Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 23 november 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen ***I
 Afronding Bazel III
 Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
 Strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden
 Gebarentaal en professionele gebarentaaltolken
 Verlenging van de goedkeuring voor de actieve stof bentazon

Emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen ***I
PDF 245kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG (COM(2013)0920 – C7-0004/2014 – 2013/0443(COD))
P8_TA(2016)0438A8-0249/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0920),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0004/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juli 2014(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 oktober 2014(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0249/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 november 2016 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2016/2284.)

(1) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 134.
(2) PB C 415 van 20.11.2014, blz. 23.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 28 oktober 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0381.


Afronding Bazel III
PDF 182kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III (2016/2959(RSP))
P8_TA(2016)0439B8-1226/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies 'van na de crisis' van de topbijeenkomsten van de G20,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 27 februari 2016,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 14-15 april 2016,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 23-24 juli 2016,

–  gezien de verklaring van de leiders van de G20 van 4-5 september 2016,

–  gezien de rapporten van het Bazels Comité van bankentoezichthouders (BCBS) voor de leiders van de G20 met updates over de tenuitvoerlegging van de overeengekomen agenda met hervormingen, en met name het BCBS-rapport voor de leiders van de G20 van november 2015 getiteld 'Finalising post-crisis reforms: an update'(1),

–  gezien de raadplegingsdocumenten van het BCBS van 6 april 2016, over herzieningen van het Bazel III-kader voor de hefboomratio, van 24 maart 2016 getiteld 'Reducing variation in credit risk-weighted assets – constraints on the use of internal model approaches', en van 10 december 2015 over herzieningen van de standaardbenadering voor kredietrisico,

–  gezien het BCBS-discussie- en raadplegingsdocument getiteld 'Regulatory treatment of accounting provisions' van oktober 2016,

–  gezien de BCBS-norm voor 'TLAC-holdings – Wijzigingen aan de Bazel III-norm betreffende de definitie van kapitaal' van oktober 2016(2),

–  gezien de EU Shadow Banking Monitor van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) van juli 2016,

–  gezien de resultaten van de stresstests zoals gehouden door de Europese Bankenautoriteit (EBA) en gepubliceerd op 29 juli 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van12 juli 2016 over afronding van de hervormingen van Bazel 'van na de crisis'(3),

–  gezien het Global Financial Stability Report van het IMF van 2016,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2016 over de Bankenunie – jaarverslag 2015(4),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(5),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(6),

–  gezien het studiedocument voor zijn commissie Economische en Monetaire Zaken getiteld 'De rol van de Europese Unie in internationale economische fora, nr. 5: het BCBS',

–  gezien de gedachtewisseling met de secretaris-generaal van het Bazels Comité van bankentoezichthouders (BCBS), de heer Bill Coen, met de voorzitter van de raad van toezicht van het SSM, mevrouw Danièle Nouy, met de voorzitter van de EBA, de heer Andrea Enria, en met ondervoorzitter Valdis Dombrovksis van de Europese Commissie over de afronding van Bazel III/Bazel IV,

–  gezien de verklaring van de Commissie over de herziening van de standaardbenadering voor kredietrisico door het Bazels Comité en de gedachtewisseling die daarop volgde met ondervoorzitter Katainen op 6 juli 2016,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de afronding van Bazel III (O-000136/2016 – B8-1810/2016),

–  gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een veerkrachtig en voldoende gekapitaliseerd bankenstelsel een voorwaarde is voor het handhaven van financiële stabiliteit, het verstrekken van passende leningen aan de reële economie gedurende de hele cyclus, en het bevorderen van economische groei;

B.  overwegende dat de leiders van de G20 gedurende de nasleep van de financiële crisis overeenstemming hadden bereikt over een alomvattende hervormingsagenda gericht op aanscherping van de regelgevingsnormen voor internationale banken, inclusief aanscherping van de prudentiële vereisten;

C.  overwegende dat het BCBS bezig is met het uitwerken van internationaal overeengekomen minimumnormen voor prudentiële vereisten voor grote internationaal opererende banken; overwegende dat het BCBS toezicht uitoefent op de toepassing van deze mondiale normen en daarover verslag uitbrengt aan de G20; overwegende dat zijn adviezen een belangrijk instrument zijn voor het voorkomen van regelgevingsversnippering in de wereld;

D.  overwegende dat de Europese Unie de internationaal overeengekomen normen geïmplementeerd heeft in het kader van de kapitaalvereistenverordening (CRR) en de kapitaalvereistenrichtlijn (CRD IV), zij het in een aan de financieringsbehoeften in de EU aangepaste vorm, bijvoorbeeld wat de ondersteuningsfactor voor kmo's betreft, en met een bepaalde mate van flexibiliteit; overwegende dat in de EU besloten is dat deze normen van toepassing zijn op alle banken en niet slechts op de grootste internationaal opererende banken, terwijl sommige niet-Europese landen dat juist wel doen; overwegende dat het belangrijk is de randvoorwaarden op internationaal vlak steeds gelijker te maken; overwegende dat de Commissie verwacht wordt een wetgevingsvoorstel te presenteren voor de herziening van de CRR/CRD IV, gericht op de implementatie van de onlangs overeengekomen herzieningen van het kader van Bazel;

E.  overwegende dat er sprake is van onderlinge verwevenheid tussen en complementariteit van de prudentiële vereisten voor banken enerzijds en andere regelgevingsvereisten, zoals de totale verliesabsorptiecapaciteit (TLAC) en het verplichte gebruik van centrale afwikkeling voor derivaten, anderzijds; overwegende dat het regelgevingskader voor de bankensector in de EU de afgelopen jaren aanmerkelijk is verbeterd, met name middels de totstandbrenging van de Bankenunie;

F.  overwegende dat een goed kader voor financiële stabiliteit en groei alomvattend en evenwichtig moet zijn, en dynamische toezichtspraktijken moet omvatten en zich niet uitsluitend op statische regelgeving - aangaande voornamelijk kwantitatieve aspecten - moet concentreren;

G.  overwegende dat inmiddels vaststaat dat de excessieve variabiliteit in het verleden van risicowegingen en 'strategic risk modelling' gericht op het reduceren van de kapitaalvereisten voor banken, in combinatie met de problemen die de nationale toezichthouders ondervonden bij het beoordelen van de interne modellen, bijgedragen hebben tot de financiële crisis;

H.  overwegende dat de implementatie van de prudentiële vereisten voor verschillende bedrijfsmodellen in de bankensector qua toepassingsgebied en complexiteit aanzienlijk kan verschillen, waarmee een 'unisex'-benadering ondoeltreffend en een onevenredig zware last wordt, met name voor veel kleine, vooral nationaal opererende, minder ingewikkelde en veel zelfstandiger werkende banken, alsook voor hun regelgevers en toezichthouders; overwegende dat dit betekent dat een bepaalde mate van proportionaliteit en flexibiliteit een 'must' is;

I.  overwegende dat het BCBS op dit moment kijkt naar aanvullende wijzigingen van het prudentieel kader voor banken, met name wat betreft het krediet- en het operationeel risico; overwegende dat deze hervormingen voornamelijk gericht zijn op verhoging van de risicogevoeligheid en de robuustheid van de standaardbenadering voor kredietrisico, op verdere aanscherpingen met betrekking tot het gebruik van interne modellen en op afronding van de opzet van de hefboomratio, alsmede op invoering van een potentiële ondergrens voor kapitaal op basis van de standaardbenadering;

J.  overwegende dat de meeste Amerikaanse financiële instellingen de standaardbenadering gebruiken voor het beoordelen van het kredietrisico, terwijl veel grote en middelgrote banken in de EU internationale modellen gebruiken;

K.  overwegende dat een geëigende herziening van de standaardbenadering en eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel een 'conditio sine qua non' zijn om de BCBS-norm aantrekkelijk te maken voor de kleine banken die er voornamelijk gebruik van maken;

L.  overwegende dat de G20 heeft aangegeven dat de huidige herziening niet tot een aanzienlijke verhoging van de algemene kapitaalvereisten moet leiden en dat de lidstaten zich hier tijdens de Ecofin-Raad in juli 2016 bij hebben aangesloten;

M.  overwegende dat de Europese banken nu aan periodieke stresstests van de regelgevende autoriteiten worden onderworpen en dat de resultaten van deze tests openbaar worden gemaakt;

N.  overwegende dat de vertegenwoordigers van niet-EU-landen, zoals Japan, zich ongerust hebben getoond over de toenemende druk op het aantrekken van kapitaal en de hogere kosten voor het in acht nemen van de nieuwe normen;

O.  overwegende dat de BCBS-besluiten geen rechtskracht hebben en in de EU alleen werking hebben na middels de gewone wetgevingsprocedure te zijn omgezet; overwegende dat niet alle nationale bevoegde autoriteiten in het BCBS vertegenwoordigd zijn, en dat de ECB en het SSM volwaardig lid zijn, en dat de Commissie en de EBA de status van waarnemer hebben;

1.  beklemtoont het belang van goede mondiale normen en beginselen voor prudentiële regelgeving voor banken, en verwelkomt het werk dat het BCBS na de crisis op dit vlak heeft verricht;

2.  herhaalt eens te meer dat banken voldoende gekapitaliseerd moeten zijn om de reële economie te ondersteunen, systeemrisico's te reduceren en te vermijden dat banken opnieuw op grote schaal moeten worden geholpen, zoals tijdens de crisis; beklemtoont de noodzaak van passende regelgeving voor de schaduwbankensector, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie en financiële stabiliteit;

3.  wijst erop dat, anders als in andere landen, banken in Europa een sleutelrol vervullen bij het financieren van de economie en waarschijnlijk de belangrijkste bron van financiering zullen blijven voor huishoudens en ondernemingen, met name kmo's; onderstreept dat er altijd naar is gestreefd dit in de EU-wetgeving tot uitdrukking te laten komen (bijv. middels het gebruik van de ondersteuningsfactor voor kmo's) en dat dit ook zo moet blijven (bijv. door de ondersteuningsfactor te verlengen en uit te breiden); onderkent overigens het belang van het diversifiëren van de bronnen van financiering van de Europese economie, en verwelkomt in dit verband de lopende werkzaamheden in het kader van de kapitaalmarktenunie;

4.  neemt nota van het werk van het BCBS voor de afronding van Bazel III, gericht op grotere eenvoud, vergelijkbaarheid en convergentie van het kader voor risicogewogen kapitaal, teneinde iets te doen aan de excessieve variabiliteit van risicogewogen activa en te komen tot een situatie waarin voor dezelfde risico's ook dezelfde regels gelden; onderstreept de noodzaak van meer transparantie en strengere regels inzake het afleggen van verantwoording, ter vergroting van de legitimiteit van en de betrokkenheid bij de discussies in BCBS-kader; juicht het toe dat de secretaris-generaal van het BCBS in de ECON-commissie is verschenen en hoopt op voortzetting van de dialoog;

5.  beklemtoont dat bij de lopende herziening het door de Groep van gouverneurs en hoofden van toezicht (GHOS) geformuleerde beginsel dat de kapitaalvereisten over de hele linie niet aanzienlijk zullen worden aangescherpt, in acht moet worden genomen, én - tegelijkertijd - de financiële positie van de Europese banken in het algemeen moet worden versterkt;

6.  beklemtoont dat het bevorderen van gelijke randvoorwaarden op mondiaal niveau, middels het verkleinen (in plaats van vergroten) van de verschillen tussen landen en bankmodellen, en onder vermijding van buitensporige lasten voor het Europese bankenmodel, een tweede belangrijk beginsel is, dat evenzeer in acht moet worden genomen;

7.  vindt het zorgwekkend dat een eerste analyse van de onlangs door het BCBS voorgelegde ontwerpteksten erop lijkt te wijzen dat het pakket hervormingen zoals nu geformuleerd de twee hierboven bedoelde beginselen niet in acht lijkt te nemen; vraagt het BCBS zijn voorstellen in de bedoelde richting aan te passen, en de ECB en het SSM de beginselen in kwestie in acht te nemen bij de afronding van en het toezicht op de nieuwe norm;

8.  onderstreept dat deze benadering zou bijdragen tot een consistente toepassing van de nieuwe norm door het Europees Parlement in zijn hoedanigheid als medewetgever;

9.  herinnert aan het belang van het beginsel van proportionaliteit, en dat niet uitsluitend aangaande de omvang van de instellingen waarvoor regelgeving wordt ontwikkeld, maar ook daar waar het gaat om een billijk evenwicht tussen de kosten enerzijds en de baten anderzijds van de regelgeving voor elk van de betrokken partijen;

10.  dringt aan op dialoog en de uitwisseling van goede praktijken tussen de regelgevende instanties betreffende de toepassing van het op EU- en mondiaal niveau overeen te komen beginsel van proportionaliteit;

11.  vraagt het BCBS zowel de kwalitatieve, als de kwantitatieve impact van de nieuwe hervormingen zorgvuldig en volledig in kaart te brengen, en deze impact - vóór de vaststelling van de norm door het Comité - uit te splitsen naar landen en bankmodellen; vindt dat hierbij ook rekening moet worden gehouden met de eerdere hervormingsvoorstellen van het Comité; vraagt het BCBS de nodige aanpassingen door te voeren, mochten er onevenwichtigheden aan het licht komen;

12.  herinnert eraan dat het belangrijk is bij regelgeving voor een risicogebaseerde benadering te kiezen, met toepassing van dezelfde regels voor dezelfde risico's, en vindt dat de kans op regelgevingswillekeur moet worden verkleind en dat de excessieve variabiliteit van risicogewogen activa moet worden gereduceerd; vraagt het BCBS de risicogevoeligheid van de prudentiële regelgeving te handhaven, door er - onder meer - voor te zorgen dat de herziening van de standaardbenadering en de mogelijkheid voor het toepassen van de IRBA niet tot regelgevingswillekeur leiden en in voldoende mate rekening houden met de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van financiering, zoals leningen voor onroerend goed, financiering van infrastructuur en gespecialiseerde leningen, en door onevenredige gevolgen voor de reële economie te vermijden; maakt zich in dit verband zorgen over de mogelijke gevolgen voor de reële economie van de voorgestelde introductie van outputminima;

13.  vraagt de Commissie de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen van de recente en de nieuwe hervormingen voor onder andere de financiering van de reële economie in Europa en voor op stapel staande Europese wetgevingsprojecten, zoals de kapitaalmarktenunie, zorgvuldig en volledig in kaart te brengen; vraagt de Commissie rekening te houden met de resultaten van de enquête en de eerste inventarisatie van de werking van de verordening financiële diensten, die eind 2016 wordt verwacht; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de nieuwe BCBS-voorstellen en/of de tenuitvoerlegging daarvan deze initiatieven niet dwarsbomen; beklemtoont dat deze inventarisatie hetgeen tot nu toe op wetgevingsgebied is bereikt niet mag ondermijnen en niet mag worden opgevat als een oproep tot deregulering;

14.  dringt erop aan bij het vaststellen van de hefboomratio volledig rekening te houden met de vereisten voor het verplicht stellen van centrale afwikkeling van derivaten, teneinde de praktijk van het centraal afwikkelen te bevorderen;

15.  herinnert eraan dat zowel bij de effectbeoordelingen, als de kalibratie van de normen terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de Europese bankmodellen, de markten waarop Europese banken opereren, de omvang van de verschillende instellingen en de verschillende risicoprofielen, teneinde de noodzakelijke diversiteit van de Europese bankensector te handhaven en voor proportionaliteit te zorgen; vraagt de Commissie bij het vaststellen van het toepassingsgebied en bij het in EU-wetgeving omzetten van de BCBS-voorstellen rekening te houden met al deze beginselen;

16.  beklemtoont dat de Europese en de nationale banktoezichthouders een fundamentele rol spelen bij het waarborgen van convergentie op het gebied van toezicht in de EU, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en de geschiktheid van de regels voor de verschillende bankmodellen; onderstreept het belang van betrouwbare en vergelijkbare informatie over de situatie van de instellingen waar toezicht op wordt uitgeoefend, met het oog op de doeltreffendheid en betrouwbaarheid daarvan; beklemtoont dat het recht om interne modellen te gebruiken, gehandhaafd moet worden; vraagt het SSM en de EBA hun toezichtstaken voort te zetten, teneinde te garanderen dat de interne modellen op consistente wijze worden toegepast en een weerspiegeling vormen van de risico's van de bedrijfsmodellen van banken, ervoor te zorgen dat hun tekortkomingen op meer uniforme wijze worden aangepakt, en - in voorkomend geval - wijzigingen voor te stellen;

17.  herinnert aan de interactie tussen de prudentiële vereisten voor banken enerzijds en andere belangrijke banknormen anderzijds, zoals de introductie van de TLAC-norm in de EU en de harmonisatie daarvan met het MREL-vereiste in het kader van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD), alsook tussen de prudentiële vereisten in kwestie en de toepassing van de boekhoudnorm IFRS 9 in de nabije toekomst en de Bankenunie; beklemtoont derhalve dat de reflectie over de hervorming van de prudentiële regelgeving rekening moet houden met al deze verschillende elementen, alsmede hun respectieve gevolgen en combinaties van gevolgen;

18.  herinnert eraan dat meerdere grote Europese banken dividend aan aandeelhouders hebben uitgekeerd terwijl ze flink ondergekapitaliseerd waren en ook hun balans niet op consistente wijze hadden opgeschoond;

19.  vraagt de Commissie zich bij haar werkzaamheden te concentreren op een 'small banking box' voor de bankmodellen met het geringste risico en dit geleidelijk uit te breiden tot een beoordeling van de haalbaarheid van een toekomstig regelgevingskader met minder ingewikkelde, beter geëigende en evenredige, speciaal op de verschillende soorten bankmodellen toegesneden prudentiële regels;

20.  beklemtoont het belang van de rol van de Commissie, de Europese Centrale Bank en de Europese Bankenautoriteit bij het werk van het BCBS en bij het verstrekken van transparante en alomvattende updates van de ontwikkelingen in BCBS-kader; dringt erop aan deze rol tijdens bijeenkomsten van Ecofin meer zichtbaarheid te geven en ervoor te zorgen dat beter verantwoording wordt afgelegd aan de ECON-commissie van het Parlement, in concreto in de vorm van regelmatige debriefings door de vertegenwoordigers van de EU in het BCBS;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) http://www.bis.org/bcbs/publ/d344.pdf
(2) https://www.bis.org/bcbs/publ/d387.htm
(3) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/07/12-conclusions-banking-reform/
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0093.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.


Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
PDF 200kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (2016/2067(INI))
P8_TA(2016)0440A8-0317/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid),

–  gezien artikel 42, lid 6, en artikel 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) over de instelling van een permanente gestructureerde samenwerking,

–  gezien het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV) aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) (13026/2016), in het bijzonder de delen over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB),

–  gezien de artikelen 2 en 3 en titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en in het bijzonder de artikelen 21 en 36 en artikel 42, leden 2, 3 en 7,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016 en 17 oktober 2016 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013 en 26 juni 2015,

–  gezien zijn resoluties van 21 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(1), van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa(2), van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(3), van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(4), en van 7 juni 2016 over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie(5),

–  gezien het document getiteld "Shared Vision, Common Action: A Stronger Europe – A Global Strategy for the European Union’s Foreign and Security Policy", dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door HV/VV Federica Mogherini,

–  gezien het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie, dat op 14 november 2016 is gepresenteerd door VV/HV Federica Mogherini, en gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2016 over de uitvoering van de integrale EU-strategie op het gebied van veiligheid en defensie,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 6 april 2016 van de HV/VV en de Commissie over de bestrijding van hybride bedreigingen (JOIN(2016)0018), en de conclusies van de Raad van 19 april 2016 die hiermee verband houden,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 28 april 2015 van de HV/VV en de Commissie over capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (JOIN(2015)0017) en het voorstel van de Commissie van 5 juli 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (COM(2016)0447),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 5 juli 2016 van de HV/VV en de Commissie over elementen voor een EU-breed strategisch kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector (JOIN(2016)0031),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 april 2016 over het missieondersteuningsplatform,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de vernieuwde interneveiligheidsstrategie voor de Europese Unie 2015-2020 en de conclusies van de Raad van 15-16 juni 2015 die hiermee verband houden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 april 2016 over de uitvoering van de Europese veiligheidsagenda ter bestrijding van terrorisme en ter voorbereiding van een echte en doeltreffende veiligheidsunie (COM(2016)0230),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 11 december 2013 van de HV/VV en de Commissie over de brede EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties (JOIN(2013)0030), en de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en defensie(6), gezien de gezamenlijke mededeling van de HV/VV en de Commissie van 7 februari 2013 over de strategie inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: een open, veilige en beveiligde cyberspace (JOIN(2013)0001), gezien het EU-beleidskader voor cyberdefensie van de Raad van 18 november 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over het versterken van het Europese cyberbeveiligingssysteem en bevorderen van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingsbranche (COM(2016)0410),

–  gezien de technische regeling tussen de computercrisisteams van de NAVO (NATO Computer Incident Response Capability, NCIRC) en de EU (Computer Emergency Response Team, CERT), die op 10 februari 2016 is ondertekend en de informatie-uitwisseling met betrekking tot cyberincidenten bevordert,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en de NAVO, die op 8 juli 2016 is ondertekend in het kader van de NAVO-top van Warschau 2016 (gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie, en van de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie),

–  gezien het communiqué van de top van Warschau, afgegeven door de staatshoofden en regeringsleiders die op 8-9 juli 2016 deelnamen aan de vergadering van de Noord-Atlantische Raad in Warschau,

–  gezien de resultaten van de Eurobarometer 85.1 van juni 2016,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0317/2016),

De strategische context

1.  merkt op dat de Europese veiligheidssituatie aanzienlijk is verslechterd, en dat de instabiliteit, de complexiteit, het gevaar en de onvoorspelbaarheid toenemen; wijst erop dat zich zowel conventionele als hybride bedreigingen voordoen, dat de bedreigingen door statelijke en niet-statelijke actoren worden veroorzaakt en afkomstig zijn uit het Zuiden en het Oosten, en dat ze verschillende gevolgen hebben voor de lidstaten;

2.  herinnert eraan dat de veiligheid van de EU-lidstaten onderling nauw verbonden is en dat de lidstaten op een ongecoördineerde en gefragmenteerde wijze op gemeenschappelijke dreigingen en risico's reageren, waardoor een meer gemeenschappelijke aanpak bemoeilijkt en dikwijls belemmerd wordt; benadrukt dat dit gebrek aan coördinatie een van de zwakke plekken is van het optreden van de Unie; merkt op dat Europa niet veerkrachtig genoeg is om hybride dreigingen, die vaak een grensoverschrijdende dimensie hebben, doeltreffend het hoofd te bieden;

3.  is van mening dat Europa vandaag de dag moet reageren op een grote verscheidenheid aan steeds complexer wordende crises, in een zone die zich uitstrekt van West-Afrika – via de Sahel, de Hoorn van Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Oekraïne – tot de Kaukasus; is van mening dat de EU de dialoog en de samenwerking moet opvoeren, zowel met derde landen in de regio als met regionale en subregionale organisaties; is van mening dat de EU erop voorbereid moet zijn om te reageren op structurele veranderingen in de internationale veiligheidssituatie, het hoofd te bieden aan uitdagingen die cyberaanvallen, conflicten tussen staten en de ineenstorting van staten omvatten en om te gaan met de veiligheidsgevolgen van de klimaatverandering;

4.  merkt bezorgd op dat de Europese levenswijze onder druk komt te staan doordat Europa het doelwit is geworden van terroristische acties van een nooit eerder geziene omvang, die zowel door radicale islamistische organisaties als door individuele personen worden uitgevoerd; benadrukt dat de veiligheid van het individu hierdoor op de eerste plaats is komen te staan en dat het traditionele onderscheid tussen de externe en interne dimensies is weggevallen;

5.  vraagt de EU zich aan te passen aan deze veiligheidsuitdagingen, in het bijzonder door de bestaande GVDB-instrumenten efficiënter en in samenhang met andere externe en interne instrumenten te benutten; vraagt de lidstaten beter samen te werken en te coördineren, vooral op het vlak van terrorismebestrijding;

6.  verzoekt om een sterk preventief beleid op basis van alomvattende deradicaliseringsprogramma's; merkt op dat het tevens van essentieel belang is radicalisering en terroristische propaganda actiever te bestrijden, zowel binnen de EU als in de externe betrekkingen van de EU; roept de Commissie op tot actie over te gaan om de verspreiding van extremistische inhoud online aan te pakken en in de strijd tegen radicalisering en terrorisme in alle lidstaten actievere justitiële samenwerking tussen strafrechtstelsels, met inbegrip van Eurojust, te bevorderen;

7.  merkt op dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog grenzen in Europa met geweld werden hertekend; wijst op de schadelijke impact van militaire bezetting op de veiligheid van Europa als geheel; herhaalt dat elke met geweld afgedwongen hertekening van de Oekraïense grenzen indruist tegen de beginselen van de Slotakte van Helsinki en het Handvest van de Verenigde Naties;

8.  merkt op dat uit de Eurobarometer 85.1 van juni 2016 blijkt dat ongeveer twee derde van de EU-burgers graag meer betrokkenheid van de EU zou zien op het vlak van veiligheid en defensiebeleid;

9.  meent dat een eensgezinder en bijgevolg doeltreffender Europees buitenlands en veiligheidsbeleid in belangrijke mate kan bijdragen tot de vermindering van de intensiteit van de gewapende conflicten in Irak en Syrië, en tot de eliminatie van de zelfverklaarde Islamitische Staat;

Een herzien en krachtiger GVDB

10.  is er vast van overtuigd dat een grondige en wezenlijke herziening van het GVDB derhalve noodzakelijk is, zodat de EU en haar lidstaten op beslissende wijze kunnen bijdragen tot de veiligheid van de EU, de beheersing van internationale crises en de handhaving van de strategische autonomie van de EU; benadrukt andermaal dat geen enkel land alleen het hoofd kan bieden aan de huidige veiligheidsdreigingen;

11.  is van mening dat voor een succesvolle herziening van het GVDB de EU-lidstaten vanaf het prille begin bij het proces moeten worden betrokken om uit te sluiten dat naar verloop van tijd impasses ontstaan; benadrukt de praktische en financiële voordelen van verdere samenwerking voor de ontwikkeling van de Europese defensiecapaciteiten en wijst op de lopende initiatieven, die tijdens de Europese Raad over defensie in december 2016 moeten worden omgezet in concrete maatregelen; dringt voorts bij de lidstaten en de EU aan op passende investeringen in veiligheid en defensie;

12.  onderstreept dat de instelling van een permanente gestructureerde samenwerking als bedoeld in artikel 42, lid 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het mogelijk maakt om een eigen defensie of een permanente structuur voor eigen defensie te ontwikkelen, die operaties voor crisisbeheersing kan versterken;

13.  benadrukt dat de EU, aangezien Europa haar veiligheidssituatie niet langer in de hand heeft en het zich niet langer kan veroorloven om zelf de tijd en de plaats van haar acties te bepalen, door middel van GVDB-missies en -operaties alsook andere relevante instrumenten actie moet kunnen ondernemen in het hele domein van crisisbeheersing en tijdens alle fasen van de conflictcyclus, met inbegrip van crisispreventie en crisisafwikkeling, en een volwaardige rol moet krijgen bij de beveiliging van de Europese ruimte en bij het waarborgen van de gemeenschappelijke veiligheid en defensie van de gehele ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; moedigt de Europese Raad aan ertoe over te gaan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen tot een gemeenschappelijke defensie, zoals bepaald in artikel 42, lid 2, van het VEU; is van mening dat de versterking van de veerkracht van de EU een van de voornaamste doelstellingen van het GVDB moet zijn;

14.  is ingenomen met de routekaart over het GVDB, die door de VV/HV is gepresenteerd en concrete tijdschema's en stappen bevat; is verheugd dat deze routekaart een aanvulling vormt op het komende Europees defensieactieplan; benadrukt dat de militaire component van het GVDB moet worden versterkt; is er sterk voorstander van dat de lidstaten hun investeringen in veiligheid en defensie coördineren en de financiële steun voor defensieonderzoek op EU-niveau verhogen;

15.  onderstreept tegelijkertijd dat het GVDB op sterke collectieve defensie en doeltreffende financiering moet zijn gebaseerd en moet worden uitgevoerd in afstemming met internationale instellingen op het vlak van veiligheid en defensie, en in volledige complementariteit met de NAVO; is van mening dat de EU de lidstaten moet oproepen de door de NAVO vastgestelde capaciteitsdoelen te verwezenlijken, krachtens welke minimaal 2% van het bbp voor defensie-uitgaven moet worden bestemd, zoals tijdens de top in Wales en de top in Warschau opnieuw is bevestigd;

16.  herinnert eraan dat conflicten en crises in Europa en elders zowel in de materiële ruimte als in de cyberruimte plaatsvinden en benadrukt dat cyberveiligheid en cyberdefensie tot de kernelementen van het GVDB moeten behoren en volledig in al het intern en extern beleid van de EU moeten worden verwerkt;

17.  is verheugd dat de HV/VV de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie heeft gepresenteerd als een noodzakelijke en positieve ontwikkeling voor het institutionele kader binnen hetwelk het GBVB en het GVDB zullen opereren en zich zullen ontwikkelen; betreurt de geringe betrokkenheid van de lidstaten bij de voorbereiding van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie;

18.  benadrukt dat een grote mate van betrokkenheid, inbreng en steun van de kant van de lidstaten en de nationale parlementen, in nauwe samenwerking met alle relevante EU-organen, onontbeerlijk is om in de vorm van een EU-witboek inzake veiligheid en defensie, voorafgegaan door het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie, de snelle en doeltreffende uitvoering van het politieke ambitieniveau, de prioriteiten en de alomvattende benadering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie te waarborgen; onderstreept dat het uitvoeringsplan nauw aansluit bij de uitvoering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie in bredere zin, bij het komende Europees defensieactieplan en bij de uitvoering van de gezamenlijke, in Warschau ondertekende verklaring van de EU en de NAVO; is verheugd over het werk dat de HV/VV en de lidstaten leveren in verband met het uitvoeringsproces; onderstreept dat er passende middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de uitvoering van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en voor een doeltreffend en krachtiger GVDB;

19.  is van mening dat de door de Europese Raad overeen te komen sectorale strategie als een follow-up van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie moet dienen, waarin het civiel en het militaire ambitieniveau, de taken, de vereisten en capaciteitsprioriteiten nader worden gespecificeerd; herhaalt zijn eerdere verzoeken om een Europees witboek over defensie te ontwikkelen en vraagt de Raad dit document onverwijld voor te bereiden; spreekt de bezorgdheid uit dat het voorgestelde uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie de verwachtingen van het Parlement en het publiek bij lange na niet inlost; herhaalt dat de veiligheid van alle lidstaten van de Europese Unie ondeelbaar is;

20.  wijst op het Europees veiligheidspact dat de ministers van buitenlandse zaken van Duitsland en Frankrijk hebben voorgesteld en staat onder meer achter het voorstel om een gemeenschappelijke analyse van de Europese strategische context uit te voeren, de uitvoering van dreigingsevaluaties tot een periodieke gemeenschappelijke activiteit te maken en daarmee zowel respect te krijgen voor elkaars zorgen als ondersteuning voor gemeenschappelijke vermogens en acties; verwelkomt tevens andere recente initiatieven van de lidstaten die gericht zijn op de ontwikkeling van het GVDB; betreurt echter het gebrek aan zelfbeoordeling van de inactiviteit van de lidstaten met betrekking tot de uitvoering van voormalige Europese toezeggingen op het vlak van defensie;

21.  stelt vast dat samenwerking met de NAVO op vergelijkbare gebieden hiertoe noodzakelijk is; benadrukt dat een oprechte toezegging en een verbeterde en efficiëntere uitwisseling van inlichtingen en informatie tussen de lidstaten onontbeerlijk zijn;

22.  merkt op dat, aangezien interne en externe veiligheid meer en meer met elkaar verweven raken en het steeds moeilijker wordt om onderscheid te maken tussen materiële ruimte en cyberruimte, hun middelen ook moeten worden geïntegreerd, hetgeen de EU in staat zal stellen over het volledige arsenaal aan instrumenten te beschikken, in dien mate als in artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald;

Het GVDB en de geïntegreerde crisisaanpak

23.  wijst op de noodzaak om een permanent EU-hoofdkwartier voor civiele en militaire GVDB-missies en -operaties op te richten, van waaruit geïntegreerd operationeel personeel de hele planningscyclus zou ondersteunen, van het initiële politieke concept tot de gedetailleerde plannen; benadrukt dat dit, in plaats van een kopie van de NAVO-structuren, de noodzakelijke institutionele regeling zou zijn om de planning en het verloop van de capaciteiten van GVDB-missies en -operaties te versterken;

24.  merkt op dat de GVDB-missies en -operaties, waaronder bijstand inzake grensbeheer, capaciteitsopbouw, militaire opleidingsmissies en operaties ter zee, bijdragen tot internationale vrede en stabiliteit;

25.  vindt het betreurenswaardig dat de GVDB-missies en -operaties op structurele zwakheden blijven stuiten, waardoor hun doeltreffendheid wordt ondermijnd; is van mening dat ze echte instrumenten moeten zijn en beter in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie geïntegreerd kunnen worden;

26.  wijst in dit verband op het politieke ambitieniveau dat in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie is vastgelegd met het oog op een geïntegreerde aanpak van conflicten en crises die niet alleen engagement van de Unie in alle fasen van de conflictcyclus omvat – in de vorm van preventie, afwikkeling en stabilisering – maar ook de toezegging om overhaast terugtrekken te vermijden; is van mening dat de EU de lidstaten die betrokken zijn bij de coalitie tegen de zelfverklaarde Islamitische Staat, op coherente wijze moet steunen door een op opleiding gerichte GVDB-operatie op touw te zetten in Irak;

27.  is verheugd over het idee van "geregionaliseerde" GVDB-missies in de Sahel, vooral omdat het overeenstemt met de wens van de landen in de subregio om de samenwerking op het vlak van veiligheid op te voeren via het G5-Sahel-platform; is ervan overtuigd dat dit de mogelijkheid biedt om de doeltreffendheid en relevantie van de GVDB-missies ter plaatse (EUCAP Sahel Mali en EUCAP Sahel Niger) te verhogen; benadrukt dat dit concept van "regionalisering" gebaseerd moet zijn op expertise ter plaatse, duidelijke doelstellingen en de middelen om ze te verwezenlijken en niet alleen moet worden bepaald onder impuls van politieke overwegingen;

28.  benadrukt dat de betrokkenheid bij conflicten die een rechtstreekse invloed hebben op de veiligheidssituatie van de EU of van een groep partners en regio's waar de EU de rol heeft van veiligheidsverstrekker, prioriteit moet krijgen bij alle besluiten van de Raad inzake toekomstige missies en operaties; is van mening dat het besluit om zich in te laten met een conflict gebaseerd moet zijn op een gemeenschappelijke analyse, op inzicht in de strategische context en op de gedeelde strategische belangen van de lidstaten, daarbij rekening houdend met de acties van andere bondgenoten en organisaties, zoals de VN en de NAVO; is van mening dat GVDB-missies inzake capaciteitsopbouw moeten worden afgestemd op de hervorming van de veiligheidssector en op de werkzaamheden van de Commissie op het gebied van de rechtsstaat;

29.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 (tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede) om de bijstand van de Unie uit te breiden tot capaciteitsopbouw voor militaire actoren in partnerlanden, aangezien hiermee een onmiskenbare bijdrage wordt geleverd aan de veerkracht van de partnerlanden, waardoor de kans kleiner wordt dat zij opnieuw het onderwerp van conflict worden of als wijkplaats voor vijandige activiteiten tegen de EU worden gebruikt; benadrukt dat hiertoe moet worden overgegaan in uitzonderlijke omstandigheden, zoals omschreven in artikel 3 bis van bovengenoemd voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014, teneinde bij te dragen tot duurzame ontwikkeling, behoorlijk bestuur en de rechtsstaat; spoort in dit verband de EDEO en de Commissie aan meer vaart te zetten achter het CBSD-initiatief ter verbetering van de doeltreffendheid en de duurzaamheid van GVDB-missies;

30.  benadrukt dat er tevens andere financieringsinstrumenten moeten worden gevonden ter bevordering van de capaciteitsopbouw van partners op het vlak van veiligheid en defensie; vraagt de EDEO en de Commissie te zorgen voor volledige samenhang en coördinatie om de beste resultaten te bereiken en overlap ter plaatse te voorkomen;

31.  merkt op dat de Petersbergtaken bijgevolg moeten worden herzien en dat de gevechtsgroepen, door de modulariteit te verhogen en de doelgerichtheid van de financiering te bevorderen, zo spoedig mogelijk een inzetbaar militair instrument moeten worden; merkt op dat de weinig constructieve houding van de lidstaten een politieke en operationele belemmering blijft vormen voor de inzet van gevechtstroepen; verzoekt de Raad over te gaan tot de oprichting van het startfonds (bedoeld in artikel 41, lid 3, VEU) voor de dringende financiering van de beginfasen van militaire operaties;

32.  roept op tot meer flexibiliteit in de financiële regels van de EU, dit ter ondersteuning van haar mogelijkheden om op crises te reageren en ter uitvoering van bestaande bepalingen van het Verdrag van Lissabon; wenst dat het Athenamechanisme zodanig wordt herzien dat het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle gerelateerde kosten, eerst tot snellereactieoperaties en de inzet van EU-gevechtstroepen en dan tot alle militaire operaties;

Samenwerking met de NAVO en andere partners

33.  herinnert eraan dat de NAVO en de EU dezelfde strategische belangen hebben en in het Oosten en het Zuiden met dezelfde uitdagingen worden geconfronteerd; wijst erop dat de clausule inzake wederzijdse verdediging – artikel 42, lid 7, VEU – onder meer relevant is voor de EU-lidstaten, ongeacht of ze al dan niet lid zijn van de NAVO; merkt op dat de EU er met haar eigen middelen toe in staat moet zijn om de EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO in dezelfde mate te beschermen; wijst op de doelstelling van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie om een passend niveau van Europese strategische autonomie te bewaren en benadrukt dat beide organisaties over complementaire middelen moeten beschikken; is van mening dat de strategische autonomie van de EU moet worden ingezet ter versterking van het Europese vermogen om de veiligheid binnen en buiten haar grenzen te bevorderen, het partnerschap met de NAVO te versterken en de trans-Atlantische banden aan te halen;

34.  meent dat het fundament van een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de EU en de NAVO wordt gevormd door de complementariteit en compatibiliteit van hun missies en, bijgevolg, van het arsenaal aan instrumenten waarover beide organisaties beschikken; benadrukt dat de betrekkingen tussen beide organisaties van coöperatieve aard moeten blijven en niet competitief moeten worden; is van mening dat de EU de lidstaten moet oproepen het door de NAVO vastgestelde capaciteitsdoel van minimaal 2% van het bbp voor defensie-uitgaven te verwezenlijken;

35.  benadrukt dat de NAVO op afschrikkings- en defensiegebied het best is toegerust en wijst erop dat de organisatie bereid is tot collectieve defensie over te gaan (artikel V van het Noord-Atlantisch Verdrag) in gevallen waarin een van haar leden wordt aangevallen, terwijl het zwaartepunt van het GVDB momenteel bij vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid (artikel 42 VEU) ligt en de EU over bijkomende middelen beschikt om te reageren op bedreigingen van de interne veiligheid van de lidstaten, waaronder ondermijning, bedreigingen die geen van alle onder artikel V vallen; herhaalt dat de solidariteitsclausule van artikel 222 VWEU het waarborgen van de bescherming van de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele terroristische aanval beoogt;

36.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring die in Warschau door de EU en de NAVO is ondertekend, en staat volledig achter de samenwerkingsgebieden die daarin worden genoemd; merkt op dat in de verklaring veeleer algemeen aanvaarde informele praktijken worden beschreven dan dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO naar een hoger niveau wordt getild; benadrukt dat meer bepaald de samenwerking moet worden geïntensiveerd en de capaciteitsopbouw met betrekking tot hybride bedreigingen, cyberbedreigingen en onderzoek verder moet worden aangevuld; is ingenomen met de verklaarde doelstelling van de routekaart van Bratislava om onmiddellijk met de uitvoering van de gezamenlijke verklaring te beginnen;

37.  staat volledig achter nauwere samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie met andere institutionele partners, waaronder de VN, de Afrikaanse Unie en de OVSE, alsook strategische bilaterale partners, in het bijzonder de VS, op domeinen zoals hybride bedreigingen, maritieme veiligheid, snelle reactie, terrorismebestrijding en cyberveiligheid;

De Europese samenwerking op defensiegebied

38.  is van mening dat de ontwikkeling van een sterkere defensie-industrie de strategische autonomie en de technologische onafhankelijkheid van de EU zou ondersteunen; is van mening dat voor de versterking van de status van de EU als veiligheidsverstrekker in het nabuurschap van Europa gepaste en voldoende capaciteit nodig is, evenals een competitieve, doelmatige en transparante defensie-industrie die voor een duurzame toeleveringsketen zorgt; wijst erop dat de Europese defensiesector wordt gekenmerkt door versnippering en duplicatie, en dat daaraan geleidelijk een einde moet worden gemaakt door stimulansen te bieden en beloningen uit te loven aan alle nationale componenten, daarbij rekening houdend met het langetermijnperspectief van een geïntegreerde defensiemarkt;

39.  betreurt het dat de lidstaten het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie nog niet met het nodige engagement hebben uitgevoerd en dat het initiatief voor bundelen en delen geen tastbare resultaten heeft opgeleverd; vraagt de Raad regelmatige halfjaarlijkse defensiedebatten in te voeren om strategische richtsnoeren te verstrekken en politieke impuls te geven aan het GVDB en de Europese defensiesamenwerking;

40.  benadrukt dat de samenwerking op het vlak van cyberdefensie verder moet worden versterkt en dat de volledige cyberveerkracht van GVDB-missies moet worden gegarandeerd; dringt er bij de Raad op aan cyberdefensie als een integraal onderdeel op te nemen in zijn defensiedebatten; is van mening dat nationale cyberdefensiestrategieën dringend noodzakelijk zijn; vraagt de lidstaten cybercapaciteitsopbouwmaatregelen ten volle te benutten, onder verantwoordelijkheid van het Europees Defensieagentschap (EDA), en gebruik te maken van het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence (CCDCOE) van de NAVO;

41.  wijst erop dat alle lidstaten moeite hebben om een zeer brede waaier aan volledig operationele defensiecapaciteiten in stand te houden, vooral wegens financiële beperkingen; roept derhalve op tot meer coördinatie en duidelijkere keuzes over welke capaciteiten in stand worden gehouden, zodat de lidstaten zich in bepaalde capaciteiten kunnen specialiseren;

42.  is van mening dat interoperabiliteit van essentieel belang is om de strijdkrachten van de lidstaten compatibeler en meer geïntegreerd te maken; benadrukt derhalve dat de lidstaten de mogelijkheid van gezamenlijke aanbestedingen voor defensiemiddelen moeten onderzoeken; merkt op dat de protectionistische en gesloten aard van de defensiemarkten in de EU dit bemoeilijkt;

43.  herinnert eraan dat een krachtige Europese industriële en technologische defensiebasis, die tevens voorzieningen biedt aan kmo's, een van de hoekstenen vormt van het GVDB en een voorwaarde is voor een gemeenschappelijke markt, waardoor de EU haar strategische autonomie kan opbouwen;

44.  betreurt het te moeten vaststellen dat de lidstaten Richtlijn 2009/81/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied en Richtlijn 2009/43/EG betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap in compleet verschillende mate toepassen; vraagt de Commissie de leidraad over artikel 346 consequent toe te passen en haar rol als hoedster van de Verdragen op zich te nemen door inbreukprocedures in te leiden in geval van schendingen van de richtlijnen; vraagt de lidstaten de multinationale inspanningen aan de vraagzijde van militaire aanbestedingen te verbeteren en vraagt de Europese industrie aan de aanbodzijde de globale marktposities te versterken door betere coördinatie en industriële consolidatie;

45.  is verontrust over de aanhoudende daling van de middelen voor defensieonderzoek in de lidstaten, die de industriële en technologische basis en daarmee de strategische autonomie van de EU op losse schroeven zet; verzoekt de lidstaten hun legers uit te rusten met materieel dat door de Europese defensie-industrie is vervaardigd en niet door concurrerende industrieën;

46.  is ervan overtuigd dat een versterking van de rol van het Europees Defensieagentschap bij de coördinatie van capaciteitsgerichte programma's, projecten en activiteiten, de doeltreffendheid van het GVDB ten goede zou komen; is van mening dat het Europees Defensieagentschap moet worden ondersteund bij de volledige verwezenlijking van zijn doelstellingen, waaronder met name zijn toekomstige prioriteiten en rollen in het kader van het Europees defensieactieplan (EDAP) en het Europees onderzoeksprogramma voor defensie (EDRP); vraagt de lidstaten derhalve de organisatie, procedures en activiteiten van het agentschap te herzien, waardoor meer mogelijkheden voor verdere samenwerking en integratie kunnen ontstaan; vraagt de lidstaten het Europees Defensieagentschap te voorzien van richtsnoeren voor het coördineren van een herziening van het vermogensontwikkelingsplan (CDP), in overeenstemming met de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de sectorale strategie;

47.  benadrukt dat cyberveiligheid alleen al door haar aard een beleidsdomein is waarin samenwerking en integratie cruciaal is, niet alleen tussen de EU-lidstaten, belangrijke partners en de NAVO, maar ook tussen verschillende actoren in de samenleving, aangezien het niet alleen een militaire verantwoordelijkheid is; verzoekt om duidelijkere richtsnoeren over hoe en in welke context de defensieve en offensieve capaciteiten van de EU moeten worden benut; herinnert eraan dat het Europees Parlement meermaals om een grondige herziening van de wetgeving inzake de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik heeft verzocht om te vermijden dat software en andere systemen die tegen de digitale infrastructuur van de EU kunnen worden gebruikt en die kunnen worden gebruikt om de mensenrechten te schenden, in verkeerde handen vallen; vraagt de EU op internationale fora – met inbegrip van maar niet beperkt tot fora voor internetbeheer – het beginsel te bepleiten dat de kerninfrastructuur van het internet een neutrale zone moet zijn waarin het regeringen die hun nationale belangen nastreven, verboden is zich te mengen;

48.  ondersteunt de initiatieven van de Commissie die verband houden met defensie, zoals het defensieactieplan en het defensie-industriebeleid, die na de presentatie van een EU-witboek inzake veiligheid en defensie moeten starten; is voorstander van verdere betrokkenheid van de Commissie op defensiegebied, door middel van uitgebreide en gerichte onderzoeken, planning en tenuitvoerlegging; is ingenomen met de voorbereidende actie voor GVDB-gerelateerd onderzoek en verzoekt om toereikende financiering voor de verdere duur van het huidig meerjarig financieel kader (MFK); is voorstander van de ontwikkeling van een onderzoeksprogramma voor defensie binnen het volgende MFK (2021-2027);

49.  is van mening dat een toekomstig onderzoeksprogramma voor defensie onderzoeksprojecten moet financieren op prioritaire, door de lidstaten overeen te komen gebieden, en dat een Europees defensiefonds zou kunnen worden ingezet ter ondersteuning van de financiering van door de lidstaten overeengekomen vermogens met erkende Europese meerwaarde;

50.  dringt aan op een hervorming van het Europees recht zodat de Europese defensie-industrie dezelfde overheidssteun kan ontvangen als de Amerikaanse industrie;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de OVSE.

(1) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 59.
(2) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 74.
(3) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0249.
(6) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 145.


Strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden
PDF 287kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden (2016/2030(INI))
P8_TA(2016)0441A8-0290/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2009 over het Europese geweten en het totalitarisme(1),

–  gezien de verklaring van de top in Straatsburg en Kehl van 4 april 2009, die werd aangenomen naar aanleiding van de 60e verjaardag van de NAVO,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(2),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 9 februari 2015 over terrorismebestrijding,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 maart 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van ISIS/Da'esh van 16 maart 2015, opnieuw bevestigd door de Raad Buitenlandse Zaken op 23 mei 2016,

–  gezien het verslag van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de Europese Unie in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld van 18 mei 2015 en de lopende werkzaamheden voor een nieuwe wereldwijde veiligheidsstrategie van de EU,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland(3),

–   gezien het EU-actieplan inzake strategische communicatie (Ref. Ares(2015)2608242 – 22.6.2015),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(4),

–  gezien de verklaring van de NAVO-top op 5 september 2014 in Wales,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties(5),

–  gezien de mededeling van 28 april 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 6 april 2016 van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad betreffende het gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen ‑ een reactie van de Europese Unie (JOIN(2016)0018),

–  gezien de mededeling van 20 april 2016 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad over de uitvoering van de Europese veiligheidsagenda ter bestrijding van terrorisme en ter voorbereiding van een echte en doeltreffende veiligheidsunie (COM(2016)0230),

–  gezien de haalbaarheidsstudie van het Europees Fonds voor Democratie over Russischtalige media-initiatieven in het Oostelijk Partnerschap en verder getiteld "Bringing Plurality and Balance to the Russian Language Media Space",

–  gezien verslag A/HRC/31/65 van de speciale rapporteur van de VN over het bevorderen en beschermen van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding,

–  gezien Algemeen Commentaar 34 van het Mensenrechtencomité van de VN (CCPR/C/GC/34),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0290/2016),

A.  overwegende dat de EU zich bij haar optreden op het internationale toneel laat leiden door beginselen als democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden alsook mediavrijheid, toegang tot informatie, vrijheid van meningsuiting en pluralisme in de media, dat niettemin in zekere mate kan worden beperkt zoals vastgesteld in internationaal recht, met inbegrip van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; overwegende dat derde partijen die de Unie in diskrediet willen brengen deze waarden niet delen;

B.  overwegende dat er steeds meer systematische druk wordt uitgeoefend op de EU, de EU-lidstaten en de EU-burgers om de informatie-, desinformatie- en verkeerde-informatiecampagnes en -propaganda aan te pakken van landen en niet-overheidsactoren, zoals transnationale terreur- en misdaadorganisaties in het nabuurschap van de EU, die het hele idee van objectieve informatie of ethische journalistiek ondermijnen, stellen dat alle informatie partijdig is of een instrument is van politieke macht en ook mikken op democratische waarden en belangen;

C.  overwegende dat mediavrijheid, toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting hoekstenen zijn van een democratisch stelsel, waarin de transparantie van media-eigendom en de financieringsbronnen van media van cruciaal belang zijn; overwegende dat de strategieën om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige journalistiek, pluralisme in de media en het controleren van de feiten slechts doeltreffend kunnen zijn wanneer de verstrekkers van informatie worden vertrouwd en geloofwaardig zijn; overwegende dat er tegelijkertijd een kritische beoordeling moet plaatsvinden ten aanzien van de vraag hoe moet worden omgegaan met mediabronnen waarvan is bewezen dat zij zich herhaaldelijk hebben beziggehouden met strategieën van bewuste misleiding en desinformatie, vooral in de "nieuwe media", sociale netwerken en de digitale sfeer;

D.  overwegende dat informatieoorlogen een historisch fenomeen zijn dat zo oud is als oorlogsvoering zelf; overwegende dat tijdens de Koude Oorlog een gerichte informatieoorlog extensief gevoerd werd en dat deze tactiek sindsdien integraal deel uitmaakt van moderne oorlogsvoering, een combinatie van militaire en niet-militaire maatregelen van geheime en open aard, bedoeld om de politieke, economische en sociale situatie in een land dat wordt aangevallen te destabiliseren, zonder formele oorlogsverklaring, die niet alleen tegen partners van de EU is gericht, maar ook tegen de EU zelf en haar instellingen en alle lidstaten en burgers ongeacht hun nationaliteit of religie;

E.  overwegende dat het Kremlin er met de Russische annexatie van de Krim en de door Rusland gevoerde hybride oorlog in het Donetsbekken voor heeft gezorgd dat de confrontatie met de EU is geëscaleerd; overwegende dat het Kremlin zijn propaganda heeft geïntensiveerd, waarin Rusland een versterkte rol speelt in de Europese mediaomgeving en zich richt op het creëren van politieke steun in Europa voor het Russische optreden en het ondermijnen van de samenhang in het buitenlands beleid van de EU;

F.  overwegende dat oorlogspropaganda en het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld verboden zijn overeenkomstig artikel 20 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

G.  overwegende dat de financiële crisis en de opkomst van nieuwe vormen van digitale media hebben geleid tot grote uitdagingen voor de kwalitatief hoogwaardige journalistiek, leidend tot een afname van kritisch denken onder het publiek, waardoor zij vatbaarder zijn geworden voor desinformatie en manipulatie;

H.  overwegende dat de propaganda en de binnendringing van Russische media bijzonder sterk en vaak ongeëvenaard is in de landen van het oostelijk nabuurschap; overwegende dat de nationale media in deze landen vaak zwak zijn en geen antwoord kunnen bieden op de kracht en macht van de Russische media;

I.  overwegende dat technologieën voor informatie- en communicatieoorlogen worden ingezet om acties te rechtvaardigen in het kader waarvan de soevereiniteit, politieke onafhankelijkheid, veiligheid van de burgers en territoriale integriteit van EU-lidstaten worden bedreigd;

J.  overwegende dat de EU ISIS/Da'esh niet als staat of staatsaanverwante organisatie erkent;

K.  overwegende dat ISIS/Da'esh, Al Qaida en vele andere jihadistische terroristische groeperingen systematisch gebruikmaken van communicatiestrategieën en directe propaganda, zowel offline als online, als deel van de rechtvaardiging van hun acties tegen de EU en de lidstaten en tegen Europese waarden en ook om de rekrutering van Europeanen te bevorderen;

L.  overwegende dat in 2014, naar aanleiding van de verklaring van de NAVO-top in Straatsburg en Kehl, waarin werd benadrukt dat het steeds belangrijker is dat de NAVO op passende, tijdige, nauwkeurige en flexibele wijze communiceert over haar veranderende taken, doelstellingen en missies, het NATO Strategic Communications Centre of Excellence (expertisecentrum voor strategische communicatie van de NAVO) werd opgericht in Letland, wat werd verwelkomd in de verklaring van de NAVO-top in Wales;

De strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden

1.  benadrukt dat er verschillende vormen van vijandige propaganda tegen de EU bestaan en dat hiervoor verschillende instrumenten worden gebruikt, vaak op maat gemaakt om bij het profiel van de EU-lidstaten te passen, teneinde de waarheid geweld aan te doen, twijfel te zaaien, lidstaten te verdelen, de strategische loskoppeling tussen de Europese Unie en haar partners in Noord-Amerika in de hand te werken, het besluitvormingsproces lam te leggen, de EU-instellingen en trans-Atlantische partners, waarvan de rol voor de Europese veiligheids- en economische architectuur wordt erkend, in de ogen van de EU-burgers en de burgers van het nabuurschap in diskrediet te brengen en het Europese politieke verhaal op basis van democratische waarden, mensenrechten en de rechtsstaat te ondermijnen en uit te hollen; herinnert eraan dat een van de belangrijkste instrumenten die worden gebruikt het inboezemen van angst en onzekerheid onder EU-burgers is, evenals het presenteren van vijandelijke staten en niet-overheidsactoren als veel sterker en succesvoller dan zij in werkelijkheid zijn;

2.  vraagt de EU-instellingen te erkennen dat strategische communicatie en informatieoorlog niet alleen externe, maar ook interne EU-kwesties zijn en is bezorgd over de vele tussenschakels waarover de anti-EU-propaganda binnen de EU beschikt; is bezorgd over het beperkte bewustzijn in enkele lidstaten van het feit dat zij het publiek en de arena zijn van propaganda en desinformatie; vraagt de EU-actoren in dit verband het huidige gebrek aan duidelijkheid en overeenstemming over wat als propaganda en desinformatie wordt beschouwd aan te pakken en in samenwerking met vertegenwoordigers van de media en deskundigen uit de EU-lidstaten gemeenschappelijke definities te ontwikkelen en gegevens en feiten over het bereik van propaganda te vergaren;

3.  stelt vast dat desinformatie en propaganda deel uitmaken van hybride oorlogvoering; wijst er daarom op dat het bewustzijn moet worden vergroot en assertiviteit aan de dag moet worden gelegd via institutionele/politieke communicatie, onderzoek van denktanks/de academische wereld, socialemediacampagnes, initiatieven van het maatschappelijk middenveld, mediageletterdheid en andere nuttige maatregelen;

4.  benadrukt dat de strategie van anti-EU-propaganda en desinformatie door derde landen verschillende vormen kan aannemen en dat hierbij met name gebruik wordt gemaakt van traditionele media, sociale netwerken, schoolprogramma's en politieke partijen, zowel binnen als buiten de Europese Unie;

5.  wijst op het meerlagige karakter van de huidige strategische communicaties van de EU op verschillende niveaus, met inbegrip van de EU-instellingen, de lidstaten, verschillende organen van de NAVO en de VN, ngo's, organisaties van het maatschappelijk middenveld, en vraagt een betere coördinatie en uitwisseling van eventuele informatie tussen die verschillende actoren; vraagt een betere coördinatie en uitwisseling van eventuele informatie tussen de verschillende actoren die blijk hebben gegeven van hun bezorgdheid over deze propaganda-activiteiten en die strategieën willen invoeren om de desinformatie te bestrijden; is van mening dat wat de EU betreft, de instellingen van de Unie verantwoordelijk moeten zijn voor een dergelijke coördinatie;

6.  erkent dat de EU haar inspanningen op het gebied van strategische communicatie als prioriteit moet zien, waarvoor passende middelen beschikbaar moeten zijn; herhaalt dat de EU een succesvol integratiemodel is dat nog steeds, tijdens de crisis, landen aantrekt die het willen kopiëren of er deel van willen uitmaken; benadrukt derhalve dat de EU haar positieve boodschap over haar successen, waarden en beginselen met vastberadenheid en moed moet verspreiden, en dat de EU op offensieve wijze, en niet op defensieve wijze, haar verhaal moet vertellen;

De Russische desinformatie- en propagandaoorlog erkennen en blootleggen

7.  betreurt het dat Rusland contacten en vergaderingen met EU-partners eerder gebruikt voor propagandadoeleinden en voor het in het openbaar verzwakken van het gemeenschappelijke standpunt van de EU dan voor het tot stand brengen van een daadwerkelijke dialoog;

8.  erkent dat de Russische regering gebruik heeft gemaakt van een groot gamma instrumenten en hulpmiddelen, zoals denktanks en speciale stichtingen (Russkij Mir), speciale autoriteiten (Rossotrudnitsjestvo), meertalige tv-kanalen (Russia Today), pseudonieuwsagentschappen en multimediadiensten (Sputnik), grensoverschrijdende sociale en religieuze groepen aangezien het regime zichzelf wil presenteren als de enige ware beschermer van de traditionele christelijke waarden, sociale media en internettrollen om de democratische waarden in twijfel te trekken, Europa te verdelen, binnenlandse steun te krijgen en de perceptie te scheppen van falende staten in het oostelijk nabuurschap van de EU; benadrukt dat Rusland relevante financiële middelen investeert in zijn desinformatie- en propaganda-instrumenten die direct door de staat worden ingezet of door ondernemingen en organisaties die door het Kremlin worden gecontroleerd; benadrukt dat het Kremlin enerzijds politieke partijen en organisaties in de EU financieel steunt met als doel de politieke samenhang te ondermijnen en dat de propaganda van het Kremlin anderzijds rechtstreeks gericht is tegen specifieke journalisten, politici en individuen in de EU;

9.  herinnert eraan dat veiligheids- en inlichtingendiensten concluderen dat Rusland de capaciteiten heeft en ernaar streeft acties uit te voeren die gericht zijn op het destabiliseren van andere landen; merkt op dat dit vaak in de vorm van steun aan politieke extremisten plaatsvindt, evenals in de vorm van grootschalige desinformatie en massamediacampagnes; constateert bovendien dat dergelijke mediabedrijven aanwezig en actief zijn in de EU;

10.  wijst erop dat de informatiestrategie van het Kremlin complementair is aan zijn beleid om de bilaterale betrekkingen, de economische samenwerking en gemeenschappelijke projecten met individuele EU-lidstaten te intensiveren om de samenhang in de EU te verzwakken en het EU-beleid te ondermijnen;

11.  stelt dat Russische strategische communicatie onderdeel is van een grotere ondermijnende campagne om de EU-samenwerking en de soevereiniteit, politieke onafhankelijkheid en territoriale integriteit van de Unie en haar lidstaten te verzwakken; dringt er bij de lidstaten op aan waakzaam te zijn tegenover Russische informatieactiviteiten op Europese grond en de inspanningen voor het delen van capaciteiten en contra-activiteiten die gericht op het bestrijden van dergelijke activiteiten uit te breiden;

12.  spreekt scherpe kritiek uit over de Russische inspanningen om het integratieproces in de EU te verstoren en betreurt in dit verband dat Rusland anti-EU-krachten in de EU ondersteunt, en met name extreemrechtse partijen, populistische krachten en bewegingen die de fundamentele waarden van liberale democratieën terzijde schuiven;

13.  is ernstig bezorgd over de snelle toename van door het Kremlin geïnspireerde activiteiten in Europa, waaronder desinformatie en propaganda die ertoe zouden kunnen leiden dat de Russische invloed om de EU te verzwakken of te verdelen toeneemt of behouden blijft; benadrukt dat een groot deel van de propaganda van het Kremlin tot doel heeft sommige Europese landen te beschrijven als landen die traditioneel tot de "Russische invloedssfeer" behoren; merkt op dat het verspreiden en opleggen van een ander verhaal een van de voornaamste strategieën is en dat verhaal vaak is gebaseerd op een gemanipuleerde interpretatie van historische gebeurtenissen gericht op het rechtvaardigen van zijn externe optreden en geopolitieke belangen; merkt op dat geschiedvervalsing een van de voornaamste strategieën is; wijst in dit verband op de noodzaak om het bewustzijn te vergroten van de misdaden van communistische regimes door middel van publieke campagnes en het onderwijs en om onderzoeks- en documentatieactiviteiten te ondersteunen, met name in de landen van het voormalige Sovjetblok, om het verhaal van het Kremlin te bestrijden;

14.  benadrukt dat Rusland misbruik maakt van het feit dat er geen internationaal juridisch kader bestaat in domeinen als cyberveiligheid, dat er sprake is van een ontoereikende verantwoordingsplicht in de mediawetgeving en profiteert van elke dubbelzinnigheid op deze domeinen; benadrukt dat agressieve Russische activiteiten in de cyberspace de informatieoorlog mogelijk maken; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) aandacht te besteden aan de rol van internetknooppunten als kritieke infrastructuur voor de veiligheidsstrategie van de EU; benadrukt dat het cruciaal is om ervoor te zorgen dat de informatiesystemen op EU-niveau en het niveau van de lidstaten weerbaar zijn, met name tegen verloochening en verstoringen die een belangrijke rol kunnen spelen in hybride conflicten en het bestrijden van propaganda, en dat nauw samengewerkt moet worden met de NAVO en met name met het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence van de NAVO;

15.  nodigt de lidstaten uit om gecoördineerde mechanismen voor strategische communicatie te ontwikkelen ter ondersteuning van attributie en ter bestrijding van desinformatie en propaganda, om hybride dreigingen aan het licht te brengen;

De informatieoorlog, desinformatie en radicaliseringsmethoden van ISIS/Da'esh begrijpen en aanpakken

16.  is zich bewust van de reeks strategieën die ISIS/Da'esh gebruikt op regionaal en mondiaal niveau ter bevordering van zijn politiek, religieus, sociaal, haatdragend en gewelddadig discours; vraagt de EU en de lidstaten een tegendiscours tegen ISIS/Da'esh te ontwikkelen, waarbij het onderwijssysteem wordt betrokken, door de empowerment en grotere zichtbaarheid van mainstream islamitische geleerden die de geloofwaardigheid hebben om de propaganda van ISIS/Da'esh te delegitimiseren; is verheugd over de inspanningen van de wereldwijde coalitie tegen ISIS/Da'esh en steunt in dit verband de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan een tegendiscours tegen de propaganda van de jihadisten te ontwikkelen en te verspreiden en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan een pedagogische dimensie inzake het theologisch misbruik dat de promotie van de radicale islam inhoudt;

17.  onderstreept dat islamitische terroristische organisaties, en met name ISIS/Da'esh en Al Qaida, zich bezighouden met actieve informatiecampagnes die tot doel hebben de Europese waarden en belangen te ondermijnen en te zorgen voor meer haat tegen deze waarden en belangen; is bezorgd over het wijdverspreide gebruik van sociale media, en met name Twitter en Facebook, door ISIS/Da'esh om zijn propaganda te verspreiden en voor rekrutering, vooral bij jongeren; benadrukt in dit verband het belang van de opname van een strategie voor tegenpropaganda tegen ISIS/Da'esh in een bredere, alomvattende regionale strategie, waarin diplomatieke, sociaal-economische en ontwikkelingsinstrumenten en instrumenten voor conflictpreventie worden gecombineerd; is verheugd over de oprichting van de StratCom Task Force voor het zuiden, die op doeltreffende wijze kan bijdragen tot de deconstructie en strijd tegen extremistische propaganda en invloed van ISIS/Da'esh;

18.  benadrukt dat de EU en Europese burgers een geviseerde doelgroep zijn voor ISIS/Da'esh en roept de EU en de lidstaten op nauwer samen te werken om de samenleving, in het bijzonder jongeren, te beschermen tegen rekrutering en zo hun weerbaarheid tegen radicalisering te verhogen; benadrukt dat meer nadruk moet worden gelegd op het verbeteren van de EU-instrumenten en -methoden, met name in de cyberspace; vraagt elke lidstaat om, in nauw overleg met het in oktober 2015 opgerichte kenniscentrum van het netwerk voor voorlichting over radicalisering, de sociaaldemografische redenen die aan de basis liggen van gevoeligheid voor radicalisering te onderzoeken en op doeltreffende wijze aan te pakken, meerlagige structuren (universitair onderzoek, gevangeniswezen, politie, justitie, sociale diensten, onderwijs) op te richten om radicalisering te bestrijden; benadrukt dat de Raad heeft verzocht om de bevordering van strafrechtelijke responsmaatregelen voor radicalisering die leidt tot terrorisme en gewelddadig extremisme;

19.  vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de toegang van ISIS/Da'esh tot financiering en fondsen wordt belemmerd en dit beginsel in het extern optreden van de EU wordt bevorderd en benadrukt dat de ware aard van ISIS/Da'esh moet worden ontmaskerd en de ideologische legitimatie moet worden verworpen;

20.  verzoekt de EU en de lidstaten coherente, EU-brede maatregelen te nemen tegen haatuitingen die systematisch worden gedaan door intolerante, radicale predikers in preken, boeken en tv-shows en op het internet en tegen alle andere communicatiemiddelen die een vruchtbare bodem creëren voor terroristische organisaties zoals ISIS/Da'esh en Al Qaida;

21.  benadrukt dat het belangrijk is dat de EU en de lidstaten samenwerken met aanbieders van sociale media om propaganda van ISIS/Da'esh tegen te gaan die via socialemediakanalen wordt verspreid;

22.  onderstreept dat islamistische terroristische organisaties, en met name ISIS/Da'esh en Al Qaida, zich bezighouden met actieve desinformatiecampagnes die tot doel hebben de Europese waarden en belangen te ondermijnen; wijst in dit verband op het belang van een specifieke strategie om islamistische anti-EU-propaganda en desinformatie tegen te gaan;

23.  benadrukt dat onbevooroordeelde, betrouwbare, objectieve en op feiten gebaseerde communicatie en informatiestromen met betrekking tot ontwikkelingen in EU-landen de verspreiding van door derde partijen aangewakkerde propaganda zou kunnen verhinderen;

EU-strategie in reactie op propaganda

24.  is verheugd over het actieplan over strategische communicatie; is verheugd over de mededeling "Gezamenlijk Kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen" en vraagt dat de aanbevelingen zo spoedig mogelijk worden goedgekeurd en uitgevoerd; benadrukt dat de voorgestelde maatregelen samenwerking en coördinatie vereisen van alle relevante actoren op EU- en nationaal niveau; is van mening dat slechts een alomvattende aanpak ervoor kan zorgen dat de EU-inspanningen succesvol zijn; vraagt de lidstaten die het roulerende EU-voorzitterschap bekleden, altijd strategische mededelingen in hun programma op te nemen zodat de continuïteit van werk op dit vlak wordt gegarandeerd; uit zijn tevredenheid over de initiatieven en resultaten van het Letse voorzitterschap op dit vlak; verzoekt de VV/HV te zorgen voor regelmatige communicatie op politiek niveau met de lidstaten om EU-maatregelen beter te coördineren; benadrukt dat de samenwerking van de EU en de NAVO op het gebied van strategische communicatie aanzienlijk moet worden versterkt; is verheugd over de intentie van het Slowaakse voorzitterschap om een conferentie te organiseren over totalitarisme ter gelegenheid van de Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van totalitaire regimes;

25.  verzoekt de bevoegde EU-instellingen en -autoriteiten de financieringsbronnen van anti‑EU-propaganda nauw in de gaten te houden;

26.  benadrukt dat er meer middelen nodig zijn om de vrijheid van de media in de landen van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) te ondersteunen binnen het toepassingsgebied van de democratie-instrumenten van de EU; verzoekt de Commissie in dit verband ervoor te zorgen dat bestaande instrumenten, zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het ENB, het initiatief "Eastern Partnership Media Freedom Watch" en het EFD ten volle worden benut met betrekking tot de bescherming van mediavrijheid en pluralisme;

27.  erkent de enorme middelen die door Rusland worden toegewezen aan propaganda‑activiteiten, de mogelijke gevolgen van vijandige propaganda voor besluitvormingsprocessen in de EU en het ondermijnen van het vertrouwen van de burgers, openheid en democratie; uit zijn complimenten over het belangrijke werk dat de EU-taskforce strategische communicatie heeft verricht; vraagt derhalve dat de EU‑taskforce strategische communicatie wordt versterkt door er een volwaardige, voor het zuidelijk en het oostelijk nabuurschap verantwoordelijke afdeling binnen de EDEO van te maken met geschikt personeel en gepaste budgettaire middelen, mogelijk door middel van een bijkomende specifieke begrotingslijn; verzoekt om een versterkte samenwerking tussen de inlichtingendiensten van de EU-lidstaten om de invloed van derde landen te onderzoeken die proberen de democratische fundamenten en waarden van de EU te ondermijnen; verzoekt om een nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de EDEO op het gebied van strategische communicatie, onder meer door gebruik van de analytische capaciteiten van het Parlement en zijn voorlichtingsbureaus in de lidstaten;

28.  benadrukt dat het cruciaal is dat de EU de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden actief blijft bevorderen door middel van haar externe optreden; is van mening dat de ondersteuning van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering, het recht op toegang tot informatie en de onafhankelijkheid van de media in de buurlanden de basis moet zijn van de EU-maatregelen om propaganda tegen te gaan;

29.  benadrukt dat de pluraliteit van de media en de objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de media moeten worden versterkt binnen de EU en haar nabuurschapslanden, met inbegrip van niet-overheidsactoren, onder meer door journalisten te ondersteunen en capaciteitsopbouwende programma's voor media-actoren te ontwikkelen, door partnerschappen en netwerken voor informatie-uitwisseling te bevorderen, zoals platforms voor het delen van inhoud, mediagerelateerd onderzoek, mobiliteits- en opleidingsmogelijkheden voor journalisten en stages bij in de EU gevestigde media om de uitwisseling van beste praktijken te faciliteren;

30.  wijst op de belangrijke rol van kwaliteitsvol onderwijs en opleidingen journalistiek binnen en buiten de EU om kwalitatief hoogstaande journalistieke analyses en hoge redactionele normen te kunnen voortbrengen; voert aan dat de bevordering van de EU‑waarden van persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en pluraliteit van de media gepaard moet gaan met steun voor vervolgde en gevangengenomen journalisten en mensenrechtenverdedigers in derde landen;

31.  pleit voor een sterker samenwerkingsverband tussen de EU-instellingen, het Europees Fonds voor Democratie (EFD), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Raad van Europa en de lidstaten om dubbel werk te voorkomen en te zorgen voor synergie met betrekking tot gelijkaardige initiatieven;

32.  is ontzet over de ernstige problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid en vrijheid van de media in bepaalde EU-lidstaten waarvan melding wordt gemaakt door internationale organisaties zoals Verslaggevers zonder Grenzen; verzoekt de EU en de lidstaten passende maatregelen te treffen om de bestaande situatie in de mediasector te verbeteren, om aldus ook te waarborgen dat het externe optreden van de EU ter ondersteuning van vrijheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de media geloofwaardig is;

33.  verzoekt de aldus zoals voorgesteld versterkte taskforce strategische communicatie om in de stijl van het Twitter-account "@EUvsDisInfo" een website voor het grote publiek online te zetten die de verschillende instrumenten voor opsporing van desinformatie samenbrengt, de werking ervan uitlegt en informatie verschaft over de talrijke initiatieven in die zin van het maatschappelijk middenveld;

34.  bevestigt dat in een doeltreffende communicatiestrategie lokale gemeenschappen moeten worden betrokken bij besprekingen over EU-maatregelen, contacten van mens tot mens moeten worden ondersteund en moet worden nagedacht over het gebruik van culturele en sociale uitwisselingen als belangrijkste platform voor de strijd tegen de vooroordelen van lokale bevolkingen; wijst er nogmaals op dat EU-delegaties in dit verband rechtstreekse betrekkingen moeten onderhouden met lokale belanghebbenden uit de basis en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

35.  onderstreept dat het aanzetten tot haat, geweld of oorlog zich niet mag "verschuilen" achter de vrijheid van meningsuiting; spoort aan tot wetgevingsinitiatieven in dit verband om bij de behandeling van desinformatie voor grotere verantwoordingsplicht te zorgen;

36.  benadrukt dat het van belang is om op effectieve wijze te communiceren over EU‑beleid, zowel intern als extern, en om mededelingen af te stemmen op specifieke regio's, onder meer door te zorgen voor toegang tot informatie in de plaatselijke talen; is in deze context verheugd over de lancering van de website van de EDEO in het Russisch als een eerste stap in de goede richting en spoort aan tot de vertaling van de EDEO-website in bijkomende talen, zoals het Arabisch en het Turks;

37.  wijst op de verantwoordelijkheid van de lidstaten om vijandige informatiecampagnes op hun grondgebied of tegen hun belangen actief, preventief en in samenwerking te bestrijden; dringt er bij de regeringen van de lidstaten op aan hun eigen mogelijkheden voor strategische communicatie te ontwikkelen;

38.  verzoekt elke lidstaat de twee nieuwsbrieven van de EU-taskforce strategische communicatie (The Disinformation Digest en The Disinformation Review) beschikbaar te maken voor hun burgers, om te zorgen voor bewustzijn onder het publiek van de door derden gebruikte propagandamethoden;

39.  staat erop dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen propaganda en kritiek;

40.  benadrukt dat weliswaar niet noodzakelijk alle kritiek op de Europese Unie of haar beleid neerkomt op propaganda of desinformatie, met name in de context van politieke meningsuiting, maar dat aan derde landen gelieerde gevallen van manipulatie of steun, bedoeld om deze kritiek aan te wakkeren of te verergeren, redenen vormen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze boodschappen;

41.  benadrukt dat er weliswaar een standpunt moet worden ingenomen tegen anti-EU‑propaganda en desinformatie door derde landen, maar dat er geen twijfel mag bestaan over het belang van constructieve betrekkingen met derde landen en hoe belangrijk het is hen tot strategische partners te maken in de strijd tegen gemeenschappelijke uitdagingen;

42.  is verheugd over de goedkeuring van het actieplan inzake strategische communicatie en de oprichting van het East StratCom Team binnen de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) om te communiceren over het EU-beleid en anti-EU-propaganda en desinformatie tegen te gaan; vraagt dat strategische communicatie nog meer wordt geïntensiveerd; is van mening dat de efficiëntie en de transparantie van de werkzaamheden van het East StratCom Team verder moeten worden verbeterd; verzoekt de EDEO criteria te ontwikkelen om de efficiëntie van het werk van dit team te meten; wijst erop hoe belangrijk het is te zorgen voor toereikende financiering en voldoende personeel voor het East StratCom Team;

43.  merkt op dat de evaluatie inzake desinformatie die door het East StratCom Team wordt gepubliceerd moet voldoen aan de normen uit de beginselverklaring betreffende het gedrag van journalisten van de Internationale Federatie van Journalisten; benadrukt dat deze evaluatie op correcte wijze moet worden opgesteld, zonder aanstootgevende taal of waardeoordelen te gebruiken; verzoekt het East StratCom Team de criteria die voor het opstellen van deze evaluatie worden gebruikt te herbekijken;

44.  is van mening dat het nemen van maatregelen om een doelpubliek passende en interessante informatie te verstrekken over de activiteiten van de EU, Europese waarden en andere zaken van openbaar belang een efficiënte strategie in de strijd tegen anti-EU‑propaganda kan zijn, en onderstreept dat hierbij gebruik kan worden gemaakt van moderne technologieën en sociale netwerken;

45.  verzoekt de Commissie bepaalde wetgevingsinitiatieven te bevorderen om op doeltreffendere wijze om te gaan met desinformatie en propaganda en meer verantwoording af te leggen over dit optreden en de tussentijdse herziening van het Europese nabuurschapsbeleid te gebruiken om het versterken van de weerbaarheid van de media als een strategische prioriteit te bevorderen; vraagt de Commissie een grondige evaluatie van de doeltreffendheid van de bestaande financiële instrumenten van de EU uit te voeren en een voorstel te doen voor een alomvattende en flexibele oplossing die rechtstreekse steun kan verlenen aan onafhankelijke mediabedrijven, denktanks en ngo's, vooral in de moedertaal van de doelgroep, en die het mogelijk maakt bijkomende middelen te kanaliseren naar organisaties die dergelijke steun kunnen verlenen, zoals het Europees Fonds voor Democratie, en tegelijkertijd de geldstromen te beperken die individuen en entiteiten financieren die zich bezighouden met activiteiten in het kader van strategische communicatie en die aanzetten tot geweld en haat; verzoekt de Commissie een grondige audit uit te voeren van de efficiëntie van bepaalde grootschalige mediaprojecten die door de EU worden gefinancierd, zoals Euronews;

46.  wijst op het belang van bewustmaking, onderwijs, onlinemediageletterdheid en informatiebewustzijn in de EU en het nabuurschap met het oog op het in staat stellen van burgers om media-inhoud te analyseren en propaganda als zodanig te erkennen; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is dat de kennis op alle niveaus van het onderwijssysteem wordt versterkt; wijst op de noodzaak om actief burgerschap aan te moedigen en het bewustzijn van burgers als mediaconsumenten te ontwikkelen; benadrukt de rol van online-instrumenten, en met name de sociale media waar het verspreiden van valse informatie en het lanceren van desinformatiecampagnes eenvoudiger is en vaak niet wordt belemmerd; herinnert eraan dat het bestrijden van propaganda met propaganda contraproductief is en begrijpt derhalve dat de EU in haar geheel en de afzonderlijke lidstaten propaganda van derden alleen kunnen bestrijden door desinformatiecampagnes te weerleggen en positieve berichten en informatie te verspreiden en een echt doeltreffende strategie moeten ontwikkelen die gedifferentieerd moet zijn en moet worden aangepast aan het soort actoren dat de propaganda verspreidt; erkent dat de financiële crisis en de opkomst van nieuwe vormen van digitale media hebben geleid tot grote uitdagingen voor de kwalitatief hoogwaardige journalistiek;

47.  uit zijn bezorgdheid over het gebruik van sociale media en onlineplatforms voor criminele haatzaaiende uitingen en het aanzetten tot geweld, en spoort de lidstaten aan wetgeving aan te passen en bij te werken om een antwoord te bieden op de huidige ontwikkelingen, of de bestaande wetgeving met betrekking tot haatzaaiende uitingen, zowel online als offline, volledig uit te voeren en te handhaven; voert aan dat meer moet worden samengewerkt met onlineplatforms en toonaangevende internet- en mediabedrijven;

48.  verzoekt de lidstaten te zorgen en in te staan voor het noodzakelijke kader voor kwaliteitsvolle journalistiek en verscheidenheid van informatie door de strijd aan te binden met mediaconcentraties, die negatieve gevolgen hebben voor de pluraliteit van de media;

49.  merkt op dat media-onderwijs zorgt voor kennis en vaardigheden en burgers in staat stelt hun recht op vrijheid van meningsuiting uit te oefenen, media-inhoud kritisch te analyseren en te reageren op desinformatie; wijst er daarom op dat het bewustzijn over de gevaren van desinformatie moet worden vergroot via maatregelen voor mediageletterdheid op alle niveaus, onder meer via een Europese informatiecampagne rond media-, journalistieke en redactionele ethiek en door het stimuleren van een betere samenwerking met sociale platforms en het bevorderen van gezamenlijke initiatieven om iets te ondernemen tegen haatzaaiende uitingen, het aanzetten tot geweld en online discriminatie;

50.  merkt op dat geen enkele strategie op basis van zachte macht kans van slagen heeft zonder culturele diplomatie en bevordering van interculturele dialoog tussen en in landen, in de EU en daarbuiten; spoort daarom aan tot acties en initiatieven voor publieks- en culturele diplomatie op lange termijn, zoals beurzen en uitwisselingsprogramma's voor studenten en jonge vakmensen, met inbegrip van initiatieven om de interculturele dialoog te ondersteunen, de culturele banden met de EU te versterken, en gemeenschappelijke culturele banden en erfgoed op de voorgrond te plaatsen, en een geschikte opleiding van personeel in EU-delegaties en de EDEO om hen uit te rusten met passende interculturele vaardigheden;

51.  is van mening dat de publieke media het voorbeeld moeten geven voor het verstrekken van onpartijdige en objectieve informatie overeenkomstig de beste praktijken en de ethiek van de journalistiek;

52.  benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan nieuwe technologieën ‑ waaronder digitale uitzendingen, mobiele communicatie, onlinemedia en sociale netwerken, ook die van regionale aard – om de verspreiding van informatie over de Europese waarden die in de Verdragen zijn verankerd te faciliteren, alsmede het bewustzijn hierover te vergroten; wijst er nogmaals op dat dergelijke communicatie van goede kwaliteit moet zijn, concrete beste praktijken moet bevatten en de aandacht moet vestigen op de invloed van de EU op derde landen, met inbegrip van humanitaire hulpverlening van de EU en de kansen en voordelen die een nauwere band en samenwerking met de EU opleveren voor de burgers van derde landen, met name voor jongeren, zoals visumvrij reizen of in voorkomend geval programma's voor capaciteitsopbouw, mobiliteit en uitwisseling;

53.  onderstreept dat moet worden verzekerd dat het nieuwe ENB-portaal – dat momenteel wordt ontwikkeld in het kader van het nabuurschapsprogramma OPEN – niet alleen inhoud bijeenbrengt die aan deskundigen gericht is, maar ook over een aangepast onderdeel beschikt voor het bredere publiek; is van mening dat het portaal een onderdeel over het Oostelijk Partnerschap moet bevatten waarin informatie over initiatieven wordt samengebracht die momenteel is verspreid over talrijke websites;

54.  wijst op het potentieel van de populaire cultuur en educatief amusement (entertainment education – EE) als een manier om gedeelde menselijke waarden tot uiting te brengen en te communiceren over EU-beleid;

55.  benadrukt dat het steun verleent aan initiatieven zoals het Baltic Centre for Media Excellence in Riga, het NATO Strategic Communications Centre of Excellence (expertisecentrum voor strategische communicatie van de NAVO) en het excellentiecentrum van het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering; benadrukt dat hun ondervindingen en analyses gebruikt moeten worden en dat analytische capaciteiten van de EU op alle niveaus moeten worden verstevigd; vraagt de Commissie en de lidstaten soortgelijke projecten op te starten, opleidingen van journalisten te organiseren, onafhankelijke mediahubs en mediadiversiteit te steunen, het vormen van netwerken en samenwerking tussen de media en denktanks aan te moedigen en beste praktijken en informatie op dit vlak uit te wisselen;

56.  veroordeelt het regelmatige optreden tegen de onafhankelijke media, journalisten en activisten van het maatschappelijk middenveld in Rusland en bezette gebieden, waaronder de Krim sinds de illegale annexatie van dit gebied; benadrukt dat sinds 1999 tientallen journalisten zijn vermoord, verdwenen of gevangengenomen in Rusland; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bescherming van journalisten in Rusland en het nabuurschap van de EU te versterken en het Russische maatschappelijk middenveld te ondersteunen en in contacten van mens tot mens te investeren; verzoekt de onmiddellijke vrijlating van journalisten; neemt er nota van dat de EU haar betrekkingen met haar oostelijke partners en andere buurlanden versterkt en ook de communicatielijnen met Rusland openhoudt; erkent dat Russische desinformatiecampagnes het best zouden kunnen worden bestreden door het bestaan van onafhankelijke en vrije media in Rusland zelf; is van mening dat het de doelstelling van de EU moet zijn om hiervoor te zorgen; verzoekt om speciale aandacht en voldoende middelen voor pluralisme in de media, lokale media, onderzoeksjournalistiek en media in buitenlandse talen, met name in het Russisch, Arabisch, Perzisch, Turks en Urdu, evenals in andere talen die worden gesproken door bevolkingen die kwetsbaar zijn voor propaganda;

57.  steunt voorlichtingscampagnes die door de desbetreffende actoren in Syrië, Irak en in de regio (met inbegrip van de landen van herkomst van de buitenlandse strijders) worden gevoerd om de ideologie van ISIS/Da'esh in diskrediet te brengen, de schendingen van de mensenrechten door ISIS/Da'esh aan de kaak te stellen en het gewelddadige extremisme en de haatzaaiende uitspraken van andere groepen in de regio te bestrijden; verzoekt de EU en haar lidstaten in hun dialoog met MONA-landen te benadrukken dat goed bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie, rechtsstatelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten essentiële voorwaarden zijn om deze samenlevingen te beschermen tegen de verspreiding van intolerante en gewelddadige ideologieën die dienen als inspiratie voor terroristische organisaties zoals ISIS/Da'esh en Al Qaida; benadrukt, gezien de toenemende terroristische dreiging van ISIS/Da'esh en andere internationale terroristische organisaties, de noodzaak om de samenwerking op het gebied van veiligheid te versterken met landen die veel ervaring hebben met het bestrijden van terrorisme;

58.  verzoekt de VV/HV en de Raad de volledige steun van de EU te bevestigen voor de lopende uitvoering en een financiële bijdrage te leveren aan de uitvoering van de aanbevelingen van de haalbaarheidsstudie van het Europees Fonds voor Democratie over Russischtalige media-initiatieven in het Oostelijk Partnerschap en verder van 2015;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO en de NAVO.

(1) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 25.
(2) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 24.
(3) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 35.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0410.


Gebarentaal en professionele gebarentaaltolken
PDF 200kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over gebarentaal en professionele gebarentaaltolken (2016/2952(RSP))
P8_TA(2016)0442B8-1230/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 5, 9, 10, 19 en 168 en artikel 216, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 1988 over gebarentaal voor doven(1) en die van 18 november 1998 over gebarentaal(2),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat op 21 januari 2011 in de EU in werking is getreden overeenkomstig Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap(4),

–  gezien algemene opmerking nr. 4 (2016) van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het recht op inclusief onderwijs(5),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep")(6),

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(7),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(8),

–  gezien de beleidsnota van het Europees Jeugdforum over gelijkheid en non-discriminatie(9),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2015 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2012 inzake de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties (COM(2012)0721),

–  gezien Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures(10),

–  gezien de richtsnoeren voor leerresultaten en de beoordeling van leerprestaties van het Europees Forum van gebarentaaltolken (European Forum of Sign Language Interpreters (EFSLI)) voor gelijke opleidingskansen voor gebarentaaltolken en hoogwaardige diensten voor dove burgers in de gehele Unie(11),

–  gezien de richtsnoeren van het EFSLI/EUD voor gebarentaaltolken voor internationale/Europese bijeenkomsten(12),

–  gezien de richtsnoeren van de Internationale Vereniging van conferentietolken (IACI) voor gesproken-taaltolken die in gemengde teams werken(13),

–  gezien het verslag van het EFSLI over de rechten op gebarentaalvertolking bij werk of studie in het buitenland(14),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat alle personen met een handicap, en met name vrouwen en kinderen en met inbegrip van doven en slechthorenden, ongeacht de vraag wie er al dan niet gebruik maken van gebarentaal, als volwaardige burgers gelijke rechten hebben en recht hebben op onvervreemdbare waardigheid, gelijke behandeling, onafhankelijk leven, autonomie en volledige deelname aan het gemeenschapsleven;

B.  overwegende dat het VWEU vereist dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van handicaps (artikel 10) en aan de Unie de bevoegdheid verleent wetgeving vast te stellen om dergelijke discriminatie aan te pakken (artikel 19);

C.  overwegende dat de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van een handicap uitdrukkelijk verbieden en bepalen dat personen met een handicap recht hebben op gelijke deelname aan het gemeenschapsleven;

D.  overwegende dat de EU ongeveer één miljoen dove gebruikers van gebarentaal telt(15) en 51 miljoen slechthorende burgers(16), die in veel gevallen ook gebarentaal gebruiken;

E.  overwegende dat nationale en regionale gebarentalen volwaardige natuurlijke talen zijn die, net als gesproken talen, een eigen grammatica en syntaxis hebben(17);

F.  overwegende dat het meertaligheidsbeleid van de EU het leren van vreemde talen bevordert en dat een van de doelen van dat beleid is dat iedere Europeaan naast zijn moedertaal nog twee andere talen kan spreken; overwegende dat het leren en promoten van nationale en regionale gebarentalen dat doel zouden kunnen helpen bereiken;

G.  overwegende dat toegankelijkheid voor personen met een handicap een eerste voorwaarde is voor een onafhankelijk leven en een volledige en gelijke deelname aan het gemeenschapsleven(18);

H.  overwegende dat toegankelijkheid niet alleen betrekking heeft op een toegankelijke omgeving, maar ook op de toegang tot informatie en communicatie, onder meer in de vorm van verstrekking van inhoud in gebarentaal(19);

I.  overwegende dat professionele gebarentaaltolken gelijkwaardig zijn aan gesproken-taaltolken voor wat betreft hun opdrachten en taken;

J.  overwegende dat de situatie van gebarentaaltolken van lidstaat tot lidstaat verschilt, van personen die informeel hulp bieden aan gezinnen tot professionele tolken met een universitaire opleiding en een volledige kwalificatie;

K.  overwegende dat er in alle lidstaten een tekort is aan professionele gebarentaaltolken en dat de verhouding tussen gebarentaalgebruikers en gebarentaaltolken varieert tussen 8:1 en 2 500:1, met een gemiddelde van 160:1(20);

L.  overwegende dat er een verzoekschrift(21) is ingediend waarin gevraagd wordt toe te staan dat verzoekschriften in nationale en regionale gebarentalen van de EU worden ingediend;

M.  overwegende dat de Verklaring van Brussel over gebarentalen in de Europese Unie(22) een niet-discriminerende aanpak van het gebruik van een natuurlijke gebarentaal voorstaat, zoals bepaald in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat door de EU en op één na alle EU-lidstaten is geratificeerd;

N.  overwegende dat het niveau en de kwaliteit van ondertiteling op openbare en particuliere televisiekanalen van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschilt en varieert van minder dan 10 % tot bijna 100 %, met sterk uiteenlopende kwaliteitsnormen(23); overwegende dat er in de meeste lidstaten een tekort is aan gegevens over het niveau van vertolking in gebarentaal op de televisie;

O.  overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe taaltechnologieën gunstig zou kunnen zijn voor gebruikers van gebarentaal;

P.  overwegende dat het ontzeggen van redelijke aanpassingen volgens het CRPD discriminatie is en dat er volgens de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep in redelijke aanpassingen moet worden voorzien om de naleving van het beginsel van gelijke behandeling te waarborgen;

Q.  overwegende dat er momenteel voor dove, doofblinde of slechthorende burgers geen rechtstreeks kanaal is voor communicatie met de leden van het Europees Parlement en de administratie van de instellingen van de Europese Unie, en omgekeerd voor communicatie naar doven of slechthorenden toe vanuit de EU-instellingen;

Gekwalificeerde professionele gebarentaaltolken

1.  benadrukt de behoefte aan gekwalificeerde professionele gebarentaaltolken waarin kan worden voorzien door middel van:

   a) de officiële erkenning van nationale en regionale gebarentaal/talen in de lidstaten en bij de EU-instellingen;
   b) formele opleiding (op universitair of vergelijkbaar niveau, gelijkwaardig aan 3 jaar voltijdstudie, wat overeenkomt met de vereiste opleiding voor gesproken-taaltolken)(24);
   c) registratie (officiële accreditatie en kwaliteitsborgingssysteem, zoals voortgezette professionele ontwikkeling);
   d) formele erkenning van het beroep;

2.  ziet in dat de levering van hoogwaardige diensten voor de vertolking van gebarentaal:

   a) afhangt van een objectieve kwaliteitsbeoordeling waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn;
   b) gebaseerd is op beroepskwalificaties;
   c) vereist dat deskundige vertegenwoordigers van de dovengemeenschap erbij betrokken worden;
   d) afhangt van voldoende financiële middelen om gebarentaaltolken op te leiden en in dienst te nemen;

3.  beseft dat vertolking van gebarentaal een professionele dienst is die naar behoren beloond dient te worden;

Onderscheid tussen toegankelijkheid en redelijke aanpassingen(25)

4.  acht het verheugend dat toegankelijkheid bepaalde groepen ten goede komt en gebaseerd is op een reeks normen die geleidelijk worden ingevoerd;

5.  beseft dat men zich niet kan beroepen op onevenredigheid of buitensporige belasting om het niet verstrekken van toegang goed te praten;

6.  erkent dat redelijke aanpassingen betrekking hebben op individuele personen en een aanvulling vormen op de toegankelijkheidsverplichting;

7.  wijst er ook op dat een persoon redelijke aanpassingen mag verlangen zelfs wanneer aan de toegankelijkheidsverplichting is voldaan;

8.  ziet in dat het aanbieden van vertolking in gebarentaal een toegankelijkheidsmaatregel of een redelijke aanpassing kan zijn, afhankelijk van de situatie;

Toegankelijkheid

9.  wijst erop dat dove, doofblinde en slechthorende burgers toegang moeten hebben tot dezelfde informatie en communicatie als hun medemensen door middel van vertolking in gebarentaal, ondertiteling, spraak-naar-tekstomzetting en/of alternatieve communicatievormen, zoals mondelinge tolken;

10.  benadrukt dat overheidsdiensten, met inbegrip van hun online-inhoud, toegankelijk moeten worden gemaakt door middel van tussenpersonen zoals gebarentaaltolken ter plaatse, maar in voorkomend geval ook met behulp van alternatieve, op internet gebaseerde diensten op afstand;

11.  verklaart nogmaals dat het het politieke proces zo toegankelijk mogelijk wil maken, onder meer door professionele gebarentaaltolken ter beschikking te stellen; tekent daarbij aan dat dit ook geldt voor verkiezingen, openbare raadplegingen en, in voorkomend geval, andere evenementen;

12.  wijst erop dat taaltechnologieën een steeds grotere rol spelen bij het bieden van gelijke toegang voor iedereen tot de digitale ruimte;

13.  beseft het belang van minimumnormen voor toegankelijkheid, vooral ook met het oog op nieuwe en opkomende technologieën, zoals het via internet aanbieden van diensten op het gebied van vertolking in gebarentaal en ondertiteling;

14.  wijst erop dat de gezondheidszorg een bevoegdheid van de lidstaten is, en dat deze dus ook moeten voorzien in de behoeften van dove, doofblinde en slechthorende patiënten, bijvoorbeeld door professionele gebarentaaltolken beschikbaar te stellen en voorlichtingsacties voor het personeel op te zetten, met bijzondere aandacht voor vrouwen en kinderen;

15.  beseft dat gelijke toegang tot de rechter voor dove, doofblinde en slechthorende burgers alleen mogelijk is als er naar behoren gekwalificeerde, professionele gebarentaaltolken worden ingezet;

16.  is zich bewust van het belang van nauwkeurige en precieze vertolkings- en vertalingsdiensten, met name bij de rechtbank en in andere juridische contexten; wijst daarom nogmaals op het belang van gespecialiseerde, hoogopgeleide professionele gebarentaaltolken, vooral in dergelijke contexten;

17.  benadrukt dat het noodzakelijk is voor meer ondersteuning en specifieke voorzieningen te zorgen, zoals gebarentaalvertolking en toegankelijke realtime-tekstinformatie, voor personen met een handicap in geval van gewapende conflicten, humanitaire noodsituaties en natuurrampen(26);

Arbeid, onderwijs en opleiding

18.  wijst erop dat er maatregelen inzake redelijke aanpassingen, waartoe ook het aanbieden van professionele gebarentaalvertolking behoort, moeten worden genomen om gelijke toegang tot arbeid, onderwijs en opleiding te waarborgen;

19.  benadrukt dat er evenwichtige en volledige informatie moet worden gegeven over gebarentaal en wat die voor doven betekent, zodat ouders bewuste keuzes kunnen maken in het belang van hun kinderen;

20.  benadrukt dat programma's voor snel ingrijpen cruciaal zijn voor kinderen bij de ontwikkeling van sociale vaardigheden, waaronder ook taalvaardigheid; wijst er voorts op dat bij die programma's idealiter ook dove rolmodellen moeten worden betrokken;

21.  benadrukt dat dove, doofblinde en slechthorende studenten en hun ouders de kans moeten krijgen om de nationale of regionale gebarentaal van hun omgeving te leren door middel van voorschoolse diensten en op school(27);

22.  benadrukt dat gebarentaal in de onderwijsprogramma's moet worden opgenomen om er meer bekendheid aan te geven en het gebruik van gebarentaal te vergroten;

23.  onderstreept dat er maatregelen moeten worden genomen om de taalkundige identiteit van dovengemeenschappen te erkennen en te promoten(28);

24.  verzoekt de lidstaten het aanleren van gebarentaal op dezelfde wijze te stimuleren als het aanleren van vreemde talen;

25.  benadrukt dat gekwalificeerde gebarentaaltolken en onderwijzend personeel dat in staat is gebarentaal te gebruiken en de vaardigheden bezit om doeltreffend te werken in tweetalige inclusieve onderwijsomgevingen een wezenlijk onderdeel vormen van de leerprestaties van dove kinderen en jongeren, die daardoor betere schoolresultaten behalen en op de lange termijn minder vaak werkloos worden;

26.  vestigt de aandacht op het algemene tekort aan tweetalige handboeken en leermateriaal in toegankelijke formaten en talen;

27.  dringt erop aan dat het beginsel van vrij verkeer voor doven, doofblinden en slechthorenden binnen de EU wordt gewaarborgd, met name in de context van Erasmus+ en daarmee samenhangende mobiliteitsprogramma's, door ervoor te zorgen dat deelnemers niet onevenredig belast worden doordat ze voor hun eigen vertolkingsregelingen moeten zorgen;

28.  is verheugd over het proefproject met de Europese gehandicaptenkaart; betreurt het dat gebarentaalvertolking geen deel uitmaakt van dat project, aangezien dat een aanzienlijke belemmering vormt voor het vrije verkeer van dove, doofblinde en slechthorende werkenden en studenten binnen de EU;

EU-instellingen

29.  beseft dat de EU-instellingen het goede voorbeeld moeten geven voor hun personeel, gekozen overheidsfunctionarissen en stagiairs en ten aanzien van de burgers van de EU wat betreft het zorgen voor redelijke aanpassingen en toegankelijkheid, wat ook het aanbieden van gebarentaalvertolking inhoudt;

30.  is ingenomen met het feit dat de EU-instellingen al op ad‑hocbasis zorgen voor de toegankelijkheid van openbare evenementen en commissievergaderingen; is van mening dat ondertiteling en spraak-naar-tekstomzetting beschouwd moeten worden als een alternatieve, maar gelijkwaardige en noodzakelijke maatregel voor slechthorenden die geen gebarentaal gebruiken, en dat dit ook geldt voor personeelsleden van de EU-instellingen als het gaat om het aanbieden van redelijke aanpassingen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

31.  erkent dat de EU-instellingen een systeem hebben ingevoerd voor het aanbieden van gebarentaalvertolking via hun respectieve tolkenafdelingen, om redenen van toegankelijkheid; dringt er bij de instellingen op aan dat zij ook gebruik maken van die bestaande systemen wanneer zij voorzien in redelijke aanpassingen voor personeelsleden en/of gekozen functionarissen, zodat de administratieve lasten voor de betrokkene en de instellingen zo klein mogelijk worden;

32.  dringt er bij de instellingen met klem op aan dat zij aan gebarentaaltolken formeel dezelfde status toekennen als aan gesproken-taaltolken met betrekking tot de vertolkingsdiensten die zij aanbieden aan de instellingen en/of hun personeel en benoemde functionarissen, met inbegrip van toegang tot technologische ondersteuning, voorbereidingsmateriaal en documentatie;

33.  verzoekt Eurostat ervoor te zorgen dat de EU-instellingen over statistieken kunnen beschikken inzake dove, doofblinde en slechthorende gebruikers van gebarentaal, zodat zij hun gehandicapten- en talenbeleid beter kunnen definiëren, uitvoeren en analyseren;

34.  verzoekt de bezoekersdienst van het Parlement te voorzien in de behoeften van dove, doofblinde en slechthorende bezoekers door rechtstreeks toegang te geven in een nationale of regionale gebarentaal en met behulp van spraak-naar-tekstomzettingsdiensten;

35.  verzoekt de instellingen het EU-proefproject INSIGN volledig ten uitvoer te leggen, dat een reactie is op het besluit van het Parlement van 12 december 2012 inzake de implementatie van een toepassing en dienst voor gebarentaal in realtime en tot doel heeft de communicatie tussen doven en slechthorenden en de EU-instellingen te verbeteren(29);

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 187 van 18.7.1988, blz. 236.
(2) PB C 379 van 7.12.1998, blz. 66.
(3) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0318.
(5) http://www.ohchr.org/Documents/HRBodies/CRPD/GC/RighttoEducation/CRPD-C-GC-4.doc
(6) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(7) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(9) http://www.youthforum.org/assets/2016/04/0099-16_Policy_Paper_Equality_Non-discrimination_FINAL2.pdf
(10) PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1.
(11) http://efsli.org/publications
(12) http://efsli.org/efsliblu/wp-content/uploads/2012/09/SL-Interpreter-Guidelines.pdf
(13) http://aiic.net/page/6701/guidelines-for-spoken-language-interpreters-working-in-mixed-teams/lang/1
(14) http://efsli.org/efsliblu/wp-content/uploads/2012/09/R1101-The-right-to-sign-language-interpreting-services-when-working-or-studying-abroad.pdf
(15) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-13-511_nl.htm
(16) European Federation of Hard of Hearing People (EFHOH): http://www.efhoh.org/about_us
(17) Brentari, D., ed. (2010) Sign Languages. Cambridge University Press.Pfau, R., Steinbach M. & Bencie W., eds. (2012) Sign Language: An International Handbook. De Gruyter.
(18) Algemene opmerking nr. 2 van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap, CRPD/C/GC/2.
(19) Artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD).
(20) Wit, M. de (2016, nog niet verschenen). Gebarentaal in Europa, editie 2016.
(21) Verzoekschrift nr. 1056-16.
(22) Verklaring van Brussel (2010), Europese Dovenunie (EUD) http://www.eud.eu/files/8514/5803/7674/brussels_declaration_FINAL.pdf
(23) EFHOH (2015). State of subtitling access in EU. Beschikbaar op: http://media.wix.com/ugd/c2e099_0921564404524507bed2ff3648781a3c.pdf
(24) Efsli (2013), Learning Outcomes for Graduates of a Three Year Interpreting Training Programme.
(25) CRPD/C/GC/4, par. 28.
(26) Artikel 11 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD).
(27) http://www.univie.ac.at/designbilingual/downloads/De-Sign_Bilingual_Findings.pdf
(28) Algemene opmerking nr. 4 van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap, CRPD/C/GC/4, beschikbaar op: http://www.ohchr.org/Documents/HRBodies/CRPD/GC/RighttoEducation/CRPD-C-GC-4.doc
(29) http://www.eud.eu/projects/past-projects/insign-project/


Verlenging van de goedkeuring voor de actieve stof bentazon
PDF 258kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof bentazon overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (D047341/00 – 2016/2978(RSP))
P8_TA(2016)0443B8-1228/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof bentazon overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (D047341/00),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG(1) van de Raad, en met name artikel 20, lid 1,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien de conclusie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over de collegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof bentazon(3),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de werkzame stof bentazon fungeert als een selectieve verdelger van reeds ontsproten breedbladig onkruid in een brede reeks gewassen en doorgaans wordt gebruikt in de landbouw;

B.  overwegende dat er, vanwege de inherente eigenschappen ervan, een grote kans bestaat dat de werkzame stof bentazon in het grondwater terechtkomt;

C.  overwegende dat uit gegevens van het milieuagentschap van het VK blijkt dat de werkzame stof bentazon het vaakst in het grondwater van het VK aangetroffen goedgekeurde pesticide is en eveneens in het oppervlaktewater wordt aangetroffen; overwegende dat in heel Europa sprake is van een vergelijkbare situatie;

D.  overwegende dat met Uitvoeringsverordening (EU) 2016/549 van 8 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 de geldigheidsduur van de werkzame stof bentazon werd verlengd tot 30 juni 2017 aangezien de beoordeling van de stof vertraging had opgelopen;

E.  overwegende dat de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof bentazon overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (hierna "de ontwerpuitvoeringsverordening" genoemd) op grond van een wetenschappelijke beoordeling door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voorziet in de toelating van bentazon tot 31 januari 2032, d.w.z. voor de langst mogelijke periode;

F.  overwegende dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis bepaalde voorwaarden en beperkingen zijn opgenomen in de ontwerpuitvoeringsverordening, in het bijzonder een bepaling inzake de verstrekking van verdere bevestigende informatie;

G.  overwegende dat na bestudering van de ontvangen opmerkingen met betrekking tot het beoordelingsverslag over de verlenging werd geconcludeerd dat aanvullende informatie van de aanvragers moet worden gevraagd;

H.  overwegende dat na bestudering van de ontvangen opmerkingen met betrekking tot het beoordelingsverslag werd geconcludeerd dat de EFSA een raapleging van deskundigen moet verrichten op het gebied van toxicologie bij zoogdieren, residuen, het lot en het gedrag in het milieu, en ecotoxicologie, en moet concluderen of de werkzame stof bentazon naar verwachting aan de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 vastgelegde voorwaarden zal beantwoorden;

I.  overwegende dat aanvragers verplicht zijn bevestigende informatie in te dienen met betrekking tot niveau 2/3-testen die momenteel worden vermeld in het begrippenkader van de OESO, teneinde de mogelijkheid te bekijken van een hormonaal gemedieerde werking ten aanzien van ontwikkelingseffecten die zijn waargenomen in een studie naar ontwikkelingstoxiciteit in ratten (verhoogde verliezen na innesteling, verminderd aantal levende foetussen en vertraagde foetale ontwikkeling in afwezigheid van duidelijke maternale toxiciteit hetgeen erop duidt dat een indeling als reproductietoxicologisch, categorie 2 wellicht gewenst is);

J.  overwegende dat de beoordeling van het risico voor de consument niet werd afgerond aangezien de voorgestelde residudefinities voor de risicobeoordeling bij planten en voor toepassing bij vee als voorlopig werden beschouwd vanwege de geconstateerde lacunes in de gegevens;

K.  overwegende dat de beoordeling van de blootstelling van het grondwater voor de moederstof bentazon en de metaboliet N-methyl-bentazon niet werd afgerond; overwegende dat informatie ontbreekt over de mogelijke blootstelling van het grondwater wanneer de jaarlijkse gebruikte hoeveelheden hoger zijn dan 960 gr. werkzame stof/hectare (er werden aanvragen ingediend voor gebruiksdoeleinden tot 1440 gr. werkzame stof/hectare);

L.  overwegende dat het besluit van de Commissie om een werkzame stof goed te keuren, terwijl zij tegelijkertijd vraagt om gegevens ter bevestiging van de veiligheid ervan (bekend als de procedure betreffende bevestigende informatie) het mogelijk zou maken dat de werkzame stof op de markt wordt gebracht voor de Commissie alle gegevens heeft ontvangen die nodig zijn om dat besluit te staven;

M.  overwegende dat de Commissie in het besluit van de Europese Ombudsman van 18 februari 2016 in Zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden), wordt opgeroepen de procedure betreffende bevestigende informatie restrictief en strikt in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving te gebruiken, en binnen twee jaar na het besluit van de Ombudsman een verslag in te dienen waaruit blijkt dat het aantal besluiten op grond van bevestigende informatie aanzienlijk is gedaald in vergelijking met de huidige benadering;

N.  overwegende dat in de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie wordt verzaakt de voorstellen van de Europese Ombudsman te implementeren om het systeem van de Commissie voor de goedkeuring van pesticiden te verbeteren;

O.  overwegende dat krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 de verlenging van de goedkeuring voor een periode van ten hoogste vijftien jaar mag gelden; overwegende dat de goedkeuringsperiode in verhouding moet staan tot de mogelijke risico’s die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn; overwegende dat de Commissie op grond van het voorzorgsbeginsel, dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet worden toegepast, moet waarborgen dat zij geen werkzame stoffen goedkeurt in gevallen waar deze een risico voor de volksgezondheid of het milieu zouden kunnen opleveren;

P.  overwegende dat in de collegiale toetsing van de EFSA wordt voorgesteld om de werkzame stof bentazon in te delen als "toxisch voor de voortplanting", categorie 2, in overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

Q.  overwegende dat een kwestie als kritiek aandachtsgebied wordt bestempeld wanneer voldoende informatie beschikbaar is om een beoordeling voor de representatieve gebruiksvoorwaarden te verrichten in overeenstemming met de uniforme beginselen overeenkomstig artikel 29/lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en als beschreven in Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie, en wanneer deze beoordeling het niet mogelijk maakt te concluderen dat voor ten minste een van de representatieve doeleinden te verwachten valt dat een gewasbeschermingsmiddel dat de betrokken werkzame stof bevat geen nadelige effecten heeft op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater, en geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het milieu;

R.  overwegende dat er volgens de conclusies van de EFSA kritieke aandachtsgebieden zijn vastgesteld, in het bijzonder het feit dat de voor beide aanvragers voorgestelde technische materiaalspecificaties niet vergelijkbaar waren met het materiaal dat werd gebruikt bij de testen om de toxicologische referentiewaarden te bepalen, en dat niet is aangetoond dat het in ecotoxiciteitstudies gebruikte technische materiaal voldoende representatief is voor de technische specificaties voor beide aanvragers;

1.  is van mening dat de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat de beoordeling van de representatieve doeleinden van de werkzame stof bentazon niet toereikend is om te concluderen dat voor ten minste een van de representatieve doeleinden te verwachten valt dat een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bentazon bevat geen nadelige effecten heeft op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater, en geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het milieu;

3.  vraagt de Commissie en de lidstaten onderzoek en innovatie te financieren op het gebied van alternatieve duurzame en kostenefficiënte oplossingen voor plaagbestrijdingsproducten, teneinde een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen;

4.  is van mening dat de Commissie, door de procedure betreffende bevestigende informatie toe te passen voor de goedkeuring van de werkzame stof bentazon, de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 heeft geschonden en inbreuk heeft gemaakt op het voorzorgsbeginsel, als bedoeld in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

5.  dringt er bij de Commissie op aan prioriteit te geven aan het opvragen en beoordelen van alle ontbrekende informatie alvorens een besluit over de goedkeuring te nemen;

6.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) EFSA Journal 2015; 13(4):4077.

Juridische mededeling