Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 4 oktober 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering ***
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Giorgos Grammatikakis
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie om steun te verlenen aan Griekenland na de aardbeving waardoor de Ionische eilanden in november 2015 zijn getroffen
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland – EGF/2016/001 FI/Microsoft)
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden — EGF/2016/002 SE/Ericsson)
 Rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel ***I
 Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere behandeling of bestraffing ***I
 Overeenkomst inzake Strategische Samenwerking tussen Europol en China *
 De toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020

Sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering ***
PDF 242kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (12256/2016 – C8-0401/2016 – 2016/0184(NLE))
P8_TA(2016)0363A8-0280/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12256/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0401/2016),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die in december 2015 in Parijs, Frankrijk, werd gehouden,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs naar aanleiding van het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering gesloten Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0280/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de Overeenkomst van Parijs;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de Verenigde Naties.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Giorgos Grammatikakis
PDF 159kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Giorgos Grammatikakis (2016/2084(IMM))
P8_TA(2016)0364A8-0279/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Giorgos Grammatikakis, dat op 1 april 2016 door de vice-procureur bij het Griekse Hooggerechtshof werd doorgezonden in verband met een door de openbare aanklager te Rethymno ingestelde strafvervolging wegens ambtsverzuim en andere delicten, begaan in de periode 2000-2002 te Rethymno, op Kreta (dossier ref: ABM:AB05/1956), welk verzoek op 27 april 2016 in de plenaire vergadering werd aangekondigd,

–  gezien het feit dat Giorgos Grammatikakis afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de Griekse grondwet, artikel 54 van het Griekse wetboek burgerlijke rechtsvordering en artikel 83 van het Reglement van het Griekse parlement,

–  gezien beschikking nr. 5181/18.11.2015 van de openbare aanklager bij het gerechtshof van Kreta,

–  gezien het verslag van 7 april 2015 van de behandeling ter zitting waarbij Giorgos Grammatikakis is verschenen met een verdedigende verklaring en met ontlastende documenten,

–  gezien beschikking nr. 104/2015 van de openbare aanklager bij het gerechtshof van Kreta,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0279/2016),

A.  overwegende dat de vice-procureur bij het Griekse Hooggerechtshof heeft gevraagd om opheffing van de parlementaire immuniteit van Giorgos Grammatikakis, lid van het Europees Parlement, in verband met vervolging wegens een strafbaar feit waarvan hij wordt beschuldigd;

B.  overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

C.  overwegende dat ingevolge artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek leden van het parlement tijdens de parlementaire zittingsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen dan alleen met voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat de Griekse autoriteiten Giorgos Grammatikakis, samen met anderen, willen vervolgen wegens verzuim van bepaalde wettelijke verplichtingen;

E.  overwegende dat het in deze zaak gaat om een bespreking die op 8 maart 1996 zou hebben plaatsgevonden over een mogelijke nieuwe particuliere collectieve verzekering - naast de verplichte verzekering - voor alle werknemers van de Universiteit van Kreta en om onwettige betalingen in achtereenvolgende deelbedragen gedurende de periode 2000-2002;

F.  overwegende dat een eerdere vervolging in dezelfde zaak voor de periode van na 2000 eindigde met de vrijspraak van alle beschuldigden;

G.  overwegende dat de voorgenomen vervolging klaarblijkelijk geen verband houdt met de status van Giorgos Grammatikakis als lid van het Europees Parlement maar wel met zijn vroegere positie als rector van de senaat van de Universiteit van Kreta;

H.  overwegende dat de voorgenomen vervolging geen betrekking heeft op een mening of stem die de afgevaardigde in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

I.  overwegende dat de voorgenomen vervolging is uitgebreid tot de periode van 1996 tot 2000 en ook betrekking heeft op de laatste vergadering van de Senaat van de Universiteit van Kreta waarbij Giorgos Grammatikakis nog als rector aanwezig was, en waar de kwestie werd besproken zonder dat er een besluit werd genomen; overwegende dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat de strafrechtelijke vervolging is bedoeld om de politieke activiteiten van het lid te schaden;

J.  overwegende dat vervolging die tegen vele medeverdachte leden van de Senaat van de Universiteit van Kreta en van de ELKE-commissie werd ingesteld, steeds niet-ontvankelijk werd verklaard wegens verstrijken van de verjaringstermijn van 15 jaar, terwijl anderen in mei 2016 definitief werden vrijgesproken;

K.  overwegende dat het verwondering wekt dat pas 20 jaar na de feiten om opheffing van de immuniteit wordt gevraagd, en dat het justitieapparaat in Griekenland al die tijd niet aan vervolging is toegekomen maar alsnog daartoe overgaat nu Giorgos Grammatikakis inmiddels lid is van het Europees Parlement;

L.  overwegende dat een zo langzaam werkende rechtspleging nooit rechtvaardig kan zijn omdat de mensen om wie het gaat niet meer dezelfde zijn als 20 jaar geleden; overwegende dat rechtspleging die die naam verdient binnen redelijke tijd haar beslag moet krijgen;

1.  besluit de immuniteit van Giorgos Grammatikakis op te heffen zoals Giorgos Grammatikakis zelf heeft gevraagd, zodat achter deze slepende rechtszaak een punt wordt gezet;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en aan Giorgos Grammatikakis.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie om steun te verlenen aan Griekenland na de aardbeving waardoor de Ionische eilanden in november 2015 zijn getroffen
PDF 243kWORD 42k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (COM(2016)0462 – C8-0283/2016 – 2016/2165(BUD))
P8_TA(2016)0365A8-0270/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0462 – C8-0283/2016),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0270/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie om Griekenland steun te verlenen

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/1856.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland – EGF/2016/001 FI/Microsoft)
PDF 262kWORD 44k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland – EGF/2016/001 FI/Microsoft) (COM(2016)0490 – C8-0348/2016 – 2016/2211(BUD))
P8_TA(2016)0366A8-0273/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0490) – C8-0348/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014‑2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG‑verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0273/2016),

A.  overwegende dat globalisering over het algemeen zorgt voor economische groei, die echter ook benut moet worden ter verlichting van de situatie van mensen die de negatieve effecten van globalisering ondervinden;

B.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

C.  overwegende dat de bijstand van de Europese Unie aan ontslagen werknemers dynamisch van aard moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk beschikbaar moet worden gesteld;

D.  overwegende dat Finland aanvraag EGF/2016/001 FI/Microsoft heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG overeenkomstig de interventiecriteria vastgelegd in artikel 4, lid 2, onder a), van de EFG-verordening, naar aanleiding van 2161 ontslagen bij Microsoft Mobile Oy en acht leveranciers en downstreamproducenten in Finland, actief in NACE Rev. 2-afdeling 62 (Computerprogrammering, consultancy en aanverwante activiteiten);

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG‑verordening;

F.  overwegende dat de financiële controle van de door het EFG gesteunde maatregelen de verantwoordelijkheid van de betreffende lidstaat is, zoals vastgelegd in artikel 21, lid 1, van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Finland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 5 364 000 EUR, oftewel 60 % van de totale kosten van 8 940 000 EUR;

2.  wijst erop dat Finland de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 11 maart 2016 heeft ingediend en dat na ontvangst van aanvullende informatie van Finland de beoordeling door de Commissie op 29 juli 2016 is afgerond, waarbij de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de ingevulde aanvraag is aangehouden, en dat de Commissie concludeerde dat aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële bijdrage uit het EFG was voldaan;

3.  wijst erop dat de belangrijkste reden voor de vermindering van het aantal werknemers bij Microsoft is gelegen in het afnemende marktaandeel van zijn telefoons met het besturingssysteem Microsoft Windows van ruim 50 % in 2009 tot 0,6 % in het tweede kwartaal van 2016;

4.  herinnert eraan dat de verdeling van de werkgelegenheid in de ICT-sector tussen de EU en andere economieën zich de laatste jaren ten nadele van het aandeel van de EU heeft ontwikkeld, en dat de ICT-sector een sleutelrol speelt in de Finse economie, met 6,7 % van de werknemers die in 2014 actief waren in de ICT-sector, wat het hoogste percentage is van alle lidstaten; is van mening dat de ontslagen bij Microsoft verband houden met de ontwikkelingen die gevolgen hebben gehad voor de gehele Finse elektronische sector sinds de neergang van Nokia in het herkomstland van deze onderneming, en waarvoor reeds vier eerdere aanvragen zijn ingediend; is dan ook van mening dat deze gebeurtenissen verband houden met door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen;

5.  herinnert dat de softwaresector zeer internationaal is en dat de mededinging in deze sector wereldwijd is, wat betekent dat alle marktdeelnemers om dezelfde klanten kunnen concurreren, en de plaats van vestiging en de culturele achtergrond van het personeel van weinig belang zijn;

6.  wijst erop dat deze aanvraag aansluit op een aantal aanvragen die verband houden met de neergang van Nokia in Finland en dat nog twee gerelateerde aanvragen worden verwacht voor ontslagen werknemers in de ICT-sector;

7.  wijst erop dat de ontslagen zich vooral voordeden in de regio's van NUTS niveau 2 Helsinki-Uusimaa (FI1B), Etelä-Suomi (FI1C) en Länsi-Suomi (FI197), en werknemers betroffen met zeer uiteenlopende competenties, waarvan 89 % tussen de 30 en 54 jaar oud was; is bezorgd over de reeds moeilijke werkloosheidssituatie van hooggekwalificeerde en hoogopgeleide mensen die onder andere omstandigheden traditioneel gunstige perspectieven zouden hebben, met name vrouwen, die meer problemen ondervinden bij het vinden van werk, rekening houdend met het feit dat zij bijna de helft van de beoogde begunstigden vertegenwoordigen;

8.  wijst erop dat tot nu toe voor de sector "Computerprogrammering, consultancy en aanverwante activiteiten" twee EFG-aanvragen werden ingediend, die allebei op het criterium van de globalisering gebaseerd waren (EGF/2013/001 FI/Nokia en EGF/2015/005 FI/Computerprogrammering);

9.  benadrukt het belang van de ICT-sector voor de werkgelegenheid in de regio's Helsinki-Uusimaa, Etelä-Suomi en Länsi-Suomi en de mogelijkheden voor de ontslagen werknemers om bij te dragen aan de sector indien hun onderwijs en opleiding en hun plannen om een eigen bedrijf op te richten voldoende worden ondersteund;

10.  is ingenomen met het feit dat de Finse autoriteiten op 11 september 2015 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, ruimschoots vóór de aanvraag voor de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket, aangezien dergelijke acties in aanmerking komen voor medefinanciering van het EFG;

11.  is ingenomen met het hoge percentage (bijna 80 %) van het totale pakket dat wordt gebruikt voor individuele dienstverlening;

12.  wijst erop dat Finland zes soorten maatregelen plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) coaching en andere voorbereidende maatregelen; (ii) arbeidsvoorzienings- en bedrijfsdiensten; (iii) opleiding; (iv) loonsubsidie; (v) subsidie voor start-ups; en (vi) vergoedingen voor reis-, verblijfs- en verhuiskosten; wijst erop dat afdoende middelen zijn toegewezen aan controle en rapportage;

13.  wijst erop dat de in paragraaf 12 genoemde loonsubsidie 30 tot 50 % van de loonkosten van de werknemer bedraagt en gedurende 6 tot 24 maanden wordt uitgekeerd; verzoekt de lidstaten om bij de uitbetaling van loonsubsidie zorgvuldigheid te betrachten, om te waarborgen dat ontslagen werknemers die met een subsidie worden aangeworven geen arbeidsplaatsen overnemen, volledig of gedeeltelijk, van een andere werknemers bij de betreffende onderneming; is ingenomen met de verzekering van de Finse autoriteiten dat hiervoor gezorgd zal worden;

14.  merkt op dat de maatregelen inzake inkomenssteun 16,64 % van het totale pakket aan individuele maatregelen uitmaken, ruim onder het maximum van 35% dat in de EFG‑verordening wordt genoemd, en dat deze maatregelen afhankelijk gesteld zijn van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

15.  verzoekt de Commissie de effecten van deze maatregelen voor inkomenssteun gedurende meerdere jaren te evalueren en hier informatie over te verstrekken, om te waarborgen dat deze maatregelen bijdragen aan hoogwaardige werkgelegenheid en niet worden gebruikt voor het subsidiëren van tijdelijke, goedkope contracten;

16.  wijst erop dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening opgesteld werd in overleg met de vertegenwoordigers van de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd en de sociale, nationale en regionale partners;

17.  herinnert eraan dat het van belang is de inzetbaarheid van alle werknemers te verbeteren; verwacht dat de aangeboden opleidingen zowel op de behoeften en vaardigheden van de ontslagen werknemers worden afgestemd als op het huidige ondernemingsklimaat;

18.  wijst erop dat in het kader van het Microsoft-dossier zal worden samengewerkt met Arbeidsmobiliteit in Europa 2014–2020, een nationaal dienstenontwikkelingsproject van Eures; wijst erop dat internationale aanwervingsevenementen regionaal zullen worden georganiseerd in samenwerking met EFG- en Euresdiensten; is ingenomen met dergelijke maatregelen en met het feit dat de Finse autoriteiten de ontslagen werknemers aanmoedigen volledig gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer;

19.  wijst erop dat binnen het Europees Sociaal Fonds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van het nationale pakket maatregelen "Modellen tussen de aanwervende onderneming en de onderneming die ontslaat"; wijst erop dat dit pakket maatregelen resultaten zal opleveren die nuttig kunnen zijn voor de uitvoering van projecten in het kader van deze EFG-aanvraag; verwelkomt de inspanningen van de Finse autoriteiten om synergieën te bewerkstelligen met andere acties gefinancierd door nationale of Uniefondsen;

20.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 7 van de EFG-richtlijn het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de op die markten benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

21.  wijst erop dat bij eerdere EFG-aanvragen persoonlijke dienstverlening voor ontslagen werknemers bijzonder nuttig is gebleken;

22.  wijst erop dat de Finse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de voorgestelde maatregelen geen financiële steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen, dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de maatregelen complementair zijn met maatregelen die vanuit de structuurfondsen worden gefinancierd; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een jaarlijkse vergelijkende evaluatie van deze gegevens te presenteren, om er zeker van te zijn dat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en om te voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

23.  is verheugd dat Finland verzekert dat financiële steun uit het EFG niet in de plaats zal komen van maatregelen die de betrokken onderneming moet nemen krachtens de nationale wetgeving of uit hoofde van collectieve arbeidsovereenkomsten;

24.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van dossiers;

25.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

26.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland — EGF/2016/001 FI Microsoft)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/1857.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden — EGF/2016/002 SE/Ericsson)
PDF 264kWORD 46k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden – EGF/2016/002 SE/Ericsson) (COM(2016)0554 – C8-0355/2016 – 2016/2214(BUD))
P8_TA(2016)0367A8-0272/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0554 – C8-0355/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0272/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie van de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Zweden aanvraag EGF/2016/002 SE/Ericsson heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - afdeling 26 (Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten) voornamelijk in de regio's van NUTS-niveau 2 Stockholm (SE11), Östra Mellansverige (SE12), Sydsverige (SE22) and Västsverige (SE23); en dat 918 van de 1556 ontslagen werknemers die voor de EFG-bijdrage in aanmerking komen naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen;

E.  overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

F.  overwegende dat Ericsson in verband met de stagnerende groei bij gelijktijdig toenemende concurrentie door Aziatische producenten de productie van telecommunicatiehardware heeft teruggeschroefd, een proces dat al twee decennia geleden van start ging;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Zweden bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 3 957 918 EUR, oftewel 60 % van de totale kosten ten belope van 6 596 531 EUR, waarmee 918 individuele begunstigden zullen worden geholpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

2.  stelt vast dat Zweden de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 31 maart 2016 heeft ingediend, en dat na verstrekking van bijkomende informatie door Zweden de beoordeling van deze aanvraag door de Commissie op 5 september 2016 is afgerond en op dezelfde dag aan het Parlement is meegedeeld, zodat de termijn van 12 weken vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag in acht is genomen;

3.  stelt vast dat de IT- en telecommunicatiesector gedomineerd wordt door Aziatische fabrikanten, die een bestemming voor outsourcing zijn geworden; wijst erop dat Ericsson zijn personeelsbestand in Zweden geleidelijk heeft afgebouwd (van 21 178 in 2005 naar 17 858 in 2014), maar in dezelfde periode wereldwijd enorm is gegroeid (van 56 055 in 2005 naar 118 055 in 2014);

4.  benadrukt dat de getroffen regio's worden geconfronteerd met een relatief grote groep oudere werknemers met een vergelijkbare achtergrond die op hetzelfde moment zijn ontslagen en dat deze werknemers – met name in de vestiging in Kista, waar het grootste aantal ontslagen is gevallen – voor het merendeel niet over de vaardigheden beschikken waarnaar vraag is op de lokale arbeidsmarkt;

5.  waardeert de beslissing van Zweden om eventuele EFG-steun te concentreren op de vestigingen in Kista, Katrineholm en Kumla, die met de grootste uitdagingen te maken krijgen, en tegelijkertijd ook geïndividualiseerde hulp te bieden aan ontslagen werknemers in de andere vestigingen;

6.  merkt op dat er verschillende categorieën werknemers zijn ontslagen, zowel arbeiders als hoger personeel; en is bezorgd dat sommige werknemers geconfronteerd worden met een arbeidsmarkt waar weinig vraag is in traditionele productiesectoren; erkent dat er grootschalige omscholingsmaatregelen nodig zouden zijn om deze werknemers kansen in de publieke of private dienstensector te bieden;

7.  sluit zich aan bij de beoordeling van Arbetsförmedlingen (de Zweedse openbare dienst voor arbeidsvoorziening) dat er voor arbeiders mogelijk kansen zijn weggelegd in de openbare of particuliere sector, op voorwaarde dat hen een grondige omscholing wordt aangeboden;

8.  is zich ervan bewust dat de meeste getroffen hogere personeelsleden ingenieurs zijn, en dat sommigen onder hen gespecialiseerd zijn in niches die uniek zijn voor Ericsson, maar acht het een goede zaak dat de Zweedse openbare dienst voor arbeidsvoorziening erop vertrouwt dat de meesten van deze ontslagen werknemers via een gepersonaliseerd pakket van opleidingsprogramma's in staat zullen zijn een nieuwe goede baan te vinden;

9.  merkt op dat de door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening aan de ontslagen werknemers bestaat uit: advisering en loopbaanbegeleiding; sociale werkvoorzieningen, ondersteunde werkgelegenheid en re-integratiemaatregelen; onderwijs en opleiding; en toelagen voor het zoeken naar werk; acht het een goede zaak dat bijzondere aandacht zal worden besteed aan deelnemers van 50 jaar en ouder bij het aanbieden van motivatiebegeleiding en loopbaanplanning;

10.  merkt op dat de maatregelen inzake inkomenssteun 33,92% van het totale pakket aan individuele maatregelen uitmaken, hetgeen dichtbij het maximum van 35% komt dat in de EFG-verordening wordt genoemd, en dat deze maatregelen afhankelijk gesteld zijn van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding; is van oordeel dat dit relatief hoge percentage gerechtvaardigd is, gezien het hoge aandeel oudere werknemers en het aanbod van individuele steun aan deelnemers met leerstoornissen;

11.  stelt vast het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening is opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden en hun vertegenwoordigers, alsook met de plaatselijke overheidsinstanties, waarbij rekening is gehouden met het feit dat 22% van de werknemers vrouwen zijn en 78% mannen;

12.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

13.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

14.  is ingenomen met de verzekering van de Zweedse autoriteiten dat er bijzondere inspanningen zullen worden geleverd om traditionele gendergerelateerde barrières te doorbreken, onder meer door mannelijke begunstigden aan te sporen op zoek te gaan naar een baan in de gezondheidssector, en dat de maatregelen zullen bijdragen aan de 16 Zweedse milieukwaliteitsdoelstellingen;

15.  verzoekt de Commissie om in de komende voorstellen nader aan te geven in welke sectoren de werknemers het meest kans op een nieuwe baan maken en of de aangeboden opleidingen afgestemd zijn op de toekomstige economische vooruitzichten en behoeften van de arbeidsmarkt in de regio's waar de ontslagen plaatsvonden;

16.  wijst erop dat de Zweedse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de voorgestelde maatregelen geen financiële steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen, dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de maatregelen complementair zijn met maatregelen die vanuit de structuurfondsen worden gefinancierd; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat bestaande regelingen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

17.  stelt vast dat tot op heden voor de sector "Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten" nog 14 andere EFG-aanvragen zijn ingediend, waarvan 11 gebaseerd op handelsgerelateerde globalisering en drie op de wereldwijde financiële en economische crisis;

18.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

19.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van dossiers;

20.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

21.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

22.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden – EGF/2016/002 SE/Ericsson)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/1858.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel ***I
PDF 243kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (COM(2013)0824 – C7-0429/2013 – 2013/0409(COD))
P8_TA(2016)0368A8-0165/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0824),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 82, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0429/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 maart 2014(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0165/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2016 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2016/1919.)

(1) PB C 226 van 16.7.2014, blz. 63.


Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere behandeling of bestraffing ***I
PDF 244kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (COM(2014)0001 – C7-0014/2014 – 2014/0005(COD))
P8_TA(2016)0369A8-0267/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0001),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0014/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0267/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/2134.)

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 27 oktober 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0368).


Overeenkomst inzake Strategische Samenwerking tussen Europol en China *
PDF 239kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Politiedienst (Europol) van de Overeenkomst inzake Strategische Samenwerking tussen het Ministerie van Openbare Veiligheid van de Volksrepubliek China en Europol (08364/2016 – C8-0217/2016 – 2016/0808(CNS))
P8_TA(2016)0370A8-0265/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (08364/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0217/2016),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol)(1), met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0265/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Europolverordening(4), de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van deze beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.
(4) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).


De toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020
PDF 207kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020 (2016/2053(INI))
P8_TA(2016)0371A8-0263/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (hierna "de Overeenkomst van Cotonou" genoemd), en de herzieningen hiervan van 2005 en 2010(1),

–  gezien de overeenkomst van Georgetown tot oprichting van de ACS-groep en de herziening hiervan van 1992(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 8 oktober 2003 met als titel "Naar de volledige integratie van de samenwerking met de ACS-landen in de EU-begroting" (COM(2003)0590),

–  gezien het gezamenlijk raadplegingsdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 6 oktober 2015 met als titel "Naar een nieuw partnerschap tussen de Europese Unie en de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan na 2020" (JOIN(2015) 33),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de betrekkingen tussen de ACS-landen en de EU, met name die van 11 februari 2015 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU(3), die van 13 juni 2013(4) over de tweede wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000, die van 5 februari 2009 over de invloed van economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) op de ontwikkeling(5) en die van 1 april 2004 over de opneming in de begroting van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)(6),

–  gezien de eerdere resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, met name die van 9 december 2015 over "Veertig jaar partnerschap: evaluatie van de impact op handel en ontwikkeling in de ACS-landen en vooruitzichten voor duurzame betrekkingen tussen de ACS-landen en de Europese Unie"(7),

–  gezien zijn eerdere resoluties over beleidscoherentie voor ontwikkeling,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 9 december 2015 van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen(8),

–  gezien de algemene strategie van de EU voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, voorgelegd aan de Europese Raad tijdens zijn vergadering van 28 en 29 juni 2016,

–  gezien de Gezamenlijke Mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 21 maart 2012 "Naar een hernieuwd partnerschap voor ontwikkeling tussen de EU en het Stille Oceaangebied" (JOIN(2012)0006,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid van 26 juni 2012 getiteld "Gezamenlijke strategie voor een partnerschap tussen de EU en het Caribisch gebied" (JOIN(2012)0018),

–  gezien de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU, die is goedgekeurd door de Afrikaanse en Europese staatshoofden en regeringsleiders tijdens de top van Lissabon op 9 december 2007(9),

–  gezien de Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2015 over de rol van de lokale overheden van de ontwikkelingslanden bij ontwikkelingssamenwerking(10),

–  gezien de gezamenlijke ACS-EU-verklaring van 20 juni 2014 over de agenda voor de periode na 2015(11),

–  gezien de Verklaring van Sipopo van de 7e top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS-landen van 13 en 14 december 2012 getiteld "De toekomst van de ACS-landen in een veranderende wereld: uitdagingen en kansen"(12),

–  gezien de Derde Internationale Conferentie over financiële middelen voor ontwikkeling, die van 13 tot 16 juli 2015 werd gehouden en de actieagenda van Addis Abeba, die is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN op 27 juli 2015(13),

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development"(14),

–  gezien de 41e sessie van de gezamenlijke ACS-EU-Raad, die is gehouden op 28 en 29 april 2016 in Dakar (Senegal),

–  gezien de achtste ACS-top van staatshoofden en regeringsleiders die is gehouden op 31 mei en 1 juni 2016 in Port Moresby (Papoea-Nieuw-Guinea), waar het Communiqué van Waigani over de toekomstperspectieven van de ACS-groep en de Verklaring van Port Moresby ter goedkeuring van het eindverslag van de Groep van Eminente Personen over de toekomst van de ACS-groep zijn goedgekeurd,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Begrotingscommissie (A8-0263/2016),

A.  overwegende dat de sterkte en het acquis van de Overeenkomst van Cotonou gebaseerd zijn op een aantal unieke kenmerken: het document is wettelijk bindend, het heeft een ongeëvenaarde getalsterkte van 79 + 28 lidstaten, het is alomvattend via zijn drie pijlers van ontwikkelingssamenwerking, politieke samenwerking en economische en handelssamenwerking, het heeft een gezamenlijk institutioneel kader en het heeft een ruime begroting in de vorm van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

B.  overwegende dat de overkoepelende doelstelling van de Overeenkomst van Cotonou, "armoede terugdringen en uiteindelijk uitroeien, overeenkomstig de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie", expliciet is opgenomen in artikel 1 ervan; overwegende dat het partnerschap is gebaseerd op een reeks basiswaarden en beginselen, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten en de financiële vrijheid, democratie op basis van de rechtsstaat, en transparante en verantwoorde governance;

C.  overwegende dat meer dan 80 % van de minst ontwikkelde landen ter wereld (MOL) in ACS-gebieden liggen, zodat het EU-ACS-partnerschap bijzonder relevant is;

D.  overwegende dat het politieke en economische landschap van de ACS-groep en binnen de Europese Unie sinds de ondertekening van de Overeenkomst van Cotonou gewijzigd is;

E.  overwegende dat de toekomst van de relatie tussen de ACS-landen en de EU moet worden gebaseerd op een nieuwe beschouwing van het potentieel en de hindernissen die op het pad van de EU-ACS-samenwerking liggen;

F.  overwegende dat de getalsterkte van de ACS- en de EU-lidstaten onvoldoende heeft geleid tot gezamenlijk optreden op mondiale fora;

G.  overwegende dat het partnerschap tussen de ACS-landen en de EU een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

H.  overwegende daarentegen dat er tot nu toe onvoldoende resultaten zijn geboekt voor de doelstellingen op het gebied van de uitroeiing van de armoede en de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie, aangezien de helft van de ACS-lidstaten nog steeds tot de MOL behoort en dat de ACS-lidstaten samen minder dan 5 % van de wereldhandel en ongeveer 2 % van het wereldwijde bbp voor hun rekening nemen;

I.  overwegende dat handelsbetrekkingen de tweede pijler van de Overeenkomst van Cotonou vormen en dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) de instrumenten voor deze pijler zijn;

J.  overwegende dat economische partnerschapsovereenkomsten worden gedefinieerd in artikel 36 van de Overeenkomst van Cotonou als ontwikkelingsinstrumenten "bedoeld om de soepele en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de mondiale economie te bevorderen, vooral door volledig gebruik te maken van het potentieel van de regionale integratie en de zuid-zuidhandel"; overwegende dat de opname van EPO's in de Overeenkomst van Cotonou beleidscoherentie voor ontwikkeling bevordert;

K.  overwegende dat de Overeenkomst van Cotonou zowel het groeiende belang van de regionale integratie in ACS-landen en in de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU in aanmerking neemt als de rol ervan voor de bevordering van vrede en veiligheid, de stimulering van groei en voor de bestrijding van grensoverschrijdende uitdagingen;

L.  overwegende dat de Overeenkomst van Cotonou betrekking heeft op nieuwe mondiale uitdagingen in verband met klimaatverandering, migratie, vrede en veiligheid (zoals bestrijding van terrorisme, extremisme en internationale misdaad), maar weinig concrete resultaten op deze gebieden heeft opgeleverd;

M.  overwegende dat vergaderingen van gezamenlijke ACS-EU-instellingen, en met name de Gezamenlijke Raad van Ministers, weinig concrete resultaten hebben geboekt en een geringe aanwezigheid en aanwezigheid van laag niveau hebben gekend;

N.  overwegende dat de EU ongeveer 50 % van de kosten van het ACS-secretariaat voor haar rekening neemt; overwegende dat een aantal ACS-lidstaten niet hun volledige lidmaatschap betaalt;

O.  overwegende dat de politieke dialoog over essentiële elementen, overeenkomstig de artikelen 8 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou, een concreet en wettelijk instrument is voor het verdedigen van de gemeenschappelijke waarden van het ACS-EU-partnerschap en het bevorderen van democratie en mensenrechten, die van fundamenteel belang zijn voor duurzame ontwikkeling;

P.  overwegende dat er een duidelijke behoefte is om ervoor te zorgen dat de voorwaarde van de mensenrechten behouden blijft en de politieke dialoog wordt versterkt in de nieuwe overeenkomst;

Q.  overwegende dat de betrokkenheid bij de politieke dialoog van de nationale parlementen, de lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de privésector, ondanks het feit dat wordt erkend dat zij belangrijk zijn, vooralsnog veeleer beperkt is; overwegende dat de rol van de ACS-groep als op zich beperkt is gebleven tot gevallen waar een beroep is gedaan op artikel 96; overwegende dat de politieke dialoog, met name artikel 96, vooral is gebruikt in een late fase van politieke crisissen en niet op preventieve wijze;

R.  overwegende dat ondanks de expliciete erkenning van de rol van nationale parlementen, lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de privésector in de herziening van 2010 van de Overeenkomst van Cotonou, hun deelname aan overleg over ACS-EU-beleidsmaatregelen en -activiteiten nog steeds beperkt is;

S.  overwegende dat maatschappelijke organisaties worden geconfronteerd met wetgeving die hen steeds meer aan banden legt en met andere hindernissen die hun activiteiten en speelruimte beknotten;

T.  overwegende dat zich in de ACS-regio's landen en gebieden overzee (LGO's) bevinden die bij de Europese Unie horen en bijzondere betrekkingen met de EU hebben, waardoor er afstand moet worden gedaan van de traditionele aanpak van ontwikkelingshulp zodat beter rekening wordt gehouden met het feit dat deze gebieden tot de Europese familie behoren; overwegende dat de LGO's ondanks hun speciale status wel van de voordelen kunnen profiteren van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), net als de ACS-landen;

U.  overwegende dat het EOF wordt gefinancierd door rechtstreekse bijdragen van de EU-lidstaten en niet onderworpen is aan de normale EU-begrotingsregels; overwegende dat het Parlement geen bevoegdheid heeft over de EOF-begroting, naast de kwijting van gedane uitgaven, en ook geen formele toetsingsrechten uitoefent over de EOF-programmering;

V.  overwegende dat in het kader van het elfde EOF ongeveer 900 miljoen EUR is uitgetrokken voor de Vredesfaciliteit voor Afrika en ongeveer 1,4 miljard EUR van de EOF-reserve wordt gebruikt voor het EU-trustfonds voor Afrika;

W.  overwegende dat de inzet van nationale middelen in de ACS-landen en de middelen van de diaspora een essentiële financieringsbron kunnen vormen voor ontwikkeling;

X.  overwegende dat opname van het EOF in de begroting democratische toetsing mogelijk zou maken, de zichtbaarheid zou vergroten en de transparantie van het gebruik van EU-ontwikkelingsfondsen zou vergroten; overwegende daarentegen dat het feit dat de EOF-programmering over meerdere jaren is verspreid de voorspelling van de middelen toelaat en opname van het EOF in de begroting kan leiden tot een afname van de ontwikkelingsfondsen voor ACS-landen ten voordele van andere prioriteiten van buitenlands beleid en dat dit zou kunnen worden opgevat als een verzwakking van het bevoorrechte EU-ACS-partnerschap; overwegende opname van het EOF in de begroting ook de financiering van de Vredesfaciliteit voor Afrika in het gedrang kan brengen, evenals andere belangrijke initiatieven zoals de Vredesfaciliteit voor Afrika, tenzij een gericht instrument voor de financiering van veiligheidsuitgaven in verband met ontwikkelingssamenwerking in het leven wordt geroepen;

1.  bevestigt dat de ACS-EU-samenwerking een waardevolle en unieke realisatie is die de banden tussen de ACS- en de EU-bevolkingen en -landen en hun parlementen in de loop van de laatste 40 jaar heeft versterkt; onderstreept het feit – wanneer de ACS-landen tonen dat zij zich verplichten tot het ondernemen van gezamenlijke actie als groep – dat, om de effectiviteit van de samenwerking te verbeteren en haar aan te passen aan nieuwe uitdagingen, moet worden voorzien in een nieuwe structuur waarbij de delen van het ACS-EU-acquis worden behouden die een universeel karakter hebben, bijvoorbeeld de gesteldheid op mensenrechten en gendergelijkheid, menselijke ontwikkeling, governance en democratie, de doelstelling van de rechtsstaat en de uitwisseling van beste praktijken in een gemeenschappelijk kader, terwijl de hoofdtaak moet worden uitgevoerd overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, d.w.z. in het kader van regionale akkoorden die afgestemd zijn op de specifieke regionale behoeften en de gemeenschappelijke belangen in de EU en de regio in kwestie;

2.  benadrukt het feit dat zowel het gemeenschappelijke kader en de regionale akkoorden wettelijk bindend moeten zijn; onderstreept het feit dat, om de effectiviteit te vergroten, duplicering te voorkomen en overlappende beleidskaders te vermijden, de regionale akkoorden met Afrika, de Caraïben en de Stille Zuidzee zo ontworpen moeten zijn dat rekening wordt gehouden met de bestaande regionale en subregionale organisaties, bijvoorbeeld de Afrikaanse Unie, regionale economische gemeenschappen en regionale strategieën of regionale akkoorden als de EPO's, en de opname mogelijk moeten maken van bijkomende landen, bijvoorbeeld Noord-Afrikaanse landen, of de creatie van groepen volgens specifieke belangen of behoeften (bijvoorbeeld ontwikkelingsstatus, als in het geval van MOL, of bijzondere geografische kenmerken, als in het geval van kleine insulaire ontwikkelingslanden);

Doelstellingen, principes en voorwaarden van de samenwerking

3.  vraagt dat de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling centraal worden geplaatst in een nieuwe overeenkomst en dat krachtige monitoringmechanismen worden gecreëerd om te garanderen dat de tenuitvoerlegging van de overeenkomst tot de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling bijdraagt en deze doelstellingen bevordert;

4.  vraagt een ACS-EU-mechanisme voor collegiale toetsing, toezicht en verantwoordingsplicht om de tenuitvoerlegging van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling in de lidstaten regelmatig te controleren, met ACS- en EU-vertegenwoordigers, niet alleen van centrale overheidsinstellingen, maar ook van parlementen, regionale en lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en wetenschappelijke gemeenschappen en de opstelling van jaarlijkse conclusies en aanbevelingen voor nationale, regionale en wereldwijde herzieningsprocessen en follow-up;

5.  onderstreept bovendien dat er bij de programmering, goedkeuring en tenuitvoerlegging van de openbare sectorale beleidsmaatregelen waarin het toekomstige akkoord voorziet, ten volle rekening moet worden gehouden met op kennis gebaseerde beleidslijnen (knowledge-based policies);

6.  vraagt dat de bestrijding en uiteindelijke uitroeiing van armoede en ongelijkheden en de bevordering van duurzame ontwikkeling de overkoepelende doelstellingen van de ACS-EU-samenwerking blijven; is evenwel van mening dat een nieuwe overeenkomst in de eerste plaats een politiek project moet zijn dat gebaseerd is op eigen inbreng, met duidelijke achterlating van de donor-ontvanger-mentaliteit; is van mening dat er moet worden samengewerkt op gebieden van gemeenschappelijk belang, waar wederzijdse winst te verwachten is, niet alleen in economisch opzicht, maar ook met betrekking tot vrede en veiligheid, mensenrechten en de rechtsstaat, governance en democratie, migratie, milieu, de klimaatverandering en andere terreinen in verband met de welvaart zowel van de ACS- als van de EU-bevolkingen;

7.  herhaalt zijn standpunt dat beleidscoherentie voor ontwikkeling (policy coherence for development, PCD) een essentieel element is om de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling te realiseren; is van mening dat het algemene karakter van de Overeenkomst van Cotonou PCD bevordert en daarom in een nieuwe overeenkomst behouden moet blijven; wijst op de noodzaak om specifieke bepalingen inzake PCD te behouden en de dialoog over hiermee verband houdende kwesties te versterken in het kader van de nieuwe overeenkomst; herinnert aan zijn voorstel om vaste PCD-corapporteurs te benoemen in het kader van de Paritaire Parlementaire Vergadering;

8.  is van mening dat de eerbiediging van internationaal overeengekomen beginselen voor doeltreffendheid van hulp van wezenlijk belang zijn voor het succes van de Agenda 2030 en vindt dat een verwijzing hiernaar moet worden opgenomen in de toekomstige overeenkomst;

9.  vraagt dat de essentiële elementen in de Overeenkomst van Cotonou met betrekking tot mensenrechten, democratische principes en de rechtsstaat het op waarden gebaseerde fundament van een nieuwe overeenkomst blijven vormen; vraagt dat governance als essentieel element wordt toegevoegd, en zo te beantwoorden aan de nieuwe doelstelling inzake duurzame ontwikkeling nr. 16 met betrekking tot vrede, justitie en doeltreffende instellingen; herinnert aan het belang van de volledige tenuitvoerlegging van artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou;

10.  benadrukt het feit dat politieke dialoog een fundamenteel onderdeel van de Overeenkomst van Cotonou is en dat de artikelen 8 en 96 een concreet en wettelijk instrument zijn om de essentiële elementen van de ACS-EU-betrekkingen te beschermen, hoewel zij in het verleden niet altijd effectief zijn gebruikt; vraagt dat politieke dialoog een centrale en wettelijke pijler in het overkoepelende kader en op het regionale niveau van de nieuwe overeenkomst blijven; vraagt dat politieke dialoog effectiever en systematischer en op proactieve wijze wordt gebruikt om politieke crisissen te voorkomen;

11.  herinnert eraan dat artikel 97 van de Overeenkomst van Cotonou voorziet in een overlegprocedure en de goedkeuring van aangepaste maatregelen in ernstige gevallen van corruptie; betreurt dat dit artikel tot nu toe slechts eenmaal is ingeroepen; roept op deze procedure in de toekomstige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS-landen te versterken zodat ze echt operationeel wordt;

12.  onderstreept in verband hiermee dat politieke dialoog een waardevolle basis is voor een verbetering van de situatie van de volkeren van de partnerlanden; betreurt dat onvoldoende gebruik wordt gemaakt van dit instrument en dat het tot nu toe weinig effectief is geweest; vraagt daarom een betere monitoring van de mensenrechtensituatie en de andere essentiële en fundamentele elementen van de overeenkomst, dringt erop aan deze monitoring inclusief en participatief te maken en vraagt een regelmatige, twee- of meerjaarlijkse evaluatie en gezamenlijke verslagen over de eerbiediging van deze elementen door alle ACS-EU-lidstaten, met als doel namen te noemen en aan de schandpaal te nagelen of lof toe te zwaaien; vraagt dat de resultaten van deze verslagen tijdens de overkoepelende ACS-EU-bijeenkomsten worden gepresenteerd en dat zij worden gebruikt als basis voor politieke dialoog en worden geraadpleegd in nationale, regionale en wereldwijde onderzoeken voor het monitoren van de tenuitvoerlegging van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

13.  vraagt een sterkere deelname van de nationale parlementen en regionale en lokale autoriteiten, zowel in de ACS- als in de EU-landen, in alle fasen van het ACS-EU-beleid en de ACS-EU-activiteiten, van planning voor de toekomst en programmering tot tenuitvoerlegging, evaluatie en monitoring, met name uit het oogpunt van het subsidiariteitsbeginsel;

14.  vraagt alle partijen bij de nieuwe overeenkomst om zich ertoe te verbinden de autonomie en de capaciteiten van de lokale en regionale regeringen te versterken, zodat zij hun taken op een doeltreffende manier tot een goed einde kunnen brengen en kunnen handelen als belangrijke actoren voor de ontwikkeling van ACS-landen;

15.  vraagt een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in politieke dialoog, programmering en tenuitvoerlegging, en meer steun voor capaciteitsopbouw door dit middenveld, met name wat lokale groepen betreft op wie het beleid rechtstreeks betrekking heeft; onderstreept in verband hiermee het gevaar dat het werkterrein voor het maatschappelijk middenveld in een aantal landen krimpt en het feit dat ook groepen bij de zaak moeten worden betrokken, bijvoorbeeld minderheden, jongeren en vrouwen, die niet in staat zijn hun belangen te organiseren of die, ondanks een legitiem democratisch belang, niet door hun regering worden erkend;

16.  is van mening dat de privésector een spilrol kan spelen in het ontwikkelingsproces en kan bijdragen tot de financiering van ontwikkeling, mits de investeringen worden gedaan met respect voor de bevolking en het traditionele eigenaarschap of gebruik en voor het milieu in overeenstemming met de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten; vraagt daarom dat privé-investeringen worden ondersteund onder auspiciën van de Europese Investeringsbank (EIB), mits zij stroken met het internationale recht op het gebied van de mensenrechten en de regels inzake sociale en milieubescherming; benadrukt dat in het nieuwe partnerschap prioriteit moet worden gegeven aan lokale kleinschalige producenten en landbouwers, en ook aan het garanderen van een gunstig klimaat voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen; vraagt voorts dat de lokale en nationale privésectoren worden gehoord tijdens het beleidsvormingsproces, de programmerings- en de tenuitvoerleggingsfase;

Toekomstige ACS-EU-instellingen

17.  vraagt dat tijdens de vergaderingen van de gezamenlijke ACS-EU-Raad ook debatten worden gehouden over actuele en dringende politieke kwesties, inclusief gevoelige kwesties, om hierover gezamenlijke conclusies goed te keuren; verzoekt alle bevoegde ministeries van de ACS- en EU-lidstaten hun participatie op ministerieel niveau te verbeteren, om de vergaderingen de nodige politieke legitimiteit te verlenen en de nodige zichtbaarheid te geven aan het partnerschapsprincipe;

18.  vraagt dat de nieuwe samenwerkingsovereenkomst een sterke parlementaire dimensie omvat, door middel van een Paritaire Parlementaire Vergadering (PPV), die zal zorgen voor een open democratische parlementaire dialoog over alle aangelegenheden, inclusief moeilijke en gevoelige kwesties, gemeenschappelijke (regionale) die politieke projecten zal voorstellen, waarvoor zij een democratische fundering zal verstrekken door de deelname van meerdere belanghebbenden, die het werk van de uitvoerende instantie en de ontwikkelingssamenwerking zal controleren, die democratie en mensenrechten zal bevorderen en die zo een belangrijke bijdrage zal leveren tot een nieuw samenwerkingspartnerschap op gelijke voet; onderstreept het belang van vroege betrokkenheid van de PPV bij alle relevante debatten over het ACS-EU-partnerschap na -2020;

19.  is ervan overtuigd dat de PPV moet zorgen voor een adequate democratische en proportionele vertegenwoordiging en participatie van alle politieke krachten in haar debatten; vraagt daarom dat de nationale delegaties in de PPV parlementaire vertegenwoordigers omvatten van hun nationale politieke spectrum en dat de aanwezighied van de oppositie erin gegarandeerd is;

20.  vraagt dat de PPV aangepast is aan de nieuwe regionale structuur, zodat zij haar werk in regionale fora kan focussen op kwesties van regionaal belang, met een grote betrokkenheid van de nationale en regionale parlementen, terwijl ook de periodieke, gezamenlijke ACS-EU-vergaderingen worden gehouden, zij het met een lagere frequentie; vraagt dat themavergaderingen per onderwerp met het maatschappelijk middenveld, lokale autoriteiten en de privésector deel uitmaken van de PPV-sessies, om de debatten over de onderwerpen op de PPV-agenda verder te ontwikkelen en te verbreden;

21.  roept het PPV-bureau op om een meer strategische oriëntatie van het werkprogramma van de Vergadering te ontwikkelen; verzoekt om in toekomstige verslagen van de PPV-commissies een duidelijke verwijzing op te nemen naar de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling om voortdurende monitoring van elke doelstelling mogelijk te maken; vraagt dat de gemeenschappelijke resoluties in het overkoepelende ACS-EU-forum over dringende internationale kwesties, vertragingen bij kwesties in verband met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en schendingen van de mensenrechten, en de resoluties in de regionale of andere vergaderingen over actuele kwesties en aangelegenheden die dringend zijn en van bijzonder belang voor een regio of een specifieke groep, op één lijn worden gebracht; herinnert in dit kader de VV/HV aan het politieke belang van de aanwezigheid van de Raad op ministerieel niveau in de sessies van de Paritaire Parlementaire Vergadering; dringt erop aan dat de covoorzitters van de PPV ACS-EU worden uitgenodigd op de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad om een doeltreffende en wederzijdse informatiestroom te garanderen en de institutionele samenwerking te verbeteren;

22.  vraagt dat bijkomende inspanningen worden geleverd om de controle door de PPV van de ontwikkelingsprogrammering en de follow-up van deze controle te verbeteren, rekening houdend met de beginselen inzake doeltreffende ontwikkelingshulp; verzoekt de Commissie en de regeringen de betrokkenheid te bevorderen van de nationale parlementen, de lokale en regionale autoriteiten en de actoren van het maatschappelijk middenveld, de privésector en de diaspora in alle controlefasen van de ontwikkelingsprogrammering en op een tijdige en transparante manier alle beschikbare informatie te verstrekken aan de nationale parlementen, om deze te helpen bij hun taak van democratische controle;

23.  is van mening dat het partnerschap ACS-EU meer banden moet proberen op te bouwen met andere partners wereldwijd (zoals de Afrikaanse Unie of de Verenigde Naties) en andere internationale grootmachten wanneer mogelijk, en moet werken aan een uitgebreide coördinatie en samenwerking, zonder werk of missies te herhalen, om oorlogen, interne conflicten, gebrek aan veiligheid, fragiliteit en overgangssituaties het hoofd te bieden;

Toekomstige financiering

24.  is ervan overtuigd dat het gelijktijdig verstrijken van de Overeenkomst van Cotonou en het meerjarig financieel kader van de Unie (MFK) de gelegenheid biedt om definitief te besluiten het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de begroting op te nemen, om de efficiëntie en effectiviteit, de transparantie, de democratische controle, de verantwoordingsplicht en de zichtbaarheid en coherentie van de ontwikkelingsfinanciering van de EU te verbeteren; benadrukt evenwel het feit dat deze opname in de begroting afhankelijk moet worden gesteld van i) een gegarandeerde specifieke toewijzing van de middelen voor ontwikkeling, om het per geval aangepaste financieringsniveau voor de ontwikkelingslanden te behouden, en ii) een permanente en afzonderlijke oplossing voor de financiering door de EU van de veiligheidsuitgaven die verband houden en coherent zijn met ontwikkelingssamenwerking; benadrukt dat zelfs wanneer het EOF wordt opgenomen in de begroting, het benchmarks moet omvatten die zijn afgestemd op de ontwikkelingssamenwerking van de EU; spoort beide partijen ertoe aan hun financieringsinstrumenten te moderniseren en waar mogelijk algemene en sectorale begrotingssteun te bevorderen;

25.  wijst erop dat de begroting van de Unie reeds voorziet in instrumenten voor specifieke partners en dat de opname van het EOF in de begroting zo kan worden vormgegeven dat de bevoorrechte ACS-EU-betrekkingen eruit blijken en worden bevorderd, teneinde duurzame ontwikkeling te stimuleren; verzoekt de Commissie een stappenplan op te stellen waarin wordt ingegaan op de hierboven genoemde punten, en wel vóór de indiening van de nodige voorstellen voor het volgende MFK;

26.  herinnert eraan dat de toekomstige ACS-EU-betrekkingen een politiek karakter moeten hebben, d.w.z. dat wordt gewerkt in de richting van gemeenschappelijke politieke projecten in verschillende internationale fora, en niet vooral een karakter van donor en ontvanger; benadrukt daarom het feit dat de EU-principes inzake ontwikkelingshulp op gelijke wijze moeten worden toegepast op alle ontwikkelingslanden, zodat geavanceerde ACS-landen de fase van het ontvangen van EU-ontwikkelingshulp achter zich moeten laten, onder dezelfde voorwaarden als niet-ACS-landen; is van mening dat een hogere mate van zelffinanciering door de ACS-landen in overeenstemming zou zijn met hun ambitie om een zelfstandige speler te zijn en onderstreept in verband hiermee dat het belangrijk is om in het kader van de nieuwe overeenkomst de instrumenten voor capaciteitsopbouw van de ACS-landen te versterken zodat zij zelf de vitale sectoren van de economie kunnen financieren; vraagt de partijen zich sterker in te spannen voor capaciteitsopbouw in de ACS-landen om binnenlandse middelen vrij te maken en te gebruiken, met name door de versterking van de fiscale stelsels, een goed beheer van natuurlijke hulpbronnen, industrialisering en de verwerking van grondstoffen bestemd voor de lokale, regionale en internationale markten;

27.  onderstreept het feit dat het 11e EOF de belangrijkste financieringsbron is van de Vredesfaciliteit voor Afrika (APF), ondanks het feit dat dit bij de oprichting van de APF in 2003 bedoeld was als tijdelijke oplossing; vraagt de instelling van een specifiek instrument voor de financiering van veiligheidsuitgaven in verband met ontwikkelingssamenwerking;

28.  wijst op de mededeling van de Commissie van 7 juni 2016 over een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda; merkt op dat de bijdrage van de EU-begroting en het EOF aan het pakket van 8 miljard EUR uitsluitend bestaat uit reeds geplande hulp; roept ertoe op de ontwikkelingshulp aan de begunstigden niet in gevaar te brengen en om door middel van nieuwe kredieten financiering te verstrekken voor initiatieven op migratiegebied;

29.  roept op tot de oprichting van een instrument voor alle LGO's dat beantwoordt aan hun speciale status, op grond van het feit dat ze tot de Europese familie behoren; verzoekt een sterkere samenwerking tussen de ACS-landen en de LGO's tot stand te brengen zodat deze kunnen meewerken aan de inclusieve en duurzame ontwikkeling van hun respectieve regio en zodat de LGO's beter in hun regionale omgeving kunnen worden geïntegreerd;

Handelsdimensie: Economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's)

30.  herhaalt dat de EPO's een basis vormen voor regionale samenwerking en dat zij instrumenten moeten zijn voor ontwikkeling en regionale integratie; wijst daarom op de relevantie van wettelijk bindende duurzaamheidsbepalingen (met betrekking tot mensenrechten-, sociale en milieunormen) in alle EPO's en onderstreept dat het belangrijk is effectieve monitoringsystemen te creëren die een brede waaier aan maatschappelijke organisaties omvatten, om mogelijke negatieve effecten als gevolg van de handelsliberalisering te identificeren en te voorkomen;

31.  dringt aan op een post-Cotonou-overeenkomst die fungeert als een politieke raamovereenkomst waarbinnen bindende minimumeisen voor de EPO's worden vastgesteld, om continuïteit te garanderen voor de EPO-koppelingen in de bestaande Overeenkomst van Cotonou naar duurzaamheidsbepalingen met betrekking tot governance, eerbiediging van de mensenrechten, inclusief onder de kwetsbaarsten, en naleving van de sociale en milieunormen, en omdat dit een kader oplevert voor duurzame ontwikkeling en beleidscoherentie; vraagt een proces voor gezamenlijke parlementaire controle en toezicht met betrekking tot de impact van de EPO's, alsmede gestructureerde mechanismen voor toezicht door het maatschappelijk middenveld;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ACS-Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/acp/03_01/pdf/mn3012634_en.pdf
(2) http://www.epg.acp.int/fileadmin/user_upload/Georgetown_1992.pdf
(3) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 19.
(4) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 257.
(5) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 120.
(6) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 833.
(7) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/acp/2015_acp2/pdf/101905en.pdf
(8) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/acp/2015_acp2/pdf/1081264en.pdf
(9) http://www.africa-eu-partnership.org/sites/default/files/documents/eas2007_joint_strategy_en.pdf
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0336.
(11) http://www.acp.int/content/acp-eu-stand-together-post-2015-development-agenda
(12) http://www.epg.acp.int/fileadmin/user_upload/Sipopo_Declaration.pdf
(13) Resolutie A/RES/69/313 van de Algemene Vergadering van de VN.
(14) Resolutie A/RES/70/1 van de Algemene Vergadering van de VN.

Juridische mededeling