Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 6 oktober 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Rwanda: het geval van Victoire Ingabire
 Soedan
 Thailand, met name het geval van Andy Hall
 Internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9
 De situatie in Syrië
 VN-conferentie over klimaatverandering 2016 in Marrakesh, Marokko (COP22)
 Tenuitvoerlegging van de verordening inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen
 Jaarverslag 2014 over de controle op de toepassing van het Unierecht
 Het in de handel brengen van zaden van genetisch gemodificeerde mais Bt11
 Het in de handel brengen van zaden van genetisch gemodificeerde maïs 1507
 Verlenging van de vergunning voor zaden van genetisch gemodificeerde mais MON 810
 Verlenging van de vergunning voor genetisch gemodificeerde maïsproducten MON 810
 Het in de handel brengen van genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913

Rwanda: het geval van Victoire Ingabire
PDF 175kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over Rwanda, de zaak Victoire Ingabire (2016/2910(RSP))
P8_TA(2016)0378RC-B8-1061/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over Rwanda: de zaak van Victoire Ingabire(1),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren (AHRMV),

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand in Afrika,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, dat Rwanda in 1975 heeft geratificeerd,

–  gezien de uitkomsten van de universele periodieke doorlichting van Rwanda van 2015 en de afsluitende opmerking in 2016 van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de verklaring op 3 december 2015 van Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger van de EU, over herziening van de grondwet in Rwanda,

–  gezien de gezamenlijke lokale EU-verklaring van 18 december 2015 over het referendum inzake een ontwerpgrondwet in Rwanda,

–  gezien het persbericht van 16 maart 2016 van de Verenigde Democratische Krachten over de beroepszaak van politieke gevangene Victoire Ingabire Umuhoza,

–  gezien het verslag van Freedom House over Rwanda van 2015,

–  gezien het landenverslag van Amnesty International getiteld "Rwanda 2015/2016",

–  gezien het verslag van Amnesty International van 2013 getiteld "Justice in jeopardy: The first instance trial of Victoire Ingabire" (Justitie in gevaar. Het proces in eerste aanleg van Victoire Ingabire),

–  gezien het antwoord van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton van 4 februari 2013 op schriftelijke vraag E-010366/2012over Victoire Ingabire,

–  gezien het verslag van Human Rights Watch van 29 september 2016 getiteld "Rwanda: Opposition Activist Missing" (Rwanda: activist van de oppositie vermist),

–  gezien het verslag over Rwanda van 2014 van de speciale rapporteur van de VN voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Rwanda een van de weinige Afrikaanse landen is die een voorname rol spelen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, met name in kwesties zoals gendergelijkheid, versterking van de positie van vrouwen, universeel basisonderwijs, kindersterfte en moedersterfte, de verspreiding van hiv en milieuduurzaamheid;

B.  overwegende dat een sterke economische groei vergezeld is gegaan van belangrijke verbeteringen van de levensstandaard, zoals blijkt uit een daling met twee derde van de kindersterfte en de bijna algemene deelname aan basisonderwijs;

C.  overwegende dat er economische en politieke inspanningen zijn gedaan om de economie van het land te versterken en deze meer op industrie en dienstverlening te richten;

D.  overwegende dat op 30 oktober 2012, Victoire Ingabire, voorzitter van de Verenigde Democratische Krachten (UDF), tot acht jaar gevangenis is veroordeeld vanwege terroristische samenzwering tegen de staat en het bagatelliseren van de Rwandese genocide van 1994, op grond van banden met de Democratische Strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda (FDLR);

E.  overwegende dat in september 2016 een delegatie van het Europees Parlement de toegang tot de gevangen oppositieleider Victoire Ingabire geweigerd is; overwegende dat hoewel de nadruk van het bezoek lag op de rol van vrouwen in de samenleving en de verbetering van hun positie, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Samenwerking van oordeel was dat "er geen bijzondere reden aan te wijzen was waarom mevrouw Victoire Ingabire, een veroordeelde die onderworpen is aan de nationale richtsnoeren en voorschriften inzake detentie, leden van het Europees Parlement op officieel werkbezoek zou mogen ontvangen;

F.  overwegende dat tijdens het werkbezoek is vastgesteld dat in dit opzicht nog belangrijke problemen onopgelost zijn, zoals de toegang tot onderwijs in plattelandsgebieden, meer gelijke eigendomsrechten en betere toegang tot niet-agrarische werkgelegenheid, en overwegende dat de mensenrechtensituatie, met name wat de politieke participatie en de vrijheid van meningsuiting in Rwanda betreft, zorgelijk blijft, terwijl nog steeds sprake is van een zeer zwak onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

G.  overwegende dat veel mensenrechtenorganisaties het proces in eerste aanleg van Victoire Ingabire hebben afgekeurd omdat ernstige onregelmatigheden geconstateerd zijn en de beklaagde een oneerlijke behandeling ten deel viel; overwegende dat Amnesty International in zijn verslagen wijst op nadelige openbare uitspraken van de Rwandese president die aan het proces voorafgingen en het gebruik van getuigenverklaringen van gevangenen in Camp Kami, waar naar verluidt gefolterd wordt; overwegende dat vier getuigen à charge en medebeschuldigden, nadat ze in 2012 voor het Rwandese hof van justitie tegen Victoire Ingabire hadden getuigd, in 2013 voor het hooggerechtshof verklaarden dat hun getuigenissen waren vervalst;

H.  overwegende dat Victoire Ingabire op 13 september 2012 – samen met twee andere Rwandese politici, Bernard Ntaganda en Deogratias Mushyayidi, werd genomineerd voor de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte van het Europees Parlement;

I.  overwegende dat in 2015 mevrouw Ingabire bij het Afrikaans Hof voor de rechten van mensen en volkeren in beroep is gegaan en de regering van Rwanda beschuldigde van schending van haar rechten; overwegende dat in maart 2015 Rwanda zich heeft onttrokken aan de jurisdictie van het Afrikaans Hof met het argument dat de rechtbanken in Rwanda in staat zijn alle lokale zaken af te handelen; overwegende dat op 29 februari 2016 de Rwandese regering haar verklaring heeft ingetrokken waarbij individuele personen werd toegestaan hun klachten rechtstreeks bij het Afrikaans Hof voor de rechten van mensen en volkeren in te dienen, slechts enkele dagen voordat de rechters de zaak van Victoire Ingabire tegen de Rwandese regering zouden horen;

J.  overwegende dat volgens de partij van Victoire Ingabire, UDF-Inkingi, de omstandigheden waaronder mevrouw Ingabire wordt gevangengehouden sinds april 2016 aanzienlijk verslechterd zijn; overwegende dat haar externe maaltijden en speciale voeding worden geweigerd en haar medisch verklaring ongeldig is bevonden;

K.  overwegende, onder meer, dat de partij van Victoire Ingabire, UDF-Inkingi, niet wettig als politieke partij geregistreerd kan worden en dat sommige partijleden bedreigd, gearresteerd en gevangengenomen zijn;

L.  overwegende dat verscheidene leden van de oppositiepartij gevangengehouden worden; overwegende dat Illuminée Iragena, een verpleegkundige en politiek activiste met banden met FDU-Inkingi, sinds vijf maanden vermist wordt en voor haar veiligheid gevreesd wordt; overwegende dat Léonille Gasengayire, de penningmeester van FDU-Inkingi, op 23 augustus 2016 gearresteerd is op verdenking van het aanzetten tot een publieke opstand;

M.  overwegende dat Rwanda de 161e plaats inneemt van de 180 plaatsen op de Wereldindex voor persvrijheid van 2016; overwegende dat de persvrijheid verder verslechtert gezien het feit dat onafhankelijke journalisten regelmatig lastiggevallen, bedreigd en gearresteerd worden; overwegende dat journalisten in ballingschap en buitenlandse journalisten in toenemende mate blootstaan aan buitenwettelijke intimidatie, geweld en gedwongen verdwijningen vanwege hun kritische berichtgeving over functionarissen;

N.  overwegende dat in oktober 2014 de regering de radiodienst (in de taal Kinyarwanda) van de British Broadcasting Corporation (BBC) voor onbepaalde tijd heeft opgeschort, na de uitzending van een controversiële televisiedocumentaire van de BBC over de genocide in Rwanda in 1994;

O.  overwegende dat de consolidering van de democratie, waaronder het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de participatie van oppositiepartijen, cruciaal is, met name met het oog op de in 2017 te houden presidentsverkiezingen;

P.  overwegende dat de tekortkomingen van het gerechtelijk apparaat van Rwanda zoals die tijdens het strafproces van Victoire Ingabir naar voren zijn gekomen, de capaciteit daarvan heeft ondermijnd om in het oog springende politieke zaken te behandelen;

Q.  overwegende dat Rwanda een belangrijke speler is in het gebied van de Grote Meren en een cruciale rol kan spelen in het stabiliseringsproces, ook door te strijden tegen illegale handel in mineralen en andere natuurlijke hulpbronnen; overwegende dat in het verslag van 2015 van de VN-groep van deskundigen over de Democratische Republiek Congo (DRC) de regering van Rwanda de aanbeveling gedaan wordt onderzoek in te stellen naar en degenen te vervolgen die betrokken zijn bij de illegale handel in tin, tantaal en wolfraam, alsmede het witwassen in Rwanda van mineralen afkomstig uit de DRC;

1.  veroordeelt ten zeerste politiek gemotiveerde processen, de vervolging van politieke tegenstanders en het vooruitlopen op de uitkomst van het proces; dringt er bij de regering van Rwanda op aan om de economische en sociale verwezenlijkingen uit te breiden naar het terrein van de mensenrechten, teneinde met overtuiging de weg in te slaan naar een moderne en inclusieve democratie; dringt er bij de Rwandese autoriteiten op aan te zorgen voor een eerlijke beroepsprocedure van Victoire Ingabire, die voldoet aan de normen van Rwandees en internationaal recht; onderstreept dat processen en aanklachten tegen beklaagden niet kunnen worden gebaseerd op vage en onnauwkeurige wetten en het misbruik daarvan, zoals het geval is in de zaak van Victoire Ingabire;

2.  uit zijn grote bezorgdheid over de verwerping van het beroep van Victoire Ingabire door het hooggerechtshof van Rwanda en haar veroordeling tot 15 jaar gevangenis, en over de verslechterende omstandigheden van haar gevangenschap; is van oordeel dat de beroepsprocedure die in Rwanda gevolgd is niet heeft voldaan aan internationale normen, waaronder het recht van mevrouw Ingabire op het vermoeden van onschuld;

3.  benadrukt dat het zich onttrekken aan de jurisdictie van het Afrikaans Hof voor de rechten van mensen en volkeren door Rwanda in maart 2016, slechts enkele dagen voor de aanvang van de hoorzitting van het beroep van mevrouw Ingabire, door de omstandigheden is ingegeven en gericht is op de beperking van de rechtstreekse toegang van individuele personen en ngo's tot het gerecht;

4.  wijst de Rwandese autoriteiten erop dat de EU haar bezorgdheid ten aanzien van de mensenrechten en het recht op een eerlijk proces heeft geuit in het kader van de officiële politieke dialoog met Rwanda op grond van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou; verzoekt om onmiddellijke en onpartijdige herziening van de zaak van mevrouw Ingabire, gebaseerd op feiten en in overeenstemming met de wet en zonder enige beperking, oneigenlijke beïnvloeding, drukmiddelen of bedreigingen; verzoekt om de eerbiediging van de rechten van Victoire Ingabire in de gevangenis, met inbegrip van toegang tot juridische vertegenwoordiging en adequate voeding en behandeling;

5.  veroordeelt elke intimidatie, arrestatie, detentie en vervolging van leiders van oppositiepartijen, leden, activisten, alsook journalisten en andere personen die als critici van de Rwandese regering worden beschouwd, uitsluitend omdat zij voor hun mening uitkomen; dringt er bij de Rwandese autoriteiten in dit verband op aan het nationale recht te herzien en aan te passen teneinde de vrijheid van meningsuiting te waarborgen, met name de artikelen 463 en 451 van de strafwet die de vrijheid van meningsuiting beperken;

6.  verzoekt de Rwandese regering haar bereidwilligheid te tonen om vermeende mishandeling van activisten van de oppositie en journalisten te onderzoeken en militaire gevangenissen in overeenstemming te brengen met de Rwandese wetgeving en internationale normen; dringt er bij de Rwandese autoriteiten op aan alle personen en andere activisten die uitsluitend gevangengenomen of veroordeeld zijn omdat zij gebruik hebben gemaakt van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, terstond vrij te laten en de scheiding van bestuurlijke, wetgevende en rechterlijke bevoegdheden, en met name de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, te waarborgen;

7.  dringt er bij de Rwandese autoriteiten op aan hun inspanningen te verhogen om de gevallen van Illuminée Iragena, John Ndabarasa, Léonille Gasangayire en anderen, die naar gevreesd wordt gedwongen verdwenen zijn, te onderzoeken, en indien zij gevangengezet zijn, hun verblijfplaats bekend te maken en ofwel hun vrij te laten ofwel te berechten, alsook ervoor te zorgen dat de processen van daadwerkelijke of vermeende tegenstanders en critici van de regering, zoals van Frank Rusagara, Joel Mutabazi, Kizito Mihigo en hun respectievelijke medebeschuldigden, eerlijk verlopen;

8.  verzoekt de Rwandese autoriteiten met klem vreedzame, geloofwaardige en transparante verkiezingen te waarborgen in 2017 en roept de regering op in de aanloop naar deze verkiezingen met de oppositie in contact te treden; spreekt zijn steun uit voor een EU- verkiezingswaarnemingsmissie voor de lange termijn met het oog op de presidentsverkiezingen in 2017, met aandacht voor de politieke ruimte en fundamentele vrijheden;

9.  herinnert de Rwandese autoriteiten eraan dat democratie berust op pluralistisch bestuur, een goed functionerende oppositie, onafhankelijke media en een dito rechterlijke macht, eerbiediging van de mensenrechten en eerbiediging van het recht op vrije meningsuiting en vergadering; verzoekt, in dit verband, Rwanda zijn politieke ruimte open te stellen, aan deze normen te voldoen en zijn reputatie op het gebied van de mensenrechten te verbeteren; verwacht dat Rwanda de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging (2014) ten uitvoer legt;

10.  verzoekt de Rwandese autoriteiten hun verklaring waarmee individuele personen en ngo's wordt toegestaan hun klachten rechtstreeks bij het Afrikaans Hof voor de rechten van mensen en volkeren in te dienen, met spoed te herzien en opnieuw van kracht te laten worden;

11.  verzoekt de EU en haar internationale partners de bevolking van Rwanda te blijven ondersteunen in haar pogingen vrede en stabiliteit in het land en in de gehele regio te bereiken;

12.  verzoekt de Commissie de steun van de EU aan de Rwandese overheidsinstellingen stelselmatig te blijven evalueren, teneinde te waarborgen dat deze steun volledig ten goede komt van de mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en vereniging, politiek pluralisme en een onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de VN, de instellingen van de Afrikaanse Unie, Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de EU-lidstaten, de verdedigers van Victoire Ingabire en de president van Rwanda.

(1) PB C 55 van 12.2.2016, blz. 127.


Soedan
PDF 178kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over Sudan (2016/2911(RSP))
P8_TA(2016)0379RC-B8-1062/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 8 augustus 2016 door de EU, de vertegenwoordigers van de Trojka (Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten) en Duitsland waarin tevredenheid wordt geuit over de ondertekening van het stappenplan van het Panel op hoog niveau van de Afrikaanse Unie voor de implementatie van de aanbevelingen betreffende Sudan (AUHIP), in de "Sudan Call"-verklaring,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke deskundige over de mensenrechtensituatie in Sudan van 28 juli 2016 en het verslag van de speciale rapporteur over de negatieve impact van unilaterale dwangmaatregelen op de uitoefening van de mensenrechten, over zijn missie naar Sudan van 4 augustus 2016,

–  gezien de verklaring van 27 juni 2016 door de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter (HV/VV) over de aankondiging van de regering van Sudan van een unilaterale beëindiging van de vijandigheden voor een periode van vier maanden,

–  gezien resolutie 2296 van de VN-Veiligheidsraad over Sudan, die het tijdens zijn 7728e vergadering op 29 juni 2016 heeft aangenomen,

–  gezien het communiqué van 13 juni 2016 van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie over de situatie in Darfur,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die er beide in voorzien dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de verklaring van 9 april 2015 door de Hoge Vertegenwoordiger namens de Europese Unie over het ontbreken van een gunstig klimaat voor de verkiezingen in Sudan in april 2015,

–  gezien de "Sudan Call"-verklaring inzake de totstandbrenging van een staat van burgerschap en democratie,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in Darfur al 13 jaar een conflict gaande is dat heeft geleid tot de dood van meer dan 300 000 mensen en dat de Sudanese regering nog altijd burgers aanvalt, in het bijzonder in Jebel Mara; overwegende dat willekeurige bombardementen op burgers, met inbegrip van onwettige aanvallen door Sudanese troepen op dorpen in Zuid-Kordofan, Blauwe Nijl en Darfur hebben geleid tot slachtoffers en de vernietiging van civiele infrastructuur;

B.  overwegende dat de nationale veiligheidswet uit 2010 voorziet in zeer ruime bevoegdheden voor de Sudanese regering om gedetineerden routinematig in eenzame opsluiting te houden, zonder aanklacht en voor langere perioden, en dat organisaties gedwongen zijn tot opheffing en invallen bij organisaties zijn gedaan;

C.  overwegende dat volgens de universele periodieke doorlichting van de VN van 21 september 2016, Sudan zijn toezegging heeft herhaald om toe te treden tot het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en tot het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning;

D.  overwegende dat mensenrechtenschendingen en misbruik sterk toenemen in Darfur, met name in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl, met inbegrip van buitengerechtelijke executies, buitensporig gebruik van geweld, ontvoering van burgers, seksueel en genderspecifiek geweld tegen vrouwen, schendingen en misbruik jegens kinderen en willekeurige arrestaties en opsluiting;

E.  overwegende dat de openbare ruimte voor de politieke oppositie, het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten beperkt is in Sudan; overwegende dat de Nationale inlichtingen- en veiligheidsdienst (NISS) naar verluidt voortdurend mensenrechtenactivisten, studenten die zich als activist inzetten en politieke opponenten lastig valt, tot doelwit maakt en vervolgt vanwege hun legitieme activiteiten; overwegende dat tot dusver dit jaar vele activisten uit het maatschappelijk middenveld willekeurig zijn aangehouden, waaronder vier vertegenwoordigers van het Sudanese maatschappelijk middenveld die op weg naar een mensenrechtenbijeenkomst op hoog niveau met diplomaten op 31 maart 2016 in Genève, door veiligheidsbeambten zijn onderschept op het internationale vliegveld van Khartoem;

F.  overwegende dat mensenrechtengroeperingen geloofwaardig bewijs hebben onthuld van aanvallen met chemische wapens op burgers door troepen van de Sudanese regering, terwijl dorpelingen van de Jebel Marra regio van Darfur de gruwelijke gevolgen hebben onthuld van vermoedelijke aanvallen met chemische wapens, waarvan de laatste plaatshad op 9 september 2016 in het dorp Gamarah; overwegende dat er naar verluidt eveneens aanvallen zijn gedaan door de "Rapid Support Forces" (RSF), een Sudanese militaire eenheid die bestaat uit voormalige regeringsgezinde milities onder gezag van de NISS;

G.  overwegende dat op 29 februari 2016, de NISS een gewelddadige inval heeft gedaan bij het Khartoum Centre for Training and Human Development (TRACKS), een maatschappelijke organisatie, waarna de directeur Khalfálah Alafif Muktar en de activisten Arwa Ahmed Elrabie, Al-Hassan Kheiry, Imani-Leyla Raye, Abu Hureira Abdelrahman, Al-Baqir Al-Afif Mukhtar, Midhat Afifadeen en Mustafa Adam zijn gearresteerd en beschuldigd van criminele samenzwering en oorlogvoering tegen de staat, overtredingen waarop de doodstraf staat; overwegende dat de directeur naar verluidt in slechte gezondheid verkeert en dat familiebezoek niet is toegestaan;

H.  overwegende dat de Sudanese autoriteiten ernstige beperkingen opleggen aan de vrijheid van godsdienst; overwegende dat bedreigingen van kerkleiders en de intimidatie van christelijke gemeenschappen de afgelopen jaren zijn toegenomen; overwegende dat de Tsjechische christelijke hulpverlener Petr Jašek, de Sudanese dominees Hassan Abduraheem Kodi Taour en Kuwa Shamal en de masterstudent uit Darfur Abdulmonem Abdumawla Issa Abdumawla al negen maanden worden vastgehouden door de NISS en voor de rechter moeten verschijnen op beschuldiging van het benadrukken van vermeend christelijk lijden in door de oorlog verwoeste regio's van Sudan; overwegende dat de afgelopen jaren het aantal rechtszaken vanwege afvalligheid en de hieruit voortvloeiende ter dood veroordelingen, zijn toegenomen;

I.  overwegende dat de "Rapid Support Forces" (RSF) kort geleden aan de noordgrens van Sudan zijn ingezet, ter bestrijding van de stroom irreguliere migranten; overwegende dat op 31 augustus 2016, de bevelhebber van de RSF heeft verklaard dat zijn troepen deze grens met Egypte en Libië bewaken en heeft beweerd dat Sudan zo de illegale migratie namens de EU bestrijdt; overwegende dat de EU-delegatie in Sudan op 6 september 2016 deze ondersteuning heeft ontkend;

J.  overwegende dat op 24 augustus 2016, 48 potentiële Sudanese asielzoekers Italië zijn uitgezet naar Sudan; overwegende dat in mei 2016 de Sudanese autoriteiten meer dan 400 Eritreërs hebben uitgezet, die waren aangehouden op hun weg naar Libië;

K.  overwegende dat de Sudanese autoriteiten op onevenredige wijze vrouwen en meisjes veroordelen wegens vaag gedefinieerde strafbare feiten; overwegende dat vrouwen te kampen hebben met systemische discriminatie en veroordelingen tot lijfstraffen en geseling wegens vaag gedefinieerde overtredingen van kledingvoorschriften;

L.  overwegende dat de medeondertekenaars van de "Sudan Call"-verklaring (vertegenwoordigers van politieke en gewapende oppositiepartijen, waaronder de de National Umma Party, de National Consensus Forces en het Sudan Revolutionary Front) zich ertoe hebben verbonden zich in te zetten voor de beëindiging van de conflicten in verschillende regio's van Sudan en voor juridische, institutionele en economische hervormingen;

M.  overwegende dat in 2009 en 2010 twee arrestatiebevelen voor president al-Bashir zijn uitgevaardigd door het Internationaal Strafhof (ICC), waarbij hij ervan wordt beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide; overwegende dat Sudan weliswaar geen partij is bij het Statuut van Rome, maar dat het land op grond van Resolutie 1593 (2005) van de VN-Veiligheidsraad verplicht is samen te werken met het ICC en daarom gehoor moet geven aan het arrestatiebevel van het ICC;

N.  overwegende dat in juni 2008 de ministers van Buitenslandse Zaken van de EU die bijeenkwamen in de Raad algemene zaken en buitenlandse betrekkingen (RAZEB) hebben geconcludeerd dat de "Raad [...] bereid [is] maatregelen te overwegen tegen personen die niet met het ICC samenwerken";

O.  overwegende dat de EU momenteel een project uitvoert voor "beter migratiebeheer" met Sudan;

1.  betreurt het gebruik van chemische wapens tegen burgers in het gebied Jebel Marra in Darfur door de Sudanese regering en onderstreept dat het hier om een ernstige schending van de internationale normen en om een oorlogsmisdaad gaat; herinnert eraan dat Sudan partij is bij het Verdrag inzake chemische wapens en roept op tot een internationaal onderzoek naar deze beschuldigingen onder leiding van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens; herinnert de Soedanese autoriteiten aan hun verantwoordelijkheid om de mensenrechten te beschermen;

2.  blijft diep bezorgd over de voortdurende buitengerechtelijke executies, ontvoeringen en het genderspecifiek en seksueel geweld in de conflictgebieden, met name in Darfur, Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl, evenals over de ernstige humanitaire noodsituatie ten gevolge van grootschalige binnenlandse ontheemdingen; roept op tot een onmiddellijke beëindiging van luchtbombardementen op burgers door Sudanese troepen;

3.  veroordeelt de arbitraire arrestaties en opsluiting van activisten en de voortdurende detentie van mensenrechtenactivisten en journalisten in Sudan; dringt er bij de regering van Sudan op aan de vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering, te waarborgen; benadrukt dat de nationale dialoog uitsluitend zal slagen wanneer deze in een sfeer plaatsvindt waarin de vrijheid van meningsuiting, van media, vereniging en vergadering gewaarborgd zijn;

4.  roept de Afrikaanse Unie en de Sudanese regering op om onverwijld een onderzoek in te stellen naar alle vermeende gevallen van foltering, mishandeling, willekeurige detentie en buitensporig gebruik van geweld en de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen in eerlijke processen, zonder toepassing van de doodstraf; dringt er bij de regering van Sudan op aan onmiddellijk een moratorium in te stellen voor alle executies en de doodstraf af te schaffen evenals alle vormen van lijfstraffen;

5.  drukt bijzondere bezorgdheid uit over het feit dat de toegang van internationale humanitaire agentschappen en organisaties nog altijd beperkt wordt; wenst dat de Sudanese regering er alles aan doet om de toegang van internationale humanitaire agentschappen tot al diegenen die humanitaire bijstand nodig hebben te verbeteren in overeenstemming met de verbintenissen gedaan tijdens de universele periodieke doorlichting; spoort de regering van Sudan ertoe aan om constructief samen te werken met maatschappelijke organisaties om het bewustzijn van de mensenrechten in Sudan onverwijld te bevorderen;

6.  onderstreept dat de vrijheid van godsdienst en overtuiging een universeel mensenrecht is dat overal en voor iedereen moet worden beschermd; eist dat de Sudanese regering wettelijke bepalingen intrekt die mensen discrimineren of penaliseren op grond van hun geloof, in het bijzonder in geval van afvalligheid en in het bijzonder met betrekking tot de Tsjechische christelijke hulpverlener Petr Jašek, de Sudanese dominees Hassan Abduraheem Kodi Taour en Kuwa Shamal en de masterstudent uit Darfur Abdulmonem Abdumawla Issa Abdumawla.;

7.  drukt zijn bezorgdheid uit over het hardere optreden door de NISS tegen burgers die activisten uit het maatschappelijk middenveld zijn, en roept Sudan ertoe op gedetineerden onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en onmiddellijk een einde te maken aan willekeurige detentie, alle aanklachten in te trekken die voortkomen uit hun vreedzame activiteiten, en ngo's, zoals TRACK, hun medewerkers, afdelingen en studentenactivisten, hun werk te laten doen zonder voor represailles te hoeven vrezen;

8.  wijst op het feit dat Sudan de aanbevelingen heeft aanvaard om het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te ratificeren en om de inspanningen op te voeren om foltering en onmenselijke behandeling te voorkomen; verlangt evenwel dat de Sudanese regering haar nationale veiligheidswet onverwijld herziet, die de gevangenhouding van verdachten gedurende vierenhalve maand mogelijk maakt zonder enige vorm van rechterlijke toetsing, en het rechtsstelsel hervormt en in overeenstemming brengt met internationale normen op het gebied van mensenrechten;

9.  roept de regering van Sudan ertoe op de uitvoerige immuniteiten zoals vastgelegd in de Sudanese wetgeving in te trekken, de bevindingen van de drie nationale onderzoekscommissies te publiceren, en publiekelijk de omvang van de moorden tijdens het optreden tegen anti-bezuiningingsdemonstranten in september 2013 te erkennen en recht te doen aan de slachtoffers ervan;

10.  herinnert aan de door de RAZEB in juni 2008 aangenomen conclusies, waarin aandacht wordt besteed aan het voortdurende gebrek aan samenwerking van de Sudanese regering met het Internationaal Strafhof (ICC), en wijst erop dat de regering van Sudan de verplichting en de capaciteit heeft om mee te werken, en dat elk door het ICC uitgevaardigd arrestatiebevel moet worden geëerbiedigd; verlangt dat Omar al-Bashir het internationaal recht eerbiedigt en voor het ICC verschijnt om terecht te staan voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

11.  roept de lidstaten van de Afrikaanse Unie, en in het bijzonder de landen die onderdak hebben geboden aan president Bashir (de Democratische Republiek Congo, Tsjaad, Zuid-Afrika, Oeganda, Djibouti), ertoe op zich te houden aan het Statuut van Rome en de besluiten van het Internationaal Strafhof;

12.  roept de EU ertoe op diegenen die verantwoordelijk zijn voor voortdurende oorlogsmisdaden en die niet samenwerken met het Internationaal Strafhof gerichte sancties op te leggen; verzoekt de EDEO onverwijld een lijst op de stellen van individuen aan wie dergelijke sancties kunnen worden opgelegd;

13.  merkt op dat de regering van Sudan de stappenplanovereenkomst op 16 maart 2016 heeft ondertekend en vervolgens zijn verbintenissen heeft toegelicht wat betreft de deelname van andere relevante belanghebbenden aan de nationale dialoog en het eerbiedigen van besluiten genomen door de ondertekenaars van de oppositie en het 7+7 mechanisme, de stuurgroep van de nationale dialoog; benadrukt dat alle partijen hun verbintenissen moeten eerbiedigen en roept op tot een voortdurende dialoog met als doel tot een definitief staakt-het-vuren te komen; roept de EU en haar lidstaten ertoe op zich te houden aan hun verbintenis om de inspanningen van de Afrikaanse Unie te ondersteunen voor vrede in Sudan en voor de Sudanese burgers in hun overgang naar een intern hervormde democratie;

14.  roept de missie van de Afrikaanse Unie/Verenigde Naties in Darfur (UNAMID); ertoe op een permanente aanwezigheid in Jebel Marra te realiseren; roept UNAMID ertoe op onverwijld een onderzoek in te stellen naar en openbaar verslag uit te brengen over vermeende schendingen van de mensenrechten en het internationaal recht door leden van de Sudanese regeringstroepen en oppositietroepen in Jebel Marra;

15.  verzoekt de EDEO en de Commissie om nauwgezet toezicht te houden op de EU-ontwikkelingssteun in Sudan om directe of indirecte steun aan lokale milities te voorkomen en ervoor te zorgen dat RSF-troepen die de grens van Sudan met Egypte en Libië bewaken zich niet voorgeven als bestrijders van illegale migratie namens de EU;

16.  spoort de Commissie en de betrokken lidstaten ertoe aan dan ook te zorgen voor volledige transparantie betreffende het project voor "beter migratiebeheer" met Sudan, met inbegrip van alle geplande activiteiten en begunstigden van de EU- en nationale middelen, en een uitvoerig verslag op te stellen van een technisch delegatiebezoek van de EU aan Sudan in mei 2016;

17.  verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat het Parlement volledig op de hoogte wordt gehouden van de dialoog die in ingesteld in het kader van het proces van Khartoem en dat de activiteiten die worden gefinancierd door het trustfonds EU-Afrika, in het bijzonder de activiteiten waarmee wordt beoogd de capaciteiten van de regering van Sudan op te bouwen, worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de bestaande overeenkomsten, terwijl ervoor wordt gezorgd er volledige openheid bestaat voor burgers en het maatschappelijk middenveld in de EU en Sudan wat betreft de nakoming van de internationale verplichtingen en wetten;

18.  wijst met bezorgdheid op de voortdurende en frequente schendingen van de vrouwenrechten in Sudan en van artikel 152 van het wetboek van strafrecht in het bijzonder, en roept de Sudanese autoriteiten ertoe op het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen onverwijld te ondertekenen en te ratificeren;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering van Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement, en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens.


Thailand, met name het geval van Andy Hall
PDF 167kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over Thailand, met name de zaak Andy Hall (2016/2912(RSP))
P8_TA(2016)0380RC-B8-1068/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Thailand, met name die van 20 mei 2010(1), 6 februari 2014(2), 21 mei 2015(3) en 8 oktober 2015(4),

–  gezien het antwoord, namens de Commissie, van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Mogherini van 19 november 2015 over de situatie van de heer Andy Hall,

–  gezien de verklaringen van 14 november 2014 die in overleg met de hoofden van de EU‑vertegenwoordigingen in Thailand zijn opgesteld door de EU-delegatie die een bezoek bracht aan Thailand,

–  gezien de persverklaring van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van 20 september 2016,

–  gezien de verklaring van Maurizio Bussi, landelijk directeur van de Internationale Arbeidsorganisatie voor Thailand, Cambodja en de Democratische Volksrepubliek Laos van 21 september 2016 over de veroordeling van arbeidsrechtenactivist Andy Hall in Thailand,

–  gezien de universele periodieke toetsing van Thailand door de VN-Mensenrechtenraad en de aanbevelingen ervan van 11 mei 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948,

–  gezien het verslag over de migratie in Thailand in 2014, dat is opgesteld door de thematische werkgroep van de VN inzake migratie,

–  gezien de Verklaring over mensenrechtenverdedigers van de VN van 1998 en resolutie A/RES/70/161 van 17 december 2015 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, waarbij Thailand partij is,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien de verklaring van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten van 18 november 2012 over de mensenrechten,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de heer Andy Hall, arbeidsrechtenactivist en EU-burger, op 20 september 2016 werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar en een boete van 150 000 THB vanwege zijn bijdrage aan een rapport van de Finse ngo Finnwatch, waarin de Thaise ananasgroothandelaar Natural Fruit Company Ltd werd beschuldigd van schendingen van het arbeidsrecht;

B.  overwegende dat Andy Hall officieel werd aangeklaagd wegens smaad en computercriminaliteit in verband met de publicatie van het rapport op het internet; voorts overwegende dat de behandeling van beide strafzaken van de heer Hall via het Thaise rechtsstelsel werd voortgezet;

C.  overwegende dat door het Thaise Ministerie van Arbeid werd vastgesteld dat bij Natural Fruit company Ltd verschillende rechten van werknemers werden geschonden en dat medewerkers van het bedrijf dit tijdens eerdere zittingen van de rechtbank eveneens hadden aangegeven;

D.  overwegende dat het gerechtshof van Prakanong (Bangkok) Andy Hall op 18 september 2015 in het gelijk stelde en de verwerpingen handhaafde van de andere strafrechtelijke procedures die wegens smaad tegen hem waren ingeleid, waartegen Natural Fruit company en de Thaise procureur-generaal hoger beroep hebben aangetekend en die momenteel door het hooggerechtshof worden behandeld; overwegende dat de twee civielrechtelijke procedures zijn geschorst in afwachting van de uitspraak in de twee strafrechtelijke procedures;

E.  overwegende dat een Thaise leverancier van kippenvlees, die vlees levert aan de Europese markt, volgens de berichten in de internationale en de Thaise nationale media ermee dreigt het netwerk voor de arbeidsrechten van migranten (MWRN), een organisatie waarvan Hall de adviseur is, Hall zelf en veertien werknemers van kippenboerderijen in Myanmar te zullen aanklagen wegens smaad en computercriminaliteit;

F.  overwegende dat de Thaise autoriteiten op 28 september 2016 ervoor hebben gezorgd dat verschillende buitenlandse mensenrechtendeskundigen en onderzoekers van Amnesty International het nieuwste onderzoeksverslag over regelmatige foltering en misbruik van politieke tegenstanders, migrerende werknemers, van opstandigheid verdachte en andere medewerkers van militaire bases, politiebureaus en detentiecentra niet publiekelijk konden presenteren;

G.  overwegende dat de buitensporige mate waarin de wetgeving inzake smaad, waaruit gevangenisstraffen kunnen voortvloeien, wordt ingezet tegen verdedigers van de mensenrechten die verslag uitbrengen over vermeende schendingen van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting beperkt, hetgeen indruist tegen de verplichtingen van Thailand uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij het land partij is;

H.  overwegende dat Thailand bijna 4 miljoen buitenlandse inwoners telt, waarvan 2,7 miljoen uit Cambodja, Laos en Myanmar; overwegende dat migranten uit deze landen sinds 2001 weliswaar in aanmerking komen voor een werkvergunning, maar dat zich in Thailand nog altijd meer dan een miljoen ongeregistreerde migrerende werknemers bevinden;

I.  overwegende dat volgens de verklaring van Human Rights Watch van 18 september 2016 "de mensenrechten en de arbeidsrechten van migranten die in Thailand werken maar afkomstig zijn uit Myanmar, Cambodja en Laos, in de loop der jaren regelmatig en straffeloos zijn geschonden" en dat "migrerende werknemers weinig tot geen bescherming genieten uit hoofde van de Thaise arbeidswetgeving, ondanks verklaringen van de overheid dat alle wettelijk ingeschreven migrerende werknemers onder de bescherming van deze wetgeving vallen";

J.  overwegende dat Thailand met Cambodja en Laos in 2006 is gestart met de tenuitvoerlegging van een memorandum van overeenstemming (MoU) inzake samenwerking op het gebied van de tewerkstelling van werknemers en met Myanmar in 2009; overwegende dat werknemers krachtens het MoU-systeem vacatures en reisdocumenten konden ontvangen alvorens af te reizen naar Thailand, maar dat slechts 5% van de werknemers uit de desbetreffende landen het MoU-proces heeft doorlopen;

1.  is ingenomen met het grote engagement van de EU voor het Thaise volk, met wie de EU sterke en langdurige politieke, economische en culturele banden heeft;

2.  betreurt de veroordeling van Andy Hall en geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de gerechtelijke procedure en de gevolgen ervan voor de vrijheid van verdedigers van de mensenrechten om hun werkzaamheden uit te voeren;

3.  roept de Thaise regering op alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de rechten van de heer Hall en andere verdedigers van de mensenrechten – met inbegrip van het recht op een eerlijk proces – worden geëerbiedigd en beschermd, om een gunstig klimaat tot stand te brengen dat bijdraagt tot de eerbiediging van de mensenrechten en om in het bijzonder ervoor te zorgen dat de bevordering en de bescherming van de mensenrechten niet strafbaar worden gesteld;

4.  verzoekt de Thaise autoriteiten de nationale wetgeving inzake smaad in overeenstemming te brengen met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Thailand partij is, en daarnaast de wet inzake computercriminaliteit te herzien, waarvan de huidige formulering te vaag is;

5.  prijst de EDEO voor haar inzet in de zaak Andy Hall en dringt erop aan dat zij de situatie op de voet blijft volgen; roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op de kwestie bij de Thaise regering onder de aandacht te brengen tijdens de komende ministeriële bijeenkomst van de EU en de ASEAN in Bangkok;

6.  wenst dat de Thaise regering en overheidsinstellingen hun nationale constitutionele verplichtingen naleven, evenals de internationale verplichtingen, en daarbij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, het recht op een eerlijke rechtsbedeling en een eerlijk proces, en het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering in acht nemen;

7.  erkent de vooruitgang die de Thaise regering heeft geboekt op het gebied van de bestrijding van arbeidsuitbuiting en de bescherming van nationale en migrerende werknemers, hetgeen met name blijkt uit het versterkte systeem voor arbeidsinspectie, de wetgeving inzake arbeidsbureaus, maatregelen ter voorkoming van schuldhorigheid en mensenhandel, een krachtiger sanctiebeleid ten aanzien van schendingen van het arbeidsrecht, de ratificering van Verdrag nr. 187 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de ondertekening, in maart 2016, van het Maritiem Arbeidsverdrag;

8.  vraagt de Thaise autoriteiten om, in overeenstemming met de beginselen inzake de mensenrechten en rekening houdend met de behoeften van de arbeidsmarkt, een holistisch langetermijnbeleid vast te stellen en te voeren voor laaggeschoolde, migrerende werknemers die naar Thailand komen; stelt in dit verband voor om, als een eerste stap in de goede richting, de wet inzake arbeidsbetrekkingen te herzien, teneinde ervoor te zorgen dat migrerende werknemers hetzelfde recht op vrijheid van vereniging genieten als Thaise burgers;

9.  roept op tot de bescherming van migrerende werknemers door middel van sterkere stimulansen om werkgevers bij het regulariseringsproces te betrekken, alsook door middel van het opleggen van hogere boetes of andere sancties aan werkgevers die zich buiten het regulariseringsproces houden of inbreuk plegen op de arbeidswetgeving;

10.  wenst dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegatie in Bangkok toezicht blijven houden op de mensenrechtensituatie in Thailand, blijven samenwerken met de regering en het maatschappelijk middenveld en alle beschikbare instrumenten inzetten om de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Thailand te waarborgen, evenals de bescherming van verdedigers van de mensenrechten;

11.  verzoekt de EU en haar lidstaten met klem om, door middel van transparante monitoring en rapportering en in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, ervoor te zorgen dat ondernemingen die op hun grondgebied zijn gevestigd en handel drijven met Thailand, de internationale normen op het gebied van de mensenrechten eerbiedigen, en is ingenomen met de steun die Andy Hall mocht ontvangen van de Finse retailer S Group;

12.  verklaart stellig dat ondernemingen ter verantwoording moeten worden geroepen voor milieuschade en schendingen van de mensenrechten waarvoor zij verantwoordelijk zijn en dat de EU en de lidstaten dit als een kernbeginsel moeten uitdragen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regering en het parlement van Thailand, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor mensenrechten, en de regeringen van de ASEAN-lidstaten.

(1) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 152.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0107.
(3) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 52.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0343.


Internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9
PDF 174kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9 (2016/2898(RSP))
P8_TA(2016)0381B8-1060/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen(1),

–  gezien het definitieve ontwerp van Verordening van de Commissie (EU) nr. .../... houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard 9 betreft,

–  gezien International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 inzake financiële instrumenten die op 24 juli 2014 is uitgebracht door de International Accounting Standards Board (IASB), het door de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) uitgebrachte goedkeuringsadvies met betrekking tot IFRS 9(2), de door de EFRAG uitgebrachte beoordeling van IFRS 9 aan de hand van het "getrouwe beeld"-beginsel, en de brieven met commentaar van de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Bankautoriteit (EBA) over de goedkeuring van IFRS 9,

–  gezien de wijzigingen op IFRS 4 die op 12 september 2016 door de IASB zijn gepresenteerd onder de titel 'Applying IFRS 9 "Financial Instruments" with IFRS 4 "Insurance Contracts"',

–  gezien het rapport van Philippe Maystadt van oktober 2013 getiteld "Should IFRS standards be more European?",

–  gezien de verklaring van de leiders van de G20 van 2 april 2009,

–  gezien het verslag van 25 februari 2009 van de door Jacques de Larosière voorgezeten groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 inzake de evaluatie van de internationale standaard voor jaarrekeningen (IAS) en de werkzaamheden van de International Financial Reporting Standards (IFRS) Foundation, de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) en de Public Interest Oversight Board (PIOB)(3),

–  gezien de brief van 8 januari 2016 van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) over "De gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor de financiële stabiliteit – verzoek om een analyse" en het schriftelijke antwoord van 29 februari 2016,

–  gezien de brief van 16 juni 2016 van de Commissie economische en monetaire zaken aan de Commissaris voor Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie over de goedkeuring van IFRS 9 en het schriftelijke antwoord van 15 juli 2016,

–  gezien de studies die voor de Commissie economische en monetaire zaken zijn verricht over IFRS 9 (‘IFRS Endorsement Criteria in Relation to IFRS 9’, ‘The Significance of IFRS 9 for Financial Stability and Supervisory Rules’, ‘Impairments of Greek Government Bonds under IAS 39 en IFRS 9: A Case Study’ en ‘Expected-Loss-Based Accounting for the Impairment of Financial Instruments: the FASB and IASB IFRS 9 Approaches’),

–  gezien de vraag aan de Commissie over Internationale standaarden voor financiële verslaglegging: IFRS 9 (O-000115/2016 – B8-0721/2016),

–  gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mondiale financiële crisis de rol van internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) met betrekking tot financiële stabiliteit en groei op de agenda van de G20 en de EU heeft gezet, waarbij met name de regels voor de erkenning van verliezen in het bankenstelsel aandacht krijgen; overwegende dat de G20 en het verslag-de Larosière reeds voorafgaand aan de crisis op belangrijke kwesties in verband met standaarden voor jaarrekeningen hadden gewezen, zoals procycliciteit in verband met het beginsel van waardering tegen marktwaarde en de erkenning van winsten en verliezen, de tendens om de accumulatie van risico's te onderschatten tijdens conjuncturele oplevingen en het ontbreken van een gemeenschappelijke en transparante methode voor de waardering van illiquide en aan waardevermindering onderhevige activa;

B.  overwegende dat de International Accounting Standards Board (IASB) IFRS 9 inzake financiële instrumenten heeft uitgebracht als een belangrijk antwoord op bepaalde aspecten van de financiële crisis en het effect ervan op de bankensector; overwegende dat IFSR 9 in werking zal treden op 1 januari 2018 en IAS 39 gaat vervangen;

C.  overwegende dat de EFRAG een positief advies over IFRS 9 heeft uitgebracht, met een aantal opmerkingen over het gebruik van "reële waarde" bij moeilijke marktomstandigheden, het ontbreken van een conceptuele basis voor de aanpak van voorzieningen voor kredietverliezen over een tijdsduur van twaalf maanden en onbevredigende bepalingen betreffende langetermijninvesteringen; overwegende dat, omdat IFRS 9 en de toekomstige nieuwe verzekeringsstandaard IFRS 17 op verschillende data in werking treden, in het advies twijfel is geuit over de toepasbaarheid van de standaard op de verzekeringssector;

D.  overwegende dat de controverse en de discussie over het effect van verslaglegging op basis van reële waarde op langetermijninvesteringen worden aangewakkerd door het ontbreken van een kwantitatieve effectbeoordeling over dit onderwerp;

E.  overwegende dat de erkenning van tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten beschouwd kan worden als een schending van de richtlijn inzake kapitaalinstandhouding en de jaarrekeningrichtlijn; overwegende dat de Commissie momenteel bezig is de praktijken in de lidstaten op het gebied van dividenduitkeringen met elkaar te vergelijken;

F.  overwegende dat het voorzichtigheidsbeginsel de belangrijkste leidraad dient te zijn voor standaarden voor jaarrekeningen;

G.  overwegende dat de nieuwe standaard even complex zo niet complexer lijkt te zijn dan zijn voorganger IAS 39; overwegende dat de aanvankelijke doelstelling was om de complexiteit te verminderen;

H.  overwegende dat de toekomstige nieuwe verzekeringsstandaard IFRS 17, die IFRS 4 vervangt, waarschijnlijk na 2020 van kracht wordt; overwegende dat zorgen zijn geuit over de onderling slechte afstemming van de data waarop IFRS 9 en IFRS 17 in werking treden; overwegende dat de IASB de definitieve wijzigingen op IFRS 4 in september 2016 heeft ingediend en daarbij twee potentiële oplossingen bood: de overlay-benadering en een tijdelijke vrijstelling op het niveau van de rapporterende entiteit;

I.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken IFRS 9 inzake financiële instrumenten in detail heeft onderzocht door een hoorzitting te houden, opdracht te geven voor vier studies betreffende IFRS 9 en onderzoeksactiviteiten te organiseren binnen de commissie alsook via de activiteiten van haar permanente IFRS-team;

1.  wijst erop dat IFRS 9 inzake financiële instrumenten een van de belangrijkste antwoorden van de IASB op de financiële crisis vormt; stelt vast dat de inspanningen voor de tenuitvoerlegging reeds in gang zijn gezet;

2.  erkent dat IFRS 9 een verbetering is ten opzichte van IAS 39 voor zover de overstap van een "geleden verliezen"-model naar een "verwachte verliezen"-model het probleem van "too little, too late" in de erkenningsprocedure voor verliezen op leningen aanpakt; merkt evenwel op dat IFRS 9 een zeer goed beoordelingsvermogen in het boekhoudkundig proces vereist; onderstreept dat er enorme meningsverschillen bestaan en dat controleurs in dit opzicht weinig sturing bieden; dringt er daarom op aan dat de Europese toezichthoudende autoriteiten in samenwerking met de Commissie en de EFRAG richtsnoeren opstellen teneinde eventueel misbruik van bestuurlijke bevoegdheden te voorkomen;

3.  herinnert, hoewel het geen bezwaar heeft tegen Verordening van de Commissie houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard 9 betreft, aan de verzoeken met betrekking tot IFRS 9 die het in eerdergenoemde resolutie van 7 juni 2016 heeft verwoord;

4.  herinnert eraan dat de op betere regelgeving gerichte aanpak een effectbeoordeling vereist; wijst erop dat het ontbreken van een gedegen kwantitatieve effectbeoordeling voor IFRS 9 deels te wijten is aan het gebrek aan betrouwbare gegevens; onderstreept dat het noodzakelijk is een beter begrip te krijgen van het effect van IFRS 9 op het bankwezen, de verzekeringssector en de financiële markten in het algemeen, maar ook op de financiële sector in zijn geheel; herhaalt daarom zijn verzoek aan de IASB en de EFFRAG om hun effectbeoordelingsvermogen te versterken, met name op macro-economisch gebied;

5.  herhaalt het verzoek van de Commissie economische en monetaire zaken aan het ESRB om een analyse te maken van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor de financiële stabiliteit; herinnert aan de toezegging die het ESRB heeft gedaan om in de loop van 2017 gehoor aan dit verzoek te geven; is ingenomen met het feit dat het ESRB een nieuwe taskforce inzake IFRS 9 heeft opgezet; herinnert aan de aanbevelingen van het verslag-Maystadt betreffende de uitbreiding van het "openbaar goed"-criterium, d.w.z. dat standaarden voor jaarrekeningen noch de financiële stabiliteit van de Unie in gevaar mogen brengen noch de economische ontwikkeling van de Unie mogen belemmeren;

6.  wijst erop dat het van groot belang is om de interactie van IFRS 9 met andere regelgevingsvereisten volledig te doorgronden; is verheugd over de lopende beoordeling van het effect van IFRS 9 op banken in de EU die door de EBA wordt uitgevoerd en die bedoeld is om beter te inzicht te verkrijgen in het effect van IFRS 9 op het voorgeschreven eigen vermogen, de interactie ervan met andere prudentiële vereisten en de manier waarop instellingen zich voorbereiden op de toepassing van IFRS 9; wijst erop dat banken die de standaardbenadering hanteren waarschijnlijk het zwaarst getroffen zouden worden door een verlaging van hun tier 1-kernkapitaal; dringt er daarom bij de Commissie op aan om voor het einde van 2017 passende maatregelen in het prudentiële kader voor te stellen, bijvoorbeeld de opname in de verordening kapitaalvereisten van een geleidelijke invoeringsregeling die het effect van het nieuwe waardeverminderingsmodel gedurende een periode van drie jaar of tot er een adequate internationale oplossing is gevonden, zal verzachten, zodat plotselinge, ongerechtvaardigde effecten op de kapitaalratio's van en kredietverstrekking door banken worden voorkomen;

7.  wijst op het feit dat de inwerkingtredingsdata van IFRS 9 en de nieuwe, binnenkort te verwachten verzekeringsstandaard (IFRS 17) niet op elkaar aansluiten; merkt op dat de IASB wijzigingen op IFRS 4 heeft aangebracht waarmee aan enkele zorgen tegemoet wordt gekomen, met name wat betreft het gebruik van de optionele uitstelprocedure; dringt er bij de Commissie op aan om deze kwestie, met behulp van de EFRAG, zorgvuldig en op een bevredigende en adequate manier te behandelen om binnen de EU een gelijk speelveld te waarborgen;

8.  onderstreept het belang van langetermijninvesteringen voor economische groei; vreest dat onder IFRS 9 de boekhoudkundige behandeling van bepaalde financiële instrumenten die direct of indirect als langetermijninvesteringen worden aangehouden, met name aandelenkapitaal, de overkoepelende doelstelling om langetermijninvesteringen te bevorderen, kan ondermijnen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat IFRS 9 in dienst staat van de EU-strategie voor langertermijninvesteringen en tegelijkertijd de procycliciteit en prikkels om buitensporige risico's te nemen, vermindert; verzoekt de Commissie om voor december 2017 met een evaluatie te komen;

9.  is ingenomen met het huidige initiatief van de Commissie om de praktijken in de lidstaten op het gebied van dividenduitkeringen met elkaar te vergelijken; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat IFRS 9 in overeenstemming is met de richtlijn inzake kapitaalinstandhouding en de jaarrekeningrichtlijn, en om, wanneer nodig, samen te werken met de IASB en normalisatieorganen in de lidstaten en derde landen, teneinde hun steun te krijgen voor wijzigingen of, wanneer dergelijke steun uitblijft, in de EU-wetgeving in passende wijzigingen te voorzien;

10.  dringt er bij de Commissie op aan om, samen met de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's), de ECB, het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) en de EFRAG, nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van IFRS 9 in de EU, om voor juni 2019 een effectbeoordeling ex post uit te voeren en om deze beoordeling voor te leggen aan het Europees Parlement en te handelen in overeenstemming met het EP-standpunt;

11.  dringt er bij de IASB op aan IFRS 9 na afloop van de tenuitvoerlegging aan een beoordeling te onderwerpen teneinde onbedoelde effecten van de standaard in kaart te brengen en te beoordelen, in het bijzonder met betrekking tot langetermijninvesteringen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(2) http://www.efrag.org/Assets/Download?assetUrl=%2Fsites%2Fwebpublishing%2FSiteAssets%2FEndorsement%2520Advice%2520on%2520IFRS%25209.pdf
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0248.


De situatie in Syrië
PDF 151kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over Syrië (2016/2894(RSP))
P8_TA(2016)0382B8-1089/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de vijandelijkheden in Syrië geëscaleerd zijn, met name in Aleppo, dat zware luchtbombardementen heeft ondergaan, met inbegrip van aanvallen op medische voorzieningen; overwegende dat de situatie drastisch en snel is verslechterd, ondanks de inspanningen van de internationale gemeenschap om de vijandelijkheden te staken;

B.  overwegende dat de Europese Unie een van de grootste financiers van humanitaire hulp is voor mensen die het historisch geweld en de historische vernielingen in Syrië ontvluchten; overwegende dat het ontbreken van internationale eenheid het bereiken van een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing voor de oorlog in Syrië aanzienlijk bemoeilijkt;

C.  overwegende dat de EU haar inspanningen moet voortzetten en, gezamenlijk, via de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, een meer uitgesproken rol moet spelen bij de bemiddeling over een vredesakkoord voor Syrië;

1.  veroordeelt met klem alle aanvallen op burgers en civiele infrastructuur, de voortzetting van elke belegering in Syrië en het ontbreken van toegang tot humanitaire hulp voor de noodlijdende Syrische bevolking; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het menselijk lijden in de belegerde gebieden van Aleppo en in heel Syrië, waarbij veel vrouwen en kinderen worden getroffen, die geen toegang hebben tot essentiële humanitaire goederen en dringend nood hebben aan voedsel, zuiver water en geneesmiddelen;

2.  betreurt ten zeerste en veroordeelt onvoorwaardelijk de recente aanvallen op een konvooi met humanitaire hulpgoederen en een opslagplaats van de Rode Halve Maan in de buurt van Aleppo als ernstige en verontrustende schendingen van het internationaal humanitair recht en als een mogelijke oorlogsmisdaad; brengt hulde aan de humanitaire hulpverleners die zijn omgekomen bij de inspanningen om de bevolking van Aleppo en in heel Syrië te helpen, en betuigt zijn oprechtste medeleven aan de families en vrienden van de slachtoffers; dringt erop aan dat degenen die zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid worden vervolgd en ter verantwoording worden geroepen;

3.  roept alle partijen die bij het conflict betrokken zijn, en met name Rusland en het regime van Assad, op een einde te maken aan alle aanvallen op burgers en civiele infrastructuur, met inbegrip van water- en elektrische infrastructuur, onmiddellijk geloofwaardige stappen te ondernemen om de vijandelijkheden te beëindigen, alle belegeringen op te heffen en een snelle, veilige en ongehinderde toegang voor humanitaire organisaties mogelijk te maken zodat zij alle noodlijdende mensen kunnen bereiken;

4.  is ingenomen met het initiatief van de EU voor humanitaire noodhulp voor Aleppo, dat, naast het vrijmaken van middelen voor dringende humanitaire noden, de medische evacuatie tot doel heeft van zieken en gewonden uit het oostelijke deel van Aleppo, met bijzondere aandacht voor vrouwen, kinderen en ouderen; dringt er bij alle partijen op aan snel de nodige vergunningen te verstrekken voor de levering van humanitaire hulpgoederen en om te kunnen overgaan tot medische evacuaties;

5.  dringt er bij alle leden van de Internationale Steungroep voor Syrië op aan de onderhandelingen te hervatten teneinde te komen tot een stabiel bestand en intensiever te werken aan een duurzame politieke oplossing in Syrië; steunt ten volle de inspanningen van de speciale gezant van de VN, Staffan de Mistura, op dit gebied;

6.  verzoekt de HV/VV opnieuw te proberen te komen tot een gemeenschappelijke strategie van de EU voor Syrië, die gericht moet zijn op het bevorderen van een politieke oplossing in Syrië, en ook controle- en handhavingsinstrumenten moet bevatten voor een betere naleving van overeenkomsten en verplichtingen die zijn aangegaan in het kader van de Internationale Steungroep voor Syrië;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.


VN-conferentie over klimaatverandering 2016 in Marrakesh, Marokko (COP22)
PDF 218kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP 22) (2016/2814(RSP))
P8_TA(2016)0383B8-1043/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 18e conferentie van de partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de 8e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en gezien de goedkeuring van een wijziging van het protocol houdende de vaststelling van een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

–  gezien het voor ondertekening openstellen van de Overeenkomst van Parijs op 22 april 2016 in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties (VN) in New York, hetgeen nog mogelijk is tot 21 april 2017, en gezien de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs door 180 landen en de neerlegging van de akten van bekrachtiging door 27 landen, die samen instaan voor 39,08 % van de totale hoeveelheid broeikasgasemissies (met ingang van 7 september 2016),

–  gezien zijn resolutie van 14 oktober 2015 getiteld "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2016 getiteld "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag hiervan,

–  gezien het samenvattende verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2014 getiteld "The Emissions Gap Report 2014" (rapport over de emissiekloof 2014) en het rapport van het UNEP van 2014 over de aanpassingskloof,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7 t/m 8 juni 2015 in Schloss Elmau, Duitsland, getiteld "Think ahead. Act together" (Vooruitdenken. Samen handelen), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 26 t/m 27 mei 2016 in Ise-Shima, Japan, waarin zij alle partijen vragen te streven naar een inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs in 2016,

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's van februari 2016 getiteld "Too late, too sudden: Transition to a low-carbon economy and systemic risk" (Te laat, te plots: overgang naar een koolstofarme economie en systeemrisico's),

–  gezien de encycliek "Laudato si'",

–  gezien de tekst "10 Key Messages on Climate Change" (10 kernpunten inzake klimaatverandering) van het Internationaal panel voor hulpbronnen van december 2015,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs in werking treedt op de dertigste dag na de datum waarop ten minste 55 partijen bij het verdrag, die samen goed zijn voor naar schatting ten minste 55 % van de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben neergelegd;

B.  overwegende dat het emissiereductietraject dat is vastgelegd in de voorstellen van de Commissie voor het beleidskader voor klimaat 2030 niet in overeenstemming is met de in de Overeenkomst van Parijs opgenomen doelstellingen; overwegende dat, als een eerste stap, de doelstellingen moeten worden bijgesteld naar de hoogste waarden van de huidige 2050-marge, d.w.z. 95 % tegen 2050;

C.  overwegende dat de inspanningen om de opwarming van de aarde te beperken niet mogen worden gezien als een obstakel voor het streven naar economische groei, maar integendeel moeten worden gezien als een hefboom voor het realiseren van nieuwe en duurzame economische groei en werkgelegenheid;

D.  overwegende dat klimaatverandering de concurrentie om hulpbronnen zoals voedsel, water en weilanden kan vergroten, economische tegenspoed en politieke instabiliteit in de hand kan werken en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer voor volksverhuizingen, zowel binnen als buiten nationale grenzen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is de kwestie van klimaatgedreven migratie bovenaan op de internationale agenda te plaatsen;

E.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering harder zullen worden gevoeld in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en in kleine insulaire ontwikkelingslanden die niet voldoende middelen hebben om zich voor te bereiden op en zich aan te passen aan de veranderingen die plaatsvinden; overwegende dat Afrika volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) bijzonder kwetsbaar is ten aanzien van deze uitdaging en daardoor in het bijzonder wordt blootgesteld aan waterstress, erg gewelddadige meteorologische fenomenen en voedselonzekerheid ten gevolge van droogte en woestijnvorming;

F.  overwegende dat de EU en haar lidstaten op 6 maart 2015 hun voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage (INDC) in het kader van het UNFCCC hebben voorgelegd, waarin wordt voorzien in een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 ten opzichte van het niveau van 1990, zoals vastgesteld in de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2014 over het beleidskader voor klimaat en energie 2030;

Klimaatactie op een gedegen wetenschappelijke basis

1.  herinnert eraan dat in het AR5 van de IPCC van 2014 wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat klimaatverandering plaatsvindt en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de opwarming die sinds het midden van de 20e eeuw is waargenomen; toont zich bezorgd over het feit dat verstrekkende en substantiële effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in alle oceanen;

2.  neemt kennis van de conclusies van het UNFCCC-secretariaat dat het resterende koolstofbudget om de gemiddelde temperatuurstijging wereldwijd tot 1,5 °C te beperken binnen de volgende vijf jaar zal zijn opgebruikt wanneer we op het huidige niveau van wereldwijde broeikasgasemissies blijven; benadrukt dat alle landen de in de overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar een nulniveau van broeikasgasemissies en naar klimaatbestendigheid moeten versnellen om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te voorkomen;

3.  dringt er bij de ontwikkelde landen, en vooral de EU, op aan hun broeikasgasemissies drastisch en meer dan tot nu toe is beloofd te verminderen, teneinde in de mate van het mogelijke te vermijden dat negatieve emissies op grote schaal voorkomen, aangezien er nog geen bewijs is dat de technologieën hiervoor succesvol, sociaal aanvaardbaar, kostenefficiënt en veilig zijn;

Dringende noodzaak van het ratificeren en uitvoeren van de Overeenkomst van Parijs

4.  is ingenomen met de klimaatovereenkomst van Parijs als een mijlpaal in de strijd tegen de klimaatverandering en voor het multilateralisme; is van mening dat de overeenkomst ambitieus, evenwichtig, rechtvaardig en juridisch bindend is, en dat de aanneming van de overeenkomst en de cumulatieve aankondigingen tegen het einde van de COP 21 van de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) door 187 partijen een beslissend keerpunt vormen op weg naar alomvattende en collectieve mondiale maatregelen die, eens ze zijn uitgevoerd, definitief en onherroepelijk zullen zorgen voor een snellere overgang naar een klimaatbestendige, klimaatneutrale wereldeconomie;

5.  is uiterst ingenomen met het engagement van alle landen om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C, alsook met het streven om een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies door bronnen en de verwijdering van broeikasgassen door putten ("CO2-neutraliteit") in de tweede helft van deze eeuw, op basis van billijkheid;

6.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur tot ruim onder 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve gevolgen voor het klimaat zullen worden voorkomen; erkent dat een goed inzicht moet worden ontwikkeld over wat een beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 1,5 °C specifiek inhoudt voor het beleid; is derhalve tevreden dat de IPCC hiertoe tegen 2018 een speciaal rapport voorbereidt; beklemtoont dat het potentieel van koolstofputten op het vlak van hun bijdrage aan CO2-neutraliteit niet mag worden overschat;

7.  herinnert eraan dat het nodig is spoedig tot decarbonisatie over te gaan om de gemiddelde temperatuurstijging op aarde onder 2 °C te houden en tegelijk inspanningen te leveren om deze stijging tot 1,5 °C te beperken, en dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken; herinnert eraan dat de wereldwijde emissies geleidelijk moeten verdwijnen, uiterlijk in 2050 of kort daarna; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen hun nationale decarbonisatiedoelstellingen en -strategieën uit te voeren door prioriteit te geven aan het afbouwen van emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron en vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van goede praktijken te verstrekken;

8.  benadrukt dat met de juridisch bindende Overeenkomst van Parijs en het uitgestippelde pad naar decarbonisatie een betrouwbare leidraad voor de besluitvorming is gecreëerd waarmee dure afhankelijkheid van koolstofintensieve investeringen zal worden vermeden, rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor bedrijven en investeerders wordt geboden, alsook een stimulans voor een verschuiving van investeringen in fossiele brandstoffen naar koolstofarme investeringen;

9.  beklemtoont dat, zelfs al is er geen wetenschappelijk bewijs over wat een beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C betekent voor elke sector en elke regio, de inspanningen die landen momenteel leveren duidelijk niet volstaan om deze veilige grenswaarden te bereiken voor de meest kwetsbare landen; dringt er bij alle landen, met name de ontwikkelde landen, op aan dat zij hun gezamenlijke inspanningen opvoeren en hun nationaal vastgestelde bijdragen (NDC's) naar boven bijstellen in de context van de faciliterende dialoog in 2018; vraagt de EU dat zij zich in deze context verbindt tot verdere emissiereducties in haar NDC voor 2030; wijst erop dat maatregelen in de Europese Unie alleen niet zullen volstaan, en verzoekt de Commissie en de Raad derhalve hun activiteiten te intensiveren om andere partners ertoe aan te sporen hetzelfde te doen;

10.  toont zich verheugd over het engagement van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde broeikasgasemissies tot nul te reduceren in de tweede helft van de eeuw; erkent dat dit betekent dat de meeste sectoren in de EU aanzienlijk vroeger een nulniveau van emissies moeten realiseren; benadrukt dat de EU druk moet uitoefenen op partijen die een traject volgen dat niet strookt met de Overeenkomst van Parijs;

11.  dringt erop aan dat de Overeenkomst van Parijs vroeg in werking treedt en roept de Commissie en de lidstaten op een vroege en spoedige ratificatie te garanderen zodat de inwerkingtreding van de overeenkomst geen vertraging oploopt; verzoekt de Commissie derhalve regelmatig aan het Parlement en de bevoegde commissies verslag uit te brengen over de vorderingen van het ratificatieproces en vooral over de redenen van eventuele nog vastgestelde obstakels; is verheugd dat de nationale bekrachtigingsprocedures van sommige lidstaten al in gang zijn gezet en dat die van een aantal andere lidstaten reeds zijn afgerond;

12.  betreurt evenwel dat de som van alle INDC's de wereld niet eens in de buurt brengt van de tweegradendoelstelling; wijst erop dat er meer ambitie nodig is en dringt aan op een gezamenlijke inspanning van de EU en andere grote uitstoters om hun INDC's in overeenstemming met de in de Overeenkomst van Parijs opgenomen verbintenissen te brengen; benadrukt dat het dringend nodig en van cruciaal belang is dat alle partijen, met inbegrip van de EU, hun engagementen inzake emissiereducties in hun NDC's om de vijf jaar naar boven bijstellen overeenkomstig het ambitiemechanisme in de Overeenkomst van Parijs; is van mening dat de NDC's belangrijke instrumenten zijn voor nationale ontwikkelingsplanning in synergie met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

13.  benadrukt dat moet worden getoond dat de EU zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt, onder meer door de doelstellingen en beleidsinstrumenten van de EU voor de middellange en lange termijn te herzien en zo snel mogelijk met dit proces te beginnen, teneinde een breed debat mogelijk te maken waarin het Parlement een cruciale rol moet spelen, in partnerschap met vertegenwoordigers van de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven; vraagt dat de Commissie een nulemissiestrategie voor de EU voor het midden van de eeuw voorbereidt, waarin een kostenefficiënt traject wordt uitgestippeld in de richting van de verwezenlijking van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit die in de Overeenkomst van Parijs is vastgesteld;

COP 22 in Marrakesh

14.  is van mening dat er in de onderhandelingen vooruitgang moet worden geboekt op de centrale punten van de Overeenkomst van Parijs, waaronder een verbeterd transparantiekader, bijzonderheden van de algemene inventarisatie, nadere richtsnoeren inzake INDC's, inzicht in differentiëring, verlies en schade, klimaatfinanciering en capaciteitsondersteuning, inclusieve multi-level governance, alsook een mechanisme om de uitvoering te faciliteren en de naleving te bevorderen; spoort de Commissie en de lidstaten aan de in het kader van de Overeenkomst van Parijs overeengekomen beloften na te komen, met name wat betreft de EU-bijdrage tot mitigatie en aanpassing, alsook haar steun op het gebied van financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw, in weerwil van eventuele wijzigingen in de status van EU-lidstaten;

15.  beklemtoont dat de tijd dringt om de klimaatverandering met gezamenlijke inspanningen te bestrijden en de Overeenkomst van Parijs na te komen; onderstreept dat de EU zowel de capaciteit als de verantwoordelijkheid heeft om hierin het voortouw te nemen en onmiddellijk moet beginnen haar klimaat- en energiedoelstellingen aan te passen aan de internationaal overeengekomen doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2 °C, terwijl ze haar inspanningen om deze stijging tot 1,5 °C te beperken dient voort te zetten;

16.  spoort de EU en de lidstaten aan actief betrokken te blijven bij de zogenaamde "zeer ambitieuze coalitie" en zich ertoe te verbinden het onderhandelingsproces te bespoedigen en het Marokkaans voorzitterschap te steunen in zijn aandacht voor de bijdrage van hernieuwbare energie en aanpassingsmaatregelen aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering;

17.  benadrukt dat besprekingen moeten worden opgestart over de invulling van de faciliterende dialoog in 2018, die een belangrijke kans biedt om, uitgaande van de huidige INDC's, de aanhoudende kloof met betrekking tot de mitigatie-inspanningen te dichten; is van mening dat de EU een proactieve rol moet spelen in deze eerste faciliterende dialoog om een stand van zaken op te maken van de gezamenlijke ambitie en de vooruitgang bij het verwezenlijken van de toezeggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ruim voor aanvang van de faciliterende dialoog bijkomende broeikasgasemissiereducties voor te leggen die verder gaan dan de huidige toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die op adequate wijze bijdragen aan het dichten van de mitigatiekloof in overeenstemming met de capaciteiten van de EU;

18.  herinnert eraan dat het opvoeren van mitigatiemaatregelen in de periode vóór 2020 een absolute voorwaarde is om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te realiseren, en een cruciaal element vormt om het succes van de COP 22 in Marrakesh aan af te meten;

Ambities voor de periode tot 2020 en het Protocol van Kyoto

19.  merkt op dat de EU nu goed op koers ligt om meer te bereiken dan haar doelstellingen voor 2020 inzake de reductie van broeikasgasemissies en te voldoen aan haar doelstelling voor 2020 inzake hernieuwbare energie, en dat er inzake energie-intensiteit aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd dankzij efficiëntere gebouwen, producten, industriële processen en voertuigen, en dat alles terwijl de Europese economie sinds 1990 in reële cijfers met 45 % is gegroeid; wijst er evenwel op dat er meer ambitie en meer maatregelen nodig zijn om voldoende stimulansen te behouden voor de reductie van broeikasgasemissies die vereist is om de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor 2050 te halen; onderstreept dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake het verminderen van de broeikasgasemissies in de vervoers- en landbouwsector wat betreft de doelstellingen voor 2020 en dat extra inspanningen moeten worden geleverd met het oog op de bijdragen van deze sectoren aan de emissiereducties tegen 2030;

20.  benadrukt dat de 20/20/20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen drijvende krachten zijn gebleken voor deze vooruitgang en voor de instandhouding van de werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse ecobedrijfstakken, terwijl tijdens de economische crisis een gestage groei werd opgetekend;

21.  maakt duidelijk dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto weliswaar beperkt in omvang is, maar toch gezien moet worden als een belangrijke tussenstap, en verzoekt daarom de partijen, waaronder de lidstaten van de EU, om het ratificatieproces zo spoedig mogelijk af te ronden; merkt op dat het Europees Parlement zijn rol heeft vervuld door zijn goedkeuring te geven en toont zijn waardering voor de lidstaten die hun nationale ratificatieproces reeds hebben voltooid;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

22.  is verheugd dat in de hele wereld emissiehandelssystemen worden ontwikkeld, waaronder zeventien emissiehandelssystemen die op vier continenten actief zijn en samen 40 % van het mondiale bbp vertegenwoordigen en die de wereldwijde emissies op een kosteneffectieve manier helpen verminderen; spoort de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; vraagt dat krachtige inspanningen worden geleverd om lidstaten met een veranderende status binnen de EU-ETS te houden; verzoekt de Commissie waarborgen tot stand te brengen om ervoor te zorgen dat de koppeling van de EU-ETS aan andere regelingen permanente mitigatiebijdragen oplevert en de interne EU-doelstelling inzake broeikasgasemissies niet ondermijnt;

23.  benadrukt dat volgens de bevindingen van de IPCC de emissies uit landgebruik (landbouw, veeteelt, bosbouw en andere vormen van landgebruik) een aanzienlijk kosteneffectief potentieel hebben als het gaat om mitigatie en het vergroten van de veerkracht, en dat er meer EU-maatregelen en internationale samenwerking nodig zijn om het potentieel inzake het afvangen van koolstof van emissies uit landgebruik beter in te schatten en te optimaliseren en te zorgen voor veilige en duurzame koolstofvastlegging; wijst op de bijzondere kansen die dit voor de boslandbouw biedt; herinnert aan het belangrijk akkoord dat aan het begin van de zittingsperiode werd bereikt op het vlak van indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) en hoopt dat de bijdrage van het Parlement tijdens de onderhandelingen de basis kan vormen voor een ambitieuze oplossing in het kader van de volgende herziening van de regelgeving;

24.  merkt op dat ontbossing en bosdegradatie verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt het belang van bossen en actief duurzaam bosbeheer voor de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om het aanpassingsvermogen en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; benadrukt dat mitigatie-inspanningen moeten worden geleverd gericht op de tropische bosbouwsector (REDD+); onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstelling om de opwarming van de aarde onder de 2 °C te houden zonder deze inspanningen wellicht onmogelijk zal blijken; vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

25.  benadrukt dat het belangrijk is ervoor te waken dat de mensenrechten centraal blijven in klimaatacties, en vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over aanpassingsmaatregelen de noodzaak wordt erkend van respect voor en bescherming en bevordering van de mensenrechten, onder andere op het gebied van gendergelijkheid, volledige en gelijke deelname van vrouwen en de actieve bevordering van een rechtvaardige overgang van het werkbestand, zodat fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen voor iedereen worden gecreëerd;

26.  dringt erop aan dat LULUCF (landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw) wordt opgenomen in het beleidskader van de EU voor klimaat en energie voor 2030, aangezien deze emissies afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen om te vermijden dat de koolstofput van LULUCF in de EU wordt gebruikt om de mitigatie-inspanningen in andere sectoren af te bouwen;

27.  herinnert eraan dat de vervoerssector de op één na grootste bron van broeikasgasemissies is; betreurt het dat de internationale luchtvaart en scheepvaart niet worden genoemd in de Overeenkomst van Parijs; staat erop dat er een reeks beleidsmaatregelen wordt ingevoerd om de uit deze sector afkomstige emissies te verminderen; herhaalt dat de partijen bij het UNFCCC actie moeten ondernemen om de emissies van de internationale lucht- en scheepvaart op doeltreffende wijze te reguleren en te plafonneren, in overeenstemming met de behoeften en de urgentie van de situatie; dringt er bij alle partijen op aan via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te werken aan de ontwikkeling van een globaal beleidskader om een doeltreffende respons mogelijk te maken, alsook maatregelen te nemen om vóór het einde van 2016 adequate doelstellingen vast te stellen voor de verwezenlijking van de noodzakelijke reducties in het licht van de doelstelling om ruim onder de 2 °C te blijven;

28.  herinnert eraan dat broeikasgasemissies van de luchtvaartsector op 1 januari 2012 in de EU-ETS werden opgenomen, waardoor alle vliegtuigexploitanten in het kader van de ETS verplicht zijn CO2-emissierechten te bekomen; merkt op dat in 2013 en 2014 twee stop-de-tijd-besluiten werden aangenomen, waardoor het toepassingsgebied van de EU-ETS tijdelijk werd beperkt en internationale vluchten ervan werden uitgesloten, zodat de ICAO tijd zou krijgen om een mondiale marktgebaseerde maatregel ter beperking van emissies van de internationale luchtvaart te ontwikkelen, en stelt vast dat deze vrijstelling vanaf 2017 afloopt;

29.  pleit ervoor dat op de momenteel aan de gang zijnde 39e bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de ICAO een billijke en krachtige wereldwijde marktgebaseerde maatregel wordt ingesteld, die vanaf 2020 op internationaal niveau moet worden ingevoerd; uit zijn diepe teleurstelling over het voorstel dat momenteel bij de ICAO wordt besproken en herinnert eraan dat elke wijziging van de bestaande wetgeving waardoor de luchtvaart in de EU-ETS wordt opgenomen slechts in overweging kan worden genomen als de mondiale marktgebaseerde maatregel ambitieus is, en dat intra-Europese vluchten in ieder geval binnen het toepassingsgebied van de EU-ETS zullen blijven;

30.  wijst op de waarschuwing van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB), dat indien het belang van emissiecontrole pas in een laat stadium wordt erkend, dit zou kunnen leiden tot een abrupte invoering van kwantitatieve beperkingen op het gebruik van koolstofintensieve energiebronnen en dat de kosten van de transitie navenant hoger zullen zijn, met mogelijke gevolgen voor economische activiteiten en financiële instellingen; verzoekt de Commissie verder na te gaan welke systeemrisico's met een abrupte transitie gepaard kunnen gaan en in voorkomend geval voorstellen te doen voor transparantieverplichtingen voor financiële markten en voor maatregelen om systeemrisico's zoveel mogelijk te beperken;

31.  wijst op de centrale rol die de circulaire economie zal vervullen voor de overgang naar een koolstofarme samenleving; merkt op dat maatregelen die uitsluitend op emissiereductie zijn toegespitst en geen rekening houden met de bijdrage van de inzet van hernieuwbare energie en een efficiënt hulpbronnengebruik hun doel niet zullen bereiken; meent dat er gezien de gevolgen van het grondstoffengebruik en het afvalbeheer voor broeikasgasemissies op de COP 22 voldoende aandacht moet worden besteed aan de transitie naar een wereldwijde circulaire economie;

32.  benadrukt het belang van een holistische, systemische benadering voor het formuleren en uitvoeren van beleid ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en wijst met name op de ontkoppeling tussen economische groei en het welzijn van de mens enerzijds, en het verbruik van hulpbronnen anderzijds, aangezien hulpbronnenefficiëntie zowel leidt tot een vermindering van broeikasgasemissies als van andere vormen van druk op het milieu en op hulpbronnen en tegelijkertijd duurzame groei bevordert, terwijl een beleid dat alleen gericht is op de vermindering van broeikasgasemissies niet gelijktijdig hulpbronnenefficiëntie garandeert; onderstreept dat een efficiënt hulpbronnengebruik winst oplevert voor de economie en het milieu; benadrukt dat de circulaire economie en een goed beheer van natuurlijke hulpbronnen een belangrijke hefboom kunnen zijn voor het klimaatprobleem; stelt bijvoorbeeld dat een groot deel van het energieverbruik rechtstreeks samenhangt met de winning, de verwerking, het vervoer, de transformatie, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; stelt dat het verhogen van de productiviteit van hulpbronnen via efficiëntieverbetering en een beperking van de verspilling van grondstoffen door middel van hergebruik, herverwerking en recycling ook bijdraagt aan een aanzienlijke daling van het verbruik van hulpbronnen en meteen ook van de uitstoot van broeikasgassen; wijst in dit verband op de activiteiten van het Internationaal panel voor hulpbronnen;

Vermindering van niet-CO2-emissies

33.  is ingenomen met de verklaring van de leiders op de G7-top van 26 t/m 27 mei 2016 in Ise-Shima, Japan, waarin de nadruk wordt gelegd op het belang van een beperking van emissies van kortlevende verontreinigende stoffen, waaronder zwarte koolstof, fluorkoolwaterstoffen en methaan, om het tempo van de opwarming op korte termijn te doen dalen;

34.  dringt erop aan dat in het kader van het Protocol van Montreal een ambitieus plan wordt aangenomen om fluorkoolwaterstoffen in 2016 wereldwijd geleidelijk af te bouwen; herinnert eraan dat de EU ambitieuze wetgeving heeft vastgesteld om het gebruik van fluorkoolwaterstoffen uiterlijk in 2030 met 79% af te bouwen, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven op grote schaal beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut; merkt op dat het geleidelijk afbouwen van het gebruik van fluorkoolwaterstoffen een voorbeeld is van een mitigatiemaatregel die binnen en buiten de EU gemakkelijk te verwezenlijken is;

Industrie en concurrentievermogen

35.  onderstreept dat de bestrijding van de klimaatverandering de prioriteit is en wereldwijd moet worden nagestreefd, en dat daarbij moet worden gezorgd voor energiezekerheid en de ontwikkeling van duurzame economische groei en werkgelegenheid;

36.  beklemtoont dat voor klimaatgerelateerde investeringen een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke politieke signalen nodig zijn;

37.  is verheugd dat China en andere grote concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU een emissiehandelssysteem of andere prijsmechanismen invoeren; meent dat de EU, totdat er gelijke concurrentievoorwaarden tot stand zijn gebracht, adequate en evenredige maatregelen moet handhaven om het concurrentievermogen van haar industrie te garanderen en, waar nodig, koolstoflekkage moet voorkomen, vanuit de overweging dat energie-, industrie- en klimaatbeleid hand in hand gaan;

38.  onderstreept dat beter gebruik moet worden gemaakt van de bestaande programma's en instrumenten, zoals Horizon 2020, die openstaan voor de deelname van derde landen, met name op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, en dat duurzaamheid in de relevante programma's moet worden geïntegreerd;

Energiebeleid

39.  verzoekt de EU de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, waaronder een tijdschema voor de geleidelijke afschaffing van voor het milieu of de economie schadelijke subsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen;

40.  benadrukt dat een ambitieuzere doelstelling voor energie-efficiëntie in de Europese Unie kan helpen bij het verwezenlijken van een ambitieuze klimaatdoelstelling, en tegelijk ook het risico van koolstoflekkage kan verminderen;

41.  wijst erop dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energie van groot belang zijn voor het verminderen van emissies, alsook voor economische besparingen, energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede om kwetsbare huishoudens te beschermen en te helpen; dringt aan op de wereldwijde bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen en de ontwikkeling van hernieuwbare energie (bijvoorbeeld door het zelf opwekken en verbruiken van hernieuwbare energiebronnen te stimuleren) en wijst erop dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energie twee hoofddoelstellingen zijn van de energie-unie van de EU;

Onderzoek, innovatie en digitale technologieën

42.  onderstreept dat onderzoek en innovatie op het vlak van klimaatverandering en aanpassingsmaatregelen, alsook op het vlak van hulpbronnenefficiënte en emissiearme technologieën, cruciaal zijn voor een kostenefficiënte bestrijding van de klimaatverandering, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen en het gebruik van secundaire grondstoffen moeten bevorderen; dringt daarom aan op een wereldwijd engagement om de investeringen op dit gebied te bevorderen en hierop te concentreren;

43.  herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen een van de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie vormen; stelt vast dat de EU vastbesloten is een wereldleider te blijven op deze gebieden en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners te ontwikkelen; wijst erop dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van schone en duurzame energietechnologieën moet worden opgebouwd en gehandhaafd;

44.  wijst erop dat digitale technologieën de rol van katalysator kunnen vervullen voor de transformatie van het energiesysteem; onderstreept het belang van de ontwikkeling van technologieën voor energieopslag, die zullen bijdragen aan het koolstofvrij maken van de elektriciteitssector en de sector van verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

45.  onderstreept dat het aantal geschoolde werknemers in de sector moet worden verhoogd en dat kennis en beste praktijken moeten worden bevorderd om het scheppen van kwaliteitsvolle banen te stimuleren, terwijl waar nodig steun moet worden verleend aan de transitie van de werknemers;

46.  dringt aan op een beter gebruik van technologie, zoals ruimtesatellieten, voor het accuraat verzamelen van gegevens over emissies, temperatuur en klimaatverandering; wijst met name op de bijdrage die door het Copernicusprogramma is geleverd; dringt ook aan op transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen en op de openstelling van gegevens voor de wetenschappelijke gemeenschap;

De rol van niet-overheidsactoren

47.  wijst op de acties die worden ondernomen door een steeds grotere verscheidenheid aan niet-overheidsactoren om koolstofvrij te worden en beter bestand te zijn tegen klimaatverandering; benadrukt daarom het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, het bedrijfsleven, inclusief kleine en middelgrote ondernemingen, steden, regio's, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, en van hun betrokkenheid bij de planning en uitvoering van klimaatacties, teneinde krachtige, wereldwijde maatregelen te nemen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken; is ingenomen met de oprichting van de "Global Climate Action Agenda" (agenda voor mondiale klimaatactie), die voortbouwt op de actieagenda Lima-Parijs en waarbij 70 initiatieven van multistakeholders in verschillende sectoren betrokken zijn;

48.  benadrukt dat het platform van niet-statelijke actoren voor klimaatactie (NAZCA) volledig moet worden geïntegreerd in het kader van het UNFCCC; stelt vast dat plaatselijke en regionale autoriteiten de grootste bijdrage leveren aan de actieagenda Lima-Parijs en NAZCA en al blijk hebben gegeven van hun engagement om werk te maken van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, zowel wat mitigatie als aanpassing betreft, door te zorgen voor horizontale coördinatie en integratie van het beleid inzake klimaatverandering, meer bevoegdheden te geven aan plaatselijke gemeenschappen en burgers, en processen van maatschappelijke veranderingen en innovatie te bevorderen, met name via initiatieven zoals het wereldwijde burgemeestersconvenant en het "onder 2"-memorandum van overeenstemming;

49.  verzoekt de EU en de lidstaten met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) samen te werken om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer), alsook initiatieven met betrekking tot aanpassing en veerkracht, zodat het hoofd kan worden geboden aan aanpassingsproblemen, met name wat betreft de toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze actieagenda te ondersteunen en te versterken;

50.  is van mening dat het van belang is te garanderen dat de legitieme lobbyactiviteiten tijdens de onderhandelingen over de toekomstige COP 22 door de grootste transparantie worden gekenmerkt en dat alle officieel erkende belanghebbende partijen gelijke toegang krijgen tot alle noodzakelijke informatie;

51.  herinnert de partijen en de VN zelf eraan dat individuele acties even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; dringt er daarom op aan meer bewustmakings- en informatiecampagnes te organiseren voor de bevolking over de kleine en grote gebaren die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

52.  benadrukt dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling; vraagt dat dienovereenkomstig langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen ervan en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen;

53.  dringt bij de Commissie aan op een herziening van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering die in 2013 is goedgekeurd; verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een juridisch bindend instrument indien de in de lidstaten genomen maatregelen ontoereikend worden geacht;

54.  onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd zware schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële stimulans voor innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

55.  vraagt dat de problematiek van klimaatvluchtelingen en de omvang daarvan, die het gevolg zijn van klimaatrampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde, ernstig worden genomen; stelt bezorgd vast dat tussen 2008 en 2013 166 miljoen mensen gedwongen werden hun huis te verlaten vanwege overstromingen, stormen, aardbevingen en andere rampen; vestigt bijzondere aandacht op het feit dat de klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika en het Midden-Oosten politieke instabiliteit, economische tegenspoed en een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken;

56.  waardeert de inspanningen van het internationaal mechanisme van Warschau voor schade en verlies, dat op de COP 22 zal worden geëvalueerd; vraagt dat het mechanisme blijft bijdragen aan een beter inzicht en een grotere deskundigheid met betrekking tot de manier waarop de gevolgen van de klimaatverandering van invloed zijn op patronen van migratie, ontheemding en menselijke mobiliteit, en te bevorderen dat er iets wordt gedaan met dit inzicht en deze deskundigheid;

57.  vraagt de EU en alle andere landen dat zij de mensenrechtendimensie en de sociale gevolgen van klimaatverandering aanpakken, dat zij zorgen voor de bescherming en bevordering van mensenrechten en solidariteit en dat zij steun verlenen aan armere landen waarvan de capaciteiten onder druk komen te staan door de gevolgen van de klimaatverandering;

Steun aan ontwikkelingslanden

58.  benadrukt dat ook de ontwikkelingslanden een belangrijke rol spelen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en dat deze landen geholpen moeten worden om hun klimaatplannen uit te voeren door ten volle gebruik te maken van de synergieën met de desbetreffende duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de uitgevoerde klimaatmaatregelen, het actieprogramma van Addis Abeba en de Agenda 2030;

59.  onderstreept dat de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, moet worden bevorderd door op grotere schaal hernieuwbare energie in te zetten; merkt op dat Afrika over enorme hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen beschikt die de energiezekerheid van het continent kunnen waarborgen; onderstreept dat Europa, indien men erin slaagt interconnecties voor elektriciteit tot stand te brengen, op termijn een deel van haar energie uit Afrika zou kunnen halen;

60.  benadrukt dat de EU de ervaring, de capaciteit en de mondiale reikwijdte heeft om het voortouw te nemen bij de opbouw van de slimmere, schonere en meer klimaatbestendige infrastructuur die nodig is om de door Parijs gestimuleerde mondiale transitie waar te maken; verzoekt de EU steun te verlenen aan de inspanningen van ontwikkelingslanden om over te schakelen naar koolstofarme samenlevingen die inclusiever, sociaal en ecologisch duurzamer, welvarender en veiliger zijn;

Klimaatfinanciering

61.  merkt op dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat genoeg klimaatfinanciering wordt vrijgemaakt om de doelstelling van 100 miljard USD uiterlijk in 2020 te behalen; is verheugd over de voortzetting ervan tot 2025; dringt er bij de EU en alle partijen die daartoe in staat zijn op aan dat zij hun verplichtingen nakomen om klimaatfinanciering te verstrekken voor de ondersteuning van grotere inspanningen voor het verminderen van broeikasgasemissies en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering, gezien de omvang en dringende noodzaak van de uitdaging; beseft dat er aanzienlijk meer koolstofarme, klimaatbestendige investeringen en inspanningen voor de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen nodig zijn om gevaarlijke klimaateffecten tot een minimum te herleiden; benadrukt dat moet worden aangezet tot bredere financiële stromen door middel van koolstofbeprijzing en publiek-private partnerschappen;

62.  dringt aan op concrete toezeggingen op EU- en internationaal niveau om in aanvullende bronnen van klimaatfinanciering te voorzien, onder meer door een belasting op financiële transacties in te voeren, door in de periode van 2021 tot 2030 een deel van de emissierechten uit de EU-ETS opzij te zetten en door inkomsten uit EU- en internationale maatregelen inzake de emissies van de lucht- en zeevaart toe te wijzen aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds die onder meer bedoeld zijn voor projecten met betrekking tot technologische innovatie;

63.  is verheugd over het engagement in het kader van de Overeenkomst van Parijs om alle geldstromen te doen sporen met de beginselen van geringe broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling; meent dat dit de EU ertoe verplicht dringend iets te doen aan de geldstromen naar fossiele brandstoffen en koolstofrijke infrastructuur;

64.  kijkt uit naar de faciliterende dialoog om mogelijkheden te vinden om de financiële middelen te verhogen en een betere mitigatie door alle partijen te ondersteunen; erkent dat alle partijen, donoren en begunstigden de verantwoordelijkheid hebben samen te werken om de steun naar een hoger niveau te tillen en toegankelijker en doeltreffender te maken;

65.  verzoekt de Commissie een volledige evaluatie te maken van de mogelijke gevolgen van de Overeenkomst van Parijs voor de EU-begroting en een specifiek, automatisch EU-financieringsmechanisme te ontwikkelen om te zorgen voor aanvullende en toereikende steun waarmee de EU haar deel inbrengt om de beoogde internationale klimaatfinanciering van 100 miljard USD te verwezenlijken;

66.  pleit ervoor om een breedgedragen koolstofbeprijzing in te zetten als wereldwijd toepasbaar instrument voor het beheer van emissies en om inkomsten uit emissiehandel, alsook inkomsten uit de koolstofbeprijzing van voor het internationaal vervoer gebruikte brandstoffen, aan klimaatgerelateerde investeringen toe te wijzen; dringt er bovendien op aan dat landbouwsubsidies gedeeltelijk worden gebruikt om investeringen ten behoeve van de opwekking en het gebruik van duurzame energie op landbouwbedrijven te garanderen; benadrukt hoe belangrijk het is kapitaal uit de particuliere sector aan te trekken en de nodige investeringen in koolstofarme technologie vrij te maken; pleit voor een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, waaronder banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "minder dan 2 °C"-doelstelling af te stemmen en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door exportkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen; dringt aan op specifieke overheidsgaranties voor groene investeringen, op keurmerken en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en op de uitgifte van groene obligaties;

67.  wijst erop hoe belangrijk het is ervaringen te delen over de integratie van het duurzaamheidsvraagstuk in de financiële sectoren, zowel op internationaal als op Europees niveau, en vraagt na te denken over het toekennen van een keurmerk aan financiële producten, aan de hand van een beoordeling en een rapport betreffende hun gevoeligheid voor klimaatgerelateerde risico's, alsook hun bijdrage aan de overgang naar een koolstofarme economie, teneinde investeerders betrouwbare en beknopte informatie over niet-financiële kwesties te verstrekken;

Klimaatdiplomatie

68.  is verheugd dat de EU aandacht blijft besteden aan klimaatdiplomatie, wat van essentieel belang is om klimaatactie in partnerlanden en in de publieke opinie overal ter wereld meer zichtbaarheid te geven; benadrukt dat de EU, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een enorme capaciteit op het vlak van buitenlands beleid hebben en in klimaatfora het voortouw moeten nemen; benadrukt dat ambitieuze en dringende klimaatmaatregelen en de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de COP 21 een van de prioriteiten van de EU moeten blijven in de bilaterale en biregionale dialogen op hoog niveau met partnerlanden, de G7, de G20, de VN en andere internationale fora;

69.  verzoekt de EU om er bij de inspanningen die zij op het vlak van klimaatdiplomatie onderneemt vooral voor te zorgen dat de overeenkomst van Parijs een stevige structuur krijgt;

Het Europees Parlement

70.  verbindt zich ertoe de Overeenkomst van Parijs zo spoedig mogelijk te ratificeren, zijn internationale rol en lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te benutten om consequent naar vooruitgang te streven voor een snelle ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

71.  is van mening dat het Parlement goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd, aangezien het ook zijn goedkeuring zal moeten geven aan een internationale overeenkomst; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Marrakesh mag bijwonen en dat het van bij de start van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0359.


Tenuitvoerlegging van de verordening inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen
PDF 206kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over de tenuitvoerlegging van de Verordening (EG) nr. 1935/2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen) (2015/2259(INI))
P8_TA(2016)0384A8-0237/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2023/2006 van de Commissie van 22 december 2006 betreffende goede fabricagemethoden voor materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen(3),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van "Materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen – Verordening (EG) nr. 1935/2004" van mei 2016, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement(4),

–  gezien de activiteiten van de workshop over "Materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen – Hoe kunnen voedselveiligheid en technologische innovatie in de toekomst gewaarborgd worden?", gehouden op 26 januari 2016 in het Europees Parlement(5),

–  gezien het overzichtsartikel van de Commissie betreffende de toxiciteit van mengsels(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad over de combinatie-effecten van chemische stoffen – Mengsels van chemische stoffen (COM(2012)0252),

–  gezien de conclusies van de Raad van Milieuministers van 22 december 2009 betreffende de combinatie-effecten van chemische stoffen(7),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(8) waarin onder meer wordt onderkend dat de EU de combinatie-effecten van chemische stoffen en de veiligheidsproblemen in verband met hormoonontregelende stoffen in de gehele desbetreffende Unie-wetgeving moet aanpakken,

–  gezien een beoordeling van de "State of the science of endocrine disrupting chemicals – 2012", opgesteld voor het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)(9),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie(10) ("de REACH-verordening"),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0237/2016),

A.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1935/2004 ("de kaderverordening") algemene veiligheidsvereisten worden vastgelegd voor alle materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (food contact materials – FCM's), om uit te sluiten dat stoffen in hoeveelheden die toereikend zijn om de menselijke gezondheid in gevaar te brengen of een onaanvaardbare wijziging in de samenstelling of organoleptische eigenschappen van het levensmiddel veroorzaken, naar het betreffende levensmiddel migreren;

B.  overwegende dat in Bijlage I bij de kaderverordening 17 materialen en voorwerpen (FCM's) zijn opgenomen die aan bijzondere maatregelen kunnen worden onderworpen;

C.  overwegende dat van de bovengenoemde 17 slechts voor 4 materialen specifieke EU‑maatregelen van kracht zijn: kunststoffen (waaronder gerecycleerde kunststoffen), keramiek, geregenereerde cellulose en actieve en intelligente materialen en voorwerpen;

D.  overwegende dat bepaalde specifieke EU-maatregelen, met name Richtlijn 84/500/EEG van de Raad betreffende keramische voorwerpen, dringend moet worden herzien;

E.  overwegende dat de lidstaten de mogelijkheid hebben nationale voorschriften vast te stellen voor de overige 13 materialen en voorwerpen in bijlage I;

F.  overwegende dat vele lidstaten al verschillende maatregelen voor de overige FCM's hebben ingevoerd of daar momenteel aan werken; overwegende dat voor deze nationale maatregelen het beginsel van wederzijdse erkenning niet functioneert en dat de efficiënte werking van de interne markt daardoor niet kan worden gewaarborgd, net zo min als het hoge niveau van gezondheidsbescherming zoals beoogd in de kaderverordening en de Verdragen;

G.  overwegende dat materialen waarvoor geen specifieke EU-maatregelen zijn vastgesteld een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid en kunnen leiden tot verlies van consumentenvertrouwen, juridische onzekerheid en hogere nalevingskosten voor exploitanten – die vaak verderop in de toeleveringsketen worden doorberekend aan de consumenten – met een verlies aan concurrentievermogen en innovatie tot gevolg; overwegende dat er volgens de Europese uitvoeringsbeoordeling van mei 2016, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS), bij alle belanghebbenden een ruime consensus bestaat dat het ontbreken van uniforme maatregelen nadelig is voor de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en de goede werking van de interne markt;

H.  overwegende dat de beginselen van "betere regelgeving" niet mogen leiden tot uitstel van maatregelen die bedoeld zijn om mogelijk ernstige of onomkeerbare gevolgen voor de menselijke gezondheid en/of het milieu af te wenden of te beperken, zoals opgelegd door het voorzorgsbeginsel dat in de EU-verdragen verankerd is;

I.  overwegende dat hormoonontregelende en genotoxische stoffen in FCM's met name problematisch zijn voor de volksgezondheid en het milieu; overwegende dat hormoonontregelende en genotoxische eigenschappen momenteel niet betrouwbaar kunnen worden voorspeld op grond van de chemische samenstelling en dat daarom het verrichten van biotests moet worden aangemoedigd als een facultatieve voorafgaande controlemaatregel om de veiligheid van chemisch complexe FCM's te garanderen; overwegende dat onderzoek inzake de ontwikkeling van analytische en toxicologische proeven moet worden aangemoedigd om te zorgen voor robuuste en kosteneffectieve veiligheidsbeoordelingen van FCM's ten voordele van consumenten, het milieu en fabrikanten;

J.  overwegende dat schadelijke micro-organismen (die ziekten verwekken of bederf veroorzaken) die als contaminanten van FCM's aanwezig kunnen zijn, en de biociden die bijgevolg mogelijk gebruikt worden om hun aantallen te verminderen, ook een risico voor de volksgezondheid vormen;

K.  overwegende dat bepaalde levensmiddelen langdurig in contact blijven met zeer uiteenlopende verpakkingsmaterialen;

L.  overwegende dat door een betere onderlinge afstemming van voorschriften die van belang zijn voor de omgang met FCM's de gezondheid van de consumenten beter kan worden beschermd en de effecten van FCM's en met name verpakkingen op het milieu kunnen worden verminderd;

M.  overwegende dat een betere onderlinge afstemming van voorschriften die van toepassing zijn op FCM's, met inbegrip van de REACH-verordening, zou bijdragen aan een doeltreffendere circulaire economie;

N.  overwegende dat de specifieke maatregelen gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijk bewijs; overwegende dat op wetenschappelijk vlak een aantal onduidelijkheden bestaat, en dat derhalve meer onderzoek nodig is;

O.  overwegende dat nanotechnologie en nanomaterialen volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een nieuwe technologische ontwikkeling zijn en dat FCM een sector is waarin reeds nanomaterialen zijn gebruikt; overwegende dat de specifieke eigenschappen van nanomaterialen van invloed kunnen zijn op hun toxicokinetische en toxicologische profiel, maar dat er slechts weinig informatie beschikbaar is over die aspecten; overwegende dat er ook onzekerheid bestaat doordat nanomaterialen moeilijk kunnen worden gekarakteriseerd, opgespoord en gemeten in voeding en in biologische matrices en doordat er slechts weinig toxiciteitsgegevens en testmethoden beschikbaar zijn;

P.  overwegende dat risicobeoordelingen voor gezondheid en milieu op EU-niveau momenteel beperkt blijven tot beoordelingen van afzonderlijke stoffen, en geen rekening houden met de levensechte omstandigheden van gecombineerde en cumulatieve blootstelling via verschillende routes en aan verschillende producttypen, het zogeheten "cocktaileffect" of "mengseleffect";

Q.  overwegende dat beoordelingen van de blootstelling volgens een aanbeveling van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO)/WHO (2009)(11) de algemene bevolking moeten bestrijken, evenals kritische groepen die kwetsbaar zijn of naar verwachting sterker worden blootgesteld dan de algemene bevolking (bijv. zuigelingen, kinderen);

R.  overwegende dat de traceerbaarheid van FCM's in alle stadia van de leveringsketen moet worden gegarandeerd, om het toezicht, het terugroepen van producten met gebreken, de voorlichting van de consument en de vaststelling van de aansprakelijkheid te vergemakkelijken;

S.  overwegende dat etikettering een zeer direct en doeltreffend instrument is om de consument te informeren over de eigenschappen van een product;

T.  overwegende dat een horizontale aanpak van stoffen in alle economische sectoren samenhang in de wetgeving en voorspelbaarheid voor de bedrijven verschaft;

U.  overwegende dat de ontwikkeling van voor alle FCM's eenvormige EU-testmethoden zou bijdragen tot een hoger niveau van gezondheids- en milieubescherming in de EU;

V.  overwegende dat de invoering van een veiligheidscontrole voor kant-en-klare FCM's wellicht een mogelijkheid kan zijn om bepaalde specifieke maatregelen aan te vullen;

Successen en tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving inzake FCM's

1.  is van mening dat de kaderverordening een degelijke rechtsgrondslag vormt, met doelstellingen die niet aan relevantie zullen inboeten;

2.  benadrukt dat de nadruk moet liggen op de vaststelling van specifieke maatregelen voor de 13 materialen die nog niet op EU-niveau zijn gereguleerd, maar dat alle belanghebbenden wijzen op de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande wetgeving;

3.  is in afwachting van de komende evaluatie door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie van de nationale voorschriften die lidstaten hebben vastgesteld voor niet-geharmoniseerde materialen; verzoekt de Commissie deze evaluatie te gebruiken als uitgangspunt voor het opstellen van de vereiste maatregelen;

4.  beveelt aan dat de Europese Commissie bij de ontwikkeling van de nodige maatregelen rekening houdt met de door EPRS uitgevoerde Europese uitvoeringsbeoordeling en de reeds bestaande en in voorbereiding zijnde nationale maatregelen;

5.  wijst erop dat de Commissie, gezien de schaal waarop de bedoelde materialen op de EU-markt gebruikt worden en het risico dat ze voor de menselijke gezondheid vormen, en teneinde de interne markt voor FCM's en voor levensmiddelen te handhaven, onverwijld voorrang moet geven aan de opstelling van specifieke EU-maatregelen voor papier en karton, vernis en deklagen, metalen en metaallegeringen, inkt en kleefstoffen;

6.  onderstreept dat er bijzondere aandacht moet gaan naar FCM's die – ongeacht of ze direct of indirect met levensmiddelen in contact komen – een hoger migratierisico vormen, zoals materialen rondom vloeistoffen en levensmiddelen met een hoog vetgehalte, evenals materialen die langdurig in contact blijven met levensmiddelen;

7.  is van oordeel dat exploitanten door specifieke maatregelen op EU-niveau kunnen worden aangespoord om veilige herbruikbare en gerecycleerde FCM's te ontwikkelen, en dat het streven van de EU naar een betere circulaire economie hiermee kan worden bevorderd; wijst erop dat een betere traceerbaarheid en het geleidelijk verbieden van stoffen in FCM's die een gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen vormen, hiervoor randvoorwaarden zijn;

8.  onderstreept in dit verband dat het gebruik van FCM's die van gerecycleerde producten zijn vervaardigd noch het hergebruik van FCM's er toe mogen leiden dat aan het eindproduct een hoger aantal contaminanten of residuen wordt toegevoegd;

9.  is ervan overtuigd dat, gezien het streven van de EU naar een circulaire economie, betere synergieën tussen de kaderverordening inzake FCM's en de circulaire economie moeten worden ontwikkeld, die specifieke maatregelen op EU-niveau voor gerecycleerd papier en karton moeten omvatten; merkt op dat het aantal keer dat producten van gerecycleerd papier en karton opnieuw kunnen worden gebruikt beperkt is, en dat er dus voortdurend in verse houtvezels moet worden voorzien;

10.  is, gezien het risico van migratie van minerale oliën van papieren en kartonnen FCM naar levensmiddelen, voorstander van aanvullend onderzoek dat erop gericht is dergelijke migratie te voorkomen, in afwachting van de goedkeuring van specifieke maatregelen voor en een eventueel verbod op minerale oliën in inkten;

11.  ondersteunt de verhoging van de doelstellingen voor recycling en hergebruik van alle materialen in het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (COM(2015)0596); herinnert de Commissie er echter aan dat doelstellingen voor recycling en hergebruik vergezeld moeten gaan van passende controlemaatregelen om de veiligheid van materialen die in contact komen met levensmiddelen te waarborgen;

12.  wijst nadrukkelijk op de moeilijke positie van kleine en middelgrote ondernemingen in de productieketen, aangezien zij bij gebrek aan wettelijke voorschriften niet in staat zijn informatie te ontvangen of door te geven die de veiligheid van hun producten garandeert;

13.  meent dat de lidstaten alle belanghebbenden bij het proces moeten betrekken wanneer specifieke veiligheidsvoorschriften voor FCM's worden voorgesteld;

14.  erkent dat het huidige paradigma voor beoordeling van de veiligheid van FCM's ontoereikend is, aangezien de rol van FCM's in de voedselverontreiniging in het algemeen wordt onderschat en er een gebrek aan informatie is over de blootstelling van de mens aan deze verontreiniging;

Risicobeoordeling

15.  is zich bewust van de belangrijke rol die EFSA speelt bij de risicobeoordeling van stoffen die gebruikt worden in FCM's waarvoor specifieke maatregelen gelden; onderkent dat aan de risicobeoordeling van specifieke stoffen hoge kosten zijn verbonden en dat EFSA slechts over beperkte middelen beschikt; roept de Commissie daarom op de middelen voor EFSA te verhogen in het licht van de nodige aanvullende werkzaamheden gezien de toegenomen behoefte aan risicobeoordelingen die hieronder wordt beschreven;

16.  pleit voor een sterkere samenwerking en coördinatie tussen EFSA en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) om de beschikbare middelen voor een alomvattende beoordeling efficiënt aan te wenden;

17.  wijst erop dat voor een goede beoordeling van de risico's van FCM's rekening moet worden gehouden met zowel stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging en verwerking als met niet-opzettelijk toegevoegde stoffen (NIAS), waaronder onzuiverheden van de opzettelijk toegevoegde stoffen en andere stoffen voortkomend uit chemische reacties; is van mening dat met het oog hierop de uitgangsstoffen duidelijk moeten zijn aangegeven bij EFSA en de relevante autoriteiten in de lidstaten; benadrukt dan ook het belang van samenwerking tussen wetenschappelijke instanties en laboratoria, en is ingenomen met het voornemen van EFSA om meer nadruk te leggen op eindmaterialen en voorwerpen en op het productieproces, in plaats van op de gebruikte stoffen;

18.  beklemtoont het belang van verder wetenschappelijk onderzoek naar niet-opzettelijk toegevoegde stoffen, aangezien hun identiteit en structuur – in tegenstelling tot bekende gevaarlijke stoffen – vaak onbekend is, voornamelijk in kunststof;

19.  verzoekt de Commissie om een herziening van de bewijsmiddelen voor: i) de huidige veronderstellingen over de migratie van stoffen via functionele sperlagen; ii) de concentratiedrempel van 10 ppb voor migrerende stoffen in levensmiddelen die wordt gehanteerd door bepaalde ondernemingen en de bevoegde autoriteiten om te beslissen welke chemische stoffen een risicobeoordeling moeten krijgen; iii) de mate waarin functionele sperlagen minder doeltreffend worden na lange bewaarperioden, aangezien ze de migratie mogelijk alleen afremmen; iv) de huidige veronderstellingen over de moleculaire grootte die de chemische absorptie via de darm beïnvloedt;

20.  verzoekt EFSA en de Commissie het begrip "risicogroepen" uit te breiden met zwangere en borstvoeding gevende vrouwen en de mogelijke effecten van een blootstelling aan lage dosissen en non-monotone dosis-responsrelaties in de risicobeoordelingscriteria op te nemen;

21.  betreurt dat EFSA bij zijn huidige procedure voor risicobeoordeling geen rekening houdt met het zogeheten "cocktaileffect" of het effect van meerdere gelijktijdige en cumulatieve blootstellingen aan FCM's en andere bronnen, dat zelfs bij lage niveaus van de afzonderlijke stoffen in het mengsel schadelijke effecten kan hebben, en dringt er bij EFSA op aan dit in de toekomst wel te doen; dringt er bovendien bij de Commissie op aan dit effect – ook gedurende langere perioden – in aanmerking te nemen bij het bepalen van de migratielimieten die als veilig voor de menselijke gezondheid worden beschouwd;

22.  pleit voor verder wetenschappelijk onderzoek naar de wisselwerking tussen verschillende chemische stoffen;

23.  betreurt voorts dat EFSA nog geen rekening houdt met de mogelijkheid van schadelijke micro-organismen in FCM's; dringt er daarom bij het Panel voor biologische gevaren (BIOHAZ) van EFSA op aan de kwestie van micro-organismen in FCM's te onderzoeken aan de hand van de opstelling van een advies van EFSA ter zake;

24.  wijst erop dat FCM's zijn opgenomen in de werkingssfeer van Verordening (EU) nr. 528/2012(12) (de biocidenverordening, "BPR") aangezien er in FCM's biociden aanwezig kunnen zijn om het oppervlak van de levensmiddelen te beschermen tegen bacteriële besmetting (ontsmettingsmiddelen) en om de levensmiddelen langer te bewaren (conserveringsmiddelen); merkt echter op dat de verschillende biocidetypen in FCM's uit hoofde van andere wettelijke kaders zijn gereguleerd en dat de risicobeoordeling, afhankelijk van het biocidetype, door ECHA of EFSA of door beide instanties moet worden verricht;

25.  verzoekt de Commissie te zorgen voor samenhang tussen de verordeningen inzake FCM's en biociden en om de rol van ECHA en EFSA in dit verband te verduidelijken; verzoekt de Commissie voorts te werken aan een geharmoniseerde en geconsolideerde aanpak voor de algemene beoordeling en vergunning van als biocide gebruikte stoffen in FCM's, teneinde overlappingen, rechtsonzekerheid en dubbel werk te voorkomen;

26.  verzoekt EFSA in overweging te nemen dat vestigingen waar levensmiddelen worden geproduceerd door het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico's (WCNG) in 2009 werden aangewezen als kritieke plaatsen die de ontwikkeling bevorderen van bacteriën die resistent zijn voor antibiotica en biociden; wijst erop dat FCM's die biociden bevatten daarom ook kunnen bijdragen tot de aanwezigheid van antibioticaresistente bacteriën in mensen;

27.  onderstreept dat FCM's een belangrijke bron zijn van menselijke blootstelling aan zorgwekkende chemische stoffen, zoals perfluorkoolstoffen (PFK's) en hormoonontregelende stoffen zoals ftalaten en bisfenolen, die in verband zijn gebracht met chronische ziekten, voortplantingsproblemen, stofwisselingsstoornissen, allergieën en een gestoorde neurologische ontwikkeling; merkt op dat de migratie van dergelijke chemische stoffen van bijzonder belang is voor FCM's aangezien zij zelfs in uiterst lage dosissen schade kunnen aanrichten;

28.  neemt met bezorgdheid kennis van het sterkere effect dat in FCM's gebruikte stoffen kunnen hebben op de gezondheid van zuigelingen en jonge kinderen;

29.  verzoekt de Commissie de kloof op het gebied van veiligheidsbeoordelingen tussen de REACH- en de FCM-wetgeving te dichten door erop toe te zien dat ondernemingen veiligheidsbeoordelingen verrichten van de menselijke-gezondheidsaspecten van de blootstelling aan chemische stoffen die worden gebruikt in FCM's tijdens productie, gebruik en distributie; meent dat dit in Verordening (EG) nr. 1935/2004 dient te worden verduidelijkt;

30.  roept de Commissie op te zorgen voor betere coördinatie en een coherentere aanpak tussen de REACH- en de FCM-wetgeving, met name wat betreft stoffen die in de REACH-verordening zijn geclassificeerd als CMR-stoffen (de categorieën 1A, 1B en 2) of als SVHC's, en te waarborgen dat schadelijke stoffen die binnen REACH geleidelijk worden verboden ook worden verboden voor FCM's; benadrukt dat de Commissie het Parlement en de Raad regelmatig moet informeren en van recente informatie moet voorzien wanneer bepaalde zorgwekkende stoffen (zoals SVHC's, CMR's, bioaccumulatieve chemische stoffen of bepaalde categorieën van hormoonontregelende stoffen) die uit hoofde van REACH of andere wetgeving verboden zijn of geleidelijk worden verboden, nog steeds worden gebruikt in FCM's, zodat een gevaar voor de volksgezondheid kan worden uitgesloten; roept de Commissie op te overwegen Bisfenol A (BPA) als SVHC in te delen;

31.  neemt kennis van de op 15 juni 2016 door de Commissie gepubliceerde criteria voor het vaststellen van de hormoonontregelende eigenschappen van actieve stoffen die gebruikt worden in biociden en gewasbeschermingsmiddelen; onderstreept echter dat er behoefte is aan horizontale criteria voor alle producten, met inbegrip van FCM's, en verzoekt de Commissie zo snel mogelijk met dergelijke criteria te komen; dringt erop aan om deze criteria, zodra zij van kracht zijn, op te nemen in de risicobeoordelingsprocedure van FCM's;

32.  stelt vast dat de Commissie het recente advies van EFSA heeft gevolgd en eindelijk haar plan heeft aangekondigd om een migratielimiet in te voeren van 0,05 mg/kg voor BPA voor verpakkingen en houders van kunststof, alsmede voor vernis en deklagen gebruikt in metalen houders; is echter van mening dat in verscheidene herbeoordelingen van EFSA in de afgelopen tien jaar niet alle gezondheidsbezwaren doeltreffend zijn aangepakt en dat EFSA de gevaren van BPA opnieuw zal evalueren(13) in 2017, na de publicatie van een rapport waarin het bezwaar wordt geuit dat de huidige toelaatbare dagelijkse inname (TDI) foetussen of zuigelingen niet beschermt tegen de effecten van BPA op het afweersysteem, en waarin wordt aanbevolen consumenten te adviseren hun blootstelling aan BPA die afkomstig is uit levensmiddelen en andere bronnen te beperken, en dan ook wordt opgeroepen tot een verbod op BPA in alle FCM's;

33.  erkent, op grond van het 2015 Science and Policy Report van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie, het probleem van zware metalen die naar levensmiddelen migreren; begrijpt dat de Commissie de limieten voor lood en cadmium herziet in Richtlijn 84/500/EEG van de Raad inzake keramische voorwerpen; verzoekt de Commissie met klem een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de invoering van lagere limieten voor de vrijgave van cadmium en lood, en betreurt dat de herziening van Richtlijn 84/500/EEG nog niet is besproken in het Parlement en de Raad;

34.  steunt initiatieven voor onderzoek en innovatie die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe stoffen voor gebruik in FCM's waarvan is aangetoond dat zij veilig zijn voor de menselijke gezondheid; benadrukt echter dat veiligere alternatieven voorlopig geen Bisfenol S (BPS) mogen bevatten ter vervanging van Bisfenol A (BPA), aangezien BPS mogelijk een soortgelijk toxicologisch profiel heeft als BPA(14);

35.  ondersteunt met name verder onderzoek van nanomaterialen aangezien er nog steeds wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de effecten en het migratievermogen van deze materialen en hun uitwerking op de menselijke gezondheid; is daarom van mening dat voor nanomaterialen niet alleen een vergunning moet zijn vereist voor gebruik in kunststof, maar voor gebruik in alle FCM-materialen, en dat zij niet alleen in hun losse vorm mogen worden beoordeeld;

36.  wijst erop dat marktbelemmeringen, en met name verzoeken om vergunningen uit hoofde van uiteenlopende nationale voorschriften, leiden tot een verlies aan kansen voor verbetering van de voedselveiligheid via innovatie;

Traceerbaarheid

37.  is van mening dat een verklaring van overeenstemming (DOC) een doeltreffend instrument kan zijn om ervoor te zorgen dat FCM's in overeenstemming zijn met de toepasselijke regels, en beveelt aan dat alle FCM's, zowel geharmoniseerde als niet-geharmoniseerde, vergezeld gaan van een DOC en de nodige documentatie, zoals thans het geval is voor FCM's waarvoor specifieke maatregelen zijn vastgesteld; is van mening dat de gebruiksvoorwaarden beter moeten worden weerspiegeld in de DOC's;

38.  betreurt echter dat, zelfs wanneer zij verplicht zijn, DOC's niet altijd beschikbaar zijn voor de tenuitvoerlegging, en dat de kwaliteit van de DOC's die wel beschikbaar zijn niet altijd hoog genoeg is om ervoor te zorgen dat ze een betrouwbare bron van documentatie inzake overeenstemming vormen;

39.  dringt aan op verbetering van de traceerbaarheid en de overeenstemming van uit derde landen ingevoerde FCM's, door middel van een verplichting om juiste en volledige identificatiedocumenten en DOC's over te leggen; dringt erop aan dat ingevoerde FCM's moeten voldoen aan EU-normen, om aldus de volksgezondheid te beschermen en eerlijke concurrentie te waarborgen;

40.  verzoekt de Commissie verplichte etikettering vast te stellen voor de voorgenomen aanwezigheid van nanomaterialen in FCM's en verplichte etikettering vast te stellen betreffende de samenstelling van de FCM's die worden gebruikt voor bioproducten en producten die bestemd zijn voor kritische groepen;

Naleving, handhaving en controles

41.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de graad van handhaving van de wetgeving inzake FCM's sterk verschilt tussen de lidstaten; benadrukt het belang van het ontwikkelen van richtsnoeren van de EU voor FCM's die zouden bijdragen tot een geharmoniseerde en uniforme uitvoering en een betere handhaving in de lidstaten; onderstreept dat de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten daarvoor belangrijk is; is van mening dat andere niet-wetgevende beleidsopties, zoals de ervaring van zelfbeoordeling door de industrie, maatregelen moeten aanvullen om de handhaving van de kaderverordening inzake FCM's te verbeteren;

42.  is van mening dat met een verdere harmonisering van de FCM's een eenvormig hoger beschermingsniveau van de menselijke gezondheid tot stand kan komen;

43.  pleit voor de invoering van gemeenschappelijke EU-normen voor analytische tests per FCM om ervoor te zorgen dat bedrijven en bevoegde instanties in de hele EU onderzoek verrichten met gebruikmaking van dezelfde methode; stelt vast dat met de invoering van gemeenschappelijke testmethoden een gelijke behandeling van FCM's in de gehele interne markt gewaarborgd zou zijn en dat dit tot betere controlenormen en hogere beschermingsniveaus zou leiden;

44.  benadrukt dat elke lidstaat verantwoordelijk is voor het uitvoeren van controles bij bedrijven die FCM's produceren of invoeren; betreurt echter dat sommige lidstaten geen verplichting voor ondernemingen hanteren om hun bedrijfsactiviteiten te registreren, wat deze ondernemingen de gelegenheid biedt de conformiteitscontroles te omzeilen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan een verplichting opleggen aan alle ondernemingen die FCM's produceren of importeren om hun bedrijfsactiviteiten officieel te registreren, overeenkomstig de herziening van Verordening (EG) nr. 882/2004; onderkent het bestaan van passende registratiemechanismen in verschillende lidstaten, die kunnen dienen als voorbeeld van optimale werkwijzen voor reglementering op EU-niveau;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan de frequentie en doeltreffendheid van de officiële controles op te drijven op basis van het niet-nalevingsrisico en de betrokken gezondheidsrisico's, rekening houdend met de hoeveelheid van het voedingsmiddel, de consument voor wie het is bestemd en de tijdsduur dat het in contact komt met het FCM, alsmede het soort FCM, de temperatuur en andere relevante factoren;

46.  dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat zij beschikken over het nodige personeel en de nodige uitrusting om uniforme, grondige en systematische controles uit te voeren, alsook over een stelsel van afschrikkende sancties voor niet-naleving, in overeenstemming met de herziening van Verordening (EG) nr. 882/2004;

47.  dringt aan op een betere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en de Europese Commissie betreffende het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders, opdat gezondheidsrisico's snel en doeltreffend uit de weg kunnen worden geruimd;

48.  verzoekt de Europese Commissie verder onderzoek te doen naar de aanpak van een veiligheidsbeoordeling voor kant-en-klare FCM's of andere vergunningsprocedures voor FCM's;

49.  is ingenomen met het platform "Better Training for Safer Food" van de Europese Commissie; pleit ervoor om de activiteiten daarvan verder uit te breiden;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4.
(2) PB L 384 van 29.12.2006, blz. 75.
(3) PB L 12 van 15.1.2011, blz. 1.
(4) PE 581.411.
(5) PE 578.967.
(6) Kortenkamp 2009. http://ec.europa.eu/environment/chemicals/effects/pdf/report_mixture_toxicity.pdf
(7) http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=NL&f=ST%2017820%202009%20INIT
(8) Zevende milieuactieprogramma: PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171. http://eur­lex.europa.eu/legal­content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32013D1386
(9) http://www.who.int/ceh/publications/endocrine/en/
(10) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(11) Recent developments in the risk assessment of chemicals in food and their potential impact on the safety assessment of substances used in food contact materials – EFSA Journal 2016;14(1):4357 (28 blz.) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4357
(12) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(13) https://www.efsa.europa.eu/en/press/news/160426a?utm_content=hl&utm_source=EFSA+Newsletters&utm_campaign=3bd764133f-HL_20160428&utm_medium=email&utm_term=0_7ea646dd1d-3bd764133f-63626997
(14) Comité sociaal-economische analyse (SEAC), Opinion on an Annex XV dossier proposing restrictions on Bisphenol A. blz.13. http://www.echa.europa.eu/documents/10162/13641/bisphenol_a_seac_draft_opinion_en.pdf


Jaarverslag 2014 over de controle op de toepassing van het Unierecht
PDF 178kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014 (2015/2326(INI))
P8_TA(2016)0385A8-0262/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het 32e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2014) (COM(2015)0329),

–  gezien het verslag van de Commissie "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie "Tweede evaluatieverslag over EU-Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld "Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie" (COM(2012)0154),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

–  gezien het interinstitutioneel ontwerpakkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven,

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over het 30ste en 31ste jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)(1),

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0262/2016),

A.  overwegende dat artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-handvest);

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies moet uitbrengen indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen en dat zij de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

D.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling maar dat de informele EU-Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

E.  overwegende dat de Commissie met een beroep op artikel 4, lid 3, VEU en op het beginsel van loyale samenwerking tussen de Unie en de lidstaten aan haar verplichting vasthoudt om tijdens een EU Pilot-procedure discretie te bewaren met betrekking tot lidstaten;

F.  overwegende dat de EU Pilot-procedures bedoeld zijn voor nauwere en meer coherente samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waardoor inbreuken op het EU-recht zich in een vroeg stadium tot een oplossing laten brengen, zodat een formele inbreukprocedure zo mogelijk achterwege blijft;

G.  overwegende dat de Commissie in 2014 3 715 klachten over mogelijke inbreuk op het EU-recht heeft ontvangen, en dat Spanje (553), Italië (475) en Duitsland (276) de lidstaten waren waarover de meeste klachten kwamen;

H.  overwegende dat de Commissie in 2014 893 nieuwe inbreukprocedures is gestart, en dat Griekenland (89), Italië (89) en Spanje (86) de landen waren met de meeste lopende zaken;

I.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en overwegende dat artikel 298 VWEU bepaalt dat bij de vervulling van hun taken de instellingen, organen en instanties van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat moeten kunnen steunen;

1.  herinnert eraan dat de Commissie ingevolge artikel 17 VEU, de taak heeft toe te zien op de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van het EU-Handvest (artikel 6, lid 1, VEU), waarvan de bepalingen zijn gericht tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen;

2.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen bij het uitvaardigen van afgeleid EU-recht;

3.  beklemtoont dat de Commissie een cruciale rol vervult door toezicht te houden op de toepassing van het EU-recht en jaarlijks verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad; verzoekt de Commissie actief invulling te blijven geven aan haar rol bij het ontwikkelen van instrumenten voor het verbeteren van de omzetting, de handhaving en de naleving van het EU-recht in de lidstaten, en in haar volgende jaarverslag naast de gegevens over de uitvoering van EU-richtlijnen ook gegevens over de uitvoering van EU-verordeningen te vermelden;

4.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, en benadrukt dat de lidstaten bij de uitvoering van het EU-recht de fundamentele waarden en beginselen zoals vastgelegd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten volle moeten respecteren; herinnert eraan dat het een taak van de Commissie is om de omzetting van het EU-recht te volgen en te evalueren; roept de lidstaten hiertoe nogmaals op van correlatietabellen gebruik te maken, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen bij het uitvaardigen van afgeleid EU-recht; herinnert eraan dat gebruik moet worden gemaakt van de uitvoeringsverslagen ten aanzien van sectorale wetgeving;

5.  onderkent dat het Parlement ook een essentiële rol heeft te vervullen bij het uitoefenen van politiek toezicht op de handhavingsactiviteiten van de Commissie, in concreto door toetsing van de jaarverslagen over bewaking van de uitvoering van het EU-recht en door uitbrengen van resoluties; is van oordeel dat het EP nog meer aan de tijdige en correcte omzetting van het EU-recht kan bijdragen door de knowhow die in het besluitvormings- en wetgevingsproces wordt opgedaan via van tevoren ontwikkelde links te delen met de nationale parlementen;

6.  merkt op dat een tijdige en correcte omzetting van het EU-recht in nationale wetgeving en een duidelijk nationaal wetgevingskader een prioriteit voor de lidstaten moeten zijn, zodat inbreuken op het EU-recht worden voorkomen en burgers en bedrijven de beoogde voordelen genieten die mogelijk worden gemaakt door een efficiënte en effectieve toepassing van het EU-recht;

7.  onderstreept de belangrijke rol die de sociale partners, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden spelen bij het uitvaardigen van wetgeving en bij het vaststellen en melden van tekortkomingen in de omzetting en toepassing van de EU-wetgeving door de lidstaten; neemt er nota van dat de Commissie de rol van belanghebbenden heeft erkend door in 2014 nieuwe instrumenten te introduceren om dit proces te vergemakkelijken; moedigt belanghebbenden aan om in dit opzicht ook in de toekomst waakzaam te blijven;

8.  onderkent dat daadwerkelijke toepassing van het EU-recht een positief effect heeft op de geloofwaardigheid van de EU-instellingen; spreekt zijn waardering uit voor het belang dat de Commissie in haar jaarverslag toekent aan de verzoekschriften die door burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden ingediend, als een van de in het Verdrag van Lissabon verankerde grondrechten en als belangrijk aspect van het Europees burgerschap, en tevens een belangrijk middel om de toepassing van het EU-recht te toetsen en mogelijke tekortkomingen te signaleren, waarbij de burger rechtstreeks zijn visie en ervaringen kenbaar kan maken, naast verkiezingen en referenda die de voornaamste kanalen voor democratische wilsuitdrukking blijven;

9.  is van mening dat onrealistische omzettingstermijnen tot gevolg kunnen hebben dat de lidstaten zich er niet aan kunnen houden, en daarmee een stilzwijgend excuus opleveren voor te late toepassing; vraagt de Europese instellingen om passender tijdschema's af te spreken voor de uitvoering van verordeningen en richtlijnen, en voldoende rekening te houden met de noodzakelijke termijnen voor toetsing en raadpleging; is van mening dat de Commissie verslagen, evaluaties en wetgevingsherzieningen moet leveren op de datums die zijn overeengekomen met de medewetgevers en volgens hetgeen daaromtrent in de desbetreffende wetgeving is geregeld;

10.  stelt met voldoening vast dat het nieuwe Interinstitutionele Akkoord over beter wetgeven bepalingen bevat die de omzetting en toepassing van EU-recht moeten verbeteren en een meer structurele samenwerking op dit punt moeten stimuleren; onderschrijft het pleidooi in het Akkoord voor betere signalering van nationale maatregelen die strikt genomen niets met de Unie-wetgeving te maken hebben (een praktijk die bekend staat als ‘gold plating’, oftewel optuigen van regelgeving); onderstreept dat versterkte omzetting belangrijk is en dat de lidstaten nationale maatregelen die ter aanvulling dienen van Europese richtlijnen moeten aanmelden en duidelijk moeten aanwijzen; onderstreept dat de lidstaten bij de toepassing van EU-wetgeving geen onnodige ballast aan de EU-wetgeving mogen toevoegen, want dat leidt tot misvattingen rond de wetgevende activiteit van de EU en vergroot de onterechte scepsis onder de burgers jegens de EU; wijst er evenwel op dat dit geenszins afdoet aan het recht van de lidstaten om op nationaal niveau hogere sociale en ecologische normen uit te vaardigen dan op EU-niveau zijn overeengekomen;

11.  onderstreept dat het Parlement een krachtiger rol moet vervullen bij het analyseren van de wijze waarop toetredingslanden en landen die met de Europese Unie associatieovereenkomsten hebben afgesloten, het EU-recht naleven; stelt op dit punt voor die landen passende hulp te bieden in de vorm van permanente samenwerking met hun nationale parlementen op gebied van naleving en toepassing van EU-wetgeving;

12.  oppert dat het Parlement in antwoord op de voortgangsverslagen van de Commissie echte verslagen opstelt over alle kandidaatlanden, en niet enkel resoluties, zodat alle betrokken commissies de mogelijkheid krijgen ter zake advies uit te brengen; meent dat de Commissie voortgangsverslagen moet blijven uitbrengen voor alle Europese nabuurschapslanden met een associatieverdrag, zodat het Parlement tot een serieuze en stelselmatige beoordeling kan komen van de vorderingen van die landen met de omzetting van het EU-acquis voorzover verband houdende met de associatie-agenda;

13.  verwelkomt het 32e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht van de Commissie en stelt vast dat milieu, vervoer, en interne markt en diensten in 2013 de beleidsgebieden waren waarin de meeste inbreukprocedures in 2014 nog in behandeling waren; stelt eveneens vast dat milieu, gezondheid, consumentenbescherming, mobiliteit en vervoer ook in 2014 weer de beleidsterreinen waren waar de meeste inbreukprocedures werden ingesteld; spoort de Commissie aan om het Parlement omwille van de interinstitutionele transparantie, meer inzicht te geven in zaken waarbij inbreuk op het EU-recht aan de orde is;

14.  stelt vast dat volgens het jaarverslag het aantal formele inbreukprocedures in de laatste vijf jaar is gedaald en dat dit volgens de Commissie de doeltreffendheid van de structurele dialoog met de lidstaten middels EU-Pilot weerspiegelt; is evenwel van mening dat deze teruggang gedurende de afgelopen jaren, die ook voor de komende jaren te verwachten is, voornamelijk is toe te schrijven aan het feit dat het aantal nieuwe wetgevingsvoorstellen van de Commissie blijft teruglopen; wijst erop dat de Commissie geen EU Pilot-procedure aanwendt wanneer een richtlijn te laat wordt omgezet;

15.  herinnert er echter aan dat deze beoordelingen achteraf de Commissie niet ontslaan van haar verplichting om doeltreffend en continu te waken over toepassing en uitvoering van het EU-recht, en merkt op dat het Parlement middels zijn toezicht op de Commissie kan bijdragen aan de evaluatie van de uitvoering van wetgeving;

16.  merkt op dat de toename van nieuwe EU-Pilotdossiers in de onderzochte periode en de vermindering van het aantal lopende inbreukprocedures volgens het jaarverslag laten zien dat het EU Pilot-systeem zijn nut heeft bewezen en met zijn positief effect bevorderlijk gebleken is voor een efficiëntere handhaving van het EU-recht; herhaalt evenwel dat de handhaving van het EU-recht niet voldoende doorzichtig is en er geen sprake is van daadwerkelijke controle op deze handhaving door klagers en belanghebbende partijen, en betreurt dat het parlement ondanks herhaald aandringen nog steeds onvoldoende toegang heeft tot informatie over EU-Pilot-procedures en aanhangige zaken; vraagt de Commissie in dit verband om meer transparantie als het gaat om informatie over de EU Pilot-procedure en over aanhangige zaken;

17.  vindt dat de financiële sancties voor de niet-naleving van het EU-recht doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, waarbij herhaalde verzuimen op hetzelfde gebied extra moeten worden aangerekend, maar dat de wettelijke rechten van de lidstaten gewaarborgd moeten blijven;

18.  wijst erop dat de Europese burger, in een Europese Unie die berust op de rechtsstaat en de zekerheid en voorzienbaarheid van de wetgeving, de eerste moet zijn die langs duidelijke, toegankelijke, transparante en snelle weg te weten komt (via internet en andere kanalen) of en welke nationale wetgeving er is ingevoerd door omzetting van EU-wetgeving, en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor een correcte uitvoering van die regels;

19.  verzoekt de Commissie alle portalen, toegangspunten en informatiewebsites met elkaar te verbinden in één enkele "gateway" waar burgers op eenvoudige wijze toegang hebben tot online-klachtenformulieren en gebruikersvriendelijke informatie over inbreukprocedures; verzoekt de Commissie bovendien in haar volgende monitoringverslag gedetailleerdere informatie over het gebruik van deze portalen te verstrekken;

20.  wijst erop dat loyale samenwerking tussen de Commissie en het Parlement een wederzijdse verplichting is voor beide instellingen; dringt daarom aan op herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie in die zin dat informatie omtrent EU Pilot-procedures kan worden verschaft in de vorm van een (vertrouwelijk) document aan de parlementscommissie die voor uitlegging en toepassing van het Unierecht bevoegd is;

21.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013(2) heeft aangedrongen op de vaststelling van een EU-verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht uit hoofde van artikel 298 VWEU, maar dat, ofschoon de resolutie met een overweldigende meerderheid werd aangenomen (572 voor, 16 tegen, 12 onthoudingen), op dit verzoek van het Parlement nog geen voorstel van de Commissie is gevolgd; vraagt de Commissie deze resolutie nogmaals te bezien met het oog op een uit te brengen voorstel voor een wetgevingshandeling inzake bestuursprocesrecht;

22.  betreurt meer in het bijzonder dat er geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek om bindende voorschriften in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de inbreukprocedure en de precontentieuze procedure worden vastgelegd, waaronder ingebrekestellingen, bindende termijnen, het recht op verdediging, de motiveringsplicht en het recht van eenieder op toegang tot haar/zijn dossier, teneinde de rechten van de burgers te versterken en transparantie te waarborgen;

23.  herinnert er in dit verband aan dat de Commissie juridische zaken een nieuwe werkgroep bestuursrecht heeft opgericht die besloten heeft een echte ontwerpverordening op te stellen over de bestuursrechtelijke procedures binnen het bestuursapparaat van de Unie, als een "inspiratiebron" voor de Commissie, niet om het initiatiefrecht van de Commissie in vraag te stellen maar om aan te tonen dat uitvaardigen van een dergelijke verordening nuttig en haalbaar zou zijn;

24.  meent dat het niet zozeer de bedoeling van deze ontwerpverordening is de bestaande EU-wetgeving te vervangen als wel aan te vullen in geval van leemten of problemen rond de uitlegging, en te zorgen voor meer inzichtelijkheid, duidelijkheid en coherentie in de interpretatie van bestaande regels, ten behoeve van de burgers en de ondernemingen en ook van de administratie en haar ambtenaren;

25.  verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen, rekening houdende met de door het Parlement tot dusver genomen maatregelen op dit terrein;

26.  herinnert eraan dat de EU-instellingen, ook als zij handelen als groepsonderdeel van internationale kredietverleners ('trojka'), gebonden zijn aan de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

27.  dringt er bij de Commissie op aan de naleving van het EU-recht tot een werkelijke politieke prioriteit te maken waarnaar wordt gestreefd in nauwe samenwerking met het Parlement, dat immers tot taak heeft a) de Commissie politieke verantwoording te laten afleggen en b) als medewetgever zichzelf steeds volledig geïnformeerd te houden, met het oog op voortdurende verbetering van zijn wetgevingswerkzaamheden;

28.  pleit voor invoering van een proces binnen het Parlement waarmee de toepassing van het EU-recht in de lidstaten zich laat volgen, en waarmee de kwestie van niet-naleving zich op landenspecifieke manier laat analyseren, en waarin is verdisconteerd dat de vaste parlementscommissies binnen hun respectieve bevoegdheidssfeer eveneens de toepassing van de EU-wetgeving volgen;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0322.
(2) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.


Het in de handel brengen van zaden van genetisch gemodificeerde mais Bt11
PDF 265kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (SYN-BTØ11-1) (D046173/01 – 2016/2919(RSP))
P8_TA(2016)0386B8-1083/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (SYN-BTØ11-1) (D046173/01),

–  gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(1), en met name artikel 18, lid 1,

–  gezien het advies dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 19 mei 2005 heeft uitgebracht(2),

–  gezien het advies met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft uitgebracht(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810 dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft aangenomen(4),

–  gezien het wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 28 mei 2015 heeft uitgebracht(5),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(6),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Syngenta Seeds SAS (voorheen Novartis Seeds) (hierna "de kennisgever") in 1996 overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(8) bij de bevoegde instantie in Frankrijk een kennisgeving heeft ingediend (referentie C/F/96/05.10) betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais Bt11; overwegende dat in 2003 een bijgewerkte kennisgeving is ingediend overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG;

B.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais Bt11 het Cry1Ab-eiwit tot expressie brengt, een Bt-eiwit (afkomstig van Bacillus thuringiensis subsp. Kurstaki) dat resistentie oplevert tegen de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en de mediterraanse maisboorder (Sesamia nonagrioides), alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft voor het herbicide glufosinaat-ammonium;

C.  overwegende dat glufosinaat als voor de voortplanting giftige stof is ingedeeld en derhalve onder de uitsluitingscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat de uitsluitingscriteria van toepassing zijn op reeds goedgekeurde stoffen op het moment waarop de goedkeuring moet worden verlengd; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat in 2017 afloopt; overwegende dat er dus in principe in 2017 een einde moet komen aan het gebruik van glufosinaat;

D.  overwegende dat de teelt van genetisch gemodificeerde mais Bt11 op grond van artikel 26 quater, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG verboden is in de volgende gebieden: Wallonië (België); Bulgarije; Denemarken; Duitsland (tenzij voor onderzoeksdoeleinden) Griekenland; Frankrijk; Kroatië; Italië; Cyprus; Letland; Litouwen; Luxemburg; Hongarije; Malta; Nederland; Oostenrijk; Polen; Slovenië; Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk); Schotland (Verenigd Koninkrijk); Wales (Verenigd Koninkrijk);

E.  overwegende dat volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uit bewijs blijkt dat circa 95 tot 99 % van het vrijkomende stuifmeel binnen ongeveer 50 meter van de stuifmeelbron wordt afgezet, al kunnen verticale windbewegingen of windstoten tijdens het afgeven van stuifmeel de korrels hoog in de atmosfeer optillen en ze over aanzienlijke afstanden van enkele kilometers verspreiden;

F.  overwegende dat de EFSA in een advies uit 2005 van oordeel was dat mais in Europa geen wilde verwanten heeft waarmee uitkruising kan plaatsvinden, en destijds bijgevolg van mening was dat geen onbedoelde milieueffecten van de invoering en verspreiding worden verwacht;

G.  overwegende dat sinds 2009 in Spanje teosinte voorkomt, de voorouder van gecultiveerde mais; overwegende dat transgeen DNA afkomstig van genetisch gemodificeerde mais MON 810, die in Spanje wordt verbouwd in sommige streken waar teosinte wijdverspreid is, in teosintepopulaties terecht zou kunnen komen; overwegende dat er genetische uitwisseling met teosinte kan plaatsvinden, waardoor dit gewas Bt-toxine kan produceren en maïs- en teosintehybriden sterker kunnen worden dan de oorspronkelijke teosinteplanten; overwegende dat dit scenario grote risico's voor de landbouwers en het milieu inhoudt;

H.  overwegende dat de bevoegde Spaanse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte hebben gebracht dat er teosinte voorkomt in Spaanse maisvelden en in zeer beperkte mate in gg-maisvelden; overwegende dat er volgens de beschikbare informatie ook teosinte is vastgesteld in Frankrijk;

I.  overwegende dat de Commissie de EFSA op 13 juli 2016 heeft verzocht om uiterlijk eind september 2016 te beoordelen of er, op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur en andere relevante informatie, nieuw bewijs voorhanden is dat andere conclusies en aanbevelingen zou opleveren dan die in de wetenschappelijke adviezen van de EFSA over de teelt van de genetisch gemodificeerde maissoorten MON 810, Bt11, 1507 en GA21;

J.  overwegende dat de Commissie in punt 24 van haar ontwerp van uitvoeringsbesluit beweert dat de EFSA wat het lokale sterftecijfer betreft, twee niveaus van "aanvaardbaar" lokaal sterftecijfer (0,5 % en 1 %) heeft bekeken; overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais, echter duidelijk benadrukt dat "elk specifiek beschermingsniveau dat door het ggo-panel van de EFSA ter illustratie wordt gebruikt, slechts als voorbeeld bedoeld is" en dat "elke gehanteerde drempelwaarde noodzakelijkerwijs arbitrair is en gewijzigd kan worden op grond van de in de EU geldende beschermingsdoelstellingen";

K.  overwegende dat de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit het gewenste lokale sterftecijfer op een percentage lager dan 0,5 % stelde, en in de bijlage voorziet in arbitraire isolatieafstanden van ten minste 5 meter tussen een veld met Bt11-mais en een beschermde habitat, als vastgelegd in artikel 2, lid 3 van Richtlijn 2004/35/EG, ondanks het feit dat de EFSA duidelijk als bewezen verklaart dat het opleggen van een isolatieafstand van 20 meter rond een beschermde habitat tot de dichtstbijzijnde aanplant van Bt11-/MON 810-mais, d.w.z. een viermaal grotere afstand dan die in het voorstel van de Commissie, het lokale sterftecijfer, zelfs van zeer gevoelige larven van de niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen, naar verwachting omlaag zal brengen tot een percentage van minder dan 0,5 %;

L.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats verklaarde dat "de momenteel beschikbare gegevens ontoereikend zijn om op grond van het Bt-gerelateerde sterftecijfer van larven conclusies te trekken over het algemene sterftecijfer";

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Richtlijn 2001/18/EG bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling over de teelt onvolledig is en dat de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen inzake het risicobeheer inadequaat zijn;

3.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet strookt met het recht van de Unie, aangezien het niet-verenigbaar is met de doelstelling van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, die erin bestaat om, in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op elkaar af te stemmen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen als er sprake is van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu voor andere doeleinden dan het in de handel brengen in de Gemeenschap, of het in de handel brengen in de Gemeenschap van genetisch gemodificeerde organismen als product of in producten;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
(2) Advies van het Wetenschappelijk Panel voor genetisch gemodificeerde organismen naar aanleiding van een verzoek van de Commissie met betrekking tot de kennisgeving van Syngenta Seeds (referentie C/F/96/05.10) voor het in de handel brengen van insectresistente genetisch gemodificeerde mais Bt11, voor teelt, diervoeders en industriële verwerking, in overeenstemming met deel C van Richtlijn 2001/18/EG, EFSA Journal (2005) 213, 1-33.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal (2012); 10(12):3017 [98 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(4) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810. EFSA Journal 2012; 10(12):3016 [32 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3016.
(5) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais. EFSA Journal 2015; 13(7):4127 [31 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2015.4127.
(6) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0036.
(8) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15).


Het in de handel brengen van zaden van genetisch gemodificeerde maïs 1507
PDF 264kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1) (D046172/00 – 2016/2920(RSP))
P8_TA(2016)0387B8-1085/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1) (D046172/00),

–  gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(1), en met name artikel 18, lid 1,

–  gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) dat voor het laatst is bijgewerkt op 24 februari 2012 over de geactualiseerde evaluatie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer van voor de teelt bestemde insectresistente genetisch gemodificeerde mais 1507(2),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de EFSA van 18 oktober 2012 met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en de aanbevelingen inzake risicobeheer van voor de teelt bestemde genetisch gemodificeerde insectresistente mais 1507(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de EFSA van 6 december 2012 met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais(4),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de EFSA van 6 december 2012 met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van de genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810(5),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de EFSA van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais(6),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten(8),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Pioneer Overseas Corporation en Dow AgroSciences Europe Ltd in 2001 overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(9) bij de bevoegde instantie in Spanje een kennisgeving hebben ingediend (referentie C/ES/01/01) betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais 1507; overwegende dat in 2003 een bijgewerkte kennisgeving is ingediend overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG;

B.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais 1507 het Cry1F-eiwit tot expressie brengt, een Bt-eiwit (afkomstig van Bacillus thuringiensis subsp. Kurstaki) dat resistentie oplevert tegen de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en bepaalde andere schadelijke schubvleugelige insecten zoals de paarsrode boorders (Sesamia spp.), de legerrups (Spodoptera frugiperda), de aardrups van de grote worteluil (Agrotis ipsilon) en de Mexicaanse maisboorder (Diatraea grandiosella), alsook het PAT-eiwit dat tolerantie veroorzaakt tegen het herbicide glufosinaat-ammonium;

C.  overwegende dat glufosinaat als voor de voortplanting giftige stof is ingedeeld en derhalve onder de uitsluitingscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat de uitsluitingscriteria van toepassing zijn op reeds goedgekeurde stoffen op het moment waarop de goedkeuring moet worden verlengd; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat in 2017 afloopt; overwegende dat er dus in principe in 2017 een einde moet komen aan het gebruik van glufosinaat;

D.  overwegende dat de teelt van genetisch gemodificeerde mais 1507 op grond van artikel 26 quater, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG verboden is op de volgende grondgebieden: Wallonië (België); Bulgarije; Denemarken; Duitsland (tenzij voor onderzoeksdoeleinden) Griekenland; Frankrijk; Kroatië; Italië; Cyprus; Letland; Litouwen; Luxemburg; Hongarije; Malta; Nederland; Oostenrijk; Polen; Slovenië; Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk); Schotland (Verenigd Koninkrijk); en Wales (Verenigd Koninkrijk);

E.  overwegende dat volgens de EFSA uit bewijs blijkt dat circa 95 tot 99 % van het vrijkomende stuifmeel binnen ongeveer 50 meter van de stuifmeelbron wordt afgezet, al kunnen verticale windbewegingen of windstoten tijdens het afgeven van stuifmeel de korrels hoog in de atmosfeer optillen en ze over aanzienlijke afstanden van enkele kilometers verspreiden;

F.  overwegende dat de mogelijke ontwikkeling van resistentie tegen het Cry1F-eiwit bij tot de doelsoorten behorende schadelijke schubvleugelige insecten door het ggo-panel van de EFSA is aangeduid als een probleem dat samenhangt met de teelt van mais 1507, aangezien de ontwikkeling van resistentie kan leiden tot aangepaste praktijken om ongedierte te bestrijden met mogelijke ongunstige gevolgen voor het milieu van dien;

G.  overwegende dat in Spanje sinds 2009 teosinte voorkomt, de voorouder van gecultiveerde mais; overwegende dat transgeen DNA, afkomstig van genetisch gemodificeerde mais MON 810 die in Spanje wordt verbouwd in sommige streken waar teosinte wijdverspreid is, in teosintepopulaties terecht zou kunnen komen; overwegende dat er genetische uitwisseling met teosinte kan plaatsvinden, waardoor het Bt-toxine kan aanmaken en maïs- en teosintehybriden fitter kunnen worden dan de inheemse teosinteplanten; overwegende dat dit scenario grote risico's voor de landbouwers en het milieu met zich meebrengt;

H.  overwegende dat de bevoegde Spaanse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte hebben gebracht dat er teosinte voorkomt in Spaanse maisvelden en in zeer beperkte mate in gg-maisvelden; overwegende dat volgens de beschikbare informatie ook de aanwezigheid van teosinte is vastgesteld in Frankrijk;

I.  overwegende dat de Commissie de EFSA op 13 juli 2016 verzocht uiterlijk eind september 2016 te beoordelen of er, op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur of andere relevante informatie, nieuw bewijs voorhanden is dat andere conclusies en aanbevelingen zou opleveren dan die in de wetenschappelijke adviezen van de EFSA over de teelt van genetisch gemodificeerde maïs MON 810, Bt11, 1507 en GA21;

J.  overwegende dat de Commissie in punt 24 van haar ontwerp van uitvoeringsbesluit beweert dat de EFSA twee niveaus van een "aanvaardbaar" lokaal sterftecijfer hanteert (0,5 % en 1 %); overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais, in feite echter duidelijk benadrukt dat "elk specifiek beschermingsniveau dat door het ggo-panel van de EFSA ter illustratie wordt genoemd slechts bedoeld is als voorbeeld" en dat "elke gehanteerde drempelwaarde noodzakelijkerwijs arbitrair is en gewijzigd kan worden op grond van de in de EU geldende beschermingsdoelstellingen";

K.  overwegende dat de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit het gewenste lokale sterftecijfer op een percentage lager dan 0,5 % stelde, en in de bijlage daarvan voorziet in arbitraire isolatieafstanden van ten minste 20 meter tussen een veld met mais 1507 en een beschermde habitat, als vastgelegd in artikel 2, lid 3 van Richtlijn 2004/35/EG, ondanks het feit dat de EFSA duidelijk als bewezen verklaart dat het opleggen van een isolatieafstand van 30 meter vanaf een beschermde habitat tot het dichtstbijzijnde gewas van mais 1507 het lokale sterftecijfer omlaag brengt, zelfs van zeer gevoelige larven van de niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen, tot een percentage lager dan 0,5 %, waarvoor dus een langere isolatieafstand vereist is dan de door de Commissie voorgestelde afstand;

L.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats verklaarde dat "de momenteel beschikbare gegevens ontoereikend zijn om op grond van het Bt-gerelateerde sterftecijfer van larven conclusies te trekken over het algemene sterftecijfer";

1.  is van mening dat het ontwerp voor een uitvoeringsbesluit van de Commissie de uitvoeringsbevoegdheden waarin in Richtlijn 2001/18/EG is voorzien, overschrijdt;

2.  is van mening dat de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling over de teelt onvolledig is en dat de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen inzake het risicobeheer inadequaat zijn;

3.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet strookt met het recht van de Unie, aangezien het niet-verenigbaar is met de doelstelling van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, namelijk om, in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op elkaar af te stemmen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen als er sprake is van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu voor andere doeleinden dan het in de handel brengen in de Gemeenschap, of het in de handel brengen in de Gemeenschap van genetisch gemodificeerde organismen als product of in producten;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
(2) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies over de geactualiseerde evaluatie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer van voor de teelt bestemde insectresistente genetisch gemodificeerde mais 1507. EFSA Journal 2011;9(11):2429. [73 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2011.2429.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en de aanbevelingen inzake risicobeheer van voor de teelt bestemde genetisch gemodificeerde insectresistente mais 1507. EFSA Journal 2012;10(11):2934. [36 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2012.2934.
(4) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte conclusies van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal 2012; 10(12):3017. [98 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(5) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met aanvullende conclusies van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810. EFSA Journal 2012;10(12):3016. [32 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2012.3016.
(6) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais. EFSA Journal 2015;13(7):4127. [31 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2015.4127.
(7) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0036.
(9) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15).


Verlenging van de vergunning voor zaden van genetisch gemodificeerde mais MON 810
PDF 267kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) (D046170/00 – 2016/2921(RSP))
P8_TA(2016)0388B8-1086/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit inzake de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) (D046170/00),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 23, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het wetenschappelijk advies met een bijgewerkte conclusie van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft uitgebracht(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies met een aanvullende conclusie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicobeheer voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810 dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 6 december 2012 heeft aangenomen(4),

–  gezien het advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 28 mei 2015 heeft uitgebracht(5),

–  gezien het wetenschappelijk advies inzake het jaarlijkse verslag over de milieumonitoring na het in de handel brengen (PMEM) betreffende de teelt van genetisch gemodificeerde MON 810-mais in 2014 van Monsanto Europe nv dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 9 maart 2016 heeft uitgebracht(6),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 11 en 18 april 2007 drie aanvragen heeft ingediend bij de Commissie, overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, voor de verlenging van de vergunning voor bestaande levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders geproduceerd met mais MON 810, voor de verlenging van de vergunning voor diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais MON 810, en voor de verlenging van de vergunning voor mais MON 810 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met inbegrip van de teelt; overwegende dat deze producten na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bij de Commissie zijn aangemeld overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a) en b), en artikel 20, lid 1, onder b), van de genoemde verordening, en in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders zijn opgenomen;

B.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 9 maart 2016 een brief naar de Commissie heeft verstuurd met het verzoek om het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot teelt afzonderlijk van de rest van de aanvraag te behandelen;

C.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais MON 810, zoals beschreven in de aanvraag, het Cry1Ab-eiwit tot expressie brengt, dat is afgeleid van de Bacillus thuringiensis subsp. kurstaki, en dat beschermt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, zoals de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en de paarsrode boorders (Sesamia spp);

D.  overwegende dat de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 oorspronkelijk overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(8) is verleend bij Beschikking 98/294/EG(9) van de Commissie; overwegende dat Frankrijk op 3 augustus 1998 toestemming heeft gegeven aan Monsanto Europe nv (hierna "Monsanto" genoemd) voor het in de handel brengen van MON 810-maisproducten;

E.  overwegende dat de teelt van genetisch gemodificeerde mais MON 810 op grond van artikel 26 quater, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG verboden is in de volgende gebieden: Wallonië (België); Bulgarije; Denemarken; Duitsland (tenzij voor onderzoeksdoeleinden); Griekenland; Frankrijk; Kroatië; Italië; Cyprus; Letland; Litouwen; Luxemburg; Hongarije; Malta; Nederland; Oostenrijk; Polen; Slovenië; Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk); Schotland (Verenigd Koninkrijk); Wales (Verenigd Koninkrijk);

F.  overwegende dat volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uit bewijs blijkt dat circa 95 à 99 % van het vrijkomende stuifmeel binnen ongeveer 50 meter van de stuifmeelbron wordt afgezet, al kunnen verticale windbewegingen of windstoten tijdens het afgeven van stuifmeel de korrels hoog in de atmosfeer optillen en ze over aanzienlijke afstanden van enkele kilometers verspreiden;

G.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijke adviezen over MON 810-mais kruisbestuiving arbitrair buiten beschouwing heeft gelaten, waardoor potentiële risico's voor de biologische diversiteit over het hoofd worden gezien;

H.  overwegende dat in Spanje sinds 2009 teosinte voorkomt, de voorouder van gecultiveerde mais; overwegende dat transgeen DNA, afkomstig van genetisch gemodificeerde mais MON 810 die in Spanje wordt verbouwd in sommige streken waar teosinte wijdverspreid is, in teosintepopulaties terecht zou kunnen komen; overwegende dat er genetische uitwisseling met teosinte kan plaatsvinden, waardoor het Bt-toxine kan aanmaken en mais- en teosintehybriden sterker kunnen worden dan de inheemse teosinteplanten; overwegende dat dit scenario grote risico's voor de landbouwers en het milieu inhoudt;

I.  overwegende dat de bevoegde Spaanse autoriteiten de Commissie ervan op de hoogte hebben gebracht dat er teosinte voorkomt in Spaanse maisvelden en in zeer beperkte mate in gg-maisvelden; overwegende dat er bovendien volgens de beschikbare informatie ook teosinte is aangetroffen in Frankrijk;

J.  overwegende dat de Commissie de EFSA op 13 juli 2016 heeft verzocht om uiterlijk eind september 2016 te beoordelen of er op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur en andere relevante informatie nieuwe bewijzen voorhanden zijn die de conclusies en aanbevelingen in de wetenschappelijke adviezen van de EFSA over de teelt van de genetisch gemodificeerde maissoorten MON 810, Bt11, 1507 en GA21 zouden veranderen;

K.  overwegende dat de Commissie in punt 22 van haar ontwerp van uitvoeringsbesluit beweert dat de EFSA wat het lokale sterftecijfer betreft, twee niveaus van "aanvaardbaar" lokaal sterftecijfer (0,5 % en 1 %) heeft bekeken, maar dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais, in feite duidelijk stelt dat "elk specifiek beschermingsniveau dat door het ggo-panel van de EFSA wordt gebruikt ter illustratie slechts bedoeld is als voorbeeld" en dat "elke gehanteerde drempelwaarde noodzakelijkerwijs arbitrair is en gewijzigd kan worden op grond van de in de EU geldende doelstellingen voor beschermingsdoelen";

L.  overwegende dat de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit het gewenste lokale sterftecijfer op een percentage lager dan 0,5 % stelde, en in de bijlage voorziet in arbitraire isolatieafstanden van ten minste 5 meter tussen een veld met MON 810-mais en een beschermde habitat, als vastgelegd in artikel 2, lid 3 van Richtlijn 2004/35/EG, ondanks het feit dat de EFSA duidelijk als bewezen verklaart dat het opleggen van een isolatieafstand van 20 meter rond een beschermde habitat tot de dichtstbijzijnde aanplant van Bt11-/MON 810-mais, d.w.z. een viermaal grotere afstand dan die in het voorstel van de Commissie, het lokale sterftecijfer, zelfs van zeer gevoelige larven van de niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen, naar verwachting omlaag zal brengen tot een percentage lager dan 0,5 %;

M.  overwegende dat de EFSA in haar wetenschappelijk advies van 28 mei 2015 met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats verklaarde dat "de momenteel beschikbare gegevens ontoereikend zijn om op grond van het Bt-gerelateerde sterftecijfer van larven conclusies te trekken over het algemene sterftecijfer";

N.  overwegende dat de milieumonitoring na het in de handel brengen al jaren slecht wordt gehandhaafd, aangezien de EFSA opmerkt dat uit het PMEM-verslag van 2014 blijkt dat de aanleg van Bt-vrije refugia in Spanje, net als in de voorgaande jaren, deels dode letter is gebleven en dat bij de analyse van de vragenlijsten voor landbouwers en de uitvoering van het literatuuronderzoek soortgelijke methodologische tekortkomingen zijn vastgesteld als in vorige jaarlijkse PMEM-verslagen over MON 810-mais;

O.  overwegende dat het ggo-panel van de EFSA elk jaar tevergeefs zijn aanbevelingen over de milieumonitoring na het in de handel brengen van MON 810 herhaalt, namelijk dat er meer gedetailleerde informatie over de steekproefmethode moet worden verstrekt, dat de mogelijkheid van selectievertekening in de vragenlijsten voor landbouwers moet worden verkleind en dat ervoor moet worden gezorgd dat alle relevante wetenschappelijke publicaties worden vermeld; overwegende dat het ggo-panel wat de verbetering van het steekproefkader voor de vragenlijst voor landbouwers betreft, elk jaar weer tevergeefs wijst op het belang van nationale ggo-teeltkadasters en vergunninghouders aanbeveelt om waar MON 810-mais wordt geteeld, te overwegen hoe zij de informatie in de nationale registers het beste kunnen benutten en overleg te bevorderen met degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van die registers;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling over de teelt onvolledig is en dat de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen inzake het risicobeheer inadequaat zijn;

3.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003, namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn vastgesteld, de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met een bijgewerkte conclusie van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal (2012); 10(12):3017 [98 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(4) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met een aanvullende conclusie van de milieurisicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement voor de teelt van genetisch gemodificeerde insectresistente mais Bt11 en MON 810. EFSA Journal 2012;10(12):3016 [32 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2012.3016.
(5) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); Wetenschappelijk advies met bijgewerkte aanbevelingen inzake risicobeheer ter beperking van de blootstelling van in stand te houden, niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in beschermde habitats aan stuifmeel van Bt-mais. EFSA Journal 2015;13(7):4127 [31 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2015.4127.
(6) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's).Wetenschappelijk advies inzake het jaarlijkse verslag over de milieumonitoring na het in de handel brengen betreffende de teelt van genetisch gemodificeerde MON 810-mais in 2014 van Monsanto Europe nv. EFSA Journal 2016;14(4):4446 [26 blz.], doi:10.2903/j.efsa.2016.4446.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0036.
(8) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15).
(9) Beschikking 98/294/EG van de Commissie van 22 april 1998 betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L., lijn MON 810) overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 32).


Verlenging van de vergunning voor genetisch gemodificeerde maïsproducten MON 810
PDF 259kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D046169/00 – 2016/2922(RSP))
P8_TA(2016)0389B8-1084/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D046169/00),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het feit dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, waarnaar wordt verwezen in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op 8 juli 2016 na stemming heeft besloten geen advies uit te brengen,

–  gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid van 6 december 2012(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (MON-877Ø5-6 × MON-89788-1) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (MON-877Ø5-9 × MON-89788-1) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(6),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21, en tot intrekking van de Besluiten 2010/426/EU, 2011/893/EU, 2011/892/EU en 2011/894/EU(8),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 11 en 18 april 2007 drie aanvragen heeft ingediend bij de Commissie, overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, om de vergunning voor bestaande levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders geproduceerd met mais MON 810 te verlengen, alsook de vergunning voor diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais MON 810, en de vergunning voor mais MON 810 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met inbegrip van de teelt; overwegende dat deze producten na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 zijn aangemeld bij de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a) en b), en artikel 20, lid 1, onder b), van de genoemde verordening, en zijn opgenomen in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

B.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 9 maart 2016 de Commissie per brief heeft verzocht om het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot teelt afzonderlijk van de rest van de aanvraag te behandelen;

C.  overwegende dat de in de aanvraag beschreven genetisch gemodificeerde mais MON-ØØ81Ø-6 het Cry1Ab-eiwit tot expressie brengt, dat is afgeleid van de Bacillus thuringiensis subsp. kurstaki, en dat beschermt tegen predatie door bepaalde schadelijke lepidoptera, zoals de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en de paarsrode boorders (Sesamia spp);

D.  overwegende dat het Permanent Comité op 8 juli 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd, maar geen advies heeft uitgebracht;

E.  overwegende dat er twee belangrijke redenen zijn waarom de lidstaten negatief stemden of zich onthielden, namelijk dat er een gebrek is aan studies over voeding en toxiciteit op lange termijn en dat de risico's onvoldoende gekend zijn;

F.  overwegende dat het Comité van beroep op 15 september 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd maar wederom geen advies heeft uitgebracht, waarbij 12 lidstaten (die 38,74 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) voor stemden, 11 lidstaten (die 18,01 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) tegen stemden, 4 lidstaten (die 43,08 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) zich van stemming onthielden en 1 lidstaat (die 0,17 % van de EU-bevolking vertegenwoordigde) niet bij de stemming aanwezig was;

G.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 betreurde dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten door de Commissie in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving werden vastgesteld zonder gesteund te worden door advies van de comités van de lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, wat zeer ongebruikelijk was voor de procedure in het algemeen, de norm was geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

H.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 door het Parlement is verworpen met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003, namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn vastgesteld, de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, teneinde rekening te houden met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies met een bijgewerkte conclusie van de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement over de genetisch gemodificeerde insectresistente MON 810-mais. EFSA Journal 2012; 10(12):3017. [98 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2012.3017.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271.


Het in de handel brengen van genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913
PDF 359kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (DAS-24236-5×DAS-21Ø23-5×MON-88913-8), krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D046168/00 – 2016/2923(RSP))
P8_TA(2016)0390B8-1088/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (DAS-24236-5×DAS-21Ø23-5×MON-88913-8) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D046168/00),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3 en artikel 19, lid 3 daarvan,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het feit dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, waarnaar wordt verwezen in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op 8 juli 2016 na stemming heeft besloten geen advies uit te brengen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid van 9 maart 2016(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (MON-877Ø5-6 × MON-89788-1) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (MON-877Ø8-9 × MON-89788-1) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(6),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21, en tot intrekking van de Besluiten 2010/426/EU, 2011/893/EU, 2011/892/EU en 2011/894/EU(8),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 12 maart 2009 Dow AgroSciences Europe bij de bevoegde instantie van Nederland overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag ingediend heeft voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913;

B.  overwegende dat het genetisch gemodificeerde katoen DAS-24236-5×DAS-21Ø23-5×MON-88913-8, als beschreven in de aanvraag, het eiwit fosfinotricineacetyltransferase (PAT), dat tolerantie geeft voor op glufosinaat-ammonium gebaseerde herbiciden, en het gemodificeerde eiwit 5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase (2mEPSPS), dat tolerantie geeft voor op glyfosaat gebaseerde herbiciden, de eiwitten Cry1F en Cry1Ac, die bescherming bieden tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, tot expressie brengt, en overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek – het gespecialiseerde kankeragentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie – op 20 maart 2015 glyfosaat heeft geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen(9);

C.  overwegende dat het Permanent Comité op 8 juli 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd, maar geen advies heeft uitgebracht;

D.  overwegende dat het comité van beroep op 15 september 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd maar wederom geen advies heeft uitgebracht, waarbij 11 lidstaten (die 38,66 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) voor stemden, 14 lidstaten (die 33,17 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) tegen stemden, 2 lidstaten (die 28 % van de EU-bevolking vertegenwoordigden) zich van stemming onthielden en 1 lidstaat (die 0,17 % van de EU-bevolking vertegenwoordigde) niet bij de stemming aanwezig was;

E.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 betreurde dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten door de Commissie in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving werden vastgesteld zonder gesteund te worden door advies van de comités van de lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, wat zeer ongebruikelijk was voor de procedure in het algemeen, de norm was geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

F.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015(10) door het Parlement is verworpen met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003, namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn vastgesteld, de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, teneinde rekening te houden met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's); wetenschappelijk advies over een aanvraag van Dow AgroSciences LLC (EFSA-GMO-NL-2009-68) voor het in de handel brengen van katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 in levensmiddelen en diervoeders, en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003. EFSA Journal 2016; 14(4):4430 [21 pp.]; doi: 10.2903/j.efsa.2016.4430.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271.
(9) IARC Monographs, deel 112: "Evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides", 20 maart 2015,http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/pdf/MonographVolume112.pdf
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.

Juridische mededeling