Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 27 oktober 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Kwijting 2014: Algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
 Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming Eniac
 Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming Artemis
 Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
 De situatie in Noord-Irak en rond Mosul
 De situatie van journalisten in Turkije
 Nucleaire beveiliging en non-proliferatie
 Europese vrijwilligersdienst
 De EU-strategie voor jongeren 2013-2015
 Hoe kan het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden verbeteren?

Kwijting 2014: Algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
PDF 257kWORD 47k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II - Europese Raad en Raad (2015/2156(DEC))
P8_TA(2016)0418A8-0271/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0201/2015)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van donderdag 28 april 2016(5) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de bijbehorende resolutie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0271/2016),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad (2015/2156(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II - Europese Raad en Raad,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0271/2016),

A.  overwegende dat alle instellingen van de Unie transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als instelling van de Unie toevertrouwde middelen;

B.  overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie, een democratische verantwoordingsplicht hebben tegenover de burgers van de Unie voor zover zij begunstigden zijn van middelen van de algemene begroting van de Europese Unie;

1.  wijst op de rol die het Parlement overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het "Financieel Reglement") vervult bij het verlenen van kwijting voor de begroting;

2.  wijst erop dat de Unie, ingevolge artikel 335 VWEU, wordt vertegenwoordigd "door elk van de instellingen [...], uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking", en dat zij derhalve, met inachtneming van artikel 55 van het Financieel Reglement, individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun begroting;

3.  onderstreept de rol van het Parlement en de andere instellingen in de kwijtingsprocedure, zoals die geregeld is in het Financieel Reglement en met name in de artikelen 164 t/m 166 daarvan;

4.  wijst erop dat, ingevolge artikel 94 van het Reglement van het Parlement, "de bepalingen inzake de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting eveneens van toepassing zijn voor de procedure voor de verlening van kwijting aan [...] de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de begrotingen van de overige instellingen en organen van de Europese Unie, zoals de Raad (voor wat betreft zijn uitvoerende activiteiten) [...]";

5.  betreurt dat de Raad nog steeds niet heeft gereageerd op de opmerkingen die het Parlement in zijn kwijtingsresolutie van 28 april 2016(7) heeft gemaakt over de trend van toenemende onderbesteding en overdrachten van kredieten van de vorige jaren;

Hangende zaken

6.  betreurt dat de Europese Raad en de Raad hun jaarlijks activiteitenverslag niet voorleggen aan het Parlement; noemt dit ontoelaatbaar en funest voor de reputatie van de instellingen;

7.  vindt het jammer dat de begrotingen van de Europese Raad en van de Raad nog niet gescheiden zijn, zoals het Parlement heeft aanbevolen in recente kwijtingsresoluties;

8.  neemt kennis van de informatie over het gebouwenbeleid op de website van de Raad; merkt ook op dat er geen informatie is over de kosten die zijn gemaakt met betrekking tot deze gebouwen; dringt erop aan dat in het volgende jaarlijks financieel verslag gedetailleerde informatie wordt verstrekt aan het Parlement;

9.  herhaalt zijn verzoek om voortgangsverslagen over bouwprojecten en een gedetailleerd overzicht van de tot dusver gemaakte kosten; vraagt om informatie over de kosten die verband houden met de vertragingen bij de voltooiing van het Europagebouw;

10.  herinnert aan zijn verzoek aan de Raad om informatie te verstrekken over zijn proces van administratieve modernisering, met name over het verwachte effect ervan op de begroting van de Raad;

11.  vraagt de Raad om zo snel mogelijk een gedragscode aan te nemen om te zorgen dat de integriteit van de instelling bewaard blijft; herhaalt zijn oproep aan de Raad om zonder verder uitstel regels inzake klokkenluiders toe te passen;

12.  vraagt de Raad om mee te doen aan het transparantieregister van de Unie om de transparantie en de verantwoordingsplicht van de instelling te waarborgen;

13.  herhaalt zijn oproep aan de Raad om binnen zijn structuren gedetailleerde richtsnoeren tegen corruptie en onafhankelijke beleidsmaatregelen uit te werken, evenals zijn oproep tot stelselmatige vergroting van de transparantie in de wetgevingsprocedures en -onderhandelingen;

14.  betreurt de moeilijkheden die tot op heden herhaaldelijk zijn ondervonden in de kwijtingsprocedures als gevolg van een gebrek aan samenwerkingsbereidheid van de Raad; wijst erop dat het Parlement de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting heeft verleend voor de begrotingsjaren 2009, 2010 en 2013 vanwege de redenen die zijn uiteengezet in de resoluties van 10 mei 2011(8), 25 oktober 2011(9), 10 mei 2012(10), 23 oktober 2012(11), 17 april 2013(12), 9 oktober 2013(13), 3 april 2014(14), 23 oktober 2014(15) en 27 oktober 2015(16), en zijn besluit om de secretaris-generaal van de Raad kwijting te verlenen voor het begrotingsjaar 2014 heeft uitgesteld wegens de redenen die zijn uiteengezet in zijn bovengenoemde resolutie van 28 april 2016;

15.  herhaalt dat een effectieve begrotingscontrole alleen mogelijk is indien het Parlement en de Raad samenwerken, zoals uiteengezet in zijn bovengenoemde resolutie van 28 april 2016; bevestigt dat het Parlement niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

16.  herinnert de Raad aan het in januari 2014 geformuleerde standpunt van de Commissie, dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow up-proces ten aanzien van de opmerkingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure formuleert, en dat alle instellingen moeten samenwerken teneinde het soepele verloop van de kwijtingsprocedure te waarborgen;

17.  wijst erop dat de Commissie heeft verklaard dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat beantwoording van de vragen die aan een andere instelling zijn gericht, een schending zou betekenen van de autonomie van die instelling om haar eigen afdeling van de begroting ten uitvoer te leggen;

18.  betreurt dat de Raad blijft verzuimen de vragen van het Parlement te beantwoorden; herinnert aan de conclusies van de workshop van het Parlement van 27 september 2012 over het recht van het Parlement om kwijting te verlenen aan de Raad; verwijst ook naar artikel 15, lid 3, derde alinea, van het VWEU, waarin wordt bepaald dat de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid werken;

19.  stelt vast dat op slechts drie van de zevenentwintig vragen die aan de Raad zijn voorgelegd door de leden van de Commissie begrotingscontrole in verband met het begrotingsjaar 2014, een duidelijk antwoord is gegeven in de documenten die door de Raad zijn voorgelegd in het kader van de kwijtingsprocedure;

20.  benadrukt nogmaals dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen en dat de fundamentele onderdelen van een dergelijke controle zijn vastgelegd in zijn kwijtingsresoluties van de afgelopen jaren;

21.  onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens de artikelen 316, 317 en 319 van het VWEU, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk verlening van kwijting voor elk onderdeel van de begroting afzonderlijk, teneinde de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;

22.  is van mening dat het onvermogen van de Raad om de gevraagde documenten aan het Parlement te verstrekken bovenal het recht van burgers van de Unie op informatie en transparantie ondermijnt en een bron van zorg wordt, aangezien het een zeker democratisch tekort binnen de instellingen van de Unie blootlegt;

23.  noemt dit een ernstig verzuim van de uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen en is van mening dat de betrokken belanghebbenden zonder dralen de nodige stappen moeten nemen om deze kwestie aan te pakken; onderstreept dat herziening van de verdragen en van het Financieel Reglement nodig is om het oogmerk en het verloop van de kwijtingsprocedure duidelijker te doen uitkomen, en dat er sancties moeten worden gesteld op niet-naleving van de regels zoals deze in de Verdragen zijn vastgelegd;

24.  is van mening dat het gebrek aan samenwerking van de kant van de Europese Raad en de Raad met de kwijtingsautoriteit een negatief signaal is aan de burgers van de Unie.

(1) PB L 51 van 20.2.2014.
(2) PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.
(3) PB C 373 van 10.11.2015, blz. 1.
(4) PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.
(5) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 20.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 21.
(8) PB L 250 van 27.9.2011, blz. 25.
(9) PB L 313 van 26.11.2011, blz. 13.
(10) PB L 286 van 17.10.2012, blz. 23.
(11) PB L 350 van 20.12.2012, blz. 71.
(12) PB L 308 van 16.11.2013, blz. 22.
(13) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 97.
(14) PB L 266 van 5.9.2014, blz. 26.
(15) PB L 334 van 21.11.2014, blz. 95.
(16) PB L 314 van 1.12.2015, blz. 49.


Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming Eniac
PDF 175kWORD 46k
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2202(DEC))
P8_TA(2016)0419A8-0264/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 betreffende de aan de Gemeenschappelijke Onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0058/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016(3) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel (voormalige Gemeenschappelijke Onderneming Eniac en Gemeenschappelijke Onderneming Artemis),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EG) nr. 72/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel(6), en met name artikel 12,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(7),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(8),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0264/2016),

1.  verleent de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel (voormalige Gemeenschappelijke Onderneming Eniac en Gemeenschappelijke Onderneming Artemis) kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel (voormalige Gemeenschappelijke Onderneming Eniac en Gemeenschappelijke Onderneming Artemis), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(9),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(10) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 betreffende de aan de Gemeenschappelijke Onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0058/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016(11) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel (voormalige Gemeenschappelijke Onderneming Eniac en Gemeenschappelijke Onderneming Artemis),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EG) nr. 72/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac(13),

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel(14), en met name artikel 12,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(16),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0264/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel (voormalige Gemeenschappelijke Onderneming Eniac en Gemeenschappelijke Onderneming Artemis), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0264/2016),

A.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac ("de Gemeenschappelijke Onderneming") op 20 december 2007 voor een periode van 10 jaar is opgericht om een onderzoeksagenda vast te stellen en ten uitvoer te leggen voor de ontwikkeling van cruciale competenties voor nano-elektronica op verschillende toepassingsgebieden;

B.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming in juli 2010 financiële autonomie heeft verkregen;

C.  overwegende dat de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, België, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Polen, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk en Aeneas, de vereniging voor Europese nano-elektronische activiteiten (Aeneas), de oprichtende leden zijn van de Gemeenschappelijke Onderneming;

D.  overwegende dat de maximale EU-bijdrage aan de Gemeenschappelijke Onderneming voor de periode van 10 jaar 450 000 000 EUR bedraagt, te betalen uit de begroting van het zevende kaderprogramma voor onderzoek;

E.  overwegende dat Aeneas een maximale bijdrage van 30 000 000 EUR aan de bedrijfskosten van de Gemeenschappelijke Onderneming dient te leveren, terwijl de lidstaten bijdragen in natura voor de bedrijfskosten dienen te leveren alsook financiële bijdragen die ten minste 1,8 maal de EU-bijdrage belopen;

F.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming en de Gemeenschappelijke Onderneming Artemis ("Artemis") fuseerden met het oog op de totstandbrenging van het gemeenschappelijk technologie-initiatief Elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap (Ecsel JTI), dat in juni 2014 van start is gegaan voor een periode van 10 jaar;

Begrotings- en financieel beheer

1.  stelt vast dat de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming over de periode van 1 januari 2014 tot 26 juni 2014 op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie per 26 juni 2014 en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen voor de op die datum afgesloten periode, overeenkomstig de bepalingen van haar financiële regeling en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels;

2.  is bezorgd dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de periode van 1 januari tot 26 juni 2014 (het verslag van de Rekenkamer) voor het vierde achtereenvolgende jaar een met redenen omkleed advies heeft opgesteld in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen omdat de administratieve overeenkomsten die zijn gesloten met de nationale financierende autoriteiten (nfa's) over de audit van projectkosten geen praktische regelingen bevatten voor ex-post audits;

3.  leest in het verslag van de Rekenkamer dat de Gemeenschappelijke Onderneming de kwaliteit van de controleverslagen, die zij van de nfa's heeft ontvangen, over de kosten die verband houden met de afgeronde projecten niet heeft beoordeeld; merkt voorts op dat een beoordeling van de controlestrategieën van drie van de nfa's geen conclusies toeliet over de effectiviteit van controles achteraf, dit vanwege de verschillen in de door de nfa's gehanteerde methoden, zodat de Gemeenschappelijke Onderneming geen gewogen foutenpercentage of restfoutenpercentage kon berekenen; leest ook dat het Ecsel-JTI heeft bevestigd dat er na een uitgebreide beoordeling van de nationale systemen voor betrouwbaarheidsverklaringen is geconcludeerd dat zij een redelijke bescherming van de financiële belangen van haar leden kunnen bieden;

4.  stelt vast dat het Ecsel JTI de nfa's heeft verzocht om een schriftelijke verklaring dat de toepassing van de nationale procedures een redelijke mate van garantie biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen en stelt vast dat tegen de uiterste termijn van 30 juni 2016 76% van de aangezochte nfa's, die 96,79% van de totale uitgaven van Artemis en de Gemeenschappelijke Onderneming vertegenwoordigen, de gevraagde documenten hebben voorgelegd en bevestigd hebben dat de toepassing van de nationale procedures een redelijke mate van garantie biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen;

5.  constateert dat, volgens het verslag van de Rekenkamer, in de definitieve begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2014 vastleggingskredieten ter hoogte van 2 356 000 EUR en betalingskredieten ter hoogte van 76 500 250 EUR waren opgenomen;

6.  stelt vast dat volgens de Gemeenschappelijke Onderneming de nationale procedures voor betrouwbaarheidsverklaringen tot april 2015 zijn beoordeeld voor landen die 54,2 % van de subsidies van de Gemeenschappelijke Onderneming ontvangen; is verheugd over het voornemen van de Gemeenschappelijke om deze exercitie voort te zetten door 92,7% van de totale aan de Gemeenschappelijke Onderneming toegekende middelen op te nemen; verwelkomt de bevestiging van de Gemeenschappelijke Onderneming dat de nationale procedures een redelijke mate van garantie bieden ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

(1) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 25.
(2) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 26.
(3) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 432.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 30 van 4.2.2008, blz. 21.
(6) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(7) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(8) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.
(9) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 25.
(10) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 26.
(11) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 432.
(12) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(13) PB L 30 van 4.2.2008, blz. 21.
(14) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming Artemis
PDF 174kWORD 46k
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2199(DEC))
P8_TA(2016)0420A8-0276/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor de periode van 1 januari tot 26 juni 2014, vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0055/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016(3) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de uitvoerend directeur van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL (voorheen de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS en de gemeenschappelijke onderneming ENIAC),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EG) nr. 74/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk technologie-initiatief inzake ingebedde computersystemen (5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL(6), en met name artikel 1, lid 2, en artikel 12,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(7),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(8),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0276/2016),

1.  verleent de uitvoerend directeur van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL (voorheen de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS en de gemeenschappelijke onderneming ENIAC) kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL (voorheen de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS en de gemeenschappelijke onderneming ENIAC), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de afsluiting van de rekeningen van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2199(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor de periode van 1 januari tot 26 juni 2014, vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming(9),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(10) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan de onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0055/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016 (11) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de uitvoerend directeur van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL (voorheen de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS en de gemeenschappelijke onderneming ENIAC),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EG) nr. 74/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk technologie-initiatief inzake ingebedde computersystemen (13),

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL(14), en met name artikel 1, lid 2, en artikel 12,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(16),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0276/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de gemeenschappelijke onderneming ECSEL (voorheen de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS en de gemeenschappelijke onderneming ENIAC), Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2199(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming ARTEMIS voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0276/2016),

A.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming Artemis (de "Gemeenschappelijke Onderneming") in december 2007 werd opgericht voor een periode van tien jaar met als doel het vaststellen en ten uitvoer leggen van een onderzoeksagenda voor de ontwikkeling van cruciale technologieën voor ingebedde computersystemen voor verschillende toepassingsgebieden, teneinde het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de economie van de Unie te versterken en het ontstaan van nieuwe markten en maatschappelijke toepassingen te bevorderen;

B.  overwegende dat de gemeenschappelijke onderneming autonoom is gaan functioneren in oktober 2009;

C.  overwegende dat de maximale bijdrage van de Unie aan de Gemeenschappelijke Onderneming voor de periode van tien jaar 420 000 000 EUR bedraagt, te betalen uit de begroting van het zevende kaderprogramma voor onderzoek;

D.  overwegende dat de financiële bijdragen uit lidstaten die deelnemen aan Artemis, in totaal, ten minste 1,8 maal de financiële bijdrage van de Unie zouden moeten bedragen en dat de bijdragen in natura van de onderzoeks- en ontwikkelingsorganisaties die deelnemen aan projecten gedurende de looptijd van de Gemeenschappelijke Onderneming ten minste gelijk aan of groter moeten zijn dan de bijdragen van de overheid;

E.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming en de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac ("Eniac") fuseerden met het oog op de totstandbrenging van het gemeenschappelijk technologie-initiatief Elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap ("Ecsel JTI"), dat in juni 2014 van start is gegaan voor een periode van tien jaar;

Begrotings- en financieel beheer

1.  merkt op dat de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de periode van 1 januari 2014 t/m 26 juni 2014 op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie per 26 juni 2014 en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen voor de op die datum afgesloten periode, overeenkomstig de bepalingen van haar financiële regeling en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudkundige regels;

2.  noemt het zorgwekkend dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2014 ("verslag van de Rekenkamer") een verklaring met beperking heeft afgegeven over de regelmatigheid en wettigheid van de ten grondslag liggende verrichtingen, op de grond dat de met nationale financieringsautoriteiten ("nfa's") aangegane administratieve overeenkomsten met betrekking tot de controle van de projectkosten geen uitspraak doen over de praktische aspecten van controles achteraf;

3.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat de Gemeenschappelijke Onderneming geen beoordeling heeft gemaakt van de kwaliteit van de van de nfa's ontvangen controleverslagen over de kosten in verband met afgeronde projecten; merkt voorts op dat een beoordeling van de controlestrategieën van drie van de nfa's geen conclusies toeliet over de effectiviteit van controles achteraf, dit vanwege de verschillen in de door de nfa's gehanteerde methoden, zodat de Gemeenschappelijke Onderneming geen gewogen foutenpercentage of restfoutenpercentage kon berekenen;

4.  merkt op dat ECSEL JTI een uitgebreide beoordeling heeft gemaakt van de doelmatigheid van de betrouwbaarheidsverklaringen binnen een steekproef van 10 ARTEMIS- en ENIAC-lidstaten die het grootste deel van de operationele begroting van ECSEL JTI voor hun rekening nemen, oftewel 89.5% van de totale toegekende subsidies van de Gemeenschappelijke Onderneming, en constateert aan de hand van de projectbeëindigingscertificaten tot 13 juni 2016, dat het dekkingspercentage blijkens de beoordeling driemaal zo hoog is als de drempel van 20% waarboven de nationale systemen afdoende worden geacht op het punt van ex-post auditstrategie;

5.  stelt vast dat het Ecsel JTI de nfa's heeft verzocht om een schriftelijke verklaring dat de toepassing van de nationale procedures een redelijke mate van garantie biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen en stelt vast dat tegen de uiterste termijn van 30 juni 2016 76% van de aangezochte nfa's, die 96,79% van de gemeenschappelijke uitgaven van Artemis en ENIAC JU vertegenwoordigen, de gevraagde documenten hebben voorgelegd en bevestigd hebben dat de toepassing van de nationale procedures een redelijke mate van garantie biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen;

6.  constateert dat, volgens het verslag van de Rekenkamer, in de definitieve begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2014 vastleggingskredieten ter hoogte van 2 554 510 EUR en betalingskredieten ter hoogte van 30 330 178 EUR (operationeel) waren opgenomen;

Interne controle

7.  stelt met bezorgdheid vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming geen actie heeft ondernomen in verband met bepaalde internecontrolenormen met betrekking tot informatieverstrekking en financiële verslaglegging, in het bijzonder de evaluatie van activiteiten, internecontrolesystemen en een dienst Interne Audit ("IAC"); stelt vast dat dit toe te schrijven was aan de ophanden zijnde fusie; merkt op dat ECSEL JTI inmiddels wezenlijke vorderingen heeft gemaakt met de uitvoering van internecontrolesystemen en oprichting van een IAC.

(1) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 9.
(2) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 10.
(3) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 425.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 30 van 4.2.2008, blz. 52.
(6) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(7) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(8) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.
(9) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 9.
(10) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 10.
(11) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 425.
(12) PB L 298 van 26.10.2012, blz.1.
(13) PB L 30 van 4.2.2008, blz. 52.
(14) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


Kwijting 2014: Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
PDF 251kWORD 46k
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2196(DEC))
P8_TA(2016)0421A8-0275/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0052/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016(3) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de directeur van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie,

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan(5), en met name artikel 5, lid 3,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0275/2016),

1.  verleent de directeur van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de afsluiting van de rekeningen van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2196(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05587/2016 – C8-0052/2016),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016(10) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2014, alsmede de antwoorden van de directeur van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie,

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan(12), en met name artikel 5, lid 3,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14),

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0275/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2196(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0275/2016),

A.  overwegende dat de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (de “gemeenschappelijke onderneming") in maart 2007 werd opgericht voor een periode van 35 jaar;

B.  overwegende dat de leden van de gemeenschappelijke onderneming zijn: Euratom, vertegenwoordigd door de Commissie, de lidstaten van Euratom en derde landen die met Euratom samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van beheerste kernfusie zijn aangegaan;

C.  overwegende dat de gemeenschappelijke onderneming autonoom begon te functioneren in maart 2008;

1.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2014 heeft verklaard dat de jaarrekening op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie per 31 december 2014 en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen voor het op die datum afgesloten jaar, overeenkomstig de bepalingen van haar financiële regeling;

2.  merkt op dat de definitieve begroting 2014 die beschikbaar was voor tenuitvoerlegging 1 168 800 000 EUR aan vastleggingskredieten en 576 600 000 EUR aan betalingskredieten beliep; dat de uitvoeringspercentages voor de vastleggingen en de betalingen respectievelijk 100 % en 88,5 % bedroegen; wijst er echter op dat de uitvoeringsgraad van de betalingskredieten met betrekking tot de oorspronkelijke begroting voor 2014 73 % bedroeg;

3.  neemt er nota van dat de nieuwe directeur-generaal van de ITER-organisatie als reactie op de huidige uitdagingen voor het ITER-project aan de ITER-raad een actieplan heeft gepresenteerd met specifieke maatregelen voor de aanpak van de belangrijkste beperkingen waardoor de ontwikkeling van het ITER-project op dit moment wordt beïnvloed; neemt voorts ter kennis dat, wat betreft de gemeenschappelijke onderneming, de nieuwe waarnemend directeur een actieplan voor de gemeenschappelijke onderneming heeft gepresenteerd dat het actieplan van de ITER-organisatie grotendeels ondersteunt; begrijpt dat de plaatsvervangend directeur van de gemeenschappelijke onderneming een actieplan heeft opgesteld en dat in maart 2015 heeft voorgelegd aan de raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming, die volledig achter dat plan stond, en dat dit actieplan van de gemeenschappelijke onderneming het ITER-actieplan op een aantal punten aanvult en verdere verbeteringen voorstelt voor de eigen activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming; merkt op dat de praktische maatregelen voor de uitvoering van beide actieplannen op het moment van de controle nog niet waren bepaald; merkt bovendien op dat deze actieplannen sinds maart 2015 worden uitgevoerd en op de voet worden gevolgd door de ITER-organisatie en de gemeenschappelijke onderneming, en dat verwacht wordt dat die plannen verbeteringen zullen opleveren; dringt erop aan dat van de uitvoering van de actieplannen binnen afzienbare tijd verslag wordt uitgebracht;

4.  neemt met voldoening kennis van de conclusies van de ITER-raadsvergadering van 15 en 16 juni 2016 waarin werd bevestigd dat het ITER-project nu in de goede richting gaat, zodat een gedegen, realistisch en gedetailleerd voorstel kan worden verwacht voor een schema met de gemoeide kosten naar eerste plasma, waarin het geactualiseerde geïntegreerde schema voor het ITER-project werd bekrachtigd, waarin december 2025 als tijdstip voor eerste plasma wordt genoemd, waarin wordt aangestipt dat de succesvolle voltooiing van alle projectfasen tot dusver, al dan niet volgens schema, een positief teken is van de gezamenlijke capaciteit van de ITER-organisatie en de nationale agentschappen om volgens het bijgewerkte schema te blijven presteren, en waarin wordt onderstreept dat de aanwijzingen voor een effectievere besluitvorming, beter besef van de risico's, en vasthouden aan de voornemens een hernieuwde grond opleveren voor het vertrouwen dat het ITER-project zijn huidige positieve elan zal vasthouden;

5.  verwelkomt het standpunt van de ITER-raad dat een sterke concentratie op de kernelementen via eerste plasma de risico's effectief moet verminderen en dat het bijgewerkte schema technisch de meest haalbare weg is naar eerste plasma, dat de voltooiing zal markeren van de opbouw- en inbedrijfstellingsfases van de Tokamak en de ondersteunende installaties;

6.  merkt op dat er goede vorderingen worden gemaakt met de mijlpalen die de ITER-raad in zijn vergadering van 18 en 19 november 2015 heeft vastgesteld, en dat vier van de zes aan Fusion for Energy ("F4E") toegedachte mijlpalen voor 2016 reeds zijn gehaald;

7.  neemt ter kennis dat de kwestie met de huur van het gebouw van de gemeenschappelijke onderneming is opgelost, nu de Spaanse regering een huurcontract voor onbepaalde tijd voor het huidige pand heeft aangeboden en een uitbreiding van de huidige kantoorruimte met een extra verdieping; merkt over dit punt op dat de raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming in zijn vergadering van 29-30 juni 2016 kennis heeft genomen van het huurcontract voor onbepaalde tijd voor de bureaus van F4E tussen de Spaanse overheid en de eigenaar van het pand, en de plannen heeft goedgekeurd voor herinrichting van de voor de gemeenschappelijke onderneming bestemde kantoorruimte;

8.  neemt kennis van de gedeeltelijke invulling van het personeelsstatuut en spoort de gemeenschappelijke onderneming aan om verdere invulling te geven aan de nog resterende regelingen; verneemt met voldoening dat per 1 januari 2016 het nieuwe Financieel Reglement en nieuwe uitvoeringsregels van de gemeenschappelijke onderneming in werking zijn getreden; stelt met waardering vast dat de gemeenschappelijke onderneming tot een werkbare definitie is gekomen voor wat wel en wat geen fusietoepassing is, waardoor de werkingssfeer voor exclusief gebruik van intellectuele-eigendomsrechten uit hoofde van de contracten zich gemakkelijker laat afbakenen.

(1) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 33.
(2) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 34.
(3) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 438.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 33.
(9) PB C 422 van 17.12.2015, blz. 34.
(10) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 438.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58.
(13)1 PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


De situatie in Noord-Irak en rond Mosul
PDF 180kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de situatie in Noord-Irak/Mosul (2016/2956(RSP))
P8_TA(2016)0422RC-B8-1159/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resoluties van 27 februari 2014 over de situatie in Irak(1), van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië en het IS-offensief, met inbegrip van de vervolging van minderheden(2), van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis en Irak en Syrië, met name in de context van IS(3), van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da’esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs(4), en van 4 februari 2016 over de systematische massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da’esh"(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2016 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van Da’esh uitgaat, van 14 december 2015 over Irak, van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van ISIS/Da’esh uitgaat, van 20 oktober 2014 over de ISIS/Da’ish-crisis in Syrië en Irak, van 30 augustus 2014 over Irak en Syrië, van 14 april 2014 en 12 oktober 2015 over Syrië, en van 15 augustus 2014 over Irak,

–  gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv),

–  gezien Resolutie 2091 (2016) over buitenlandse strijders in Syrië en Irak, die op 27 januari 2016 werd aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

–  gezien de ministeriële bijeenkomst ter stabilisering van de situatie in Mosul, die op 20 oktober 2016 onder gezamenlijk voorzitterschap van Frankrijk en Irak werd gehouden in Parijs, waaraan werd deelgenomen door 22 landen, de VN, de EU en de Liga van Arabische Staten, en die erop gericht was een plan op te stellen ter bescherming van burgers, hulp te verstrekken en in te gaan op kwesties met betrekking tot het besturen van onlangs van het juk van de ISIS/Daesh bevrijde gebieden,

–  gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 1998 en de bepalingen daarin inzake de rechterlijke bevoegdheid met betrekking tot genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en agressie,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Iraakse leger, gesteund door de internationale coalitie tegen ISIS/Daesh en de Peshmerga-strijders van de Koerdische Regionale Regering en de Hashd al-Shaabi-milities, een offensief is gestart om Mosul, de op een na grootste stad van Irak, en veel steden en dorpen in de corridor van Mosul te heroveren op ISIS/Daesh;

B.  overwegende dat ISIS/Daesh een draconisch regime heeft ingesteld in Mosul; overwegende dat inwoners die hebben weten te ontsnappen, melden dat de bevolking honger lijdt en ernaar snakt te worden bevrijd;

C.  overwegende dat de vlakte van Nineve, Tal Afar en Sinjar, alsmede de omliggende regio, van oudsher het thuisland zijn van christenen (Chaldeeërs/Syrische christenen/Assyriërs), jezidi’s, soennitische en sjiitische Arabieren, Koerden, Shabakken, Turkmenen, Kaka’i, Sabiërs-Mandaeërs en anderen, waar zij eeuwenlang hebben geleefd in een geest van pluralisme, stabiliteit en onderlinge samenwerking, ondanks perioden van extern geweld en vervolging, tot aan het begin van deze eeuw en de bezetting van een groot deel van de regio door ISIS/Daesh in 2014;

D.  overwegende dat Mosul een multi-etnische stad was, waar een soennitisch-Arabische meerderheid zij aan zij woonde met Chaldeeërs/Syrische christenen/Assyriërs, Koerden, jezidi’s, Shabakken, Kaka’i en (sjiitische en soennitische) Turkmenen; overwegende dat de gebieden rondom de stad eveneens een geschiedenis hebben van etnisch-religieuze diversiteit, waarbij veel christenen woonachtig waren op de vlakte van Nineve, veel jezidi’s in het Sinjargebergte en veel Turkmeense moslims in Tal Afar; overwegende dat het aantal christenen in Irak in 2003 meer dan 1,5 miljoen bedroeg en inmiddels is gedaald naar minder dan 200 000 à 350 000, en dat velen van hen in armoede leven; overwegende dat de aanwezigheid van christenen en andere minderheden in Irak van oudsher van groot maatschappelijk belang is geweest, aangezien zij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de politieke stabiliteit, en dat de uitroeiing van deze minderheden in de regio voor verdere destabilisering zal zorgen;

E.  overwegende dat het Parlement, dat op 4 februari 2016 heeft erkend dat ISIS/Daesh zich schuldig maakt aan het plegen van genocide jegens christenen, jezidi’s en andere religieuze en etnische minderheden, bijval heeft gekregen van de Raad van Europa, het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, het Congres van de Verenigde Staten, het parlement van het Verenigd Koninkrijk, het Australische parlement en andere naties en instellingen bij de vaststelling dat de wreedheden die ISIS/Daesh tegen religieuze en etnische minderheden in Irak heeft begaan ook oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide omvatten;

F.  overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) sedert 2014 ongeveer 3,3 miljoen Irakezen door oorlog ontworteld zijn en dat voor 1,5 miljoen mensen in Mosul ontheemding dreigt als onmiddellijk gevolg van de operatie om het gebied te heroveren;

G.  overwegende dat het UNHCR vijf kampen geopend heeft en klaar staat om 45 000 mensen die uit Mosul en omstreken wegvluchten op te vangen, en dat de organisatie van plan is om de komende weken in totaal elf kampen geopend te hebben, met capaciteit voor 120 000 mensen, op voorwaarde dat hiervoor land kan worden vrijgemaakt in veilige gebieden weg van de frontlinies; overwegende dat het UNHCR-responsbudget voor Mosul momenteel slechts voor iets meer dan 38 % gefinancierd is; overwegende dat financiering nodig is, niet alleen voor de eerste voorbereidingen maar ook voor de aanpak van de grootschalige ontheemding die misschien wel de hele winter zal voortduren;

H.  overwegende dat de nodige voorwaarden op het gebied van veiligheid moeten worden gewaarborgd voor alle mensen die hun thuisland hebben moeten verlaten of die onder dwang ontheemd zijn, om zo snel mogelijk hun recht te kunnen uitoefenen om terug te keren naar hun thuisland;

I.  overwegende dat er op 18 oktober 2016 in Brussel in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Irak voor de tweede maal een samenwerkingsraad tussen de EU en Irak heeft plaatsgevonden, waarbij gesproken werd over de prangende problemen in Irak op humanitair en stabilisatiegebied; overwegende dat de EU tot nu toe 134 miljoen EUR heeft verstrekt voor humanitaire hulp in Irak, waarvan 50 miljoen EUR voor Mosul;

J.  overwegende dat de veiligheid moet worden gewaarborgd voor alle gemeenschappen, dus ook voor de Chaldeeërs, Syrische christenen, Assyriërs en andere groepen die gevaar lopen op de vlakte van Nineve;

K.  overwegende dat in artikel 2 van de grondwet van Irak de volledige religieuze rechten van alle personen op vrijheid van geloofsovertuiging en geloofsbeoefening worden gewaarborgd;

L.  overwegende dat in artikel 125 van de grondwet van Irak de administratieve, politieke en culturele rechten en het recht op onderwijs van de verschillende nationaliteiten, zoals Turkmenen, Chaldeeërs, Assyriërs en alle andere groepen worden gewaarborgd; overwegende dat de Iraakse minister-president Haider al-Abadi op 15 april 2015 verklaarde: "Zonder decentralisatie zal het land uiteenvallen. Voor mij kan decentralisatie niet ver genoeg gaan.";

M.  overwegende dat met de grootste mate van autonomie en het waarborgen van de veiligheid voor de gemeenschappen op de vlakte van Nineve, en in Tal Afar en Sinjar binnen het kader van de federale Republiek Irak de fundamentele mensenrechten, waaronder de eigendomsrechten, van de inheemse bevolking van dit gebied hersteld en gehandhaafd kunnen worden;

1.  staat volledig achter het offensief dat door Irak is gestart om Mosul te heroveren op ISIS/Daesh; acht deze operatie van doorslaggevend belang voor de huidige mondiale inspanningen om ISIS/Daesh definitief te verslaan; vertrouwt erop dat Irak de strijd tegen deze gemeenschappelijke vijand zal winnen en ISIS/Daesh zal verjagen uit Mosul en andere delen van het land;

2.  spreekt opnieuw zijn onverkorte steun uit voor de onafhankelijkheid, territoriale integriteit en soevereiniteit van Irak en voor het recht van het land om de stappen te ondernemen die nodig zijn voor het waarborgen daarvan;

3.  maakt zich zorgen over de recente spanningen tussen regionale actoren; pleit voor de volledige eerbiediging van de territoriale integriteit en soevereiniteit van Irak en dringt erop aan geen militaire actie in Irak te ondernemen zonder dat de Iraakse regering daarmee heeft ingestemd; wijst erop dat de dialoog tussen Irak en de landen in de regio moet worden bevorderd om de veiligheidssituatie in het Midden-Oosten te verbeteren;

4.  herinnert eraan dat de Iraakse autoriteiten concrete stappen moeten ondernemen om tijdens de campagne burgers te beschermen, inclusief door doeltreffend gezag en controle uit te oefenen op de milities en door alle mogelijke voorzorgen te nemen om tijdens het geweld burgerslachtoffers en schending van de mensenrechten te voorkomen; benadrukt dat de strijdkrachten ter plaatse zich bij hun operaties moeten houden aan het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenwetgeving;

5.  spreekt zijn steun uit voor de Republiek Irak en de Iraakse bevolking door een politiek, maatschappelijk en economisch levensvatbare en duurzame provincie te erkennen in de regio’s van de vlakte van Nineve, Tal Afar en Sinjar, in overeenstemming met het recht op regionale autonomie van de inheemse bevolking;

6.  benadrukt dat het recht op terugkeer van de ontheemde volkeren van de vlakte van Nineve, Tal Afar en Sinjar, waarvan velen zijn ontheemd binnen Irak, naar hun thuisland een politieke prioriteit moet zijn voor de regering van Irak, met steun van de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap; onderstreept dat met de steun van de regering van de Republiek Irak en de Koerdische regionale regering, de fundamentele mensenrechten van deze volkeren volledig in ere moeten worden hersteld, met inbegrip van hun eigendomsrechten, die voorrang moeten hebben boven aanspraken op eigendomsrechten van anderen;

7.  benadrukt dat de inheemse gemeenschappen van de vlakte van Nineve, Tal Afar en Sinjar – christenen (Chaldeeërs/Syrische christenen/Assyriërs), jezidi’s, Turkmenen en anderen – recht hebben op veiligheid en regionale autonomie binnen de federale structuur van de Republiek Irak;

8.  veroordeelt met klem het aanhoudende geweld en de massa-executies door ISIS/Daesh in Irak; drukt zijn diepe bezorgdheid uit over de aanhoudende berichten dat ISIS/Daesh kinderen, ouderen, vrouwen en kwetsbare personen als schild worden gebruikt tegen de lopende militaire bevrijdingsoperaties die in Noord-Irak worden uitgevoerd;

9.  neemt kennis van de waarschuwing van de VN-coördinator voor humanitaire hulp dat het ontbreekt aan financiële middelen, mocht het offensief van Mosul uitmonden in een ongekende humanitaire noodsituatie; is ingenomen met de betrokkenheid van de EU in Irak, en vooral met de verstrekte humanitaire hulp en de verwijdering van geïmproviseerde explosieven, hetgeen van essentieel belang zal zijn voor een snelle terugkeer van vluchtelingen en binnenlands ontheemden; roept de EU en de lidstaten niettemin met klem op meer inspanningen te leveren met het oog op de bevordering van de stabiliteit in de bevrijde gebieden;

10.  dringt er bij de regering van Irak en haar internationale partners op aan prioriteit te verlenen aan het vinden van vreedzame oplossingen voor conflicten over de interne grenzen van de Republiek Irak;

11.  verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen tijdens en na vijandelijkheden het internationaal humanitair recht na te leven en tijdens het conflict het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van onderscheid en het voorzorgsbeginsel te eerbiedigen; dringt er bij alle bij het conflict betrokken partijen op aan humanitaire corridors te realiseren zodat burgers aan het conflict kunnen ontsnappen en niet vast blijven zitten in Mosul waar zij door ISIS/Daesh gebruikt worden als menselijk schild, maar zich in veiligheid kunnen stellen en toegang hebben tot humanitaire hulp, en om steun en bescherming te bieden aan burgers tijdens de veiligheidsonderzoeken, overeenkomstig de geldende nationale en internationale normen, en dringt er met name op aan familieleden niet van elkaar te scheiden en kinderen niet bloot te stellen aan gevaar, en een VN-mechanisme voor toezicht door derden in het leven te roepen; dringt er met name op aan al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat kinderen en hun gezinsleden niet gebombardeerd worden, dat er zo min mogelijk slachtoffers vallen en dat de civiele infrastructuur beschermd wordt, en dan met name scholen en ziekenhuizen;

12.  dringt er bij alle actoren die in de Republiek Irak tegen ISIS/Daesh strijden op aan dat zij werken aan duurzame en inclusieve politieke samenwerking en dialoog op lange termijn die de basis moeten vormen voor een Irak dat vrij is van radicale en extremistische bewegingen; verzoekt de EU en haar lidstaten, de wereldwijde coalitie tegen ISIS/Daesh, de internationale gemeenschap en internationale actoren met de nationale en regionale regeringen van de Republiek Irak samen te werken aan een duurzame veiligheidsregeling op de vlakte van Nineve, en in Tal Afar en Sinjar;

13.  verzoekt de Europese Unie, de Verenigde Naties en de hele internationale gemeenschap samen te werken met de nationale en regionale regeringen van de Republiek Irak om toe te zien op de re-integratie van alle Irakezen en alle ontheemde etnische en religieuze minderheden;

14.  verzoekt de EDEO, de lidstaten en de internationale gemeenschap praktische en diplomatieke steun te verlenen aan een duurzame en inclusieve structuur in de regio na het conflict, met bijzondere aandacht voor de mogelijkheid om een autonome provincie te stichten die onder meer Sinjar, Tel Afar en de vlakte van Nineveh omvat en die politiek vertegenwoordigd zal worden door de inheemse volkeren van de regio; herinnert eraan dat hulporganisaties op religieuze grondslag moeten worden betrokken bij gecoördineerde humanitaire actie, met name voor ontheemde etnische en religieuze minderheden;

15.  spoort de EU en haar lidstaten en de internationale gemeenschap aan technische bijstand te verlenen aan de regering van Irak bij de tenuitvoerlegging van het besluit om een provincie van de vlakte van Nineve te maken, overeenkomstig het kabinetsbesluit van 21 januari 2014, alsmede bij de verdere decentralisering door ook provincies te vestigen in Tal Afar en Sinjar en de nieuwe provinciale overheden te ondersteunen bij het verwezenlijken van hun volledige potentieel;

16.  verzoekt de EDEO na de bevrijding, tijdens de onderhandelingen met de regionale regering van Koerdistan en de regering van Irak, zijn diensten aan te bieden zodat de legitieme rechten van de etnische minderheden in de regio, met name christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs), jezidi’s, Turkmenen, Shabakken en Kaka’i, worden erkend en dat deze minderheden worden opgenomen in de nieuwe bestuurlijke opzet om te voorkomen dat er nieuwe conflicten uitbreken;

17.  spoort de lidstaten van de EU in samenwerking met de regering van Irak aan om lokale veiligheidstroepen toe te voegen aan de lijst van troepen die steun mogen ontvangen; is van mening dat plaatselijke veiligheidstroepen ook plaatselijke troepen moeten omvatten die tot taak hebben de zeer kwetsbare etnische en religieuze minderheidsgemeenschappen op de vlakte van Nineve, en in Tal Afar en Sinjar en elders te beschermen tegen de dreiging van jihadistisch salafisme;

18.  herinnert eraan dat de voorkoming van burgerslachtoffers en de eerbiediging van het internationaal humanitair recht fundamentele politieke voorwaarden zijn om verzoening en ontwikkeling mogelijk te maken, en de enige manier zijn om een einde te maken aan haat en verdeeldheid, en dat het essentieel is dat de spanningen tussen gemeenschappen niet verder oplaaien en dat het fundament gelegd wordt voor een stabiel en welvarend Irak;

19.  dringt er bij de militaire coalitie onder leiding van Irak op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om bewijsmateriaal met betrekking tot door ISIS/Daesh gepleegde oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid te bewaren zodat de schuldigen ter verantwoording kunnen worden geroepen;

20.  wijst erop dat het van groot belang is dat er tijdig en op doeltreffende wijze veiligheid wordt geboden, door middel van werkelijk veilige routes waarlangs bescherming wordt gewaarborgd, onder meer door het opruimen van mijnen, en door herinvoering van de rechtsstatelijkheid en het waarborgen van basisdiensten, zoals gezondheidszorg, elektriciteit en onderwijs in de bevrijde gebieden; wijst erop dat het gevaar bestaat dat extremistische krachten weer terrein winnen als er niet gezorgd wordt voor basisdiensten en veiligheid, en als een langetermijnstrategie voor de aanpak van de onderliggende oorzaken van het conflict en inspanningen ter bevordering van de sociale cohesie uitblijven; dringt daarom aan op meer samenhang tussen humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking om te waarborgen dat de humanitaire hulp bijdraagt aan de stabilisatie, weerbaarheid en ontwikkeling van Irak;

21.  onderstreept het belang van Mosul voor heel Irak en dringt erop aan dat minderheden binnen het nieuwe openbaar bestuur van Mosul vertegenwoordigd zijn; benadrukt het legitieme recht van etnische en religieuze minderheden op politieke participatie en herstel van hun eigendomsrechten; dringt aan op vreedzame co-existentie en op volledige eerbiediging van de rechten van de verschillende etnische en religieuze minderheden die van oudsher op vreedzame wijze naast elkaar hebben geleefd in dit gebied, met name jezidi’s in het Sinjargebergte, Chaldeeërs, Syrische christenen en Assyriërs op de vlakte van Nineve, en Turkmenen in Tel Afar en in delen van de provincie Kirkuk; en dringt tevens aan op maatregelen om de veilige terugkeer van ontheemde vluchtelingen te waarborgen;

22.  dringt er bij de Iraakse regering op aan om, met steun van de EU en haar lidstaten, materieel te verstrekken voor het opruimen van mijnen in voorheen door ISIS/Daesh bezette gebieden en samen te werken met de lokale raden die de minderheden vertegenwoordigen om te zorgen voor een geoliede coördinatie en vertragingen te voorkomen die de terugkeer van vluchtelingen en interne ontheemden belemmeren;

23.  benadrukt het belang van de voortzetting van de strijd tegen de verdere verspreiding in de regio en daarbuiten van islamistisch-jihadistische ideologieën, waaronder salafistisch jihadisme dat de theologische en politieke onderbouwing vormt voor de misdaden van ISIS/Daesh, en onderstreept dat deze strijd ook na de bevrijding van Mosul moet worden voortgezet; verzoekt de lidstaten van de EU erop aan te dringen dat de genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die in Irak, Syrië, Libië en elders zijn begaan door ISIS/Daesh naar het Internationaal Strafhof worden verwezen;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, de regionale regering van Koerdistan en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0171.
(2) PB C 234 van 28.6.2016, blz. 25.
(3) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 35.
(4) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 113.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.


De situatie van journalisten in Turkije
PDF 166kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije (2016/2935(RSP))
P8_TA(2016)0423RC-B8-1162/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 15 januari 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Turkije, recente arrestaties van journalisten, mediadirecties en systematische druk op de media(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over het verslag 2015 over Turkije(2),

–  gezien het Commissieverslag van 10 november 2015 over Turkije (SWD(2015)0216),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 16 juli 2016 van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Federica Mogherini, en de commissaris voor het Europees nabuurschapsbeleid en de uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, over de situatie in Turkije,

–  gezien de conclusies van de Raad over Turkije van 18 juli 2016,

–  gezien de verklaring van 21 juli 2016 van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini en commissaris Johannes Hahn over de afkondiging van de noodtoestand in Turkije,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 9 september 2016,

–  gezien het feit dat de eerbiediging van de rechtsstaat, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, een speerpunt van de EU is,

–  gezien het recht van vrije meningsuiting, dat is neergelegd in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien de aanbevelingen in het standpunt over artikelen 216, 299, 301 en 314 van het strafwetboek van Turkije, aangenomen door de Commissie van Venetië tijdens haar 106e plenaire vergadering (11-12 maart 2016, Venetië),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 15 juli 2016 in Turkije een poging tot staatsgreep is ondernomen, waarbij meer dan 250 mensen werden vermoord en meer dan 2 100 mensen gewond zijn geraakt;

B.  overwegende dat het belangrijk is de democratie te verdedigen, met volledige inzet voor mensenrechten en de rechtsstaat, en dat ook de samenwerking tussen de EU, de Raad van Europa en Turkije in deze context belangrijk is; overwegende dat Turkije voor de Europese Unie een cruciale partner is;

C.  overwegende dat de Turkse politie, volgens de Europese Federatie van journalisten en de Turkse Vereniging van journalisten, na de poging tot staatsgreep van 15 juli 2016 minstens 99 journalisten en schrijvers heeft gearresteerd, tot dusver zonder aanklacht in de meeste gevallen, waarmee het totale aantal mediamedewerkers dat vermoedelijk wegens gebruikmaking van hun recht op vrije meningsuiting wordt vastgehouden op ten minste 130 is gebracht naar de stand van 20 oktober 2016; overwegende dat er van de na 15 juli 2016 gearresteerde journalisten inmiddels 64 zijn vrijgelaten; overwegende dat de gedetineerde journalisten het recht op toegang tot een advocaat geweigerd is en dat zij vastgehouden worden onder onmenselijke omstandigheden waarbij sprake is van bedreiging en mishandeling; overwegende dat er meldingen zijn dat de beide hoofdredacteuren van de gesloten krant Özgür Gündem, Bilir Kaya en Inan Kizilkaya, in de gevangenis zijn gefolterd;

D.  overwegende dat reeds vóór de mislukte staatsgreep de media aanzienlijk beperkt werden en op journalisten aanzienlijke druk werd uitgeoefend; overwegende dat volgens het Comité voor de bescherming van journalisten de Turkse autoriteiten na de poging tot staatsgreep meer dan 100 omroepen, kranten, tijdschriften, uitgeverijen en distributiebedrijven hebben gesloten, waardoor meer dan 2 300 journalisten en mediamedewerkers hun baan verloren hebben; overwegende dat de persaccreditatie van ten minste 330 journalisten is ingetrokken;

E.  overwegende dat zich onder de gedetineerde journalisten bijvoorbeeld de bekende romanschrijver Asli Erdogan bevindt, die ook lid was van de adviesraad en columnist voor de – inmiddels gesloten – Koerdische krant Özgür Gündem, evenals de academicus en columnist Mehmet Altan, en diens broer Ahmet Altan, schrijver en voormalig redacteur van het weekblad Taraf;

F.  overwegende dat veel van deze gerechtelijke maatregelen volgens Human Rights Watch genomen zijn zonder dat er enig bewijs was van betrokkenheid bij de mislukte staatsgreep; overwegende dat het recht op een eerlijk proces gewaarborgd moet worden, en overwegende dat het rechtssysteem bij de behandeling van mediagerelateerde zaken te weinig onpartijdig en onafhankelijk is gebleken;

1.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de poging tot staatsgreep op 15 juli 2016 in Turkije; betuigt zijn steun aan de legitieme instellingen van Turkije; betreurt het grote aantal doden en gewonden; spreekt zijn solidariteit uit met de slachtoffers en hun families;

2.  erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om te reageren op de poging tot staatsgreep; benadrukt echter dat de mislukte militaire coup niet mag worden gebruikt als excuus voor de Turkse regering om de legitieme en vreedzame oppositie verder te muilkorven, en om journalisten en de media door middel van onevenredige en onwettige acties en maatregelen te belemmeren in de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting;

3.  roept de Turkse autoriteiten op tot de vrijlating van journalisten en mediamedewerkers die zonder duidelijk bewijs van criminele activiteiten worden vastgehouden, waaronder bekende journalisten als Nazli Ilicak, Sahin Alpay, Asli Erdogan, Murat Aksoy, Ahmet Altan en Mehmet Altan; onderstreept dat journalisten niet mogen worden vastgehouden wegens de strekking van hun artikelen of veronderstelde politieke banden, ook in het geval dat er beschuldigingen tegen hen worden ingebracht, en benadrukt dat voorlopige hechtenis de uitzondering moet blijven;

4.  brengt in herinnering dat een vrije en pluriforme pers een essentieel onderdeel van een democratie vormt, evenals een eerlijke rechtsgang, het vermoeden van onschuld en een onafhankelijke rechtspraak; herinnert de Turkse autoriteiten eraan dat zij in de omgang met media en journalisten uiterst voorzichtig te werk moeten gaan, omdat vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media centrale voorwaarden blijven voor het goede functioneren van een democratische en open samenleving;

5.  betreurt het dat de noodmaatregelen tevens gebruikt zijn om familieleden van naar het buitenland gevluchte of ondergedoken journalisten te intimideren, onder meer door hun paspoorten ongeldig te verklaren of hen tijdelijk in de plaats van de aangeklaagde personen gevangen te zetten;

6.  is zeer verontrust over de sluiting van meer dan 150 mediakanalen; dringt erop aan dat deze media weer worden geopend en in hun onafhankelijkheid hersteld, en dat de ontslagen werknemers weer worden aangenomen overeenkomstig de juiste procedures; doet een beroep op de Turkse autoriteiten om geen oneigenlijk gebruik meer te maken van strafrechtelijke bepalingen om bewindvoerders over particuliere mediabedrijven aan te stellen, en om hun actieve bemoeienis met onafhankelijke nieuwsorganisaties te staken, ook waar het gaat om redactionele beslissingen of om ontslag van journalisten en redacteuren, en een einde te maken aan de pressie en intimidatie tegen kritische persdiensten en journalisten; veroordeelt de pogingen van de Turkse autoriteiten om buitenlandse journalisten te intimideren en uit te zetten;

7.  roept de Turkse regering op het toepassingsgebied van de noodmaatregelen te verkleinen, zodat deze niet langer gebruikt kunnen worden om de vrijheid van meningsuiting in te perken; benadrukt dat onderzoeken naar de vermeende betrokkenheid bij de poging tot staatsgreep overeenkomstig de juiste procedures, onpartijdig en op basis van overtuigend bewijs moeten worden gevoerd en niet alleen op basis van schuld door associatie, wat tot collectieve bestraffing kan leiden;

8.  onderstreept dat Turkije voor een reële terrorismedreiging staat; stelt evenwel nogmaals dat de ruime definities in de Turkse antiterrorismewetgeving niet mogen worden aangegrepen om journalisten te bestraffen voor gebruikmaking van hun recht van vrije meningsuiting; vraagt dat de aanbevelingen van de Commissie van Venetië van maart 2016 dringend worden uitgevoerd en de antiterreurwetgeving wordt hervormd;

9.  vraagt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten de praktische gevolgen van de noodtoestand nauwgezet te blijven monitoren en toezicht op alle rechtszaken van journalisten te verzekeren;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van Turkije.

(1) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 45.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.


Nucleaire beveiliging en non-proliferatie
PDF 187kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over nucleaire veiligheid en non-proliferatie (2016/2936(RSP))
P8_TA(2016)0424RC-B8-1122/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2013 over de aanbevelingen van de NPV-toetsingsconferentie inzake de realisatie van een Midden-Oosten dat vrij is van massavernietigingswapens(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2010 over het Verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens(2),

–  gezien de EU-seminars over non-proliferatie en ontwapening en de regelmatige vergaderingen van het EU-Consortium non-proliferatie,

–  gezien de EU-strategie tegen de proliferatie van massavernietigingswapens, die op 12 december 2003 door de Europese Raad is goedgekeurd,

–  gezien het feit dat de NPV-toetsingsconferentie van 2015 er niet in is geslaagd overeenstemming te bereiken over een slotdocument,

–  gezien de conclusies van de Raad over de negende NPV-toetsingsconferentie (8079/15),

–  gezien de documenten die in het voorjaar van 2016 zijn goedgekeurd tijdens de top over nucleaire beveiliging in Washington,

–  gezien resolutie 2310 (2016) van de VN-Veiligheidsraad over het twintigjarig bestaan van het Verdrag voor een alomvattend verbod op kernproeven,

–  gezien de verklaring van Tbilisi van 2016 die bij consensus is goedgekeurd door de Parlementaire Vergadering van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 13 december 2011 over de instelling van een kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten,

–  gezien Besluit 2012/422/GBVB van de Raad van 23 juli 2012 ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens(3),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 7 december 2015 over de bevordering van multilaterale onderhandelingen over nucleaire ontwapening (A/RES/70/33) en het verslag van de open werkgroep aan de Algemene Vergadering van 19 augustus 2016 (A/71/371),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat dat de veiligheidssituatie in de wereld, en met name in de EU, aanzienlijk is verslechterd en dat de instabiliteit, het gevaar en de onvoorspelbaarheid toenemen; merkt op dat er zich conventionele, niet-conventionele en hybride bedreigingen voordoen, die worden veroorzaakt door zowel statelijke als niet-statelijke regionale en mondiale actoren;

B.  overwegende dat de internationale vrede, veiligheid en stabiliteit ernstig in gevaar worden gebracht door diverse ontwikkelingen, onder andere verslechterende betrekkingen tussen kernmachten zoals de Russische Federatie en de Verenigde Staten en India en Pakistan, en de verdere ontwikkeling van nucleaire capaciteiten door Noord-Korea;

C.  overwegende dat de proliferatie van biologische en chemische vormen van massavernietigingswapens tot een minimum wordt teruggebracht en geleidelijk wordt stopgezet door effectieve internationale toepassing van het verbod en de verplichtingen in het Verdrag inzake biologische en toxinewapens van 1972 en het Verdrag inzake chemische wapens, maar dat de proliferatie van nucleaire massavernietigingswapens en lanceerinrichtingen hiervoor een van de ernstigste gevaren is voor de internationale gemeenschap;

D.  overwegende dat in januari 2016 negen staten – de Verenigde Staten, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, China, India, Pakistan, Israël en de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) – in totaal ongeveer 15 395 kernwapens hadden, tegen ongeveer 15 850 in 2015;

E.  overwegende dat de prioriteiten er onder meer in bestaan te voorkomen dat terroristen of nog meer staten kernwapens verkrijgen of gebruiken, alle kernwapenarsenalen in te krimpen en te elimineren en te evolueren in de richting van een wereld zonder kernwapens;

F.  overwegende dat er in bepaalde regio's in de wereld, namelijk Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied, het zuidelijk deel van de Stille Oceaan, Zuidoost-Azië, Afrika en Centraal-Azië, reeds verdragen inzake kernwapenvrije zones bestaan;

G.  overwegende dat er met de NPV-toetsingsconferentie van 2010 een hernieuwde focus is gekomen op de humanitaire impact van kernwapens, die naar voren is geschoven door de regeringen van Noorwegen, Mexico en Oostenrijk, door middel van opeenvolgende conferenties over de humanitaire impact van kernwapens en de respectieve verslagen hiervan, alsmede de internationale Humanitaire Belofte die is geïnitieerd door Oostenrijk en geformuleerd tijdens de NPV-toetsingsconferentie van 2015 en die door 127 VN-lidstaten is onderschreven;

H.  overwegende dat de centrale non-proliferatie- en ontwapeningsdoelstellingen van de drie pijlers van het NPV, namelijk non-proliferatie, ontwapening en samenwerking voor een vreedzaam gebruik van kernenergie, verder moeten worden versterkt; overwegende dat kernmachten die het NPV hebben ondertekend, hun kernwapenarsenaal moderniseren en verbeteren, en talmen met het inkrimpen of elimineren van hun nucleaire arsenaal en met het loslaten van een militaire doctrine van nucleaire afschrikking;

I.  overwegende dat er formele vooruitgang is geboekt met het beveiligen van civiele splijtstof via de toppen over nucleaire beveiliging die zijn gehouden in het kader van een aanvullend proces buiten het NPV en die hebben bijgedragen tot een versterking van het NPV door de non-proliferatiecomponent ervan geloofwaardiger te maken, maar dat de recente weigering van Rusland om mee te werken en zijn verslechterde betrekkingen met de Verenigde Staten verdere inspanningen om splijtstof te beveiligen en de hoeveelheid ervan te verminderen, in gevaar brengen;

J.  overwegende dat het Verdrag inzake de fysieke bescherming van kernmateriaal een juridisch bindend internationaal instrument is op het vlak van de fysieke bescherming van kernmateriaal, waarmee maatregelen worden ingesteld in verband met de preventie, opsporing en bestraffing van vergrijpen met kernmateriaal;

K.  overwegende dat Rusland en de Verenigde Staten voortgaan met de tenuitvoerlegging van het New START-verdrag, dat in 2021 zal aflopen tenzij het door beide partijen wordt verlengd; overwegende dat de Amerikaanse president Barack Obama in zijn toespraak van 2013 in Berlijn een substantieel voorstel heeft gedaan voor een vermindering van het aantal kernkoppen, dat hij in 2016 in Washington heeft herhaald; overwegende dat de Russische Federatie niet op deze aanzetten tot onderhandelingen over een opvolgingsverdrag voor New START is ingegaan en dat er nog geen opvolgingsverdrag voor New START is gesloten om te komen tot een vermindering van het aantal niet-strategische en strategische kernwapens, met het oog op het elimineren ervan;

L.  overwegende dat testdetonaties van kernwapens en/of andere nucleaire detonaties een gevaar vormen voor de internationale vrede en veiligheid, en dat zij de mondiale regeling inzake nucleaire ontwapening en non-proliferatie ondermijnen; overwegende dat het Verdrag voor een alomvattend verbod op kernproeven (CTBT) de meest effectieve manier is om kernwapenproeven te verbieden; overwegende dat het in 2016 twintig jaar geleden is dat het CTBT is opengesteld voor ondertekening, op 24 september 1996;

M.  overwegende dat de inspanningen voor het samenroepen van de conferentie over de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens tegen december 2012, overeenkomstig de consensus waarover tijdens de toetsingsconferentie van 2010 tussen de staten die partij zijn bij het NPV een akkoord was bereikt, geen resultaat hebben opgeleverd;

N.  overwegende dat de NAVO zich er met haar strategisch concept van 2010 en de Deterrence and Defence Posture Review van 2012 toe verbindt de voorwaarden te creëren voor een wereld zonder kernwapens; overwegende dat in het kader van nucleaire samenwerkingsregelingen en bilaterale regelingen met NAVO-landen naar schatting nog steeds 150 tot 200 als tactische of substrategische kernwapens beschouwde ongeleide nucleaire korteafstandsbommen die eigendom zijn van de VS, in vijf niet-kernwapenstaten van de NAVO (België, Duitsland, Italië, Nederland en Turkije) zijn gestationeerd, en overwegende dat die wapens in die landen zijn gestationeerd overeenkomstig het actuele NAVO-beleid;

O.  overwegende dat de veiligheid van de Amerikaanse kernwapens die in Turkije zijn gestationeerd, bijzondere aandacht krijgt door het gewapend conflict in Syrië, dat plaatsvindt dichtbij de luchtmachtbasis van Incirlik, en door de gebeurtenissen op en rondom de luchtmachtbasis van Incirlik tijdens en na de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016;

P.  overwegende dat het op 5 december 2015 twintig jaar geleden was dat het Memorandum van Boedapest werd ondertekend; overwegende dat Oekraïne alle bepalingen daarvan heeft nageleefd en zich proactief heeft opgesteld in kwesties als nucleaire ontwapening en non-proliferatie, in tegenstelling tot de Russische Federatie, die haar afspraken heeft geschonden door de bezetting van een deel van het Oekraïense grondgebied (de Krim) en door gewapende agressie in het oosten van Oekraïne; overwegende dat hiermee een gevaarlijk precedent is gecreëerd, doordat een staat die als reactie op het besluit van Oekraïne om het NPV als land zonder kernwapens te ondertekenen, de veiligheid van Oekraïne garandeerde, de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne heeft geschonden, en de geloofwaardigheid heeft aangetast van en ernstige schade heeft toegebracht aan het instrument van negatieve veiligheidsgaranties die door de kernmacht worden geboden, alsmede aan het NPV en aan de idee van voortschrijdende wereldwijde nucleaire ontwapening en non-proliferatie op basis van het internationale recht en multilaterale verdragen; overwegende dat het zich ook ernstige zorgen maakt over de dreigende verklaringen van hoge Russische ambtenaren dat Rusland het recht heeft om kernwapens op de Krim op te stellen, hetgeen wereldwijde gevolgen zou hebben; overwegende dat het bezorgd is over de nieuwe Russische doctrine van december 2014, die toelaat dat kernwapens worden ingezet tegen een land dat geen kernwapens heeft;

Q.  overwegende dat Rusland voor kernwapens geschikte korteafstandsraketten van het Iskandertype in Kaliningrad heeft gestationeerd en oefeningen en overvluchten met voor kernwapens geschikte systemen uitvoert, en overwegende dat de verklaringen van de Russische leiders over het belang van nucleaire afschrikking en het besluit van Rusland om het in 2000 met de Verenigde Staten gesloten verdrag inzake de verwijdering en het beheer van plutonium op te schorten, de bezorgdheid hebben doen toenemen dat Rusland zich meer op kernwapens gaat verlaten;

R.  overwegende dat de EU een belangrijke rol speelt als partij bij het gezamenlijk algemeen actieplan dat met Iran is overeengekomen, inclusief haar rol als lid van de gezamenlijke commissie die toeziet op de tenuitvoerlegging van het akkoord;

S.  overwegende dat de DVK op 9 september 2016 een vijfde kernproef heeft uitgevoerd, slechts enkele maanden na de vorige proef van 6 januari 2016; overwegende dat deze proef, die volgens de DVK een "geslaagde waterstofbomproef" was, een duidelijke schending is van de internationale verplichtingen van het land op grond van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en de verklaring van beide Korea's van 1992 inzake het kernwapenvrij maken van beide landen, waarin wordt bepaald dat beide Korea's geen kernwapens zullen ontwikkelen of bezitten; overwegende dat de proliferatie van massavernietigingswapens, en met name kernwapens en lanceerinrichtingen hiervoor, een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid; overwegende dat de DVK in 2003 haar terugtrekking als partij bij het NPV heeft aangekondigd, sinds 2006 kernproeven uitvoert en in 2009 officieel heeft verklaard dat zij een kernwapen heeft ontwikkeld voor afschrikking, waardoor het gevaar dat de DVK oplevert voor haar buren in Noordoost-Azië en voor de regionale en internationale vrede en veiligheid, is toegenomen;

T.  overwegende dat in de Europese veiligheidsstrategie van 2003 is bepaald dat proliferatie van massavernietigingswapens potentieel het grootste gevaar is voor onze veiligheid, inclusief de mogelijkheid van een wapenwedloop met massavernietigingswapens, en dat de EU zich engageert voor het realiseren van universele toetreding tot de regelingen in het kader van multilaterale verdragen, alsmede voor het versterken van de verdragen en de verificatiebepalingen ervan; overwegende dat in de algehele EU-strategie van 2016 met geen woord wordt gerept over massavernietigingswapens, non-proliferatie en wapenbeheersing;

U.  overwegende dat de EU in de aanloop naar de NPV-toetsingsconferentie van 2015 helaas geen overeenstemming heeft bereikt over een gezamenlijk standpunt inzake nucleaire ontwapening, waarbij voor het eerst is erkend dat over de gevolgen van kernwapens verschillende standpunten zijn geformuleerd; overwegende dat tijdens de conferentie geen slotdocument kon worden goedgekeurd als gevolg van meningsverschillen over de voortzetting van de regionale inspanningen voor de instelling van een massavernietigingswapenvrije zone in het Midden-Oosten;

V.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden alle passende instrumenten waarover zij beschikt, te gebruiken om proliferatieprogramma's die wereldwijd bezorgdheid wekken, te voorkomen, te ontmoedigen, stop te zetten en zo mogelijk te elimineren, zoals duidelijk wordt gesteld in de EU-strategie tegen de proliferatie van massavernietigingswapens, die op 12 december 2003 door de Europese Raad is vastgesteld, en overwegende dat de EU heeft gezorgd voor nauwere samenwerking tussen Europese denktanks voor non-proliferatie in het kader van het EU-Consortium non-proliferatie;

W.  overwegende dat het belangrijk is om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in dit internationale proces op transparante wijze te steunen en te versterken;

1.  spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de verslechtering van het veiligheidsklimaat in de gebieden rond de Europese Unie en rond haar buurlanden, die ertoe zou kunnen leiden dat kernwapens opnieuw als actief afschrikkingsmiddel worden ingezet en mogelijk verspreid raken onder statelijke en niet-statelijke actoren, en over het feit dat maatregelen met het oog op effectieve ontwapening en non-proliferatie niet worden uitgevoerd;

2.  verzoekt alle kernmachten concrete voorlopige maatregelen te nemen om het risico van detonaties van kernwapens te verminderen, onder meer door de operationele status van kernwapens te verminderen, kernwapens over te brengen van opstelling naar opslag, kernwapens een kleinere rol te geven in de militaire doctrines en het aantal van alle soorten kernwapens snel te verminderen;

3.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over potentiële schendingen van het Intermediate-Range Nuclear Forces (INF)-verdrag;

4.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de toegenomen nucleaire dreiging als gevolg van de houding van Rusland, die gevolgen heeft voor de veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid op mondiaal niveau, en de verslechterende betrekkingen met de NAVO, onder meer als gevolg van potentiële schendingen van het INF-verdrag, verklaringen die wijzen op een grotere bereidheid om kernwapens te gebruiken en verklaringen dat de eventuele plaatsing van kernwapens in bijkomende gebieden in Europa wordt overwogen; vestigt de aandacht op de Russische legeroefeningen waarbij het gebruik van kernwapens tegen Polen wordt gesimuleerd, en spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de plaatsing van Iskander-raketsystemen die met kernkoppen kunnen worden uitgerust in de oblast Kaliningrad, die aan de EU-lidstaten Polen en Litouwen grenst; herinnert eraan dat het Internationaal Gerechtshof in een advies van 1996 heeft geoordeeld dat het niet tot een definitieve conclusie kon komen over de wettigheid of onwettigheid van het gebruik van kernwapens door een staat in een extreme situatie van zelfverdediging;

5.  steunt de top over nucleaire veiligheid van 2016, erkent dat handel in en gebruik van nucleair materiaal zonder toestemming een onmiddellijke en ernstige bedreiging oplevert voor de mondiale veiligheid, en kijkt uit naar het realiseren van de volledige tracering en fysieke beveiliging van alle materiaal dat geschikt is voor kernwapens;

6.  is verheugd over de voltooiing van de werkzaamheden van de open werkgroep (OEWG) van de Verenigde Naties ter bevordering van multilaterale onderhandelingen over nucleaire ontwapening overeenkomstig resolutie 70/33 van de Algemene Vergadering van de VN; is verheugd over de aanbeveling van de Algemene Vergadering van de VN, die is opgenomen in het eindverslag van de OEWG (A/71/371) en op 19 augustus 2016 met ruime steun is aangenomen, om in 2017 een conferentie – waaraan alle staten mogen deelnemen – te beleggen om te onderhandelen over een juridisch bindend instrument om kernwapens te verbieden, wat moet leiden tot de volledige eliminering ervan; merkt op dat dit de non-proliferatie- en ontwapeningsdoelstellingen en ‑verplichtingen in het NPV zal versterken en zal helpen de voorwaarden te creëren voor mondiale veiligheid en een wereld zonder kernwapens;

7.  verzoekt de lidstaten de organisatie van deze conferentie in 2017 te steunen en er op constructieve wijze aan deel te nemen, en verzoekt vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) Federica Mogherini en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op positieve wijze bij te dragen tot het verloop van de onderhandelingsconferentie van 2017;

8.  herinnert eraan dat het twintig jaar geleden is dat het Verdrag voor een alomvattend verbod op kernproeven (CTBT) is opengesteld voor ondertekening, op 24 september 1996, en onderstreept dat een universeel en internationaal en effectief verifieerbaar verdrag voor een verbod op kernproeven de meest effectieve manier is om proefdetonaties van kernwapens en alle andere nucleaire detonaties te verbieden;

9.  verzoekt de resterende landen in bijlage II bij het CTBT, wier ratificering vereist is om het verdrag in werking te laten treden, met aandrang om het verdrag met hernieuwde sense of urgency te ondertekenen en/of te ratificeren, teneinde dit cruciale internationale instrument zonder verder uitstel volledige rechtskracht te verlenen; is in dit verband verheugd over de aanneming van resolutie 2310 (2016) door de VN-Veiligheidsraad;

10.  spreekt zijn waardering uit voor de aanzienlijke vooruitgang die de Voorbereidende Commissie van de Verdragsorganisatie voor een alomvattend verbod op kernproeven (CTBTO) heeft geboekt met de voltooiing en exploitatie van haar effectieve internationale monitoringsysteem, dat, zelfs zonder de inwerkingtreding van het verdrag, tot regionale stabiliteit bijdraagt door vertrouwen op te bouwen, de regeling inzake nucleaire non-proliferatie en ontwapening versterkt en extra wetenschappelijke en civiele voordelen voor de landen oplevert; is ervan overtuigd dat de Voorbereidende Commissie van de CTBTO voor de verdere exploitatie van het monitoringsysteem kan blijven steunen op de financieringsbijdragen van de staten;

11.  betreurt dat, in tegenstelling tot wat werd gehoopt, kernwapens opnieuw deel gaan uitmaken van de strategische planning van kernmachten; dringt aan op nauwer overleg met alle kernmachten om een gemeenschappelijke agenda na te streven die gericht is op de geleidelijke vermindering van het kernkoppenarsenaal; steunt met name de stappen die de VS en de Russische Federatie hebben ondernomen om het aantal kernwapens dat zij hebben gestationeerd, te verminderen, zoals afgesproken in het New START-verdrag;

12.  betreurt het dat er sinds de inwerkingtreding van New START in 2011 geen verdere onderhandelingen zijn gevoerd over de hoognodige vermindering van het aantal gestationeerde en niet-gestationeerde kernkoppen, inclusief, zoals de VS en Rusland formeel zijn overeengekomen, maatregelen om het aantal als tactische of substrategische kernwapens beschouwde korteafstands- en tactische kernwapens te verminderen en deze wapens te elimineren;

13.  merkt op dat de wederzijdse en gelijktijdige verwijdering van alle korteafstands- en tactische kernkoppen en aangewezen substrategische kernkoppen van het Europese grondgebied positief zou kunnen bijdragen tot het creëren van de voorwaarden voor de instelling van bijkomende kernwapenvrije zones, wat de nakoming van de non-proliferatie- en ontwapeningsverplichtingen in het NPV in de hand zou werken en tegelijk een precedent zou scheppen voor verdere nucleaire ontwapening;

14.  vraagt om de instelling van kernwapenvrije zones als positieve stap in de richting van een kernwapenvrije wereld; is in dit verband van mening dat een kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten van fundamenteel belang zou zijn voor het bereiken van duurzame en alomvattende vrede in die regio; is in dit verband zeer teleurgesteld dat het niet is gelukt om in 2012 de conferentie over de instelling van een massavernietigingswapenvrije zone in het Midden-Oosten te houden, ondanks het mandaat op grond van het NPV;

15.  steunt verdere inspanningen om de taakomschrijving van de IAEA uit te breiden, waaronder de generalisatie van de aanvullende protocollen bij de waarborgovereenkomsten van de IAEA alsook andere maatregelen om vertrouwen op te bouwen; streeft ernaar ervoor te zorgen dat de IAEA voldoende middelen ter beschikking worden gesteld opdat zij haar kerntaak kan vervullen, namelijk het veilig maken van nucleaire activiteiten; vraagt dat er voortgang wordt gemaakt in de voorbereidende commissie van de komende NPV-conferentie van 2017 en in de conferentie op hoog niveau over nucleaire ontwapening van 2018;

16.  is ingenomen met het akkoord tussen de P5+1-mogendheden en Iran over de nucleaire ambities van Iran, en moedigt beide partijen ertoe aan verder samen te werken om ervoor te zorgen dat het gezamenlijke algemene actieplan (JCPOA) volledig wordt uitgevoerd; is van mening dat het JCPOA, ook wel bekend als de nucleaire overeenkomst met Iran, een belangrijke verwezenlijking was voor de multilaterale diplomatie, en dan met name voor de Europese diplomatie, en niet alleen een aanzienlijke verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Iran mogelijk zal maken, maar ook zal bijdragen tot meer stabiliteit in de regio; is van mening dat alle partijen nu verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de strikte en volledige tenuitvoerlegging ervan; is ingenomen met de oprichting van de gemengde commissie bestaande uit vertegenwoordigers van Iran en de E3/EU+3 (China, Frankrijk, Duitsland, de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten), met de VV/HV; staat volledig achter de VV/HV in haar rol als coördinator van de gemengde commissie die in het kader van het JCPOA is opgericht, en is van mening dat de strikte en volledige uitvoering van het JCPOA van het grootste belang blijft;

17.  veroordeelt de recentste kernproeven die de DVK heeft uitgevoerd en de afwijzing door de DVK van de diverse resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waaronder de recentste van 2 maart 2016 (2070); vraagt de DVK af te zien van verdere provocerende acties door haar nucleaire en ballistische programma's volledig en op verifieerbare en onherroepelijke wijze te staken, alle gerelateerde activiteiten te staken en onmiddellijk te voldoen aan al haar internationale verplichtingen, inclusief de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en de Raad van bestuur van de IAEA, alsmede aan overige internationale normen inzake ontwapening en non-proliferatie, en naar de onderhandelingstafel terug te keren; vraagt de DVK om het CTBT onverwijld te ondertekenen en te bekrachtigen; pleit uitdrukkelijk voor een diplomatieke en politieke oplossing voor de Noord-Koreaanse nucleaire kwestie en steunt de hervatting van het zespartijenoverleg; vraagt China meer druk op de DVK uit te oefenen;

18.  is ingenomen met de opname van clausules inzake de non-proliferatie van massavernietigingswapens in de overeenkomsten van de EU met derde landen en de actieplannen van de EU; merkt op dat deze maatregelen zonder uitzondering door alle partnerlanden van de EU ten uitvoer moeten worden gelegd;

19.  is verheugd over de presentatie van de algehele strategie van de EU en vraagt de EDEO om bij wijze van follow-up de EU-strategie tegen de proliferatie van massavernietigingswapens van 2003 en de nieuwe actielijnen van 2009 te actualiseren en uit te breiden, rekening houdend met de hierboven beschreven kwesties en problemen, teneinde van de EU een drijvende kracht te maken voor het versterken en bevorderen van multilaterale akkoorden inzake nucleaire ontwapening en non-proliferatie;

20.  is verheugd over de regelmatige contacten over deze kwesties met het EU-Consortium non-proliferatie en andere maatschappelijke organisaties en denktanks, en verzoekt het EU-Consortium non-proliferatie om, onder leiding van de hoofdadviseur en speciaal afgezant voor non-proliferatie en ontwapening, zijn agenda uit te breiden en het thema ontwapening op gelijke voet te behandelen;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de VN, de hoge commissaris van de VN voor ontwapening, de secretaris van het Verdrag voor een alomvattend verbod op kernproeven, de directeur-generaal van de IAEA en de parlementen van de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad.

(1) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 97.
(2) PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 77.
(3) PB L 196 van 24.7.2012, blz. 67.


Europese vrijwilligersdienst
PDF 175kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de Europese vrijwilligersdienst en de bevordering van vrijwilligerswerk in Europa (2016/2872(RSP))
P8_TA(2016)0425RC-B8-1126/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Raad van 27 november 2009 over het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk ter bevordering van actief burgerschap (2011)(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Herstructureringen en werkgelegenheid: erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU" (COM(2011)0568),

–  gezien de beleidsagenda van de alliantie voor vrijwilligerswerk in Europa (2011) voor het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(2),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 10 december 2013 over vrijwilligerswerk en vrijwilligersactiviteiten in Europa(3),

–  gezien de definitie van vrijwilligerswerk zoals die door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) is voorgesteld in haar handboek inzake de meting van vrijwilligerswerk (2011),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2012 over erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU(4),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de rol van vrijwilligerswerk als bijdrage aan de economische en sociale cohesie(5),

–  gezien het Europees Handvest van de rechten en plichten van vrijwilligers(6),

–  gezien de vraag aan de Commissie over vrijwilligerswerk en de Europese vrijwilligersdienst (O-000107/2016 – B8-1803/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese vrijwilligersdienst (European Voluntary Service, EVS) in 2016 zijn 20-jarig bestaan viert en dat in de loop van die twintig jaar 100 000 vrijwilligers werden gesteund;

B.  overwegende dat het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011, met grote steun van het Europees Parlement, een belangrijke politieke gelegenheid was om de toegevoegde waarde van vrijwilligerswerk in Europa te belichten en dat vijf jaar nadien het Europees Parlement de gevolgen en toegevoegde waarde van het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk voor de beleidsvorming en voor de wijze waarop vrijwilligerswerk is ingebed in belangrijke Europese programma's, zoals Erasmus+ en de Europese vrijwilligersdienst daarvan, moet overdenken;

C.  overwegende dat het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011 de stimulans en de context bood voor het opstellen en/of herzien van vele nationale en wettelijke kaders voor vrijwilligerswerk in heel Europa; overwegende dat er in Europa echter nog steeds geen gecoördineerd beleid inzake vrijwilligerswerk met één enkel contactpunt in de EU-instellingen bestaat;

D.  overwegende dat vrijwilligerswerk wordt gedaan uit eigen vrije wil, keuze en motivatie, zonder financieel voordeel na te streven; overwegende dat vrijwilligerswerk als een leerschool in solidariteit kan worden beschouwd en een middel is om menselijke, sociale en milieubehoeften en -zorgen aan te pakken;

E.  overwegende dat vrijwilligerswerk een belangrijke factor is in actief burgerschap en democratie, alsmede in persoonlijke ontwikkeling, en dat het concrete invulling geeft aan Europese waarden als solidariteit en non-discriminatie, en overwegende dat het ook bijdraagt tot de versterking van participatieve democratie en tot de bevordering van de mensenrechten binnen en buiten de EU;

F.  overwegende dat vrijwilligerswerk waardevol en van belang is omdat het op een van de meest zichtbare manieren blijk geeft van solidariteit, maatschappelijke inclusie bevordert en vergemakkelijkt, sociaal kapitaal creëert en een transformerend effect heeft op de samenleving, dat vrijwilligerswerk een bijdrage levert zowel aan de ontwikkeling van een bloeiend maatschappelijk middenveld, dat creatieve en innovatieve oplossingen biedt voor gemeenschappelijke problemen, als aan economische groei en als zodanig specifiek en gericht als economisch en maatschappelijk kapitaal moet worden gewaardeerd;

G.  overwegende dat een ondersteunende omgeving essentieel is om ervoor te zorgen dat meer Europese burgers zich inzetten voor vrijwilligerswerk, waarmee eerlijke financiering voor de infrastructuur voor vrijwilligers, inclusief organisaties die met vrijwilligers werken, wordt gewaarborgd, hetgeen vrijwilligers zelf en hun activiteiten ten goede komt;

H.  overwegende dat vrijwilligerswerk een combinatie vereist van steunmechanismen en/of passende organisatiestructuren waarin de rechten en plichten van vrijwilligers en vrijwilligerswerk worden vastgesteld;

I.  overwegende dat eenieder het recht heeft op gelijke toegang tot mogelijkheden voor vrijwilligerswerk en bescherming tegen alle vormen van discriminatie en het recht zou moeten krijgen om zijn vrijwilligersactiviteit met zijn werk- en privéleven te combineren, zodat hij tijdens de vrijwilligersactiviteit kan beschikken over een zekere mate van flexibiliteit;

J.  overwegende dat erkenning van de sociale en economische waarde van vrijwilligerswerk eveneens cruciaal is om alle belanghebbenden de passende impulsen te geven en daarmee de kwantiteit, kwaliteit en impact van vrijwilligerswerk te verhogen;

K.  overwegende dat de wedstrijd voor de vrijwilligershoofdstad van Europa (European Volunteering Capital Competition) een erkenning vormt van de prestaties van gemeenten in heel Europa op het gebied van de erkenning en bevordering van de inspanningen van vrijwilligers in hun regio;

L.  overwegende dat het nieuwe Erasmus+-programma nog steeds mogelijkheden biedt om vrijwilligersprojecten te financieren en te ondersteunen, met name via het EVS-programma, en dat het EU-vrijwilligersprogramma voor humanitaire hulp (EU Aid Volunteers) door DG ECHO is opgezet om praktische steun te bieden aan humanitaire-hulpprojecten; overwegende dat in het nieuwe MFK 2014-2020 een zekere mate van EU-financiering voor vrijwilligerswerk is gewaarborgd, waarbij in het momenteel door DG HOME beheerde programma "Europa voor de burger" vrijwilligerswerk een prioriteit blijft; overwegende dat de toegang van vrijwilligersorganisaties tot andere grote EU-fondsen, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, echter zeer beperkt blijft;

M.  overwegende dat de respons van de EU op de huidige vluchtelingencrisis een relevant voorbeeld en zichtbaar symbool is van het belang van vrijwilligers en de manier waarop zij Europese waarden verpersoonlijken, bijdragen tot veerkracht en bereid zijn om flexibele en pragmatische oplossingen te bieden voor gedeelde problemen;

1.  erkent dat vrijwilligerswerk een uitdrukking van solidariteit, vrijheid en verantwoordelijkheid is, die bijdraagt tot een sterker actief burgerschap en persoonlijke menselijke ontwikkeling, en dat het een essentieel instrument is voor sociale inclusie en cohesie alsook voor opleiding, onderwijs en interculturele dialoog en tegelijkertijd sterk bijdraagt tot de verbreiding van Europese waarden; benadrukt dat ook vrijwilligerswerk in samenwerking met derde landen vele voordelen biedt, omdat dit leidt tot beter wederzijds begrip en sterkere interculturele betrekkingen;

2.  benadrukt dat een Europees kader voor vrijwilligersactiviteiten moet worden gecreëerd waarin rechten en plichten worden vastgesteld, en waarin mobiliteit en erkenning van vaardigheden worden gefaciliteerd; spoort de lidstaten die nog geen wettelijk kader voor vrijwilligers hebben vastgesteld aan gebruik te maken van de aanbevelingen in de beleidsagenda voor vrijwilligerswerk in Europa en van het Europees Handvest voor de rechten en plichten van vrijwilligers;

3.  spoort de lidstaten aan om in het kader van de aanbeveling van de Raad van 2012 concrete valideringsprocessen ten uitvoer te leggen om een beter begrip en betere vergelijkbaarheid van vaardigheden en ervaringen te waarborgen; pleit ervoor in elk toekomstig initiatief voor een Europees vaardighedenpaspoort en Europass-initiatieven meer belang te hechten aan vrijwilligerswerk als vorm van informeel en niet-formeel leren; herinnert eraan dat mensen via vrijwilligerswerk vaardigheden en competenties verwerven die hun toegang tot de arbeidsmarkt kunnen vergemakkelijken; benadrukt dat vrijwilligers in geen geval beschouwd of gebruikt moet worden als vervangende arbeidskrachten;

4.  merkt op dat in Europa bijna 100 miljoen burgers van alle leeftijden vrijwilligers zijn, wier werk bijdraagt tot de productie van ongeveer 5 % van het Europese bbp; verzoekt de Commissie rekening te houden met de economische waarde van door vrijwilligers gegenereerde goederen en diensten door beleidsvorming meer op vrijwilligerswerk te richten;

5.  is van mening dat het door de Commissie in het voorstel voor het nieuwe Financieel Reglement geopperde plan om de tijd die aan vrijwilligerswerk wordt besteed in aanmerking te laten komen voor medefinanciering uit EU-subsidies, moet worden gesteund en uitgevoerd;

6.  dringt er bij Eurostat op aan de lidstaten hierbij te ondersteunen om ervoor te zorgen dat in Europa vergelijkbare gegevens worden verzameld, en daarnaast gemeenschappelijke, EU-brede indicatoren en methodologieën te ontwikkelen voor het meten van het maatschappelijke effect van vrijwilligerswerk; dringt er bij de lidstaten op aan het door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) ontwikkelde systeem om de economische waarde van vrijwilligerswerk te meten, over te nemen;

7.  spoort de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan aan om naar behoren gefinancierde nationale vrijwilligerswerkregelingen tot stand te brengen en de toegang tot kwalitatief hoogwaardige informatie over vrijwilligerswerkmogelijkheden op nationaal en lokaal niveau te verbeteren, met name via bestaande informatienetwerken en peer-to-peer-informatie, en om nationale contactpunten voor vrijwillige dienstverlening op te richten, die ook internationale mogelijkheden voor vrijwilligerswerk voor mensen van alle leeftijden zouden stimuleren;

8.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van een meer gecoördineerd Europees vrijwilligersbeleid te bevorderen, met één enkel contactpunt in de Commissie die de afzonderlijke initiatieven en programma's zou moeten verbinden en de toegang tot vrijwilligersprogramma's zou moeten verbeteren;

9.  verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar nationale regelingen inzake vrijwilligerswerk, burgerschapsdiensten en solidariteitskorpsen en naar de bestaande situatie in de lidstaten voor potentiële vrijwilligers, teneinde wederzijds begrip en de verspreiding van goede praktijken te bevorderen, alsook naar de mogelijkheid om in aanvulling op bestaande vrijwilligersmogelijkheden een Europese burgerschapsdienst op te richten – dit alles met het oog op de bevordering van EU-burgerschap;

10.  neemt kennis van het plan van de Commissie om een nieuw vrijwilligersinitiatief voor jongeren in het leven te roepen, het Europees Solidariteitskorps; dringt er bij de Commissie op aan de toegevoegde waarde van dit initiatief te beoordelen, zodat het reeds door het maatschappelijk middenveld verrichte werk wordt ondersteund, en te waarborgen dat vrijwilligersorganisaties worden betrokken bij de opzet ervan; onderstreept voorts dat de uitvoering ervan de reeds plaatsgevonden toewijzing van middelen aan andere programma's niet mag ondergraven;

11.  steunt het initiatief van de Commissie en de lidstaten om de twintigste verjaardag van de EVS te vieren; benadrukt nogmaals dat het EVS-programma zowel aan de betrokken individuen en organisaties als de samenleving in haar geheel ten goede moet komen en dat de EVS de dimensie voor engagement door burgers van het Erasmus+-programma moet verstevigen; wijst erop dat het van belang is dat de EVS bij alle jongeren wordt gepromoot, vooral degenen die nog niet in vrijwilligerswerk en mobiliteit geïnteresseerd zijn, zodat motivatie en een mentaliteitswijziging worden bewerkstelligd, zonder de oudere generaties uit te sluiten, aangezien zij een belangrijke bijdrage kunnen leveren, bijvoorbeeld als mentor;

12.  spoort de lidstaten aan de Europese vrijwilligersdienst te promoten in hun onderwijs- en academische systemen als instrument om onderwijs op het gebied van solidariteit en maatschappelijk engagement onder de jongere generatie te verspreiden;

13.  herinnert eraan dat de EVS stoelt op kwalitatief hoogwaardige aanbiedingen voor vrijwilligerswerk alsook op het Handvest van de rechten en plichten van vrijwilligers en de beginselen van het kwaliteitshandvest voor leermobiliteit; wijst er voorts op dat de EVS gebaseerd moet zijn op een structuur die vrijwilligersorganisaties aanmoedigt om als gastorganisaties te fungeren, waarbij deze organisaties adequate financiering en opleiding krijgen, terwijl de rol van coördinerende organisaties die een groot aantal gastorganisaties ondersteunen, bijvoorbeeld op het gebied van beheer en training, moet worden versterkt;

14.  herinnert eraan dat de EVS een gemakkelijke en snelle toegang tot het programma mogelijk moet maken en dringt dan ook aan op een vereenvoudiging van het huidige aanmeldingssysteem;

15.  benadrukt dat de follow-up en lokale dimensie na een vrijwilligerservaring in het buitenland moeten worden versterkt door niet alleen voor het vertrek steun te verlenen, maar ook na de terugkeer in de vorm van post-oriëntatie- en post-integratieopleidingen;

16.  dringt er bij de nationale, regionale en lokale autoriteiten op aan adequate financiering ter beschikking te stellen, de administratieve procedures te stroomlijnen en te voorzien in fiscale prikkels voor vrijwilligersorganisaties en -netwerken, met name kleine organisaties met weinig middelen;

17.  benadrukt dat mentoren in de loop van het proces kwalitatieve ondersteuning moeten bieden via verantwoord beheer van vrijwilligerswerk en door vrijwilligers bewust te maken van hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de organisatie en de gemeenschap;

18.  vraagt de Commissie de communicatiestrategie over de Europese vrijwilligersdienst aan te passen en te verbeteren door de sociale, menselijke en maatschappelijke waarde van vrijwilligerswerk te onderstrepen;

19.  benadrukt de rol van actief ouder worden in vrijwilligerswerk en versterkt de rol van zowel jonge als oudere burgers in de maatschappelijke betrokkenheid in Europa, door voort te bouwen op de impuls van het Europees Jaar van vrijwilligerswerk (2011) en het Europees Jaar van actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012);

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 17 van 22.1.2010, blz. 43.
(2) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0549.
(4) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 14.
(5) PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 9.
(6) http://ec.europa.eu/citizenship/pdf/volunteering_charter_en.pdf


De EU-strategie voor jongeren 2013-2015
PDF 314kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over de beoordeling van de EU-strategie voor jongeren 2013-2015 (2015/2351(INI))
P8_TA(2016)0426A8-0250/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 14, 15, 21, 24 en 32,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien de resolutie van de Raad over een werkplan voor jeugdzaken van de Europese Unie voor 2016-2018(2) en de resolutie van de Raad van 20 mei 2014 over een werkplan voor jeugdzaken van de Europese Unie voor 2014-2015(3),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief(5),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding („ET 2020”(7)),

–   gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(8),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs, die werd aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU op 17 maart 2015 in Parijs,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018), dat werd aangenomen door de Raad op 23 november 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2015 getiteld „Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)” (COM(2015)0429) en de werkdocumenten van de personeelsdiensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie: „Results of the open method of coordination in the youth field with a special focus on the second cycle (2013-2015)” (Resultaten van de open coördinatiemethode in jeugdzaken, met speciale aandacht voor de tweede cyclus) (SWD(2015)0168) en „Situation of young people in the EU” (De situatie van jongeren in de EU) (SWD(2015)0169),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 getiteld „Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding” (COM(2015)0408),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld: „EU 2020: een Europese strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien zijn resoluties van 11 september 2013 over de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren 2010-2012(9) en van 18 mei 2010 over een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment(10),

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–   gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(11),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(12),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow-up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(13),

–   gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(14),

–   gezien het schaduwverslag over jeugdbeleid, dat is uitgebracht door het Europees Jeugdforum,

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0250/2016),

A.  overwegende dat jongeren actief betrokken moeten worden bij de planning, ontwikkeling, tenuitvoerlegging, controle en evaluatie van alle jeugdbeleidsmaatregelen;

B.  overwegende dat jongeren moeten worden geholpen en het heft in eigen handen krijgen om de extreem ernstige problemen aan te kunnen pakken waarmee ze momenteel te kampen hebben en de uitdagingen die ze in de toekomst zullen tegenkomen het hoofd te kunnen bieden met behulp van relevanter, doeltreffender en beter gecoördineerd jeugdbeleid en een gerichte inzet van hulpbronnen van het economische, arbeids- en sociale beleid op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau;

C.  overwegende dat het jeugdbeleid, de sectoroverschrijdende samenwerking, sociale maatregelen binnen de EU en de synergie tussen de Europese strategie voor jongeren en andere Europese strategieën, onder andere op het vlak van onderwijs, opleiding, gezondheid en werkgelegenheid, beter geïntegreerd moeten worden zodat er bij zowel de huidige als de toekomstige beleidsvorming op doeltreffende wijze rekening gehouden wordt met de situatie en behoeften van jongeren, die te kampen hebben met grote economische, arbeids- en sociale problemen, en overwegende dat in dit opzicht de deelname van jongerenorganisaties aan de beleidsvorming cruciaal is;

D.  overwegende dat in jeugdzaken de open coördinatiemethode wordt gehanteerd waarvoor de inspiratie is gehaald uit de Europese samenwerking op het vlak van werkgelegenheid;

E.  overwegende dat een van de doelstellingen voor het Erasmus+-programma als geheel is om bij te dragen aan de verwezenlijking van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018); overwegende dat in dit opzicht de toegang tot projectsubsidies voor jongerenorganisaties in het kader van het vernieuwde Erasmus+-programma en de opheffing van barrières voor de subsidiabiliteit van kleine projecten moeten worden gewaarborgd;

F.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) acht actieterreinen kent waarop initiatieven moeten worden ontplooid: onderwijs en opleiding, werkgelegenheid en ondernemerschap, gezondheid en welzijn, participatie, vrijwilligerswerk, sociale inclusie, jongeren en de wereld, en creativiteit en cultuur;

G.  overwegende dat in de derde en laatste driejarige cyclus van de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) de prioriteit zal liggen bij de sociale inclusie van alle jongeren, vooral uit kansarme milieus, een actievere deelname aan het democratische en maatschappelijke leven en een gemakkelijkere overstap naar de arbeidsmarkt;

H.  overwegende dat in de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) de nadruk wordt gelegd op de noodzaak van een permanente gestructureerde dialoog tussen besluitvormers en jongeren en jongerenorganisaties; wijst er echter op dat 57 % van de jongerenorganisaties in de EU van mening is dat er geen rekening wordt gehouden met jongerenexpertise bij het formuleren van jeugdbeleid;

I.  overwegende dat het jeugdbeleid gebaseerd moet zijn op rechten en de ontwikkeling van alle jongeren moet ondersteunen, waarbij de verwezenlijking van de rechten en het potentieel van jongeren wordt gewaarborgd en de stigmatisering van bepaalde groepen wordt vermeden;

J.  overwegende dat jongeren weliswaar op veel manieren politiek betrokken zijn, maar dat hun opkomst bij verkiezingen daalt;

K.  overwegende dat erop moet worden toegezien dat alle jongeren toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs – zowel formeel als niet-formeel – en opleiding, aangezien Europese jongeren momenteel in veel lidstaten kampen met hoge werkloosheidspercentages, onzekere arbeidscontracten en een groter risico op armoede en sociale uitsluiting, en in het bijzonder laagopgeleide jongeren, jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's) en degenen met speciale behoeften, met een kansarme sociaaleconomische achtergrond, zoals etnische minderheden, vluchtelingen, migranten en asielzoekers die meer kans lopen om werkloos of gemarginaliseerd te worden;

L.  overwegende dat er voortdurende inspanningen nodig zijn voor een hoger participatieniveau op de arbeidsmarkt van jonge vrouwen – vooral na zwangerschapsverlof en bij alleenstaande moeders – en jonge migranten, voortijdige schoolverlaters, laagopgeleiden, gehandicapte jongeren en alle jongeren die het slachtoffer dreigen te worden van discriminatie;

M.  overwegende dat onderwijs en opleiding kunnen bijdragen aan het tegengaan van maatschappelijke onverschilligheid, marginalisering en radicalisering van jongeren, aan de aanpak van jeugdwerkloosheid en aan het kweken van bewustzijn onder jongeren over het belang van de fundamentele waarden waarop de EU gestoeld is; overwegende dat interculturele en interreligieuze benaderingen cruciaal zijn om wederzijds respect op te bouwen, jongeren te integreren in het onderwijs en het maatschappelijke leven en vooroordelen en intolerantie te bestrijden;

N.  overwegende dat de specifieke aard van sportbeoefening en de bijdrage daarvan aan de sociale inclusie van kansarme jongeren, vooral vluchtelingen en migranten, vreemdelingenhaat en racisme helpt te overwinnen;

O.  overwegende dat jongeren onze toekomst zijn en moeten worden gezien als een hulpbron met een enorm potentieel voor de toekomst van Europese samenlevingen;

P.  overwegende dat het cruciaal is om in alle stadia van het beleidsvormingsproces een genderdimensie op te nemen in het jeugdbeleid, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en uitdagingen waarmee jonge vrouwen en meisjes zich geconfronteerd zien; overwegende dat specifieke gendergevoelige maatregelen moeten worden opgenomen in het jeugdbeleid over kwesties als het bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes, lessen over seksuele voorlichting en relaties, en over gendergelijkheid;

Q.  overwegende dat de behoeften van jongeren die het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, onder wie jongeren met een handicap of een psychische aandoening, en jongeren die zichzelf scharen onder de LGBTI's, ook terdege in acht moeten worden genomen bij het opstellen en uitvoeren van jeugdbeleid;

R.  overwegende dat sociale inclusie en sociale mobiliteit de belangrijkste prioriteiten moeten zijn van de EU-strategie voor jongeren, die dan ook met name gericht moet zijn op jongeren uit kwetsbare groepen, zoals jongeren die in armoede of sociale uitsluiting leven, jongeren die afkomstig zijn uit geïsoleerde plattelandsgebieden of gemarginaliseerde gemeenschappen zoals etnische minderheden, vluchtelingen of asielzoekers;

Algemene aanbevelingen

1.  is ingenomen met het „EU-Jeugdverslag” van 15 september 2015 dat is gebaseerd op de mededeling van de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018), zo ook met de belangrijkste resultaten van de laatste driejarige cyclus van de EU-strategie voor jongeren en de voorstellen voor prioriteiten voor de volgende cyclus (COM(2015)0429); beveelt de Europese, nationale, regionale en lokale autoriteiten aan ervoor te zorgen dat de verschillende, op EU-niveau uitgevoerde programma's op het vlak van jeugdbeleid goed worden overgebracht, uitgevoerd en gecoördineerd om te anticiperen op nieuwe behoeften vanwege de op stapel staande sociale en onderwijskundige uitdagingen;

2.  beschouwt de open coördinatiemethode als geschikte maar nog steeds ontoereikende methode voor de invulling van het jeugdbeleid, die dus moet worden aangevuld met andere maatregelen; herhaalt zijn oproep voor nauwere samenwerking en de uitwisseling van optimale werkmethoden in jeugdzaken op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau; dringt er bij de lidstaten op aan duidelijke prestatie-indicatoren en benchmarks overeen te komen om de geboekte vooruitgang te kunnen bijhouden;

3.  benadrukt dat gehandicapte jongeren moeten worden opgenomen in het arbeidsproces zodat ze een onafhankelijk leven kunnen leiden en volledig kunnen worden geïntegreerd in de samenleving als actieve deelnemers die een volwaardige bijdrage leveren;

4.  benadrukt het belang van de gestructureerde dialoog als middel om jongeren actiever te maken, ongeacht of ze zich hebben aangesloten bij een jeugdorganisatie of niet; benadrukt in dat opzicht dat het bereik, de zichtbaarheid en de kwaliteit van het proces moet worden verbeterd, met speciale aandacht voor de betrokkenheid van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, om het jeugdbeleid op alle niveaus doeltreffender vorm te geven, ten uitvoer te leggen en te evalueren, en actief burgerschap onder jongeren te stimuleren; pleit voor een sterkere gestructureerde dialoog als hoogstaand participatie-instrument voor jongeren in het volgende samenwerkingskader voor jongeren;

5.  wijst op de impact van de tweede cyclus van de EU-strategie voor jongeren (2013-2015) als het gaat om het benadrukken van het belang van een flexibele aanpak ten aanzien van het jongerenbeleid, die wordt gekenmerkt door sectoroverschrijdende betrokkenheid op meerdere niveaus; waardeert de gestructureerde dialoog met jongerenorganisaties in dit verband; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs, hoogstaande opleidingen en werkgelegenheid voor jongeren te verbeteren; herinnert aan de acht actiegebieden die onder de aandacht worden gebracht door de EU-strategie voor jongeren;

6.  onderstreept het belang van de EU-strategie voor jongeren in het licht van de alarmerend hoge jeugdwerkloosheid, de hoge en sterk uiteenlopende percentages NEET-jongeren, en de uitdagingen van armoede en sociale uitsluiting onder jongeren; benadrukt dat de volgende cyclus (2016-2018) moet bijdragen tot de verwezenlijking van de twee doelstellingen van de EU-strategie voor jongeren door de oorzaken van jeugdwerkloosheid, zoals voortijdig schoolverlaten, in kaart te brengen en aan te pakken, door ondernemerschap onder jongeren te stimuleren, door te investeren in onderwijs, stages, leerlingplaatsen en beroepsopleidingen om de vaardigheden te ontwikkelen die een afspiegeling vormen van de kansen, behoeften en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, en door de overgang naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken door middel van maatregelen ter verbetering van de coördinatie van onderwijsprogramma's, werkgelegenheidsbeleid en arbeidsmarktbehoeften; wijst erop dat de actoren op de arbeidsmarkt moeten worden ondersteund bij hun inspanningen om de jongerengarantie ten uitvoer te leggen en hun pogingen om er zodoende voor te zorgen dat jongeren binnen vier maanden nadat ze de school hebben verlaten een baan hebben, onderwijs of een beroepsopleiding volgen of zich laten omscholen;

7.  benadrukt dat de doeltreffende tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor jongeren hand in hand moet gaan met de verwezenlijking van de kerndoelstellingen van de Europa 2020-strategie, en dan met name de doelstelling om in de leeftijdscategorie van 20 t/m 64 jaar een arbeidsparticipatiegraad van 75 % te bereiken en de doelstelling om zoveel mogelijk jongeren te redden van armoede en sociale uitsluiting; merkt op dat er, hoewel de jeugdwerkloosheid sinds 2013 in de meeste lidstaten is gedaald, nog altijd voor wordt gevreesd dat het percentage werkloze jongeren dubbel zo hoog blijft als het totale werkloosheidspercentage, aangezien Europa nog altijd rond de 8 miljoen werkloze jongeren telt; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om via aanpassingen aan het Europees portaal voor beroepsmobiliteit (Eures) de geografische discrepanties tussen vraag en aanbod van banen aan te pakken, zowel binnen als tussen de lidstaten, om zo de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt te verbeteren en de sociale cohesie te bevorderen;

8.  benadrukt dat het essentieel is dat in de volgende cyclus van de EU-strategie voor jongeren doelstellingen worden opgenomen met betrekking tot jonge vluchtelingen en asielzoekers, en dat ervoor wordt gezorgd dat zij op een gelijke en niet-discriminerende manier worden behandeld, toegang krijgen tot onderwijs, opleiding en werk, en integreren in de samenleving, waarmee ze in staat worden gesteld hun identiteit te ontwikkelen in de gastlanden, hun talenten volledig te ontplooien en hun potentieel ten volle te benutten, en waardoor wordt voorkomen dat ze gemarginaliseerd of gedesillusioneerd raken;

9.  drukt zijn bezorgdheid uit over de braindrain en de gevaren daarvan voor bepaalde lidstaten, met name degene die in moeilijkheden verkeren en opgenomen zijn in aanpassingsprogramma's, aangezien steeds meer gediplomeerden zich vanwege de grootschalige werkloosheid gedwongen zien naar het buitenland te gaan, waardoor de landen in kwestie beroofd worden van hun meest waardevolle en productieve arbeidskrachten;

10.  benadrukt het potentieel van nieuwe technologieën om aansluiting te vinden bij jongeren, en verzoekt de EU en de lidstaten hun voordeel te doen met die technologieën om de dialoog met jongeren aan te zwengelen en te zorgen dat ze een actievere rol kunnen spelen in de samenleving;

11.  benadrukt hoe belangrijk het is jongeren en jongerenorganisaties te betrekken bij de invulling van de prioriteiten en bij de vormgeving van een nieuw EU-kader voor samenwerking in jeugdzaken na 2018;

12.  beveelt de lidstaten en de EU aan een effectbeoordeling uit te voeren van op jongeren gericht beleid;

13.  beschouwt het delen van beste praktijken, op feiten gebaseerde beleidsvorming, deskundigengroepen, activiteiten en evaluaties om van elkaar te leren als belangrijke hulpmiddelen voor resultaatgerichte, sectoroverschrijdende samenwerking ter ondersteuning van jongeren; benadrukt dat de resultaten van deze activiteiten moeten worden verspreid voor een maximale impact;

14.  benadrukt het belang van sectoroverschrijdende samenwerking op alle niveaus en met name tussen de verschillende EU-strategieën met gevolgen voor jongeren (huidige en toekomstige EU-strategieën inzake jeugd, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, werkgelegenheid, enz.);

15.  benadrukt het belang en de noodzaak van de versterking en verdere ontwikkeling van strategieën en initiatieven die erop gericht zijn om geweld en pesten op school tegen te gaan;

16.  onderstreept het belang van goede samenwerking die is afgestemd op de behoeften van de afzonderlijke kinderen of jongeren, zo ook tussen gezinnen, geloofsgemeenschappen en scholen, plaatselijke gemeenschappen, jongerenorganisaties, jeugdwerkers en formeel, niet-formeel of informeel onderwijs, om jongeren te begeleiden en te helpen op weg naar volledige integratie in de samenleving, door ze een veilige plaats te bieden om op te groeien en te leren;

17.  stelt voor om lokale en regionale autoriteiten te betrekken bij het jeugdbeleid, vooral in de lidstaten waar zij bevoegdheden op dit vlak hebben;

18.  benadrukt dat een gezonde levensstijl moet worden bevorderd om ziektes te voorkomen, en acht het nodig om jongeren te voorzien van correcte informatie over en hulp bij ernstige psychische problemen zoals tabak-, alcohol- en drugsgebruik en -verslaving;

19.  wijst op de waarde van een in het jeugdbeleid op te nemen intergenerationele dimensie en op de noodzaak om een betere dialoog tot stand te brengen tussen verschillende generaties;

20.  onderstreept dat armoede onder jongeren uit kansarme milieus, jongeren met werkloze ouders en jongeren die er niet in zijn geslaagd de sociaaleconomische cirkel van hun familie te doorbreken, moet worden aangepakt;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan doeltreffende opleidingen aan te bieden in de landstaal, in overeenstemming met de beginselen van meertaligheid en non-discriminatie en op basis van nationale wetgeving en Europese beginselen, en de steun aan onderwijsinstellingen waar wordt lesgegeven in de moedertaal van nationale of taalkundige minderheden te verhogen;

22.  herinnert aan de kerndoelstelling van de Europa 2020-strategie, nl. dat het percentage voortijdige schoolverlaters minder dan 10 % moet bedragen; benadrukt dat voortijdig schoolverlaten, een fenomeen dat werkloosheid in de hand werkt, moet worden aangepakt door een dialoog op gang te brengen tussen de onderwijssector, de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de sociale partners, door de tekortkomingen van het schoolsysteem en de maatschappij in kaart te brengen, door studenten te steunen bij het zoeken naar hun eigen leermethoden, door relevante en aantrekkelijke onderwijsprogramma's aan te bieden, door een sterk en goed ontwikkeld gepersonaliseerd begeleidingssysteem met kwalitatief hoogwaardige adviesverstrekking en studieoriëntatie op te zetten voor alle studenten, en dit systeem in het bijzonder in te zetten zodra er tekenen zijn dat een student dreigt af te haken, door studenten op passende wijze te informeren over toekomstige kansen op de arbeidsmarkt en loopbaantrajecten, met inbegrip van technische en ambachtelijke functieprofielen, door STEM-onderwijs, duale opleidingen en kwalitatief hoogwaardige leer- en stageplaatsen aan te bieden en door studenten een tweede kans te geven in de vorm van een beroepsopleiding;

23.  verzoekt de lidstaten op kennis en feiten gebaseerde verslagen over de maatschappelijke situatie en levensomstandigheden van jongeren uit te brengen, nationale actieplannen op te stellen en deze consequent uit te voeren;

24.  benadrukt dat het bevorderen van meer en gelijke kansen voor alle jongeren, waarbij sociale inclusie, gendergelijkheid en solidariteit worden gestimuleerd en alle vormen van discriminatie bij jongeren, met name op grond van geslacht, ras of etnische afkomst en handicap, worden bestreden, centraal moet staan bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-strategie voor jongeren;

25.  merkt op dat jongerenbeleid en nationale strategieën met en voor jongeren moeten worden ontwikkeld;

26.  is vooral ingenomen met het nut van het kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018) voor de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Unie, en het ontsluiten en ontwikkelen van de mogelijkheden en voordelen van het Europese integratieproject voor jongeren, en verzoekt de Commissie daarom ook na 2018 gebruik te maken van het kader en het te blijven ontwikkelen;

27.  verzoekt de lidstaten onderwijsstructuren op te zetten die nodig zijn voor de integratie van jonge vluchtelingen zodat ze de taal kunnen leren van het land waar ze asiel hebben gekregen, hun basisopleiding af te ronden of hun bestaande vaardigheden op Europees niveau te brengen om hun integratie op de arbeidsmarkt en in de Europese samenleving te versoepelen;

28.  pleit voor gerichte maatregelen voor voortijdige schoolverlaters die begeleiding, het aanleren van vaardigheden en opleiding nodig hebben, en voor een doeltreffend systeem in voorschools onderwijs waarmee kan worden vastgesteld wie het risico loopt een voortijdige schoolverlater of NEET te worden, zodat leerlingen al vanaf jonge leeftijd worden bijgestaan en dit ongunstige vooruitzicht steeds verder van ze af komt te staan;

29.  spoort de lidstaten aan het solidariteitsbeginsel tussen de generaties in hun pensioenbeleid op te nemen en rekening te houden met de huidige en toekomstige impact van dat beleid op jongeren;

30.  is ingenomen met zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school, en verzoekt de lidstaten dan ook uitgebreidere kennis over de EU te bevorderen via formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, waarbij vooral veel wordt verwacht van de medewerking van de aanbieders van formeel en niet-formeel/informeel onderwijs, hetgeen kans van slagen heeft in het kader van een voortdurende EU-strategie voor jongeren;

31.  verzoekt de lidstaten onafhankelijke organisaties nauwer bij het proces van tenuitvoerlegging te betrekken, met name op lokaal niveau, en de coördinatie tussen de bestaande procedures in de strategie na 2018 te verbeteren (bijv. door middel van de betrokkenheid bij commissies op het vlak van jeugdzorg, enz.) zodat de EU-strategie voor jongeren van nut blijft;

32.  benadrukt dat jongeren moeten worden uitgerust met een solide kennis en een goed begrip van de EU, onder andere door te leren over de fundamentele waarden waarop de EU gestoeld is, governance en besluitvormingsprocessen in de EU, waarbij ze in staat worden gesteld kritisch na te denken over de EU en verantwoordelijke en actieve Europese burgers te worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om een EU-dimensie in het onderwijs te bevorderen met het doel om leerlingen voor te bereiden op leven en werk in een steeds complexere en meer geïntegreerde Unie die zij zelf mede kunnen vormgeven – hetgeen ook van ze verwacht wordt;

Werkgelegenheid en onderwijs

33.  verzoekt de lidstaten de beschikbare nationale en EU-beleidsmaatregelen en financiële kaders zo goed mogelijk te benutten om passende investeringen in jongeren en het scheppen van kwalitatief hoogwaardige en zekere banen aan te wakkeren; dringt op alle niveaus aan op de mobiliteitsregelingen die resulteren in de verbetering van vaardigheden en competenties voor jongeren, meer zelfvertrouwen, het wekken van hun nieuwsgierigheid en interesse via andere leermethoden en meer betrokkenheid bij de samenleving; beveelt sterk de erkenning en evaluatie van die dankzij mobiliteit verbeterde vaardigheden aan; verzoekt de EU en de lidstaten te garanderen dat jongeren betere toegang hebben tot informatie over alle programma's en initiatieven waarmee ze hun voordeel kunnen doen;

34.  dringt er bij de lidstaten op aan het programma Erasmus+ volledig ten uitvoer te leggen, en dan met name het deel dat gericht is op leerlingplaatsen, en zodoende verdere grensoverschrijdende opleidingen, loopbaanontwikkeling en arbeidsmobiliteit te stimuleren en de jongeren vaardigheden en competenties voor het leven mee te geven, waaronder taalvaardigheden, en ruimere mogelijkheden en kansen te bieden om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en de maatschappij, ongeacht hun academische kwalificaties, vaardigheden en studieniveau; toont zich bezorgd over het feit dat de mobiliteit van jongeren met een leerlingplaats nog niet het gewenste niveau heeft bereikt, en verzoekt de Commissie, de lidstaten, ondernemingen en scholen te zoeken naar mogelijkheden om de resterende belemmeringen voor de mobiliteit van jongeren met een leerlingplaats uit de weg te ruimen; benadrukt hoe belangrijk het is om jongeren, gezien het leeftijdsaspect en hun vaak nog onstabiele financiële situatie, bij hun mobiliteitsprojecten te begeleiden door onder meer een aantal secundaire mobiliteitsbeperkingen, zoals huisvestings- en vervoersproblemen, op te heffen;

35.  pleit voor betere mogelijkheden voor studenten uit het beroepsonderwijs om stage te lopen in buurlanden, zodat zij meer inzicht krijgen in de arbeids- en opleidingspraktijken van andere lidstaten, bijvoorbeeld door de reiskosten te vergoeden van studenten die in hun eigen land blijven wonen; wijst erop dat opleidingsmobiliteit een uiterst belangrijke troef is als het gaat om het betreden van de arbeidsmarkt, en daarnaast bijdraagt tot inzicht in en betrokkenheid bij het Europese project door het zelf te ondervinden; benadrukt hoe belangrijk het is dat er een Europees kader wordt opgezet ter bevordering van de mobiliteit van leerlingplaatsen en in het beroepsonderwijs; roept de lidstaten bovendien op het Eures-netwerk volledig te benutten ter ondersteuning van de arbeidsmobiliteit van jongeren binnen de EU, met inbegrip van mobiliteit van leerlingplaatsen;

36.  benadrukt het belang van het onderwijs in en het aanleren van algemene basisvaardigheden zoals informatie- en communicatietechnologie (ICT), wiskunde, kritisch denken, vreemde talen, mobiliteit, enz. die jongeren in staat stellen zich gemakkelijk aan te passen aan een veranderende sociale en economische omgeving;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ICT-opleidingen een impuls te geven, bijvoorbeeld door middelen over te hevelen binnen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, zodat alle jongeren de digitale vaardigheden verwerven die relevant en nuttig zijn voor de arbeidsmarkt;

38.  herhaalt dat een belangrijke rol is weggelegd voor ICT bij de persoonlijke en professionele ontwikkeling van jongeren, en is zich bewust van het potentieel daarvan om jongeren eigen verantwoordelijkheid te geven, namelijk door ze hun krachten te laten bundelen om sociale problemen aan te pakken en door ze in staat te stellen over geografische, sociale, religieuze, gender- en economische barrières heen met elkaar in contact te treden; verzoekt de lidstaten dan ook maatregelen te nemen zodat alle jongeren goed toegerust zijn met de laatste ICT-vaardigheden en -competenties;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten jongeren- en onderwijsprogramma's na te streven waarmee jonge vrouwen en meisjes mondiger worden gemaakt en hun intrede in van oudsher door mannen gedomineerde sectoren waar zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals het ondernemerschap, ICT, en wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM), soepeler verloopt;

40.  wijst op het enorme potentieel van synergieën tussen de STEM- en de ICT-sector, kunst en design en de creatieve sector, waardoor STEM STEAM (wetenschap, technologie, techniek, kunst en wiskunde) wordt, en benadrukt dat deze synergieën een uitgelezen mogelijkheid bieden om meer jongeren, vooral vrouwen en meisjes, te laten kiezen voor STEM-vakgebieden;

41.  verzoekt de lidstaten om vrouwen aan te sporen voor opleidingen en loopbanen te kiezen in sectoren waarin ze tot nu toe ondervertegenwoordigd zijn, zoals STEM en IT;

42.  onderstreept dat jongeren de mogelijkheid moeten krijgen om ten minste digitale basisvaardigheden op te doen en kennis over en inzicht in de media te verwerven, teneinde te werken, te leren en een actieve rol op zich te nemen in de moderne samenleving;

43.  merkt op dat zelfs als jongeren de reële uitdaging overwinnen om een baan te vinden, ze in veel landen niet noodzakelijkerwijs genoeg verdienen om boven de armoedegrens te leven;

44.  pleit voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; roept ertoe op bijkomende aanpassingen in de regelgeving en middelen voor te stellen om tot het eind van het huidige financieel kader bestaande belemmeringen voor de uitvoering weg te nemen;

45.  pleit voor een betere afstemming, op alle niveaus, van de onderwijs- en opleidingsprogramma's op de behoeften van de veranderende arbeidsmarkten; roept op tot campagnes om informatie te verstrekken, bewustzijn te kweken en mobiliteitsprogramma's in het leven te roepen in alle instellingen voor algemeen en beroepsonderwijs in de EU om de beleidsdoelstellingen op het vlak van economische, sociale en territoriale cohesie in de EU te halen en gezien de hardnekkige ongelijkheden tussen stedelijke, voorstedelijke en plattelandsgebieden; benadrukt echter hoe belangrijk het is om de waarde van kennis te handhaven en om te streven naar het aanbieden van volledig ontwikkeld onderwijs en een solide academische scholing; stimuleert een intensievere dialoog en samenwerking tussen het bedrijfsleven en de universiteiten om onderwijsprogramma's te ontwikkelen waarmee jongeren worden uitgerust met de juiste combinatie van vaardigheden, kennis en competenties; pleit in dit opzicht voor nauwere samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bedrijven, met name kmo's, en diensten voor arbeidsvoorziening; doet de aanbeveling dat lidstaten optimale werkmethoden op dit vlak van elkaar overnemen;

46.  beklemtoont dat een holistische en inclusieve onderwijsbenadering van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat studenten zich welkom en betrokken voelen en het gevoel hebben dat ze zelf invloed kunnen uitoefenen op het verloop van hun opleiding; wijst erop dat voortijdig schoolverlaten een van de grootste uitdagingen voor onze samenleving vormt omdat het tot armoede en sociale uitsluiting leidt, en dat de aanpak ervan een van onze belangrijkste doelen is; wijst erop dat voor de jongeren met de grootste problemen, naast een aanpassing van de opleidingssystemen, ook maatregelen op maat nodig zijn; herinnert eraan dat leer- en stageplaatsen een baan moeten opleveren en dat de arbeidsomstandigheden en toegewezen taken stagiairs in staat moeten stellen de nodige praktische ervaring op te doen en relevante vaardigheden te verwerven om de arbeidsmarkt te kunnen betreden; is van mening dat de betrokkenheid van de regionale en lokale publieke en private belanghebbenden bij de samenstelling en uitvoering van de juiste beleidsmix van fundamenteel belang is om de jeugdwerkloosheid aan te pakken;

47.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de overgang van onderwijs naar werk voor jongeren te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door kwalitatief hoogwaardige stage- en leerlingplaatsen aan te bieden, jongeren duidelijk afgebakende rechten toe te kennen, met inbegrip van toegang tot sociale bescherming, bindende, schriftelijke contracten en een billijke bezoldiging, zodat ze niet worden achtergesteld bij hun toetreding tot de arbeidsmarkt, alsmede studenten op passende wijze te informeren over toekomstige kansen op de arbeidsmarkt;

48.  onderstreept dat de werkloosheidspercentages duidelijk afnemen naarmate het bereikte onderwijsniveau stijgt, en dat het daarom noodzakelijk is de mogelijkheden voor hoger onderwijs voor jongeren in de EU te bevorderen en daarin te investeren;

49.  wijst er echter op dat onderwijs niet alleen vaardigheden en competenties moet bieden die relevant zijn voor de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren om zich als actieve en verantwoordelijke burgers te ontwikkelen; benadrukt dan ook de behoefte aan burgerschapsvorming in het hele onderwijssysteem, zowel formeel als niet-formeel;

50.  verzoekt de lidstaten mogelijkheden te bieden voor duale carrières voor jongeren met aanleg voor sport, zodat ze hun talenten als atleten kunnen ontplooien maar tegelijkertijd ook de nodige onderwijsvaardigheden opdoen;

51.  onderstreept dat bepaalde ondernemerschapsvaardigheden aan bod moeten komen op alle niveaus en in alle vormen van onderwijs en opleiding, aangezien het in een vroeg stadium stimuleren van ondernemerschap bij jongeren een doeltreffende manier is om jeugdwerkloosheid tegen te gaan; dringt in dit verband aan op een actieve dialoog en samenwerking tussen de universitaire wereld en het bedrijfsleven met het oog op de ontwikkeling van onderwijsprogramma's die jongeren de nodige vaardigheden en competenties bijbrengen; benadrukt verder dat beleid moet worden bevorderd en gehandhaafd om jong ondernemerschap te stimuleren, vooral in culturele en creatieve beroepen en op het vlak van sport, en zo veilige, kwalitatief hoogwaardige banen te scheppen en de sociale ontwikkeling en samenhang van gemeenschappen een impuls te geven; benadrukt tevens de mogelijkheden die vrijwilligerswerk biedt voor het verwerven van vaardigheden, het bevorderen van persoonlijke ontwikkeling en voor jongeren om hun roeping te vinden;

52.  wijst erop dat ondernemerschap de ontwikkeling van horizontale vaardigheden vereist, zoals creativiteit, kritisch denkvermogen, teamwork en initiatiefrijkheid, die bijdragen tot de persoonlijke en professionele ontwikkeling van jongeren en hun overstap naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken; is dan ook van mening dat de deelname van ondernemers aan het onderwijsproces moet worden vergemakkelijkt en aangemoedigd;

53.  benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd in start-ups en in jongeren die ondernemer worden en dat zij gemakkelijker toegang moeten krijgen tot startkapitaal en tot clusters van ervaren zakelijke mentoren;

54.  herinnert eraan dat werkgelegenheid en ondernemerschap samen een van de acht prioriteiten vormen die zijn vastgelegd in de EU-strategie voor jongeren (2010-2018); benadrukt dat jongerenwerk en niet-formeel leren, met name via verenigingen van jonge ondernemers en jongerenorganisaties die jongeren de kans bieden innovatieve projecten uit te werken, ervaring op te doen in ondernemerschap en de vaardigheden en het vertrouwen te verwerven om hun eigen bedrijf op te zetten, van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van het creatieve en innovatieve potentieel van jongeren, met inbegrip van hun ondernemingszin, en ondernemers- en burgerschapsvaardigheden; benadrukt dat een gunstig ondernemingsklimaat en innovatieve start-ups in het belang zijn van de werkgelegenheid voor jongeren in Europa; onderstreept dat alle belemmeringen moeten worden weggenomen die jongeren verhinderen om hun ideeën, potentieel en talenten te ontplooien;

55.  pleit voor meer aandacht voor ondernemerschap in de EU-strategie voor jongeren als cruciale factor om de economische groei aan te wakkeren; merkt op dat in 2014 slechts een op de vijf jonge Europeanen een eigen bedrijf wilde beginnen, en dat dit nog steeds als grote stap wordt gezien; is er voorstander van voorrang te geven aan een cultuur van ondernemerschap die al op jonge leeftijd wordt aangeleerd, flexibele arbeidsregelingen die een combinatie van werk en studie mogelijk maken, een duaal onderwijssysteem en toegang tot financiering;

56.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste en snelst groeiende sectoren behoren, en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; onderkent dat de kunst- en mediasector grote aantrekkingskracht uitoefent op jongeren;

57.  wijst op het belang van sociaal ondernemerschap als motor voor innovatie, sociale ontwikkeling en werkgelegenheid, en verzoekt de EU en de lidstaten dan ook dit meer onder de aandacht te brengen en de rol ervan te versterken;

58.  spoort de lidstaten aan maatregelen te nemen om ondernemerschap te stimuleren door meer ondernemers- en startersvriendelijke omstandigheden te creëren voor het opzetten van nieuwe bedrijven, bijvoorbeeld regelingen en maatregelen voor snelle kredietverstrekking door banken, vereenvoudigde regelgeving en regelingen en maatregelen voor belastingverlichting zodat jongeren hun eigen zakelijke ideeën kunnen uitvoeren; is voorstander van opleidingsmethoden die ondernemerszin en een creatieve mentaliteit aanwakkeren en van de werving van gediplomeerden als jonge ondernemers;

59.  onderstreept dat lidstaten om jeugdwerkloosheid aan te pakken goed opgeleide werknemers voor loopbaanbegeleiding nodig hebben die de juiste kennis in huis hebben over de mogelijkheden in zowel het academisch als het beroepsonderwijs en op de hoogte zijn van de huidige arbeidsmarkt, te verwachten ontwikkelingen in de lidstaten en de nieuwe sectoren van hun economie;

60.  spoort de lidstaten aan jongeren te ondersteunen om op eigen benen te staan en een gezin te stichten met behulp van huisvestingstoelagen, preferentiële regelingen en een lager tarief voor inkomstenbelasting, en gunstige leningen te verstrekken aan studenten;

61.  benadrukt het belang van de wederzijdse erkenning en validatie van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven via informeel, niet-formeel en een leven lang leren, omdat dit cruciaal is om de uiteenlopende en rijke leerervaringen van individuele personen zichtbaar te maken en te benutten, vooral van personen met minder mogelijkheden; wijst erop dat de validatie van vaardigheden bijdraagt aan een betere toegang tot formeel onderwijs, nieuwe professionele mogelijkheden, meer eigenwaarde en een grotere studiemotivatie, de ontwikkeling van waarden, talenten en vaardigheden voor jongeren, en leren over burgerschap en democratische betrokkenheid op elk niveau; dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren om uiterlijk in 2018 uitgebreide validatiemechanismen op te zetten, waarvoor werd gepleit in de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren, in nauwe samenwerking met alle essentiële belanghebbenden, zo ook jongerenorganisaties;

62.  onderstreept het belang van formeel, informeel en niet-formeel leren, onder meer in het kader van verenigingsactiviteiten, voor de ontwikkeling van waarden, talenten en vaardigheden bij jongeren en voor het verwerven van kennis over burgerschap en democratische betrokkenheid; vestigt de aandacht op de verschillende opleidingsmogelijkheden en -modellen die beschikbaar zijn in de lidstaten, in het bijzonder het duale opleidingsmodel, waarmee de overgang van onderwijs en opleiding naar werk soepeler kan verlopen; steunt de tenuitvoerlegging van een leven lang leren; verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de samenhangende en in heel Europa geldige erkenning van de vaardigheden en competenties die door middel van formeel, informeel en niet-formeel leren en stages worden verworven, om de kloof tussen de vraag naar en het aanbod aan vaardigheden op de Europese arbeidsmarkt te dichten, en om dergelijke activiteiten te ondersteunen in het kader van de relevante EU-programma's; pleit er daarnaast voor om in beroepsonderwijs en beroepsopleidingen meer aandacht te besteden aan talen, en dan met name aan buurtalen, teneinde de positie en de inzetbaarheid van de studenten in kwestie op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt te versterken;

63.  merkt op dat door de huidige digitaliseringsgolf en nieuwe trends op de arbeidsmarkt steeds meer jongeren met nieuwe arbeidsvormen te maken krijgen waarin er een evenwicht bestaat tussen flexibiliteit en zekerheid; onderstreept het belang van passend onderwijs voor jongeren, dat erop gericht is de rol van mechanismen voor sociale bescherming gedurende de loopbaan te benadrukken;

64.  is van mening dat vroegtijdig ingrijpen en een proactief arbeidsmarktbeleid een verschuiving betekenen van de aanpak van de symptomen van generaties lange achterstelling naar het vroegtijdig vaststellen en beheren van risico's om werkloosheid te voorkomen en herintegratie te bevorderen; vestigt de aandacht in het bijzonder op diegenen die het meest aan de rand van de samenleving staan en het grootste risico lopen werkloos te worden;

65.  benadrukt het belang van open en laagdrempelige programma's voor het werken met jongeren uit een minder stimulerende omgeving;

66.  benadrukt het belang van een leven lang leren en de verbetering van onderwijs- en arbeidsmogelijkheden voor jongeren, voor de garantie van de wederzijdse grensoverschrijdende erkenning en verenigbaarheid van kwalificaties en academische diploma's teneinde het systeem van kwaliteitsborging te versterken; pleit voor de voortdurende uitbreiding, evaluatie en aanpassing aan veranderende opleidingseisen van wederzijdse grensoverschrijdende erkenning van kwalificaties en diploma's, en merkt op dat dit moet worden gewaarborgd op Europees niveau en in alle landen die zich hebben aangesloten bij de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de landen die zijn opgenomen in het Europees kwalificatiekader;

67.  wijst er in dit verband op dat niet-formeel en informeel leren, naast deelname aan sport en vrijwilligersactiviteiten, een belangrijke rol speelt bij het stimuleren van de ontwikkeling van burgerlijke, sociale en interculturele competenties en vaardigheden; benadrukt dat sommige landen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met de ontwikkeling van een wettelijk kader op dit gebied, terwijl andere moeilijkheden ondervinden om algemene validatiestrategieën tot stand te brengen; benadrukt daarom dat er alomvattende validatiestrategieën moeten worden ontwikkeld;

68.  benadrukt dat er werk moet worden gemaakt van schaarse en niet op de vraag aansluitende vaardigheden door de mobiliteit van studenten en onderwijzend personeel te bevorderen en te vergemakkelijken met een betere benutting van alle EU-instrumenten en -programma's; wijst erop dat mobiliteit binnen opleidingen een belangrijke troef is voor de betreding van de arbeidsmarkt; benadrukt dat er maatregelen moeten worden ingevoerd die gericht zijn op het waarborgen van coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de structuurfondsen voor mobiliteit, waaronder bijvoorbeeld het Europees Sociaal Fonds (ESF) en andere programma's zoals Erasmus+; wijst in dit verband op de belangrijke rol van mobiliteitsprogramma's zoals Erasmus+ waarmee de ontwikkeling van horizontale vaardigheden en competenties, en interculturele uitwisselingen tussen jongeren worden gestimuleerd; is verheugd over de aanpassing van de bestaande website EU Skills Panorama;

69.  wijst erop dat de rol van het programma Erasmus voor jonge ondernemers moet worden uitgebreid naar de totstandbrenging van kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid voor de lange termijn; is van oordeel dat er arbeidsmobiliteit nodig is om het potentieel van jongeren aan te boren; merkt op dat er op dit moment 217,7 miljoen werknemers in de EU zijn, waarvan er 7,5 miljoen (3,1 %) in een andere lidstaat werken; stelt verder vast dat volgens EU-enquêtes jongeren mobieler zijn en vaker nieuwe vaardigheden en kwalificaties mee naar huis nemen;

70.  verzoekt de Commissie de mobiliteit van studenten in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding uit te breiden en te ondersteunen door de regeling „Erasmus voor leerlingen” te bevorderen;

71.  roept de lidstaten op ten volle te profiteren van de huidige hervorming van het Eures-netwerk om de arbeidsmobiliteit van jongeren binnen de EU te ondersteunen, met inbegrip van mobiliteit in verband met leerlingplaatsen en stages; verzoekt de lidstaten de vacatures en curricula vitae regelmatig bij te werken; verzoekt de Commissie het proces van de afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in Eures te verbeteren zodat jongeren passende banen van hoge kwaliteit aangeboden krijgen die aansluiten bij hun cv;

72.  spoort de lidstaten aan kwalitatief hoogwaardige systemen voor duaal onderwijs en beroepsopleiding op te zetten in overleg met lokale en regionale economische spelers, na de uitwisseling van optimale werkmethoden en rekening houdend met de specifieke aard van elk onderwijssysteem, om de bestaande en toekomstige discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod aan vaardigheden op te heffen;

73.  verzoekt de lidstaten en de Commissie innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van cultuur, onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

74.  stelt vast dat voortijdig schoolverlaten en leerlingen die van school afgaan zonder diploma tot de grootste uitdagingen voor onze samenleving behoren – en dat de aanpak ervan een van onze hoofddoelen moet zijn – omdat deze situaties tot een onzeker bestaan en sociale uitsluiting leiden; wijst erop dat mobiliteit, de aanpassing van onderwijssystemen en de uitvoering van gepersonaliseerde maatregelen oplossingen kunnen bieden voor de meest kansarme personen en wel door het uitvalpercentage in onderwijs en opleiding naar beneden te krijgen;

75.  benadrukt dat er behoefte is aan een studentencontract waarmee studenten op de universiteit en in een beroepsopleiding hun studie kunnen combineren met werk, bij voorkeur in bedrijven op het vakgebied waarin ze worden opgeleid, met de garantie dat ze de studie die ze begonnen zijn ook afronden;

76.  beklemtoont dat de inspanningen moeten worden voortgezet om schooluitval te beperken en het onderwijs aan kansarme jongeren te bevorderen;

77.  merkt op dat de jeugdwerkloosheid – ondanks een afname in de meeste lidstaten na de piek van 2013 – nog steeds een bron van grote zorg is in de EU, aangezien ongeveer 8 miljoen jonge Europeanen er niet in slagen werk te vinden en er voor een groot aantal van hen nog steeds langdurige werkloosheid, onvrijwillig parttimewerk of een status als stagiair dreigt;

Financiële middelen

78.  benadrukt het belang van strategische investeringen, onder andere uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds, voor regionale ontwikkeling, het concurrentievermogen en het creëren van hoogwaardige stages, leerlingplaatsen en duurzame banen; merkt op dat er speciale aandacht moet worden besteed aan jongeren die niet werken maar ook geen onderwijs of opleiding volgen, de zogenaamde NEET's;

79.  stelt vast dat het enkele maanden geduurd heeft voordat de programmeringsperiode 2014-2020 op gang kwam, en dat een eerste evaluatie van het beleid van de Unie in deze periode, met name het beleid ten behoeve van jongeren, niet volledig representatief zal zijn voor de werkelijke impact ervan;

80.  wijst erop dat de Rekenkamer in de vorige programmeringsperiode het foutenpercentage voor transacties in het kader van het programma voor een leven lang leren (LLP) en het Jeugd in actie-programma (YiA) op meer dan 4 % raamde; gaat ervan uit dat de Commissie deze fouten bij de uitvoering van Erasmus+ heeft aangepakt;

81.  neemt kennis van het feit dat het uitvoeringspercentage van het budget voor de programma's voor de periode 2007-2013, met name het LLP-programma en de programma's Cultuur, MEDIA en Jeugd in actie, in 2013 100 % bedroeg; is echter van mening dat het uitvoeringspercentage op zich niet voldoende zegt over de doeltreffendheid van de programma's om te kunnen beoordelen of die succesvol zijn;

82.  is verontrust over het feit dat de ongelijke verhouding tussen goedgekeurde vastleggings- en betalingskredieten eind 2013 uitmondde in een tekort bij de betalingen (in het geval van het programma Erasmus+ bijvoorbeeld ten belope van 202 miljoen EUR), hetgeen negatieve gevolgen had voor het daaropvolgende jaar; verzoekt de Commissie te waarborgen dat deze situatie zich bij de nieuwe programma's niet opnieuw zal voordoen;

83.  herinnert eraan dat ook de lage ondernemerszin onder jongeren bijdraagt aan de geringe economische groei in Europa, en vindt het daarom belangrijk om jongeren te ondersteunen zodat ze een eigen onderneming kunnen oprichten;

84.  is ingenomen met het feit dat ruim 12,4 miljard EUR uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) bestemd is voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid tijdens de nieuwe programmeringsperiode;

85.  constateert met voldoening dat in 2014 110 300 werkloze jongeren hebben deelgenomen aan acties die worden gefinancierd door het YEI; is ingenomen met het feit dat de staatshoofden en regeringsleiders van de EU hebben besloten aan de jongerengarantie (YG) 6,4 miljard EUR aan Uniemiddelen toe te wijzen (3,2 miljard EUR uit het ESF en 3,2 miljard EUR uit een nieuwe begrotingslijn); benadrukt evenwel dat er in sommige lidstaten nog steeds problemen zijn met de uitvoering van de YG en het YEI;

86.  verzoekt de EU en de lidstaten meer in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat leerlingplaatsen en stages niet worden gebruikt als vormen van onzeker werk die in de plaats komen van echte banen, en om erop toe te zien dat alle nodige maatregelen voor arbeidsbescherming, onder andere in verband met loon en andere financiële rechten, worden gewaarborgd;

87.  pleit voor gerichte en vereenvoudigde maatregelen zodat de lidstaten meer capaciteit vrij hebben om gebruik te maken van de beschikbare financiering van de Europese structuurfondsen, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Jeugd in beweging, Je eerste Eures-baan, Horizon 2020 en programma's en acties op het vlak van burgerschap;

88.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de administratieve procedures voor de verstrekking van financiële middelen aan jongerenorganisaties te vereenvoudigen, aangezien die vaak niet voldoende capaciteit hebben om gecompliceerde aanvraagprocedures te doorlopen als ze een aanvraag doen voor steun uit de diverse EU-programma's;

89.  spoort de lidstaten aan het Erasmus+-programma volledig te benutten door zich beter te richten op mensen van alle onderwijsniveau om de vooruitzichten op een baan voor jongeren te verbeteren en grensoverschrijdende carrières en billijke arbeidsmobiliteit te stimuleren; is voorstander van intercultureel onderwijs, Europees burgerschap en lessen voor jongeren in democratie en waarden, en verzoekt de Commissie dan ook bij de tussentijdse evaluatie de obstakels in de financieringsprocedure die de verwezenlijking van deze doelstellingen bemoeilijken, in kaart te brengen en op te heffen, zodat Erasmus+ doeltreffender kan zijn op dit gebied;

90.  is ingenomen met het feit dat het Erasmus-programma het streefcijfer van drie miljoen studenten inmiddels heeft overschreden; wijst op het aanhoudende succes dat dit kernprogramma van de Unie sinds zijn invoering heeft gehad, en is van mening dat dit programma steun moet blijven ontvangen;

91.  acht het geen goede zaak dat het aantal Erasmus-studenten van en naar de diverse lidstaten zo enorm verschilt; beveelt meer dynamische voorlichtingscampagnes en eenvoudigere regels aan;

92.  herinnert de lidstaten eraan dat zij zich ertoe moeten verbinden de nationale financiering uit te breiden als aanvulling op de ESF- en YEI-kredieten om te zorgen voor de vereiste impuls aan werkgelegenheid voor jongeren; acht het eveneens noodzakelijk dat de gebruikte instrumenten en de toegekende subsidies een waardig leven mogelijk maken; verzoekt daarom om een beoordeling van de subsidiebedragen ten opzichte van de reële kosten van levensonderhoud in elke lidstaat;

93.  dringt er bij de lidstaten op aan de nodige maatregelen te nemen om de jongerengarantieregeling ten uitvoer te leggen; pleit voor verdere politieke inzet voor de jongerengarantie als een structurele hervorming voor de lange termijn, waarmee duurzame integratie op de arbeidsmarkt wordt gewaarborgd met kwalitatief hoogstaande vacatures;

94.  dringt er bij de lidstaten op aan de jongerengarantie volledig ten uitvoer te leggen, op basis van nauwe samenwerking tussen nationale, regionale en lokale autoriteiten, onderwijsstelsels en de diensten voor arbeidsvoorziening; wijst erop dat de jongerengarantie volledig moet worden geïntegreerd in nationale plannen inzake werkgelegenheid en de planning van het jeugd- en onderwijsbeleid, en uitgebreid moet worden gecommuniceerd aan alle jongeren; herinnert eraan dat de betrokkenheid van jongerenorganisaties bij de communicatie en tevens bij de beoordeling en de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie van cruciaal belang is voor het succes ervan;

95.  wijst erop dat jonge vrouwen en mannen uit verschillende sociaaleconomische milieus te maken krijgen met andere omstandigheden op de arbeidsmarkt, en op een andere leeftijd; verzoekt de Commissie en de lidstaten dergelijke genderspecifieke en sociaaleconomische overwegingen op te nemen in de formulering en de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen inzake jongeren en de arbeidsmarkt, zoals de jongerengarantie;

96.  is van mening dat de bijzonder hoge mate van baanonzekerheid onder jongeren, in combinatie met de vergrijzing van de Europese bevolking, een aanzienlijke bedreiging vormt voor de duurzaamheid, toereikendheid en geschiktheid van pensioenstelsels en de solidariteit tussen de generaties ernstig schaadt; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook alle nodige maatregelen te nemen om misbruik van de subsidies uit hoofde van de jongerengarantieregeling in ieder geval te voorkomen en om, ten minste wat de contracten betreft die in het kader van de jongerengarantie worden afgesloten, de voorkeur te geven aan contracten waarmee jongeren bijdragen kunnen betalen aan nationale socialezekerheidsstelsels;

97.  dringt er bij de lidstaten op aan de jongerengarantie volledig ten uitvoer te leggen en toe te zien op de doeltreffendheid ervan, en wel door ten volle gebruik te maken van de middelen die de EU hun ter beschikking stelt voor maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren, met inbegrip van jongeren met een beperking, binnen vier maanden nadat ze de school hebben verlaten of hun baan zijn kwijtgeraakt op de arbeidsmarkt te integreren, via een baan, leerplaats of stage, bijvoorbeeld door systemen voor levenslange loopbaanbegeleiding op maat, registratiekantoren, informatiepunten en methoden voor het verzamelen van gegevens op te zetten en de registratie van werklozen te bevorderen, teneinde een realistisch beeld te krijgen van de jeugdwerkloosheid en de dienstverlening van arbeidsbureaus aan jonge werkzoekenden te verbeteren;

98.  verzoekt de lidstaten met klem zich onverwijld te richten op de belangrijkste succesfactoren voor de tenuitvoerlegging van de Europese jongerengarantie, zoals de kwaliteit en de duurzaamheid van de aangeboden banen, voortgezet onderwijs en vervolgopleidingen, sociale inclusie, synergieën met andere beleidsdomeinen (met betrekking tot onderwijsstelsels, de arbeidsmarkt, sociale diensten en jongeren) en samenwerking tussen alle relevante belanghebbenden, teneinde jongeren op de arbeidsmarkt te integreren, de jeugdwerkloosheid terug te dringen en de preventie van gevallen waarin jongeren bij de overgang van school naar werk uit de maatschappij en de arbeidsmarkt worden uitgesloten op lange termijn positief te beïnvloeden;

99.  wenst dat de Europese jongerengarantie niet alleen gericht is op onderwijs en opleiding voor on- of laaggeschoolde jonge werklozen, maar dat de reikwijdte ervan wordt uitgebreid naar jonge afgestudeerden en personen die een beroepsopleiding hebben afgerond, en dat de leeftijdsgrens van de jongerengarantie wordt opgetrokken van 25 naar 29 jaar, aangezien veel afgestudeerden en nieuwkomers op de arbeidsmarkt achter in de twintig zijn;

100.  verzoekt de lidstaten en regio's goede werkmethoden uit te wisselen en van elkaar te leren; beklemtoont hoe belangrijk het is dat er wordt beoordeeld in hoeverre het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2014 en 2015 door de lidstaten ten uitvoer is gelegd; beklemtoont dat de doeltreffendheid van de jongerengarantie op middellange termijn moet worden beoordeeld, met name de vraag of jongeren er dankzij de garantie in slagen vaardigheden te verwerven en een baan te vinden, en benadrukt hoe belangrijk het is dat dit initiatief wordt voortgezet; wijst er bovendien op dat de betrokkenheid van jongerenorganisaties bij de beoordeling en de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie van essentieel belang is voor het welslagen ervan;

101.  kijkt uit naar de presentatie later dit jaar door de Commissie van het alomvattende verslag over de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

102.  merkt op dat de resultaten van het programma duidelijker zullen worden geëvalueerd in het verslag van de Rekenkamer over de tenuitvoerlegging van de EU-jongerengarantie in de lidstaten, dat begin 2017 afgerond moet zijn; is van mening dat in het verslag onder andere een analyse van de doeltreffendheid en de resultaten op lange termijn moet worden opgenomen;

103.  herinnert de Commissie eraan hoe belangrijk het is om ervoor te zorgen dat jongeren goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden en de programma's waaraan zij kunnen deelnemen, en om te waarborgen dat aan de hand van kwantificeerbare indicatoren (zoals de respons en de betrokkenheid van de doelgroep) kwalitatief hoogwaardige informatie wordt aangeboden over de programma's;

104.  spoort de Commissie en de lidstaten aan een expansief economisch beleid te voeren, dat meer flexibiliteit biedt als het gaat om overheidsinvesteringen in onderwijs, opleidingen en kwalitatief hoogwaardige leerlingplaatsen;

105.  verzoekt de lidstaten met klem niet te bezuinigen op de nationale begrotingsmiddelen voor jeugdbeleid, kunst, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, maar daar juist meer in te investeren; verzoekt de lidstaten verder om erop toe te zien dat er wordt geïnvesteerd in inclusief onderwijs dat inspeelt op maatschappelijke uitdagingen met betrekking tot het garanderen van gelijke toegang en gelijke kansen voor iedereen, inclusief jongeren met verschillende sociaaleconomische achtergronden, alsmede kwetsbare en kansarme groepen;

106.  beveelt aan jong ondernemerschap in het MFK op te nemen en vindt dat de lidstaten nationale strategieën moeten ontwikkelen die tot synergieën leiden tussen Erasmus+, het ESF, het EYI en Erasmus voor jonge ondernemers en dat de Commissie de lidstaten duidelijke richtsnoeren voor effectbeoordeling moet verstrekken;

107.  verzoekt de Commissie een uitgebreid monitoringsysteem voor de jongerenprogramma's in te voeren waarmee geplande resultaatindicatoren worden gecombineerd met concrete en langetermijnresultaten;

108.  beklemtoont dat de nadruk op prestaties en resultaten moet liggen en is verheugd over het feit dat het nieuwe regelgevingskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de programmeringsperiode 2014-2020 bepalingen inzake resultatenrapportage door de lidstaten bevat;

109.  herinnert eraan dat 68 % van de ESF-begroting naar projecten gaat waarbij jongeren een doelgroep zouden kunnen vormen;

110.  benadrukt dat huisvestingstoelagen moeten worden bevorderd om te voorzien in een behoefte als studenten niet de mogelijkheid hebben een beroepsopleiding of een universitaire studie te volgen in de stad of gemeente waar ze wonen of in een stad op minder dan 50 km afstand;

Deelname aan de besluitvorming

111.  pleit voor sterkere partnerschappen tussen jongerenorganisaties en overheidsinstanties om jongeren en hun organisaties meer mogelijkheden te bieden deel te nemen aan de beleidsvorming; vindt met name de rol van jongeren-, kunst- en sportverenigingen essentieel voor de ontwikkeling van participatieve vaardigheden van jongeren en voor de verbetering van de kwaliteit van het besluitvormingsproces, waarbij bij uitstek belangrijk is dat jongeren een bijdrage leveren aan de samenleving en daarnaast oplossingen kunnen aandragen voor de actuele problemen waarmee de Europese samenlevingen kampen; belicht de unieke rol van jongerenorganisaties bij de ontwikkeling van een gevoel van burgerschap rondom de praktijk van democratische waarden en processen;

112.  benadrukt de waarde van jongerenorganisaties als aanbieders van lessen over burgerschap en onderricht in democratische waarden, vaardigheden en competenties, en onderkent hun bijdrage aan de verbetering van de participatie van jongeren in democratische processen;

113.  benadrukt hoe essentieel informeel en niet-formeel leren, kunst, sport, vrijwilligerswerk en sociale activiteiten zijn om de deelname van jongeren en de sociale samenhang aan te moedigen als instrumenten die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor lokale gemeenschappen en waarmee veel van de maatschappelijke uitdagingen kunnen worden aangepakt;

114.  roept de lidstaten op de beginselen van inclusieve jongerenwerkgelegenheid strikt na te leven, in het bijzonder ten aanzien van jongeren met een beperking;

115.  benadrukt dat jongeren, aan de hand van een breed scala aan instrumenten waarmee ze vertrouwd zijn (zoals sociale netwerken), in sterke mate bewust moeten worden gemaakt van burgerschap, media en digitale geletterdheid, kritisch denken en intercultureel begrip; benadrukt de belangrijke rol die dergelijke programma's en onderwijs spelen bij de preventie van radicalisering onder jongeren;

116.  verzoekt de Commissie en de lidstaten kennis te nemen van nieuwe vormen van economische betrokkenheid door jongeren, zoals de stijgende tendens om gebruik te maken van instrumenten van de deeleconomie;

117.  benadrukt dat de vrijwillige politieke, sociale, culturele en sportactiviteiten van jongeren op lokaal, regionaal en nationaal niveau moeten worden ondersteund en meer moeten worden gewaardeerd als een belangrijke vorm van niet-formeel leren die bijdraagt aan de ontwikkeling van wezenlijke competenties voor het leven en die waarden als samenwerking, solidariteit, gelijkheid en rechtvaardigheid bevordert; benadrukt evenwel dat de bereidheid van jongeren om vrijwilligersactiviteiten te ontplooien niet mag worden beschouwd als een mogelijke goedkope vervanging voor diensten die de lidstaten voor hun rekening moeten nemen; pleit ervoor dat vrijwilligersactiviteiten volledig worden erkend of gevalideerd;

118.  verzoekt de lidstaten democratische participatie onder jonge studenten te bevorderen en jongeren die onderwijs volgen te helpen een actieve rol op zich te nemen in hun eigen opleiding en er een bijdrage aan te leveren via een lidmaatschap aan een studentenorganisatie;

119.  benadrukt dat een beter begrip van EU-waarden, de werking van de EU en Europese verscheidenheid cruciaal zijn om democratische participatie te bevorderen en actief burgerschap onder jongeren te stimuleren;

120.  verzoekt de Commissie ten volle te profiteren van nieuwe digitale hulpmiddelen en de mogelijkheden van sociale media in onderwijs en opleiding volledig te benutten, gerichte, hoogwaardige mediaopleidingen aan te bieden waarmee de ontwikkeling van mediageletterdheid en kritisch denkvermogen wordt gestimuleerd, en de deelname van jongeren aan de besluitvorming en aan het burgerlijke, culturele en sociale leven te bevorderen en aan te moedigen, teneinde hun inzetbaarheid te vergroten en ondernemerschap, innovatie en cultuur aan te wakkeren; onderkent verder dat digitale instrumenten kunnen worden gebruikt als doeltreffende middelen om pesten, haatzaaiende uitlatingen en radicalisering te bestrijden;

o
o   o

121.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 1.
(3) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 5.
(4) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(5) EUCO 37/13.
(6) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(7) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(9) PB C 93 van 9.3.2016, blz.61.
(10) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 21.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0106.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(13) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.


Hoe kan het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden verbeteren?
PDF 231kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2016 over hoe het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden kan verbeteren (2015/2226(INI))
P8_TA(2016)0427A8-0285/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Werkgelegenheid in plattelandsgebieden: de banenkloof dichten" (COM(2006)0857),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0285/2016),

A.  overwegende dat de plattelandsgebieden meer dan 77 % van het grondgebied van de Europese Unie uitmaken en dat veel banen in die gebieden verband houden met de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie en vaak niet kunnen worden verplaatst;

B.  overwegende dat de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie samen goed zijn voor 6 % van het bbp van de EU, 15 miljoen bedrijven en 46 miljoen banen;

C.  overwegende dat in veel Europese landen het platteland al decennialang leegloopt en het inkomen van landbouwers en ander agrarisch personeel is gedaald, terwijl de werkgelegenheid in de agrarische sector er terrein verliest; overwegende dat het aantal arbeidskrachten in de landbouw in de EU-28 tussen 2005 en 2014 met bijna een kwart (-23,6 %) is gedaald(1);

D.  overwegende dat de landbouw nog altijd het merendeel van het Europese grondgebied gebruikt, maar nog slechts een klein deel van de actieve bevolking in de plattelandsgebieden tewerkstelt; overwegende dat de diversificatie van de rol van plattelandsgebieden, met name hun gebruik voor economische activiteiten, als leefkader voor wonen en recreatie en voor de bescherming en instandhouding van natuurgebieden, een grote uitdaging vormt voor de dynamiek en de werkgelegenheid in de verschillende plattelandsgebieden van de EU; overwegende dat, hoewel sommige gebieden de laatste jaren een omkering van de migratiestromen en een bevolkingsaangroei kennen die wijzen op een verlangen naar het platteland en die vaak hand in hand gaan met het verschijnsel van peri-urbanisatie, er ook sprake is van leegloop in veel minder welvarende gebieden, waar isolement een probleem vormt en de ondersteuning van ontwikkeling en werkgelegenheid veel moeilijker verloopt;

E.  overwegende dat veel plattelandsgebieden kampen met tal van uitdagingen zoals lage inkomens, bevolkingskrimp, een banentekort en een hoog werkloosheidspercentage, trage ontwikkeling van de tertiaire sector, een gebrek aan verwerkingscapaciteit voor levensmiddelen, geringe vaardigheden en een beperkt kapitaal;

F.  overwegende dat meer dan negen op de tien Europeanen van mening zijn dat de landbouw en de plattelandsgebieden belangrijke uitdagingen voor hun toekomst zijn;

G.  overwegende dat het inkomen per volwaardige arbeidskracht in de landbouw relatief laag is en dat dit een aandachtspunt is;

H.  overwegende dat de economische crisis alle delen van Europa treft, maar dat de plattelandsgebieden het meest getroffen zijn;

I.  overwegende dat de Europese Unie in het licht van de huidige economische crisis van de werkgelegenheid – met name via het EFSI – een speerpunt heeft gemaakt en dat, in dit verband, het GLB doeltreffender moet worden gemaakt en zijn legitimiteit moet worden bevestigd als een van de hefbomen van het EU-optreden voor het behoud en het scheppen van werkgelegenheid en concurrentievermogen in plattelandsgebieden, voornamelijk in de landbouwsector; overwegende dat in deze context moet worden nagegaan in welke mate het GLB van invloed is op de schepping en het behoud van werkgelegenheid in plattelandsgebieden;

J.  overwegende dat het van cruciaal belang is om de twee pijlers van het GLB te behouden aangezien de eerste pijler het vertrek van kleine en gezinsbedrijven uit de sector voorkomt, terwijl de tweede pijler middelen verschaft die het scheppen van banen in andere domeinen zoals het toerisme, de levensmiddelenverwerking en andere verwante sectoren garanderen;

K.  overwegende dat de Europese landbouw wordt geconfronteerd met een aantal uitdagingen op het gebied van voedselproductie en continuïteit van de voedselvoorziening, biodiversiteit, duurzaamheid, energie en klimaatverandering, en dat het van essentieel belang is de relatie tussen samenleving en landbouw te versterken, innovatieve oplossingen te ontwikkelen om deze uitdagingen aan te gaan en zo de veerkracht en het concurrentievermogen van de sector te waarborgen, en grondig na te denken over het doel van een echt openbaar beleid dat in ieders belang is, aangezien dit een van de belangrijkste aspecten van de Europese integratie is;

L.  overwegende dat de 'herregionalisering' van de landbouw – die noodzakelijke verankering van productie en werkgelegenheid in een bepaald gebied – veel te lang is verwaarloosd en dat het onze plicht is een streekgebonden landbouw bedreven door mannen en vrouwen in stand te houden voor het behoud van dynamische plattelandsgebieden met veel werkgelegenheid; overwegende dat het dankzij deze herregionalisering ook mogelijk is te garanderen dat de stad en het platteland zich in een evenwichtige verhouding ontwikkelen;

M.  overwegende dat de rol van en de interesse in stedelijke en randstedelijke landbouw toenemen en dat er sprake is van een veranderend consumptiemodel dat verschillende factoren combineert, waaronder een minimale milieubelasting, hoogwaardige lokale producten en erkenning van de waarde van het werk dat door kleine en regionale producenten wordt verricht;

N.  overwegende dat de structuurbepalende elementen van de laatste herziening van het GLB het mogelijk hebben gemaakt de steun te heroriënteren en eerlijker over de lidstaten en de verschillende landbouwsectoren te verdelen en de economische en sociaal stabiliserende rol van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor landbouwbedrijven en plattelandsgebieden hebben bevestigd;

O.  overwegende dat rechtstreekse betalingen via de eerste pijler volgens studies weliswaar geen rechtstreekse werkgelegenheid scheppen, maar toch een essentiële rol spelen voor het behoud van banen en daardoor landbouwers op het land houden; overwegende dat, indien deze beleidsondersteuning wordt afgeschaft, 30 % van de Europese landbouwers zich genoodzaakt zouden zien om hun activiteiten stop te zetten en uit de landbouwsector te stappen; overwegende dat deze betalingen kleine landbouwers en plattelandsgebieden in leven houden;

P.  overwegende dat ondersteuning via rechtstreekse betalingen voor landbouwers in perifere gebieden, die aan landbouw doen op kwetsbare of marginale landbouwgrond, van essentieel belang is, niet alleen om ervoor te zorgen dat die landbouwers op het land blijven en een fatsoenlijk inkomen verdienen, maar ook om te garanderen dat dit land wordt beschermd en bijdraagt tot de toeristische aantrekkingskracht van die gebieden;

Q.  overwegende dat de eerste pijler van het hervormde GLB voornamelijk de voedselvoorzieningszekerheid tot doel heeft, wat bijdraagt tot het behoud van de bestaande werkgelegenheid in de landbouw, en dat de betalingen uit hoofde van de eerste pijler eerlijker moeten worden verdeeld om de positieve effecten van deze steun te maximaliseren;

R.  overwegende dat er gezien de plaatselijke ervaringen andere agrarische ontwikkelingsmodellen mogelijk zijn, met betere resultaten in termen van voedselkwaliteit en agronomische, ecologische en sociaal-economische prestaties, dat het belangrijk is de diversiteit van landbouwsystemen te steunen en te bevorderen, en dat kleine en middelgrote landbouwbedrijven die over het algemeen gediversifieerder, innoverender en zeer flexibel zijn, vaak goed georganiseerd zijn in producentengroepen en coöperaties, en voordelen opleveren voor de gemeenschappen waarvan ze deel uitmaken, waarbij ze een plattelandseconomie steunen, die de sleutel is voor de ontwikkeling van de Europese landbouw;

S.  overwegende dat de huidige crisis aantoont dat het in het kader van een marktgericht gemeenschappelijk landbouwbeleid van essentieel belang is een gemeenschappelijke organisatie van de landbouwmarkten te behouden en nieuwe reguleringsinstrumenten te definiëren die voor prijsstabiliteit en behoud van de werkgelegenheid en de landbouwinkomens kunnen zorgen;

T.  overwegende dat de Europese landbouwers actief zijn in een steeds mondialer wordende markt en daarom sterker blootgesteld worden aan prijsschommelingen dan andere sectoren;

U.  overwegende dat het huidige betalingssysteem in de voedselvoorzieningsketen niet zorgt voor een duurzame verdeling van de toegevoegde waarde en er vaak toe leidt dat de inkomsten van de primaire producenten niet eens kostendekkend zijn;

V.  overwegende dat plattelandsgebieden ten opzichte van stedelijke gebieden doorgaans worden gekenmerkt door een statistisch hogere werkloosheid, aanzienlijk lagere inkomens, een minder aantrekkelijke infrastructuur en een slechtere toegang tot de dienstverlening, die met hoge kosten gepaard gaat door de lagere bevolkingsdichtheid en de slechtere toegankelijkheid;

W.  overwegende dat er werkgelegenheid in plattelandsgebieden moet worden gecreëerd in een duurzaam beleidskader dat is aangepast aan specifieke gebieden en gepaard gaat met behoud en ontwikkeling van landbouwactiviteiten, onrechtstreeks aan landbouw gerelateerde activiteiten, aan bosbouw gerelateerde activiteiten en rurale activiteiten, die zorgen voor sociale samenhang en solidariteit tussen de verschillende actoren en voor een verbetering van de toestand van het milieu;

X.  overwegende dat de toekomst van de plattelandsgebieden niet uitsluitend afhangt van de manier waarop de landbouwsector wordt ontwikkeld, maar ook verband houdt met de diversificatie en het behoud van andere economische activiteiten, zoals bosbouw, ambachten en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen en geïntegreerde productiecapaciteit, plattelandstoerisme, recreatieve, educatieve en sportactiviteiten (bv. paardrijden) en het duurzaam gebruik van land- en bosbouwhulpbronnen (waaronder afval) voor de productie van hernieuwbare energie en biologische materialen en producten op basis van ecologische processen; overwegende dat er behoefte is aan gedecentraliseerde en geïntegreerde lokale beleidsmaatregelen die verband houden met sociaaleconomische aspecten en de identiteit en cultuur van het platteland, alsook aan een echt territoriaal systeem, waarbij wordt gestreefd naar synergieën en gemeenschappelijke opwaardering van de hulpbronnen van het platteland door middel van collectieve en sectoroverschrijdende benaderingen, met inbegrip van het gebruik van andere EU-fondsen ter bevordering van plattelandsontwikkeling en werkgelegenheid, en waarbij er ook voor wordt gezorgd dat de plattelandsinfrastructuur voorhanden is;

Y.  overwegende dat, om dat doel te bereiken, het absoluut noodzakelijk is de nadruk te leggen op het feit dat heel wat banen die afhankelijk zijn van plaats- en activiteitspecifieke landbouw, met inbegrip van bosbouw, niet kunnen worden verplaatst en ook voedings- en niet-voedingsdiensten behelzen, zoals landschaps- en waterbehoud en -beheer;

Z.  overwegende dat met name steun moet worden verleend aan kleine familiale landbouwbedrijven, d.w.z. aan individuele landbouwers die, alleen of samen met anderen, hun bedrijf op verantwoorde wijze, onafhankelijk en doeltreffend beheren en die in staat zijn problemen aan te pakken door hun productiebeslissingen en/of hun productiemethoden aan te passen en door hun activiteiten te diversifiëren om het hoofd te bieden aan de constante structurele veranderingen in de landbouwsector;

AA.  overwegende dat het potentieel van werkende vrouwen, al dan niet met een eigen bedrijf, in landbouw- en plattelandsgebieden geanalyseerd, geregistreerd en in alle beleidsmaatregelen van de EU bevorderd moet worden en door geen van die maatregelen mag worden belemmerd, aangezien vrouwen aldus een basis wordt geboden om als drijvende kracht achter ontwikkeling en innovatie te gaan fungeren en de hele sector te helpen een uitweg uit de crisis te vinden; overwegende dat vrouwen moeten worden betrokken bij sectorale ontwikkelingsplannen op plaatselijk en regionaal niveau, zodat gebruik kan worden gemaakt van hun behoeften, ervaringen en visies, en dat vrouwen daarom moeten worden voorzien van de vaardigheden die nodig zijn om actief aan het ontwerpen van die plannen mee te werken;

AB.  overwegende dat in 2010 slechts 7,5 % van de landbouwers jonger was dan 35 jaar en meer dan 4,5 miljoen landbouwbedrijfsleiders momenteel ouder zijn dan 65 jaar; overwegende dat de artikelen 50 en 51 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 in het kader van het GLB bepalingen omvatten die de opvolging van de landbouwersgeneraties ondersteunen;

AC.  overwegende dat in veel lidstaten vrouwen in plattelandsgebieden slechts beperkte toegang hebben tot de arbeidsmarkt, zowel binnen als buiten de landbouwsector, en dat zij een grotere loonkloof ondervinden dan in andere gebieden, maar dat hun rol nochtans uitermate belangrijk is voor de ontwikkeling en het sociale leven in plattelandsgebieden, met name op landbouwbedrijven die hun activiteiten diversifiëren (hoevetoerisme, kwaliteitsproducten, recreatieve, educatieve en sportactiviteiten en andere diensten); overwegende dat vrouwelijk ondernemerschap in sociaal, economisch en ecologisch opzicht een belangrijke pijler vormt voor duurzame ontwikkeling op het platteland; overwegende dat ongelijke toegang tot grond een factor is die de mogelijkheden van vrouwen beperkt om een bedrijf te beginnen in de landbouwsector; overwegende dat in Europa gemiddeld 29 % van de landbouwbedrijven door vrouwen wordt geleid;

AD.  overwegende dat er in de industriële teelt weinig verschillende gewassen worden verbouwd; overwegende dat lokale soorten en rassen een rol spelen bij het behoud van de biodiversiteit en bij het ondersteunen van het levensonderhoud in de regio's en van de lokale productie;

AE.  overwegende dat het platteland aantrekkelijker moet worden gemaakt voor de jonge generaties en dat daarbij de voorkeur moet uitgaan naar een opleiding die streeft naar innovatie en modernisering van het beroep en de technologieën;

AF.  overwegende dat de FAO het universele kader voor de duurzaamheidsbeoordeling van voedsel- en landbouwsystemen (SAFA) heeft ontwikkeld;

AG.  overwegende dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) kan worden gebruikt voor beroepsopleiding en maatregelen voor het verwerven van vaardigheden in de verschillende bedrijfssectoren op het platteland;

Het huidige GLB

1.  verzoekt alle lidstaten jonge landbouwers langetermijnvooruitzichten te bieden om de ontvolking van het platteland tegen te gaan, een algehele strategie te ontwikkelen voor de opvolging van de generaties en hiertoe volledig gebruik te maken van alle mogelijkheden die worden geboden door het nieuwe GLB om jonge en nieuwe landbouwers te ondersteunen, ook als het geen familieleden zijn, met name via steun van de eerste en tweede pijler aan jonge landbouwers, en door het voor nieuwe starters boven de 40 jaar gemakkelijker te maken om een eigen landbouwbedrijf op te richten; merkt tevens op dat deze maatregelen moeten worden aangevuld met en in overeenstemming moeten zijn met bepalingen die onder de nationale bevoegdheid vallen (grond-, fiscaal, sociaalzekerheidsbeleid, enz.), met inbegrip van steun uit hoofde van de artikelen 50 en 51 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

2.  merkt op dat het merendeel van de rechtstreekse betalingen uit het GLB naar de rijkste landbouwbedrijven gaat, waarbij in 2014 amper 13 % van de begunstigden 74 % van de rechtstreekse betalingen uit het GLB ontving; is van mening dat dit niet bijdraagt tot het scheppen van werkgelegenheid in de landbouw, aangezien kleine landbouwbedrijven arbeidsintensiever zijn en 53 % van de arbeidskrachten in de landbouw werkt op een bedrijf dat als kleinbedrijf is aangemerkt; pleit voor een betere verdeling van de GLB-betalingen aan kleine landbouwbedrijven;

3.  moedigt de lidstaten aan de kleine en middelgrote bedrijven sterker te steunen, met name door vaker gebruik te maken van de herverdelingsbetaling; dringt er tevens op aan beloningssystemen in te voeren voor efficiënt georganiseerde bedrijven en voor bedrijven die gebruikmaken van de rechtsinstrumenten voor het samenvoegen van bedrijven;

4.  is van mening dat het GLB meer rekening moet houden met gebieden met geografische belemmeringen (berggebieden, overzeese gebieden, ultraperifere gebieden, kwetsbare natuurgebieden enz.) omdat de instandhouding van de landbouw er een essentieel instrument voor economische, sociale en ecologische ontwikkeling is, en daarbij de nadruk moet leggen op werkgelegenheid; voegt hier evenwel aan toe dat het GLB ook rekening moet houden met de nieuwe dynamiek die uitgaat van peri-urbanisatie, en peri-urbane gebieden het soort begeleiding moet bieden dat ze gezien hun specifieke kenmerken nodig hebben;

5.  herinnert eraan dat de lidstaten in ruime mate gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om gekoppelde betalingen te verlenen – die, omdat ze het behoud en de ontwikkeling van de productie mogelijk maken, de werkgelegenheid in benadeelde gebieden in stand houden – en verzoekt hen het aandeel van dit type steun voor actieve landbouwers te verhogen, flexibeler te maken en meer te gebruiken om de Europese Unie te bevoorraden met plantaardige eiwitten, een grondstof die zij uit derde landen moet invoeren; wijst er bovendien op dat het bedrag van de vrijwillige gekoppelde betaling ook afhankelijk kan worden gemaakt van het aantal banen dat het betrokken gewas genereert, waardoor de steun meer ten goede zou komen aan arbeidsintensieve teelten;

6.  wijst erop dat in de huidige programmeringsperiode en in overeenstemming met het programma voor plattelandsontwikkeling gerichte steun beschikbaar is voor het verbouwen van lokale soorten en het houden van lokale rassen, waarmee de regionale werkgelegenheid wordt bevorderd en de biodiversiteit wordt ondersteund; verzoekt de lidstaten mechanismen in het leven te roepen in het kader waarvan groepen en organisaties van producenten en landbouwers die lokale soorten en rassen verbouwen en houden, gerichte steun kunnen ontvangen;

7.  herinnert eraan dat de noodzakelijke tenuitvoerlegging van de milieudimensie van de rechtstreekse steun moet plaatsvinden in het kader van duurzaamheid en levensvatbaarheid van de bedrijven en moet bijdragen tot het behoud en het creëren van banen, onder meer op het gebied van behoud van biodiversiteit, plattelandstoerisme en beheer van het platteland, bijvoorbeeld via landgoederen en historische residenties; dringt er bij de EU op aan te zorgen voor vereenvoudiging, en milieuregels op te stellen die op eenvoudige, begrijpelijke en probleemloze wijze kunnen worden toegepast; wijst erop dat de milieudimensie niet mag leiden tot een vermindering of afschaffing van de landbouwproductie, waarvoor met name perifere en berggebieden zeer gevoelig zijn;

8.  is van oordeel dat, gezien de verhoogde mortaliteit bij honingbijen in meerdere EU-lidstaten en de essentiële rol van deze bestuiver voor de voedselvoorziening en de economie bij diverse plantenproducties, de Unie er goed aan doet deze sector meer te steunen door middel van een heuse Europese strategie voor de herpopulatie van de bijen; wijst erop dat een dergelijke ambitie die geen grote investeringen vergt, veel banen zou scheppen, hetzij door diversificatie van de activiteiten op bestaande landbouwbedrijven, hetzij door de oprichting van nieuwe gespecialiseerde landbouwbedrijven, waarvan de deskundigen denken dat elk ervan levensvatbaar is vanaf 200 bijenkorven en die tot doel hebben in de eerste plaats geselecteerde bijenkoninginnen en -volkeren voort te brengen en in de tweede plaats honing te produceren, waaraan er in de Unie trouwens een groot gebrek is; merkt op dat deze benadering, die zich op diverse Europese strategieën – innovatie, sociale inclusie, banencreatie – baseert, volledig in de lijn ligt van de wens om in het gemeenschappelijk landbouwbeleid en in de ontwikkeling van de landbouw duurzaamheid een centralere rol te geven;

9.  merkt op dat de sector, teneinde banen op landbouwbedrijven te behouden, nieuwe instrumenten voor risicobeheer moet gebruiken en het gebruik van instrumenten zoals producentenorganisaties uit hoofde van de integrale GMO en de tweede pijler moet doen toenemen om beter in te spelen op de schommelingen en eisen van de mondiale markt; is van mening dat de marktmaatregelen en de uitzonderlijke crisis- en risicobeheermaatregelen waarin de GMO en de tweede pijler voorzien veel sneller en proactiever moeten worden getroffen, met steun uit de EU-begroting die volgens de behoeften moet zijn aangepast aan de specifieke situatie van de ultraperifere regio's, bergregio's en andere regio's die problemen ondervinden met hun concurrentievermogen, om de negatieve effecten van prijsdalingen op de landbouwinkomens te beperken; wijst erop dat de doelstellingen van de tenuitvoerlegging van de uitzonderlijke crisismaatregelen niet volledig zijn gehaald en dat hierbij meer rekening moet worden gehouden met de bestaande infrastructuur en capaciteit van de lidstaten; spoort de Commissie gezien de recente crisissen aan om snellere en doeltreffendere interventieregelingen uit te werken die de meest negatieve effecten kunnen voorkomen;

10.  verzoekt de Commissie het potentieel van de uitzonderlijke maatregelen uit de artikelen 219 t/m 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ten volle te benutten;

11.  meent dat de interventieprijzen, om hun rol van vangnet te vervullen, regelmatig moeten worden aangepast aan de evolutie van de kostprijzen zodat ze een invloed hebben op de inkomens, het voortbestaan van de activiteit van de producenten en de werkgelegenheid; wil dat de Europese Unie in alle belangrijke productiesectoren preventie-instrumenten van het type observatorium voor de melkmarkt opricht om toe te kunnen zien op de markt zodat de productie kan worden gestuurd en op crisissen kan worden gereageerd met flexibele en reactieve marktbeheerinstrumenten die worden geactiveerd wanneer dit nodig is;

12.  erkent dat korte toeleveringsketens die landbouwers koppelen aan lokale producenten een stimulans kunnen zijn voor het scheppen van nieuwe banen in plattelandsgebieden, en benadrukt dat kwaliteitsregelingen, oorsprongsbenamingen en biologische landbouw een kans bieden om de agrovoedingsindustrie te ontwikkelen en mogelijk werkgelegenheid te scheppen in plattelandsgebieden en als dusdanig niet alleen moeten worden beschermd maar verder moeten worden uitgebouwd om nieuwe banen te creëren en de regionale cultuur en identiteit te behouden; benadrukt dat deze producten betere toegang tot grotere markten moeten krijgen en dat kwaliteits-, bevorderings- en beschermingsmaatregelen moeten worden ingevoerd om de marketing en de opneming ervan in het algemene toeristische productenaanbod van een bepaald gebied te verbeteren; herinnert er, in het licht van wetgevingsvoorstellen die momenteel ter tafel liggen, aan dat deze positieve economische effecten gebaseerd zijn op het vertrouwen van de consument, dat niet mag worden ondermijnd door wijzigingen die als een vermindering van hun kwaliteit zouden kunnen worden gezien; wijst er bovendien op dat de processen om deze kwaliteitsnormen te verkrijgen lastig kunnen zijn en moeten worden vereenvoudigd;

13.  beveelt aan dat de lidstaten meer gebruikmaken van prioriteitsgebied 6 van de tweede pijler dat betrekking heeft op maatregelen inzake het behoud en het scheppen van werkgelegenheid, kennisoverdracht, beroepsopleiding en permanente vorming (met inbegrip van stages, scholing en herscholing op de werkplek van werknemers in de landbouw), zodat zij ook kunnen worden ingezet voor andere werkzaamheden in plattelandsgebieden, alsook van maatregelen inzake advies en bijstand bij het beheer om de economische en ecologische prestaties van de landbouwbedrijven te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen voor opleiding ter ondersteuning van landbouwers en werknemers in de landbouwsector en op het platteland opdat zij veelzijdiger worden en hun activiteiten en initiatieven kunnen diversifiëren, alsook ter ondersteuning van innovatie;

14.  merkt op dat de huidige programma's voor plattelandsontwikkeling veel minder de nadruk leggen op sociale projecten die opkomen voor werkgelegenheid, in vergelijking met deze van de vorige programmaperiode 2007-2013, dat dit te verklaren is door de maatregelen die de lidstaten voor hun programma's voor plattelandsontwikkeling hebben gekozen en door de kleinere omvang van de middelen voor maatregelen die een directe invloed op de werkgelegenheid hebben; dringt daarom aan op meer flexibiliteit bij de uitvoering van het plattelandsbeleid;

15.  is van mening dat het nodig blijkt om de toepassing van het beleid voor plattelandsontwikkeling te vereenvoudigen, om te kiezen voor een meer samenhangende benadering van het meerfondsentype en de tekortkomingen van te pietluttige, door de diensten van de lidstaten en van de Commissie opgelegde administratieve en financiële controles te vermijden;

16.  vraagt de lidstaten om meer ruchtbaarheid te geven aan de mogelijkheden van de tweede pijler van het GLB om de activiteiten in plattelandsgebieden te diversifiëren (bijv. hoevetoerisme, opwekking van hernieuwbare energie);

17.  herinnert eraan dat er noch door het nationale noch door het EU-beleid voldoende rekening wordt gehouden met de aan innovatie inherente risicofactor en dat dit verschijnsel een belemmering vormt voor innovatie en banencreatie, met name voor veel actoren die niet voldoende financiële draagkracht hebben om hun innovatieve projecten tot een goed eind te brengen;

18.  benadrukt dat plattelandsontwikkeling en het creëren van werkgelegenheid hand in hand gaan en dringt bijgevolg bij de lidstaten en de regio's aan op de optimalisering van het potentieel van de lokale en regionale instanties, die het best bekend zijn met de problemen en kansen van hun eigen gebied, om de doelstellingen van de tweede pijler te verwezenlijken en de prioriteiten van het GLB te eerbiedigen, met inbegrip van de bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling; herinnert aan de mogelijkheid om de programma's voor plattelandsontwikkeling en de operationele programma's opnieuw te richten op het creëren en het behoud van werkgelegenheid en op de verbetering van het dienstenaanbod op het platteland, en verzoekt de Commissie hen te begeleiden om deze doelstelling te verwezenlijken; wijst op de aanpassing van modellen van de deeleconomie in plattelandsgebieden om de werkgelegenheid te stimuleren, de landbouwactiviteiten efficiënter te maken en de kosten te verminderen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ondernemingen en coöperaties in de sociale economie te ondersteunen, waaronder ook de sociale landbouw(2), teneinde de maatschappelijke integratie en de werkgelegenheid in plattelandsgebieden te stimuleren; wijst op de acties in het kader van het Initiatief voor sociaal ondernemerschap en verzoekt de Commissie de bijdrage van de sociale economie aan de ontwikkeling van het platteland te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van een actieplan voor de sociale economie;

20.  benadrukt dat de bevordering van de demografische ontwikkeling en de gezinsvriendelijkheid van het platteland meer nadruk moet krijgen om gezinnen te ondersteunen en het gemakkelijker te maken om gezin en beroep te combineren, ook in verband met vragen betreffende de arbeidsmarkt en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden;

21.  wijst erop dat het noodzakelijk is actieve maatregelen en actief beleid te bevorderen om de positieve rol van immigratie bij het stimuleren van de economische groei en het bevorderen van de sociale samenhang in plattelandsgebieden te benadrukken;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen te nemen om de plattelandsgebieden op te waarderen door het toerisme te ontwikkelen dat, met de nodige structuur en stimuli, een motor van culturele, sociale en economische groei kan zijn in gebieden die rijk zijn aan natuur, landschappen, cultuur en agrovoedingsmiddelen; beklemtoont dat de ontwikkeling van toerisme in plattelandsgebieden en de (didactische, culturele, recreatieve) diversificatie van de landbouwactiviteiten ook een stimulans zijn voor de jonge generaties om het platteland opnieuw te "omarmen", met zin voor initiatief en ondernemerschap gericht op innovatie en opwaardering van de typische producten;

23.  benadrukt dat de totstandbrenging van synergieën tussen de verschillende beleidsgebieden, met de steun van het Elfpo en andere Europese fondsen, van cruciaal belang is om de uitdaging het hoofd te bieden om werkgelegenheid te creëren in plattelandsgebieden en om ervoor te zorgen dat de landbouw weer een erkende en structurele plek krijgt in de regionale dynamiek; merkt op dat de middelen van de tweede pijler kunnen worden gebruikt als een dynamisch financieel instrument om meer synergieën tot stand te brengen met alternatieve financieringsbronnen en -programma's, en deze toegankelijk te maken voor plattelandsgebieden om er de connectiviteit, concurrentiekracht en economische diversificatie te verbeteren en het ondernemerschap te ondersteunen, waarbij rekening wordt gehouden met het behoud van de cultuur en de identiteit van plattelandsbewoners;

24.  benadrukt dat kleine bedrijven die in handen zijn van het bedrijfshoofd steeds meer onder druk komen te staan doordat investeerders landbouwgrond aankopen; benadrukt dat het behoud van de bebouwde oppervlakte en de toegang tot grond van cruciaal belang zijn voor de oprichting en uitbreiding van landbouwbedrijven alsook voor het behoud van de werkgelegenheid in plattelandsgebieden; wijst erop dat uit het verslag van de Commissie van november 2015 over de behoeften van jonge landbouwers blijkt dat het grootste probleem voor jonge landbouwers en starters in de landbouwsector de beperkte beschikbaarheid is van grond die ze kunnen kopen of pachten; verzoekt de lidstaten daarom goede praktijken uit te wisselen en instrumenten te ontwikkelen om de toegang tot grond mogelijk te maken in plattelandsgebieden met een hoge werkloosheid, bijvoorbeeld door middel van participatief gebruik en beheer van landbouwgrond volgens de nationale gebruiken, of via de oprichting van een systeem voor het beheer van en informatieverstrekking over ongebruikte grond of grond die voor de landbouw kan worden gebruikt, waarvan jonge landbouwers en vrouwen met voorrang gebruik kunnen maken;

25.  vindt het belangrijk dat de programma's voor plattelandsontwikkeling meer inzetten op de betrekkingen tussen het platteland en de stad om samenwerking te stimuleren, afzetmarkten te openen voor bedrijven in plattelandsgebieden die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling ervan en voor de creatie van banen; vindt ook dat in de betrekkingen tussen stad en platteland een belangrijke rol is weggelegd voor kleine stadjes omdat ze de inwoners van de omliggende plattelandsgebieden toegang bieden tot basisdiensten, en dat de lidstaten hiertoe in het kader van hun territoriaal beleid ook de diensten in kleine stadjes moeten steunen;

26.  roept op tot de vaststelling van bindende regels inzake eerlijke betalingen in de voedselvoorzieningsketen voor voedselproducenten, groothandelaren en verwerkers om ervoor te zorgen dat de landbouwers een passend aandeel van de toegevoegde waarde krijgen dat hen in staat stelt om duurzame landbouw te bedrijven;

27.  beklemtoont dat de bosbouwsector, die tegenwoordig in Europa te weinig wordt geëxploiteerd, een echte bron van werkgelegenheid vormt waarvan op diverse manieren beter gebruik moet worden gemaakt in de hele houtsector; benadrukt ook dat Europa kampt met ernstige bevoorradingstekorten voor wat betreft hout en dat er moet worden geïnvesteerd in de infrastructuur die voor de ontwikkeling van de bosbouwsector noodzakelijk is;

28.  beklemtoont dat de toegang tot grond een essentiële voorwaarde is voor het oprichten en uitbreiden van een landbouwbedrijf; wijst erop dat de toegang tot grond het grootste probleem is voor jonge landbouwers die een landbouwbedrijf willen oprichten;

Het toekomstige GLB na 2020

29.  benadrukt dat de GLB-procedures moeten worden vereenvoudigd en over voldoende middelen moeten blijven beschikken, op zijn minst op het huidige niveau waaruit de aanzienlijke Europese toegevoegde waarde van het beleid blijkt, om op de lange termijn daadwerkelijk een rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van de werkgelegenheid in een gediversifieerde Europese land- en bosbouwsector, waarbij duurzame ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van de plattelandsgebieden worden bevorderd; beklemtoont dat het beleid voor plattelandsontwikkeling, waarmee directer en doeltreffender kan worden ingegrepen om de sociale uitsluiting bij plattelandsbewoners te verminderen en de werkgelegenheid en de dynamiek van de plattelandsgebieden te verbeteren, geleidelijk moet worden versterkt, zonder de steun van de eerste pijler opnieuw in vraag te stellen, die ook op een andere manier zal moeten worden georganiseerd om onder meer te zorgen voor een betere werking en een grotere stabiliteit van de markten, wat onontbeerlijk is om de landbouwinkomens, het Europees landbouwmodel en de voedselvoorziening veilig te stellen en de aantrekkelijkheid van de plattelandsgebieden (door in te spelen op de levenskwaliteit) ten opzichte van stedelijke gebieden te handhaven;

30.  benadrukt dat in het GLB een groot belang moet worden gehecht aan instrumenten die gericht zijn op modernisering en investering die het concurrentievermogen van in plattelandsgebieden gevestigde economische sectoren (waaronder de agrolevensmiddelen-, de energie-, de verwerkende, de diensten- en de sociale sector) op een duurzame manier garanderen, overeenkomstig de milieuregels, en er op die manier voor zorgen dat banen in stand kunnen worden gehouden; wijst erop dat die instrumenten het ook mogelijk zullen maken om de kloof verder te dichten tussen de lidstaten en tussen de regio's met betrekking tot agrarische en plattelandsontwikkeling;

31.  wijst op het belang van de toeristische sector als bron van inkomsten voor landbouwers (bijv. boerderijvakanties); dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan programma's op te richten die investeringen en ondernemerschap ondersteunen; meent dat het belangrijk is om de betrokken boerderijen te ondersteunen met behulp van toerismecampagnes;

32.  neemt nota van de tot dusver toegepaste maatregelen ter vereenvoudiging van het GLB, maar spoort de Commissie aan om meer maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren voor grotere evenredigheid en flexibiliteit met betrekking tot de vermindering van de administratieve rompslomp van het GLB en de toename van de productiviteit op de landbouwbedrijven;

33.  beklemtoont dat er grenzen zijn aan wat er uit hoofde van het GLB kan worden verwezenlijkt, aangezien zijn voornaamste doel voedselvoorzieningszekerheid is, en dat een doeltreffende aanpak van de vele uitdagingen in verband met het scheppen en behouden van werkgelegenheid in plattelandsgebieden een bredere, beleidsoverschrijdende benadering op zowel het regionale niveau als het niveau van de lidstaten vergt;

34.  verzoekt de Commissie een concurrentieel en duurzaam Europees landbouwmodel te ondersteunen, dat gebaseerd is op gediversifieerde en multifunctionele familiebedrijven, waarbij het behoud van de werkgelegenheid met eerlijke lonen in de plattelandsgebieden centraal staat en bijzondere nadruk ligt op gebieden met specifieke beperkingen zoals erkend in artikel 349 van het VWEU, en waarbij voor de productie van zowel voedsel als niet voor voeding bestemde producten de voedselzekerheid en de voedselveiligheid worden gewaarborgd om de gezondheid te beschermen;

35.  roept de lidstaten op instrumenten voor observatie en grondreglementering uit te werken teneinde de grondmarkten beter te kennen en een einde te kunnen maken aan het frequent voorkomende verschijnsel van het concentreren of opkopen van grond en productiemiddelen;

36.  beklemtoont dat de ontwikkeling, het op de markt brengen en de verkoop van landbouwproducten van hoge kwaliteit moeten worden aangemoedigd; vraagt initiatieven om nieuwe markten open te stellen en operationele productprogramma's en marketingcampagnes in te voeren om te zorgen voor de productdiversificatie en de concurrentiekracht van de Europese voedselketen;

37.  is van oordeel dat het GLB rekening moet houden met alle soorten Europese landbouw en met alle plattelandsgebieden, ook de meest benadeelde en meest kwetsbare (berggebieden, ultraperifere regio's enz.), om een optimale opwaardering van al hun rijkdommen te waarborgen; is van mening dat dit ook inhoudt dat verlaten landbouwgronden opnieuw in gebruik moeten worden genomen;

38.  wijst erop dat de diversificatie van de landbouw en regionale nichemarkten de werkgelegenheid in plattelandsgebieden doen toenemen en garanderen; vraagt initiatieven om de diversificatie van landbouwbedrijven te ondersteunen (bijv. direct marketing van landbouwproducten) en van de plattelandseconomie in het algemeen (bijv. vergemakkelijken van de omschakeling van landbouwwerkzaamheden naar andere vormen van tewerkstelling);

39.  is van mening dat de middelen van het toekomstige GLB meer moeten worden ingezet om het verlies aan kleine en middelgrote landbouwbedrijven en in producentenorganisaties verenigde familiebedrijven af te remmen omdat deze in het algemeen gediversifieerder, zuiniger en autonomer zijn, gemakkelijker kunnen worden overgedragen, op efficiëntere wijze waarde toevoegen en werkgelegenheid creëren en belangrijke economische en sociale pijlers van hun regio zijn, en dat specifieke steun moet blijven worden toegekend aan gebieden met specifieke beperkingen zoals erkend in artikel 349 van het VWEU;

40.  wijst erop dat de rechtstreekse GLB-betalingen alleen mogen worden toegewezen aan personen voor wie landbouw de hoofdactiviteit is;

41.  wijst erop dat de zoektocht naar werkgelegenheidsoplossingen bij economische krimp in de ultraperifere regio's wordt gehinderd door het gebrek aan interconnectiviteit en is, gezien het belang van de landbouw in deze regio's, van mening dat de fondsen van het toekomstige GLB deze gebieden, die met specifieke beperkingen te maken hebben zoals erkend in het VWEU, positief moeten discrimineren omdat dit een hefboomwerking zal hebben voor de bevordering van aanverwante activiteiten, zoals de agro-industrie, het toerisme, het natuurbehoud, de energieproductie en de circulaire economie, op een wijze die de meerfondsenstrategie aanvult; benadrukt dat in deze strategie rekening moet worden gehouden met de positieve differentiatiefactoren die zijn vastgesteld voor de ultraperifere regio's, die kunnen fungeren als laboratorium voor originele innovatieve landbouwoplossingen die ook kunnen worden toegepast in minder extreme en meer algemene situaties, met betrekking tot landbouwstructuur, bodem- en klimaatomstandigheden en karakteristieke biodiversiteit;

42.  is van mening dat groepslandbouw moet worden gepromoot en financieel gesteund omdat hij toelaat de productiekosten van de bedrijven te verminderen, in het bijzonder de mechanisatiekosten, maar ook omdat hij de solidariteit tussen landbouwers en de overdracht van innovatieve oplossingen, vakkennis en goede praktijken bevordert, wat een voor de ontwikkeling en werkgelegenheid gunstige dynamiek doet ontstaan;

43.  verzoekt de Commissie de diversificatie en concurrentiekracht van kleine landbouwbedrijven te stimuleren, ook met het oog op zorgboerderijen en een servicegerichte landbouw;

44.  benadrukt dat het van belang is dat het GLB de positieve bijdrage van de landbouw in termen van werkgelegenheid en milieu meer ondersteunt en dat het de biologische en biologisch-dynamische landbouw en alle andere vormen van duurzame productie, met inbegrip van geïntegreerde landbouw en boslandbouw in het kader van de agro-ecologie efficiënter ondersteunt, wat inhoudt dat de huidige regelgeving wordt vereenvoudigd en dat regelgeving wordt aangenomen die in de toekomst op eenvoudige, begrijpelijke en probleemloze wijze kan worden toegepast; is van oordeel dat de waarde van deze positieve bijdrage aan de werkgelegenheid en het milieu die voor de hele samenleving van belang is, een element is dat voor de landbouwinkomens in aanmerking moet worden genomen;

45.  haalt het positieve voorbeeld van de ecodistricten aan of van gebieden waar via een gecoördineerd geheel van maatregelen de biologisch geteelde producten van de plaatselijke landbouw en veeteelt worden geëxploiteerd, of van al die economische activiteiten die eruit voortvloeien (ondernemingen uit de agrovoedingsindustrie, de horeca- en toerismesector), en wijst erop dat dit instrument al heeft bewezen gunstig te kunnen zijn voor de lokale inkomens en voor de bevordering van bodembescherming dankzij landschapsbehoud en het voortzetten van de traditionele producties;

46.  wijst op het potentieel van duurzame landbouw en voedselsystemen, met name biologische landbouw, en van het duurzame beheer van bodem, water, biodiversiteit en plattelandsinfrastructuur voor het behoud en de ontwikkeling van behoorlijke werkgelegenheid in de landbouw en een gezonde plattelandseconomie;

47.  is van mening dat het waarborgen van de voedselzekerheid in de Europese Unie de leidraad van het toekomstige GLB moet blijven, zonder evenwel de externe markten te negeren; is in dit opzicht van oordeel dat handelsovereenkomsten een reëel risico, maar ook kansen kunnen inhouden voor de Europese landbouw, en dat vrijhandelsovereenkomsten niet mogen leiden tot oneerlijke concurrentie voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven en de lokale economie en werkgelegenheid niet mogen ondermijnen;

48.  is van mening dat de EU-steun voor projecten bij nieuw opgerichte verenigingen van groente- en fruittelers in ere moet worden hersteld teneinde de momenteel ontoereikende organisatie in de groente- en fruitsector te verbeteren;

49.  benadrukt dat de Europese Unie in een context van grote onzekerheid over de toekomst van de landbouwprijzen, die veranderlijk en laag zijn, de doelstellingen van het Verdrag betreffende het GLB moet verwezenlijken door actiever op te treden om de grillige bewegingen van de markten te corrigeren indien deze falen, en om de veerkracht en het concurrentievermogen van de landbouwsector te waarborgen door doeltreffende vangnetten en systemen voor crisisvoorkoming en -beheer te creëren om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, evenals risicobeheerinstrumenten op basis van nieuwe, innovatieve systemen waarbij de landbouwers zelf bij de financiering zijn betrokken; is van mening dat het financieringsaandeel van maatregelen om de landbouwmarkten te stabiliseren moet worden vergroot, en met name dat het GLB ook de verzekeringssystemen moet versterken die de landbouwers tegen klimaat-, gezondheids- en economische risico's kunnen beschermen; is van mening dat de Europese Unie gezien de risico's verbonden aan de opwarming van de aarde alles in het werk moet stellen om de positieve rol te vergroten die de landbouw dankzij agronomische middelen en een beter bodembeheer met het oog op een betere koolstofvastlegging kan spelen, en dat het belangrijk is de landbouwers technisch en financieel bij te staan om hen in staat te stellen geleidelijk om te schakelen naar nieuwe praktijken en innovaties;

50.  benadrukt bovendien dat rechtstreekse betalingen na 2020 een GLB-instrument moeten blijven om het inkomen van landbouwers te ondersteunen en te stabiliseren, om de kosten van het naleven van de hoge EU-normen (met betrekking tot productiemethoden en met name milieuvoorschriften) te compenseren en om de landbouwproductie in de meest achtergestelde regio's in stand te houden; wijst erop dat de rechtstreekse betalingen bijgevolg moeten worden gericht op de economische stabiliteit van de landbouw en op de voedsel- en de milieuveiligheid; wijst er in dit verband op dat het van cruciaal belang is om de hoogte van de rechtstreekse betalingen gelijk te trekken om te zorgen voor gelijke voorwaarden voor mededinging op de interne markt en voor de duurzame exploitatie van de agrarische hulpbronnen op EU-niveau;

51.  is van mening dat het GLB, gezien de grote verschillen in de mate van samenwerking tussen landbouwers in de afzonderlijke lidstaten en gezien het feit dat een gebrek aan samenwerking schadelijk is voor het vermogen van landbouwers om crisissituaties en marktdruk te weerstaan, de ontwikkeling van samenwerking tussen landbouwers uitvoerig moet bevorderen, met name in de producerende en verwerkende sectoren;

52.  dringt erop aan dat de lidstaten in het kader van de tweede pijler van het GLB voorrang geven aan het Europees innovatiepartnerschap (EIP); verzoekt de Commissie voorrang te geven aan Horizon 2020 en te zorgen voor betere toegang voor landbouwers tot de financieringsmogelijkheden van de EIB, alsook voor steun voor innoverende en duurzame land- en bosbouwmodellen voor de productie van goederen en diensten op het gebied van food en non-food (hernieuwbare energie, bio-economie, plattelandstoerisme, nieuwe perspectieven voor landbouwers voor de levering van grondstoffen in het industriële tijdperk na de aardolie), en voor de ontwikkeling van de hulpbronnen van elk plattelandsgebied;

53.  is er vast van overtuigd dat het ook in de toekomst nodig zal zijn om voortgezette beroepsopleiding te bevorderen voor landbouwers en agrarisch personeel en om ervoor te zorgen dat wetenschappelijke kennis en innovaties worden verspreid, teneinde aanpassing aan de veranderende omgeving mogelijk te maken en het makkelijker te maken om economische activiteiten te ontplooien;

54.  is van mening dat initiatieven van onderop (bottom-up) voor plaatselijke ontwikkeling van het type Leader/CLLD hun nut hebben bewezen wat betreft het aantal gecreëerde banen en de geringe overheidsuitgaven per gecreëerde baan, en dat zij daarom in alle lidstaten moeten worden versterkt, bevorderd en via een meerfondsenbenadering ten uitvoer gelegd, waarbij ook de rol van de lokale en regionale instanties wordt versterkt; benadrukt heel in het bijzonder de rol van de verantwoordelijken van de plaatselijke groepen als technische en dienstverleningssteun ter ondersteuning van de opstart van werkgelegenheidsvriendelijke projecten; vraagt dat deze plaatselijke groepen een zo groot mogelijke autonomie krijgen om zo doeltreffend mogelijk te kunnen zijn; voegt eraan toe dat er een mechanisme moet worden gecreëerd om de daadwerkelijke betrokkenheid van de sociale actoren te garanderen, en verzoekt de Commissie modellen van goede praktijken in verband met transnationale LEADER II-projecten voor te stellen;

55.  merkt op dat de moeilijke toegang tot informatie over de relevante nationale en EU-programmering en -financiering een obstakel vormt voor de ontwikkeling van de plattelandseconomie;

56.  eist dat de investeringen die ter ondersteuning van de werkgelegenheid op het platteland zijn gepland in het beleid voor plattelandsontwikkeling, bij voorkeur worden ingezet voor werkgelegenheid, veranderingen inzake werkloosheid, de doeltreffendheid van de begunstigde bedrijven en het creëren van stimuli voor aanwervingen, en beveelt aan dat de programma's voor plattelandsontwikkeling ook een versterking van de microfinanciering inhouden aangezien dit een bijzonder nuttig instrument is om landbouwbedrijven en niet-landbouwbedrijven in hun opstartfase te helpen;

57.  beklemtoont dat het belang van de tweede pijler voor het scheppen van banen kan worden bevorderd door meer flexibiliteit toe te staan afhankelijk van de regiospecifieke behoeften;

58.  is van mening dat er ook in de toekomst geregionaliseerde kwaliteitsvoedselsystemen die niet-verwerkte of verwerkte levensmiddelen voortbrengen, moeten worden ontwikkeld door te appelleren aan het sociale bewustzijn van de actoren – allemaal samen verenigd als producenten, verwerkers, distributeurs en consumenten, of alleen als producenten- en consumentengemeenschappen of door alle economische actoren in de agrovoedings- en voedingstoerismesector bijeen te brengen – en hen aan te moedigen om kwalitatieve en contractuele stappen te ondernemen die gericht zijn op voedselvoorziening en -veiligheid, alsook op een billijk inkomen opdat de landbouwers fatsoenlijk van hun beroep kunnen leven en de werkgelegenheid op hun bedrijf in stand kunnen houden; merkt op dat deze voedselsystemen in het bijzonder, maar niet uitsluitend, de vorm kunnen aannemen van korte circuits en/of plaatselijke markten; is van mening dat in de toekomst meer EU-middelen moeten worden toegewezen aan de ontwikkeling en exploitatie van bepaalde speciale voedselkwaliteitsystemen, alsook aan de verdere ontwikkeling van de wereldwijd vermaarde Europese gastronomie; meent dat het hiervoor onontbeerlijk is het juridisch kader van openbare aanbestedingen beter aan te passen zodat de lagere overheden de plaatselijke producties kunnen begunstigen;

59.  vestigt de aandacht op de behoefte aan aanvullende steun voor de landbouw en voor het scheppen van agrarische banen in achtergestelde gebieden en aan de buitengrenzen van de EU;

60.  is van oordeel dat collectieve vormen met meerdere partners die landbouwers en andere plattelandsactoren verenigen, moeten worden aangemoedigd omdat ze diverse activiteiten kunnen ontwikkelen die direct en indirect werkgelegenheid genereren, zoals de structurering van food- en non-foodketens op plaatselijk niveau en de totstandbrenging van allerlei diensten (plattelandstoerisme, onderhoud van openbare en private ruimtes enz.);

61.  meent dat de Commissie en de lidstaten landbouwers via het GLB en andere beleidsmaatregelen stimulansen moeten geven om hun inkomstenbronnen te diversifiëren en zich aldus te beschermen tegen achteruitgang op de markt; meent dat ecotoerisme, de ontwikkeling van hernieuwbare energie zoals wind- en zonne-energie die waarde toevoegen aan de landbouwproducten door hun verwerking, en boerderijwinkels zich lenen voor dergelijke diversificatie;

62.  dringt bij de Commissie aan op meer ondersteuning voor lokale coöperaties om hen te helpen opnieuw controle te krijgen over hun prijzen en producten;

63.  merkt op dat de toeristische sector veel mogelijkheden biedt om inkomens en directe en indirecte werkgelegenheid te genereren in de landbouw en in de plattelandsgebieden en tegelijk het historisch, cultureel, gastronomisch, landschappelijk en ecologisch erfgoed van elke regio te valoriseren; wijst er ook op dat de aantrekkelijkheid voor toeristen niet alleen in de historische bekendheid van een regio ligt, maar steeds meer in de kwaliteit van haar voedingsproducten, landschappen en milieu; is van mening dat de toeristische sector om al deze redenen nog meer moet worden ondersteund door het beleid voor plattelandsontwikkeling;

64.  beklemtoont dat de uitdagingen verbonden aan de klimaatverandering en het milieu waarschijnlijk grote openbare en private investeringen zullen vergen die nieuwe banen zullen creëren en ook nieuwe beroepen zullen doen ontstaan om de rijkdommen van de plattelandsgebieden te behouden en te beschermen, de kwaliteit van aangetaste ecosystemen opnieuw te verbeteren, overstromingen en branden op een meer doeltreffende manier te bestrijden en de water-, bodem- en luchtkwaliteit en de biodiversiteit beter te beschermen; merkt op dat de landbouw en de andere actoren op het platteland hiervoor zonder enige twijfel zullen moeten samenwerken, maar dat dit voor de landbouwers vooral nieuwe mogelijkheden biedt om hun inkomens te diversifiëren;

65.  verzoekt de Commissie de sociale gevolgen van de huidige landbouwcrisis te beoordelen, met name op het vlak van banenverlies, vooral in plattelandsgebieden; verzoekt de lidstaten na te gaan hoe het concurrentievermogen van de landbouw kan worden verbeterd zodat de sector banen kan scheppen en meerwaarde kan genereren die eerlijk wordt verdeeld over de landbouwsector en de voedingsmiddelenindustrie, waarbij eerlijke concurrentie wordt gewaarborgd en de schade wordt beperkt als gevolg van sociale dumping en atypische arbeidsvoorwaarden waardoor bepaalde groepen verhoudingsgewijs meer worden getroffen; merkt op dat veel gezinsleden in familiale landbouwbedrijven geen sociaal statuut hebben, niet juridisch erkend worden of niet onder een stelsel van sociale bescherming vallen; benadrukt dat landbouwbedrijven zich moeten houden aan de nationale sociale en arbeidswetgeving; is van mening dat elk initiatief om aanvullende voorwaarden voor betalingen uit de eerste pijler van het GLB in te voeren, de administratieve belasting van landbouwers aanzienlijk zou verhogen en het banenscheppend potentieel zou beperken; dringt aan op een grotere rol van de sociale partners, zij aan zij met de beheersautoriteiten, en verzoekt de lidstaten de sociale rechten van landbouwers te erkennen en te garanderen, waarbij wordt gewaarborgd dat alle werknemers in de landbouw, voltijds of deeltijds, onder een stelsel van sociale bescherming vallen; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2014/36/EU inzake seizoenarbeiders in nationale wetgeving om te zetten; vraagt dat de nationale instanties voor veiligheid en gezondheid middelen krijgen om informatie over veiligheid in de landbouw te verspreiden;

66.  verzoekt de Commissie om invoering van de indicatoren die de FAO in haar duurzaamheidsbeoordeling van voedsel- en landbouwsystemen (SAFA) heeft voorgesteld, met name die in verband met werkgelegenheid en maatschappelijk welzijn;

67.  wijst erop dat de gemiddelde Europese landbouwer slechts 12 hectare grond bezit en dat 70 % van de landbouwbedrijven over een areaal van minder dan 5 hectare beschikt; merkt op dat landbouwbedrijven zich vanwege hun omvang en structuur niet altijd kunnen veroorloven om voltijdse werknemers of hoog opgeleide werkkrachten in te schakelen; spoort de Commissie en de lidstaten dan ook aan maatregelen te treffen om werkgeversgroeperingen te bevorderen;

68.  acht het onontbeerlijk ervoor te zorgen dat er publieke en particuliere diensten zijn zodat de aantrekkelijkheid van de plattelandsgebieden wordt gewaarborgd en de werkgelegenheid in deze gebieden kan worden behouden en verder ontwikkeld; is van mening dat de bewoners van plattelandsgebieden recht hebben op gelijke toegang tot openbare dienstverlening van goede kwaliteit, zoals onderwijs, sociale diensten en gezondheidszorg; acht het van essentieel belang dat alle lokale en (in voorkomend geval) regionale geledingen van de overheidsinstanties en de privésector samenwerken om investeringen te bevorderen en ervoor te zorgen dat plattelandsgebieden en afgelegen gebieden beschikken over essentiële infrastructuur zoals openbare en particuliere vervoersverbindingen, energievoorzieningszekerheid en betrouwbare en snelle breedbandtechnologie, alsook over financiële en kredietregelingen voor ondernemers, micro-ondernemingen en kmo's op het platteland, want als deze infrastructuur er niet is, zullen ondernemingen en gezinnen op het platteland voortdurend in het nadeel worden gesteld en zal de migratie naar stedelijke gebieden voortduren;

69.  is ten aanzien van de recente uitbraken van dierziekten en de recente voedselveiligheidschandalen, zoals de E. coli-uitbraak van 2011, het paardenvleesschandaal van 2013 en het huidige schandaal rond namaakhoning, van mening dat het bedrag dat wordt besteed aan voedsel- en diervoederveiligheid – zoals opgenomen in rubriek 3 van het meerjarig financieel kader – aanzienlijk moet worden verhoogd, aangezien het bedrag van 1,93 miljard EUR dat voor de huidige periode van zeven jaar is toegewezen volstrekt ontoereikend is;

70.  beklemtoont dat landbouwers in ruime mate worden geconfronteerd met aan het GLB gerelateerde administratieve kosten en dat deze sterk verschillen in de lidstaten onderling; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de administratieve lasten te verminderen door buitensporige bureaucratie tegen te gaan, het GLB te vereenvoudigen en te zorgen voor een kostenbesparende omzetting ervan;

71.  benadrukt dat de toegang tot basisdiensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting, en het behoud van deze diensten voorwaarden zijn die bepalen of een voor banencreatie gunstig milieu kan ontstaan en die beantwoorden aan de essentiële behoeften van de mensen die in plattelandsgebieden wonen;

72.  acht het onontbeerlijk dat aan de overheid wordt gevraagd om in plattelandsgebieden diensten voor advies en bijstand bij het beheer van landbouwbedrijven aan te bieden om de Europese landbouwsector te moderniseren;

73.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de gelijkheid van vrouwen op de arbeidsmarkt en de verenigbaarheid van werk en gezin in plattelandsgebieden aan te moedigen en te ondersteunen, met name op het vlak van lonen en sociale en pensioenrechten, bevordering van nieuwe kwalificaties en vooruitzichten en kansen voor vrouwen op werk in de landbouw en daarbuiten, overeenkomstig het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie in het EU-beleid en de EU-programma's; roept hen tevens op beter gebruik te maken van de mogelijkheden voor doelgerichte online informatieplatforms, maatregelen en steun voor nieuwe en reeds gevestigde vrouwelijke landbouwers en vrouwen op het platteland, met name in het kader van het Elfpo en andere EU-fondsen die de ontwikkeling van projecten bevorderen, en bij te dragen aan het behoud van essentiële infrastructuur en diensten die van belang zijn voor het dagelijks leven op het platteland, en zo de plattelandsvlucht van vrouwen te helpen intomen; vraagt tevens aandacht voor het feit dat met name in plattelandsgebieden duurzame strategieën nodig zijn om netwerken en organisaties van vrouwen en hun rol bij de besluitvorming in de landbouw en in plattelandsgebieden te behouden, te bevorderen en te ondersteunen; dringt verder aan op eenvoudiger toegang tot onderwijs, financiering en informatie om initiatieven van vrouwelijke ondernemers (bijvoorbeeld via elektronisch zakendoen) en het bezit en de ontwikkeling van een eigen bedrijf op het platteland te vergemakkelijken;

74.  dringt er bij de lidstaten op aan de rol van de sociale partners en organisaties die samenwerken met de autoriteiten te versterken bij het toezicht op de naleving van de arbeidswetgeving, de bestrijding van zwartwerk en de naleving van sociale en veiligheidsnormen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van migrantenwerknemers, met inbegrip van vrouwelijke seizoenarbeiders, migranten en vluchtelingen; roept op tot de invoering van mechanismen die garanderen dat vrouwen kunnen deelnemen aan alle niveaus van het proces;

75.  herinnert eraan dat het landbouwareaal in de EU elk jaar slinkt; benadrukt dat het behoud van landbouwgrond van essentieel belang is om de werkgelegenheid op het platteland in stand te houden; verzoekt de lidstaten betere toegang tot grond te bevorderen in plattelandsgebieden met hoge werkloosheidscijfers, en roept er in dit verband toe op maatregelen te nemen zodat jonge vrouwelijke landbouwers toegang tot krediet hebben en kunnen deelnemen aan landbeheer;

76.  vestigt de aandacht op het feit dat 45 % van de op landbouwbedrijven werkzame arbeidskrachten vrouw is; verzoekt de Commissie de definitie van "agrarisch familiebedrijf" te herzien, zodat opleidingen en professioneel advies, evenals kapitaal en toelagen, voor vrouwen toegankelijker worden;

77.  verzoekt de relevante nationale, regionale en lokale overheden de deelname van vrouwen aan plaatselijke actiegroepen en de ontwikkeling van plaatselijke partnerschappen in het kader van het Leader-programma aan te moedigen en zorg te dragen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in hun bestuursraden;

o
o   o

78.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)Eurostat, 2016.
(2) cf http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.nat-opinions.25458

Juridische mededeling