Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 25 oktober 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Denemarken *
 Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Denemarken *
 Overeenkomst tussen de EU en China inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek paspoort ***
 Lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit ***I
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
 Verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins
 Verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio
 Statistieken van het spoorvervoer, wat betreft het verzamelen van gegevens over goederen, reizigers en ongevallen ***II
 De statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren (gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden) ***II
 Het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en -sancties ***I
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016: veiligheid van de instellingen
 EU-strategie ten aanzien van Iran sinds de nucleaire overeenkomst
 De bestrijding van corruptie en opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)
 Mensenrechten en migratie in derde landen
 Strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen
 De EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag
 Hoe kunnen we de controles op de visvangst homogeen maken in Europa?
 De aansluiting op en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa verbeteren
 EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten

Geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Denemarken *
PDF 241kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Denemarken (11219/2016 – C8-0340/2016 – 2016/0813(CNS))
P8_TA(2016)0391A8-0289/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (11219/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0340/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over het versterken van grensoverschrijdende samenwerking op het vlak van rechtshandhaving in de EU: de tenuitvoerlegging van het Prüm-besluit en het Europees model voor informatie-uitwisseling(2),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0289/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1)PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.
(2)PB C 181 van 19.5.2016, blz. 67.
(3)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0269.


Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Denemarken *
PDF 242kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Denemarken (11220/2016 – C8-0341/2016 – 2016/0814(CNS))
P8_TA(2016)0392A8-0288/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (11220/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0341/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over het versterken van grensoverschrijdende samenwerking op het vlak van rechtshandhaving in de EU: de tenuitvoerlegging van het Prüm-besluit en het Europees model voor informatie-uitwisseling(2),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0288/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1)PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.
(2) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 67.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0269.


Overeenkomst tussen de EU en China inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek paspoort ***
PDF 238kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek paspoort (15470/2015 – C8-0110/2016 – 2015/0293(NLE))
P8_TA(2016)0393A8-0281/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15470/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek paspoort (15469/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0110/2016),

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0281/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Volksrepubliek China.


Lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit ***I
PDF 245kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft een aantal bepalingen inzake financieel beheer voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit (COM(2016)0418 – C8-0238/2016 – 2016/0193(COD))
P8_TA(2016)0394A8-0292/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0418),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0238/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 21 september 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0292/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft een aantal bepalingen inzake financieel beheer voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/2135.)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
PDF 159kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen (2016/2108(IMM))
P8_TA(2016)0395A8-0301/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien twee verzoeken om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen die op 14 maart 2016 door de hoofdaanklager van het hof van beroep te Parijs werden ingediend, van de ontvangst waarvan op 8 juni 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven, en die aanhangig zijn gemaakt bij de onderzoeksrechters van de rechtbank van eerste aanleg in Parijs wegens het aanzetten tot rassenhaat (2211/15/21 en 2226/15/9), en die betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex,

–  na Jean-Marie Le Pen te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0301/2016),

Α.  overwegende dat twee onderzoeksrechters van de rechtbank van eerste aanleg in Parijs hebben verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-Marie Le Pen in verband met een vermeend strafbaar feit;

Β.  overwegende dat artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek bepaalt: "Tegen leden van het Parlement kan geen strafvervolging of opsporing worden ingesteld en zij kunnen niet worden gearresteerd, gedetineerd of veroordeeld wegens een mening die zij hebben uitgedrukt of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun ambt." en: "Geen lid van het Parlement kan zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of overtreding worden gearresteerd of aan andere vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen worden onderworpen.";

D.  overwegende dat volgens artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

E.  overwegende dat met deze bepaling wordt gewaarborgd dat de leden van het Europees Parlement in beginsel het recht op vrijheid van meningsuiting genieten, maar dat dit recht geen vrijbrief is voor smaad, beschimping, aanzetten tot haat, lasterlijke of andere beledigende uitlatingen, die in strijd zijn met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

F.  overwegende dat de bepalingen inzake parlementaire immuniteit uitgelegd moeten worden in het licht van de waarden, doelstellingen en beginselen van de Europese verdragen;

G.  overwegende dat deze onschendbaarheid van een EP-lid niet alleen ziet op meningen die in officiële vergaderingen van het Parlement worden geuit, maar ook op elders, bijvoorbeeld in de media, verkondigde meningen, zolang er "een verband tussen de gedane uitlating en de parlementaire taken​" bestaat;

H.  overwegende dat Jean-Marie Le Pen ervan verdacht wordt in een op 6 juni 2014 op internet gepubliceerde videoboodschap in het openbaar opgeroepen te hebben tot rassenhaat;

I.  overwegende dat de uitingen in kwestie geen verband houden met de uitoefening door Jean-Marie Le Pen van zijn parlementaire werkzaamheden, en dat Jean-Marie Le Pen derhalve niet heeft gehandeld in het kader van de uitoefening van zijn mandaat als lid van het Europees Parlement;

J.  overwegende dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van fumus persecutionis (een poging om Jean-Marie Le Pen te verhinderen zijn parlementaire werkzaamheden uit te voeren);

1.  besluit de immuniteit van Jean-Marie Le Pen op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Franse Republiek.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; Arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins
PDF 161kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins (2016/2087(IMM))
P8_TA(2016)0396A8-0297/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het op 3 mei 2016 door Jane Collins ingediende verzoek om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen (Zaak nr. HQ14DO4882), waarvan op 11 mei 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na James Carver, die Jane Collins vertegenwoordigt, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 7, 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0297/2016),

A.  overwegende dat Jane Collins een verzoek heeft ingediend om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen;

B.  overwegende, ten eerste, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 7 van het protocol neergelegde recht van leden van het Europees Parlement om als zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren op geen enkele wijze in hun bewegingsvrijheid beperkt te worden door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard;

C.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat Jane Collins ten gevolge van de planning van de gerechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt belet zou worden naar parlementaire vergaderingen te reizen;

D.  overwegende evenwel dat artikel 7 van het protocol niet van toepassing is op beperkingen die het gevolg zijn van een gerechtelijke procedure, aangezien deze onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het protocol(2), en het verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit op grond van artikel 7 van het protocol derhalve niet-ontvankelijk is;

E.  overwegende, ten tweede, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 8 van het protocol neergelegde recht van de leden van het Europees Parlement om niet het voorwerp te zijn van opsporing en om niet te worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

F.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat er tegen Jane Collins een rechtsvordering is ingesteld tot (verhoogde) schadevergoeding wegens smaad en laster, alsmede een vordering tot oplegging van een verbod op het herhalen van de omstreden verklaringen;

G.  overwegende dat de schadevordering wegens smaad en laster betrekking heeft op beschuldigingen die Jane Collins heeft geuit tijdens een partijbijeenkomst;

H.  overwegende dat de parlementaire immuniteit die de leden van het Europees Parlement op grond van artikel 8 van het protocol genieten, uitsluitend geldt voor de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

I.  overwegende dat een door een lid van het Europees Parlement buiten de gebouwen van het Europees Parlement afgelegde verklaring slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening vormt, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt(3);

J.  overwegende evenwel dat er geen sprake is van een rechtstreeks en voor de hand liggend verband tussen de omstreden verklaringen en de uitoefening door Jane Collins van haar taken als lid van het Europees Parlement, omdat de verklaringen geen betrekking hebben op haar activiteiten als lid van het Europees Parlement, noch op het beleid van de Europese Unie, en afgelegd werden in de context van het politieke debat op nationaal niveau;

K.  overwegende dat de verklaringen in kwestie derhalve niet door artikel 8 van het protocol worden bestreken;

1.  Besluit de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins niet te verdedigen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en aan de edelhoogachtbare heer Justice Warby.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; Arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543; Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440, par. 49 en 51.
(3) Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543.


Verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio
PDF 160kWORD 44k
Besluit van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio (2016/2028(IMM))
P8_TA(2016)0397A8-0312/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van Mario Borghezio om verdediging van zijn voorrechten en immuniteiten in het kader van een strafzaak voor de rechtbank van Milaan (RGNR No 41838/13, RG GIP No 12607/14), dat op 5 januari 2016 werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 1 februari 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Mario Borghezio te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien punt A van artikel 1, lid 1, van de Italiaanse wet nr. 205/1993,

–  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0312/2016),

A.  overwegende dat Mario Borghezio als lid van het Europees Parlement heeft verzocht om verdediging van zijn immuniteit uit hoofde van de artikelen 8 en 9 van Protocol No 7, in het kader van een strafrechtelijke procedure voor de rechtbank van Milaan; overwegende dat de heer Borghezio volgens de kennisgeving van het Openbaar Ministerie verdacht wordt van racistische uitspraken tijdens een radio-uitzending, hetgeen strafbaar is gesteld bij artikel 1(a) van de Italiaanse wet nr. 205/1993;

B.  overwegende dat de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie elkaar wederzijds uitsluiten(2); overwegende dat het hier alleen gaat om discriminerende uitlatingen van een lid van het Europees Parlement; overwegende daarom dat de toepasselijkheid van alleen artikel 8 vanzelfsprekend is;

C.  overwegende dat volgens artikel 8 van het Protocol tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

D.  overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht „in de uitoefening van zijn ambt”, zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt. overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk(3);

E.  overwegende dat de heer Borghezio in die radio-uitzending om commentaar werd gevraagd op de benoeming en de bekwaamheid van een nieuwe minister in de Italiaanse regering, namelijk de pas benoemde minister voor integratie;

F.  overwegende dat de gewraakte feiten zoals die blijken uit de documenten en de verklaringen van de heer Borghezio tijdens de hoorzitting, erop wijzen dat de door gewraakte uitlatingen geen rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertonen met diens parlementaire activiteiten;

G.  overwegende dat de hem toegeschreven uitspraken de toon die normaliter in het politieke debat wordt gebezigd verre te buiten gaan en bovendien volstrekt niet passen bij het parlementaire bedrijf; overwegende dat die uitlatingen in strijd zijn met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en daardoor niet kunnen worden geacht in de uitoefening van zijn taak als lid van het Europees Parlement te zijn gedaan;

H.  overwegende dat Mario Borghezio daarom niet kan worden geacht te hebben gehandeld in de uitoefening van zijn taak als lid van het Europees Parlement;

I.  overwegend dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat wanneer voor een nationale rechter een procedure is ingeleid tegen een lid van het Europees Parlement, en voor deze rechter wordt aangevoerd dat een procedure is ingeleid ter verdediging van de immuniteit en voorrechten van dat parlementslid, zoals voorzien in het Reglement, hij de behandeling van de zaak moet aanhouden en het Parlement verzoeken zo snel mogelijk advies uit te brengen(4); overwegende dat de rechtbank van Milaan, waar de procedure tegen de heer Borghezio was ingesteld, de behandeling niet heeft willen aanhouden en ondanks het beroep van de heer Borghezio op de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie heeft laten doorgaan;

1.  besluit de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio niet te verdedigen;

2.  betreurt dat de rechtbank van Milaan de procedure tegen de heer Borghezio ondanks de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie niet heeft aangehouden;

3.  verwacht van de Italiaanse autoriteiten dat zij zich altijd houden aan de door het Hof geformuleerde regel dat de bevoegde rechter de procedure moet aanhouden wanneer er een verzoek is gedaan tot verdediging van de voorrechten en immuniteiten van een lid van het Europees Parlement;

4.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Italiaanse Republiek en aan Mario Borghezio.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/45, Marra, reeds aangehaald, punt 45.
(3) Zaak C-163/10, Patriciello, reeds aangehaald, punten 33 en 35.
(4) Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/43, Marra, reeds aangehaald, punt 43.


Statistieken van het spoorvervoer, wat betreft het verzamelen van gegevens over goederen, reizigers en ongevallen ***II
PDF 241kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 91/2003 betreffende de statistieken van het spoorvervoer, wat betreft het verzamelen van gegevens over goederen, reizigers en ongevallen (10000/1/2016 – C8-0365/2016 – 2013/0297(COD))
P8_TA(2016)0398A8-0300/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10000/1/2016 – C8-0365/2016),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0611),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0300/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten van 11.3.2014, P7_TA(2014)0197.


De statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren (gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden) ***II
PDF 240kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1365/2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren wat betreft het verlenen van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie voor de vaststelling van bepaalde maatregelen (09878/1/2016 – C8-0358/2016 – 2013/0226(COD))
P8_TA(2016)0399A8-0298/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (09878/1/2016 – C8-0358/2016),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0484),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0298/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten van 11.3.2014, P7_TA(2014)0180.


Het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en -sancties ***I
PDF 348kWORD 60k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 25 oktober 2016 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de EU inzake douaneovertredingen en sancties (COM(2013)0884 – C8-0033/2014 – 2013/0432(COD))(1)
P8_TA(2016)0400A8-0239/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Visum 1
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 33,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 33 en 114,
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad1.
___________________
1 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Als gevolg daarvan is de omgang met douaneovertredingen en -sancties op 28 verschillende soorten rechtsregels gebaseerd. Dientengevolge wordt een schending van de douanewetgeving in de Unie niet op dezelfde manier aangepakt en verschillen de sancties die kunnen worden opgelegd per geval in aard en ernst, al naar gelang de lidstaat die de sanctie oplegt.
(2)  De omgang met douaneovertredingen en -sancties is op 28 verschillende soorten rechtsregels gebaseerd. Dientengevolge wordt een schending van de douanewetgeving in de Unie niet op dezelfde manier aangepakt en verschillen de sancties die kunnen worden opgelegd per geval in aard en ernst, al naar gelang de lidstaat die de sanctie oplegt, met als gevolg een verlies voor de staatskas van de lidstaten en een verstoring van de handelsstromen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Dit verschil in rechtsstelsels van de lidstaten is niet alleen van invloed op het optimale beheer van de douane-unie, maar voorkomt ook dat een gelijk speelveld wordt gerealiseerd voor marktdeelnemers in de douane-unie omdat het gevolgen heeft voor hun toegang tot douanevereenvoudigingen en -faciliteiten.
(3)  Dit verschil in rechtsstelsels van de lidstaten is niet alleen van invloed op het optimale beheer van de douane-unie en de noodzakelijke transparantie die nodig is om het correct functioneren van de interne markt te garanderen met betrekking tot de wijze waarop overtredingen door de verschillende douaneautoriteiten worden afgehandeld, maar voorkomt ook het realiseren van een gelijk speelveld voor marktdeelnemers in de douane-unie, die reeds te maken krijgen met verschillende stelsels en regels in de Unie, omdat het gevolgen heeft voor hun toegang tot douanevereenvoudigingen en -faciliteiten.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Er dient een lijst te worden vastgesteld met gedragingen die beschouwd worden als schendingen van de Unie-douanewetgeving en waarop sancties zouden moeten staan. Deze douaneovertredingen dienen volledig te zijn gebaseerd op de verplichtingen die voortvloeien uit de douanewetgeving en rechtstreeks betrekking te hebben op het douanewetboek. Met deze richtlijn wordt niet bepaald wanneer lidstaten voor deze douaneovertredingen een administratieve of strafrechtelijke sanctie moeten opleggen.
(6)  Er dient middels deze richtlijn een lijst te worden vastgesteld met gedragingen die beschouwd worden als schendingen van de Unie-douanewetgeving en waarop sancties zouden moeten staan. Deze douaneovertredingen dienen volledig te zijn gebaseerd op de verplichtingen die voortvloeien uit de douanewetgeving en rechtstreeks betrekking te hebben op het douanewetboek. Met deze richtlijn wordt bepaald dat lidstaten voor deze douaneovertredingen niet-strafrechtelijke sancties moeten opleggen. Lidstaten moeten eveneens de mogelijkheid hebben te voorzien in de oplegging van strafrechtelijke sancties, in overeenstemming met nationale en Uniewetgeving, in plaats van niet-strafrechtelijke sancties, wanneer de aard en ernst van de desbetreffende overtredingen dit vereisen teneinde de opgelegde sanctie afschrikkend, doeltreffend en evenredig te laten zijn.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)   De eerste categorie gedragingen zou douaneovertredingen op basis van objectieve aansprakelijkheid moeten bevatten, waarvoor geen enkele vorm van schuld is vereist gezien de objectieve aard van de daarmee verbonden verplichtingen en het feit dat de personen die verantwoordelijk zijn om aan deze verplichtingen voldoen het bestaansrecht en bindende karakter ervan niet kunnen negeren.
Schrappen
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)   De tweede en derde categorie gedragingen zouden douaneovertredingen moeten bevatten die uit nalatigheid of met opzet zijn begaan, met andere woorden waar het subjectieve element voor de verschuldigdheid bepalend is.
Schrappen
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Met het oog op de rechtszekerheid dient te worden bepaald dat een handeling of nalatigheid als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten niet als een douaneovertreding dient te worden aangemerkt.
(10)  Met het oog op de rechtszekerheid dient te worden bepaald dat een handeling of nalatigheid als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in het douanewetboek niet als een douaneovertreding dient te worden aangemerkt.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Om de nationale sanctiesystemen van de lidstaten onderling aan te passen, dienen sanctieschalen te worden vastgesteld die een weerspiegeling vormen van de verschillende categorieën douaneovertredingen en de ernst ervan. Om effectieve, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen, dienen de lidstaten eveneens te waarborgen dat hun bevoegde autoriteiten rekening houden met specifieke verzwarende of verzachtende omstandigheden bij het bepalen van de soort en de hoogte van de toe te passen sancties.
(12)  Om de nationale sanctiesystemen van de lidstaten onderling aan te passen, dienen sanctieschalen te worden vastgesteld die de ernst van de douaneovertredingen weerspiegelen. Om effectieve, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen, dienen de lidstaten eveneens te waarborgen dat hun bevoegde autoriteiten rekening houden met specifieke verzwarende of verzachtende omstandigheden bij het bepalen van de soort en de hoogte van de toe te passen sancties.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   Uitsluitend wanneer ernstige overtredingen geen verband houden met de ontdoken douanerechten, maar met de waarde van de desbetreffende goederen, bijvoorbeeld in geval van overtredingen in verband met intellectuele-eigendomsrechten of goederen waarvoor een verbod of een beperking geldt, dienen douaneautoriteiten de opgelegde sanctie te baseren op de waarde van de goederen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De verjaringstermijn voor de vervolging van een douaneovertreding dient op vier jaar te worden vastgesteld met ingang van de dag waarop de douaneovertreding is begaan of, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, met ingang van de dag waarop het gedrag dat een overtreding vormt, is beëindigd. De lidstaten dienen te waarborgen dat de verjaringstermijn wordt gestuit door een handeling met betrekking tot onderzoeken of gerechtelijke procedures die verband houden met de douaneovertreding. De lidstaten kunnen de gevallen vastleggen waarvoor deze verjaring wordt gestuit. De aanvang of voortzetting van deze procedures dient na het verstrijken van de termijn van acht jaar te worden uitgesloten en de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een sanctie dient op drie jaar te worden gesteld.
(13)  De verjaringstermijn voor de vervolging van een douaneovertreding dient op vier jaar te worden vastgesteld met ingang van de dag waarop de douaneovertreding is begaan of, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, met ingang van de dag waarop het gedrag dat een overtreding vormt, is beëindigd. De lidstaten dienen te waarborgen dat de verjaringstermijn wordt gestuit door een handeling met betrekking tot onderzoeken of gerechtelijke procedures die verband houden met dezelfde douaneovertreding, of door een handeling van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de gevallen vast te leggen waarvoor deze verjaring wordt gestuit. Alle procedures dienen, ongeacht een eventuele onderbreking van de verjaringstermijn, te verjaren na het verstrijken van een termijn van acht jaar en de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een sanctie dient op drie jaar te worden gesteld.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  De administratieve procedure met betrekking tot douaneovertredingen dient te worden opgeschort indien een strafrechtelijke procedure is ingeleid tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten. De voortzetting van de administratieve procedure na voltooiing van de strafrechtelijke procedure is alleen mogelijk indien het ne bis in idem-beginsel strikt in acht wordt genomen.
(14)  De administratieve procedure met betrekking tot douaneovertredingen dient te worden opgeschort indien een strafrechtelijke procedure is ingeleid tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten. De voortzetting van de administratieve procedure na voltooiing van de strafrechtelijke procedure is alleen mogelijk indien het ne bis in idem-beginsel strikt in acht wordt genomen, wat betekent dat dezelfde overtreding niet twee keer mag worden bestraft.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   De algemene doelstelling van deze richtlijn is het garanderen van de doeltreffende tenuitvoerlegging van de wetgeving in de EU-douane-unie. Het wettelijke kader waarbinnen deze richtlijn valt, staat echter geen geïntegreerde aanpak toe van de handhaving, met inbegrip van toezicht, controle en onderzoek. De Commissie moet daarom worden verplicht om het Europees Parlement en de Raad een verslag voor te leggen over die aspecten, inclusief de uitvoering van het gemeenschappelijk kader voor risicobeheer, teneinde te beoordelen of er verdere wetgeving nodig is.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)   Deze richtlijn heeft tot doel de douanesamenwerking te versterken door de nationale wetgevingen inzake douanesancties onderling aan te passen. Aangezien de gerechtelijke tradities van de lidstaten momenteel sterk van elkaar verschillen, is een totale harmonisering echter niet mogelijk.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Met deze richtlijn wordt een kader vastgesteld met betrekking tot de schendingen van de Unie-douanewetgeving en voorzien in sancties voor deze schendingen.
1.  Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en het kader vast te stellen met betrekking tot de schendingen van de Unie-douanewetgeving, en voorziet in het opleggen van niet-strafrechtelijke sancties voor deze schendingen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onderling aan te passen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Deze richtlijn heeft betrekking op de verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van de handelspartners van de Europese Unie, alsook de Wereldhandelsorganisatie en de Werelddouaneorganisatie, met het oog op de totstandbrenging van een homogene en efficiënte interne markt die de handel faciliteert en waarbij tegelijk zekerheid geboden wordt.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2
Artikel 2
Artikel 2
Douaneovertredingen en -sancties
Algemene beginselen
De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde sancties.
1.   De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot de in de artikelen 3 en 6 vermelde sancties, met strikte inachtneming van het ne bis in idem-beginsel.
De lidstaten zorgen ervoor dat handelingen of nalatigheden zoals uiteengezet in de artikelen 3 en 6 gelden voor douaneovertredingen die door nalatigheid of opzettelijk worden begaan.
Lidstaten kunnen voorzien in het opleggen van strafrechtelijke sancties, in overeenstemming met nationale en Uniewetgeving, in plaats van niet-strafrechtelijke sancties, wanneer de aard en ernst van de desbetreffende overtredingen dit vereisen teneinde de opgelegde sanctie afschrikkend, doeltreffend en evenredig te laten zijn.
2.   Voor de toepassing van deze richtlijn:
(a)   bepalen de douneautoriteiten of de overtreding is begaan door nalatigheid, hetgeen betekent dat de persoon die verantwoordelijk is heeft nagelaten om redelijke zorgvuldigheid met betrekking tot de controle over zijn of haar activiteiten in acht te nemen, of het nemen van maatregelen die onmiskenbaar ontoereikend waren om het optreden van omstandigheden die tot de overtreding leidden, te voorkomen, in het geval het risico van het optreden ervan redelijkerwijs te voorzien is;
(b)   bepalen de douaneautoriteiten of de overtreding opzettelijk is gepleegd, hetgeen betekent dat de persoon die verantwoordelijk is voor de handeling of nalatigheid heeft gehandeld in de wetenschap dat deze handeling of nalatigheid een overtreding vormde, of met de vrije en doelbewuste wens om de douanewetgeving te overtreden;
(c)   vormen administratieve fouten of vergissingen geen douaneovertredingen, tenzij uit alle omstandigheden blijkt dat zij zijn begaan als gevolg van nalatigheid of opzettelijk gedrag.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 bis (nieuw)
Artikel 2 bis
Facilitatie van de handel
Om te voldoen aan de verplichtingen van de Unie in het kader van de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO plegen de lidstaten overleg om een samenwerkingssysteem in te stellen waaraan alle lidstaten deelnemen. Dit systeem is bedoeld voor de coördinatie van de sleutelindicatoren inzake de doeltreffendheid van de douanesancties (analyse van het aantal beroepen, recidivecijfers, enz.), de verspreiding van de beste praktijken tussen de douanediensten (doeltreffendheid van de controles en de sancties, verminderen van de administratieve kosten, enz.), het doorgeven van de ervaringen van de marktdeelnemers en onderlinge banden creëren, de monitoring van de wijze waarop de douanediensten hun werkzaamheden uitvoeren, en het opstellen van statistieken over de overtredingen die begaan worden door ondernemingen uit derde landen. Binnen het samenwerkingssysteem worden alle lidstaten onverwijld in kennis gesteld van onderzoeken naar douaneovertredingen en vastgestelde overtredingen, teneinde de handelstransacties te faciliteren, de plaatsing van illegale goederen op de gemeenschappelijke markt te voorkomen en de doeltreffendheid van de controles te verbeteren.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Douaneovertredingen met objectieve aansprakelijkheid
Douaneovertredingen
De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding, ongeacht enige vorm van schuld:
De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding:
(a)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a), van het douanewetboek;
(a)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a), van het douanewetboek;
(b)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de echtheid, juistheid en geldigheid van het bewijsstuk te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder b), van het douanewetboek;
(b)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de echtheid, juistheid en geldigheid van het bewijsstuk te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder b), van het douanewetboek;
(c)  verzuim van eenieder om een summiere aangifte bij binnenbrengen overeenkomstig artikel 127 van het douanewetboek, een kennisgeving van aankomst van een zeeschip of luchtvaartuig over zee of door de lucht overeenkomstig artikel 133 van het douanewetboek, een aangifte tot tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 145 van het douanewetboek, een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158 van het douanewetboek, een kennisgeving van activiteiten in vrije zones overeenkomstig artikel 244, lid 2, van het douanewetboek, een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263 van het douanewetboek, een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270 van het douanewetboek, een summiere aangifte bij uitgaan overeenkomstig artikel 271 van het douanewetboek of een kennisgeving van wederuitvoer overeenkomstig artikel 274 van het douanewetboek in te dienen;
(c)  verzuim van eenieder om een summiere aangifte bij binnenbrengen overeenkomstig artikel 127 van het douanewetboek, een kennisgeving van aankomst van een zeeschip of luchtvaartuig over zee of door de lucht overeenkomstig artikel 133 van het douanewetboek, een aangifte tot tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 145 van het douanewetboek, een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158 van het douanewetboek, een kennisgeving van activiteiten in vrije zones overeenkomstig artikel 244, lid 2, van het douanewetboek, een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263 van het douanewetboek, een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270 van het douanewetboek, een summiere aangifte bij uitgaan overeenkomstig artikel 271 van het douanewetboek of een kennisgeving van wederuitvoer overeenkomstig artikel 274 van het douanewetboek in te dienen;
(d)  verzuim van een marktdeelnemer om met de vervulling van de douaneformaliteiten verband houdende bescheiden en gegevens te bewaren op een wijze die toegankelijk is voor de in de douanewetgeving vereiste termijn overeenkomstig artikel 51 van het douanewetboek;
(d)  verzuim van een marktdeelnemer om met de vervulling van de douaneformaliteiten verband houdende bescheiden en gegevens te bewaren op een wijze die toegankelijk is voor de in de douanewetgeving vereiste termijn overeenkomstig artikel 51 van het douanewetboek;
(e)  de onttrekking van in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen aan douanetoezicht zonder toestemming van de douaneautoriteiten, in strijd met de eerste en tweede alinea van artikel 134, lid 1, van het douanewetboek;
(e)  de onttrekking van in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen aan douanetoezicht zonder toestemming van de douaneautoriteiten, in strijd met de eerste en tweede alinea van artikel 134, lid 1, van het douanewetboek;
(f)  de onttrekking van goederen aan douanetoezicht, in strijd met artikel 134, lid 1, vierde alinea, artikel 158, lid 3, en artikel 242, van het douanewetboek;
(f)  de onttrekking van goederen aan douanetoezicht, in strijd met artikel 134, lid 1, vierde alinea, artikel 158, lid 3, en artikel 242, van het douanewetboek;
(g)  verzuim van eenieder die goederen in het douanegebied van de Unie binnenbrengt om te voldoen aan de verplichtingen in verband met het vervoer van de goederen naar de plaats van bestemming overeenkomstig artikel 135, lid 1, van het douanewetboek, of om de douaneautoriteiten in kennis te stellen wanneer de verplichtingen niet kunnen worden nagekomen overeenkomstig artikel 137, leden 1 en 2, van het douanewetboek;
(g)  verzuim van eenieder die goederen in het douanegebied van de Unie binnenbrengt om te voldoen aan de verplichtingen in verband met het vervoer van de goederen naar de plaats van bestemming overeenkomstig artikel 135, lid 1, van het douanewetboek, of om de douaneautoriteiten onverwijld in kennis te stellen wanneer de verplichtingen niet kunnen worden nagekomen overeenkomstig artikel 137, leden 1 en 2, van het douanewetboek, alsmede de plaats bekend te maken waar zich de goederen bevinden;
(h)  verzuim van eenieder die goederen naar een vrije zone brengt, waar de vrije zone grenst aan de landgrens tussen een lidstaat en een derde land, om deze goederen rechtstreeks naar die vrije zone te brengen zonder gebruik te maken van een ander deel van het douanegebied van de Unie, overeenkomstig artikel 135, lid 2, van het douanewetboek;
(h)  verzuim van eenieder die goederen naar een vrije zone brengt, waar de vrije zone grenst aan de landgrens tussen een lidstaat en een derde land, om deze goederen rechtstreeks naar die vrije zone te brengen zonder gebruik te maken van een ander deel van het douanegebied van de Unie, overeenkomstig artikel 135, lid 2, van het douanewetboek;
(i)  verzuim van de aangever van een tijdelijke opslag of een douaneregeling om de douaneautoriteiten van documenten te voorzien indien de Uniewetgeving dit vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is overeenkomstig artikel 145, lid 2, en artikel 163, lid 2, van het douanewetboek;
(i)  verzuim van de aangever van een tijdelijke opslag of een douaneregeling om de douaneautoriteiten van documenten te voorzien indien de Uniewetgeving dit vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is overeenkomstig artikel 145, lid 2, en artikel 163, lid 2, van het douanewetboek;
(j)  verzuim van de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag om deze goederen onder een douaneregeling te plaatsen of weder uit te voeren binnen de termijn overeenkomstig artikel 149 van het douanewetboek;
(j)  verzuim van van de aangever van een tijdelijke opslag of de persoon die de goederen beheert in geval deze zijn opgeslagen in een andere door de douaneautoriteiten toegestane plaats beheert, die verantwoordelijk is voor niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag om deze goederen onder een douaneregeling te plaatsen of weder uit te voeren binnen de termijn overeenkomstig artikel 149 van het douanewetboek;
(k)  verzuim van de aangever van een douaneregeling om de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de betreffende regeling in diens bezit en ter beschikking te hebben voor de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de douaneaangifte of een aanvullende aangifte wordt ingediend overeenkomstig artikel 163, lid 1, en de tweede alinea van artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;
(k)  verzuim van de aangever van een douaneregeling om de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de betreffende regeling in diens bezit en ter beschikking te hebben voor de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de douaneaangifte of een aanvullende aangifte wordt ingediend overeenkomstig artikel 163, lid 1, en de tweede alinea van artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;
(l)  verzuim van de aangever van een douaneregeling, in geval van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 van het douanewetboek, om een aanvullende aangifte in te dienen bij het bevoegde douanekantoor en binnen de specifieke termijn overeenkomstig artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;
(l)  verzuim van de aangever van een douaneregeling, in geval van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 van het douanewetboek, om een aanvullende aangifte in te dienen bij het bevoegde douanekantoor en binnen de specifieke termijn overeenkomstig artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;
(m)  het verwijderen of vernietigen van de identificatiemiddelen die door de douaneautoriteiten op de goederen, verpakking of vervoermiddelen zijn aangebracht zonder dat hiervoor door de douaneautoriteiten voorafgaande toestemming is verleend overeenkomstig artikel 192, lid 2, van het douanewetboek;
(m)  het verwijderen of vernietigen van de identificatiemiddelen die door de douaneautoriteiten op de goederen, verpakking of vervoermiddelen zijn aangebracht zonder dat hiervoor door de douaneautoriteiten voorafgaande toestemming is verleend overeenkomstig artikel 192, lid 2, van het douanewetboek;
(n)  verzuim van de houder van de regeling actieve veredeling om een douaneregeling te zuiveren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 257 van het douanewetboek;
(n)  verzuim van de houder van de regeling actieve veredeling om een douaneregeling te zuiveren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 257 van het douanewetboek;
(o)  verzuim van de houder van de regeling passieve veredeling om de gebrekkige goederen uit te voeren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 262 van het douanewetboek;
(o)  verzuim van de houder van de regeling passieve veredeling om de gebrekkige goederen uit te voeren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 262 van het douanewetboek;
(p)  het oprichten van gebouwen in een vrije zone zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 244, lid 1, van het douanewetboek;
(p)  het oprichten van gebouwen in een vrije zone zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 244, lid 1, van het douanewetboek;
(q)  niet-betaling van invoer- of uitvoerrechten door de persoon die betaling is verschuldigd binnen de voorgeschreven termijn overeenkomstig artikel 108 van het douanewetboek;
(q)  niet-betaling van invoer- of uitvoerrechten door de persoon die betaling is verschuldigd binnen de voorgeschreven termijn overeenkomstig artikel 108 van het douanewetboek;
(q bis)   verzuim van een marktdeelnemer om op verzoek van de douaneautoriteiten hen op passende wijze en binnen een redelijke termijn van alle vereiste documenten en informatie te voorzien en alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van de douaneformaliteiten of -controles overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het douanewetboek;
(q ter)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;
(q quater)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;
(q quinquies)   verzuim van de houder van de regeling Uniedouanevervoer om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te geven overeenkomstig artikel 233, lid 1, onder a), van het douanewetboek;
(q sexies)   het lossen of overladen van goederen uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, zonder toestemming van de douaneautoriteiten of op plaatsen die niet door deze autoriteiten zijn aangewezen of goedgekeurd overeenkomstig artikel 140 van het douanewetboek;
(q septies)   de opslag van goederen in ruimten voor tijdelijke opslag of douane-entrepots zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 147 en 148 van het douanewetboek;
(q octies)   verzuim van de houder van de vergunning of de houder van de regeling om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de opslag van goederen onder de regeling douane-entrepot overeenkomstig artikel 242, lid 1, onder a) en b), van het douanewetboek.
(q nonies)   het verstrekken van onjuiste gegevens of documenten aan de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 15 of 163 van het douanewetboek betreffende de door deze douaneautoriteiten vereiste gegevens of documenten;
(q decies)   het gebruikmaken door een marktdeelnemer van onjuiste of onvolledige gegevens of valse, onjuiste of ongeldige gegevens om een vergunning van de douaneautoriteiten te verwerven:
(i)   om een geautoriseerde marktdeelnemer te worden overeenkomstig artikel 38 van het douanewetboek;
(ii)   om gebruik te maken van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek;
(iii)   om gebruik te maken van andere douanevereenvoudigingen overeenkomstig de artikelen 177, 179, 182 of 185 van het douanewetboek; of
(iv)   om goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen overeenkomstig artikel 211 van het douanewetboek;
(q undecies)   de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie zonder dat deze bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht overeenkomstig artikel 139, artikel 245 of artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;
(q duodecies)   de veredeling van goederen in een douane-entrepot zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 241 van het douanewetboek;
(q terdecies)   het verwerven of onder zich houden van goederen die bij een van de onder q quinquies) en q undecies) van dit artikel genoemde douaneovertredingen zijn betrokken.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4
Artikel 4
Schrappen
Douaneovertredingen die uit nalatigheid zijn begaan
De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding indien de overtreding uit nalatigheid is begaan:
(a)   verzuim van de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag om deze goederen onder een douaneregeling te plaatsen of weder uit te voeren binnen de termijn overeenkomstig artikel 149 van het douanewetboek;
(b)   verzuim van de marktdeelnemer om de douaneautoriteiten alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van de douaneformaliteiten of -controles overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het douanewetboek;
(c)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;
(d)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;
(e)   verzuim van een marktdeelnemer om de in het douanegebied van de Unie gebrachte goederen bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 139 van het douanewetboek;
(f)   verzuim van de houder van de regeling Uniedouanevervoer om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te brengen overeenkomstig artikel 233, lid 1, onder a), van het douanewetboek;
(g)   verzuim van een marktdeelnemer om de in de vrije zone gebrachte goederen bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 245 van het douanewetboek;
(h)   verzuim van een marktdeelnemer om de goederen die het douanegebied van de Unie verlaten bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;
(i)   het lossen of overladen van goederen uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, zonder toestemming van de douaneautoriteiten of op plaatsen die niet door deze autoriteiten zijn aangewezen of goedgekeurd overeenkomstig artikel 140 van het douanewetboek;
(j)   de opslag van goederen in ruimten voor tijdelijke opslag zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 147 en 148 van het douanewetboek;
(k)   verzuim van de houder van de vergunning of de houder van de regeling om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de opslag van goederen onder de regeling douane-entrepot overeenkomstig artikel 242, lid 1, onder a) en b), van het douanewetboek.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5
Artikel 5
Schrappen
Douaneovertredingen die internationaal zijn begaan
De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding indien de overtreding met opzet is begaan:
(a)  het verstrekken van onjuiste gegevens of documenten aan de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 15 of 163 van het douanewetboek betreffende de door deze douaneautoriteiten vereiste gegevens of documenten;
(b)  het gebruikmaken door een marktdeelnemer van valse verklaringen of andere onregelmatige middelen om een vergunning van de douaneautoriteiten te verwerven;
(i)  om een geautoriseerde marktdeelnemer te worden overeenkomstig artikel 38 van het douanewetboek;
(ii)  om gebruik te maken van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek;
(iii)   om gebruik te maken van andere douanevereenvoudigingen overeenkomstig de artikelen 177, 179, 182 en 185 van het douanewetboek;
(iv)   om goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen overeenkomstig artikel 211 van het douanewetboek;
(c)  de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie zonder dat deze bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht overeenkomstig artikel 139, artikel 245 of artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;
(d)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;
(e)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;
(f)  de veredeling van goederen in een douane-entrepot zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 241 van het douanewetboek;
(g)  het verwerven of onder zich houden van goederen die bij een van de in artikel 4, onder f) en in dit artikel, onder c) genoemde douaneovertredingen zijn betrokken.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Aanmoedigen, mede mogelijk maken, uitlokken en pogen
Aanmoedigen, mede mogelijk maken, uitlokken en pogen
1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat het aanmoedigen of mede mogelijk maken en het uitlokken van een in artikel 5 vermelde handeling of nalatigheid een douaneovertreding betreft.
1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat het aanmoedigen of mede mogelijk maken en het uitlokken van een in artikel 8 ter, lid 2, vermelde handeling of nalatigheid een douaneovertreding vormt.
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat een poging om een in artikel 5, onder b) of c) vermelde nalatigheid of een handeling te begaan een douaneovertreding betreft.
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat een poging om een in artikel 3, onder q decies of q undecies) vermelde nalatigheid of een handeling te begaan een douaneovertreding vormt.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Vergissing van de douaneautoriteiten
Vergissing van de douaneautoriteiten
Er is in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde handelingen of nalatigheden geen sprake van een douaneovertreding indien zij het gevolg zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten.
Er is in de artikelen 3 en 6 vermelde handelingen of nalatigheden geen sprake van een douaneovertreding indien zij het gevolg zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten, overeenkomstig met artikel 119 van het douanewetboek, en de douaneautoriteiten zijn aansprakelijk wanneer vergissingen schade veroorzaken.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten waarborgen dat rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld voor overtredingen die in hun voordeel zijn gepleegd door eenieder die ofwel individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon optrad en die een leidende positie bekleedde binnen de rechtspersoon, op grond van:
1.  De lidstaten waarborgen dat rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde overtredingen die in hun voordeel zijn gepleegd door eenieder die ofwel individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon optrad en die een leidende positie bekleedde binnen de rechtspersoon, op grond van:
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 2
2.  De lidstaten waarborgen eveneens dat rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld indien het gebrek aan toezicht of controle door een in lid 1 genoemd persoon het begaan van een douaneovertreding ten gunste van die rechtspersoon door een persoon onder toezicht van de in lid 1 vermelde persoon mogelijk heeft gemaakt.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   In deze richtlijn wordt onder "rechtspersoon" verstaan, ieder lichaam dat krachtens het toepasselijke recht rechtspersoonlijkheid bezit, met uitzondering van staten en andere overheidslichamen in de uitoefening van het openbaar gezag, en publiekrechtelijke internationale organisaties.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 bis (nieuw)
Artikel 8 bis
Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen of het al dan niet om een kleine overtreding gaat
1.   De lidstaten garanderen dat hun bevoegde autoriteiten bij het bepalen of een overtreding als bedoeld in artikel 3 klein is, vanaf het begin van het proces, dat wil zeggen bij het bepalen of een douaneovertreding is begaan, rekening houden met alle relevante omstandigheden die van toepassing kunnen zijn, inclusief, de volgende omstandigheden:
(a)   de overtreding is uit nalatigheid begaan;
(b)   de betrokken goederen zijn niet onderworpen aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek;
(c)   de overtreding heeft een geringe of geen invloed op het te betalen bedrag aan douanerechten.
(d)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon werkt doeltreffend mee met de bevoegde autoriteit;
(e)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon maakt de overtreding vrijwillig openbaar, op voorwaarde dat de overtreding nog geen voorwerp is van een onderzoek, waarvan de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding kennis heeft;
(f)   de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding, toont aan dat hij of zij aanzienlijke inspanning levert om te voldoen aan de EU-douanewetgeving door een hoge mate van controle over zijn of haar activiteiten te tonen, bijvoorbeeld door middel van een compliance-systeem;
(g)   de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding is een kleine of middelgrote onderneming die geen eerdere ervaring heeft met douanegerelateerde zaken.
2.   De bevoegde autoriteiten beschouwen een overtreding alleen als klein wanneer er geen sprake is van een verzwarende omstandigheid ten aanzien van de overtreding als bedoeld in artikel 8 ter.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 ter (nieuw)
Artikel 8 ter
Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen of het al dan niet om een ernstige overtreding gaat
1.   De lidstaten garanderen dat hun bevoegde autoriteiten bij het bepalen of een overtreding als bedoeld in artikel 3 of 6 ernstig is, vanaf het begin van het proces, dat wil zeggen bij het bepalen of een douaneovertreding is begaan, rekening houden met de volgende omstandigheden die van toepassing kunnen zijn:
(a)   de overtreding is opzettelijk begaan;
(b)   de overtreding duurde gedurende een lange periode voort, hetgeen duidt op de intentie haar in stand te houden;
(c)   een soortgelijke of gerelateerde overtreding duurt voort of wordt herhaaldelijk begaan, dat wil zeggen, vaker dan een keer;
(d)   de overtreding heeft een aanzienlijke invloed op het te betalen bedrag aan ontdoken invoer- of uitvoerrechten;
(e)   de betrokken goederen zijn onderworpen aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek;
(f)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon weigert om mee te werken of volledig mee te werken met de bevoegde autoriteit;
(g)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon heeft eerdere overtredingen begaan;
2.   De onder f), g), p), q decies) en q undecies) van artikel 3 begane overtredingen vormen, vanwege hun aard, ernstige overtredingen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9
Artikel 9
Artikel 9
Sancties voor de in artikel 3 vermelde douaneovertredingen
Niet-strafrechtelijke sancties voor kleine douaneovertredingen
De lidstaten waarborgen dat er effectieve, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd aan de in artikel 3 vermelde douaneovertredingen, binnen de volgende grenzen:
1.   De lidstaten waarborgen dat er, naast de invordering van de ontdoken rechten, effectieve, evenredige, afschrikkende en niet-strafrechtelijke sancties worden opgelegd, aan de in artikel 3 vermelde douaneovertredingen die overeenkomstig artikel 8 bis als kleine douaneovertredingen worden beschouwd, binnen de volgende grenzen:
(a)  een geldboete van 1 % tot 5 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen,
(a)  een geldboete tot 70 % van de ontdoken rechten indien de douaneovertreding verband houdt met de ontdoken rechten;
(b)  een geldboete van 150 EUR tot 7 500 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen.
(b)  een geldboete tot 7 500 EUR indien de douaneovertreding geen verband houdt met de ontdoken rechten.
2.   Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen sancties binnen de in lid 1 van dit artikel vastgelegde grenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat rekening wordt gehouden met alle in artikel 8 bis beschreven relevante omstandigheden.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10
Artikel 10
Schrappen
Sancties voor de in artikel 4 vermelde douaneovertredingen
De lidstaten waarborgen dat er effectieve, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd aan de in artikel 4 vermelde douaneovertredingen, binnen de volgende grenzen:
(a)   een geldboete tot 15 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen,
(b)   een geldboete tot 22 500 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Sancties voor de in de artikelen 5 en 6 vermelde douaneovertredingen
Niet-strafrechtelijke sancties voor ernstige douaneovertredingen
De lidstaten waarborgen dat er effectieve, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd aan de in de artikelen 5 en 6 vermelde douaneovertredingen, binnen de volgende grenzen:
1.   De lidstaten waarborgen dat er, naast de invordering van de ontdoken rechten, effectieve, evenredige en afschrikkende en niet-strafrechtelijke sancties worden opgelegd, voor de in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertredingen die overeenkomstig artikel 8 ter als ernstige douaneovertredingen worden beschouwd, binnen de volgende grenzen:
(a)  een geldboete tot 30 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen,
(a)  een geldboete van tussen 40 % en 70 % van de ontdoken rechten indien de douaneovertreding verband houdt met de ontdoken rechten;
(a bis)   een geldboete van tussen 15 % and 30 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding geen verband houdt met de ontdoken rechten, maar met de waarde van de goederen;
(b)  een geldboete tot 45 000 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen.
(b)  een geldboete van tussen 7 500 EUR en 45 000 EUR indien de douaneovertreding geen verband houdt met de ontdoken rechten noch met de waarde van de goederende 15 % and 30 % van de ontdoken rechten;
2.   Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen sancties binnen de in lid 1 van dit artikel vastgelegde grenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat rekening wordt gehouden met alle in artikel 8 bis en artikel 8 ter, lid 1, beschreven relevante omstandigheden.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Andere niet-strafrechtelijke sancties voor ernstige overtredingen
1.   Naast de in artikel 11 vermelde sancties kunnen lidstaten, overeenkomstig het douanewetboek de volgende niet-geldelijke sancties opleggen indien een ernstige overtreding is begaan:
(a)   permanente of tijdelijke inbeslagname van de goederen;
(b)   schorsing van de vergunning die is verleend.
2.   Overeenkomstig het douanewetboek zorgen de lidstaten ervoor dat besluiten inzake de verlening van de status van geautoriseerde marktdeelnemer worden ingetrokken in geval van een ernstige of herhaaldelijke overtreding van de douanewetgeving.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 ter (nieuw)
Artikel 11 ter
Evaluatie
1.   De bedragen van de overeenkomstig artikelen 9 en 11 toepasselijke boetes worden vijf jaar na ...[de inwerkingtreding van deze richtlijn] herzien door de Commissie, samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Deze procedure voor een nieuw onderzoek is bedoeld om de bedragen van boetes die worden toegepast in het kader van de douane-unie, beter te laten samenvallen, teneinde de werking ervan te harmoniseren.
2.   De Commissie publiceert jaarlijks gegevens over de sancties die de lidstaten hebben opgelegd voor de in de artikelen 3 en 6 bedoelde douaneovertredingen.
3.   De lidstaten zorgen voor de naleving van de douanewetgeving in de zin van punt 2 van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 952/2013, alsook Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad1.
_______________
1 Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 quater (nieuw)
Artikel 11 quater
Schikking
De lidstaten dragen zorg voor de mogelijkheid van een schikking als procedure, waarbij de bevoegde autoriteiten een overeenkomst kunnen sluiten met de voor de overtreding verantwoordelijke persoon teneinde de zaak van een douaneovertreding af te handelen, als alternatief voor het initiëren of doorzetten van een gerechtelijke procedure, in ruil voor aanvaarding door die persoon van een onmiddellijk afdwingbare sanctie.
Wanneer juridische stappen zijn ondernomen, kunnen de bevoegde autoriteiten evenwel alleen een schikking treffen wanneer de gerechtelijke autoriteit hiermee akkoord gaat.
De Commissie stelt richtsnoeren op voor schikkingsprocedures om ervoor te zorgen dat een voor een overtreding verantwoordelijke persoon de mogelijkheid krijgt om op transparante wijze tot een schikking te komen in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling, en dat iedere overeengekomen schikking voorziet in openbaarmaking van de uitkomst van de procedure.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12
Artikel 12
Schrappen
Effectieve toepassing van sancties en uitoefening van bevoegdheden om sancties op te leggen door bevoegde autoriteiten
De lidstaten garanderen dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort en de hoogte van de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen rekening houden met alle relevante omstandigheden, inclusief, in voorkomend geval:
(a)   de ernst en de duur van de overtreding;
(b)   het feit dat de voor de overtreding verantwoordelijke persoon een geautoriseerde marktdeelnemer is;
(c)   het bedrag aan ontdoken invoer- of uitvoerrechten;
(d)   het feit dat de betrokken goederen onderworpen zijn aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek, of een gevaar vormen voor de openbare veiligheid;
(e)   de mate waarin de voor de overtreding verantwoordelijke persoon met de bevoegde autoriteit samenwerkte;
(f)   eerdere overtredingen van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Naleving
De lidstaten zorgen ervoor dat de richtsnoeren en publicaties over hoe aan de douanewetgeving van de Unie kan worden voldaan, in een gemakkelijk toegankelijke, begrijpelijke en actuele vorm aan belanghebbende partijen beschikbaar worden gesteld.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13
Artikel 13
Verjaring
Artikel 13
Verjaring
1.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor de procedures die verband houden met de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen vier jaar bedraagt en begint op de dag dat de douaneovertreding is gepleegd.
1.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor het initiëren van de procedures die verband houden met de in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertredingen, drie jaar bedraagt en dat deze begint op de dag dat de douaneovertreding is gepleegd.
2.  De lidstaten garanderen dat, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, de verjaringstermijn begint op de dat waarop de handeling of nalatigheid die een douaneovertreding vormt, is beëindigd.
2.  De lidstaten garanderen dat, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, de verjaringstermijn begint op de dat waarop de handeling of nalatigheid die een douaneovertreding vormt, is beëindigd.
3.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn wordt gestuit door elke aan de betrokken persoon gemelde onderzoekshandeling of gerechtelijke procedure met betrekking tot dezelfde douaneovertreding. De verjaringstermijn begint op de dag dat de handeling is onderbroken.
3.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn wordt gestuit door elke aan de betrokken persoon gemelde onderzoekshandeling of gerechtelijke procedure van de bevoegde autoriteit met betrekking tot dezelfde douaneovertreding, of door een handeling van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon. De verjaringstermijn loopt door op de dag dat de onderbrekende handeling tot een einde komt.
4.  De lidstaten garanderen dat de aanvang of voortzetting van de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde procedure met betrekking tot een douaneovertreding wordt uitgesloten na het verstrijken van de termijn van acht jaar vanaf de in lid 1 of 2 vermelde dag.
4.  De lidstaten garanderen, onverminderd artikel 14, lid 2, dat de in de artikelen 3 of 6 vermelde procedures met betrekking tot een douaneovertreding, ongeacht een eventuele onderbreking van de in lid 3 van dit artikel vermelde verjaringstermijn, verjaren na het verstrijken van de termijn van acht jaar vanaf de in lid 1 of 2 van dit artikel vermelde dag.
5.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een beslissing over het opleggen van een sanctie drie jaar bedraagt. Deze termijn begint op de dag waarop die beslissing definitief is.
5.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een beslissing over het opleggen van een sanctie drie jaar bedraagt. Deze termijn begint op de dag waarop die beslissing definitief is.
6.  De lidstaten stellen de gevallen vast waarvoor de in de leden 1, 4 en 5 vermelde verjaringstermijnen worden gestuit.
6.  De lidstaten stellen de gevallen vast waarvoor de in de leden 1, 4 en 5 vermelde verjaringstermijnen worden gestuit.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1
De lidstaten werken samen en wisselen inlichtingen uit die nodig zijn voor de procedure met betrekking tot een handeling of nalatigheid die een in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertreding vormt, in het bijzonder in het geval waarin meer dan een lidstaat een procedure is begonnen tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten.
De lidstaten werken samen en wisselen inlichtingen uit die nodig zijn voor de procedure met betrekking tot een handeling of nalatigheid die een in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertreding vormt, in het bijzonder in gevallen waarin meer dan een lidstaat een procedure is begonnen tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten. De samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moet als doel hebben de doeltreffendheid van de controles van de douanegoederen te versterken en de procedures binnen de Unie te harmoniseren.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1 bis (nieuw)
De Commissie oefent toezicht uit op de samenwerking tussen de lidstaten om sleutelindicatoren inzake de doeltreffendheid van douanecontroles en -sancties vast te leggen, om beste praktijken te verspreiden en de opleiding van douaneambtenaren te coördineren.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17
Artikel 17
Artikel 17
Inbeslagneming
Inbeslagneming
De lidstaten garanderen dat de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben goederen, transportmiddelen of andere instrumenten tijdelijk in beslag te nemen die bij het plegen van de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen zijn gebruikt.
De lidstaten garanderen dat de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben goederen, transportmiddelen of andere instrumenten tijdelijk in beslag te nemen die bij het plegen van de in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertredingen zijn gebruikt. Indien een lidstaat na het opleggen van een sanctie permanent beslag legt op de desbetreffende goederen, kan de lidstaat ervoor kiezen de goederen te vernietigen, hergebruiken of recyclen, al naargelang het geval.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 1 bis (nieuw)
Uiterlijk op 31 december 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de andere elementen van de handhaving van de EU-douanewetgeving, zoals toezicht, controle en onderzoek, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel om deze richtlijn aan te vullen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 bis (nieuw)
Artikel 18 bis
Verslaglegging door de lidstaten
De lidstaten voorzien de Commissie van statistieken betreffende overtredingen en geven daarbij aan welke sancties zijn opgelegd als gevolg van deze overtredingen, teneinde de Commissie in staat te stellen de toepassing van deze richtlijn te beoordelen. Na de inwerkingtreding van deze richtlijn dienen deze gegevens elk jaar te worden verstrekt. De Commissie kan bij het herzien van deze richtlijn gebruikmaken van deze gegevens om de nationale sanctiesystemen onderling beter aan te passen.

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0239/2016).


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016: veiligheid van de instellingen
PDF 244kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016: veiligheid van de instellingen (12600/2016 – C8-0409/2016 – 2016/2121(BUD))
P8_TA(2016)0401A8-0295/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, definitief vastgesteld op 25 november 2015(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016, goedgekeurd door de Commissie op 30 juni 2016 (COM(2016)0310),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016, vastgesteld door de Raad op 11 oktober 2016 en toegezonden aan het Europees Parlement op die dag (12600/2016 – C8-0409/2016),

–  gezien de brief van de Voorzitter van het Europees Parlement aan de voorzitter van de Commissie van 7 juni 2016, in het bijzonder paragraaf 3 ervan,

–  gezien zijn verklaring over de toepassing van punt 27 van het Interinstitutioneel Akkoord, die deel uitmaakt van de gezamenlijke conclusies die op 14 november 2015 in het kader van de bemiddelingsprocedure over de begroting 2016 werden bereikt,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0295/2016),

A.  overwegende dat de recente terreuraanvallen de EU-instellingen ertoe hebben aangezet hun veiligheidsbehoeften te herzien en te constateren dat er in 2016 behoefte is aan bijkomende middelen;

B.  overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016 derhalve wordt voorgesteld de begroting voor veiligheid in de Europese Scholen, het Europees Parlement, de Europese Commissie, het Europees Hof van Justitie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Dienst voor extern optreden te versterken met een totaal bedrag van 15,8 miljoen EUR;

C.  overwegende dat met name door middel van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016 wordt beoogd 35 extra ambten te creëren voor de indienstneming van extra beveiligingspersoneel in het Europees Parlement; overwegende dat deze ambten voor 2017 gehandhaafd moeten blijven en moeten worden vrijgesteld van de doelstelling tot vermindering van de personeelsformatie met 5 %, omdat zij op een nieuwe activiteit betrekking hebben; overwegende dat het Europees Parlement zijn verklaring over de vermindering van het personeelsbestand met 5 % bij de gezamenlijke conclusies over de begroting 2016 volledig eerbiedigt;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016, zoals ingediend door de Commissie;

2.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2016 goed;

3.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2016 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 48 van 24.2.2016.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


EU-strategie ten aanzien van Iran sinds de nucleaire overeenkomst
PDF 215kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst (2015/2274(INI))
P8_TA(2016)0402A8-0286/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, op 16 april 2016 hebben afgelegd in Teheran,

–  gezien resolutie 2231 (2015) van de VN-Veiligheidsraad van 20 juli 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 betreffende het akkoord over het nucleair programma van Iran,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran, in het bijzonder die van 10 maart 2011 over de benadering van Iran door de EU(1), die van 14 juni 2012 over de situatie van de etnische minderheden in Iran(2), die van 17 november 2011 over Iran – recente gevallen van schending van de mensenrechten(3), en die van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran(4),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, gezien het jaarverslag van de EU over de mensenrechten,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de jaarverslagen van de EU over de mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(5),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur van 10 maart 2016 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran, gezien zijn recente verklaringen van 20 mei en 8 juni 2016 waarin hij zijn bezorgdheid uit over de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers en de recente golf van het aanzetten tot haat van de Baha'i-gemeenschap en gezien het verslag van de Secretaris-Generaal van de VN van 3 maart 2016 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien Resolutie 70/173 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran (A/RES/70/173), die is aangenomen op 17 december 2015,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 14 oktober 2015 over de executie van een minderjarige delinquent in Iran en van 20 mei 2016 over de veroordeling van de Iraanse mensenrechtenverdediger Narges Mohammadi,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0286/2016),

A.  overwegende dat de sluiting van de nucleaire overeenkomst met Iran en de interne politieke ontwikkelingen in Iran de mogelijkheid bieden voor hervormingen in het land en voor een verbetering van zijn betrekkingen met de Europese Unie;

Betrekkingen tussen de EU en Iran

Politieke dialoog

1.  is van mening dat het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA), ook wel bekend als de nucleaire overeenkomst met Iran, een belangrijk wapenfeit was voor de multilaterale diplomatie, en dan met name voor de Europese diplomatie, en niet alleen een aanzienlijke verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Iran mogelijk moet maken, maar ook moet bijdragen tot de bevordering van de stabiliteit in de regio; is van mening dat alle partijen thans verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de strikte en volledige tenuitvoerlegging ervan; is ingenomen met de oprichting van de gemengde commissie bestaande uit vertegenwoordigers van Iran en de E3/EU+3 (China, Frankrijk, Duitsland, de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, met de VV/HV); staat volledig achter de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid in haar rol als coördinator van de gemengde commissie die in het kader van het JCPOA is opgericht, en is van mening dat de strikte en volledige tenuitvoerlegging van het JCPOA van het grootste belang blijft;

2.  is ingenomen met het bezoek dat VV/HV Mogherini op 16 april 2016 samen met zeven Europese commissarissen aan Iran heeft gebracht en ziet het als een belangrijke mijlpaal voor het opstellen van een ambitieuze agenda inzake bilaterale betrekkingen tussen de EU en Iran op gebieden van gemeenschappelijk belang; merkt op dat handel en economische banden centraal stonden in meerdere verklaringen van de Commissie en bij verschillende EU-delegaties die naar Iran werden gezonden, en dat aan de laatste delegatie de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en zeven commissarissen hebben deelgenomen;

3.  herinnert eraan dat dankzij het besluit van de Raad tot opheffing van alle nucleair-gerelateerde sancties die aan de Islamitische Republiek Iran waren opgelegd – een besluit dat werd genomen omdat het land voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het gezamenlijk alomvattend actieplan – de betrekkingen met het land kunnen worden hervat en er mogelijkheden en voordelen voor beide partijen zullen ontstaan doordat de Iraanse markt weer kan worden opengesteld voor Europese bedrijven; brengt in herinnering dat Iran een grote, relatief hoogopgeleide en jonge bevolking heeft, dat de bbp-samenstelling een van de meest gevarieerde in de regio is, dat het land behoefte heeft aan investeringen en een potentiële afzetmarkt is voor hoogwaardige Europese goederen;

4.  is ingenomen met de openheid in de betrekkingen met Iran; is van mening dat de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Iran hand in hand moet gaan met de tenuitvoerlegging van de nucleaire overeenkomst/het JCPOA; herinnert eraan dat, krachtens de voorwaarden van de overeenkomst, verzuim van Iran om de overeenkomst ten uitvoer te leggen tot de herinvoering van sancties kan leiden; moedigt aan tot een hernieuwing van de betrekkingen tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Iran anderzijds, waarbij beide partijen nauw samenwerken op het gebied van bilaterale en multilaterale kwesties, om zo de stabiliteit in de regio te bevorderen en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de nucleaire overeenkomst te waarborgen; meent dat de betrekkingen tussen de EU en Iran moeten worden ontwikkeld met behulp van een dialoog op meerdere niveaus, waarbij politieke, diplomatieke, economische, academische, technische en interpersoonlijke contacten een rol spelen en actoren uit het maatschappelijk middenveld, ngo's en mensenrechtenverdedigers worden betrokken; is er voorstander van om, ten behoeve van beide partijen, de banden tussen de EU en Iran aan te halen op basis van een realistische beoordeling van gemeenschappelijke belangen en verschillen, om zo in een sfeer van vertrouwensopbouw aan te sporen tot geleidelijke uitbreiding van de samenwerking, bovenal in het belang van de bevolking van Iran en de EU; steunt in dit verband de toezegging van de Europese Unie om een hernieuwd engagement aan te gaan met Iran, op basis van "de dialoog van de vier C's": een alomvattende dialoog (comprehensive); met een coöperatieve inslag op gebieden van wederzijds belang voor Iran en de EU (cooperative); kritisch, open en oprecht op gebieden waarover Iran en de EU van mening verschillen maar waarvoor ze naar een gemeenschappelijke basis zoeken (critical); en in het algemeen opbouwend, zowel van toon als in de praktijk (constructive);

5.  is ingenomen met de institutionele veranderingen die binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zijn doorgevoerd om af te stemmen op de resultaten van het JCPOA, en is met name verheugd dat binnen de EDEO een taakgroep Iran is opgericht om de verschillende actiegebieden van alle aangelegenheden met betrekking tot Iran te coördineren; is verheugd over de stappen die de EDEO heeft gezet om, zoals verzocht in eerdere resoluties van het Europees Parlement, een EU-delegatie op te richten in Teheran, aangezien de EU daardoor kan samenwerken met de Iraanse autoriteiten teneinde de bevolking van het land beter te informeren over de EU, misverstanden te weerleggen en te zorgen voor toenemende samenwerking tussen de EU en Iran; beklemtoont in dit opzicht dat handel en investeringen competenties van de EU zijn en dat de oprichting van een EU-delegatie in Teheran de samenwerking tussen de EU en Iran op het vlak van handel, onderwijs, cultuur, mensenrechten en milieuduurzaamheid zou vergemakkelijken en daarmee aanzienlijk zou bijdragen tot het inlossen van de verwachtingen van beide kanten; benadrukt dat Euronews Farsi in de toekomst tevens een belangrijke mediaverbinding moet vormen tussen de Europese Unie en het Perzisch sprekende publiek;

6.  herinnert eraan dat de EU en Iran besloten hebben kwesties van gemeenschappelijk belang constructief te bekijken; pleit ervoor dat een EU-strategie voor een hernieuwd engagement met Iran aanvankelijk gebaseerd wordt op vertrouwenwekkende maatregelen op technische gebieden die positieve precedenten zouden scheppen voor gezamenlijke werkzaamheden van de EU en Iran, en de weg zouden kunnen bereiden voor een meer betekenisvolle samenwerking op de lange termijn;

7.  benadrukt hoe belangrijk het is om, als onderdeel van de strategie voor herstel van wederzijds vertrouwen, de parlementaire dimensie van de betrekkingen tussen de EU en Iran te ontwikkelen; spreekt in dit verband andermaal zijn steun uit voor het door het Parlement en de Majlis besproken voorstel om een interparlementaire dialoog inzake terrorismebestrijding tot stand te brengen als erkenning van de gemeenschappelijke uitdagingen in verband met de radicalisering in Iran, in het gehele Midden-Oosten en binnen de EU zelf; is verheugd over de hernieuwde politieke dialoog tussen de EU en Iran, onder meer over mensenrechten; spoort ertoe aan om in de toekomst een mensenrechtendialoog tot stand te brengen en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, de veiligheidstroepen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld daarbij te betrekken; erkent dat beide partijen weliswaar argwaan en wantrouwen koesteren, maar dat Iran een lange geschiedenis kent van betrekkingen met tal van lidstaten en dat het land de ambitie koestert om goede betrekkingen te onderhouden met de EU, hetgeen de mogelijkheid biedt voor betrekkingen die op wederzijds vertrouwen en respect zijn gebaseerd; erkent de complexiteit van de binnenlandse Iraanse politiek en herhaalt dat de EU zich niet wil mengen in interne politieke keuzes, noch in dit land noch in enig ander land, maar dat zij streeft naar een samenwerking die gebaseerd is op wederzijdse eerbiediging van internationale normen en beginselen; is van mening dat volledige normalisering van de betrekkingen alleen parallel met de verdere tenuitvoerlegging van het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA) en door middel van een regelmatige en continue dialoog kan worden bereikt en dat de onmiddellijke prioriteit moet zijn om de reikwijdte van de betrekkingen tussen de EU en Iran uit te breiden op gebieden waarover men het eens is dat deze uitbreiding noodzakelijk is; meent evenwel dat de totstandkoming van een partnerschap tussen Iran en de EU het uiteindelijke doel moet zijn;

8.  herhaalt dat de Europese Unie reeds lang een fervent en principieel tegenstander van de doodstraf is, in alle gevallen en in alle omstandigheden, en beklemtoont eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf een belangrijke doelstelling van het buitenlands en mensenrechtenbeleid van de EU is; blijft uiterst kritisch ten aanzien van de veelvuldige toepassing van de doodstraf in Iran; beschouwt het terugdringen van de toepassing van de doodstraf als een belangrijke doelstelling van de politieke dialoog; dringt erop aan in Iran onmiddellijk een moratorium in te stellen op de uitvoering van de doodstraf; merkt op dat de meeste executies plaatsvinden voor drugsdelicten; begrijpt de uitdaging waarmee Iran wordt geconfronteerd, als een van de belangrijkste doorvoerroutes voor drugs in de wereld en als een land op wiens grondgebied 86% van de wereldwijde inbeslagnames van opium plaatsvindt; is van mening dat besprekingen over kwesties in verband met de doodstraf, zoals de toepassing van de doodstraf voor drugsdelicten en voor minderjarigen, welke beiden een schending vormen van de internationale toezeggingen uit hoofde van de mensenrechten en het humanitair recht waartoe Iran zich vrijwillig heeft verbonden, tot een gemeenschappelijke agenda zouden kunnen leiden om dit probleem aan te pakken; verzoekt de leden van het Iraanse parlement om, als een eerste stap in de goede richting, artikel 91 van het wetboek van strafrecht van 2013 te herzien, teneinde de doodstraf voor minderjarigen af te schaffen; merkt op dat er een wetsontwerp is voorgelegd aan het Iraanse parlement waarmee, als de wet wordt aangenomen, de straf voor niet-gewelddadige drugsdelicten wordt teruggebracht van de doodstraf naar levenslange gevangenisstraf; wijst erop dat het wetsontwerp, als het wordt aangenomen, het aantal executies in Iran sterk kan doen afnemen;

9.  onderstreept dat afschaffing van de doodstraf voor drugsdelicten het aantal executies sterk zou doen afnemen (volgens Iraanse schattingen tot 80%); verzoekt Iran en de EU samen te werken in de strijd tegen illegale drugshandel, als een manier om het probleem van de executies in het land aan te pakken, met inachtneming van de mensenrechtennormen; roept de Commissie op technische bijstand te verlenen en administratieve capaciteit op te bouwen om de rechtsstaat in Iran te versterken, onder meer door de hervorming van het rechtsstelsel te bevorderen en daarmee de verantwoordingsplicht te verbeteren en alternatieven te bieden voor gevangenisstraffen en de doodstraf; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de technische of andere bijstand die aan Iran wordt verleend, niet wordt aangewend om de mensenrechten te schenden;

Economische en handelsaangelegenheden

10.  stelt vast dat Iran heeft verklaard een jaarlijkse groei van 8% na te streven; is van mening dat Europese investeringen van essentieel belang zijn om ervoor te zorgen dat Iran deze doelstelling verwezenlijkt; onderstreept dat de Europese Unie de toegestane zakelijke activiteiten met Iran niet belemmert, en internationale ondernemingen of financiële instellingen die zaken willen doen met Iran niets in de weg zal leggen, op voorwaarde dat zij alle toepasselijke wetten naleven; benadrukt dat Iran, om zijn economische mogelijkheden ten volle te ontplooien, stappen moet ondernemen om een transparant economisch klimaat te creëren dat gunstig is voor internationale investeringen, en corruptiebestrijdingsmaatregelen moet nemen op alle niveaus, in het bijzonder wat betreft de naleving van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF), die gericht zijn op kwesties zoals het stilleggen van geldstromen richting terroristische groeperingen; verzoekt de EU de inspanningen die Iran in het kader van dit proces levert volledig te ondersteunen, in het bijzonder door de werkzaamheden te ondersteunen die erop gericht zijn om tot een bilaterale investeringsovereenkomst tussen Iran en de EU te komen;

11.  benadrukt dat handel en het herstel van de toegang tot het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel mogelijkheden zijn om het isolement van Iran te doorbreken en dat handel een belangrijk instrument zou kunnen zijn om de politieke dialoog te versterken en samenwerking tussen de landen in de regio te stimuleren, met het doel de regionale ontwikkeling, de werkgelegenheid en de stabiliteit in de gehele regio te vergroten;

12.  merkt op dat Iran, met een nominaal bbp van naar schatting 397 miljard USD in 2015, de op één na grootste economie is in het Midden-Oosten, na Saudi-Arabië; merkt voorts op dat de handel van de EU met Iran momenteel ongeveer 8 miljard USD waard is en de volgende twee jaar naar verwachting zal verviervoudigen; herinnert eraan dat de EU in het verleden een tijdlang de belangrijkste handelspartner van Iran is geweest en meent dat zij opnieuw naar die status moet streven; ondersteunt de uitbreiding van de handelsbetrekkingen van de EU met Iran en wenst dat de EU de financiële en economische samenwerking met Iran verder ontwikkelt, in het belang van betere levensomstandigheden en werkgelegenheid voor de Iraanse bevolking en ter bevordering van de regionale ontwikkeling; meent dat de uitbreiding van handel en investeringen met Iran op de lange termijn kan bijdragen tot de bevordering van vrede en stabiliteit in de gehele regio, op voorwaarde dat de EU mogelijkheden voor regionale investeringsprogramma's kan nastreven, bijvoorbeeld in verband met energie en de connectiviteit van het vervoer;

13.  is van mening dat er weliswaar veel contracten met Europese ondernemingen zijn getekend, maar dat Iran zijn verplichtingen niet kan nakomen vanwege een tekort aan liquiditeiten, waardoor het proces tot openstelling van de Iraanse markt in een vicieuze cirkel terecht is gekomen;

14.  merkt op de economie van Iran groter is dan die van alle andere landen ter wereld die geen lid zijn van de WTO; steunt de poging van Iran om toe te treden tot de WTO; merkt op dat het huidige EU-mandaat voor de onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran verouderd is; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om de handels- en investeringsbetrekkingen te versterken met als doel Iran te doen opschuiven in de richting van de WTO-voorschriften, en de Europese investeringen te beschermen; benadrukt dat een formeel onderhandelingskader de EU in staat zou stellen haar positie als de grootste geïntegreerde markt en het grootste economische blok volledig te benutten en een forum voor uitwisseling en dialoog tot stand te brengen; vraagt de EU om na te gaan of het mogelijk is om de toetredingsbesprekingen tussen Iran en de Wereldhandelsorganisatie te hervatten, aangezien toetreding tot de WTO de liberalisering van de economie van Iran verder zou bevorderen en daarmee de groei zou stimuleren, ervoor zou zorgen dat het land wordt geïntegreerd in het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel en in een mechanisme zou voorzien ter ondersteuning van de noodzakelijke economische hervormingen in het land, aan de hand waarvan Iran ter verantwoording kan worden geroepen in verband met internationale verplichtingen; wenst dat de Commissie deze onderhandelingen aangrijpt als een kans om aan te dringen op belangrijke hervormingen van het arbeidsrecht op grond van de kernverdragen van de IAO; is bezorgd over de vertraging bij de benoeming van een voorzitter van de WTO-werkgroep voor de toetreding van Iran; verzoekt de Commissie om haar invloed ten volle te doen gelden teneinde deze belemmering zo spoedig mogelijk weg te nemen en de procedure voor de toetreding van Iran tot de WTO te starten; is van mening dat Iran ter afronding van de toetredingsprocedure van de lijst van publieke verklaring van de FATF moet worden verwijderd;

15.  meent dat het gebrek aan vrijheid van meningsuiting op het internet, de systematische bewaking en monitoring van het internetverkeer en het gebrek aan digitale vrijheden belemmeringen vormen voor de handel met Iran en schendingen vormen van de rechten en vrijheden van de burgers; wijst op de mogelijkheden die open en veilig internet biedt voor de digitale economie in Iran; dringt nogmaals aan op een doeltreffende EU-regeling voor uitvoercontrole teneinde te voorkomen dat er mensenrechtenschendingen worden begaan met behulp van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik of dat deze tegen de EU worden ingezet;

16.  benadrukt eveneens hoe belangrijk het is voor Iran om, met inachtneming van de WTO-voorschriften en met het oog op de totstandbrenging van een samenhangend economisch en handelsblok, economische en handelsbetrekkingen met de regionale spelers te ontwikkelen; merkt op dat de EU haar kennis en steun kan inzetten bij de ontwikkeling en de opbouw van deze regionale dialoog;

17.  is van mening dat de opheffing van de met het nucleaire programma van Iran samenhangende economische en financiële sancties door de EU en de internationale gemeenschap, zoals neergelegd in het JCPOA, een belangrijk onderdeel vormt van het bewijs dat de EU haar toezeggingen aan Iran is nagekomen en bereid is om de economische samenwerking te versterken, met het oog op economisch voordeel voor beide partijen; merkt echter op dat de meeste economische en financiële sancties nu weliswaar opgeheven zijn, maar dat enkele sancties nog gelden en in de nucleaire overeenkomst onverlet worden gelaten; verzoekt de EU om in de EU gevestigde bedrijven ertoe te verbinden volledige inzage te geven in hun activiteiten in Iran; wenst dat er zowel nadruk wordt gelegd op de kwaliteit als op de kwantiteit van investeringen en dat er een soortgelijk initiatief wordt ontplooid als in de tijd van de opheffing van sancties in Myanmar/Birma, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of nieuwe investeringen aan de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten voldoen; merkt op dat het van essentieel belang is om de internationale richtsnoeren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen op doeltreffende wijze toe te passen, willen de hechtere handelsbetrekkingen tussen de EU en Iran een positief effect sorteren op de Iraanse maatschappij als geheel;

18.  wijst andermaal op de rechtsonzekerheid die de sancties van de VS, alsook het feit dat transacties in dollars worden uitgevoerd, met zich meebrengen voor bedrijven uit de EU die investeringen willen doen in Iran, en wijst erop dat de Iraanse bevolking hierdoor niets merkt van de verwachte economische voordelen van het JCPOA; benadrukt dat deze en andere financiële kwesties moeten worden aangepakt om de duidelijkheid en rechtszekerheid te creëren die noodzakelijk zijn om bedrijven uit de EU in staat te stellen activiteiten te ontplooien in Iran; dringt aan op een andere benadering van de handel met Iran; wenst dat de euro de munteenheid wordt voor transacties met Iran, zodat de Amerikaanse overheid geen sancties kan opleggen zoals in het verleden het geval is geweest voor bepaalde Europese banken; pleit voor een nauwe dialoog met de VS, met het oog op het waarborgen van de continuïteit van de Europese handel en investeringen in Iran;

19.  beklemtoont tegelijkertijd dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om een klimaat te creëren dat gunstig is voor de internationale investeringen die nodig zijn om Iran in staat stellen zijn economische mogelijkheden te verwezenlijken; verzoekt Iran in dit verband de transparantie van zijn financiële sector te waarborgen en corruptie en het witwassen van geld te bestrijden, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF); is ingenomen met het actieplan van de Iraanse regering inzake de aanbevelingen van de FATF en met de technische vergaderingen die op 12 juli werden gehouden door hoge ambtenaren van de EU en van Iran om in dit verband de nodige hervormingen door te voeren;

20.  is verheugd dat het JCPOA reeds tot positieve resultaten heeft geleid, zoals de toename van de handel tussen Iran en de EU met 43% gedurende het eerste halfjaar van 2016, in vergelijking met dezelfde periode in 2015, het feit dat dertig Iraanse banken zich opnieuw op Swift hebben aangesloten en het positieve effect van het JCPOA op de versterking van de trend tot verlaging van de inflatie en de rentetarieven in Iran; is verheugd dat tegenwoordig een groeiend aantal kleine Europese banken actief is in Iran, waardoor kmo's gemakkelijker toegang krijgen tot kredieten; verzoekt bij de versterking van de handelsbetrekkingen om bijzondere aandacht voor de rol van kmo's uit Europa en Iran;

21.  is verheugd dat de Iraanse regering buitenlandse investeringen wenst aan te trekken en wijst erop dat daartoe directe buitenlandse investeringen nodig zijn in alle grote economische sectoren; merkt op dat de komende tien jaar waarschijnlijk infrastructuurinvesteringen ter waarde van meer dan 1 biljoen USD nodig zullen zijn, en dat dit kansen biedt voor Europese ondernemingen, onder meer in de energie-, automobiel- en vliegtuigbouwsector; is ingenomen met de 180 handelsdelegaties die Teheran sinds de sluiting van het JCPOA hebben bezocht, waaronder delegaties van 15 EU-lidstaten, en is van mening dat dit een teken is van de toenemende belangstelling voor economische betrekkingen met Iran; wenst dat de EU en haar lidstaten nagaan in hoeverre exportgarantiekredieten kunnen worden gebruikt om de handel, projectfinanciering en investeringen in Iran te bevorderen; pleit voor de succesvolle sluiting van de overeenkomsten tussen de Iraanse overheid en Airbus en Boeing, als een aanvullende vertrouwenwekkende maatregel na de goedkeuring van het JCPOA;

Sectorale samenwerking

22.  merkt op dat Iran de op één na grootste aardgasreserves en de op drie na grootste aardoliereserves ter wereld bezit; is van mening dat samenwerking op energiegebied een belangrijke rol kan vervullen bij de diversifiëring van de energieleveranciers van de EU en bij de vermindering van de energieafhankelijkheid van de lidstaten van één enkele leverancier, waarmee wordt bijdragen aan de energiezekerheid van de EU; meent dat de opheffing van economische sancties de mogelijkheid biedt voor grote uitgaven in de olie- en gassector en in andere sectoren van de economie, die zouden profiteren van investeringen en toegang tot nieuwe technologie; vraagt Europese ondernemingen om te investeren in de Iraanse energiesector; vraagt met name steun van de EU voor de ontwikkeling van lng-technologie in Iran; is van mening dat investeringen in Iran volledig in overeenstemming moeten zijn met de langetermijnverbintenissen van de EU op het gebied van decarbonisatie;

23.  merkt op dat aardgas momenteel in meer dan de helft van de energiebehoefte van Iraanse huishoudens voorziet; wijst erop dat Iran, een land met gemiddeld 300 dagen zon per jaar en een geschatte productiecapaciteit van dertienmaal het totale nationale energieverbruik, veel mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van hernieuwbare energie in Iran te ondersteunen, aangezien deze bijdraagt tot de diversifiëring van de energiemix van het land;

24.  wenst dat Iran zich aansluit bij het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en dat de samenwerking op energiegebied tussen de EU en Iran constant blijft berusten op de doelstelling om de inwoners van Iran en de EU meer sociale, economische en milieuvoordelen te bieden;

25.  benadrukt dat Iran het hoofd moet bieden aan vele milieu-uitdagingen, waaronder waterschaarste en bodemdegradatie, en dat de EU niet alleen alle mogelijkheden op het gebied van handelssamenwerking moet benutten maar ook met Iran moet samenwerken om milieubescherming en ecologisch duurzame ontwikkeling te bevorderen; dringt aan op samenwerking op milieugebied wat betreft waterbeheer, met inbegrip van steun aan Iran om het Urmiameer te redden, afvalbeheer, seismologisch onderzoek en de strijd tegen woestijnvorming en luchtvervuiling; uit in dit verband zijn specifieke bezorgdheid over de vervuiling van de Kaspische Zee, en dringt erop aan dat de EU en de lidstaten de Iraanse regering actief ondersteunen bij haar inspanningen om deze ernstige aantasting een halt toe te roepen; is verheugd dat Iraanse milieu-ngo's partnerschappen zijn aangegaan met andere ngo's in de regio; is ingenomen met hun deelname aan de IUCN en de Ramsarconventie; wenst dat de Commissie Iraanse ngo's bijstaat bij de ontwikkeling van participerende beheersprojecten;

26.  is van mening dat een regionale dialoog inzake samenwerking en milieukwesties tussen Iran en zijn buurlanden onmisbaar is voor het aanpakken van uitdagingen als luchtvervuiling, waterschaarste en woestijnvorming; benadrukt dat de EU dergelijke regionale samenwerking moet faciliteren als een belangrijke vertrouwenwekkende maatregel en dat zij voort moet bouwen op de bereidheid van regionale actoren om profijt te trekken van Europese deskundigheid op dit gebied;

27.  neemt kennis van studies op basis waarvan is geconcludeerd dat nucleaire energie niet concurrerend is in Iran vanwege de kleine uraniumvoorraden en de kosten voor de winning ervan; vraagt de Commissie niettemin de mogelijkheid van civiele nucleaire samenwerking met Iran te onderzoeken, zoals in het JCPOA is vastgelegd, en Iran aan te sporen het Verdrag inzake nucleaire veiligheid te ondertekenen; is ingenomen met het voorstel van een aantal Iraanse hoge ambtenaren om een regionale dialoog tot stand te brengen over de veiligheid en beveiliging van civiele nucleaire programma's;

28.  wijst op de samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van luchtvaartveiligheid, het verlenen van technische bijstand en toegang tot de componenten die noodzakelijk zijn voor Iraanse bedrijven om te worden verwijderd van de Europese zwarte lijst;

29.  stelt vast dat Iran 3 miljoen Afghaanse burgers opvangt, van wie er slechts 950 000 de formele wettelijke status van vluchteling hebben gekregen, en dat Iran zich met deze aantallen onder de landen schaart die de meeste vluchtelingen opvangen; is ingenomen met de extra EU-financiering ten belope van 6,5 miljoen EUR, die bedoeld is om Iran te ondersteunen bij het verzorgen van onderwijs en het verlenen van gezondheidszorg aan de Afghaanse populatie in het land; onderstreept het belang van concrete maatregelen om de mensenrechten van Afghaanse migranten en Afghaanse vluchtelingen in Iran veilig te stellen, met inbegrip van hun recht op een eerlijke rechtsbedeling en gelijkheid voor de wet; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van vluchtelingenbeheer kan bijdragen tot de bevordering van wederzijds begrip, tot meer respect voor het internationaal recht en de mensenrechten van de asielzoekers en vluchtelingen en tot de oplossing van conflicten, waarmee de oorzaken van huidige en toekomstige vluchtelingenstromen kunnen worden aangepakt; is van mening dat samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van vluchtelingenbeheer het welzijn van de vluchtelingen in Iran zou verbeteren en mensenhandel zou helpen voorkomen; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en Iran ook een alomvattende dialoog over migratie moet omvatten, met name over de aanpak van het beleid en de wetgeving en over de prioriteiten in verband met reguliere en irreguliere migratie, asielzoekers en vluchtelingen, zowel op nationaal als op regionaal niveau;

30.  wijst erop dat naar schatting meer dan 60% van de Iraanse bevolking jonger is dan 30 jaar en erkent dat de jonge, geschoolde en technisch vaardige Iraanse bevolking en de bruisende dynamiek van de Iraanse samenleving goede mogelijkheden kunnen bieden om de interpersoonlijke contacten met de EU te bevorderen, op basis van de beginselen van wederkerigheid en wederzijds respect; is van mening dat uitwisselingsprogramma's voor jongeren tot de meest succesvolle activiteiten behoren om maatschappijen en culturen dichter bij elkaar te brengen; is daarom ingenomen met de toename van het aantal studenten uit Iran dat in het kader van het Erasmus Mundus-programma aan Europese universiteiten studeert, en wijst erop dat daarmee misvattingen en stereotypen kunnen worden bestreden; dringt erop aan de samenwerking op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie te versterken door meer uitwisselingen van studenten en onderzoekers te organiseren, onder meer op het vlak van milieu, hernieuwbare energie, justitie, mensenrechten en goed bestuur en met inbegrip van samenwerking tussen universiteiten; verzoekt de Commissie meer financiële middelen beschikbaar te stellen voor Erasmus Mundus-studenten uit Iran; is ingenomen met de workshops die onlangs plaatsvonden aan de universiteit van Teheran met als doel om Iraanse universiteiten te wijzen op de mogelijke voordelen van deelname aan Horizon 2020; vraagt de Iraanse regering een nationale coördinator voor Horizon 2020 aan te stellen om technische bijstand te verlenen en advies te geven aan Iraanse universiteiten die zich kandidaat stellen voor Horizon 2020-projecten; vraagt de Commissie om na te gaan of het Iraanse academici en onderzoekers gemakkelijker kan worden gemaakt om onderwijs en opleidingen te volgen aan Europese universiteiten; wenst dat er een EU-programma wordt opgezet in het kader waarvan onderzoekers en studenten uit Iran, GCC-landen en Europa worden samengebracht om ervaringen met de regionale integratie in Europa te analyseren, evenals de lering die eruit kan worden getrokken;

31.  uit zijn diepe bezorgdheid over de arrestatie van mensen met de dubbele EU-Iraanse nationaliteit bij hun binnenkomst in Iran; beklemtoont dat deze arrestaties de mogelijkheden voor interpersoonlijke contacten belemmeren; wenst dat de Iraanse autoriteiten ervoor zorgen dat personen die tot de Iraanse diaspora behoren veilig naar hun geboorteland kunnen reizen;

Regionale veiligheid

32.  wijst op de grote invloed die de diverse Iraanse volkeren en culturen duizenden jaren lang hebben uitgeoefend, ook in Europa; merkt op dat Iran, vanwege zijn geostrategische ligging, inwonertal, economie, olie- en aardgasreserves en invloed in de regio, een belangrijke speler is in het Midden-Oosten en de Golfregio; benadrukt dat de Iraanse strategische belangen het meest gebaat zijn bij herstelde regionale stabiliteit, en dat het nastreven van die belangen niet ten koste gaat en mag gaan van andere belangrijke spelers in de regio;

33.  is van mening dat de nucleaire overeenkomst de mogelijkheid biedt om samen toe te werken naar een oplossing voor de veiligheidscrisis in de regio; is van oordeel dat Iran een stabiliserende rol kan en moet spelen in de regio; meent dat normalisering van de betrekkingen met Iran de hele regio ten goede kan komen; meent dat zijn status als belangrijke speler in de regio Iran ertoe zou moeten brengen een stabiliserende rol op zich te nemen in de regio; wijst erop dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) die op 18 november 2015 werd voorgesteld, plannen omvat om, met het oog op bredere samenwerkingskaders, derde partnerlanden in het nabuurschap van de EU erbij te betrekken; dringt daarom aan op de invoering van thematische kaders om samenwerking tussen de Unie, de zuidelijke partnerlanden in het nabuurschap en belangrijke regionale spelers, zoals Iran, voor te stellen en deze af te stemmen op regionale uitdagingen zoals veiligheid, energie en het beheer van vluchtelingenstromen;

34.  wenst dat alle landen in de regio, met name Saudi-Arabië en Iran, zich zowel onthouden van vijandige retoriek die conflicten aanwakkert, als van steun aan en activiteiten met betrekking tot vijandige gewapende groeperingen in de regio, met inbegrip van de militaire vleugel van Hezbollah en Al Nusra; maakt zich zorgen over de toenemende militarisering in de omliggende regio, ondersteunt inspanningen ter bevordering van de wapenbeheersing, non-proliferatie en terrorismebestrijding, en erkent tegelijkertijd de gegronde zorgen op defensiegebied, weliswaar in het kader van pogingen om tot volledige eerbiediging van de soevereiniteit van alle landen in deze regio te komen; maakt zich zorgen over de proeven met ballistische raketten die Iran herhaaldelijk uitvoert en die, hoewel ze geen schending vormen van het JCPOA, niet stroken met de strekking van resolutie 2231(2015) van de VN-Veiligheidsraad;

35.  is van mening dat de politieke dialoog tussen de EU en Iran zowel het land zelf als andere belangrijke spelers in de regio ertoe moet aanzetten een opbouwende rol te spelen bij het oplossen van de politieke crises in Irak, Jemen, Syrië, Libanon en Afghanistan, met inachtneming van het internationaal recht en de soevereiniteit van deze landen; verzoekt om een model voor EU-diplomatie dat op politieke prioriteiten berust in plaats van op religieuze identiteiten, dat stoelt op het beginsel om alle bevolkingsgroepen in de landen van het Midden-Oosten, met inbegrip van Israël en de Palestijnse bevolking, te verzekeren van respect, veiligheid en beveiliging, en dat erop gericht is om de stabiliteit en de harmonie in het Midden-Oosten te bevorderen; meent dat de samenwerking tussen de EU en Iran op het gebied van de bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme in de regio een belangrijk onderdeel vormt van de politieke dialoog;

36.  is van mening dat er geen oplossing kan worden gevonden voor conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Golfregio, als er overleg wordt gevoerd zonder dat alle partijen daarbij aanwezig zijn; juicht het daarom toe dat Iran, door deel uit te maken van de Internationale Steungroep voor Syrië, betrokken is bij de Syrische vredesonderhandelingen; betreurt echter dat de Iraanse betrokkenheid tot dusver geen wezenlijke verbetering van de situatie heeft opgeleverd en wenst dat het land ten minste bijdraagt tot de verdere facilitering van de humanitaire hulpverlening, zodat de burgerbevolking beter kan worden beschermd tegen aanslagen, en daarnaast voortdurend blijft zoeken naar een langetermijnoplossing voor het conflict; merkt in dit verband op dat het voortbestaan van het Assad-regime in Syrië steeds afhankelijker is geworden van Iran en roept de Iraanse autoriteiten derhalve op hun invloed aan te wenden om het conflict in Syrië tot een vreedzaam einde te brengen;

37.  is verheugd dat Iran zich bereid heeft verklaard de huidige inspanningen om de stabiliteit in Irak te doen terugkeren, te ondersteunen, spoort het land aan een betekenisvolle rol te spelen om het sektarische geweld te beëindigen, en dringt aan op meer inspanningen om alle milities die in het land actief zijn onder het gezag van het Iraakse leger te brengen en zodoende rekening te houden met alle belangen; benadrukt dat de EU en Iran geconfronteerd worden met gezamenlijke vijanden in de vorm van IS/Da'esh, Al Qaida, Al Nusra en soortgelijke, door de VNVR als terroristische organisaties aangemerkte groeperingen, die worden geïnspireerd door een extremistische opvatting van de islam; is ingenomen met de bijdrage die Iran levert aan de strijd tegen IS/Da'esh, waaronder zijn vroegtijdige steun aan de Koerdische regionale regering in Erbil, en erkent de doorslaggevende bijdrage van het land in Irak, waardoor de opmars van IS/Da'esh een halt werd toegeroepen en grondgebied dat onderworpen was aan jihadistisch terrorisme kon worden herwonnen; maakt zich echter zorgen over herhaaldelijke berichten met betrekking tot de vrijlating van kopstukken van Al Qaida; wijst op de overeenkomst tussen Iran en Australië om inlichtingen uit te wisselen in het kader van de strijd tegen IS/Da'esh;

38.  is van mening dat regionale rivaliteiten een onderliggende factor zijn in conflicten in verschillende landen in de regio; maakt zich grote zorgen over de toename van het sektarische geweld in de regio en benadrukt de noodzaak van een duurzame en uitgebreide diplomatieke betrokkenheid van de EU om de onderliggende dynamiek van het conflict aan te pakken door middel van steun op de lange termijn en met het oog op etnisch-sektarische verzoening; neemt met bezorgdheid kennis van de steeds feller wordende strijd tussen Iran en Saudi-Arabië om politieke en religieuze invloed, en waarschuwt voor de gevolgen voor de conflictoplossing en veiligheid in het Midden-Oosten en daarbuiten; is bovendien van mening dat constructieve samenwerking en een beleid van toenadering tussen Iran en Saudi-Arabië van essentieel belang zijn voor het wegnemen van regionale spanningen, en daarnaast oplossingen kunnen helpen vinden om de gewapende conflicten in Irak, Syrië en Jemen te beëindigen en zodoende de daaruit voortvloeiende migratiestromen aan te pakken, evenals de onderliggende oorzaken van terrorisme en extremisme die een bedreiging vormen voor de regio, de Europese Unie en daarbuiten; wenst dat de EU actieve diplomatieke inspanningen levert om tot een de-escalatie van de spanningen tussen Teheran en Riyad te komen, met inbegrip van het opbouwen van vertrouwen, burgerdiplomatie en maatregelen voor de-escalatie die, als een eerste stap in de richting van de normalisering van de betrekkingen, op het hervatten van de diplomatieke betrekkingen met Saudi-Arabië zijn gericht; vraagt de EU samen met de VS en Rusland daarnaartoe te werken en in het bijzonder de ontwikkeling van een nieuwe regionale veiligheidsinfrastructuur te ondersteunen, een structuur waarbij rekening wordt gehouden met de dreiging die door Iran en Saudi-Arabië wordt ervaren en met de gegronde zorgen op veiligheidsgebied, en die voorziet in veiligheidsgaranties voor Iran en de landen van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten; benadrukt dat samenwerking op het gebied van de maritieme beveiliging van de Perzische Golf, met inbegrip van de ondertekening van een handvest voor vrijheid van scheepvaart, een eerste vertrouwenwekkende maatregel kan zijn om regionaal vertrouwen en regionale samenwerking op te bouwen;

39.  veroordeelt met klem de herhaalde oproepen van het Iraanse regime tot de vernietiging van Israël, evenals zijn beleid van ontkenning van de Holocaust;

Sociaal-economische aangelegenheden, de rechtsstaat, democratie en mensenrechten

40.  is van mening dat de revolutionaire erfenis van Iran, de grondwet van het land als een islamitische staat en de grote verschillen tussen Iran en de EU wat betreft hun politiek-institutionele stelsels, geen beletsel moeten zijn om punten van overeenkomst te vinden voor kwesties die verband houden met democratie, de rechtsstaat of de mensenrechten; wenst dat de Islamitische Republiek Iran meer ruimte geeft voor politiek pluralisme; benadrukt dat de Majlis voor Europa is en een voorstander is van hervormingen, en is van mening dat de uitkomsten van de parlementsverkiezingen en de Vergadering van Deskundigen van februari 2016 niet alleen een kans bieden voor verdere toenadering tot de Europese Unie en haar lidstaten, hetgeen tot constructieve betrekkingen moet leiden, maar ook de mogelijkheid bieden voor interne economische, politieke en sociale hervormingen; roept de Iraanse autoriteiten op tot het volledig toestaan van vrije en eerlijke verkiezingen, overeenkomstig internationale normen;

41.  merkt op dat Iran opener is geworden, aangezien het hulp nodig heeft om aan de behoeften van zijn burgers te voldoen en om jongeren en hoger opgeleiden in het land te houden, hetgeen belangrijk is voor de stabiliteit in het land;

42.  merkt bezorgd op dat het aantal uitgevoerde doodstraffen per hoofd van de bevolking in Iran hoger ligt dan waar ook ter wereld; stelt vast dat afschaffing van de doodstraf voor drugsdelicten het aantal executies sterk zou doen afnemen; juicht het in dit verband toe dat de nieuw verkozen Majlis mogelijk de invoering overweegt van wetgeving om bepaalde drugsdelicten te verwijderen van de lijst van misdaden waar de doodstraf op staat;

43.  merkt op dat de aanneming van het islamitische wetboek van strafrecht van 2013 rechters een ruimere discretionaire bevoegdheid geeft en dat de ratificering door Iran van het Verdrag inzake de rechten van het kind ervoor heeft gezorgd dat de terechtstelling van kinderen is verboden en dat jeugdige delinquenten die vóór 2013 tot de doodstraf zijn veroordeeld, recht hebben op een nieuw proces; wenst dat Iran ervoor zorgt dat dit verbod volledig ten uitvoer wordt gelegd en dat alle delinquenten voor wie dit recht geldt, ervan in kennis worden gesteld; roept Iran op een moratorium op de doodstraf in te stellen;

44.  dringt er voorts bij Iran op aan volledige medewerking te verlenen aan alle mensenrechtenmechanismen van de VN en toe te werken naar de toepassing van de in dat verband gedane aanbevelingen, waaronder de universele periodieke doorlichting, door internationale mensenrechtenorganisaties in staat te stellen hun missies uit te voeren; meent dat deze ontwikkeling zal bijdragen tot een sterkere profilering van Iran in de Europese publieke opinie; benadrukt dat de Iraanse regering door middel van dialogen haar betrokkenheid bij speciale VN-procedures heeft vergroot; dringt er bij de regering van Iran op aan de wezenlijke punten van zorg die worden benoemd in de verslagen van de speciale VN-rapporteur en de secretaris-generaal van de VN over de mensenrechtensituatie in Iran aan te pakken, alsmede gehoor te geven aan de specifieke oproepen tot actie die zijn opgenomen in resoluties van de Algemene Vergadering van de VN;

45.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan een omgeving te helpen creëren waarin maatschappelijke organisaties op een correcte en onafhankelijke wijze kunnen opereren; onderstreept in het kader van de betrekkingen tussen de EU en Iran het belang van het naleven van de richtsnoeren inzake mensenrechten van de EU, waaronder de richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers;

46.  verzoekt Iran zijn verbintenissen uit hoofde van de Grondwet van de Islamitische Republiek Iran, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten te eerbiedigen, te beschermen en na te leven, door het recht op vrijheid van meningsuiting (zowel online als offline), vrijheid van mening, vereniging en vreedzame vergadering, en vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat zijn onderdanen zowel wettelijk als in de praktijk, zoals vastgelegd in deze instrumenten, individuele, sociale en politieke rechten genieten zonder daarbij te worden gediscrimineerd op grond van geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, etnische of maatschappelijk afkomst of andere status; wijst erop dat hier het grondrecht op gelijkheid voor de wet onder valt, evenals het recht op gelijke toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en beroepsmogelijkheden;

47.  is verheugd over de hervormingen die in het kader van het nieuwe wetboek van strafvordering zijn doorgevoerd, maar vindt het uiterst zorgwekkend dat de internationale beschermingsmaatregelen voor een eerlijk proces niet volledig door het wetboek worden gewaarborgd; verzoekt Iran om een herziening van het wetboek van strafvordering uit 2014, teneinde ervoor te zorgen dat er garanties op een eerlijk proces in worden opgenomen; dringt er bij Iran op aan de wetgeving te hervormen en te wijzigen, teneinde ervoor te zorgen dat verklaringen die als gevolg van marteling, mishandeling of andere vormen van dwang zijn verkregen worden uitgesloten van bewijskracht in strafzaken en dat alle beschuldigingen van marteling en andere mishandeling die aan de autoriteiten worden gemeld, automatisch worden onderzocht;

48.  roept op tot de vrijlating van alle politieke gevangenen; roept Iran op tot vrijlating van alle EU-burgers die worden vastgehouden of zijn veroordeeld na een rechtszaak die niet aan de internationale normen voldeed, waaronder: de 58-jarige Nazak Afshar, die sinds maart 2016 vastzit, de 76-jarige Kamal Foroughi, die sinds mei 2011 vastzit, de 65-jarige Homa Hoodfar, die sinds juni 2016 vastzit en de 37-jarige Nazanin Zaghari-Ratcliffe die sinds april 2016 vastzit;

49.  erkent dat Iran een grote verscheidenheid aan geloven en overtuigingen kent; merkt op dat enkele religieuze minderheden en hun fundamentele religieuze vrijheden formeel worden beschermd door de Grondwet van de Islamitische Republiek Iran; maakt zich niettemin zorgen over de toename van de aantallen gevangenen die tot een religieuze minderheid behoren en vastzitten vanwege hun geloofsovertuigingen; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan te waarborgen dat de rechten van religieuze en etnische minderheden volledig worden geëerbiedigd en wettelijk worden beschermd, en dat de vrijheid van godsdienst wordt uitgebreid;

50.  neemt nota van de vooruitgang die Iraanse vrouwen hebben geboekt op het gebied van onderwijs, wetenschap en onderzoek, hetgeen blijkt uit het feit dat de meerderheid van de studenten op Iraanse universiteiten vrouw is; spoort de EU en haar lidstaten aan kwesties die verband houden met gendergelijkheid ter sprake te blijven brengen tijdens alle bilaterale contacten met de Iraanse autoriteiten; wenst dat er volledige gendergelijkheid tot stand wordt gebracht door middel van maatregelen om de bestaande wettelijke en praktische discriminatie van vrouwen uit te bannen en te zorgen voor gelijkwaardige deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en alle aspecten van het economische, culturele, sociale en politieke leven; is ingenomen met de pogingen een wetsontwerp op te stellen over de bescherming van vrouwen tegen geweld en hoopt dat het nieuw verkozen parlement wetgeving overweegt welke alle geweld tegen vrouwen strafbaar stelt, met inbegrip van huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk;

51.  is ingenomen met de campagnebelofte van president Rohani om een handvest voor de rechten van de burger te presenteren en met zijn verklaringen ter bevordering van de rechten van etnische minderheden; is van mening dat het handvest moet voortbouwen op en volledig moet voldoen aan de internationale mensenrechtenverplichtingen van Iran; benadrukt dat, bovenal in het belang van de Iraanse bevolking zelf, de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moeten worden geëerbiedigd wanneer wordt voorzien in de rechtszekerheid die nodig is om buitenlandse directe investeringen mogelijk te maken; wenst dat de rechterlijke macht het recht op een eerlijk proces en op een eerlijke rechtsbedeling in acht neemt en verdachten toestaat een advocaat in te schakelen; roept de EDEO en de Commissie op samen te werken met de Iraanse autoriteiten als het gaat om justitiële hervormingen en de hervorming van het gevangeniswezen, met inbegrip van de gevangenisomstandigheden, de verantwoordingsplicht van de regering, de eerbiediging van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting, de universele mensenrechten, fundamentele vrijheden van burgers en corruptiebestrijding;

o
o   o

52.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Iran, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EDEO.

(1) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 163.
(2) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 102.
(3) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 157.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0339.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.


De bestrijding van corruptie en opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)
PDF 235kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM) (2015/2110(INI))
P8_TA(2016)0403A8-0284/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 67 en de artikelen 82 t/m 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 5, 6, 8, 17, 32, 38 en 41, de artikelen 47 t/m 50 en artikel 52,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 16 juni 2015 over de vernieuwde interneveiligheidsstrategie van de EU 2015-2020,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 juni 2015 op het gebied van veiligheid,

–  gezien de relevante verdragen van de Verenigde Naties, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van corruptie (UNCAC),

–  gezien het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa, die respectievelijk op 27 januari en 4 november 1999 ter ondertekening zijn opengesteld te Straatsburg, en de resoluties (98) 7 en (99) 5 tot oprichting van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO), die het Comité van ministers van de Raad van Europa respectievelijk op 5 mei 1998 en 1 mei 1999 heeft aangenomen,

–  gezien de aanbeveling CM/Rec (2014) 7 over de bescherming van informanten, die het Comité van ministers van de Raad van Europa op 30 april 2014 heeft aangenomen,

–  gezien het Verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties, dat ter ondertekening is opengesteld te Parijs op 17 december 1997, de aanbevelingen daarbij en de laatste monitoringsverslagen per land,

–  gezien Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en tot intrekking van Kaderbesluit 2005/222/JBZ(1),

–  gezien Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie(2),

–  gezien Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken(3),

–  gezien Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie(5),

–  gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht(6),

–  gezien Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing, en tot intrekking van Besluit 2007/125/JBZ van de Raad(8),

–  gezien Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (CEPOL) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad(9),

–  gezien Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen(11),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(12),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(13),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn(14),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14 (Taricco e.a.)(15), waarin het Hof stelt dat het begrip "fraude" als gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ook btw-ontvangsten omvat,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie(16),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding (COM(2015)0625),

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(17),

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "EU-corruptiebestrijdingsverslag", van 3 februari 2014 (COM(2014)0038),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld "De Europese veiligheidsagenda" van 28 april 2015 (COM(2015)0185),

–  gezien het SOCTA-rapport van Europol (dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit) van maart 2013, en het IOCTA-rapport (dreigingsevaluatie van de georganiseerde internetcriminaliteit) van 30 september 2015,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda(18),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(19),

–  gezien de studies van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement over de kosten van non-beleid van de EU op het gebied van georganiseerde misdaad en corruptie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie begrotingscontrole (A8-0284/2016),

A.  overwegende dat de georganiseerde misdaad een wereldwijde dreiging vormt en als zodanig een gezamenlijk en gecoördineerd optreden van de EU en haar lidstaten vereist;

B.  overwegende dat het tot op heden ontbreekt aan een volledig beeld van de complexiteit van criminele organisaties en van het daaruit voortvloeiende gevaar van infiltraties van criminele organisaties in het sociale, economische, politieke, institutionele en bedrijfsleven van de lidstaten;

C.  overwegende dat georganiseerde criminele groepen hebben laten zien dat zij geneigd zijn hun activiteiten te diversifiëren en daar zeer bedreven in zijn, door zich aan te passen aan verschillende geografische, economische en sociale contexten en daarbij gebruik te maken van zwaktes en kwetsbaarheden, waarbij zij tegelijkertijd actief zijn op meerdere markten en profiteren van de verschillende bepalingen van de rechtsstelsels van de afzonderlijke lidstaten om hun activiteiten tot bloei te brengen en maximale winst te boeken;

D.  overwegende dat de criminele organisaties hun werkwijze hebben aangepast en een beroep doen op de steun van professionals, bankinstellingen, ambtenaren en politici die, zonder tot de criminele organisatie te behoren, de activiteiten ervan op diverse niveaus ondersteunen;

E.  overwegende dat criminele organisaties blijk hebben gegeven van een groot aanpassingsvermogen, ook door de voordelen van de nieuwe technologieën in hun voordeel te gebruiken;

F.  overwegende dat de gevaarlijke aard van de intimiderende macht die uitgaat van enkel het behoren tot een criminele organisatie geen prioriteit is in vergelijking met de bestrijding van de zogeheten doelmisdaden (de misdaden waarvoor een criminele organisatie is opgericht) en dat hierdoor op Europees niveau een leemte in de wetgeving en op operationeel vlak is ontstaan die de grensoverschrijdende activiteiten van georganiseerde criminele groepen in de hand werkt;

G.  overwegende dat de georganiseerde misdaad, naast de overduidelijke gevaren die de geweldsuitingen van criminele organisaties met zich meebrengen voor het openbaar beleid en de openbare veiligheid, even ernstige problemen veroorzaakt doordat deze doordringt in de legale economie en door de bijbehorende corruptie van ambtenaren, hetgeen leidt tot infiltratie in openbare instellingen en het openbaar bestuur;

H.  overwegende dat de illegale opbrengsten van de door criminele organisaties begane misdaden op grote schaal worden witgewassen en in de legale Europese economie terechtkomen; overwegende dat dit kapitaal, zodra het wordt geherinvesteerd in de legale economie, wegens de zeer ontwrichtende effecten ervan een ernstige bedreiging vormt voor de vrijheid om economische activiteiten te ontplooien en de vrije mededinging;

I.  overwegende dat criminele groepen toetreden tot de politiek en het bestuur om toegang te krijgen tot de financiële middelen van de overheid en om de activiteiten van de overheid te beïnvloeden met medeweten van politici, ambtenaren en het bedrijfsleven; overwegende dat de beïnvloeding van politiek en bestuur met name voorkomt op het gebied van aanbestedingen en de uitvoering van publieke werken, de overheidsfinanciering, de verwijdering van schroot en afval, en contracten gericht op de aankoop van allerlei goederen en het beheer van diensten;

J.  herinnert eraan dat de georganiseerde misdaad winst als primair doel heeft; wijst erop dat de rechtshandhaving daarom de nadruk moet kunnen leggen op de financiering ervan, die vaak intrinsiek samenhangt met corruptie, fraude, namaak en smokkel;

K.  overwegende dat klokkenluiders een centrale rol spelen in de strijd tegen corruptie, aangezien zij gevallen van fraude aan het licht kunnen brengen die anders geheim zouden worden gehouden; overwegende dat klokkenluiden als een van de meest doeltreffende manieren wordt beschouwd om wangedrag te voorkomen of te stoppen, of het aan het licht te brengen als het al heeft plaatsgevonden;

L.  overwegende dat de Europese wetgeving nooit zo mag worden uitgelegd dat zij de activiteiten van klokkenluiders zou beperken;

M.  overwegende dat georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld ernstige bedreigingen vormen voor de economie van de EU, doordat deze fenomenen de belastingontvangsten van de lidstaten en de EU in haar geheel aanzienlijk doen dalen, en voor de controleerbaarheid van openbare door de EU gefinancierde projecten, omdat criminele organisaties activiteiten ontplooien in diverse sectoren, waarvan er vele onder toezicht van de overheid staan;

N.  overwegende dat in 2014 melding werd gemaakt van 1 649 frauduleuze onregelmatigheden met gevolgen voor de Europese begroting voor een bedrag van 538,2 miljoen EUR, zowel qua uitgaven als qua ontvangsten, maar dat er geen officiële gegevens bestaan over het percentage van deze fraude dat aan de georganiseerde misdaad kan worden toegeschreven;

Inleiding

1.  herhaalt de standpunten en aanbevelingen die tot uitdrukking zijn gebracht in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen; herhaalt in het bijzonder zijn verzoek om de aanneming van een Europees actieplan tegen georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen, dat om resultaten te kunnen afwerpen over toereikende financiële middelen en gekwalificeerd personeel moet beschikken;

2.  is ingenomen met het 18-maandenprogramma van de Raad van de Europese Unie voor het Nederlandse, Slowaakse en Maltese voorzitterschap, waarin een alomvattende en geïntegreerde benadering van georganiseerde misdaad hoog op de agenda staat; wijst erop dat de bestrijding van fraude, corruptie en witwaspraktijken een prioriteit moet zijn van het beleid van de EU-instellingen en dat de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten daartoe cruciaal is;

3.  wenst zijn aandacht te vestigen op specifieke gebieden waaraan in de huidige omstandigheden prioriteit moet worden verleend;

Zorgen voor de correcte omzetting van de bestaande regels, toezicht op de toepassing en beoordeling van de doeltreffendheid ervan

4.  herinnert eraan dat in het kader van de bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen de lidstaten de bestaande EU- en internationale instrumenten moeten omzetten en toepassen;

5.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de beoordeling van de maatregelen ter omzetting van deze instrumenten af te ronden, het Parlement volledig op te hoogte te brengen van de uitkomst hiervan en indien noodzakelijk inbreukprocedures te starten; verzoekt de Commissie met name te komen met een beoordelingsverslag van de omzetting van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit en van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht;

6.  roept de lidstaten op de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken correct om te zetten, aangezien dit instrument een sleutelrol speelt bij het versterken van de politiële en justitiële samenwerking in de EU;

7.  spoort de lidstaten ertoe aan om de vierde antiwitwasrichtlijn onverwijld om te zetten;

8.  beveelt aan dat de EU vast lid van de GRECO wordt; wenst dat de EU deelneemt aan het Open Government Partnership, aan haar rapportageverplichtingen voldoet uit hoofde van het VN-Verdrag tegen corruptie, waarbij zij partij is, en steun geeft aan de technische bijstand van het VN-Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) op grond van bovengenoemd VN-Verdrag; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk een voortgangsverslag over de voorbereidingen van het EU-lidmaatschap van de GRECO bij het Parlement in te dienen, met inbegrip van een studie naar de juridische uitdagingen en mogelijke oplossingen op dit gebied;

9.  betreurt dat de Commissie haar tweede corruptiebestrijdingsverslag, dat begin 2016 had moeten worden uitgebracht, nog niet heeft gepubliceerd; verzoekt de Commissie dit verslag zo spoedig mogelijk in te dienen: herhaalt dat corruptiebestrijdingsverslagen niet beperkt moeten blijven tot de situatie in de lidstaten, maar ook een hoofdstuk over de instellingen van de Europese Unie moeten bevatten; verzoekt de Commissie dan ook om een passende manier te vinden om toe te zien op corruptie in de EU-instellingen, ‑organen en -agentschappen;

10.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om de verschillende toezichtmechanismen op Unieniveau, waaronder het mechanisme voor samenwerking en toetsing, het corruptiebestrijdingsverslag van de EU en het EU-scorebord van Justitie, te combineren in een breder kader voor toezicht op de rechtsstaat, dat zou kunnen worden toegepast op alle lidstaten en de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie; is in dit verband van mening dat de EU-instellingen het goede voorbeeld moeten geven door de hoogste transparantienormen te bevorderen en afschrikwekkende en effectieve sancties aan overtreders op te leggen; roept de Commissie op lobbying te reguleren en sancties voor belangenconflicten op te leggen;

11.  herinnert aan de noodzaak van een pluridisciplinaire aanpak om georganiseerde misdaad effectief te kunnen voorkomen en bestrijden; wijst in dat verband op de rol van het netwerk inzake misdaadpreventie van de Europese Unie en op de noodzaak van financiële ondersteuning voor dat netwerk;

12.  beveelt aan dat de Commissie een studie verricht naar de meest geavanceerde nationale wetgevingsmaatregelen inzake de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie, om doeltreffende en geavanceerde Europese wetgeving te ontwikkelen; vraagt de Europese Commissie een studie te verrichten naar de onderzoekspraktijken van de lidstaten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waarbij de aandacht voornamelijk dient uit te gaan naar het gebruik van instrumenten als het aftappen van telefoongesprekken, afluisteren door middel van plaatsing van afluisterapparatuur, doorzoekingen, verlengde inverzekeringstelling, verlengde inbeslagneming, undercoveroperaties en gecontroleerde en gesurveilleerde leveringen;

13.  roept de lidstaten op zich sterker in te zetten voor een cultuur van legaliteit, in het bijzonder aangezien het opvoeden van nieuwe generaties EU-burgers de belangrijkste en meest doeltreffende vorm van preventie is, met name door specifieke acties op scholen te bevorderen;

Prioriteiten en operatieve structuren voor de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie

14.  is van mening dat bij de huidige EU-beleidscyclus ter bestrijding van georganiseerde misdaad, de nadruk moet worden gelegd op de bestrijding van misdaden vanwege het behoren tot een criminele organisatie en niet uitsluitend van zogeheten doelmisdaden (misdaden waarvoor dergelijke organisaties zijn opgericht); acht het met name noodzakelijk om het behoren tot een criminele organisatie afzonderlijk van het plegen van doelmisdaden strafbaar te stellen; herhaalt dat de bestrijding van witwassen, corruptie en mensenhandel tot een van de prioriteiten van deze beleidscyclus moet worden gemaakt in het kader van een daadwerkelijk Europese corruptiebestrijdingsstrategie;

15.  wenst dat prioriteiten worden gesteld die verenigbaar zijn met het EU-beleid ter voorkoming van criminaliteit en met het economisch, sociaal, werkgelegenheids- en onderwijsbeleid van de EU, en dat het Parlement hierbij volledig wordt betrokken;

16.  verzoekt om de oprichting van een speciale afdeling bij Europol voor de bestrijding van georganiseerde criminele groepen die gelijktijdig op verschillende gebieden actief zijn; is van mening dat de lidstaten binnen het huidige institutionele kader veilige en doeltreffende mechanismen moeten opzetten om ervoor te zorgen dat onderzoek naar georganiseerde misdaad naar behoren wordt gecoördineerd en dat het wederzijdse vertrouwen tussen rechtshandhavingsinstanties in de lidstaten wordt gevoed;

Een sterker wetgevingskader

17.  verzoekt de Commissie om op basis van de evaluatie van de omzetting en toepassing van de huidige regels te komen met wetgevingsmaatregelen om eventuele leemten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie op te vullen en de grensoverschrijdende justitiële samenwerking te verbeteren; verzoekt de Commissie in het bijzonder:

   a) de bestaande wetgeving te herzien om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in te voeren en de gemeenschappelijke definities van misdrijven nader te specificeren, waaronder die van “deelname aan een criminele organisatie of vereniging”, mogelijk als een gestructureerde groep die een bepaalde tijd bestaat en is samengesteld uit twee of meer personen die samenwerken met als doel direct of indirect enige vorm van financieel en/of materieel voordeel te behalen, en die de maatschappelijke en economische samenhang van de EU en haar lidstaten ernstig ondermijnt;
   b) een herzien wetgevingsvoorstel in te dienen ter bestrijding van milieumisdrijven om de strafrechtelijke maatregelen tegen illegale afvalverbranding aan te scherpen en het illegaal storten van “opkomende verontreinigende stoffen” te beschouwen als een strafbaar feit dat kan worden bestraft met strafrechtelijke sancties in de zin van Richtlijn 2008/99/EG;

18.  verzoekt de Commissie om de uitwerking van minimumvoorschriften betreffende de vaststelling van misdaden en sancties; verzoekt in het bijzonder om:

   a) algemene, transversaal toepasbare definities van "ambtenaar", “fraude” en “corruptie”; herinnert eraan dat in het kader van de onderhandelingen over de PIF‑richtlijn, definities van deze termen in de richtlijn zijn opgenomen maar uitsluitend voor de toepassing van deze richtlijn; merkt op dat deze onderhandelingen momenteel geblokkeerd zijn in de Raad en vraagt om een zo spoedig mogelijke hervatting ervan;
   b) een nieuw wetgevingsvoorstel over een bijzonder type criminele organisatie waarvan de deelnemers voordeel behalen uit de intimiderende macht van de binding aan de organisatie en de daaruit volgende onderwerping en zwijgplicht, gebruikt om misdrijven te plegen, om direct of indirect de leiding of ten minste de controle over economische activiteiten, concessies, vergunningen, overheidsopdrachten en openbare diensten te verkrijgen of zichzelf of anderen onwettige geldelijke of andere voordelen te verschaffen;
   c) een wetgevingsvoorstel tot oprichting van een speciaal Europees programma ter bescherming van getuigen en informanten die in gerechtelijke procedures rapporteren over criminele organisaties en organisaties zoals omschreven onder b);
   d) een wetgevingsvoorstel met gemeenschappelijke regels voor de bescherming van klokkenluiders; wenst dat een dergelijk voorstel vóór eind 2017 wordt ingediend;
   e) aanvullende wetgevingsvoorstellen ter versterking van de rechten van verdachten of beklaagden in strafzaken, onder andere met betrekking tot voorlopige hechtenis, om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, zoals erkend in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
   f) specifieke wetgeving om de uitvoer van radioactieve stoffen en gevaarlijk afval en de illegale handel in fauna en flora te bestrijden, aangezien de criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten en op het gebied van bosbouw, en de smokkel en uitvoer van radioactieve stoffen en gevaarlijk afval naar derde landen, volgens milieubeschermingsorganisaties en ngo's een grote rol spelen in de financiering van georganiseerde misdaad;

Doeltreffendere politiële en justitiële samenwerking op EU-niveau

19.  stelt vast dat georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen meestal een grensoverschrijdende dimensie hebben, die een nauwe samenwerking tussen bevoegde nationale autoriteiten onderling en tussen nationale autoriteiten en de betrokken EU‑agentschappen vereist;

20.  is van mening dat politiële en justitiële samenwerking, in de vorm van uitwisseling van informatie tussen nationale autoriteiten, essentieel is om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen om corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden;

21.  verzoekt de Commissie om concrete maatregelen te lanceren met het oog op een betere Europese coördinatie van de strijd tegen georganiseerde misdaad, corruptie en witwaspraktijken en te zorgen voor een groter bewustzijn van het menselijk leed en de sociale en economische schade die deze fenomenen veroorzaken;

22.  betreurt dat de grensoverschrijdende justitiële en politiële samenwerking zich kenmerkt door buitensporig lange bureaucratische procedures, waardoor deze minder doeltreffend verloopt en de strijd tegen de georganiseerde misdaad, corruptie en witwaspraktijken op EU-niveau aan kracht dreigt te verliezen; verzoekt de lidstaten de grensoverschrijdende politiële en justitiële samenwerking en hun informatie-uitwisseling onderling en via Europol en Eurojust te versterken, uit te breiden en de doeltreffendheid ervan te verhogen, en te voorzien in adequate opleiding en technische ondersteuning, onder andere door middel van Cepol en het Europees netwerk voor justitiële opleiding, de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijsmateriaal tussen de lidstaten te bevorderen, en ervoor te zorgen dat gezamenlijke onderzoeksteams vaker worden ingezet;

23.  verzoekt de lidstaten om alle noodzakelijke en relevante gegevens over personen die zijn veroordeeld vanwege een misdrijf dat verband houdt met de georganiseerde misdaad in de bestaande Europese gegevensbanken systematisch aan te vullen, te gebruiken en uit te wisselen en een beroep te doen op de EU-agentschappen Europol en Eurojust om deze informatie-uitwisseling te vergemakkelijken; roept in dit verband op tot het stroomlijnen van de infrastructuur om veilige communicatie en een doelmatig gebruik van alle bestaande instrumenten van Europol te garanderen, onder volledige eerbiediging van de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming;

24.  benadrukt dat er dringend een efficiënter systeem voor communicatie en informatie-uitwisseling tussen justitiële autoriteiten in de EU moet worden opgezet om de traditionele instrumenten voor wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken waar nodig te vervangen; verzoekt de Commissie om de noodzaak van wetgevingsmaatregelen op dit gebied te beoordelen en een deugdelijk EU-systeem voor de informatie-uitwisseling tussen justitiële autoriteiten uit de EU op te zetten;

25.  verzoekt de lidstaten om systematisch alle noodzakelijke en relevante PNR-gegevens over personen die banden hebben met de georganiseerde misdaad uit te wisselen;

Beslaglegging op de tegoeden van criminele organisaties en bevordering van de inzet ervan voor maatschappelijke doeleinden

26.  is van mening dat het toepassen van een gemeenschappelijke methode om de activa van criminele organisaties in de EU in beslag te nemen, een afschrikwekkende maatregel is voor criminelen; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2014/42/EU betreffende de confiscatie van vermogen afkomstig van misdrijven snel om te zetten; verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk een wetgevingsvoorstel in te dienen om te zorgen voor de wederzijdse erkenning van de bevriezings- en confiscatiebevelen in het kader van de nationale maatregelen ter bescherming van vermogen;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de EU-maatregelen te versterken voor;

   a) de opsporing, de bevriezing en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven door, onder andere, het strafbaar stellen van de overdracht van het eigendom van vermogens of vermogensbestanddelen om bevriezings- of confiscatiemaatregelen te voorkomen en de aanvaarding van het eigendom van of de beschikking over die vermogens, of door te zorgen voor confiscatie indien het niet tot een veroordeling komt;
   b) de bevordering van het beheer van bevroren en geconfisqueerde voorwerpen en de inzet ervan voor maatschappelijke doeleinden en als compensatie voor de familieleden van slachtoffers en ondernemingen die het slachtoffer zijn van woekerpraktijken en zwendel;
   c) de ontwikkeling van administratieve, politiële en justitiële samenwerking om vermogensbestanddelen afkomstig van criminele activiteiten in de hele Unie op te sporen, in beslag te nemen en te confisqueren, en de versterking van de positie van de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen, die voldoende middelen toegekend moeten krijgen;

28.  verzoekt de lidstaten met klem om op dit gebied de samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken te doen toenemen via de bestaande platformen, zoals onder andere het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF);

Voorkoming van de infiltratie van georganiseerde misdaad en corruptie in de legale economie

29.  wijst erop dat door middel van corruptie, in het bijzonder in het kader van openbare aanbestedingen en publiek-private partnerschappen, de georganiseerde misdaad de legale economie makkelijker kan infiltreren;

30.  verzoekt om de invoering van een volledig EU-stelsel voor elektronische aanbestedingen, om het risico op corruptie bij openbare aanbestedingen te verkleinen;

31.  verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen instrumenten voor toezicht op openbare aanbestedingen in te voeren, “zwarte lijsten” op te stellen van ondernemingen die bewezen banden met de georganiseerde misdaad onderhouden en/of betrokken zijn bij corrupte praktijken en deze uit te sluiten van elke commerciële relatie met de overheid en van het ontvangen van EU-middelen; vraagt de lidstaten op nationaal niveau gespecialiseerde structuren op te richten om criminele organisaties op te sporen en openbare aanbestedende entiteiten die bij corruptiepraktijken en het witwassen van geld betrokken zijn uit te sluiten; benadrukt dat het aanleggen van een "zwarte lijst" bedrijven doeltreffend kan ontmoedigen om corrupte activiteiten te ondernemen en hen een goede stimulans biedt om hun interne integriteitsprocedures te verbeteren en te versterken; verzoekt de lidstaten om een "anti-georganiseerde-misdaad-certificering" in te voeren voor ondernemingen en de desbetreffende informatie op EU-niveau automatisch uit te wisselen;

32.  wijst erop dat 21 lidstaten het pakket met richtlijnen inzake openbare aanbestedingen nog niet hebben omgezet; is van mening dat regels inzake openbare aanbestedingen essentieel zijn om te zorgen voor transparantie en verantwoording op een van de gebieden waarop het risico van corruptie het grootst is;

33.  wijst erop dat transparante, voor toetsing vatbare boekhoudregels in alle lidstaten moeten worden gegarandeerd, niet alleen bij centrale overheden, maar ook op regionaal en lokaal niveau;

34.  uit zijn bezorgdheid over de gangbare praktijk van criminele ondernemingen die bij het witwassen van geld betrokken zijn, om voor openbare aanbestedingen voor grote werken offertes tegen afbraakprijzen in te dienen; vraagt de Commissie een economische beoordeling op te nemen van de voorstellen voor de ondernemingen die begunstigde zijn van overheidsopdrachten en voor onderaannemers;

35.  wijst erop dat het witwassen van geld via complexe bedrijfsstructuren en de integratie van die structuren in legale economische activiteiten een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde in het betrokken land; verzoekt de lidstaten om maatregelen vast te stellen om de transparantie van monetaire verrichtingen te vergroten en de traceerbaarheid van verrichtingen tot aan natuurlijke personen te verbeteren om zo financiering van misdaad en terrorisme te kunnen traceren ("follow the money"‑beginsel), zonder kleine en middelgrote ondernemingen daar onnodig mee te belasten; verzoekt de lidstaten om maatregelen te nemen die het moeilijker maken om complexe en massieve structuren van onderling verbonden vennootschappen op te zetten, die vanwege hun ondoorzichtige karakter kunnen worden misbruikt om misdaad‑ of terreuractiviteiten en andere ernstige misdrijven te financieren;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem om van ondernemingen te eisen dat zij hun volledige bedrijfsstructuur en begunstigde eigenaren bekendmaken alvorens opdrachten aan hen te gunnen, om te vermijden dat zij ondernemingen ondersteunen die zich schuldig maken aan agressieve belastingplanning, belastingfraude en -ontwijking en corruptie;

37.  merkt op dat het aankopen van eigendommen in de EU-lidstaten een manier is om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen, waarbij criminelen het daadwerkelijke eigendom verhullen via fictieve vennootschappen in het buitenland; dringt er bij de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat buitenlandse vennootschappen die een eigendomstitel willen verwerven op hun grondgebied aan dezelfde transparantienormen moeten voldoen als vennootschappen die zijn opgericht in het eigen rechtsgebied;

38.  wijst erop dat de financiële crisis de druk op Europese overheden heeft verhoogd; wenst, in het kader van de huidige economische uitdagingen, dat de integriteit en transparantie bij overheidsuitgaven beter worden gewaarborgd;

39.  dringt er bij de lidstaten op aan de maatregelen te nemen die nodig zijn om te zorgen voor transparantie bij besluiten over bouw- en andere vergunningen op regionaal en lokaal niveau;

40.  wijst erop dat, ingevolge artikel 325 VWEU, de lidstaten en de Europese Commissie de juridische verplichting hebben om fraude te bestrijden en is verheugd over de fraudebestrijdingsbepalingen die in de wetgevingsvoorstellen met een financiële impact worden opgenomen;

41.  uit zijn bezorgdheid over de toename van btw-fraude, in het bijzonder de zogenaamde carrouselfraude; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen daarvan, teneinde de uitwisseling van informatie die nuttig is voor bestrijding van dit soort fraude te vergemakkelijken;

42.  verzoekt de lidstaten specifieke wetgeving vast te stellen en passende maatregelen te nemen om de activiteiten te voorkomen en te beteugelen van professionals, bankinstellingen, functionarissen en politici op alle niveaus die, zonder tot een criminele organisatie te behoren, de activiteiten ervan op diverse niveaus ondersteunen; in dit verband:

   a) beveelt de lidstaten en de Europese instellingen aan de roulatie van ambtenaren te bevorderen om corruptie en de infiltratie van de georganiseerde misdaad te voorkomen;
   b) pleit voor dwingende regels waarmee wordt vastgesteld dat personen die zijn veroordeeld voor of hebben deelgenomen aan georganiseerde misdaad, witwaspraktijken, corruptie of andere ernstige strafbare feiten, misdrijven tegen de overheid, misdrijven in verband met lidmaatschap van een criminele organisatie of corruptie, niet verkozen kunnen worden of kunnen werken bij of voor de overheid, met inbegrip van de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie;
   c) vraagt om strafrechtelijke sancties voor leidinggevenden en banken die in bewezen zaken hebben deelgenomen aan het witwassen van grote hoeveelheden geld; vraagt de Commissie een voorstel in te dienen om volledige transparantie te waarborgen van bancaire stromen van natuurlijke personen en van rechtspersonen en trusts;

43.  is van mening dat regels op Europees niveau nodig zijn die ervoor zorgen dat alle financieringsbronnen van politieke partijen worden gecontroleerd en gevolgd om na te gaan of ze legaal zijn;

44.  pleit voor de aanscherping van wetgevingsbepalingen die moeten zorgen voor grotere transparantie en traceerbaarheid van geldstromen, in het bijzonder bij het beheer van EU-middelen, onder andere door middel van voorafgaande onderzoeken en een uiteindelijke beoordeling of de middelen naar behoren zijn gebruikt; verzoekt de lidstaten om nationale verklaringen over hun controlesystemen in te dienen; verzoekt de Commissie:

   a) betalingen te corrigeren bij onregelmatigheden in het gebruik van EU-middelen door de lidstaten;
   b) instellingen en ondernemingen die schuldig zijn bevonden aan frauduleus misbruik van EU-middelen, tijdelijk van de toegang tot EU-middelen uit te sluiten;
   c) nauw toezicht te houden op het gebruik van EU-middelen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

45.  is van mening dat de Commissie de grootst mogelijke integriteit moet nastreven in de aanbestedingsprocedures voor de uitvoering van door de EU gefinancierde projecten; herinnert eraan dat het van wezenlijk belang is toezicht te houden op de resultaten van projecten in samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en plaatselijke autoriteiten ter verantwoording te roepen, teneinde te bepalen of EU‑middelen correct worden gebruikt en corruptie wordt aangepakt;

46.  herinnert eraan dat transparantie de meest doeltreffende manier is om misbruik en fraude te bestrijden; vraagt de Commissie de wetgeving op dit vlak te verbeteren door de publicatie van de gegevens van alle begunstigden van Europese fondsen, met inbegrip van de gegevens van onderaannemers, verplicht te stellen;

47.  verzoekt de Commissie wetgeving vast te stellen ter vereenvoudiging van bureaucratische administratieve procedures en zo de transparantie te verhogen en corruptie te bestrijden;

48.  verzoekt de Europese Commissie toe te zien op het percentage onderhandse gunningen van overheidsopdrachten in de lidstaten en de wettige omstandigheden waarin nationale besturen deze gunningen het vaakst gebruiken, en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement;

49.  beveelt de lidstaten aan om bij het gebruik van hun EU-middelen te streven naar efficiënte transparantie-, toezichts- en verantwoordingsmechanismen; is van mening dat, aangezien de positieve effecten van de EU-middelen berusten op processen op het nationale en het EU-niveau om de transparantie, het effectieve toezicht en de verantwoordingsplicht te verzekeren, moet worden nagegaan hoe het toezicht en de evaluatie kunnen worden omgevormd tot een voortdurend proces, dat niet alleen na de feiten plaatsvindt; is van mening dat de Rekenkamer in dat opzicht een grotere rol moet worden toebedeeld;

50.  is van mening dat er kwalitatieve en kwantitatieve, onderling vergelijkbare indicatoren moeten worden ontwikkeld voor het meten van de impact van de EU-middelen en om te helpen bepalen of de middelen in kwestie tot de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen hebben geleid, en dat er stelselmatig gekwantificeerde gegevens moeten worden verzameld en gepubliceerd;

Europees Openbaar Ministerie (EOM)

51.  is van mening dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) een centrale rol moet spelen in de strijd tegen corruptie in de Europese Unie; herhaalt zijn verzoek om de oprichting op zo kort mogelijke termijn, met deelname van zoveel mogelijk lidstaten, van een doeltreffend EOM dat onafhankelijk is van de nationale regeringen en de EU‑instellingen en beschermd is tegen politieke inmenging en druk;

52.  herhaalt het belang van duidelijk omschreven verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de nationale officieren van justitie en het toekomstige Europees Openbaar Ministerie, evenals voor Eurojust en OLAF, om eventuele bevoegdheidsconflicten te vermijden; verzoekt om de toewijzing van de nodige financiële en personele middelen aan het toekomstige Europees Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de taken die het moet vervullen; is van mening dat het EOM bevoegd moet zijn om alle PIF‑misdrijven te vervolgen, waaronder btw-fraude; roept de lidstaten er in dit verband toe op zich te houden aan het arrest dat door het Europees Hof van Justitie is gewezen in de zaak Taricco (C–105/14) en de onderhandelingen bij de Raad over de PIF-richtlijn zo spoedig mogelijk opnieuw op te starten;

53.  betreurt dat de voortdurende onderhandelingen bij de Raad het uitgangspunt van een onafhankelijk en effectief EOM ondermijnen;

54.  verzoekt de Commissie te beoordelen of een herziening van het mandaat van het toekomstige EOM nodig is om het bevoegdheden toe te kennen, na de oprichting ervan, om de georganiseerde misdaad te kunnen bestrijden;

Specifieke gebieden waarop actie moet worden ondernomen

Namaak

55.  veroordeelt de toegenomen namaak van goederen, geneesmiddelen en agrovoedingsproducten in de EU, waarbij distributienetwerken beheerd door de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad betrokken zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de namaak van goederen, geneesmiddelen en agrovoedingsproducten te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten systematisch gegevens te verzamelen over gevallen van fraude en namaak om informatie te verkrijgen over de omvang en de frequentie ervan, en beste praktijken uit te wisselen om deze verschijnselen te identificeren en te bestrijden;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten andere methoden te overwegen om voedselfraude te voorkomen en te ontmoedigen, zoals "naming and shaming" door middel van een Europees register van levensmiddelen- en geneesmiddelenbedrijven die veroordeeld zijn voor fraude;

57.  dringt aan op de uitbreiding van de huidige traceerbaarheidssystemen en de consequente omzetting van de in basisverordening (EG) nr. 178/2002 voorziene volledige traceerbaarheid met betrekking tot levensmiddelen, voedermiddelen, voedselproducerende dieren en alle stoffen die bestemd zijn om in een levensmiddel of voedermiddel te worden verwerkt of waarvan verwacht kan worden dat zij hiervoor worden gebruikt;

Drugshandel

58.  wijst erop dat drugshandel criminele groepen veel geld oplevert en moet worden bestreden door middel van zowel repressieve als preventieve maatregelen; verzoekt de lidstaten en de bevoegde instanties om de band tussen de drugsmarkt en andere criminele activiteiten aan te pakken, alsook de gevolgen die deze heeft op de legale economie en handel, zoals vastgesteld door Europol en het EWDD in het verslag over de drugsmarkt van 2016;

59.  herinnert de Commissie eraan dat zij de voortgang van de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan inzake drugs van 2013-2016 dient te evalueren; verzoekt de Commissie om op basis van die evaluatie een nieuw actieplan voor de periode 2017-2020 voor te stellen;

60.  stelt vast dat een evaluatie van nieuw beleid inzake softdrugs een prioriteit vormt en is van mening dat strategieën van decriminalisering of legalisering moeten worden beschouwd als middel om criminele organisaties doeltreffend te bestrijden; wenst dat de EU deze kwestie in zowel haar interne als externe beleid opneemt door alle relevante internationale en EU-organisaties en de instellingen van alle betrokken landen bij het politieke debat te betrekken;

Gokken en gemanipuleerde sportwedstrijden (matchfixing)

61.  herinnert eraan dat criminele organisaties vaak gebruikmaken van het legale en illegale gokcircuit en van gemanipuleerde sportwedstrijden (matchfixing) om geld wit te wassen; veroordeelt de criminele belangen rond deze fenomenen, en spoort de Commissie en de lidstaten aan wetgeving te behouden of voor te stellen ter bestrijding en voorkoming ervan door het manipuleren van sportevenementen strafbaar te stellen; verzoekt de lidstaten om op transparante en doeltreffende wijze samen te werken met sportorganisaties en om de communicatie en samenwerking met Eurojust en Europol te versterken om deze fenomenen te bestrijden;

Belastingparadijzen

62.  wijst erop dat er ieder jaar in de EU een bedrag van 1 biljoen EUR verloren gaat door belastingontduiking en -ontwijking; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan belastingparadijzen en landen met niet-transparante of schadelijke belastingpraktijken, die een groot probleem vormen met nadelige gevolgen voor alle Europese burgers;

63.  is ingenomen met het internationale akkoord binnen de G20 over de toepassing van een nieuwe wereldwijde norm voor grotere transparantie op belastinggebied, die in overeenstemming is met de strenge norm die reeds door de EU wordt toegepast; verzoekt om een spoedige tenuitvoerlegging daarvan en effectief toezicht op belastingfraude en belastingontwijking op internationaal niveau; uit zijn tevredenheid over het feit dat op EU-niveau de Europese Commissie in februari 2016 een overeenkomst heeft ondertekend over de uitwisseling van fiscale informatie met landen zoals Andorra en Monaco en dat in 2015 de Commissie reeds overeenkomsten heeft gesloten met Zwitserland, Liechtenstein en San Marino;

64.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU om belastingregels die belastingontduiking door transnationale ondernemingen en individuele personen vergemakkelijken, te bestrijden, en om derde landen te helpen illegale middelen te repatriëren en daders te vervolgen; benadrukt dat de EU in alle relevante internationale fora prioriteit moet geven aan de bevordering van de strijd tegen belastingparadijzen, het bankgeheim en witwassen, van de opheffing van excessief beroepsgeheim, en van de verwezenlijking van openbare verslaglegging per land door multinationals en openbare registers van de begunstigde eigenaren van ondernemingen; wijst erop dat belastingparadijzen plaatsen bij uitstek zijn voor het innen en witwassen van de opbrengsten uit criminele activiteiten, en benadrukt dan ook de noodzaak van een gecoördineerde aanpak op EU-niveau;

65.  verzoekt de Commissie om de ernstige gevolgen van het faciliteren van corruptie beter onder de aandacht te brengen, de mogelijkheid na te gaan van een alomvattend plan ter afschrikking van financiële overdrachten naar niet-EU landen die de anonimiteit van corrupte personen beschermen, en haar economische en diplomatieke banden met zulke landen opnieuw te overdenken;

Milieucriminaliteit

66.  uit zijn bezorgdheid over de toename van illegale milieugerelateerde activiteiten die verband houden met of voortvloeien uit georganiseerde, maffia-achtige criminele activiteiten, zoals de illegale handel in en het illegaal storten van afval, met inbegrip van giftig afval, en de vernietiging van natuurlijk erfgoed; herinnert aan zijn aanbeveling om een gemeenschappelijk actieplan uit te werken om dit soort misdrijven te voorkomen en te bestrijden; wijst op de noodzaak om de bestaande regels betreffende natuurbehoud en milieubescherming te handhaven, onder meer door het uitvoeren van anti-misdaadcontroles bij ondernemingen en onderaannemers die begunstigden zijn van uit de EU-begroting gefinancierde opdrachten voor grote infrastructuurwerken;

67.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op en een beoordeling uit te voeren van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, om te waarborgen dat de lidstaten effectieve, evenredige en afschrikwekkende straffen opleggen voor alle vormen van onwettig gedrag met nadelige gevolgen voor de volksgezondheid of het milieu; verzoekt het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving (IMPEL) om het Parlement periodiek op de hoogte te houden van de maatregelen van de lidstaten met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/99/EG;

68.  wijst erop dat de georganiseerde misdaad gebruik maakt van bouwondernemingen die gespecialiseerd zijn in grondverzet, om geld wit te wassen en giftige, milieuvervuilende stoffen illegaal te lozen; vraagt de Commissie om deze praktijken te voorkomen door anti-misdaadcontroles uit te voeren bij ondernemingen en onderaannemers die begunstigden zijn van uit de EU-begroting gefinancierde opdrachten voor grote infrastructuurwerken;

Cybercriminaliteit

69.  herinnert eraan dat cybercriminaliteit als instrument wordt gebruikt bij witwas- en namaakpraktijken; wijst erop dat deze vorm van criminaliteit een belangrijke bron van inkomsten vormt voor talrijke criminele organisaties en dat de wetgeving van de Unie en de samenwerking tussen de lidstaten en met de agentschappen van de Unie op dit gebied moeten worden versterkt; stelt met bezorgdheid vast dat criminele organisaties er door middel van frauduleus internetgebruik voor illegale doeleinden zoals de bevordering van drugshandel en mensenhandel, in zijn geslaagd het volume van hun illegale handel te vergroten;

Georganiseerde misdaad en terrorisme

70.  herinnert eraan dat de toenemende convergentie en banden tussen de georganiseerde misdaad en het terrorisme, evenals de banden tussen criminele en terroristische organisaties, een steeds grotere bedreiging vormen voor de Unie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de financiering en ondersteuning van terrorisme door middel van georganiseerde misdaad strafbaar wordt gesteld en dat de onderlinge banden tussen georganiseerde misdaad en terroristische activiteiten en financiering van terrorisme uitdrukkelijker in aanmerking worden genomen door de autoriteiten van lidstaten in strafrechtelijke procedures;

71.  benadrukt dat de illegale handel in vuurwapens, olie, drugs, en wilde dieren en planten, en de smokkel van migranten, sigaretten en nagemaakte goederen, kunstwerken en andere cultuurgoederen door georganiseerde misdaadnetwerken zijn uitgegroeid tot een bijzonder lucratieve manier voor terroristische groeperingen om financiering te vinden; neemt kennis van de presentatie door de Commissie van een actieplan tegen illegale handel in en gebruik van vuurwapens en explosieven; dringt erop aan dat actieplan snel uit te voeren; verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat terroristische organisaties en criminele netwerken geen baat hebben bij de handel in goederen, en om daarbij onnodige administratieve lasten voor marktdeelnemers te vermijden;

72.  herinnert eraan dat deelname aan criminele activiteiten verband kan houden met terreurmisdaden; herinnert eraan dat volgens het VN-Bureau voor drugs en criminaliteit (UNODC), drugshandel, het verkeer van illegale vuurwapens, de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het witwassen van geld integrale aspecten van het terrorisme zijn geworden; is van mening dat de EU-wetgeving ter bestrijding van de georganiseerde misdaad en witwassen moet worden aangescherpt om terrorisme doeltreffend te kunnen bestrijden, ook gezien de banden tussen terroristische groeperingen en georganiseerde criminele groepen, die gebaseerd zijn op wederzijds voordeel;

Georganiseerde misdaad en mensenhandel en -smokkel

73.  maakt zich zorgen over de toenemende professionalisering van mensensmokkel en over het feit dat dankzij de aanhoudende vluchtelingenstromen naar Europa de winsten van netwerken die actief zijn op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel voortdurend stijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de internationale samenwerking ter bestrijding van mensenhandel te intensiveren, om mensensmokkel uit te bannen en de invloed van mensenhandelnetwerken te minimaliseren;

74.  herinnert eraan dat de Europese Unie op het gebied van mensenhandel over een specifiek rechts- en beleidskader beschikt om de samenwerking te optimaliseren en van mensenhandel een prioriteit te maken voor organen en agentschappen als Europol en Eurojust; is ingenomen met de conclusies van het eerste voortgangsverslag over de strijd tegen mensenhandel; verzoekt de Commissie om op basis daarvan zo snel mogelijk een strategie voor de periode na 2016 uit te werken;

75.  veroordeelt de infiltratie door de georganiseerde misdaad van organen belast met het beheer van de middelen voor de opvang van migranten, en roept op tot specifieke maatregelen ter bestrijding van mensensmokkel en -handel, die in handen zijn van complexe netwerken van criminele groepen in de landen van oorsprong, doorreis en bestemming van de slachtoffers;

76.  benadrukt de dringende noodzaak om de ernstige arbeidsuitbuiting van migranten in de Unie aan te pakken; erkent dat het ontbreken van reguliere migratiekanalen en belemmeringen voor de toegang tot de rechter enkele van de oorzaken van mensenhandel zijn; merkt eveneens op dat de Richtlijn werkgeverssancties belangrijke bepalingen bevat om arbeidsuitbuiting van irreguliere onderdanen uit derde landen aan te pakken, maar dat die bepalingen steunen op het bestaan van eerlijke, doeltreffende en toegankelijke klachtenmechanismen op nationaal niveau en dat de toepassing ervan zeer beperkt blijft;

De externe dimensie

77.  verzoekt de EU de consolidatie van de overheid en de invoering van adequate rechtskaders ter bestrijding van corruptie in alle landen verder te ondersteunen, in het bijzonder in landen die een conflict hebben doorgemaakt of zich in een overgangssituatie bevinden en zwakke overheidsinstellingen hebben; benadrukt dat regionale en gespecialiseerde politiële en justitiële netwerken in ontwikkelingslanden moeten worden versterkt, waarbij passende normen inzake gegevensbescherming en privacy altijd worden gegarandeerd, en dat de optimale werkmethoden en knowhow van Europol, Eurojust en het Europees justitieel netwerk moeten worden gedeeld; onderstreept dat regelgeving en rechtshandhaving moeten worden verbeterd en de bescherming van klokkenluiders moet worden bevorderd zodat plegers van strafbare feiten daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld, en dat een adequaat stelsel moet worden ingevoerd ter bescherming van klokkenluiders, zowel binnen als buiten de EU; benadrukt in het bijzonder dat een direct meldingsmechanisme nodig is voor burgers in landen die EU-steun ontvangen die onregelmatigheden in door de EU gefinancierde hulpprogramma's aankaarten;

78.  merkt met bezorgdheid op dat de meest relevante internationale overeenkomsten en initiatieven ter bestrijding van corruptie en illegale geldstromen in de tenuitvoerleggingsfase niet tot concrete resultaten leiden; herinnert eraan dat de ontwikkeling van een corruptiebestrijdingsstrategie in het kader van het buitenlands beleid van wezenlijk belang is om corruptie en financiële misdaad doeltreffend te kunnen bestrijden; verzoekt de EU zich in haar externe beleid in de eerste plaats in te zetten voor de correcte omzetting en tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, en van alle andere toepasselijke internationale instrumenten die gericht zijn op de bestrijding van corruptie en witwassen;

79.  verzoekt de Commissie er door middel van voortdurend toezicht voor te zorgen dat EU‑hulp niet direct of indirect aan corruptie bijdraagt; meent ook dat hulp beter moet worden afgestemd op de absorptiecapaciteit en de algemene ontwikkelingsbehoeften van het ontvangende land om te voorkomen dat hulpmiddelen op grote schaal worden verkwist en aan corruptie verloren gaan; roept de EU op om corruptie rechtstreeks te bestrijden door middel van programmering en landenstrategiedocumenten en begrotingssteun te verbinden aan duidelijke doelstellingen ter bestrijding van corruptie; benadrukt hiertoe de noodzaak om sterke mechanismen in te voeren om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan; verzoekt de Commissie een krachtige, holistische en brede strategie te ontwikkelen voor corruptierisicomanagement in ontwikkelingslanden om te voorkomen dat ontwikkelingshulp bijdraagt aan corruptie, en de antifraudestrategie van 2013 volledig in de praktijk te brengen, in het bijzonder bij de tenuitvoerlegging van de EU-steun in al zijn vormen, waaronder het EOF en trustfondsen, en bij de uitbesteding van ontwikkelingsprojecten aan derde partijen; merkt met bezorgdheid op dat de EU-aanpak op het vlak van corruptie in ACS-landen in weinig strategische begeleiding voorziet ter versterking van nationale stelsels om corruptie te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat de Europese Dienst voor extern optreden en het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling hun aanpak om corruptie in ontwikkelingslanden doeltreffend te bestrijden beter op elkaar moeten afstemmen;

80.  herhaalt het belang van samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU en wijst erop dat de bestrijding van georganiseerde misdaad moet worden opgenomen in ontwikkelings- en veiligheidsstrategieën om de stabiliteit in ontwikkelingslanden te herstellen;

81.  benadrukt dat de eerbiediging van het recht van mensen om over hun eigen economische, voedings- en landbouwstelsels te besluiten, de oplossing is in de strijd tegen criminele activiteiten die honger en armoede veroorzaken; spoort de internationale gemeenschap ertoe aan actief het hoofd te bieden aan financiële speculatie met betrekking tot voedingsmiddelen, zoals de aankoop van uitgestrekte landbouwgebieden tegen lage prijzen en landroof door grote multinationale agro‑ondernemingen, gezien de nadelige gevolgen voor kleine producenten;

82.  roept ontwikkelingslanden ertoe op om in het kader van hun corruptiebestrijdingsprogramma's de transparantie en verantwoordingsplicht te versterken in hulpmiddelencontracten, de financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen van bedrijven, en de inning en toewijzing van inkomsten;

83.  roept de EU ertoe op landen die rijk zijn aan hulpbronnen meer steun te geven bij de tenuitvoerlegging van de beginselen van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) voor sterkere transparantie en verantwoordingsplicht in de olie-, gas- en mijnbouwsector; is groot voorstander van de invoering van een doeltreffend rechtskader ter ondersteuning van de juiste toepassing van de EITI-beginselen door de bedrijven die actief zijn in de toeleveringsketens van de olie-, gas‑ en mijnbouwsector;

84.  draagt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op om gevolg te geven aan de aanbevelingen die zijn gedaan in zijn resoluties over corruptiebestrijding; verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de wetgevingsmaatregelen van de Commissie op dit gebied binnen twee jaar te toetsen, in het licht van de eerder genoemde aanbevelingen;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8.
(2) PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39.
(3) PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1.
(4) PB L 151 van 21.5.2014, blz. 1.
(5) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(6) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.
(7) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1.
(8) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 93.
(9) PB L 319 van 4.12.2015, blz. 1.
(10) PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103.
(11) PB L 317 van 4.11.2014, blz. 28.
(12) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(13) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(14) PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1.
(15) ECLI:EU:C:2015:555.
(16) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 27.
(17) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0269.
(19) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.


Mensenrechten en migratie in derde landen
PDF 392kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen (2015/2316(INI))
P8_TA(2016)0404A8-0245/2016

Het Europees Parlement,

—  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) van 1948, met name artikel 13,

—  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het aanvullende protocol daarbij,

—  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966 en de protocollen daarbij,

—  gezien het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961,

—  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1966,

—  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979 en het protocol daarbij,

—  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het protocol daarbij,

—  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en de protocollen daarbij,

—  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 1990,

—  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning van 2006,

—  gezien het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 2006 en het protocol daarbij,

—  gezien het rapport van de secretaris-generaal van de Verenigde naties van 3 augustus 2015 over de bevordering en bescherming van de rechten van de mens, met inbegrip van wegen en middelen om de mensenrechten van migranten te bevorderen,

—  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2014 over de bescherming van migranten,

—  gezien het werk van diverse internationale mensenrechtenmechanismen, met name de verschillende rapporten van François Crépeau, speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van migranten, en van andere speciale rapporteurs, de universele periodieke doorlichting en het werk van andere verdragsorganen,

—  gezien de werkzaamheden en rapporten van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR), waaronder de aanbevolen beginselen en richtsnoeren inzake de mensenrechten aan de internationale grenzen en het rapport over de situatie van migranten op doorreis,

—  gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten,

—  gezien de Dhaka-beginselen voor de verantwoorde rekrutering en tewerkstelling van migrerende werknemers,

—  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

—  gezien de rapporten van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 november 2011 getiteld "De totaalaanpak van migratie en mobiliteit" (COM(2011)0743),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015 getiteld "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0510),

–  gezien het besluit van de Commissie van 20 oktober 2015 tot oprichting van een noodtrustfonds van de Europese Unie voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika (C(2015)7293),

–  gezien de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van 25 en 26 juni 2015 en van 15 oktober 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), aangenomen op 20 juli 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 november 2015 over maatregelen om de vluchtelingen- en migratiecrisis te beheersen,

–  gezien het actieplan en de politieke verklaring die werden goedgekeurd tijdens de top van Valletta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien zijn eerdere resoluties over met migratie verband houdende kwesties, met name die van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(1), van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(2), en van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(3),

–   gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(4),

–   gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(6),

–  gezien de slotverklaring van de tweede top van de voorzitters van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied over het thema immigratie, asiel en mensenrechten in de Euro-mediterrane regio, die op 11 mei 2015 werd goedgekeurd(7),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(8),

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 9 december 2015 over migratie, mensenrechten en humanitaire vluchtelingen(9),

–  gezien de diverse rapporten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld over de situatie van migranten op het vlak van mensenrechten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0245/2016),

A.  overwegende dat mensenrechten inherent zijn aan alle mensen, zonder enig onderscheid;

B.  overwegende dat migratie een mondiaal en multidimensionaal verschijnsel is dat wordt veroorzaakt door een verscheidenheid aan factoren, zoals economische omstandigheden (waaronder de evolutie van de verdeling van welvaart en van de economische integratie op regionaal en mondiaal niveau), sociale en politieke omstandigheden, de situatie op het gebied van arbeidsomstandigheden, geweld en veiligheid, de geleidelijke achteruitgang van het milieu en de steeds erger wordende natuurrampen; overwegende dat dit verschijnsel op een samenhangende en evenwichtige manier moet worden aangepakt, op basis van een totaalbeeld waarin ook het menselijke aspect aan bod komt, onder meer de positieve gevolgen voor de demografische en economische ontwikkeling;

C.  overwegende dat migratieroutes buitengewoon complex zijn, waarbij de verplaatsingen niet uitsluitend van de ene regio naar de andere lopen, maar ook vaak binnen eenzelfde regio; overwegende dat de internationale migratiestroom volgens de VN nog toeneemt, ondanks de mondiale economische crisis; overwegende dat momenteel bijna 244 miljoen mensen als internationale migranten worden beschouwd;

D.  overwegende dat de rechten die zijn verankerd in de UVRM en andere internationale verdragen universeel en ondeelbaar zijn;

E.  overwegende dat migratie ook een gevolg is van de toenemende mondialisering en de onderlinge verwevenheid van de markten;

F.  overwegende dat op basis van de verschillende factoren die een invloed hebben op migratie ook de gevolgen ervan kunnen worden voorspeld en dat het daarom essentieel is om passend beleid te ontwikkelen;

G.  overwegende dat schommelingen in migratiestromen, met name in tijden van crisis, verreikende economische, sociale en politieke gevolgen hebben voor zowel de landen van herkomst van migranten als voor hun landen van bestemming;

H.  overwegende dat doeltreffende methoden om het in- en uitreizen van buitenlandse staatsburgers te bewaken en te controleren, samen met analyses en prognoses van de effecten van migratie, het noodzakelijke fundament moeten vormen waarop alle beleidsmaatregelen voor migratiebeheer worden gebaseerd;

I.  overwegende dat de migratiefactoren diverser zijn geworden en dat ze meerdere dimensies kunnen hebben en kunnen berusten op economische, ecologische, culturele, politieke, familiale of persoonlijke overwegingen; overwegende dat een toenemend aantal migranten het slachtoffer is van gedwongen ontheemding en behoefte heeft aan bijzondere bescherming omdat zij bijvoorbeeld fragiele staten, conflicten, politieke of religieuze vervolging ontvluchten;

J.  overwegende dat het moeilijker wordt om een onderscheid te maken tussen vluchtelingen, asielzoekers en migranten, onder meer omdat veel landen niet beschikken over adequate juridische en institutionele instrumenten en kaders;

K.  overwegende dat de autoriteiten en ook de opvangcentra in landen van doorgang en bestemming goed geïnformeerd en voorbereid moeten worden om migranten en asielzoekers een gedifferentieerde en flexibele behandeling te bieden;

L.  overwegende dat de migratiebewegingen een mondiaal en regionaal karakter hebben gekregen en dat de migratiestromen zuid-zuid, waarvan 80 % plaatsvindt tussen landen met gemeenschappelijke grenzen en zonder grote inkomensverschillen, momenteel iets groter zijn dan de stromen zuid-noord;

M.  overwegende dat Europa wat betreft migratie steeds een regio van bestemming, maar ook een regio van oorsprong is geweest; overwegende dat, afgezien van de hedendaagse migratie van expats uit de hogere sociale klassen, Europeanen ook altijd zijn geëmigreerd vanwege economische ontberingen, conflicten of politieke vervolging; overwegende dat de huidige economische en financiële crisis tot de emigratie van een groot aantal Europeanen heeft geleid, onder meer naar landen in het zuiden met een opkomende economie;

N.  overwegende dat zich onder migranten steeds meer vrouwen en kinderen bevinden en onder vluchtelingen zelfs nog meer; overwegende dat steeds meer migranten en vluchtelingen over een diploma beschikken en dat de braindrain in 2010 al op 59 miljoen werd geschat; overwegende dat dit vooral voor Azië geldt, maar dat Afrika het meeste onder de braindrain te lijden heeft, omdat het continent slechts 4 % gediplomeerden telt, waarvan 31 % emigreert(10);

O.  overwegende dat volgens de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen de instabiliteit in bepaalde regio's en conflicten de oorzaak zijn van een humanitaire crisis die meer dan 65 miljoen vluchtelingen en ontheemden treft, vooral in ontwikkelingslanden;

P.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen vaststelt dat er minstens 10 miljoen staatlozen zijn;

Q.  overwegende dat artikel 13 van de UVRM bepaalt dat eenieder het recht heeft om zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke staat, maar ook om welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren;

R.  overwegende dat samenwerking en het delen van informatie en beste praktijken tussen landen van herkomst, doorgang en aankomst van essentieel belang zijn om illegale migratie en mensenhandel te voorkomen en te bestrijden, omdat het hierdoor mogelijk wordt gemeenschappelijke belangen en zorgen vast te stellen;

S.  overwegende dat een holistische benadering van de migratie moet inspelen op de mondiale uitdagingen inzake ontwikkeling, vrede in de wereld, rechten van de mens en klimaatverandering, met bijzondere aandacht voor verbetering van de humanitaire omstandigheden in de landen van herkomst, zodat de lokale bevolking in veiligere gebieden kan leven;

T.  overwegende dat de rechten van vluchtelingen zijn vastgelegd in het Verdrag van Genève en de bijbehorende protocollen;

U.  overwegende dat de levensomstandigheden, ook op gezondheidsgebied, in talrijke vluchtelingenkampen in het Midden-Oosten en Afrika achteruitgaan, en dat de veiligheid van de vluchtelingen er dikwijls niet gewaarborgd is, met name voor kwetsbare personen en in het bijzonder vrouwen en minderjarigen;

V.  overwegende dat volgens de Wereldbank de geldovermakingen van internationale migranten in 2013 meer dan 550 miljard dollar bedroegen, waarvan 414 miljard naar ontwikkelingslanden is gegaan;

W.  overwegende dat vreemdelingenhaat, discriminatie en geweld ten aanzien van migranten, anti-migrantengevoelens, haatdragende taal en haatmisdrijven aanzienlijk zijn toegenomen in de ACS-landen;

X.  overwegende dat een concrete, goed georganiseerde en specifieke respons op migratieaangelegenheden kansen biedt voor zowel individuele personen als landen; overwegende dat deze respons moet worden gestoeld op de beginselen van armoedebestrijding, de bevordering van duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de rechten en waardigheid van migranten en vluchtelingen; overwegende dat de respons moet zijn gebaseerd op nauwe samenwerking tussen landen van herkomst, doorgang en bestemming;

Y.  overwegende dat migratie een belangrijk dynamisch element is om de demografische crisis en het dalende percentage van de economisch actieve bevolking in bepaalde landen het hoofd te bieden;

Z.  overwegende dat het aantal illegale migranten moeilijk in te schatten is, hetgeen de vaststelling van indicatoren voor hun levens- en werkomstandigheden niet vergemakkelijkt, terwijl deze migranten net het meeste behoefte hebben aan bescherming, omdat zij zonder status en juridische erkenning meer dan anderen kwetsbaar zijn voor misbruik, uitbuiting en de ontzegging van de meest fundamentele mensenrechten;

AA.  overwegende dat internationale migratie kan worden gebruikt om specifieke tekorten in de arbeidsmarkt op te vullen;

AB.  overwegende dat migranten bijdragen aan de diversiteit van de gastlanden en deze landen cultureel verrijken; overwegende dat zij met het oog hierop volledig moeten worden geïntegreerd in de ontvangende samenlevingen, zodat deze voordeel kunnen halen uit hun economische, sociale en culturele potentieel; overwegende dat politieke besluitvormers het publiek hoogdringend moeten informeren over de in economisch, cultureel en sociaal opzicht positieve invloed van migranten op de samenleving om op die manier vreemdelingenhaat en discriminerende attitudes te voorkomen;

AC.  overwegende dat een adequaat opvang- en integratiebeleid ervoor zorgt dat de gevolgen van de traumatische episodes die migranten vaak hebben meegemaakt in hun leven niet erger worden of langer dan noodzakelijk blijven bestaan;

AD.  overwegende dat sociaal-culturele ontwikkeling afhangt van integratie, en overwegende dat dit serieuze inspanningen vergt van zowel de migranten, die bereid moeten zijn om zich aan de ontvangende samenleving aan te passen zonder noodzakelijkerwijs de culturele identiteit van hun geboorteland op te geven, als de instellingen en gemeenschappen van de gastlanden, die bereid moeten zijn om migranten op te vangen en tegemoet te komen aan hun behoeften;

Uitdagingen en risico's in verband met de eerbiediging van de rechten van migranten

1.  betuigt zijn solidariteit met de mensen die gedwongen hun land ontvluchten als gevolg van onder meer conflicten, vervolgingen, schendingen van de mensenrechten en extreme armoede; geeft uitdrukking aan zijn diepe bezorgdheid over de ernstige mensenrechtenschendingen waarmee veel migranten in de landen van doorgang of bestemming worden geconfronteerd; onderstreept dat de waardigheid en de mensenrechten van migranten moeten worden geëerbiedigd;

2.  benadrukt dat de Unie en haar lidstaten het goede voorbeeld moeten geven als het gaat om het bevorderen en beschermen van de mensenrechten van migranten, met name binnen de eigen grenzen, om op geloofwaardige wijze te kunnen deelnemen aan het debat over migratie en mensenrechten in derde landen;

3.  herinnert eraan dat de meerderheid van de vluchtelingen en migranten in de wereld wordt opgevangen in ontwikkelingslanden; erkent de inspanningen van derde landen om migranten en vluchtelingen op te vangen; benadrukt dat de hulpsystemen van deze landen het hoofd moeten bieden aan cruciale uitdagingen die een risico vormen voor de bescherming van een steeds grotere groep ontheemden;

4.  herinnert eraan dat "een ieder het recht [heeft] welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten"(11); onderstreept dat de sociale situatie en de nationaliteit van de betrokkene dit recht op geen enkele wijze mogen aantasten en dat iedereen het recht heeft op een waardige wijze migratiekeuzes te maken; verzoekt alle regeringen om het gebrek aan bescherming van de mensenrechten waarmee migranten worden geconfronteerd aan te pakken; verzoekt de nationale regeringen en parlementen om de punitieve wettelijke bepalingen die migratie criminaliseren af te schaffen en om oplossingen voor de korte, middellange en lange termijn toe te passen om de veiligheid van migranten te waarborgen; laakt het feit dat het verlaten van en terugkeren naar bepaalde landen in sommige gevallen wordt belemmerd of verboden en stelt de gevolgen van staatloosheid voor de toegang tot rechten aan de kaak;

5.  merkt op dat het toenemende aantal vluchtelingen overal ter wereld wordt overschaduwd door een nog groter aantal binnenlands ontheemde personen; onderstreept dat deze personen niet mogen worden gediscrimineerd om het enkele feit dat zij op zoek zijn gegaan naar veiligheid zonder internationale grenzen te overschrijden, en benadrukt daarom dat de rechten van binnenlands ontheemde personen, waaronder het recht van toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, moeten worden geëerbiedigd;

6.  herhaalt dat het belangrijk is om staatloze personen te identificeren, zodat hen de bescherming kan worden geboden waar zij recht op hebben op grond van het internationaal recht; dringt er in dit verband met klem bij de staten op aan om procedures voor het bepalen van staatloosheid in te voeren en goede praktijken uit te wisselen, onder meer ten aanzien van wetgeving en procedures die erop gericht zijn om nieuwe gevallen van staatloosheid van kinderen te voorkomen;

7.  vestigt de aandacht op de aanhoudende noodzaak om staatloosheid in aanmerking te nemen in het kader van de externe betrekkingen en het externe beleid van de Unie, met name omdat staatloosheid een belangrijke oorzaak van gedwongen ontheemding is; herinnert aan de toezegging in het strategisch kader en actieplan van de Europese Unie inzake mensenrechten en democratie, gepubliceerd in 2012, om "een gezamenlijk kader tussen de Commissie en de EDEO [te] ontwikkelen voor het bespreken van staatloosheid en willekeurige detentie van migranten met derde landen";

8.  is verontrust over het feit dat migranten en vluchtelingen worden onderworpen aan willekeurige detentie en mishandeling, en wijst er andermaal op dat detentie alleen bij absolute noodzaak mag worden aangewend, en dat in elk geval passende beschermingsmaatregelen moeten worden verzekerd, waaronder de toegang tot passende rechtsmiddelen;

9.  roept staten op om hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht ten aanzien van asiel en migratie te erkennen en de nationale wetgeving vast te stellen die nodig is om deze verplichtingen daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, waaronder ook de mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming in te dienen; vraagt dat de mate van vervolging en discriminatie waaronder migranten hebben geleden en de aard ervan in deze wetgeving in aanmerking wordt genomen;

10.  herinnert eraan dat migranten het recht hebben om niet te worden teruggestuurd naar landen waar zij het risico op mishandeling en foltering lopen; herinnert eraan dat collectieve uitzettingen en refoulement volgens het internationaal recht verboden zijn; uit zijn bezorgdheid over de behandeling van migranten die gedwongen moeten terugkeren naar hun land of naar een derde land zonder adequate follow-up van hun situatie en vraagt dat in elk geval rekening wordt gehouden met de moeilijkheden die zij bij hun terugkeer naar deze landen ondervinden;

11.  stelt voor om re-integratieprogramma's op te zetten voor migranten die terugkeren naar hun land van herkomst;

12.  benadrukt dat het belangrijk is om het recht van migranten op toegang tot justitie en een doeltreffende voorziening in rechte te eerbiedigen, ongeacht hun status en zonder dat zij bang hoeven te zijn te worden aangegeven bij de immigratiediensten en te worden aangehouden en uitgezet; is bezorgd dat er in vele landen een gebrek is aan controle- en monitoringmechanismen voor procedures met betrekking tot de schending van de rechten van migranten, alsook aan kwaliteitsgaranties wat de aan migranten en asielzoekers verstrekte informatie en juridische bijstand betreft; pleit ervoor dat het personeel van de voor asiel bevoegde autoriteiten en van opvangcentra, alsook andere personeelsleden en maatschappelijk werkers die in contact komt met personen die op zoek zijn naar internationale bescherming een passende opleiding krijgen, zodat naar behoren rekening wordt gehouden met de algemene en persoonlijke omstandigheden en de gendergerelateerde problemen van personen die een beschermingsverzoek indienen;

13.  roept de Commissie en de EDEO voorts op om de uitwisseling van succesvolle werkwijzen met derde landen te verbeteren, in het bijzonder door opleiding te geven aan hulpverleners zodat zij een beter inzicht krijgen in de verschillende kenmerken, achtergronden en ervaringen van migranten, met name de kwetsbaarsten onder hen, en deze zo beter kunnen beschermen en bijstaan op basis van hun specifieke behoeften;

14.  onderstreept dat de concepten "veilige landen" en "veilige landen van herkomst" de individuele beoordeling van een asielverzoek niet in de weg mogen staan; vraagt dat migranten die behoefte hebben aan internationale bescherming in elk geval worden geïdentificeerd en dat hun verzoek wordt behandeld; staat erop dat zij de nodige waarborgen krijgen op het gebied van non-refoulement, en dat hen toegang wordt verleend tot een klachtenmechanisme;

15.  vestigt de aandacht op fysiek en psychologisch geweld en de noodzaak om de specifieke vormen van geweld en vervolgingen te erkennen waarvan migrerende vrouwen en kinderen het slachtoffer zijn, zoals mensenhandel, gedwongen verdwijning, seksueel misbruik, genitale verminking, huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijk, huiselijk geweld, slavernij, eermoorden en seksuele discriminatie; herinnert aan het ongeziene en nog altijd stijgende aantal slachtoffers van seksueel geweld en verkrachting, hetgeen onder meer wordt ingezet als oorlogswapen;

16.  is bezorgd over de praktijk van het inlijven van kinderen bij gewapende groeperingen; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen te bevorderen voor hun ontwapening, rehabilitatie en re-integratie;

17.  onderstreept dat vrouwen en kinderen die worden gescheiden van hun familieleden, onder meer wanneer zij worden vastgehouden, worden blootgesteld aan grotere risico's;

18.  herinnert eraan dat niet-begeleide vrouwen en meisjes, vrouwen die hoofd van een gezin zijn, zwangere vrouwen, personen met een handicap en ouderen bijzonder kwetsbaar zijn; onderstreept dat meisjes die op de vlucht zijn voor conflicten en vervolging een groter risico lopen op huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijk, vroegtijdige zwangerschap, verkrachting, seksueel en fysiek misbruik en prostitutie, ook wanneer ze zogenaamd veilige plaatsen hebben bereikt; vraagt derhalve om gespecialiseerde bescherming en bijstand, met name op het gebied van gezondheid, tijdens hun verblijf in opvangkampen;

19.  pleit ervoor om genderaangelegenheden te integreren in migratiebeleid, onder meer om mensenhandel en alle andere vormen van geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen te voorkomen en te bestraffen; dringt erop aan om volledige gelijkheid tot stand te brengen, de jure en de facto, omdat dit een sleutelelement is voor het voorkomen van dit soort geweld tegen vrouwen, met het doel hun zelfstandigheid en onafhankelijkheid te bevorderen;

20.  is bezorgd over het stijgend aantal verklaringen en getuigenissen die wijzen op de toename van geweld tegen migrantenkinderen, met inbegrip van foltering en gevangenhouding, alsook verdwijning; benadrukt, in overeenstemming met het advies van de VN-Commissie voor de rechten van het kind, dat detentie van kinderen op grond van alleen hun migratiestatus of die van hun ouders een schending van de rechten van kinderen vormt en nooit in hun belang is;

21.  herinnert eraan dat migrantenkinderen bijzonder kwetsbaar zijn, vooral als zij niet worden begeleid, en dat zij recht hebben op bijzondere bescherming op basis van het beginsel dat het belang van het kind volgens de internationale rechtsregels voorop staat; benadrukt dat het probleem van niet-begeleide minderjarigen in het kader van ontwikkelingssamenwerking moet worden aangepakt door hun integratie in het land van verblijf te bevorderen, met name door toegang te geven tot onderwijs en medische zorgen en door het risico van geweld, misbruik, uitbuiting en verwaarlozing te voorkomen;

22.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de problemen bij de registratie van kinderen die zijn geboren buiten hun land van herkomst, die kunnen leiden tot een groter risico op staatloosheid; vraagt derhalve dat deze kinderen worden geregistreerd bij de geboorte, ongeacht de migratiestatus van hun ouders;

23.  verzoekt de Unie dringend om nauw samen te werken met Unicef, de UNHCR en alle bevoegde internationale organisaties en instellingen en er alles aan te doen om de bescherming van migrerende kinderen en hun gezin tijdens de hele migratietocht te verbeteren, ongeacht hun migratiestatus, door de financiering van beschermingsprogramma's, met name op het gebied van instellingen voor onderwijs en medische zorgen, door specifieke ruimten voor kinderen en psychologische hulp ter beschikking te stellen, de vaststelling van familiebanden en de hereniging van kinderen die niet worden begeleid of zijn gescheiden van hun familie te verzekeren en door de beginselen van non-discriminatie, non-criminalisering, non-detentie, non-refoulement, niet-toepassing van onnodige bestraffing, gezinshereniging, lichamelijke en wettelijke bescherming en het recht op een identiteit toe te passen;

24.  herinnert eraan dat criminele netwerken profiteren van het gebrek aan legale migratieroutes, regionale instabiliteit en conflicten, maar ook van de kwetsbaarheid van vrouwen, meisjes en kinderen die proberen te vluchten, om hen tot slachtoffer maken van mensenhandel en seksuele uitbuiting;

25.  vestigt de aandacht op de specifieke vormen van geweld en vervolging waaraan LGBTI-migranten worden onderworpen; vraagt om steun voor de tenuitvoerlegging van specifieke mechanismen voor de sociale en juridische bescherming van LGBTI-migranten en -asielzoekers, om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met hun kwetsbaarheid en erop toe te zien dat hun verzoek om bescherming, ook in beroep, zorgvuldig wordt onderzocht;

26.  wijst er andermaal op dat economische, sociale en culturele rechten, met name het recht op gezondheid, onderwijs en huisvesting, mensenrechten zijn waarop alle migranten, en met name kinderen, een beroep moeten kunnen doen, ongeacht hun migratiestatus;

27.  is verontrust over de schendingen van het arbeidsrecht en de uitbuiting van migranten; erkent dat onderwijs, de mogelijkheid om te werken en gezinshereniging belangrijke elementen van het integratieproces zijn; onderstreept de noodzaak om alle vormen van gedwongen tewerkstelling van migranten te bestrijden en veroordeelt in het bijzonder elke vorm van uitbuiting van kinderen;

28.  is bezorgd over de discriminerende praktijken waarmee bepaalde socio-culturele, taalkundige en religieuze minderheden al te dikwijls worden geconfronteerd en die zo bijdragen aan de ongelijke toegang tot rechten voor migranten;

29.  verzoekt de gastlanden om het recht van vrouwelijke migranten op seksuele en reproductieve gezondheid te waarborgen;

30.  wijst erop dat moet worden vermeden dat er afzonderlijke wijken voor migranten worden gecreëerd, maar dat hun integratie moet worden bevorderd en zij de mogelijkheid moeten krijgen om gebruik te maken van alle maatschappelijke kansen die zich voordoen;

31.  is van mening dat het recht op onderwijs en het recht om te werken de zelfstandigheid en de integratie van migranten bevorderen, net zoals gezinshereniging en het recht om in een gezin te leven; wijst met klem op het belang van sociale bescherming van migrantenwerknemers en hun gezinnen; wijst erop dat de daadwerkelijke integratie van migranten moet berusten op een grondige beoordeling van de arbeidsmarkt en het toekomstige potentieel daarvan, een betere bescherming van de mensenrechten en arbeidsrechten van migrantenwerknemers, en een voortdurende dialoog met actoren op de arbeidsmarkt;

32.  benadrukt dat het leren van de taal van het gastland de levenskwaliteit van migranten en hun economische en culturele onafhankelijkheid aanzienlijk kan verbeteren en ook de toegang tot informatie over hun rechten in de ontvangende samenleving vergemakkelijkt; is van mening dat het taalonderwijs moet worden verzekerd door de autoriteiten van het ontvangende land; pleit ervoor migranten bij het volledige sociale en politieke besluitvormingsproces te betrekken;

33.  meent dat toegang tot werk, onderwijs en een onafhankelijke status ven essentieel belang is voor de integratie en emancipatie van vrouwelijke migranten; vraagt dat de inspanningen op dit gebied worden opgevoerd voor vrouwelijke migranten, die doorgaans ondervertegenwoordigd zijn, teneinde de toegenomen belemmeringen voor hun integratie en voor een versterking van hun positie weg te nemen;

34.  wijst erop dat ontvangende landen de emancipatie van migranten, en met name vrouwelijke migranten, moeten bevorderen door hen de nodige maatschappelijke kennis en vaardigheden te bieden, vooral op het gebied van beroepsopleiding en taalonderwijs, als onderdeel van een op sociaal-culturele inclusie gerichte aanpak;

35.  is van mening dat alle werknemers een arbeidscontract moeten krijgen in een taal die zij begrijpen en dat zij moeten worden beschermd tegen contractsubstitutie; benadrukt dat de bescherming van mensenrechten moet worden verbeterd via bilaterale overeenkomsten tussen landen van herkomst en bestemming;

36.  acht het van belang om samenhangende en alomvattende genderbewuste nationale beleidsmaatregelen op het gebied van migratie vast te stellen voor alle fasen van het migratieproces, gecoördineerd binnen de regering en ontwikkeld na uitgebreid overleg met nationale mensenrechtenorganisaties, de particuliere sector, werkgevers- en werknemersorganisaties, het maatschappelijk middenveld en migranten zelf en ondersteund door internationale organisaties;

37.  wijst erop dat iedereen, zowel mannen als vrouwen, recht heeft op veilige en rechtvaardige arbeidsomstandigheden en op de volledige eerbiediging van de rechten van werknemers, in overeenstemming met de internationale normen en instrumenten met betrekking tot de rechten van de mens en de basisverdragen van de IAO;

38.  wijst erop dat onzekere vormen van arbeid waarmee migranten, en met name vrouwelijke migranten, gewoonlijk te maken krijgen in het gastland tot een grotere kwetsbaarheid leiden; herinnert eraan dat arbeidsuitbuiting dikwijls een gevolg is van mensenhandel of -smokkel, maar zich ook kan voordoen buiten die twee misdrijven om; is in dit verband bezorgd over het feit dat tal van werkgevers in de gastlanden niet worden bestraft hoewel zij zich schuldig maken aan schendingen van de internationale normen van het arbeidsrecht ten aanzien van migrantenwerknemers; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de arbeidswetgeving in bepaalde landen praktijken toestaat die in strijd zijn met de internationale normen; is van mening dat bij het bestrijden van arbeidsuitbuiting van migranten een tweeledige aanpak moet worden gevolgd, waarbij de werkgevers die zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik doeltreffend worden vervolgd, en de slachtoffers in bescherming worden genomen;

39.  wijst op de noodzaak om de door migranten in hun land van herkomst verworven kwalificaties te erkennen als middel om hun onafhankelijkheid en sociale integratie in verschillende domeinen van de samenleving, en met name op de arbeidsmarkt, te vergemakkelijken; onderstreept dat migranten, met inbegrip van migranten die zich in een irreguliere situatie bevinden, het recht moeten hebben organisaties te vormen die de rechten van werknemers verdedigen en zich hierbij aan te sluiten, ook bij vakbonden, en dat deze structuren moeten worden erkend;

40.  spoort ondernemingen aan de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten toe te passen om ervoor te zorgen dat hun activiteiten geen negatieve gevolgen voor de mensenrechten hebben en te reageren indien dit zich toch zou voordoen, alsook om ernaar te streven alle negatieve gevolgen voor de mensenrechten die rechtstreeks verband houden met hun activiteiten te voorkomen of te beperken;

41.  verzoekt de Unie haar gecoördineerde diplomatieke inspanningen met de Verenigde Staten en andere internationale partners voort te zetten, met het oog op actieve samenwerking met derde landen om tegemoet te komen aan de dringende noodzaak van een gemeenschappelijke strategie voor het aanpakken van de huidige wereldwijde uitdaging op het vlak van migratie;

42.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid dringend alle concrete inspanningen te leveren die nodig zijn om daadwerkelijke en doeltreffende toezeggingen te verkrijgen van de betrokken derde landen;

43.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat de EU haar buitenlands beleid intensiveert, teneinde voor vrede en stabiliteit te zorgen in gebieden waar oorlog en conflicten tot enorme migratiestromen naar de Europese Unie leiden;

44.  herinnert eraan dat de Europese Unie en haar lidstaten de plicht hebben positieve maatregelen te nemen om de diepere oorzaken van de crises die aan de massale migratie ten grondslag liggen weg te nemen;

45.  vraagt om verbetering van de humanitaire omstandigheden in de landen van herkomst en doorgang, zodat de lokale bevolking en vluchtelingen in veiligere gebieden kunnen leven;

46.  spoort de strijdende partijen aan hun aanvallen op burgers te staken, hen te beschermen en in staat te stellen de gebieden waar geweld heerst veilig te verlaten of bijstand te ontvangen van humanitaire organisaties;

47.  benadrukt de invloed van Islamitische Staat en van de evolutie van deze beweging op de massale instroom van legitieme asielzoekers en irreguliere migranten; is zich bewust van de cruciale rol van beleidsmaatregelen inzake veiligheid en terrorismebestrijding voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie;

48.  herinnert aan de recente uitspraak van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen dat een groot aantal migranten het slachtoffer is van terrorisme en ernstige mensenrechtenschendingen en dat deze vluchtelingen daarom als zodanig moeten worden behandeld;

49.  herinnert eraan dat hervestigingsprogramma's onder auspiciën van de UNHCR een nuttig instrument vormen om de aankomst van personen die internationale bescherming behoeven in goede banen te leiden in tal van landen over de hele wereld; onderstreept dat voor zover hervestiging geen te overwegen optie is alle staten moeten worden aangespoord om programma's voor toelating op humanitaire gronden in te stellen en uit te voeren, of om ten minste de noodzakelijke omstandigheden te scheppen om vluchtelingen in staat te stellen dicht bij hun land van herkomst te blijven;

50.  wijst op de groeiende behoeften en het aanhoudende tekort aan financiering voor de humanitaire hulp die naar de buurlanden van Syrië wordt gestuurd, waardoor het Wereldvoedselprogramma met name de voedselrantsoenen voor vluchtelingen heeft moeten verminderen; verzoekt de lidstaten van de VN, alsook de Europese Unie en haar lidstaten om ten minste hun financiële verplichtingen na te komen; wijst erop hoe belangrijk het is om de hulp voor vluchtelingen in die landen te concentreren op de terbeschikkingstelling van bestaansmiddelen, de veiligheid van de vluchtelingen en hun toegang tot grondrechten, in het bijzonder de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, in nauwe samenwerking met de UNHCR, het Wereldvoedselprogramma en de bevoegde organen;

51.  wijst er andermaal op dat migratie en ontwikkeling met elkaar verband houden en dat ontwikkelingssamenwerking op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, arbeidsrecht, armoedebestrijding, mensenrechten, democratisering en de wederopbouw na afloop van een conflict, alsook de strijd tegen ongelijkheid, de gevolgen van de klimaatverandering en corruptie de sleutel vormen tot het voorkomen van gedwongen migratie; stelt vast dat land- en grondstoffenroof ernstige gevolgen kunnen hebben voor humanitaire crises en dat sociale, politieke en humanitaire crises mensen kunnen aanzetten tot migratie; is van mening dat migratie wereldwijd wordt gezien als een krachtig instrument voor duurzame en inclusieve ontwikkeling;

52.  roept de Unie en de internationale gemeenschap op een omschrijving te geven van specifieke initiatieven die overheden kunnen nemen om het potentieel van legale migratie als katalysator van ontwikkeling te vergroten; benadrukt dat politiek leiderschap en krachtige pleitbezorging nodig zijn, met name in de landen van bestemming, om vreemdelingenhaat te bestrijden en de sociale integratie van migranten te vergemakkelijken;

53.  is van oordeel dat migratie onderliggende oorzaken heeft (met name op het gebied van economie, politiek, maatschappij en milieu); meent dat ontwikkelingshulp gericht moet zijn op het werkelijk aanpakken van deze oorzaken, door een betere capaciteitsopbouw, ondersteuning van conflictoplossing en de bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat deze oorzaken verband houden met toenemende conflicten en oorlogen, mensenrechtenschendingen en het ontbreken van goed bestuur;

54.  onderstreept dat het belangrijk is om migratiebeheer te baseren op regionale en lokale samenwerking, met betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;

Een aanpak op basis van de eerbiediging van de mensenrechten

55.  dringt er bij alle actoren die betrokken zijn bij de uitwerking van beleid en bij de besluitvorming inzake asiel en migratie op aan om de definities van migranten en vluchtelingen niet te laten versmelten; wijst er andermaal op dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar vluchtelingen die een conflictgebied of vervolging ontvluchten en die in dat opzicht onder het asielrecht vallen zolang zij niet naar hun land van herkomst kunnen terugkeren; herinnert eraan dat de meeste vluchtelingen hun toevlucht zoeken in buurlanden en -regio's van hun land van herkomst; pleit daarom voor een holistische aanpak in het kader van het externe beleid van de Unie;

56.  verzoekt de staten alle internationale verdragen en akkoorden met betrekking tot de mensenrechten te ratificeren en de normen inzake de rechten van migranten toe te passen die te vinden zijn in een hele reeks rechtsinstrumenten, waaronder de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten en andere instrumenten in verband met migratie, zoals het VN-Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en de protocollen hierbij en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden; is in dit verband van mening dat het niet-ratificeren van dit laatste verdrag door de EU-lidstaten het mensenrechtenbeleid van de Unie en haar openlijke inzet voor de ondeelbaarheid van deze rechten ondergraaft;

57.  herinnert eraan dat het openstellen van veilige en legale migratieroutes het beste hulpmiddel vormt om mensenhandel te voorkomen en dat migratie en mobiliteit in ontwikkelingsstrategieën moeten worden erkend als motoren voor ontwikkeling in zowel het gastland als het land van herkomst door middel van geldovermakingen en investeringen; verzoekt de Unie en de meest ontwikkelde derde landen derhalve samen te werken om legale migratieroutes te creëren, naar het voorbeeld van goede praktijken in bepaalde staten, met name ter bevordering van gezinshereniging en mobiliteit – onder meer om economische redenen – en dit voor alle bekwaamheidsniveaus, ook voor de laagst geschoolde migranten, teneinde zwartwerk te bestrijden;

58.  is verheugd over de speciale bepalingen voor migranten, asielzoekers, ontheemden en staatlozen die zijn opgenomen in het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) voor de periode 2014-2020; vraagt de Commissie om de bescherming en de bevordering van de rechten van migranten als een prioriteit te blijven beschouwen bij de tussentijdse evaluatie van het instrument voor de mensenrechten in 2017-2018; vraagt de EDEO en de lidstaten om de verbintenissen na te komen die zij zijn aangegaan in het kader van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie dat in juli 2015 werd aangenomen, en mensenrechtengaranties op te nemen en te verbeteren in alle aan migratie gelieerde overeenkomsten, procedures en programma's met derde landen; meent dat alle overeenkomsten en programma's waar mogelijk vergezeld moeten gaan van een onafhankelijke evaluatie inzake mensenrechten en periodiek moeten worden geëvalueerd; pleit ervoor communicatie- en bewustmakingscampagnes te bedenken en te voeren over de kansen die migratie en migranten de samenleving kunnen bieden, zowel in het land van herkomst als in het gastland; herinnert er in dit verband aan dat het EIDHR ook in de toekomst projecten moet blijven financieren die een impuls geven aan de bestrijding van racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid, waaronder religieuze onverdraagzaamheid;

59.  verzoekt de Unie om als aanvulling op haar richtsnoeren inzake mensenrechten ook specifieke richtsnoeren met betrekking tot de rechten van migranten vast te stellen en in dit verband effectbeoordelingen uit te voeren en mechanismen voor de monitoring van het ontwikkelings- en migratiebeleid in te voeren, teneinde een doeltreffend overheidsbeleid ten aanzien van migranten te verzekeren; onderstreept hoe belangrijk het is de eerbiediging van de mensenrechten te integreren in al het beleid dat verband houdt met migratie in de externe betrekkingen van de Unie, met bijzondere aandacht voor buitenlandse zaken, ontwikkeling en humanitaire hulp; herhaalt dat de mensenrechten in alle externe beleidsmaatregelen van de Unie moeten worden geëerbiedigd, met name in het beleid op het gebied van handel, ontwikkeling, milieu en migratie, dat de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde doelstellingen moeten worden nagestreefd en dat mensenrechtenclausules moeten worden toegepast in alle overeenkomsten van de Unie, met inbegrip van handelsovereenkomsten; vraagt in dit opzicht dat samenwerking met derde landen op het gebied van migratie altijd vergezeld gaat van een evaluatie van hun hulpsystemen voor migranten en asielzoekers, van de bijstand die ze bieden aan vluchtelingen en van hun vermogen en vastberadenheid om mensenhandel en -smokkel te bestrijden; verzoekt de EU en de lidstaten om toenadering te zoeken tot landen zoals Canada die een doeltreffend hervestigingsbeleid voeren; onderstreept dat geen enkele beleidsmaatregel op dit gebied ten koste mag gaan van het beleid inzake ontwikkelingshulp;

60.  spoort ertoe aan dat het recht van vrij verkeer en het recht op onderwijs, gezondheid en werk als thematische prioriteiten worden opgenomen in de financieringsinstrumenten voor externe samenwerking van de Unie, en vraagt om steun voor ontwikkelingslanden zodat deze een langetermijnbeleid kunnen vaststellen waarin deze rechten worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie en de EDEO om in het kader van landenstrategieën voor mensenrechten bijzondere aandacht te schenken aan de rechten van migranten;

61.  wenst dat de rechten van migranten en vluchtelingen als afzonderlijk punt worden toegevoegd aan de agenda van de dialogen van de Unie met de betrokken derde landen, en dat de Europese financiering van projecten ter bescherming van kwetsbare personen en van ngo's, mensenrechtenactivisten, journalisten en advocaten die zich inzetten voor de verdediging van de mensenrechten een prioriteit vormt;

62.  roept de landen daarom op ervoor te zorgen dat onafhankelijke waarnemers, ngo's, nationale en internationale instellingen en organisaties, alsook de media, toegang krijgen tot alle faciliteiten voor de opvang of detentie van migranten; spoort EU-delegaties, ambassades van lidstaten en delegaties die het Europees Parlement bezoeken aan om toe te zien op de situatie van migranten in deze faciliteiten en bij de nationale autoriteiten stappen te ondernemen teneinde de eerbiediging van de rechten van migranten en de transparantie ten aanzien van het publiek te verzekeren;

63.  merkt op dat mensenhandelaars veel vluchtelingen een vervormd beeld voorhouden; benadrukt wederom dat het belangrijk is om mensenhandel te bestrijden, geldstromen af te snijden en netwerken te ontmantelen, aangezien dit wellicht een positief effect zal hebben op de mensenrechtensituatie van vluchtelingen uit derde landen die oorlog en terreur proberen te ontvluchten;

64.  pleit ten aanzien van de bescherming van de rechten van migranten voor nauwe samenwerking met de bevoegde internationale organisaties en andere instellingen en organisaties die zich bezighouden met het beheer van migratie, met name in de meest getroffen landen, om hen te helpen ervoor te zorgen dat migranten op waardige wijze en met eerbiediging van hun rechten worden opgevangen;

65.  benadrukt dat het om migrantensmokkel en mensenhandel te voorkomen noodzakelijk is de samenwerking met deze organisaties te versterken, door opleidingen te verbeteren, capaciteitsopbouwmaatregelen te nemen en mechanismen voor het delen van informatie in te stellen, onder meer via een effectbeoordeling van de netwerken van "immigratieverbindingsfunctionarissen" en van de samenwerking die deze met derde landen tot stand brengen ter bevordering van samenwerking in strafzaken, alsook door aan te sporen tot de ratificatie van de protocollen van Palermo op dit gebied om samenwerking in strafzaken te bevorderen, verdachten te identificeren en in samenwerking met de nationale autoriteiten bijstand te verlenen in het kader van strafrechtelijke onderzoeken;

66.  vraagt dat het Europees Parlement meer betrokken wordt bij de invoering van een horizontale benadering van de mensenrechten in het migratiebeleid en dat deze problematiek wordt opgenomen in het jaarverslag van de Unie over mensenrechten en democratie in de wereld, ook in het deel dat betrekking heeft op de aanpak per land; dringt aan op een strikter parlementair toezicht op de werkovereenkomsten die met derde landen worden gesloten en op andere externe samenwerkingsactiviteiten van betrokken EU-agentschappen; vraagt dat meer rekening wordt gehouden met de deskundigenverslagen en de gegevens van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) over de landen van herkomst van de vluchtelingen;

67.  erkent de rol en de bijdrage van het maatschappelijk middenveld in het kader van de politieke dialoog; onderstreept dat het belangrijk is het maatschappelijk middenveld te raadplegen bij alle maatregelen van het externe beleid van de Unie, waarbij speciale aandacht moet uitgaan naar volledige participatie, transparantie en een adequate verspreiding van informatie in alle beleidslijnen en processen die verband houden met migratie; herinnert eraan dat vrouwenorganisaties op besluitvormingsniveau moeten deelnemen aan de oplossing van conflicten, en dat vrouwelijke vluchtelingen, ontheemde vrouwen en vrouwelijke migranten op passende wijze betrokken moeten worden bij besluiten die op hen van toepassing zijn; verzoekt de Commissie en de EDEO om de capaciteit van nationale instellingen voor de rechten van de mens in derde landen te versterken, zodat zij hun inspanningen op het gebied van de bescherming van de rechten van migranten kunnen intensiveren en kunnen strijden tegen onmenselijke en vernederende behandeling en haatdragende taal ten aanzien van migranten, zoals vermeld in de Verklaring van Belgrado die is goedgekeurd door 32 bemiddelaars en nationale instellingen voor de rechten van de mens;

68.  dringt er bij de gastlanden op aan om een grotere rol toe te kennen aan migrantenverenigingen en om deze rechtstreeks te betrekken bij gemeenschapsontwikkelingsprogramma's;

69.  verzoekt de lidstaten hun toezegging na te komen om 0,7 % van hun bruto nationaal inkomen (bni) te besteden aan ontwikkelingshulp; dringt erop aan dat deze hulp niet afhankelijk wordt gesteld van samenwerking op migratiegebied en vraagt de Unie en haar lidstaten de financiering die is gebruikt voor de opvang van vluchtelingen niet mee te rekenen als ontwikkelingshulp;

70.  benadrukt dat de programma's voor ontwikkelingshulp niet alleen mogen worden ingezet voor doeleinden die met migratie en grensbeheer te maken hebben; dringt erop aan dat de ontwikkelingsprojecten van de EU die gericht zijn op migranten en asielzoekers op basis van het beginsel werken dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten, door de nadruk te leggen op primaire sociale voorzieningen, met name gezondheidszorg en onderwijs, en door bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare personen en groepen, zoals vrouwen, kinderen, minderheden en inheemse volkeren, LGBT-personen en personen met een handicap;

71.  wijst op de positieve aspecten van migratie voor de ontwikkeling van de landen van herkomst van de migranten, zoals bijvoorbeeld de geldovermakingen van migranten, die zo een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan families en aan de ontwikkeling van gemeenschappen; verzoekt de staten derhalve om de kosten voor geldovermakingen te verlagen;

72.  verzoekt de Unie en haar lidstaten op efficiënte en doeltreffende manier te zorgen voor samenhang in het ontwikkelingsbeleid en in het migratiebeleid met betrekking tot derde landen veel ruimte toe te kennen aan de eerbiediging van de mensenrechten;

73.  dringt erop aan dat de Unie de migratiedimensie opneemt in het post-Cotonoukader dat de toekomstige betrekkingen tussen de Unie en de ACS-landen zal bepalen; merkt op dat een grotere betrokkenheid van derde landen bij de ontwikkeling van en onderhandeling over TAMM-instrumenten (totaalaanpak van migratie en mobiliteit) het "partnerschapsaspect" van deze instrumenten zal verbeteren waardoor de plaatselijke inbreng en de doeltreffendheid ervan worden bevorderd;

74.  dringt aan op schuldsanering voor arme landen, om hen te helpen overheidsbeleid te ontwikkelen waarin de eerbiediging van de mensenrechten wordt gewaarborgd; staat erop dat duurzame oplossingen voor schulden, waaronder normen voor verantwoord lenen, moeten worden gefaciliteerd door een multilateraal juridisch kader voor processen van staatsschuldherstructurering, met het oog op het verlichten van de schuldenlast en het voorkomen van onhoudbare schulden, zodat de voorwaarden worden gecreëerd om de mensenrechten op de lange termijn te kunnen beschermen;

75.  is verheugd over de integratie van migratie in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), met name in doelstelling 10, die het kader zal vormen voor het mondiale ontwikkelingsbeleid tot 2030; herinnert eraan dat de staten hebben toegezegd internationaal samen te werken om een veilige, ordelijke en reguliere migratie te garanderen waarbij de mensenrechten volledig worden geëerbiedigd en migranten humaan worden behandeld, ongeacht hun status als migrant, vluchteling of ontheemde; merkt op dat gedwongen verplaatsing niet alleen een humanitaire kwestie is, maar ook een uitdaging op het gebied van ontwikkeling en dat de actoren op humanitair en ontwikkelingsgebied daarom beter op elkaar moeten inspelen; is van mening dat de tenuitvoerlegging van de SDG's een kans biedt om de op rechten gebaseerde benadering van asiel- en migratiebeleid te versterken en migratierichtsnoeren op te nemen in ontwikkelingsstrategieën; verzoekt de internationale gemeenschap meetbare indicatoren te gebruiken voor de SDG's over migratie en ook uitgesplitste gegevens te verzamelen en te publiceren over de toegang van migranten tot waardig werk, gezondheidszorg en onderwijs, met name in landen van bestemming die als ontwikkelingslanden kunnen worden aangemerkt, om zo het migratiebeheer te verbeteren;

76.  benadrukt dat de Unie en haar lidstaten de minst ontwikkelde landen (MOL's) moeten steunen in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering, om te vermijden dat de ellende in die landen groter wordt en dat het aantal ontheemden wegens milieuproblemen toeneemt;

77.  vraagt de Unie actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling" en aan de eventuele uitwerking van een definitie in het kader van het internationaal recht;

78.  wijst op de noodzaak van een effectievere coördinatie en een beoordeling van de tenuitvoerlegging, de effecten en de continuïteit van de verschillende financiële instrumenten die met betrekking tot migratie op het niveau van de Europese Unie beschikbaar zijn voor derde landen, en die betrekking hebben op terreinen als migratiebeleid, internationale ontwikkelingssamenwerking, buitenlands beleid, nabuurschapsbeleid en humanitaire hulp, waarvoor in de periode 2004-2014 voor meer dan 400 projecten meer dan 1 miljard EUR werd gemobiliseerd;

79.  benadrukt de effecten van de samenwerkingsinstrumenten van de Unie op het gebied van immigratie, asiel en mensenrechtenbescherming; neemt kennis van de oprichting van een noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en het fenomeen van ontheemding in Afrika; vraagt om een evaluatie en monitoring van dit fonds en soortgelijke overeenkomsten zoals de verklaring EU-Turkije en de processen van Khartoem en Rabat;

80.  benadrukt dat de steun uit hoofde van overeenkomsten met derde landen moet worden gericht op het oplossen van de sociale, economische en politieke crises die tot migratie leiden;

81.  onderstreept het belang van uitgebreidere samenwerking van de Europese Unie met derde landen in het kader van de instrumenten van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM) om het partnerschapskarakter van deze instrumenten, hun efficiëntie en hun bijdrage aan het oplossen van uitdagingen op het vlak van migratie te versterken;

82.  acht het noodzakelijk om de samenhang van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit te verbeteren, robuuste monitoring- en bewakingsmechanismen voor de eerbiediging van de mensenrechten te integreren in alle externe overeenkomsten en prioriteit te geven aan projecten in landen van herkomst en doorgang die zich ertoe lenen om de mensenrechtensituatie van migranten te verbeteren;

83.  spoort de Unie aan om partnerschapsovereenkomsten voor mobiliteit te sluiten met haar naaste partners;

84.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om enkel terugkeerbeleidsmaatregelen te overwegen naar landen van herkomst waar migranten in alle veiligheid kunnen worden opgevangen, waar hun fundamentele en procedurele rechten volledig worden geëerbiedigd, en vraagt in dat opzicht om de voorkeur te geven aan vrijwillige boven gedwongen terugkeer; wijst er nadrukkelijk op dat overeenkomsten die in het kader van dit beleid met derde landen worden gesloten vrijwaringsclausules moeten bevatten die ervoor zorgen dat migranten die naar hun land worden teruggestuurd niet worden geconfronteerd met schendingen van hun rechten en geen risico lopen op vervolging; onderkent het belang van periodieke evaluaties om uit te sluiten dat overnameovereenkomsten worden gesloten met landen die zich niet aan internationale mensenrechtennormen houden;

85.  vraagt om maatregelen tegen smokkelnetwerken en om een einde te maken aan mensenhandel; dringt aan op wettige en veilige routes, onder meer via humanitaire corridors, voor personen die op zoek zijn naar internationale bescherming; vraagt dat permanente en verplichte hervestigingsprogramma's worden vastgesteld en dat humanitaire visa worden toegekend aan personen die conflictgebieden ontvluchten, onder meer om hen de mogelijkheid te geven een derde land binnen te komen om daar asiel te kunnen aanvragen; dringt aan op de totstandbrenging van meer wettige routes en de ontwikkeling van algemene regels voor binnenkomst en verblijf, zodat migranten de toestemming krijgen om te werken en een baan kunnen zoeken;

86.  dringt sterk aan op de invoering en betere tenuitvoerlegging van beschermingskaders voor migranten die zich in noodsituaties bevinden op doorreis naar en aan de grenzen van de Unie;

87.  is verheugd over acties tegen mensensmokkelaars en -handelaars en is voorstander van een versterkt beheer van de buitengrenzen van de Unie; onderstreept de noodzaak van een alomvattende en concrete routekaart met het oog op snelle maatregelen voor de lange termijn die ook samenwerking met derde landen voor het aanpakken van georganiseerde criminele smokkelaarsnetwerken omvat;

88.  onderstreept dat migrantensmokkel verband houdt met mensenhandel en een ernstige schending vormt van de rechten van de mens; herinnert eraan dat de ontplooiing van missies, zoals EUNAVFOR MED, kan worden gebruikt om concreet de strijd aan te gaan met de migrantensmokkel; vraagt de Unie om dat soort operaties verder te zetten en op te voeren;

89.  acht het noodzakelijk om na te denken over een verbetering van de veiligheid en het grensbeleid en over de vraag hoe de toekomstige rollen van Frontex en het EASO kunnen worden versterkt; roept op tot solidariteit en toezeggingen in de vorm van voldoende bijdragen aan de begroting en de activiteiten van deze agentschappen;

90.  onderstreept dat de werking van de "hotspots" en de punten van binnenkomst aan de buitengrenzen van de EU moet worden verbeterd;

91.  verzoekt de Unie gegevensbescherming op te nemen in de overeenkomsten inzake het delen en uitwisselen van informatie aan de grenzen en op de migratieroutes;

92.  verzoekt de Europese Unie en de gastlanden doeltreffende instrumenten te creëren om informatiestromen te coördineren en op elkaar af te stemmen, en om gegevens in te zamelen, onderling te vergelijken en te analyseren;

o
o   o

93.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de VN, de Raad van Europa, de Afrikaanse Unie, de Organisatie van Amerikaanse Staten en de Liga van Arabische Staten.

(1) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 18.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 47.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0312.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.
(7) http://apum.parlement.ma/Future_Meetings/Docs/IISummit-of-Speakers_Lisbon-11MAY2015/DeclaracaoCimeira_EN.pdf
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(9) PB C 179 van 18.5.2016, blz. 40.
(10) Internationaal rapport 2015 van de VN over migratie, beschikbaar op http://www.un.org/en/development/desa/population/migration/publications/migrationreport/docs/MigrationReport2015_Highlights.pdf
(11) Artikel 13, lid 2, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM).


Strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen
PDF 206kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen (2015/2315(INI))
P8_TA(2016)0405A8-0243/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 81, 82, 83, 114, 208 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het strategisch kader van de EU voor mensenrechten en democratie dat op 25 juni 2012(1) door de Raad Buitenlandse Zaken is goedgekeurd, en het actieplan voor mensenrechten en democratie 2015-2019 dat op 20 juli 2015 door de Raad is goedgekeurd(2),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien zijn resoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van donderdag 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het beleid van de Europese Unie ter zake(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector en het effect op de mensenrechten in derde landen(5),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei(6),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(7),

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad 26/9 van 26 juni 2014 waarin de UNHRC besloot een open intergouvernementele werkgroep op te richten voor de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens,

–  gezien de richtsnoeren van de Verenigde Naties betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten (UNGP's), de herziene richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het raamwerk van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad (IIRC), de tien beginselen van het Global Compact van de Verenigde Naties, en de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid van de Internationale Organisatie voor normalisatie, en de gebruikersgids voor het Europese midden- en kleinbedrijf (mkb) over de ISO-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid van het Europees Normalisatiebureau voor ambacht, handel en het mkb,

–  gezien het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa aan de lidstaten over mensenrechten en het bedrijfsleven die op 2 maart 2016 is aangenomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie over een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 (COM(2011)0681) en het groenboek van de Commissie met als titel "De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven" (COM(2001)0366) en de hierin vervatte definitie van sociale verantwoordelijkheid van bedrijven, alsmede de daaropvolgende mededelingen van 2006 en 2011,

–  gezien de extraterritoriale verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit de beginselen van Maastricht,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0243/2016),

A.  overwegende dat de EU berust op waarden als eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat haar internationaal optreden (waaronder haar handelsbeleid) berust op deze beginselen;

B.  overwegende dat de VN-richtsnoeren voor bedrijven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, sector, plaats, eigenaars en structuur, hoewel doeltreffende controle- en sanctiemechanismen een uitdaging blijven bij de mondiale tenuitvoerlegging van de UNGP's; overwegende dat het Europees Parlement in zijn resoluties van 6 februari 2013 de aandacht vestigde op de bijzondere kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die bij het beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in aanmerking moeten worden genomen en op het feit dat voor kmo's een flexibele MVO-aanpak nodig is die op hun potentieel is toegesneden;

C.  overwegende dat bedrijven in de tien beginselen van het Global Compact van de VN(8) wordt gevraagd om binnen hun invloedssfeer een reeks kernwaarden op het gebied van mensenrechten, arbeidsnormen, milieu en corruptiebestrijding te integreren, te ondersteunen en na te leven, en zich er zo toe te verplichten deze waarden na te leven en vrijwillig in hun bedrijfsvoering op te nemen;

D.  overwegende dat bedrijven tot de belangrijkste spelers in de economische globalisering, financiële diensten en de internationale handel behoren en verplicht zijn alle toepasselijke wetten en geldende internationale verdragen na te leven en de mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat handel en mensenrechten elkaar versterken en overwegende dat het bedrijfsleven niet alleen verplicht is de mensenrechten na te leven, maar tevens een belangrijke rol kan spelen bij het bieden van positieve stimulansen bij het bevorderen van de mensenrechten, de democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

E.  overwegende dat ondernemingen echter soms schendingen van de mensenrechten begaan of hiertoe bijdragen, de rechten van kwetsbare groepen, zoals minderheden, inheemse bevolkingsgroepen, vrouwen en kinderen aantasten, of milieuproblemen verergeren;

F.  overwegende dat mensenrechtenschendingen door ondernemingen wereldwijd een zorgwekkend fenomeen zijn en dat alle ondernemingen in de wereld verplicht zijn om de mensenrechten te eerbiedigen, terwijl Europese instellingen in de eerste plaats de plicht hebben de aansprakelijkheid te reguleren van ondernemingen die banden hebben met de EU;

G.  overwegende dat veel internationaal en in derde landen actieve bedrijven, of ze nu Europees zijn of niet, in Europa gevestigd zijn, het eigendom zijn van Europese concerns, tegoeden of goederen in Europa hebben of zeggenschap uitoefenen over andere bedrijven in Europa, of investeringen ontvangen of gebruikmaken van de financiële diensten van instellingen in Europa; overwegende dat de globalisering en de technologische ontwikkeling ertoe hebben geleid dat ondernemingen activiteiten zijn gaan uitbesteden aan lokale toeleveranciers of gebruik zijn gaan maken van goederen of diensten in hun toeleverings- of productieketen die worden geproduceerd of verricht door andere ondernemingen in veel verschillende landen en daardoor onder jurisdicties met uiteenlopende rechtssystemen, uiteenlopende niveaus van mensenrechtenbescherming en -normen en uiteenlopende handhavingsniveaus vallen;

H.  overwegende dat de bescherming van de mensenrechten een prioriteit moet zijn voor de lidstaten en voor de Unie zelf; overwegende dat de EU een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor wereldwijd verantwoord ondernemen die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen; overwegende dat schendingen van de mensenrechten doeltreffende rechtsmiddelen vereisen; overwegende dat zowel de nationale als de internationale wetgeving moet voorzien in een eerlijker en doeltreffender stelsel van rechtsmiddelen voor schendingen van de mensenrechten door ondernemingen;

I.  overwegende dat het nog steeds ontbreekt aan een holistische benadering van de aansprakelijkheid van ondernemingen in verband met mensenrechtenschendingen; overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarbij internationale bedrijven betrokken zijn met talloze hindernissen te maken krijgen wat de toegang tot rechtsmiddelen betreft, met inbegrip van procedurele belemmeringen bij de ontvankelijkheid en toegang tot bewijsmateriaal, vaak extreem hoge proceskosten, en een gebrek aan duidelijke aansprakelijkheidsnormen voor de betrokkenheid van ondernemingen bij mensenrechtenschendingen;

Bedrijven en mensenrechten

1.  stelt vast dat de rol van bedrijven bij het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten steeds belangrijker zal worden door de toenemende globalisering en internationalisering van bedrijfsactiviteiten en toeleveringsketens, en dat dit tot een situatie zal leiden waarin internationale normen, regels en samenwerking van essentieel belang zijn om mensenrechtenschendingen in derde landen te voorkomen; is zeer verontrust over schendingen van de mensenrechten in derde landen, die worden begaan door zowel individuele personen, niet-overheidsactoren als staten, en soms ook als gevolg van managementbeslissingen van bedrijven en ondernemingen uit de EU; herinnert bedrijven aan hun verantwoordelijkheid om de mensenrechten te respecteren bij hun wereldwijde activiteiten, ongeacht de woonplaats van hun gebruikers en onafhankelijk van de vraag of de ontvangende staat voldoet aan zijn verplichting tot het respecteren van de mensenrechten;

2.  stelt vast dat de snelle vorderingen van de technologie dringend aandacht behoeven, evenals een degelijk juridisch kader;

3.  herhaalt dat met spoed op alle niveaus, waaronder op nationaal, Europees en internationaal niveau, op blijvende, doeltreffende en samenhangende wijze actie moet worden ondernomen, om mensenrechtenschendingen door internationale ondernemingen doeltreffend aan te pakken wanneer zij zich voordoen en het hoofd te bieden aan de juridische problemen die voortvloeien uit het extraterritoriale karakter van bedrijven en hun activiteiten, en aan de hiermee samenhangende onzekerheid over de vraag waar de aansprakelijkheid voor schendingen van de mensenrechten ligt;

De internationale context

4.  is verheugd over de aanneming van de UNGP's en is fervent voorstander van de wereldwijde toepassing ervan; benadrukt dat de UNGP's binnen de VN unaniem zijn goedgekeurd met de volledige steun van de EU-lidstaten, de IAO en de Internationale Kamer van Koophandel, met inbegrip van steun voor een "slimme combinatie" van regelgeving en vrijwillige maatregelen; vindt dat de UNGP's en andere internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen consequent door EU‑vertegenwoordigers moeten worden aangekaart in mensenrechtendialogen met derde landen; roept bedrijven er voorts toe op de UNGP's toe te passen, onder andere door het instellen van een beleid van gepaste zorgvuldigheid en voorzorgsmaatregelen voor risicobeheer, en door voor doeltreffende rechtsmiddelen te zorgen als hun activiteiten een negatief effect op de mensenrechten hebben gecreëerd of hiertoe hebben bijgedragen;

5.  erkent het Global Compact van de VN, de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO en de richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO als instrumenten die ondernemingen kunnen aanzetten om verantwoordelijker te handelen;

Oproep aan bedrijven en hun plicht om de mensenrechten te eerbiedigen

6.  verzoekt bedrijven, of ze nu Europees zijn of niet, zorgvuldigheidsprocessen in verband met de mensenrechten toe te passen en de uitkomsten daarvan op te nemen in intern beleid en procedures, en hieraan de nodige middelen en autoriteit te koppelen; benadrukt dat hiervoor voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken; onderstreept dat transparantie en communicatie betreffende maatregelen die genomen zijn om mensenrechtenschendingen in derde landen te voorkomen, van essentieel belang zijn om goed democratisch toezicht mogelijk te maken en consumenten in staat te stellen een op feiten gebaseerde keuze te maken;

7.  erkent het grote belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en is verheugd over het toenemende gebruik van op MVO gebaseerde instrumenten en de door bedrijven gedane toezeggingen; benadrukt echter ten sterkste dat eerbiediging van de mensenrechten een morele plicht en wettelijke verplichting is voor ondernemingen en bedrijfsleiders en moet worden verwerkt in een economisch perspectief op lange termijn, onafhankelijk van de locatie, de omvang of de sector van de onderneming in kwestie; erkent dat specifieke juridische verplichtingen voor ondernemingen concreet moeten worden afgestemd op hun omvang en capaciteiten en dat de EU en de lidstaten ernaar moeten streven het doel van een optimale bescherming van de mensenrechten te bereiken door middel van doeltreffende maatregelen, en niet door een overdaad aan administratieve en bureaucratische formaliteiten;

8.  is van mening dat er bij de tenuitvoerlegging van MVO-richtsnoeren voldoende speelruimte moet bestaan voor de specifieke eisen van de afzonderlijke lidstaten en regio's, met speciale aandacht voor de capaciteit van kmo's; is ingenomen met de actieve samenwerking van de Commissie, het Parlement en de Raad met andere internationale organen met het oog op een fundamentele convergentie van MVO‑initiatieven op de lange termijn, de uitwisseling en bevordering van goede bedrijfsmethoden met betrekking tot MVO, en de verdere ontwikkeling van de in de ISO-norm 26 000 van de Internationale Organisatie voor normalisatie vastgelegde richtsnoeren, teneinde tot één allesomvattende, coherente en transparante definitie van MVO te komen; dringt er bij de Commissie op aan een doeltreffende bijdrage te leveren aan de begeleiding en coördinatie van het beleid van de lidstaten om aldus het risico zo veel mogelijk te beperken dat er als gevolg van divergente benaderingen extra kosten ontstaan voor in meerdere lidstaten actieve ondernemingen;

9.  herhaalt dat er aandacht nodig is voor de bijzondere kenmerken van kmo's, die voornamelijk op lokaal en regionaal niveau en binnen specifieke sectoren actief zijn; acht het daarom van fundamenteel belang dat er in het MVO-beleid van de Unie, inclusief de nationale MVO-actieplannen, rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van kmo's, dat dit strookt met het "think small first"-beginsel en dat de informele en intuïtieve benadering van kmo's ten aanzien van MVO hierin wordt erkend; verzet zich andermaal tegen alle maatregelen die tot meer administratieve of financiële lasten voor kmo's kunnen leiden en steunt daarentegen alle maatregelen die kmo's in staat stellen gezamenlijk te opereren;

10.  herhaalt dat indien blijkt dat bedrijven schade hebben veroorzaakt of hieraan hebben bijgedragen, zij de morele maar ook de juridische verantwoordelijkheid op zich zouden moeten nemen en moeten voorzien in of moeten deelnemen aan een doeltreffende voorziening in rechte voor de betrokken personen en gemeenschappen; merkt op dat het hierbij gaat om restitutie, schadevergoeding, rehabilitatie en garanties dat er geen herhaling zal plaatsvinden;

11.  is verheugd over het gebruik om de verantwoordelijkheid voor de eerbiediging van de mensenrechten op te nemen in bindende contractuele verplichtingen tussen bedrijven en hun klanten – zowel andere bedrijven als particulieren – en toeleveranciers; merkt op dat dergelijke verplichtingen in de meeste gevallen door middel van gerechtelijke middelen kunnen worden gehandhaafd;

Oproep aan de lidstaten en hun plicht om de mensenrechten te eerbiedigen

12.  is zeer verheugd over de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN-verdrag inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten; betreurt obstructieve houdingen met betrekking tot dit proces en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan dat zij op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deelnemen;

13.  herinnert aan de verschillende maar aanvullende rollen van landen en bedrijven met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten; herinnert eraan dat landen binnen hun rechtsmacht verplicht zijn de mensenrechten te beschermen, ook tegen schendingen door bedrijven, zelfs als deze in derde landen actief zijn; herinnert er met klem aan dat landen, in geval van schendingen van de mensenrechten, de slachtoffers toegang moeten geven tot een doeltreffende voorziening in rechte; herinnert er in dit verband aan dat eerbiediging van de mensenrechten door derde landen, met inbegrip van de garantie van effectieve rechtsmiddelen voor iedereen binnen hun rechtsmacht, een essentieel onderdeel vormt van de buitenlandse betrekkingen van de EU met deze landen;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beleidscoherentie ten aanzien van het bedrijfsleven en de mensenrechten te waarborgen op alle niveaus: binnen de verschillende EU-instellingen, tussen de instellingen, en tussen de EU en haar lidstaten, en met name wat het handelsbeleid van de Unie betreft; vraagt de Commissie en de lidstaten bovengenoemd beginsel uitdrukkelijk op te nemen in alle verdragen die zij sluiten, in overeenstemming met de internationale verplichtingen die zij zijn aangegaan op het vlak van de mensenrechten; merkt op dat hiertoe intensieve samenwerking nodig zal zijn tussen verschillende directoraten-generaal binnen de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden;

15.  roept de EU, de lidstaten, derde landen en alle nationale en internationale autoriteiten ertoe op bindende instrumenten voor de effectieve bescherming van de mensenrechten op dit gebied met spoed en met een zo breed mogelijk toepassingsgebied aan te nemen, en ervoor te zorgen dat alle nationale en internationale verplichtingen die voortvloeien uit bovengenoemde internationale regels volledig worden gehandhaafd; hoopt dat de Europese inspanningen op het gebied van MVO als voorbeeld voor andere landen kunnen dienen; is ervan overtuigd dat nationale ontwikkelingsbanken het goede voorbeeld moeten geven wat betreft controleerbare eerbiediging van de mensenrechten;

16.  roept alle landen, met inbegrip van de EU en de lidstaten, ertoe op de UNGP's op alle terreinen die onder hun respectieve bevoegdheid vallen spoedig en met kracht ten uitvoer te leggen, mede door het uitwerken van nationale actieplannen; betreurt dat, ondanks de mededeling van de Commissie over MVO uit 2011, niet alle lidstaten verklaringen of beleid betreffende MVO met vermelding van de mensenrechten hebben aangenomen of plannen voor het bedrijfsleven en de mensenrechten openbaar hebben gemaakt, en spoort de EU ertoe aan haar plan openbaar te maken; verzoekt de lidstaten nationale actieplannen te ontwikkelen of bestaande plannen te herzien overeenkomstig de richtsnoeren van de VN-werkgroep voor het bedrijfsleven en de mensenrechten; dringt erop aan dat deze plannen worden uitgewerkt aan de hand van basisevaluaties die lacunes in wetgeving aan het licht brengen, en dat er mechanismen worden opgezet voor toezicht op de tenuitvoerlegging van deze plannen, het beleid en de praktijk en voor de beoordeling van de doeltreffendheid ervan, eveneens door middel van zinvolle participatie van belanghebbenden;

17.  verzoekt de lidstaten samenhangende, holistische, doeltreffende en bindende wetgeving vast te stellen om aan hun plicht te voldoen om schendingen van de mensenrechten door onder hun jurisdictie vallende bedrijven te voorkomen, onderzoeken en bestraffen en slachtoffers schadeloos te stellen, ook voor mensenrechtenschendingen die in derde landen zijn begaan;

18.  verzoekt de EU en de lidstaten duidelijke regels vast te stellen wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten door bedrijven die op hun grondgebied of binnen hun rechtsmacht zijn gevestigd, in al hun activiteiten, in elk land en elke context waarin zij actief zijn, en bij al hun zakelijke betrekkingen, ook buiten de EU; is van mening dat ondernemingen, naar gelang hun omvang en capaciteiten, met inbegrip van banken en andere financierings- of kredietinstellingen die in derde landen actief zijn, ervoor moeten zorgen dat zij stelsels hebben om risico's te beoordelen en mogelijke negatieve gevolgen te verminderen in verband met de mensenrechten, de arbeidsnormen, milieubescherming en aan rampen gerelateerde aspecten van hun activiteiten en waardeketens, verzoekt de lidstaten regelmatig de goede werking van dergelijke wetten te beoordelen en eventuele tekortkomingen te verhelpen;

19.  herinnert eraan dat de recente ontwikkelingen op het gebied van nationale wetgeving, zoals de Britse wet inzake hedendaagse slavernij en transparantie in toeleveringsketens en de Franse wet inzake zorgplicht, belangrijke stappen vormen in de richting van verplichte zorgvuldigheid ten aanzien van mensenrechten, en dat de EU reeds stappen heeft ondernomen (zoals de EU-houtverordening, de EU-richtlijn inzake bekendmaking van niet-financiële informatie, het voorstel van de Commissie voor een verordening tot instelling van een Uniesysteem voor zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor verantwoordelijke importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden); verzoekt de Commissie, de lidstaten en alle andere landen kennis te nemen van dit model wat betreft de invoering van verplichte zorgvuldigheid ten aanzien van de mensenrechten;

20.  benadrukt dat verplichte zorgvuldigheid ten aanzien van de mensenrechten de in de UNGP's voorgeschreven stappen zou moeten volgen en dat er een aantal overkoepelende beginselen zouden moeten worden gehanteerd aangaande de proactieve identificatie van risico's voor de mensenrechten, het opstellen van strenge en aantoonbare actieplannen om deze risico's te voorkomen of te beperken, de adequate respons op bekende schendingen, alsmede transparantie; benadrukt dat in de beleidsmaatregelen rekening moet worden gehouden met de omvang van bedrijven en de daarmee verband houdende capaciteiten, met bijzondere aandacht voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen; onderstreept dat er in alle stadia overleg met de betrokken actoren moet zijn, en dat alle relevante informatie over projecten of investeringen aan de belanghebbenden bekend moet worden gemaakt;

21.  roept alle landen, en met name de EU en de lidstaten ertoe op voor onmiddellijke actie voorrang te geven aan de invoering van verplichte zorgvuldigheid ten aanzien van mensenrechten voor bedrijven die eigendom zijn of onder toezicht staan van de overheid, en/of aanzienlijke subsidie en diensten van overheidswege of van Europese instellingen ontvangen, alsook voor bedrijven die goederen of diensten leveren via overheidsopdrachten;

22.  verzoekt de EU en de lidstaten bedrijven die grondstoffen of goederen gebruiken die uit door conflicten getroffen gebieden kunnen komen, in het kader van de huidige wetgevingsprocedure te vragen de herkomst en hun gebruik van dergelijke grondstoffen en goederen openbaar te maken door middel van etikettering, teneinde volledige informatie te verstrekken over de inhoud en de herkomst van producten, door hun leveranciers, of deze nu Europees zijn of niet, te vragen deze gegevens vrij te geven; pleit voor steun ten aanzien van de verplichte zorgvuldigheidseisen met betrekking tot zogeheten conflictmineralen voor importeurs van mineralen en metalen als tin, tantaal, wolfraam, hun ertsen, en goud, op basis van de OESO-richtsnoeren inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden; dringt erop aan dat passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen in dit proces in aanmerking wordt genomen;

23.  merkt met voldoening op dat, ten gevolge van de herziening van de bestaande jaarrekeningrichtlijn 2014/95/EU wat betreft de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie betreffende diversiteit, grote bedrijven en concerns vanaf 2017 verplicht zijn informatie bekend te maken over beleid, risico's en resultaten betreffende de eerbiediging van de mensenrechten en hiermee samenhangende kwesties; spoort de lidstaten aan de herziene jaarrekeningrichtlijnen binnen de vastgestelde termijn volledig ten uitvoer te leggen, met inbegrip van adequate, doeltreffende mechanismen om te waarborgen dat bedrijven zich aan de verslagleggingseisen houden; spoort de Commissie aan duidelijke richtsnoeren voor bedrijven uit te werken betreffende de nieuwe vereisten inzake de bekendmaking van niet-financiële informatie; beveelt aan hierbij in te gaan op de vraag welke elementen minimaal nodig zijn om goed en volledig te kunnen doorgronden wat de voornaamste risico's en gevolgen voor de mensenrechten zijn van de activiteiten van een bedrijf en in de wereldwijde waardeketen van dat bedrijf;

Toegang tot doeltreffende rechtsmiddelen

24.  verzoekt de Commissie in overleg met alle belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en ondernemingen, grondig onderzoek te verrichten naar bestaande belemmeringen bij de toegang tot de rechter in gevallen waarin mogelijke schendingen van de mensenrechten door in de EU gevestigde bedrijven in het buitenland aan de rechtbank in lidstaten worden voorgelegd; dringt erop aan dat deze evaluatie vooral gericht moet zijn op het definiëren en bevorderen van doeltreffende maatregelen om dergelijke belemmeringen weg te nemen of af te zwakken;

25.  roept de lidstaten ertoe op om in samenwerking met internationale partners alle passende maatregelen te nemen om er door middel van gerechtelijke, administratieve, wetgevende of andere passende middelen voor te zorgen dat, in geval van schendingen van de mensenrechten, de slachtoffers hiervan toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte wanneer een in de EU gevestigde onderneming de leiding heeft of zeggenschap heeft over bedrijven die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in derde landen; roept de lidstaten ertoe op passende maatregelen te nemen om wettelijke, praktische of andere obstakels weg te nemen die de toegang tot een voorziening in rechte kunnen belemmeren, en te zorgen voor adequate procedurele middelen om slachtoffers in derde landen toegang te bieden tot de rechter, zowel via civiele als strafrechtelijke procedures; verzoekt staten in dit verband de dekmantel van de rechtspersoonlijkheid weg te nemen, aangezien deze kan verhullen wie de daadwerkelijke eigenaars zijn van bepaalde ondernemingen;

26.  roept de EU en alle landen, met name de EU-lidstaten, ertoe op financiële en procedurele hindernissen in civielrechtelijke procedures aan te pakken; is ingenomen met Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie van 11 juni 2013(9) en dringt er bij alle lidstaten op aan deze te volgen; is van mening dat het door deze aanbeveling geboden instrument de kosten van geschillen kan verminderen voor slachtoffers van schendingen van de mensenrechten; dringt erop aan dit rechtsmiddel ook in derde landen open te stellen voor alle slachtoffers van mensenrechtenschendingen, en pleit voor algemeen geldende normen zodat vertegenwoordigende organisaties een klacht kunnen indienen namens mogelijke slachtoffers;

Verzoeken aan de Commissie

27.  is zich ervan bewust dat "maatschappelijk verantwoord ondernemen" geen op zichzelf staand concept is, maar aan een groot aantal wettelijke en politieke gebieden raakt;

28.  is verheugd over de niet-bindende initiatieven voor de particuliere sector voor een verantwoord beheer van waardeketens zoals ingediend door de Commissie, maar benadrukt dat niet-bindende initiatieven voor de particuliere sector op zichzelf onvoldoende zijn; roept op tot de invoering op korte termijn van bindende en afdwingbare regels en hiermee samenhangende sancties en mechanismen voor onafhankelijk toezicht;

29.  is verheugd over de nieuwe verordening betreffende een schema van algemene preferenties (SAP+), die in werking is getreden op 1 januari 2014(10), als een zeer belangrijk instrument voor het EU-handelsbeleid ter bevordering van de mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed beheer in kwetsbare ontwikkelingslanden; is in het bijzonder verheugd over het strenge en systematische SAP+-toezichtsmechanisme en wenst dat de nadruk wordt gelegd op de effectieve tenuitvoerlegging op nationaal niveau van de in de overeenkomst opgenomen overeenkomsten;

30.  onderstreept dat de EU en de lidstaten de mensenrechten moeten beschermen; merkt op dat handelsovereenkomsten in het algemeen kunnen bijdragen tot bekrachtiging van het op regels gebaseerde wereldwijde handelssysteem en dat handel en waarden hand in hand moeten gaan, zoals de Commissie onlangs in haar nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen" heeft uiteengezet; herinnert eraan dat de mogelijke mensenrechteneffecten van handels- en investeringsovereenkomsten moeten worden geëvalueerd en dat op basis hiervan de nodige mensenrechtenclausules en -waarborgen moeten worden opgenomen waarmee de bekende risico's voor de mensenrechten kunnen worden opgevangen en aangepakt; verzoekt de Commissie alle noodzakelijke en mogelijke maatregelen te nemen om op holistische en samenhangende wijze te kunnen optreden, en verzoekt met klem om de systematische opname in handels- en investeringsovereenkomsten van regels inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor schendingen van de mensenrechten, die op nationaal niveau ten uitvoer moeten worden gelegd, en van verwijzingen naar internationaal erkende beginselen en richtsnoeren;

31.  verzoekt de Commissie met spoed een wetgevingsvoorstel voor te leggen over controle op de uitvoer van goederen voor tweeledig gebruik, aangezien door Europese bedrijven ontwikkelde technologie nog steeds gebruikt wordt voor mensenrechtenschendingen over de hele wereld;

32.  roept met klem op tot de ontwikkeling van een samenhangend rechtscorpus, met inbegrip van regels betreffende toegang tot de rechter, rechtsmacht, de erkenning en handhaving van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, het toepasselijke recht en rechtsbijstand in grensoverschrijdende situaties waarbij derde landen betrokken zijn;

33.  wenst dat er wordt nagedacht over de uitbreiding van de regels ten aanzien van de rechtsmacht uit hoofde van de Verordening Brussel I(11) tot verweerders uit derde landen in acties tegen ondernemingen die een duidelijke band hebben met een of meerdere lidstaten – omdat zij in de Unie gevestigd zijn of hun activiteiten daar voor een aanzienlijk deel of voornamelijk plaatsvinden – alsmede tegen ondernemingen waarvoor de EU een belangrijke afzetmarkt vormt;

34.  dringt aan op betere toegang tot bewijsmateriaal door middel van verbeterde procedures voor het openbaren van bewijsmateriaal;

35.  herinnert eraan dat, in geval van mensenrechtenschendingen door ondernemingen, sprake kan zijn van persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid, en wenst dat diegenen die verantwoordelijk zijn voor dergelijke misdaden op passend niveau worden vervolgd; verzoekt de lidstaten wettelijke, procedurele en praktische hindernissen aan te pakken die vervolgingsautoriteiten beletten onderzoek te doen naar bedrijven en/of hun vertegenwoordigers die betrokken zijn bij misdrijven op het gebied van mensenrechtenschendingen, en het moeilijk maken hen te vervolgen;

36.  verzoekt de Raad en de Commissie in overeenstemming met artikel 83 VWEU minimumregels vast te stellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties voor bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie in verband met ernstige mensenrechtenschendingen in derde landen door ondernemingen, gezien de aard en effecten van dergelijke overtredingen en de bijzondere noodzaak hiertegen gemeenschappelijk op te treden;

37.  onderstreept dat de volledige eerbiediging van de mensenrechten in de productieketen fundamenteel is en geen kwestie van keuze voor de consument; roept, teneinde tot een groter besef bij producenten en consumenten te komen, op tot invoering van een gecertificeerd "schendingvrij"-keurmerk op EU-niveau, waarbij bedrijven zich vrijwillig kunnen aansluiten, dat onder toezicht staat van een onafhankelijk orgaan dat strikte regels toepast en inspectiebevoegdheden heeft, en controleert en certificeert dat in geen enkele fase van de productieketen van het product in kwestie schendingen zijn begaan; vindt dat de EU en de lidstaten dit "schendingvrij"-keurmerk moeten promoten; beveelt aan dat de producten die dit "schendingvrij"-keurmerk krijgen, in aanmerking komen voor voordelen;

38.  dringt er met klem bij de Commissie op aan een Europese campagne te lanceren ter invoering en bevordering van een "schendingvrij"-keurmerk, waarmee de Europese consument wordt aangespoord te kiezen voor producten en bedrijven die dit keurmerk dragen en tevens alle bedrijven en ondernemingen worden opgeroepen om optimale methodes te hanteren wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en daarmee verband houdende kwesties;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten regelmatig verslag uit te brengen van de stappen die zijn genomen om doeltreffende bescherming van de mensenrechten te waarborgen in de context van het bedrijfsleven, alsmede van de bereikte resultaten en de resterende lacunes bij de bescherming, en de aanbevolen maatregelen om deze lacunes te verhelpen;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11855-2012-INIT/nl/pdf
(2) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/nl/pdf
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(4) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 141.
(5) PB C 181 van 19.5.2016, blz.2.
(6) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 28.
(7) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.
(8) https://www.unglobalcompact.org/what-is-gc/mission/principles
(9) PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60.
(10) http://ec.europa.eu/trade/policy/countries-and-regions/development/generalised-scheme-of-preferences/
(11) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=URISERV%3Al33054


De EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag
PDF 214kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (2016/2059(INI))
P8_TA(2016)0406A8-0278/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 inzake een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (COM(2016)0049),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een veerkrachtige energie-unie en een toekomstgericht klimaatbeleid" (COM(2015)0080) en de bijbehorende bijlagen,

–  gezien de Energiestrategie 2030 die wordt uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2014 getiteld "Energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030" (COM(2014)0520),

–  gezien het vijfde evaluatierapport van de IPCC – rapport van Werkgroep I, getiteld "Climate Change 2013: The Physical Science Basis",

–  gezien Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen(1),

–  gezien de overeenkomst van Parijs, die in december 2015 is gesloten op de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld "Een EU‑strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien speciaal verslag nr. 16/2015 van de Europese Rekenkamer, getiteld "Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig",

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie”(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0278/2016),

A.  overwegende dat gas de komende decennia een belangrijke rol kan blijven spelen in de industriële productie, voor de verwarming van gebouwen en ter ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen in het energiebestel van de EU, terwijl de EU werkt aan de verwezenlijking van haar streefcijfers voor broeikasgasemissies, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en aan de overgang naar een koolstofarme economie, waarbij gas geleidelijk aan een steeds minder belangrijke rol zal gaan spelen ten gunste van schone energiebronnen;

B.  overwegende dat aardgas een fossiele brandstof is die, indien niet goed beheerd, gedurende de levenscyclus ervan (productie, transport, gebruik) een aanzienlijke hoeveelheid methaan kan uitstoten; overwegende dat methaan over een periode van 20 jaar een aardopwarmingspotentieel heeft dat significant hoger is dan dat van CO2 en derhalve een aanzienlijke bijdrage aan klimaatverandering levert;

C.  overwegende dat de Europese Unie er veel belang aan hecht de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990;

D.  overwegende dat de afhankelijkheid van Europa van ingevoerd gas de komende jaren waarschijnlijk zal toenemen en in bepaalde lidstaten al 100 % bedraagt wanneer er geen of slechts een beperkt aantal alternatieve leveranciers of aanvoerroutes zijn;

E.  overwegende dat vloeibaar aardgas (LNG) Europa kansen biedt, zowel om voor meer concurrentievermogen te zorgen door een neerwaartse druk op de aardgasprijzen uit te oefenen als om de voorzieningszekerheid te vergroten; overwegende dat aardgas bij de elektriciteitsopwekking ook een flexibele back-up is voor hernieuwbare energiebronnen;

F.  overwegende dat het gebruik van aardgas voor voertuigen (CNG en LNG), zoals vastgesteld in Richtlijn 2014/94/EU inzake de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, substantiële milieuvoordelen zou opleveren;

G.  overwegende dat de EU zich actief moet richten op de ontwikkeling van haar binnenlandse conventionele gasbronnen, zoals de in Cyprus ontdekte bronnen;

H.  overwegende dat de EU als op een na grootste importeur van LNG ter wereld een proactievere rol moet spelen in de internationale energiediplomatie;

I.  overwegende dat het belangrijk is om werk te maken van een geïntegreerd voorstel voor de benutting van binnenlandse energiebronnen, zoals de gasvoorraden in de Cypriotische EEZ, alsook om de oprichting te ondersteunen van een LNG‑liqueficatieterminal op Cyprus, zodat ook de voorraden uit de grotere regio kunnen worden geëxploiteerd;

J.  overwegende dat de EU nog steeds niet alle vruchten kan plukken van een geïntegreerde interne energiemarkt, hetgeen te wijten is aan een onvoldoende interconnecties en de onvolledige uitvoering van het derde energiepakket;

K.  overwegende dat in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid vijf elkaar wederzijds versterkende en onderling nauw verbonden dimensies vermeld staan, namelijk: energiezekerheid; een volledig geïntegreerde Europese energiemarkt; energie-efficiëntie; een koolstofarme economie; en onderzoek, innovatie en concurrentievermogen; overwegende dat de strategie ook betaalbare energieprijzen voor iedereen moet bevorderen;

Inleiding

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie inzake een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag; is van mening dat een interne energiemarkt waarin LNG en gasopslag volledig zijn geïntegreerd, een belangrijke rol zal spelen bij het verwezenlijken van het uiteindelijke doel, te weten een schokbestendige energie-unie;

2.  wijst erop dat de EU-strategie voor LNG en gasopslag een onderdeel vormt van de energie-unie, die tot doel heeft uiting te geven aan het streven van de EU om snel over te stappen op een duurzaam, veilig en concurrerend energiesysteem, en ook niet langer afhankelijk te zijn van externe gasleveranciers; benadrukt dat het een van de doelstellingen van de energie-unie is om de EU wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie te maken;

3.  overwegende dat het EU-gasbeleid moet worden herzien overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs van de COP21, teneinde te voldoen aan de overeengekomen doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C in vergelijking met het pre-industriële niveau; overwegende dat gas naar verwachting nog tot 2050 een rol zal blijven spelen in het energiebestel van de EU, wanneer de uitstoot van broeikasgassen overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs en het Stappenplan Energie van de EU moet zijn verlaagd tot 80-95 % onder het niveau van 1990, met name in de industriële productie en voor de verwarming van gebouwen; overwegende dat gas een steeds minder belangrijke rol zal gaan spelen en geleidelijk aan moet worden uitgefaseerd, naarmate de EU werkt aan de verwezenlijking van haar ambitieuze streefcijfers voor de broeikasgasuitstoot, de energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en aan de overgang naar een duurzame economie;

4.  is van oordeel dat energiezekerheid op efficiënte wijze kan worden bereikt door een betere coördinatie van de nationale beleidsmaatregelen op het vlak van energie, door de oprichting van een daadwerkelijke energie-unie met een interne energiemarkt en een gemeenschappelijk energiebeleid, alsook door samenwerking tussen de lidstaten op dit vlak, volgens de beginselen van solidariteit en vertrouwen; meent in dit verband dat verdere integratie van het energiebeleid ten goede moet komen aan de lidstaten, in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen en internationale verplichtingen van de EU en met de vastgestelde doelen, en niet in strijd mag zijn met de belangen van de lidstaten of hun burgers; steunt de inspanningen om in multilaterale energie-instellingen en energiekaders tot een gemeenschappelijk EU-standpunt te komen;

5.  is van mening dat alle burgers in de EU moeten kunnen beschikken over een zekere en betaalbare energievoorziening; vestigt in dit verband de aandacht op de huidige ontwikkelingen op de mondiale LNG-markten, waar door een overaanbod de prijzen zijn gedaald, hetgeen de kans biedt om de consumenten in de EU door een relatief goedkopere gasvoorziening van lagere energiekosten te laten profiteren; benadrukt dat veilige, betaalbare en duurzame energie een essentiële motor voor de Europese economie vormt en van fundamenteel belang is voor het concurrentievermogen van de industrie; verzoekt de EU en de lidstaten in het kader van de EU-energiestrategie prioriteit toe te kennen aan de uitbanning van energiearmoede, en de energievoorziening te verbeteren door op EU-niveau best practices uit te wisselen;

6.  benadrukt dat een EU-strategie voor LNG in overeenstemming moet zijn met de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie om te helpen zorgen voor een grotere energievoorzieningszekerheid, decarbonisatie, de duurzaamheid van de economie op de lange termijn, en betaalbare en concurrerende energieprijzen;

7.  is het eens met de beoordeling van de Commissie dat lidstaten in het Oostzeegebied en in Centraal- en Zuidoost-Europa, alsook Ierland – ondanks de enorme inspanningen van bepaalde lidstaten om infrastructuur te ontwikkelen – nog steeds in hoge mate aangewezen zijn op één leverancier en blootstaan aan ontwrichtingen en onderbrekingen van de voorziening;

8.  beseft dat de beschikbaarheid van LNG, met een ondersteunend leidingnet, in deze landen de huidige voorzieningssituatie aanzienlijk zou kunnen verbeteren, niet alleen in fysieke, maar ook in economische zin, omdat dit zou bijdragen tot scherpere energieprijzen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun en stimulansen te geven met het oog op een efficiënter en beter gebruik van de bestaande infrastructuur, met inbegrip van gasopslag;

10.  vestigt de aandacht op het potentieel van power-to-gastechnologie om hernieuwbare energie op te slaan en deze bruikbaar te maken als koolstofneutraal gas voor vervoer, verwarming en energieopwekking;

11.  benadrukt dat de diversiteit en de flexibiliteit van het gassysteem van de EU moet worden vergroot om zo bij te dragen aan de belangrijke energie-uniedoelstelling van een zekere, schokbestendige en concurrerende gasvoorziening; vraagt de Commissie een strategie te ontwikkelen om de EU op lange termijn minder afhankelijk te maken van gas, overeenkomstig haar verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990, en benadrukt in dit verband dat de EU veel minder afhankelijk zou worden van ingevoerde fossiele brandstoffen als energie-efficiëntie als "eerste beginsel" werd beschouwd en als subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk werden afgeschaft;

12.  herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder binnenlandse broeikasgasemissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiëntie, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd;

13.  benadrukt dat, alvorens steun wordt gegeven voor nieuwe hervergassingsterminals, eerst een zo efficiënt mogelijk gebruik van de bestaande LNG-terminals vanuit een grensoverschrijdend oogpunt moet worden bevorderd, teneinde een technologische lock-in of kapitaalvernietiging met betrekking tot infrastructuur voor fossiele brandstoffen te voorkomen en ervoor te zorgen dat de kosten van nieuwe projecten niet op rekening van de consument komen; meent dat de Commissie haar analyse van de vraag naar gas en haar beoordeling van de risico's en behoeften zorgvuldig moet herzien;

Voltooien van de ontbrekende infrastructuur

LNG-infrastructuur

14.  herinnert eraan dat de EU als geheel over voldoende hervergassingsterminals voor LNG beschikt en erkent dat, als gevolg van de zwakke binnenlandse vraag en de relatief gezien hoge prijs van LNG wereldwijd de afgelopen jaren, verschillende hervergassingsterminals voor LNG in de EU een lage benuttingsgraad hadden; onderstreept dat alle lidstaten, met name degene die afhankelijk zijn van één leverancier, direct dan wel indirect via andere lidstaten, toegang moeten hebben tot LNG;

15.  onderstreept dat er in de meeste gevallen prioriteit moet worden toegekend aan marktgerichte oplossingen en aan de benutting van de bestaande LNG-infrastructuur op regionaal niveau; constateert echter dat de oplossingen kunnen variëren naar gelang van de specifieke kenmerken op nationaal niveau en van de markt, zoals de mate van interconnectiviteit en de beschikbaarheid van opslagoplossingen en een marktstructuur;

16.  benadrukt dat er, om kapitaalvernietiging te voorkomen, alvorens over nieuwe infrastructuur wordt beslist, vanuit een regionale en ecologisch duurzame invalshoek, rekening houdend met de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU en het beginsel van geografisch evenwicht, een zorgvuldige analyse moet worden gemaakt van de alternatieven en opties voor de aanvoer van LNG, teneinde de energiezekerheid te vergroten en de meest efficiënte benutting van de bestaande infrastructuur te garanderen;

17.  benadrukt het belang van regionale samenwerking bij de aanleg van nieuwe LNG‑terminals en ‑interconnecties en onderstreept dat lidstaten met toegang tot de zee nauw dienen samen te werken met geheel door land omgeven landen om overinvestering in onnodige of economisch niet-rendabele projecten te voorkomen; benadrukt in dit opzicht dat een optimaler gebruik van de west-oost- en de noord‑zuidcorridor, met een verhoogde bidirectionele capaciteit, het aantal opties voor LNG-voorziening zou doen toenemen; is van mening dat kennis en informatie over kwesties zoals energieopslagfaciliteiten en aanbestedingsprocedures voor LNG en interconnectoren gezamenlijk zouden kunnen worden ontwikkeld; is er sterk van overtuigd dat de EU-strategie ervoor moet zorgen dat toegang tot LNG op regionaal niveau in heel Europa verzekerd is;

18.  vraagt de Commissie en de lidstaten strategieën op te stellen om faciliteiten te ondersteunen die in de toekomst gebruikt kunnen worden om de distributie en opslag van hernieuwbaar aardgas te beheren;

19.  benadrukt dat de strategie tevens het gebruik van LNG moet omvatten als alternatief voor de ontwikkeling van gasdistributie- en transmissie-infrastructuur in gebieden waar het op dit ogenblik nog niet kostenefficiënt is; merkt op dat kleine LNG-installaties de meest geschikte infrastructuur kunnen vormen voor het verhogen van het gebruik van aardgas in gebieden waar investeringen in gasinfrastructuur niet winstgevend zijn, alsook voor het verhogen van het gebruik van gas voor verwarming om zo de zogeheten huishoudelijke emissies te beperken;

20.  vraagt de Commissie en de lidstaten de centrale projecten van gemeenschappelijk belang (PGB's) volledig uit te voeren en vooral hoge prioriteit toe te kennen aan de economisch en ecologisch meest doeltreffende projecten die zijn geselecteerd door de drie regionale groepen op hoog niveau; onderstreept dat de bouw van LNG-terminals die nodig zijn voor en verenigbaar zijn met de vraag naar gas, niet voldoende is, en dat een ondersteunend leidingnet met passende tarieven nodig is opdat de voordelen ook buiten de ontvangende landen worden gevoeld;

21.  is ingenomen met het feit dat belangrijke LNG-projecten (bv. de noord-zuidcorridor) als projecten van gemeenschappelijk belang worden aangemerkt; vraagt de Commissie de Balkanlanden volledig op te nemen in de planning van de verdere aanleg van gaspijpleidingen en het TEN-E-netwerk, zodat de energiesector van de EU een sleutelrol krijgt in de regio;

22.  steunt het voorstel van de Commissie bij de aan de gang zijnde evaluatie van de verordening voorzieningszekerheid om de bestaande uitzonderingsbepalingen voor interconnectoren inzake bidirectionele gasstromen te herzien, en is het ermee eens dat het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) daarbij een grotere rol krijgt; neemt nota van de onderbezetting en het gebrek aan middelen bij ACER; benadrukt dat ACER van de nodige middelen moet worden voorzien, met name voldoende eigen personeel, zodat het agentschap zijn bij wet toegewezen taken kan uitvoeren;

Opslaginfrastructuur

23.  wijst erop dat de geologie bij de ontwikkeling van nieuwe opslaglocaties voor gas een factor van doorslaggevend belang is, en merkt op dat de gasopslaglocaties in Europa momenteel overtollige capaciteit hebben; onderstreept dat de benuttingsgraad van de bestaande gasopslaglocaties aanzienlijk zou kunnen worden verbeterd door regionale samenwerking, een voldoende aantal gasinterconnecties en het wegwerken van interne knelpunten; benadrukt dat bij de planning, de aanleg en het gebruik van de infrastructuur voor LNG-opslag de strengste milieunormen moeten worden toegepast;

24.  herinnert eraan dat de grensoverschrijdende toegankelijkheid van gasopslagfaciliteiten een van de belangrijkste instrumenten is voor de toepassing van energiesolidariteit bij gastekorten en in noodsituaties;

25.  benadrukt dat een ruimere benutting van de Oekraïense opslagcapaciteit alleen mogelijk zal zijn als een passend en stabiel commercieel en juridisch kader en de integriteit van de doorvoerinfrastructuur in Oekraïne gewaarborgd zijn, en als het juiste aantal gasinterconnecties aanwezig is zodat de energie vrijelijk over de landsgrenzen heen doorgang kan hebben, zonder fysieke barrières; benadrukt verder dat als de gasafhankelijke industriële sector in Oekraïne op korte termijn weer opleeft, extra gas zal moeten worden ingevoerd; is van mening dat de EU Oekraïne moet steunen bij de overgang van afhankelijk van Russisch aardgas naar LNG;

LNG en opslag aansluiten op de markten

26.  wijst op het belang van de werkzaamheden van regionale groepen op hoog niveau zoals CESEC (groep op hoog niveau gasconnectiviteit in Centraal- en Zuidoost-Europa), BEMIP (interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied) en de groep voor Zuidwest-Europa; is van mening dat een dergelijke regionale coördinatie op vrijwillige basis zeer doeltreffend is en is verheugd over de faciliterende rol die de Commissie hierbij speelt; benadrukt de noodzaak van een pragmatische en tijdige uitvoering van de goedgekeurde actieplannen en vraagt dat de tenuitvoerlegging van nabij wordt gevolgd;

27.  onderstreept dat het van belang is kostenefficiënte en ecologisch duurzame opties voor de energievoorziening te vinden met het oog op een grotere voorzieningszekerheid op de lange termijn op het Iberisch schiereiland en in Centraal- en Zuidoost-Europa, de Baltische staten en Ierland, die allemaal onvoldoende aangesloten zijn op en/of geïntegreerd zijn in de interne energiemarkt en de volledige steun van de EU verdienen uit hoofde van het solidariteitsbeginsel; beklemtoont ook dat de kwetsbaarste landen die nog steeds energie-eilanden zijn, zoals Cyprus en Malta, moeten worden ondersteund bij het diversifiëren van hun bronnen en aanvoerroutes; benadrukt in dit verband dat LNG en gasopslag een einde moeten helpen maken aan enigerlei energie-isolement waarmee lidstaten en regio's in de EU te kampen hebben;

28.  vraagt aandacht voor de gasproductie in het Middellandse Zee-, Zwarte Zee- en Kaspische Zeegebied en voor de aansluiting van niet aan zee grenzende landen in Centraal- en Zuidoost-Europa op deze nieuwe capaciteit teneinde de voorzieningsbronnen in die regio's te diversifiëren; merkt op dat dit concurrentie tussen gas uit verscheidene bronnen mogelijk zal maken en inhoudt dat aan de olieprijs gekoppelde overeenkomsten voor de invoer van aardgas worden vervangen, waardoor de lidstaten een sterkere onderhandelingspositie krijgen; stelt dat geen enkele energiebron ooit in de hele energiebehoefte van de EU zal kunnen voorzien, en dat diversificatie op zowel de binnen- als de buitenlandse markten dan ook van essentieel belang is; vindt dat de ontwikkeling van de in Cyprus ontdekte binnenlandse conventionele gasbronnen derhalve actief moet worden voortgezet;

29.  staat achter het voornemen van de Commissie om projectontwikkelaars meer informatie te verstrekken en meer bijstand te verlenen met betrekking tot diverse mogelijkheden voor projectfinanciering, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) en de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF), alsmede diverse technische oplossingen;

30.  merkt op dat het vinden van kostenefficiënte en ecologisch duurzame oplossingen als grondbeginsel moet gelden bij het streven naar een voor de EU en de regio's optimale toestand, en vraagt de Commissie, de lidstaten en de nationale regelgevende autoriteiten om de beperkte beschikbare middelen toe te kennen aan de ontwikkeling van kritieke infrastructuur teneinde particuliere investeringen aan te trekken ten behoeve van LNG‑infrastructuur en ‑interconnectoren;

31.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat er in 2015 7 % meer gas uit Rusland is ingevoerd dan in 2014 en dat 41 % van het gas dat in 2015 uit niet-EU-landen werd ingevoerd, afkomstig was uit Rusland; wijst erop dat, naast het verhogen van de efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie, LNG en gasopslag een cruciale rol spelen bij het verminderen van de afhankelijkheid van Russisch gas;

32.  uit zijn bezorgdheid over de voorgestelde verdubbeling van de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding en de contraproductieve gevolgen daarvan voor de energiezekerheid, de diversificatie van de leveranciers en het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten; wijst op de geopolitieke implicaties van het project en de onderliggende beginselen van een volledig geïntegreerde, zekere, concurrerende en duurzame energie-unie, en benadrukt dat het als zodanig niet mag profiteren van financiële steun van de EU of afwijkingen van het EU-recht; benadrukt dat een verdubbeling van de capaciteit van de Nord Stream-pijpleiding één bedrijf een dominante positie op de Europese gasmarkt zou geven, wat moet worden vermeden;

33.  is van mening dat als – in weerwil van de Europese belangen – Nord Stream 2 zou worden gebouwd, dat zou vereisen dat er een grondige evaluatie van de toegankelijkheid van de LNG-terminals wordt verricht en dat er een gedetailleerde stand van zaken van de noord-zuidgascorridor wordt opgemaakt;

Voltooiing van de interne gasmarkt: commerciële, juridische en regelgevende aspecten

Van de EU een aantrekkelijke markt voor LNG maken

34.  dringt er bij de lidstaten op aan om volledig uitvoering te geven aan het derde energiepakket en de gasnetcodes;

35.  wijst op de belangrijke rol die onderling goed verbonden knooppunten voor vloeibaar gas spelen op de gasmarkten, die garant zouden staan voor een geïntegreerde interne markt zodat het gas vrijelijk over de landsgrenzen heen doorgang kan hebben overeenkomstig de prijssignalen op de markt;

36.  benadrukt dat significante gasreserves in de Noord-Afrikaanse landen en recente ontdekkingen in het oostelijke Middellandse Zeegebied voor deze regio een gelegenheid bieden om zich op te werpen als dynamisch centrum voor het transporteren van gas naar Europa; is van mening dat nieuwe LNG-capaciteit die momenteel in het Middellandse Zeegebied wordt ontwikkeld de basis kan vormen van een infrastructuurknooppunt;

37.  stelt dat de liquiditeit van de gasmarkten sterk zou verbeteren door de voltooiing van de interne gasmarkt en het wegnemen van belemmeringen in de regelgeving; vraagt de belanghebbenden de netcode betreffende regels voor een geharmoniseerde tariefstructuur voor gastransmissies zo spoedig mogelijk te voltooien;

38.  wijst erop dat er blijvende behoefte is aan actieve samenwerking tussen overheden, nationale regelgevende autoriteiten en de belangrijkste belanghebbenden met betrekking tot grensoverschrijdende investeringen, waarbij naast de nationale belangen altijd rekening moet worden gehouden met het Europese perspectief;

Gasopslag op de interne markt

39.  wijst erop dat er in de hele EU geharmoniseerde tariefstructuren moeten worden ontwikkeld en dat de transparantie in de tariefstelling moet worden vergroot om op de bestaande gasopslaglocaties een hogere benuttingsgraad te bereiken, en is van mening dat in de netcode betreffende regels voor een geharmoniseerde tariefstructuur voor gastransmissies rekening moet worden gehouden met de noodzaak van harmonisatie;

40.  steunt het voorstel van de Commissie om toe te staan dat ook biomethaan en andere hernieuwbare gassen die aan de relevante EU-kwaliteitsnormen voldoen, in aanmerking komen voor transmissie, distributie en opslag; beveelt in dit verband aan rekening te houden met technische parameters, de gaskwaliteit, de kostenefficiëntie, schaalvoordelen en mogelijke lokale of regionale netoplossingen;

41.  vraagt de lidstaten volledig uitvoering te geven aan het derde energiepakket, in het bijzonder met betrekking tot de toegang van biomethaan tot het net en de opslagfaciliteiten; wijst in dit opzicht op Richtlijn 2009/73/EG, waarin wordt bepaald dat de lidstaten moeten waarborgen dat, rekening houdend met de nodige kwaliteitsvoorschriften, biogas en/of gas uit biomassa en andere soorten gas een niet‑discriminerende toegang tot het gasnet krijgen, op voorwaarde dat deze toegang permanent verenigbaar is met de desbetreffende technische regels en veiligheidsnormen;

42.  moedigt de exploitanten van LNG en opslagfaciliteiten aan om, in samenwerking met de nationale regelgevende autoriteiten en overeenkomstig de huidige EU-wetgeving, nieuwe flexibele producten en diensten te ontwikkelen die hervergassing en opslag van LNG aantrekkelijker maken, en om de benutting van bestaande opslaglocaties te maximaliseren;

De rol van opslag optimaliseren ten behoeve van de zekerheid van de gasvoorziening

43.  benadrukt dat gasopslag in bepaalde lidstaten onmiddellijk beschikbare, uiterst flexibele diensten biedt, en wijst erop dat opslag bij een onderbreking van de voorziening een andere rol kan spelen dan LNG, dat gekenmerkt wordt door een logistiek in de aanvoerketen die misschien niet dezelfde flexibiliteit biedt;

44.  onderstreept dat het van belang is belemmeringen in de regelgeving weg te nemen die de ontwikkeling van regionale opslagconcepten in de weg staan; is van mening dat bepaalde opslaglocaties op maat gemaakte, internationale diensten kunnen aanbieden, namelijk opslagdiensten in combinatie met grensoverschrijdend vervoer; stelt voor dat de regionale groepen op hoog niveau uitgebreider samenwerken om innovatieve oplossingen te vinden voor de vraag hoe strategisch waardevolle voorzieningen op regionaal en Europees niveau doeltreffend kunnen worden benut;

De EU als speler op de internationale LNG-markten

45.  merkt op dat er zich mondiaal een trend aftekent in de richting van uitbreiding van de liquefactiecapaciteit en dat dit mogelijk van invloed is op de Europese gasmarkten;

46.  is van mening dat de EU als belangrijke markt in opkomst kan bijdragen aan de ontwikkeling van regels voor de handel in gas om zo de flexibiliteit en de convergentie van de mondiale gasmarkten te vergroten;

47.  steunt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten in hun actieve betrokkenheid bij de energiediplomatie ter bevordering van een op regels gebaseerde, transparante en goed werkende mondiale gasmarkt;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is de afhankelijkheid van de EU van gas en olie van autoritaire regimes die de mensenrechten schenden te beperken of beëindigen, uit respect voor de fundamentele waarden van de EU en ter waarborging van de doeltreffendheid van haar externe optreden;

49.  pleit voor meer institutionele convergentie en synergie, en met name voor een betere integratie van de prioriteiten op het vlak van externe energiezekerheid in het beleid van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en voor betere coördinatie tussen de VV/HV en de bevoegde Commissieleden; vraagt de VV/HV alsmede de lidstaten om op energiegebied de bestaande samenwerking te verbeteren en nieuwe vormen van samenwerking aan te gaan met de huidige en potentiële leveranciers, alsook met de doorvoerlanden en andere belangrijke spelers; verzoekt de VV/HV in dit verband het Parlement regelmatig te informeren over de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan voor energiediplomatie;

50.  benadrukt dat alle belemmeringen voor de vrije wereldhandel in LNG moeten worden weggenomen, waarbij de productie van dit LNG duurzaam moet zijn; vraagt de beleidsmakers in de VS in dit verband voor meer investeringszekerheid te zorgen door duidelijke criteria en termijnen op te nemen in de vergunningprocedure voor de uitvoer van gas naar landen die geen partij zijn bij een vrijhandelsovereenkomst;

51.  benadrukt dat in de fora die zich bezighouden met de vrije wereldhandel het bewustzijn moet worden vergroot ten aanzien van de milieu-, klimaat- en maatschappelijke gevolgen van de invoer van LNG; onderstreept met name dat vluchtige methaanemissies moeten worden geminimaliseerd;

52.  benadrukt dat het gebruik van LNG ook kan leiden tot een vermindering van de broeikasgasemissies door maritiem en wegvervoer, op voorwaarde dat alle doeltreffende inspanningen worden geleverd om methaanslip gedurende de gehele levenscyclus van de brandstof, met inbegrip van de productie-, distributie- en verbrandingsfase, te beperken; vraagt daarom om adequate maatregelen om methaanslip in de algemene LNG-keten te beperken door de beste beschikbare technologieën en daartoe voldoende financiering voor onderzoek en ontwikkeling uit te trekken;

53.  benadrukt dat handel een belangrijke rol speelt bij de energiezekerheid en dat sterke energiepartnerschappen, geschraagd door de opname van energiehoofdstukken in de handelsovereenkomsten van de EU, onmisbare instrumenten zijn; acht het van essentieel belang dat het handelsbeleid van de EU tot een grotere energiediversificatie van de EU en de lidstaten leidt en hun afhankelijkheid van geïmporteerde energie van een te kleine groep leveranciers vermindert; benadrukt dat de EU nieuwe partnerschappen moet verkennen, de bestaande partnerschappen moet evalueren en specifieke energiegesprekken moet voeren in regio's als – maar niet uitsluitend – Centraal-Azië, Noord-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika; merkt op dat de EU een proactievere rol moet spelen in de internationale energiediplomatie; dringt aan op meer samenhang tussen het handelsbeleid en het energiebeleid van de EU; onderstreept dat de internationale onderhandelingen over LNG transparanter moeten verlopen; is van mening dat in de huidige en toekomstige onderhandelingen met partners als de VS en Australië een sterke energiecomponent aanwezig moet zijn; onderstreept dat de EU nauw met de internationale partners moet samenwerken om tot een concurrerende en transparante wereldmarkt voor LNG te komen;

54.  herinnert eraan dat de EU en de lidstaten, om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige uitdagingen en hun doelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering in de context van de wereldwijde belemmeringen op die beleidsterreinen te verwezenlijken, op basis van bestaande juridische kaders en multilaterale overeenkomsten tevens gezamenlijke maatregelen op het wereldtoneel moeten nemen door in internationale handelsfora vraagstukken met betrekking tot energiezekerheid en duurzaamheid aan de orde te stellen, ook samen met partnerlanden die op geïmporteerd gas zijn aangewezen; benadrukt dat de EU tegelijkertijd energie-efficiëntie moet ondersteunen en bevorderen;

55.  is van mening dat het bijzonder belangrijk is dat het handelsbeleid voor particuliere en overheidsbedrijven op het gebied van schone, veilige en efficiënte energietechnologie in de EU-lidstaten grote kansen creëert, met name gezien de toenemende mondiale vraag naar energie; vraagt om een aanzienlijke verlaging van de tarieven voor schone technologie in het kader van het initiatief inzake milieugoederen en ook in de vrijhandelsakkoorden van de EU, waarin de niet-tarifaire belemmeringen voor de energiehandel moeten worden aangepakt;

56.  wijst erop hoe belangrijk het hoofdstuk over energie en grondstoffen van het trans‑Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) is voor de energiezekerheid van de EU; is verheugd over het werk dat de Commissie heeft verricht om uitvoerbeperkingen voor gas uit de VS naar de EU weg te nemen;

57.  is van mening dat de uitbreiding van de LNG-markt in 2016 met 12,2 miljard m3 per jaar dankzij de Sabine Pass-terminal aan de Amerikaanse oostkust, in combinatie met wellicht nog eens 74 miljard m3 afkomstig van diverse VS-projecten voor 2020, voor Europa een belangrijke kans is om de handelsbetrekkingen met de VS op energiegebied aan te halen; gelooft dat de opties van de EU met betrekking tot de gasvoorziening aanzienlijk zullen toenemen als het werk aan het hoofdstuk over energie en grondstoffen van TTIP is afgerond;

58.  wijst erop dat Europese bedrijven zonder beperkingen en onder dezelfde voorwaarden als binnenlandse bedrijven op de energiemarkten van derde landen moeten kunnen opereren; wijst erop dat bedrijven uit derde landen die op de Europese energiemarkten opereren, aan de Europese wetgeving moeten voldoen; wijst erop dat zulke entiteiten een transparante structuur moeten hebben, zodat kan worden vastgesteld wie de aandeelhouders zijn;

59.  benadrukt dat bij planning, aanleg en gebruik van LNG evenals bij de exploitatie van binnenlandse voorraden en bronnen voor optimale milieubescherming moet worden gezorgd en dat de internationale normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk moeten worden nageleefd; onderstreept dat het besef van de milieu-, klimaat‑ en maatschappelijke gevolgen van de invoer van LNG moet worden vergroot; herinnert eraan dat plaatselijke gemeenschappen hierbij moeten worden betrokken en dat moet worden uitgegaan van een realistische beoordeling van het verbruik of – in het geval van aanleg – van de planning van nieuwe infrastructuur; onderstreept de mogelijkheden die het overstappen op LNG biedt om het vervoer over zee minder afhankelijk te maken van steenkool; verzoekt de EU financiële steun te verlenen voor Europese projecten die hierop gericht zijn;

60.  wijst erop dat deze strategie, gezien de verwachte toename van het aanbod van LNG in de komende jaren, kan worden aangevuld met een evaluatie van de behoefte aan schepen voor het vervoer van LNG en met maatregelen die de scheepsbouwsector in de EU in de gelegenheid stellen deze kans te benutten en zo bij te dragen aan de doelstelling dat de industriesector in 2020 20 % uitmaakt van het bbp; vraagt om veiligheidsnormen om toezicht te kunnen houden op het vervoer van LNG en daarvoor zo nodig strengere voorwaarden op te kunnen leggen in de context van maatregelen ter preventie van terrorisme;

Duurzaamheid en het gebruik van LNG als alternatieve brandstof in de sectoren vervoer, verwarming en elektriciteit

61.  is zich bewust van het potentieel van LNG als alternatieve brandstof, zowel in het weg‑ als in het zeevervoer; onderstreept dat een grootschaliger gebruik van LNG in het goederenvervoer zou kunnen bijdragen tot een vermindering van de mondiale uitstoot van CO2, SOx en NOx, met name door meer motoren op LNG te gebruiken in het zeevervoer;

62.  benadrukt dat het tankinfrastructuurnetwerk een noodzakelijke voorwaarde is voor een grootschalige toepassing van LNG als alternatieve brandstof in de vervoerssector; vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de volledige uitvoering van Richtlijn 2014/94/EU betreffende alternatieve brandstoffen, met inbegrip van de totstandbrenging van LNG-tankpunten langs de TEN-V-corridors en in zee- en binnenhavens ter vervanging van meer vervuilende conventionele brandstoffen; onderstreept in dit verband evenwel dat LNG niet in de plaats mag komen van hernieuwbare energiebronnen, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen inzake duurzaamheid;

63.  vraagt dat er zeeroutes worden ontwikkeld, met name langs de Azoren, die gezien hun geografische ligging als centraal LNG-tankstation voor de trans-Atlantische routes zouden kunnen dienen; verzoekt de Commissie middelen ter beschikking te stellen om Europese projecten hiertoe te ondersteunen;

64.  verzoekt de Commissie om, samen met de lidstaten en hun regio's, een gemeenschappelijk project voor "blauwe LNG-corridors voor eilanden" op te zetten voor de maritieme sector, met inbegrip van havens van het uitgebreide TEN-V-netwerk, teneinde de nodige LNG-infrastructuur uit te bouwen en dat netwerk te verbinden met het TEN-V-kernnetwerk;

65.  vraagt de lidstaten te zorgen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/94/EU wat betreft de totstandbrenging van tankpunten voor CNG, zodat motorvoertuigen op deze brandstof in steden en voorsteden en andere dichtbevolkte gebieden en ten minste langs het bestaande TEN-V-kernnetwerk kunnen rijden, zodat deze voertuigen in de gehele Unie kunnen rijden;

66.  benadrukt dat er gemeenschappelijke technische specificaties moeten worden vastgesteld voor LNG-tankpunten voor zee- en binnenschepen en motorvoertuigen, zoals bepaald in Richtlijn 2014/94/EU; pleit voor strenge, geharmoniseerde veiligheidseisen en -opleidingen voor opslag, bunkering en gebruik aan boord van LNG, waarbij ook gelijktijdige bunkering en vrachtactiviteiten mogelijk zijn; merkt op dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA);

67.  benadrukt dat er voldoende O&O-financiering moet worden uitgetrokken voor de ontwikkeling van verbeterde technologieën voor zee- en binnenschepen en motorvoertuigen, zodat snel kan worden overgestapt op een vloot met lagere koolstofemissies, en voor de ontwikkeling van onbemande systemen voor de installatie van LNG-tankpunten; vraagt de Commissie en de lidstaten stimulansen te creëren voor de ontwikkeling van vaartuigen en motorvoertuigen op LNG, of voor de aanpassing van vaartuigen en motorvoertuigen op conventionele brandstoffen zodat deze kunnen worden aangedreven door LNG;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het vervoer van LNG over het spoor te stimuleren, omdat dit het wegverkeer ontlast en bijdraagt aan het milieuvriendelijk en veilig vervoer van een schonere brandstof;

69.  vraagt de Commissie om, na overleg met de belanghebbenden, te onderzoeken of zij, vooral ter informatie van de consument, naast Verordening (EG) nr. 443/2009 tot vaststelling van emissienormen op het gebied van CO2‑emissies voor nieuwe personenauto's, een CO2-equivalent zou kunnen vaststellen voor de emissies van koolwaterstoffen;

70.  merkt op dat het gebruik van kleinschalige LNG-technologie op bepaalde gebieden, zoals vervoer over grote afstanden of geavanceerde industriële toepassingen, niet alleen zou kunnen bijdragen tot het halen van de klimaatdoelstellingen, maar ook een aanmerkelijk zakelijk voordeel zou kunnen opleveren;

71.  merkt op dat LNG, en in het bijzonder CNG, ook voor openbaar vervoer een goede oplossing is, die al beschikbaar is en kan helpen om luchtvervuiling en geluidsoverlast te beperken, hetgeen de levensomstandigheden – met name in stedelijke agglomeraties – zal verbeteren;

72.  merkt op dat LNG en CNG weliswaar goede overgangsoplossingen kunnen vormen om de milieueffecten van het vervoer te verminderen, maar dat de langetermijnvoordelen ervan slechts zullen worden verwezenlijkt indien tegelijkertijd een soepele overschakeling op het gebruik van vloeibaar biogas (LBG) en andere vormen van hernieuwbare energie wordt bevorderd door de interoperabiliteit van LNG- en LBG‑systemen te waarborgen; onderstreept verder dat de EU-strategie inzake LNG in overeenstemming moet zijn met de bredere Europese klimaat- en energiedoelen en -prioriteiten, en met de COP21-overeenkomst, door de nadruk te leggen op vermindering van de vraag, verbetering van de energie-efficiëntie en het geleidelijk afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen;

73.  onderstreept dat een efficiënt netwerk van tankinfrastructuur een randvoorwaarde is voor de grootschalige uitrol van LNG als alternatieve brandstof in de vervoersector; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom stimulansen te creëren voor de ontwikkeling van dergelijke infrastructuur, teneinde lacunes in de voorziening op te vullen en een volledig distributienetwerk te creëren;

74.  onderstreept dat LNG-infrastructuur bij zee- en binnenhavens van groot belang is om multimodaliteit te bevorderen, omdat deze infrastructuur kan worden gebruikt door zee‑ en binnenschepen en door vrachtwagens voor het verdere vervoer van de brandstof over land; vraagt de nationale en regionale exploitanten nauw samen te werken teneinde de infrastructuur multifunctioneler en beter benutbaar te maken;

75.  is van mening dat het stimuleren van het gebruik van aardgas als alternatieve brandstof voor vervoersdoeleinden een belangrijke mondiale uitdaging is, en vraagt dat in het kader van de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) werk wordt gemaakt van emissiebeperking;

o
o   o

76.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, het secretariaat van de Energiegemeenschap en de partijen bij de Energiegemeenschap.

(1) PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.


Hoe kunnen we de controles op de visvangst homogeen maken in Europa?
PDF 269kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over hoe kunnen we de controles op de visvangst homogeen maken in Europa? 2015/2093(INI)
P8_TA(2016)0407A8-0234/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarin de Unie wordt opgedragen zich in te zetten voor de "duurzame ontwikkeling van Europa" en te voorzien in een "hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu", en gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 11, 43 en 191,

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (de “controleverordening”),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name de artikelen 15 en 36,

–  gezien Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1010/2009 van de Commissie tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen,

–  gezien Verordening (EU) 2015/812 van het Europees Parlement en de Raad in verband met de aanlandingsverplichting, en met name de artikelen 7 en 9,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen,

–  gezien het standpunt van het Europees Parlement van 5 februari 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen(1),

–  gezien het standpunt van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole(2),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel(3),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0234/2016),

A.  overwegende dat het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1224/2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling de Europese Unie is;

B.  overwegende dat de inspectieformulieren in de verschillende modellen inspectieverslagen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 niet met elkaar overeenkomen, omdat er verschillende namen worden gebruikt voor hetzelfde onderwerp, waardoor operationele problemen ontstaan bij de informatieoverdracht tussen instanties;

C.  overwegende dat de laatste protocollen inzake gegevensuitwisseling, die essentieel zijn voor de tenuitvoerlegging van elektronische logboeken, in juli 2010 werden voltooid en dat elektronische logboeken sinds januari 2010 verplicht zijn;

D.  overwegende dat er werkelijk verschillen bestaan - of dat dit zo door de vissers wordt ervaren - met betrekking tot de regelmaat, frequentie, duur, striktheid, grondigheid, doeltreffendheid en methodes van de visserijcontrole in Europa en dat er behoefte is aan een gelijke en niet-discriminerende behandeling;

E.  overwegende dat de inspanningen op het gebied van visserijcontrole onmogelijk zijn als de visserijsector niet volledig en actief daaraan deelneemt;

F.  overwegende dat een op puntensysteem visserijvaartuigen penaliseert en niet de vaartuigeigenaren, de vissers of andere personen in de productieketen;

G.  overwegende dat de visserijsector een van de voornaamste belanghebbenden bij een duurzaam beheer van de zeeën en oceanen is;

H.  overwegende dat er, afgezien van mogelijke regionale variaties, binnen de lidstaten notoire verschillen bestaan in de toepassing van de Europese verordeningen, met name wat betreft de regels van de "controleverordening", en dat elke lidstaat zijn eigen rechtsstelsel en zijn eigen administratieve en gerechtelijke structuren heeft die onvermijdelijk hun stempel drukken op het systeem voor administratieve en/of strafrechtelijke sancties bij niet-naleving van GVB-regels en ertoe leiden dat deze systemen discrepanties en oneerlijke verschillen tussen lidstaten veroorzaken;

I.  overwegende dat het feit dat nationale inspectie-instanties niet altijd toegang hebben tot relevante gegevens om buitenlandse vaartuigen doeltreffend te inspecteren risico's oplevert en dat de verschillende benaderingen ten aanzien van controles en sancties problemen veroorzaken voor de lidstaten wanneer zij de vlaggenstaat contacteren over geconstateerde inbreuken;

J.  overwegende dat de controles op producten van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij die de EU binnenkomen moeten worden versterkt en dat in alle lidstaten een gelijkwaardig niveau van controle op dit soort visserij moet worden gewaarborgd;

K.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en de toepassing van de bijbehorende sancties onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen;

L.  overwegende dat sommige lidstaten niet over teams van gespecialiseerde visserij-inspecteurs beschikken;

M.  overwegende dat het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA), dat is opgericht om de hoogste gemeenschappelijke controlenormen te bevorderen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, een doeltreffende rol speelt bij de uniforme toepassing van het controlesysteem, ondanks de beperkte middelen waarover het beschikt;

N.  overwegende dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) kan bijdragen aan de verbetering en modernisering van de visserijcontrole, met name via zijn begrotingslijnen 11 06 62 02 (controle en toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het geïntegreerd maritiem beleid (GMB)) en 11 06 64 (EFCA);

O.  overwegende dat het teruggooiverbod is ingevoerd en dat dit in de praktijk onredelijk hard is voor de vissers, omdat het kan gebeuren dat zij, ook al gebruiken zij bij het Europees recht toegestane middelen en instrumenten en doen zij er alles aan om bijvangsten te voorkomen, toch worden bestraft voor het simpele feit dat deze vangsten de bij Europees en nationaal recht toegestane maximumlimiet overschrijden;

P.  overwegende dat de visserijtechnieken en -uitrusting zijn veranderd en een ontwikkeling hebben doorgemaakt en dat de toezichtsystemen en -technieken dus ook moeten worden bijgewerkt, willen zij doeltreffend zijn; overwegende dat het EFMZV voor dit doel kan worden gebruikt;

Q.  overwegende dat de aanlandingsverplichting een belangrijk punt op het gebied van controle vormt, waaraan de wetgever en de met de controle belaste autoriteiten bijzondere aandacht moeten besteden;

R.  overwegende dat goedkope technologieën voor volgen op afstand, zoals het automatisch identificatiesysteem (AIS), vrijwillige controle mogelijk maken en het gemakkelijker maken de vissers te monitoren en hun veiligheid te verzekeren;

S.  overwegende dat illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en de handel in de hieruit voortvloeiende vangsten, criminele activiteiten zijn op wereldschaal;

T.  overwegende dat visafslagen een essentiële rol spelen voor de sector zeevisserijproducten en een centrale rol bij de controle op aangelande vis;

U.  overwegende dat de lidstaten verschillende rechtsstelsels hebben en dat het verzamelde bewijs ontvankelijk en bruikbaar moet zijn in deze verschillende stelsels, die specifiek zijn voor iedere lidstaat die tot vervolging overgaat;

V.  overwegende dat goed opgeleide, aangemoedigde vissers, die de voordelen van de controles begrijpen en deze actief eerbiedigen, de beste bondgenoten zijn bij de tenuitvoerlegging van de controleverordening;

I – Een rem op de harmonisering

1.  benadrukt het belang van doeltreffende controle op visserijactiviteiten om een duurzame exploitatie van levende mariene rijkdommen te waarborgen en een gelijk speelveld voor de EU-vloten in stand te houden; roept de lidstaten op te zorgen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de controleverordening;

2.  onderstreept dat de ambitieuze strijd van de EU tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) over de hele wereld gepaard moet gaan met een doeltreffende toepassing van de controleverordening in onze eigen wateren;

3.  onderstreept de diversiteit van de toepassingsgebieden van de controles en de verschillen tussen inspectielocaties en de discriminerende aard van visserijcontroles die daarvan het gevolg is, aangezien bepaalde lidstaten controles uitvoeren van vaartuig tot bord terwijl andere slechts enkele schakels in de keten controleren, en bijvoorbeeld aspecten in verband met transport of horeca volledig over het hoofd zien;

4.  erkent de aanzienlijke verbeteringen die met de huidige controleverordening, in combinatie met de IOO-visserijverordening, zijn aangebracht in de controleregeling dankzij de consolidatie van tal van voorheen afzonderlijke voorschriften, de invoering van de mogelijkheid om nieuwe technologieën te gebruiken, de voorbereidende stappen op weg naar de harmonisering van de sancties, de verduidelijking van de rollen van de Commissie en de lidstaten, de verbeterde traceerbaarheid en andere verbeteringen;

5.  brengt in herinnering dat de aanvaarding van regelgeving door vissers wordt beïnvloed door de vraag of zij de effecten van de tenuitvoerlegging billijk achten, of zij de opgelegde regels als zinvol beschouwen en of de regelgeving verenigbaar is met traditionele visserijpatronen en -praktijken;

6.  acht het noodzakelijk dat visserijactiviteiten in de verschillende maritieme ruimten worden verduidelijkt, geclassificeerd en aan normen worden onderworpen;

7.  wijst op de verschillen in de organisatie van controles, die in sommige lidstaten verdeeld zijn over verschillende instanties, terwijl ze in andere door één instantie worden verricht, alsook in de instrumenten en de personele, logistieke en financiële middelen die worden ingezet om de controles uit te voeren; merkt daarnaast op dat deze omstandigheden de transparantie van het beheer en de toegang tot informatie bemoeilijken;

8.  wijst erop dat de doelmatigheid van de controles ook verschilt als gevolg van de immense diversiteit aan visgronden binnen de EU, variërend van smalle, begrensde gebieden, waar de visbestanden voornamelijk worden gedeeld door aangrenzende lidstaten, tot zeer verafgelegen gebieden; meent dat de specifieke eigenschappen van de ultraperifere gebieden (UPG's), die vanwege hun uitgebreide en eminent oceanische exclusieve economische zones (EEZ's), de soorten visbestanden die er worden geëxploiteerd (meestal diepzeesoorten en over grote afstanden trekkende pelagische vissen) en de schaarste van alternatieve bronnen, ontegensprekelijk strengere controles rechtvaardigen in deze regio's, die enorm afhankelijk zijn van de visserij en erg gevoelig zijn voor de extreme schade die wordt aangericht door vloten waarvan bekend is dat zij de GVB-regels schenden;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan de controleverordening volledig en correct ten uitvoer te leggen om een goed beeld te krijgen van de delen die bij de komende herziening moeten worden verbeterd en er zo voor te zorgen dat de controleverordening ook in de toekomst functioneel en eenvoudig toepasbaar is;

10.  stelt een verschil in aanpak vast tussen de controles op basis van een risicobeoordeling en aselecte controles op de visserijactiviteiten en afzetkanalen voor vangsten;

11.  merkt op dat de technische maatregelen door hun complexiteit en het grote aantal mogelijk zelfs tegenstrijdige bepalingen, waaronder talrijke afwijkingen en uitzonderingen, die zijn verspreid over een waaier van wetsteksten, niet alleen moeilijk te begrijpen zijn, maar ook moeilijk te controleren en te handhaven;

12.  herinnert eraan dat de meeste aselecte controles worden uitgevoerd op het moment waarop de lading wordt gelost, terwijl bij inspecties op zee een hoger aantal inbreuken wordt vastgesteld in vergelijking met controles aan wal, omdat deze gebaseerd zijn op risicobeoordelingen;

13.  herinnert eraan dat, aangezien de aanlandingsverplichting voor de visserij een fundamentele verandering betekent, er in de Omnibusverordening ((EU) 2015/812) een aanpassingstermijn van twee jaar is vastgesteld voordat schendingen van die verplichting als ernstige inbreuken worden aangemerkt; vraagt die termijn waar nodig te verlengen;

14.  stelt vast dat lidstaten, en soms ook regio's, de regels op verschillende wijzen in nationaal en regionaal recht omzetten als gevolg van het grote aantal facultatieve bepalingen in Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad; benadrukt dat sommige van die bepalingen in de praktijk moeilijk te handhaven zijn, hetzij omdat de verordeningen nauwelijks kunnen worden aangepast aan de realiteit, bijvoorbeeld vanwege de bepalende kenmerken van de visserijsector (vloot, vistuig, visgronden en doelsoorten), die aanzienlijk verschillen tussen de ene visgrond, lidstaat en visserijtak en de andere, hetzij vanwege tegenstrijdigheden die ertoe kunnen leiden dat inspecteurs de regels verschillend interpreteren;

15.  merkt op dat het niveau van inbreuk van lidstaat tot lidstaat verschilt en dat voor eenzelfde inbreuk de sanctie administratief of strafrechtelijk kan zijn; benadrukt dat een visvergunning met punten, waarvan bij niet-naleving punten worden afgetrokken, een nuttig Europees middel is dat een kader kan bieden voor sancties op ernstige inbreuken, maar dat dit systeem, als er niet voor nodige uniformiteit wordt gezorgd, de situatie nog oneerlijker maakt dan zij al is omdat exploitanten in lidstaten op ongelijke wijze behandeld worden; wenst dat deze verschillen in sancties vermeden worden;

16.  wijst erop dat het gebrek aan vertrouwen en transparantie tussen de lidstaten een van de voornaamste oorzaken is van de gebrekkige uitwisseling van gegevens over de verordening; spoort ertoe aan deze situatie te verhelpen om voor alle vissers een aantoonbaar gelijk speelveld tot stand te brengen;

17.  herinnert eraan dat het EFCA waakt over de toepassing van gemeenschappelijke normen inzake controle, inspectie en bewaking, en operationele samenwerking tussen lidstaten mogelijk maakt via plannen voor gezamenlijke stationering; herinnert eraan dat het belangrijk is om het mandaat van het EFCA te versterken teneinde gezamenlijke controle-operaties op te zetten met het oog op een doeltreffend, gecoördineerd optreden van de talrijke lokale, regionale en nationale autoriteiten en EU-agentschappen die op EU-niveau kustwachttaken verrichten; verzoekt het EFCA voor deze taak meer middelen in te zetten;

18.  is van mening dat het voor de standaardisering van de opleiding en van de controleprocedures essentieel is dat het EFCA een "kernleerplan" voor de opleiding van visserij-inspecteurs invoert, en wenst dat alle lidstaten dat uitvoeren; merkt op dat de lidstaten niet dezelfde opleidingsnormen hanteren, tenzij ze dat vrijwillig doen, wat betekent dat de inhoud van kwalificaties, de aanwerving en de doelstellingen verschillend zijn;

19.  stelt vast dat vissers van lidstaat tot lidstaat anders worden opgeleid en geïnformeerd en dat er geen enkel instrument is ingevoerd om de doelen en de inhoud van de "controleverordening" te vereenvoudigen of toegankelijker te maken; meent dat deze situatie een gebrek aan bewustzijn in de hand werkt en dat dit een groot struikelblok vormt voor de gewenste eenvormige toepassing van de wetgeving; pleit er krachtig voor dat dergelijke instrumenten zo spoedig mogelijk worden ingevoerd;

20.  constateert dat de consument, ofschoon die zich in de loop der jaren mede dankzij een uitgebreide bewustmakingscampagne van de Commissie bewuster is geworden van de herkomst en identificatie van zijn aankopen, niet de nodige passende informatie kan verkrijgen over de visproducten die in restaurants worden geserveerd, aangezien er in deze laatste schakel van de handelsketen geen informatieplicht geldt;

21.  onderstreept dat het gebruik van nieuwe technologieën voor toezicht en voor real-time informatie-uitwisseling en communicatie essentieel is om de maritieme bewaking te verbeteren; wenst dat de door de lidstaten gebruikte instrumenten technisch compatibel worden gemaakt en dat het wordt ontraden om databanken in verband met de controles slechts gedeeltelijk te delen, wat tot ongelijkheid en efficiencyverlies leidt;

22.  merkt op dat niet beoordeeld is of bepaalde regels werkelijk niet kunnen worden gehandhaafd vanwege verschillen qua technologisch niveau van de vaartuigen, logistiek aan wal en organisatie van de sector in de havens;

23.  onderstreept de rol van het EFMVZ, met name via zijn budget voor de controle van de GVB-doelstellingen, dat 580 miljoen EUR bedraagt voor de periode 2014-2020;

24.  is van mening dat ervoor moet worden gezorgd dat de interne markt daadwerkelijk eenvormig wordt en dat de controlevereisten op gelijke wijze worden toegepast in de lidstaten, met hetzelfde kwaliteitsniveau bij interne en externe controles binnen de lidstaten en zonder verschillen naar gelang van de grens waar producten het grondgebied van de EU binnenkomen;

II – Voorstellen voor verbetering

25.  is voorstander van vereenvoudiging en verbetering van de Uniewetgeving en van verlichting van de administratieve lasten, zodat er betere wetgeving tot stand komt, met name via een beperkte en doelgerichte herziening van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, die uiterlijk in 2017 wordt verwacht, waarbij doeltreffende voorschriften moeten worden behouden die het mogelijk maken om inbreuken op het GVB te voorkomen, op te sporen en te bestraffen en de nadruk moet worden gelegd op een betere toepassing van normen tussen verschillende lidstaten, in het bijzonder door te streven naar meer harmonisatie, mits deze vereenvoudiging steunt op het sterke bestaande controlekader en geen uitholling teweegbrengt van de hoogste normen voor de bescherming van de arbeidsvoorwaarden, het milieu, de vakbonden of de maatschappij;

26.  meent dat voor de in het nieuwe GVB bedoelde regionalisering een sterk, geharmoniseerd controlesysteem nodig is; is fel gekant tegen afzwakking van de "controleverordening" en is van mening dat de lidstaten al gebruik kunnen maken van de flexibiliteit die het bestaande kader biedt;

27.  wenst dat de Europese instellingen bij deze herziening samenwerken met de visserijsector, met name op het gebied van traditionele kleinschalige kustvisserij, waarvan de bescherming en bevordering het doel van elke nieuwe wetgeving moet zijn;

28.  benadrukt dat het nodig is bij de vaststelling of herziening van rechtsinstrumenten overleg te plegen met de verschillende nationale en regionale overheden en de overheden van ultraperifere gebieden;

29.  stelt dat nauwere samenwerking tussen lidstaten een manier zou zijn om de controles verder te harmoniseren; wijst in dit opzicht op het belang van de deskundigengroep voor de naleving van de verplichtingen in het kader het EU-stelsel voor visserijcontrole;

30.  herinnert de Commissie dat het, om paradoxale situaties te voorkomen, noodzakelijk is eerst het operationele en het rechtskader vast te stellen en daarna pas dwingende bepalingen ten uitvoer te leggen;

31.  is van mening dat de Commissie moet toezien op een eenvormige en accurate omzetting en de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, bijvoorbeeld door vast te stellen dat elke lidstaat een minimumpercentage van alle vangsten moet controleren; meent bovendien dat de controleprocedures transparant, gelijk en gestandaardiseerd moeten zijn, zodat de lidstaten op gelijke voet kunnen worden geplaatst wat betreft de controles van hun vissers, en dat de controleregels eenvoudiger, omvattender en samenhangender moeten zijn;

32.  pleit voor versterking van de controles om de invoer van vis die afkomstig is van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, onder andere door middel van de oprichting van nationale inlichtingenteams van gespecialiseerde visserij-inspecteurs die risico's het best kunnen detecteren en de vaststelling van een minimumpercentage van alle vangsten dat door elke lidstaat aan een controle moet worden onderworpen;

33.  is van mening dat er kwalitatief hoogwaardige gegevens met betrekking tot de aanlandverplichting moeten worden verzameld, beheerd en gebruikt om de doeltreffende tenuitvoerlegging van die verplichting te controleren en te beoordelen en de gegevensverzameling in overeenstemming te brengen met de voorschriften van het herziene GVB;

34.  verzoekt de lidstaten en hun respectieve autoriteiten voor de controle op de zeevisserij om teams van gespecialiseerde visserij-inspecteurs samen te stellen; pleit voor meer samenwerking tussen lidstaten via uitwisselingen van inspecteurs, controlemethodes en gegevens, het delen van risicoanalyses en van informatie over quota van onder hun vlag varende schepen;

35.  herinnert eraan dat de tenuitvoerlegging van de controleverordening onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt; roept de lidstaten op hun verplichtingen na te komen en nauw met elkaar samen te werken om goede praktijken en gegevens uit te wisselen en interoperabiliteit van de controlesystemen mogelijk te maken;

36.  is van mening dat een uniforme en voorspelbare toepassing van de verschillende mogelijke inspectievormen aan de hand van de volledige definitie, harmonisering en uitleg van deze inspecties zou bijdragen tot het noodzakelijke gelijke speelveld voor alle EU-vissers;

37.  wijst erop dat zeegebieden in bepaalde regio's samen met landen buiten de EU worden beheerd en roept op tot intensievere samenwerking tussen lidstaten en niet-lidstaten;

38.  is van mening dat de lidstaten, het Europees Bureau voor visserijcontrole en de Commissie nauwer moeten samenwerken en beter moeten coördineren;

39.  vraagt dat het EFCA en de opleidingsinstellingen in de lidstaten een uniform Europees opleidingsprogramma toepassen voor visserij-inspecteurs, op basis van gemeenschappelijk cursusmateriaal en gestandaardiseerde regels, en is van mening dat een deel van de hiervoor benodigde financiële middelen van het EFMVZ moet komen;

40.  verlangt dat het door het EFCA opgestelde "kernleerplan" vertaald wordt en wijd wordt verspreid, bijvoorbeeld door middel van toepassingsopleidingen voor de nationale autoriteiten, met steun van het EFMVZ; stelt voor dat deze handleiding wordt aangevuld met voorbeelden van door controleurs toegepaste goede praktijken;

41.  benadrukt hoe belangrijk het is door derden verzorgde controleopleidingen te beoordelen en te certificeren;

42.  stelt voor om de opleiding voor vissers en de informatie die hun wordt gegeven te verbeteren, wat in beide gevallen via hun beroepsverenigingen en de kustgroepen (KG´s) zou kunnen gebeuren, zodat de vissers beter gaan begrijpen wat het doel en het algemene belang van de verordeningen is en er een cultuur ontstaat die ervoor zorgt dat de regels beter begrepen en nageleefd worden; beveelt aan dat er met het oog daarop effectief wordt overlegd met de adviesraden; stelt voor dat er, voor zover de geldende bepalingen inzake gegevensbescherming dit toelaten, online databanken worden opgezet met voor de visserij relevante documenten en informatie (inclusief het strafpuntensysteem), zodat het voor iedereen gemakkelijker wordt de regelgeving te lezen en te begrijpen; verzoekt de Commissie een inventaris op te maken van de bestaande opleidingen voor het beroep van visser in Europa en haar conclusies via een mededeling bekend te maken;

43.  beveelt aan dat wordt nagegaan of er een elektronisch EFCA-register (één EFCA-loket) kan worden opgezet, met printbare of elektronische modelformulieren voor inspecties en voor de centralisatie van inspectieverslagen; wijst erop dat dit elektronische EFCA-register ook zou kunnen worden gebruikt voor het inwachten en centraliseren van de door de lidstaten en derde landen afgegeven vangstcertificaten;

44.  stelt voor de door de controle-instanties gebruikte publieke communicatiesystemen te verbeteren, en benadrukt daarbij hoe belangrijk het is periodiek verslag te doen van de verrichte werkzaamheden en de behaalde resultaten en permanent informatie te verstrekken over de regels die gelden voor de visbestanden, zoals minimumafmetingen en tijdelijke en plaatselijke sluitingen;

45.  benadrukt dat het noodzakelijk is de rol van het EFCA te versterken, en met name diens begroting, bevoegdheden en personeelsbestand; stelt voor om de interventievoorwaarden als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad te herzien en met name de mogelijkheid toe te voegen om maatregelen te treffen met betrekking tot overbeviste bestanden en bestanden die de maximale duurzame opbrengst (MDO) niet hebben bereikt;

46.  benadrukt hoe belangrijk het is de controles met name te versterken in de lidstaten die de controleverordening tot op heden slecht ten uitvoer leggen teneinde illegale visserij te bestrijden, de GVB-regels na te leven en de kwaliteit van de verkregen gegevens te verbeteren;

47.  herinnert eraan hoe belangrijk het is over de capaciteit te beschikken voor real-time-gegevensuitwisseling, met name tijdens controleoperaties die het Bureau samen met de lidstaten verricht en die door het Bureau worden gecoördineerd aan de hand van plannen voor gezamenlijke stationering;

48.  benadrukt het belang van versterkte aanwezigheid van het EFCA in de buurt van de lidstaten, met inbegrip van de ultraperifere regio's;

49.  stelt voor dat minstens twee vertegenwoordigers van het Europees Parlement zitting krijgen in de Raad van Bestuur van het Bureau, waarin al zes vertegenwoordigers zetelen van de Commissie en een van elke lidstaat, daarbij aantekenend dat deze vertegenwoordiging paritair moet zijn (gelijk aantal vrouwen en mannen) en moet worden aangewezen door de Commissie visserij van het Europees Parlement uit haar leden;

50.  beveelt een uitbreiding van de controles aan - bijvoorbeeld door de monitoring uit te breiden - op de volledige productieketen en de toekenning van controlebevoegdheden op zee aan een enkel administratief orgaan om een overlapping van controles te vermijden, wat tot verspilling van personele, logistieke en financiële middelen leidt en tot verwarring en onnodige druk op de beroepsbeoefenaars in de visserijsector; roept voorts op tot formele samenwerking tussen de instellingen van de lidstaten zodat de gehele visproductieketen doeltreffend kan worden gecontroleerd;

51.  verzoekt de Commissie te evalueren of het passend is strafpunten aan visvergunningen te koppelen; benadrukt dat dit systeem ertoe leidt dat bij verkoop van het schip de punten samen met de vergunning worden overgedragen, hetgeen de waarde van bepaalde schepen kan verminderen en zo de eventuele doorverkoop ervan kan verhinderen, bijvoorbeeld aan jonge vissers die een plaats op de markt willen verwerven;

52.  beveelt aan om specifieke maatregelen te treffen met het oog op een bewustere en meer verantwoorde consumptie in restaurants, waarbij restaurateurs niet worden ontheven van de plicht om minimale productinformatie te verstrekken, terwijl de consument de mogelijkheid heeft om indirecte controle uit te oefenen;

53.  stelt voor dat autonome gemeenschappen of regio's de inspecties uitvoeren voor de binnenwateren, de nationale autoriteiten die voor de zeewateren tot 12 zeemijl van de kust en de EU die voor alle overige wateren;

54.  meent dat de controles op basis van de risicobeoordeling gebaseerd moeten zijn op transparante, specifieke en meetbare criteria die op Europees niveau worden vastgesteld;

55.  dringt aan op de harmonisering van de sancties en dat deze op een niveau worden gehouden dat zowel evenredig en niet-discriminerend is als afschrikkend werkt; verkiest economische sancties, met inbegrip van de tijdelijke opschorting van de activiteiten, boven strafrechtelijke sancties, maar is ook van mening dat voor het voorkomen van inbreuken de voorkeur moet uitgaan naar stimulansen voor vissers die zich aan de GVB-regels houden, zoals bepaald in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

56.  herinnert eraan dat de sancties onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie niet over de juridische mogelijkheid beschikt om een harmonisering op te leggen via Verordening (EG) nr. 1224/2009; wijst echter op het belang van het puntensysteem om een kader voor de sancties te verschaffen en roept de lidstaten op het initiatief te nemen voor een verregaande harmonisering van de sancties, met name de strafrechtelijke, teneinde de bestaande ongelijkheden weg te nemen;

57.  is van mening dat het bijvangstensysteem vissers in feite objectief en absoluut aansprakelijk stelt, omdat zij zich moeten verantwoorden zelfs als zij volledig in overeenstemming met het recht hebben gehandeld en de grootste zorgvuldigheid hebben betracht om bijvangsten te voorkomen;

58.  bevestigt dat de algemene beginselen van het EU-recht niet verenigbaar zijn met een systeem waarbij iemand zich objectief moet verantwoorden voor iets dat hij noch uit nalatigheid, noch opzettelijk heeft gedaan;

59.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan te overwegen een geharmoniseerde minimumstraf te ontwikkelen die van toepassing is op ernstige inbreuken en/of herhaald illegaal gedrag;

60.  pleit ervoor dat er hogere sancties worden opgelegd voor illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

61.  roept op tot de instelling van mechanismen om goede voorbeelden onder de aandacht te brengen teneinde de naleving te verbeteren;

62.  is van mening dat de interpretatie van sommige bepalingen, die ertoe leidt dat er sancties wegens overschrijding van de bijvangstlimiet worden opgelegd zonder rekening te houden met het feit dat er geen sprake is van opzet of nalatigheid bij de verrichting van legale praktijken, duidelijk in strijd is met de grondbeginselen van de Europese Unie die in het primaire recht zijn neergelegd in artikel 6 VEU;

63.  verzoekt de Commissie gemakkelijk toe te passen en te begrijpen richtsnoeren op te stellen om ongelijke behandeling tussen de lidstaten te voorkomen, met name in gevallen waarin vissers, door bijvangsten zelf te melden, tonen dat zij te goeder trouw hebben gehandeld en dat de vangst volstrekt onbedoeld is;

64.  meent dat de controles eerlijker, evenwichtiger en efficiënter zullen worden als de betrokkenen geholpen worden te investeren in moderne apparatuur en technologieën die compatibel zijn met die van andere lidstaten en gemakkelijk geüpdatet kunnen worden;

65.  spoort aan tot de invoering van financieringsmechanismen om het gebruik van goedkope technologieën op te voeren teneinde vrijwillige controle mogelijk te maken en de monitoring en veiligheid van vissers, met name in de kleinschalige ambachtelijke visserij, te verbeteren;

66.  benadrukt het belang van elektronische technologieën (elektronische rapportage en elektronische toezichtsystemen), die een potentieel kosteneffectief middel zijn om de observatie van activiteiten op zee te verbreden;

67.  spreekt zich uit tegen verplichte videobewakingssystemen aan boord van vaartuigen;

68.  wijst de Commissie erop dat de visserijcontrole baat zou hebben bij het gebruik van nieuwe aardobservatietechnologieën, zoals Sentinel-satellieten;

69.  beveelt aan dat er gelijkwaardige controles worden toegepast op ingevoerde visserijproducten, op strandvisserij en recreatievisserij, alsook op de EU-vloot die in wateren van derde landen vist en op vloten van derde landen die in EU-wateren vissen, teneinde te waarborgen dat de hele Europese markt voor iedereen op dezelfde wijze toegankelijk is; stelt voor dat gegevensuitwisseling over IOO-visserij verplicht wordt gesteld;

70.  ondersteunt het idee dat de beschikbare begrotingsmiddelen, met name in het kader van het EFMVZ, realistisch en consistent moeten zijn en moeten volstaan om de doelstellingen van de controles te realiseren;

71.  beveelt aan dat het voortbestaan van visafslagen die cruciaal zijn voor bepaalde gebieden verzekerd wordt, met name door financiële steun uit het EFMZV, omdat zij bijdragen tot transparantie en traceerbaarheid en de visserijcontrole vergemakkelijken;

72.  pleit ervoor dat de impact van recreatievisserij wordt meegenomen in de herziene controleverordening;

73.  verzoekt om de ontwikkeling van een systeem voor toezicht, informatieoverdracht en gegevensanalyse dat in de hele Europese Unie compatibel is; wenst voorts dat de Commissie tot taak krijgt het kader voor de uitwisseling van informatie en gegevens te bepalen, met inachtneming van de geldende bepalingen inzake gegevensbescherming; benadrukt dat een transparant kader voor de uitwisseling van gegevens en informatie cruciaal is om na te gaan of er sprake is van een gelijk speelveld;

74.  onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting gepaard moet gaan met de nodige flexibiliteit ten aanzien van de controle daarop, omdat rekening moet worden gehouden met de ingrijpende veranderingen die deze verplichting voor de visserij inhoudt, in het bijzonder voor de gemengde visserij; herinnert aan het belang van de progressieve toepassing van de sancties en het puntensysteem in geval van zware inbreuken op de aanlandingsverplichting, overeenkomstig Verordening (EU) 2015/812 inzake de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting;

75.  onderstreept dat informatie over de vraag of en hoe de lidstaten verschillende typen inbreuken bestraffen en of de sancties consequent worden opgelegd ongeacht de vlag waaronder een vaartuig vaart, ter beschikking moet worden gesteld van de belanghebbenden en het publiek, met volledige inachtneming van de privacy van de betrokkenen;

o
o   o

76.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0083.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0307.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0222.


De aansluiting op en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa verbeteren
PDF 289kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over de verbetering van de aansluiting op en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa (2015/2347(INI))
P8_TA(2016)0408A8-0282/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(1),

–  gezien zijn resolutie van 2 december 2015 over duurzame stadsmobiliteit(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over de toekomst van regionale luchthavens en luchtdiensten in de EU(3),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 170,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013(5),

–  gezien het verslag "Road Safety in the European Union" (Verkeersveiligheid in de Europese Unie), gepubliceerd door de Commissie in maart 2015(6),

–  gezien de conclusies van de vergadering van de ministers van Vervoer uit de Donaulanden van 3 december 2014 over het doeltreffende herstel en onderhoud van de waterinfrastructuur op de Donau en haar bevaarbare zijrivieren(7),

–  gezien de verklaring van Łańcut van 3 maart 2016 over nauwere samenwerking op het vlak van vervoer in de Karpaten en de voortzetting van de ontwikkeling van de Via Carpathia(8),

–   gezien het Berlijnproces en de conferentie van de landen van de Westelijke Balkan van 2014, de top van Wenen van 2015 en de conferentie van Parijs van 2016,

–  gezien het actieplan van de strategie van de Europese Unie voor het Donaugebied (SEC(2010)1489),

–  gezien het actieplan van de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied (SWD(2015)0177),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0282/2016),

A.  overwegende dat de connectiviteit en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur verstrekkende gevolgen hebben voor de economische groei, het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de territoriale cohesie van de EU en haar regio's; overwegende dat Centraal- en Oost-Europa een essentieel onderdeel zijn van de Europese interne markt en het potentieel hebben om investeringen aan te trekken en bij te dragen aan economische groei in de hele EU, en dat alle vervoerswijzen zonder uitzondering bij moeten dragen aan de verbetering van het concurrentievermogen, de intermodaliteit en de ecologische transitie om de ontwikkeling van de interne markt beter van dienst te zijn;

B.  overwegende dat de verbetering van de connectiviteit en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa een middel is om de doelstellingen van het cohesiebeleid te verwezenlijken, met name wat betreft de gewenste economische ontwikkeling van grensregio's;

C.  overwegende dat de vervoersinfrastructuur in de meeste regio's van de centrale en oostelijke delen van de EU achterblijft bij die van andere Europese regio's, en dat in Centraal- en Oost-Europa de vervoersinfrastructuur onderontwikkeld is, terwijl het centrum van Europa over een van de meest geavanceerde en intensief gebruikte netwerken van de wereld beschikt; overwegende dat burgers ervan uitgaan dat de lidstaten, met de steun van de EU, samen werk zullen maken van de verbetering daarvan;

D.  overwegende dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) de belangrijkste bron van investeringen in openbaar vervoer zijn in Centraal- en Oost-Europa, en dat de Connecting Europe Facility (CEF) een belangrijk financieringsinstrument is voor de verdere ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de regio als onderdeel van de TEN-T-kernnetwerkcorridors; overwegende dat een gebrek aan administratieve capaciteit bij de nationale, regionale en lokale overheid kan leiden tot een lage opname van de EU-fondsen en dat daarom de lidstaten in Centraal- en Oost-Europa, net als in andere delen van de EU, de EU-fondsen om verschillende redenen niet altijd maximaal hebben benut, onder meer wegens tekortschietende voorbereiding en efficiëntie; overwegende dat moet worden gezorgd voor capaciteitsopbouw en technische bijstand om het opzetten van een groter aantal goede projecten te stimuleren en overheden te ondersteunen bij het beheer van EU-fondsen;

E.  overwegende dat een toename van het werk aan onafhankelijke projecten zoals de Via Carpathia en Rail Baltica, alsmede de ontwikkeling van de kernnetwerkcorridors tussen de Oriënt en de oostelijke Middellandse Zee en tussen de Oostzee en de Adriatische Zee, de Adriatisch-Ionische corridor en Traceca een belangrijke impuls zou geven aan de verbetering van de connectiviteit en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in dit deel van de EU; overwegende dat de steun voor nauwere banden tussen naburige derde landen en de EU-lidstaten in Centraal- en Oost-Europa, onder meer op het gebied van spoorvervoer en -infrastructuur, zal bijdragen aan betere spoorverbindingen tussen de Europese Unie, naburige landen en regio's en Azië;

F.  overwegende dat goed ontwikkelde grensoverschrijdende vervoersverbindingen essentieel zijn voor het regionale concurrentievermogen en voor het stimuleren van de uitbreiding van kmo's in grensgebieden en, vooral op het vlak van openbaar vervoer, voor de ondersteuning van de sociale inclusie van economisch kwetsbare bevolkingsgroepen; overwegende dat het in veel Centraal- en Oost-Europese lidstaten nog steeds ontbreekt aan goede grensoverschrijdende vervoersverbindingen, met name per spoor; overwegende dat inefficiënte verbindingen tussen verschillende vervoerswijzen en het gebrek aan netwerkvoorzieningen tussen basisvervoer en algemeen vervoer betekenen dat er onvoldoende interoperabiliteit bestaat tussen de verschillende vervoerswijzen, terwijl die interoperabiliteit niet alleen de prijzen voor het passagiers- en goederenvervoer zou verlagen en de flexibiliteit van de vervoersdiensten zou verbeteren, maar ook zou helpen ecologische en sociale problemen aan te pakken;

G.  overwegende dat gecoördineerde verbeteringen aan de vervoersinfrastructuur positieve gevolgen kunnen hebben voor het milieu en de energie-efficiëntie van vervoer;

Horizontale aspecten

1.  benadrukt dat de connectiviteit en de toegankelijkheid van de infrastructuur van het vervoer naar, van en binnen de centrale en oostelijke delen van de EU moeten worden verbeterd, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de economische behoeften en de beginselen van duurzame ontwikkeling; herinnert aan de doelstellingen van TEN-T: het aanvullen van ontbrekende schakels, het opheffen van knelpunten en het waarborgen van naadloos op elkaar aansluitende verbindingen voor langeafstands- en regionaal vervoer, vooral in grensoverschrijdende regio's, zowel voor passagiers als voor goederen; is van mening dat het gebruik van EU-fondsen moet aansluiten op de werkelijke investeringsbehoeften om het TEN-T-kernnetwerk in de regio uiterlijk in 2030 te voltooien; merkt op dat de EU niet alleen nieuwe infrastructuur moet aanleggen maar ook moet investeren in de modernisering en voltooiing van de bestaande vervoersinfrastructuur;

2.  onderstreept het belang van gecoördineerde projectplanning door lidstaten en tussen landen onderling, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de nationale vervoersplannen en coördinatie met kandidaat-lidstaten, er een realistische inventarisatie van de vervoersbehoeften wordt gemaakt in overeenstemming met het EU-Witboek over vervoer en waarvan een kosten-batenanalyse en overleg met belanghebbenden een onderdeel vormen; constateert dat de lidstaten dankzij de ex-antevoorwaarde om algemene vervoersplannen op te stellen prioriteiten hebben kunnen aanbrengen in hun vervoersinvesteringen; is van mening dat de verantwoordelijke diensten van de Commissie de algemene plannen moeten beoordelen en moeten zorgen voor een follow-up zodat deze plannen ook voldoen aan de EU-doelstellingen en -prioriteiten;

3.  beveelt ten zeerste aan om beter gebruik te maken van bestaand beleid en beschikbare instrumenten voor regionale samenwerking, zoals Europese territoriale samenwerking, Interreg en vooral Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, teneinde het grensoverschrijdende vervoer tussen regio's te stimuleren en knelpunten weg te nemen;

4.  stelt vast dat er al macroregionale EU-strategieën, zoals die voor het Oostzee-, Donau- en Adriatisch-Ionische gebied zijn vastgesteld, en een mogelijke toekomstige strategie voor het Karpatengebied en het Zwarte Zeegebied een innovatief governancekader bieden om uitdagingen in het vervoersbeleid het hoofd te bieden die niet door de lidstaten alleen kunnen worden opgelost, om te zorgen voor betere vervoersomstandigheden;

5.  is ingenomen met de voltooiing van de eerste werkplannen voor de kerncorridors van TEN-T uit 2015 en met de goedkeuring van de nieuwe kaarten waarbij het TEN-T-netwerk verder wordt uitgebreid naar de landen van de Westelijke Balkan; benadrukt dat de verwezenlijking van het kernnetwerk tevens als stimulans moet dienen voor de ontwikkeling van het alomvattende netwerk, met name voor belangrijke grensoverschrijdende verbindingen die van invloed zijn op de consolidatie van corridors; benadrukt het belang van stedelijke knooppunten en hun rol bij het verbeteren van de vervoersstromen, voor zowel passagiers als voor goederen;

6.  benadrukt dat de ongelijkheid tussen de Centraal- en Oost-Europese regio en de rest van Europa wat betreft de ontwikkeling en de kwaliteit van infrastructuur kan worden teruggebracht aan de hand van een heldere, concrete en geïntegreerde strategie voor de hele EU;

7.  herinnert de Commissie aan haar verplichting tot 2020 uit hoofde van het Witboek over vervoer uit 2011, waarin zij een plan heeft aangenomen voor de uitvoering van 40 specifieke maatregelen voor de ontwikkeling van een concurrerend en zuinig Europees vervoerssysteem; brengt in herinnering dat een van haar langetermijndoelstellingen is om tot 2030 30 %, en tot 2050 meer dan 50 % van het huidige wegvervoer over afstanden van meer dan 300 km per spoor of over het water te laten plaatsvinden, waardoor er aanzienlijk minder verkeer zal zijn in Centraal- en Oost-Europa;

8.  ziet de ontwikkeling van vervoersknooppunten als een cruciaal element om langeafstands-, regionaal en stedelijk vervoer op elkaar aan te laten sluiten, waarmee de efficiëntie, intermodaliteit en de ontwikkeling van het regionale bedrijfsleven bevorderd worden en waarbij tevens rekening wordt gehouden met de enorme mogelijkheden die digitalisering kan bieden voor het verhogen van de prestaties van de hele logistieke keten, onder meer door gegevens beschikbaar te maken voor alle belanghebbenden (gegevensuitwisseling) met het oog op de ontwikkeling van nieuwe diensten en praktijken;

9.  beklemtoont dat bij de aanleg en modernisering van de weginfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de behoeften van fietsers; benadrukt dat er in de landen van Centraal- en Oost-Europa een fietsinfrastructuur moet worden ontwikkeld, waardoor de veiligheid zal toenemen, het aantal verkeersslachtoffers zal dalen en de levenskwaliteit en gezondheid van de mensen in de EU zal verbeteren; onderstreept dat het EuroVelo-fietsnetwerk en met name route 13 (de IJzeren Gordijn-route), de Oost-Europa-route en de route van de Atlantische Oceaan naar de Zwarte Zee, in combinatie met spoorverbindingen interessante mogelijkheden biedt voor kmo's in de toeristische sector in de Oost- en Centraal-Europese macroregio's, en dat dit netwerk daarom moet worden bevorderd;

10.  wijst erop dat voor een coherentere economische ontwikkeling van de lidstaten in de westelijke, centrale en oostelijke delen van de EU aanzienlijke investeringen nodig zijn; onderstreept dat de coördinatie tussen de Europese en de nationale overheden beter moet worden, met name bij de verwezenlijking van het kerngedeelte van het TEN-T-netwerk; herinnert er evenwel aan dat bij de op Europees niveau vereiste coördinatie rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen in de lidstaten, de verschillen tussen hun economieën, socialezekerheidsstelsels en de kwaliteit van hun infrastructuur en met demografische veranderingen; benadrukt het potentieel van banen in een beter functionerende spoorwegsector; pleit voor de opheffing van arbitraire obstakels voor het vrije verkeer van goederen en diensten, en hamert erop dat landen ook geen nieuwe obstakels moeten opwerpen;

11.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor synergie en onderlinge complementariteit tussen de financieringsmiddelen die afkomstig zijn uit de CEF, de ESI-fondsen, het instrument voor pretoetredingssteun en instrumenten van de EIB en de EBWO bij de uitvoering van projecten op het vlak van vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa teneinde het gebruik en de diversifiëring ervan aanzienlijk te verbeteren; wijst op de noodzaak om ervaringen en kennis uit te wisselen en te verspreiden over de voorbereiding en aanwending van projecten die met verschillende instrumenten worden gefinancierd (het combineren van fondsen); wijst erop dat de middelen van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) tijdig moeten worden aangesproken om commercieel haalbare marktgebaseerde projecten op gang te brengen; dringt er bij de Commissie, de EIB en de Europese investeringsadvieshub op aan nauwer samen te werken met projectontwikkelaars in Centraal- en Oost-Europa om ervoor te zorgen dat het EFSI wordt ingezet voor hoogstaande vervoersinfrastructuurprojecten op het vlak van innovatieve en duurzame vervoerswijzen; benadrukt hoe belangrijk het EFSI is voor de ontwikkeling van allerlei soorten projecten op het gebied van vervoersinfrastructuur; stelt vast dat tot nu toe de meeste infrastructuurprojecten die volgens de planning door het EFSI gefinancierd zullen worden zich in West-Europa bevinden; verzoekt de Commissie in verband met het EFSI dan ook beleggers aan te sporen om projectplatforms te ondersteunen die gericht zijn op vervoersinfrastructuurprojecten in Centraal- en Oost-Europa; beklemtoont hoe belangrijk de financiering van het cohesiebeleid is voor de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de Centraal- en Oost-Europese landen, waarvan de kwaliteit vaak lager ligt dan die van de vervoersnetwerken in West-Europa, en verzoekt dan ook de nodige middelen en financiering beschikbaar te stellen in het volgende meerjarig financieel kader;

12.  brengt in herinnering dat 11 305 500 000 EUR van het Cohesiefonds is overgeheveld naar de Connecting Europe Facility ten behoeve van de vervoerssector in de lidstaten die steun ontvangen uit het Cohesiefonds; onderstreept dat het gebruik van al deze direct beschikbare financiering, vooral gezien het huidige opnamepercentage, voorrang moet krijgen op investeringen door derden als deze investeringen ingegeven zijn door politieke overwegingen in plaats van zakelijke belangen;

13.  verzoekt de Centraal- en Oost-Europese lidstaten een hoog transparantieniveau en strenge controles te garanderen met betrekking tot het gebruik van EU-fondsen en de informatie over de toewijzing van deze middelen zo snel mogelijk openbaar te maken;

14.  wijst op de mogelijkheden die hybride projecten met publiek-private partnerschappen bieden, door financieringsbronnen voor investeringen in infrastructuur, afkomstig van EU-subsidies (tot 85 % van de totale subsidiabele kosten), openbare financiering in de vorm van medefinanciering die de begunstigde dient te verstrekken, en geld van particuliere bedrijven aan elkaar te koppelen; beklemtoont tegelijkertijd dat EU-financiering en -begrotingsmiddelen een factor zijn die de betrouwbaarheid van de investeringen doet toenemen, aangezien hiermee het risico voor de particuliere sector beperkt wordt; wijst erop dat de particuliere sector tegelijkertijd profiteert van stabiele, langdurige contracten die niet afhangen van nationale economische, politieke en budgettaire schommelingen; moedigt de lidstaten dan ook aan in voorkomend geval gebruik te maken van publiek-private partnerschappen, wat een gunstige methode kan zijn om in infrastructuur te investeren, met name als het gaat om de uitvoering van complexe infrastructuurprojecten waarvoor omvangrijke uitgaven nodig zijn en die een laag rendement behalen, enerzijds, en de wens om doeltreffend hoogwaardige openbare diensten te verlenen anderzijds; roept de Commissie in dit verband op de lidstaten in Centraal- en Oost-Europa technische bijstand te verlenen, aangezien sommige van deze landen weinig ervaring hebben in het werken met financieringsinstrumenten en het betrekken van de particuliere sector bij grote projecten; verzoekt de Commissie tevens om in samenwerking met de nationale, regionale en lokale overheden regelmatig een volledig overzicht van vervoersprojecten op te stellen, met de bijbehorende bedragen die door de verschillende EU-fondsen worden medegefinancierd;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de aanbestedingsprocedures te stroomlijnen en te vereenvoudigen, richtsnoeren op te stellen voor publiek-private partnerschappen, te zorgen voor een adequaat kader voor overheidssteun en de vergunningsprocedures te vereenvoudigen teneinde de uitvoering van vervoersprojecten, met name grensoverschrijdende vervoersprojecten, te vergemakkelijken;

16.  benadrukt dat de ESI-fondsen gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling van de ontbrekende schakels in de grensgebieden in heel Centraal- en Oost-Europa en bij de versterking van de bestaande infrastructuur om volledige toegang tot de interne markt te waarborgen en om de economische groei verder aan te wakkeren; benadrukt in dit verband dat, aangezien vervoer cruciaal is voor regionale ontwikkeling, een adequate en naar behoren gefinancierde lokale infrastructuur een absolute basisvereiste is voor economische, sociale en territoriale cohesie;

17.  wijst erop dat de ESI-fondsen ook kunnen worden ingezet om de administratieve capaciteit van de bemiddelende organen en begunstigden te vergroten, aangezien anders de steun van de EU voor investeringen in vervoer in de regio misschien niet in goede banen wordt geleid; merkt op dat vooral het steunmechanisme Jaspers hier tot nu toe aan heeft bijgedragen en daarom misschien niet alleen moet worden voortgezet, maar ook in aanmerking moet komen voor een meer permanente, institutionele invulling; wijst erop dat de technische bijstand die door de Europese investeringsadvieshub wordt geboden publieke en particuliere initiatiefnemers van projecten moet helpen een stabiel toevoerkanaal van volwaardige en goed gestructureerde projecten tot stand te brengen om langdurig te profiteren van de financieringsinstrumenten; brengt in herinnering dat de Europese coördinatoren van de kernnetwerkcorridors wel een politiek mandaat hebben, maar over onvoldoende administratieve capaciteit beschikken; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het openbaar beheer van deze middelen te stroomlijnen en zo onnodige bureaucratische rompslomp te vermijden;

18.  verzoekt de Commissie en de EIB beter samen te werken en hun inspanningen op elkaar af te stemmen om te zorgen voor een brede raadpleging van alle belanghebbenden over de financiering van de vervoersinfrastructuur, de uitwisseling van beste praktijken, de bevordering van financieringsinstrumenten en het vroegtijdig in kaart brengen van potentiële projecten, en het Parlement hierover regelmatig te informeren; benadrukt dat met de grootste urgentie alle stappen moeten worden ondernomen met betrekking tot projecten die gericht zijn op de verbetering van de connectiviteit en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur;

19.  spoort de regio's en de lidstaten aan om maatregelen te nemen of voort te zetten waarmee wordt toegewerkt naar milieuvriendelijkere vervoersopties; stimuleert de aanwending van de ESIF voor projecten die gericht zijn op het genereren van vraag naar openbare en duurzamere vervoersopties, bijvoorbeeld aan de hand van vereenvoudigde grensoverschrijdende ticketverkoop en investeringen in systemen voor elektrische oplaadpunten;

20.  benadrukt dat gelijke aandacht moet worden geschonken aan vervoerscorridors tussen oost en west en tussen noord en zuid binnen het Europese TEN-T-netwerk, wat kan bijdragen tot de economische ontwikkeling van de deelnemende landen door nieuwe mogelijkheden te creëren voor werkgelegenheid in kmo's, startende bedrijven, handel, wetenschap, onderzoek en technologie, alsook tot een betere verkeersveiligheid en lagere vervoerskosten; onderstreept het belang van multimodaliteit en vervoersinnovatie voor de ontwikkeling van handel en toerisme evenals voor milieubescherming, en ondersteunt de opneming van de binnenwateren in de multimodale logistieke keten, aangezien een goede verbinding tussen alle vervoerswijzen kan zorgen voor de economische ontwikkeling van het gebied en voor minder knelpunten in het vervoerssysteem;

21.  is ingenomen met de uitbreiding van het TEN-T-netwerk naar de landen van de Westelijke Balkan; verzoekt de Commissie toe te zien op de opname van de toetredingslanden op de Westelijke Balkan in het TEN-T-netwerk en op de samenwerking voor vervoersverbindingen met Oekraïne, Moldavië en andere buurlanden, onder meer de landen die deel uitmaken van de Traceca-corridor; benadrukt hoe belangrijk het is de financiële criteria zodanig aan te passen dat de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten op bredere schaal kunnen profiteren van de financieringsinstrumenten van de EU, met name voor grensoverschrijdende projecten; benadrukt dat investeringen, met name via het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en het investeringskader voor de Westelijke Balkan, en maatregelen voor verkeersoptimalisatie op regionaal niveau op elkaar moeten worden afgestemd om bij te dragen tot de uitbreiding van het kernnetwerk in de regio;

22.  is van mening dat verbeteringen aan de vervoersinfrastructuur en de connectiviteit in de lidstaten van Centraal- en Oost-Europa een belangrijk hulpmiddel zijn om de stabiliteit, economische ontwikkeling, regionale samenwerking en veiligheid van de oostgrens van de Unie en op de Westelijke Balkan te vergroten en om de opwaartse convergentie van de vervoersomstandigheden op de interne markt te bevorderen; onderstreept in dit verband het belang van de corridor tussen de Oriënt en de oostelijke Middellandse Zee;

23.  benadrukt de absolute noodzaak om het Schengengebied in stand te houden voor een efficiënt en kosteneffectief vervoerssysteem in de EU op basis van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen over open binnengrenzen; herinnert eraan dat de Commissie reeds in juni 2011 alle lidstaten met klem had verzocht om te besluiten het Schengengebied uit te breiden met Bulgarije en Roemenië;

24.  benadrukt dat de connectiviteit en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur moeten worden verbeterd om de ontwikkeling van de toeristische sector in de EU te bevorderen; benadrukt dat een uitgebreid en efficiënt Europees vervoersnetwerk een belangrijke troef is voor de toeristische sector doordat het regio's aantrekkelijker maakt voor toeristen; is van mening dat de landen in Centraal- en Oost-Europa een enorm potentieel hebben voor wat betreft de ontwikkeling van hun toeristische sector, en dat dat potentieel beter kan worden benut via de verdere ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur;

25.  wijst op de gunstige ecologische en economische aspecten van de synergieën die ontstaan door verschillende vervoerswijzen met elkaar te verbinden teneinde de inherente voordelen van de afzonderlijke vervoerswijzen beter te benutten;

26.  beklemtoont dat voor de ontwikkeling van gecombineerd vervoer in Centraal- en Oost-Europa de kenmerken van corridors voor het goederenvervoer per spoor moeten worden verbeterd en de bouw van openbaar toegankelijke intermodale vervoerscentra moet worden ondersteund;

27.  ziet enorme mogelijkheden in internationale infrastructuurprojecten zoals de nieuwe zijderoute om Centraal- en Oost-Europa te helpen beter gebruik te maken van het potentieel van de wereldeconomie; is van mening dat Centraal- en Oost-Europa dankzij hun gunstige geografische ligging een belangrijk logistiek centrum en een communicatiespil tussen Europa en Azië kunnen worden;

28.  beklemtoont dat betere vervoerstoegankelijkheid in Centraal- en Oost-Europa en de daarmee samenhangende investeringen een impuls moeten geven aan de bloei van het lokale bedrijfsleven; wijst erop dat aanbestedingsprocedures en de uitvoering van projecten kmo-vriendelijk moeten zijn; verzoekt de Commissie meer aandacht te schenken aan het probleem van de belangrijkste aannemers en onderaannemers die bij projecten betrokken zijn en op oneerlijke wijze samenwerken, en dat de laagst opgeleide werknemers hier veelal het slachtoffer van zijn;

29.  meent dat de behoeften van de bewoners van dunbevolkte en moeilijk bereikbare regio's, zoals berggebieden, in aanmerking moeten worden genomen bij de planning van infrastructuuroplossingen in Centraal- en Oost-Europa; blijft erbij dat een gebrek aan toegang tot vervoer kan leiden tot sociale uitsluiting en verzoekt de Commissie rekening te houden met de behoeften van de mensen die gebruikmaken van lokale vervoersroutes; benadrukt dat de rentabiliteit van vervoersverbindingen niet het enige criterium mag zijn om het nut ervan te beoordelen;

Wegvervoer

30.  wijst erop dat de ontwikkeling van grensoverschrijdende wegen essentieel is om de samenwerking tussen inwoners en bedrijven in grensgebieden op gang te brengen; verzoekt de lidstaten door te gaan met het moderniseren van wegen, de ontbrekende schakels verder te ontwikkelen, veilige en toegankelijke parkeerplaatsen te bouwen en de regionale en lokale aansluiting op het TEN-T-netwerk te verbeteren, aangezien de verbinding met het TEN-T-netwerk een belangrijke basis voor de economische groei van regionale centra is;

31.  onderstreept dat er moet worden gezorgd voor eerlijke tolsystemen in de EU; wijst erop dat er vanwege de speciale kenmerken van de lidstaten een zekere flexibiliteit moet worden betracht bij het opzetten van deze systemen, terwijl de technische interoperabiliteit op een passend niveau moet worden gewaarborgd; meent dat die systemen moeten worden ontworpen in samenwerking met het bedrijfsleven en de commerciële weggebruikers en dat de laatstgenoemden niet verplicht mogen worden extra of onevenredige kosten te betalen die hun bedrijfsactiviteiten minder winstgevend maken;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten werk te maken van de broodnodige verbetering van het wegennet langs de oostgrens van de EU, van Estland, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije naar Griekenland; vindt dat dergelijke inspanningen moeten aanhaken bij de al afgeronde fases van de voortdurende planning in het kader van het Via Carpathia-project, waarover vertegenwoordigers van de betrokken landen op 3 maart 2016 in Warschau een verklaring hebben ondertekend voor verdere samenwerking aan de ontwikkeling van de corridor en de actualisering van de route; is van mening dat, met de aanleg van de Via Carpathia, afgelegen regio's van de EU de kans zullen krijgen om zich versneld te ontwikkelen en de meer ontwikkelde gebieden van de EU sneller bij te benen; wijst erop dat de aanleg van de route ook investeringen en de groei van ondernemingen zal aanwakkeren, en de veiligheid van de EU in haar geheel zal bevorderen, met name in de context van het gewapende conflict in Oekraïne; is van mening dat er gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheid om de Rijn-Donaucorridor naar het noorden van de EU door te trekken met behulp van de Via Carpathia, en dat er toereikende middelen moeten worden uitgetrokken voor de Via Carpathia; pleit er dan ook voor om het Via Carpathia-project op te nemen in het TEN-T-kernnetwerk en zodoende te zorgen voor passende EU-financiering; spoort de lidstaten tevens aan om middelen voor dat project uit te trekken en daarbij alle mogelijke financieringsinstrumenten te gebruiken, zoals de Connecting Europe Facility en het Europees Fonds voor strategische investeringen;

33.  herhaalt dat de kwaliteit van de weginfrastructuur rechtstreekse gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid; is daarom van mening dat de verkeersveiligheid ook moet worden beoordeeld tijdens de aanleg van weginfrastructuur; vindt het verontrustend dat het aantal doden en zwaargewonden bij verkeersongevallen in veel Centraal- en Oost-Europese lidstaten relatief hoog blijft; onderstreept dat maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren verder moeten worden bevorderd op nationaal en Europees niveau; is van mening dat passende financiering moet worden verstrekt voor infrastructurele herstelprojecten in de Centraal- en Oost-Europese lidstaten;

34.  onderstreept dat de veiligheid en de duurzaamheid van de vervoerssector kernprioriteiten zijn bij de ontwikkeling van infrastructuur; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op de digitalisering en automatisering in alle vervoerswijzen verder te stimuleren; pleit ervoor om in investeringsprojecten voor infrastructuur vervoersoplossingen op te nemen die het risico van doden of zwaargewonden als gevolg van verkeersongevallen beperken, en rekening te houden met de behoeften van mensen die in de buurt van drukke verkeersroutes wonen;

Spoorvervoer

35.  benadrukt dat de aanleg en modernisering van en het onderhoud aan spoorlijnen cruciaal is voor de coherente, duurzame groei van het spoorvervoer en cohesie in de centrale en oostelijke delen van de EU; onderstreept dat voor het spoor een belangrijke rol is weggelegd in de beperking van de klimaatgevolgen, de luchtverontreiniging en het aantal verkeersongevallen, en verwacht dat dergelijke inspanningen positief zullen uitpakken voor de industriële ontwikkeling, de goederenlogistiek, de kwaliteit van de openbare diensten en de betrouwbare mobiliteit van reizigers; roept de lidstaten op grensoverschrijdende en binnenlandse knelpunten op te heffen en hun operationele capaciteit uit te breiden om de in het Witboek over vervoer uit 2011 neergelegde doelstellingen voor de overstap op andere vervoerswijzen tot 2030 resp. 2050 te halen;

36.  benadrukt dat bepaalde regio's van Centraal- en Oost-Europa over een goed ontwikkeld spoorwegennet beschikken, maar dat deze infrastructuur dringend moet worden gemoderniseerd om te voorkomen dat de toestand ervan verslechtert waardoor de operationaliteit in het gedrang komt; heeft kritiek op de te geringe investeringen in grensoverschrijdende spoorlijnen en het beperkte personenvervoer per spoor in veel grensstreken; verzoekt de lidstaten om de ontbrekende aansluitingen (opnieuw) tot stand te brengen en knelpunten te verhelpen; stelt voor om het spoornet aan een onderzoek te onderwerpen middels de planningsmethode voor het uitgebreide en het kernnetwerk van TEN-T, om mogelijke verdere ontbrekende schakels in kaart te brengen, in het bijzonder grensoverschrijdende verbindingen, zowel tussen EU-lidstaten onderling als met naburige derde landen; spoort de lidstaten aan een nauwe en constructieve samenwerking op te zetten om deze tekortkomingen te verhelpen en de territoriale integratie en cohesie te bevorderen; verzoekt de Commissie doeltreffende financiële steun te verschaffen voor al deze inspanningen;

37.  schaart zich achter de toepassing van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) op alle TEN-T-kernnetwerkcorridors; is van mening dat de volledige en spoedige tenuitvoerlegging van het ERTMS een absolute EU-prioriteit moet zijn om een volledig interoperabele, goed functionerende, efficiënte en aantrekkelijke Europese spoorwegruimte te creëren die kan concurreren met andere vervoerswijzen;

38.  verzoekt de lidstaten duidelijke langetermijnstrategieën voor de ontwikkeling van het spoorvervoer vast te stellen en belemmeringen voor spoorwegprojecten die met behulp van EU-financiering worden uitgevoerd weg te nemen;

39.  onderstreept dat de investeringen in de kwalitatieve verbetering van de spoorwegen moeten worden opgevoerd om ze toegankelijker en aantrekkelijker te maken voor personen- en goederenvervoer en hun aandeel in de verdeling van vervoerswijzen te vergroten conform doelstelling 3 inzake de verschuiving naar andere vervoerswijzen, zoals geformuleerd in het EU-Witboek over vervoer;

40.  wijst op een gebrek aan weg-spoorverbindingen van en naar havens; wijst erop dat de meeste luchthavens in Oost-Europa dicht bij spoorweginfrastructuur liggen en dat de integratie daarvan nog steeds technisch mogelijk is; roept de Commissie op de verdere integratie van multimodale vervoersverbindingen (weg-spoor-luchthaven) in Centraal- en Oost-Europa volledig te ondersteunen;

41.  verzoekt de Commissie de investering in rollend materieel in Centraal- en Oost-Europese landen te blijven ondersteunen aangezien het daardoor mogelijk zal worden het potentieel van het spoorvervoer binnen de openbaarvervoersystemen van die landen nieuw leven in te blazen;

42.  wijst erop dat de duurzame ontwikkeling van een Europese vervoersinfrastructuur per spoor niet moet ophouden bij het opzetten van het netwerk, maar ook kostenefficiënte onderhoudsmaatregelen voor de lange termijn moet omvatten; is gezien het belang van onderhoudswerkzaamheden van mening dat een aanzienlijk deel van de financiële middelen moet worden bestemd voor dergelijke maatregelen;

43.  onderstreept de gemeenschappelijke voordelen van de Rail Baltica-verbinding als een van de prioritaire projecten van de corridor tussen de Noordzee en de Oostzee, en het grote strategische belang ervan voor alle betrokken lidstaten en voor de hele regio: van Finland (met de mogelijke "Botnische uitbreiding"), via Estland, Letland, Litouwen en Polen naar Duitsland, Nederland en Zuid-Europa; is tevreden met de vooruitgang die is geboekt bij de aanleg en de voorbereiding van het Rail Baltica-project en benadrukt dat goede samenwerking tussen de geïnteresseerde en de betrokken landen cruciaal is om zonder verdere vertraging en terugval te vorderen met het project en elk risico te vermijden dat er geen financiële middelen worden uitgetrokken voor dit project; benadrukt dat de EU-medefinanciering van ongeveer 85 % verloren gaat bij niet-naleving van de regels van de Commissie en dat de toekomstige financieringsvoorwaarden nooit meer zo gunstig zullen zijn als nu; dringt er bij de betrokken landen op aan de rol van de joint venture RB Rail te erkennen en te versterken als het meest geschikte orgaan voor het beheer van een grensoverschrijdend project van deze schaal, gezamenlijke aanvragen voor EU-financiering in te dienen, zowel gezamenlijke als nationale openbare aanbestedingen te organiseren, de projectwerkzaamheden te coördineren en, ten slotte, aan te tonen dat ze kunnen samenwerken;

44.  onderstreept, gezien het stagnerende aandeel van het spoor in de Europese markt voor goederen- en passagiersvervoer, hoe belangrijk het Shift2Rail-initiatief is, met name op het gebied van het goederenvervoer, om het concurrentievermogen en de efficiëntie te vergroten; is van mening dat er ook moet worden geïnvesteerd in de kwalitatieve verbetering van het goederenvervoer per spoor; is ingenomen met de gezamenlijke internationale initiatieven van de lidstaten in de regio met het oog op de ontwikkeling en modernisering van spoorweginfrastructuur, zoals de aanleg van de nieuwe vrachtcorridor nr. 11, de zogeheten barnsteencorridor, die de commerciële en industriële centra in Polen, Slowakije, Hongarije en Slovenië met elkaar verbindt door gezamenlijk op te treden bij de toewijzing van verkeerscapaciteit voor internationale goederentreinen; wijst erop dat dergelijke projecten het spoor bevorderen als een internationaal goederenvervoermiddel, de concurrentiekracht van het spoorvervoer stimuleren en ervoor zorgen dat er beter gebruik wordt gemaakt van de bestaande internationale capaciteit voor goederenvervoer;

45.  merkt op dat er in het kader van diverse EU-programma's veel financieringsbronnen beschikbaar zijn voor de spoorwegsector; is van mening dat de opname en het doeltreffende gebruik van deze financieringsbronnen essentieel zijn omdat financiële restricties de hoeveelheid overheidsmiddelen die de nationale regeringen kan investeren in de spoorwegen ernstig beperken;

46.  vestigt de aandacht op de gebruikelijke toeslagen die in Centraal- en Oost-Europa worden berekend in het grensoverschrijdend regionaal personenvervoer per spoor en die vaak door de spoorwegmaatschappijen worden opgelegd als onderdeel van internationale spoortarieven, waardoor het minder aantrekkelijk wordt om gebruik te maken van grensoverschrijdende spoorverbindingen;

47.  beklemtoont dat de landen van Centraal- en Oost-Europa verbonden moeten worden met het West-Europese net van hogesnelheidstreinen om de concurrentiekracht van het spoorvervoer te versterken en de economische groei in die regio te ondersteunen; roept de Commissie en de lidstaten op grensoverschrijdende projecten voor hogesnelheidsspoorverbindingen in alle TEN-T-corridors aan te moedigen;

48.  beklemtoont dat gezamenlijke projecten en investeringen met derde landen – bijvoorbeeld in verbindingen tussen de EU en landen in Azië – moeten worden ondersteund, aangezien zo de weg wordt gebaand voor de aanvullende benutting van het potentieel van de spoorvervoercorridors die zijn gemoderniseerd met behulp van EU-financiering;

Binnenwateren

49.  benadrukt het belang van de binnenvaart als een kosteneffectieve en duurzame vorm van multimodaal vervoer en logistiek in de hele EU; meent dat het daarom nodig is de infrastructuur voor passagiers- en goederenvervoer over de binnenwateren te moderniseren en de interoperabiliteit met andere vervoerswijzen te verbeteren;

50.  constateert dat Centraal- en Oost-Europa een groot ontwikkelingspotentieel hebben wat betreft binnenwateren en rivier- en zeehavens; is van mening dat dit potentieel alleen kan worden benut met volledige inachtneming van het acquis van de Unie inzake de bescherming van het milieu, de biodiversiteit en het water, en dat het doel om multimodaal vervoer in de regio te bevorderen kracht kan worden bijgezet door meer nadruk te leggen op het gebruik van havens en spoorwegen;

51.  is ingenomen met het opzetten van het Naiades-programma en met de voortzetting ervan middels Naiades II tot 2020, en onderstreept het belang van een Europese strategie en een actieplan voor de binnenwateren;

52.  is van mening dat het benutten van multimodaliteit in de havens van binnenwateren cruciaal is voor het economische potentieel ervan; onderstreept het belang van een goed bereikbaar laatste gedeelte van een traject, van treinverbindingen met de daaraan verbonden spoorweginfrastructuur bij terminals van binnenwateren alsmede van vervoersknooppunten in het verzorgingsgebied van havens om gebruikers aan te trekken;

53.  benadrukt de rol van de Donau als belangrijkste rivier voor vervoer in de macroregio van de Donau; merkt op dat het potentieel van de regio op het gebied van de binnenvaart verder moet worden benut, en herinnert er dan ook aan dat lidstaten de operabiliteit van de binnenwateren die onder hun verantwoordelijkheid vallen, in stand moeten houden; verzoekt de oeverstaten erop toe te zien dat de Donau te allen tijde bevaarbaar is, hun in 2014 goedgekeurde algemene plan voor het herstel van en het onderhoud aan de vaarwegen ten uitvoer te leggen en tegelijkertijd rekening te houden met de milieuaspecten en bijzondere aandacht te besteden aan het behoud van natuurlijke habitats, het milieu, de biodiversiteit en het water om zodoende duurzame kmo's op het gebied van landbouw, visserij en toerisme in stand te houden en vooruit te helpen; beklemtoont in dit verband dat verbindingen tussen de Oder, de Elbe en de Donau een impuls kunnen geven aan de vervoers- en communicatiecapaciteit van de hele regio op de Noord-Zuidas, als gevolg waarvan nieuwe banen kunnen ontstaan en kmo's tot bloei kunnen komen;

54.  spoort de lidstaten aan meer werk te maken van de opwaardering en de totstandbrenging van bevaarbaarheidsklasse IV van de infrastructuur van andere binnenwateren, met name riviertrajecten binnen het TEN-T-kernnetwerk; benadrukt dat de Elbe aanzienlijk moet worden opgewaardeerd om te zorgen voor volledige bevaarbaarheid, die essentieel is voor de corridor tussen de Oriënt en de oostelijke Middellandse Zee; benadrukt dat de Oder moet worden opgewaardeerd naar bevaarbaarheidsklasse IV; wijst ook op het belang van de internationale waterwegen E40 en E70 voor een betere integratie van de Centraal- en Oost-Europese landen in de pan-Europese vervoersroutes via de binnenwateren; beklemtoont dat de totstandbrenging van goede multimodale verbindingen tussen die waterwegen en de corridor tussen de Oostzee en de Adriatische Zee van het TEN-T-kernnetwerk een belangrijke stimulans kan bieden voor het investeringspotentieel van de oostelijke regio's in de EU;

Zeehavens en luchthavens

55.  wijst op het potentieel voor de verdere ontwikkeling van aantrekkelijke scheepvaart naar havens in de Oostzee, de Zwarte Zee en de Adriatische Zee in het kader van het concept "snelwegen op zee"; benadrukt dat de capaciteit in de energiesector, met inbegrip van duurzame scheepsbrandstoffen, moet worden uitgebreid en dat er moet worden gezorgd voor efficiënte treinverbindingen naar het achterland van havens;

56.  wijst erop dat de duurzame ontwikkeling van havens in de Oostzee, de Adriatische Zee en de Zwarte Zee niet mag worden belemmerd door andere onderzeese infrastructuur; vreest dat vanwege werkzaamheden aan projecten zoals de North Stream investeringen in de regio kunnen worden gehinderd of geblokkeerd, met name in de Baltische regio; staat erop dat onderzeese pijpleidingen moeten voldoen aan de vereisten voor diepgang bij de ingang van havens;

57.  is van mening dat zeehavens en luchthavens het meest bijdragen aan de economische ontwikkeling van de Centraal- en Oost-Europese lidstaten als zij knooppunten vormen in een geïntegreerd multimodaal vervoerssysteem en verbonden zijn met hoogwaardige spoorweginfrastructuur;

58.  benadrukt dat de noordelijke havens aan de Adriatische Zee nauwer moeten samenwerken door middel van regionale coördinatie om de verkeersstromen van de zeehandel in de noordelijke Adriatische Zee gezamenlijk te bevorderen en om de Italiaanse havens volledig te integreren met de Sloveense (Koper) en Kroatische havens (Rijeka); roept de Commissie in dit verband op de haven van Rijeka op te nemen in de corridor tussen de Oostzee en de Adriatische Zee om te zorgen voor een volledige vervoersverbinding van de noordelijke havens van de Adriatische Zee met Centraal-Europa en de Oostzee;

59.  herinnert eraan dat de Commissie in de onlangs ontwikkelde luchtvaartstrategie voor Europa tekortkomingen heeft vastgesteld op het vlak van connectiviteit; stelt echter vast dat de voorgestelde oplossingen een beperkt potentieel hebben, en spoort de Commissie aan om de luchtvaartverbindingen in de EU, en met name in Centraal- en Oost-Europa, in de gaten te houden en om verdere voorstellen uit te werken om de kloof in de toegang tot luchtvaartdiensten te verkleinen; is van mening dat de vliegverbindingen in dit gedeelte van de EU verder moeten worden ontwikkeld aangezien de connectiviteit van de EU-13 7,5 maal zo laag is als die van de EU-15(9); vindt het zorgelijk dat de infrastructuur van de luchthavens in de regio weliswaar constant gemoderniseerd wordt, maar dat het leeuwendeel van nieuwe vliegroutes uitsluitend gericht is op het Westen; verzoekt de Commissie te analyseren of de desbetreffende wetgeving geschikt is voor het doel, en zo nodig nieuwe initiatieven voor te stellen om te zorgen voor toereikende verbindingen tussen de perifere en de centrale gebieden van Europa;

60.  benadrukt dat Centraal- en Oost-Europa beschikken over minder en slechtere luchtverbindingen dan het westelijk deel van de EU; wijst erop dat deze tekortkomingen in de connectiviteit aan het licht kwamen bij een onafhankelijke analyse die op verzoek van de Commissie werd verricht;

61.  roept de Commissie op de luchtvaartverbindingen tussen en in de lidstaten te onderzoeken en maatregelen te nemen om de kwaliteit van de luchtvervoersdiensten voor consumenten te verbeteren;

62.  wijst op het enorme potentieel van kleine en middelgrote luchthavens op het gebied van de vervoerstoegankelijkheid in Centraal- en Oost-Europa, vooral voor zakenreizigers en toeristen; herhaalt dat de afgelopen jaren in Centraal- en Oost-Europa tal van regionale luchthavens zijn aangelegd en gemoderniseerd, maar dat hun potentieel onvoldoende wordt benut door een gebrek aan goede verbindingen tussen die luchthavens en de belangrijkste vervoersroutes; wijst erop dat die luchthavens doeltreffender moeten worden gebruikt met de aanleg van nieuwe weg- en spoorverbindingen;

63.  is zich bewust van de uiteenlopende rollen van regionale en lokale luchthavens bij de ontwikkeling van regio's in de Centraal- en Oost-Europese lidstaten en bij de verwezenlijking van economische groei, handel, concurrentievermogen, inclusief mobiliteit en toerisme, en ongehinderde toegang voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit; beklemtoont dat regionale luchthavens sterk bijdragen tot de grotere aantrekkelijkheid van hun regio; blijft erbij dat voor alle nieuwe faciliteiten de vraag naar en het potentieel van vervoer grondig moet worden onderzocht en het gebruik van EU-fondsen strikt beperkt moet worden tot economisch haalbare en duurzame projecten; benadrukt dat de financiële die steun nodig is om de bestaande capaciteiten te verhogen dienovereenkomstig moet worden verstrekt; is van mening dat de rol van de regionale luchthavens groter zal worden als ze beschikken over moderne infrastructuur en een net van verkeersverbindingen (vooral spoorverbindingen) die goed op de regio en het land zijn afgestemd zodat de luchthaven snel kan worden bereikt vanuit verschillende nabijgelegen grote of kleine steden; benadrukt hoe belangrijk het is om bestaande en nieuwe regionale en lokale luchthavens te ontwikkelen die bijdragen tot de economische groei, waaronder in de toeristische sector, in onderontwikkelde en geïsoleerde regio's, door de toegankelijkheid en de connectiviteit te verbeteren, waardoor deze regio's aantrekkelijker worden voor investeringen en beter kunnen concurreren zodat de sociaal-economische ontwikkeling wordt versneld; stelt voor dat de Commissie overweegt een regionaal netwerk van luchthavens te ontwikkelen en zo ook te zorgen voor betere verbindingen in en tussen lidstaten;

o
o   o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0310.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0423.
(3) PB C 261E van 10.9.2013, blz. 1.
(4) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
(6) http://ec.europa.eu/transport/road_safety/pdf/vademecum_2015.pdf
(7) http://ec.europa.eu/transport/modes/inland/news/2014-12-04-danube-ministrial-meeting/conclusions.pdf
(8) http://mib.gov.pl/files/0/1796967/deklaracjalancucka.pdf
(9) Werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie "Een luchtvaartstrategie voor Europa" (SWD(2015)0261).


EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten
PDF 317kWORD 61k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (2015/2254(INL))
P8_TA(2016)0409A8-0283/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de tweede, vierde, vijfde en zevende overweging,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en de artikelen 6, 7 en 11 VEU,

–  gezien de artikelen van het VWEU die betrekking hebben op de eerbiediging, bevordering en bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de Unie, waaronder de artikelen 70, 258, 259, 260, 263 en 265,

–  gezien artikel 4, lid 3, en artikel 5 VEU, artikel 295 VWEU en Protocollen nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het VEU en het VWEU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

–  gezien het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa, en met name artikel E,

–  gezien de criteria van Kopenhagen, en het geheel van EU-regels waaraan een kandidaat‑lidstaat moet voldoen wanneer hij tot de EU wil toetreden (het acquis), en met name de hoofdstukken 23 en 24,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van ministers, de Commissaris voor de rechten van de mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien Aanbeveling nr. R (2000)21 van de Raad van Europa van 25 oktober 2000 en de "United Nations Basic Principles on the Role of Lawyers" uit 1990 waarin de landen worden opgeroepen een vrije en onafhankelijke juridische stand te waarborgen,

–  gezien het Memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie van 23 mei 2007,

–  gezien het kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden,

–  gezien het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden van de Raad van Europa,

–  gezien de checklist voor de beginselen van de rechtsstaat die door de Commissie van Venetië is goedgekeurd tijdens haar 106e plenaire vergadering op 18 maart 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtspraak van de VN-verdragsorganen,

–  gezien het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de "UN Approach to Rule of Law Assistance" van april 2008,

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 16,

–  gezien het vijfentwintigste halfjaarlijkse verslag van de COSAC over de ontwikkelingen in de Europese Unie op het gebied van de procedures en praktijken met betrekking tot parlementaire controle van 18 mei 2016,

–  gezien de publicaties van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA), onder meer over het voorgestelde Europees informatiesysteem over de grondrechten (Efris) in zijn artikel getiteld "Fundamental rights in the future of the European Union's Justice and Home Affairs" (Grondrechten in de toekomst op het gebied van Justitie en binnenlandse zaken van de Europese Unie) van 31 december 2013,

–  gezien het advies van het FRA van 8 april 2016 inzake de ontwikkeling van een geïntegreerd instrument met objectieve indicatoren voor grondrechten waarmee het mogelijk is om op basis van bestaande informatiebronnen de naleving te beoordelen van de gemeenschappelijke waarden als bedoeld in artikel 2 VEU,

–  gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Denemarken, Finland en Nederland aan de voorzitter van de Commissie,

–  gezien de nota van het Italiaanse voorzitterschap "Waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat in de Europese Unie" van 15 november 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 december 2014 over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

–  gezien de eerste en tweede dialoog over de rechtsstaat tijdens het Luxemburgse en het Nederlandse voorzitterschap van de Raad op 17 november 2015 en 24 mei 2016,

–  gezien de richtsnoeren van de Raad van 19 december 2014 over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 getiteld "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 mei 2011 over operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie,

–  gezien het bestaande monitoringsmechanisme en de instrumenten voor periodieke beoordeling van de Commissie, waaronder het mechanisme voor samenwerking en toetsing, het scorebord voor justitie, de corruptiebestrijdingsverslagen en de mediamonitor,

–  gezien het jaarlijkse colloquium van de Commissie over de grondrechten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU‑kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016,

–  gezien de "Code of Good Practice for Civil Participation in the Decision-Making Process" van de Raad van Europa van 1 oktober 2009,

–  gezien het EU-scorebord voor justitie 2016 en het verslag van de Commissie van 15 juli 2016 getiteld "Controle op de toepassing van het EU-recht - Jaarverslag 2015",

–  gezien de beoordeling door de afdeling “Europese Meerwaarde” van het Parlement van april 2016 getiteld "Een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten",

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0283/2016),

A.  overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust en dat deze waarden besloten liggen in de kernbeginselen en doelstellingen van de Europese Unie in de eerste artikelen van het VEU, en in de criteria voor EU‑lidmaatschap;

B.  overwegende dat de instellingen en organen van de Unie en de lidstaten het goede voorbeeld moeten geven door daadwerkelijk hun verplichtingen na te komen en moeten evolueren naar een gemeenschappelijke cultuur waarin de rechtsstaat wordt erkend als universele waarde die in de 28 lidstaten en binnen de instellingen van de Unie door alle betrokkenen gelijkelijk wordt toegepast, en dat de volledige naleving en bevordering van deze beginselen een absolute voorwaarde is voor de legitimiteit van het Europese project in zijn geheel en tevens de eerste voorwaarde is voor het vertrouwen van de burgers in de Unie;

C.  overwegende dat, volgens advies 2/13 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 18 december 2014(1) en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie, de grondrechten die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend een wezenskenmerk vormen van de juridische constructie van de Unie en dat de eerbiediging van deze rechten een voorwaarde vormt voor de rechtmatigheid van de handelingen van de Unie, zodat maatregelen die onverenigbaar zijn met deze rechten niet kunnen worden toegestaan in de Unie;

D.  overwegende dat de Unie ingevolge de artikelen 2, 3, lid 1, en 7 VEU tot optreden kan overgaan ter bescherming van haar "constitutionele kern" en de gemeenschappelijke waarden waarop zij berust;

E.  overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de Europese liberale democratie vormt en als gemeenschappelijk element van de constitutionele tradities van alle lidstaten een van de beginselen is waarop de Unie is gegrondvest;

F.  overwegende dat alle lidstaten, de instellingen, organen en instanties van de Unie en kandidaat-lidstaten verplicht zijn deze beginselen en waarden te eerbiedigen, beschermen en bevorderen en gehouden zijn tot loyale samenwerking;

G.  overwegende dat volgens, onder meer, Protocol nr. 24 inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie dat gehecht is aan het VEU en het VWEU, overweging 10 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad(2) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (zoals M.S.S. tegen België en Griekenland, arrest van 21 januari 2011) en het Hof van Justitie (zoals N.S. en M.E., arrest van 21 december 2011(3) en Aranyosi en Căldăraru, arrest van 5 april 2016(4)), de lidstaten en de nationale rechterlijke instanties zich moeten onthouden van de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie ten opzichte van andere lidstaten indien er een duidelijk risico bestaat op een ernstige inbreuk op of een ernstige en voortdurende schending van de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten in deze staten;

H.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat in de Unie een eerste voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten, alsmede voor de handhaving van alle rechten en plichten die voortvloeien uit de Verdragen en het internationale recht, en een voorwaarde is voor wederzijdse erkenning en vertrouwen, en tevens een belangrijke factor op beleidsgebieden als de interne markt, groei en werkgelegenheid, bestrijding van discriminatie, sociale inclusie, politiële en justitiële samenwerking, het Schengengebied en asiel- en migratiebeleid, en dat daarom erosie van rechtsstaat, democratisch bestuur en grondrechten een ernstige bedreiging vormt voor de stabiliteit van de Unie, de monetaire unie en de gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, almede voor de welvaart in de Unie;

I.  overwegende dat de manier waarop rechtsstatelijkheid in de lidstaten vorm krijgt bepalend is voor het wederzijds vertrouwen tussen lidstaten en hun rechtsstelsels, en dat het daarom van het allergrootste belang is om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen te verwezenlijken;

J.  overwegende dat de EU gegrondvest is op een aantal gemeenschappelijke kernwaarden en -beginselen en dat de formulering van die kernwaarden en -beginselen, die ervoor zorgen dat de democratie floreert en de grondrechten worden beschermd, een dynamisch en permanent proces is, en dat die waarden en beginselen weliswaar kunnen evolueren, maar altijd beschermd moeten worden en de basis moeten vormen voor politieke besluiten, onafhankelijk van veranderende politieke omstandigheden en veranderende tijden, en dat er in dit kader dus een belangrijke rol is weggelegd voor een onafhankelijke, onpartijdige rechterlijke macht die aan deze beginselen uitlegging moet geven;

K.  overwegende dat de burgers en inwoners van de Unie zich niet altijd voldoende bewust zijn van al hun rechten als Europeanen; overwegende dat zij de kans moeten krijgen om samen de kernwaarden en -beginselen van de Unie vorm te geven en vooral hun verantwoordelijkheid te nemen;

L.  overwegende de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 2, VEU de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen moet eerbiedigen en overwegende dat de eerbiediging van culturele diversiteit en nationale tradities binnen en tussen de lidstaten niet in de weg mag staan aan een uniform en hoog niveau van bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de hele Unie; overwegende dat het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie een universeel beginsel is en als een rode draad door alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie loopt;

M.  overwegende dat het waarborgen van rechtsstatelijkheid en een effectieve, onafhankelijke rechtspraak belangrijke voorwaarden zijn voor het creëren van een positieve politieke omgeving die kan leiden tot herstel van het vertrouwen van de bevolking in de instellingen, en kan zorgen voor een investeringsvriendelijk klimaat, een grotere voorspelbaarheid in de regelgeving en duurzame groei;

N.  overwegende dat verbetering van de doeltreffendheid van de rechtspraakstelsels in de lidstaten een belangrijk aspect is van de rechtsstaat en essentieel is om gelijke behandeling te waarborgen, onrechtmatig overheidsoptreden te straffen en willekeur te voorkomen, en door de Commissie een belangrijk onderdeel wordt genoemd voor structurele hervormingen in het kader van het Europees Semester, de jaarlijkse cyclus voor de coördinatie van economisch beleid op het niveau van de Unie; overwegende dat onafhankelijke juridische beroepsuitoefening een van de hoekstenen vormt van een vrije en democratische samenleving;

O.  overwegende dat in de leidraad van de secretaris-generaal van de VN getiteld "UN Approach to the Rule of Law Assistance" de aanbeveling is opgenomen dat de rechtsstaat een publiek en maatschappelijke middenveld moet omvatten dat bijdraagt aan de versterking van de rechtsstaat en dat ambtenaren en instellingen ter verantwoording roept;

P.  overwegende dat de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement getiteld “De kosten van een niet-verenigd Europa op het gebied van georganiseerde misdaad en corruptie” laat zien dat integratie van bestaande EU-monitoringsmechanismen, zoals het mechanisme voor samenwerking en toetsing, het scorebord voor justitie en de corruptiebestrijdingsverslagen, in een omvattend kader voor monitoring van de rechtsstaat naar schatting een jaarlijkse kostenbesparing zou opleveren van 70 miljard EUR;

Q.  overwegende dat de rechtsgrondslag voor maatregelen op het gebied van democratisch en juridisch bestuur van de Unie niet zo stevig is als die voor maatregelen op het gebied van economisch bestuur, en dat de Unie dus bij het verdedigen van haar kernwaarden niet dezelfde vastberadenheid en inzet toont als bij het waarborgen van een behoorlijke tenuitvoerlegging van haar economische en fiscale regels;

R.  overwegende dat de toetreding van kandidaat-lidstaten die niet voldoen aan de vereiste normen, waarden en democratische beginselen wordt uitgesteld totdat zij volledig aan deze normen voldoen, maar dat een lidstaat of een instelling van de Unie die niet aan diezelfde normen voldoet in de praktijk weinig consequenties zal ondervinden;

S.  overwegende dat de verplichtingen waaraan kandidaat-lidstaten overeenkomstig de criteria van Kopenhagen moeten voldoen, op grond van artikel 2 VEU en het beginsel van loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4 VEU op hen blijven rusten als zij tot de Unie zijn toegetreden en overwegende dat daarom niet alleen de nieuwere, maar ook de oudere lidstaten regelmatig moeten worden getoetst, teneinde na te gaan of hun wetgeving en praktijken nog steeds in overeenstemming zijn met de criteria en gemeenschappelijke waarden waarop de Unie is gegrondvest;

T.  overwegende dat ongeveer 8% van de burgers van de Unie tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10% een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat er geen rechtskader van de Unie bestaat om hun rechten als minderheid te waarborgen; overwegende dat de invoering van een doeltreffend mechanisme om hun rechten in de Unie te monitoren uiterst belangrijk is; overwegende dat er een verschil is tussen bescherming van autochtone minderheden en antidiscriminatiebeleid; overwegende dat gelijke behandeling een grondrecht, en geen privilege, is van alle burgers;

U.  overwegende dat samenhang en consistentie van interne en externe democratie, rechtsstaat en grondrechtenbeleid van doorslaggevend belang zijn voor de geloofwaardigheid van de Unie;

V.  overwegende dat er weinig instrumenten bestaan om te waarborgen dat wetgevende en uitvoerende beleidsbesluiten van de instellingen van de Unie stroken met de kernbeginselen en waarden van de Unie;

W.  overwegende dat het Hof van Justitie onlangs een aantal uitspraken heeft gedaan waarin wetgeving van de Unie, besluiten van de Commissie of wetgevingspraktijken nietig of ongeldig werden verklaard, omdat deze inbreuk maakten op het Handvest of in strijd waren met beginselen in het Verdrag inzake transparantie en toegang tot documenten, maar dat de instellingen van de Unie in meerdere gevallen onwillig waren om zich volledig naar de letter en geest van de uitspraak te voegen;

X.  overwegende dat de toetreding van de Unie tot het EVRM een verdragsverplichting is ingevolge artikel 6, lid 2, VEU;

Y.  overwegende dat de bevordering en de bescherming van pluralistische democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, politieke en gerechtelijke samenwerking, sociale cohesie en culturele uitwisseling de kern vormen van samenwerking tussen de Raad van Europa en de Unie;

Z.  overwegende dat de Raad en de Commissie de noodzaak hebben erkend van effectievere en bindende mechanismen om de volledige toepassing van de in het Verdrag neergelegde beginselen en waarden te verzekeren en dat dit in praktijk is gebracht met de totstandbrenging van de dialoog over de rechtsstaat van de Raad en het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat van de Commissie;

AA.  overwegende dat de Unie tal van instrumenten en processen tot haar beschikking heeft om toe te zien op volledige en deugdelijke toepassing van de verdragsbeginselen en ‑waarden, maar dat er geen snelle en doeltreffende respons komt van de instellingen van de Unie; overwegende dat de bestaande instrumenten moeten worden gehandhaafd, geëvalueerd en aangevuld in het kader van een rechtsstaatmechanisme, opdat ze adequaat en doeltreffend zijn en niet worden gezien als politiek gemotiveerd of willekeurig en onredelijk nadelig voor bepaalde landen;

AB.  overwegende dat het aantal zaken voor het Hof van Justitie waarin het Handvest wordt aangehaald, is gestegen van 43 in 2011 tot 210 in 2014;

AC.  overwegende dat coherentie tussen instellingen en lidstaten bij de handhaving van democratie, de rechtsstaat en grondrechten duidelijke voordelen zal opleveren, zoals minder kostbare rechtszaken, meer duidelijkheid voor de burgers van de Unie omtrent hun rechten, en meer zekerheid voor lidstaten wat betreft de tenuitvoerlegging;

AD.  overwegende dat de regeringen van sommige lidstaten miskennen dat handhaving van beginselen en waarden van de Unie een verdragsverplichting is, of dat aan de Unie het gezag toekomt om de naleving te verzekeren;

AE.  overwegende dat de Unie en haar lidstaten in situaties waarin een lidstaat de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten niet langer waarborgt of in gevallen waarin er sprake is van een inbreuk op de rechtsstaat, verplicht zijn om de integriteit en toepassing van de Verdragen te waarborgen en de rechten van iedereen binnen de jurisdictie van de Unie te beschermen;

AF.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol speelt bij de opbouw en versterking van democratie, controle en beperking van de macht van de staat en de bevordering van goed bestuur, transparantie, doeltreffendheid, openheid, flexibiliteit en verantwoording;

AG.  overwegende dat geen beroep op het subsidiariteitsbeginsel mag worden gedaan om interventies door de Unie, bedoeld om de naleving van de beginselen en waarden van de Verdragen door de lidstaten te waarborgen, te verwerpen;

AH.  overwegende dat optreden van de Unie om ervoor te zorgen dat de lidstaten en de instellingen de waarden waarop de Unie is gegrondvest eerbiedigen en waarvan de rechten van de Europeanen zijn afgeleid, een absolute voorwaarde is voor deelname van die lidstaten en instellingen aan het Europese project;

AI.  overwegende dat het voortschrijdende proces van Europese integratie en de recente ontwikkelingen in bepaalde lidstaten hebben aangetoond dat schending van de rechtsstatelijkheid en niet-naleving van fundamentele waarden onvoldoende worden voorkomen en dat herziening en integratie van bestaande mechanismen noodzakelijk is en dat er daarnaast een doeltreffend mechanisme ontwikkeld moet worden om bestaande leemten op te vullen en ervoor te zorgen dat de beginselen en waarden van de Verdragen in de hele Unie worden geëerbiedigd, beschermd en bevorderd;

AJ.  overwegende dat een nieuw EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG) opgericht moet worden en overwegende dat het EU-Pact voor DRG empirisch onderbouwd moet zijn; objectief, niet vatbaar voor beïnvloeding van buitenaf, met name politieke beïnvloeding, niet-discriminerend en met toetsing op basis van gelijkheid; in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit, noodzakelijkheid en evenredigheid; gericht tot zowel de lidstaten als de instellingen van de Unie; en gebaseerd op een gefaseerde aanpak, bestaande uit een zowel preventieve als correctieve maatregelen;

AK.  overwegende dat het EU-Pact voor DRG één enkel samenhangend kader moet bieden, dat voortbouwt op de bestaande instrumenten en mechanismen die erin zullen opgaan, en eventuele leemten moet opvullen;

AL.  overwegende dat de oprichting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten geen afbreuk mag doen aan de rechtstreekse werking van artikel 7, leden 1 en 2, VEU;

1.  beveelt aan om, totdat een eventuele Verdragswijziging plaatsvindt, een omvattend EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten tot stand te brengen, waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken, en verzoekt de Commissie daarom uiterlijk in september 2017 op basis van artikel 295 VWEU een voorstel in te dienen voor sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG), in de vorm van een interinstitutioneel akkoord met bepalingen ter bevordering van de samenwerking tussen de instellingen van de Unie en de lidstaten in het kader van artikel 7 VEU, waarin bestaande mechanismen worden geïntegreerd, op elkaar worden afgestemd en worden aangevuld, in overeenstemming met de gedetailleerde aanbevelingen in de bijlage en waarin de instellingen en organen van de Unie de mogelijkheid wordt geboden om zich desgewenst bij het EU-Pact voor DRG aan te sluiten;

2.  verzoekt de Commissie een constructieve dialoog met het maatschappelijk middenveld aan te gaan en ervoor te zorgen dat met de bijdragen en de rol van het maatschappelijk middenveld rekening is gehouden in het voorstel voor een interinstitutioneel akkoord;

3.  acht het met name raadzaam dat het EU-Pact voor DRG preventieve en correctieve elementen bevat, die gelijkelijk op alle lidstaten en op de drie belangrijkste instellingen van de Unie van toepassing zijn, waarbij de beginselen van subsidiariteit, noodzakelijkheid en evenredigheid geëerbiedigd worden;

4.  is van mening dat het voorkomen en corrigeren van inbreuken op de waarden van de Unie het belangrijkste doel van het EU-Pact voor DRG moet zijn, maar dat het EU-Pact voor DRG ook moet voorzien in eventuele sancties die kunnen dienen als doeltreffende afschrikking;

5.  meent dat de conclusies en adviezen van het FRA, evenals de rechtspraak van het Hof van Justitie een goede basis vormen voor de uitlegging van artikel 2 VEU en de reikwijdte van de rechten die zijn neergelegd in het Handvest;

6.  herhaalt dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen, de taak heeft te controleren en beoordelen of de lidstaten en alle instellingen en organen van de Unie het recht van de Unie correct ten uitvoer leggen en de beginselen en doelstellingen die zijn neergelegd in de Verdragen naleven; beveelt dan ook aan om rekening te houden met deze taak van de Commissie bij de beoordeling van de naleving van de beginselen van democratie, de rechtsstaat en grondrechten door de Commissie in het kader van de beleidscyclus voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG-beleidscyclus);

7.  verzoekt de Commissie om vanaf 2018 haar thematische jaarverslagen op dit gebied, alsmede de resultaten van bestaande monitoringmechanismen en periodieke beoordelingsinstrumenten gebundeld in te dienen en op één en dezelfde dag te presenteren, zodat al deze informatie kan worden geïntegreerd in de DRG‑beleidscyclus;

8.  acht het belangrijk een permanente dialoog te bevorderen en te werken aan meer consensus tussen de Unie en haar lidstaten, met als doel de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te bevorderen en te beschermen, om de gemeenschappelijke waarden zoals die zijn vastgelegd in de Verdragen en in het Handvest op volledig transparante en objectieve wijze te waarborgen; stelt zich op het standpunt dat er wat betreft de grondrechten en de waarden die zijn vastgelegd in de Verdragen en het Handvest geen compromissen mogelijk zijn;

9.  benadrukt de sleutelrol die het Europees Parlement en de nationale parlementen moeten vervullen bij het meten van de vorderingen op het gebied van de gemeenschappelijke waarden van de Unie zoals die zijn vastgelegd in artikel 2 VEU, en bij het toezien op de naleving ervan; wijst op de sleutelrol die het Europees Parlement speelt bij het op gang houden van het noodzakelijke permanente debat over democratie, de rechtsstaat en grondrechten, binnen het kader van de consensus in de Unie op dit vlak, om rekening te houden met veranderingen in de maatschappij; meent dat de tenuitvoerlegging van deze waarden en beginselen onder meer moet berusten op een doeltreffende toetsing van de eerbiediging van de in het Handvest gewaarborgde grondrechten;

10.  pleit voor betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij interparlementaire debatten over democratie, de rechtsstaat en grondrechten en is van mening dat de mate van burgerparticipatie en de kracht van het maatschappelijk middenveld als graadmeters van de democratie moeten worden beschouwd;

11.  verzoekt de Commissie om uiterlijk in juni 2017 een nieuw ontwerpakkoord te presenteren betreffende de toetreding van de Unie tot het EVRM, teneinde te voldoen aan de verplichting van artikel 6 VEU, rekening houdend met het Advies 2/13 van het Hof van Justitie; verzoekt voorts de Raad van Europa ondertekening van het Europees Sociaal Handvest mogelijk te maken voor derden, zodat de Commissie onderhandelingen kan starten inzake toetreding door de Unie;

12.  verzoekt de Europese Ombudsman om, rekening houdend met de verschillende opvattingen die in de maatschappij leven, in een specifiek hoofdstuk van haar jaarverslag zaken en beslissingen toe te lichten en aanbevelingen te doen die te maken hebben met de grondrechten van de burgers en met de beginselen van de democratie en de rechtsstaat; verzoekt te Commissie om deze specifieke aanbevelingen te analyseren;

13.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om, in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, algemene toegang tot rechtsbijstand te waarborgen voor personen en organisaties die procederen naar aanleiding van inbreuken op democratie, de rechtsstaat en grondrechten door nationale regeringen of instellingen van de Unie, en waar nodig nationale regelingen en de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aan te vullen;

14.  is ingenomen met de hervorming van het Hof van Justitie waarbij het aantal rechters van het Hof geleidelijk wordt verhoogd om de toenemende werklast het hoofd te bieden en de duur van de procedures te verkorten;

15.  beveelt aan dat een deskundigenpanel inzake democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG-deskundigenpanel), voorzien in het interinstitutioneel akkoord, ook een beoordeling uitvoert van de toegang tot de rechter op het niveau van de Unie, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechtbanken en rechters, de onafhankelijkheid van de juridische stand, regels inzake procesbevoegdheid, de met procesvoering gemoeide tijdsduur en kosten, toereikendheid en doeltreffendheid van het rechtsbijstandsstelsel en de beschikbaarheid van de daarvoor benodigde financiële middelen, de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, de reikwijdte van de rechterlijke toetsing en de rechtsmiddelen die voor de burger openstaan, en de mogelijkheden voor grensoverschrijdende collectieve rechtsvorderingen; is in dit verband van oordeel dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan artikel 298, lid 1, VWEU, en het recht van de burgers van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat;

16.  vraagt de Commissie om in samenwerking met het maatschappelijk middenveld een bewustmakingscampagne op te zetten en uit te voeren om de burgers en inwoners van de Unie de kans te bieden helemaal vertrouwd te raken met de rechten die zij hebben op grond van de Verdragen en het Handvest (zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en stemrecht) en in deze campagne informatie te verstrekken over het recht van burgers op een voorziening in rechte bij inbreuken op democratie, de rechtsstaat en grondrechten door nationale regeringen of instellingen van de Unie en de daartoe te volgen procedures;

17.  pleit voor de oprichting van een fonds voor democratie dat subsidies verstrekt aan lokale actoren die zich inzetten voor de democratie, rechtsstaat en grondrechten in de Unie;

18.  wijst erop dat als de Unie in haar internationale overeenkomsten eisen opneemt inzake de bescherming en de bevordering van de mensenrechten, zij ook moet garanderen dat de instellingen en alle lidstaten de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten eerbiedigen;

19.   beveelt voorts aan dat het EU-Pact voor DRG regelmatige controle omvat van de verenigbaarheid van door de lidstaten en de Unie geratificeerde internationale overeenkomsten met het primaire en secundaire recht van de Unie;

20.  is voorts van mening dat als in de toekomst herziening van het Verdrag wordt overwogen, deze herziening zou kunnen bestaan uit de volgende wijzigingen:

   artikel 2 VEU en het Handvest worden een rechtsgrondslag voor volgens de gewone wetgevingsprocedure vast te stellen wetgevingsmaatregelen;
   nationale rechterlijke instanties kunnen ingevolge artikel 2 VEU en het Handvest van de grondrechten voor het Hof van Justitie de wettigheid aanvechten van het handelen van de lidstaten;
   artikel 7 VEU wordt aldus herzien dat sancties tegen lidstaten die in gebreke zijn relevant en toepasselijk worden, waarbij wordt aangegeven welke rechten van die lidstaten kunnen worden geschorst (in aanvulling op het stemrecht in de Raad), zoals het opleggen van financiële sancties of het opschorten van financiering door de Unie;
   wetgeving van de Unie kan nadat zij is vastgesteld en voordat zij ten uitvoer wordt gelegd voorgelegd worden aan het Hof van Justitie, indien een derde van de leden van het Parlement daartoe besluit;
   de artikelen 258 en 259 VWEU worden aldus gewijzigd dat natuurlijke en rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door een handeling een procedure aanhangig kunnen maken bij het Hof van Justitie wegens schending van het Handvest door de instellingen van de Unie of door een lidstaat;
   artikel 51 van het Handvest wordt geschrapt en het Handvest wordt omgezet in een "Bill of Rights" van de Unie;
   het vereiste van unanimiteit voor onderwerpen in verband met eerbiediging, bescherming en bevordering van grondrechten, zoals gelijkheid en non-discriminatie, wordt herzien;

21.  constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

22.  is van oordeel dat de financiële gevolgen van de verlangde voorstellen voor de begroting van de Unie gedekt moeten worden door de reeds op de begroting staande middelen; benadrukt dat de aanneming en uitvoering van deze voorstellen voor zowel de Unie als de lidstaten, alsook voor de burgers, een aanzienlijke kosten- en tijdbesparing kunnen opleveren en gunstig kunnen zijn voor het vertrouwen in en de wederzijdse erkenning van de beslissingen en acties van de lidstaten en de Unie, en dus zowel in economische als in sociale zin tot voordeel kunnen leiden;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten, en aan het Comité van de Regio's voor verspreiding naar subnationale parlementen en raden.

BIJLAGE

Gedetailleerde aanbevelingen voor een ontwerp van interinstitutioneel akkoord inzake een regeling voor toezichts- en follow-upprocedures betreffende de situatie op het gebied van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de lidstaten en binnen de EU-instellingen

ONTWERP INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

PACT VAN DE EUROPESE UNIE INZAKE DEMOCRATIE, DE RECHTSSTAAT EN GRONDRECHTEN

Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie,

Gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de tweede, vierde, vijfde en zevende overweging,

Gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en de artikelen 6, 7 en 11 VEU,

Gezien de artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) die betrekking hebben op de eerbiediging, bevordering en bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de Unie, waaronder de artikelen 70, 258, 259, 260, 263 en 265,

Gezien artikel 4, lid 3, en artikel 5 VEU, artikel 295 VWEU en Protocollen nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het VEU en het VWEU,

Gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

Gezien het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa, en met name artikel E inzake non-discriminatie,

Gezien de criteria van Kopenhagen, en het geheel van EU-regels waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen wanneer hij tot de EU wil toetreden (het acquis), en met name de hoofdstukken 23 en 24,

Gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van ministers, de Commissaris voor de rechten van de mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

Gezien de checklist voor de beginselen van de rechtsstaat die door de Commissie van Venetië is goedgekeurd tijdens haar 106e plenaire vergadering van 18 maart 2016,

Gezien het Memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie van 23 mei 2007,

Gezien het kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden,

Gezien het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden van de Raad van Europa,

Gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

Gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtspraak van de VN-verdragsorganen,

Gezien de publicaties van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA), onder meer over het voorgestelde Europees informatiesysteem over de grondrechten (Efris), in "Fundamental rights in the future of the European Union's Justice and Home Affairs” (Grondrechten in de toekomst op het gebied van Justitie en binnenlandse zaken van de Europese Unie) van 31 december 2013,

Gezien de UN Approach to Rule of Law Assistance van april 2008,

Gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 16,

Gezien het vijfentwintigste halfjaarlijkse verslag van de COSAC: "Ontwikkelingen in communautaire procedures en handelwijzen met betrekking tot parlementaire controle" van 18 mei 2016,

Gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Denemarken, Finland en Nederland aan de voorzitter van de Commissie,

Gezien het advies van het FRA van 8 april 2016 inzake de ontwikkeling van een geïntegreerd instrument met objectieve indicatoren voor grondrechten waarmee het mogelijk is om op basis van bestaande informatiebronnen de naleving te beoordelen van de gemeenschappelijke waarden als bedoeld in artikel 2 VEU,

Gezien de nota van het Italiaanse voorzitterschap "Toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat in de Europese Unie" van 15 november 2014,

Gezien de conclusies van de Raad en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 december 2014 over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

Gezien de richtsnoeren van de Raad van 19 december 2014 over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren,

Gezien de eerste en tweede dialoog over de rechtsstaat tijdens het Luxemburgse en het Nederlandse voorzitterschap van de Raad op 17 november 2015 en 24 mei 2016,

Gezien het bestaande monitoringsmechanisme en de instrumenten voor periodieke beoordeling van de Commissie, waaronder het mechanisme voor samenwerking en toetsing, het scorebord voor justitie, de corruptiebestrijdingsverslagen en de mediamonitor,

Gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 getiteld "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie",

Gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 mei 2011 over operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie,

Gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU‑kader voor het versterken van de rechtsstaat",

Gezien het jaarlijkse colloquium van de Commissie over de grondrechten,

Gezien het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016,

Gezien de resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(5),

Gezien de resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de situatie van de grondrechten in de EU (2013-2014)(6),

(1)  overwegende dat er behoefte bestaat aan een mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, dat objectief is, zich baseert op feiten en gelijkelijk en eerlijk wordt toegepast op alle lidstaten en op de instellingen van de Unie en dat zowel een preventieve als een correctieve dimensie omvat.

(2)  overwegende dat het voorkomen van schendingen en niet-naleving van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten de belangrijkste doelstelling van een dergelijk mechanisme moet zijn, en dat dit mechanisme voorts moet voorzien in de instrumenten die nodig zijn om de preventieve en correctieve maatregelen van artikel 7 VEU, alsook de andere instrumenten voorzien in de Verdragen, in de praktijk toe te passen.

(3)  overwegende dat voorkomen moet worden dat onnodig nieuwe structuren in het leven worden geroepen, dat overlappingen moeten worden vermeden en dat het integreren en opnemen van bestaande instrumenten de voorkeur verdient.

(4)  overwegende dat het uitwerken van definities, normen en benchmarks inzake democratie, de rechtsstaat en de grondrechten niet een eenmalig besluit is, maar veeleer een permanent en interactief proces, gebaseerd op een brede maatschappelijke discussie en raadpleging, regelmatige herziening en de uitwisseling van beste praktijken.

(5)  overwegende dat alleen een mechanisme dat breed gedragen wordt door de burgers van de Unie en hun de gelegenheid biedt een rol te spelen in het proces doeltreffend kan zijn.

(6)  overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de handhaving van gemeenschappelijke normen, maar dat de Unie, als een lidstaat hierin tekortschiet, gehouden is in te grijpen om haar constitutionele kern te beschermen en ervoor te zorgen dat de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU en het Handvest voor alle burgers en inwoners van de Unie en op het hele grondgebied van de Unie gewaarborgd worden.

(7)  overwegende dat het van belang is dat alle bestuursniveaus nauw samenwerken op basis van hun competenties en verantwoordelijkheden om mogelijke systematische bedreigingen voor de rechtsstaat in een vroeg stadium te identificeren en om de bescherming van de rechtsstaat te verbeteren.

(8)  overwegende dat er diverse instrumenten bestaan om het gevaar van een ernstige schending van de waarden van de Unie aan te pakken, maar dat er duidelijke en objectieve benchmarks ontwikkeld moeten worden om te waarborgen dat deze instrumenten voldoende sterk zijn en afschrikkende werking hebben om inbreuken op de rechtsstaat en de fundamentele rechten te voorkomen; overwegende dat de Unie geen juridisch bindende mechanismen kent om de eerbiediging van de waarden van de Unie en de grondrechten door de lidstaten en de instellingen van de Unie regelmatig te controleren.

(9)  overwegende dat dit interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 VWEU slechts bepalingen bevat met betrekking tot de verbetering van de samenwerking tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en dat elk van deze instellingen overeenkomstig artikel 13, lid 2, VEU dient te handelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures, voorwaarden en doelstellingen; overwegende dat dit interinstitutioneel akkoord geen afbreuk doet aan de prerogatieven van het Hof van justitie als het gaat om de authentieke interpretatie van het recht van de Unie,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

De kernwaarden en grondbeginselen van de Unie, te weten democratie, de rechtsstaat en grondrechten, worden in de hele Unie gehandhaafd door middel van een Pact van de Unie inzake democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG), dat de omschrijving, uitwerking, monitoring en handhaving van die waarden en beginselen omvat en dat van toepassing is op zowel de lidstaten als op de instellingen van de Unie.

Artikel 2

Het EU-Pact voor DRG omvat:

–  een jaarverslag over democratie, de rechtsstaat en grondrechten (Europees DRG‑verslag) met landenspecifieke aanbevelingen, met daarin opgenomen de verslaglegging van het FRA, de Raad van Europa en andere relevante autoriteiten op dit gebied,

–  een jaarlijks interparlementair debat op basis van dit Europees DRG-verslag,

–  een regeling voor de aanpak van mogelijke gevaren en schendingen, zoals voorzien in de Verdragen en voor de inwerkingstelling van de preventieve en correctieve maatregelen van artikel 7 VEU,

–  een beleidscyclus voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG-beleidscyclus) binnen de instellingen van de Unie.

Artikel 3

Het EU-Pact voor DRG wordt verruimd om het kader voor de rechtsstaat van de Commissie en de dialoog van de Raad over de rechtsstaat in één instrument van de Unie samen te brengen.

Artikel 4

Het Europees DRG-verslag over de situatie op het gebied van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de lidstaten wordt opgesteld door de Commissie, die het panel van onafhankelijke deskundigen (DRG-deskundigenpanel) als bedoeld in artikel 8 raadpleegt. De Commissie legt het Europees DRG-verslag voor aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de nationale parlementen. Het Europees DRG-verslag wordt openbaar gemaakt.

Het Europees DRG-verslag bevat een algemeen deel en landenspecifieke aanbevelingen.

Als de Commissie het DRG-verslag en de landenspecifieke aanbevelingen niet op tijd vaststelt, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de Commissie formeel verzoeken een verklaring te geven voor de vertraging en het verslag en de aanbevelingen onverwijld vast te stellen om verdere vertraging te voorkomen.

Artikel 5

Het Europees DRG-verslag omvat bestaande instrumenten en vult deze aan, waaronder het scorebord voor justitie, de monitor voor mediapluralisme, de corruptiebestrijdingsverslagen en de procedures voor collegiale toetsing op basis van artikel 70 VWEU en vervangt het mechanisme voor samenwerking en toetsing voor Bulgarije en Roemenië.

Artikel 6

Het Europees DRG-verslag wordt opgesteld op basis van diverse bronnen en de bestaande instrumenten voor beoordeling, verslaglegging en monitoring van activiteiten van lidstaten, waaronder:

–  bijdragen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot de eerbiediging van democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

–  het FRA, en met name het Efris van dit bureau;

–  andere gespecialiseerde agentschappen van de Unie, met name de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS), het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), en Eurostat;

–  deskundigen, wetenschappers, maatschappelijke organisaties, beroepsverenigingen en brancheorganisaties van bijvoorbeeld rechters, advocaten en journalisten;

–  bestaande indicatoren en benchmarks die ontwikkeld zijn door internationale organisaties en ngo's;

–  de Raad van Europa, met name de Commissie van Venetië, de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) en het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa, en de Europese Commissie voor efficiëntie in justitie van de Raad van Europa (Cepej);

–  internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO);

–  jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens en andere internationale rechtbanken, gerechtshoven en verdragsorganen;

–  alle resoluties of andere relevante bijdragen van het Europees Parlement, waaronder zijn jaarverslag over de situatie van de grondrechten in de Unie;

–  bijdragen door de instellingen van de Unie.

Alle bijdragen door de in dit artikel bedoelde bronnen, alsmede het ontwerp-Europees DRG-verslag dat is opgesteld door het DRG-deskundigenpanel, met inbegrip van de landenspecifieke aanbevelingen, worden openbaar gemaakt op de website van de Commissie.

Artikel 7

Het Europees DRG-verslag wordt gepresenteerd in geharmoniseerde vorm, gaat vergezeld van landenspecifieke aanbevelingen en wordt uitgewerkt met een specifieke focus op de volgende aspecten:

–  scheiding der machten;

–  het onpartijdige karakter van de staat;

–  de omkeerbaarheid van politieke besluiten na verkiezingen;

–  het bestaan van institutionele controlemechanismen, die garanderen dat de onpartijdigheid van de staat niet in het gedrang komt;

–  de bestendigheid van de staat en de instellingen, gebaseerd op de onaantastbaarheid van de grondwet;

–  vrijheid en pluriformiteit van de media;

–  vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering;

–  het bevorderen van burgerruimte en doeltreffende mechanismen voor maatschappelijke dialoog;

–  actief en passief kiesrecht bij verkiezingen en participerende democratie;

–  integriteit en afwezigheid van corruptie;

–  transparantie en controleerbaarheid;

–  wettigheid;

–  rechtszekerheid;

–  voorkoming van misbruik of overschrijding van bevoegdheid;

–  gelijkheid voor de wet en non-discriminatie;

–  toegang tot de rechter: onafhankelijkheid en onpartijdigheid, recht op een eerlijk proces, grondwettelijkheid van de rechtspraak, indien van toepassing, een onafhankelijke rechterlijke macht;

–  specifieke problemen met betrekking tot de rechtsstaat: corruptie, belangenverstrengeling, verzameling van persoonsgegevens en toezicht;

–  titels I t/m VI van het Handvest;

–  het EVRM en de protocollen daarbij.

Artikel 8

Een representatief panel van onafhankelijke deskundigen (DRG-deskundigenpanel) beoordeelt de situatie op het gebied van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de lidstaten en werkt landenspecifieke ontwerpaanbevelingen uit op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling van de beschikbare gegevens en informatie.

8.1.  Het DRG-deskundigenpanel bestaat uit de volgende leden:

–  één door het nationaal parlement aangewezen onafhankelijke deskundige per lidstaat, die een gekwalificeerde rechter van het grondwettelijk hof of de hoogste rechtbank is en die niet in actieve dienst is;

–  tien deskundigen die door het Europees Parlement met tweederdemeerderheid van zijn leden zijn aangesteld van een lijst met deskundigen, voorgedragen door:

i)  de vereniging van alle Europese academies voor wetenschappen (ALLEA - All European Academies);

ii)  het Europees netwerk van nationale mensenrechteninstituten (ENNHRI);

iii)  de Raad van Europa, waaronder de Commissie van Venetië, Greco en de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa;

iv)  Cepej en de Raad van de balies van de Europese Unie (CCBE);

v)  de VN, de OVSE en de OESO.

8.2.  Het DRG-deskundigenpanel kiest uit zijn leden een voorzitter.

8.3.  Om het opstellen van het ontwerp-Europees DRG-verslag en de landenspecifieke ontwerpaanbevelingen te vergemakkelijken, stelt de Commissie het DRG-deskundigenpanel een secretariaat ter beschikking dat het panel in staat stelt doeltreffend te functioneren, met name door gegevens en informatie te verzamelen die door het panel beoordeeld en onderzocht moeten worden, en door administratieve ondersteuning te bieden tijdens de ontwerpfase.

Artikel 9

Het DRG-deskundigenpanel beoordeelt de in artikel 7 bedoelde aspecten in de lidstaten en brengt eventuele risico's en inbreuken in kaart. Die beoordeling door de panelleden geschiedt anoniem en op onafhankelijke wijze, zodat de onafhankelijkheid van het DRG-deskundigenpanel en de objectiviteit van het Europees DRG-verslag gewaarborgd worden. De leden van het DRG-deskundigenpanel kunnen elkaar evenwel raadplegen om hun methode en overeengekomen normen te bespreken.

De beoordelingsmethoden worden jaarlijks door het DRG-deskundigenpanel geëvalueerd en zo nodig verder uitgewerkt, verfijnd, aangevuld of gewijzigd, in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en na raadpleging van de nationale parlementen, deskundigen en maatschappelijke organisaties.

Artikel 10

De vaststelling van het Europees DRG-verslag door de Commissie geeft de aanzet tot het interparlementair debat en het debat in de Raad, die erop gericht zijn een gevolg te geven aan de resultaten van het Europees DRG-verslag en de landenspecifieke aanbevelingen, door het nemen van de volgende stappen:

–  het Europees Parlement organiseert op basis van het Europees DRG-verslag een interparlementair debat en neemt een resolutie aan; dat debat moet zo georganiseerd worden dat benchmarks en streefdoelen worden vastgelegd en dat de veranderingen van jaar tot jaar geëvalueerd kunnen worden binnen de bestaande consensus in de Unie inzake democratie, de rechtsstaat en grondrechten. Om dit mogelijk te maken moeten de relevante procedures gestroomlijnd worden, zodat de jaarlijkse veranderingen niet alleen direct en doeltreffend gemonitord kunnen worden, maar ook gewaarborgd wordt dat alle betrokken partijen hun verplichtingen nakomen.

–  het jaarlijks interparlementair debat vormt een onderdeel van een meerjarige gestructureerde dialoog tussen het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de nationale parlementen en ook het maatschappelijk middenveld, het FRA en de Raad van Europa worden erbij betrokken.

–  de Raad houdt op basis van het Europees DRG-verslag een jaarlijks debat, voortbouwend op zijn dialoog over de rechtsstaat, en neemt Raadsconclusies aan, waarin de nationale parlementen wordt gevraagd te reageren op het Europees DRG-verslag of met voorstellen te komen of hervormingen door te voeren.

–  de Commissie kan op basis van het Europees DRG-verslag besluiten overeenkomstig artikel 2 VEU en artikel 258 VWEU een zaak aanhangig te maken wegens stelselmatige schending, waarbij verschillende inbreukprocedures worden samengevoegd.

–  de Commissie kan op basis van het Europees DRG-verslag, na overleg met het Europees Parlement en de Raad, besluiten overeenkomstig artikel 70 VWEU een voorstel in te dienen voor een evaluatie van de uitvoering door de lidstaten van het beleid van de Unie op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

10.1.  Indien uit het Europees DRG-verslag blijkt dat in een lidstaat alle aspecten als bedoeld in artikel 7 in praktijk worden gebracht is het niet nodig om verdere maatregelen te treffen.

10.2.  Indien uit het Europees DRG-verslag blijkt dat een lidstaat ten aanzien van een of meerdere aspecten als bedoeld in artikel 7 tekortschiet, start de Commissie onverwijld een dialoog met de betrokken lidstaat, rekening houdend met de landenspecifieke aanbevelingen.

10.2.1.  Indien de landenspecifieke aanbeveling inzake een lidstaat een verklaring van het deskundigenpanel bevat dat een duidelijk gevaar voor ernstige schending van de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU aanwezig wordt geacht en er voldoende gronden aanwezig worden geacht voor het inroepen van artikel 7, lid 1, VEU, wordt deze aangelegenheid onverwijld besproken door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die een met redenen omkleed besluit nemen, dat openbaar wordt gemaakt.

10.3.  Indien uit het Europees DRG-verslag blijkt dat de landenspecifieke aanbevelingen inzake een lidstaat een verklaring van het deskundigenpanel bevatten dat er een ernstige en aanhoudende schending (d.w.z. toenemend of gelijkblijvend gedurende tenminste twee jaar) van de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU aanwezig wordt geacht en er voldoende gronden aanwezig worden geacht voor het inroepen van artikel 7, lid 2, VEU, wordt deze aangelegenheid onverwijld besproken door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en elke instelling neemt een met redenen omkleed besluit, dat openbaar wordt gemaakt.

Artikel 11

Bij alle wetgevingsvoorstellen wordt door de Commissie in het kader van de effectbeoordeling ook een effectbeoordeling met betrekking tot de grondrechten uitgevoerd, overeenkomstig paragraaf 25 van het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven.

Het DRG-deskundigenpanel als bedoeld in artikel 8, beoordeelt de eerbiediging van democratie, de rechtsstaat en grondrechten door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 12

Er wordt een interinstitutionele werkgroep voor effectbeoordelingen (Werkgroep) opgericht met het oog op het verbeteren van de interinstitutionele samenwerking inzake effectbeoordelingen en de totstandbrenging van een cultuur van naleving van de grondrechten en de rechtsstaat. De Werkgroep raadpleegt in een vroeg stadium nationale deskundigen, om beter te kunnen inspelen op eventuele problemen op het gebied van de uitvoering in de lidstaten en om oplossingen te vinden voor uiteenlopende interpretaties door de verschillende instellingen van de Unie met betrekking tot de gevolgen die de grondrechten en beginselen van de rechtsstaat hebben voor wetgevingshandelingen van de Unie. De werkgroep baseert zich op de Richtsnoeren over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren, de strategie van de Commissie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie, de operationele richtsnoeren van de Commissie voor het in aanmerking nemen van de grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie, Instrument nr. 24 van het Instrumentarium voor betere regelgeving en artikel 38 van het Reglement van het Europees Parlement om de naleving en bevordering van democratie, de rechtsstaat en grondrechten te waarborgen.

Artikel 13

De volgende jaarverslagen van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met betrekking tot de handhaving en naleving van de rechtsstaat en de grondrechten door de instellingen van de Unie worden gezamenlijk gepresenteerd met de jaarlijkse DRG-beleidscyclus van het Europees DRG-verslag:

–  Jaarverslag over de toepassing van het Handvest;

–  Jaarverslag over de toepassing van de Uniewetgeving;

–  Jaarverslag over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad(7).

Artikel 14

Dit akkoord treedt in werking op …

Gedaan te...

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad van de Europese Unie

De voorzitter

Voor de Europese Commissie

De voorzitter

(1) ECLI:EU:C:2014:2454.
(2) Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1).
(3) ECLI:EU:C:2011:865.
(4) ECLI:EU:C:2016:198.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0286.
(7) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

Juridische mededeling