Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 22 november 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Oekraïne en Europol *
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh
 Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden ***II
 Toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten *
 Jaarverslag 2015 van de Europese Centrale Bank
 Groenboek over financiële diensten voor consumenten
 Europese defensie-unie
 Het aanboren van het potentieel van personenvervoer over water
 De doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroten

Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Oekraïne en Europol *
PDF 240kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese Politiedienst (Europol) van de Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Oekraïne en Europol (10345/2016 – C8-0267/2016 – 2016/0811(CNS))
P8_TA(2016)0428A8-0342/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10345/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0267/2016),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol)(1), met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0342/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de inwerkingtreding van de nieuwe Europolverordening(4) de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van die beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.
(4) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh
PDF 162kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh (2016/2115(IMM))
P8_TA(2016)0429A8-0318/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh, dat op 14 april 2016 door de Franse minister van Justitie werd ingediend in verband met een gerechtelijk onderzoek (dossier No 14142000183) door het parket bij de arrondissementsrechtbank van Nanterre, naar aanleiding van een door de vereniging ‘Maison des potes – Maison de l’égalité’ gedane aangifte van aanzetten tot discriminatie op grond van ras of religie, welk verzoek op 8 juni 2016 in de plenaire vergadering werd aangekondigd,

–  na Jean-François Jalkh te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek, zoals gewijzigd bij constitutionele wet van 4 augustus 1995 nr. 95-880,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0318/2016),

A.  overwegende dat de openbaar aanklager bij het hof van beroep van Versailles verzocht heeft om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-François Jalkh, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafzaak wegens feiten waarvan hij wordt verdacht;

B.  overwegende dat om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh wordt verzocht omdat hij wordt verdacht van aanzetten tot discriminatie op grond van nationaliteit, ras of religie, mondeling of in geschrifte dan wel via elektronische communicatiemiddelen, door onbekende(n), in Frankrijk strafbaar gesteld bij de artikel 24, lid 8, artikel 23, lid 1, en artikel 42 van de wet van 29 juli 1881, en artikel 93, lid 3, van wet nr. 82-652 van 29 juli 1982, met de sancties voorzien in artikel 24, leden 8, 10, 11 en 12, van de wet van 29 juli 1881 en artikel 131-26, leden 2 en 3, van het strafwetboek;

C.  overwegende dat de vereniging ‘Maison des potes – Maison de l’égalité’ op 22 mei 2014 bij het parket van de arrondissementsrechtbank te Nanterre aangifte heeft gedaan tegen Jean-François Jalkh;

D.  overwegende dat aangifte is gedaan naar aanleiding van een brochure getiteld ‘Handleiding voor gemeenteraadsleden van het Front National’, die op 19 september 2013 werd gepubliceerd en op 30 november 2013 op de officiële website van het Front National geplaatst, en waarin kandidaten van het Front National die in de verkiezingen van 23 en 30 maart 2014 in een gemeenteraad zouden worden gekozen werden aangemoedigd om in de eerste zitting van hun nieuwe gemeenteraad aan te dringen op prioriteit voor Franse gegadigden (‘priorité nationale’) bij de toewijzing van sociale huisvesting; overwegende dat Jean-François Jalkh als pr-manager van het Front National redactionele zeggenschap had over alle websites van de federatie;

E.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

F.  overwegende dat in Artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek wordt bepaald dat leden van het Franse parlement niet kunnen worden vervolgd, dat er geen onderzoek tegen hen kan worden ingesteld, dat zij niet kunnen worden aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat;

G.  overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Franse parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht "in de uitoefening van [zijn] ambt", zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk;

H.  overwegende dat Jean-François Jalkh op het tijdstip van de feiten, 19 september respectievelijk 30 november 2013, nog geen lid was van het Europees Parlement, maar dat de gewraakte inhoud op 23 juni en 2 oktober 2014 nog steeds online toegankelijk was voor eenieder die er kennis van wilde nemen;

I.  overwegende dat de beschuldigingen klaarblijkelijk los staan van de positie van Jean-François Jalkh als lid van het Europees Parlement en veeleer activiteiten betreffen in de zuiver nationale of regionale sfeer, want de gewraakte uitlatingen hielden verband met de plaatselijke verkiezingen in Frankrijk van 23 en 30 maart 2014 en met zijn positie van pr-manager van het Front National met redactionele zeggenschap over alle websites van de federatie;

J.  overwegende dat de bewuste feiten geen betrekking hebben op een mening of stem die de afgevaardigde in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er geen reden is te vermoeden dat achter het strafrechtelijk onderzoek – ingesteld naar aanleiding van de aangifte die de vereniging ‘Maison des potes – Maison de l’égalité’ reeds vóór de ambtsaanvaarding van Jean-François Jalkh in het Europees Parlement had gedaan – de bedoeling schuilgaat hem in zijn parlementaire werkzaamheden te hinderen (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Jean-François Jalkh op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Jean-François Jalkh.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh
PDF 161kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh (2016/2107(IMM))
P8_TA(2016)0430A8-0319/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh, dat op 14 april 2016 door de Franse minister van justitie werd ingediend in verband met een strafrechtelijk onderzoek (dossier No 1422400530) door het parket bij de arrondissementsrechtbank van Parijs, naar aanleiding van een door de nationale vereniging voor waakzaamheid tegen antisemitisme (BNVCA) gedane aangifte van aanzetten tot discriminatie, haat of geweld, welk verzoek op 8 juni 2016 in de plenaire vergadering werd aangekondigd,

–  na Jean-François Jalkh te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek, zoals gewijzigd bij constitutionele wet van 4 augustus 1995 No 95-880,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0319/2016),

A.  overwegende dat de openbare aanklager bij het gerechtshof van Parijs gevraagd heeft om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-François Jalkh, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafzaak wegens feiten waarvan hij wordt verdacht;

B.  overwegende dat om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh wordt verzocht omdat hij wordt verdacht van aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen een persoon of groep personen wegens afkomst, etnische afstamming, nationaliteit, ras of religie, in Frankrijk strafbaar gesteld bij de artikelen 24(8), en 23(1) van de wet van 29 juli 1881;

C.  overwegende dat de nationale vereniging voor waakzaamheid tegen antisemitisme (BNVCA) op 12 augustus 2014 bij de justitiële autoriteiten in Parijs tegen Jean-François Jalkh aangifte heeft gedaan;

D.  overwegende dat aangifte is gedaan naar aanleiding van een uitspraak van Jean-Marie Le Pen, die in een interview, op 6 juni 2014 gepubliceerd op de website www.frontnational.com, en vervolgens nog eens op het blog www.jeanmarielepen.com, bij het horen van de naam van de zanger Patrick Bruel die had aangekondigd niet meer te zullen optreden in plaatsen met een FN-burgemeester, het volgende zou hebben gezegd: ‘Dat verbaast me niets. Luister, de volgende keer gaan ze allemaal tegelijk de oven in’; overwegende dat Jean-François Jalkh als pr-manager de verantwoording droeg voor de officiële website van het National Front;

E.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

F.  Artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek Leden van het Parlement kunnen niet worden vervolgd, opgespoord, aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat;

G.  De draagwijdte van de immuniteit die aan leden van het Franse parlement wordt geboden, komt feitelijk overeen met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een Europees afgevaardigde slechts door de immuniteit wordt gedekt indien het gaat om een mening die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft verkondigd, zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk;

H.  overwegende dat Jean-François Jalkh op het tijdstip van de feiten, 6 juni 2014, nog niet was aangetreden als lid van het Europees Parlement, maar pas op 1 juli 2014 zijn mandaat heeft aanvaard;

I.  overwegende dat de beschuldigingen klaarblijkelijk los staan van de positie van Jean-François Jalkh als lid van het Europees Parlement en veeleer activiteiten betreffen in de zuiver nationale of regionale sfeer, want de gewraakte uitlatingen hielden verband met de plaatselijke verkiezingen in Frankrijk van 23 en 30 maart 2014 en met zijn positie van pr-manager van het Front National met redactionele zeggenschap over de websites van de federatie;

J.  overwegende dat de gestelde feiten geen betrekking hebben op een mening of stem die de afgevaardigde in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er geen reden is voor vermoeden dat het strafrechtelijk onderzoek, ingesteld op aangifte van de nationale vereniging voor waakzaamheid tegen antisemitisme, bedoeld is om Jean-François Jalkh in zijn parlementaire werkzaamheden te hinderen (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Jean-François Jalkh op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van justitie van de Franse Republiek en aan Jean-François Jalkh.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden ***II
PDF 239kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (11309/1/2016 – C8-0403/2016 – 2012/0236(COD))
P8_TA(2016)0431A8-0325/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11309/1/2016 – C8-0403/2016),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2012(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0498),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A8-0325/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 44 van 15.2.2013, blz. 125.
(2) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 193.


Toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten *
PDF 363kWORD 54k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten (COM(2016)0452 – C8-0333/2016 – 2016/0209(CNS))
P8_TA(2016)0432A8-0326/2016

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0452),

–  gezien de artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0333/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0326/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   De rol van tussenliggende ondernemingen, rekeningen en bedrijven die gevestigd zijn in belastingparadijzen en niet-coöperatieve rechtsgebieden blijkt een gemeenschappelijke noemer te zijn bij een groot aantal operaties, die in het algemeen pas later ontdekt worden, waarachter belastingfraude, kapitaalvlucht en witwaspraktijken schuilgaan. Dit feit alleen al moet aanleiding geven tot politiek en diplomatiek ingrijpen met als doel offshorecentra wereldwijd uit te bannen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Richtlijn 2011/16/EU11 tot wijziging van Richtlijn 2014/107/EU12 is in 27 lidstaten van toepassing sinds 1 januari 2016 en wordt in Oostenrijk van toepassing op 1 januari 2017. Met deze richtlijn wordt de mondiale standaard voor automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden (hierna "de mondiale standaard" genoemd) in de EU geïmplementeerd. Zij waarborgt dat inlichtingen betreffende houders van financiële rekeningen worden gerapporteerd aan de lidstaat waarvan de rekeninghouder ingezetene is.
(1)  Richtlijn 2011/16/EU11 tot wijziging van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad12 is in 27 lidstaten van toepassing sinds 1 januari 2016 en wordt in Oostenrijk van toepassing op 1 januari 2017. Met deze richtlijn wordt de mondiale standaard voor automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden (hierna "de mondiale standaard" genoemd) in de EU geïmplementeerd. Zij waarborgt dat inlichtingen betreffende houders van financiële rekeningen worden gerapporteerd aan de lidstaat waarvan de rekeninghouder ingezetene is, met als doel belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve fiscale planning te bestrijden.
__________________
__________________
11 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
11 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
12 Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).
12 Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   De bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking, ook in verband met het witwassen van kapitaal, is een absolute prioriteit van de Unie.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Om doeltreffend te kunnen toezien op de toepassing van de due diligence-procedures van Richtlijn 2011/16/EU door financiële instellingen, moeten de belastingautoriteiten toegang hebben tot AML-inlichtingen. Zonder deze toegang kunnen deze autoriteiten niet erop toezien, bevestigen en controleren dat de financiële instellingen Richtlijn 2011/16/EU naar behoren toepassen door de uiteindelijk begunstigden van intermediaire structuren correct te identificeren en te rapporteren.
(3)  Om doeltreffend te kunnen toezien op de toepassing van de due diligence-procedures van Richtlijn 2011/16/EU door financiële instellingen, moeten de belastingautoriteiten snel en volledig toegang hebben tot AML-inlichtingen en over voldoende, naar behoren gekwalificeerd personeel beschikken om die taak te kunnen verrichten, alsook de mogelijkheid krijgen deze inlichtingen uit te wisselen. Die toegang moet het resultaat zijn van verplichte automatische informatie-uitwisseling. Zonder deze toegang en goed personeel kunnen deze autoriteiten niet erop toezien, bevestigen en controleren dat de financiële instellingen Richtlijn 2011/16/EU naar behoren toepassen door de uiteindelijk begunstigden van intermediaire structuren correct te identificeren en te rapporteren.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)   Het verband dat wordt waargenomen tussen belastingontduiking, belastingontwijking en witwaspraktijken maakt duidelijk dat maximaal gebruik moet worden gemaakt van synergieën die voortkomen uit samenwerking op nationaal, Europees en internationaal niveau tussen de verschillende autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen deze misdrijven en wanpraktijken. Kwesties, zoals transparantie met betrekking tot uiteindelijk begunstigden of de mate waarin entiteiten, bijvoorbeeld juridische beroepen, onderhavig zijn aan het AML-kader in derde landen, zijn van cruciaal belang om Unieautoriteiten beter in staat te stellen belastingontduiking en witwaspraktijken aan te pakken.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)   Met de onthullingen van de Swissleaks, Luxleaks, Panama Papers en de Bahamas Leaks, die slechts losse voorbeelden zijn van een wereldwijd fenomeen, is nogmaals duidelijk geworden dat het van wezenlijk belang is te komen tot een grotere fiscale transparantie en een nauwere coördinatie en samenwerking tussen rechtsgebieden.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 quater (nieuw)
(3 quater)   Er bestaat wereldwijd, op het niveau van de G20, de OESO en de Unie, overeenstemming over het feit dat verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op fiscaal gebied de meest doeltreffende manier is om een dergelijke internationale transparantie tot stand te brengen. In haar mededeling van 5 juli 2016 over verdere maatregelen ter verhoging van de transparantie en tot opvoeren van de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking1 bis geeft de Commissie aan dat "er veel [pleit] voor een verdere uitbreiding van de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten, zodat deze ook inlichtingen betreffende uiteindelijk begunstigden omvat" en dat de "automatische uitwisseling van inlichtingen betreffende uiteindelijk begunstigden zou mogelijks kunnen worden geïntegreerd in het bindende kader inzake belastingtransparantie dat in de EU reeds van toepassing is". Bovendien nemen alle lidstaten reeds deel aan een proefproject voor de uitwisseling van inlichtingen betreffende uiteindelijk begunstigden van vennootschappen en trusts.
_____________
1 bis COM(2016)0451.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de belastingautoriteiten toegang hebben tot AML-inlichtingen, -procedures, -documenten en -mechanismen, zodat zij hun taken bij het toezicht op de correcte toepassing van Richtlijn 2011/16/EU kunnen uitvoeren.
(4)  De voorschriften van de Unie voor het voorkomen en bestrijden van witwassen hebben in de loop der jaren de evolutie van de internationale normen gevolgd, met als doel de coördinatie tussen de lidstaten te versterken en het hoofd te bieden aan de uitdagingen die zich op mondiaal niveau aandienen, juist vanwege de link tussen witwassen, financiering van terrorisme, georganiseerde misdaad en belastingontwijking en -ontduiking. Het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de belastingautoriteiten onmiddellijk en gemakkelijk toegang hebben tot AML-inlichtingen, -procedures, -documenten en -mechanismen, zodat zij hun taken bij het toezicht op de correcte toepassing van Richtlijn 2011/16/EU kunnen uitvoeren en zodat alle vormen van administratieve samenwerking uit hoofde van die richtlijn kunnen functioneren, en deze inlichtingen, voor zover dit relevant is, te integreren in de automatische uitwisseling tussen de lidstaten, en de Commissie toegang te verschaffen, op vertrouwelijke basis.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   Bovendien is het van belang dat belastingautoriteiten worden uitgerust met geschikte informatie- en communicatietechnologie (ICT-systemen) waarmee witwaspraktijken in een vroeg stadium kunnen worden opgespoord. In dit verband moeten belastingautoriteiten kunnen beschikken over passende ICT- en personele middelen die opgewassen zijn tegen de taak om de grote hoeveelheid AML-inlichtingen die tussen de lidstaten moeten worden uitgewisseld, te verwerken.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)   Bovendien zijn de spontane uitwisseling en beschikbaarheid van inlichtingen toegenomen door een verbeterde uitwisseling van inlichtingen en door informatielekken, waardoor het van belang is dat de lidstaten met betrekking tot alle potentiële overtredingen een onderzoek instellen en tot actie overgaan.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)   Aangezien AML-inlichtingen in vele gevallen grensoverschrijdend van aard zijn, moeten ze, voor zover dit relevant is, worden opgenomen in de automatische uitwisseling tussen de lidstaten en moeten ze op verzoek ter beschikking van de Commissie worden gesteld in het kader van haar bevoegdheid om de regelgeving inzake staatssteun te handhaven. Daarnaast moeten belastingautoriteiten, gezien de complexiteit en de noodzaak om de betrouwbaarheid van deze inlichtingen na te gaan, zoals in het geval van gegevens over uiteindelijk begunstigden, hun medewerking verlenen aan grensoverschrijdende onderzoeken.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 sexies (nieuw)
(4 sexies)   Een automatische, verplichte en voortdurende uitwisseling van belastinggegevens tussen de diverse bevoegde autoriteiten is van wezenlijk belang teneinde maximale transparantie te waarborgen en te beschikken over een fundamenteel instrument voor het voorkomen en bestrijden van elke vorm van fraude.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 septies (nieuw)
(4 septies)   Gezien het mondiale karakter van activiteiten ter bestrijding van witwaspraktijken is internationale samenwerking cruciaal voor een doeltreffende en efficiënte strijd tegen dergelijke activiteiten.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten en het doeltreffende toezicht erop onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en dit wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(6)  Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten en het doeltreffende toezicht erop onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt met als doel belastingfraude te bestrijden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en dit wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Het door de financiële instellingen op grond van Richtlijn 2011/16/EU uitgevoerde due diligence-onderzoek voor cliënten is reeds van start gegaan en de eerste uitwisselingen moeten in september 2017 worden voltooid. Om ervoor te zorgen dat het doeltreffende toezicht op de toepassing geen vertraging oploopt, dient deze wijzigingsrichtlijn derhalve op 1 januari 2017 in werking te treden en te zijn omgezet.
(7)  Het door de financiële instellingen op grond van Richtlijn 2011/16/EU uitgevoerde due diligence-onderzoek voor cliënten is reeds van start gegaan en de eerste uitwisselingen moeten in september 2017 worden voltooid. Om ervoor te zorgen dat het doeltreffende toezicht op de toepassing geen vertraging oploopt, dient deze wijzigingsrichtlijn derhalve op 1 januari 2018 in werking te treden en te zijn omgezet.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 2 – lid 1
-1)   Artikel 2, lid 1, wordt vervangen door:
1.  Deze richtlijn is van toepassing op elke vorm van belastingen die door of namens een lidstaat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een lidstaat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven.
1.  Deze richtlijn is van toepassing op elke vorm van belastingen die door of namens een lidstaat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een lidstaat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven, alsook op aanbieders van diensten voor het wisselen van virtuele valuta en aanbieders van bewaarportemonnees.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis (nieuw)
-1 bis) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 8 bis
De belastingautoriteiten van de lidstaat wisselen, binnen drie maanden na deze verzameld te hebben, automatisch de in artikel 22 van onderhavige richtlijn genoemde documenten en inlichtingen met een andere lidstaat uit, wanneer de uiteindelijk begunstigde van een vennootschap of, in het geval van een trust, de oprichter, een van de beheerders/trustees, de beschermer (indien van toepassing), een begunstigde of elk ander persoon die effectief toezicht houdt op de trust, of, ten slotte, de houder van een rekening zoals bedoeld in artikel 32 bis van Richtlijn (EU) 2015/849 in deze lidstaat belasting betaalt. Aan de Commissie dient toegang te worden verschaft voor de voltooiing van haar taken, op vertrouwelijke basis.”
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 22 – lid 1 bis
1 bis)  Met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving van de lidstaten ter uitvoering van deze richtlijn en teneinde te waarborgen dat de administratieve samenwerking waarin zij voorziet, functioneert, stellen de lidstaten bij wet vast dat belastingautoriteiten toegang hebben tot de in de artikelen 13, 30, 31, 32 bis en 40 van Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad* bedoelde mechanismen, procedures, documenten en inlichtingen.
1 bis.  Met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving van de lidstaten ter uitvoering van deze richtlijn en teneinde te waarborgen dat de administratieve samenwerking waarin zij voorziet, functioneert, stellen de lidstaten bij wet vast dat belastingautoriteiten toegang hebben tot de in de artikelen 7, 13, 18, 18 bis, 19, 27, 30, 31, 32 bis, 40, 44 en 48 van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad* bedoelde centrale registers, mechanismen, procedures, documenten en inlichtingen. Dergelijke toegang is het resultaat van verplichte automatische informatie-uitwisseling. Ook moeten de lidstaten de toegang tot die inlichtingen waarborgen door deze op te nemen in een centraal openbaar register van vennootschappen, trusts en andere structuren die qua aard of doeleinden vergelijkbaar of gelijkwaardig zijn.
____________________
* Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
* Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 22 – lid 1 ter (nieuw)
1 bis.   In artikel 22 wordt het volgende lid ingevoegd:
“1 ter. Met het oog op het effectief gebruik van uitgewisselde gegevens waarborgen de lidstaten dat alle uitgewisselde en verkregen inlichtingen tijdig worden onderzocht, ongeacht of deze inlichtingen door autoriteiten zijn verkregen op verzoek, via een automatische uitwisseling van inlichtingen door een andere lidstaat, of uit een openbaar informatielek. Indien een lidstaat verzuimt dit te doen binnen een door nationaal recht vereiste termijn zouden de redenen voor dit verzuim openbaar moeten worden meegedeeld aan de Commissie."
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – alinea 1
1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2017 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2017.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2018.

Jaarverslag 2015 van de Europese Centrale Bank
PDF 189kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het jaarverslag 2015 van de Europese Centrale Bank (2016/2063(INI))
P8_TA(2016)0433A8-0302/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de Europese Centrale Bank voor,

–  gezien artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 123, lid 1, van het VWEU,

–  gezien artikel 15 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0302/2016),

A.  overwegende dat president Draghi over een mogelijk uittreden van het VK uit de EU terecht heeft opgemerkt dat 'de mate waarin de economische vooruitzichten worden beïnvloed, afhangt van de timing, het verloop en de uiteindelijke uitkomst van de aanstaande onderhandelingen', dat 'de economie van de eurozone zich tot nu toe veerkrachtig heeft getoond, maar dat deze onzekerheid betekent dat neerwaartse risico's niet kunnen worden uitgesloten', dat het 'los van het soort betrekkingen dat tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk ontstaat, van uitermate groot belang is dat de integriteit van de interne markt wordt gehandhaafd', en dat 'het eindresultaat moet garanderen dat alle deelnemers onderworpen zijn aan dezelfde regels';

B.  overwegende dat de Commissie in haar laatste voorjaarsprognoses uitgaat van een matige en geografisch ongelijk verdeelde reële groei in de eurozone, namelijk 1,7 % in 2015, 1,6 % in 2016 en 1,8 % in 2017;

C.  overwegende dat de werkloosheid in de eurozone volgens dezelfde prognoses waarschijnlijk zal afnemen, van 10,9% aan het eind van 2015 naar 9,9% aan het eind van 2017; overwegende dat de verschillen tussen de werkloosheidspercentages van de lidstaten in 2015 nog groter zijn geworden en nu uiteenlopen van 4,6% in Duitsland tot 24,9% in Griekenland;

D.  overwegende dat het overheidstekort in de eurozone volgens dezelfde prognoses geleidelijk zal afnemen, van 2,1 % in 2015 naar 1,9 % in 2016 en 1,6 % in 2017, en dat naar verwachting ook de verhouding tussen schuld en bbp voor het eerst sinds het begin van de crisis zal dalen, hoewel er nog vier landen van de eurozone – Frankrijk, Spanje, Griekenland en Portugal – in de buitensporigetekortprocedure van de Commissie zitten; overwegende dat Cyprus, Ierland en Slovenië hun tekort door middel van macro-economische programma's hebben weten terug te brengen tot beneden de referentiewaarde van 3 % van het bbp;

E.  overwegende dat voor de eurozone volgens dezelfde prognoses zowel voor 2016 als voor 2017 een extern overschot van ongeveer 3 % van het bbp wordt verwacht overwegende dat bij een 'harde Brexit' rekening moet worden gehouden met mogelijke negatieve gevolgen voor de handelsbalans van zowel de EU, als het VK, aangezien dat laatste land een van de belangrijkste handelspartners van de eurozone is;

F.  overwegende dat artikel 127, lid 5, van het VWEU het Europees Stelsel van Centrale Banken opdraagt bij te dragen tot het behoud van de stabiliteit van het financiële stelsel;

G.  overwegende dat in artikel 127, lid 2, van het VWEU staat dat het Europees Stelsel van Centrale Banken 'een goede werking van het betalingsverkeer' moet bevorderen;

H.  overwegende dat de gemiddelde inflatie in de eurozone volgens de ECB-projectie van september 2016, na in 2015 nul te zijn geweest, in 2016 slechts marginaal hoger zal zijn (0,2 %) en in 2017 naar 1,2 % en in 2018 naar 1,6 % zal oplopen; overwegende dat de lage inflatiecijfers van de afgelopen jaren onder andere vooral het gevolg waren van lage energieprijzen;

I.  overwegende dat het halen van de inflatiedoelstelling moeilijker wordt doordat de demografische trends zich consolideren, de energieprijzen aanhoudend laag zijn en de mondialisering van de handel en de financiën zich vertaalt in hoge werkloosheid in onze samenlevingen; overwegende dat deze deflatoire druk bijdraagt tot een gebrek aan investeringen en een zwakke geaggregeerde vraag;

J.  overwegende dat de ECB in maart 2015 een uitgebreid programma voor de aankoop van activa (APP) ten belope van 1,1 biljoen EUR heeft gelanceerd met een aanvankelijke looptijd tot september 2016;

K.  overwegende dat dit programma sindsdien is opgewaardeerd, en wel zo dat tot maart 2017 activa kunnen worden aangekocht voor een bedrag van in totaal bijna 1,7 biljoen EUR en dat de lijst van in aanmerking komende activa is uitgebreid met obligaties van niet-financiële bedrijven en decentrale overheden; overwegende dat er bezorgdheid bestaat over het feit dat de balans van de ECB oplopende risiconiveaus zou kunnen bevatten;

L.  overwegende dat de ECB sinds het begin van het aankoopprogramma effecten met activa als onderpand (ABS) ten belope van 19 094 miljoen EUR heeft gekocht;

M.  overwegende dat de ECB haar monetaire beleid verder heeft versoepeld door haar belangrijkste rentepercentages tot ongekende niveaus te verlagen, waardoor de tarieven voor 'main refinancing operations' (MRO's) en de 'deposit facility' in maart 2016 op nul, respectievelijk -0,4 % terechtkwamen; overwegende dat de ECB prikkels voor de bancaire kredietverlening biedt en met het oog hierop een aanvullende reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO's-II) verricht;

N.  overwegende dat de instelling van een gemeenschappelijk toezichtmechanisme (GTM) volgens de ECB bedoeld was om voor een consistente toepassing van het microprudentiële toezicht en handhaving in de hele eurozone te zorgen, teneinde eerlijke mededingingsvoorwaarden voor banktransacties te scheppen en een gemeenschappelijke beoordelingsmethodologie (SREP) op te leggen;

O.  overwegende dat de president van de ECB is blijven benadrukken dat er dringend structurele hervormingen nodig zijn in de eurozone;

P.  overwegende dat de ECB voorstander is van het kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en de daaruit voortvloeiende lagere kapitaalvereisten, die zowel de securitisatiemarkten, als de financiering van de reële economie nieuw leven zullen inblazen;

Q.  overwegende dat artikel 123 VWEU en artikel 21 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank monetaire overheidsfinanciering verbieden;

1.  beklemtoont dat de eurozone onverminderd te kampen heeft met een hoge werkloosheid, een buitensporig lage inflatie en grote macro-economische onevenwichtigheden, waaronder bij de lopende rekeningen, en dat daarnaast ook de productiviteitsgroei in de eurozone zeer gering is doordat nauwelijks nog wordt geïnvesteerd (tien procent minder dan voor de crisis), er niet structureel wordt hervormd en de interne vraag hapert; stelt vast dat de hoge overheidsschuld, en in het bijzonder het grote aantal niet-renderende leningen en de nog altijd ondergekapitaliseerde bankensector in sommige lidstaten, nog steeds tot een versnippering van de financiële markt in de eurozone leiden, en daarmee weinig ruimte overlaten voor hulp aan de meest kwetsbare economieën; benadrukt dat in deze lidstaten alleen met beleid gericht op gezondmaking van de overheidsfinanciën en middels sociaal evenwichtige structurele hervormingen ter verhoging van de productiviteit een positieve economische ontwikkeling op lange termijn in gang kan worden gezet;

2.  onderstreept dat de Europese Centrale Bank federaal van aard is, hetgeen nationale veto's uitsluit, waardoor zij doeltreffend tegen de crisis kan optreden;

3.  merkt op dat de uitzonderlijke maatregelen van de ECB om het inflatiepeil op middellange termijn tot 2 % te doen stijgen, gezien deze uiterst moeilijke omstandigheden en het risico van een langaanhoudende periode van lage inflatie, in overeenstemming waren met het haar uit hoofde van artikel 127 VWEU verleende mandaat en derhalve niet onrechtmatig zijn(1); constateert dat de financiële omstandigheden sinds de lancering van het APP in maart 2015 en ten gevolge van de gerichte langetermijnherfinancieringsoperaties (TLTRO's) voor de reële economie licht zijn verbeterd, hetgeen erin heeft geresulteerd dat in de eurozone weer meer leningen aan het bedrijfsleven en huishoudens worden verstrekt; stelt vast dat deze maatregelen ook hebben bijgedragen tot verkleining van de 'spread' van de staatsobligaties van sommige eurozonelanden; merkt op dat de verbeteringen niet in alle lidstaten even sterk waren en dat de vraag naar kredieten in sommige lidstaten onverminderd klein is;

4.  benadrukt dat de ECB in juni 2016 met een nieuwe reeks van vier gerichte langetermijnherfinancieringsoperaties (TLTRO II) is gestart; wijst erop dat de stimulansstructuur van het programma gewijzigd is ten opzichte van de oorspronkelijke TLTRO's, aangezien bepaalde banken tegen negatieve rentevoeten zullen kunnen lenen, zelfs als zij hun nettokredietverschaffing aan de reële economie niet verhogen;

5.  maakt zich zorgen over het feit dat de ECB, door liquiditeit aan te bieden tegen negatieve rentevoeten en tegelijkertijd de verplichting te schrappen voor banken om de middelen terug te betalen indien zij hun kredietverschaffingsdoelstelling niet halen, het verband tussen liquiditeitsverschaffing door centrale banken en kredietverschaffing aan de reële economie – dat centraal stond in het TLTRO-concept – afzwakt;

6.  is ingenomen met de categorische belofte van de Europese Centrale Bank van juli 2012 om "al het nodige te doen" om de euro te verdedigen, die van instrumentaal belang is geweest om de financiële stabiliteit van de eurozone te verzekeren;

7.  denkt dat het APP een groter effect op de Europese economie zou hebben indien het werd aangevuld met doeltreffende en sociaal evenwichtige structurele hervormingen gericht op het vergroten van de productiviteit van de Europese economie en indien de EIB onder andere meer obligaties, en dan in het bijzonder van TEN-T- en TEN-E-projecten (met een bewezen sociaal-economische Europese meerwaarde), en gesecuritiseerde kmo-leningen zou kopen; vraagt de ECB te onderzoeken wat de impact van het APP zou zijn indien het op de secundaire markten rechtstreeks aan investeringen en uitgaven voor onderzoek gelieerde staatsschuldpapieren zou kunnen kopen; maakt zich er zorgen over dat de rechtstreekse aankoop van obligaties die door niet-bancaire organisaties zijn uitgegeven in het kader van het koopprogramma voor het bedrijfsleven (CSPP), die in de huidige omstandigheden mogelijkerwijs te rechtvaardigen is, tot een verstoring van de markt zou kunnen leiden;

8.  deelt de zienswijze van ECB-president Mario Draghi dat het monetair beleid alleen niet volstaat om de geaggregeerde vraag te stimuleren en dat het derhalve moet worden gecomplementeerd met beleid voor gezonde overheidsfinanciën en ambitieuze en sociaal evenwichtige nationale programma's voor structurele hervormingen; herinnert eraan dat de ECB volgens haar in het primaire EU-recht en de EU-Verdragen vastgelegde mandaat in de eerste plaats de taak heeft de prijsstabiliteit te handhaven, teneinde een stabiel en voor investeringen gunstig klimaat tot stand te brengen; is van oordeel dat monetair beleid alleen geen passend instrument is voor het oplossen van de structurele problemen van de Europese economie; benadrukt dat ook bij het vooruitzicht van een economisch herstel structurele hervormingen onmisbaar zijn; vestigt de aandacht op de recente studies en discussies over een mogelijke daling van de neutrale rentevoeten de afgelopen decennia overal ter wereld; wijst erop dat een dergelijke situatie ertoe zal leiden dat het monetaire beleid sterker wordt ingeperkt en minder doeltreffend wordt, aangezien het vaker het risico loopt om tegen de ondergrens aan te botsen;

9.  deelt de zienswijze dat een goed werkende, gediversifieerde en geïntegreerde kapitaalmarkt de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke monetaire beleid ten goede zou komen; roept er in dit verband toe op de bankenunie stapsgewijs en volledig te voltooien en ervoor te zorgen dat de lidstaten de regelgeving in kwestie volledig naleven en om een kapitaalmarktenunie unie op te bouwen, aangezien dat een bepalende stap is om de doeltreffendheid van het gemeenschappelijke monetaire beleid te verbeteren en de risico's van een schok in de financiële sector te beperken; acht het van cruciaal belang dat het probleem van niet-renderende leningen wordt opgelost voor de zwaarst getroffen nationale bankensectoren, teneinde terug te keren naar een situatie waarin het monetaire beleid in de hele eurozone vlot ten uitvoer wordt gelegd;

10.  beklemtoont dat bij structurele en sociaal evenwichtige hervormingen van de economie en de arbeidsmarkt ook ten volle rekening moet worden gehouden met de demografische trends in Europa, teneinde deflatoire druk aan te pakken en stimulansen te creëren voor een evenwichtigere demografische opbouw, waarmee het verwezenlijken van de inflatiedoelstelling van 2 % meer binnen handbereik zou komen; wijst op het gevaar dat in het geval van een ongunstige demografische ontwikkeling minder investeringen te verwachten zijn;

11.  neemt er evenwel kennis van dat, hoewel de impact, de risico's en de neveneffecten van de onconventionele maatregelen aanzienlijk zijn geweest, met name wat de financieringsvoorwaarden voor banken in de perifere lidstaten betreft, de inflatie naar verwachting in 2017 toch niet op de middellangetermijndoelstelling van 2 % zal uitkomen; stelt vast dat de banken en de markten nu weliswaar weer meer leningen verstrekken, maar dat dit verschijnsel zich niet in alle lidstaten in even sterke mate voordoet en tot nu toe niet helemaal gedaan heeft waarvoor het was bedoeld, namelijk het dichten van de bestaande investeringskloof in de eurozone; benadrukt dat het gebrek aan investeringen niet alleen te wijten is aan de beperkte toegang tot financiële middelen, maar ook aan de geringe vraag naar kredieten, en dat structurele hervormingen moeten worden gestimuleerd die direct bijdragen aan investeringen en banen; wijst op de kleiner wordende beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige activa die internationaal door institutionele beleggers worden aanvaard;

12.  stelt vast dat, hoewel de gevolgen voor de reële economie zeer beperkt zijn geweest, banken toegang hebben gekregen tot bijna gratis of zeer goedkoop geld, hetgeen direct aan hun balansen ten goede is gekomen; betreurt het feit dat de omvang van deze subsidie, hoewel die duidelijk een "spill-over"-effect van het monetair beleid is, niet wordt gecontroleerd en gepubliceerd, en dat voor het gebruik ervan geen strikte voorwaarden gelden; onderstreept dat dit soort buitengewone maatregelen altijd gepaard moeten gaan met maatregelen om verstoringen van de markten en de economie te beperken;

13.  betreurt de bestaande, zij het gestaag afnemende verschillen in de financiering die wordt toegekend aan kmo's enerzijds en grotere bedrijven anderzijds, tussen de rentetarieven voor kleine en grote leningen, en tussen de kredietvoorwaarden voor kmo's in verschillende landen van de eurozone, maar erkent dat er grenzen zijn aan wat in dit opzicht met monetair beleid kan worden bereikt; benadrukt dat de aanhoudende noodzaak van aanpassingen aan de balansen van banken onder meer de beschikbaarheid van kredieten voor kmo's in sommige lidstaten aantast; wijst bovendien op het gevaar van meer concurrentieverstoringen als gevolg van de aankoop - door de ECB - van bedrijfsobligaties op de kapitaalmarkt, waarbij de onderliggende criteria niet tot verdere verstoringen moeten leiden, met name gezien het risicokader, en waarvan kmo's niet uitgesloten zouden moeten zijn;

14.  onderstreept dat een langere periode van gelijkblijvende rendementen de winstgevendheid van banken kan aantasten, met name indien zij hun bedrijfsmodellen niet aanpassen, en potentiële risico's kan opleveren, met name voor particuliere spaartegoeden en pensioen- en verzekeringsfondsen; waarschuwt dat banken bij een daling van de winstgevendheid mogelijk minder geneigd zullen zijn leningen te verstrekken; wijst erop dat dit rentetarievenbeleid met name negatieve gevolgen heeft voor plaatselijke en regionale banken met weinig financiering van de financiële markten, en waarschuwt voor de risico's voor de verzekerings- en pensioensector; verzoekt daarom om specifiek, voortdurend toezicht op negatieve rentevoeten als instrument en op de tenuitvoerlegging en de effecten daarvan; beklemtoont dat het belangrijk is de uitfasering van dit beleid van extreem lage (en zelfs negatieve) rentetarieven goed te timen en op verstandige wijze ten uitvoer te leggen;

15.  begrijpt waarom op een beleid van negatieve rentetarieven teruggegrepen is, maar onderstreept dat het zich onverminderd zorgen maakt over de gevolgen ervan voor individuele spaarders en het financieel evenwicht van de pensioenstelsels en de ontwikkeling van activazeepbellen; spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de rente voor langerlopende spaardeposito's in sommige lidstaten lager is dan het inflatiepercentage; is van oordeel dat deze negatieve inkomenseffecten er vanwege de demografische trends en culturele voorkeuren voor sparen toe zouden kunnen leiden dat huishoudens meer geld gaan oppotten, hetgeen de binnenlandse vraag in de eurozone ongunstig zou kunnen beïnvloeden; merkt voorts op dat vanwege de neerwaartse rigiditeit van de rentevoeten op deposito's de voordelen van een verdere verlaging van de rentevoeten op bij de ECB aangehouden deposito's wel eens beperkt zouden kunnen zijn;

16.  is onverminderd verontrust over de nog steeds grote hoeveelheden niet-verhandelbare activa en door activa gedekte waardepapieren die nog steeds bij wijze van onderpand aan het eurosysteem worden aangeboden in het kader van zijn herfinancieringstransacties; herhaalt zijn verzoek aan de ECB om informatie te verstrekken over de vraag welke centrale banken dergelijke waardepapieren hebben geaccepteerd, en bekend te maken welke methoden voor de waardering van deze activa zijn gebruikt; onderstreept dat de bekendmaking van deze informatie ten goede zou komen aan de parlementaire controle op de toezichthoudende taken die aan de ECB zijn toegewezen;

17.  vraagt de ECB te onderzoeken hoe de tenuitvoerlegging van monetair beleid verschilt tussen lidstaten met gecentraliseerde en geconcentreerde bankensectoren enerzijds en lidstaten met een meer gediversifieerd netwerk van plaatselijke en regionale banken anderzijds, alsook tussen landen die sterker afhankelijk zijn van banken of kapitaalmarkten voor de financiering van hun economie;

18.  vraagt de ECB om - in het bijzonder tegen de achtergrond van het sterk gestegen kredietvolume en de buitensporig hoge vastgoedprijzen, met name in sommige grote steden - zorgvuldig in kaart te brengen wat de risico's zijn van nieuwe activa- en onroerendgoedbubbels als gevolg van haar beleid van extreem lage (en zelfs negatieve) rentetarieven, en is van oordeel dat zij, samen met het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB), voorstellen moet doen voor specifieke macroprudentiële aanbevelingen;

19.  sluit zich aan bij de beoordeling van het ECB dat het in het huidige CRR/CRD IV-pakket aan bepaalde maatregelen ontbreekt die specifieke types van systeemrisico's eveneens doeltreffend zouden kunnen aanpakken, zoals i) verschillende maatregelen aan de activazijde, zoals het toepassen van maxima voor de verhouding lening/waarde, lening/inkomen of schuldendienst/inkomen, en ii) de invoering van verschillende risicolimieten die buiten de huidige definitie van grote risico's vallen; dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan of er in dat verband wetgevingsvoorstellen moeten worden gedaan; merkt op dat sommige van deze maatregelen al opgenomen zouden kunnen worden in de lopende wetgevende werkzaamheden in het kader van het EDIS-voorstel;

20.  merkt op dat het concept 'insolventie', dat aan de basis ligt van de liquiditeitsverschaffing door centrale banken aan instellingen in de eurozone, zoals blijkt uit de rol van de ECB in de liquiditeitsverschaffing aan Griekenland in juni 2015 en de gelekte gesprekken van de Raad van Bestuur van de ECB over de kredietwaardigheid van de Cypriotische banken, onvoldoende duidelijk is en onvoldoende rechtszekerheid biedt, aangezien de ECB de afgelopen jaren afwisselend naar een statische opvatting (of een bank op een bepaald moment aan minimale kapitaalvereisten voldoet) en naar een dynamische opvatting (op basis van toekomstgerichte scenario's van stresstests) ervan heeft verwezen om de voortzetting, dan wel de beperking van noodliquiditeitssteun te rechtvaardigen; onderstreept dat dit gebrek aan duidelijkheid verholpen moet worden om te zorgen voor rechtszekerheid en om de financiële stabiliteit te bevorderen;

21.  wijst erop dat de leiding van de ECB het bestaan van distributionele gevolgen van de ECB-maatregelen met een impact op ongelijkheden erkent, en neemt nota van de beoordeling van de ECB dat de verlaging van de kredietkosten voor burgers en kmo’s zowel de werkgelegenheid in de eurozone ten goede komt, als deze distributionele gevolgen mogelijkerwijs gedeeltelijk compenseert;

22.  stelt vast dat het ECB-programma voor de aankoop van activa (APP) de rendementen van obligaties in de meeste lidstaten naar ongekende niveaus heeft doen dalen; waarschuwt voor het gevaar van overwaarderingen van de obligatiemarkten, die moeilijk in de hand te houden zijn indien de rentetarieven weer gaan stijgen zonder een voldoende robuust herstel, in het bijzonder voor die landen die in de buitensporigetekortprocedure zitten of die hoge schuldenniveaus kennen; wijst erop dat een plotselinge omgekeerde ontwikkeling van de rentevoeten van de huidige lage niveaus over de rendementscurve aanzienlijke marktrisico's met zich mee kan brengen voor financiële instellingen met een aanzienlijk aandeel op marktwaardevergelijking gebaseerde financiële instrumenten;

23.  benadrukt de door het Hof van Justitie vastgestelde voorwaarden waaraan elke aankoop van overheidsobligaties van lidstaten van de eurozone op de secundaire markt door het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) moet voldoen:

   aankopen worden niet aangekondigd,
   het volume van de aankopen is vanaf het begin beperkt,
   er moet een minimumperiode verstrijken tussen de uitgifte van de overheidsobligaties en de aankoop ervan door het ESCB, die vanaf het begin is vastgesteld en voorkomt dat de voorwaarden voor uitgifte worden verstoord,
   de ESCB koopt enkel overheidsobligaties van lidstaten die toegang hebben tot obligatiemarkten waardoor zulke obligaties kunnen worden gefinancierd,
   gekochte obligaties worden slechts in uitzonderlijke gevallen tot de einddatum aangehouden, en aankopen worden beperkt of stopgezet en gekochte obligaties worden opnieuw in de handel gebracht als verdere interventie niet langer noodzakelijk is;

24.  neemt er nota van dat sommige lidstaten de extreem lage (en zelfs negatieve) rentetarieven als reden noemen om noodzakelijke structurele hervormingen uit te stellen en de consolidatie van hun primaire overheidsschulden – met name op centraal regeringsniveau – voor zich uit te schuiven, en herinnert in dit verband aan de in het kader van het stabiliteits- en groeipact aangegane verplichtingen; onderkent dat negatieve rentetarieven tot de redenen behoren die in sommige landen tot begrotingsoverschotten hebben geleid; onderstreept dat het economisch beleid van de lidstaten moet worden gecoördineerd, met name binnen de eurozone; onderstreept dat het onvermijdelijke proces van het afstappen van onconventioneel monetair beleid bijzonder complex zal zijn en zorgvuldig zal moeten worden gepland om negatieve schokken op de kapitaalmarkten te voorkomen;

25.  juicht het toe dat de notulen van de bijeenkomst van de Raad, alsook de overeenkomsten betreffende netto financiële activa (ANFA) tussen de ECB en de nationale centrale banken openbaar zijn gemaakt; spoort de ECB aan door te gaan met haar inspanningen op het gebied van transparantie; herinnert de ECB eraan dat bij de aanwerving van personeel goede praktijken in acht moeten worden genomen;

26.  wijst er nogmaals op dat artikel 130 van het VWEU, waarin staat dat de ECB in volledige onafhankelijkheid monetair beleid uitstippelt, van cruciaal belang is voor het verwezenlijken van de doelstelling van prijsstabiliteit; vraagt alle lidstaten te stoppen met het afleggen van verklaringen waarin de vraag wordt opgeworpen of de instelling zich wel aan haar mandaat houdt;

27.  verzoekt de Europese Centrale Bank om bij de uitoefening van de haar opgedragen taken op het gebied van het bankentoezicht bijzondere aandacht te besteden aan het evenredigheidsbeginsel;

28.  herinnert aan de taakverdeling tussen de Europese Centrale Bank en de Europese Bankautoriteit (EBA); benadrukt dat de ECB niet de facto de normen mag gaan bepalen voor banken die niet onder het gemeenschappelijk toezichtmechanisme (SSM) vallen;

29.  neemt nota van het feit dat de raad van bestuur van de ECB op 18 mei 2016 een verordening inzake de invoering van het rapportagestelsel voor statistische kredietgegevens ("AnaCredit") heeft aangenomen; vraagt de ECB en de nationale centrale banken zoveel mogelijk speelruimte te laten bij de tenuitvoerlegging van AnaCredit;

30.  verzoekt de ECB om, alvorens werkzaamheden te verrichten met het oog op een eventuele verdere ontwikkeling van AnaCredit, een openbare raadpleging te houden, waarbij het Europees Parlement volledig dient te worden betrokken en bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het evenredigheidsbeginsel;

31.  stelt bezorgd vast dat de onevenwichtigheden van TARGET2 in de eurozone opnieuw toenemen, ondanks de afnemende handelsonevenwichtigheden, hetgeen op een aanhoudende uitstroom van kapitaal uit de periferie van de eurozone wijst;

32.  herinnert eraan dat de monetaire dialoog belangrijk is voor de transparantie van het monetaire beleid naar het Parlement en het brede publiek toe;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank.

(1) Zoals onlangs onderstreept door het Europees Hof van Justitie en het Duitse Constitutionele Hof (zie het arrest van 21 juni 2016).


Groenboek over financiële diensten voor consumenten
PDF 209kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het Groenboek over financiële diensten voor consumenten (2016/2056(INI))
P8_TA(2016)0434A8-0294/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 mei 1999 getiteld 'Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan' (het actieplan voor financiële diensten) (COM(1999)0232,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 januari 2007 getiteld 'Sectoraal onderzoek overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 naar de mededingingssituatie in de sector retailbanking (eindverslag)' (COM(2007)0033),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 30 april 2007 over financiële diensten voor consumenten in de interne markt (COM(2007)0226),

–  gezien Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001(2),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel 'Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen' (COM(2011)0941),

–  gezien het verslag van de Europese Autoriteit over goede praktijken bij vergelijkingswebsites,

–  gezien het advies over een gemeenschappelijk kader voor risicobeoordeling en transparantie voor IBPV's dat de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen in april 2016 aan de EU-instellingen heeft gepresenteerd,

–  gezien Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010(3),

–  gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG(5),

–  gezien Richtlijn 2009/65/EG, zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft(6),

–  gezien Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten(8),

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 augustus 2014 betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS) (COM(2014)0509),

–  gezien Verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties(9),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG(10),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking)(11),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over virtuele valuta(12),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 10 december 2015 over financiële retaildiensten - betere producten, meer keuze en meer mogelijkheden voor consumenten en bedrijven (COM(2015)0630),

–  gezien de reactie van de EBA op het Groenboek van de Commissie over financiële retaildiensten van 21 maart 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0294/2016),

A.  overwegende dat de EU-markt voor financiële retaildiensten nog altijd onderontwikkeld is en uiterst gefragmenteerd, zoals onder meer blijkt uit het geringe aantal grensoverschrijdende transacties, en dat er bijgevolg efficiënte maatregelen nodig zijn om het volledige potentieel van de eengemaakte markt te ontsluiten en innovatie ten voordele van de eindgebruikers aan te moedigen;

B.  overwegende dat de dynamiek van de markt voor financiële retaildiensten, die wordt gekenmerkt door een eerder hoge concentratie en onvoldoende mededinging, tot een beperkte keuze en een tekort aan rendabiliteit kan leiden alsook tot grote verschillen tussen de lidstaten; overwegende dat multinationals met vestigingen in meer dan één lidstaat deze barrières eenvoudiger kunnen omzeilen dan kleine bedrijven;

C.  overwegende dat een Europese markt voor financiële retaildiensten slechts denkbaar is als deze een echte meerwaarde voor de consument biedt, door voor effectieve concurrentie, toegankelijkheid en consumentenbescherming te zorgen, met name in verband met producten die daadwerkelijk nodig zijn voor deelname aan het economische leven;

D.  overwegende dat een verdere ontwikkeling van de markt voor financiële retaildiensten op EU-niveau, met een passend wetgevingskader en bindende regels inzake de nodige consumentenbescherming, niet alleen gunstig zou zijn voor belangrijke en succesvolle grensoverschrijdende activiteiten maar ook meer mogelijkheden zou kunnen bieden voor een grotere mededinging op nationaal niveau; overwegende dat een daadwerkelijke Europese interne markt voor financiële retaildiensten over veel potentieel beschikt om consumenten betere financiële diensten en producten te bieden, de keuzemogelijkheden te vergroten, de toegang tot de diensten en producten in kwestie te vergemakkelijken en de prijzen te verlagen; overwegende dat de weerslag van mededinging op de prijzen naargelang van elke sector en elk product verschilt;

E.  overwegende dat het Groenboek vooral betrekking heeft op grensoverschrijdende financiële retaildiensten; overwegende dat het belangrijk is dat eventuele nieuwe voorstellen alle EU-consumenten ten goede komen, teneinde te bewerkstelligen dat de markt voor financiële retaildiensten voor iedereen van nut is;

F.  overwegende dat we ambitieus moeten blijven bij het slechten van obstakels en bestaande protectionistische tendensen, die innovatie bij financiële retaildiensten tegenhouden; overwegende dat een daadwerkelijke interne markt de EU aantrekkelijk zal maken als draaipunt voor innovatieve financiële diensten;

G.  overwegende dat de snelle veranderingen als gevolg van de digitalisering en de innovatie op het vlak van financiële technologie, indien hier verstandig mee wordt omgegaan, niet alleen voor nieuwe en vaak betere financiële producten voor consumenten kunnen zorgen en kunnen bijdragen tot financiële inclusie, bijvoorbeeld in de vorm van lagere transactiekosten en eenvoudiger toegang tot financiering, maar ook belangrijke uitdagingen stellen op het vlak van veiligheid, gegevens- en consumentenbescherming, belasting, eerlijke mededinging en financiële stabiliteit, die nauw in de gaten moeten worden gehouden teneinde de voordelen voor burgers te maximaliseren;

H.  overwegende dat veel diensten weliswaar online "gaan", maar dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat niemand de boot mist en dat toegang indien nodig ook via niet-digitale kanalen mogelijk is, zodat financiële uitsluiting wordt voorkomen;

I.  overwegende dat iedere poging tot versterking van de EU-markt voor financiële retaildiensten gecoördineerd moet worden met de agenda's voor de digitale interne markt, de kapitaalmarktenunie en de strategie voor de interne markt, en in eerste instantie gericht moet zijn op meer nieuwe werkgelegenheid, duurzame groei, financiële stabiliteit en de rol van de consument in de Europese economie;

J.  onderstreept dat een Europese markt van financiële retaildiensten de kmo's ten goede moet komen zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde; is van oordeel dat dit aan de aanbodzijde een manier is om de toegang van kmo's tot financiering te verbeteren; is van mening dat dit aan de vraagzijde de kmo's in staat moet stellen gemakkelijker toegang tot grensoverschrijdende markten te krijgen;

K.  overwegende dat de voltooiing van de interne markt belangrijk is voor consumenten, maar dat het ook essentieel is om Europese fintechbedrijven in de gelegenheid te stellen de vruchten te plukken van de eengemaakte markt, zodat zij kunnen wedijveren met de traditionele actoren, met als doel tot innovatieve en gebruikersvriendelijke oplossingen te komen en in de hele EU voor nieuwe banen te zorgen;

L.  overwegende dat micro-ondernemingen, kmo's en mid-caps de ruggengraat van de Europese economie vormen en dat zij de werkgelegenheid en de groei stimuleren; overwegende dat elke wetgeving en elk Europees initiatief op de specifieke kenmerken van deze ondernemingen moeten worden afgestemd;

M.  overwegende dat de voltooiing van de Europese interne markt voor consumenten en bedrijven van grote betekenis is, en dat innovatieve nieuwe actoren de concurrentie met het bestaande aanbod aangaan;

1.  is ingenomen met het Groenboek van de Commissie over financiële retaildiensten (verzekeringen inbegrepen) en het levendige en productieve debat dat dit document tot dusver heeft opgeleverd; is verheugd over de openbare raadpleging in verband met het Groenboek over financiële retaildiensten die de betrokken actoren in staat heeft gesteld een advies te geven op basis van hun specifieke situatie en/of bedrijfstak; onderstreept dat één enkele benadering van de financiële retaildiensten gezien de veelheid aan betrokken actoren en producten contraproductief zou zijn;

2.  is van mening dat de digitalisering nieuwe kansen voor de consumenten, investeerders, kmo's en ondernemingen zal blijven bieden op het stuk van mededinging, grensoverschrijdende activiteiten en innovatie; onderstreept het feit dat de digitalisering op zich niet volstaat om een daadwerkelijke Europese markt voor financiële retaildiensten te creëren; herinnert eraan dat talrijke belemmeringen, zoals verschillende stelsels inzake belastingen, sociale diensten, rechtspraak, gezondheid, verbintenissen en consumentenbescherming, alsmede verschillende talen en culturen niet alleen kunnen worden overwonnen via de digitalisering;

3.  is van mening dat het Groenboek precies op tijd komt, aangezien er in alle fasen van het beleidsvormingsproces proactief moet worden opgetreden om efficiënt en adequaat te kunnen reageren op de ontwikkelingen in deze innovatieve en snel veranderende markt;

4.  vindt een vereenvoudiging van de regelgeving, waarbij een afradende houding tegenover buitensporig ingewikkelde producten en diensten van nut is, uiterst belangrijk om producten op de markten van de EU-lidstaten, met name in de verzekeringssector, beter met elkaar te kunnen vergelijken;

5.  geeft aan dat er voor de interne markt voor financiële retaildiensten reeds een brede waaier aan EU-wetgeving bestaat, zoals PSD2, de MIF-verordening, de richtlijn betalingsrekeningen, de antiwitwasrichtlijn, de richtlijn hypothecair krediet en de verzekeringsdistributierichtlijn; dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend toe te zien op de omzetting en tenuitvoerlegging van deze wetgeving, waarbij duplicaties en overlappingen worden vermeden;

6.  benadrukt dat het belangrijk is positieve ontwikkelingen in de markt voor financiële retaildiensten te stimuleren door een competitieve omgeving te creëren en voor bestaande actoren en nieuwkomers een gelijk speelveld te bieden en te handhaven, met voorschriften die zo neutraal mogelijk zijn voor wat technologieën en bedrijfsmodellen betreft; wijst erop dat een dergelijke aanpak onder meer noodzakelijk is om start-ups en nieuwe en vernieuwende kmo's te helpen groeien;

7.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat op eenzelfde dienst dezelfde regels van toepassing zijn, opdat geen concurrentievervalsingen ontstaan, met name wanneer nieuwe aanbieders van financiële retaildiensten op de markt komen; benadrukt dat deze regels geen belemmering voor de innovatie mogen vormen; beklemtoont dat ‘contactpunten’, waar betrokken partijen gevallen van onwettige toepassing van de Europese paspoortvoorschriften kunnen melden, de marktintegratie ten goede zouden kunnen komen;

8.  stelt vast dat het volume van de fintechfinanciering in Europa in het eerste kwartaal van 2016 slechts 348 miljoen USD bedroeg, in vergelijking met 1,8 miljard USD in Noord-Amerika en 2,6 miljard USD in China, hetgeen duidelijk maakt dat de technologische ontwikkelingen een snelle mentaliteitsverandering en een passend regelgevingsantwoord behoeven wil Europa op het gebied van innovatie een voortrekkersrol innemen; benadrukt dat een reële eengemaakte markt voor financiële retaildiensten waar een gelijke speelveld wordt gegarandeerd voor nieuwkomers, de EU aantrekkelijk zal maken als een knooppunt voor innovatieve financiële diensten en consumenten een grotere en betere keuze aan lagere prijzen zal verschaffen; beklemtoont dat baanbrekende technologieën wat regelgeving betreft weliswaar een uitdaging vormen, maar ook grote kansen inhouden voor innovatie, ten gunste van de eindgebruiker, en economische groei en het scheppen van banen bevorderen;

9.  benadrukt, met name om het vertrouwen van en de tevredenheid bij consumenten, dat het Groenboek alleen kan slagen als het zich uitdrukkelijk toespitst op de totstandbrenging van een EU-markt waarin goed beschermde consumenten gelijke kansen en toegang hebben tot transparante, eenvoudige en rendabele producten; erkent de waarde van het aan klanten aanbieden van eenvoudige, veilige en gestandaardiseerde producten; vraagt de Europese toezichthoudende autoriteiten regelmatig in kaart te brengen welke impact koppelpraktijken hebben op de prijzen van en de concurrentie tussen financiële retaildiensten; vraagt de Commissie een eenvoudig, overdraagbaar en van veiligheidswaarborgen voorzien kader voor financiële producten te ontwikkelen; vraagt de Commissie eveneens zich te buigen over de mogelijkheid van de uitwerking van een geharmoniseerd wetgevingskader voor uniforme standaardopties voor de financiële producten die in de EU het meest worden gebruikt, naar analogie met de basisbankrekening en de pan-Europese pensioenproducten (PEPP);

10.  beklemtoont dat bij de in het Groenboek bedoelde initiatieven het proportionaliteitsbeginsel in acht moet worden genomen;

11.  herhaalt dat alle op het Groenboek gebaseerde initiatieven verenigbaar moeten zijn met de intensivering van de internationale strijd tegen belastingfraude, -ontwijking en -ontduiking en witwassen, inclusief de grotere inspanningen om tot een gemeenschappelijk fiscaal identificatienummer te komen;

12.  wijst op de toenemende complexiteit van financiële retailproducten; dringt aan op de noodzaak om initiatieven en instrumenten te ontwikkelen die de mededinging stimuleren en consumenten in staat stellen om in de waaier van producten die tot hun beschikking staan, de veilige, duurzame en eenvoudige producten te identificeren en met elkaar te vergelijken; steunt initiatieven zoals het document met essentiële beleggingsinformatie voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) en het essentiële-informatiedocument voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's); onderstreept dat deze informatiemechanismen moeten worden aangepast aan de digitale realiteit; is van oordeel dat de samenvatting van het prospectus op het essentiële-informatiedocument voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) moet worden afgestemd, teneinde kleine beleggers in staat te stellen goed te beoordelen welke de met de aan de bevolking aangeboden of tot de handel toegelaten effecten verbonden risico's zijn;

13.  wijst op de recente ontwikkelingen in het wetgevingskader voor de banksector en met name de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn depositogarantiestelsels; wijst erop dat de nieuwe afwikkelingsregeling tot gevolg heeft dat sommige van de aan kleine beleggers aangeboden instrumenten een hoger verliesrisico inhouden; benadrukt dat consumenten volledig in kennis moeten worden gesteld van de voor hun relevante impact van de nieuwe regels, met name wanneer hun deposito's of beleggingen aan het "bail-in"-risico blootgesteld zijn; verzoekt de Commissie de juiste toepassing door de lidstaten van de richtlijn inzake de depositogarantiestelsels te onderzoeken; wijst erop dat de verkoop van bepaalde, voor een bail-in in aanmerking komende instrumenten aan particuliere beleggers zowel wat een adequate consumentenbescherming, alsook wat waarborgen voor de praktische haalbaarheid van een bail-in betreft twijfelachtig is, en roept de Commissie op te onderzoeken hoe dit soort praktijken kunnen worden beperkt;

14.  is van mening dat een Europese markt van financiële retaildiensten slechts kan worden overwogen als aan de consumenten in de gehele Unie dezelfde juridische bescherming wordt geboden; is van oordeel dat het verhaalsnetwerk voor geschillen over financiële diensten FIN-NET moet worden bijgewerkt en bevorderd;

15.  wijst erop dat het in sommige lidstaten ontbreken van een verzekeringsgarantieregeling het consumentenvertrouwen zou kunnen ondermijnen, en roept de Commissie op te overwegen dekking door middel van dergelijke regelingen wettelijk verplicht te stellen;

16.  onderstreept dat er altijd moet worden uitgegaan van financiële insluiting en dat er maatregelen moeten worden genomen om te garanderen dat alle consumenten dezelfde toegang hebben tot op zijn minst de voornaamste financiële diensten, ook via niet-digitale kanalen, met als doel financiële uitsluiting te voorkomen;

17.  is van mening dat de huidige structurele veranderingen in de financiële sector – van de invoering van financiële technologieën tot fusies en overnames – die zouden kunnen leiden tot een vermindering van het aantal werknemers en filialen, zo moeten worden doorgevoerd dat geen verlaging optreedt van de kwaliteit van de dienstverlening aan de kwetsbaarste burgers, vooral bejaarden en mensen die leven in dun bevolkte en plattelandsgebieden;

18.  beklemtoont het belang van financiële educatie als een instrument om consumenten te beschermen en te empoweren; vraagt dat de toegang tot onafhankelijke financiële educatie wordt verruimd en vergemakkelijkt en benadrukt dat de kennis van consumenten over beleggingsmogelijkheden moet worden vergroot;

19.  stelt vast dat digitalisering voordelen voor particuliere beleggers kan inhouden, zoals een grotere vergelijkbaarheid van producten, een betere en gemakkelijkere toegang tot grensoverschrijdende beleggingen en de daaruit voortvloeiende billijker concurrentie tussen aanbieders, alsook snellere en eenvoudigere registratie- en betalingsprocessen en, in het verlengde daarvan, lagere transactiekosten, maar ook niet te veronachtzamen uitdagingen, zoals de inachtneming van het beginsel "know-your-customer" (KYC) en gegevensbeschermingsvoorschriften, alsook risico's zoals kwetsbaarheid van gecentraliseerde systemen voor cyberaanvallen; dringt erop aan de bestaande en nieuwe trends op de financiële markten en de daaruit voortvloeiende risico's en voordelen te identificeren en te volgen, met als benchmark hun mogelijke impact op particuliere beleggers;

20.  stelt vast dat de uit verschillende bronnen verzamelde financiële en niet-financiële gegevens van consumenten door aanbieders van financiële diensten, en in het bijzonder kredietverstrekkers en verzekeraars, steeds vaker voor uiteenlopende doelen worden gebruikt; beklemtoont dat bij het gebruik van persoonsgegevens en big data door aanbieders van financiële diensten de EU-gegevensbeschermingswetgeving in acht moet worden genomen, het gebruik uitsluitend betrekking mag hebben op de verlening van de dienst en gunstig moet zijn voor consumenten; tegen deze achtergrond moet zorgvuldig worden gekeken naar het verschijnsel van demutualisering (verlies van het onderlinge karakter) van risico bij verzekering als gevolg van big data;

21.  benadrukt dat de toegang tot contanten via geldautomaten een essentiële dienst is die zonder discriminatie en wanpraktijken moet worden verleend en dat deze toegeeang bijgevolg niet buitensporig veel mag kosten;

22.  beklemtoont dat we behoefte hebben aan meer consumentenvertrouwen in financiële diensten aangezien dit vertrouwen op dit moment met name ten aanzien van financiële producten met hoge valutawisselrisico's nog laag is, en vraagt de Commissie erop toe te zien dat de bestaande maatregelen voor het vergroten van de kennis van de financiële wereld en het bewustzijn volledig ten uitvoer worden gelegd en dat daar waar nodig nieuwe maatregelen worden genomen om consumenten in staat te stellen weloverwogen beslissingen te nemen, de transparantie van de producten in kwestie te vergroten en de obstakels te elimineren voor consumenten die van product willen veranderen, alsook de ongerechtvaardigde kosten die daarbij eventueel om de hoek komen kijken, of die van een product af willen; beklemtoont dat het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) en de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet systematisch aan consumenten moeten worden verstrekt vóór de ondertekening van een overeenkomst als onderdeel van een krediet-, lening- of hypotheekaanbod;

23.  merkt op dat het personeel in financiële instellingen en van aanbieders van financiële diensten dat instaat voor het contact met klanten, een essentiële rol speelt bij het beschikbaar maken van retaildiensten voor alle lagen van de samenleving en voor consumenten in heel Europa; wijst erop dat dergelijke werknemers in beginsel de nodige opleiding en tijd moeten krijgen om consumenten naar behoren van dienst te zijn, niet gebonden mogen zijn door verkoopdoelstellingen of onderhevig aan aansporingen die bevooroordeelde of vertekende adviezen tot gevolg kunnen hebben, en te allen tijde in het belang van de klant in overeenstemming met de consumentenbeschermingsbepalingen van MiFID II moeten handelen;

24.  beklemtoont dat toegang tot betaalbaar en onafhankelijk advies cruciaal is voor het nemen van weloverwogen beleggingsbeslissingen; beklemtoont dat de kwaliteit van de advisering met name gebaat is bij een ruimer aanbod van gestandaardiseerde producten voor particuliere beleggers en effectieve informatiedocumenten voor beleggers voor ingewikkelde en eenvoudige producten;

25.  stelt vast dat betaalbaar, gericht financieel advies, van een specifiekere aard dan het eigenlijke beleggingsadvies zoals bedoeld in de MiFID-verordening, op dit moment ontbreekt, hoewel er wel vraag naar bestaat; neemt nota van de reflectie en initiatieven die in de lidstaten plaatsgevonden heeft, respectievelijk ondernomen zijn ten aanzien van de ontwikkeling van een dergelijke dienst; vraagt de Commissie, lidstaten en marktdeelnemers in kaart te brengen welke goede praktijken en initiatieven op dit gebied bestaan, deze te bestuderen en ze te volgen, respectievelijk zich erbij aan te sluiten;

26.  wijst op de tekortkomingen bij de toepassing van de MiFID II-richtlijn in de lidstaten, die in veel gevallen tot arbeidsintensieve rapportagevereisten voor tussenpersonen heeft geleid, de consumentenbescherming niet ten goede komen en verder gaan dan het toepassingsgebied van de richtlijn in kwestie; dringt erop aan lessen te trekken uit deze ervaring;

27.  beklemtoont dat retailbanking een beslissende rol speelt bij het op geëigende wijze aan de markt, en in het bijzonder consumenten, doorgeven van monetairebeleidsvoorwaarden; geeft aan dat een passend monetairebeleidsklimaat belangrijk is voor het aanzwengelen van het langetermijnsparen door consumenten;

28.  benadrukt dat er met het oog op een efficiënte en dynamische interne markt voor financiële retaildiensten geen onnodige of oneerlijke verschillen mogen bestaan tussen lidstaten binnen en buiten de eurozone;

29.  is van mening dat de invoering van de eenheidsmunt door de lidstaten zonder uitzondering de interne markt voor financiële retaildiensten efficiënter en samenhangender zal maken;

30.  stelt vast dat de capaciteit op het niveau van de EU voor de verzameling en analyse van gegevens op dit vlak waarschijnlijk zal moeten worden vergroot; merkt op dat een aantal van de meest veelbelovende ideeën in het Groenboek een grootschalige en relevante empirische grondslag vereisen vooraleer er aan wetgevingsprocedures kan worden gedacht; beklemtoont dat er gepaste openheid moet heersen met betrekking tot de methodologieën in kwestie en de aannames die aan dergelijk empirisch werk ten grondslag liggen, en dat hierbij ten volle gebruik moet worden gemaakt van de resultaten van de monitoringactiviteiten van de ETA's uit hoofde van de EBA-verordening, teneinde de voordelen en risico's van verschillende innovaties en de wetgeving die eventueel nodig is om desbetreffend tot een juist evenwicht te komen, in kaart te brengen;

31.  vraagt de Commissie iets te doen aan misleiding bij de verkoop van financiële producten en diensten; vraagt de Commissie in het bijzonder nauwlettend toe te zien op de toepassing van de nieuwe regels van MiFID II, die vergoedingen voor onafhankelijke financieel adviseurs verbieden en het gebruik van vergoedingen voor niet-onafhankelijke adviseurs aan beperkingen onderwerpen, en op grond van dat toezicht te overwegen of deze beperkingen moeten worden aangescherpt;

Prioriteiten voor de korte termijn

32.  benadrukt dat Europese en nationale wetten met betrekking tot financiën en consumenten strenger moeten worden gehandhaafd, en dat een interne markt voor financiële retaildiensten een kwalitatief hoogwaardige consumentenbeschermingswetgeving en een consistente en robuuste handhaving hiervan in alle lidstaten behoeft; herinnert niettemin aan het feit dat de wetgeving inzake financiële retaildiensten in de afgelopen jaren in volume is toegenomen, met als doel de prudentiële stabiliteit te verbeteren, de consumentenbescherming te versterken en het vertrouwen in de sector te herstellen; onderstreept dat de Europese toezichthoudende autoriteiten hun activiteiten inzake consumenten- en privébeleggerskwesties moeten intensiveren en dat de bevoegde instanties in een aantal lidstaten actiever en competenter moeten beginnen optreden; verzoekt de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten hun goede praktijken te delen teneinde een eerlijke mededinging te waarborgen bij de toepassing van de wetgeving inzake financiële retaildiensten, met inachtneming van de wetgeving inzake consumentenbescherming;

33.  vraagt de Commissie er in het kader van de procedure in verband met het op stapel staande Witboek over de financiering en governance van de ETA's in het bijzonder op toe te zien dat zij over de financieringsmodellen en mandaten beschikken die hen in staat stellen een actievere en meer op consumenten gerichte rol in de markt voor financiële retaildiensten te vervullen, onder waarborging van financiële stabiliteit;

34.  is ingenomen met de inzet van de Commissie betreffende het aanmoedigen van financiering voor duurzame en groene beleggingen, en vraagt de Commissie met klem om op basis van eerdere raadplegingen en in nauwe samenwerking met het Europees Parlement een proactievere houding aan te nemen wanneer zij de kapitaalmarktenunie in het kader van de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs gebruikt ter ondersteuning van de groeiende markt voor duurzame en verantwoorde investeringen, door duurzame investeringen te bevorderen, door effectieve en gestandaardiseerde milieu-, sociale en governance (ESG)-informatie te verstrekken aan de hand van criteria voor beursgenoteerde bedrijven en financiële intermediairs, en door dergelijke criteria op adequate wijze in acht te nemen in systemen voor beleggingsbeheer en bij openbaarmakingsnormen, voortbouwend op soortgelijke bepalingen die het Parlement met succes heeft bepleit bij de recente herziening van de IBPV-richtlijn; vraagt de Commissie voorts ESG-"ratingdiensten" en een coherent kader voor de groene-obligatiemarkt te bevorderen, voortbouwend op een studie van de Commissie en de werkzaamheden van de studiegroep van de G20 inzake groene financiering;

35.  vraagt de Commissie haar werkzaamheden ter bestrijding van discriminatie op grond van woonplaats in de Europese financiële retailsector te intensiveren en de geplande algemene voorstellen indien nodig aan te vullen met andere, specifiek op de financiële sector gerichte wetgevingsinitiatieven om een eind te maken aan ongerechtvaardigde geo-blocking, hierbij rekening houdend met het feit dat de prijs van bepaalde producten en diensten afhangt van een reeks factoren (regelgevend of geografisch van aard) die van lidstaat tot lidstaat verschillen;

36.  vraagt de Commissie met klem om, onder meer uitgaand van de structuur van de richtlijn betalingsrekeningen en de analyse van de verzekeringssector door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, een goed georganiseerd en gemakkelijk te gebruiken EU-vergelijkingsportaal op te richten dat alle of de meeste onderdelen van de markt voor financiële retaildiensten beslaat; onderstreept dat vergelijkingsinstrumenten voor de consumenten precies en steekhoudend moeten zijn en niet uitsluitend gericht mogen zijn op de prijzen van de producten, maar eveneens op de kwaliteit ervan, en dat alleen soortgelijke producten met elkaar mogen worden vergeleken;

37.  vraagt de Commissie, onder meer met de richtlijn betalingsrekeningen in gedachten, om de regels, praktijken en niet-praktijken die van toepassing zijn op binnenlands en grensoverschrijdend overstappen in de relevante segmenten van de Europese markt voor financiële retaildiensten in kaart te brengen en een coherente en veelomvattende strategie voor te stellen om grensoverschrijdend overstappen in de hele EU gemakkelijker te maken voor de consument;

38.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem de regelingen voor alternatieve geschilbeslechting voor de markt voor financiële retaildiensten te verbeteren door ervoor te zorgen dat de organen voor alternatieve geschilbeslechting daadwerkelijk onafhankelijk zijn en alle betrokken partijen omvatten, en door maatregelen te nemen die FIN-NET doeltreffender maken en grotere bekendheid geven bij consumenten; vraagt de Commissie eveneens om na de geplande evaluatie van de implementatie van de aanbeveling betreffende collectief verhaal te onderzoeken of een Europees systeem voor collectief verhaal tot de mogelijkheden behoort;

39.  vraagt dat de Commissie zich buigt over de verwarrende en soms misleidende praktijken waarmee consumenten geconfronteerd worden bij het verrichten van kaartbetalingen en opnames uit geldautomaten met valutawissels, en een coherente oplossing voorstelt die de consument ook in de praktijk in staat stelt de situatie ten volle te begrijpen en meester te zijn, met inbegrip van de betalingscyclus in verband met de digitale markt;

40.  wijst de Commissie erop dat het nog altijd gangbaar is dat betaalkaarten buiten gebruik worden gesteld wanneer de houder naar een andere lidstaat verhuist, en vraagt dat er op dit vlak maatregelen worden getroffen, waaronder waarschuwing van de nationale autoriteiten;

41.  verzoekt de Commissie de wederzijdse erkenning en interoperabiliteit van technieken voor digitale identificatie te bevorderen zonder te raken aan het beveiligingsniveau van de bestaande systemen noch aan de capaciteit van deze systemen om te voldoen aan de voorschriften van het EU-antiwitwaskader; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom met klem om zorgvuldig te werk te gaan bij de tenuitvoerlegging van de eIDAS-verordening en de nieuwe antiwitwaswetgeving en zo onder meer te zorgen voor een algemene omgeving waarin strenge veiligheidsvoorschriften gecombineerd worden met eerlijke en eenvoudige identificatieprocedures voor consumenten, hetgeen perfect mogelijk is, in overeenstemming met de beginselen inzake de bescherming van persoonsgegevens; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens de regelgevende belemmeringen voor de aanvraag van financiële diensten middels een elektronische handtekening op te sporen en weg te nemen, en de voorwaarden te scheppen voor EU-brede grensoverschrijdende digitale aanmeldingsprocessen;

42.  wijst erop dat de in potentie transformatieve impact van de "distributed ledger"-technologie de opbouw van regelgevingscapaciteit vereist, teneinde potentiële systeemrisico's en uitdagingen voor consumentenbescherming in een vroeg stadium te kunnen identificeren; vraagt de Commissie bijgevolg een horizontale taskforce in het leven te roepen om de risico's nauwgezet te volgen en deze tijdig te helpen aanpakken;

43.  vraagt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een plan op te stellen voor de oprichting van een gecoördineerd netwerk van nationale één-loketinstanties, naar analogie met de enige contactpunten, die ondersteuning zouden bieden aan financiële bedrijven die de mogelijkheden van grensoverschrijdende handel beter willen benutten;

44.  onderstreept dat de aanbieders van financiële retaildiensten ertoe moeten worden aangemoedigd projecten inzake innovatie en milieu te financieren; benadrukt dat een aanpak die lijkt op de ondersteuningsfactor voor kmo's, zou kunnen worden bestudeerd;

45.  vraagt de Commissie gevolg te geven aan het voorstel van EIOPA voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor risicobeoordeling en transparantie voor IBPV's, teneinde te komen tot een gedegen pijler 2-systeem in de hele Unie en tot vergelijkbaarheid van systemen, en te zorgen voor een beter begrip – bij regelgevers, toezichthouders en consumenten zelf – van de voordelen en risico's voor consumenten;

46.  verzoekt de Commissie nieuwe benaderingen te bestuderen waarmee aan ondernemingen een grotere flexibiliteit in de regelgeving kan worden geboden om hun activiteiten te testen en hen in staat te stellen te innoveren en toch een hoog beschermingsniveau voor de consumenten en een hoog veiligheidsniveau te waarborgen;

47.  vraagt de Commissie een voorstel te presenteren voor de ontwikkeling van een EU-spaarrekening, teneinde de langetermijnfinanciering aan te zwengelen en ter ondersteuning van een ecologische transformatie in Europa;

48.  vraagt de Commissie om verduidelijking van het concept "algemeen belang", dat op dit moment door de lidstaten oneigenlijk kan worden gebruikt om nieuwe producten van hun markten te weren, en de ETA's te mandateren actief te bemiddelen tussen de lidstaten in het geval van verschillen van interpretatie van dit concept;

Langetermijnoverwegingen

49.  vraagt de Commissie om zich nader te buigen over de haalbaarheid, relevantie, voordelen en kosten van het elimineren van bestaande obstakels voor het grensoverschrijdend verlenen van financiële diensten, en daarmee het garanderen van binnenlandse en grensoverschrijdende portabiliteit in verscheidene delen van de markt voor financiële retaildiensten, bijvoorbeeld met betrekking tot individuele pensioenen en verzekeringsproducten;

50.  wijst erop dat de richtlijn hypothecair krediet momenteel in de lidstaten wordt omgezet of ten uitvoer wordt gelegd; moedigt de Commissie ertoe aan de omzetting en tenuitvoerlegging ervan nauwlettend te volgen en de uitwerking van deze wetgeving op de markt van de financiële retaildiensten te analyseren; herinnert eraan dat er nog steeds grote belemmeringen bestaan voor de oprichting van een sterkere interne markt voor hypotheken en consumentenkrediet; spoort de Commissie er daarom toe aan stappen voorwaarts te doen en tegelijk voor financiële stabiliteit te zorgen, een evenwicht te zoeken tussen privacy en gegevensbescherming enerzijds en betere grensoverschrijdende toegang tot beter gecoördineerde kredietgegevensbanken anderzijds, en ervoor te zorgen dat kredietgerelateerde incidenten waarbij consumenten op onredelijke wijze aan wisselkoersrisico's zijn blootgesteld, zich niet herhalen;

51.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten de tenuitvoerlegging en weerslag van de Europese wetten inzake financiële retaildiensten te analyseren; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten een diepgaand onderzoek te verrichten naar de juridische belemmeringen en nog steeds bestaande hinderpalen voor grensoverschrijdende activiteiten en de voltooiing van een Europese markt voor financiële retaildiensten; onderstreept dat in deze analyse rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de kmo's;

52.  vraagt de Commissie te analyseren welke gegevens leningverstrekkers nodig hebben om de kredietwaardigheid van hun klanten te beoordelen en op basis van deze analyse voorstellen te presenteren voor regels voor de beoordeling in kwestie; vraagt de Commissie nader onderzoek te doen naar de huidige praktijken van kredietinstellingen op het gebied van het verzamelen, verwerken en marketen van consumentengegevens, teneinde te waarborgen dat deze adequaat zijn en geen afbreuk doen aan de rechten van consumenten; vraagt de Commissie te overwegen om, indien nodig, actie te ondernemen;

53.  vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de digitale communicatie en verkoop met betrekking tot financiële diensten voor consumenten beschikbaar zijn in vormen die toegankelijk zijn voor personen met een handicap, waaronder via websites en downloadbare bestandsformaten; is er voorstander van dat alle financiële diensten voor consumenten volledig onder de richtlijn inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (de ‘Europese toegankelijkheidsakte’) vallen;

54.  is opgetogen over het werk dat wordt verricht om de prijzen van autoverhuurdiensten transparanter te maken, met inbegrip van de verkoop van aanvullende verzekeringen en andere vergoedingen; benadrukt dat alle verplichte of optionele vergoedingen of kosten verbonden aan de huur van een voertuig duidelijk en nadrukkelijk zichtbaar moeten zijn voor de consument op de website van het autoverhuurbedrijf of op een vergelijkingswebsite; herinnert de Commissie eraan dat de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken moet worden gehandhaafd en is verheugd over de recente goedkeuring van nieuwe, aan de technologische vooruitgang aangepaste uitvoeringsrichtsnoeren;

55.  herinnert aan het werk dat is verricht met betrekking tot de verordening inzake kredietbeoordelaars; vraagt de Commissie om de effecten van deze regelgeving - in concreto het aantal aan consumenten verkochte producten - te beoordelen;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.
(2) PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11.
(3) PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34.
(4) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.
(5) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73.
(6) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 186.
(7) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214.
(8) PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1.
(9) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 1.
(10) PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35.
(11) PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0228.


Europese defensie-unie
PDF 219kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie (2016/2052(INI))
P8_TA(2016)0435A8-0316/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 42, lid 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake permanente gestructureerde samenwerking,

–  gezien artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de defensiealliantie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 december 2013 en 25‑26 juni 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013 en van 18 november 2014 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de algehele EU-strategie voor buitenlands en veiligheidsbeleid(1),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2009 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2004‑2008)(3), waarin paragraaf 89 stelt dat "de grondrechten niet ophouden bij de kazernepoorten en dat zij tevens volledig gelden voor burgers in uniform", en de aanbeveling doet dat "de lidstaten erop toezien dat de grondrechten ook in de strijdkrachten worden geëerbiedigd",

–  gezien de definitieve conclusies van de interparlementaire conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van Den Haag van 8 april 2016, van Luxemburg van 6 september 2015, van Riga van 6 maart 2015, van Rome van 7 november 2014, van Athene van 4 april 2014, van Vilnius van 6 september 2013, van Dublin van 25 maart 2013, en van Pafos van 10 september 2012,

–  gezien de recente verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) naar aanleiding van de Gymnich-bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU van 2 september 2016, waarmee het potentieel van de lidstaten om concrete resultaten te bereiken op het gebied van defensie kracht werd bijgezet,

–  gezien het document met de titel "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid" dat door de VV/HV is gepresenteerd op 28 juni 2016,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de VV/HV en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de uitvoering van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013: "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542),

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 juni 2014: 'Een "New Deal" voor de Europese defensie',

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van haar mededeling over defensie,

–  gezien de evaluaties van Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en van Richtlijn 2009/43/EG betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 11 december 2013 van de VV/HV en de Commissie: "De alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties" (JOIN(2013)0030), en de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien de verklaring van de Italiaanse ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken van 10 augustus 2016, waarin zij oproepen tot een "Schengenruimte voor defensie",

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Duitse en Franse minister van Buitenlandse Zaken van 28 juni 2016, "Een sterk Europa in een wankele wereld",

–  gezien de mogelijke uittreding van het VK uit de EU,

–  gezien de resultaten van Eurobarometer 85.1 van juni 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie constitutionele zaken (A8-0316/2016),

A.  overwegende dat de veiligheidssituatie in en rondom Europa gedurende de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd, waardoor zich moeilijke en ongeziene uitdagingen voordoen die geen enkel land en geen enkele organisatie alleen kan aangaan; overwegende dat Europa meer dan ooit met de dreiging van terreur te kampen heeft en dat het terrorisme en het aanhoudend geweld in Noord-Afrika en het Midden-Oosten blijven toenemen; overwegende dat solidariteit en veerkracht de EU ertoe nopen één front te vormen en systematisch op te treden, en dit optreden af te stemmen met haar bondgenoten en de derde landen; overwegende dat preventie, het delen van gevoelige informatie op het gebied van veiligheid, het beëindigen van gewapende conflicten, het uitbannen van wijdverbreide inbreuken op de mensenrechten, de verspreiding van democratie en de rechtsstaat en de strijd tegen het terrorisme prioriteiten zijn voor de EU en haar burgers waarvoor de EU zich moet inzetten, zowel binnen als buiten haar grenzen, onder meer door een geniecorps in het leven te roepen met het oog op het aangaan van bepaalde zeer praktische uitdagingen in verband met de gevolgen van de klimaatverandering en natuurrampen in derde landen; overwegende dat Europa sterker en sneller moet optreden bij reële dreigingen;

B.  overwegende dat terrorisme, hybride dreigingen, economische instabiliteit, onzekerheid over de cyber- en energieveiligheid, georganiseerde misdaad en klimaatverandering de voornaamste veiligheidsdreigingen zijn in een wereld die steeds complexer wordt en een steeds sterkere onderlinge afhankelijkheid vertoont, en waarin de EU moet trachten de middelen te vinden om de veiligheid te waarborgen en welvaart en democratie uit te dragen; overwegende dat in de huidige financiële en veiligheidssituatie de Europese strijdkrachten nauwer moeten samenwerken en militairen meer en beter samen moeten trainen en werken; overwegende dat volgens de Eurobarometer 85.1 van juni 2016 ongeveer twee derde van de EU-burgers een grotere inspanning van de EU wil zien op het gebied van veiligheids- en defensiebeleid; overwegende dat de grens tussen interne en externe veiligheid steeds vager wordt; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan conflictpreventie door de oorzaken van instabiliteit aan te pakken en menselijke veiligheid te waarborgen; overwegende dat de klimaatverandering een enorme dreiging vormt voor de wereldwijde veiligheid, vrede en stabiliteit en zo de dreigingen voor de veiligheid in traditionele zin doet toenemen, onder meer doordat er minder schoon water en voedsel beschikbaar is voor de bevolking van kwetsbare en zich ontwikkelende landen, hetgeen leidt tot economische en sociale spanningen, waardoor mensen zich gedwongen zien te migreren, of leiden tot politieke spanningen en veiligheidsrisico’s;

C.  overwegende dat de VV/HV de veiligheid van de Unie als één van de vijf belangrijkste prioriteiten heeft aangeduid in haar ‘Mondiale strategie van de Europese Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid’;

D.  overwegende dat de lidstaten op grond van het Verdrag van Lissabon verplicht zijn om de passende vermogens voor civiele en militaire GVDB-missies en -operaties ter beschikking te stellen; overwegende dat de opbouw van een veiligheids- en defensiecapaciteit als vastgelegd in de Verdragen nog verre van optimaal is; overwegende dat ook de Europese instellingen een belangrijke rol kunnen spelen bij het nemen van politieke initiatieven; overwegende dat de lidstaten tot nu toe een gebrek aan wilskracht hebben getoond bij de opbouw van een Europese veiligheids- en defensie-unie uit vrees dat een dergelijke unie een bedreiging voor hun nationale soevereiniteit zou vormen;

E.  overwegende dat de kosten van een niet-verenigd Europa op het gebied van veiligheid en defensie worden geraamd op 26,4 miljard EUR per jaar(4) door de dubbele uitgaven, overcapaciteit en hindernissen bij defensieaanbestedingen;

F.  overwegende dat artikel 42 van het VEU de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie omvat als deel van het GVDB, dat zal leiden tot een gemeenschappelijke defensie van de EU zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit; overwegende dat artikel 42, lid 2, VEU de lidstaten ook aanbeveelt een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun afzonderlijke grondwettelijke bepalingen;

G.  overwegende dat artikel 42 VEU ook voorziet in de oprichting van defensie-instellingen, alsmede in de bepaling van Europees beleid inzake vermogens en bewapening; overwegende dat dit artikel tevens vereist dat de inspanningen van de EU verenigbaar, aanvullend en wederzijds versterkend zijn met de NAVO; overwegende dat een gemeenschappelijk defensiebeleid voor de Unie het vermogen van Europa moet versterken om veiligheid binnen en buiten haar grenzen te bevorderen en het partnerschap met de NAVO en de trans-Atlantische relaties moet versterken en daarom zal zorgen voor een sterkere NAVO, hetgeen verder zal bijdragen aan een doeltreffender territoriale, regionale en mondiale veiligheid en defensie; overwegende dat de recente gezamenlijke verklaring van de NAVO-top in Warschau in 2016 over het strategische partnerschap tussen de NAVO en de EU de rol van de NAVO en de ondersteuning die de EU kan bieden om gezamenlijke doelstellingen te behalen heeft erkend; overwegende dat een Europese defensie-unie (EDU) moet streven naar een hernieuwd evenwicht van de betrekkingen binnen de NAVO en de handhaving van de vrede, conflictpreventie en de versterking van de internationale veiligheid moet waarborgen overeenkomstig de beginselen van het VN-Handvest;

H.  overwegende dat door procedurele, financiële en politieke hindernissen nog geen gebruik is gemaakt van de EU-gevechtsgroepen die in 2007 hun volledige operationeel vermogen hebben bereikt en die opgericht zijn om militaire taken te vervullen met het oog op humanitaire missies, vredeshandhaving en vredesopbouw, hoewel de behoefte daaraan ontstaat en de mogelijkheid zich voordoet; benadrukt dat dit een gemiste kans is om de rol van de EU als belangrijke speler voor stabiliteit en vrede in de wereld te versterken;

I.  overwegende dat – afgezien van de oprichting van het Europees Defensieagentschap – geen van de andere ontbrekende onderdelen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU tot dusver zijn geconcipieerd, onderwerp van besluitvorming zijn geweest, of ten uitvoer zijn gelegd; overwegende dat de organisatie van het Europees Defensieagentschap nog altijd grondig moet worden doorgelicht om zijn volledige potentieel te kunnen ontwikkelen en te kunnen bewijzen dat het een toegevoegde waarde heeft, het GVDB doeltreffender maakt en tot geharmoniseerde nationale defensieplanningsprocessen kan leiden op die gebieden die van belang zijn voor militaire operaties met betrekking tot het GVDB, overeenkomstig de Petersberg-taken zoals beschreven in artikel 43 VEU; moedigt alle lidstaten aan om deel te nemen aan en te investeren in het Europees Defensieagentschap om deze doelstelling te bereiken;

J.  overwegende dat de algehele strategie van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid vereist dat de EU systematisch aanspoort tot samenwerking op het gebied van defensie die het volledige spectrum van vermogens omvat; dit met het oog op het reageren op externe crises, ondersteuning bij de opbouw van de capaciteit van onze partners, het instaan voor de veiligheid van Europa en de totstandbrenging van een solide Europese defensie-industrie, hetgeen van cruciaal belang is voor de Unie om strategisch en autonoom te kunnen besluiten en actie ondernemen; overwegende dat alle leden van de Raad eerst een akkoord moeten sluiten voordat maatregelen ten uitvoer kunnen worden gelegd;

K.  overwegende dat de Europese Raad van juni 2015, waar onder meer defensie centraal stond, opriep om in te zetten op een ruimere en systematischer samenwerking rond defensie in Europa, met het oog op het creëren van cruciale vermogens, onder meer via EU-middelen wanneer dit geboden is, waarbij wordt opgemerkt dat de militaire vermogens in handen blijven van en uitgevoerd worden door de lidstaten;

L.  overwegende dat Frankrijk zich op 17 november 2015 heeft beroepen op artikel 42, lid 7, VEU, en dienovereenkomstig de hulp en bijstand van andere lidstaten zuiver op bilaterale basis heeft ingeroepen en beheerd;

M.  overwegende dat het EU-witboek inzake veiligheid en defensie het GVDB verder moet versterken en het vermogen van de EU moet uitbreiden om te kunnen zorgen voor veiligheid overeenkomstig het Verdrag van Lissabon, en een nuttige beschouwing kan zijn over een toekomstig en effectiever GVDB; overwegende dat GVDB-missies en operaties overwegend plaatsvinden in regio’s als de Hoorn van Afrika en de Sahel – gebieden die ernstig geteisterd worden door de negatieve gevolgen van de klimaatverandering, zoals droogte en bodemdegradatie;

N.  overwegende dat het Nederlandse voorzitterschap van de Raad het idee van een EU-witboek heeft gepromoot; overwegende dat de Visegrad-landen het idee van een sterkere Europese defensie-integratie positief hebben onthaald; overwegende dat Duitsland heeft opgeroepen tot een Europese veiligheids- en defensie-unie in het witboek 2016 over het Duitse veiligheidsbeleid en de toekomst van de Bundeswehr;

O.  overwegende dat de stapsgewijze integratie van defensie onze beste optie is om meer te doen met minder geld en dat het witboek een unieke kans kan zijn om bijkomende stappen voor te stellen;

De Europese defensie-unie

1.  herinnert eraan dat Europa politieke wil en vastberadenheid nodig heeft, gesteund door een breed scala aan relevante beleidsinstrumenten waaronder sterke en moderne militaire vermogens, om haar veiligheid op lange termijn te waarborgen; spoort de Europese Raad aan om de leiding te nemen bij de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie en bijkomende financiële middelen te bieden om de oprichting ervan te waarborgen, zodat deze tot stand komt gedurende de looptijd van het volgende meerjarig politiek en financieel kader van de EU (MFK); herinnert eraan dat de totstandbrenging van het gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie een vorm van ontwikkeling en uitvoering is van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid in het kader van het Verdrag van Lissabon, dat gebonden is aan internationale wetgeving en daadwerkelijk onontbeerlijk is om de EU in staat te stellen de rechtsstaat, vrede en veiligheid overal ter wereld te bevorderen; is in dit verband ingenomen met alle lopende activiteiten van de lidstaten die zijn gericht op verdere integratie van onze gemeenschappelijke inspanningen op het gebied van defensie, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de uiterst belangrijke bijdragen die het witboek over veiligheid en defensie zal leveren;

2.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan het volledige potentieel van het Verdrag van Lissabon met betrekking tot het GVDB te ontplooien, met name de permanente gestructureerde samenwerking uit artikel 42, lid 6, of het startfonds uit artikel 41, lid 3, VEU; herinnert eraan dat de Petersberg-taken uit artikel 43 VEU bestaan uit een lange lijst met ambitieuze militaire taken, zoals gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving en missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten; herinnert eraan dat hetzelfde artikel vermeldt dat al deze taken kunnen bijdragen aan de strijd tegen het terrorisme, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden; benadrukt dat de huidige staat van het GVDB de EU niet in staat stelt om alle opgesomde taken uit te voeren; is van mening dat het systematisch werken aan methoden die de EU in staat stellen aan de doelstellingen van het Verdrag van Lissabon te voldoen aan de orde moet zijn;

3.  is van mening dat een echt sterke Europese defensie-unie garanties en vermogens moet bieden aan de lidstaten die hun eigen vermogens overtreffen;

4.  is van mening dat de eerste stap naar een Europese defensie-unie een grondig herzien GVDB is op basis van een sterk defensiebeginsel, efficiënte financiering en coördinatie met de NAVO; geeft aan dat, als een essentiële stap en rekening houdend met de toenemende integratie van interne en externe veiligheid, het GVDB verder moet gaan dan beheer van externe crises, zodat de gemeenschappelijke veiligheid en defensie gewaarborgd wordt en de Unie in staat wordt gesteld op te treden in alle stadia van crises en conflicten aan de hand van het volledige scala aan instrumenten dat zij ter beschikking heeft;

5.  wijst op de behoefte aan de oprichting van een soort raad van ministers van defensie om voortdurend politiek leiderschap te bieden en de vorming van een Europese defensie-unie te coördineren; roept de Raad van de Europese Unie op om een eerste stap te nemen en een permanente vergadering op te zetten waarin de ministers van Defensie van de lidstaten samenkomen die zich willen inzetten voor nauwere samenwerking op het gebied van defensie en dat dient als forum voor raadpleging en besluitvorming;

6.  verzoekt de voorzitter van de Commissie een permanente werkgroep op te richten onder het motto "defensie doet ertoe", die bestaat uit leden van de Commissie en wordt voorgezeten door de VV/HV; vraagt dat het Parlement met permanente vertegenwoordigers lid kan worden van deze groep; steunt een grotere betrokkenheid van de Commissie bij defensie door gericht onderzoek, planning en uitvoering; verzoekt de VV/HV om klimaatverandering een kernthema te maken bij al het extern optreden van de EU, en met name in het GVDB;

7.  is van mening dat de toegenomen risico's en dreigingen in Europa de totstandbrenging van de Europese defensie-unie noodzakelijk maakt, met name gezien de aanhoudende verslechtering van de veiligheidssituatie aan de grenzen van de Europese Unie, in het bijzonder in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap; merkt op dat dit ook wordt erkend in de veiligheidsstrategieën van de lidstaten; onderstreept dat deze situatie vooral in de loop van 2014 steeds nijpender is geworden, met het ontstaan en de ontwikkeling van Daesh, dat zichzelf Islamitische Staat noemt, en vervolgens het gebruik van geweld door Rusland;

8.  is van mening dat de Europese defensie-unie gebaseerd moet zijn op een regelmatige beoordeling van bedreigingen van de gemeenschappelijke veiligheid van de lidstaten, maar ook flexibel genoeg moet zijn om te voldoen aan de afzonderlijke veiligheidsuitdagingen en -behoeften van de lidstaten;

9.  is van mening dat de Unie eigen middelen moet uittrekken om intensievere en meer systematische Europese samenwerking tussen haar lidstaten op het gebied van defensie te stimuleren, waaronder permanente gestructureerde samenwerking; is ervan overtuigd dat het aanwenden van EU-fondsen een duidelijk signaal van cohesie en solidariteit zou afgeven, en dat dit de lidstaten in staat zou stellen meer gemeenschappelijke inspanningen te leveren ter verbetering van hun militaire vermogens;

10.  is van mening dat een versterkte Europese samenwerking op het gebied van defensie zou leiden tot meer doeltreffendheid, eenheid en efficiëntie en tevens de EU-activa en EU-vermogens zal verhogen, en mogelijk positieve effecten zal hebben op onderzoek en industrie in verband met defensie; benadrukt dat enkel door een dergelijke nauwere samenwerking die stapsgewijs tot een echte Europese defensie-unie moet leiden, de EU en haar lidstaten de technologische en industriële vermogens kunnen verwerven die nodig zijn om sneller, autonoom en doeltreffend te kunnen optreden en efficiënt op de dreigingen van vandaag te kunnen inspelen;

11.  moedigt alle lidstaten aan elkaar meer bindende toezeggingen te doen binnen het kader van de Unie door permanente gestructureerde samenwerking op te zetten; moedigt de lidstaten aan om binnen het kader van de permanente gestructureerde samenwerking multinationale strijdkrachten te vormen en deze beschikbaar te stellen aan het GVDB; wijst op het belang van en de behoefte aan de betrokkenheid van alle lidstaten bij een permanente en efficiënt gestructureerde samenwerking; is van mening dat de Raad de uitvoering van taken op het gebied van vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid in de regel moet toevertrouwen aan deze multinationale strijdkrachten; stelt voor dat zowel de politieke besluitvormingsprocessen op EU-niveau als de nationale procedures zo worden vormgegeven dat snel op crises kan worden gereageerd; is ervan overtuigd dat het systeem van EU-gevechtsgroepen een andere naam moet krijgen en gebruikt moet worden, en daartoe op politiek en modulair gebied en met doeltreffende financiering verder ontwikkeld moet worden; moedigt de oprichting van een Europees operationeel hoofdkwartier aan als een voorwaarde voor doeltreffende planning van, bevelvoering over en controle van de gemeenschappelijke operaties; onderstreept dat permanente gestructureerde samenwerking openstaat voor alle lidstaten;

12.  roept de lidstaten op om in het bijzonder het recht van militairen te erkennen om beroepsverenigingen of vakbonden op te zetten en er lid van te worden, en deze moeten worden uitgenodigd tot een regelmatige sociale dialoog met de autoriteiten; nodigt de Europese Raad uit om concrete stappen te nemen voor de harmonisatie en normalisatie van de Europese strijdkrachten om de samenwerking tussen de strijdkrachten te vergemakkelijken in het kader van een nieuwe Europese defensie-unie;

13.  merkt op dat alle lidstaten het moeilijk hebben om een breed scala aan defensievermogens te onderhouden, meestal door gebrek aan financiering; roept daarom op tot meer coördinatie en duidelijkere keuzes over welke vermogens worden gehouden, zodat lidstaten zich in bepaalde vermogens kunnen specialiseren;

14.  moedigt de lidstaten aan om nieuwe methoden te zoeken voor gezamenlijke verwerving, onderhoud en behoud van strijdkrachten en materiaal; stelt voor dat het nuttig kan zijn om eerst het samenbrengen en delen van niet-dodelijk materiaal te bekijken, zoals transportvoertuigen en ‑vliegtuigen, tankwagens en ‑vliegtuigen en ander ondersteunend materieel;

15.  is van mening dat de interoperabiliteit van essentieel belang is indien de strijdkrachten van de lidstaten beter op elkaar afgestemd en geïntegreerd moeten zijn; benadrukt in het licht daarvan dat de lidstaten de mogelijkheid moeten onderzoeken om gezamenlijke aanbestedingen voor defensiemiddelen te organiseren; merkt op dat de protectionistische en gesloten aard van de defensiemarkten in de EU dit moeilijker maakt;

16.  benadrukt dat een herziening en verbreding van het Athenamechanisme noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat EU-missies uit collectieve fondsen kunnen worden gefinancierd in plaats van het grootste deel van de kosten aan de deelnemende lidstaten aan te rekenen, wat een mogelijke hindernis zou wegnemen voor de lidstaten om hun strijdkrachten in te zetten;

17.  roept het Europees Parlement op om een ten volle ontwikkelde Commissie veiligheid en defensie op te richten om de tenuitvoerlegging van permanente gestructureerde samenwerking op te volgen;

18.  is van mening dat een sterke en steeds grotere rol voor het Europees Defensieagentschap onontbeerlijk is voor een efficiënte Europese defensie-unie op het gebied van coördinatie van programma’s en projecten aan de hand van vermogens, en voor de vaststelling van een gemeenschappelijk Europees beleid voor vermogens en bewapening met het oog op een verbeterde efficiëntie, de afschaffing van dubbel werk en terugdringing van de kosten op basis van een lijst met zeer nauwkeurige vermogensvereisten voor GVDB-operaties en geharmoniseerde nationale defensieplannings- en aanbestedingsprocessen met betrekking tot die bepaalde vermogens; is van mening dat dit moet gebeuren aan de hand van een defensieherziening van de strijdkrachten van de lidstaten en een herziening van de voorbije activiteiten en procedures van het Europees Defensieagentschap; roept het Europees Defensieagentschap op om aan te tonen welke tekorten aan vermogens die in de hoofddoelstellingen en het vermogensontwikkelingsplan werden geïdentificeerd in het kader van het Agentschap zijn aangevuld; is ervan overtuigd dat het samenbrengen en delen van initiatieven en projecten uitstekende eerste stappen zijn naar een verbeterde Europese samenwerking;

19.  moedigt de Commissie aan om samen te werken met het Europees Defensieagentschap, en de industriële en technologische basis van de defensiesector, die van essentieel belang is voor de Europese strategische autonomie, te versterken; is van mening dat voor het behoud van de sector het essentieel is dat de lidstaten de uitgaven aan defensie opdrijven en dat ervoor wordt gezorgd dat de sector concurrerend blijft op de wereldmarkt; merkt op dat de huidige fragmentering van de markt een zwak punt voor het concurrentievermogen van de Europese defensiesector vormt; is van mening dat op samenwerking gebaseerd onderzoek een dergelijke fragmentering kan helpen verminderen en het concurrentievermogen kan helpen verbeteren;

20.  is er sterk van overtuigd dat enkel een gezamenlijke aanpak van vermogensontwikkeling, ook door de consolidatie van functionele clusters zoals het Europees luchttransportcommando, de nodige schaalvoordelen kan genereren om een Europese defensie-unie te onderbouwen; is ook van mening dat de versterking van de EU-vermogens via gezamenlijke aanbestedingen en andere vormen van samenbrengen en delen de broodnodige boost kunnen geven aan de Europese defensiesector, met inbegrip van kmo's; steunt gerichte maatregelen om dergelijke projecten te stimuleren, om de benchmark van het Europees Defensieagentschap van 35 % van de totale uitgaven voor op samenwerking gebaseerde aanbestedingen te bereiken, waartoe is opgeroepen in de mondiale strategie van de EU; is van mening dat de invoering van een Europees defensiesemester, in het kader waarvan de lidstaten elkaars planningscycli en aanbestedingsplannen raadplegen, kan helpen de huidige fragmentering van de defensiemarkt het hoofd te bieden;

21.  benadrukt dat cyberveiligheid door haar aard een beleidsgebied is waarvoor samenwerking en integratie van cruciaal belang zijn, niet enkel tussen de EU-lidstaten, de sleutelpartners en de NAVO, maar ook tussen verschillende actoren binnen de maatschappij aangezien dit niet louter een militaire verantwoordelijkheid is; roept op tot duidelijkere richtsnoeren over hoe en in welke context defensieve en offensieve EU-vermogens moeten worden gebruikt; herinnert eraan dat het Parlement meermaals heeft opgeroepen tot een grondige herziening van de EU-verordening voor uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik om te vermijden dat software en andere systemen die kunnen worden ingezet tegen de digitale infrastructuur in de EU en de mensenrechten kunnen schenden in de verkeerde handen vallen;

22.  herinnert aan de recente publicatie van de hoge vertegenwoordiger van de Global Strategy, waarin een samenhangend beeld van de prioritaire acties op het gebied van buitenlands beleid is geschetst en de volgende ontwikkelingen met het oog op het Europese defensiebeleid uiteengezet zijn;

23.  herinnert aan de vier collectieve investeringsbenchmarks die in november 2007 door de Raad van ministers van Defensie van het Europees Defensieagentschap zijn aangenomen en is bezorgd over de geringe samenwerking die bleek uit het verslag met defensiegegevens dat in 2013 is bekendgemaakt;

24.  roept de VV/HV op om een initiatief te nemen om grote bedrijven en belanghebbenden van de Europese defensiesector samen te brengen om een Europese drone-industrie te ontwikkelen;

25.  roept de VV/HV op om een initiatief te nemen om grote bedrijven en belanghebbenden van de Europese defensiesector samen te brengen om strategieën en een platform op te zetten voor de gezamenlijke ontwikkeling van defensie-uitrusting;

26.  roept de VV/HV op om de samenwerking tussen nationale strategieën, vermogens en commandocentra betreffende cyberveiligheid en het Europees Defensieagentschap te verbeteren als een onderdeel van permanente gestructureerde samenwerking om bij te dragen aan de bescherming tegen en bestrijding van cyberaanvallen;

27.  roept op tot de verdere ontwikkeling van het EU-beleidskader voor cyberdefensie om de vermogens van de lidstaten op het gebied van cyberdefensie, operationele samenwerking en informatiedeling een impuls te geven;

28.  neemt kennis van de lopende werkzaamheden met het oog op een voorbereidende actie voor een toekomstig EU-programma voor defensieonderzoek en dringt erop aan deze actie zo spoedig mogelijk en op een effectieve manier van start te laten gaan, overeenkomstig het verzoek van de Europese Raad van 2013 en 2015 en volgend op een proefproject van het Europees Parlement; benadrukt dat de voorbereidende actie voldoende middelen moet krijgen, met name ten minste 90 miljoen euro voor de volgende drie jaar (2017‑2020); is van mening dat na de voorbereidende actie een groot, gericht, door de EU gefinancierd onderzoeksprogramma moet worden opgezet als onderdeel van het volgende meerjarige financiële kader dat in 2021 van start gaat; merkt op dat het EU-programma voor defensieonderzoek een totale begroting nodig heeft van ten minste 500 miljoen euro per jaar om geloofwaardig te zijn en een duidelijk verschil te kunnen maken; verzoekt de lidstaten een opzet te maken van toekomstige samenwerkingsprogramma’s waarvoor door de EU gefinancierd defensie-onderzoek een uitgangspunt kan vormen, en roept op tot de oprichting van het lanceringsfonds voor acties ter voorbereiding van militaire operaties zoals bepaald door het Verdrag van Lissabon; neemt kennis van de initiatieven van de Commissie betreffende defensie, zoals het actieplan voor Europese defensie, het defensie-industriebeleid en de Europese basis inzake defensie, technologie en industrie;

29.  onderstreept dat de lancering van GVDB-missies, zoals EUNAVFOR MED, bijdraagt tot de totstandkoming van een Europese defensie-unie; verzoekt de Unie om op de ingeslagen weg voort te gaan en intensiever gebruik te maken van dit soort operaties;

30.  hecht er belang aan de procedures van het Europees Semester toe te passen om belangrijke samenwerkingsvormen in te voeren op het gebied van veiligheid en defensie;

31.  benadrukt hoe belangrijk het is e nodige maatregelen te nemen om de totstandkoming van een functionerende, eerlijke, toegankelijke en transparante Europese defensiemarkt te stimuleren die openstaat voor anderen, technologische innovatie in de toekomst bevordert, kmo’s ondersteunt en groei en banen stimuleert, zodat de lidstaten in staat worden gesteld hun respectieve begrotingen voor defensie en veiligheid veel efficiënter en effectiever aan te wenden en te maximaliseren; merkt op dat een solide Europese basis inzake defensie, technologie en industrie een eerlijke, functionerende en transparante interne markt, voorzieningszekerheid en een gestructureerde dialoog met de voor defensie relevante sectoren vereist; is bezorgd over de tot dusver trage voortgang in de richting van meer concurrentievermogen, maatregelen ter bestrijding van corruptie en meer transparantie in de defensiesector, en is verontrust over het feit dat er nog steeds geen solide Europees defensie-industriebeleid tot stand is gekomen waarin de regels van de interne markt worden gerespecteerd; is van oordeel dat een geïntegreerde en competitieve Europese wapenmarkt voor defensie in stimulansen en beloningen moet voorzien voor alle lidstaten, en alle kopers gepaste en betaalbare middelen moet verstrekken afgestemd op hun afzonderlijke veiligheidsbehoeften; wijst op de noodzaak om te garanderen dat de richtlijn betreffende overheidsopdrachten op defensiegebied en de richtlijn betreffende overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap correct worden toegepast in de EU; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de volledige tenuitvoerlegging van de twee defensiegerelateerde richtlijnen van het zogeheten "defensiepakket" te waarborgen;

32.  verzoekt de Commissie om haar rol op te nemen via het actieplan voor Europese defensie om een sterke industriële basis te ondersteunen die in staat is om te voorzien in de strategische behoeften aan vermogens van Europa en te bepalen waar de EU een toegevoegde waarde kan vormen;

33.  is ervan overtuigd dat de EU bij de geleidelijke bepaling van het gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie in samenspraak met de betrokken lidstaten moet voorzien in de mogelijkheid tot deelname aan vermogensprogramma's die zij opzetten, met inbegrip van deelname aan de structuren die zijn ingesteld met het oog op de realisering van deze programma's binnen het kader van de Unie;

34.  moedigt de Commissie aan om, in overleg met het Europees Defensieagentschap, op te treden als instantie die de samenwerking op het gebied van defensie faciliteert en mogelijk maakt via de mobilisering van EU-fondsen en -instrumenten gericht op de ontwikkeling van programma's voor defensievermogens door de lidstaten; herinnert eraan dat het actieplan voor Europese defensie een strategisch instrument moet zijn om samenwerking op het gebied van defensie op Europees niveau te bevorderen, met name door een door de EU gefinancierd programma voor defensieonderzoek en door maatregelen die de industriële samenwerking versterken in de volledige waardeketen;

35.  is ten zeerste ingenomen met het concept van strategische autonomie dat door de VV/HV werd ontwikkeld in de mondiale EU-strategie; is van mening dat dit concept zowel in onze strategische prioriteiten moet worden toegepast als bij de versterking van onze vermogens en onze industrie;

36.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 waarin wordt benadrukt dat de EU en de NAVO moeten samenwerken op het vlak van veiligheid en defensie; is ervan overtuigd dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO gericht moet zijn op samenwerking in het oosten en zuiden, de aanpak van hybride en cyberdreigingen, verbetering van de maritieme veiligheid alsmede harmonisatie en coördinatie van de ontwikkeling van defensievermogens; is van mening dat samenwerking op het gebied van technologische, industriële en militaire vermogens vooruitzicht biedt op meer verenigbaarheid en synergie tussen beide kaders, waardoor meer efficiëntie van middelen wordt gegarandeerd; herinnert eraan dat de tenuitvoerlegging op korte termijn van voornoemde verklaring van essentieel belang is en roept in dit kader de EDEO op om samen met zijn relevante tegenhangers concrete opties te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging tegen december 2016; is van mening dat de lidstaten vermogens moeten ontwikkelen die in het kader van het GVDB kunnen worden ingezet om autonome actie mogelijk te maken in gevallen wanneer de NAVO niet wil optreden of wanneer een EU-actie meer gepast is; is ervan overtuigd dat dit de rol van de NAVO in het veiligheids- en defensiebeleid en in gemeenschappelijke defensie zou versterken; wijst erop dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO voor de facilitering van een sterkere en efficiënte defensie-industrie en defensieonderzoek een strategische prioriteit is waarvan de tenuitvoerlegging op korte termijn van cruciaal belang is; is ervan overtuigd dat samenwerking met het oog op preventie, analyse en vroegtijdige opsporing door middel van efficiënte deling van informatie en inlichtingen de capaciteit van de EU zal verhogen om dreigingen, waaronder hybride dreigingen, het hoofd te bieden; blijft ervan overtuigd dat de NAVO de eerste verlener van veiligheid en defensie is in Europa; wijst er met klem op dat overlappingen tussen de NAVO-instrumenten en die van de Unie moeten worden vermeden; is van mening dat de EU ook op civiele gebieden potentieel heeft om een belangrijk verschil te maken in onstabiele regio's; beweert dat hoewel het de rol van de NAVO is om de hoofdzakelijk Europese leden te beschermen tegen een externe aanval, de EU moet trachten om zichzelf werkelijk te kunnen verdedigen en autonoom te kunnen optreden wanneer nodig, en dus een grotere verantwoordelijkheid neemt door de uitrusting, de opleiding en de organisatie te verbeteren;

37.  merkt op dat hoewel de NAVO de basis van collectieve defensie in Europa moet blijven, de politieke prioriteiten van de NAVO en de EU niet altijd overeen hoeven te stemmen, zeker rekening houdend met het feit dat de aandacht van de VS op Azië is gericht; merkt ook op dat de EU een unieke set aan veiligheidsgerelateerde instrumenten heeft waar de NAVO niet over beschikt en omgekeerd; is van oordeel dat de EU een grotere verantwoordelijkheid in veiligheidscrises moet opnemen in haar nabuurschap en zo moet bijdragen aan de taken van de NAVO, met name in het kader van hybride oorlogvoering en maritieme veiligheid; gelooft dat op lange termijn een hervorming van de Berlijn Plus-regeling noodzakelijk kan blijken, ook om de NAVO in staat te stellen van de vermogens en instrumenten van de EU gebruik te maken; benadrukt dat de ambities van de EU wat de strategische autonomie en de vorming van een Europese defensie-unie betreft volledig in synergie met de NAVO ten uitvoer moeten worden gelegd en moeten leiden tot een meer doeltreffende samenwerking, een billijke lastenverdeling en een productieve werkverdeling tussen de NAVO en de EU;

38.  is ervan overtuigd dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO erop gericht moet zijn samen het oosten en zuiden weerbaar te maken, alsmede op defensie-investeringen; is van mening dat samenwerking op het gebied van vermogens vooruitzicht biedt op meer verenigbaarheid en synergie tussen beide kaders, is ervan overtuigd dat dit de rol van de NAVO in het veiligheids- en defensiebeleid en in gemeenschappelijke defensie zou versterken;

39.  is sterk verontrust over meldingen dat administratieve procedures de verzameling van strijdkrachten voor GVDB-missies en grensoverschrijdende bewegingen van snellereactietroepen binnen de EU onnodig vertragen; verzoekt de lidstaten een voor de hele EU geldend systeem op te zetten voor de coördinatie van snelle bewegingen van troepen, defensiematerieel en bevoorrading voor doeleinden in het kader van het GVDB, wanneer de solidariteitsclausule wordt ingeroepen en wanneer de verplichting bestaat tot het bieden van hulp en bijstand met alle middelen waarover de lidstaten beschikken, overeenkomstig artikel 51 van het VN-Handvest;

40.  roept op tot de invoering van praktische regelingen en richtsnoeren voor de toekomstige tenuitvoerlegging van artikel 42, lid 7, VEU; verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te treffen met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel 42, lid 7, VEU, zodat de afzonderlijke lidstaten in staat zijn om de hulp en bijstand van andere lidstaten effectief te beheren, of deze in het kader van de Unie effectief te laten beheren; verzoekt de lidstaten ernaar te streven 2 % van hun bbp te besteden aan defensie, en 20 % van hun voor defensie bestemde middelen te besteden aan uitrusting die door het Europees Defensieagentschap als noodzakelijk is aangemerkt, met inbegrip van daarmee verband houdend onderzoek en ontwikkeling, waarmee zou worden voldaan aan de vier collectieve investeringsbenchmarks van het Europees Defensieagentschap;

41.  is van mening dat de uitdagingen in de vorm van financiële druk op de nationale begrotingen tegelijkertijd kansen bieden voor vooruitgang omdat er een duidelijke noodzaak ontstaat tot nauwere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van defensie; is verheugd over de beslissing van bepaalde lidstaten om de trend om in defensie-uitgaven te snoeien een halt toe te roepen of om te keren;

42.  is van mening dat het Europees Parlement een belangrijke rol moet vervullen in de toekomstige Europese defensie-unie en meent daarom dat de Subcommissie veiligheid en defensie een volwaardige parlementaire commissie moet worden;

43.  roept de VV/HV op een aanzet te geven tot een EU-witboek over veiligheid en defensie dat zich baseert op de door de Europese Raad goedgekeurde mondiale EU-strategie; verzoekt de Raad onmiddellijk de taak tot opstelling van dit document toe te wijzen; betreurt het voorstel van de VV/HV aan de EU-ministers van Defensie om enkel een tenuitvoerleggingsplan over veiligheid en defensie uit te werken, in plaats van een volledig witboek op te stellen; is van mening dat een dergelijk tenuitvoerleggingsplan een voorbereiding moet zijn voor het regelmatige proces voor een witboek over veiligheid en defensie dat een nuttige basis moet vormen voor het kwantificeren van mogelijke bijdragen van de Unie voor elke zittingsperiode, op een specifieke en realistische wijze;

44.  is sterk de mening toegedaan dat het EU-witboek over veiligheid en defensie moet voortkomen uit coherente intergouvernementele en interparlementaire processen en bijdragen van de verschillende instellingen van de EU, versterkt door onze partners en bondgenoten, met inbegrip van de NAVO, en uit omvattende interinstitutionele ondersteuning; roept de VV/HV op om haar initiële tijdschema te herzien om een doelgerichte raadpleging van de lidstaten en parlementen op te zetten;

45.  is van mening dat het witboek gebaseerd moet zijn op de mondiale EU-strategie en de volgende onderwerpen moet bevatten: de veiligheids- en defensiestrategie van de EU, de vermogens die noodzakelijk worden geacht voor het inzetten van deze strategie, en de maatregelen en programma's op zowel EU-niveau als het niveau van de lidstaten die erop gericht zijn deze vermogens te realiseren en die gebaseerd moeten zijn op gezamenlijk Europees beleid voor vermogens en bewapening, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat defensie en veiligheid een nationale bevoegdheid blijven;

46.  is van mening dat het witboek de vorm moet krijgen van een bindende interinstitutionele overeenkomst waarin alle initiatieven, investeringen, maatregelen en programma's van de Unie voor het hele meerjarige politieke en financiële kader in de EU worden vastgesteld; is ervan overtuigd dat de lidstaten, de partners en de bondgenoten bij de planning van hun eigen veiligheid en defensie rekening moeten houden met deze interinstitutionele overeenkomst, zodat hun planningen wederzijds consistent en complementair zijn;

Initiatieven nemen

47.  is van mening dat de volgende initiatieven onmiddellijk moeten worden genomen:

   de voorbereidende actie voor GVDB-onderzoek die start in 2017 en loopt tot 2019;
   een daarop volgend ambitieuzer en strategischer defensieonderzoeksprogramma dat de tijd tot het volgende meerjarig financieel kader overbrugt indien de nodige bijkomende financiële middelen door de lidstaten of door middel van cofinanciering door de lidstaten uit hoofde van artikel 185 VWEU worden verstrekt;
   een Europees semester voor defensie waarbij de vorderingen in de begrotingsinspanningen van de lidstaten op het gebied van defensie worden beoordeeld;
   een strategie die de stappen beschrijft die moeten worden genomen om de Europese defensie-unie op te richten en ten uitvoer te leggen;
   de instelling van een permanente Raad van ministers van Defensie overwegen;
   steun voor het initiatief van de NAVO in het kader waarvan multinationale bataljons in de lidstaten worden geplaatst wanneer en waar zulks nodig is, en met name voor de noodzakelijke ontwikkeling van infrastructuur (met inbegrip van huisvesting);
   ontwikkeling van een regelmatig witboekproces dat voor het eerst zal worden toegepast in het kader van de planning van het volgende meerjarig financieel kader;
   een conferentie met belanghebbenden over de ontwikkeling van een Europees beleid voor bewapening en vermogen, en harmonisatie van de het respectieve nationale beleid op basis van een Europese defensieherziening;
   de oplossing van de juridische problemen die de gezamenlijke communicatie over de versterking van de vermogens ter bevordering van de veiligheid en ontwikkeling in derde landen verhinderen;
   hervorming van het concept van de Europese gevechtsgroepen met het oog op de oprichting van permanente eenheden, die losstaan van een leidende natie en onderworpen zijn aan systematische gezamenlijke training;
   in het leven roepen van het militaire startfonds zoals voorzien in artikel 41, lid 3, VEU dat zou bijdragen aan de veel snellere lancering van de militaire GVDB-operaties;
   een actieplan om het Athenamechanisme te versterken en te verbreden om meer communautaire middelen te kunnen inzetten voor EU-missies;
   hervorming van het Athenamechanisme met het oog op de vergroting van het potentieel ervan voor kostendeling en gemeenschappelijke financiering, in het bijzonder wat betreft de inzet van EU-gevechtsgroepen of van andere snellereactietroepen, en de capaciteitsopbouw van militaire actoren in partnerlanden (training, begeleiding, advies, levering van uitrusting, verbetering van de infrastructuur en andere diensten);
   een reflectieproces over buitenlandse directe investeringen in sectoren die kritiek zijn voor defensie en veiligheid, en over dienstverleners, met het oog op de ontwikkeling van wetgeving op EU-niveau;
   een reflectieproces over normalisering voor tweeërlei gebruik met het oog op de ontwikkeling van wetgeving op EU-niveau;
   een reflectie over de oprichting van een permanent hoofdkwartier voor de bevelvoering en controle voor militaire GVDB-operaties;
   een voor de hele EU geldend systeem voor de coördinatie van snelle bewegingen van troepen, defensiematerieel en bevoorrading;
   de eerste onderdelen van het actieplan voor Europese defensie op basis van het EU-witboek over veiligheid en defensie;
   de eerste EU-NAVO-projecten over het bieden van weerstand aan en het voorkomen van hybride dreigingen en over het opbouwen van weerbaarheid, over samenwerking betreffende strategische communicatie en reactie, over operationele samenwerking, ook ter zee en over migratie, over coördinatie op het gebied van cyberveiligheid en ‑defensie, over defensievermogens, over versterking van de technologische, onderzoeks- en industriële basis van de defensiesector, over oefeningen en over de opbouw van de defensie- en veiligheidscapaciteit van onze partners in het oosten en het zuiden;
   maatregelen om de samenwerking en het vertrouwen tussen actoren op het gebied van cyberveiligheid en defensie te vergroten;

48.  stelt voor dat op zeer korte termijn werk wordt gemaakt van de Europese defensie-unie via een systeem van gedifferentieerde integratie, en in twee etappes:

   (a) activering van de permanente gestructureerde samenwerking, die reeds door dit Parlement is goedgekeurd, in het kader van het programma "Een nieuw begin" van de voorzitter van de Commissie;
   (b) inwerkingstelling van het actieplan van de algehele EU-strategie voor buitenlands en veiligheidsbeleid van de VV/HV;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de EU-agentschappen op het gebied van ruimte, veiligheid en defensie en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(2) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 138.
(3) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 48.
(4) "The Cost of Non-Europe in Common Security and Defence Policy", Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (2013), blz. 78.


Het aanboren van het potentieel van personenvervoer over water
PDF 191kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het aanboren van het potentieel van veerboten in kustgebieden en op binnenwateren: een bijdrage aan multimodaal reizigersvervoer (2015/2350(INI))
P8_TA(2016)0436A8-0306/2016

Het Europees Parlement

–  gezien het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), als gewijzigd,

–  gezien het protocol van de Internationale Maritieme Organisatie van 1978 bij het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 2006 inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de eenentwintigste conferentie van de partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de elfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs heeft plaatsgevonden,

–  gezien het witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 januari 2009 getiteld "Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018" (COM(2009)0008),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010(2),

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over de strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018(3),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004(5),

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 mei 2016 getiteld "Verslag over de toepassing van Verordening (EU) nr. 1177/2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004" (COM(2016)0274),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 september 2013 getiteld "Naar een hoogwaardige binnenvaart NAIADES II" (COM(2013)0623),

–  gezien Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen(6),

–  gezien Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1090/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 2009/42/EG betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen(8),

–  gezien Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen(9),

–  gezien Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad van 8 december 1995 betreffende een veiligheidsbeleid voor ro-ro-passagiersschepen(10),

–  gezien Richtlijn 2012/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft(11),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 oktober 2015 getiteld "REFIT Een nieuwe koers: geschiktheidscontrole van de EU-regelgeving inzake de veiligheid van passagiersschepen" (COM(2015)0508),

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 maart 2016 getiteld "REFIT-evaluatie van Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen" (COM(2016)0168),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0306/2016),

A.  overwegende dat de geografie van Europa, met zijn lange kustlijnen en vele eilanden en rivieren, uitzonderlijke mogelijkheden biedt voor duurzaam personenvervoer over water;

B.  overwegende dat personenvervoer over water in de vorm van kustvaart (korte vaart), veerboten over zee en binnenwateren, stedelijke en perifere mobiliteit, cruises en toerisme enorme kansen biedt om de overcapaciteit aan infrastructuur en schepen te benutten en een cruciale rol speelt voor het verbinden van de verschillende regio's van de Europese Unie, waardoor het een belangrijke factor is voor het verbeteren van de cohesie; overwegende dat activiteit op het gebied van cruises en veerboten bovendien het kusttoerisme bevordert, een van de belangrijkste maritieme activiteiten in Europa;

C.  overwegende dat er de laatste jaren een trend is van intensieve ontwikkeling van schepen voor diverse wateren, bijvoorbeeld schepen voor rivieren en voor de zee, die voldoen aan de vereisten voor zeeschepen en ook kunnen varen in ondiep water;

D.  overwegende dat technologische ontwikkelingen ervoor hebben gezorgd dat vervoer over water weer een alternatief is voor de verstopte toegangswegen tot stadscentra;

E.  overwegende dat personenvervoer over water en vrachtvervoer over water aankijken tegen verschillende uitdagingen en verschillende behoeften hebben op het gebied van infrastructuur, milieu-uitdagingen, operationele aangelegenheden, veiligheid en betrekkingen tussen haven en stad, terwijl beide marktsegmenten worden beheerd door één havenautoriteit;

F.  overwegende dat de integratie van knooppunten voor het personenvervoer over water in het Europese beleid voor de interconnectie van infrastructuur, zoals deze reeds gestalte krijgt via de Verordeningen (EU) nr. 1315/2013 en (EU) nr. 1316/2013, respectievelijk betreffende het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V) en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), een verdere Europese meerwaarde zal opleveren;

G.  overwegende dat er ook mogelijkheden zijn voor leningen en garanties voor projecten op het gebied van vervoer over water in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), als aanvullend instrument bij de traditionele subsidies;

H.  overwegende dat binnenvaart erkend is als milieuvriendelijke vervoerswijze, die bijzondere aandacht en ondersteuning vereist, en overwegende dat in het witboek wordt aanbevolen scheepsvervoer over zee of binnenwateren te bevorderen, door het aandeel van kustvaart en binnenvaart te vergroten en de vervoersveiligheid te verbeteren;

I.  overwegende dat het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het voorstel voor een Europese toegankelijkheidswet niet alleen degelijke richtsnoeren bieden voor de tenuitvoerlegging en indien nodig de toekomstige herziening van Verordening (EU) nr. 1177/2010, maar ook voor de goedkeuring van wetgeving op het gebied van passagiersrechten in een intermodale context, aangezien deze wetgeving onbelemmerde toegang moet omvatten voor passagiers met een handicap of beperkte mobiliteit;

J.  overwegende dat, hoewel personenvervoer over water wordt beschouwd als een veilige vervoerswijze, er zich in het verleden verscheidene tragische ongevallen in de sector van het personenvervoer over water hebben voorgedaan, waaronder die met de Estonia, de Herald of Free Enterprise, de Costa Concordia, de Norman Atlantic en de UND Adryatik;

K.  overwegende dat de EU in haar strategie voor het zeevervoersbeleid tot 2018 de doelstelling huldigt om wereldleider te worden inzake maritiem onderzoek en innovatie, alsmede scheepsbouw, teneinde de energie-efficiëntie en intelligentie van schepen te verbeteren, scheepsgerelateerde milieueffecten te verminderen, de risico's op ongevallen te beperken en een betere levenskwaliteit op zee te garanderen;

L.  overwegende dat riviercruisetoerisme en personenvervoer over water op rivieren, kanalen en andere binnenwateren toeneemt op vele stukken van de Europese rivieren en in de stedelijke knooppunten aan deze rivieren;

M.  overwegende dat de EU een aantal macrostrategieën heeft vastgesteld waarbij wordt uitgegaan van het gebruik van waterwegen, onder andere de strategieën voor het Donaubekken, de Adriatisch-Ionische regio en de Baltische regio;

1.  is van mening dat personenvervoer over water hoger op de agenda van het vervoersbeleid van de EU en haar lidstaten moet komen; is dan ook van oordeel dat zij moeten werken aan een "gemeenschappelijke ruimte voor het personenvervoer over water", bijvoorbeeld door een vereenvoudiging van de administratieve lasten die voortvloeien uit grensoverschrijdende passagiersscheepvaart;

Concurrentievermogen

2.  spoort de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en de Commissie ertoe aan aandacht te besteden aan personenvervoer over water, en met name de daaraan verbonden infrastructuur te verbeteren, zowel wat het kernnet als wat het algemene net betreft, binnen het TEN-V-netwerk en de CEF door de interconnectie met onder andere de spoorinfrastructuur in het achterland te vergroten, inclusief de bouw van infrastructuur en de verstrekking van informatie om te voorzien in de mobiliteitsbehoeften van alle reizigers;

3.  moedigt de ontwikkeling aan van de maritieme snelwegen, inclusief door derde landen, die efficiënt multimodaal vervoer bevorderen, de integratie van deze vervoerswijze met andere vervoersnetten en -wijzen faciliteren, flessenhalzen in essentiële netwerkinfrastructuren verwijderen en zorgen voor territoriale continuïteit en integratie;

4.  benadrukt dat flessenhalzen moeten worden verwijderd in de verbindingen tussen het uitgebreide West-Europese stelsel van binnenwateren en het bestaande Oost-Europese stelsel, dat aanzienlijk en op sommige plaatsen onherstelbaar is aangetast;

5.  dringt bij de Commissie aan op de publicatie van een jaarlijks overzicht van projecten in verband met personenvervoer over water die de EU medegefinancierd heeft in het kader van het Cohesiefonds, de structuur- en regionale fondsen, Interreg-gelden, Horizon 2020-middelen, CEF- en TEN-V-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen;

6.  verzoekt de Commissie een kort verslag te publiceren over de tenuitvoerlegging van de EU- strategieën in verband met personenvervoer over water;

7.  beklemtoont het cruciale belang van Europese statistische gegevens voor het uitstippelen van plannen en beleid voor de sector van het vervoer over water, met name wat het aantal grensoverschrijdende vervoersdiensten over zee en binnenwateren door veerboten en cruiseschepen betreft, aangezien er gebieden zijn waar vervoer tussen verschillende plaatsen alleen mogelijk is over water; verzoekt Eurostat in zijn statistische gegevens over passagiers op zeecruises passagiersbezoeken in aanloophavens op te nemen, d.w.z. het aantal passagiers dat in elke transithaven aan en van boord gaat, een niet alleen de cruisepassagiers die jaarlijks inschepen voor vakantie (omzet); is van mening dat opname van deze cijfers een realistischer beeld zou geven van de meerwaarde van de cruisesector en van het personenvervoer over water in het algemeen;

8.  verzoekt de Commissie een systeem te ontwikkelen voor de geharmoniseerde verzameling van statistieken over ongevallen en incidenten met binnenvaartschepen, inclusief grensoverschrijdend verkeer;

9.  is van mening dat de integratie van personenvervoer over water in stedelijke en regionale openbaarvervoersnetten de mobiliteitsefficiëntie, de milieuprestaties, de levenskwaliteit, de betaalbaarheid, de verlichting van de congestie van vervoersnetten op het land en het comfort in steden aanzienlijk ten goede kan komen; verzoekt de Commissie haar volledige steun te geven aan investeringen in kwalitatief hoogstaande achterlandinfrastructuur, die kan bijdragen tot een vermindering van de plaatselijke verkeerscongestie en ervoor kan zorgen dat de plaatselijke bevolking geen negatieve gevolgen ondervindt; verzoekt de Commissie lijsten op te stellen met voorbeelden van beste praktijken op dit gebied;

10.  verzoekt de lidstaten lokale initiatieven te bevorderen en te ondersteunen die gericht zijn op het activeren van vervoer over de binnenwateren als voorzieningsmethode voor agglomeraties, inclusief door de ontwikkeling van distributiecentra in rivierhavens en de ontwikkeling van personenvervoer, vooral om de gebieden in kwestie aantrekkelijker te maken voor toeristen;

11.  beklemtoont dat personenvervoer over water beter moet worden geïntegreerd in informatie-, reservatie- en kaartverkoopsystemen om de kwaliteit van overheidsdiensten te verbeteren en de toeristische sector verder te ontwikkelen, met name in afgelegen en geïsoleerde gebieden; benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de exploitanten op het gebied van personenvervoer over water bij de werkzaamheden betreffende het Europees geïntegreerd kaartverkoopsysteem;

12.  moedigt de Commissie ertoe aan beter georganiseerde en efficiëntere projecten inzake geïntegreerde vervoersdiensten te financieren, wat ertoe moet leiden dat het energieverbruik geleidelijk wordt verminderd, dat de dienstregelingen van de diverse openbare en particuliere maatschappijen voor luchtvervoer en vervoer over water en over land worden gereorganiseerd, om te zorgen voor een intermodaal en efficiënt beheer van het personenvervoer, en dat de tickets die worden uitgegeven door openbare en particuliere exploitanten, worden geconsolideerd in één pas die beschikbaar is via een digitale toepassing;

13.  wijst erop dat praktijken waarbij vrachtschepen ook passagiers vervoeren en omgekeerd, bijvoorbeeld in het geval van veerboten, indien nodig moeten worden bevorderd, omdat schepen hierdoor een betere bezettingsgraad en een grotere financiële efficiëntie kunnen bereiken en de congestie op de weg hierdoor kan worden verlicht;

14.  is ingenomen met de inspanningen van de sector van personenvervoer over water om over te schakelen op schonere, energie-efficiënte schepen met minder emissies, als onderdeel van een Europees kader om het vervoer over water groener te maken; is van mening dat dit zal leiden tot goedkopere oplossingen die duurzaam, aantrekkelijker en daardoor economisch concurrerender zijn, wat de sector in zijn geheel "goedkoper, schoner en groener" zal maken;

15.  merkt op dat de verschillende uitdagingen van de grote kustgebieden in de EU verschillende acties vereisen (meer veerdiensten op de Noordzee, verbetering en technische modernisering van de veren op de Middellandse Zee, enz.);

16.  is ervan overtuigd dat de Europese scheepsbouwindustrie voor passagiersschepen een belangrijke concurrerende speler moet blijven, die actiever moet worden aangemoedigd, en dat deze industrie tegelijk zijn milieuvoetafdruk moet verkleinen door de onderzoeksactiviteit en de innovatie binnen de industrie te bevorderen;

Milieuduurzaamheid

17.  verzoekt de Commissie personenvervoer over water in haar strategie op te nemen en maatregelen te treffen om de CO2-uitstoot in overeenstemming met de overeenkomsten van COP 21 terug te dringen en zo de externe kosten tot een minimum te beperken;

18.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan betere milieunormen op te stellen om de luchtverontreiniging terug te dringen, overeenkomstig de normen voor zwavelemissiegrenswaarden, brandstofkwaliteit en zuinigere motoren in de Oostzee;

19.  benadrukt dat het koolstofvrij maken van het vervoer aanzienlijke inspanningen en vooruitgang vereist op het gebied van onderzoek en innovatie; steunt de Commissie bij het bevorderen van LNG, alternatieve, niet-fossiele brandstoffen, op hernieuwbare bronnen gebaseerde elektrische en hybride systemen, en zonne- en windenergie voor zeeschepen, en spoort haar aan het onderzoek en de innovatie daarop toe te snijden, met bijzondere aandacht voor de uitvoerbaarheid in de sector van het personenvervoer over water;

20.  herinnert eraan dat overeenkomstig Richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, zeehavens van het TEN-V-kernnetwerk moeten zorgen voor LNG- bunkervoorzieningen voor vaartuigen en zeeschepen tegen 2025 en binnenhavens dit moeten doen tegen 2030;

21.  verzoekt de Commissie zelfvoorziening op het gebied van energie aan te moedigen door het gebruik van zonnepanelen op de gebouwen van haventerminals en door opslag van de overdag geproduceerde energie voor gebruik 's nachts;

22.  onderstreept dat de veerbotensector een belangrijke component is van de markt voor de korte vaart, zodat het van cruciaal belang is het dynamisme en het concurrentievermogen ervan te behouden, terwijl tegelijk de milieuprestatie en de energie-efficiëntie ervan moet worden verbeterd;

23.  is ingenomen met het REFIT-initiatief van de Commissie voor havenontvangstvoorzieningen, dat de mogelijkheid biedt om de huidige richtlijn aan te passen aan de internationale ontwikkelingen, en verwelkomt en steunt haar plannen voor nieuwe wetgeving volgens de gewone wetgevingsprocedure; wijst erop dat dit de lidstaten er niet van mag weerhouden om duurzamere initiatieven te starten, met inbegrip van goede informatie- en monitoringsystemen inzake afvalbeheer, aan boord van schepen en in havens;

Veiligheid en beveiliging

24.  benadrukt dat de voorkoming van verontreiniging en ongevallen van vitaal belang in de rol die het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid vervult bij het verbeteren van de veiligheid van grensoverschrijdende veerboten en cruises op zee en bij het beschermen van de consument;

25.  herinnert eraan dat het personeel op veerboten en cruiseschepen opgeleid moet zijn om passagiers in een noodgeval doeltreffend bij te staan;

26.  is tevreden met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart, waarmee geharmoniseerde normen worden vastgesteld voor de kwalificatie van bemanningsleden en schippers, ter verbetering van de arbeidsmobiliteit in de binnenvaart;

27.  beklemtoont dat, wat de verdere ontwikkeling van informatiesystemen zoals conventionele radar, SafeSeaNet, Galileo en de informatiediensten voor de binnenvaart (River Information Services, RIS) betreft, de nadruk moet liggen op het verbeteren van de veiligheid, beveiliging en interoperabiliteit en moedigt de lidstaten ertoe aan het gebruik van RIS verplicht te stellen;

28.  verzoekt de bevoegde autoriteiten een duidelijk kader voor de verdeling van de verantwoordelijkheden en de kosten voor te stellen teneinde de veiligheid te verbeteren, en te zorgen voor extra opleiding, instructies en begeleiding voor het personeel, met name de kwestie van de aanvaarding van opleiding die is verstrekt met goedgekeurde simulatoren als onderdeel van het opleidingsprogramma in het kader van de regels van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); is van mening dat de kwaliteit en veiligheid van diensten het best kan worden verbeterd met gekwalificeerd personeel;

29.  is tevreden met de nieuwe wetgevingsvoorstellen van de Commissie ter vereenvoudiging en verbetering van de gemeenschappelijke regels inzake veiligheid van passagiersschepen in de EU-wateren, om de veiligheid en de mededinging te verbeteren, door de regels duidelijker en eenvoudiger te maken en aan te passen aan de wettelijke en technologische ontwikkelingen;

30.  erkent dat, aangezien veiligheid steeds meer zorgen baart, eventueel extra maatregelen nodig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het veerverkeer en de activiteiten in havens, om te zorgen voor een soepele werking van de dagelijkse veerverbindingen;

31.  wijst erop dat een groot aantal rivieren grenzen vormen en spoort de bevoegde autoriteiten ertoe aan samen te werken en te zorgen voor goed geïntegreerde en doeltreffende veiligheids-, beveiligings- en noodsystemen die van weerszijden van de grens werken;

32.  wijst erop dat een aantal ingesloten zeeën, bijvoorbeeld de Oostzee en de Adriatische Zee, grenzen aan diverse lidstaten en ook aan landen die niet behoren tot de EU en verzoekt daarom de bevoegde autoriteiten te zorgen voor een effectief veiligheids- en met name noodhulpsysteem;

33.  benadrukt dat wanneer internationale zeeveerboten in de territoriale wateren van de EU actief zijn, de wetgeving van de EU en de lidstaten van toepassing moet zijn;

Kwaliteit en toegankelijkheid van de dienstverlening

34.  spoort de Commissie ertoe aan de beginselen van Verordening (EU) nr. 1177/2010 te verwerken in haar voorstel inzake intermodale passagiersrechten, met inbegrip van de aspecten in verband met onbelemmerde toegang voor personen met een handicap of beperkte mobiliteit, en in dit voorstel ook rekening te houden met de speciale behoeften van ouden van dagen en gezinnen die reizen met kinderen; spoort de Commissie ertoe aan statistische jaargegevens te verstrekken over de evolutie met betrekking tot het aantal passagiers met een handicap of beperkte mobiliteit;

35.  benadrukt het belang van de sector van het personenvervoer over water bij het ontwikkelen van duurzaam toerisme en het ondervangen van de seizoensafhankelijkheid, met name in afgelegen en perifere regio's van de Unie, zoals kust-, eiland-, meer- en plattelandsgebieden; is voorts van mening dat voor de promotie van toeristische diensten moet worden gefocust op kmo's; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten zo veel mogelijk gebruik te maken van de EU-financieringsmogelijkheden voor kmo's, met inbegrip van subsidies voor lokale gemeenschappen in de voormelde afgelegen gebieden;

36.  merkt op dat er groot potentieel zit in de totstandbrenging van goede verbindingen tussen de binnenwaterroutes en het Europees netwerk van fietsroutes om de aantrekkelijkheid van vele Europese regio's voor toeristen te verbeteren; benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de behoeften van per fiets reizende personen die gebruik maken van het personenvervoer over water;

37.  acht het toerisme in kustgebieden en op eilanden onvoldoende ontwikkeld door een gebrek aan interconnectiviteit; is van mening dat de Commissie rekening moet houden met het feit dat er in deze gebieden meer vraag is naar kwalitatief hoogstaande vervoersdiensten;

38.  is van mening dat de sector van het personenvervoer over water ook belangrijk is in gebieden waar dit vervoer momenteel economisch niet levensvatbaar is, bijvoorbeeld op dunner bevolkte afgelegen eilanden;

39.  herinnert eraan dat sommige veerverbindingen levenslijnen van vitaal belang zijn voor de territoriale, sociale en economische cohesie in ware zin, doordat zij ultraperifere gebieden verbinden met het vasteland en de gebieden met economische en industriële groei en daarmee bijdragen tot de Europese cohesie en integratie;

40.  onderstreept dat het kader voor de totstandbrenging van verbindingen met eilanden en insulaire en afgelegen gebieden moet worden bevorderd, met maatregelen ter facilitering van veerboten van betere kwaliteit en aangepaste terminals;

41.  wijst erop dat het mogelijk en wenselijk is personenvervoer over water in een multimodaal mobiliteitskader voor pendelaars en toeristen te integreren, rekening houdend met het openbaar vervoer in grote agglomeraties; denkt in dit verband dat er nog verbeteringen nodig zijn om mobiliteit als dienst te ontwikkelen door geïntegreerde ticketsystemen mogelijk te maken teneinde de betrouwbaarheid, het comfort, de stiptheid en de frequentie op te voeren, de druk op de logistieke ketens te verlichten en snellere instaptijden te bewerkstelligen teneinde passagiers aan te trekken;

42.  benadrukt dat het, om een hoog niveau van kwaliteitsdiensten te handhaven, alsmede in het belang van de maritieme veiligheid, essentieel is de kennis en vaardigheden in de maritieme sector in de EU te ontwikkelen;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(2) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
(3) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 10.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0310.
(5) PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1.
(6) PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1.
(7) PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1.
(8) PB L 325 van 9.12.2010, blz. 1.
(9) PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35.
(10) PB L 320 van 30.12.1995, blz. 14.
(11) PB L 327 van 27.11.2012, blz. 1.


De doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroten
PDF 214kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking (2016/2139(INI))
P8_TA(2016)0437A8-0322/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en in het bijzonder doelstelling 17 van de daarin vastgelegde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), waarin VN-lidstaten ertoe worden verplicht de middelen te verhogen om de agenda ten uitvoer te leggen en het mondiale partnerschap voor duurzame ontwikkeling nieuw elan te geven(1),

–  gezien de 'Addis Abeba Actieagenda', het slotdocument dat is aangenomen op de Derde Internationale Conferentie over Financiering voor Ontwikkeling (Addis Abeba, Ethiopië, 13-16 juli 2015) en dat is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN in haar resolutie van 69/313 van 27 juli 2015(2),

–  gezien het verslag aan de VN-secretaris-generaal over 'Trends en vooruitgang in internationale ontwikkelingssamenwerking', ingediend bij de vergadering van 2016 van het Ontwikkelingssamenwerkingsforum (E/2016/65)(3),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, die is aangenomen op het tweede forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in 2005, de 'Accra Agenda voor Actie' die is aangenomen op het derde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in 2008 in Accra (Ghana)(4), en het resultaat van het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Republiek van Korea) in december 2011 waar het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) werd opgericht(5),

–  gezien de Verklaring van Dili van 10 april 2010, die betrekking heeft op vredesopbouw en staatsopbouw, en gezien de 'Nieuwe Aanpak voor de inzet in fragiele staten' die op 30 november 2011 is gelanceerd op het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,

–  gezien het communiqué van de eerste bijeenkomst op hoog niveau van het GPEDC, gehouden in Mexico City in april 2014(6),

–  gezien de aanstaande tweede bijeenkomst op hoog niveau van het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC), die van 28 november t/m 1 december 2016 zal plaatsvinden in Nairobi(7),

–  gezien het voortgangsverslag 2014 van de OESO/UNDP, ‘Making Development Co-operation More Effective’(8),

–  gezien de Siem Reap Consensus over het internationaal kader voor doeltreffendheid van de ontwikkelingssteun van maatschappelijke organisaties (CSO's) van 2011,

–  gezien artikel 208 van het VWEU, waarin bepaald wordt dat terugdringing en uitbanning van armoede het hoofddoel is van het EU-ontwikkelingsbeleid en dat de Unie en de lidstaten de verplichtingen nakomen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties zijn aangegaan en rekening houden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in beleid dat waarschijnlijk gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden,

–  gezien de Europese Consensus over Ontwikkeling van 2005(9) en de plannen om een overeenkomst te bereiken over een nieuwe Consensus in 2017,

–  gezien de gedragscode van de Europese Unie inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid(10),

–  gezien de geconsolideerde tekst van het Operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(11), dat gebaseerd is op de conclusies van de Raad van 17 november 2009 over 'Een operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp', de conclusies van de Raad van 14 juni 2010 over 'De taakverdeling tussen meerdere landen' en de conclusies van de Raad van 9 december 2010 over 'Transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht',

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 26 maart 2015, 'Lancering van het EU-kader voor resultaten van de internationale samenwerking en ontwikkeling' (SWD(2015)0080), en de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over dit EU-kader(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 maart 2014 over het gemeenschappelijk standpunt van de EU voor de eerste bijeenkomst op hoog niveau van het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC)(13),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over een nieuw wereldwijd partnerschap voor de uitbanning van armoede en voor duurzame ontwikkeling na 2015(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van donderdag 12 mei 2016 over het opvoeren van gezamenlijke programmering(15),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2016 over het jaarverslag 2016 aan de Europese Raad over de EU-doelstellingen inzake ontwikkelingshulp(16),

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 23 juni 2015, 'Verslag van 2015 over de verantwoordingsplicht van de EU inzake ontwikkelingsfinanciering – Overzicht van de vooruitgang die geboekt is door de EU en haar lidstaten' (SWD(2015)0128),

–  gezien het document getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid - gedeelde visie, gezamenlijk optreden: een sterker Europa", dat in juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid(17),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over het vervolg op de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(18),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden(19),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 inzake het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp(20),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp(21),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(22),

–  gezien zijn resolutie van donderdag 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(23),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de follow-up en de herziening van de Agenda 2030(24),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 7 juni 2016 over het verslag 2015 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(25),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0322/2016),

A.  overwegende dat de beginselen die zijn vastgesteld in de Verklaring van Parijs en de Accra Agenda voor Actie volledig van kracht blijven en hebben bewezen dat zij de kwaliteit van ontwikkelingshulp hebben verhoogd, alsmede de publieke steun ervoor in donorlanden;

B.  overwegende dat de politieke verbintenissen op hoog niveau van de Consensus van Monterrey (2002), de Verklaring van Rome (2003), de Verklaring van Parijs (in 2005), de Actieagenda van Accra (2008) en het vierde forum over de doeltreffendheid van de hulp van Busan (2011) allemaal hetzelfde doel nastreven, met name de kwaliteit van de uitvoering, het beheer en het gebruik van officiële ontwikkelingshulp te verbeteren om de effecten ervan te vergroten;

C.  overwegende dat de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in vele landen duidelijk hebben bijgedragen tot vooruitgang op het gebied van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, maar dat niet overal dezelfde vooruitgang is geboekt en dat niet alle beginselen in alle landen volledig zijn geïmplementeerd en niet altijd door alle ontwikkelingsactoren;

D.  overwegende dat het mondiaal partnerschap een cruciale rol kan spelen in de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de SDG's door de aandacht te verleggen van "doeltreffendheid van ontwikkelingshulp", waarbij wordt verwezen naar de traditionele publieke ontwikkelingshulp, naar "doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking";

E.  overwegende dat officiële ontwikkelingshulp (ODA) een cruciale rol kan spelen bij de verwezenlijking van de Agenda 2030, met name in lagelonenlanden en bij de bestrijding van extreme armoede en ongelijkheid, als de hulp beter gericht wordt en de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp worden geëerbiedigd, met name de democratische eigen inbreng van de ontwikkelingslanden, afstemming, versterking van lokale capaciteiten, transparantie en democratische verantwoordingsplicht, focus op resultaten, en inclusiviteit; overwegende dat de voorwaarden die aan hulp worden verbonden in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van democratische eigen verantwoordelijkheid;

F.  overwegende dat naast ontwikkelingshulp en -samenwerking ook andere instrumenten van ontwikkelingsbeleid nodig zijn om armoede effectief uit te bannen en de SDG's te bevorderen;

G.  overwegende dat begrotingssteun zeer veel voordelen biedt, zoals het bijbrengen van verantwoordelijkheidsgevoel aan de staat, een preciezere evaluatie van de resultaten, een grotere samenhang van het beleid, een betere voorspelbaarheid van de steun en een optimale benutting van de middelen die rechtstreeks ten goede komt van de bevolking;

H.  overwegende dat de particuliere sector, samen met traditionele en niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties, een echte partner aan het worden is bij het tot stand brengen van inclusieve en duurzame ontwikkeling in het kader van onze ontwikkelingsstrategieën;

I.  overwegende dat het essentieel is voor de doeltreffendheid van hulp dat de ontvangende landen parallel daaraan groeibevorderend economisch beleid voeren door marktmechanismen in te voeren, particulier kapitaal meer ruimte te geven, landhervormingen door te voeren en hun markten geleidelijk open te stellen voor mondiale concurrentie;

J.  overwegende dat de versnippering van de ontwikkelingshulp volgens een studie van de Commissie de EU elk jaar 2 tot 3 miljard EUR extra kost;

K.  overwegende dat het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) een inclusief forum vormt dat regeringen, bilaterale en multilaterale organisaties bijeenbrengt, alsmede het maatschappelijk middenveld, parlementen, vakbonden en de particuliere sector van alle landen;

L.  overwegende dat het GPEDC focust op het gedrag en de relatie tussen de ontwikkelingsactoren, de doeltreffende tenuitvoerlegging van ontwikkelingsbeleid en -programma's, en bijhoudt of er vooruitgang wordt geboekt in de eerbiediging van de cruciale beginselen die het afgelopen decennium zijn vastgesteld om de doeltreffendheid van de inspanningen van alle actoren voor ontwikkeling te verbeteren; overwegende dat moet worden verduidelijkt hoe het wordt afgestemd op de mondiale ontwikkelingsstructuur die toeziet op de implementatie van de Agenda 2030;

M.  overwegende dat landen als China, Brazilië, Turkije, Rusland en India een steeds belangrijkere rol spelen als opkomende donorlanden en voor de overdracht van ontwikkelingsexpertise en -technologie, niet in de laatste plaats dankzij hun eigen recente en huidige ervaringen met ontwikkeling; overwegende dat hun engagement met meer traditionele donorlanden bij het bevorderen van mondiale collectieve voorzieningen en hun deelname aan inclusieve samenwerking in het GPEDC kan worden versterkt;

N.  overwegende dat de Commissie een actieve rol in de stuurgroep van het GPEDC speelt, en dat een van de covoorzitters uit een EU-lidstaat kwam, nl. Nederland; overwegende dat Duitsland deze rol van covoorzitter overneemt;

O.  overwegende dat de eigen inbreng van het ontwikkelingsland vereist dat donorlanden zich richten naar de nationale ontwikkelingsplannen en de internationaal overeengekomen SDG's en doelstellingen, alsmede de binnenlandse deelname met betrekking tot de opstelling en de verantwoordingsplicht voor de tenuitvoerlegging van ontwikkelingsplannen en -programma's;

P.  overwegende dat ontwikkelingshulp dubbel dividend genereert wanneer er niet alleen ontwikkelingsprojecten mee worden gefinancierd, maar ook lokaal wordt besteed, aan lokaal geproduceerde goederen en lokaal verleende diensten; overwegende dat versterking van de systemen van landen, waaronder nationale systemen voor de plaatsing van overheidsopdrachten, derhalve een essentieel element is voor het vergroten van de doeltreffendheid van hulp overeenkomstig de Verklaring van Parijs inzake de doeltreffendheid van hulp en voor het bevorderen van goed bestuur en de democratische verantwoording in partnerlanden;

Q.  overwegende dat donorgedreven ontwikkelingssamenwerkingsagenda's en gebonden hulp, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, een uiting kunnen zijn van andere politieke belangen die soms strijdig zijn met het ontwikkelingsbeleid en de eigen inbreng van ontwikkelingslanden en de duurzaamheid van ontwikkelingshulp en de vooruitgang die in het verleden geboekt is kunnen ondermijnen, met ondoeltreffendheid en een grotere afhankelijkheid als gevolg; overwegende dat lokale eigen inbreng een belangrijke rol moet spelen bij het tot stand brengen van doeltreffende ontwikkeling voor burgers;

R.  overwegende dat er steeds vaker gebruik wordt gemaakt van de EU-kaders voor resultaten om te meten wat er is bereikt met de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's, maar dat volledige eigen inbreng en het gebruik van die kaders door de ontwikkelingslanden een grote uitdaging blijven;

S.  overwegende dat in de monitoringronde van het GPEDC 2016 werd geconstateerd dat de geboekte vooruitgang bij het gebruik van de eigen systemen van landen zeer beperkt blijft en dat de ontkoppeling van hulp is gestagneerd op het niveau van de piek van 80 % die in 2010 werd bereikt;

T.  overwegende dat parlementariërs van partnerlanden, plaatselijke autoriteiten en het maatschappelijk middenveld hun ontevredenheid blijven uiten over de mate waarin zij worden betrokken bij en geïnformeerd over de programmering en tenuitvoerlegging van ontwikkelingssamenwerking;

U.  overwegende dat de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, in de zin van doeltreffend gebruik van alle middelen en hulpbronnen voor ontwikkeling, met inbegrip van armoedevermindering, zowel afhangt van de donorlanden als van de ontvangende landen, alsmede van het bestaan van doeltreffende en adequaat reagerende instellingen, goede beleidsmaatregelen, de betrokkenheid van plaatselijke actoren en het maatschappelijk middenveld, de rechtsstaat, inclusief democratisch bestuur, het bestaan van doeltreffende en transparante follow-upmechanismen, en waarborgen tegen corruptie binnen ontwikkelingslanden en illegale geldstromen op internationaal niveau; overwegende dat het GPEDC een belangrijkere rol zou moeten spelen bij de facilitering en bevordering van vooruitgang op het gebied van bovenstaande factoren;

V.  overwegende dat de versnippering van ontwikkelingshulp een hardnekkige uitdaging blijft als gevolg van de het steeds grotere aantal donoren en hulpinstanties en het gebrek aan coördinatie tussen hun activiteiten en projecten;

W.  overwegende dat de zuid-zuidsamenwerking is blijven groeien ondanks de groeivertraging in de opkomende economieën en de dalende grondstoffenprijzen;

X.  overwegende dat het ontwikkelingslandschap steeds heterogener wordt nu er meer mensen in middeninkomenslanden wonen dan in lage-inkomenslanden; overwegende dat tegelijkertijd de aard van de ontwikkelingsuitdagingen is veranderd door de opkomst van nieuwe mondiale uitdagingen zoals migratie, voedselzekerheid, vrede en stabiliteit, en klimaatverandering;

1.  dringt er bij alle ontwikkelingsactoren op aan voort te bouwen op de afspraken die gemaakt zijn van Parijs tot Busan, en om hun inspanningen te verhogen om ontwikkelingssamenwerking zo doeltreffend mogelijk te maken om de ambitieuze doelen en doelstellingen van de Agenda 2030 te verwezenlijken en optimaal gebruik te maken van de publieke en particuliere hulpmiddelen voor ontwikkeling;

2.  roept op om voor het uitbannen van armoede en de bevordering van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling gebruik te maken van alle instrumenten van ontwikkelingsbeleid; is van mening dat de doeltreffendheid van ontwikkelingsfinanciering moet worden beoordeeld op basis van de concrete resultaten en de bijdrage ervan tot het ontwikkelingsbeleid als geheel;

3.  benadrukt de belangrijke rol van ODA bij het realiseren van de Agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling, het uitbannen van armoede, het verminderen van ongelijkheid, het verstrekken van essentiële openbare diensten en het ondersteunen van goed bestuur; onderstreept dat ODA flexibeler en voorspelbaarder is dan andere stromen die mogelijkerwijs bijdragen tot ontwikkeling en dat er beter verantwoording over wordt afgelegd;

4.  herinnert eraan dat voldoende financiering een voorwaarde is voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking; merkt op dat de meeste verstrekkers van ODA hun toezegging om tegen 2015 0,7 % van het bni aan ontwikkelingshulp toe te wijzen niet zijn nagekomen, waardoor meer dan 2 biljoen USD niet beschikbaar is gesteld aan ontwikkelingslanden om de millenniumontwikkelingsdoelen te verwezenlijken;

5.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om de aloude toezegging om 0,7 % van het bni te bestemmen voor ontwikkelingshulp na te komen, hun ontwikkelingshulp op te voeren, onder meer via de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en een doeltreffende routekaart op te stellen om deze toezeggingsdoelstelling op een transparante en voorspelbare wijze en met verantwoordingsplicht te realiseren; waarschuwt tegen de verwatering van ODA-criteria met als oogmerk andere kosten te dekken dan de directe kosten van het bevorderen van duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden;

6.  merkt met bezorgdheid op dat sedert medio-2015 slechts vijf EU-lidstaten hun Busan-uitvoeringsplannen hebben gepubliceerd; dringt er bij de lidstaten op aan hun uitvoeringsplannen te publiceren en verslag uit te brengen over hun inspanningen vóór de tweede bijeenkomst op hoog niveau van het GPEDC (HLM2), die van 28 november t/m 1 december 2016 zal plaatsvinden in Nairobi;

7.  dringt erop aan dat in het slotdocument van de HLM2 op een duidelijke manier gedifferentieerde taken en verantwoordelijkheden van de ontwikkelingsactoren en instellingen voor de uitvoering van de agenda en de toepassing van de beginselen worden gedefinieerd en verdeeld, om vooruitgang te bevorderen en toekomstige samenwerking te faciliteren;

8.  neemt kennis van het Mexicaanse voorstel voor de opneming van een vijfde beginsel voor doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, te weten "niemand in de steek laten"; erkent het belang van een sterke focus op arme, kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, rekening houdend met gendergelijkheid en fragiele en conflictsituaties, in het kader van de agenda voor doeltreffende ontwikkeling; is van mening dat hoewel dit beginsel aansluit op de algehele filosofie en de hoofddoelstelling van de Agenda 2030, de eventuele opneming ervan vergezeld moet gaan van serieuze discussie over en reflectie op het operationeel maken van dit beginsel, met name op het gebied van mainstreaming en indicatoren;

9.  wijst op de noodzaak van een sterke positionering van het GPEDC in het kader van de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de actieagenda van Addis Abeba; is van mening dat het GPEDC voor toegevoegde waarde kan zorgen als de werkzaamheden strategisch worden gefaseerd en toegesneden op de werkzaamheden en het tijdschema van het UN ECOSOC Ontwikkelingssamenwerkingsforum, het Financing for Development Forum en het High Level Political Forum;

10.  benadrukt dat het GPEDC een sterke rol moet spelen in de op bewijs-gebaseerde aspecten van toezicht en verantwoordingsplicht met betrekking tot de doeltreffendheidsbeginselen ter verwezenlijking van de SDG's en in de ondersteuning van de volledige toepassing ervan door alle actoren op nationaal niveau; benadrukt dat het GPEDC moet zorgen voor duidelijk gedefinieerde samenwerkingskanalen voor specifieke ontwikkelingsactoren andere dan de OESO-donoren, inclusief opkomende donoren, lokale en regionale overheden, maatschappelijke organisaties, particuliere filantropen, financiële instellingen, bedrijven uit de particuliere sector en vakbonden; is van mening dat de bestuursregelingen van het GPEDC een afspiegeling moeten vormen van de diversiteit van de belanghebbenden;

11.  herinnert eraan dat 1 % van de groei in Afrika meer dan het dubbele vertegenwoordigt van de officiële ontwikkelingshulp;

12.  is van mening dat het GPEDC een leidende rol zou moeten spelen om ervoor te zorgen dat er vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot SDG 17, namelijk toezicht en verantwoordingsplicht, grotere doeltreffendheid van de hulp, kwaliteits- en capaciteitsaspecten van financiering voor ontwikkeling, belastingen en houdbaarheid van schulden, waarbij de particuliere sector zou moeten worden gemobiliseerd en zijn verantwoordelijkheid voor duurzame ontwikkeling, transparantie, beleidssamenhang, partnerschap van meerdere belanghebbenden, zuid-zuid-samenwerking en trilaterale samenwerking;

13.  onderstreept de belangrijke rol die het GPEDC moet spelen met betrekking tot SDG-indicator 17.16.1, in het bijzonder bij het tot stand brengen van doeltreffender, inclusievere partnerschappen van meerdere belanghebbenden ter ondersteuning en versterking van de uitvoering van de Agenda 2030 door de kwaliteit van ontwikkelingsinspanningen te meten; verwelkomt de monitoringronde 2016, merkt op dat aantal ontwikkelingspartners dat hierbij is betrokken is toegenomen en ziet uit naar de publicatie van het voortgangsverslag;

14.  moedigt de partijen bij het GPEDC aan de oprichting te overwegen van een onafhankelijker en goed toegerust permanent secretariaat voor het GPEDC, dat voortbouwt op de werkzaamheden van het gezamenlijk ondersteuningsteam, en dringt er bij de EU-lidstaten en partnerlanden op aan nationale contactpunten aan te wijzen;

15.  herinnert eraan dat het Parlement in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn essentiële rol uit te oefenen als democratisch controleur van alle door de EU uitgevoerde beleidsmaatregelen, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid, en verzoekt met klem om regelmatig en tijdig te worden geïnformeerd over de standpunten die de Commissie inneemt in de stuurgroep van het GPEDC;

16.  is verheugd over de vooruitgang die geboekt is en beveelt de Commissie aan nadere inspanningen te leveren om alle betrokken actoren toegang te bieden tot de informatie op het gebied van transparantie van de programmering van de ontwikkelingssamenwerking, financieringsmechanismen, projecten en hulpstromen, met name in de context van het internationale initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI) en het opzetten van de "EU Aid Explorer" website; herinnert er evenwel aan dat er op dit gebied nog belangrijke stappen moeten worden gezet en verzoekt alle donoren met klem om dringend aanzienlijke verdere inspanningen te leveren om hun informatie en data eerder beschikbaar te stellen en ze toegankelijker en vergelijkbaarder te maken; dringt er bij de lidstaten die nog geen bijdrage leveren aan het IATI op aan hiermee te beginnen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gebruik te maken van de beschikbare gegevens en om tevens partnerlanden te ondersteunen door de uitwisseling van informatie en goede praktijken te bevorderen;

17.  is van mening dat de monitoring en evaluatie van en het delen van kennis over geboekte vorderingen op het gebied van ontwikkeling van het allergrootste belang zijn voor het versterken van de verantwoordingsplicht en van de effecten van samenwerking, met name op landenniveau; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om, ten minste elke 24 maanden, verslagen in te dienen over de inspanningen en actieplannen van de EU en de lidstaten voor de volledige tenuitvoerlegging van de Busan-beginselen; verzoekt de EU om de partnerlanden te ondersteunen bij het verbeteren van hun administratieve en logistieke capaciteit, en met name hun statistische systemen;

18.  verwelkomt de initiatieven van de OESO die in potentie kunnen bijdragen tot het terugdringen van illegale geldstromen, en roept de internationale gemeenschap op tot intensivering van de samenwerking voor een grotere transparantie van fiscale regelingen en geldstromen in meer algemene zin; beklemtoont in dit verband de cruciale rol en verantwoordelijkheden van multinationale ondernemingen en financiële instellingen;

19.  verzoekt de Commissie en de EU-delegaties en de ontwikkelingsinstanties van de lidstaten om de nationale parlementen en, voor zover mogelijk, de plaatselijke en regionale autoriteiten, alsmede particuliere belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld, op de hoogte te houden van de programmering en de financiële toezeggingen met betrekking tot ontwikkelingshulp, door landenspecifieke verslagen te publiceren over de ontwikkelingssamenwerking, wat een overzicht zou moeten bieden van strategische documenten, donorcoördinatie, Jaarlijkse Actieplannen en lopende en geplande programma's, alsmede verzoeken tot indiening van subsidieprojecten en aanbestedingen of andere gebruikte financieringsinstrumenten;

20.  moedigt de parlementen van ontvangende landen aan nationale beleidsmaatregelen op het gebied van ontwikkelingshulp aan te nemen om ervoor te zorgen dat donoren en ontvangende landen, waaronder de plaatselijke autoriteiten, meer verantwoording afleggen, het financieel beheer van overheidsmiddelen en de absorptiecapaciteit te verbeteren, corruptie en alle vormen van versnippering van de hulp uit te bannen, de belastingstelsels doeltreffend te maken en de voorwaarden te verbeteren om in aanmerking te komen voor begrotingssteun en om, op de langere termijn, minder afhankelijk te worden van ontwikkelingshulp;

21.  acht het van belang te bevorderen dat alle landen zich aansluiten bij het belastinginitiatief van Addis Abeba om de technische bijstand gericht op versterking van de belastingcapaciteit van de partnerlanden tegen 2020 te verdubbelen;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om zich samen met de nationale parlementen van de partnerlanden in te zetten voor constructieve ondersteuning van dergelijke beleidsmaatregelen, ze aan te vullen met regelingen voor wederzijdse verantwoordingsplicht; is verheugd over de inspanningen van de Commissie om de binnenlandse verantwoordingsplicht te verbeteren in de context van begrotingssteun door de institutionele capaciteit van nationale parlementen en hogere controlerende instanties te versterken;

23.  benadrukt de rol die burgers, plaatselijke gemeenschappen, verkozen vertegenwoordigers, confessionele organisaties, maatschappelijke organisaties (CSO's), vakbonden en de particuliere sector spelen in de ontwikkeling van een land, en benadrukt dat dat al deze actoren op verschillende niveaus moeten worden betrokken bij de bevordering en tenuitvoerlegging van de Agenda voor doeltreffendheid; is van mening dat wil hun bijdrage doeltreffend zijn, zij actief betrokken moeten worden bij de planning en tenuitvoerlegging, wederzijdse verantwoordingsplicht en transparantie, monitoring en evaluatie, en dat donoren voorspelbaarder en sneller moeten opereren wanneer zij met deze actoren werken als uitvoerende partners die basisdiensten verlenen om daadwerkelijk de meest kwetsbare groepen van de bevolking te kunnen bereiken;

24.  benadrukt dat ontwikkelingshulp alleen kan worden bestendigd wanneer de ontvangers zich krachtig inzetten en verantwoordelijkheid dragen; onderstreept het belang van gedeelde verantwoordelijkheid voor ontwikkelingsresultaten, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de Istanbul-beginselen, en herinnert eraan dat de democratische eigen inbreng sterke instellingen veronderstelt, die de volledige deelname van de lokale overheden kunnen waarborgen aan de tenuitvoerlegging, opvolging en beoordeling van de ontwikkelingsprogramma's;

25.  onderstreept dat CSO's de mogelijkheid moet worden geboden om hun rol als onafhankelijke ontwikkelingsactoren uit te oefenen, met een specifieke focus op een stimulerende omgeving, die consistent is met internationaal overeengekomen rechten en die de bijdrage van CSO's aan ontwikkeling maximaliseert; spreekt zijn bezorgdheid uit over de afnemende ruimte voor CSO's in veel partnerlanden; verzoekt de Commissie de toegang tot financiering voor CSO's te verbeteren;

26.  is verheugd over de vooruitgang en het engagement van de EU op het gebied van Gezamenlijke Programmering; merkt op dat Gezamenlijke Programmering de versnippering van de hulp en transactiekosten zou moeten verminderen, de complementariteit zou moeten verhogen door een betere werkverdeling, de binnenlandse en onderlinge verantwoording en de voorspelbaarheid van ontwikkelingssamenwerking zou moeten verbeteren en derhalve duidelijke voordelen zou moeten bieden voor zowel de EU als de partnerlanden; merkt op dat Gezamenlijke Programmering wordt verkend in 59 van de 110 partnerlanden die EU-ontwikkelingshulp ontvangen; verzoekt de EU-lidstaten en partnerlanden om hun betrokkenheid bij Gezamenlijke Programmering te intensiveren teneinde de voordelen ervan maximaal en in zo veel mogelijk landen te benutten;

27.  herhaalt zijn verzoek(26) om de regelingen en praktijken om te zorgen voor betere complementariteit en effectieve coördinatie van ontwikkelingshulp tussen EU-lidstaten en instellingen te codificeren en te versterken, door duidelijke en afdwingbare regels in te voeren voor een democratische eigen inbreng, harmonisering, afstemming op landenstrategieën en -systemen, voorspelbaarheid van fondsen, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht; verzoekt de Commissie informatie te verschaffen over het uitblijven van een reactie op dit verzoek en aan te geven welke alternatieve maatregelen zij in dit verband heeft getroffen of voornemens is te treffen;

28.  herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten zich hebben verbonden aan het ontkoppelen van hun ontwikkelingshulp, en erkent de vooruitgang die op dit gebied is geboekt; vraagt om aanvullende inspanningen ter versnelling van de ontkoppeling van ontwikkelingshulp op mondiaal niveau door alle donoren, waaronder ook opkomende economieën; roept donoren op om als eerste optie gebruik te maken van de systemen voor de plaatsing van overheidsopdrachten van partnerlanden;

29.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan nieuwe initiatieven te ontplooien om de zuid-zuid-samenwerking en de trilaterale samenwerkingsprojecten op te zetten, in samenwerking met nieuwe opkomende donorlanden en andere landen met middeninkomens en door mondiale uitdagingen van gemeenschappelijk belang aan te pakken zonder het doel van het uitbannen van armoede uit het oog te verliezen; wijst op de noodzaak om het potentieel van gedecentraliseerde samenwerking ten volle te benutten in het kader van de Agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling, en daarbij alle garanties op het gebied van transparantie, doeltreffendheid en samenhang in acht te nemen en een verdere versnippering van de internationale ontwikkelingshulparchitectuur te vermijden;

30.  benadrukt dat ontwikkelingshulp een belangrijke rol kan spelen bij de bestrijding van armoede, het aanpakken van ongelijkheid, het bevorderen van ontwikkeling, met name van de minst ontwikkelde landen, en het verbeteren van de toegang tot kwalitatief hoogwaardige openbare diensten voor de meest benadeelde en kwetsbare groepen, alsmede een katalyserend effect kan hebben op andere kritieke systeemfactoren die gunstig zijn voor ontwikkeling, zoals bevordering van gendergelijkheid (als uitgewerkt in het Busan-partnerschap), onderwijs en versterking van gezondheidszorgstelsels, met inbegrip van de bestrijding van aan armoede gerelateerde ziekten, als de hulp wordt aangewend in een context van legitiem, inclusief bestuur dat gebaseerd is op de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

31.  benadrukt het belang van SDG 16 voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in het algemeen, en waarschuwt dat ontwikkelingshulp niet doeltreffend kan zijn als vrede, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, een onpartijdig, doeltreffend en onafhankelijk rechtsstelsel, toereikende normen en waarborgen voor de integriteit van openbare instellingen en ambtsdragers, inclusieve, participatieve en representatieve besluitvorming op alle niveaus, alsmede transparantie en verantwoordingsplicht ontbreken;

32.  herinnert eraan dat corruptie in de ontvangende landen, al dan niet rechtstreeks verband houdend met ontwikkelingshulp, een ernstige inbreuk vormt op de democratische legitimiteit en de publieke steun voor ontwikkelingshulp in donorlanden; is derhalve verheugd over alle maatregelen die getroffen worden om goed financieel beheer te bevorderen en om de corruptie definitief uit te roeien, en merkt daarbij op dat de situatie in veel partnerlanden per definitie een zekere mate van risico met zich meebrengt;

33.  dringt er bij de lidstaten en andere donorlanden op aan hun inspanningen en menselijk potentieel op te schalen om een beter inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en een grondige analyse te maken in een context van kwetsbaarheid, post-conflict en conflictpreventie, waarbij de gewenste resultaten niet altijd kunnen worden vastgesteld aan de hand van data en EU-kaders voor resultaten;

34.  is er sterk van overtuigd dat de particuliere sector een belangrijke partner is voor het verwezenlijken van de SDG's en het mobiliseren van aanvullende middelen voor ontwikkeling; onderstreept dat gezien de toenemende rol van de particuliere sector in ontwikkelingssamenwerking, particuliere actoren hun acties moeten afstemmen op de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp en gedurende de hele levenscyclus van projecten de beginselen van maatschappelijke verantwoord ondernemen in acht moeten nemen; onderkent de inspanningen van bepaalde particuliere actoren om mensenrechten, sociale inclusie en duurzaamheid in te passen in de kern van hun bedrijfsmodellen, en roept op tot een veralgemening van deze aanpak; wijst erop dat de particuliere sector zich dient te houden aan de beginselen van het internationaal recht en sociale en milieunormen, alsook aan het mondiaal pact van de VN inzake mensenrechten, de leidende beginselen van de VN inzake ondernemingen en mensenrechten, de kernarbeidsnormen van de IAO en het VN-Verdrag tegen corruptie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bedrijven die opereren vanuit belastingparadijzen niet deelnemen aan met ODA gefinancierde activiteiten; onderstreept tegelijkertijd de noodzaak dat partnerlanden een stimulerend ondernemingsklimaat bevorderen, waaronder transparante rechts- en regelgevingsstelsels;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, het parlement en de regering van Kenia als gastheer van de tweede vergadering op hoog niveau van het GPEDC, de covoorzitters van het GPEDC, het VN-ontwikkelingsprogramma, de OESO en de Interparlementaire Unie.

(1) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E
(2) http://www.un.org/esa/ffd/wp-content/uploads/2015/08/AAAA_Outcome.pdf
(3) https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N16/132/05/PDF/N1613205.pdf?OpenElement
(4) http://www.oecd.org/dac/effectiveness/34428351.pdf
(5) http://www.oecd.org/dac/effectiveness/49650173.pdf
(6) http://effectivecooperation.org/2014/03/draft-communique-for-the-first-high-level-meeting-of-the-global-partnership/
(7) http://effectivecooperation.org/events/2016-high-level-meeting/
(8) http://effectivecooperation.org/wp-content/uploads/2016/05/4314021e.pdf
(9) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(10) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(11) Document 18239/10 van de Raad.
(12) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9145-2015-INIT/en/pdf
(13) http://www.consilium.europa.eu/en/workarea/downloadasset.aspx?id=15603
(14) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9241-2015-INIT/en/pdf
(15) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8831-2016-INIT/en/pdf
(16) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8822-2016-INIT/en/pdf
(17) Document van de Raad 10715/16
(18) PB C 279E van 19.11.2009, blz. 100.
(19) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 38.
(20) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 80.
(21) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0558.
(22) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 2.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0137.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0224.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.
(26) Aangenomen teksten van 11 december 2013, P7_TA(2013)0558.

Juridische mededeling