkomsten aan met betrekking tot de uitwisseling van informatie met toezichthoudende autoriteiten van derde landen en het afdwingen in derde landen van de nakoming van de verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien, tenzij dat derde land op de lijst van niet-coöperatieve landen van de Commissie voorkomt. Deze samenwerkingsovereenkomsten waarborgen minimaal een doelmatige informatie-uitwisseling waardoor de bevoegde autoriteiten in staat worden gesteld hun taken krachtens deze verordening te vervullen.

Een bevoegde autoriteit stelt de ESMA en de andere bevoegde autoriteiten ervan in kennis als ze voornemens is om een dergelijke overeenkomst aan te gaan.

2.  Met het oog op de toepassing van artikel 27 en, ingeval zulks noodzakelijk wordt geacht, met het oog op de toepassing van artikel 26 vergemakkelijkt en coördineert de ESMA de ontwikkeling van samenwerkingsovereenkomsten tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen.

Indien zulks noodzakelijk is, vergemakkelijkt en coördineert de ESMA tevens de uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van inlichtingen die van toezichthoudende autoriteiten van derde landen zijn verkregen en die mogelijk relevant zijn voor het treffen van maatregelen krachtens de artikelen 36 en 37.

3.  De bevoegde autoriteiten gaan alleen samenwerkingsovereenkomsten voor informatie-uitwisseling met de toezichthoudende autoriteiten van derde landen aan wanneer met betrekking tot de verstrekte gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als die welke in artikel 33 worden bedoeld. Een dergelijke informatie-uitwisseling moet bestemd zijn voor de vervulling van de taken van die bevoegde autoriteiten.

3 bis.   De ESMA kan ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen tot precisering van de minimale inhoud van de in lid 1 bedoelde samenwerkingsafspraken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

3 ter.   Teneinde een uniforme toepassing van dit artikel te verzekeren, kan de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen met een modeldocument voor samenwerkingsafspraken, dat door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moet worden gebruikt.

HOOFDSTUK VII

DE ESMA EN BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 29

Bevoegde autoriteiten

1.  Elke lidstaat wijst één enkele bevoegde administratieve autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het vervullen van de uit deze verordening voortvloeiende taken en voor het zeker stellen dat de ter uitvoering van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast. De lidstaten stellen de Commissie, de ESMA en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten daarvan in kennis.

De bevoegde autoriteit is ▌onafhankelijk van ▌marktdeelnemers.

2.  De lidstaten kunnen hun bevoegde autoriteit toestaan de taak om goedgekeurde prospectussen op internet te publiceren, te delegeren.

Wanneer taken aan entiteiten worden gedelegeerd, geschiedt dat op grond van een specifiek besluit waarin melding wordt gemaakt van de te vervullen taken en van de voorwaarden waaronder deze taken dienen te worden uitgevoerd, en waarin een bepaling is opgenomen die de entiteit in kwestie ertoe verplicht zodanig op te treden en zich zodanig te organiseren dat belangenconflicten worden vermeden en dat in het kader van de uitoefening van de gedelegeerde taken verkregen informatie niet onrechtmatig wordt gebruikt en evenmin wordt aangewend om concurrentie te verhinderen. In een dergelijk besluit worden alle regelingen gespecificeerd die zijn getroffen tussen de bevoegde autoriteit en de entiteit waaraan taken zijn gedelegeerd.

De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van deze verordening en voor het goedkeuren van het prospectus berust bij de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteit.

De lidstaten stellen de Commissie, de ESMA en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten in kennis van het in de tweede alinea bedoelde besluit, inclusief de precieze voorwaarden ter regeling van die delegatie.

3.  De leden 1 en 2 laten de mogelijkheid onverlet voor een lidstaat om aparte juridische en administratieve regelingen te treffen voor overzeese Europese gebieden waarvan hij de buitenlandse betrekkingen behartigt.

Artikel 30

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.  Ter vervulling van hun taken krachtens deze verordening beschikken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het nationale recht, ten minste over de volgende toezicht- en onderzoeksbevoegdheden:

a)  zij kunnen uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt verplichten aanvullende informatie in het prospectus op te nemen indien zulks noodzakelijk is voor de bescherming van de beleggers;

b)  zij kunnen uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, alsook de personen onder wier zeggenschap zij staan of over wie zij zeggenschap uitoefenen, verplichten informatie en documenten te verstrekken;

c)  zij kunnen van de auditors en de bedrijfsleiding van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, alsook van de financiële intermediairs die met de aanbieding aan het publiek of het verzoeken om toelating tot de handel zijn belast, informatie verlangen;

d)  zij kunnen een aanbieding aan het publiek of toelating tot de handel telkens voor maximaal 25 opeenvolgende werkdagen opschorten indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze verordening is gepleegd;

e)  zij kunnen het maken van reclame verbieden of opschorten, dan wel uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, dan wel de betrokken financiële intermediairs verplichten het maken van reclame te staken of telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen op te schorten, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze verordening is gepleegd;

f)  zij kunnen een aanbieding aan het publiek verbieden indien zij tot de bevinding komen dat inbreuk op de bepalingen van deze verordening is gepleegd of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk op deze bepalingen zou kunnen worden gepleegd;

g)  zij kunnen de handel op een gereglementeerde markt telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen opschorten, of de betrokken gereglementeerde markt ertoe verplichten dit te doen, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze verordening is gepleegd;

h)  zij kunnen de handel op een gereglementeerde markt verbieden indien zij tot de bevinding komen dat er inbreuk op de bepalingen van deze verordening is gepleegd;

i)  zij kunnen openbaar maken dat een uitgevende instelling, een aanbieder of een aanvrager van een toelating tot de handel niet aan zijn verplichtingen voldoet;

j)  zij kunnen de controle van een ter goedkeuring voorgelegd prospectus, dan wel een aanbieding aan het publiek of een toelating tot de handel opschorten op grond van de bij artikel 42 van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad(26) verleende bevoegdheid om een verbod of beperking op te leggen, totdat een dergelijk verbod of een dergelijke beperking wordt opgeheven;

k)  zij kunnen de goedkeuring van een door een bepaalde uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel opgesteld prospectus gedurende maximaal vijf jaar weigeren, ingeval deze uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel herhaaldelijk en ernstig inbreuk heeft gepleegd op de bepalingen van deze verordening;

l)  zij kunnen overgaan tot, dan wel de uitgevende instelling ertoe verplichten over te gaan tot de openbaarmaking van alle relevante informatie die van invloed kan zijn op de beoordeling van de effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, teneinde de bescherming van de beleggers of de goede werking van de markt te garanderen;

m)  zij kunnen de handel in de effecten opschorten, of de betrokken gereglementeerde markt ertoe verplichten dit te doen, wanneer zij van oordeel zijn dat de uitgevende instelling in een zodanige situatie verkeert dat de voortzetting van de handel de belangen van de beleggers zou schaden;

n)  zij kunnen inspecties en onderzoeken ter plaatse verrichten, behalve in woningen van natuurlijke personen, en daartoe plaatsen betreden om toegang te krijgen tot documenten en andere gegevens, ongeacht hun vorm, wanneer er een redelijk vermoeden bestaat dat documenten en andere gegevens die op het voorwerp van de inspectie of het onderzoek betrekking hebben, relevant kunnen zijn als bewijs van een inbreuk op deze verordening.

Indien de nationale wetgeving dit vereist, kan de bevoegde autoriteit de bevoegde rechterlijke instantie verzoeken zich uit te spreken over het gebruik van de in de eerste alinea genoemde bevoegdheden. Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, is de ESMA gerechtigd deel te nemen aan de onder n) bedoelde inspecties ter plaatse wanneer deze door twee of meer bevoegde autoriteiten gezamenlijk worden uitgevoerd.

2.  De bevoegde autoriteiten oefenen hun in lid 1 genoemde taken en bevoegdheden op een of meer van de volgende wijzen uit, in de mate die nodig is om hun verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van deze verordening en voor het goedkeuren van het prospectus uit te oefenen:

a)  op rechtstreekse wijze;

b)  in samenwerking met andere autoriteiten;

c)  op hun verantwoordelijkheid door middel van delegatie aan dergelijke autoriteiten;

d)  door middel van een verzoek tot de bevoegde rechterlijke instanties.

3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat er passende maatregelen zijn getroffen zodat de bevoegde autoriteiten over alle toezicht- en onderzoeksbevoegdheden beschikken die nodig zijn om hun taken te vervullen.

4.  Een persoon die overeenkomstig deze verordening informatie aan de bevoegde autoriteit verstrekt, wordt niet geacht inbreuk te plegen op enige beperking van de openbaarmaking van informatie zoals vastgesteld in een contract, of zoals neergelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en dit feit brengt voor de melder generlei aansprakelijkheid met zich mee.

5.  De leden 1, 2 en 3 laten de mogelijkheid onverlet voor een lidstaat om aparte juridische en administratieve regelingen te treffen voor overzeese Europese gebieden waarvan hij de buitenlandse betrekkingen behartigt.

Artikel 31

Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

1.  De bevoegde autoriteiten werken met elkaar en met de ESMA samen voor de toepassing van deze verordening. Zij wisselen zonder onnodige vertraging informatie uit en werken samen bij onderzoeks-, toezicht- en handhavingsactiviteiten.

Wanneer de lidstaten er overeenkomstig artikel 36 voor hebben gekozen strafrechtelijke sancties vast te stellen voor inbreuken op de bepalingen van deze verordening, zorgen zij ervoor dat er passende maatregelen voorhanden zijn waardoor de bevoegde autoriteiten over alle noodzakelijke bevoegdheden beschikken om met de gerechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie contacten te onderhouden teneinde specifieke informatie te ontvangen over strafrechtelijke onderzoeken naar of ingeleide procedures wegens mogelijke inbreuken op deze verordening, en om die informatie te verstrekken aan andere bevoegde autoriteiten en de ESMA, teneinde te voldoen aan hun verplichting om onderling en met de ESMA samen te werken voor de toepassing van deze verordening.

2.  Een bevoegde autoriteit mag enkel in de volgende buitengewone omstandigheden weigeren in te gaan op een verzoek om informatie of een verzoek om met een onderzoek mee te werken:

a)  indien ingaan op het verzoek haar eigen onderzoek, handhavingsactiviteiten of een strafrechtelijk onderzoek negatief zou kunnen beïnvloeden;

b)  indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat is ingeleid;

c)  indien in de aangezochte lidstaat voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan.

3.  De bevoegde autoriteiten verstrekken op verzoek onmiddellijk alle inlichtingen die voor de toepassing van deze verordening noodzakelijk zijn.

4.  De bevoegde autoriteit kan om de bijstand van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verzoeken bij inspecties of onderzoeken ter plaatse.

Een verzoekende bevoegde autoriteit stelt de ESMA in kennis van elk verzoek als bedoeld in de eerste alinea. Bij een onderzoek of inspectie met grensoverschrijdende gevolgen coördineert de ESMA het onderzoek of de inspectie als een van de bevoegde autoriteiten daarom vraagt.

Een bevoegde autoriteit die van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat een verzoek ontvangt om een inspectie of een onderzoek ter plaatse te verrichten, kan:

a)  de inspectie of het onderzoek ter plaatse zelf uitvoeren;

b)  de bevoegde autoriteit die het verzoek heeft ingediend, toestaan om aan een inspectie of onderzoek ter plaatse deel te nemen;

c)  de bevoegde autoriteit die het verzoek heeft ingediend, toestaan om de inspectie of het onderzoek ter plaatse zelf uit te voeren;

d)  auditors of deskundigen aanwijzen om de inspectie of het onderzoek ter plaatse uit te voeren; en/of

e)  specifieke taken in verband met de toezichthoudende activiteiten gezamenlijk met de andere bevoegde autoriteiten vervullen.

5.  De bevoegde autoriteiten kunnen gevallen waarin een verzoek om samenwerking, en met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, doorverwijzen naar de ESMA. Onverminderd artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kan de ESMA in de in de eerste zin bedoelde gevallen handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

6.  De ESMA kan ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen tot precisering van de overeenkomstig lid 1 tussen de bevoegde autoriteiten uit te wisselen informatie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

7.  De ESMA kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, -modellen en -procedures voor de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de derde alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel32

Samenwerking met de ESMA

1.  De bevoegde autoriteiten werken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010 met de ESMA samen met het oog op de toepassing van deze verordening.

2.  Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verstrekken de bevoegde autoriteiten de ESMA onverwijld alle inlichtingen die vereist zijn voor de uitoefening van haar taken.

3.  Teneinde uniforme voorwaarden voor de toepassing van dit artikel te verzekeren, kan de ESMA voorstellen voor technische uitvoeringsnormen ontwikkelen ter bepaling van de procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie als bedoeld in lid 2.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 33

Beroepsgeheim

1.  Alle informatie die uit hoofde van deze verordening tussen de bevoegde autoriteiten wordt uitgewisseld en betrekking heeft op commerciële of operationele voorwaarden en andere economische of persoonlijke zaken, wordt als vertrouwelijk beschouwd en valt onder de vereisten van het beroepsgeheim, behalve wanneer de bevoegde autoriteit op het tijdstip waarop de mededeling plaatsvindt, verklaart dat deze informatie openbaar mag worden gemaakt, dan wel wanneer deze openbaarmaking in het kader van gerechtelijke procedures noodzakelijk is.

2.  Het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest bij de bevoegde autoriteit of bij entiteiten waaraan de bevoegde autoriteit haar taken heeft gedelegeerd. Informatie die onder het beroepsgeheim valt, mag aan geen enkele andere persoon of autoriteit worden verstrekt, tenzij op grond van in het Unierecht of het nationale recht vastgelegde bepalingen.

Artikel 34

Gegevensbescherming

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening voeren de bevoegde autoriteiten hun taken zoals bedoeld in deze verordening uit overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG.

Bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening leeft de ESMA de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001 na.

Artikel 35

Conservatoire maatregelen

1.  Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst tot de bevinding komt dat de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van een toelating tot de handel, dan wel de financiële instellingen die met de aanbieding aan het publiek zijn belast, onregelmatigheden hebben begaan, dan wel dat deze personen de uit hoofde van deze verordening op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de ESMA van deze bevindingen in kennis.

2.  Indien de uitgevende instelling, de aanbieder, de aanvrager van een toelating tot de handel, dan wel de financiële instellingen die met de aanbieding aan het publiek zijn belast, in weerwil van de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, inbreuk blijven plegen op de desbetreffende bepalingen van deze verordening, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de ESMA daarvan in kennis te hebben gesteld, alle passende maatregelen ter bescherming van de beleggers en stelt zij de Commissie en de ESMA daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.

3.  In de in lid 2 bedoelde situaties kan de ESMA handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

HOOFDSTUK VIII

BESTUURSRECHTELIJKE MAATREGELEN EN SANCTIES

Artikel 36

Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties

1.  Onverminderd de toezicht- en onderzoeksbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 30 en het recht van de lidstaten om in strafrechtelijke sancties te voorzien en deze op te leggen, dragen de lidstaten er in overeenstemming met de nationale wetgeving zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om passende bestuursrechtelijke maatregelen te treffen en bestuursrechtelijke sancties op te leggen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Deze administratieve maatregelen en sancties zijn ten minste van toepassing op:

a)  inbreuken op artikel 3, artikel 5, artikel 6, artikel 7, leden 1 tot en met 10, artikel 8, artikel 9, leden 1 tot en met 13, artikel 10, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 12, artikel 14, lid 2, artikel 15, leden 1 en 2, artikel 16, lid 1, artikel 17, leden 1 en 3, artikel 18, leden 1, 2 en 3, artikel 19, lid 1, artikel 20, leden 1 tot en met 4 en leden 7 tot en met 10, artikel 21, leden 2, 3 en 4, artikel 22, leden 1, 2 en 4, en artikel 25 van deze verordening;

b)  weigering om aan een onderzoek of een inspectie mee te werken of gehoor te geven aan een onder artikel 30 vallend verzoek.

De lidstaten kunnen tot [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] besluiten geen bepalingen betreffende bestuursrechtelijke sancties als bedoeld in de eerste alinea vast te stellen indien de in de eerste alinea, onder a) of b), bedoelde inbreuken in hun nationale recht reeds aan strafrechtelijke sancties onderworpen zijn. Indien zij een dergelijk besluit nemen, stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA gedetailleerd in kennis van de toepasselijke delen van hun strafrecht.

Uiterlijk op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA gedetailleerd van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bepalingen in kennis. Zij stellen de Commissie en de ESMA onverwijld in kennis van alle verdere wijzigingen ervan.

2.  De lidstaten zorgen er overeenkomstig het nationale recht voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de in lid 1, onder a), genoemde inbreuken beschikken over de bevoegdheid om ten minste de volgende bestuursrechtelijke sancties en maatregelen op te leggen:

a)  een publieke verklaring waarin de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk, alsook de aard van de inbreuk worden genoemd overeenkomstig artikel 40;

b)  een bevel waarin de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk, wordt gelast het gedrag te staken dat de inbreuk veroorzaakt;

c)  maximale bestuursrechtelijke geldboeten van ten minste tweemaal het bedrag van de vanwege de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen, indien deze kunnen worden vastgesteld;

d)  in geval van een rechtspersoon, maximale bestuursrechtelijke geldboeten van ten minste 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op [datum van inwerkingtreding van deze verordening], dan wel 3 % van de totale jaaromzet van die rechtspersoon volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan goedgekeurde jaarrekening.

Indien de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet of het in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht inzake jaarrekeningen daarmee corresponderende type inkomsten volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening;

e)  in geval van een natuurlijk persoon, maximale administratieve financiële sancties van ten minste 700 000 EUR, of in lidstaten die de euro niet als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op [datum van inwerkingtreding van deze verordening];

3.  Lidstaten kunnen aanvullende sancties of maatregelen vaststellen en in hogere bestuursrechtelijke geldboeten voorzien dan die waarin deze verordening voorziet.

Artikel 37

Uitoefening van toezicht- en sanctiebevoegdheden

1.  Bij het bepalen van de soort en zwaarte van de bestuursrechtelijke sancties en maatregelen houden de bevoegde autoriteiten rekening met alle relevante omstandigheden, en met name, waar passend, met:

a)  de ernst en de duur van de inbreuk;

b)  de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon;

c)  de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon, zoals deze met name blijkt uit de totale omzet van de verantwoordelijke rechtspersoon of het jaarinkomen en het nettovermogen van de verantwoordelijke natuurlijke persoon;

d)  de impact van de inbreuk op de belangen van retailbeleggers;

e)  de grootte van de door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon behaalde winsten of vermeden verliezen, dan wel de verliezen voor derden ten gevolge van de inbreuk, voor zover die zijn vast te stellen;

f)  de mate van medewerking met de bevoegde autoriteit door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon, onverminderd de noodzaak te zorgen voor terugbetaling van de door die persoon behaalde winsten of vermeden verliezen;

g)  eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon;

h)  maatregelen die de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon heeft genomen om herhaling van de inbreuk te voorkomen.

2.  Bij de uitoefening van hun bevoegdheden om uit hoofde van artikel 36 bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen om ervoor te zorgen dat de toezicht- en onderzoeksbevoegdheden en de bestuursrechtelijke sancties en maatregelen die zij uit hoofde van deze verordening opleggen, doeltreffend en passend zijn. Zij coördineren hun optreden om met betrekking tot grensoverschrijdende gevallen dubbel werk en overlappingen bij de uitoefening van hun toezicht- en onderzoeksactiviteiten en bij het opleggen van bestuursrechtelijke sancties en maatregelen te voorkomen.

Artikel 38

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten die op grond van de bepalingen van deze verordening worden genomen, naar behoren gemotiveerd zijn en dat daartegen beroep bij een rechtbank openstaat.

Artikel 39

Melding van inbreuken

1.  De bevoegde autoriteiten stellen doeltreffende mechanismen in om het melden van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan hen aan te moedigen en mogelijk te maken.

2.  De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

a)  specifieke procedures voor het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van daadwerkelijke of potentiële inbreuken, met inbegrip van het vaststellen van veilige communicatiekanalen voor dergelijke meldingen;

b)  passende bescherming van werknemers met een arbeidsovereenkomst die inbreuken melden, tegen ten minste vergelding, discriminatie en andere vormen van onbillijke behandeling door hun werkgever of door derden;

c)  bescherming, in elke procedurefase, van de identiteit en persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuken meldt, als de voor een inbreuk verantwoordelijk geachte natuurlijke persoon, tenzij openbaarmaking krachtens het nationale recht is vereist in het kader van verder onderzoek of een daarop volgende gerechtelijke procedure.

3.  De lidstaten kunnen in de mogelijkheid voorzien dat aan personen die relevante informatie over daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening verstrekken, overeenkomstig het nationale recht financiële stimulansen worden toegekend wanneer deze personen niet reeds andere wettelijke of contractuele verplichtingen hebben om dergelijke informatie te melden, en mits de informatie nieuw is en in het opleggen van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctie of het nemen van een andere bestuursrechtelijke maatregel vanwege een inbreuk op deze verordening resulteert.

4.  De lidstaten verlangen van werkgevers die zich met uit het oogpunt van financiële diensten gereglementeerde activiteiten bezighouden, dat zij passende procedures instellen die hun werknemers in staat stellen daadwerkelijke of potentiële inbreuken intern via een specifiek, onafhankelijk en autonoom kanaal te melden.

Artikel 40

Bekendmaking van besluiten

1.  Een besluit op grond waarvan een bestuursrechtelijke sanctie of maatregel in verband met een inbreuk op deze verordening wordt opgelegd, wordt door de bevoegde autoriteiten op hun officiële website bekendgemaakt onmiddellijk nadat de bestrafte persoon van het besluit in kennis is gesteld. Daarbij wordt ten minste informatie over de soort en aard van de inbreuk bekendgemaakt, alsmede de identiteit van de verantwoordelijke personen. Deze verplichting geldt niet voor besluiten waarbij onderzoeksmaatregelen worden vastgesteld.

2.  Indien de bekendmaking van de identiteit van de rechtspersonen, dan wel van de identiteit of de persoonsgegevens van de natuurlijke personen na een per geval uitgevoerde beoordeling van de evenredigheid van een dergelijke bekendmaking door de bevoegde autoriteit onevenredig wordt geacht, of indien bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek in gevaar brengt, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten als volgt handelen:

a)  ofwel stellen zij de bekendmaking van het besluit waarbij een sanctie of maatregel wordt opgelegd, uit totdat de redenen voor niet-bekendmaking vervallen;

b)  ofwel maken zij het besluit waarbij de sanctie of maatregel wordt opgelegd, op anonieme basis en in overeenstemming met het nationale recht bekend indien de betrokken persoonsgegevens door een dergelijke anonieme bekendmaking doeltreffend worden beschermd. In geval van een besluit tot bekendmaking van een sanctie of maatregel op anonieme basis kan de bekendmaking van de betrokken gegevens voor een redelijke periode worden uitgesteld indien wordt verwacht dat de redenen voor bekendmaking op anonieme basis binnen die periode zullen vervallen;

c)  ofwel maken zij het besluit om een sanctie of maatregel op te leggen in het geheel niet bekend als de onder a) en b) vermelde opties ontoereikend worden geacht om te waarborgen:

(i)  dat de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht;

(ii)  dat de bekendmaking van dergelijke besluiten evenredig is met maatregelen die van gering belang worden geacht.

3.  Indien tegen het besluit om een sanctie of maatregel op te leggen, beroep is ingesteld voor de bevoegde rechterlijke of andere instanties, maken de bevoegde autoriteiten die informatie en alle latere informatie over de uitkomst van dat beroep ook onmiddellijk op hun officiële website bekend. Bovendien wordt een besluit tot nietigverklaring van een eerder besluit tot oplegging van een sanctie of maatregel eveneens bekendgemaakt.

4.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat alle informatie die overeenkomstig dit artikel wordt bekendgemaakt, gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de bekendmaking op hun officiële website blijft staan. In de bekendmaking opgenomen persoonsgegevens worden op de officiële website van de bevoegde autoriteit niet langer bewaard dan uit hoofde van de toepasselijke gegevensbeschermings-voorschriften noodzakelijk is.

Artikel 41

Rapportage van sancties aan de ESMA

1.  De bevoegde autoriteit verstrekt de ESMA jaarlijks geaggregeerde informatie over alle bestuursrechtelijke sancties en maatregelen die in overeenstemming met artikel 36 zijn opgelegd. De ESMA publiceert deze informatie in een jaarverslag.

Wanneer de lidstaten er overeenkomstig artikel 36, lid 1, voor hebben gekozen strafrechtelijke sancties vast te stellen voor inbreuken op de in artikel 36, lid 1, genoemde bepalingen, verstrekken hun bevoegde autoriteiten de ESMA jaarlijks geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens met betrekking tot alle ingestelde strafrechtelijke onderzoeken en alle opgelegde strafrechtelijke sancties. De ESMA publiceert de gegevens over opgelegde strafrechtelijke sancties in een jaarverslag.

2.  Wanneer de bevoegde autoriteit bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties of bestuursrechtelijke maatregelen openbaar heeft gemaakt, doet zij van deze bestuursrechtelijke sancties of maatregelen gelijktijdig verslag bij de ESMA.

3.  De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA op de hoogte van alle bestuursrechtelijke sancties of maatregelen die overeenkomstig artikel 40, lid 2, onder c), zijn opgelegd maar niet zijn bekendgemaakt, met inbegrip van een eventueel ingesteld beroep en het resultaat van de behandeling daarvan. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de informatie en de definitieve uitspraak in verband met een opgelegde strafrechtelijke sanctie ontvangen en doen toekomen aan de ESMA. De ESMA houdt, uitsluitend ten behoeve van uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale database van de aan haar meegedeelde sancties bij. Die database is uitsluitend toegankelijk voor bevoegde autoriteiten en wordt bijgewerkt op basis van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie.

HOOFDSTUK IX

GEDELEGEERDE EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 42

Uitoefening van de delegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 1, lid ▌6, artikel 2, lid 2, ▌artikel 13, leden 1 en 2, artikel 14, lid 3, artikel 15, lid 3, ▌en artikel 27, lid 3, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

3.  De in artikel 1, lid ▌6, artikel 2, lid 2, ▌artikel 13, leden 1 en 2, artikel 14, lid 3, artikel 15, lid 3, ▌en artikel 27, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 1, lid ▌6, artikel 2, lid 2, ▌artikel 13, leden 1 en 2, artikel 14, lid 3, artikel 15, lid 3, ▌en artikel 27, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 43

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Europees Comité voor het effectenbedrijf, ingesteld bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie(27). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 44

Intrekking

1.  Richtlijn 2003/71/EG wordt met ingang van [de datum waarop deze verordening van toepassing wordt].

2.  Verwijzingen naar Richtlijn 2003/71/EG worden gelezen als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV bij deze verordening.

4.  Prospectussen die vóór [toepassingsdatum van deze verordening] overeenkomstig het nationale recht tot omzetting van Richtlijn 2003/71/EG zijn goedgekeurd, blijven geregeld door dat nationale recht tot het einde van hun geldigheid of, indien dit eerder is, totdat twaalf maanden na [toepassingsdatum van deze verordening] zijn verstreken.

Artikel 45

ESMA-verslag over prospectussen

1.  Op grond van de documenten die via het in artikel 20, lid 6, bedoelde mechanisme openbaar worden gemaakt, publiceert de ESMA elk jaar een verslag met statistische gegevens over de in de Unie goedgekeurde en ter kennis gebrachte prospectussen, alsook met een trendanalyse waarin rekening wordt gehouden met de soorten uitgevende instellingen, met name uit het mkb, de soorten uitgiften, met name de tegenwaarde van aanbiedingen, het type verhandelbare effecten, het type handelsplatform en de coupure.

2.  Dit verslag bevat in het bijzonder:

a)  een analyse van de mate waarin in de gehele Unie wordt gebruikgemaakt van de in de artikelen 14 en 15 beschreven openbaarmakingsregelingen en het in artikel 9 beschreven universele registratiedocument;

b)  statistische gegevens over basisprospectussen en definitieve voorwaarden, alsook over prospectussen die in de vorm van afzonderlijke documenten of in de vorm van één enkel document zijn opgesteld;

c)  statistische gegevens over de gemiddelde en totale bedragen die door middel van een aanbieding van effecten aan het publiek conform deze verordening zijn opgehaald door niet-beursgenoteerde ondernemingen, ondernemingen waarvan effecten op multilaterale handelsfaciliteiten, met inbegrip van mkb-groeimarkten, worden verhandeld, en ondernemingen waarvan effecten tot de handel op gereglementeerde markten zijn toegelaten. In voorkomend geval worden deze statistische gegevens ook uitgesplitst naar eerste aanbiedingen aan het publiek en volgende aanbiedingen, alsook naar effecten met en zonder aandelenkarakter;

c bis)  statistieken over de kostprijs voor het vervaardigen van prospectussen, opgesplitst in ten minste verschillende categorieën van uitgevende instellingen, omvang van uitgifte en locaties alsook de vergoedingscategorieën voor uitgevende instellingen en de categorieën van dienstverleners die ze aanrekenen; de statistieken moeten zijn vergezeld van een analyse van de doeltreffendheid van concurrentie tussen dienstverleners die zijn betrokken bij de opstelling van prospectussen en aanbevelingen over de vermindering van kosten.

Artikel 46

Toetsing

Uiterlijk [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

In het verslag wordt onder meer beoordeeld of de samenvatting van het prospectus, de in de artikelen 14 en 15 beschreven openbaarmakingsregelingen en het in artikel 9 beschreven universele registratiedocument geschikt blijven in het licht van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. In het verslag wordt rekening gehouden met de uitkomsten van de in artikel 19, lid 12, genoemde collegiale toetsing.

Artikel 47

Inwerkingtreding en toepassing

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij is van toepassing met ingang van [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

2 bis.   In afwijking van lid 2, kunnen de lidstaten vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening de drempels hanteren die met het oog op de vrijstelling zijn geregeld in artikel 1, lid 3, onder d) of de optie in artikel 3, lid 2.

3.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] aan artikel 11, artikel 19, lid 8, artikel 29, artikel 30, artikel 36, artikel 37, artikel 38, artikel 39, artikel 40 en artikel 41 te voldoen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees ParlementVoor de Raad

De voorzitterDe voorzitter

BIJLAGE I

PROSPECTUS

I.   Samenvatting

II.   Identiteit van bestuurders, bedrijfsleiding, adviseurs en auditors

Het is de bedoeling dat de vertegenwoordigers van de onderneming en andere personen betrokken bij de aanbieding van effecten door de onderneming of de toelating van effecten tot de handel worden geïdentificeerd; het betreft de personen verantwoordelijk voor de opstelling van het prospectus en de personen verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening.

III.   Inlichtingen over de aanbieding en verwacht tijdschema

Het is de bedoeling dat de voornaamste informatie over de aanbiedingsprocedure wordt verstrekt en dat de belangrijke data in verband met de aanbieding worden vermeld.

A.  Inlichtingen over de aanbieding

B.  Procedure en verwacht tijdschema

IV.   Kerngegevens

Het is de bedoeling dat een beknopt overzicht wordt gegeven van de kerngegevens betreffende de financiële situatie, de kapitalisatie en de risicofactoren van de onderneming. Indien de in het document opgenomen jaarrekening aangepast is om met veranderingen van betekenis in de groepsstructuur of grondslagen van de administratieve verantwoording en verslaglegging van de onderneming rekening te houden, dan moeten ook de voornaamste financiële gegevens worden aangepast.

A.  Geselecteerde financiële gegevens

B.  Kapitalisatie en schuldenlast

C.  Redenen voor de aanbieding en bestemming van de opbrengsten

D.  Risicofactoren

V.   Informatie over de onderneming

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, de producten die zij vervaardigt of de diensten die zij verleent, en over de factoren die op de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn. Het is eveneens de bedoeling dat informatie wordt verschaft over de adequaatheid en geschiktheid van de onroerende goederen, technische installaties en uitrusting van de onderneming, alsmede over haar plannen voor toekomstige capaciteitsverhogingen of -verlagingen.

A.  Geschiedenis en ontwikkeling van de onderneming

B.  Overzicht van de bedrijfsactiviteiten

C.  Organisatiestructuur

D.  Materiële vaste activa

VI.   Bedrijfsresultaten, financiële toestand en vooruitzichten

Het is de bedoeling dat het management uitleg verstrekt over de factoren die van invloed zijn geweest op de financiële toestand en de bedrijfsresultaten van de onderneming in de tijdvakken die door de jaarrekeningen worden bestreken. Het management dient tevens zijn oordeel te geven over de factoren en tendensen waarvan wordt verwacht dat zij in de komende boekjaren een wezenlijk effect zullen sorteren op de financiële toestand en de bedrijfsresultaten van de onderneming.

A.  Bedrijfsresultaten

B.  Liquiditeit en kapitaalmiddelen

C.  Onderzoek en ontwikkeling, octrooien en licenties enz.

D.  Tendensen.

VII.   Bestuurders, bedrijfsleiding en werknemers

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de bestuurders en managers van de onderneming opdat beleggers zich een oordeel kunnen vormen over de ervaring, de beroepskwalificaties en de beloning van deze personen, alsook over hun band met de onderneming.

A.  Bestuurders en bedrijfsleiding

B.  Beloning

C.  Manier van werken van het bestuursorgaan

D.  Werknemers

E.  Aandeelhouderschap

VIII. Belangrijkste aandeelhouders en transacties met verbonden partijen

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de belangrijkste aandeelhouders en anderen die zeggenschap over de onderneming uitoefenen of kunnen uitoefenen. Tevens dient informatie te worden verschaft die betrekking heeft op eventuele transacties van de onderneming met personen die met de onderneming verbonden zijn, en waaruit blijkt of de voorwaarden van deze transacties billijk zijn voor de onderneming.

A.  Belangrijkste aandeelhouders

B.  Transacties met verbonden partijen

C.  Belangen van deskundigen en adviseurs

IX.   Financiële informatie

Het is de bedoeling dat nader wordt aangegeven welke jaarrekeningen in het document moeten worden opgenomen, welke perioden moeten worden bestreken, van wanneer de jaarrekeningen dateren en welke andere informatie van financiële aard dient te worden vermeld. De grondslagen voor de verslaglegging en de auditbeginselen waarvan bij de opstelling en de controle van de jaarrekening gebruik mag worden gemaakt, zullen worden vastgesteld overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen en controlenormen.

A.  Geconsolideerde jaarrekening en andere financiële informatie

B.  Belangrijke wijzigingen

X.   Nadere bijzonderheden over de aanbieding en de toelating tot de handel

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de aanbieding van effecten en de toelating van effecten tot de handel, het plan voor het op de markt brengen van de effecten en aanverwante zaken.

A.  Aanbieding en toelating tot de handel

B.  Plan voor het op de markt brengen van de effecten

C.  Markten

D.  Verkopende houders van effecten

E.  Verwatering (alleen voor effecten met aandelenkarakter)

F.  Kosten van de uitgifte

XI.   Aanvullende informatie

Het is de bedoeling dat hier de - meestal wettelijk verplichte - informatie wordt verstrekt die niet elders in het prospectus is opgenomen.

A.  Aandelenkapitaal

B.  Akte van oprichting en statuten

C.  Belangrijke overeenkomsten

D.  Deviezencontroles

E.  Waarschuwing over fiscale gevolgen

F.  Dividenden en betalingsgemachtigden

G.  Deskundigenverklaring

H.  Ter inzage beschikbare documenten

I.  Bijkomende informatie

BIJLAGE II

REGISTRATIEDOCUMENT

I.   Identiteit van bestuurders, bedrijfsleiding, adviseurs en auditors

Het is de bedoeling dat de vertegenwoordigers van de onderneming en andere personen betrokken bij de aanbieding van effecten door de onderneming of de toelating van effecten tot de handel worden geïdentificeerd; het betreft de personen verantwoordelijk voor de opstelling van het prospectus en de personen verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening.

II.   Kerngegevens over de uitgevende instelling

Het is de bedoeling dat een beknopt overzicht wordt gegeven van de kerngegevens betreffende de financiële situatie, de kapitalisatie en de risicofactoren van de onderneming. Indien de in het document opgenomen jaarrekening aangepast is om met veranderingen van betekenis in de groepsstructuur of grondslagen van de administratieve verantwoording en verslaglegging van de onderneming rekening te houden, dan moeten ook de voornaamste financiële gegevens worden aangepast.

A.  Geselecteerde financiële gegevens

B.  Kapitalisatie en schuldenlast

C.  Risicofactoren

III.   Informatie over de onderneming

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, de producten die zij vervaardigt of de diensten die zij verleent, en over de factoren die op de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn. Het is eveneens de bedoeling dat informatie wordt verschaft over de adequaatheid en geschiktheid van de onroerende goederen, technische installaties en uitrusting van de onderneming, alsmede over haar plannen voor toekomstige capaciteitsverhogingen of -verlagingen.

A.  Geschiedenis en ontwikkeling van de onderneming

B.  Overzicht van de bedrijfsactiviteiten

C.  Organisatiestructuur

D.  Onroerende goederen, technische installaties en uitrusting

IV.   Bedrijfsresultaten, financiële toestand en vooruitzichten

Het is de bedoeling dat het management uitleg verstrekt over de factoren die van invloed zijn geweest op de financiële toestand en de bedrijfsresultaten van de onderneming in de tijdvakken die door de jaarrekeningen worden bestreken. Het management dient tevens zijn oordeel te geven over de factoren en tendensen waarvan wordt verwacht dat zij in de komende boekjaren een wezenlijk effect zullen sorteren op de financiële toestand en de bedrijfsresultaten van de onderneming.

A.  Bedrijfsresultaten

B.  Liquiditeit en kapitaalmiddelen

C.  Onderzoek en ontwikkeling, octrooien en licenties enz.

D.  Tendensen

V.   Bestuurders, bedrijfsleiding en werknemers

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de bestuurders en managers van de onderneming opdat beleggers zich een oordeel kunnen vormen over de ervaring, de beroepskwalificaties en de beloning van deze personen, alsook over hun band met de onderneming.

A.  Bestuurders en bedrijfsleiding

B.  Beloning

C.  Manier van werken van het bestuursorgaan

D.  Werknemers

E.  Aandeelhouderschap

VI.   Belangrijkste aandeelhouders en transacties met verbonden partijen

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de belangrijkste aandeelhouders en anderen die zeggenschap over de onderneming uitoefenen of kunnen uitoefenen. Tevens dient informatie te worden verschaft die betrekking heeft op eventuele transacties van de onderneming met personen die met de onderneming verbonden zijn, en waaruit blijkt of de voorwaarden van deze transacties billijk zijn voor de onderneming.

A.  Belangrijkste aandeelhouders

B.  Transacties met verbonden partijen

C.  Belangen van deskundigen en adviseurs

VII.   Financiële informatie

Het is de bedoeling dat nader wordt aangegeven welke jaarrekeningen in het document moeten worden opgenomen, welke perioden moeten worden bestreken, van wanneer de jaarrekeningen dateren en welke andere informatie van financiële aard dient te worden vermeld. De grondslagen voor de verslaglegging en de auditbeginselen waarvan bij de opstelling en de controle van de jaarrekening gebruik mag worden gemaakt, zullen worden vastgesteld overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen en controlenormen.

A.  Geconsolideerde jaarrekening en andere financiële informatie

B.  Belangrijke wijzigingen

VIII. Aanvullende informatie

Het is de bedoeling dat hier de - meestal wettelijk verplichte - informatie wordt verstrekt die niet elders in het prospectus is opgenomen.

A.  Aandelenkapitaal

B.  Akte van oprichting en statuten

C.  Belangrijke overeenkomsten

D.  Deskundigenverklaring

E.  Ter inzage beschikbare documenten

F.  Bijkomende informatie

BIJLAGE III

VERRICHTINGSNOTA

I.   Identiteit van bestuurders, bedrijfsleiding, adviseurs en auditors

Het is de bedoeling dat de vertegenwoordigers van de onderneming en andere personen betrokken bij de aanbieding van effecten door de onderneming of de toelating van effecten tot de handel worden geïdentificeerd; het betreft de personen verantwoordelijk voor de opstelling van het prospectus en de personen verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening.

II.   Inlichtingen over de aanbieding en verwacht tijdschema

Het is de bedoeling dat de voornaamste informatie over de aanbiedingsprocedure wordt verstrekt en dat de belangrijke data in verband met de aanbieding worden vermeld.

A.  Inlichtingen over de aanbieding

B.  Procedure en verwacht tijdschema

III.   Kerngegevens over de uitgevende instelling

Het is de bedoeling dat een beknopt overzicht wordt gegeven van de kerngegevens betreffende de financiële situatie, de kapitalisatie en de risicofactoren van de onderneming. Indien de in het document opgenomen jaarrekening aangepast is om met veranderingen van betekenis in de groepsstructuur of grondslagen van de administratieve verantwoording en verslaglegging van de onderneming rekening te houden, dan moeten ook de voornaamste financiële gegevens worden aangepast.

A.  Kapitalisatie en schuldenlast

B.  Redenen voor de aanbieding en bestemming van de opbrengsten

C.  Risicofactoren

IV.   Belangen van deskundigen

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de transacties van de onderneming met deskundigen of adviseurs op wie voor bepaalde werkzaamheden een beroep wordt gedaan.

V.   Nadere bijzonderheden over de aanbieding en de toelating tot de handel

Het is de bedoeling dat informatie wordt verstrekt over de aanbieding van effecten en de toelating van effecten tot de handel, het plan voor het op de markt brengen van de effecten en aanverwante zaken.

A.  Aanbieding en toelating tot de handel

B.  Plan voor het op de markt brengen van de effecten

C.  Markten

D.  Verkopende houders van effecten

E.  Verwatering (alleen voor effecten met aandelenkarakter)

F.  Kosten van de uitgifte

VI.   Aanvullende informatie

Het is de bedoeling dat hier de - meestal wettelijk verplichte - informatie wordt verstrekt die niet elders in het prospectus is opgenomen.

A.  Deviezencontroles

B.  Waarschuwing over fiscale gevolgen

C.  Dividenden en betalingsgemachtigden

D.  Deskundigenverklaring

E.  Ter inzage beschikbare documenten

BIJLAGE IV

Concordantietabel

(zoals bedoeld in artikel 44)

Richtlijn 2003/71/EG

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2, onder h) met uitzondering van artikel 1, lid 2, onder h)

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2, onder h)

Artikel 1, lid 3, onder d)

Artikel 1, lid 3

Artikel 4

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 5, onder a) en b)

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 3, onder a)

Artikel 3, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 3, onder b)

Artikel 3, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 3, onder c)

Artikel 3, lid 2, onder d)

-

Artikel 3, lid 2, onder e)

-

Artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea

Artikel 5

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 1, lid 5, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 1, lid 3, onder e)

artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 1, lid 3, onder f)

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 1, lid 3, onder g)

artikel 4, lid 1, onder d)

Artikel 1, lid 3, onder h)

Artikel 4, lid 1, onder e)

Artikel 1, lid 3, onder i)

Artikel 4, lid 1, tweede tot en met vijfde alinea

-

Artikel 4, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 4, onder a)

Artikel 4, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 4, onder c)

Artikel 4, lid 2, onder c)

artikel 1, lid 4, onder d)

artikel 4, lid 2, onder d)

Artikel 1, lid 4, onder e)

Artikel 4, lid 2, onder e)

Artikel 1, lid 4, onder f)

Artikel 4, lid 2, onder f)

Artikel 1, lid 4, onder g)

Artikel 4, lid 2, onder g)

artikel 1, lid 4, onder b)

Artikel 4, lid 2, onder h)

Artikel 1, lid 4, onder h)

Artikel 4, lid 3

Artikel 1, lid 6

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 7

Artikel 5, lid 3

Artikel 6, lid 2

Artikel 5, lid 4, eerste alinea

Artikel 8, lid 1

Artikel 5, lid 4, tweede alinea

Artikel 8, lid 9

Artikel 5, lid 4, derde alinea

Artikel 8, lid 4 en Artikel 24, lid 4

Artikel 5, lid 5

Artikel 13, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 7, lid 1

Artikel 13, lid 1, eerste alinea

Artikel 7, lid 2, onder a)

Artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder a)

Artikel 7, lid 2, onder b).

Artikel 13, lid 2, tweede alinea, onder b)

Artikel 7, lid 2, onder c)

Artikel 13, lid 2, tweede alinea, onder c)

artikel 7, lid 2, onder d)

Artikel 13, lid 2, tweede alinea, onder c)

Artikel 7, lid 2, onder e)

Artikel 15

Artikel 7, lid 2, onder f)

Artikel 13, lid 2, tweede alinea, onder d)

Artikel 7, lid 2, onder g)

Artikel 14

Artikel 7, lid 3

Artikel 13, lid 3

Artikel 7, lid 4

-

Artikel 8, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 8, lid 3

Artikel 17, lid 3

Artikel 8, lid 3 bis

Artikel 17, lid 4

Artikel 8, lid 4

Artikel 17, lid 5

Artikel 8, lid 5

-

Artikel 9, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 9, lid 2

Artikel 12, lid 1

Artikel 9, lid 3

Artikel 12, lid 1

Artikel 9, lid 4

Artikel 12, lid 2

Artikel 11, lid 1

Artikel 18, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 18, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 18, lid 4

Artikel 12, lid 1

Artikel 10, lid 1, eerste alinea

Artikel 12, lid 2

Artikel 10, lid 1, tweede alinea

Artikel 12, lid 3

-

Artikel 13, lid 1

Artikel 19, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 19, lid 2

Artikel 13, lid 3

Artikel 19, lid 3

Artikel 13, lid 4

Artikel 19, lid 4

Artikel 13, lid 5

Artikel 19, lid 7

Artikel 13, lid 6

Artikel 19, lid 8

Artikel 13, lid 7

Artikel 19, lid 10

Artikel 14, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 20, lid 2

Artikel 14, lid 3

-

Artikel 14, lid 4

Artikel 20, lid 5

Artikel 14, lid 4 bis

Artikel 20, lid 6

Artikel 14, lid 5

Artikel 20, lid 8

Artikel 14, lid 6

Artikel 20, lid 9

Artikel 14, lid 7

Artikel 20, lid 10

Artikel 14, lid 8

Artikel 20, lid 11

Artikel 15, lid 1

Artikel 21, lid 1

Artikel 15, lid 2

Artikel 21, lid 2

Artikel 15, lid 3

Artikel 21, lid 3

Artikel 15, lid 4

Artikel 21, lid 4

Artikel 15, lid 5

-

Artikel 15, lid 6

Artikel 21, lid 5

Artikel 15, lid 7

Artikel 21, lid 6

Artikel 16, lid 1

Artikel 22, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 22, lid 2

Artikel 16, lid 3

Artikel 22, lid 6

Artikel 17, lid 1

Artikel 23, lid 1

Artikel 17, lid 2

Artikel 23, lid 2

Artikel 18, lid 1

Artikel 24, lid 1

Artikel 18, lid 2

Artikel 24, lid 2

Artikel 18, lid 3, eerste alinea

Artikel 24, lid 3

Artikel 18, lid 3, tweede alinea

Artikel 20, lid 5, derde alinea en Artikel 20, lid 6

Artikel 18, lid 4

Artikel 24, lid 6

Artikel 19, lid 1

Artikel 25, lid 1

Artikel 19, lid 2

Artikel 25, lid 2

Artikel 19, lid 3

Artikel 25, lid 3

Artikel 19, lid 4

-

Artikel 20, lid 1

Artikel 27, lid 1

Artikel 20, lid 2

Artikel 27, lid 2

Artikel 20, lid 3

Artikel 27, lid 3

Artikel 21, lid 1

Artikel 29, lid 1

Artikel 21, lid 1 bis

Artikel 32, lid 1

Artikel 21, lid 1 ter

Artikel 32, lid 2

Artikel 21, lid 2

Artikel 29, lid 2

Artikel 21, lid 3, onder a)

Artikel 30, lid 1, onder a)

Artikel 21, lid 3, onder b)

Artikel 30, lid 1, onder b)

Artikel 21, lid 3, onder c)

Artikel 30, lid 1, onder c)

Artikel 21, lid 3, onder d)

artikel 30, lid 1, onder d)

Artikel 21, lid 3, onder e)

Artikel 30, lid 1, onder e)

Artikel 21, lid 3, onder f)

Artikel 30, lid 1, onder f)

Artikel 21, lid 3, onder g)

Artikel 30, lid 1, onder g)

Artikel 21, lid 3, onder h)

Artikel 30, lid 1, onder h)

Artikel 21, lid 3, onder i)

Artikel 30, lid 1, onder i)

Artikel 21, lid 3, tweede alinea

Artikel 30, lid 1, tweede alinea

Artikel 21, lid 4, onder a)

Artikel 30, lid 1, onder l

Artikel 21, lid 4, onder b).

Artikel 30, lid 1, onder m)

Artikel 21, lid 4, onder c)

-

artikel 21, lid 4, onder d)

Artikel 30, lid 1, onder n)

Artikel 21, lid 4, tweede alinea

Artikel 30, lid 1, derde alinea

Artikel 21, lid 5

Artikel 29, lid 3 en Artikel 30, lid 5

Artikel 22, lid 1

Artikel 33, lid 2

Artikel 22, lid 2, eerste alinea

Artikel 31, lid 1

Artikel 22, lid 2, tweede alinea

-

Artikel 22, lid 2, derde alinea

Artikel 31, lid 5

Artikel 22, lid 3

-

Artikel 22, lid 4

Artikel 31, leden 6 en 7

Artikel 23, lid 1

Artikel 35, lid 1

Artikel 23, lid 2

Artikel 35, lid 2

Artikel 24

Artikel 43

artikel 24 bis, lid 1

Artikel 42, lid 2

artikel 24 bis, lid 2

Artikel 42, lid 4

artikel 24 bis, lid 3

Artikel 42, lid 1

Artikel 24 ter

Artikel 42, lid 3

Artikel 24 quater

Artikel 42, lid 5

Artikel 25, lid 1

Artikel 36, lid 1

Artikel 25, lid 2

Artikel 40

Artikel 26

Artikel 38

Artikel 27

-

Artikel 28

-

Artikel 29

-

Artikel 30

-

Artikel 31

Artikel 46

Artikel 32

Artikel 47

Artikel 33

Artikel 47

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0238/2016).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
(3)PB C 177 van 18.5.2016, blz. 9
(4) PB C 195 van 2.6.2016, blz. 1
(5) Standpunt van het Europees Parlement van ... [(PB …)/(nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt)] en standpunt van de Raad van ....
(6) Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).
(7) Richtlijn 2010/73/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PB L 327 van 11.12.2010, blz. 1).
(8) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(9)Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).
(10)Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).
(11)Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).
(12)Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)
(13)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(14)Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(15)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(16)Richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (PB L 100 van 17.4.1980, blz. 1).
(17)Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1).
(18)Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(19) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(20) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(21)Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).
(22)Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PB L 149 van 30.4.2004, blz. 1).
(23)Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).
(24)Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(25)[PB C van, blz. ].
(26)Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).
(27)Besluit 2001/528/EG van de Commissie van 6 juni 2001 tot instelling van het Europees Comité voor het effectenbedrijf (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45).


Asiel: voorlopige maatregelen ten behoeve van Italië en Griekenland *
PDF 402kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2016)0171 – C8-0133/2016 – 2016/0089(NLE))
P8_TA(2016)0354A8-0236/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0171),

–  gezien artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0133/2016),

–  gezien de artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0236/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 2
(2)  In artikel 4, lid 2, van Besluit (EU) 2015/1601 wordt bepaald dat op 26 september 2016 54 000 verzoekers moeten worden herplaatst op het grondgebied van andere lidstaten, tenzij op die datum de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 3, een voorstel heeft ingediend om hen toe te wijzen aan een andere begunstigde lidstaat of andere begunstigde lidstaten die word(t)(en) geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van personen.
(2)  In artikel 4, lid 2, van Besluit (EU) 2015/1601 is bepaald dat op 26 september 2016 54 000 verzoekers vanuit Italië en Griekenland moeten worden herplaatst in de in dat besluit vermelde verhoudingen (d.w.z. 12 764 verzoekers vanuit Italië en 41 236 vanuit Griekenland) naar het grondgebied van andere lidstaten, tenzij de Commissie uiterlijk op die datum overeenkomstig artikel 4, lid 3, een voorstel heeft ingediend om hen toe te wijzen toe te wijzen aan andere begunstigde lidstaten die worden geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van personen.
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 3
(3)   Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Besluit (EU) 2015/1601 dient de Commissie de massale toestroom van onderdanen van derde landen in de lidstaten permanent te evalueren. De Commissie dient in voorkomend geval voorstellen tot wijziging van dat besluit in, teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de situatie ter plaatse en de gevolgen daarvan voor het herplaatsingsmechanisme, alsmede met de zich ontwikkelende druk op de lidstaten, in het bijzonder de lidstaten in de frontlinie.
Schrappen
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)   In artikel 4, lid 1, onder c), van Besluit (EU) 2015/1601 wordt bepaald dat 54 000 verzoekers moeten worden herplaatst. In artikel 2, onder e), van dat besluit wordt herplaatsing gedefinieerd als de overdracht van een verzoeker van het grondgebied van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van diens verzoek om internationale bescherming, naar het grondgebied van de lidstaat van herplaatsing. De herplaatsing omvat niet de hervestiging of toelating van personen die internationale bescherming nodig hebben, vanuit een derde land in/tot het grondgebied van een lidstaat.
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)   Het moet de taak van het Europees grens- en kustwachtagentschap zijn voortdurend toe te zien op de situatie met betrekking tot massale instromen van onderdanen van derde landen in lidstaten.
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Overweging 4
(4)  De staatshoofden en regeringsleiders van de EU zijn het op 7 maart eens geworden om verder te werken op basis van een aantal beginselen dat de grondslag moeten vormen voor een akkoord met Turkije en dat onder meer inhoudt dat voor elke Syriër van de Griekse eilanden die door Turkije wordt overgenomen, een andere Syriër uit Turkije in de EU-lidstaten zal worden hervestigd, binnen het kader van de bestaande afspraken. Deze beginselen werden verder uitgewerkt in de mededeling van de Commissie over nieuwe praktische stappen in de samenwerking EU-Turkije op het gebied van migratie, waarin zij opriep tot de nodige stappen om enkele van de verbintenissen in het kader van de bestaande herplaatsingsbesluiten over te hevelen naar de zogeheten 1:1-regeling, met name alle of een deel van de momenteel niet toegewezen 54 000 plaatsen.
(4)  De staatshoofden en regeringsleiders van de EU zijn het via een verklaring op 7 maart eens geworden om verder te werken op basis van een aantal beginselen dat de grondslag moeten vormen voor een akkoord met Turkije en dat onder meer inhoudt dat voor elke Syriër van de Griekse eilanden die door Turkije wordt overgenomen, een andere Syriër uit Turkije in de EU-lidstaten zal worden hervestigd, binnen het kader van de bestaande afspraken. Deze 1:1-regeling moet worden toegepast met het oog op de bescherming van Syriërs die op de vlucht zijn voor oorlog en vervolging en met volledige eerbiediging van het recht om asiel te zoeken en het beginsel van non-refoulement, zoals verankerd in het Unierecht, het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 inzake de status van vluchtelingen.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 5
(5)  Er kan van worden uitgegaan dat hervestiging, toelating op humanitaire gronden of andere vormen van legale toelating vanuit Turkije in het kader van nationale en multilaterale regelingen zal bijdragen aan de verlichting van de migratiedruk op de lidstaten die begunstigden zijn van de herplaatsing overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1601, omdat daarmee legale en veilige mogelijkheden worden geboden om de Unie binnen te komen en irreguliere binnenkomst wordt ontmoedigd. De solidariteitsinspanningen van de lidstaten, die inhouden dat zij in Turkije verblijvende Syriërs die duidelijk internationale bescherming behoeven, tot hun grondgebied toelaten, moeten derhalve in aanmerking worden genomen ten aanzien van de hierboven bedoelde 54 000 verzoekers om internationale bescherming. Wat die 54 000 verzoekers betreft, dient het aantal personen dat aldus vanuit Turkije tot een lidstaat wordt toegelaten, in mindering te worden gebracht op het aantal in die lidstaat overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1601 te herplaatsen personen.
(5)  Grootschalige hervestiging, toelating op humanitaire gronden of andere vormen van legale toelating vanuit Turkije in het kader van nationale en multilaterale regelingen zijn noodzakelijk voor de verlichting van de migratiedruk op de lidstaten, omdat daarmee legale en veilige mogelijkheden worden geboden om de Unie binnen te komen en irreguliere binnenkomst onnodig wordt. Derhalve moeten zij worden uitgebreid. Tot nu toe is slechts een minimaal aantal Syrische vluchtelingen herplaatst naar de Unie. In zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie heeft het Europees Parlement aangedrongen op het ontwikkelen van een groter aantal veiligere en reguliere routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU, met inbegrip van een bindende en dwingende wetgevende aanpak van de EU met betrekking tot hervestiging, de vaststelling door alle lidstaten van programma's voor toelating op humanitaire gronden en een ruimere verstrekking van humanitaire visa. Deze maatregelen moeten een aanvulling vormen op de herplaatsingsregelingen die uit hoofde van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 zijn vastgesteld.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Overweging 6
(6)  De toelatingsprocedures waarop dit besluit van toepassing is, omvatten hervestiging, toelating op humanitaire gronden of andere legale mogelijkheden voor de toelating van personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, zoals programma’s voor visumverstrekking op humanitaire gronden, overbrenging op humanitaire gronden, programma’s voor gezinshereniging, particuliere sponsoringprojecten, programma’s voor studiebeurzen, regelingen voor arbeidsmobiliteit, enzovoort.
(6)  De toelatingsprocedures waarop dit besluit van toepassing is, omvatten hervestiging, toelating op humanitaire gronden of andere legale mogelijkheden voor de toelating van personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, zoals programma's voor visumverstrekking op humanitaire gronden, overbrenging op humanitaire gronden, programma's voor gezinshereniging, particuliere sponsoringprojecten, programma's voor studiebeurzen, toegang tot onderwijs, regelingen voor arbeidsmobiliteit, enzovoort.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   In Richtlijn 2003/86/EG1bis is voorzien dat maatregelen op het gebied van gezinshereniging in overeenstemming moeten zijn met de in veel internationale rechtsinstrumenten opgelegde verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren. Bijgevolg mag gezinshereniging niet afhangen van andere beleidsmaatregelen of solidariteits- of noodmaatregelen van de Unie. Gezinshereniging moet in alle gevallen door de lidstaten worden geëerbiedigd en bevorderd.
___________________
1 bis Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12)..
Amendement 25
Ontwerpbesluit
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   Veel verzoekers die internationale bescherming nodig hebben en die zich momenteel in Griekenland en Italië bevinden, komen niet in aanmerking voor de herplaatsingsregeling omdat zij onder Verordening (EU) nr. 604/2013 vallen. De lidstaten moeten snel uitvoering geven aan het recht op gezinshereniging overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 en moeten de dossiers van kwetsbare gevallen versneld behandelen zodat zij zo snel mogelijk met hun gezin kunnen worden herenigd.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Overweging 7
(7)  Dit besluit doet geen afbreuk aan de verbintenissen die lidstaten zijn aangegaan in het kader van de Conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, die niet dienen mee te tellen voor het voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van Besluit 2015/1601. Een lidstaat die verkiest om aan zijn verplichtingen uit hoofde van Besluit (EU) 2015/1601 te voldoen door in Turkije verblijvende Syriërs toe te laten in het kader van hervestiging, kan die inspanningen derhalve niet laten meetellen voor zijn verbintenissen in het kader van de hervestigingsregeling van 20 juli 2015.
(7)  Dit besluit doet geen afbreuk aan de verbintenissen die lidstaten zijn aangegaan in het kader van de Conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, die niet dienen mee te tellen voor het voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van Besluit 2015/1601.
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Overweging 8
(8)  Met het oog op doeltreffende monitoring van de situatie dienen de lidstaten maandelijks aan de Commissie verslag uit te brengen over de in Turkije verblijvende Syriërs die zij tot hun grondgebied hebben toegelaten in het kader van de mogelijkheid waarin dit amendement voorziet, onder vermelding van de nationale of multilaterale regeling in het kader waarvan de betrokkenen zijn toegelaten en de vorm van legale toelating die is toegepast.
(8)  Met het oog op doeltreffende monitoring van de situatie dienen de lidstaten maandelijks aan de Commissie verslag uit te brengen over de in Turkije verblijvende Syriërs die zij tot hun grondgebied hebben toegelaten, de vorm van toelating die is toegepast en het soort regeling in het kader waarvan dit heeft plaatsgevonden.
Amendement 11
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Hervestiging mag niet ten koste van herplaatsing plaatsvinden. Beide zijn belangrijke solidariteitsinstrumenten. Herplaatsing is een vorm van interne solidariteit tussen de lidstaten, terwijl hervestiging en toelating op humanitaire gronden en andere soorten toelating een vorm van externe solidariteit zijn met derde landen die de meeste vluchtelingen herbergen.
Amendement 12
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)   Gezien het huidige aantal asielzoekers in Griekenland en het toenemende aantal asielzoekers dat in Italië aankomt, zal de behoefte aan plaatsen voor spoedherplaatsing naar verwachting groot blijven.
Amendement 13
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 quater (nieuw)
(8 quater)   Volgens recente gegevens van de UNHCR verblijven 53 859 personen die op zoek zijn naar internationale bescherming, momenteel in Griekenland van wie de overgrote meerderheid Syriërs (45%), Irakezen (22 %) en Afghanen (21 %) zijn. Ondanks een daling van het aantal arriverende vluchtelingen en gezien de politieke aard van de verklaring van 18 maart 2016 van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU over de samenwerking met Turkije, is het uiterst onzeker of de huidige daling van het aantal asielzoekers in Griekenland zal aanhouden. Anderzijds zouden vluchtelingen nieuwe routes kunnen gaan gebruiken, zoals de centrale route door de Middellandse Zee naar Italië, waar volgens berichten van de UNHCR in vergelijking met dezelfde periode in 2015 een stijging van 42,5% te zien is in het aantal migranten dat via Libië aankomt. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat er een grote behoefte aan plaatsen voor herplaatsing zal blijven bestaan.
Amendement 14
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 quinquies (nieuw)
(8 quinquies)   In haar mededeling van 16 maart 2016 getiteld "Eerste verslag over herplaatsing en hervestiging" wees de Commissie erop dat de tenuitvoerlegging van Besluit (EU) 2015/16011 vele tekortkomingen vertoont. Het gevolg dat de lidstaten hebben gegeven aan het algemene verzoek van het EASO om 374 deskundigen te leveren schiet duidelijk tekort gezien de kritieke situatie waarmee Italië en Griekenland kampen. Ondanks het toegenomen aantal niet-begeleide minderjarigen en asielzoekers die voor herplaatsing in aanmerking komen, is slechts een zeer beperkt aantal van hen herplaatst, ondanks de Raadsbesluiten over herplaatsing waarin is voorzien in een prioritaire behandeling van kwetsbare verzoekers. Sommige lidstaten hebben tot dusver geen enkele plaats ter beschikking gesteld voor herplaatsing. Slechts 18 lidstaten hebben toegezegd verzoekers vanuit Griekenland te zullen herplaatsten en 19 lidstaten hebben beloofd dat vanuit Italië te zullen doen. Sommige van die lidstaten hebben slechts zeer beperkte toezeggingen gedaan in verhouding tot hun totale toewijzing.
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 sexies (nieuw)
(8 sexies)   De Commissie heeft inbreukprocedures ingeleid tegen Italië en Griekenland in verband met de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad1bis en tegen Griekenland in verband met Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad1ter. Er zijn evenwel geen gerechtelijke stappen genomen tegen lidstaten die de verplichtingen uit hoofde van Besluit EU)2015/1601 niet nakomen.
_________________
1 bis Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (herschikking)( PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).
1 ter Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 septies (nieuw)
(8 septies)   De lidstaten van herplaatsing moeten hun verplichtingen uit hoofde van Besluiten (EU)2015/1523 en (EU)2015/1601 volledig nakomen ten einde de druk op de lidstaten in de frontlinie te verlichten. De lidstaten van herplaatsing moeten met spoed hun inspanningen drastisch opvoeren om te reageren op de urgente humanitaire situatie in Griekenland en om een verslechtering van de situatie in Italië te voorkomen. Tot dusverre hebben de lidstaten slechts 7 % van de plaatsen voor herplaatsing ter beschikking gesteld. Tot zondag 5 juni 2016 werden slechts 793 personen uit Italië en 2033 personen uit Griekenland daadwerkelijk herplaatst. In haar eerste verslag over herplaatsing en hervestiging van 16 maart 2016 wees de Commissie op het feit dat de lidstaten een maandelijkse herplaatsing van ten minste 5 680 personen moeten bereiken om binnen de termijn van twee jaar aan hun verplichtingen inzake herplaatsing te voldoen.
Amendement 17
Voorstel voor een besluit
Overweging 8 octies (nieuw)
(8 octies)   Uit hoofde van Besluit (EU)2015/1601 zouden ook Afghanen voor herplaatsing in aanmerking moeten komen. In 2015 bereikte het aantal, door Afghanen ingediende asielaanvragen een ongekend niveau van rond 180 000 aanvragen, waardoor de Afghanen in dat jaar de op een na grootste groep asielzoekers in de Unie vormden. De meesten van hen komen in Griekenland aan. Velen zijn niet-begeleide minderjarigen. Zij hebben bijzondere bescherming nodig die Griekenland niet kan geven wegens de aanhoudende acute druk van asielzoekers. De verslechterende veiligheidssituatie in Afghanistan, met een recordaantal terroristische aanvallen en burgerslachtoffers in 2015, heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het percentage erkenningen van Afghaanse asielzoekers in de Unie: van 43% in 2014 tot 66% in 2015, volgens gegevens van Eurostat.
Amendement 18
Voorstel voor een besluit
Overweging 14
(14)  Gezien het spoedeisende karakter van de situatie dient dit besluit in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,
(14)  Dit besluit treedt onmiddellijk in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 19
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Besluit (EU) nr. 2015/1601
Artikel 3 – lid 2
-1.   Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Alleen verzoekers die een nationaliteit hebben waarvoor geldt dat, volgens de meest recente kwartaalgemiddelden die door Eurostat voor de gehele Unie zijn vastgesteld, 75 % of meer van de verzoeken om internationale bescherming als bedoeld in hoofdstuk III van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) heeft geleid tot een besluit tot verlening van internationale bescherming in eerste aanleg, worden overeenkomstig dit besluit herplaatst. Voor staatloze personen wordt rekening gehouden met het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven. Met de kwartaalupdates wordt alleen rekening gehouden met betrekking tot verzoekers die nog niet zijn aangemerkt als verzoekers die kunnen worden herplaatst overeenkomstig artikel 5, lid 3, van dit besluit.
"2. Alleen verzoekers die de Syrische, Iraakse, Eritrese en Afghaanse nationaliteit hebben of degenen die een nationaliteit hebben waarvoor geldt dat, volgens de meest recente kwartaalgemiddelden die door Eurostat voor de gehele Unie zijn vastgesteld, 75 % of meer van de verzoeken om internationale bescherming als bedoeld in hoofdstuk III van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) heeft geleid tot een besluit tot verlening van internationale bescherming in eerste aanleg, worden overeenkomstig dit besluit herplaatst. Voor staatloze personen wordt rekening gehouden met het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven. Met de kwartaalupdates wordt alleen rekening gehouden met betrekking tot verzoekers die nog niet zijn aangemerkt als verzoekers die kunnen worden herplaatst overeenkomstig artikel 5, lid 3, van dit besluit.".
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1
Besluit (EU) nr. 2015/1601
Artikel 4 - lid 3 bis
In artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/1601 wordt het volgende lid 3 bis ingevoegd:
Schrappen
"3 bis. Wat de herplaatsing van de in lid 1, onder c), bedoelde verzoekers betreft, leidt het feit dat een lidstaat in Turkije verblijvende onderdanen van Syrië tot zijn grondgebied toelaat in het kader van nationale of multilaterale regelingen voor de legale toelating van personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, andere dan de hervestigingsregeling bedoeld in de Conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, tot een overeenkomstige vermindering van de verplichtingen van de betreffende lidstaat.
Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op elke legaal toegelaten persoon die tot een vermindering van de herplaatsingsverplichtingen leidt.
De lidstaten brengen maandelijks verslag uit aan de Commissie over het aantal personen dat zij overeenkomstig dit lid legaal hebben toegelaten, onder vermelding van het type regeling in het kader waarvan de betrokkenen zijn toegelaten en de vorm van legale toelating die is toegepast.”
Amendement 21
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Besluit (EU) nr. 2015/1601
Artikel 5 – lid 2
1 bis.   Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:
2.  De lidstaten delen op gezette tijden en ten minste om de drie maanden mee hoeveel verzoekers snel op hun grondgebied kunnen worden herplaatst en verstrekken alle andere relevante informatie.
"2. De lidstaten delen op gezette tijden en ten minste om de drie maanden mee hoeveel verzoekers snel op hun grondgebied kunnen worden herplaatst en verstrekken alle andere relevante informatie. De lidstaten stellen vóór 31 december 2016 ten minste een derde van hun plaatsen voor herplaatsing ter beschikking.".
Amendement 22
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Besluit (EU) nr. 2015/1601
Artikel 5 – lid 4
1 ter.   Artikel 5, lid 4, wordt vervangen door:
4.  Na goedkeuring van de lidstaat van herplaatsing nemen Italië en Griekenland in overleg met het EASO zo spoedig mogelijk een besluit tot herplaatsing van elk van de geselecteerde verzoekers in een specifieke lidstaat van herplaatsing en stellen zij de verzoeker daarvan in kennis overeenkomstig artikel 6, lid 4. De lidstaat van herplaatsing mag slechts besluiten tot niet-goedkeuring van de herplaatsing van verzoekers indien er redelijke gronden zijn als bedoeld in lid 7 van dit artikel.
"4. Na goedkeuring van de lidstaat van herplaatsing nemen Italië en Griekenland in overleg met het EASO zo spoedig mogelijk een besluit tot herplaatsing van elk van de geselecteerde verzoekers in een specifieke lidstaat van herplaatsing en stellen zij de verzoeker daarvan in kennis overeenkomstig artikel 6, lid 4. De lidstaat van herplaatsing mag slechts besluiten tot niet-goedkeuring van de herplaatsing van verzoekers indien er redelijke gronden zijn als bedoeld in lid 7 van dit artikel. Indien de lidstaat van herplaatsing niet binnen twee weken zijn goedkeuring hecht aan de herplaatsing, wordt die lidstaat geacht zijn goedkeuring te hebben verleend.".
Amendement 23
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)
Besluit (EU) nr. 2015/1601
Artikel 5 – lid 10
1 quater.   Artikel 5, lid 10, wordt vervangen door:
10.  De in dit artikel bedoelde herplaatsingsprocedure wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden nadat de lidstaat van herplaatsing de in lid 2 bedoelde mededeling heeft gedaan, afgerond, tenzij de goedkeuring door de lidstaat van herplaatsing als bedoeld in lid 4 minder dan twee weken vóór het verstrijken van de genoemde periode van twee maanden plaatsvindt. In dat geval kan de termijn voor het voltooien van de herplaatsingsprocedure worden verlengd met een periode van maximaal twee weken. Voorts kan die termijn waar passend ook met een periode van vier weken worden verlengd indien Italië en Griekenland aantonen dat de overdracht wordt verhinderd door objectieve praktische belemmeringen.
"10. De in dit artikel bedoelde herplaatsingsprocedure wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden nadat de lidstaat van herplaatsing de in lid 2 bedoelde mededeling heeft gedaan, afgerond. Voorts kan die termijn waar passend ook met een periode van vier weken worden verlengd indien Italië en Griekenland aantonen dat de overdracht wordt verhinderd door objectieve praktische belemmeringen.".

Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
PDF 386kWORD 57k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2016)0071 – C8-0098/2016 – 2016/0043(NLE))
P8_TA(2016)0355A8-0247/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0071),

–  gezien artikel 148, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0098/2016),

–  gezien zijn standpunt van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0247/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  De Raad heeft er, met zijn Besluit (EU) 2015/18481a, wederom voor gekozen de wetgevende resolutie van het Parlement van 8 juli 2015 te negeren. De aanpak van de Raad is in strijd met de geest van de Verdragen, waardoor de samenwerking tussen de instellingen van de Unie wordt verzwakt en aldus hun "democratisch tekort" ten opzichte van de burgers wordt versterkt. Het Europees Parlement betreurt de aanpak van de Raad ten zeerste en benadrukt dat zijn wetgevingsresolutie in aanmerking moet worden genomen.
____________
1 bis Besluit (EU) 2015/1848 van de Raad van 5 oktober 2015 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2015 (PB L 268 van 15.10.2015, blz. 28).
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 1
(1)  In artikel 145 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat de lidstaten en de Unie streven naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) te bereiken.
(1)  In artikel 145 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat de lidstaten en de Unie streven naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) te bereiken. Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 VWEU dient de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden toe te zien op een geïntegreerde en inclusieve arbeidsmarkt waarmee de ernstige gevolgen van de werkloosheid kunnen worden aangepakt en een hoog niveau van werkgelegenheid kan worden gewaarborgd, te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met inbegrip van passende lonen, in de gehele Unie, adequate sociale bescherming te waarborgen overeenkomstig de arbeidswetgeving, de collectieve overeenkomsten en het subsidiariteitsbeginsel, evenals een hoog niveau van onderwijs en opleiding, en iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 2
(2)  De door de Commissie voorgestelde "Europa 2020"-strategie stelt de Unie in staat haar economie te richten op een slimme, duurzame en inclusieve groei, die gepaard gaat met een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale samenhang. Vijf kerndoelen, die in de relevante richtsnoeren worden vermeld, vormen gedeelde doelstellingen die de actie van de lidstaten sturen en rekening houden met hun uiteenlopende uitgangsposities en nationale omstandigheden, alsook met de posities en de omstandigheden van de Unie. De Europese werkgelegenheidsstrategie speelt de hoofdrol bij de uitvoering van de werkgelegenheids- en arbeidsmarktdoelstellingen van de nieuwe strategie.
(2)  De door de Commissie voorgestelde Europa 2020-strategie (Europa 2020) moet de Unie in staat stellen haar economie te richten op een slimme, duurzame en inclusieve groei, die gepaard gaat met een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale samenhang. De Unie heeft behoefte aan holistische beleidsmaatregelen en openbare investeringen waarmee werkloosheid en armoede kunnen worden tegengegaan. In dit verband baart de huidige ontwikkeling van de werkgelegenheids- en sociale indicatoren van Europa 2020 grote zorgen, aangezien het aantal mensen dat een risico loopt op armoede of uitsluiting met vijf miljoen is toegenomen in plaats van afgenomen, de arbeidsparticipatie in sommige landen nog niet terug is op het niveau van voor de crisis, en in sommige lidstaten het percentage jongeren dat niet werkt en evenmin onderwijs of een opleiding volgt (NEET's) meer dan 20 % bedraagt en het percentage vroegtijdige schoolverlaters wel 23 % bedraagt; De Europese werkgelegenheidsstrategie speelt de hoofdrol bij de uitvoering van de werkgelegenheids-, sociale-inclusie- en arbeidsmarktdoelstellingen van de nieuwe strategie. Deze doelstellingen zijn echter nog niet behaald en de lidstaten moeten grotere inspanningen leveren om de te verwachten resultaten te kunnen bereiken. De verwezenlijking van Europa 2020 op sociaal en werkgelegenheidsgebied moet een belangrijke doelstelling blijven van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 3
(3)  De geïntegreerde richtsnoeren stroken met de conclusies van de Europese Raad. Aan de hand van deze richtsnoeren kunnen de lidstaten hun nationale hervormingsprogramma's opstellen en hervormingen doorvoeren, als afspiegeling van hun onderlinge afhankelijkheid en in overeenstemming met het groei- en stabiliteitspact. De werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten de basis vormen voor eventuele landenspecifieke aanbevelingen die de Raad krachtens artikel 148, lid 4, VWEU tot de lidstaten kan richten, in combinatie met de krachtens artikel 121, lid 2, van dat Verdrag tot de lidstaten gerichte landenspecifieke aanbevelingen. De werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten ook worden gebruikt als basis voor het opstellen van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat de Raad en de Europese Commissie jaarlijks toezenden aan de Europese Raad.
(3)  De geïntegreerde richtsnoeren dienen te stroken met de conclusies van de Europese Raad. Aan de hand van deze richtsnoeren kunnen de lidstaten hun nationale hervormingsprogramma's opstellen en hervormingen doorvoeren, als afspiegeling van hun onderlinge afhankelijkheid en in overeenstemming met het groei- en stabiliteitspact. De werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten in aanmerking worden genomen voor eventuele landenspecifieke aanbevelingen die de Raad krachtens artikel 148, lid 4, VWEU tot de lidstaten kan richten, op evenwichtige wijze met de krachtens artikel 121, lid 2, VWEU tot de lidstaten gerichte landenspecifieke aanbevelingen. In de landenspecifieke aanbevelingen moet niet alleen rekening worden gehouden met de economische indicatoren, maar indien passend ook met de sociale en werkgelegenheidsindicatoren, waarbij de door te voeren hervormingen en hun gevolgen voor de burgers vooraf worden geëvalueerd. De werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten in nauwe samenwerking met het Europees Parlement worden vastgesteld en zouden gebruikt moeten worden als basis voor het opstellen van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat de Raad en de Europese Commissie jaarlijks toezenden aan de Europese Raad. Er zijn onlangs drie werkgelegenheidsindicatoren, te weten arbeidsparticipatie, jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, opgenomen in de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, en het Europees Parlement heeft er in zijn resolutie van 25 februari 20161a op aangedrongen aan de hand van deze indicatoren een grondige analyse te maken in de desbetreffende lidstaten die ertoe kan leiden dat verdere economische, arbeidsmarkt- en sociale hervormingen worden voorgesteld en toegepast.
________________
1 bis Aangenomen teksten P8_TA(2016)0058.
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Overweging 4
(4)  Uit het onderzoek van de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid blijkt dat de lidstaten alle mogelijke inspanningen moeten blijven richten op de volgende prioritaire gebieden: vergroting van de arbeidsmarktparticipatie en verlaging van de structurele werkloosheid, ontwikkeling van geschoolde arbeidskrachten die aan de behoeften van de arbeidsmarkt voldoen en bevordering van de arbeidskwaliteit en een leven lang leren, verbetering van de prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus en vergroting van de participatie in het tertiaire onderwijs, bevordering van de sociale inclusie en bestrijding van de armoede.
(4)  Uit het onderzoek van de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid blijkt dat de lidstaten rekening moeten houden met de aanbevelingen van het Europees Parlement met betrekking tot de jaarlijkse groeianalyse, de landenspecifieke aanbevelingen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren en alle mogelijke inspanningen moeten blijven richten op de volgende prioritaire gebieden: vergroting van de arbeidsmarktparticipatie en verlaging van de structurele werkloosheid door het scheppen van banen, ondersteuning van een goedwerkende, dynamische en inclusieve arbeidsmarkt, ontwikkeling van geschoolde arbeidskrachten die aan de behoeften van de arbeidsmarkt kunnen voldoen en bevordering van fatsoenlijke banen en een leven lang leren, verbetering van de prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus en vergroting van de participatie in het tertiaire onderwijs, bevordering van de sociale inclusie en de combinatie van werk en gezinsleven, bestrijding van alle vormen van discriminatie en van armoede, met name onder kinderen, en verbetering van het prestatievermogen van de vergrijzende bevolking.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   120 miljoen burgers van de Unie - ongeveer 25 % - lopen het risico op armoede en sociale uitsluiting. Deze noodsituatie, die onder andere wordt gekenmerkt door het aanhoudend hoge aantal werkloze burgers van de Unie, vereist dat de Commissie maatregelen aanneemt om de lidstaten ertoe aan te sporen nationale regelingen te ontwikkelen voor een minimumbasisloon, zodat zij verzekerd kunnen zijn van waardige levensomstandigheden.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1
De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, als vastgesteld in de bijlage bij het besluit van de Raad van 5 oktober 2015 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, worden gehandhaafd voor 2016 en worden bij het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in aanmerking genomen.
Hierbij worden de in de bijlage opgenomen richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten vastgesteld. Deze richtsnoeren worden bij het werkgelegenheidsbeleid en de hervormingsprogramma's, waarover in overeenstemming met artikel 148, lid 3, VWEU verslag wordt gedaan, in aanmerking genomen.
__________________
4Besluit (EU) 2015/1848 van de Raad van 5 oktober 2015 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 268 van 15.10.2015, blz. 28).
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Bijlage (nieuw)
Richtsnoer 5: Stimuleren van de vraag naar arbeid
In samenwerking met de regionale en lokale autoriteiten moeten de lidstaten het ernstige probleem van de werkloosheid doeltreffend en voortvarend aanpakken en het scheppen van duurzame kwaliteitsbanen faciliteren en daarin investeren, werken aan de toegankelijkheid voor risicogroepen en de belemmeringen voor ondernemingen om mensen in dienst te nemen verminderen voor alle vaardigheidsniveaus en in alle marktsectoren, onder meer door onnodige bureaucratie af te schaffen, een en ander met inachtneming van sociale en arbeidsnormen, ondernemerschap onder jongeren bevorderen en met name de oprichting en groei van zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen ondersteunen, teneinde de arbeidsparticipatiegraad van vrouwen en mannen te bevorderen. De lidstaten moeten onder andere banen in de groene, witte en blauwe sector en de sociale economie actief bevorderen en sociale innovatie stimuleren.
De belastingdruk moet worden verschoven van arbeid naar andere bronnen van belasting die minder nadelig zijn voor werkgelegenheid en groei, waarbij tegelijkertijd de inkomsten gewaarborgd worden voor een adequate sociale bescherming en uitgaven die gericht zijn op overheidsinvesteringen, innovatie en het scheppen van werkgelegenheid. De verlaging van de belasting op arbeid moet gericht zijn op de relevante onderdelen van de belastingdruk, op het aanpakken van discriminatie en op het wegnemen van belemmeringen en negatieve prikkels voor de arbeidsmarktparticipatie, met name voor personen met een handicap en degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, een en ander met inachtneming van bestaande arbeidsnormen.
Beleidsmaatregelen om ervoor te zorgen dat lonen een behoorlijk bestaansinkomen mogelijk maken, blijven belangrijk voor het scheppen van werkgelegenheid en het terugdringen van de armoede in de Unie. Daarom moeten de lidstaten samen met de sociale partners de ontwikkeling respecteren en aanmoedigen van loonvormingsmechanismen waarmee de reële lonen kunnen worden aangepast aan ontwikkelingen van de productiviteit en waarmee eerdere verschillen in loonkosten kunnen worden gecorrigeerd, zonder de deflatoire druk te vergroten. Deze mechanismen moeten zorgen voor voldoende middelen om in de basisbehoeften te voorzien, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke armoede-indicatoren van elke lidstaat. In dit verband moeten verschillen in vaardigheden en lokale arbeidsmarktomstandigheden naar behoren geëvalueerd worden met als doel leefbare lonen in de hele Unie mogelijk te maken. Bij het vaststellen van minimumlonen overeenkomstig de nationale wetten en gebruiken moeten de lidstaten en de sociale partners erop toezien dat die minimumlonen adequaat zijn en nagaan welke gevolgen dit zal hebben voor de armoede onder werkenden, de gezinsinkomens, de geaggregeerde vraag, het scheppen van werkgelegenheid en het concurrentievermogen.
De lidstaten moeten de bureaucratische rompslomp verminderen om de lasten van kleine en middelgrote ondernemingen te verlichten, aangezien deze een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van werkgelegenheid.
Richtsnoer 6: Stimuleren van het arbeidsaanbod en vaardigheden
De lidstaten dienen duurzame productiviteit en deugdelijke inzetbaarheid te bevorderen door te zorgen voor voldoende relevante kennis en vaardigheden, die voor iedereen beschikbaar en toegankelijk moeten worden gemaakt. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de gezondheidszorg, de sociale dienstverlening en de vervoersdiensten die te maken hebben, of op middellange termijn te maken zullen krijgen, met een tekort aan personeel. De lidstaten moeten doeltreffend investeren in kwalitatief hoogwaardig en inclusief onderwijs vanaf jonge leeftijd en in beroepsopleidingsstelsels, en de doeltreffendheid en de efficiëntie ervan verbeteren om de kennis en het vaardigheidsniveau te verhogen en de diversiteit van de vaardigheden van de beroepsbevolking te vergroten, zodat die beter kan anticiperen en inspelen op de snel veranderende behoeften van de dynamische arbeidsmarkten in een in toenemende mate digitale economie. Met het oog hierop moet rekening worden gehouden met het feit dat "zachte vaardigheden" zoals communicatie steeds belangrijker worden voor een groot aantal beroepen.
De lidstaten moeten ondernemerschap onder jongeren bevorderen door onder meer facultatieve ondernemerschapscursussen in te voeren en de oprichting van ondernemingen door scholieren en studenten op middelbare scholen en universiteiten aan te moedigen. De lidstaten moeten, in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, hun inspanningen opvoeren om het voortijdig schoolverlaten van jongeren te voorkomen, de overgang van onderwijs en opleiding naar het beroepsleven soepeler te laten verlopen, de toegang te verbeteren tot en de belemmeringen weg te nemen voor hoogwaardig volwassenenonderwijs voor iedereen, met speciale nadruk op risicogroepen en hun behoeften, en omscholing aan te bieden wanneer banenverlies en veranderingen op de arbeidsmarkt actieve herintegratie vergen. Tegelijkertijd moeten de lidstaten strategieën uitvoeren voor actief ouder worden om gezond werken tot de werkelijke pensioenleeftijd mogelijk te maken.
De lidstaten moeten het noodzakelijke vaardigheidsniveau waarborgen dat vereist is door een steeds veranderende arbeidsmarkt en moeten onderwijs- en opleiding ondersteunen, alsmede programma's voor volwassenenonderwijs, en er daarbij rekening mee houden dat er ook laaggekwalificeerde banen nodig zijn en dat hoogopgeleiden betere kansen op de arbeidsmarkt hebben dan gemiddeld en laagopgeleiden.
De toegang tot betaalbare hoogwaardige voorschoolse educatie moet een prioriteit zijn voor alomvattend beleid en investeringen, in combinatie met gezins- en opvoedingsondersteuning en maatregelen om ouders te helpen werk en gezinsleven te combineren, waarmee wordt bijgedragen tot het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en het vergroten van de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt.
Het werkloosheidsprobleem, en met name langdurige werkloosheid en regionale hoge werkloosheid, moet doeltreffend en snel worden opgelost en worden voorkomen door een mix van maatregelen aan vraag- en aanbodzijde. Het aantal langdurig werklozen en het probleem van discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en de verouderde vaardigheden moet worden aangepakt met uitgebreide en elkaar versterkende strategieën, met inbegrip van gepersonaliseerde actieve ondersteuning en passende socialebeschermingsregelingen om langdurig werklozen op een weloverwogen en verantwoorde wijze terug te laten keren op de arbeidsmarkt. De jeugdwerkloosheid moet uitgebreid worden aangepakt door middel van een algemene jeugdwerkgelegenheidsstrategie. Dit betekent onder meer investeren in sectoren die kwalitatief hoogwaardige banen voor jongeren kunnen creëren, enerzijds door de betrokken actoren, zoals ondersteunende diensten voor jongeren, onderwijs- en opleidingsinstellingen, jongerenorganisaties en openbare diensten voor arbeidsvoorziening, de nodige middelen te verstrekken om hun nationale uitvoeringsplannen voor de jongerengarantie volledig en consequent uit te voeren, maar anderzijds ook door het snel inzetten van middelen door de lidstaten. De toegang tot financiering voor wie een bedrijf wil starten moet worden vergemakkelijkt door middel van meer voorlichting, vermindering van de bureaucratische rompslomp en het scheppen van mogelijkheden om meerdere maanden werkloosheidsuitkeringen na indiening van een ondernemingsplan om te zetten in een subsidie van bij de start, overeenkomstig de nationale wetgeving.
De lidstaten moeten bij de uitwerking en uitvoering van maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid rekening houden met lokale en regionale verschillen en samenwerken met lokale diensten voor arbeidsvoorziening.
De structurele tekortkomingen in de onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepakt om te zorgen voor hoogwaardige leerresultaten, vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en tegen te gaan en alomvattend, kwalitatief hoogwaardig onderwijs vanaf het laagste niveau te bevorderen. Dit vereist flexibele onderwijsstelsels waarbij de nadruk op de praktijk ligt. De lidstaten moeten, in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, de kwaliteit van leerresultaten verhogen door het onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken, aan hun behoeften aangepaste stelsels voor duaal leren opzetten en verbeteren door de beroepsopleidingen en bestaande kaders zoals Europass te verbeteren, en waar nodig voor passende omscholing te zorgen en ervoor te zorgen dat vaardigheden die buiten het formele onderwijssysteem zijn verworven, worden erkend. De banden tussen onderwijs en arbeidsmarkt moeten worden aangehaald, waarbij erop moet worden toegezien dat het onderwijs breed genoeg is om een solide basis voor levenslange inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te bieden.
De lidstaten moeten hun opleidingssystemen beter afstemmen op de arbeidsmarkt om de overgang van opleiding naar beroepsleven te verbeteren. Vooral in de context van de digitalisering en op het gebied van nieuwe technologieën zijn groene banen en gezondheidszorg essentieel.
Discriminatie op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot de arbeidsmarkt moet verder worden teruggedrongen, met name voor groepen die met discriminatie of uitsluiting worden geconfronteerd, zoals vrouwen, oudere werknemers, jongeren, personen met een handicap en legale migranten. Gendergelijkheid, met inbegrip van gelijke beloning, moet worden verzekerd op de arbeidsmarkt, net zoals de toegang tot betaalbare kwalitatief hoogwaardige voorschoolse educatie, en de flexibiliteit die nodig is om uitsluiting te voorkomen van mensen die hun loopbaan hebben onderbroken in verband met verantwoordelijkheden in de persoonlijke sfeer, zoals mantelzorgers. In dit verband moeten de lidstaten de richtlijn inzake vrouwen in raden van bestuur deblokkeren.
In dit verband moet rekening worden gehouden met het feit dat het percentage jongeren dat niet werkt en evenmin onderwijs of een opleiding volgt (NEET's) voor vrouwen hoger is dan voor mannen en dat het NEET-fenomeen in de eerste plaats wordt veroorzaakt door een stijgende jeugdwerkloosheid, maar ook door met gebrek aan onderwijs samenhangende inactiviteit.
De lidstaten moeten optimaal en op doeltreffende en efficiënte wijze gebruikmaken van steunverlening door het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om armoede te bestrijden en hoogwaardige werkgelegenheid, de sociale integratie, het openbaar bestuur en de openbare dienstverlening te verbeteren. Het Europees Fonds voor strategische investeringen en de investeringsplatformen daarvan moeten ook worden gemobiliseerd om ervoor te zorgen dat kwalitatief hoogwaardige banen worden gecreëerd en werknemers de vaardigheden kunnen verwerven die nodig zijn voor de overgang van de Unie naar een model voor duurzame groei.
Richtsnoer 7: Verbeteren van de werking van de arbeidsmarkten
De lidstaten moeten de compartimentering van de arbeidsmarkt verminderen door onzeker werk, verborgen werkloosheid, zwartwerk en nul-uren-contracten aan te pakken. Wetgeving en instellingen voor arbeidsbescherming moeten zorgen voor een passend klimaat om aanwervingen te bevorderen en moeten voldoende bescherming bieden voor werknemers, werkzoekenden en degenen met een tijdelijk contract, een deeltijdcontract, een atypisch contract of een contract voor zelfstandig werk, door de sociale partners actief te betrekken en collectieve arbeidsonderhandelingen te bevorderen. Kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid moet voor iedereen worden gewaarborgd in de zin van sociaaleconomische zekerheid, duurzaamheid, passende lonen, rechten op het werk, behoorlijke werkomstandigheden (inclusief gezondheid en veiligheid), sociale zekerheid, gendergelijkheid, en mogelijkheden voor onderwijs en opleiding. Daarom moeten de intreding van jongeren en de herintreding van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt worden bevorderd en moet het evenwicht tussen werk en privéleven worden verbeterd door te zorgen voor betaalbare opvang en door de organisatie van het werk te moderniseren. Opwaartse convergentie van arbeidsomstandigheden moet in de gehele Unie worden bevorderd.
De toegang tot de arbeidsmarkt moet het ondernemerschap, het scheppen van duurzame banen in alle sectoren, waaronder groene werkgelegenheid, alsook de sociale zorg en innovatie vergemakkelijken, zodat de vaardigheden van personen optimaal kunnen worden benut, hun levenslange ontwikkeling wordt gestimuleerd en van de werknemer uitgaande innovatie wordt aangemoedigd.
De lidstaten moeten de nationale parlementen, de sociale partners, de maatschappelijke organisaties en de regionale en lokale autoriteiten nauw betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel en de nationale praktijken, en de werking en de doeltreffendheid van de sociale dialoog op nationaal niveau ondersteunen, met name in die landen waar grote problemen bestaan met loondevaluaties als gevolg van de recente deregulering van de arbeidsmarkten en de zwakke positie van collectieve onderhandelingen.
De lidstaten moeten zorgen voor basiskwaliteitsnormen voor arbeidsmarktbeleid door de doelgerichtheid, de reikwijdte, het toepassingsgebied en de wisselwerking met ondersteunende maatregelen, zoals de sociale zekerheid, te verbeteren. Dit beleid moet gericht zijn op verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt en versterking van de collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog, en duurzame overgangen op de arbeidsmarkt ondersteunen, waarbij hooggekwalificeerde openbare diensten voor arbeidsvoorziening geïndividualiseerde ondersteuning bieden en prestatiemeetsystemen invoeren. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat hun socialebeschermingsstelsels mensen die kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt daadwerkelijk stimuleren en kansen bieden, bescherming bieden aan mensen die (tijdelijk) zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt en/of niet in staat zijn om daaraan deel te nemen, en mensen voorbereiden op potentiële risico's en veranderende economische en sociale omstandigheden door te investeren in menselijk kapitaal. De lidstaten moeten, als een van de mogelijke maatregelen om armoede terug te dringen, overeenkomstig de nationale gebruiken een minimuminkomen invoeren dat in verhouding staat tot hun specifieke sociaaleconomische situatie. De lidstaten moeten voor iedereen openstaande inclusieve arbeidsmarkten bevorderen en voorzien in doeltreffende antidiscriminatiemaatregelen.
De mobiliteit van werknemers moet worden verzekerd, als een grondrecht en een kwestie van vrije keuze, met het oog op de benutting van het volledige potentieel van de Europese arbeidsmarkt, onder meer door de overdraagbaarheid van pensioenrechten en de daadwerkelijke erkenning van beroepskwalificaties en vaardigheden te verbeteren en bestaande bureaucratische en andere obstakels weg te nemen. De lidstaten moeten tegelijkertijd taalbarrières aanpakken door opleidingsstelsels in dit opzicht te verbeteren. De lidstaten moeten ook naar behoren gebruikmaken van het Eures-netwerk om de mobiliteit van werknemers te bevorderen. Investeringen in regio's die te maken hebben met de uitstroom van arbeidskrachten moeten worden bevorderd om braindrain te beperken en mobiele werknemers aan te moedigen terug te keren.
Richtsnoer 8: Verbeteren van de kwaliteit en prestaties van onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus
De lidstaten moeten de toegang tot zorg en betaalbare kwalitatief hoogwaardige voorschoolse educatie tot prioriteit verheffen, aangezien beide belangrijke ondersteunende maatregelen zijn voor actoren op de arbeidsmarkt, bijdragen tot een toenemende algemene arbeidsparticipatie en mensen ondersteunen bij hun verantwoordelijkheden. De lidstaten moeten zorgen voor de alomvattende beleidsmaatregelen en investeringen die nodig zijn om de gezins- en ouderschapsondersteuning te verbeteren, en maatregelen vaststellen die ouders helpen werk en gezinsleven te combineren, om bij te dragen tot het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt te verhogen.
Richtsnoer 9: Waarborgen van sociale rechtvaardigheid, bestrijden van armoede en bevorderen van gelijke kansen
De lidstaten moeten in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten hun socialebeschermingsstelsels verbeteren door basisnormen vast te stellen om te voorzien in een doeltreffende, efficiënte en duurzame bescherming gedurende alle levensstadia, een leven in waardigheid, solidariteit, toegang tot sociale bescherming, volledige eerbiediging van sociale rechten en billijkheid, ongelijkheden aan te pakken en inclusie te waarborgen om de armoede uit te roeien, met name onder degenen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en bij de meest kwetsbare groepen. Er is behoefte aan een vereenvoudigd, gerichter en ambitieuzer sociaal beleid, met onder meer betaalbare en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en betaalbaar en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, doeltreffende opleiding en werkondersteuning, huisvestingssteun, hoogwaardige, voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg, toegang tot basisdiensten zoals bankrekeningen en internet, preventie van vroegtijdig schoolverlaten en bestrijding van extreme armoede, sociale uitsluiting en meer in het algemeen elke vorm van armoede. Met name armoede onder kinderen moet vastberaden worden aangepakt.
Hiertoe moeten uiteenlopende instrumenten op complementaire wijze worden gebruikt, met inbegrip van diensten voor activering van de arbeidsmarkt en inkomenssteun die afgestemd is op individuele behoeften. In dit verband is het aan elke lidstaat om de hoogte van een gegarandeerd minimumloon vast te stellen in overeenstemming met de nationale gebruiken en in verhouding tot de specifieke sociaaleconomische situatie van de lidstaat in kwestie. De socialebeschermingsstelsels moeten zodanig worden opgezet dat de toegang en deelname van iedereen zonder discriminatie wordt gefaciliteerd, dat investeringen in menselijk kapitaal worden ondersteund, dat armoede wordt voorkomen en verminderd en dat de mensen beschermd worden tegen armoede en sociale uitsluiting, alsook tegen andere risico's, zoals gezondheidsproblemen of baanverlies. Speciale aandacht moet uitgaan naar kinderen die in armoede leven omdat hun ouders langdurig werkloos zijn.
De pensioenstelsels moeten zo gestructureerd worden dat hun duurzaamheid, zekerheid en geschiktheid voor vrouwen en mannen gewaarborgd worden doordat de pensioenregelingen versterkt worden en mikken op een behoorlijk pensioeninkomen dat ten minste boven de armoedegrens ligt. De pensioenstelsels moeten zorgen voor consolidatie, verdere ontwikkeling en verbetering van de drie pijlers van pensioenspaarregelingen. De pensioengerechtigde leeftijd verbinden aan de levensverwachting is niet de enige manier om de vergrijzing aan te pakken. Pensioenstelselhervormingen moeten onder meer ook de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de demografische situatie, de situatie op het gebied van gezondheid en rijkdom, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio weerspiegelen. De beste wijze om het vergrijzingsprobleem aan te pakken is het vergroten van de totale arbeidsparticipatie, onder meer door te bouwen op sociale investeringen in actief ouder worden.
De lidstaten moeten de kwaliteit, betaalbaarheid, toegankelijkheid, efficiëntie en doeltreffendheid van stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg en de sociale diensten verbeteren en zorgen voor behoorlijke arbeidsomstandigheden in de desbetreffende sectoren, en tegelijkertijd de financiële houdbaarheid van die stelsels waarborgen door de op solidariteit gebaseerde financiering te verbeteren.
De lidstaten moeten volledig gebruik maken van het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om armoede, sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden, de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren, gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen en het openbaar bestuur te verbeteren.
De kerndoelen van de Europa 2020-strategie, op basis waarvan de lidstaten, met inachtneming van hun desbetreffende uitgangsposities en nationale omstandigheden, hun nationale doelen vaststellen, behelzen het streven de arbeidsparticipatiegraad voor vrouwen en mannen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar voor 2020 op 75 % te brengen, de schooluitval onder de 10 % te brengen, het deel van de bevolking in de leeftijdsgroep 30-34 jaar dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid op te trekken tot ten minste 40 %, en sociale insluiting te bevorderen, met name door armoedevermindering, door ernaar te streven ten minste 20 miljoen mensen te bevrijden van het risico op armoede en uitsluiting1bis.
______________
1bis De populatie wordt gedefinieerd als het aantal personen met een risico op armoede of uitsluiting volgens drie indicatoren (armoederisico; materiële ontbering; huishouden zonder baan), waarbij de lidstaten hun nationale doelen aan de hand van de meest geschikte van deze indicatoren vrijelijk kunnen bepalen, rekening houdend met hun nationale omstandigheden en prioriteiten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0261.


Voornaamste doelstellingen voor de 17e Conferentie van de partijen bij de Cites in Johannesburg
PDF 207kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 17e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) van 24 september t/m 5 oktober 2016 in Johannesburg (Zuid-Afrika) (2016/2664(RSP))
P8_TA(2016)0356B8-0987/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de ernstige achteruitgang van de wereldwijde biodiversiteit die voortvloeit uit de zesde golf van massa-uitsterving,

–  gezien de rol van bossen en tropische bosgebieden, die de voornaamste mondiale bron van biodiversiteit zijn op land en die een essentiële leefomgeving vormen voor wilde dieren en planten en inheemse volkeren,

–  gezien de komende 17e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen (CoP 17) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) die van 24 september t/m 5 oktober 2016 in Johannesburg (Zuid-Afrika) zal worden gehouden,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN (AVVN-resolutie) 69/314 over de aanpak van de illegale handel in wilde dieren, aangenomen op 30 juli 2015,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de centrale doelstellingen voor de bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de CITES-Overeenkomst van 24 september t/m 5 oktober 2016 in Johannesburg (Zuid-Afrika) (O-000088/2016 – B8-0711/2016 and O-000089/2016 – B8-0712/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat CITES wereldwijd momenteel de belangrijkste overeenkomst voor de instandhouding van in het wild levende dieren is, waarbij 181 partijen, waaronder de EU en haar 28 lidstaten, zijn aangesloten;

B.  overwegende dat CITES als doelstelling heeft ervoor te zorgen dat de internationale handel in wilde dieren en planten geen bedreiging vormt voor het overleven ervan in het wild;

C.  overwegende dat volgens de rode lijst van de Internationale Unie tot behoud van de natuur en de natuurlijke rijkdommen (IUCN) meer dan 23 000 soorten, dat wil zeggen circa 30 % van de 79 837 door de IUCN beoordeelde soorten, met uitsterven worden bedreigd;

D.  overwegende dat het tropisch regenwoud 50 tot 80 % van de op land voorkomende planten- en diersoorten herbergt; overwegende dat juist deze leefomgevingen nu bedreigd worden, met name door de handel in soorten en de ontginning van tropische bossen en het gebruik van de ondergrond; overwegende dat de ontbossing en de illegale houtverkoop een regelrechte ramp zijn voor het behoud van de flora en fauna in bosgebieden;

E.  overwegende dat de intensieve visvangst, de commerciële jacht evenals de ongereglementeerde winning van micro-organismen en bronnen onder de zeebodem schade toebrengen aan de biodiversiteit van de zee;

F.  overwegende dat talloze soorten waarop gejaagd wordt als jachttrofee een ernstige terugval van hun populatie kennen; overwegende dat de lidstaten van de EU over een periode van tien jaar de invoer als jachttrofeeën hebben gedeclareerd van bijna 117 000 exemplaren van wilde dieren die als beschermde soort op de CITES-bijlagen staan;

G.  overwegende dat de handel in wilde dieren en planten een grensoverschrijdende georganiseerde misdaad is geworden die grote negatieve gevolgen heeft voor de biodiversiteit en de bestaansmiddelen van lokale bevolkingsgroepen, aangezien deze hierdoor geen legaal inkomen hebben, hetgeen onzekerheid en instabiliteit in de hand werkt;

H.  overwegende dat de illegale handel in wilde dieren en planten de op drie na grootste zwarte markt is geworden, na drugs-, mensen- en wapenhandel; overwegende dat het internet een cruciale rol is gaan spelen bij het faciliteren van handel in wilde dieren en planten; overwegende dat ook terroristische groepen gebruikmaken van de voornoemde handel om hun daden te financieren; overwegende dat de sancties en straffen voor misdrijven in verband met de handel in wilde dieren en planten niet streng genoeg zijn;

I.  overwegende dat corruptie een cruciale rol speelt bij de handel in wilde dieren en planten;

J.  overwegende dat er aanwijzingen zijn dat in het wild gevangen soorten worden witgewassen via frauduleus gebruik van CITES-vergunningen en verkondigingen van fokken in gevangenschap;

K.  overwegende dat de EU een belangrijke doorvoerroute en markt van bestemming is voor illegale handel in wilde dieren en planten, met name voor de handel in vogels, schildpadden, reptielen en plantensoorten(1) die in de bijlagen bij de CITES-overeenkomst staan vermeld;

L.  overwegende dat een toenemend aantal illegaal verhandelde exotische soorten in Europa en daarbuiten als huisdier wordt gehouden; overwegende dat de ontsnapping van deze dieren kan leiden tot een ongecontroleerde verspreiding waardoor het milieu, de volksgezondheid en de openbare veiligheid worden aangetast;

M.  overwegende dat de EU en haar lidstaten aanzienlijke financiële en logistieke ondersteuning bieden voor CITES, en voor het aanpakken van de illegale handel in wilde dieren in tal van derde landen;

N.  overwegende dat in het kader van CITES de soorten op basis van hun staat van instandhouding en omvang van de internationale handel zijn opgenomen in bijlagen, waarbij bijlage I soorten bevat die met uitroeiing bedreigd worden en waarin commerciële handel verboden is en bijlage II soorten bevat waarin de handel moet worden gecontroleerd om een gebruik te voorkomen dat niet te verenigen is met hun overleven;

O.  overwegende dat de in CITES-bijlage I opgenomen soorten sterk beschermd worden en elke commerciële handel in daarin opgenomen soorten verboden is; en overwegende dat elke vergunning om in beslag genomen exemplaren of producten (bijvoorbeeld ivoor, tijgerproducten of hoorn van neushoorns) te verkopen het doel van de CITES-overeenkomst zou ondermijnen;

P.  overwegende dat inspanningen nodig zijn om de transparantie van de besluitvorming te verbeteren;

1.  is verheugd over de toetreding van de EU tot CITES; beschouwt de toetreding als een essentiële stap om ervoor te te zorgen dat de EU verder kan streven naar de verwezenlijking van de bredere doelstellingen van haar milieubeleid en de regulering van de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, evenals de bevordering van het beleid voor duurzame ontwikkeling van de VN-agenda voor na 2030;

2.  is met name verheugd over het feit dat de EU voor het eerst als partij deelneemt en steunt de voorstellen van de EU en haar lidstaten, in het bijzonder de voorgestelde resoluties over corruptie en jachttrofeeën, de uitbreiding van de CITES-bescherming tot een aantal in de EU, met name als huisdieren, ingevoerde soorten en de voorgestelde amendementen op Resolutie 13.7 (Rev. CoP 14) over de controle op handel in persoonlijke bezittingen en huisraad;

3.  benadrukt dat de toetreding van de Europese Unie tot CITES de juridische status van de Europese Unie in CITES transparanter heeft gemaakt ten aanzien van derde partijen bij de overeenkomst; is van mening dat het een logische en noodzakelijke stap is om ervoor te zorgen dat de Europese Unie volledig in staat is om haar doelstellingen in het kader van haar milieubeleid na te streven; roept in herinnering dat de Commissie na toetreding namens de Europese Unie een coherent EU-standpunt naar voren kan brengen in CITES-zaken en een belangrijke rol kan spelen in de onderhandelingen tijdens de conferenties van de partijen;

4.  Benadrukt dat de Europese Unie in 2015 partij is geworden bij de CITES-overeenkomst, en dat er op de CITES-CoP zal worden gestemd met 28 stemmen over zaken die binnen de bevoegdheid van de EU vallen; ondersteunt in dit verband wijzigingen in het reglement van orde van de CoP die de tekst weerspiegelen van de CITES-overeenkomst inzake de stemming door regionale organisaties voor economische integratie en die in overeenstemming zijn met wat er al vele jaren in andere internationale overeenkomsten staat, en maakt er bezwaar tegen dat de stemmen van de Europese Unie worden geteld op basis van het aantal lidstaten dat naar behoren is geaccrediteerd voor de bijeenkomst op het moment dat de daadwerkelijke stemming plaatsvindt;

5.  is verheugd over het onlangs aangenomen EU-actieplan tegen handel in wilde dieren en planten dat gericht is op het voorkomen van deze handel door het aanpakken van de voornaamste oorzaken, het verbeteren van de uitvoering en handhaving van bestaande regels, en het efficiënter bestrijden van de georganiseerde misdaad op het gebied van handel in wilde dieren; verwelkomt dat er in het actieplan een speciaal hoofdstuk is opgenomen over de versterking van het mondiaal partnerschap van herkomst-, consumptie-, en doorvoerlanden tegen de handel in wilde dieren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om een versterkt actieplan vast te stellen en uit te voeren, dat het sterke Europese engagement toont in de aanpak van de handel in wilde dieren;

6.  steunt het initiatief van de Commissie en de lidstaten om tot overeenstemming te komen over wereldwijde richtlijnen voor trofeejacht binnen CITES met het oog op een betere internationale controle op de duurzame herkomst van de in bijlage I of II vermelde soorten;

7.  verzoekt de EU en haar lidstaten om zich bij al hun besluiten over werkdocumenten en voorstellen voor opneming van soorten op een lijst te laten leiden door het voorzorgsbeginsel met betrekking tot de bescherming van soorten (zoals uiteengezet in CITES-resolutie 9.24 (herzien bij CoP 16)) – in het bijzonder met betrekking tot de invoer van jachttrofeeën van CITES-soorten – en in dat verband met name uit te gaan van het beginsel "de gebruiker betaalt", het beginsel van preventieve actie en de ecosysteembenadering; roept de EU en haar lidstaten op om vrijstellingen voor vergunningen voor alle jachttrofeeën van soorten die op de CITES-lijst staan, af te schaffen;

8.  verlangt dat alle CITES/CoP 17-besluiten worden gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, zorgvuldige analyse, billijk overleg met de betreffende staten in het jachtgebied en in samenwerking met de lokale gemeenschappen; onderstreept dat alle regelgeving op het gebied van wilde dieren de plattelandsbevolking ertoe moet aanzetten de natuur te beschermen door duidelijk te maken dat een grote biodiversiteit in hun voordeel is;

9.  spoort de partijen bij CITES aan tot meer samenwerking, coördinatie en synergieën tussen aan biodiversiteit gerelateerde overeenkomsten op alle relevante niveaus;

10.  roept de lidstaten op te zorgen voor samenwerking, coördinatie en snelle informatie-uitwisseling tussen alle bij de tenuitvoerlegging van de CITES-overeenkomst betrokken instanties, in het bijzonder de douane-autoriteiten, de politie, grensinspectiediensten voor de gezondheid van planten en dieren, en andere instanties;

11.  spoort de EU en haar lidstaten aan om initiatieven te bevorderen en te steunen die gericht zijn op een betere bescherming tegen de invloed van de internationale handel van soorten waarvoor de Europese Unie een belangrijke transit- of bestemmingsmarkt is;

12.  maakt zich zorgen over het feit dat de grens tussen legale en illegale handel flinterdun is wat betreft het verhandelen van soorten en afgeleide producten ervan, en dat de combinatie van menselijk handelen en de opwarming van de aarde ervoor zorgt dat de grote meerderheid van de wilde dieren en planten vandaag met uitsterven wordt bedreigd;

13.  verzoekt de EU met klem regelgeving aan te nemen die erop gericht is de illegale handel terug te dringen door de import, export, verkoop, aanschaf of aankoop van wilde dieren of planten die worden gevangen, gehouden, vervoerd of verkocht in strijd met de wet van het land van oorsprong of transit te verbieden;

14.  hecht er in het bijzonder aan alle lidstaten aan te sporen om: de export van ruw ivoor te verbieden, zoals Duitsland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en enkele staten van de VS reeds hebben gedaan; om hun waakzaamheid te verhogen ten aanzien van handelscertificaten op hun grondgebied; de fraudebestrijding effectief ter hand te nemen, in het bijzonder aan de grens; over te gaan tot vernietiging van illegaal ivoor; en de straffen voor handel in beschermde soorten te verhogen (vooral met betrekking tot olifanten, neushoorns, tijgers, apen, en soorten tropisch hout);

15.  spoort de EU en haar lidstaten en de andere partijen bij CITES ertoe aan om, in overeenstemming van de artikelen III, IV en V van het verdrag initiatieven te bevorderen en te ondersteunen die erop gericht zijn het welzijn van in de CITES-overeenkomst opgenomen verhandelde dieren te verbeteren; dergelijke initiatieven omvatten mechanismen die ervoor moeten zorgen dat dieren zodanig worden gereed gemaakt en vervoerd dat het risico op letsel, schade aan de gezondheid of ruwe behandeling tot een minimum wordt beperkt, dat bestemmingen adequaat zijn uitgerust om ze te huisvesten en te verzorgen, en dat inbeslagnames van levende dieren worden uitgevoerd met inachtneming van hun welzijn;

16.  is bezorgd over de mogelijke gevolgen die het "anticiperen op uitsterven", oftewel het kopen van producten in de hoop dat de desbetreffende soorten binnenkort uitgestorven zal zijn, zou kunnen hebben op de bescherming van bedreigde dieren in het wild; verzoekt de CITES-partijen en het secretariaat om verder onderzoek te doen naar de vraag of nieuwe financiële producten en technologieën zoals de Bitcoin een faciliterende rol kunnen spelen;

17.  beseft dat CITES-waarnemers een belangrijke rol spelen bij het verstrekken van expertise inzake soorten en handel, en bij het verlenen van steun aan capaciteitsopbouw door de partijen;

Transparantie van de besluitvorming

18.  is van oordeel dat transparantie van de besluitvorming in internationale milieu-instellingen cruciaal is voor de doeltreffende werking van deze instellingen; juicht alle vrijwillige en procedurele inspanningen ter vergroting van de transparantie in het CITES-bestuur toe; is fel gekant tegen het gebruik van geheime stemming als courante praktijk bij CITES;

19.  is ingenomen met het op de CoP 16 genomen besluit dat de leden van de dieren- en plantencommissies verplicht zijn verklaringen omtrent eventuele belangenverstrengeling te overleggen; beseft evenwel dat deze verplichting uitsluitend op een zelfbeoordeling van de leden gebaseerd is; betreurt dat er tot dusverre geen verklaringen van mogelijke belangenverstrengeling door de leden van deze commissies zijn afgelegd;

20.  dringt er bij het secretariaat van CITES op aan na te gaan of het mogelijk is een onafhankelijke controle-instantie op te richten of de vaste commissie uit te breiden met een onafhankelijk controle-orgaan om toezicht te houden op de toepassing van de bepalingen inzake belangenverstrengeling;

21.  acht transparantie in het kader van het financieringsproces van essentieel belang en een eerste vereiste voor goed bestuur, en steunt dan ook de door de EU voorgestelde resolutie over het "Sponsored Delegates Project"(2);

Rapportage

22.  is van oordeel dat traceerbaarheid van essentieel belang is voor legale en duurzame handel, en dat deze van doorslaggevend belang is voor de inspanningen van de VN om corruptie, illegale handel in dieren en planten en stroperij te bestrijden, die wordt erkend als de op drie na belangrijkste criminele markt ter wereld, ongeacht of deze handel van commerciële of niet-commerciële aard is; onderstreept in dit verband dat het van belang is dat alle partijen het e-vergunningensysteem invoeren dat transparant is en door de alle partijen wordt gedeeld; erkent echter dat een aantal partijen hierbij technische problemen ondervindt, en stimuleert het verlenen van steun voor capaciteitsopbouw om de invoering van het e-vergunningensysteem door alle partijen mogelijk te maken;

23.  verwelkomt de beslissing die op de CoP16 is genomen met betrekking tot regelmatige rapportage door de CITES-partijen over illegale handel; beschouwt het nieuwe model voor de jaarlijkse rapportage over illegale handel, zoals opgenomen in de CITES-aankondiging nr. 2016/007, als een belangrijke stap op weg naar de ontwikkeling van een beter inzicht in de handel in wilde dieren, en moedigt alle CITES-partijen aan om nauwkeurig en regelmatig verslag uit te brengen over de illegale handel met behulp van het voorgeschreven model;

24.  is verheugd over de initiatieven van de particuliere sector zoals die van de Internationale Luchtvaartorganisatie (IATA) over e-freight voor en door de toeleveringsketen via luchtvrachtvervoer; is van oordeel dat de uitbreiding van zulke traceerbaarheidsinitiatieven, met name voor de vervoersector, een belangrijk instrument voor het vergaren van inlichtingen is;

25.  benadrukt dat voor doeltreffende gegevensverzameling het vergunningverleningsproces van groot belang is en dat de beheersinstanties dan ook een cruciale rol spelen; wijst er opnieuw op dat vergunningverlenende instanties overeenkomstig artikel VI van de CITES-Overeenkomst onafhankelijk dienen te zijn;

Handel in wilde dieren en planten en corruptie

26.  vestigt de aandacht op gevallen van corruptie waarbij sprake was van opzettelijk frauduleuze afgifte van vergunningen door actoren bij de vergunningverlenende instantie; roept het CITES-secretariaat en het Permanent Comité ertoe op om deze zaken met de hoogste prioriteit en urgentie aan te pakken;

27.  onderstreept dat er in elk stadium van de handel in wilde dieren en planten tussen landen van oorsprong, doorvoer en bestemming corruptie kan voorkomen en dat deze corruptie de doeltreffendheid, correcte tenuitvoerlegging en het uiteindelijke welslagen van de CITES-Overeenkomst ondermijnt; is dan ook van oordeel dat krachtige en doeltreffende anti-corruptiemaatregelen van doorslaggevend belang zijn om handel in wilde dieren en planten tegen te gaan;

28.  is uitermate bezorgd over het opzettelijk misbruik van oorsprongscodes van in het wild gevangen soorten in de vorm van frauduleus gebruik van de codes voor in gevangenschap gefokte/geteelde CITES-soorten; verzoekt de CoP 17 een robuust systeem op te zetten voor de registratie, controle en certificering van handel in op boerderijen of in gevangenschap gefokte/geteelde soorten in zowel de herkomstlanden als de EU, om misbruik van dien aard tegen te gaan;

29.  dringt er bij de CITES-partijen op aan verdere richtsnoeren uit te werken en hun steun te verlenen aan de ontwikkeling van aanvullende technieken en methodes om een onderscheid te kunnen maken tussen van productiefaciliteiten in gevangenschap afkomstige soorten en in het wild levende soorten;

30.  veroordeelt dat criminele bendes en netwerken in aanzienlijke mate illegaal en in strijd met de Overeenkomst opereren, frequent gebruik maken van corruptie om de handel in wilde dieren en planten te faciliteren en de pogingen om de wet te handhaven, dwarsbomen;

31.  dringt er bij de partijen die het VN-Verdrag inzake grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en het VN-Verdrag tegen corruptie nog niet hebben ondertekend of geratificeerd, dit onverwijld te doen;

32.  is verheugd over de internationale toezegging in het kader van resolutie 69/314 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van juli 2015, onder meer voor wat betreft corruptiebestrijding (art.10)(3);

33.  steunt de initiatieven van de EU en haar lidstaten die oproepen tot meer actie bij de wereldwijde bestrijding van corruptie in het kader van CITES; dringt er bij de CITES-partijen op aan de ontwerpresolutie over het tegengaan van corruptie faciliterende activiteiten in strijd met de Overeenkomst, te steunen;

Handhaving

34.  dringt aan op het tijdig en volledig opleggen van CITES-sancties tegen partijen die de fundamentele aspecten van de Overeenkomst niet naleven en dringt er met name bij de EU en haar lidstaten op aan gebruik te maken van de beschikbare mechanismen om partijen ertoe aan te sporen de CITES-Overeenkomst en andere internationale overeenkomsten ter bescherming van in het wild levende dieren en planten en de biodiversiteit, na te leven;

35.  onderstreept het belang van gezamenlijke internationale samenwerking tussen alle spelers in de handhavingsketen ten einde de rechtshandhavingscapaciteit op plaatselijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau te versterken; is verheugd over hun bijdrage en dringt aan op nog meer inzet; onderstreept het belang van de oprichting van speciale bureaus en gespecialiseerde politie-eenheden om de handel in wilde dieren en planten doeltreffender te bestrijden; wijst op het belang van gezamenlijke internationale handhavingsoperaties in het kader van de ICCWC(4), en looft in dit verband de succesvolle COBRA III-operatie(5); is verheugd over de steun van de EU aan het ICCWC;

36.  erkent de toenemende illegale handel in wilde dieren en producten van wilde dieren via het internet, en roept de CITES-partijen ertoe op om contact te onderhouden met de rechtshandhavings- en cybercriminaliteitseenheden en het internationaal consortium voor de bestrijding van misdadige handel in wilde dieren teneinde de beste werkwijzen en nationale maatregelen te identificeren om de illegale internethandel aan te pakken;

37.  verzoekt de partijen een duidelijk en doeltreffend beleid goed te keuren en uit te voeren om de consumptie van producten afgeleid van kwetsbare planten en dieren te ontmoedigen, om de consumenten bewust te maken van de gevolgen van hun consumptie voor deze soorten en hen te informeren over de gevaren van illegale handelsnetwerken;

38.  verzoekt de partijen om de ontwikkeling van bestaansmiddelen van lokale gemeenschappen in de omgeving van de betreffende in het wild levende soorten te ondersteunen en deze gemeenschappen te betrekken bij de strijd tegen stropen, en bij het verstrekken van informatie over de gevolgen van de handel van met uitsterven bedreigde planten en dieren;

39.  dringt aan op een continue internationale inzet ten einde de capaciteitsopbouw op lange termijn te vergemakkelijken, de uitwisseling van informatie en inlichtingen te verbeteren en de handhavingsinspanningen van regeringsautoriteiten te coördineren;

40.  vraagt de partijen om te verzekeren dat personen die overtredingen begaan die verband houden met wilde dieren en planten ook daadwerkelijk worden vervolgd, en ervoor te zorgen dat de straffen in verhouding staan tot de ernst van hun daden;

Financiering

41.  dringt erop aan dat er meer financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor instandhoudings- en capaciteitsopbouwprogramma's voor in het wild levende dieren en planten;

42.  onderstreept dat toereikende financiële middelen voor het CITES-secretariaat moeten worden uitgetrokken, met name gezien de uitgebreide verantwoordelijkheden en de extra werklast van het secretariaat; benadrukt eveneens de noodzaak van een tijdige storting van financiële bijdragen die door de partijen bij de CITES-overeenkomst zijn toegezegd;

43.  spoort de partijen aan om te overwegen de kernbegroting van CITES te verhogen naar aanleiding van de inflatie, om de goede werking van de CITES-overeenkomst te waarborgen;

44.  pleit voor de uitbreiding van publieke-private partnerschappen voor de financiering van capaciteitsopbouwprogramma's op andere gebieden in het kader van de CITES-Overeenkomst alsook voor rechtstreekse financiering om de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst te ondersteunen;

45.  is verheugd over de financiële middelen die de EU via het Europees Ontwikkelingsfonds aan de CITES-Overeenkomst verstrekt en spoort de EU ertoe aan aldus gerichte financiële hulp te blijven verstrekken en ook op lange termijn voor specifieke en gerichte financiële hulp in te blijven staan;

Amendementen op de CITES-bijlagen

46.  steunt nadrukkelijk de door de EU en haar lidstaten ingediende voorstellen voor de CITES-bijlagen;

47.  dringt er bij alle partijen bij de CITES-overeenkomst en alle deelnemers aan de CoP17 op aan zich aan de criteria te houden die in de overeenkomst staan voor de opname van soorten in de bijlagen, en een preventieve aanpak te volgen om een hoog en efficiënt niveau van bescherming van bedreigde soorten te waarborgen; merkt op dat de geloofwaardigheid van CITES afhankelijk is van haar vermogen om de lijst aan te passen in reactie op zowel negatieve als positieve trends, en verwelkomt daarom de mogelijkheid het beschermingsniveau van soorten te verlagen alleen wanneer dat nodig is, volgens vaste wetenschappelijke criteria, zodat blijkt dat de CITES-lijsten goed functioneren;

De Afrikaanse olifant en de handel in ivoor

48.  merkt op dat met de verdubbeling van de illegale slacht en de verdrievoudiging van de hoeveelheid in beslag genomen ivoor in het afgelopen decennium, de problemen voor de Afrikaanse olifanten (Loxondonta africana) als gevolg van stroperij voor de ivoorhandel, enorm blijven en leiden tot een daling van de populaties in heel Afrika, en een bedreiging vormt voor het levensonderhoud van miljoenen mensen, gezien het feit dat de illegale handel in ivoor schadelijk is voor de economische ontwikkeling, georganiseerde misdaad bevordert, corruptie stimuleert, conflicten aanwakkert en de regionale en nationale veiligheid bedreigt doordat het milities van een bron van financiering voorziet; dringt er daarom bij de EU en haar lidstaten op aan voorstellen te ondersteunen die de bescherming van Afrikaanse olifanten zouden versterken en de illegale handel in ivoor zouden verminderen;

49.  is ingenomen met het voorstel dat is ingediend door Benin, Burkina Faso, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Kenia, Liberia, Niger, Nigeria, Senegal, Sri Lanka en Oeganda, en dat wordt gesteund door de Coalitie van de Afrikaanse Olifant die alle Afrikaanse olifantenpopulaties in bijlage I wil opnemen, hetgeen het instellen van een internationaal verbod op ivoorhandel zou vereenvoudigen en een duidelijk signaal zou geven aan iedereen dat men wereldwijd vastberaden is een einde te maken aan het uitsterven van de Afrikaanse olifant;

50.  dringt er bij de EU en alle partijen op aan het huidige moratorium te handhaven en zich daarom te verzetten tegen de voorstellen van Namibië en Zimbabwe inzake de handel in ivoor, die erop gericht zijn handelsbeperkingen weg te nemen die verband houden met de annotaties bij de bijlage II-vermelding van de olifantenpopulaties van deze partijen;

51.  merkt op dat pogingen van CITES om stroperij en de illegale handel te verminderen door het toestaan van de legale verkoop van ivoor geen succes hebben gehad en dat de ivoorhandel sterk is toegenomen; dringt aan op verdere inspanningen van de betrokken partijen in het kader van het nationaal actieplan voor ivoor; steunt maatregelen voor het beheer en de vernietiging van voorraden ivoor;

52.  herinnert aan de oproep in zijn resolutie van 15 januari 2014 over de misdadige handel met in het wild levende dieren(6), en roept al haar 28 lidstaten op om moratoria in te stellen voor alle commerciële invoer, uitvoer en binnenlandse verkoop en aankoop van slagtanden en ruwe en bewerkte ivoorproducten totdat de olifantenpopulaties in het wild niet langer worden bedreigd door stroperij; stelt vast dat Duitsland, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Zweden, Tsjechië, Slowakije en Denemarken al hebben besloten om geen uitvoervergunningen te verstrekken voor "ruw" ivoor van vóór de overeenkomst; moedigt daarom de EU en haar lidstaten aan om de in- en uitvoer van ivoor af te schaffen en alle commerciële aan- en verkoop van ivoor in de EU te verbieden;

De witte neushoorn

53.  betreurt het voorstel van Swaziland om de handel in hoorn van neushoorns van haar witte-neushoornpopulatie (Ceratotherium simum simum) te legaliseren, wat het witwassen van opbrengsten van gestroopte hoorn van neushoorns zou vergemakkelijken, en bestaande inspanningen tot terugdringing van de vraag en verbodsbepalingen op binnenlandse handel in consumentenmarkten zou ondermijnen, en er mogelijk toe zou kunnen leiden dat het stropen van neushoorns in Afrika en Azië toeneemt; dringt er bij de EU en alle partijen op aan zich te verzetten tegen dit voorstel, en roept Swaziland daarom op om haar voorstel in te trekken;

De Afrikaanse leeuw

54.  merkt op dat terwijl de populaties van de Afrikaanse leeuw (Panthera leo) in 21 jaar tijd dramatisch zijn teruggelopen met 43 % en onlangs in 12 Afrikaanse staten zijn uitgeroeid, de internationale handel in leeuwproducten aanzienlijk is toegenomen; dringt er bij de EU en alle partijen op aan om het voorstel te ondersteunen van Niger, Tsjaad, Ivoorkust, Gabon, Guinee, Mali, Mauritanië, Nigeria, Rwanda en Togo om alle populaties van de Afrikaanse leeuw over te plaatsen naar bijlage I van CITES;

Schubdieren

55.  merkt op dat schubdieren de meest illegaal verhandelde zoogdieren ter wereld zijn, zowel voor hun vlees als hun schubben, die worden gebruikt in de traditionele geneeskunde, waardoor alle acht soorten schubdieren (Manis crassicaudata, M. tetradactyla, M. tricuspis, M. gigantea , M. temminckii, M. javanica, M. pentadactyla, M. culionensis) met uitsterven worden bedreigd; is daarom ingenomen met de diverse voorstellen voor overplaatsing van alle Aziatische en Afrikaanse schubdiersoorten naar bijlage I van CITES;

Tijgers en andere Aziatische grote katachtigen

56.  dringt er bij de EU en alle partijen op aan om de door het Permanent Comité van CITES voorgestelde besluiten goed te keuren, die strikte voorwaarden stellen aan het fokken van tijgers en de handel in tijgers in gevangenschap en tijgerproducten, alsmede het voorstel van India om partijen aan te moedigen om beelden van gevangen tijgers en van tijgerproducten te delen die wetshandhavingsinstanties zouden helpen bij het identificeren van individuele tijgers door hun unieke streeppatronen; roept de EU op om te overwegen financiële middelen ter beschikking te stellen voor de tenuitvoerlegging van deze besluiten, en dringt aan op de sluiting van tijgerfokbedrijven en beëindiging van de handel in tijgers in gevangenschap en tijgerproducten op de CITES-COP17;

Als huisdieren verhandelde soorten

57.  merkt op dat de markt voor exotische huisdieren internationaal en in de EU groeit en dat een groot aantal voorstellen is gedaan om een lijst aan te leggen van reptielen, amfibieën, vogels, vissen en zoogdieren die worden bedreigd door de internationale handel voor de huisdierenmarkt; roept alle partijen op om deze voorstellen te steunen om ervoor te zorgen dat deze bedreigde soorten beter worden beschermd tegen uitbuiting voor de handel in huisdieren;

58.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan een positieve lijst samen te stellen van exotische dieren die als huisdier gehouden kunnen worden;

Agarhout en palissander

59.  erkent dat de illegale houtkap een van de meest destructieve misdaden tegen wilde dieren is, aangezien het niet één enkele soort bedreigt, maar hele habitats, en dat de vraag naar palissander (Dalbergia spp.) voor de Aziatische markten is blijven stijgen; dringt er bij de EU en alle partijen op aan het voorstel van Argentinië, Brazilië, Guatemala en Kenia te ondersteunen voor opname van het genus Dalbergia in CITES-bijlage II, met uitzondering van de soorten opgenomen in bijlage I, aangezien dit een cruciale bijdrage zou leveren aan de inspanningen om de onhoudbare handel in palissander een halt toe te roepen;

60.  merkt op dat de huidige uitzonderingen op de CITES-eisen ertoe kunnen leiden dat het harsachtige poeder van Agar-hout (Aquilaria spp. en Gyrinops spp.) wordt uitgevoerd als onwerkzaam poeder en andere producten worden verpakt voor de detailhandelsverkoop vóór de uitvoer, en daardoor invoerregelgeving omzeilen; roept de EU en alle partijen daarom op het voorstel te steunen van de Verenigde Staten van Amerika om de annotatie aan te passen om deze leemten in de regelgeving op te vullen met betrekking tot de handel in dit zeer waardevolle aromatische hout;

Andere soorten

61.  dringt er bij de EU en alle partijen op aan:

   het voorstel van Peru te steunen voor wijziging van de annotatie op bijlage II voor Vicuña (Vicugna vicugna), aangezien het de markeringseisen voor de internationale handel in deze soort zal consolideren;
   de opname van de Nautilus (Nautildae spp.) in bijlage II te ondersteunen, zoals voorgesteld door Fiji, India, Palau en de Verenigde Staten van Amerika, gezien het feit dat de internationale handel in Nautilus-schelpen als juwelen en decoratie een grote bedreiging vormt voor deze biologisch kwetsbare soort;
   zich te verzetten tegen het voorstel van Canada om Peregrine-valken (Falco peregrinus) te verplaatsen van bijlage I naar II, aangezien dit de aanzienlijke illegale handel in deze soort zou kunnen verergeren;

62.  herinnert eraan dat de kardinaalbaars (Pterapogon kauderni) op de IUCN-lijst van bedreigde diersoorten staat en dat een enorm deel van deze soort, waaronder enkele hele populaties, verloren is gegaan, als gevolg van de onverminderd hoge vraag met het oog op de aquariumhandel, met als voornaamste bestemmingen de Europese Unie en de Verenigde Staten; dringt er daarom bij de Europese Unie en haar lidstaten op aan de opname van de kardinaalbaars in bijlage I in plaats van in bijlage II te ondersteunen;

63.  merkt op dat de internationale handel in ruw en bewerkt koraal zich heeft uitgebreid en dat de marktvraag naar kostbare koralen is gestegen, hetgeen het voortbestaan van kostbare koralen bedreigt; vraagt de EU en alle partijen met klem de goedkeuring van het verslag over kostbare koralen dat door de Verenigde Staten is ingediend te ondersteunen;

o
o   o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de CITES-partijen en het CITES-secretariaat.

(1)http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/570008/IPOL_STU(2016)570008_EN.pdf
(2) http://ec.europa.eu/environment/cites/pdf/cop17/Res%20sponsored%20delegate%20project.pdf
(3) http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/314
(4) Internationaal Consortium voor de bestrijding van de handel in in het wild levende dieren en planten bestaande uit INTERPOL, het CITES-secretariaat, de Werelddouaneorganisatie, het Bureau van de VN voor drugs- en misdaadbestrijding en de Wereldbank.
(5) Gezamenlijke actie van politie en douane in mei 2015.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0031.


Toepassing van de richtlijn postdiensten
PDF 198kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de toepassing van de richtlijn postdiensten (2016/2010(INI))
P8_TA(2016)0357A8-0254/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen de Unie,

–  gezien de artikelen 101 en 102 van het VWEU over de mededingingsregels die van toepassing zijn op ondernemingen,

–  gezien artikel 14 van het VWEU,

–  gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU betreffende diensten van algemeen belang,

–  gezien Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst(1), gewijzigd door Richtlijn 2002/39/EG en Richtlijn 2008/6/EG (hierna "de richtlijn postdiensten" genoemd),

–  gezien het besluit van de Commissie van 10 augustus 2010 tot oprichting van de Europese Groep van regelgevende instanties voor postdiensten(2),

–  gezien Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG(4),

–  gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 november 2015 over de toepassing van de richtlijn postdiensten (COM(2015)0568), en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0207),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2013 getiteld "Een stappenplan voor de voltooiing van de interne markt voor pakketbezorging: Vertrouwen scheppen in bezorgdiensten en onlineverkoop stimuleren" (COM(2013)0886),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 29 november 2012 getiteld "Een geïntegreerde markt van pakketbestellingen voor groei van de elektronische handel in de EU" (COM(2012)0698),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 getiteld "Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten" (COM(2011)0942),

–  gezien het witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over een geïntegreerde markt van pakketbestellingen ter bevordering van de groei van de elektronische handel in de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 "Naar een akte voor een digitale interne markt"(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0254/2016),

A.  overwegende dat de postmarkt nog steeds een economische sector is met sterke vooruitzichten op groei en toenemende concurrentie, ook al zijn volgens de database van de Europese Commissie voor statistieken over postdiensten de diensten voor brievenpost tussen 2012 en 2013 in de EU gemiddeld met 4,85 % gekrompen, hetgeen overeenstemt met de afname van het volume van de brievenpost gedurende de voorbije tien jaar, grotendeels te wijten aan de intrede van elektronische alternatieven;

B.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn postdiensten heeft bijgedragen aan de openstelling van binnenlandse markten voor concurrentie op de markten voor brievenpost, maar dat de ontwikkelingen traag zijn verlopen en niet hebben geleid tot de verwezenlijking van de interne markt voor postdiensten, aangezien de sector in de meeste lidstaten nog steeds wordt gedomineerd door de aanbieders van universele diensten;

C.  overwegende dat het gebruik van ICT een voortdurende stimulans vormt voor de postdienstensector door mogelijkheden te bieden voor innovatie en ervoor te zorgen dat de markt kan groeien;

D.  overwegende dat nieuwe concurrenten zich met name hebben gericht op grote zakelijke klanten en dichtbevolkte gebieden;

E.  overwegende dat de markt voor pakketbezorging een uiterst concurrerende, innovatieve en snelgroeiende sector vormt waarin tussen 2008 en 2011 een toename in volume van 33 % werd gerealiseerd, en overwegende dat e-commerce een drijvende kracht is voor marktgroei;

F.  overwegende dat het grootschalige gebruik van systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (drones) nieuwe, snelle, milieuvriendelijke en doeltreffende vormen van pakketbezorging biedt, met name in dunbevolkte, geïsoleerde en afgelegen gebieden;

G.  overwegende dat consumenten en kleine ondernemingen aangeven dat problemen met de bezorging van pakketten, met name de hoge prijzen, hen ervan weerhouden meer te verkopen of aan te kopen in andere lidstaten;

I. Universele diensten: een grotere onafhankelijkheid van de nationale reguleringsinstanties

1.  stelt vast dat de minimale normen in verband met de universeledienstverplichting (poststukken tot 2 kg, postpakketten tot 10-20 kg, aangetekende en verzekerde zendingen en andere diensten van algemeen economisch belang, zoals dagbladen en tijdschriften) – die in de EU met name worden gereguleerd door een essentiële minimale reeks diensten te waarborgen in elk deel van de EU, zonder de lidstaten te verhinderen hogere normen toe te passen – in het algemeen weliswaar voldoen aan de eisen van de klanten, maar dat bepaalde gedetailleerde voorschriften, die niet onder de regelgeving op EU-niveau vallen, terecht worden vastgesteld door de nationale reguleringsinstanties (NRI's) die belast zijn met deze taak;

2.  wijst erop dat de primaire taak van de NRI's bestaat in het behalen van de overkoepelende doelstelling van de richtlijn postdiensten om de duurzame verlening van de universele dienst te waarborgen; verzoekt de lidstaten de rol en de onafhankelijkheid van NRI's te ondersteunen door middel van strenge beroepskwalificatiecriteria voor personeel, met garantie op eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleiding op de werkplek, ambtstermijnen met een vaste duur en juridische bescherming tegen ontslag zonder gegronde reden, met een exhaustieve lijst van redenen die een dergelijk ontslag rechtvaardigen (bijvoorbeeld een ernstige overtreding van de wet), zodat NRI's op onpartijdige, transparante en tijdige wijze aan hun verplichtingen uit hoofde van de richtlijn postdiensten kunnen voldoen;

3.  is van mening dat bij een uitbreiding van de rol van de NRI's in het kader van nieuwe regelgeving op de pakketmarkt aandacht moet worden besteed aan "cherrypicking" in de sector bezorgdiensten en minimumnormen moeten worden vastgesteld voor alle exploitanten om eerlijke en gelijke concurrentie te waarborgen;

4.  is van mening dat verplichtingen op het vlak van onafhankelijkheid alleen maar kunnen worden nagekomen als de regelgevende taken van de NRI's structureel en functioneel worden gescheiden van activiteiten in verband met de eigendomsrechten van of de controle op een exploitant van postdiensten; vindt dat hoge functionarissen van NRI's gedurende minstens zes maanden na hun vertrek niet voor de openbare exploitant van postdiensten of andere belanghebbende partijen mogen gaan werken, om belangenvermenging te voorkomen; is van mening dat de lidstaten daarom wettelijke bepalingen moeten invoeren die het opleggen van sancties mogelijk maken wanneer bovengenoemde verplichting niet wordt nageleefd;

5.  verzoekt de Commissie om de samenwerking en coördinatie tussen NRI's te vergemakkelijken en te verbeteren met het oog op meer efficiëntie en interoperabiliteit op het gebied van grensoverschrijdende postbezorging en om toezicht te houden op de regelgevende activiteiten van NRI's – onder meer inzake het aanbieden van universele diensten – teneinde een uniforme benadering te waarborgen ten aanzien van de toepassing van de Europese wetgeving en de harmonisatie van de postmarkt binnen de EU;

6.  herinnert eraan dat de richtlijn postdiensten de lidstaten de nodige ruimte biedt om in te spelen op specifieke plaatselijke kenmerken en om ervoor te zorgen dat de levering van universele diensten op lange termijn duurzaam blijft, terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan de behoeften van gebruikers en wordt ingespeeld op de veranderingen op technisch, economisch en sociaal gebied;

7.  neemt kennis van de bevestiging van de Commissie dat aanbieders van universele diensten krachtens de richtlijn postdiensten niet verplicht zijn een specifieke eigendomsstructuur te hebben; is van mening dat aanbieders van universele diensten niet mag worden belet te investeren en te innoveren op het vlak van de levering van efficiënte en kwalitatief hoogwaardige postdiensten;

II. Universele dienstverlening handhaven en eerlijke mededinging mogelijk maken: toegang, kwaliteit van de dienstverlening en behoeften van de gebruikers

8.  stelt vast dat we evolueren naar een beperkter toepassingsgebied voor de universeledienstverplichting; spoort aan tot het vergroten van de keuzevrijheid van consumenten, zodat de bezorging van brievenpost een plaats krijgt binnen het aanbod van de universeledienstverplichting; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is dat er hoogstaande en betaalbare universele diensten worden geleverd, waarbij elke burger wekelijks kan beschikken over ten minste vijf dagen voor het bezorgen en vijf dagen voor het ophalen van post; stelt vast dat sommige lidstaten een zekere flexibiliteit toestaan om de duurzaamheid van de universele dienst op de lange termijn te waarborgen, rekening houdend met hun specifieke nationale kenmerken en geografische situaties; wijst erop dat de richtlijn weliswaar enige flexibiliteit toestaat, maar dat deze niet mag worden overtroffen door nationale regelgeving;

9.  herinnert eraan dat de universele dienst moet evolueren volgens de ontwikkelingen op technisch, economisch en sociaal gebied en volgens de behoeften van gebruikers, en dat de richtlijn postdiensten de lidstaten de nodige ruimte biedt om in te spelen op specifieke plaatselijke kenmerken en te zorgen voor de duurzaamheid van universeledienstverlening op de lange termijn;

10.  is van mening dat geografische dekking en toegang tot universele diensten voor pakketbezorging kunnen en moeten worden verbeterd, vooral voor burgers met een handicap, personen met beperkte mobiliteit en mensen in afgelegen gebieden; onderstreept dat het belangrijk is om de ongehinderde toegang tot postdiensten te garanderen en te zorgen voor samenhang tussen de richtlijn postdiensten en de toegankelijkheidswet;

11.  stelt vast dat de daling van het aantal brieven de verlening van universele postdiensten in veel lidstaten in toenemende mate bemoeilijkt; is zich ervan bewust dat veel aangewezen aanbieders van universele diensten de universeledienstverplichting financieren met inkomsten uit andere commerciële activiteiten, zoals financiële diensten of pakketbezorging;

12.  merkt op dat er in een aantal gevallen sprake is van oneerlijke concurrentie in de postsector en verzoekt de verantwoordelijke autoriteit wangedrag te bestraffen;

13.  verzoekt de lidstaten en de Commissie toezicht te houden op de verlening van postdiensten als een openbare dienst om te waarborgen dat de compensatie voor de openbare dienst op evenredige, transparante en eerlijke wijze wordt uitgevoerd;

14.  benadrukt hoe belangrijk het is dat prijzen die onder de universeledienstverplichting vallen betaalbaar zijn en alle gebruikers toegang bieden tot de geleverde diensten; wijst erop dat NRI's betaalbaarheid voor briefpoststukken duidelijk moeten definiëren en dat de lidstaten gratis postdiensten voor blinden en slechtzienden mogen blijven leveren of mogen invoeren;

15.  verzoekt de lidstaten de territoriale en sociale samenhang te bewaren en de bijbehorende kwaliteitseisen in stand te houden en merkt op dat de lidstaten reeds enkele specifieke kenmerken mogen aanpassen aan de lokale vraag door gebruik te maken van de in Richtlijn 97/67/EG geboden flexibiliteit; is zich ervan bewust dat postnetwerken en -diensten van groot belang zijn voor de EU-burger; verzoekt de lidstaten om slechts bij wijze van uitzondering en op transparante, niet-discriminerende en passende wijze instrumenten voor overheidssteun in te zetten, in overeenstemming met het mededingingsbeleid van de EU, en om te garanderen dat klanten gebruik kunnen blijven maken van postdiensten, door in voorkomend geval op een centraal punt een minimaal aantal diensten aan te bieden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de compensatiefondsen evenredig zijn en dat de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten transparant en eerlijk zijn;

16.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de openstelling van de markt alle gebruikers, en met name consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen, ten goede blijft komen door nauwlettend toe te zien op de marktontwikkelingen; dringt aan op verdere verbeteringen wat de snelheid, keuze en betrouwbaarheid van de diensten betreft;

17.  verzoekt de Commissie de huidige definitie van universele dienstverlening te verbeteren, teneinde het minimale gegarandeerde dienstverleningsniveau voor consumenten vast te leggen, de universeledienstverplichting af te stemmen op de evoluerende markten, rekening te houden met marktveranderingen in verschillende lidstaten en economische groei en sociale cohesie te bevorderen; blijft niettemin bij zijn standpunt dat exploitanten, rekening houdend met de specifieke beperkingen van elke markt, enige flexibiliteit moeten krijgen bij de organisatie van deze universele dienstverlening; verzoekt de lidstaten vergunningsprocedures ten uitvoer te leggen in overeenstemming met de huidige richtlijn, en vergunnings- en/of kennisgevingsprocedures verder te harmoniseren, teneinde ongerechtvaardigde obstakels om toegang te krijgen tot de interne markt terug te dringen, zonder hierbij onnodige administratieve lasten te creëren;

18.  benadrukt dat de invoering van bemiddelingsprocedures die gemakkelijk toegankelijk en betaalbaar zijn een interessant potentieel bieden voor het bereiken van een gemakkelijke oplossing op de korte termijn voor zowel exploitanten als consumenten in geval van een geschil; spoort de Commissie aan wetgeving in te voeren over consumentenrechten op de postmarkt;

19.  dringt er bij de Commissie op aan bij het opstellen van wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de digitalisering en de mogelijkheden die deze biedt, de specifieke kenmerken van de lidstaten en algemene trends op de post- en pakketmarkten;

20.  herinnert eraan dat de btw-vrijstelling voor postdiensten zodanig moet worden toegepast dat de concurrentieverstoringen tussen voormalige monopolies en nieuwkomers op de markt tot een minimum worden herleid en tegelijkertijd de duurzaamheid op de lange termijn van de universeledienstverplichting wordt gewaarborgd, zodat alle exploitanten overal in Europa postdiensten kunnen blijven verlenen; merkt op dat wanneer btw-vrijstelling uitsluitend wordt gewaarborgd voor de gevestigde dienstverlener voor diensten die niet onder de universele dienstverlening vallen, terwijl andere dienstverleners btw-plichtig zijn, de ontwikkeling van concurrentie op de markt aanzienlijk wordt gehinderd;

21.  verzoekt de Commissie te zorgen voor gelijke voorwaarden voor alle aanbieders, zowel van traditionele postdiensten als van het snel groeiende segment van pakketbezorging, onder gevestigde postaanbieders en nieuwkomers; stelt voor dat de Commissie het recht krijgt om te beoordelen of aanbestedingsprocedures een onredelijke last vormen;

22.  verzoekt de lidstaten er rekening mee te houden dat voormalige gevestigde aanbieders ten opzichte van nieuwkomers niet mogen worden bevoordeeld door staatssteun, noch worden benadeeld door hun openbaredienstverplichting of historische kosten;

23.  is van mening dat concurrentie en de markt drijvende krachten voor innovatie en de ontwikkeling van diensten met toegevoegde waarde zijn en verzoekt de Commissie innovatie in de sector te steunen door het beginsel van proportionaliteit en economische rechtvaardiging in acht te nemen, teneinde diensten met toegevoegde waarde te bevorderen, zoals volg- en traceersystemen, ophaal- en verzendpunten, flexibele bezorgtijden, geschikte procedures voor retourzendingen en toegang tot eenvoudige beroepsprocedures; is zich bewust van het werk en de investeringen die exploitanten van postdiensten reeds hebben verricht op dit gebied;

24.  verzoekt de Commissie nauw toe te zien op de ondersteuning door de lidstaten van kosten met betrekking tot de universeledienstverplichting en andere historische kosten van aanbieders van postdiensten aan de hand van de belangrijkste regels voor de controle op staatssteun met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang (het kader voor diensten van algemeen economisch belang van 2012);

25.  is van mening dat de kwaliteit van de dienstverlening moet worden beoordeeld aan de hand van de in de richtlijn vastgelegde normen, en dat de behoeften van de consument hierin tot uiting moeten komen, teneinde de interoperabiliteit en de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren;

26.  stelt vast dat de Europese exploitanten van postdiensten investeringen hebben gedaan om de interconnectiviteit van hun netwerken op een hoger niveau te tillen en innovatieve, gebruiksvriendelijke diensten hebben ingevoerd voor klanten en kmo's met een webwinkel die gebruikmaken van grensoverschrijdende e-commerce; is van mening dat deze investeringen moeten worden beschermd met eerlijke toegangsvoorwaarden;

27.  drukt opnieuw zijn steun uit voor het forum van postgebruikers dat de Commissie in 2011 heeft opgericht ter bevordering van de dialoog tussen gebruikers, exploitanten, vakbonden en andere belanghebbenden over onderwerpen zoals de tevredenheid van eindgebruikers, de behoeften van zakelijke gebruikers en manieren om de levering van elektronisch geplaatste bestellingen te verbeteren; is van mening dat het forum bijzonder nuttig is en geregeld bijeen moet komen om mogelijke oplossingen voor de verbetering van post- en pakketbezorgingsdiensten in kaart te brengen;

III. De grensoverschrijdende dimensie en e-commerce

28.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor de interoperabiliteit en opwaardering van postnetwerken en, als er verscheidene aanbieders van universele diensten zijn, belemmeringen voor het vervoer van poststukken te voorkomen en kleine en middelgrote ondernemingen toegang te bieden tot financieel aantrekkelijke diensten voor grensoverschrijdende bezorging door de transparantie van de tarieven die door de exploitanten van postdiensten worden toegepast te vergroten;

29.  is van mening dat pakketbezorging een zeer concurrerende, innovatieve en snelgroeiende sector is; wijst op het belang van betaalbare en betrouwbare pakketbezorgingsdiensten voor de verwezenlijking van de digitale interne markt; herinnert eraan op dat de openstelling van deze sector voor concurrentie een stimulans heeft gegeven aan de ontwikkeling van diensten met toegevoegde waarde, zoals volg‑ en traceersystemen, ophaal- en verzendpunten, flexibele bezorgtijden en geschikte procedures voor retourzendingen; is dan ook van oordeel dat eventuele nieuwe regelgeving voor deze markt evenredig moet zijn en moet worden onderbouwd met betrouwbaar economisch bewijs;

30.  merkt in dit verband op dat alle voordelen die worden geboden door nieuwe technologieën, met inbegrip van drones, moeten worden overwogen, aangezien hiermee gemakkelijk diensten kunnen worden verleend, met name in dunbevolkte, geïsoleerde of afgelegen gebieden, terwijl ook rekening wordt gehouden met veiligheidsaspecten en milieuduurzaamheid;

31.  is van mening dat de dynamiek van de uiterst concurrerende, innovatieve en snelgroeiende markt voor pakketbezorging niet mag worden belemmerd door ongerechtvaardigde regelgeving en onnodige bureaucratie;

32.  verzoekt de Commissie om indien nodig markttoezicht op pakketbezorging te ontwikkelen op basis van prestaties, en om zonder de bevoegdheid van de NRI's te ondermijnen betaalbare grensoverschrijdende tarieven te bevorderen en oneerlijke concurrentieverstorende en monopolistische praktijken op te sporen; spoort aan tot grotere transparantie van de tarieven en de beschikbaarheid van diensten, met name voor particuliere klanten en kleine en middelgrote ondernemingen;

33.  is verheugd over het voorstel van de Commissie inzake een transparante en niet‑discriminerende grensoverschrijdende toegang tot alle netwerkonderdelen, bijbehorende voorzieningen, relevante diensten en informatiesystemen van postnetwerken voor derde partijen; is van mening dat een doeltreffend gebruik van de infrastructuur economische voordelen kan opleveren voor aanbieders van universele diensten en de concurrentie kan verhogen op het gebied van grensoverschrijdende bezorgdiensten;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer gegevens te verzamelen over de markt van pakketbezorging om de ontwikkeling van deze economische sector en de structurele ontwikkeling ervan beter te kunnen beoordelen;

35.  benadrukt hoe belangrijk het is de kwaliteit van de dienstverlening en de bescherming van de consumentenrechten te verbeteren om zo het consumentenvertrouwen afdoende te herstellen; is van mening dat het gebrek aan vertrouwen kan worden aangepakt door een grotere transparantie op het vlak van prijzen, leveringsopties en -voorwaarden en de verhouding tussen kwaliteit en prestatie (snelheid, geografische dekking, vertragingen en de afhandeling van beschadigde of verloren stukken), alsook door keurmerken inzake betrouwbaarheid;

36.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de voorwaarden voor openbare prijsstelling en de kwaliteit van de dienstverlening (leveringsopties, uiteindelijke levering, betrouwbaarheid) transparanter te maken, vooral in het geval van e-commerce; vraagt om transparantiecontroles wanneer de prijzen niet worden gecontroleerd door concurrentie of wanneer deze onredelijk hoog zijn; benadrukt hoe belangrijk het is de kloof te dichten tussen prijzen voor binnenlandse en grensoverschrijdende diensten en steunt maatregelen die consumenten bewuster maken en in staat stellen de binnenlandse en grensoverschrijdende prijsstructuren te vergelijken; verzoekt de NRI's de betaalbaarheid van prijzen op een aantal grensoverschrijdende trajecten te beoordelen, met bijzondere aandacht voor buitensporige verschillen;

37.  verzoekt de Commissie de strategie voor e-commerce en grensoverschrijdende pakketbezorging te bevorderen; stelt voor de interoperabiliteit in de toeleveringsketen te faciliteren en publiek beschikbare optimale werkmethoden te ontwikkelen voor webwinkels;

38.  blijft bij het standpunt dat klachtenprocedures en regelingen voor geschillenbeslechting eenvoudig en doeltreffend moeten zijn en over de grenzen heen dienen te worden toegepast; benadrukt dat consumenten en ondernemingen bij grensoverschrijdende transacties voordeel kunnen halen uit de richtlijn betreffende alternatieve geschillenbeslechting (ADR-richtlijn) en het onlineplatform dat is opgericht bij Verordening (EU) nr. 524/2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen; maakt zich zorgen over het feit dat tot nu toe slechts 24 lidstaten de ADR-richtlijn hebben omgezet, hoewel de uiterste termijn voor omzetting juli 2015 was, en dat miljoenen Europese burgers bijgevolg geen gebruik kunnen maken van dit belangrijke verhaalmechanisme; is van mening dat de Europese procedure voor geringe vorderingen een nuttig hulpmiddel kan zijn voor consumenten en ondernemingen die grensoverschrijdende transacties verrichten; vraagt dat er indien nodig wordt overwogen aanvullende mechanismen in te voeren voor adequate verhaalmogelijkheden voor consumenten met betrekking tot postdiensten;

39.  spoort de lidstaten aan kostenverminderingen te ondersteunen door de interoperabiliteit van de processen voor het verzenden en afhalen van pakketten te verbeteren, alsook Europese normen te ontwikkelen voor geïntegreerde traceringssystemen; waardeert de door de sector geboekte vooruitgang in de dienstverlening voor consumenten en kmo's over de grenzen heen door verbeterde interoperabiliteit en volg- en traceersystemen; spoort ertoe aan vrij raadpleegbare instrumenten en indicatoren voor de kwaliteit van de dienstverlening tot stand te brengen, zodat consumenten het aanbod van verschillende dienstverleners kunnen vergelijken; is ingenomen met de vooruitgang die een bevestiging vormt van de door het Parlement ondersteunde en gevraagde marktbenadering; spoort aan tot het opzetten van platformen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen besteldiensten om voor de klanten een breder gamma van leveringsopties en oplossingen voor retourzendingen tot stand te brengen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de werking van grensoverschrijdende pakketbezorging te onderzoeken aan de hand van de verschillende voorschriften die voortkomen uit internationale handelsovereenkomsten (bv. de regels van de Wereldpostunie (UPU) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)) of de EU-wetgeving (bv. het douanewetboek van de Unie), in het bijzonder de universeledienstverplichting, waarvan misbruik kan worden gemaakt zodat er marktverstoringen ontstaan; spoort de Europese Unie aan het lidmaatschap van de Wereldpostunie aan te vragen om een volledig geïntegreerde Europese postsector tot stand te brengen;

41.  schaart zich achter het beginsel van het verzamelen van statistische gegevens over de markt van pakketbezorging om een duidelijker beeld te krijgen van de belangrijkste marktspelers, het concurrentiepatroon en de marktontwikkelingen;

IV. Sociale dimensie: verbetering van de werkgelegenheid

42.  verzoekt de lidstaten te garanderen dat voor alle werknemers in de postdienstensector behoorlijke arbeidsvoorwaarden gelden, met inbegrip van het vereiste beschermingsniveau voor gezondheid en veiligheid op het werk, ongeacht de grootte of het type van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de plaats van tewerkstelling of het onderliggende contract; onderstreept het belang van gezondheid en veiligheid op het werk, in het bijzonder in het licht van de demografische veranderingen en de grote mobiliteit van werknemers in de postsector; is verheugd over de samenwerking tussen het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) en de sectorale sociale partners in de campagne "Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress";

43.  stelt vast dat de postdienstensector in de afgelopen jaren door de technologische vooruitgang en de digitalisering is veranderd en dat de modernisering en de diversifiëring van de postdiensten grote gevolgen voor de arbeidsvoorwaarden en de werkgelegenheid in de sector hebben gehad;

44.  stelt vast dat de liberalisering van de postsector in sommige lidstaten heeft geleid tot grote verschillen in arbeidsvoorwaarden en lonen tussen de aanbieders van universele diensten en concurrerende aanbieders van specifieke postdiensten; is van mening dat meer concurrentie geen illegale sociale praktijken met zich mee mag brengen en niet mag leiden tot slechtere arbeidsvoorwaarden;

45.  wijst erop dat wanneer postbedrijven de mogelijkheid hebben om hun productie op innovatieve wijze te ontwikkelen en uit te breiden, met name in perifere gebieden, dit ook de werkgelegenheid zou bevorderen;

46.  merkt op dat het aantal deeltijdwerknemers, uitzendkrachten en zelfstandigen in de sector is gestegen en dat de ontwikkeling in het algemeen in de richting van flexibelere arbeidscontracten gaat, wat in een aantal omstandigheden kan leiden tot onzeker werk zonder afdoende bescherming voor werknemers; is verheugd over de ontwikkeling van nieuwe arbeidstijdmodellen voor werknemers, die daardoor bijvoorbeeld werk en gezin beter kunnen combineren, een inservicetraining kunnen voltooien, of de mogelijkheid kunnen krijgen deeltijds te gaan werken; merkt op dat nieuwe, flexibele arbeidscontracten mogelijke risico's dienen uit te sluiten, zoals overbelasting van de werknemer of een verloning die niet in verhouding is met de geleverde prestaties; benadrukt derhalve dat er enerzijds behoefte is aan arbeidsmarktflexibiliteit en anderzijds aan economische en sociale zekerheid voor werknemers; benadrukt dat het verlagen van arbeidskosten door het afbouwen van arbeidsvoorwaarden en -normen niet onder de noemer flexibiliteit mag vallen; verzoekt de Commissie en de lidstaten toezicht te houden op activiteiten ter bestrijding van schijnzelfstandigheid in de postsector; dringt er in meer algemene zin bij de lidstaten op aan te voorkomen dat de flexibiliteit van arbeidscontracten ten koste gaat van de werknemers;

47.  is verheugd over de belangrijke rol van vakbonden, die in vele lidstaten samenwerken met aanbieders van universele diensten om te proberen de transformatie van de postdienstensector op sociaal aanvaardbare wijze op te vangen; wijst op het belang van sterke en onafhankelijke sociale partners in de postsector, een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en de participatie van werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

48.  benadrukt het belang van toezicht op de naleving van de verplichte rij- en rusttijden en van de werktijden in de postsector; is van mening dat dit toezicht moet worden gehouden aan de hand van in de voertuigen geïnstalleerde digitale controleapparatuur; herinnert eraan dat Verordening (EU) nr. 165/2014 betreffende tachografen in het wegvervoer niet van toepassing is op voertuigen van minder dan 3,5 ton; dringt daarom aan op een intensivering van de controles op werk- en rusttijden; herinnert eraan dat alle taken met betrekking tot de activiteit van een werknemer als arbeidstijd moeten worden beschouwd; benadrukt evenzeer het belang van toezicht op de naleving van Europese en nationale wetgeving voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk, met inbegrip van voorwaarden in voertuigen, voor alle mensen die betrokken zijn bij postbezorging, ongeacht of zij een beroepsstatus van zelfstandige, onderaannemer, tijdelijke medewerker dan wel contractarbeider hebben;

49.  is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen vrije concurrentie, de eisen van de consument, duurzaamheid van de universele dienstverlening en de financiering ervan, en de instandhouding van de werkgelegenheid;

50.  is bezorgd over pogingen om de bestaande regelgeving voor minimumlonen te omzeilen door de werklast zodanig te verhogen dat deze niet kan worden beheerd tijdens betaalde werkuren;

51.  is verheugd over de essentiële werkzaamheden van het comité voor sociale dialoog in de postsector en wijst op het project van de Europese sociale partners getiteld "Managing demographic challenges and finding sustainable solutions by the social partners in the postal sector" (Omgaan met demografische uitdagingen en de zoektocht naar duurzame oplossingen door de sociale partners in de postsector";

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer gegevens over het aantal arbeidsplaatsen en de arbeidsvoorwaarden in de postdienstensector te verzamelen, om de daadwerkelijke situatie na de volledige openstelling van de markten beter te kunnen inschatten en om efficiënt te kunnen reageren op ontwikkelingen en eventuele problemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om nieuwe methoden voor geautomatiseerde postbezorging en het effect daarvan op de arbeidsvoorwaarden en de werkgelegenheid op de voet te volgen en om na te gaan of modernisering van sociale en arbeidswetgeving in voorkomend geval noodzakelijk is om gelijke tred te houden met de veranderingen in de postsector; spoort de sociale partners evenzeer aan om collectieve arbeidsovereenkomsten waar nodig bij te werken zodat hoogwaardige arbeids- en werkgelegenheidsnormen kunnen worden gewaarborgd;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 15 van 21.1.1998, blz. 14.
(2) PB C 217 van 11.8.2010, blz. 7.
(3) PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63.
(4) PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1.
(5) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.
(6) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0067.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.


Toegang tot financiering voor kmo's en versterking van de diversiteit van kmo-financiering in een kapitaalmarktenunie
PDF 234kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over toegang tot financiering voor kmo's en vergroting van de financieringsdiversiteit voor kmo's in een kapitaalmarktunie (2016/2032(INI))
P8_TA(2016)0358A8-0222/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(1),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(2),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over de Europese Investeringsbank (EIB) - jaarverslag 2014(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het jaarverslag 2014 van de Europese Centrale Bank(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over het opbouwen van een kapitaalmarktenunie(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa(9),

–  gezien het debat van 13 april 2016 naar aanleiding van de mondelinge vragen namens de PPE, S&D, ECR, ALDE en GUE/NGL over de toetsing van de ondersteuningsfactor voor kmo's(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2011 getiteld "Een actieplan ter verbetering van de toegang tot financiering voor kmo's" (COM(2011)0870),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2015 getiteld "Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie (COM(2015)0468),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "Verbetering van de interne markt: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen(11),

–  gezien Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties(12),

–  gezien de "Survey on the Access to Finance of Enterprises in the euro area – April to September 2015" van de Europese Centrale Bank van december 2015,

–  gezien het tweede raadplegingsdocument van het Bazels Comité voor bankentoezicht van december 2015 getiteld "Revisions to the Standard Approach for credit risk",

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 juni 2015 over de evaluatie van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (COM(2015)0301),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Crowdfunding in de EU-kapitaalmarktenunie (SWD(2016)0154),

–  gezien aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(13),

–  gezien het maandbulletin van juli 2014 van de Europese Centrale Bank(14),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 getiteld "Pakket anti-belastingontwijkingsmaatregelen: volgende stappen naar effectieve belastingheffing en grotere fiscale transparantie in de EU" (COM(2016)0023),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 30 november 2015 voor een verordening betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten (COM(2015)0583),

–  gezien het verslag van de Europese Bankenautoriteit over kmo's en de ondersteuningsfactor voor kmo's(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2015 getiteld "Samen werken aan werkgelegenheid en groei: de rol van nationale stimuleringsbanken (NPB's) bij de facilitering van het Investeringsplan voor Europa" (COM(2015)0361),

–  gezien het Waarschuwingsmechanismeverslag 2016 van de Commissie van 26 november 2015 (COM(2015)0691),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0222/2016),

A.  overwegende dat micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen en mid-caps wat werkgelegenheid en groei betreft een belangrijke rol voor de Europese economie vervullen, aangezien kmo's in 2014 goed waren voor 67 % van de totale werkgelegenheid, 71,4 % van de toename van de werkgelegenheid en 58 % van de toegevoegde waarde in de niet-financiële bedrijfssector in de EU(16);

B.  overwegende dat de wetgeving van de Unie geen enkele duidelijke definitie van kmo bevat, behalve de categorieën "kleine ondernemingen" en "middelgrote ondernemingen" in de jaarrekeningrichtlijn;

C.  overwegende dat Europese kmo's heel verscheiden zijn en een groot aantal micro-ondernemingen omvatten, die vaak in traditionele sectoren actief zijn, en een groeiend aantal nieuwe start-ups en snelgroeiende innovatieve ondernemingen; overwegende dat deze bedrijfsmodellen met verschillende problemen geconfronteerd worden, en dus verschillende financieringsbehoeften hebben;

D.  overwegende dat de meeste Europese kmo's hoofdzakelijk actief zijn op nationaal niveau; in feite zijn er betrekkelijk weinig kmo's die grensoverschrijdende activiteiten binnen de EU ontplooien, terwijl de kmo's die naar landen buiten de Unie exporteren een kleine minderheid vormen;

E.  overwegende dat 77 % van de uitstaande kmo-financiering in Europa afkomstig is van banken(17);

F.  overwegende dat de financiering van kmo's moet rusten op een zo breed mogelijke basis om te waarborgen dat kmo's in elke fase van de ondernemingsontwikkeling een optimale toegang tot financiering genieten; overwegende dat dit een geschikte regelgeving omvat voor alle financieringskanalen, zoals bankleningen, kapitaalmarktfinancieringen, schuldtitels, leasing, crowdfunding, durfkapitaal, 'peer-to-peer'-financiering, enz.;

G.  overwegende dat institutionele beleggers, zoals verzekeringsmaatschappijen, een belangrijke bijdrage leveren aan de financiering van kmo's door middel van de spreiding en transformatie van risico's;

H.  overwegende dat de EBA in haar verslag van maart 2016 over kmo's en de ondersteuningsfactor voor kmo's aangeeft er geen bewijs voor te hebben gevonden dat de ondersteuningsfactor extra stimulansen heeft gegenereerd voor het verstrekken van leningen aan kmo's in plaats van aan grote ondernemingen; overwegende dat in hetzelfde verslag overigens ook staat dat het gezien de beperkte opzet van de beoordeling, in het bijzonder wat betreft de beschikbare gegevens, de relatief recente introductie van de ondersteuningsfactor voor kmo's, het feit dat overlappende ontwikkelingen de identificatie van de impact van de ondersteuningsfactor voor kmo's mogelijkerwijs hebben bemoeilijkt en het gebruik van grote ondernemingen als controlegroep, misschien te vroeg is om harde conclusies te trekken; overwegende dat de EBA heeft geconstateerd dat beter gekapitaliseerde banken over het algemeen meer leningen aan kmo's verstrekken en dat kleinere en jongere bedrijven in de regel moeilijker aan een lening komen dan grotere en oudere bedrijven; overwegende dat in het verslag ook staat dat de wetgever de ondersteuningsfactor voor kmo's als voorzorgsmaatregel heeft bedoeld, teneinde de verstrekking van leningen aan kmo's niet in gevaar te brengen;

I.  overwegende dat door de crisis de toegang tot financiering voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen sterker is ingeperkt dan voor grote ondernemingen, ondanks de onlangs opgetekende verbeteringen, en dat kmo's in de eurozone te maken hebben gehad, en in zekere mate nog steeds te maken hebben, met strengere zekerheidsvereisten van banken(18);

J.  overwegende dat al sinds de eerste enquêtes over de toegang tot financiering voor kmo's (SAFE) het vinden van klanten de grootste bezorgdheid is van kmo's in de eurozone, terwijl de toegang tot financiering veel lager staat in de lijst van bezorgdheden; overwegende dat uit de laatstgehouden enquête (gepubliceerd in december 2015) is gebleken dat de beschikbaarheid van externe financiering voor kmo's van eurozonelidstaat tot eurozonelidstaat sterk verschilt; overwegende dat het aantrekken van financiering voor kmo's nog altijd moeilijker is dan voor grote ondernemingen;

K.  overwegende dat nationale/regionale stimuleringsbanken een belangrijke rol spelen bij het katalyseren van langetermijnfinanciering; overwegende dat ze hun activiteiten hebben opgevoerd om een tegenwicht te vormen tegen het noodzakelijke schuldafbouwproces in de commerciële banksector; overwegende dat ze ook een belangrijke rol spelen in de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten van de EU buiten het toepassingsgebied van het Europees Fonds voor strategische investeringen;

L.  overwegende dat een betere toegang tot financiering voor kmo's niet mag leiden tot lagere financiële normen en minder strenge regels;

M.  overwegende dat de WIR Bank in Zwitserland een complementaire munt uitgeeft die bedoeld is voor kmo's in voornamelijk de horeca-, bouw-, productie-, detailhandels- en professionele dienstverleningssector; overwegende dat de WIR een vereffeningsmechanisme biedt waarin bedrijven van elkaar kunnen kopen zonder de Zwitserse frank te gebruiken; overwegende echter dat WIR vaak wordt gebruikt in combinatie met de Zwitserse frank in transacties met twee munteenheden; overwegende dat de handel in WIR goed is voor 1 tot 2 % van het Zwitserse bbp; overwegende dat is gebleken dat de WIR een anticyclisch effect heeft ten aanzien van het bbp, en zelfs nog sterker ten aanzien van het aantal werklozen;

N.  overwegende dat naar verluidt de richtlijn betalingsachterstand van 2011 in april 2015 in slechts 21 van de 28 lidstaten correct was omgezet, ondanks het feit dat de uiterste omzettingstermijn nu al meer dan twee jaar is verstreken;

O.  overwegende dat de Commissie in het Waarschuwingsmechanismeverslag 2016 waarschuwt dat enerzijds "de groei [...] steeds meer [is] gaan afhangen van de binnenlandse vraag, met name van een sterker herstel van de investeringen" en dat anderzijds, "hoewel de consumptie onlangs is gestegen, [...] de binnenlandse vraag zwak [blijft], ten dele door de aanzienlijke druk om schulden af te bouwen in verschillende lidstaten";

P.  overwegende dat overeenkomstig Richtlijn 2004/113/EG van de Raad discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot goederen en diensten, met inbegrip van financiële diensten, verboden is; overwegende dat is vastgesteld dat toegang tot financiering een van de belangrijkste belemmeringen voor vrouwelijke ondernemers is; overwegende dat vrouwelijke ondernemers doorgaans een onderneming starten met minder kapitaal, dat ze minder lenen en dat ze eerder een beroep doen op familie dan op schuld- of aandelenfinanciering;

Pluriforme financieringsbehoeften van een pluriforme kmo-sector

1.  is zich bewust van de pluriformiteit van kmo's, waaronder micro-ondernemingen, en mid-caps in de lidstaten, hetgeen tot uitdrukking komt in hun bedrijfsmodel, omvang, geografische positie, sociaal-economische omgeving, ontwikkelingsgraad, financiële structuur, rechtsvorm en divergerende niveaus van ondernemerschapsopleidingen;

2.  is zich bewust van de uitdagingen waar kmo's door de van lidstaat tot lidstaat en regio tot regio verschillende financieringsmogelijkheden en -behoeften mee worden geconfronteerd, met name wat betreft de kwaliteit en de kosten van de beschikbare financiering, en realiseert zich dat die worden beïnvloed door zowel kmo-specifieke factoren als het land en/of de regio waar zijn zijn gevestigd, inclusief economische volatiliteit, trage groei en een grotere financiële fragiliteit; weet dat kmo's ook met andere uitdagingen worden geconfronteerd, zoals toegang tot klanten; benadrukt dat de kapitaalmarkten versnipperd zijn en op een verschillende manier zijn geregeld in de gehele EU en dat de reeds behaalde integratie voor een stuk door de crisis is verloren gegaan;

3.  beklemtoont dat kmo's niet alleen in de start-upfase, maar gedurende hun hele levenscyclus over meerdere en verbeterde, publieke en particuliere financieringsopties moeten kunnen beschikken, en wijst erop dat een strategische langetermijnbenadering nodig is om bedrijfsfinanciering veilig te stellen; onderstreept dat toegang tot financiering ook belangrijk is voor de transfer van bedrijven; verzoekt de Commissie en de lidstaten kmo's bij dit proces te ondersteunen, waaronder in de eerste jaren van hun bestaan; merkt op dat er behoefte is aan een gediversifieerde aanpak op maat voor wat regelgeving en te ondersteunen initiatieven betreft; geeft aan dat er met betrekking tot financiering geen 'one-size-fits-all'-model bestaat en vraagt de Commissie de ontwikkeling te steunen van een brede waaier aan op maat gesneden programma's, instrumenten en initiatieven voor ondersteuning van bedrijven in de start-up-, groei- en overdrachtfase, rekening houdend met hun omvang, omzet en financieringsbehoeften; neemt er kennis van dat ondernemingen van vrouwen zich vaker in de dienstensector bevinden dan ondernemingen van mannen, en ook vaker op immateriële hulpbronnen gestoeld zijn; stelt vast dat het lage aantal vrouwen die aan het hoofd van een kmo staan, gedeeltelijk kan worden verklaard door de moeilijkere toegang tot financiering; betreurt dat de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit, die tot doel heeft gelijke kansen voor vrouwen en mannen te bevorderen, in 2013 bij microleningen een man-vrouwverhouding had van 60-40; verzoekt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat haar programma's voor het bevorderen van de toegang tot financiering voor kmo's vrouwelijke ondernemers niet benadelen;

4.  verzoekt de Commissie om te beoordelen in welke mate kmo's die worden geleid door andere kwetsbare groepen in de samenleving, worden gediscrimineerd;

5.  is van oordeel dat kmo's en de reële economie wat hun financieringsbehoeften betreft het meest gediend zijn met een pluriforme, goed gereguleerde en stabiele financiëledienstensector die een breed scala aan kostenefficiënte en op maat gesneden financieringsopties aanbiedt, en duurzame langetermijnontwikkeling mogelijk maakt; benadrukt in dit kader het belang van traditionele bankmodellen, met inbegrip van kleine regionale banken, spaarcoöperaties en overheidsinstellingen; merkt in dit verband op dat evenveel aandacht moet worden besteed aan een betere toegang tot financiering voor micro-ondernemingen en ondernemers met een eenmanszaak;

6.  spoort kmo's aan de hele EU als hun thuismarkt te zien en voor hun financieringsbehoeften gebruik te maken van het potentieel van de interne markt; is verheugd over de initiatieven van de Commissie gericht op ondersteuning van kmo's en start-ups in een opgewaardeerde interne markt, en dringt er bij de Commissie op aan te blijven komen met voorstellen die toegesneden zijn op de behoeften van kmo's; is van mening dat het initiatief Start-up Europe kleine innovatieve ondernemingen moet helpen tot ze volledig operationeel zijn; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat er convergentie is tussen de regels en procedures in de gehele Unie en dat de Small Business Act ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de Commissie voor een follow-up van de Small Business Act te zorgen, zodat bedrijven kunnen blijven rekenen op hulp bij het overwinnen van zowel fysieke als wetgevende obstakels; erkent in dit verband dat innovatie een belangrijke aanjager is van duurzame groei en werkgelegenheid in de EU en dat specifieke aandacht moet worden besteed aan innovatieve kmo's; beklemtoont dat het EU-cohesiebeleid en het EU-regionaal fonds mogelijkerwijs een rol zouden kunnen spelen als bron van financiering voor kmo's; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor coördinatie, samenhang en synergie tussen de verschillende instrumenten en programma's voor kmo's, zoals de Europese Structuur- en investeringsfondsen; vraagt de Commissie en de lidstaten proactief te werken aan een holistische benadering bij het verspreiden van informatie over alle financieringsmogelijkheden die de EU biedt; vraagt de Commissie en de lidstaten met klem daadwerkelijke vooruitgang te boeken bij verdere vereenvoudiging, teneinde financiering aantrekkelijker te maken voor kmo's;

7.  herinnert eraan dat een meer geharmoniseerd juridisch en commercieel klimaat dat tijdige betalingen bij commerciële transacties ondersteunt, belangrijk is voor toegang tot financiering; benadrukt in deze context de financiële problemen van kmo's en de onzekerheid waarmee leveranciers te maken hebben als gevolg van betalingsachterstanden door grotere ondernemingen en overheidsinstellingen en -autoriteiten; verzoekt de Commissie om bij de beoordeling van de richtlijn betalingsachterstand de invoering van specifieke maatregelen om de betalingen voor kmo's te vergemakkelijken, te onderzoeken; verzoekt de Commissie om haar verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn betalingsachterstand, dat ze op 16 maart 2016 zou publiceren, nu eindelijk openbaar te maken en om, indien nodig, nieuwe voorstellen te formuleren om het risico voor grensoverschrijdende betalingen en op kasstroomverstoring te beperken;

8.  juicht het initiatief van de Commissie toe om de werkzaamheden betreffende de invoering van een echte Europese markt voor financiële diensten voor consumenten te hervatten met de bekendmaking van het Groenboek over financiële diensten voor consumenten (2015); verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken van kmo's en te verzekeren dat de grensoverschrijdende activiteiten op het gebied van financiële diensten voor consumenten leiden tot een betere toegang tot financiering voor kmo's;

9.  constateert dat start-ups en micro-ondernemingen in het bijzonder moeilijkheden ondervinden bij het aantrekken van passende financiering en bij het zich informeren over en voldoen aan de financiële regelgeving, voornamelijk in de ontwikkelingsfase; neemt kennis van de gebrekkige harmonisatie van nationale wetgeving inzake de oprichting van kmo's; spoort de lidstaten aan door te gaan met het bestrijden van administratieve obstakels en het ontwikkelen van één-loketsystemen als informatiepunten met betrekking tot alle regelgevingsvereisten voor ondernemers; spoort de lidstaten, de EIB en de nationale stimuleringsbanken in dit verband aan informatie te verstrekken over financieringsopties en regelingen voor leninggaranties;

10.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie gericht op het in kaart brengen van de belemmeringen en obstakels voor de financiële sector bij het aan de reële economie, en met name kmo's, met inbegrip van micro-ondernemingen, ter beschikking stellen van financiering; beklemtoont dat het tot stand brengen van een goed-functionerende Europese kapitaalmarkt een van de belangrijkste initiatieven voor de financiële sector is; wijst er met klem op dat het erg belangrijk is regels die onbedoelde gevolgen hebben voor kmo's of hun ontwikkeling belemmeren, te vereenvoudigen of te wijzigen; benadrukt dat dit niet mag leiden tot een onnodige verlaging van de normen voor financiële regulering, naast vereenvoudiging van de wetgeving; beklemtoont daarnaast dat nieuwe voorstellen van de Commissie niet tot complexere regelgeving mogen leiden omdat dit investeringen negatief zou kunnen beïnvloeden; meent dat in een Europese benadering inzake financiële regelgeving en de kapitaalmarktunie naar behoren rekening moet worden gehouden met internationale ontwikkelingen, teneinde onnodige divergentie en verdubbeling van de wetgeving te voorkomen en ervoor te zorgen dat Europa aantrekkelijk blijft voor internationale investeerders; benadrukt dat de Europese economie aantrekkelijk moet zijn voor een hoog niveau van buitenlandse directe investeringen (BDI), met inbegrip van greenfield-BDI, en hierbij niet alleen kapitaalmarkten mag stimuleren, maar ook de private-equitysector en durfkapitaal en investeringen in de Europese industrie; is daarnaast van oordeel dat de Commissie en de lidstaten een strategisch plan moeten aannemen om de financiering van kmo's te steunen met het oog op hun internationalisering;

11.  herhaalt dat een herziening van de regels voor overheidsopdrachten en -concessies de toegang van kmo's en micro-ondernemingen tot overheidsopdrachten niet mag schaden;

12.  verzoekt de Commissie en de Raad om meer aandacht te besteden aan de bezorgdheden van kmo's op het gebied van de vraag en om deze bezorgdheden op een meer passende manier op te nemen in de aanbeveling over het economische beleid van de eurozone, in de landenspecifieke aanbevelingen en in de beoordeling achteraf van de naleving door de lidstaten van de aanbevelingen;

Kredietverstrekking door banken aan kmo's

13.  stelt vast dat kredietverstrekking door banken van oudsher de belangrijkste bron van externe financiering voor kmo's in de Unie is, aangezien bankfinancieringen goed zijn voor meer dan drie kwart van de kmo-financiering in de Unie, terwijl dit in de VS minder dan de helft is, waarmee kmo's bijzonder kwetsbaar zijn voor een krapper wordende kredietverstrekking door banken; wijst erop dat de financiële crisis tot versnippering van de financiering door banken en van de voorwaarden voor kredietverstrekking door banken heeft geleid; betreurt de bestaande, zij het geleidelijk kleiner wordende, kloof tussen kredietverstrekkingsvoorwaarden voor kmo's in verschillende landen van de eurozone, hetgeen ook een weerspiegeling vormt van divergerende risicopercepties en economische omstandigheden; wijst op de bijdragen die de bankenunie levert aan het aanpakken van deze fragmentering; nodigt de lidstaten uit om Richtlijn 2004/113/EG volledig ten uitvoer te leggen en om de financiële sector te helpen voldoen aan zijn plicht om een volledige en gelijke toegang tot kredietverstrekkingen door banken aan kmo's te verlenen; wijst op de belangrijke en goed-ontwikkelde rol van banken bij het verstrekken van leningen aan kmo's vanwege hun specifieke regionale en plaatselijke kennis en hun langetermijnrelatie met deze ondernemingen; benadrukt dat er goed ontwikkelde lokale banken bestaan die op een doeltreffende manier aan kmo's kredieten verstrekken en verliezen voorkomen; benadrukt dan ook het belang van de ontwikkeling van lokale banken;

14.  benadrukt dat, hoewel de digitalisering zich verder ontwikkelt en daardoor nieuwe financieringsbronnen ontstaan, de lokale aanwezigheid van traditionele kredietinstellingen op voornamelijk eilanden en archipels, alsook in afgelegen, perifere en plattelandsgebieden, belangrijk blijft voor de toegang van kmo's tot financiering;

15.  spoort de banken aan de gehele EU als hun interne markt te beschouwen en het potentieel van de interne markt te benutten om financiering aan kmo's te verstrekken, ook aan kmo's die niet in de lidstaat van vestiging van de betreffende financiële instelling zijn gevestigd;

16.  moedigt de Commissie aan te onderzoeken of het mogelijk is financieringsprogramma's voor kredietverstrekkingen in te voeren, waarbij ECB-geld ter beschikking van banken wordt gesteld met kredietverstrekking aan kmo's als enig doel; vraagt de Commissie te bekijken of er nieuwe initiatieven kunnen worden ontwikkeld voor het aantrekken van investeringen;

17.  benadrukt de belangrijke rol van nationale en regionale stimuleringsbanken en -instellingen bij het financieren van de kmo-sector; brengt hun centrale rol in de kmo-pijler van het EFSI in herinnering, alsook hun rol bij het betrekken van lidstaten in EFSI-projecten; beschouwt het EFSI als een van de voornaamste bronnen van financiering voor kmo's; is van mening dat de EIB en het EIF meer inspanningen moeten leveren om kmo's bij te staan met deskundig advies om toegang tot financiering te krijgen en met instrumenten om de contacten met investeerders te bevorderen, zoals het European Angels Fund; verzoekt de Commissie de rol van de nationale en regionale stimuleringsbanken als katalysator van langetermijnfinanciering voor kmo's te beoordelen, en in het bijzonder beste praktijken te identificeren en te verspreiden en lidstaten op basis hiervan aan te moedigen om nationale en regionale stimuleringsbanken op te richten indien er nog geen bestaan; vraagt de Commissie en de lidstaten te werken aan inclusieve groei en te zorgen voor betere coördinatie van en samenhang tussen alle investeringsmaatregelen voor kmo's, zoals het EFSI, de regionale fondsen van de EU en het Europees Investeringsfonds (EIB);

18.  herhaalt dat het ook belangrijk is om de toegang van kmo's tot kredietverstrekking door banken te verbeteren en banken beter in staat te stellen kmo's financiering ter beschikking te stellen; wijst erop dat financiering middels de kapitaalmarkten alléén niet in voldoende financiering en passende financieringsoplossingen zal resulteren, inclusief toegang tot kapitaal door kmo's; merkt op dat een diversifiëring van kredietbronnen de stabiliteit in de financiële sector zou vergroten;

19.  is van oordeel dat een gezonde, stabiele en veerkrachtige banksector en kapitaalmarktenunie voorwaarden zijn voor het verbeteren van de toegang van kmo's tot financiering; wijst erop dat de verordening kapitaalvereisten (CRR) en de richtlijn kapitaalvereisten (CRD IV), en met name de grotere hoeveelheid en de kwalitateit van kapitaal, een directe reactie op de crisis zijn en de kern uitmaken van de hernieuwde stabiliteit van de financiële sector; juicht het toe dat de Commissie in het kader van de toetsing van de CRR prioritair aandacht wil besteden aan kredietverstrekking aan kmo's; neemt er kennis van dat de Commissie onderzoekt welke mogelijkheden lokale kredietverenigingen voor alle lidstaten kunnen bieden om hun activiteiten buiten het toepassingsgebied van de EU-regels inzake kapitaalvereisten voor banken te ontplooien; benadrukt dat prudentiële wetgeving voor kredietunies moet worden ontwikkeld, die zorgt voor zowel financiële stabiliteit als kansen voor kredietunies om kredieten tegen concurrerende tarieven te verstrekken;

20.  wijst op het grote aantal voorschriften waar banken zich aan hebben te houden en op de mogelijke negatieve gevolgen daarvan op de verstrekking van kredieten aan kmo's, en herinnert eraan dat de voorschriften ontwikkeld werden in reactie op de financiële crisis; benadrukt dat dubbele verplichtingen inzake verslaglegging en meervoudige rapporteringskanalen en, meer in het algemeen, onnodige administratieve lasten voor kredietinstellingen, met name voor kleinere banken, vermeden moeten worden; vraagt de Commissie de effecten van regelgevingseisen voor banken op de kredietverstrekking aan kmo's te onderzoeken en daarbij de hulp in te roepen van de EBA en het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM);

21.  wijst erop dat de financiële crisis niet het gevolg is van de verstrekking van kredieten aan kmo's; herinnert aan het besluit van de medewetgevers om de ondersteuningsfactor voor kmo's in het CRR/CRD IV-kader in te passen en wijst erop dat het doel was te komen tot consistentie tussen de kapitaalvereisten voor de verstrekking van kredieten aan kmo's enerzijds en Basel II, en niet Basel III, anderzijds; onderstreept het belang van de ondersteuningsfactor voor kmo's voor het op peil houden en vergroten van de kredietverstrekking door banken aan kmo's; wijst op het verslag van de EBA van maart 2016 over de ondersteuningsfactor voor kmo's; maakt zich zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen van de afschaffing van de factor; juicht het toe dat de Commissie van plan is de ondersteuningsfactor te handhaven, de werking ervan verder te evalueren en te onderzoeken of de drempel moet worden verhoogd, teneinde de toegang van kmo's tot kredietverstrekking door banken nog meer te verbeteren; vraagt de Commissie te bekijken of het mogelijk is de factor, met inbegrip van de omvang en de drempel, te herkalibreren, en onderzoek te doen naar mogelijke interacties met andere regelgevingseisen alsmede externe elementen, zoals geografische ligging en de sociaal-economische omgeving, en dit alles met het oog op het vergroten van de doeltreffendheid ervan; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is de factor een permanent karakter te geven; dringt er bij het Bazels Comité voor Bankentoezicht (BCBS) op aan zich achter de ondersteuningsfactor voor kmo's te scharen en te overwegen voor kmo's de kapitaalvereisten voor blootstellingen te versoepelen;

22.  benadrukt dat een prudente risicobeoordeling en het evalueren van kwalitatieve informatie tot de sterkste punten van banken behoren, met name bij complexe kredietverstrekking aan kmo's; is van mening dat de kennis en het bewustzijn over de kenmerken van kmo's in de bankwereld verder moeten worden vergroot; onderstreept de vertrouwelijke aard van de kredietinformatie die banken ontvangen in het kader van de beoordeling van de kredietwaardigheid van kmo's;

23.  juicht toe dat er initiatieven lopen ter verbetering van de beschikbaarheid van gestandaardiseerde en transparante kredietinformatie met betrekking tot kmo's, die het vertrouwen van investeerders kunnen vergroten; wijst er desalniettemin met klem op dat bij het opvragen van dergelijke kredietinformatie het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast;

24.  benadrukt dat evenredigheid een uitgangspunt moet zijn voor de Europese instellingen, de Europese toezichthoudende autoriteiten en het GTM bij het ontwikkelen en uitvoeren van regelgeving, normen, richtsnoeren en toezichthoudende praktijken; vraagt de Commissie om de Europese toezichthoudende autoriteiten en de ECB/GTM - in samenspraak met de medewetgevers - beter te adviseren over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, en aan te dringen op handhaving ervan, zonder de bestaande regelgevingsnormen te verlagen, en tegelijkertijd te werken aan vereenvoudiging van de wetgeving;

25.  wijst met name op de voordelen van door derde partijen verstrekte garanties in leningovereenkomsten voor ondernemers; vindt dat bij het beoordelen van credit ratings, het ontwikkelen van prudentiële regels en het uitvoeren van toezicht in grotere mate met deze door derde partijen verstrekte garanties rekening moet worden gehouden;

26.  herinnert eraan dat kredietinstellingen kmo's, wanneer deze daarom vragen, uitleg moeten geven over hun besluiten betreffende de credit rating; vraagt de Commissie de toepassing van deze bepaling aan een beoordeling te onderwerpen en het bepaalde in artikel 431, lid 4, van de verordening kapitaalvereisten (CRR) aan te scherpen, en dringt aan op feedback aan kmo's; neemt er kennis van dat de Commissie op dit moment met de betrokken partijen gesprekken voert, teneinde de kwaliteit en de consistentie van de feedback in kwestie te verbeteren; is van oordeel dat deze feedback als uitgangspunt zou kunnen dienen voor het vinden van bronnen van informatie en advies over niet-bancaire financiering;

27.  merkt op dat credit ratings een belangrijk en soms bepalend element zijn voor investeringsbeslissingen; vestigt de aandacht op het bestaan in sommige lidstaten van interne kredietbeoordelingssystemen die worden beheerd door de nationale centrale banken en die worden gebruikt om de beleenbaarheid van onderpand en de kredietwaardigheid van kmo's te beoordelen; verzoekt de Commissie, de ECB en de nationale centrale banken om verder na te gaan of en hoe deze systemen kunnen worden gebruikt om de toegang van kmo's tot kapitaalmarkten te bevorderen;

28.  verzoekt de Commissie en de EBA meer advies te geven over de toepassing van de bestaande tolerantieverordening; vraagt de Commissie de bestaande tolerantieregeling voor oninbare leningen aan een effectbeoordeling te onderwerpen, en wijst erop dat oninbare leningen op de balans van banken een rem zetten op de verstrekking van nieuwe leningen, met name aan kmo's; onderstreept dat de introductie van een 'de minimis'-grens voor mineure overtredingen een onnodige en ongerechtvaardigde daling van de kredietwaardigheid van kmo's zou helpen voorkomen; wijst op de lopende raadpleging van het Bazels Comité voor Bankentoezicht (BCBS) over de definitie van oninbare leningen en tolerantie;

29.  merkt op dat beperkingen op de aankoop van staatsobligaties door banken of een hogere weging van deze obligaties de kredietkosten zouden kunnen verhogen en de concurrentiekloof in de EU zouden kunnen vergroten, tenzij deze aan voorwaarden worden verbonden;

30.  neemt nota van de maatregelen die de ECB op 10 maart 2016 heeft genomen, en met name van de nieuwe reeks van vier gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO II) ter stimulering van kredietverstrekking door banken aan de reële economie; benadrukt dat monetair beleid alléén onvoldoende is om groei en investeringen te stimuleren en dat dergelijk beleid gepaard moet gaan met passend fiscaal beleid en structurele maatregelen;

31.  benadrukt het belang van overheidsinstellingen als een alternatieve financieringsbron voor kmo's ten opzichte van private banking;

32.  verzoekt de Commissie om het evenredigheidsbeginsel toe te passen op de vervroegde terugbetaling van leningen in de gehele EU, zoals in de vorm van een plafond om de kosten voor kmo's te beperken en transparante overeenkomsten voor kmo's;

Financiering van kmo's door niet-bancaire instellingen

33.  vraagt de lidstaten een risico- en kapitaalmarktcultuur te bevorderen; herhaalt dat een grotere financiële onderlegdheid van kmo's niet alleen essentieel is om de kredietverstrekking door banken aan te zwengelen, maar ook om de acceptatie en het gebruik van kapitaalmarktoplossingen te vergroten en om vrouwen en jongeren aan te moedigen een eigen bedrijf op te richten en uit te breiden, omdat die hen in staat stelt de kosten, de baten en de aan dat soort oplossingen gerelateerde risico's beter te beoordelen; beklemtoont het belang van heldere regels betreffende het verstrekken van financiële informatie; moedigt de lidstaten aan om de basisbeginselen van financiële onderlegdheid en bedrijfsethiek op te nemen in pre-universitaire en universitaire studies, zodat de betrokkenheid van jongeren bij kmo-activiteiten wordt vergroot; verzoekt de lidstaten en de Commissie de financiële onderlegdheid en de toegang tot financiële vaardigheden en kennis van kmo's te vergroten en ervoor te zorgen dat goede praktijken worden gedeeld; merkt echter op dat kmo's op dit gebied ook zelf een verantwoordelijkheid hebben;

34.  benadrukt de voordelen van leasing voor kmo's omdat op die manier kapitaal van een onderneming opnieuw kan worden vrijgemaakt voor extra investeringen in duurzame groei;

35.  merkt op dat de kapitaalmarktunie een kans is om zowel de lacunes in het huidige regelgevingskader aan te vullen als de grensoverschrijdende wetgeving te harmoniseren; wijst erop dat wanneer bankleningen de financiële en bedrijfsbehoeften van kmo's niet vervullen, een kapitaaltekort ontstaat; vindt het belangrijk dat in het kader van de totstandbrenging van de kapitaalmarktunie en de bankenunie ook continu werk wordt gemaakt van de convergentie van de EU-processen en -procedures en de reeds bestaande financiële regelgeving continu tegen het licht wordt gehouden en dat daarbij in het bijzonder wordt gekeken naar de gevolgen van die regelgeving voor kmo's en de algehele macro-financiële en macro-economische stabiliteit; benadrukt dat bij een dergelijke evaluatie rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen betreffende de uitvoerbaarheid van ingevoerde maatregelen; vraagt de Commissie voorstellen te doen voor een passend, op maat gesneden regelgevingskader voor de verstrekkers van leningen aan kmo's dat voor de ondernemingen in kwestie niet te complex is en op vertrouwen van de kant van investeerders mag rekenen; is van mening dat in een alomvattende, goed ontworpen kapitaalmarktunie alle marktdeelnemers met dezelfde relevante kenmerken eenzelfde reeks regels moeten toepassen, een gelijkwaardige toegang moeten hebben tot een reeks financiële instrumenten of diensten en gelijk moeten worden behandeld wanneer ze op de markt actief zijn; juicht het actieplan van de Commissie voor de kapitaalmarktenunie toe, dat gericht is op het vergemakkelijken van de toegang voor kmo's tot een breder scala aan financieringsmogelijkheden; benadrukt dat op banken en op kapitaal gebaseerde financieringsmodellen elkaar moeten aanvullen;

36.  herinnert aan de aanzienlijke kosten voor kmo's van toegang tot de kapitaalmarkten, zoals schuld- en aandelenmarkten; onderstreept de noodzaak van evenredige regelgeving met minder ingewikkelde en logge openbaarmakings- en beursnoteringsvereisten voor kmo's, teneinde hun toegang tot kapitaalmarkten goedkoper te maken, evenwel zonder daarbij de bescherming van investeerders of de stabiliteit van het financieel systeem in gevaar te brengen; neemt kennis van de invoering van een minimaleopenbaarmakingsregeling voor kmo's in het voorstel van de Commissie voor een nieuwe prospectusverordening, dat momenteel wordt besproken; merkt op dat de regelgeving geen al te hoge obstakels mag opwerpen voor de overgang van bijvoorbeeld de ene naar de andere grootteklasse, of van een beursgenoteerde naar een niet-beursgenoteerde onderneming; is dan ook van mening dat een gefaseerde aanpak met geleidelijk toenemende regelgevingseisen de voorkeur moet krijgen; wijst in dit verband op de kmo-groeimarkten waarin in MiFID II is voorzien en pleit voor een snelle omzetting van dit instrument;

37.  vindt het van groot belang dat de informatie die banken, investeerders, toezichthouders en andere betrokken partijen over de financiering van kmo's krijgen transparant en gestandaardiseerd is en voor iedereen toegankelijk, teneinde hen in staat te stellen zich van het risicoprofiel te vergewissen en met kennis van zaken beslissingen te nemen, en de financieringskosten te beperken; is van mening dat de oprichting van een Europese gegevensbank met informatie over bedrijfsstrategieën en financieringsbehoeften van kmo's, waar zij hun gegevens - op vrijwillige basis - in kunnen opnemen en actualiseren, hiertoe nuttig kan zijn; vraagt de Commissie de invoering te overwegen van een uniek identificatienummer voor kmo's; vestigt daarnaast de aandacht op de mogelijkheden van structuren waarin banken en niet-bancaire actoren samenwerken voor het ondersteunen van kmo's; juicht de informatiestrategie voor kmo's van de Commissie toe, en met name de delen die betrekking hebben op het in kaart brengen van de meest relevante ondersteunings- en adviesinstrumenten in elk van de lidstaten voor kmo's die op zoek zijn naar alternatieve bronnen van financiering, op het bevorderen van goede praktijken op EU-niveau en op het onderzoeken van mogelijkheden voor het ondersteunen van pan-Europese informatiesystemen waar kmo's en verstrekkers van alternatieve financiering bijeen worden gebracht;

38.  brengt in herinnering dat boekhoudnormen uiterst belangrijk zijn, omdat ze bepalen hoe informatie wordt verstrekt aan toezichthouders en investeerders en omdat de administratieve last voor ondernemingen verschilt afhankelijk van de boekhoudnormen die van toepassing zijn; neemt nota van de lopende gesprekken over het nut van het ontwerpen van specifieke gemeenschappelijke boekhoudnormen voor kmo's en is verheugd dat hierover nog verder zal worden nagedacht;

39.  beklemtoont het potentieel van de nieuwe, innovatieve financiële technologie (FinTech) voor het gemakkelijker bij elkaar brengen van kmo's en potentiële investeerders; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van FinTech-initiatieven aan te moedigen, en de potentiële risico's daarvan in kaart te brengen en te onderzoeken of er behoefte bestaat aan een passend, geharmoniseerd regelgevingskader op EU-niveau, zonder dat daarbij innovatie wordt onderdrukt;

40.  vindt het belangrijk innovatie te bevorderen middels leningenplatforms; spoort banken aan het gebruik van dergelijke innovatieve technologieën als een kans te beschouwen; onderstreept dat alternatieve financieringsbronnen met name voor start-ups, vrouwelijke ondernemers en innovatieve kmo's een oplossing bieden; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de behoefte aan en het potentieel van een geharmoniseerd EU-kader voor alternatieve financieringsbronnen, teneinde de beschikbaarheid van dit soort financiering voor kmo's in de gehele EU te verhogen; brengt in herinnering dat het systeem pas doeltreffend kan zijn als zowel de kmo's als de kredietverlener zich volledig bewust zijn van de potentiële risico's en kansen van het financieringsmechanisme; merkt op dat de bestaande wetten en regels inzake crowdfunding sterk verschillen tussen de lidstaten en grensoverschrijdende activiteiten niet echt lijken te bevorderen; is verheugd over de beoordeling door de Commissie van het bestaande kader voor crowdfunding; steunt het dat ervoor is gekozen de markt en de ontwikkelingen op regelgevingsgebied permanent te volgen en een steeds grotere onderlinge afstemming van regelgeving, het uitwisselen van goede praktijken en het faciliteren van grensoverschrijdende investeringen aan te moedigen; wijst er tegelijkertijd op dat crowd funding en 'peer-to-peer'-financiering niet overgereguleerd moeten worden, aangezien dit de ontwikkeling ervan zou belemmeren; vraagt de Commissie nieuwe platformen voor private-equityfinanciering, zoals mezzaninefinanciering en business angels, aan te moedigen; vraagt de Commissie veilig lenen aan bedrijven door particulieren via 'peer-to-peer'-financiering of retaildeposito's aan te moedigen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat deze nieuwe financieringsvormen volledig in overeenstemming zijn met de desbetreffende belasting- en financiële wetgeving, zodat ze niet worden gebruikt voor belastingontwijking of financiële ondoorzichtigheid; benadrukt dat de huidige desbetreffende wetgeving moet worden geëvalueerd;

41.  neemt kennis van de voorstellen van de Commissie voor een kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (STS) securitisatie en de kalibrering van de prudentiële vereisten voor banken; merkt op dat aan de securitisatie van kmo's zowel risico's als voordelen kunnen zijn verbonden; neemt kennis van het mogelijke effect van deze voorstellen op kredietverstrekking door banken aan en investeringen in kmo's; beklemtoont de noodzaak van transparantie met betrekking tot de onderliggende risico's, alsook de noodzaak om een bijdrage te leveren aan de stabiliteit van het financiële systeem;

42.  stelt vast dat de uiteenlopende nationale insolventiewetgevingen en de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid een obstakel zijn voor grensoverschrijdende investeringen in kmo's en start-ups; is van mening dat eenvoudigere, geharmoniseerde voorschriften op dit gebied een steun zouden zijn voor start-ups, micro- en kleine en middelgrote ondernemingen en het bedrijfsklimaat in de EU zouden verbeteren; is daarom verheugd over het besluit van de Commissie om deze kwestie aan te pakken via een wetgevingsvoorstel, als bepaald in haar actieplan inzake een kapitaalmarktunie, en kijkt uit naar het voorstel in kwestie; is van oordeel dat de Commissie moet nadenken over meerdere opties voor de implementatie van een EU-insolventiekader, en de lidstaten aanbevelingen moet doen toekomen op basis waarvan zij wetgeving kunnen vaststellen of implementeren voor effectieve en transparante insolventieregelingen, voor een op het juiste moment gepland herstructureringsproces en voor het elimineren van de administratieve en regelgevingslast voor kmo's, zoals ook staat in de landenspecifieke aanbevelingen;

43.  beklemtoont het potentieel van risicokapitaalfinanciering, met name voor niet-beursgenoteerde start-ups en innovatieve kmo's; stelt vast dat deze markten in de EU onderontwikkeld zijn; is blij met het initiatief van de Commissie om de EuVECA- en de EuSEF-wetgeving aan een toetsing te onderwerpen; benadrukt ook dat de Commissie dringend een einde moet maken aan de versnippering aan de nationale grenzen in de gehele Europese investeringsfondsensector;

44.  onderstreept de invloed van het ontwerp van de vennootschaps- en de inkomstenbelastingstructuren, alsmede van mogelijke belastingvoordelen, voor de interne financieringscapaciteit van kmo's; vestigt de aandacht op het feit dat in veel lidstaten kmo's anders worden belast dan sommige multinationale bedrijven, wat een negatieve invloed heeft op het concurrentievermogen van kmo's en de doeltreffendheid van financiering van kmo's uit verschillende bronnen aanzienlijk verkleint; merkt op dat kmo's, als gevolg van oneerlijke belastingpraktijken door sommige multinationale bedrijven, tot 30 % meer belastingen betalen dan dat ze zouden moeten doen in het geval van eerlijke belastingpraktijken, hetgeen een negatief gevolg heeft op hun interne financieringscapaciteit; juicht in dit verband het pakket anti-belastingontwijkingsmaatregelen van de Commissie toe, dat een eenvoudigere, doeltreffendere en eerlijkere belastingheffing in de EU als doel heeft; is van oordeel dat de lidstaten moeten werken aan billijke, effectieve en transparante belastingstelsels die financiering en investeringen aantrekken, zodat kmo's betere kansen krijgen om te starten en te groeien; benadrukt dat financiële vrijstellingen voor kmo's moeten worden ingevoerd, voornamelijk als ze in hun opstartfase zijn, zodat ze voldoende middelen hebben voor de daaropvolgende periodes van hun levenscyclus; benadrukt dat er een belastingbeleid moet komen dat de algemene belastingdruk en de belastingen op arbeid en ondernemingen verlaagt; onderstreept het belang van het aanpakken van de fiscale ongelijkheid tussen eigen vermogen en vreemd vermogen;

45.  merkt op dat rechtstreekse staatssteun, die de voordelen van concurrentie niet verstoort, soms nodig is om start-ups, micro- en kleine en middelgrote ondernemingen te voorzien van de nodige financiële middelen, voornamelijk wanneer door de sociaal-economische omstandigheden geen andere vorm van toegang tot financiering aanwezig is; benadrukt het belang van transparantie ten aanzien van overheidsregelingen en staatssteun die investeringen in kmo's ondersteunen, alsook van nieuwe instellingen voor financiering en investeringen;

46.  dringt er bij de lidstaten op aan zich te informeren over, en te leren uit de ervaringen met de Zwitserse WIR, die in 1934 werd opgericht en is gebaseerd op een kredietclearingassociatie tussen kmo's, aangezien de WIR een succesvolle macro-economische stabilisator is in tijden van strengere kredietvoorwaarden en liquiditeitsproblemen;

47.  verzoekt de Commissie een jaarverslag aan het Europees Parlement te presenteren met daarin de uitvoeringsstatus van de initiatieven en hun effect op een betere toegang tot financiering voor kmo's in Europa; verzoekt de Commissie om in het verslag ook haar eigen beoordeling op te nemen van de strategische koers en de aanbevolen wijzigingen, indien van toepassing;

48.  verzoekt de Commissie na te gaan hoe doeltreffend de bestaande instrumenten, zoals de Structuurfondsen en andere relevante programma's, die financiële steun aan kmo's verlenen, zijn ten aanzien van hun doelstellingen en in welke mate ze de gevolgen van de crisis voor kmo's hebben opgevangen;

49.  beseft dat micro-ondernemingen en kmo's in de culturele en creatieve sectoren steeds belangrijker worden voor investeringen, groei, innovatie en werkgelegenheid, maar ook een centrale rol spelen bij de instandhouding en bevordering van de culturele en taalkundige verscheidenheid;

50.  wijst erop dat al in de door de Commissie in oktober 2013 gepubliceerde studie "Survey on access to finance for cultural and creative sectors" geconstateerd werd dat de culturele en creatieve ondernemingen enorme moeilijkheden ondervonden bij de toegang tot krediet en met een financieel gat tussen de 8 en de 13,3 miljard EUR kampten;

51.  onderstreept dat in 2014 volgens cijfers van Eurostat 2,9 % van de actieve bevolking in de EU, d.w.z. 6,3 miljoen mensen, werkzaam was in de culturele en creatieve sector, en daarmee een percentage dat vergelijkbaar is met de sector banken en verzekeringen; benadrukt voorts dat de culturele en creatieve sector bijna 4,5 % van de Europese economie uitmaakt, aangezien bijna 1,4 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen in heel Europa creatieve inhoud genereren en distribueren, en dat de werkgelegenheid in de culturele en creatieve sector sinds 2008 voortdurend gestegen is en dat deze sector een van de snelst groeiende sectoren van de Europese economie is die circa 4,2 % van het totale bbp van de EU genereert;

52.  erkent dat cultuur en innovatie cruciale factoren zijn om regio's te helpen investeringen aan te trekken; wijst erop dat het onwaarschijnlijk is dat banen in de culturele en creatieve sector naar elders worden overgeplaatst, omdat zij specifieke culturele en historisch bepaalde vaardigheden vereisen, die ook bijdragen aan de instandhouding van een brede reeks traditionele kunsten en ambachten; benadrukt het belang van steun voor kmo's die werken in minderheidstalen of minder gebruikte talen en de culturele en linguïstische diversiteit van Europa beschermen en bevorderen, en het belang van steun voor projecten van jonge starters die zich bezighouden met cultuurbehoud en cultureel erfgoed;

53.  onderstreept dat, gezien het grote aantal jongeren dat een studie op dit gebied volgt, stimulering van en investeringen in de culturele en creatieve sector zal bijdragen aan het scheppen van nieuwe banen en de bestrijding van de jeugdwerkloosheid; merkt op dat volgens een recente studie in de culturele en creatieve sectoren meer 15-29-jarigen werkzaam zijn dan in enige andere economische sector (19,1 % van de totale werkgelegenheid in de culturele en creatieve sector, tegen 18,6 % in de overige economie)(19); spoort de lidstaten aan de ontwikkeling van culturele en creatieve vaardigheden te versterken en gezamenlijke netwerken voor de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden op te zetten met deelname van onderwijs- en opleidingsstelsels, creatieve ondernemingen en culturele en kunstinstellingen, teneinde een interdisciplinaire benadering te bevorderen; spoort de EU en de lidstaten aan met bredere oplossingen te komen om de ontwikkeling van talent en vaardigheden binnen de culturele en creatieve sector te bevorderen, bijvoorbeeld de verstrekking van innovatieve en flexibele beurzen ter ondersteuning van creativiteit, innovatie en talentontwikkeling;

54.  wijst erop dat volgens een door de Commissie uitgevoerd onderzoek uit 2013 de obstakels voor financiering in de culturele en creatieve sectoren zeer specifieke kenmerken hebben, namelijk grotere moeilijkheden bij het aantrekken van kapitaal en investeringen als gevolg van een beperkte gegevensbank, een gebrek aan direct beschikbare informatie over financieringsbronnen, een gebrek aan ondernemersvaardigheden, de afhankelijkheid van publieke investeringsregelingen en onvoldoende informatie, als gevolg van problemen op het gebied van risicobeoordeling en de taxatie van immateriële goederen, zoals intellectuele-eigendomsrechten;

55.  benadrukt daarom dat er met het oog op een betere toegang van de culturele en creatieve sectoren tot financieringsmogelijkheden sectorspecifieke oplossingen moeten worden gevonden, namelijk het ontwikkelen van deskundigheid voor de beoordeling van de specifieke risico's die bestaan als het aan materiële zekerheden ontbreekt, er zwaar op immateriële activa wordt geleund en er onzekerheid heerst over de vraag op de markt in tijden van digitale verandering; merkt op dat er zowel binnen micro-ondernemingen en kmo's als bij de financiële instellingen behoefte is aan deze deskundigheid; onderstreept dat intellectuele-eigendomsrechten als zekerheid kunnen worden aanvaard; onderstreept het belang van een geharmoniseerd wetgevingskader wat betreft belastingen en intellectuele eigendom in de EU, hetgeen het voor culturele en creatieve kmo's makkelijker zou kunnen maken om investeringen en financiering aan te trekken;

56.  is, ondanks de lange vertraging, verheugd over de start van de garantiefaciliteit in het programma Creatief Europa, want dit is een van de centrale middelen om in te spelen op de dringende behoefte aan leningen voor innovatieve en duurzame projecten in de culturele en creatieve sector, met inbegrip van micro-ondernemingen, kmo's, kleinere verenigingen zonder winstoogmerk en ngo's, en een van de centrale middelen om de vereiste billijke vergoeding voor de makers te garanderen; is ingenomen met het geïntegreerde opleidingsprogramma dat de garantiefaciliteit bankiers en financiële tussenpersonen aanbiedt; beveelt ten zeerste aan dat de nodige maatregelen in de loop van 2016 worden genomen, zoals was voorzien in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie; herinnert eraan dat het financieringsgat, dat volgens een beoordeling vooraf van de Commissie waarschijnlijk meer dan 1 miljard EUR per jaar zal bedragen, het bedrag aan investeringen is dat verloren gaat wanneer ondernemingen met een degelijke bedrijfsstrategie en een goed risicoprofiel ofwel een afwijzing op hun leningaanvraag krijgen ofwel besluiten er helemaal geen aan te vragen omdat ze niet over voldoende tot zekerheid strekkende activa beschikken;

57.  is verheugd over het nieuwe, door de deskundigengroep van de lidstaten gepubliceerde verslag over de toegang tot financiering in de culturele en creatieve sectoren, een verslag dat is opgesteld via de open coördinatiemethode, en benadrukt dat de in dit verslag opgenomen aanbevelingen door de Commissie ten uitvoer moeten worden gelegd teneinde efficiëntere en innovatievere instrumenten te creëren en daarnaast de toegang tot financiering te faciliteren;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 2.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0200.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0063.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0268.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0004.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0290.
(10) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=CRE&reference=20160413&secondRef=ITEM-024&language=EN&ring=O-2016-000060.
(11) PB C 19 van 22.1.2014, blz. 4.
(12) PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1.
(13) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
(14) https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/art2_mb201407_pp79-97en.pdf.
(15) EBA/OP/2016/04 van 23.03.2016.
(16) Jaarverslag 2014/2015 over Europese kmo's van de Commissie.
(17) "Survey on the Access to Finance of Enterprises in the euro area – April to September 2015" van de ECB.
(18) "Survey on the Access to Finance of Enterprises in the euro area – April to September 2015" van de ECB.
(19) "Cultural Times - The first global map of cultural and creative industries", december 2015.


Hoe kan het potentieel van kmo's optimaal worden benut?
PDF 230kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over hoe het potentieel van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) optimaal kan worden benut (2015/2320(INI))
P8_TA(2016)0359A8-0248/2016

Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 173 en 49,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld: "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de Small Business Act (COM(2008)0394),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Gezonde EU-regelgeving" (COM(2013)0685),

–  gezien het actieplan Ondernemerschap 2020 van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie over een actieplan ter verbetering van de toegang tot financiering voor kmo' s (COM(2011)0870),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien het Europees investeringsplan,

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 getiteld "Op weg naar een banenrijk herstel"(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(3),

–  gezien de richtlijn betalingsachterstand (2011/7/EU),

–  gezien het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI),

–  gezien het EU-programma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020,

–  gezien het EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2014 getiteld "Follow-up van de Commissie van het 'Top Ten'-overleg met kmo's over EU-regels"(4),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Regeldruk voor het mkb verminderen – EU-regelgeving aanpassen aan de behoeften van micro-ondernemingen" (COM(2011)0803),

–  gezien het "Jaarverslag Europese kmo's 2013/2014 - Een gedeeltelijk en fragiel herstel" van de Commissie,

–  gezien het Eurofound-verslag getiteld "Born global: The potential of job creation in new international businesses" van januari 2013,

–  gezien het Eurofound-verslag getiteld "Public policy and support for restructuring in SMEs" van 2013,

–  gezien het Eurofound-verslag getiteld "ERM annual report 2015: Job creation in SMEs" van 2016,

–  gezien het Eurofound-verslag van 2012 getiteld "Overheidsmaatregelen om zelfstandig ondernemerschap en werkgelegenheid in bedrijven zonder personeel en microbedrijven te ondersteunen",

–  gezien het Eurofound-verslag van 2011 getiteld "Het mkb in de crisis: werkgelegenheid, industriële betrekkingen en lokale partnerschappen",

–  gezien het Eurofound-verslag 2011 getiteld "Werknemersvertegenwoordiging op vestigingsniveau in Europa",

–  gezien het Eurofound-verslag van 2014 getiteld "Social dialogue in micro and small companies",

–  gezien de enquête van de Commissie over de toegang van bedrijven tot financiering (SAFE) van 2015,

–  gezien het "Jaarverslag Europese kmo's 2014/2015 - SMEs start hiring again" van de Commissie,

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21e eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(5),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(6),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's): concurrentievermogen en zakelijke kansen(7),

–  gezien Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen,

–  gezien de Eurobarometer-enquête over internationalisering van het midden- en kleinbedrijf van 2015,

–  gezien de OESO-studie getiteld "Financing SMEs and Entrepreneurs 2015 - An OECD Scoreboard" van 2015,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0248/2016),

A.  overwegende dat kmo's (de EU-28 kende er in 2014 22,3 miljoen(8)) meer banen creëren dan andere bedrijven in de particuliere sector, en goed zijn voor ongeveer twee derde van de totale werkgelegenheid in de particuliere sector in de EU en overwegende dat ondernemers en kmo's een belangrijke en positieve bijdrage leveren aan de sociaal-economische groei en ontwikkeling van de EU; wijst erop dat ondersteuning van kmo's helpt bij het aanpakken van de Europese werkloosheid en jeugdwerkloosheid, die 8,9 %, respectievelijk 19,4 % bedragen(9); overwegende dat het aantal mensen zonder baan - ongeveer 23 miljoen in 2015 - onverminderd erg groot is;

B.  overwegende dat kmo's in 2014 in belangrijke mate hebben bijgedragen tot de groei van de werkgelegenheid, tot 71 % in de niet-financiële zakelijke economie;

C.  overwegende dat het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in kmo's wordt beïnvloed door een aantal interne en externe factoren, zoals (bij de externe factoren) de essentiële voorwaarden beheersbaar concurrentievermogen (ook van multinationals en de schaduweconomie), beheersbare regelgevingsdruk en totale productiekosten, alsook toegang tot financiering en geschoold personeel;

D.  overwegende dat recent onderzoek van Eurofound aantoont dat kmo's die voor werkgelegenheid zorgen, vaak jong, innovatief en internationaal actief zijn, gevestigd zijn in stedelijke omgevingen, worden geleid door bekwame managers en over uitgebreide groei- en investeringsstrategieën beschikken;

E.  overwegende dat kmo's een belangrijke rol spelen bij het vergroten van de economische, sociale en territoriale samenhang en bovendien bijdragen tot slimmere, duurzamere en inclusievere groei; overwegende het belang van de structuur van kmo's in de betrokken gebieden en met name in plattelandsgebieden;

F.  overwegende dat hoewel 90 % van de mondiale groei buiten de EU wordt gegenereerd, slechts 13 % van de kmo's internationaal actief is buiten de EU;

G.  overwegende dat kmo's binnen de EU wat omvang en impact op nationale economieën betreft onderlinge verschillen vertonen; overwegende dat er voor deze verschillen historische redenen zijn aan te wijzen;

H.  overwegende dat er een vaardighedentekort en onderlinge verschillen binnen de EU zijn, alsook een vaardighedendrain, voornamelijk vanuit de lidstaten die na de uitbreiding van 2004 bij de EU zijn gekomen en vanuit de crisislanden in de eurozone naar andere lidstaten, waardoor perifere regio's ontstaan met een tekort aan geschoold personeel als gevolg van de braindrain;

I.  overwegende dat, ondanks de regels van de interne markt, er aanzienlijke verschillen binnen de EU blijven bestaan in termen van de regelgevingskaders van kmo's, in het bijzonder met betrekking tot de zekerheid over toekomstige ontwikkelingen van de regelgeving en van de juridische kwaliteit van de regelgeving in het algemeen;

J.  overwegende dat vertegenwoordigers van kmo's wijzen op de hoge arbeidskosten als een van de belangrijkste beperkingen voor het scheppen van banen en een daling van deze kosten verwachten, waarbij de hoogste arbeidskosten voorkomen in overgereguleerde en bureaucratische stelsels;

K.  overwegende dat kmo's vanwege hun kleinere structuur meer moeite hebben met de naleving van regelgevende normen dan grote ondernemingen;

L.  overwegende dat werknemersvertegenwoordiging en sociale dialoog niet zo wijdverspreid zijn bij kmo's als bij grotere bedrijven en vakbonden in sommige landen er een prioriteit van maken om te proberen de werknemersvertegenwoordiging in kmo's te vergroten, bijvoorbeeld door te trachten de oprichting van ondernemingsraden in kmo's aan te moedigen(10);

M.  overwegende dat de sociale en solidaire economie werk biedt aan meer dan 14 miljoen mensen, wat overeenkomt met ongeveer 6,5 % van de werknemers in de EU; overwegende dat er in de EU 2 miljoen ondernemingen in de sociale en solidaire economie zijn, wat overeenkomt met 10 % van de ondernemingen in de Unie; overwegende dat sociale bedrijven tijdens de economische crisis veerkrachtig zijn gebleken;

N.  overwegende dat kmo's het in tijden van economische crisis beter doen wat banenverlies betreft, in het bijzonder coöperatieven in de industrie en de dienstensector zijn sinds de crisis van 2008 veerkrachtiger dan andere bedrijven in dezelfde sectoren gebleken;

O.  overwegende dat bedrijfsoverdrachten aan werknemers in de vorm van coöperaties een goed werkende vorm van bedrijfsoverdracht zijn gebleken, gezien de hoge overlevingspercentages(11);

P.  overwegende dat teveel vacatures onvervuld blijven als gevolg van een lage arbeidsmarktmobiliteit en het feit dat sommige onderwijs- en opleidingssystemen niet aansluiten op de huidige arbeidsmarkt;

Q.  overwegende dat de groene sector tijdens de recessie een van de belangrijkste scheppers van werkgelegenheid in Europa was en dat kmo's met een langetermijnplanning om in de groene economie te werken voor banen zorgen die beter bestand zijn tegen de huidige externe effecten van de geglobaliseerde economie(12);

R.  overwegende dat gegevens over contractuele regelingen en organisatie van het werk in kmo's meestal moeilijk te vinden zijn;

S.  overwegende dat volgens Eurofound in veel landen de arbeidsvoorwaarden, waaronder de werktijden, in kmo's flexibeler en informeler geregeld zijn dan in grotere bedrijven; overwegende dat de initiële impact van de crisis het effect blijkt te hebben gehad om de bestaande "interne" flexibiliteit te vergroten, aangezien organisaties proberen om te gaan met veranderende externe omstandigheden en vragen;

T.  overwegende dat de ECB stelt dat de staatsschuldencrisis de financieringskosten van banken in de crisislanden van de eurozone heeft vergroot, die vervolgens aan kmo's werden doorgerekend in de vorm van hogere financieringsrentes of kleinere leningen;

U.  overwegende dat de EU-begroting een stimulans moet bieden voor het scheppen van hoogwaardige en hooggekwalificeerde werkgelegenheid op de lange termijn en moet bijdragen tot het potentieel van kmo's om fatsoenlijke en duurzame banen te creëren;

V.  overwegende dat de toegang tot financiering nog steeds een van de belangrijkste obstakels voor de oprichting en groei van kmo's is, met name voor ondernemingen van de sociale economie, onder meer vanwege het feit dat de Europese Unie kampt met een gebrek aan een voldoende gediversifieerde waaier van eigenvermogensinstrumenten en risicokapitaal, wat nodig is voor het groeipad van bedrijven;

W.  overwegende dat door historische redenen sommige samenlevingen ondernemers als eerder negatief beschouwen, wat in sommige gevallen ook wordt weerspiegeld door de discriminerende behandeling van het mkb door regeringen, bijvoorbeeld in vergelijking met de gunstige omgeving die deze landen scheppen voor buitenlandse investeringen, vooral van multinationals;

X.  overwegende dat de ongelijke randvoorwaarden voor multinationals en kmo's ook voortvloeien uit de praktijk van overheveling van winsten naar landen die als belastingparadijzen worden beschouwd;

Y.  overwegende dat de onderzoeken van de Commissie geen gedetailleerde beoordeling geven van de mogelijke impact van het toekomstige Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP) op kmo's in verschillende lidstaten;

Banenscheppend potentieel en geschoolde arbeidskrachten

1.  herinnert eraan dat bijna 99 % van de Europese bedrijven kmo's zijn en aldus de ruggengraat van de EU-economie vormen;

2.  is van mening dat de lidstaten en de Commissie, om tot betere voorwaarden voor het scheppen van nieuwe kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid in de kmo-sector te komen, moeten werken aan het oplossen van de volgende problemen, die overigens niet in alle lidstaten en in alle regio's in gelijke mate voorkomen: een tekort aan vaardigheden, onvoldoende inzicht in de vaardigheden van de toekomst, een kloof bij vraag en aanbod van vaardigheden, een braindrain, overregulering en regelgevingsonzekerheid op alle terreinen, onvoldoende dialoog tussen de partijen die bij de arbeidsmarkt betrokken zijn, beperkte toegang tot financiering en openbare aanbestedingen, geringe innovatiecapaciteit en toegang tot nieuwe technologieën, onvoldoende ondersteuning van kmo's in het kader van het beleid voor publieke investeringen, de schaduweconomie en fraude, alsook de bevoordeling van multinationals;

3.  is van mening dat het aanpakken van deze structurele problemen onder andere zou resulteren in eerlijker concurrentie en de betaling van sociale premies en belastingen door een groter aantal economische actoren, waardoor de lidstaten de mogelijkheid zouden krijgen beleid te financieren dat bijdraagt tot het scheppen van werkgelegenheid, met name in de kmo-sector, en voor eerlijke concurrentie tussen de lidstaten en billijker marktomstandigheden zou worden gezorgd;

4.  benadrukt de noodzaak van een regelgevingskader dat investeringen aanmoedigt die op hun beurt duurzame groei en kwaliteitsvolle banen met zich meebrengen;

5.  onderkent dat de arbeidskosten binnen het ondernemerschapskader een van de factoren zijn die van invloed zijn op het banenscheppend potentieel en het concurrentievermogen van kmo's kunnen beïnvloeden; wijst er in dit verband op dat de belastingdruk moet worden verlegd van arbeid naar andere vormen van belasting die minder schadelijk zijn voor de werkgelegenheid en de groei, terwijl voldoende sociale bescherming wordt gewaarborgd;

6.  beklemtoont dat aan een hoog niveau van werknemersbescherming moet worden gewerkt en dat het verlagen van de arbeidskosten door de werknemersbescherming te reduceren niet als middel mag worden ingezet om de werkloosheid te verlagen; waarschuwt er bovendien voor dat het verlagen van de salarissen en de rechten van werknemers tot een grotere braindrain en gevaren voor de werkzekerheid zou kunnen leiden, waardoor het voor kmo's moeilijker zou worden geschoold personeel te vinden, terwijl het ook ongewisheid in Europa zou genereren; is van mening dat meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt het banenscheppend potentieel van kmo's niet vergroot wanneer het leidt tot minder bescherming van de werknemers;

7.  is van mening dat de onnodige academisering van bepaalde beroepen niet noodzakelijkerwijs het probleem van het vaardighedentekort bij kmo's oplost; is van mening dat overheden meer steun moeten geven aan beroepsonderwijs en -opleiding, en met name aan duale systemen die in samenwerking met kmo's worden geëxploiteerd; benadrukt dat duaal onderwijs en duale opleiding een belangrijk instrument zijn om de jeugdwerkloosheid te verminderen en dringt aan op ondersteuning van kmo's die jongeren opleiden tot geschoold personeel en zo wezenlijk bijdragen aan de inclusie van jongeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving; wijst erop dat een duaal onderwijssysteem dat in een bepaalde lidstaat wordt gebruikt, niet klakkeloos door een andere lidstaat kan worden overgenomen;

8.  vraagt de lidstaten de ontwikkeling van een sterke ondernemingscultuur te realiseren door de vaardigheden die daarbij horen in te bedden in onderwijs en opleiding;

9.  is van mening dat de lidstaten steun moeten geven aan regelingen voor stages in kmo's, onder andere in de vorm van fiscale en financiële stimulansen en kwaliteitskaders, inclusief een passende bescherming van de gezondheid en de veiligheid; herinnert eraan dat kmo's erg specifieke vaardigheden nodig hebben; beklemtoont dat in dit verband ook duale onderwijsprogramma's en de combinatie van onderwijs en stages moeten worden aangemoedigd, aangezien zij economisch en sociaal een essentiële rol vervullen bij het bevorderen van gelijke kansen voor alle burgers;

10.  dringt er bij de lidstaten op aan samenwerkingsvormen te ontwikkelen waarbij alle governanceniveaus, bedrijven (waaronder uit de sociale economie), vakbonden, onderwijsinstellingen en andere belanghebbende partijen betrokken zijn, teneinde hun onderwijs- en opleidingssystemen aan te passen zodat ze de ongelijkheid tussen vaardigheden/kwalificaties enerzijds en de behoeften van de arbeidsmarkt, in het bijzonder van kmo's, anderzijds aanpakken; roept op tot het aanmoedigen van meer informele opleidingen, zoals opleidingen op de werkplek en kennisdeling onder het personeel;

11.  benadrukt de belangrijke rol van bedrijven, met inbegrip van kmo's en micro-ondernemingen, in de samenwerking met beleidsmakers en sociale partners in de hervorming van de onderwijssystemen en de beroepsopleidingsprogramma's in Europa, zowel wat de onderwijsmethoden als de lessen betreft, zodat meer nadruk komt te liggen op de ontwikkeling van arbeidsvaardigheden van de 21e eeuw, in het bijzonder digitale vaardigheden, kritisch denken, probleemoplossing en teamwerk; benadrukt in deze context het belang van ervaring die in de praktijk en onder reële omstandigheden is opgedaan;

12.  benadrukt dat het belangrijk is de vaardighedenkloof waar innoverende kmo's tegenaan lopen, te dichten; is van mening dat de Commissie extra aandacht moet besteden aan het faciliteren van relevante training en opleidingen die kunnen bijdragen aan het overbruggen van de vaardighedenkloof op het gebied van ICT-vaardigheden, die voor innoverende mkb-bedrijven essentieel zijn;

13.  is van mening dat de lidstaten om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen hun schoolsystemen moeten hervormen op een manier die rekening houdt met de gewijzigde sociale context, gelet op het belang van het onderwijzen en leren van een of meer talen en van technologische innovaties;

14.  roept de lidstaten op om gepaste opleiding en voortgezette professionele ontwikkeling van leerkrachten aan te bieden om de meest actuele onderwijsmethoden en de ontwikkeling van vaardigheden en competenties van de 21e eeuw te bevorderen;

15.  roept op tot extra maatregelen voor de integratie van vijftigplussers op de arbeidsmarkt, in bedrijven, scholing of opleiding om langdurige werkloosheid en het risico op sociale uitsluiting van deze categorie werknemers en hun gezinnen te voorkomen;

16.  is van mening dat kmo's een belangrijke rol spelen in het scheppen van groene werkgelegenheid; vindt dat er meer moet worden geïnvesteerd in het potentieel van kmo's om milieu-uitdagingen om te zetten in ondernemingskansen;

17.  erkent het toenemende belang van zelfstandig ondernemerschap en micro-ondernemingen die van vitaal belang zijn om innovatie en ondernemerschap te bevorderen; maakt zich overigens zorgen over het om zich heen grijpende verschijnsel van schijnzelfstandigheid in de EU, hetgeen niet moet worden beschouwd als een positieve ontwikkeling in de zin dat het bijdraagt aan het 'toenemende aantal micro-ondernemingen', maar juist tot onzekere arbeidsverhoudingen, ongunstige arbeidsvoorwaarden en gereduceerde of zelfs helemaal ontbrekende sociale bescherming leidt, en verder de reputatie van ondernemerschap aantast, door veel mensen in kwetsbare situaties te brengen, waardoor nieuwe sociale problemen ontstaan die moeten worden aangepakt;

18.  wijst erop dat de regelgevingsdruk onevenredig veel hoger is voor zelfstandige ondernemers en micro-ondernemingen dan voor grotere bedrijven; is van mening dat maatregelen met betrekking tot "schijnzelfstandige werknemers" doelgericht moeten zijn en geen overbodige regelgevingsdruk op de persoon mogen leggen;

19.  maakt zich zorgen over de onzekere arbeidsomstandigheden van een groot aantal zelfstandige ondernemers en hun toenemende armoede; roept de Commissie en de lidstaten op samenwerkingsnetwerken in de vorm van coöperaties voor micro- en kleine bedrijven te promoten (zoals coöperaties van individuele producenten, coöperaties van freelancers, coöperaties van kmo's, activiteit en werkgelegenheid) aangezien deze netwerken de duurzaamheid en het banenpotentieel van de deelnemers eraan aanzienlijk versterken;

20.  neemt nota van het Europees investeringsplan, hetgeen bedoeld is om een bijdrage te leveren aan het scheppen van nieuwe werkgelegenheid en het bevorderen van innovatie en het concurrentievermogen, en hoopt dat het Europese investeringsprojectenportaal (als een transparante pijplijn voor projecten die voor investeringen in aanmerking komen in de EU) investeerders op de bestaande mogelijkheden zal kunnen wijzen, in het belang van de financiering van kmo's en de ontwikkeling van start-ups, hetgeen een belangrijke en duurzame manier is om de werkloosheid terug te dringen en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid op lange termijn te bevorderen; roept daarom op om in het Europees investeringsprojectenportaal verschillende categorieën met gepaste drempels op te nemen om kmo's en start-ups de kans te bieden volledig gebruik te maken van de werking ervan;

21.  herinnert eraan dat de EU zich ertoe heeft verbonden haar industriële basis te versterken door te streven naar een aandeel van de industriële productie in het bbp van minstens 20 % in 2020, met een toename naar 30 % in 2030; is van mening dat dit een absolute voorwaarde is voor een effectieve verbetering van de werkgelegenheidssituatie in Europa;

22.  benadrukt de rol van toekomstgerichte regelgeving en facilitering van het proces in de context van de snelle ontwikkelingen in de kennisintensieve en uitermate innoverende mkb-sector, waaronder ondernemingen van de sociale economie en coöperatief ondernemerschap, met in het achterhoofd de rol van deze sector in de slimme specialisatie en de stedelijke agenda van de EU, en vooruitblikkend op het Pact van Amsterdam en de rol van netwerken en de overkoepelende structuren zoals het Europees innovatiepartnerschap;

23.  stelt vast dat kmo's in lidstaten zonder publieke investeringsbanken mogelijk in een nadelige positie verkeren ten opzichte van kmo's in landen met goed functionerende publieke investeringsbanken aangezien particuliere bankinstellingen de beoordeling van het algemeen belang niet als prioriteit zien;

24.  roept de lidstaten op de wetgeving betreffende de gelijke toegang van kmo's tot openbare aanbestedingen te handhaven;

25.  roept de lidstaten op tot het bevorderen van de oprichting en ontwikkeling van coöperatieve bedrijven aangezien zij tijdens de crisis veerkrachtiger en minder onderhevig aan banenverlies zijn gebleken dan het gemiddelde bedrijf, alsook tot het creëren van kwaliteitsvolle banen die niet worden verplaatst; verzoekt de EIB en de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de tot dusver genomen concrete maatregelen om de toegang tot financiering te verbeteren voor coöperaties en bedrijven van de sociale economie;

26.  is van mening dat het beleid van de EU en de lidstaten niet alleen gericht moet zijn op kleine en middelgrote start-ups en het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in kmo's, en roept de Commissie en de lidstaten op om bedrijfsoverdrachten te ondersteunen als een middel om bestaande banen in kmo's te behouden die dreigen te sluiten; roept ertoe op de overdracht van bedrijven aan werknemers, in de vorm van coöperaties, te bevorderen omdat dat vaak succesvol is;

27.  verzoekt de Commissie bij de lidstaten, alsook de plaatselijke en regionale autoriteiten, de instellingen voor hoger onderwijs en opleidingen, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven, de vakbonden en financiële instellingen aan te dringen op het volledig benutten van de financieringsbronnen van de EU (zoals het EFSI, het ESF, het EFRO, Cosme, Horizon 2020 en Erasmus+), teneinde tot een oplossing te komen voor de problemen die kmo's ondervinden bij de toegang tot informatie, adviezen en financiering, hetgeen voor deze groep bedrijven één van de grootste obstakels voor groei en verwezenlijking van hun banenscheppend potentieel is; benadrukt bovendien het belang van grensoverschrijdende ondersteuningsprogramma's voor kmo's in het kader van het onderzoeksinitiatief Eureka, om de samenwerking tussen kmo's en onderzoeksinstellingen te vereenvoudigen; roept de Commissie en de lidstaten op om de verschillende financieringsinstrumenten voor kmo's beter op elkaar af te stemmen;

28.  onderstreept in dit verband dat de opleiding en de voorlichting over deze mogelijkheden tot op heden ver achterblijven bij de werkelijke behoefte en bij de vele mogelijkheden die deze fondsen kunnen bieden;

29.  dringt er bij de Commissie op aan te werken met nationale contactpunten om assertieve en doeltreffende marketingcampagnes te ontwikkelen, uitsluitend gericht op kmo's, over het ‘Fast Track to Innovation’-instrument, dat deel uitmaakt van het Horizon 2020-programma;

30.  roept mkb-bedrijven (inclusief micro-ondernemingen) op en ook de lokale en regionale autoriteiten om voluit gebruik te maken van de mogelijkheden om de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en het EFSI-fonds te combineren, en daarbij te bedenken dat het gaat om twee complementaire instrumenten; beveelt aan de ESI-fondsen en het EFSI te combineren in thematische en meerlanden-investeringsplatforms, en verzoekt de Commissie en de EIB-groep zich meer in te spannen om deze platforms op te richten om zo de producten van de EIB-groep te promoten en de toegang van het mkb tot financiering te verbeteren;

31.  wijst op de noodzaak om de investeringen in onderzoek, innovatie, hooggekwalificeerde opleiding en ontwikkeling te verhogen om de kwalitatieve groei en het werkgelegenheidspotentieel van Europese kmo's te stimuleren; benadrukt dat 75 miljard EUR is toegewezen aan de ondersteuning van kmo's in het kader van het kmo-loket van het EFSI; is verheugd over de succesvolle uitvoering van kmo-financiering vanuit het EFSI in de tot dusver goedgekeurde projecten;

32.  vraagt de Commissie om, tijdens de herziening van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, een manier te vinden om de in de toewijzing van Horizon 2020 ten behoeve van het EFSI doorgevoerde bezuinigingen volledig te compenseren, gezien het belang ervan op het gebied van economische ontwikkeling en het scheppen van werkgelegenheid, met name voor kmo's;

33.  is verheugd over de overgang naar het gebruik van financiële instrumenten om kmo's te ondersteunen, maar is van mening dat subsidieverstrekking in stand moet worden gehouden waar dit een essentiële en noodzakelijke rol speelt bij het stimuleren van innovatie, ontwikkeling en onderzoek, die van vitaal belang zijn voor het creëren van werkgelegenheid en het toekomstige succes van de Europese economie;

34.  dringt er zowel bij de lidstaten als bij de Commissie op aan om, in het kader van een integrale benadering van mkb-ondersteuning, tegen 2017 aanzienlijke vooruitgang te hebben geboekt bij de vereenvoudiging van de EU-financiering ten aanzien van uitvoering, beheer en monitoring/controle van projecten, met name door op Europees niveau een uniforme elektronische aanbestedingsprocedure in te voeren, e-cohesie te voltooien, één enkele audit op basis van het risicobeginsel, door data- en informatievereisten te beperken en "gold-plating" af te schaffen door uitgebreide optimalisatie van de regelgeving; benadrukt echter dat het belangrijk is om een gepast evenwicht te garanderen tussen enerzijds vereenvoudiging en anderzijds opsporing en preventie van onregelmatigheden, waaronder fraude; verzoekt de Commissie tijdens de tussentijdse evaluatie/herziening wijzigingen voor te stellen in de verordeningen betreffende het cohesiebeleid, met als doel het vergemakkelijken van de toegang tot financiering voor het mkb en met name voor start-ups die streven naar schaalvergroting; herinnert eraan dat het volgens berekeningen van de Commissie mogelijk zou kunnen zijn om via Europese elektronische aanbestedingen, transparantie en een vermindering van de administratieve kosten tot 50 miljard EUR per jaar te besparen;

35.  verzoekt de Commissie om, voordat zij een uitvoerig debat met het Parlement aangaat over het toekomstige financieel kader en de toekomst van het cohesiebeleid voor de periode na 2020, de nodige kwantitatieve onderzoeken uit te voeren naar de effecten van het beleid en de instrumenten ter ondersteuning van kmo's, zodat er voorbereidende werkzaamheden kunnen worden verricht door de resultaten te volgen en de doelmatigheid ervan te evalueren in vergelijking met andere maatregelen die niet gericht zijn op bedrijven onder een bepaalde grootte;

36.  benadrukt het belang van goede toegang tot ondersteunende EU-financieringsmaatregelen en tot elektronische openbare dienstverlening voor kmo's in kleinere stedelijke zones en plattelandsgebieden, wat hun banenpotentieel doet toenemen en bijdraagt tot de economische ontwikkeling in gebieden die met ontvolking worden bedreigd;

37.  roept kmo's op de genderkloof op de arbeidsmarkt met betrekking tot onder meer werkgelegenheid en loon te dichten, door het verstrekken of ondersteunen van kinderopvangvoorzieningen, zorgverlof, flexibele werktijden voor verzorgers en om mannen en vrouwen gelijk loon voor gelijk werk te verzekeren;

38.  roept de lidstaten op om ervoor te zorgen dat lokale kinderopvanginfrastructuren worden voorzien om de toegang van ouders tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken;

39.  vraagt de Commissie en de lidstaten om opleiding en onderwijs op ICT- en STEM-gebied te stimuleren, met als doel zowel de huidige als de toekomstige beroepsbevolking relevante e-vaardigheden bij te brengen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan ondersteuning te verlenen aan programma's, zoals open onlinecursussen, die werkloze jongeren e-vaardigheden bijbrengen, en hetzelfde te doen voor 50-plussers en actieve senioren;

40.  onderstreept de noodzaak van doelgerichte stimulansen ter ondersteuning van start-ups, kmo's, micro-ondernemingen teneinde de oprichting en exploitatie ervan te vergemakkelijken, alsook de noodzaak om de aanwerving van gekwalificeerde arbeidskrachten en de opleiding van werknemers te vergemakkelijken;

41.  is van oordeel dat bij Europese stages en beroepsopleidingen de mobiliteit verder moet worden aangezwengeld;

42.  moedigt de lidstaten, de regionale overheden, de onderwijsinstellingen en de sociale partners aan kansen te creëren voor jonge mensen om ondernemerschapsvaardigheden te verwerven en om niet-formeel onderwijs en vaardigheden beter te erkennen en te benutten; beklemtoont verder het belang van mentorschappen voor jonge ondernemers en jonge kmo's, teneinde het succespercentage en de overlevingskansen van bedrijven en banen op te krikken;

43.  is er sterk van overtuigd dat het vakdiploma moet blijven bestaan;

44.  verwelkomt het programma 'Erasmus voor jonge ondernemers', dat jonge ondernemers helpt bij het verwerven van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het opzetten en/of succesvol runnen van een bedrijf; is van oordeel dat de lidstaten en de Commissie dergelijke programma's verder moeten ondersteunen, teneinde ze bij de doelgroepen grotere bekendheid te geven en grotere aantallen jongeren te helpen bij het (succesvol) ontwikkelen van hun bedrijf;

45.  vraagt de lidstaten voorstellen te presenteren voor wetgeving die de werkgelegenheid van jongeren in kmo's bevordert en ondersteunt of hen ertoe aanzet een eigen bedrijf te starten, waaronder door middel van betere toegang tot informatie en maatgesneden adviezen, eenvoudiger toegang tot financiering en financieringsregelingen, alsook de oprichting van éénloketsystemen; is van mening dat dergelijke wetgeving ook de bevordering moeten inhouden van stageprogramma's voor studenten, zodat zij hun eerste praktijkervaring in een kmo kunnen opdoen, met inachtneming van een adequate sociale bescherming;

46.  merkt op dat er maatregelen moeten worden genomen om de erkenning van kwalificaties en diploma's in heel Europa te vergemakkelijken, ook van diploma's en onlinecertificaten die worden verstrekt door Massive Open Online Courses (MOOC's), en om niet-formeel leren te valideren zodat specialisten hun kennis en vaardigheden over heel Europa kunnen inzetten;

47.  is verheugd over het wetgevingsvoorstel van de Commissie inzake insolventie van bedrijven, met inbegrip van vroege herstructurering en tweede kansen, om angst voor een faillissement aan te pakken en ervoor te zorgen dat ondernemers een tweede kans krijgen;

48.  benadrukt dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een lange traditie in Europa kent en dat maatschappelijk verantwoorde bedrijven ook nu een voorbeeld stellen; benadrukt dat kmo's een belangrijke rol kunnen spelen in duurzame groei op het gebied van milieu, maatschappij en economie;

Gunstig en stabiel regelgevingskader

49.  vraagt de lidstaten overregulering te vermijden, aangezien dit het concurrentievermogen en het banenscheppend vermogen van ondernemingen negatief beïnvloedt; is van mening dat het elimineren van de onnodige regelgevings- en administratieve druk, in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit en de duurzaamheid van de regelgeving, waaronder dankzij het systematische gebruik van de kmo-toets en van de effectieve handhaving in de lidstaten, dé manier is om de kosten voor kmo's te reduceren en hun banenscheppend potentieel te vergroten; dringt erop aan dat dit niet ten koste van de bescherming van de werknemers mag gaan;

50.  is van mening dat een gunstig en stabiel regelgevingskader, inclusief intrinsieke duidelijkheid van de regels, een conditio sine qua non is voor het scheppen van duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid in kmo's; is van mening dat deze regelgevingszekerheid onder andere moet gelden voor het verbintenissenrecht en de fiscale en sociale regelgeving, de bescherming van werknemers, alsook voor fiscale regels, en ook juridische zekerheid en doeltreffende procedures moet omvatten; is van mening dat de stabiliteit van het regelgevingskader het best kan worden bereikt door de sociale partners voortdurend bij het besluitvormingsproces te betrekken;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in te zien dat indien de impact van administratieve verplichtingen door kmo's als onevenredig wordt ervaren systematisch maatregelen moeten worden overwogen om dergelijke lasten en obstakels tot een minimum te beperken, en tegelijkertijd een gepaste gezondheids- en veiligheidsbescherming voor werknemers te waarborgen; beklemtoont in dit verband dat specifieke obstakels op maat gesneden oplossingen behoeven, rekening houdend met de groteverscheidenheid aan kmo's;

52.  onderstreept het belang van kmo-vriendelijke, doeltreffende, flexibele en responsieve overheidsinstanties in de lidstaten voor het bevorderen van ondernemerschapswaarden en het faciliteren van de groei van kmo's, en om kmo's in staat te stellen hun potentieel voor het scheppen van hoogkwalitatieve banen volledig te benutten;

53.  verzoekt de Commissie de doeltreffende uitwisseling te bevorderen van goede praktijken tussen de lidstaten op het gebied van hun verschillende regelgevingskaders voor kmo's; verwelkomt in dit verband het netwerk van kmo-gezanten, die tot taak hebben het proces van raadpleging van nationale kmo's en de samenwerking tussen de EU-lidstaten te verbeteren; dringt ook aan op meer samenwerking tussen kmo's en plaatselijke overheden en de onderwijssector, die kan resulteren in de oprichting van clusters van bedrijven en starterscentra, en derhalve hun banenscheppend potentieel kan vergroten; moedigt kmo's aan lid te worden van representatieve organisaties om hun stem te laten horen op nationaal en Europees niveau, zoals meestal het geval is bij multinationals; moedigt daarnaast verenigingen van kmo's aan om kmo's beter te ondersteunen en een sterkere rol als betrouwbare sociale partner te spelen;

54.  verzoekt de lidstaten de regels voor kmo's tegen het licht te houden en het 'denk eerst klein'-beginsel ten volle toe te passen, teneinde de onnodige lasten waar kmo's mee worden geconfronteerd te elimineren en regelgevings- en fiscale zekerheid tot stand te brengen, als voorwaarde voor stabiele en hoogwaardige werkgelegenheid;

55.  benadrukt hoe belangrijk het is om aan de ex-antevoorwaarde te voldoen betreffende de "Small Business Act" om het klimaat en de administratieve procedures voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven en het ondernemerschap te verbeteren, en de benutting van financieringsmogelijkheden door het mkb te bevorderen;

56.  is van oordeel dat er iets moet worden gedaan aan de inherente ongelijkheid tussen kmo's en multinationals om kmo's in staat te stellen extra middelen in te zetten en daarmee naast overheidsinvesteringen kwalitatief goede banen te scheppen;

57.  roept de lidstaten op de groei en opkomst van business angels, startkapitaalfondsen en aanloopinvesteringen te stimuleren door belasting;

58.  wijst op de regionale ongelijkheden en onevenwichten in de toegang van kmo's tot nationale stimuleringsbanken, door de EU gefinancierde programma's en andere particuliere en openbare financieringsinstellingen; pleit ervoor om bij de toegang via tussenpersonen tot middelen uit door de EU gesteunde financieringsinstrumenten een gelijk speelveld voor alle kmo's te verzekeren, met bijzondere aandacht voor minder ontwikkelde, armere, en meer afgelegen regio's die met ernstige problemen met betrekking tot ontvolking en/of geografische spreiding te kampen hebben, evenals landen die met financiële en economische beperkingen worden geconfronteerd;

59.  is van mening dat alleen door het vergemakkelijken van de toegang tot financiering via de kmo-correctiefactor een stabiele financiële situatie voor kmo's ontstaat die kan leiden tot groei en zo tot het behoud van banen;

60.  benadrukt dat microkrediet, dat met name is gericht op micro-ondernemers en mensen uit benadeelde groepen die als zelfstandige willen gaan werken, een manier is voor het wegnemen van de obstakels die toegang tot de traditionele bankdiensten belemmeren; zou voorstander zijn van slimme vereenvoudigingsinitiatieven ter verbetering van de efficiëntie van de aanvraagprocedures van projecten die financiering behoeven; zou daarnaast verantwoordingsmaatregelen verwelkomen ten aanzien van financiële tussenpersonen waarbij overbelasting wordt vermeden en de kosten niet op onredelijke wijze worden verhoogd;

61.  vestigt de aandacht op de risico's voor insolventie en faillissement voor kmo's die met vertragingen in de betalingen worden geconfronteerd; roept de Commissie en de lidstaten op om de handhaving van de richtlijn betalingsachterstand te verbeteren; roept de lidstaten bovendien op gepaste financiële mechanismen te overwegen, zoals bankwaarborgen;

62.  roept de Commissie op tot de opstelling van de Europese kaderregelgeving om de oprichting van pan-Europese crowdfunding- en crowdinvesteringsmarkten te vergemakkelijken;

63.  roept de Commissie op om de beveiliging van leningen aan micro-ondernemingen en kmo's te vergemakkelijken om hun beschikbare krediet te vergroten;

64.  roept de Commissie en de lidstaten op om het regelgevingskader voor sociale bedrijven te verbeteren;

65.  erkent dat er rekening moet worden gehouden met de situatie, specifieke behoeften van en problematische naleving door kleine en micro-ondernemingen bij de tenuitvoerlegging van GVW-maatregelen op bedrijfsniveau; benadrukt dat bewustmaking, uitwisseling van goede praktijken, raadpleging, gebruikersvriendelijke richtsnoeren en onlineplatforms uiterst belangrijk zijn om kmo's en micro-ondernemingen te helpen om de GVW-regelgevingsvereisten op doelmatiger wijze na te leven; vraagt de Commissie, EU-OSHA en de lidstaten praktische instrumenten en richtsnoeren te blijven ontwikkelen die de naleving van de GVW-vereisten door kmo's en micro-ondernemingen ondersteunen, faciliteren en verbeteren;

66.  is ingenomen met de invoering van de online interactive risk assessment (OiRA) van EU-OSHA, en andere e-instrumenten in de lidstaten, die de beoordeling van risico's vergemakkelijken en erop gericht zijn een cultuur van naleving en preventie te bevorderen, in het bijzonder in micro-ondernemingen en kmo's; vraagt de lidstaten met klem om de Europese middelen voor GVW-maatregelen in het algemeen en de ontwikkeling van e-instrumenten in het bijzonder te gebruiken met als doel kmo's te ondersteunen;

67.  verzoekt de Commissie rekening te blijven houden met de specifieke aard en situatie van mkb's en micro-ondernemingen bij de herziening van het strategisch kader, teneinde deze bedrijven te helpen bij het voldoen aan de doelstellingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk;

68.  verzoekt de Commissie, in voorkomend geval en in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees semester, een gedifferentieerde benadering te ontwikkelen voor het verbeteren van het klimaat voor kmo's, rekening houdend met de specifieke nationale omstandigheden en de specifieke structurele verschillen tussen de EU-regio's, teneinde tot een grotere economische, sociale en territoriale cohesie te komen; vraagt de Commissie daarnaast zich op kmo's, en met name micro-ondernemingen, te richten;

69.  merkt op dat thematische doelstelling 3 ('Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven’) ertoe heeft geleid dat de lidstaten in de operationele programma's extra aandacht besteden aan het versterken van de groei en het potentieel van het mkb om werkgelegenheid te creëren; benadrukt dat onverwachte toekomstige EU-brede crises en majeure initiatieven niet mogen resulteren in een verlaging van de vastleggings- of betalingskredieten die verband houden met thematische doelstelling 3 en de relevante instrumenten onder rubriek 1b van de algemene begroting van de EU; erkent dat mkb-bedrijven weinig eigen vermogen hebben en benadrukt dat vertragingen in de betalingen van facturen in het kader van het cohesiebeleid daarom tot een minimum moeten worden beperkt om het risico van insolventie te verminderen; dringt er daarom bij de Commissie en lidstaten op aan mkb-bedrijven sneller te betalen;

70.  wijst erop dat zowel het Jaarverslag Europese mkb-bedrijven 2014/2015 als de Jaarlijkse groeianalyse 2016 aantonen dat er sprake is van regionale verschillen in mkb-klimaat en andere ongelijkheden die op effectieve wijze door de lidstaten moeten worden aangepakt vóór het einde van de programmeringsperiode, in combinatie met inspanningen om de internationalisering van het mkb te verbeteren door niet-tarifaire belemmeringen weg te nemen;

71.  roept de lidstaten waar het beheer van EU-fondsen in beperkte mate is gedecentraliseerd op het zwaartepunt van het beheer van de technische ondersteuning en lokale en regionale ondersteuningssystemen, inclusief verbeterde toegang tot financiering en informaticaoplossingen voor het mkb (inclusief micro-ondernemingen), bij de lokale autoriteiten te leggen aangezien dit zal leiden tot meer regionaal uitgebalanceerde uitkomsten en absorptiesnelheden, met name in de verschillende regio's.

72.  onderstreept de noodzaak om de starterscentra aan te vullen met bedrijfsontwikkelaars om van startende bedrijven een belangrijk instrument te maken voor het scheppen van duurzame banen en om het potentieel binnen het bedrijf te houden en de 'verkoop van belangrijke ideeën' puur om de winst te ontmoedigen;

73.  beklemtoont dat de toegang tot de interne markt moet worden verbeterd middels het elimineren van de overgebleven ongerechtvaardigde administratieve obstakels en het aanpakken van oneerlijke concurrentie, marktverstoringen, schijnzelfstandigheid en brievenbusmaatschappijen; vraagt de lidstaten voor billijke voorwaarden voor toegang van kmo's tot hun markten te zorgen, in het bijzonder middels het aanbieden van grensoverschrijdende diensten; is in dit verband verheugd over de sterke nadruk op kmo's in de strategie voor de interne markt van 2015, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan op de positieve initiatieven voort te borduren met specifieke maatregelen die tastbaar zijn voor kmo's;

74.  vraagt de lidstaten wetgeving vast te stellen die het gemakkelijker maakt een eigen bedrijf op te richten, als een van de manieren om de schaduweconomie aan te pakken, die met name voor kmo's ongunstig is, en ten volle gebruik te maken van het nieuwe platform voor het bestrijden van zwartwerk; onderkent dat de economische recessie en de in veel lidstaten genomen maatregelen bijgedragen hebben tot de groei van de schaduweconomie;

75.  is er stellig van overtuigd dat de integratie op de arbeidsmarkt van vluchtelingen nooit zal lukken zonder actieve en massale ondersteuning van de kleinste, kleine en middelgrote ondernemingen in de EU;

76.  benadrukt dat een uitgebreide taalcursus voor vluchtelingen essentieel is; benadrukt dat deze zo snel mogelijk moet beginnen en dat beroepsgerichte taalkennis onmisbaar is voor de integratie in een onderneming;

77.  beklemtoont dat meer inspanningen en stimulansen nodig zijn om de oprichting van kmo's, met inbegrip van sociale ondernemingen en micro-ondernemingen, door mensen uit kwetsbare groepen aan te moedigen en te vergemakkelijken, en discriminatie hierbij te bestrijden; beklemtoont dat het levenslang ontwikkelen van vaardigheden en advisering belangrijke instrumenten voor het waarborgen van gelijke kansen zijn; is van mening dat de desbetreffende bevoegde nationale instanties kmo's met betrekking tot de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt moeten ondersteunen en adviseren;

78.  dringt erop aan van micro-ondernemingen en kmo's niet te verlangen dat zij niet-financiële informatie over hun vrijwillig maatschappelijk handelen openbaar moeten maken; beklemtoont dat dit veel te hoge administratieve lasten met zich meebrengt waardoor de sociale betrokkenheid van bedrijven niet wordt bevorderd maar op de tocht komt te staan;

79.  onderstreept dat het in zijn resolutie van 6 februari 2013(13) over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) ondubbelzinnig heeft aangegeven dat MVO in een vrije samenleving er nooit toe mag leiden dat liefdadig handelen een verplichting wordt; is ervan overtuigd dat een MVO-verplichting ertoe zou kunnen leiden dat de bereidheid van mensen om te geven afneemt;

80.  onderstreept dat de uitzendbranche voor kmo's van bijzonder belang is en genuanceerd moet worden beoordeeld;

Gelijke randvoorwaarden

81.  stelt vast dat het EU-mededingingsbeleid soms kan resulteren in voordelen, en dat deze in de meeste gevallen de grote 'spelers' ten goede komen, die grotere schaalvoordelen hebben; beklemtoont in dit verband dat de EU-mededingingsregels voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen tot gelijke randvoorwaarden moeten leiden, om het ontbreken van schaalvoordelen voor kmo's te compenseren en ze in staat te stellen internationaler te opereren en hun banenscheppend potentieel te benutten, in het bijzonder in de context van de nieuwe internationale handelsakkoorden;

82.  dringt er bij de publiekrechtelijke instellingen van de lidstaten op aan zich bij de verlening van diensten in de eerste plaats beperken tot de overheidssector, zodat er door hun bijzondere fiscale positie geen concurrentievervalsing voor kmo's optreedt;

83.  wijst erop dat kmo's in heel Europa worden gekenmerkt door een groot aantal bedrijfsmodellen en rechtsvormen en dat voor elk van hen gelijke randvoorwaarden moeten worden gewaarborgd, ook voor spelers in de sociale economie;

84.  is van mening dat de ongelijke toegang van kmo's tot markten, informatie, advies, openbare diensten, vaardigheden en financiering in de EU nadelig is voor hun banenscheppend vermogen en het gevolg is van een aantal structurele kenmerken in de zin van grootte en prestaties van de ondernemingen in kwestie; is dan ook van mening dat bij het beoordelen van het EU-concurrentiebeleid en de werking van de interne markt met deze kenmerken rekening moet worden gehouden;

85.  is van mening dat een reputatie van een kmo als een aantrekkelijke werkgever, op basis van goede arbeids- en werkgelegenheidsomstandigheden, een belangrijk concurrentievoordeel is met betrekking tot de aanwerving van geschoold personeel;

86.  is van mening dat de regelgeving het algemeen belang dient en als doel heeft meerdere doelstellingen te behalen, zoals de totstandkoming van een concurrerende en eerlijke markt, de bescherming van de werknemers, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid, de bevordering van innovatie, het behoud van het natuurlijke milieu enz.; legt daarom de nadruk op de noodzaak van een duidelijk en doeltreffend regelgevingskader dat geen onnodige bureaucratische rompslomp voor kmo's meebrengt, teneinde de toepassing ervan te verbeteren;

87.  stelt vast dat in regio's waar de economische ontwikkeling op het aantrekken van buitenlandse directe investeringen gericht is multinationals wat wetgeving betreft soms een voorkeursbehandeling krijgen; vindt dat een voorkeursbehandeling voor multinationals tegen het licht moet worden gehouden, teneinde hun potentiële negatieve impact op kmo's te reduceren,voor hen voor gelijke randvoorwaarden te zorgen en hun banenscheppend vermogen te vergroten; erkent verder het feit dat veel kmo's zijn opgericht om multinationals en hun werknemers te ondersteunen door het verstrekken van producten van de toeleveringsketen en diensten; beklemtoont dat de eerbiediging van de rechten van werknemers in dit soort gevallen goed moet worden gemonitord en is verheugd over het OESO-initiatief om transparantie in het internationaal belastingsysteem te stimuleren, en roept op tot de snelle tenuitvoerlegging van de BEPS-maatregelen;

88.  roept de lidstaten op het beginsel aan te nemen van inkomensbelasting op de plaats waar het inkomen wordt gegenereerd, alsook andere maatregelen tegen praktijken van overheveling van winsten van multinationals, teneinde ervoor te zorgen dat kmo's gelijke randvoorwaarden krijgen en dat hun banenscheppend potentieel wordt verbeterd;

89.  stelt vast dat een verbeterd regelgevingskader en een efficiënte wetshandhaving kunnen bijdragen tot het aanpakken van de schaduweconomie en belastingontwijking;

90.  vindt dat in handelsovereenkomsten met derde landen rekening moet worden gehouden met de structurele verschillen tussen de regio's van de EU in de kmo-sector, en dat hun impact op het toekomstige banenscheppend vermogen en op de rechten van werknemers en de lonen van de werknemers van kmo's moet worden geëvalueerd;

91.  verzoekt de Commissie in kaart te brengen wat de gevolgen zijn van de toekomstige TTIP-overeenkomst en van de toekenning van de status van markteconomie aan China voor het aantal (en de kwaliteit van) de banen in de kmo-sector in alle lidstaten; benadrukt dat een dergelijke effectbeoordeling een gedetailleerde analyse moet inhouden van de soorten kmo's en sectoren die getroffen kunnen worden;

92.  wijst op de kansen die de digitale interne markt biedt; onderstreept overigens de noodzaak van een beoordeling van het potentieel en voor- en nadelen voor kmo's met betrekking tot hun groei en hun banenscheppend potentieel in de verschillende lidstaten, alsook van de impact op werkenden en de socialezekerheidssystemen; beveelt aan dat de Commissie de voorwaarden schept die kmo's in staat stellen zich aan te passen en geleidelijk over te gaan naar de digitale eengemaakte markt;

93.  is van mening dat bevordering van digitalisering in de overheidssector (e-government) en een toenemende beschikbaarheid van breedband in afgelegen gebieden de oprichtings- en werkingskosten voor kmo's zouden verminderen, waardoor ze hun banenscheppend potentieel verder kunnen vergroten;

94.  moedigt de kmo's aan om telewerken en slim werken te bevorderen – doeltreffende instrumenten om de materiële kosten van bedrijven te verminderen en om tegelijkertijd de werknemers beter in staat te stellen om werk en privéleven te combineren;

95.  juicht de specifiek op kmo's gerichte informatieportalen, zoals het 'Access to Finance Portal' op Your Europe, toe, en roept de Commissie op hun functionaliteit en toegankelijkheid verder te verbeteren en ze om te vormen tot meer interactieve instrumenten; benadrukt in het bijzonder dat het belangrijk is echt werk te maken van de nieuwe digitale interne toegangspoort die in de strategie van de interne markt is aangekondigd als onlinetoegangspunt voor alle informatie en diensten die te maken hebben met de interne markt;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 81.
(2) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 2.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0459.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0264.
(7) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 40.
(8) Jaarverslag over Europese kmo's 2014/2015 (http://ec.europa.eu/growth/smes/business-friendly-environment/performance-review/index_en.htm)
(9) Gegevens van februari 2016 (http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/7225076/3-04042016-BP-EN.pdf/e04dadf1-8c8b-4d9b-af51-bfc2d5ab8c4a).
(10) Eurofound-verslag van 2011 getiteld "Werknemersvertegenwoordiging op vestigingsniveau in Europa".
(11) CECOP-publicatie van2013 getiteld "Business Transfers to Employees under the Form of a Cooperative in Europe".
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0264.
(13) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.


Toepassing van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep
PDF 253kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep") (2015/2116(INI))
P8_TA(2016)0360A8-0225/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de artikelen 2 en 5, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 6, 8, 10, 19 en 153,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 20, 21, 23 en 26,

–  gezien het in de Raad van Europa goedgekeurde Europees Sociaal Handvest en de erin vastgelegde sociale en arbeidsrechten,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (oktober 2015),

–  gezien het tussentijdse verslag dat Speciaal VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging Hans Bielefeldt heeft ingediend in overeenstemming met resolutie 68/170 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien de richtlijn gendergelijkheid (Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2)),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("de richtlijn")(3),

–  gezien de EU-richtsnoeren van de Raad van 24 juni 2013 inzake bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615),

–  gezien het gezamenlijk verslag inzake de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming ("richtlijn rassengelijkheid") en van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep") (COM(2014)0002),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020: Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa" (COM(2010)0636),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Non-discriminatie en gelijke kansen voor iedereen – Een raamstrategie" (COM(2005)0224),

–  gezien het interinstitutioneel akkoord van 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven,

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(5),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa(7),

–  gezien zijn standpunt van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(8),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(11),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(12),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(13),

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(14),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2008 over de vooruitgang op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie in de EU (omzetting van Richtlijnen 2000/43/EG en 2000/78/EG)(15),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement naar de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG ten aanzien van het beginsel van non-discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien de diepgaande analyse van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement getiteld "The Employment Equality Directive – Evaluation of its implementation" (De richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep – Evaluatie van de tenuitvoerlegging),

–  gezien de studie van het Europees Parlement getiteld "Reasonable Accommodation and Sheltered Workshops for People with Disabilities: Costs and Returns of Investments" (Redelijke aanpassingen en sociale werkplaatsen voor personen met een handicap: kosten en rendement op investeringen),

–  gezien de studie van het Europees Parlement getiteld "Differential Treatment of Workers under 25 with a View to their Access to the Labour Market" (Gedifferentieerde behandeling van werknemers onder de 25 jaar met het oog op hun toegang tot de arbeidsmarkt),

–  gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer getiteld "De EU‑jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet",

–  gezien het advies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten over de stand van de gelijkheid in de Europese Unie tien jaar na de eerste tenuitvoerlegging van de gelijkheidsrichtlijnen,

–  gezien de vergelijkende juridische analyse van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Protection against discrimination on grounds of sexual orientation, gender identity and sex characteristics in the European Union: Comparative legal analysis" (Bescherming tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de EU: vergelijkende juridische analyse),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0225/2016),

A.  overwegende dat de Unie overeenkomstig het VEU berust op waarden als eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en sociale uitsluiting en discriminatie moet bestrijden;

B.  overwegende dat de Unie krachtens het VWEU bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden moet streven naar bestrijding van iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat alle 28 lidstaten de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep hebben omgezet en waardevolle ervaring hebben opgedaan, ondanks de verschillen bij de omzetting en de tenuitvoerlegging;

D.  overwegende dat de richtlijnen inzake gelijke behandeling zowel directe als indirecte discriminatie verbieden, alsook intimidatie en opdrachten tot discrimineren;

E.  overwegende dat de Commissie in haar tweede uitvoeringsverslag (COM(2014)0002) aangeeft dat wetgeving alleen niet voldoende is om volledige gelijkheid te bereiken, dat de bestaande bescherming meer onder de aandacht moet worden gebracht, dat er meer gebruik moet worden gemaakt van EU-fondsen en dat nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling moeten worden versterkt;

F.  overwegende dat non-discriminatie op het vlak van arbeid en beroep enkel doeltreffend is als discriminatie op alle gebieden van het leven over de hele lijn wordt bestreden, samen met andere belemmeringen die, doordat ze een beknotting inhouden van vrijheid en gelijkheid, de volledige ontwikkeling van een individu en de effectieve deelname van werknemers aan het politieke, sociale en economische leven van hun lidstaten verhinderen;

G.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak Römer(16) benadrukt dat het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep niet als zodanig is vastgelegd in de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep, maar dat in de richtlijn een algemeen kader wordt gecreëerd voor de bestrijding van discriminatie op grond van diverse redenen;

H.  overwegende dat discriminatie weliswaar in toenemende mate wordt waargenomen, maar dat tal van slachtoffers van discriminatie zich nog steeds niet bewust zijn van hun rechten of geen gerechtelijke stappen durven te nemen tegen discriminerende praktijken om diverse redenen, zoals een gebrek aan vertrouwen in de autoriteiten van de lidstaten of de ingewikkelde en tijdrovende gerechtelijke procedures;

I.  overwegende dat uit bewijs dat is verzameld door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) blijkt dat racisme, vreemdelingenhaat, homofobie, transfobie en verwante vormen van onverdraagzaamheid wijdverspreid zijn, ondanks maatregelen die door regeringen en het maatschappelijk middenveld in de hele EU zijn genomen; overwegende dat het sociale en politieke klimaat steeds inschikkelijker wordt ten aanzien van extremistisch, racistisch en xenofoob gedachtegoed waarin misbruik wordt gemaakt van de angst voor werkloosheid, de vluchtelingencrisis, vervreemding die gedeeltelijk het gevolg is van migratiestromen, en onveiligheid door de confrontatie met terrorisme en andere geopolitieke uitdagingen, hetgeen de kernwaarden van de EU ondermijnt;

J.  overwegende dat in de LGBT-enquête van het FRA(17) en het FRA-verslag "Being Trans in the EU" (Trans zijn in de Europese Unie)(18) wordt gewezen op de aanhoudende discriminatie van LGBT-personen op de arbeidsmarkt en om er toegang toe te verkrijgen;

K.  overwegende dat in de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep slechts minimumvoorschriften worden vastgesteld, maar dat de lidstaten een hogere mate van bescherming kunnen bieden en op dit gebied ook positieve maatregelen kunnen nemen in hun nationale wetgeving; overwegende dat wetgeving alleen niet voldoende is om volledige gelijkheid te waarborgen en gepaard moet gaan met passende beleidsmaatregelen;

L.  overwegende dat vrouwen het meest getroffen worden door werkloosheid en negatieve discriminatie ondergaan op het vlak van werkgelegenheid, met name zwangere vrouwen en moeders, met inbegrip van moeders die borstvoeding geven;

M.  overwegende dat de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep slechts betrekking heeft op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid, maar dat de lidstaten krachtens de richtlijn rassengelijkheid ook verplicht zijn om discriminatie op grond van ras en etnische afstamming op de arbeidsmarkt te bestrijden; overwegende dat godsdienst soms als plaatsvervanger voor ras wordt ingeroepen bij discriminatie op de arbeidsmarkt, op basis van het feit of de indruk dat iemand een bepaalde godsdienst aanhangt;

N.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van personen met een handicap in de lidstaten veel lager is dan 50 %, ten opzichte van 70 % voor de algemene bevolking, en het werkloosheidscijfer onder personen met een handicap (18,3 %) bijna dubbel zo hoog is als onder de algemene bevolking (9,9 %); overwegende dat achter de EU-gemiddelden grote verschillen per land schuilgaan;

O.  overwegende dat het veelal vrouwen zijn die de belangrijkste verantwoordelijkheid dragen voor de zorg voor kinderen, ouderen, andere afhankelijke personen, het gezin en het huishouden, en dat deze verantwoordelijkheid nog groter is als zij een kind hebben met een beperking; overwegende dat dit rechtstreeks van invloed is op de toegang van vrouwen tot werk en op hun professionele ontwikkeling, en negatieve gevolgen kan hebben voor hun arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld in de vele gevallen waar vrouwen onvrijwillig deeltijds werken of zich gedwongen zien een onzeker dienstverband aan te gaan, en dat al deze factoren leiden tot een kloof op het vlak van lonen en pensioenen;

P.  overwegende dat alleenstaande ouders, en met name alleenstaande moeders, beduidend vaker in de categorie arme werknemers vallen, en dat in alle getroffen maatregelen bijzondere aandacht moet worden besteed aan alleenstaande ouders;

Q.  overwegende dat een breed gamma aan vaardigheden en competenties die vrouwen verwerven bij het vervullen van hun gezinstaken een verrijking vormt van hun persoonlijke en professionele ontwikkeling; overwegende dat deze competenties bijgevolg erkend moeten worden door de samenleving en werkgevers;

R.  overwegende dat de Europese Unie momenteel een ernstige economische, financiële en sociale crisis doormaakt, die met name negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid en het privéleven van vrouwen, aangezien zij vaker een onzekere baan hebben, meer kans lopen hun baan te verliezen en vaker niet sociaal verzekerd zijn;

S.  overwegende dat het gebrek aan echt doeltreffende wetgeving met betrekking tot het evenwicht tussen werk en privéleven tot discriminatie van werkende ouders leidt;

T.  overwegende dat het Parlement reeds beleidsmaatregelen heeft aangenomen, zoals de Richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen, en overwegende dat dergelijke maatregelen mee kunnen zorgen voor meer gelijkheid voor vrouwen op het gebied van werkgelegenheid en voor een verbetering van de toegang van vrouwen tot leidinggevende functies; overwegende dat wetgeving moet worden beschouwd als een belangrijk instrument voor het bereiken van gendergelijkheid, maar gecombineerd moet worden met normatieve procedures en campagnes, zodat gendergelijkheid niet alleen ingang vindt in de wetgeving, maar ook in de publieke opinie;

U.  overwegende dat meervoudige, directe en indirecte discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt nog altijd voorkomt, ondanks het feit dat de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling in theorie toepassen; overwegende dat er veel verschillende vormen van indirecte discriminatie bestaan en dat al deze vormen onder de standaarddefinitie moeten vallen die bepaalt dat er sprake is van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast in vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast in verschillende situaties; overwegende dat vrouwen niet altijd wordt gewezen op hun rechten op grond van de bestaande Europese en nationale wetgeving inzake gelijkheid en discriminatie, of dat vrouwen eraan twijfelen of het zin heeft gevallen van discriminatie te melden; benadrukt daarom het belang van documenten met informatie en richtsnoeren, bewustmakingscampagnes en informatieportalen;

V.  overwegende dat sociale ongelijkheid, met name ongelijke behandeling in arbeid en beroep, alleen kan worden bestreden door middel van beleid dat een betere welvaartsverdeling garandeert, op basis van een verhoging van de reële lonen, maatregelen ter bevordering van arbeidswetgeving, wetgeving inzake arbeidstijden en arbeidsbescherming, met name door collectieve onderhandelingen en een gewaarborgde, universele, vrije toegang tot kwaliteitsvolle openbare gezondheidszorg en onderwijs;

W.  overwegende dat bijna een op de vijf jongeren in de Europese Unie werkzoekend is, de totale financiële kosten van jeugdwerkeloosheid zijn geschat op 153 miljard EUR per jaar(19) en de bijkomende sociale kosten onrustbarend hoog zijn;

X.  overwegende dat gegevens uit de zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden (EWCS)(20) van Eurofound bevestigen dat tijdens de voorbije tien jaar weinig vooruitgang is geboekt in het verminderen van discriminatie die door de betrokken werknemers zelf wordt gemeld;

Y.  overwegende dat uit gegevens van de zesde EWCS van Eurofound blijkt dat 7 % van de werknemers aangeeft gediscrimineerd te worden op ten minste één grond, en dat deze gegevens bevestigen dat er werknemers zijn die getuigen van discriminatie op meerdere gronden;

Z.  overwegende dat in de EU de arbeidsparticipatie van vrouwen met een beperking (44 %) beduidend lager ligt dan de arbeidsparticipatie van mannen met een beperking (52 %), en overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar in sommige lidstaten rond of onder de 30 % ligt en het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen (14,5 procentpunten) in deze groep het grootst is, ten opzichte van 12,4 procentpunten in de middelste leeftijdsgroep van 30 tot 54 jaar en 8,3 procentpunten in de groep van jongeren van 20 tot 29 jaar; overwegende dat langdurige werkloosheid met name voorkomt bij jongere en oudere werknemers, vooral bij vrouwen, en overwegende dat de toepassing en omzetting van Richtlijn 2006/54/EG is geëvalueerd en dat het Parlement in zijn resolutie van 8 oktober 2015(21) ernstige twijfels heeft geuit met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de daarin vermelde bepalingen betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep;

AA.  overwegende dat oudere werknemers nog steeds vaak geconfronteerd worden met discriminatie op grond van leeftijd, stereotypen en obstakels; overwegende dat discriminatie op grond van leeftijd gevolgen heeft voor alle leeftijdsgroepen en overwegende dat een humane samenleving voor het behalen van haar sociale en economische doelen behoefte heeft aan de ervaring, inbreng en ideeënrijkdom van alle generaties, met het solidariteitsbeginsel tussen de generaties als basis;

1.  is verheugd dat bijna alle lidstaten het algemene beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot specifieke discriminatiegronden in hun grondwet hebben opgenomen; betreurt echter dat slechts een klein aantal lidstaten er systematisch voor heeft gezorgd dat alle bestaande wetsteksten in overeenstemming zijn met het beginsel van gelijke behandeling, dat nog minder lidstaten deze teksten systematisch ten uitvoer leggen(22) en dat discriminatie nog steeds deel uitmaakt van het dagelijkse leven van vele Europeanen;

2.  hoopt dat alle lidstaten de natuurlijke, sociale en economische belemmeringen wegnemen die verhinderen dat het gelijkheidsbeginsel daadwerkelijk tot uiting komt en de vrijheid van de Europese burgers beperken;

3.  betreurt dat het concept van de mensenrechten als universele, ondeelbare en onderling verweven rechten nog steeds een rechtsbeginsel is dat meer in theorie dan in de praktijk bestaat, aangezien verschillende aspecten van het mens-zijn afzonderlijk worden behandeld in de bestaande rechtsinstrumenten van de EU;

4.  betreurt de toename van het aantal ervaringen van discriminatie en intimidatie, ook op de werkplek, in het bijzonder op grond van geslacht, nationaliteit, sociale achtergrond, handicap, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, etnische afkomst en godsdienst, met name ten aanzien van moslimvrouwen en LGBTI's; betreurt tegelijkertijd dat er lang niet altijd aangifte wordt gedaan van alle vormen van discriminatie, in het bijzonder discriminatie op grond van handicap en discriminatie van LGBTI's; dringt er daarom bij de Commissie op aan om bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep specifiek aandacht te besteden aan alle vormen van discriminatie, en benadrukt dat het noodzakelijk is LGBTI's beter bewust te maken van hun rechten, bijvoorbeeld via organen voor de bevordering van gelijke behandeling, vakbonden en werkgeversorganisaties;

5.  benadrukt hoe belangrijk het is zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen en verzoekt de Raad de impasse te doorbreken om stappen te kunnen zetten in de richting van een pragmatische oplossing en onverwijld spoed te zetten achter de goedkeuring van de horizontale antidiscriminatierichtlijn van de EU, die door de Commissie in 2008 werd voorgesteld en waarover in het Parlement een stemming heeft plaatsgevonden; beschouwt dit als een allereerste voorwaarde om een geconsolideerd en samenhangend juridisch kader van de EU te verzekeren dat bescherming biedt tegen discriminatie op grond van godsdienst en levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid op andere gebieden dan werkgelegenheid; merkt op dat geen enkele onnodige beperking van het toepassingsgebied van de richtlijn mag worden aanvaard; meent dat de consolidatie van het EU-wetgevingskader betreffende het aanpakken van haatmisdrijven eveneens een essentieel element vormt, aangezien soortgelijke misdaden ook schering en inslag zijn in de werkomgeving;

6.  wijst erop dat, volgens het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, alle vormen van discriminatie, met inbegrip van meervoudige en intersectionele discriminatie, de inzet van menselijk kapitaal in hoge mate belemmeren en een hinderpaal vormen bij loopbaanontwikkeling; benadrukt dat personen met een handicap vaak het slachtoffer worden van deze vormen van discriminatie;

7.  stelt met bezorgdheid vast dat het in bepaalde lidstaten ontbreekt aan jurisprudentie waarin het begrip "indirecte discriminatie" wordt uitgelegd en dat de omschrijving van dit begrip in bepaalde lidstaten voor problemen heeft gezorgd bij de omzetting van de richtlijn; stelt voor dat de Commissie de lidstaten adviseert over dergelijke problemen in verband met de uitlegging;

8.  merkt op dat non-discriminatie in arbeid en beroep slechts effectief is als discriminatie op alle gebieden van het leven over de hele lijn wordt bestreden, bijvoorbeeld door gemeenschapsondersteuning, wetgeving en coördinatie-instrumenten zoals strategieën en kaders zowel op het niveau van de lidstaten als van de EU, met inbegrip van de mogelijkheid om maatregelen voor positieve discriminatie in te voeren;

Godsdienst en levensovertuiging

9.  merkt op dat het verbod op discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging door alle lidstaten in nationaal recht is omgezet, ook al worden de daadwerkelijke voorwaarden in de richtlijn niet gedefinieerd(23);

10.  wijst op het intersectionaliteit tussen discriminatie op grond van godsdienst en levensovertuiging enerzijds, en ras en etniciteit anderzijds, en is van mening dat sommige groepen die tot een religieuze minderheid behoren in het bijzonder worden geconfronteerd met discriminatie op basis van godsdienst op de arbeidsmarkt, zoals wordt gestaafd door nationaal en Europees onderzoek, met name onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

11.  is van mening dat in de Europese Unie momenteel wordt voorzien in bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst en levensovertuiging in de mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, en dat beide elkaar wederzijds beïnvloeden;

12.  wijst erop dat de religieuze groepen die volgens studies het meest worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt joden, sikhs en moslims zijn (en in het bijzonder de vrouwen onder hen); pleit voor de vaststelling van Europese kaders voor nationale strategieën ter bestrijding van antisemitisme en islamofobie;

13.  waardeert de aanzienlijke jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op het gebied van non-discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, is ingenomen met de rol die door dit hof wordt gespeeld door middel van zijn uitspraken over de interpretatie van de richtlijn in haar geheel, en kijkt met belangstelling uit naar de toekomstige eerste arresten op dit gebied van het Hof van Justitie van de Europese Unie; betreurt het contrast tussen het lage aantal zaken dat voor de rechtbank komt en de vele gevallen van discriminatie die naar voor komen in slachtofferenquêtes zonder dat ze een gerechtelijk vervolg krijgen;

14.  is van mening dat de consequente toepassing van antidiscriminatiewetgeving moet worden opgevat als een belangrijk onderdeel van strategieën ter preventie van radicalisering, aangezien discriminatie ten aanzien van religieuze gemeenschappen, waaronder vluchtelingen en migranten, in een context van toenemende xenofobie en islamofobie kan leiden tot de religieuze radicalisering van mensen, mee kan bepalen of deze al dan niet met succes worden opgenomen op de arbeidsmarkt en van invloed kan zijn op hun toegang tot het gerecht in verband met hun verblijfsstatus;

15.  meent dat rechtbanken zich meer moeten toeleggen op de vraag of een verklaring van religieuze overtuiging te goeder trouw wordt afgelegd, in plaats van te proberen de geldigheid of juistheid van een godsdienst of levensovertuiging vast te stellen;

16.  meent dat na uitspraken van zowel nationale rechtbanken als het EHRM verdere harmonisatie nodig is bij het afwegen van het beginsel van de scheiding van kerk en staat ten opzichte van de bepalingen van artikel 4, lid 2, van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep met betrekking tot de geest van de richtlijn;

17.  meent, op basis van de beschikbare jurisprudentie op EU- en nationaal niveau, dat er een verplichting tot redelijke aanpassingen voor alle discriminatiegronden – met inbegrip dus van godsdienst en levensovertuiging – moet worden vastgelegd in de EU‑ en nationale wetgeving, op voorwaarde dat deze geen onevenredige belasting veroorzaakt voor werkgevers en dienstverleners;

18.  roept de lidstaten op het grondrecht op vrijheid van geweten te erkennen;

19.  meent dat er in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM rekening mee moet worden gehouden dat de richtlijn bescherming biedt tegen discriminatie op grond van de godsdienst of levensovertuiging van een werkgever;

20.  is van mening dat de algemene uitzondering in artikel 2, lid 5, nogal ruim is geformuleerd en dat er behoefte is aan vooruitgang met betrekking tot de toepassing ervan, hetgeen van bijzonder belang is in het licht van de vluchtelingen- en migratiecrisis, en hoopt dat de rechtbanken de reikwijdte ervan overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel zullen afbakenen;

21.  benadrukt stellig dat godsdienstvrijheid een belangrijk beginsel is en door alle werkgevers moet worden geëerbiedigd; onderstreept anderzijds dat de toepassing van dit beginsel een kwestie van subsidiariteit is;

Personen met een handicap

22.  beklemtoont dat onder "discriminatie op grond van handicap" moet worden verstaan elk onderscheid en elke uitsluiting of beperking op grond van een handicap dat of die ten doel of tot gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met anderen, van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden aangetast of onmogelijk gemaakt wordt; merkt op dat dit alle vormen van discriminatie omvat, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen(24);

23.  spoort de lidstaten aan het EU-recht zodanig te interpreteren dat het als basis kan dienen voor een opvatting van de term "handicap" die in overeenstemming is met het VN‑verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin de elementen die voorzien in gelijkheid voor personen met een handicap worden samengebracht, en waarin de weigering van redelijke aanpassingen wordt omschreven als een vorm van discriminatie, zoals bepaald in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; betreurt dat in sommige lidstaten nog steeds wetgeving van kracht is waarin de drempel voor arbeidsongeschiktheid op 50 % ligt en alleen een officieel medisch attest wordt aanvaard;

24.  merkt op dat Richtlijn 2000/78/EG zelf geen definitie bevat van het begrip handicap; benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie werd verzocht het begrip handicap onafhankelijk te definiëren voor de zaak Chacón Navas; herinnert eraan dat in daaropvolgende zaken werd verzocht om verduidelijking van het begrip handicap, alsook van de betekenis die wordt toegeschreven aan de redelijke aanpassingen voor personen met een handicap waarin werkgevers moeten voorzien krachtens artikel 5 van de richtlijn (gevoegde zaken C-335/11 en C-337/11, HK Danmark);

25.  betreurt dat de arbeidsparticipatie van vrouwen met een handicap onder de 50 % ligt, een cijfer dat aantoont dat zij te maken krijgen met dubbele discriminatie, waardoor zij moeilijk ten volle kunnen participeren in de maatschappij;

26.  meent dat een terminale ziekte, d.i. een ziekte of fysieke aandoening waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die tot de dood zal leiden binnen maximaal 24 maanden na de datum van het attest van een arts, als een handicap kan worden beschouwd indien de betreffende persoon hierdoor hinder ondervindt bij het uitoefenen van zijn beroep;

27.  benadrukt dat werkgevers verplicht zijn om in redelijke aanpassingen te voorzien voor alle werknemers met een handicap, met inbegrip van eventuele werknemers met een terminale ziekte;

28.  benadrukt dat de aard van sommige terminale ziekten kan leiden tot schommelingen in fysieke, mentale en psychologische beperkingen en dat werkgevers daarom verplicht zijn de redelijke aanpassingen regelmatig opnieuw te evalueren om te waarborgen dat die de werknemers zo goed mogelijk ondersteunen in hun functie;

29.  benadrukt dat het belangrijk is werknemers met een handicap, met inbegrip van werknemers met een terminale ziekte, te beschermen tegen elke vorm van discriminatie op de werkplek; benadrukt in het bijzonder dat deze werknemers beschermd moeten worden tegen onrechtmatig ontslag;

30.  merkt op dat onderzoeken aantonen dat investeringen in geschikte redelijke aanpassingen voor personen met een handicap kosteneffectief zijn en niet alleen rendement opleveren op het gebied van sociale inclusie, maar ook in de vorm van een hogere productiviteit en een lager ziekteverzuim(25); betreurt dat vele lidstaten hebben nagelaten te voorzien in geschikte redelijke aanpassingen;

31.  benadrukt het belang van werk voor mensen met een handicap en personen die aan een ernstige, chronische of ongeneeslijke ziekte lijden, en pleit voor inclusieve benaderingen voor de arbeidsmarkt, die voor beide groepen zekerheid en rechten waarborgen;

32.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te garanderen dat arbeidsgerelateerde rechten en diensten, waaronder redelijke aanpassingen in het kader van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep, overdraagbaar zijn en het recht van vrij verkeer van mensen met een handicap eerbiedigen;

33.  is verheugd dat alle lidstaten onder meer toelagen, subsidies of belastingvoordelen toekennen aan werkgevers die in redelijke aanpassingen voorzien, waardoor werkgevers worden gestimuleerd de werkplek aan te passen zodat personen met een handicap toegang krijgen tot een aangepaste arbeidsmarkt en op gelijke voet met anderen aanspraak kunnen maken op alle mensenrechten en fundamentele vrijheden; pleit ervoor dat de lidstaten met de steun van de Commissie voorzien in opleiding voor nationale, regionale en lokale autoriteiten met betrekking tot redelijke aanpassingen, om hen in staat te stellen begeleiding aan te bieden inzake redelijke aanpassingen en inzake preventie van uitsluiting van bepaalde kwetsbare groepen; dringt aan op een dialoog met de betrokken partijen, zoals vakbonden en werkgevers, om begeleiding voor het invoeren van praktijken op het gebied van redelijke aanpassingen nader te omschrijven;

34.  benadrukt dat sociale clausules in procedures voor overheidsopdrachten erkend moeten worden als mogelijk instrument voor het bereiken van doelstellingen inzake sociaal beleid; is van mening dat sociaal verantwoorde plaatsing van overheidsopdrachten kan worden gebruikt als instrument om mensen met een handicap en andere kwetsbare groepen te integreren in de arbeidsmarkt;

35.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan kwaliteitsvolle kaders aan te nemen voor stages waarin redelijke aanpassingen en toegankelijkheid voor personen met een handicap worden gegarandeerd;

36.  benadrukt het belang van een universele norm voor het ontwerpen van openbare ruimten en werkomgevingen waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van personen met een handicap, in overeenstemming met de algemene opmerkingen inzake toegankelijkheid(26), die op 11 april 2014 zijn goedgekeurd door het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap, en vestigt de aandacht op de EU-verbintenissen met betrekking tot toegankelijkheid, teneinde de arbeidsomstandigheden van alle Europese werknemers voor eens en voor altijd te verbeteren;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het concept van "smart working" te stimuleren, waardoor personen met een handicap thuis kunnen werken, met alle voordelen van dien op het vlak van levenskwaliteit en productiviteit;

38.  stelt vast dat personen met een handicap een waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving als geheel en verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van structuurfondsen, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, om werkplekken aan te passen en de nodige bijstand te verlenen aan personen met een handicap op het werk, om onderwijs en opleiding te verbeteren met het oog op een grotere arbeidsparticipatie van personen met een handicap in de open arbeidsmarkt, en om werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting van personen met een handicap te bestrijden; wijst op artikel 7 en artikel 96, lid 7, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (VGB)(27), waarin wordt gepleit voor het bevorderen van gelijke kansen, non-discriminatie en inclusie van personen met een handicap bij de tenuitvoerlegging van de structuur- en investeringsfondsen van de EU (ESI-fondsen) in het algemeen en de operationele programma's in het bijzonder, en benadrukt dat in ex ante evaluaties moet worden nagegaan of geplande maatregelen ter bevordering van gelijke kansen en ter preventie van alle vormen van discriminatie geschikt zijn; is van mening dat Europese en nationale financiering ook kan worden toegeleid naar bijvoorbeeld kmo's die hun werknemers aansporen tot het volgen van cursussen om hen in staat te stellen te blijven werken;

39.  verzoekt de lidstaten de regelingen voor werknemersverzekering te herzien met het oog op het voorkomen van discriminatie van personen met een handicap;

40.  spoort de lidstaten aan de voordelen te overwegen van het invoeren van maatregelen voor positieve discriminatie, bijvoorbeeld door een combinatie van passieve arbeidsmarktmaatregelen, zoals belastingverlagingen en geldelijke stimulansen, en actieve arbeidsmarktmaatregelen, namelijk begeleiding en advies, opleiding en onderwijs, alsook arbeidsbemiddeling, om de kansen van personen met een handicap op de arbeidsmarkt te vergroten;

41.  spoort de lidstaten aan een alomvattend kader te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen voor maatregelen die de toegang tot hoogwaardig werk voor personen met een handicap mogelijk maken, onder meer met de mogelijkheid voor het opleggen van bijvoorbeeld boetes voor het niet naleven van antidiscriminatiewetgeving, waarmee inclusie in de open arbeidsmarkt en andere acties op dit gebied kunnen worden gefinancierd;

42.  spoort de lidstaten aan permanente steun te verlenen aan werkgevers die personen met een handicap in dienst nemen, teneinde gunstige voorwaarden te creëren en passende ondersteuning te verzekeren tijdens alle fasen van de tewerkstelling: aanwerving, in dienst houden en loopbaanontwikkeling;

43.  verzoekt alle betrokken partijen bijzondere aandacht te besteden aan de integratie van personen met een verstandelijke of psychosociale handicap en een brede campagne uit te werken om het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap meer bekendheid te geven en vooroordelen jegens personen met een handicap te bestrijden, met name jegens personen met een psychosociale of verstandelijke handicap, mensen met een autismespectrumstoornis en ouderen met een handicap op de werkplek; verzoekt al het materiaal met betrekking tot onder meer capaciteitsopbouw, opleiding, bewustmaking en openbare verklaringen beschikbaar te maken in een toegankelijk formaat;

44.  is bezorgd over de achterstand die de tussentijdse beoordeling van de Europese strategie voor personen met een handicap 2010-2020 heeft opgelopen; dringt er bij de Commissie op aan om de strategie te herzien op basis van de slotopmerkingen over het initiële verslag van de Europese Unie die op 7 september 2015 werden goedgekeurd door het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap, en om vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap bij dat proces te betrekken;

45.  betreurt dat de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de strategie inzake handicaps nog geen actie heeft ondernomen om leeftijdsongelijkheid aan te pakken; verzoekt de Commissie daarom de rechten van personen met een handicap en de discriminatie die ze ondergaan onder de aandacht te brengen en aan de orde te stellen;

Leeftijd

46.  benadrukt de belangrijke bijdragen die oudere werknemers leveren aan de samenleving en aan het concurrentievermogen van bedrijven; benadrukt hoe belangrijk het is dat er op de werkplek ouderen aanwezig zijn, die hun kennis en ervaring in het kader van actief ouder worden kunnen doorgeven aan jongere medewerkers, en betreurt dat leeftijd een belangrijke grond voor discriminatie op de arbeidsmarkt is; vindt het betreurenswaardig dat ouderen nog steeds vaak te maken krijgen met stereotypen en belemmeringen op de arbeidsmarkt en roept op tot intergenerationele rechtvaardigheid op basis van solidariteit, wederzijds respect, verantwoordelijkheid en de bereidheid voor elkaar op te komen;

47.  verzoekt de lidstaten om de toegang tot werk en de integratie op de arbeidsmarkt van alle werknemers te bevorderen, ongeacht hun leeftijd, alsook om maatregelen te nemen die alle werknemers op de werkplek beschermen op het gebied van lonen en salarissen, opleiding, loopbaanontwikkeling, gezondheid en veiligheid enz.;

48.  merkt op dat eenzijdige verjonging van personeelsbestanden niet tot meer innovatie leidt, maar een verspilling van ervaring, kennis en vaardigheden vormt;

49.  verzoekt de lidstaten werkgevers aan te moedigen jongeren aan te werven, maar tegelijk een gelijke behandeling te verzekeren en te eerbiedigen op het gebied van lonen en sociale bescherming, met inbegrip van de nodige opleiding om het werk te kunnen uitvoeren;

50.  stelt met bezorgdheid vast dat het HvJ-EU solidariteit tussen de generaties als het belangrijkste legitieme doel bij uitstek aanmerkt voor het rechtvaardigen van verschillen in behandeling op basis van leeftijd(28); merkt op dat de lidstaten met een hogere arbeidsparticipatie van oudere werknemers ook aanmerkelijk betere resultaten neerzetten in verband met de introductie van jongeren op de arbeidsmarkt;

51.  herinnert eraan dat EU-wetgeving met betrekking tot beleidsmaatregelen inzake ouder worden op doeltreffende wijze moet worden uitgevoerd om discriminatie op basis van leeftijd te bestrijden en te voorkomen;

52.  merkt op dat personen in de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar dankzij het beleid dat wordt gevoerd een groter deel uitmaken van de actieve bevolking in alle EU-lidstaten; betreurt echter dat de arbeidsparticipatie van deze groep in de 28 EU-lidstaten te langzaam stijgt en onder de 50 % blijft steken; benadrukt daarom dat digitalisering een grote invloed heeft op de arbeidsmarkt door het scheppen van nieuwe werkgelegenheid en soepelere arbeidsomstandigheden, zoals teleforenzen en telewerken, hetgeen een doeltreffend instrument kan vormen in de strijd tegen de uitsluiting van personen ouder dan 50 jaar en ongeschoolden van middelbare leeftijd; onderstreept in dit verband dat enkel voordeel kan worden gehaald uit digitalisering als werknemers de kans krijgen hun digitale vaardigheden permanent bij te schaven via mogelijkheden voor opleiding, bijscholing en omscholing gedurende hun hele professionele loopbaan; is tevens van mening dat de mogelijkheden voor het scheppen van nieuwe banen op de digitale markt verdere inspanningen van de lidstaten zullen vereisen om ervoor te zorgen dat vaardigheden beter op de arbeidsmarkt aansluiten, in het bijzonder voor personen ouder dan 50 jaar;

53.  benadrukt dat bij maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van leeftijd in beginsel geen onderscheid mag worden gemaakt tussen kinderen en ouderen, en dat elke vorm van ongerechtvaardigde discriminatie op grond van leeftijd naar behoren moet worden aangepakt;

54.  stelt vast dat met name oudere werknemers te maken krijgen met onzekerdere omstandigheden en verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten onderzoek te verrichten naar het groeiende probleem van werkloosheid boven de leeftijd van 50 jaar en doeltreffende instrumenten te ontwikkelen, zoals beroepsopleidingen en stimulansen of subsidies voor werknemers, teneinde oudere werknemers opnieuw te integreren in de arbeidsmarkt en hen te beschermen tegen onrechtmatig ontslag;

55.  benadrukt dat de beroepsbevolking in grotere mate over digitale vaardigheden moet beschikken en onderstreept dat digitalisering zal bijdragen aan sociale inclusie en ouderen en werknemers met een handicap zal helpen langer deel te nemen aan de arbeidsmarkt, doordat ze voordeel kunnen halen uit de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie; acht het belangrijk om de invloed van de digitale markt op de werkgelegenheid op sociaal rechtvaardige en duurzame wijze gestalte te geven; wijst erop dat vele werkgevers geen oudere werknemers in dienst nemen wegens het stereotiepe beeld dat die werknemers over onvoldoende of verouderde vaardigheden zouden beschikken; dringt er daarom op aan rekening te houden met het concept "een leven lang leren" en volwassenenonderwijs voor werknemers van alle leeftijdsgroepen wanneer de door de Commissie aangekondigde Europese vaardighedenstrategie in beschouwing wordt genomen;

56.  wijst er nogmaals op dat menselijk kapitaal het belangrijkste kapitaal van de EU en de lidstaten vormt; is van mening dat digitale vaardigheden essentieel zijn voor werknemers ouder dan 55 jaar om hen te beschermen tegen uitsluiting op de arbeidsmarkt en hen te helpen een nieuwe baan te vinden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met de sociale partners vaardighedenstrategieën te ontwikkelen waarin onderwijs en werk gekoppeld worden, en derhalve te investeren in en te ijveren voor "een leven lang leren" en te voorzien in toegankelijke, betaalbare en uitgebreide opleidingsregelingen, alsook in omscholing voor het verwerven van digitale en zachte vaardigheden, met inbegrip van aanpassing aan de virtuele omgeving (aangevulde realiteit), waardoor de vergrijzende bevolking zich beter kan aanpassen aan de stijgende vraag naar digitale vaardigheden in tal van diverse sectoren; benadrukt daarom dat werknemers ouder dan 55 jaar, vooral vrouwen, permanent toegang moeten krijgen tot ICT-opleidingen; spoort de lidstaten en de Commissie ook aan strategieën toe te passen om de digitale kloof te dichten en gelijke toegang tot nieuwe informatie- en communicatietechnologieën te bevorderen;

57.  is verheugd over het werkprogramma van de Europese sociale partners voor de periode 2015-2017 dat zich toespitst op actief ouder worden; richt zich tot de sociale partners om kwesties met betrekking tot discriminatie op grond van leeftijd, volwassenenonderwijs, gezondheid en veiligheid op het werk en het combineren van werk en gezinsleven grondig aan te pakken, met het oog op de ontwikkeling van een Europees kader ter ondersteuning van de inzetbaarheid en gezondheid van alle werknemers;

58.  benadrukt de behoefte aan betrouwbare statistieken over de situatie van ouderen en demografische veranderingen om doelgerichtere en effectieve strategieën voor actief ouder worden te ontwikkelen; verzoekt de Commissie te zorgen voor een uitgebreide verzameling van kwaliteitsvolle gegevens over de maatschappelijke positie van ouderen, hun gezondheid, rechten en levensstandaard;

59.  wijst erop dat het stimuleren van een leeftijdsvriendelijke omgeving essentieel is om oudere werknemers en werkzoekenden te ondersteunen en inclusieve samenlevingen te bevorderen waar iedereen gelijke kansen krijgt; verheugt zich in dit verband over het gezamenlijke beheerproject van de Commissie en de WHO om de WHO-gids "Global Age-Friendly Cities" (Leeftijdvriendelijke steden in de wereld) aan te passen aan de Europese context;

60.  is verheugd over de campagne "Gezond werk, voor alle leeftijden" van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA); onderstreept het belang van doeltreffende wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en stimulansen voor bedrijven om preventieve methoden te hanteren; dringt erop aan de campagne actief te richten tot alle bedrijven van klein tot groot;

61.  verzoekt de lidstaten om de openbare pensioenregelingen te versterken zodat kan gerekend worden op een fatsoenlijk inkomen na pensionering;

62.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie inzake het evenwicht tussen werk en privéleven; benadrukt dat het ook voor oudere werknemers een uitdaging is een evenwicht te vinden tussen werk en privéleven, aangezien 18 % van de mannen en 22 % van de vrouwen tussen 55 en 64 jaar zorg draagt voor hulpbehoevende familieleden en de helft van de grootouders regelmatig voor de kleinkinderen zorgt; pleit ervoor dat in het verwachte initiatief inzake het evenwicht tussen werk en privéleven maatregelen worden opgenomen ter ondersteuning van informele zorgverleners, grootouders op arbeidsgeschikte leeftijd en jonge ouders;

63.  verzoekt de lidstaten de ontwikkeling van gratis hoogwaardige openbare diensten te bevorderen om behoorlijke en noodzakelijke zorg en bijstand te verlenen aan kinderen, zieken en ouderen;

Seksuele geaardheid

64.  merkt op dat nationale gerechtshoven en het HvJ-EU slechts een beperkt aantal zaken betreffende discriminatie op grond van seksuele geaardheid hebben behandeld;

65.  herinnert eraan dat er nog steeds beperkte bescherming wordt geboden tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit, ondanks het feit dat de lidstaten die het verbod op discriminatie op grond van seksuele geaardheid hebben uitgebreid naar alle gebieden die zijn opgenomen in de richtlijn rassengelijkheid tussen 2010 en 2014 in aantal zijn toegenomen van 10 tot 13(29);

66.  wijst er nogmaals op dat de reikwijdte van de bescherming tegen discriminatie waarop transseksuelen kunnen rekenen, in het bijzonder op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg, in veel lidstaten onzeker blijft; dringt aan op maatregelen om nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijn gendergelijkheid op een doeltreffende manier ten uitvoer te leggen; wijst erop dat via dergelijke maatregelen de juridische definities kunnen worden verfijnd om ervoor te zorgen dat de bescherming voor alle transgenders geldt en niet alleen voor wie een geslachtsverandering ondergaat of heeft ondergaan(30);

67.  maakt er zich zorgen over dat mensen zich weinig bewust zijn van hun rechten op het gebied van discriminatie en van het bestaan van instanties en organisaties die steun bieden aan slachtoffers van discriminatie, al is dit bewustzijn groter onder LGBTI‑personen; is van mening dat nationale, regionale en lokale autoriteiten samen met alle organisaties van belanghebbende partijen de activiteiten om het bewustzijn bij slachtoffers, werkgevers en andere groepen te vergroten naar een hoger niveau moeten tillen; wijst erop dat nationale LGBTI-organisaties belangrijke partners zijn bij die inspanningen;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de wederzijdse erkenning van de partnerschapsstatus, huwelijksvermogensstelsels en ouderschapsrechten te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de specifieke discriminatie waarmee interseksuelen te maken krijgen op de arbeidsmarkt, en wetten en praktijken te herzien om discriminatie van interseksuelen te voorkomen;

Horizontale aspecten en aanbevelingen

69.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan juridische duidelijkheid en rechtszekerheid over meervoudige discriminatie, vaak als gevolg van de uiteenlopende en versnipperde regels en normen die in de verschillende lidstaten worden gehanteerd; wijst op het belangrijke werk dat het Europees netwerk van organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) heeft verricht bij het helpen opstellen van gemeenschappelijke normen, en is van mening dat dit werk naar behoren moet worden ondersteund;

70.  betreurt dat in Richtlijn 2000/78/EG geen specifieke bepalingen zijn opgenomen over meervoudige discriminatie, hoewel er in de richtlijn tenminste wel op wordt gewezen dat vrouwen daar dikwijls het slachtoffer van zijn, en stelt bovendien vast dat de combinatie van twee of meer vormen van discriminatie problemen kan opleveren vanwege uiteenlopende beschermingsniveaus die voor de verschillende vormen worden gewaarborgd; verzoekt de lidstaten en de Commissie alle vormen van meervoudige discriminatie te bestrijden en de toepassing te verzekeren van het beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling op de arbeidsmarkt en bij de toegang ertoe; pleit ervoor dat nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten, wetshandhavingsinstanties, met inbegrip van arbeidsinspecteurs, nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling en organisaties uit het maatschappelijk middenveld beter toezicht houden op het intersectionele karakter van motiveringen op grond van geslacht en op andere gronden, zowel in gevallen van discriminatie als in gewoonten en gebruiken;

71.  wijst erop dat een gebrek aan objectieve, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens inzake gelijkheid met betrekking tot gevallen van discriminatie en ongelijke behandeling het moeilijker maakt om het bestaan van discriminatie, in het bijzonder indirecte discriminatie, te bewijzen; wijst erop dat artikel 10 van Richtlijn 2000/78/EG een aanpassing en omkering van de bewijslast toelaat in het geval van feiten die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om op een nauwkeurige, systematische manier gegevens inzake gelijkheid te verzamelen binnen het toepassingsgebied van de richtlijn en hierbij de sociale partners, nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling en nationale rechtbanken te betrekken;

72.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om – onder meer in het kader van hun nationale verslaglegging en het jaarlijks gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie – geharmoniseerde en homogene statistieken uit te werken, gericht op het dichten van lacunes op het gebied van de verzameling van gegevens inzake gendergelijkheid; verzoekt de Commissie initiatieven te nemen ter bevordering van een dergelijke verzameling van gegevens, door middel van een aanbeveling aan de lidstaten en door Eurostat op te dragen raadplegingen te organiseren met de bedoeling om de uitsplitsing van gegevens naar alle gronden van discriminatie te integreren in de indicatoren die worden gehanteerd in het Europees Sociaal Onderzoek, teneinde op te treden en praktische maatregelen te treffen tegen alle vormen van discriminatie met betrekking tot aanwervingen en de arbeidsmarkt;

73.  pleit ervoor dat de lidstaten bij het verzamelen van statistische gegevens over werkgelegenheid optionele vragen opnemen in een enquête over arbeid om mogelijke gevallen van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid aan het licht te brengen;

74.  onderstreept dat in het wetgevingsproces op alle niveaus rekening moet worden gehouden met de administratieve lasten voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en dat geplande maatregelen aan een evenredigheidstoets moeten worden onderworpen;

75.  merkt op dat de nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling een belangrijke rol kunnen spelen in de tenuitvoerlegging van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep, door een bijdrage te leveren aan bewustmaking en gegevensverzameling, samen te werken met de sociale partners en andere belanghebbenden, aandacht te besteden aan onderrapportage en het voortouw te nemen om het voor slachtoffers van discriminatie eenvoudiger en makkelijker te maken klacht in te dienen; dringt erop aan de rol van de nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling te vergroten, hun onpartijdigheid te waarborgen, hun activiteiten te ontwikkelen en hun capaciteiten te versterken, onder meer door voldoende middelen beschikbaar te stellen;

76.  verzoekt de lidstaten om in het kader van hun arbeidsbeleid meer inspanningen te verrichten om gevolg te geven aan het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen; dringt aan op een actief gebruik van genderbudgettering, onder meer via de bevordering van een uitwisseling van beste praktijken door de Commissie, en op maatregelen om de werkgelegenheid voor vrouwen op eerlijke gronden te stimuleren, zonder onzekere vormen van arbeid, met een goed evenwicht tussen werk en privéleven en volgens het concept "een leven lang leren", alsook op maatregelen om de loon- en pensioenkloof te verkleinen en, in het algemeen, de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren;

77.  verzoekt de lidstaten genderneutrale beroepsclassificaties en functiewaarderingssystemen te ontwikkelen als essentiële instrumenten ter bevordering van gendergelijkheid;

78.  wijst erop dat beleidsmaatregelen inzake gelijke behandeling doelgericht moeten inspelen op de kwestie van genderstereotypering wat beroepen en rollen betreft;

79.  benadrukt dat de sociale partners een cruciale rol te vervullen hebben om werknemers en werkgevers van informatie te voorzien en om de strijd tegen discriminatie onder hun aandacht te brengen;

80.  meent dat meer aandacht nodig is voor het tegen elkaar afwegen van strijdige rechten, zoals vrijheid van godsdienst en levensovertuiging enerzijds en vrijheid van meningsuiting anderzijds, bij gevallen van intimidatie op dergelijke gronden;

81.  verzoekt de lidstaten de nationale arbeidsinspectiediensten uit te bouwen en te versterken door de voorwaarden te creëren en de financiële en personele middelen beschikbaar te stellen, teneinde deze diensten in staat te stellen daadwerkelijk aanwezig te blijven op het terrein om onzeker en ongereguleerd werk te bestrijden en een einde te maken aan arbeids- en loondiscriminatie, met name vanuit het oogpunt van gelijkheid tussen mannen en vrouwen;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een betere verzoening van werk en privéleven door middel van concrete maatregelen, bijvoorbeeld door nieuwe voorstellen in te dienen met betrekking tot moederschapsverlof, zodat het recht van vrouwen om na hun zwangerschap en moederschaps- of ouderschapsverlof terug aan het werk te gaan en hun recht op effectieve bescherming van de gezondheid en veiligheid op de werkplek worden gewaarborgd, hun moederschapsuitkeringen worden verzekerd, en maatregelen worden getroffen om het onrechtmatig ontslag van werknemers tijdens de zwangerschap te voorkomen enz., alsook met betrekking tot de richtlijn inzake zorgverlof en een betere wetgeving inzake vaderschapsverlof;

83.  merkt op dat de toegang tot de rechter in veel discriminatiegevallen beperkt is; benadrukt het belang van toegang tot informatie voor slachtoffers van discriminatie; acht het noodzakelijk dat de lidstaten de nodige stappen nemen om ervoor te zorgen dat organen voor de bevordering van gelijke behandeling en geschikte bemiddelaars in alle fasen van de juridische procedure redelijke, beschikbare en toegankelijke diensten voor juridisch advies en juridische bijstand verlenen aan de slachtoffers, met inbegrip van vertrouwelijke en individuele begeleiding en emotionele, persoonlijke en morele steun; verzoekt de lidstaten bovendien te strijden tegen intimidatie en geweld op de werkplek, die de waardigheid van een persoon schenden en/of een kwetsend klimaat creëren op het werk;

84.  is van mening dat de klachtenmechanismen moeten worden verbeterd op nationaal niveau door de nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling te versterken, teneinde de toegang tot gerechtelijke en buitengerechtelijke mechanismen te vergemakkelijken, en door het vertrouwen in de autoriteiten te versterken, rechtsbijstand te verlenen, juridisch advies en juridische bijstand aan te bieden en de vaak lange en ingewikkelde gerechtelijke procedures te vereenvoudigen; spoort de lidstaten aan platforms in het leven te roepen waarop mensen met hun klachten terechtkunnen en die gratis bijstand bieden bij juridische vervolging in gevallen van discriminatie en intimidatie op de werkplek;

85.  dringt erop aan dat er met betrekking tot gevallen van discriminatie en/of pesterijen en/of stalking op het werk regels worden aangenomen ter bescherming van klokkenluiders en hun persoonlijke levenssfeer;

86.  herinnert eraan dat het in sommige gevallen nog steeds problematisch is rechtszaken aan te spannen en adequate vertegenwoordiging te waarborgen, en spoort de lidstaten aan manieren te zoeken om slachtoffers in dit opzicht te helpen, onder meer door vrijstellingen en kortingen aan te bieden met betrekking tot de griffierechten, door te voorzien in juridische bijstand en ondersteuning door gespecialiseerde ngo's, en door wettelijke compensatie en adequate vertegenwoordiging te waarborgen; onderstreept het belang van de juridische bevoegdheid van ngo's met een rechtmatig belang in relevante gerechtelijke en/of administratieve procedures;

87.  is ingenomen met het feit dat de sancties waarin wordt voorzien in de antidiscriminatiewetgeving van de lidstaten over het algemeen in overeenstemming zijn met de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep; benadrukt tevens de belangrijke rol van gespecialiseerde overheidsinstanties voor de strijd tegen discriminatie bij het oplossen van problemen op het gebied van sancties en beroepsmogelijkheden; is echter bezorgd over de neiging van nationale rechtbanken om wat betreft de toegekende compensatieniveaus en -bedragen sancties uit de lagere schaal van de wetgeving toe te passen(31); benadrukt dat de Commissie nauwlettend moet toezien op de voor het opleggen van sancties en gebruikmaking van beroepsmogelijkheden geldende regels in de lidstaten, om te waarborgen dat de nationale wetgeving zich niet beperkt tot louter symbolische straffen of slechts een waarschuwing geeft in gevallen van discriminatie, zoals het Europees Hof van Justitie heeft geconstateerd;

88.  uit zijn bezorgdheid over de lage arbeidsparticipatie van mensen uit de Romagemeenschap; wijst erop dat de rol van ngo's die zich inzetten voor deze etnische minderheid moet worden versterkt om Roma aan te sporen deel te nemen aan de arbeidsmarkt; onderstreept bovendien dat ngo's een belangrijke rol vervullen door Roma te informeren over hun rechten of hen bij te staan bij het melden van discriminatie, hetgeen uiteindelijk van pas zal komen voor een betere gegevensverzameling;

89.  verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om in het geval van groepen die te kampen hebben met ernstige en structurele discriminatie, zoals de Roma, maatregelen voor positieve discriminatie te nemen;

90.  toont zich verheugd dat de overgrote meerderheid van de lidstaten enige vorm van positieve discriminatie in het kader van de richtlijn heeft overwogen;

91.  benadrukt dat het noodzakelijk is de relevante arresten van het HvJ-EU te verspreiden en uitspraken uit te wisselen van nationale gerechtshoven die in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van het HvJ-EU en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de bepalingen van de richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

92.  benadrukt dat het van belang is te zorgen voor ondersteuning van informele zorgverleners die professionele en zorgverantwoordelijkheden combineren (bijv. flexibele werkuren, respijtzorg), zodat deze zorgverleners (meestal vrouwen) zorg kunnen verlenen en een grote bijdrage kunnen leveren aan hun familie en de maatschappij, zonder voor die bijdrage nu noch later te worden gestraft;

93.  acht het noodzakelijk dat passende opleiding wordt gegeven aan werknemers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, wetshandhavingsinstanties en arbeidsinspecties; is van mening dat voor alle betrokken partijen – zoals rechters, aanklagers, justitieel personeel, advocaten en speurders, politieagenten en gevangenismedewerkers – opleidingen inzake antidiscriminatiewetgeving in het arbeidsrecht en de jurisprudentie van vitaal belang zijn, samen met opleidingen over cultureel inzicht en onbewuste vooroordelen;

94.  acht het noodzakelijk dat de Commissie aan particuliere ondernemingen, met inbegrip van kmo's en microbedrijven, modelkaders verschaft voor gelijkheid en diversiteit die ze vervolgens kunnen navolgen en aanpassen aan hun behoeften; verzoekt de belanghebbenden in de bedrijfswereld om meer te doen dan enkel beloften maken in verband met het eerbiedigen van gelijkheid en diversiteit, door onder meer op jaarlijkse basis verslag uit te brengen over hun initiatieven ter zake, waarbij ze indien gewenst de hulp kunnen inroepen van organen voor de bevordering van gelijke behandeling;

95.  verzoekt werkgevers om een niet-discriminerende werkomgeving te creëren voor hun werknemers door de bestaande antidiscriminatierichtlijnen na te leven en ten uitvoer te leggen op basis van het beginsel van gelijke behandeling ongeacht geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; verzoekt de Commissie toe te zien op de uitvoering van de hiermee verband houdende maatregelen;

96.  wijst nogmaals op de belangrijke rol van de sociale partners, ngo's en het maatschappelijk middenveld bij het bieden van hulp aan slachtoffers en benadrukt dat slachtoffers van discriminatie vaak eerder zijn geneigd om naar hen toe te stappen dan naar andere actoren; pleit daarom voor het bieden van ondersteuning via organisaties uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn op dit gebied;

97.  dringt aan op mensenrechteneducatie en burgerschapsvorming, waardoor het bewustzijn en de aanvaarding van diversiteit worden bevorderd en waarmee wordt geprobeerd een inclusieve omgeving tot stand te brengen door aan te sporen tot een herdefiniëring van normen en tot het uitbannen van beledigende benamingen;

98.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het onderricht in burgerschapsvorming en mensenrechten in het lager en middelbaar onderwijs te steunen;

99.  acht het noodzakelijk dat de Commissie een Europees kader vaststelt voor nationale strategieën ter bestrijding van antisemitisme, islamofobie en andere vormen van racisme;

100.  spoort de lidstaten aan geschikte regelingen te treffen voor de re-integratie op de arbeidsmarkt van gevangenen die hun straf hebben uitgezeten;

101.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om voor de betrokken partijen, waaronder organisaties uit het maatschappelijk middenveld en organen voor de bevordering van gelijke behandeling, de toegang tot financiering voor bewustmakings- en voorlichtingscampagnes over discriminatie op de arbeidsmarkt te faciliteren; roept de particuliere sector op het zijne bij te dragen aan de totstandbrenging van een discriminatievrije werkomgeving;

102.  verzoekt de lidstaten een uitwisseling van beste praktijken inzake de bestrijding van discriminatie op het werk tot stand te helpen brengen;

103.  verzoekt de organisaties van sociale partners om intern te werken aan het bewustzijn over ongelijkheid op het werk en met voorstellen te komen om problemen ter sprake te brengen op het niveau van de organisatie/het bedrijf, bij sectorale collectieve onderhandelingen, tijdens opleidingen en campagnes voor leden en werknemers;

104.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organen voor de bevordering van gelijke behandeling, te betrekken bij de effectieve toepassing van gelijkheid in arbeid en beroep, met het oog op de bevordering van gelijke behandeling; verzoekt tevens de lidstaten om de sociale dialoog en de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken te verbeteren;

o
o   o

105.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(3) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0286.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0293.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0261.
(9) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 83.
(10) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.
(11) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 9.
(12) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 19.
(13) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(14) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(15) PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 23.
(16) Arrest van 10 mei 2011, Römer, C-147/08, ECLI, EU:C:2011:286.
(17) http://fra.europa.eu/en/publication/2014/eu-lgbt-survey-european-union-lesbian-gay-bisexual-and-transgender­survey-main
(18) http://fra.europa.eu/en/publication/2014/being-trans-eu-comparative-analysis-eu-lgbt-survey-data
(19) http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_03/SR15_03_NL.pdf
(20) http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1568nl.pdf
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(22) EPRS, "The Employment Equality Directive – Evaluation of its implementation" (De richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep – Evaluatie van de tenuitvoerlegging).
(23) Ibid.
(24) Artikel 2 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, 13 december 2006.
(25) Europees Parlement, beleidsondersteunende afdeling A: Economische Zaken en Wetenschapsbeleid, "Reasonable Accommodation and Sheltered Workshops for People with Disabilities: Costs and Returns of Investments" (Redelijke aanpassingen en sociale werkplaatsen voor personen met een handicap: kosten en rendement op investeringen).
(26) Algemene opmerking nr. 2 (2014) met betrekking tot artikel 9: toegankelijkheid https://documents­dds­ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G14/033/13/PDF/G1403313.pdf?OpenElement
(27) Verordening (EU) nr. 1303/2013.
(28) Werkdocument van de diensten van de Commissie "Annexes to the Joint Report on the application of the Racial Equality Directive (2000/43/EC) and the Employment Equality Directive (2000/78/EC)" (SWD(2014)0005).
(29) Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (2015), "Protection against discrimination on grounds of sexual orientation, gender identity and sex characteristics in the European Union: Comparative legal analysis" (Bescherming tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de EU: vergelijkende juridische analyse).
(30) Ibid.
(31) EPRS, op. cit.


De werkzaamheden, impact en toegevoegde waarde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering tussen 2007 en 2014
PDF 217kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2016 over de werkzaamheden, impact en toegevoegde waarde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering tussen 2007 en 2014 (2015/2284(INI))
P8_TA(2016)0361A8-0227/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(3),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in 2013 en 2014 (COM(2015)0355),

–  gezien de ex-postevaluatie van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) - eindverslag van augustus 2015,

–  gezien Speciaal verslag nr. 7/2013 van de Rekenkamer: "Heeft het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering Europese meerwaarde gehad voor de herintegratie van ontslagen werknemers?",

–  gezien het ERM-verslag 2012 van Eurofound, getiteld "Na herstructurering: arbeidsmarkten, arbeidsomstandigheden en tevredenheid met het bestaan",

–  gezien de casestudy van Eurofound "Added value of the European Globalisation Adjustment Fund: A comparison of experiences in Germany and Finland (2009)",

–  gezien het ERM-verslag 2009 van Eurofound getiteld "Herstructurering in tijden van recessie",

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de toekomst van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(5),

–  gezien de resoluties die het sinds januari 2007 heeft aangenomen over het inzetten van het EFG, waarvan de opmerkingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over de achtereenvolgende toepassingen deel uitmaken,

–  gezien de beraadslagingen van de speciale werkgroep van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het EFG,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0227/2016),

A.  overwegende dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) als opdracht heeft steun te verlenen en solidariteit te betuigen aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen; overwegende dat het EFG ten doel heeft een bijdrage te leveren aan slimme, duurzame en inclusieve groei en duurzame werkgelegenheid te bevorderen, door ontslagen werknemers te ondersteunen en voor te bereiden op een nieuwe baan; overwegende dat het EFG is opgezet om in te springen op noodsituaties door snel te interveniëren en op korte termijn bijstand te bieden wanneer zich acute en onvoorziene moeilijkheden op de arbeidsmarkt voordoen, in tegenstelling tot het Europees Sociaal Fonds (ESF), dat ook steun geeft aan ontslagen werknemers, maar veeleer bedoeld is voor het aanpakken van structurele onevenwichtigheden, hoofdzakelijk middels programma's voor een leven lang leren; is van mening dat het EFG tijdens de volgende programmeringsperiode buiten het MFK moet blijven functioneren;

B.  overwegende dat herstructurering in de afgelopen jaren gangbaarder is geworden in bepaalde sectoren en zich verspreidt naar andere sectoren; overwegende dat bedrijven verantwoordelijkheid dragen voor de vaak onvoorziene gevolgen van deze besluiten voor gemeenschappen en voor het economische en sociale stelsel van een lidstaat; overwegende dat het EFG de negatieve gevolgen van deze herstructureringsbesluiten helpt te verzachten; overwegende dat meer en meer EFG-dossiers verband houden met herstructureringsstrategieën van grote bedrijven en multinationals waarover doorgaans een besluit wordt genomen over de hoofden van de werknemers en hun vertegenwoordigers heen; overwegende dat hervestiging, productieverplaatsing, sluitingen, fusies, acquisities, overnames, reorganisaties van de productie en outsourcing van activiteiten de meest voorkomende vormen van herstructurering zijn;

C.  overwegende dat het aanpassingsvermogen en een proactieve houding bij verandering van baan of beroep echter kunnen worden gehinderd door onzekerheid, omdat overgangssituaties een zeker risico op werkloosheid, lagere lonen en sociale onzekerheid met zich meebrengen; overwegende dat de re-integratie op de arbeidsmarkt van EFG-begunstigden beter zal slagen wanneer de banen in kwestie van goede kwaliteit zijn;

D.  overwegende dat coöperaties herstructurering op maatschappelijk verantwoorde wijze doorvoeren en dat hun specifieke coöperatieve-governancemodel, dat is gebaseerd op gezamenlijke eigendom, democratische participatie, bestuur door de leden en het vermogen om op de eigen financiële middelen en ondersteunende netwerken te vertrouwen, verklaart waarom coöperaties flexibeler en innovatiever zijn bij het beheer van herstructurering en het opzetten van nieuwe bedrijven;

E.  overwegende dat krachtens artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1309/2013 de Commissie het Europees Parlement en de Raad om de twee jaar een kwantitatief en kwalitatief verslag moet doen toekomen over de activiteiten die het EFG de voorafgaande twee jaren heeft ondernomen;

F.  overwegende dat er geen Europees rechtskader bestaat met betrekking tot de voorlichting en raadpleging van werknemers, de anticipatie op en het beheer van herstructurering om te anticiperen op veranderingen en banenverlies te voorkomen; overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013(6) de Commissie heeft verzocht om, overeenkomstig artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zo snel mogelijk na raadpleging van de sociale partners een voorstel in te dienen voor een rechtshandeling inzake de voorlichting en raadpleging van werknemers, de anticipatie op en het beheer van herstructurering (en hierbij de gedetailleerde aanbevelingen te volgen die zijn uiteengezet in de bijlage bij deze resolutie); overwegende dat er op nationaal niveau aanzienlijke verschillen zijn wat betreft de verantwoordelijkheid van werkgevers tegenover hun werknemers tijdens het proces van herstructurering; overwegende dat de Europese sociale partners tweemaal over dit onderwerp zijn geraadpleegd en de Commissie niet heeft opgetreden; overwegende dat de Commissie teleurstellende antwoorden heeft gegeven op parlementaire resoluties inzake informatie, raadpleging en herstructurering, hetgeen duidelijk maakt dat op dit gebied concrete stappen moeten worden ondernomen; overwegende dat goed ontwikkelde systemen voor arbeidsverhoudingen, waarin rekening wordt gehouden met de rechten van werknemers en hun vertegenwoordigers op het gebied van raadpleging en informatie, essentieel zijn; overwegende dat een krachtigere informatie- en raadplegingsrichtlijn ervoor zou kunnen zorgen dat onderhandelingen voor een passende regeling onder eerlijke omstandigheden en tijdig plaatsvinden;

G.  overwegende dat het minimumaantal ontslagen is verlaagd van 1 000 naar 500, met de mogelijkheid dat, onder buitengewone omstandigheden of op kleine arbeidsmarkten, een EFG-aanvraag in overweging wordt genomen wanneer de ontslagen een ernstig effect op de werkgelegenheid en de lokale, regionale of nationale economie hebben;

H.  overwegende dat gewezen zelfstandigen sinds 1 januari 2014 ook in aanmerkingen kunnen komen voor steun; overwegende dat de Commissie ervoor moet zorgen dat in het EFG rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van zelfstandigen, aangezien hun aantal voortdurend toeneemt; overwegende dat in regio's die onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief vallen jongeren die geen werk hebben of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's) tot 31 december 2017 in aanmerking komen voor EFG-steun, in gelijke getale als het aantal beoogde begunstigden;

I.  overwegende dat er in het kader van huidige EFG niet alleen naar wordt gestreefd ontslagen werknemers te ondersteunen, maar ook om solidariteit aan deze werknemers te betuigen;

J.  overwegende dat de oorspronkelijke EFG-begroting 500 miljoen euro per jaar bedroeg; overwegende dat de huidige begroting 150 miljoen euro per jaar bedraagt en dat de gemiddelde jaarlijkse uitgaven sinds de inwerkingtreding van het fonds ongeveer 70 miljoen euro belopen;

K.  overwegende dat het oorspronkelijke medefinancieringspercentage 50 % was, vervolgens voor de periode 2009-2011 werd verhoogd tot 65 %, voor de periode 2012-2013 weer werd teruggebracht tot 50 % en nu 60 % bedraagt;

L.  overwegende dat er tussen 2007 en 2014 134 aanvragen vanuit 20 lidstaten zijn ingediend die betrekking hadden op 122 121 beoogde werknemers, en overwegende dat in het totaal is gevraagd om 561,1 miljoen euro; overwegende dat het begrotingsuitvoeringspercentage in de periode 2007-2013 slechts 55 % bedroeg:) overwegende dat de productiesector tussen 2007 en 2014 het grootste aantal aanvragen heeft ingediend, met name de automobielindustrie, die betrekking hadden op 29 000 van de 122 121 werknemers (23 % van het totale aantal mensen waarop de ingediende aanvragen betrekking hadden); overwegende dat de economische crisis tot op heden vooral kleine ondernemingen met minder dan 500 werknemers hard heeft getroffen;

M.  aangezien de Europese Rekenkamer het Parlement, de Commissie en de Raad aanbeveelt te overwegen om enkel EU-financiering te verstrekken voor maatregelen die waarschijnlijk Europese meerwaarde zullen opleveren, in plaats van de middelen te gebruiken om reeds bestaande nationale inkomenssteunregelingen voor werknemers te financieren, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b); overwegende dat is gebleken dat de EFG-maatregelen het meeste meerwaarde opleveren wanneer zij worden gebruikt voor de medefinanciering van diensten voor ontslagen werknemers die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen van de lidstaten, wanneer deze diensten meer gericht zijn op opleiding dan op uitkeringen, en wanneer zij gepersonaliseerd zijn en een aanvulling vormen op algemene voorzieningen, met name voor de meest kwetsbare groepen werknemers die worden ontslagen; wijst in dit verband op de noodzaak te investeren in het potentieel van voormalige werknemers en op het belang van een volledige beoordeling van de behoeften op de lokale arbeidsmarkt en de benodigde vaardigheden, aangezien die de basis vormt voor opleidingen en competentieopbouw teneinde een snelle re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt mogelijk te maken; herinnert eraan dat de lidstaten verplicht zijn om de middelen uit het EFG efficiënt te benutten;

N.  overwegende dat het EFG het probleem van werkloosheid in de EU niet oplost; overwegende dat het scheppen en beschermen van duurzame banen centraal moet worden gesteld in het EU-beleid, teneinde de werkloosheidscrisis in de EU op te lossen; overwegende dat er, gezien de Europese werkloosheidscijfers, en dan vooral op het gebied van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, dringend maatregelen moeten worden genomen die nieuwe arbeidsvooruitzichten kunnen bieden;

O.  overwegende dat de referentieperiode voor de beoordeling van het EFG in het kader van dit verslag 2007-2014 is; overwegende dat de ex-postevaluatie van de Commissie betrekking heeft op de periode 2007-2013 en het verslag van de Europese Rekenkamer de periode 2007-2012 beslaat;

P.  overwegende dat de beginselen van gendergelijkheid en non-discriminatie – kernwaarden van de Unie die zijn verankerd in de Europa 2020-strategie – bij de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor aanpassing aan het EFG moeten worden gewaarborgd en bevorderd;

1.  neemt kennis van de ex-postevaluatie van het EFG en het eerste tweejarige verslag; wijst erop dat de Commissie haar verslagleggingsverplichting naleeft; is van mening dat deze en andere verslagen onvoldoende zijn om de transparantie en efficiëntie van het EFG volledig te waarborgen; verzoekt de lidstaten die middelen uit het EFG hebben ontvangen om alle gegevens en evaluaties over deze dossiers openbaar te maken, en eveneens een gendereffectbeoordeling in de verslaglegging op te nemen; spoort alle lidstaten krachtig aan om hun aanvragen en eindverslagen die onder de huidige verordening vallen tijdig openbaar te maken; is, hoewel de Commissie aan haar verslagleggingsverplichtingen voldoet, van mening dat zij alle relevante documenten in verband met EFG-dossiers openbaar zou kunnen maken, inclusief haar interne missieverslagen na bezoeken ter controle van de lopende aanvragen in lidstaten;

2.  is verheugd over de verlenging van de financieringsperiode van één tot twee jaar; herinnert eraan dat volgens het onderzoek van Eurofound de periode van 12 maanden te kort was om alle ontslagen werknemers te helpen, met name de meest kwetsbare groepen zoals laagopgeleide werknemers, ouderen, vrouwen en met name alleenstaande ouders;

3.  merkt op dat uit de evaluaties van het EFG blijkt dat de resultaten van de ingrepen van dit fonds beïnvloed worden door factoren zoals het opleidingsniveau en de kwalificaties van de betrokken werknemers, de absorptiecapaciteit van de betrokken arbeidsmarkten en het bbp van de ontvangende landen; benadrukt dat die factoren vooral beïnvloed worden door langetermijnmaatregelen die doeltreffend kunnen worden ondersteund door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen); benadrukt dat bij elk verzoek om steun van het fonds met deze factoren en de lokale situatie van de arbeidsmarkt rekening moet worden gehouden; merkt op dat het voor snellere en effectievere resultaten belangrijk is te zorgen voor meer synergie tussen het EFG en de ESI-fondsen; benadrukt dat de ESI-fondsen als follow-upmaatregelen ingezet kunnen worden in EFG-steungebieden door investeringen, algemene groei en werkgelegenheid te stimuleren; benadrukt dat EFG-interventies zich moeten richten op investeringen die bijdragen aan groei, banen, onderwijs, vaardigheden en geografische mobiliteit van werknemers, en gecoördineerd moeten worden met bestaande EU-programma's teneinde mensen te helpen bij het zoeken van een baan en het ondernemerschap te bevorderen, met name in de regio's en bedrijfstakken die te lijden hebben onder de negatieve gevolgen van de globalisering of van de herstructurering van de economie; benadrukt dat een geïntegreerde aanpak op basis van meerfondsenprogrammering de voorkeur verdient om ontslagen en werkloosheid duurzaam te bestrijden dankzij een doeltreffende toewijzing van middelen en meer coördinatie en synergie, met name tussen het ESF en het EFRO; is er vast van overtuigd dat met een geïntegreerde aanpak op basis van meerfondsenprogrammering het risico op productieverplaatsing kan worden verminderd en gunstige omstandigheden kunnen worden geschapen voor de terugkeer van industriële productie naar de EU;

4.  is van mening dat de functionering van het EFG door middel van de herziening van de wetgeving is verbeterd; merkt op dat deze verbetering de EFG-toegangsprocedures voor de lidstaten heeft vereenvoudigd en daarom moet leiden tot een betere benutting van dit instrument door de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan alle obstakels op het vlak van administratieve capaciteit die deelname aan het EFG hebben belemmerd, weg te nemen; is van mening dat het EFG geen macro-economische stabilisatiefunctie mag gaan vervullen;

5.  merkt op dat de verminderde kredieten die in de jaarlijkse begroting aan het EFG worden toegekend, tot op heden voldoende zijn geweest om de vereiste bijstand en begeleiding te verlenen aan personen die hun baan hebben verloren; benadrukt niettemin dat het EFG sinds 2014 weer een grotere reikwijdte heeft en ook de NEET's en het crisiscriterium omvat, en dat in geval van een aanzienlijke toename van het aantal aanvragen of de toekenning van nieuwe bevoegdheden de kredieten wellicht niet toereikend zijn en moeten worden verhoogd om een doeltreffende functionering van het EFG te waarborgen;

6.  benadrukt het belang van een sterke sociale dialoog op basis van wederzijds vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid, aangezien die het beste instrument vormt voor het vinden van op consensus gebaseerde oplossingen en gezamenlijke standpunten bij het voorzien, voorkomen en beheren van processen van herstructurering; onderstreept dat een dergelijke dialoog zou helpen om het verlies van banen, en dus EFG-dossiers, te voorkomen;

7.  wijst op de aanzienlijke stijging van het aantal aanvragen tijdens de uitzonderingsperiode 2009-2011, toen ook aanvragen konden worden ingediend op grond van crisis-gerelateerde criteria, en merkt op dat het toepassingsgebied vervolgens verder is uitgebreid, zodat het crisiscriterium er nu permanent deel van uitmaakt en ook zelfstandigen er voor de periode 2014-2020 onder vallen; is verheugd over de verlenging van deze uitzonderingsperiode na 2013; merkt op dat meer dan de helft van het totale aantal projecten in de periode 2007-2014 verband hield met de crisis; onderstreept voorts dat de negatieve effecten van de economische crisis in enkele lidstaten nog steeds voelbaar zijn;

8.  wijst erop dat tussen 2007 en 2014 twintig lidstaten 131 financieringsaanvragen hebben ingediend gericht op 121 380 werknemers en ter hoogte van een totaalbedrag van 542,4 miljoen EUR;

9.  stelt vast dat de Commissie verbeteringen heeft aangebracht aan de EFG-gegevensbank, waarin voor de statistieken kwantitatieve gegevens over EFG-dossiers worden bijgehouden, waarmee het voor de lidstaten eenvoudiger is aanvragen in te dienen en voor de Commissie om de gegevens over EFG-dossiers te analyseren en te vergelijken; stelt daarnaast vast dat de Commissie het EFG in het Shared Fund Management Common System heeft opgenomen, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat grotere aantallen correcte en complete aanvragen worden ingediend en dat de tijd die nodig is om een door een lidstaat ingediende aanvraag goedgekeurd te krijgen, wordt gereduceerd; wijst erop dat dit systeem het eenvoudiger voor lidstaten maakt om aanvragen in te dienen en dringt er bij de Commissie op de behandeling van aanvragen te bespoedigen zodat financiering snel kan worden verstrekt en het effect ervan kan worden gemaximaliseerd;

10.  verzoekt de Commissie volledig in te springen op de effecten van besluiten die in het kader van het handelsbeleid worden genomen op de arbeidsmarkt van de EU, en hierbij ook rekening te houden met op feiten gebaseerde informatie over deze effecten die in de EFG-aanvragen zijn benadrukt; dringt er bij de Commissie op aan om gedegen effectbeoordelingen vooraf en achteraf uit te voeren, inclusief sociale-effectbeoordelingen, met betrekking tot mogelijke effecten op werkgelegenheid, concurrentievermogen en de economie, evenals het effect op kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij moet worden gezorgd voor effectieve coördinatie vooraf tussen DG Handel en DG Werkgelegenheid; roept het Parlement op om regelmatig gezamenlijke hoorzittingen van de Commissie internationale handel en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken te organiseren, ten einde bij te dragen tot een verbeterde coördinatie tussen het handelsbeleid en het EFG, en het toezicht hierop; vindt dat het EFG meer moet worden gebruikt om productieverplaatsingen aan te pakken en om sectorale crises op te lossen die het gevolg zijn van schommelingen in de wereldwijde vraag; is fel gekant tegen ieder initiatief om het EFG, in zijn huidige vorm en met zijn huidige begroting, te beschouwen als een interventie-instrument voor banen die in de Europese Unie verloren gaan als gevolg van handelsstrategieën waarover op EU-niveau wordt besloten, met in begrip van toekomstige of reeds gesloten handelsovereenkomsten; onderstreept derhalve de noodzaak van een sterke samenhang tussen het handelsbeleid en het industriebeleid, alsook de noodzaak om de EU-handelsbeschermingsinstrumenten te moderniseren;

11.  verzoekt de Commissie de status van markteconomie alleen te verlenen aan handelspartners die voldoen aan de vijf, door haar vastgestelde criteria. roept de Commissie in dit verband op om een duidelijke en doeltreffende strategie te ontwikkelen voor kwesties met betrekking tot het toekennen van de status van markteconomie aan derde landen, zodat het concurrentievermogen van de ondernemingen in de EU behouden blijft en de strijd tegen elke vorm van oneerlijke concurrentie wordt voortgezet;

12.  wijst erop dat een van de belangrijkste doelen van het EFG is om werknemers te helpen die hun baan verliezen als gevolg van een sterke verandering in de handel van de Unie in goederen of diensten, als vastgelegd in artikel 2, onder a) van de verordening; is van mening dat een belangrijke taak van het EFG is om steun te verlenen aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van de negatieve effecten van handelsgeschillen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan duidelijk te maken dat het verlies van banen als gevolg van handelsgeschillen die leiden tot een sterke verandering in de handel van de Unie in goederen of diensten volledig binnen het toepassingsgebied van het EFG valt;

13.  benadrukt dat het EFG in geen geval een degelijk preventief en anticiperend beleid ten aanzien van herstructureringen kan vervangen; benadrukt het belang van een echt industrieel beleid op het niveau van de Europese Unie, dat zorgt voor duurzame en inclusieve groei;

14.  vraagt de Commissie impactbeoordelingen uit te voeren van de mondialisering per sector en op basis hiervan voorstellen te doen waarmee ondernemingen ertoe zouden worden aangespoord op sectorale veranderingen te anticiperen en hun werknemers op deze veranderingen voor te bereiden alvorens tot ontslagen over te gaan;

15.  onderstreept dat sommige lidstaten er de voorkeur aan hebben gegeven gebruik te maken van het ESF in plaats van het EFG, omdat de ESF-medefinancieringspercentages hoger zijn, ESF-maatregelen sneller ten uitvoer worden gelegd, er bij het EFG geen voorfinanciering beschikbaar is en het EFG een langdurige goedkeuringsprocedure kent; is niettemin van mening dat het verhoogde medefinancieringspercentage en de kortere aanvraag- en goedkeuringsprocedure waarin de nieuwe verordening voorziet enkele van deze zorgen wegnemen; betreurt dat de EFG-steun nog steeds niet tot de ontslagen werknemers van alle lidstaten is doorgedrongen en verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van deze steun wanneer er massale ontslagen vallen;

16.  wijst erop dat volgens het verslag van de Rekenkamer er gemiddeld 41 weken nodig zijn om een aanvraag voor EFG-steun goedgekeurd te krijgen; verzoekt alles in het werk te stellen om de procedures te versnellen; is verheugd over de inspanningen van de Commissie om vertragingen tot een minimum te beperken en de aanvraagprocedure te stroomlijnen; onderstreept dat de capaciteit van de lidstaten op dit gebied moet worden versterkt en pleit ervoor dat alle lidstaten zo snel mogelijk beginnen met de tenuitvoerlegging van de maatregelen; merkt op dat veel lidstaten dit reeds doen;

17.  merkt op dat sommige lidstaten, sociale partners en ondernemingen het EFG vaak helemaal niet kennen; verzoekt de Commissie de communicatie richting de lidstaten, de nationale en plaatselijke vakbondsnetwerken en het brede publiek te intensiveren; verzoekt de lidstaten om het bewustzijn omtrent het EFG onder werknemers en hun vertegenwoordigers te vergroten en daarbij geen tijd te verkwisten, zodat zoveel mogelijk potentiële begunstigden kunnen worden bereikt met de EFG-maatregelen en van deze maatregelen kunnen profiteren; dringt er tevens op aan de voordelen op grond van de met het EFG bereikte resultaten op effectievere wijze onder de aandacht te brengen;

18.  herinnert aan het belang van waarborgen om te voorkomen dat ondernemingen die EU-financiering ontvangen zich binnen een bepaalde periode verplaatsen, hetgeen zou kunnen leiden tot ontslagen, waardoor er een behoefte aan bijkomende ondersteuningsregelingen ontstaat;

Begunstigden van het EFG

19.  is verheugd over de conclusies van het verslag van de Rekenkamer dat bijna alle voor EFG-steun in aanmerking komende werknemers hebben kunnen profiteren van gepersonaliseerde en goed gecoördineerde maatregelen, toegespitst op hun individuele behoeften, en dat 50 % van de werknemers die financiële bijstand hebben ontvangen nu weer een baan hebben; merkt op dat een ontijdige en ondoeltreffende tenuitvoerlegging van EFG-programma's in sommige lidstaten heeft geleid tot onderbesteding van de middelen; is van mening dat het van essentieel belang is om beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, de sociale partners, de lokale instanties voor arbeidsbemiddeling en andere relevante belanghebbenden bij de oorspronkelijke beoordeling en aanvraag te betrekken, teneinde tot voor de begunstigden positieve resultaten te komen; verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij de ontwikkeling van innovatieve maatregelen en programma's en in haar evaluaties na te gaan in welke mate het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten heeft ingespeeld op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de daarbij vereiste vaardigheden, en verenigbaar was met de verschuiving naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie; verzoekt de lidstaten, in overeenstemming met artikel 7 van de huidige verordening, er meer aan te doen om de samenstelling van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening af te stemmen op de grondstofefficiënte en duurzame economie; wijst erop dat innovatie, slimme specialisatie en efficiënt gebruik van de middelen van essentieel belang zijn voor de industriële vernieuwing en de economische diversificatie;

20.  wijst erop dat bij de 73 projecten die in het ex-postevaluatieverslag van de Commissie werden geëvalueerd, het gemiddelde aandeel van begunstigden van 55 jaar of ouder 15 % was, terwijl begunstigden in de leeftijdscategorie 15-24 jaar 5 % uitmaakten; is in dit verband ingenomen met de nadruk die in de nieuwe verordening wordt gelegd op oudere en jongere werknemers en de opname van NEET's in bepaalde aanvragen; merkt op dat het gemiddelde percentage vrouwelijke begunstigden 33 % bedroeg en dat van mannelijke begunstigden 67 %; wijst erop dat deze cijfers een weerspiegeling vormen van het aantal mannen en vrouwen onder werknemers, dat afhankelijk van de betrokken sector kan variëren; dringt er daarom bij de Commissie op aan er bij alle EFG-aanvragen op toe te zien dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld en verzoekt de lidstaten gendergerelateerde gegevens te verzamelen om te zien hoe de re-integratiepercentages van vrouwelijke begunstigden beïnvloed worden; merkt voorts op dat bij sommige EFG-aanvragen het aantal begunstigden laag is in vergelijking met het totale aantal in aanmerking komende begunstigden, hetgeen kan leiden tot een suboptimaal effect;

21.  is van mening dat er voor de opname van NEET's in EFG-aanvragen vaak verschillende soorten maatregelen nodig zijn en meent dat alle relevante actoren, waaronder de sociale partners, lokale gemeenschapsgroepen en jongerenorganisaties, vertegenwoordigd moeten zijn in het uitvoeringsstadium van ieder programma en zich moeten inzetten voor de bevordering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om een zo groot mogelijke deelname van NEET's te waarborgen; spoort de lidstaten in dit verband aan te beschikken over een krachtige bevoegde instantie die de uitvoering van het programma coördineert, te zorgen voor toegewijde en langdurige steun om NEET's gedurende het volledige programma bij te staan en te zorgen voor een maximale uitbetaling van programmamiddelen; is van mening dat op grond van een onafhankelijke beoordeling met specifieke aandacht voor de deelname van NEET's betere werkwijzen kunnen worden geïdentificeerd; is er vast van overtuigd dat de uitzonderingsregeling met het oog op de opname van NEET's moet worden voortgezet tot aan het einde van de programmeringsperiode in december 2020;

22.  verzoekt de Commissie bij de tussentijdse evaluatie van het EFG een specifieke kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling uit te voeren van de steun uit het EFG aan werkloze jongeren die geen studie of opleiding volgen, met name in het licht van de uitvoering van de jongerengarantie en noodzakelijke synergieën tussen de nationale begrotingen, het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

23.  wijst erop dat volgens de ex-postevaluatie bij alle 73 onderzochte gevallen gemiddeld 78 % van de beschikbare steun bij de begunstigden terecht is gekomen; bij 20 van deze gevallen was dit percentage 100 % of meer; herhaalt evenwel dat het maximale benuttingspercentage per geval 100 % is en dat bij gebruik van percentages boven de 100 % een vertekend beeld ontstaat waardoor het lijkt alsof een veel hoger percentage van de steun de begunstigden bereikt dan in werkelijkheid het geval is; merkt op dat dit ook het geval is voor het begrotingsuitvoeringspercentage; dringt er bij de Commissie op aan haar cijfers aan te passen om zo te voorzien in een nauwkeurigere beoordeling van de benuttings- en begrotingsuitvoeringspercentages;

24.  is ingenomen met het feit dat veel begunstigden dankzij het EFG een nieuwe baan hebben gevonden, door een persoonlijke begeleiding bij het zoeken naar een baan en de actualisering van hun vaardigheden via opleidingsprogramma's of mobiliteitstoelagen; is ook ingenomen met het feit dat sommige werknemers via het EFG de kans hebben gekregen om ondernemer te worden, dankzij steun bij de oprichting en overname van ondernemingen; wijst derhalve met klem op de duidelijke positieve effecten die het EFG volgens de verslagen heeft op de eigenwaarde, het gevoel zelf invloed te kunnen uitoefenen en de motivatie; benadrukt dat de EFG-steun heeft bijgedragen tot meer sociale cohesie door ervoor te zorgen dat mensen opnieuw tot de arbeidsmarkt konden toetreden en niet in de werkloosheidsval terecht kwamen;

25.  merkt op dat de cijfers van het ex-post verslag aangeven dat het opleidingsniveau van EFG-begunstigden over het algemeen onder het gemiddelde ligt en zij dus over minder overdraagbare vaardigheden beschikken, wat onder normale omstandigheden hun kans op werk verkleint en hen kwetsbaarder maakt op de arbeidsmarkt; is van mening dat het EFG de beste Europese meerwaarde biedt wanneer het fonds bijstand biedt bij opleidings- en bijscholingsregelingen voor werknemers die gericht zijn op laaggeschoolde, kwetsbare groepen, waarbij de vaardigheden waar vraag naar is op de arbeidsmarkt en die nodig zijn om te ondernemen voorop worden gesteld;

26.  merkt op dat een onderzoek dat in het kader van de ex-postevaluatie is uitgevoerd gemengde resultaten opleverde, waarbij 35 % van de respondenten stelde dat de kwaliteit van de nieuwe baan beter of veel beter was, 24 % stelde dat de kwaliteit hetzelfde was en 41 % aangaf dat zij slechter of veel slechter was; beveelt de Commissie, aangezien er geen systematische gegevens voorhanden zijn waarop een beoordeling kan worden gebaseerd, evenwel aan meer nauwkeurige informatie te verzamelen over de effecten van de EFG-operaties en over de kwaliteit van die effecten, zodat zij vervolgens eventuele corrigerende maatregelen kan nemen;

Kosteneffectiviteit en toegevoegde waarde van het EFG

27.  dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten de uitvoering van de begroting van het EFG verbeteren door middel van meer flexibiliteit en efficiëntie, met de nadruk op resultaten, impact en meerwaarde en zonder het passende en transparante gebruik van de middelen en de naleving van de regels in het gedrang te brengen; is van mening dat de aanvraagprocedure moet worden versneld, zodat het EFG doeltreffender wordt voor ontslagen werknemers; maakt zich zorgen over de grote verschillen tussen de aangevraagde steun uit het EFG en de bedragen die door de lidstaten worden terugbetaald, en merkt hierbij op dat de gemiddelde begrotingsuitvoering slechts 45 % bedraagt; dringt er daarom bij de Commissie op aan de redenen voor de lage uitvoeringsgraad zorgvuldig te onderzoeken en maatregelen voor te stellen om de bestaande knelpunten aan te pakken en voor een optimaal gebruik van het fonds te zorgen; merkt op dat het aantal werknemers dat aan het eind van de EFG-steunperiode opnieuw een baan heeft, sterk uiteenloopt van 4 % tot 86 %, en onderstreept dan ook het belang van actieve en inclusieve arbeidsmarktmaatregelen; merkt op dat de EFG-uitgaven in sommige lidstaten stelselmatig betere resultaten opleveren dan in andere; stelt voor dat de Commissie begeleiding blijft bieden en de lidstaten in staat stelt goede praktijken betreffende de toepassing en het gebruik van EFG-middelen te delen om ervoor te zorgen dat per bestede euro zoveel mogelijk werknemers opnieuw een baan vinden;

28.  is van mening dat het medefinancieringspercentage van 60 % niet mag worden verhoogd;

29.  wijst erop dat volgens de ex-postevaluatie van de Commissie gemiddeld slechts 6 % van de EFG-middelen aan administratieve en beheerkosten werden besteed;

30.  wijst erop dat het belangrijkste aspect van kosteneffectiviteit zoals dit uit de beraadslagingen met de belanghebbenden naar voren is gekomen het aantal opnieuw in dienst genomen werknemers is, die nu belasting en sociale premies afdragen in plaats van een werkloosheidsuitkering of andere sociale voorzieningen te ontvangen;

31.  wijst erop dat er in een aantal EFG-dossiers sprake is van hogere kosten voor acties uit hoofde van artikel 7, lid 4, van de EFG-verordening, waardoor het totale effect van de EFG-investeringen wordt afgezwakt; dringt er bij de Commissie op aan het probleem van dergelijke kosten aan te pakken door limieten in te voeren;

32.  neemt kennis van het voorstel in de ex-postevaluatie om een contrafeitelijk effectonderzoek in te stellen als een belangrijk element om inzicht te krijgen in de toegevoegde waarde van het EFG; betreurt dat een dergelijke evaluatie nog niet is ingevoerd;

33.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat het EFG reële Europese meerwaarde heeft opgeleverd in gevallen waarin het werd gebruikt voor de medefinanciering van diensten of uitkeringen voor ontslagen werknemers die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen van de lidstaten en zo heeft bijgedragen aan een betere sociale cohesie in Europa; onderstreept dat er in sommige lidstaten tot op heden geen socialebeschermingsstelsel bestaat dat voorziet in de behoeften van de werknemers die hun baan zijn verloren;

34.  betreurt dat, volgens de Rekenkamer, een derde van de EFG-financiering wordt besteed aan nationale regelingen voor inkomenssteun voor werknemers, welke geen Europese meerwaarde opleveren; wijst erop dat de nieuwe EFG-verordening de kosten van speciale maatregelen, zoals steun voor het zoeken van werk en stimulansen voor werkgevers voor aanwerving, plafonneert op 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket, en dat de acties waaraan EFG-steun wordt toegekend niet bedoeld zijn ter vervanging van passieve socialebeschermingsmaatregelen waarin de lidstaten in hun nationale systemen voorzien; herhaalt dat het EFG geen vervanging kan vormen voor de verplichtingen van werkgevers ten aanzien van hun werknemers; spoort de Commissie voorts aan bij de volgende herziening van de verordening duidelijk te maken dat het EFG niet in de plaats mag treden van de verplichtingen van lidstaten ten aanzien van ontslagen werknemers;

35.  betreurt dat de begrotingsuitvoeringspercentages variëren van 3 % tot 110 % met een gemiddeld uitvoeringspercentage van 55 %; is van mening dat deze situatie in sommige gevallen een gevolg is van tekortkomingen tijdens de planning- of uitvoeringsfase en er verbetering in moet worden gebracht aan de hand van beter ontworpen projecten die beter worden uitgevoerd;

36.  betreurt de verminderde financiering voor het EFG; verzoekt de Commissie en lidstaten om het EFG bijkomende steun te bieden om ervoor te zorgen dat er in de behoeften kan worden voorzien; verzoekt de Commissie om te waarborgen dat er voldoende personeel is om de werklast aan te kunnen, zodat onnodige vertragingen worden voorkomen;

37.  is van mening dat EFG- en ESF-maatregelen in aanvulling op elkaar moeten worden gebruikt om zowel specifieke oplossingen voor de korte termijn als meer algemene oplossingen op de lange termijn te bieden; neemt kennis van de conclusie dat de lidstaten over het algemeen hebben gezorgd voor een effectieve coördinatie tussen de maatregelen van het EFG en het ESF en de nationale arbeidsmarktmaatregelen, en dat er bij de controle door de Rekenkamer geen gevallen van overlapping of dubbele financiering van personen zijn vastgesteld;

38.  is tevreden over het feit dat in het verslag van de Commissie over de activiteiten van het EFG in 2013 en 2014 is geconstateerd dat er in 2013 en 2014 geen onregelmatigheden werden gemeld bij de Commissie met betrekking tot de EFG-verordeningen en dat er in deze periode ook geen met het EFG verband houdende onregelmatigheden werden afgesloten;

Effecten voor kmo´s

39.  wijst erop dat kmo's 99 % van alle EU-ondernemingen uitmaken en de overgrote meerderheid van de Europese werknemers in dienst hebben; uit in dit verband zijn bezorgdheid over het feit dat het EFG slechts een zeer klein effect op kmo's heeft gehad, ondanks het feit dat kmo's een duidelijke doelgroep van het fonds zijn waarvoor specifieke criteria gelden; neemt kennis van de uitleg van de Commissie dat de getroffen werknemers van leveranciers lager in de toeleveringsketen nooit met opzet zijn uitgesloten, maar dringt er bij de Commissie op aan het EFG meer toe te spitsen op kmo's, die een belangrijke rol in de Europese economie vervullen, bijvoorbeeld door meer nadruk te leggen op de bepalingen van artikel 8, onder d), over de noodzaak om de leveranciers, downstreamproducenten of onderaannemers te identificeren van ondernemingen waar gedwongen ontslagen zijn gevallen of door een follow-up te geven aan eerdere dossiers waarin het EFG ten goede is gekomen aan kmo's, sociale ondernemingen en coöperaties, teneinde optimale werkwijzen te bevorderen; benadrukt dat meer moet worden gelet op evenredigheid tussen werknemers van kmo's en werknemers van grote ondernemingen;

40.  is ervan overtuigd dat een algemener gebruik van de afwijking van de drempels inzake ontvankelijkheid, in het voordeel van kmo's, noodzakelijk is; benadrukt het belang van de voorziening beschreven in artikel 4, lid 2, van de huidige verordening voor kmo's, omdat die het mogelijk maakt om economische sectoren die door de crisis of de globalisering zijn getroffen, per geval op regionaal niveau te herstructureren; erkent dat er zich problemen voordoen bij aanvragen in het kader van deze bepalingen en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten bij te staan bij de aanpak van deze problemen, zodat het EFG een bruikbare oplossing wordt voor ontslagen werknemers; dringt er voorts bij de Commissie en de lidstaten op aan in de planning- en aanvraagfase het "denk eerst klein"-beginsel in acht te nemen;

41.  merkt op dat de aanvragen vooral afkomstig zijn uit de be- en verwerkende industrie en de bouwsector, en dan met name uit de automobiel- en luchtvaartindustrie, en er voornamelijk steun wordt geboden aan grote ondernemingen; dringt er bij de lidstaten, evenals bij de regionale autoriteiten met exclusieve bevoegdheden, op aan ontslagen werknemers van kmo's, coöperaties en sociale ondernemingen actief te ondersteunen door gebruik te maken van de flexibiliteit waarin artikel 4, lid 2, van de huidige verordening voorziet, met name wat betreft de collectieve aanvragen door kmo's en andere faciliteiten die een sterkere ondersteuning en bredere toegang van kmo's mogelijk zouden maken; dringt er voorts op aan kmo's te informeren over de mogelijkheden die het EFG biedt; benadrukt dat in deze gevallen de ondersteuning van kmo's moet worden gezien als een toegevoegde waarde van het EFG;

42.  is tevreden over het feit dat het ex-postuitvoeringsverslag van de Commissie een positief verband heeft vastgesteld tussen de middelen die worden gebruikt voor het bevorderen van ondernemerschap en het percentage zelfstandigen na afloop van de maatregelen; merkt evenwel op dat het gemiddelde percentage zelfstandigen van alle EFG-begunstigden slechts 5 % bedraagt en dat maatregelen, zoals start-upsubsidies en andere stimulansen, moeten worden ingezet om ondernemerschap te bevorderen; onderstreept in dit verband het belang van een leven lang leren, mentorprogramma's en uitwisselingsnetwerken voor vakgenoten; is van mening dat er verdere ruimte is voor verbetering van het gebruik van het EFG, alleen of in combinatie met andere fondsen zoals de ESI-fondsen, om ondernemerschap en start-upactiviteiten te ondersteunen, maar benadrukt dat ondersteuning van ondernemerschap gebaseerd moet zijn op duurzame ondernemingsplannen; verzoekt de lidstaten de nadruk te leggen op de inclusie van vrouwen en meisjes in ondernemerschapsprogramma's;

43.  is verheugd over de inspanningen van verschillende lidstaten om intensiever gebruik te maken van de maatregelen ter ondersteuning van ondernemerschap en de sociale economie, in de vorm van subsidies voor start-ups en maatregelen die zijn gericht op het bevorderen van ondernemerschap en sociale coöperaties en diensten voor nieuwe ondernemers;

Gegevensvereisten

44.  is van mening dat de methodologische aanpak van de Commissie, gezien een aantal complicerende factoren zoals het mogelijk ontbreken van gegevens, regionale en nationale bijzonderheden, verschillende macro- en micro-economische omstandigheden, kleine steekproefaantallen en bepaalde noodzakelijke aannames, zorgvuldig en transparant moet zijn, en dat daartoe maatregelen moeten worden genomen om de tekortkomingen te verhelpen die deze aanpak bemoeilijken;

45.  onderstreept de conclusie in het verslag van de Rekenkamer dat sommige lidstaten geen kwantitatieve doelstellingen voor re-integratie hebben vastgesteld en dat de bestaande gegevens niet toereikend zijn om de effectiviteit van de maatregelen op het gebied van re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt te beoordelen; neemt kennis van de opmerking van de Commissie dat de EFG-verordening geen kwantitatieve re-integratiedoelstellingen bevat en dat de verschillende EFG-maatregelen ook op andere manieren kunnen worden beoordeeld; pleit er in dit verband voor dat de lidstaten kwantitatieve doelstellingen voor re-integratie vaststellen en systematisch onderscheid aanbrengen tussen maatregelen van het EFG, het ESF en andere nationale maatregelen die speciaal zijn ontworpen voor werknemers die de gevolgen van massaontslagen ondervinden; dringt er voorts bij de Commissie op aan informatie te verstrekken over het soort banen en de kwaliteit van de banen van herintreders op de arbeidsmarkt en over de trend op middellange termijn wat betreft het herintredingspercentage dat dankzij EFG-interventies bereikt is; stelt voorts dat de lidstaten onderscheid moeten maken tussen de twee belangrijkste soorten EFG-maatregelen, te weten actieve arbeidsmarktmaatregelen en inkomenssteun aan werknemers, en dat zij tevens gedetailleerdere informatie moeten verstrekken over de gepersonaliseerde maatregelen teneinde een zorgvuldigere kosten-batenanalyse van verschillende maatregelen mogelijk te maken; verzoekt de Commissie gegevens te verstrekken over de verzoeken om EFG-steun die op het niveau van de Commissie zijn afgewezen en de redenen waarom dit is gebeurd;

46.  herinnert de lidstaten aan hun verplichting om gegevens te verstrekken over de re-integratiepercentages 12 maanden na tenuitvoerlegging van de maatregelen, om ervoor te zorgen dat de effecten en de doeltreffendheid van het EFG naar behoren worden gemonitord;

47.  benadrukt dat auditprocedures op nationaal niveau moeten worden gestroomlijnd om samenhang en efficiëntie te waarborgen en onnodige herhaling te voorkomen tussen instanties die op verschillende controleniveaus werken;

48.  pleit voor versterking van de informatiestromen en steunregelingen tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners;

49.  pleit voor meer collegiale toetsingen, transnationale uitwisselingen of koppeling van nieuwe EFG-zaken aan eerdere EFG-zaken, teneinde de uitwisseling van goede praktijken en benutting van ervaringen te bewerkstelligen; beveelt daarom aan een platform met goede praktijken op te richten, dat eenvoudig toegankelijk is en een betere uitwisseling van integrale oplossingen mogelijk maakt;

50.  wijst op de bezorgdheid van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement met betrekking tot de methode die wordt gebruikt om de baten van het EFG te berekenen; benadrukt dat bijkomende eisen inzake de prestatie-indicatoren noodzakelijk zijn;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen met betrekking tot toelagen voor verzorgers in de huidige EFG-verordening te handhaven; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan flexibele arbeids- en opleidingsmaatregelen te ontwerpen en deze maatregelen, indien mogelijk, toe te passen in lokale gemeenschappen, aangezien vrouwelijke ontslagen werknemers in geografische zin wellicht minder flexibel zijn vanwege verplichtingen op gezinsgebied;

52.  verzoekt regionale en lokale bevoegde autoriteiten, sociale partners en maatschappelijke organisaties de inspanningen van actoren op de arbeidsmarkt te coördineren om de toegang tot EFG-financiering bij toekomstige ontslagen te vergemakkelijken; dringt voorts aan op nauwere betrokkenheid van de sociale partners bij de controle- en evaluatieactiviteiten van het Fonds, en spoort hen er met name toe aan vertegenwoordigers van vrouwelijke belanghebbenden te ondersteunen zodat er meer aandacht voor de genderaspecten is gewaarborgd.

53.  verzoekt de Commissie te overwegen om de evaluatie van EFG-dossiers aan Eurofound te delegeren, als vereist uit hoofde van artikel 20 van de verordening; is van mening dat de Commissie in het kader van een dergelijk verzoek Eurofound kan voorzien van de financiële middelen die nodig zijn overeenkomstig de huidige uitgaven voor EFG-evaluaties en personeelskosten; verzoekt de Commissie om de lidstaten te verplichten om de relevante gegevens aan Eurofound te verstrekken, aangezien het grootste struikelblok voor betere evaluaties een gebrek aan geschikte gegevens is;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.
(3) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(4) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 119.
(5) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 30.
(6) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.


Aanneming van amendementen op een voorstel van de Commissie (interpretatie van artikel 61, lid 2, van het Reglement)
PDF 141kWORD 41k
Besluit van het Europees Parlement van 15 september 2016 inzake aanneming van amendementen op een voorstel van de Commissie (interpretatie van artikel 61, lid 2, van het Reglement) (2016/2218(REG))
P8_TA(2016)0362

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 13 september 2016 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen onder artikel 61, lid 2 van het Reglement:""Het Parlement kan steeds beslissen zo nodig een afsluitend debat te houden na het verslag van de bevoegde Commissie waarnaar de zaak is terugverwezen"."

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Juridische mededeling