Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 14 december 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Insolventieprocedures en insolventiefunctionarissen ***I
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Oezbekistan en bilaterale handel in textiel ***
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Oezbekistan en de bilaterale handel in textiel
 Handelsovereenkomst EU-Columbia/Peru (toetreding van Ecuador) ***
 Overeenkomst EU-Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak ***
 Overeenkomst EU-Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak
 Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Georgië en Europol *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana - automobielsector
 Normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen ***II
 Binnenlands passagiersvervoer per spoor ***II
 Eén Europese spoorwegruimte ***II
 Toegang tot de markt voor havendiensten en financiële transparantie van havens ***I
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Juhan Parts
 Onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal *
 Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015
 Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (artikel 36 VEU)
 Instrumenten van het GLB voor het verminderen van de prijsschommelingen op de landbouwmarkten

Insolventieprocedures en insolventiefunctionarissen ***I
PDF 240kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vervanging van de lijsten van insolventieprocedures en insolventiefunctionarissen die zijn opgenomen in de bijlagen A en B bij Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures (COM(2016)0317 – C8-0196/2016 – 2016/0159(COD))
P8_TA(2016)0488A8-0324/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0317),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0196/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 17 november 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0324/2016),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 december 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vervanging van de bijlagen A en B bij Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/353.)


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Oezbekistan en bilaterale handel in textiel ***
PDF 244kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel (16384/1/2010 – C7-0097/2011 – 2010/0323(NLE))
P8_TA(2016)0489A8-0332/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16384/1/2010),

–  gezien het ontwerp van Protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel naar aanleiding van het verstrijken van de bilaterale textielovereenkomst (16388/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0097/2011),

–  gezien zijn interimresolutie van 15 december 2011(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 14 december 2016(2) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0332/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Oezbekistan.

(1) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 195.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0490.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Oezbekistan en de bilaterale handel in textiel
PDF 328kWORD 52k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel (16384/1/2010 – C7-0097/2011 – 2010/0323(NLE)2016/2226(INI))
P8_TA(2016)0490A8-0330/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (16384/1/2010),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (16388/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0097/2011),

–  gezien zijn interimresolutie van 15 december 2011(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 14 december 2016(2) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien de meest recente opmerkingen over Oezbekistan in verband met het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (Verdrag 105) en het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid (Verdrag 182), die in 2015 door de Commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen zijn vastgesteld en in 2016 zijn gepubliceerd(3),

–   gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–   gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0330/2016),

A.  overwegende dat het Europees Parlement in december 2011 zijn besluit over het textielprotocol tussen de EU en Oezbekistan opschortte en een interimverslag aannam om de beschuldigingen van kinderarbeid en gedwongen arbeid bij de katoenoogst in Oezbekistan te onderzoeken;

B.  overwegende dat het Parlement in zijn interimverslag stelde niet eerder goedkeuring te zullen overwegen dan nadat de IAO-waarnemers toestemming hebben gekregen van de Oezbeekse autoriteiten om een nauwgezette en ongehinderde controle uit te voeren, en zij vervolgens bevestigen dat er concrete hervormingen zijn doorgevoerd die wezenlijk resultaat opleveren in de zin dat het land daadwerkelijk toewerkt naar de afschaffing van gedwongen arbeid en kinderarbeid op nationaal, districts- en lokaal niveau;

C.  overwegende dat het Parlement een regelmatige dialoog heeft ingesteld met de Commissie, de EDEO, de regering van Oezbekistan, de IAO en het maatschappelijk middenveld, teneinde toezicht te houden op de ontwikkelingen die zich tijdens de katoenoogst voordoen, druk uit te oefenen op alle betrokkenen, en daarmee te bereiken dat gedwongen arbeid en kinderarbeid worden afgeschaft in Oezbekistan;

D.  overwegende dat de IAO in 2013 toestemming heeft gekregen van de regering van Oezbekistan om toezicht te houden op de katoenoogst in het land; overwegende dat de IAO sindsdien diverse controles heeft uitgevoerd en dat deze controles aanvankelijk waren toegespitst op kinderarbeid maar naar verloop van tijd zijn uitgebreid naar gedwongen arbeid en aanwervingsvoorwaarden;

E.  overwegende dat de samenwerking tussen de IAO en de regering van Oezbekistan geleidelijk is uitgebreid en dat Oezbekistan in 2014 als eerste Centraal-Aziatisch land een nationaal programma voor fatsoenlijk werk met de IAO is overeengekomen;

F.  overwegende dat uit de meest recente IAO-controle, die tijdens de katoenoogst van 2015 is uitgevoerd, naar voren is gekomen dat “het inzetten van kinderen bij de katoenoogst nog slechts af en toe voorkomt en maatschappelijk onaanvaardbaar is geworden, hetgeen niet wegneemt dat aanhoudende waakzaamheid geboden is”(4);

G.  overwegende dat de bewustwording ten aanzien van gedwongen arbeid zich volgens de IAO weliswaar nog in een pril stadium bevindt, maar dat uit door de IAO uitgevoerde enquêtes blijkt dat de meeste arbeidskrachten vrijwillig katoen plukken en de mogelijkheid hebben om dit te weigeren;

H.  overwegende dat het definitieve IAO-verslag over de katoenoogst van 2016 in Oezbekistan tegen het eind van dit jaar beschikbaar zal zijn;

I.  overwegende dat de afschaffing van gedwongen arbeid en kinderarbeid een objectief, nog lopend proces is, dat inspanningen vergt en verder moet worden ondersteund door de EU en de internationale gemeenschap, onder meer door organisaties uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn op het gebied van mensenrechten en arbeidsrechten, erbij te betrekken;

J.  overwegende dat de regering van Oezbekistan actieplannen heeft aangenomen om de aanwervingsprocedures voor katoenplukkers te wijzigen, en samen met werkgeversorganisaties en vakbonden de bewustwording heeft bevorderd en een terugkoppelingsmechanisme heeft ontwikkeld om gedwongen arbeid en kinderarbeid te voorkomen;

K.  overwegende dat ngo's nog altijd melding maken van schendingen van de mensenrechten in het land, in het bijzonder bij de katoenoogst, waarbij volgens hen op grote schaal studenten en overheidspersoneel gedwongen worden tewerkgesteld, alsook van schendingen van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, met name in de vorm van ondervragingen van burgers die informatie over de oogst verspreiden, de geregelde vervolging en intimidatie van mensenrechtenverdedigers en maatschappelijk activisten, en het beletten van internationale mensenrechtenorganisaties en media om actief te zijn in het land;

L.  overwegende dat het plotselinge overlijden van president Islom Karimov geen effect zou moeten hebben op de continuïteit van het lopende proces ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van de katoenplukkers in Oezbekistan;

1.  onderstreept het belang van de maatregelen die de regering van Oezbekistan heeft genomen om de IAO in staat te stellen toezicht te houden op de katoenoogst en om de samenwerking met de IAO te verruimen via een nationaal programma voor fatsoenlijk werk;

2.  is ingenomen met de aanzienlijke vooruitgang die Oezbekistan sinds 2013 heeft geboekt, waaronder de aanname van wetten die het gebruik van kinderarbeid verbieden, waarmee het land ervoor heeft gezorgd dat kinderarbeid vrijwel volledig is uitgebannen; moedigt de autoriteiten aan in het hele land bewustmakingscampagnes te blijven organiseren teneinde kinderarbeid volledig uit te bannen;

3.  stelt het op prijs dat de regering van Oezbekistan zich in samenwerking met de IAO eveneens inzet voor de afschaffing van gedwongen arbeid en dat daarbij vooruitgang is geboekt; benadrukt dat nog altijd sprake is van minder zichtbare vormen van onvrijwillige arbeid en dat het een complex proces betreft, dat onder meer een hervorming van het werkgelegenheidsbeleid vereist;

4.  is van mening dat het Parlement vanwege deze inspanningen van de regering van Oezbekistan zijn goedkeuring moet hechten aan het textielprotocol tussen de EU en Oezbekistan; is van mening dat deze goedkeuring voor de Oezbeekse regering een teken van aanmoediging zal zijn om haar inspanningen voor de volledige uitbanning van kinderarbeid en alle andere vormen van gedwongen arbeid voort te zetten alsook de samenwerking met de EU verder te versterken;

5.  is verheugd dat de federatie van vakbonden van Oezbekistan zich in oktober 2015 als geassocieerd lid heeft aangesloten bij het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen; wijst op de rol die Oezbeekse vakbonden spelen bij het waarborgen van behoorlijke arbeidsomstandigheden en de bescherming van de rechten van werknemers; verzoekt de Oezbeekse regering op dit gebied volledig met de vakbonden samen te werken; dringt er bij de Oezbeekse vakbonden op aan meer inspanningen te leveren om tot volledige uitbanning van gedwongen arbeid te komen;

6.  uit zijn bezorgdheid over berichten van onafhankelijke waarnemers waaruit blijkt dat de overheid voorafgaand aan de oogst van 2016 burgers heeft ingezet en onder meer overheidspersoneel en studenten gedwongen heeft tewerkgesteld;

7.  verzoekt de volgende Oezbeekse president om op het gebied van de mensenrechten een nieuwe koers in te slaan en per direct een eind te maken aan gedwongen arbeid en kinderarbeid bij de katoenoogst;

8.  roept de Commissie en de EDEO op regelmatig gedetailleerde informatie aan het Parlement te verstrekken over de situatie in Oezbekistan, en dan met name over de afschaffing van kinderarbeid en gedwongen arbeid; besluit de ontwikkelingen in Oezbekistan te blijven volgen en een regelmatige dialoog in te stellen, die gericht is op de volledige afschaffing van gedwongen arbeid en kinderarbeid in Oezbekistan en waaraan wordt deelgenomen door de IAO, de Commissie, de EDEO en andere belanghebbenden;

9.  erkent dat de combinatie van dialoog en samenwerking noodzakelijk zal blijven en dat de Unie, de IAO en de Wereldbank voortdurend druk zullen moeten blijven uitoefenen op de regering van Oezbekistan om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen; behoudt zich het recht voor de Commissie en de Raad te verzoeken artikel 2 en artikel 95 van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst in werking te stellen om ervoor te zorgen dat alle nodige algemene en specifieke maatregelen worden genomen indien de belofte tot afschaffing van gedwongen arbeid en kinderarbeid niet wordt waargemaakt;

10.  verzoekt de Commissie en de EU-delegatie in Tasjkent een bijdrage te leveren in de vorm van een beleidsdialoog en steunprogramma's voor structurele hervormingen in Oezbekistan, met inbegrip van een verhoging van de lonen voor katoenplukkers, mechanisatie en meer budgettaire transparantie ten aanzien van de inkomsten van de katoenpluk;

11.  deelt de opvatting dat het nationaal programma voor fatsoenlijk werk na 2016 moet worden voortgezet en zodanig moet worden verdiept dat de modernisering van de Oezbeekse economie en de verbetering van het werkgelegenheidsbeleid op gebieden zoals gezondheid en veiligheid op het werk en arbeidsinspectie eveneens in het programma worden opgenomen en dat daarnaast rekening wordt gehouden met gendergelijkheid; verwelkomt in dit verband het Oezbeekse regeringsbesluit nr. 909 (van 16 november 2015), waarmee wordt beoogd in de periode 2016-2018 de arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en de sociale bescherming van arbeidskrachten in de landbouwsector te verbeteren;

12.  benadrukt dat de bijstand die de EU de afgelopen jaren heeft verstrekt en die gericht was op de rechtsstaat en het rechtsstelsel, en bedoeld was om hervormingen te realiseren en de werkzaamheden van het Oezbeekse parlement te stroomlijnen, tot tastbare resultaten moet leiden;

13.  is van mening dat de EU-steun aan Oezbekistan er ook op gericht moet zijn het land te helpen af te stappen van de bestaande katoenmonocultuur en minder afhankelijk te worden van de export door zijn economie te diversifiëren, hetgeen ook zou kunnen leiden tot een geleidelijke verbetering van het milieu, met name in het gebied van het Aralmeer, of wat daar nog van over is, en de rivieren die daarin uitmonden;

14.  roept de Commissie op zo spoedig mogelijk het “EU-vlaggenschipinitiatief betreffende verantwoord beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector” voor te leggen, vergezeld van een voorstel ter versterking van de transparantie binnen de toeleveringsketen; onderstreept het belang van het Duurzaamheidspact, dat in 2013 is gelanceerd en wijst erop dat dergelijke initiatieven als basis kunnen dienen voor nieuwe maatregelen die in partnerschap met derde landen worden uitgewerkt en erop gericht zijn om de arbeidsomstandigheden en de gezondheid en veiligheid op het werk in de confectiesector van derde landen te verbeteren;

15.  spoort de regering van Oezbekistan aan toe te werken naar de ratificering en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van alle 27 fundamentele internationale SAP+-overeenkomsten, zodat het land SAP+-tariefpreferenties kan aanvragen;

16.  benadrukt dat de Raad in 2009 en 2010 tot opheffing van de EU-sancties besloot om "de Oezbeekse autoriteiten aldus aan te moedigen verdere ingrijpende maatregelen te nemen om de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie ter plekke te verbeteren" en daarbij verklaarde dat hij "de mensenrechtensituatie in Oezbekistan voortdurend nauwlettend in het oog [zal] houden" en dat "de intensiteit en de kwaliteit van de dialoog en de samenwerking zullen afhangen van de Oezbeekse hervormingen";

17.  verzoekt de Commissie en de EDEO om de politieke transitie in Oezbekistan te volgen en het Parlement regelmatig over de voortgang van dit proces te informeren;

18.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de EDEO en de lidstaten om het transitieproces aan te grijpen als een kans om erop aan te dringen dat er de komende maanden concrete, meetbare verbeteringen van de mensenrechtensituatie worden doorgevoerd; stelt dat deze concrete verbeteringen onder meer de in 2010 door de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU gestelde voorwaarden moeten omvatten;

19.  wijst erop dat de textielsector, en dan met name de katoenproductie, de belangrijkste sector is binnen de handelsbetrekkingen tussen de EU en Oezbekistan; benadrukt in dit verband dat de EU ten volle gebruik moet maken van de uitbreiding van de PSO om te waarborgen dat de Oezbeekse autoriteiten na de plotselinge dood van de president een transitieproces op gang brengen dat zal leiden tot een beter bestuur, versterking van de rechtsstaat, democratische hervormingen en een aanzienlijke verbetering van de mensenrechtensituatie;

20.  wijst andermaal op de toezegging van de Unie om de betrekkingen met Oezbekistan te bevorderen en te verdiepen en merkt op dat eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat hiertoe vereist is; roept de regering van Oezbekistan op het onafhankelijke maatschappelijke middenveld meer de ruimte te geven, beter rekening te houden met de zorgen van Oezbeekse en internationale ngo's en zijn verbintenissen krachtens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag tegen foltering na te komen;

21.  dringt er bij de Oezbeekse autoriteiten op aan hun verplichtingen op het gebied van de bescherming van de mensenrechten ten volle te eerbiedigen; is ingenomen met het feit dat Oezbekistan heeft aangekondigd voornemens te zijn om ter gelegenheid van het 24-jarig bestaan van de grondwet een groep mensen amnestie te verlenen; dringt er bij de Oezbeekse autoriteiten op aan in dit verband tevens alle mensen vrij te laten die gevangen zitten op grond van politiek gemotiveerde aanklachten, de behandeling van gevangenen te verbeteren en een einde te maken aan de aanhoudende geweldplegingen, arrestaties en veroordelingen; spoort de Oezbeekse regering aan beter samen te werken met internationale instanties, onder meer in het kader van elf speciale procedures die zijn ingesteld door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC)(5);

22.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Oezbekistan.

(1) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 195.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0489.
(3) Verslag van de Commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen – Toepassing van internationale arbeidsnormen 2016 – VERSLAG III (Deel 1A).
(4) Verslag van de Commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen – Toepassing van internationale arbeidsnormen 2016 – VERSLAG III (Deel 1A), blz. 218.
(5) De elf speciale procedures worden beschreven in:http://spinternet.ohchr.org/_Layouts/SpecialProceduresInternet/ViewCountryVisits.aspx?Lang=en&country=UZBZie voor een algemeen overzicht van de speciale procedures van de UNHRC: http://www.ohchr.org/en/HRBodies/SP/Pages/Welcomepage.aspx


Handelsovereenkomst EU-Columbia/Peru (toetreding van Ecuador) ***
PDF 237kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van het Protocol van toetreding tot de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Ecuador (07620/2016 – C8-0463/2016 – 2016/0092(NLE))
P8_TA(2016)0491A8-0362/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07620/2016),

–  gezien het ontwerpprotocol van toetreding tot de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Ecuador (07621/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0463/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0362/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Colombia, Ecuador en Peru.


Overeenkomst EU-Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak ***
PDF 242kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren (10711/2016 – C8-0332/2016 – 2016/0192(NLE))
P8_TA(2016)0492A8-0321/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10711/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren (11692/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0332/2016),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 14 december 2016(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A8-0321/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0493.


Overeenkomst EU-Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak
PDF 247kWORD 44k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren (10711/2016 – C8-0332/2016 – 2016/0192(NLE)2016/2229(INI))
P8_TA(2016)0493A8-0320/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10711/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren (11692/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0332/2016),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 14 december 2016(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0320/2016),

A.  overwegende dat vissers uit Denemarken, Noorwegen en Zweden van oudsher samen in het Kattegat en het Skagerrak hebben gevist;

B.  overwegende dat de overeenkomst de historische vangstrechten van vissers uit Denemarken, Noorwegen en Zweden in het Kattegat en het Skagerrak handhaaft, onverminderd de rechten van vissers uit andere landen, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat passende maatregelen worden genomen voor visserijbeheer en -instandhouding in deze wateren;

C.  overwegende dat de overeenkomst daarnaast de uitvoering steunt van het herziene systeem voor visserijbeheer in de EU dat overeenkomstig de doelstellingen en basisbeginselen van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is ingevoerd, met name de invoering van de aanlandingsverplichting en het behoud van de visbestanden boven een niveau waardoor de maximale duurzame opbrengst kan worden verwezenlijkt;

1.  verzoekt de Commissie de notulen en conclusies van alle raadplegingen die overeenkomstig artikel 4 van de overeenkomst worden gehouden, aan het Parlement te doen toekomen;

2.  verzoekt de Commissie om in het laatste jaar van toepassing van de overeenkomst en voorafgaand aan de onderhandelingen over de verlenging ervan een uitvoerig verslag over de toepassing van de overeenkomst aan het Parlement en de Raad voor te leggen;

3.  verzoekt de Commissie en de Raad om het Parlement binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden in alle fasen van de procedures in verband met de overeenkomst en de verlenging ervan onmiddellijk en volledig te informeren, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

4.  benadrukt dat toegang tot de interne markt voor derde landen gebaseerd moet zijn op wederkerigheid, en dat in het geval van Noorwegen eventuele douanerechten op voedselproducten, waaronder visserijproducten, uit de EU in overeenstemming moeten zijn met de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

5.  benadrukt dat de Commissie moet waarborgen dat douanerechten op levensmiddelen uit de EU, onder meer op visserijproducten, niet worden vastgesteld op een manier die in strijd is met de beginselen van vrijhandel op het gebied van voedselproducten, waaronder visserijproducten;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0492.


Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Georgië en Europol *
PDF 239kWORD 39k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese politiedienst (Europol) van de Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Georgië en Europol (10343/2016 – C8-0266/2016 – 2016/0810(CNS))
P8_TA(2016)0494A8-0343/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10343/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0266/2016),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol)(1), en met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), en met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0343/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de toepassingsdatum van de nieuwe Europolverordening(4) de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van die beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.
(4) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana - automobielsector
PDF 270kWORD 48k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Spanje – EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana automobielsector) (COM(2016)0708 – C8-0454/2016 – 2016/2298(BUD))
P8_TA(2016)0495A8-0379/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0708 – C8‑0454/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014‑2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG‑verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0379/2016),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het vaststellen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG‑verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG‑aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Spanje aanvraag EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana automobielsector heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 – afdeling 29 (Vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers), voornamelijk in de regio van NUTS niveau 2 Comunidad Valenciana (ES52), en dat 250 ontslagen werknemers die voor de EFG‑bijdrage in aanmerking komen naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen;

E.  overwegende dat de aanvraag was ingediend in het kader van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, van de EFG‑verordening, in afwijking van de criteria van artikel 4, lid 1, onder b), van die verordening dat bepaalt dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gevestigd zijn in één of twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS niveau 2 in een lidstaat;

F.  overwegende dat tussen 2006 en 2015 de productie van motorvoertuigen in de EU‑27 is gedaald met 0,5 miljoen eenheden (van 18,7 miljoen eenheden in 2006 tot 18,2 miljoen in 2015), terwijl de wereldwijde productie in diezelfde periode met 31,1 % is toegenomen (van 69,2 miljoen eenheden in 2006 tot 90,9 miljoen in 2015)(4), in het bijzonder in China en in andere Zuidoost-Aziatische landen;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, van de EFG‑verordening, en dat Spanje bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 856 800 EUR, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 1 428 000 EUR, voor de terugkeer naar de arbeidsmarkt van 250 ontslagen werknemers;

2.  is van mening dat het gerechtvaardigd is om aanvragen die betrekking hebben op minder dan 500 ontslagen goed te keuren om steun te kunnen bieden aan voormalige werknemers van kleine en middelgrote ondernemingen;

3.  wijst erop dat Spanje de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 21 juni 2016 heeft ingediend, en dat de beoordeling van deze aanvraag door de Commissie op 8 november 2016 is afgerond en op dezelfde dag aan het Parlement is meegedeeld;

4.  stelt vast dat tot op heden voor de sector "vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers" 23 EFG‑aanvragen zijn ingediend, waarvan er 13 gebaseerd waren op handelsgerelateerde globalisering(5) en 10 op de wereldwijde financiële en economische crisis(6); wijst erop dat 3 van deze EFG‑aanvragen betrekking hadden op Spanje (EGF/2008/002 ES Delphi, EGF/2008/004 ES Castilla y León en Aragón en EGF/2010/002 ES Cataluña automobielsector);

5.  wijst erop dat de afname van het EU‑marktaandeel in de automobielindustrie deel uitmaakt van een langere trend, zoals de Commissie in haar beoordelingen van eerdere op handelsgerelateerde globalisering gebaseerde EFG‑aanvragen voor de automobielsector heeft aangegeven, waarbij de Unie tussen 2000 en 2015 bijna de helft van haar marktaandeel is kwijtgeraakt;

6.  wijst erop dat in Spanje de afname van de automobielproductie een daling van zowel het aantal ondernemingen als het aantal banen tot gevolg had en dat in Comunidad Valenciana 62 van in totaal 187 ondernemingen in de automobielsector hun activiteiten hebben stopgezet in de periode 2008‑2014, oftewel een daling van 33,16 %;

7.  wijst erop dat Bosal S.A. in 1986 van start is gegaan, toen het gebied van Sagunto tot "preferentieel herindustrialiseringsgebied" werd verklaard na ontslagen bij de plaatselijke hoogovens; wijst erop dat het faillissement en de sluiting van Bosal S.A leidden tot het verlies van 250 banen in de stad Sagunto, wat een relatief groot aantal banen is voor die stad, en ernstige gevolgen heeft gehad voor de lokale en regionale economie, met name gezien de specifieke kenmerken van een kleine stad in een plattelandsregio die ernstig te lijden heeft gehad van de economische crisis en van de gevolgen van de globalisering in de automobielsector; herinnert eraan dat de werkloosheid in Comunidad Valenciana nog altijd 20,17 % bedraagt(7), hoewel er tekenen zijn dat de werkgelegenheid weer aantrekt;

8.  betreurt de toename van het aantal werklozen in Sagunto tussen 2007 (2 778) en 2015 (6 437) en het werkloosheidspercentage van 25,8 %, wat de toch al precaire situatie in het gebied nog verergert;

9.  benadrukt dat van de ontslagen werknemers op wie deze aanvraag betrekking heeft, 71 % ouder is dan 45 jaar, 78 % minstens 15 jaar zonder onderbreking voor dezelfde onderneming heeft gewerkt en 50 % niet over onderwijskwalificaties beschikt; wijst er daarnaast op dat er in de regio recentelijk geen nieuwe fabrieken zijn geopend; wijst erop dat deze omstandigheden ervoor zorgen dat de ontslagen werknemers zeer kwetsbaar zijn, met name gezien het gebrek aan nieuwe arbeidsplaatsen, waardoor het zeer moeilijk voor hen is nieuw werk te vinden;

10.  wijst erop dat Spanje voorziet in 12 verschillende acties, waarvan 6 in de vorm van individuele dienstverlening, zoals voorlichtingsbijeenkomsten, loopbaanbegeleiding, arbeidsbemiddeling of bevordering van ondernemerschap, en 6 in de vorm van toelagen of premies ten behoeve van ontslagen werknemers die onder deze aanvraag vallen, zoals bijdragen in de reiskosten en verhuiskosten of premies voor het aanwerven van werknemers; wijst erop dat het bij deze acties gaat om actieve arbeidsmarktmaatregelen;

11.  is ingenomen met het besluit van Spanje om opleidingsmaatregelen aan te bieden ter verkrijging van getuigschriften van vakbekwaamheid, zoals het getuigschrift voor passagiersvervoer, alsook voor sectoren of gebieden die kansen bieden of zullen bieden, zoals de levensmiddelensector, het restaurantbedrijf, preventie van beroepsrisico's, kwaliteitscontrole en milieunormen, projecten op het gebied van verwarming, ventilatie en airconditioning, en het onderhoud van industriële uitrusting; steunt het aanbieden van opleidingen voor vaardigheden die bijdragen tot betere prestaties op het werk, onder meer op het gebied van ICT, vreemde talen en bedrijfsvoering;

12.  is ingenomen met de bereidheid van de vertegenwoordigers van de voormalige werknemers van Bosal S.A. (de onderneming waar het merendeel van de werknemers waar deze aanvraag betrekking op heeft zijn ontslagen) om een aanvraag voor EFG‑financiering te steunen en mee te werken aan het opzetten van de maatregelen die aan de ontslagen werknemers zullen worden aangeboden; wijst erop dat de sociale partners, de betrokken werkgeversorganisatie en de plaatselijke autoriteiten van Sagunto ook bij dit proces betrokken waren;

13.  wijst erop dat de maatregelen inzake inkomenssteun minder dan 25 % van het totale pakket aan individuele maatregelen uitmaken, wat ver onder het maximum van 35 % ligt dat in de EFG‑verordening wordt genoemd, en dat deze maatregelen afhankelijk zijn gesteld van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

14.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG‑verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

15.  wijst erop dat Spanje bevestigt dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat bestaande regelingen volledig in acht worden genomen en wordt voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

16.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

17.  is ervan overtuigd dat een algemener gebruik van de afwijking van de drempels inzake ontvankelijkheid, in het voordeel van werknemers van kmo's, de verlenging van de referentieperiodes en de mogelijkheid om werknemers mee te tellen die aanverwante diensten hebben geleverd aan de referentieonderneming, zorgvuldig en per geval moeten worden beoordeeld, teneinde een verkeerd gebruik van de EFG‑begroting zoveel mogelijk te beperken; is het daarom eens met het besluit van de Commissie om steun te verlenen voor 250 werknemers van 29 ondernemingen in de regio Comunidad Valenciana;

18.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de documenten in verband met EFG‑zaken openbaar toegankelijk zijn;

20.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

21.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ingevolge een aanvraag van Spanje – EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana automobielsector

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/341.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) OICA databank: http://www.oica.net/category/production-statistics/
(5) EGF/2016/004 ES/Comunidad Valenciana automobielsector, COM(2016)0708; EGF/2007/001/FR PSA. COM(2007)0415; EGF/2007/010 PT Lisboa Alentejo. COM(2008)0094; EGF/2008/002 ES Delphi. COM(2008)0547; EGF/2008/004 ES Castilla y León Aragón. COM(2009)0150; EGF/2009/013 DE Karmann. COM(2010)0007; EGF/2012/005 SE Saab, COM(2012)0622; EGF/2012/008 IT De Tomaso; COM(2013)0469; EGF/2013/006 PL Fiat Auto Polen, COM(2014)0699¸ EGF/2013/012 BE Ford Genk, COM(2014)0532; EGF/2014/006 FR PSA, COM(2014)0560; EGF/2015/003 BE Ford Genk, COM(2015)0336 en EGF/2015/009 SE Volvo Trucks, COM(2016)0061;
(6) EGF/2009/007 SE Volvo, COM(2009)0602 EGF/2009/009 AT Steiermark, COM(2009)0602; EGF/2009/019 FR Renault, COM(2011)0420; EGF/2010/002 ES Catalonië automobielsector, COM(2010)0453; EGF/2010/004 PL Wielkopolskie, COM(2010)0616; EGF/2010/015 FR Peugeot, COM(2012)0461; EGF/2010/031 BE General Motors Belgium, COM(2011)0212; EGF/2011/003 DE Arnsberg en Düsseldorf automobielsector, COM(2011)0447; EGF/2011/005 PT Norte-Centro automobielsector, COM(2011)0664; en EGF/2015/002 DE Adam Opel, COM(2015)0342.
(7) EPA Q3 2016. http://www.ine.es/infografias/tasasepa/desktop/tasas.html?t=0&lang=es


Normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen ***II
PDF 243kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen (11197/1/2016 – C8-0424/2016 – 2013/0013(COD))
P8_TA(2016)0496A8-0368/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11197/1/2016 – C8‑0424/2016),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0026),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0368/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.
(2) PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.
(3) Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0152.


Binnenlands passagiersvervoer per spoor ***II
PDF 252kWORD 43k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007 met betrekking tot openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor (11198/1/2016 – C8-0425/2016 – 2013/0028(COD))
P8_TA(2016)0497A8-0373/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11198/1/2016 – C8-0425/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Litouwse Parlement, de Luxemburgse Kamer van Afgevaardigden, de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer, de Oostenrijkse Bondsraad en het Zweedse Parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0028),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0373/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie gevoegde verklaring;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  stelt voor om naar de handeling te verwijzen als "de verordening-van de Camp-Dijksma betreffende de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor"(4);

5.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over de overgang van personeel

Volgens overweging 14 en artikel 4, leden 4 bis, 4 ter en 6, moeten de lidstaten Richtlijn 2001/23/EG betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen volledig eerbiedigen en mogen zij verder gaan dan de toepassing van deze richtlijn door extra maatregelen ter bescherming van het personeel te nemen die in overeenstemming zijn met het Unierecht, zoals het eisen van een verplichte overgang van personeel, ook als Richtlijn 2001/23/EG niet van toepassing is.

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.
(2) PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.
(3) Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0148.
(4) Wim van de Camp en Sharon Dijksma hebben namens het Parlement respectievelijk de Raad de onderhandelingen over de handeling geleid.


Eén Europese spoorwegruimte ***II
PDF 247kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2012/34/EU met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (11199/1/2016 – C8-0426/2016 – 2013/0029(COD))
P8_TA(2016)0498A8-0371/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11199/1/2016 – C8‑0426/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse Senaat, het Litouwse parlement, het Luxemburgse parlement, de Nederlandse Eerste Kamer, de Nederlandse Tweede Kamer en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0029),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0371/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  stelt voor om naar de handeling te verwijzen als "de verordening-Sassoli-Dijksma betreffende de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur"(4);

4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.
(2) PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0147.
(4) David-Maria Sassoli en Sharon Dijksma hebben namens het Parlement respectievelijk de Raad de onderhandelingen over de handeling geleid.


Toegang tot de markt voor havendiensten en financiële transparantie van havens ***I
PDF 250kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens (COM(2013)0296 – C7-0144/2013 – 2013/0157(COD))
P8_TA(2016)0499A8-0023/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0296),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0144/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Spaanse Congres van Afgevaardigden en de Spaanse Senaat, de Franse Nationale Vergadering, de Italiaanse Senaat, het Letse parlement, het Maltese parlement, de Poolse Sejm, en het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 28 november 2013(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 oktober 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0023/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  stelt voor om naar de handeling te verwijzen als "de verordening-Fleckenstein-Schultz van Haegen betreffende een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens"(4);

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 december 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/352.)

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 111.
(2) PB C 114 van 15.4.2014, blz. 57.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 8 maart 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0069).
(4) Knut Fleckenstein en Melanie Schultz van Haegen hebben namens het Parlement respectievelijk de Raad de onderhandelingen over de handeling geleid.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Juhan Parts
PDF 231kWORD 41k
Besluit van het Europees Parlement van 14 december 2016 over de voordracht van Juhan Parts voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0445/2016 – 2016/0817(NLE))
P8_TA(2016)0500A8-0375/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0445/2016),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0375/2016),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 5 december 2016 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Juhan Parts tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal *
PDF 271kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Beschikking 2008/376/EG inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma (COM(2016)0075 – C8-0099/2016 – 2016/0047(NLE))
P8_TA(2016)0501A8-0358/2016

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0075),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de tweede alinea van artikel 2 van Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehecht is, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0099/2016),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0358/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 3
(3)  De regels over de bevoegdheden en de samenstelling van de adviesgroepen en de technische groepen moeten worden herzien, en met name de regels met betrekking tot de aard van de door de Commissie aangewezen deskundigen om te zorgen voor meer transparantie en voor naleving van en samenhang met het kader voor deskundigengroepen van de Commissie en — voor zover mogelijk — bij te dragen aan een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante gebieden van deskundigheid en belangengebieden, alsmede een optimaal evenwicht tussen mannen en vrouwen.
(3)  De regels over de bevoegdheden en de samenstelling van de adviesgroepen en de technische groepen moeten worden herzien, teneinde de belanghebbende partijen in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de beraadslagingen in de groepen in kwestie, en met name de regels met betrekking tot de aard van de door de Commissie aangewezen deskundigen, alsook de door hen uitgeoefende invloed, om te zorgen voor meer transparantie en voor naleving van en samenhang met het kader voor deskundigengroepen van de Commissie en — voor zover mogelijk — bij te dragen aan een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante gebieden van deskundigheid en belangengebieden, alsmede een optimaal evenwicht tussen mannen en vrouwen. Wel moeten het besluit van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van horizontale regels voor de oprichting en werking van deskundigengroepen van de Commissie en een resolutie van het Europees Parlement over de controle van het register en de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie in acht worden genomen.
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 4
(4)  Het is passend vereenvoudigde financieringsregels te overwegen om de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in het RFCS-programma te vergemakkelijken en het gebruik van kosten per eenheid toe te staan bij de berekening van de subsidiabele personeelskosten voor kmo-eigenaren en andere natuurlijke personen die geen salaris ontvangen.
(4)  Het is passend de algemene deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in het RFCS-programma te bevorderen door, onder andere, de regels te vereenvoudigen en het gebruik van kosten per eenheid toe te staan bij de berekening van de subsidiabele personeelskosten voor kmo-eigenaren en andere natuurlijke personen die geen salaris ontvangen.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   De kolen- en staalsector zijn van belang in het Europese integratieproces en spelen een sleutelrol in het algemene industrielandschap van de Unie. Tegelijk zijn de arbeidsomstandigheden in die sectoren zwaar en hebben zij vaak de gezondheid van werknemers en burgers geschaad. Daarom moeten installaties en bedrijven aan alle wettelijke vereisten inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen voldoen, met definitieve oplossingen komen en de sociale gevolgen van de omschakeling of sluiting van installaties zoveel mogelijk beperken. De sociale partners moeten zoveel mogelijk worden geraadpleegd over kwesties in verband met maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt -1 (nieuw)
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 3 – punt 1 – letter g
(-1)  Artikel 3, punt 1, letter g), wordt geschrapt.
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt -1 bis (nieuw)
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 6 – lid 2 – letter g bis (nieuw)
-1 bis)   In artikel 6, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:
"g bis) het effect van mijnbouw op de werkgelegenheid van de werknemers en op de omwonenden;"
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt -1 ter (nieuw)
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 6 – lid 2 – letter g ter (nieuw)
-1 ter)   In artikel 6, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:
"g ter) het effect van mijnbouw op de gezondheid en veiligheid van de werknemers en de omwonenden;"
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt -1 quater (nieuw)
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 8 – inleidende formule
(-1 quater)  In artikel 8 wordt de inleidende zin vervangen door:
"Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) op dit gebied hebben verbetering van de staalproductieprocédés tot doel om de kwaliteit van de producten en de productiviteit te verhogen. Een verlaging van emissies, energieverbruik en milieueffecten, alsmede een beter gebruik van grondstoffen en het behoud van hulpbronnen, vormen een integraal deel van de ontwikkelingen. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:"
" Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) op dit gebied hebben verbetering van de staalproductieprocédés tot doel om de kwaliteit van de producten en de productiviteit te verhogen. Een verlaging van emissies, energieverbruik en milieueffecten, alsmede een beter gebruik van grondstoffen en het behoud van hulpbronnen, vormen een integraal deel van de ontwikkelingen. De onderzoeksprojecten bestrijken innovatieve technologieën op ten minste een van de volgende gebieden:"
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 1
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 21 – letter i bis (nieuw)
i bis)   beoordeling van afgeronde projectenvan de productie van kolen en staal in de betreffende regio's;
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 2
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
Elke adviesgroep is samengesteld overeenkomstig de tabellen in de bijlage. De leden van de adviesgroepen worden individueel benoemd door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en innovatie om een gemeenschappelijk belang van belanghebbenden te vertegenwoordigen. Zij mogen geen individuele belanghebbende vertegenwoordigen, maar brengen advies uit in het belang van de verschillende organisaties van belanghebbenden.
Elke adviesgroep is samengesteld overeenkomstig de tabellen in de bijlage. De leden van de adviesgroepen worden individueel benoemd door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en innovatie van de Commissie om een gemeenschappelijk belang van belanghebbenden te vertegenwoordigen. Zij handelen individueel en mogen geen individuele belanghebbende vertegenwoordigen, maar brengen advies uit in het belang van de verschillende organisaties van belanghebbenden.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 2
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 22 – lid 2 – alinea 2
Zij moeten actief zijn op het betrokken gebied en op de hoogte zijn van de sectorale prioriteiten.
Zij moeten actief zijn op het betrokken gebied en op de hoogte zijn van de prioriteiten van de industrie en de sector.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 3
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 24 – lid 1 – alinea 2
De leden van de technische groepen worden op persoonlijke titel benoemd door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en innovatie.
De leden van de technische groepen worden op persoonlijke titel benoemd door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en innovatie van de Commissie.
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 3
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 24 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De Commissie zorgt voor een zo groot mogelijke transparantie, onder meer door het publiceren van agenda's, achtergronddocumenten, uitslagen van stemmingen en gedetailleerde notulen, met inbegrip van afwijkende standpunten, overeenkomstig de aanbeveling van de Europese Ombudsman.
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – punt 9
Beschikking 2008/376/EG
Artikel 39
Op de aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen zoals bedoeld in artikel 18, artikel 28, lid 2, en artikel 38, is het bepaalde in artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1290/2013 (*) van overeenkomstige toepassing.
Op de aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen zoals bedoeld in artikel 18, artikel 28, lid 2, en artikel 38, is het bepaalde in artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*) van overeenkomstige toepassing, alsmede, voor deskundigengroepen als geheel, het besluit van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van horizontale regels voor de oprichting en werking van deskundigengroepen van de Commissie en een resolutie van het Europees Parlement over de controle van het register en de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie.
______________
___________________
(*) Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)" en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81).".
(*) Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)" en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81).".

Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015
PDF 379kWORD 101k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015 (2016/2219(INI))
P8_TA(2016)0502A8-0355/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, van kracht sinds 24 oktober 1945,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,

–  gezien de belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW)(1),

–  gezien het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind en de resolutie van het Parlement van 27 november 2014 over het 25‑jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(2),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990(3),

–  gezien de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling(4),

–  gezien de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren en het slotdocument van 22 september 2014 van de plenaire zitting op hoog niveau van de Algemene Vergadering, de zogeheten Wereldconferentie over inheemse volkeren(5),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Wenen die op 25 juni 1993 zijn aangenomen(6),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995)(7), het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) (1994)(8) en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien de beginselen van Parijs van de Verenigde Naties inzake nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's)(9),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake de rechten van ouderen,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de publicatie van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 28 juni 2016, getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid"(10),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn aangenomen(11),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht (IHR)(12) en de geactualiseerde EU‑richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR(13),

–  gezien het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen(14),

–  gezien de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(15),

–  gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)(16), die op 24 juni 2013 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015, dat op 20 juni 2016 door de Raad is aangenomen(17),

–  gezien het actieplan getiteld "Gender Equality and Women's Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016‑2020" (Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2010), genderactieplan, GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is aangenomen(18),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over de gelijkheid van LHBTI(19) en de lijst van maatregelen van de Commissie ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI (2016‑2019)(20),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling(21),

–  gezien de Europese Migratieagenda van 13 mei 2015 (COM(2015)0240) en de conclusies van de Raad over migratie van 20 juli 2015(22), 14 september 2015(23) en 22 september 2015(24),

–  gezien Besluit (GBVB) 2015/260 van de Raad van 17 februari 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(25),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(26),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 getiteld "Increasing the Impact of EU Development Policy: an Agenda for Change" (Het EU‑ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken: een agenda voor verandering)(27),

–  gezien de herziene indicatoren van de EU voor de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, die op 20 september 2016 door de Raad zijn aangenomen(28),

–  gezien het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(29),

–  gezien Besluit 2011/168/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB(30),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (JOIN)2015)0050,

–  gezien het actieplan van Valletta van 11 en 12 november 2015(31),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 13 oktober 2015 over de werkmethoden met betrekking tot vrouwen, vrede en veiligheid(32),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 19 juni 2008 over seksueel geweld als oorlogsmisdaad(33),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 31 oktober 2000 over vrouwen, vrede en veiligheid(34),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2014 over de bescherming van migranten(35),

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp(36),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(37),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)(38),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU‑aanpak van migratie(39),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(40),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(41),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(42),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU‑actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(43),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(44),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(45),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement(46),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN‑Mensenrechtenraad in 2015(47),

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS‑offensief, inclusief de vervolging van minderheden(48),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(49),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(50) en het verslag van 28 januari 2016 over minderheden en discriminatie op grond van kaste van de speciale VN‑rapporteur voor minderhedenkwesties(51),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(52),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(53),

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(54),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(55),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU‑beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(56),

–  gezien de richtsnoeren van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten tot uitvoering van het kader "Protect, Respect and Remedy", die door de VN‑Mensenrechtenraad in resolutie 17/4 van 6 juli 2011 zijn bekrachtigd(57),

–  gezien het jaarverslag 2015 van het Europees Fonds voor Democratie(58),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0355/2016),

A.  overwegende dat de EU zich er op grond van artikel 21 VEU toe verbindt een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) uit te bouwen volgens de beginselen die aan de oprichting van de Unie ten grondslag liggen en gericht op de wereldwijde verspreiding van die beginselen: democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten en fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

B.  overwegende dat de handelspolitiek van de Unie krachtens artikel 207 VWEU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU;

C.  overwegende dat in artikel 3 VEU het volgende wordt bevestigd: "In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

D.  overwegende dat de eerbiediging, bevordering en vrijwaring van de ondeelbaarheid en universaliteit van de mensenrechten behoren tot de centrale doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, zoals bepaald in de mensenrechtenclausule van alle overeenkomsten van de EU met derde landen;

E.  overwegende dat de eerbiediging van mensenrechten, vrede, veiligheid en ontwikkeling nauw met elkaar verbonden zijn en elkaar onderling versterken;

F.  overwegende dat het beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie dient te worden geïntegreerd in alle EU‑beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, nabuurschapsbeleid, uitbreiding en handel, in het bijzonder door de randvoorwaarden inzake mensenrechten toe te passen;

G.  overwegende dat interne en externe samenhang op het gebied van mensenrechten van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van het EU‑mensenrechtenbeleid in het buitenland, en overwegende dat een betere samenhang tussen het intern en extern beleid van de EU, alsook tussen de verschillende aspecten van haar extern beleid, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU‑beleid op het gebied van mensenrechten en democratisering; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn om al in de beginfase van mensenrechtenschendingen sneller en efficiënter te reageren; overwegende dat samenhang vooral een uitdaging blijkt voor het huidige migratiebeleid;

H.  overwegende dat de waarden van vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en het beginsel van periodieke en eerlijke verkiezingen essentiële elementen zijn van democratie; overwegende dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door het organiseren van eerlijke en vrije verkiezingen, maar ook door transparant bestuur dat ter verantwoording kan worden geroepen, eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten, aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en eerbiediging van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten inzake de mensenrechten;

I.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten wereldwijd onder druk staat en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes; overwegende dat er wereldwijd talloze pogingen worden ondernomen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld in te perken, onder meer in multilaterale fora; overwegende dat niet-naleving van de mensenrechten nadelige gevolgen heeft voor het individu, voor zijn of haar verwanten en voor de samenleving;

J.  overwegende dat de EU een essentiële rol heeft gespeeld in de aanneming van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, waarmee wordt gestreefd naar de verwezenlijking van mensenrechten voor eenieder;

K.  overwegende dat de Raad op 20 juli 2015 een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) heeft aangenomen om de EU in staat te stellen deze uitdagingen tegemoet te treden aan de hand van een meer gericht, systematisch en gecoördineerd gebruik van haar mensenrechteninstrumenten; overwegende dat dit actieplan dient te worden uitgevoerd in samenhang met het genderactieplan 2016‑2020;

L.  overwegende dat de VV/HV heeft verklaard dat de mensenrechten één van haar overkoepelende prioriteiten zullen zijn en dat zij van plan is de mensenrechten te gebruiken als een leidraad voor al haar betrekkingen met derde landen; overwegende dat zij tevens heeft bevestigd dat de EU zich zal inzetten om de mensenrechten in alle aspecten van de buitenlandse betrekkingen "zonder uitzondering" te bevorderen;

M.  overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met een centrale rol voor de VN, een integraal onderdeel vormt van het extern beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem op basis van universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden; overwegende dat betrekkingen met derde landen in het kader van alle bilaterale en multilaterale fora tot de meest doeltreffende instrumenten behoren voor het aanpakken van mensenrechtenkwesties in derde landen;

N.  overwegende dat de reguliere zittingen van de VN‑Mensenrechtenraad (UNHRC), de benoeming van speciale rapporteurs, de universele periodieke doorlichting (UPR) en de speciale procedures voor specifieke situaties in landen of thematische kwesties allemaal bijdragen aan de internationale inspanningen ter bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

O.  overwegende dat de EU het voor de bevordering van de mensenrechten en het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in derde landen;

P.  overwegende dat het Parlement zich in zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(59) erg bezorgd toont over de moeilijkheden die maatschappelijke organisaties ondervinden, benadrukt hoe belangrijk het is een systeem van toezicht uit te werken voor het evalueren van vooruitgang qua beleid en regelgeving, en aandringt op de bevordering van een gunstig klimaat voor maatschappelijke organisaties; overwegende dat de laatste tijd in vele landen strikte wetgeving met betrekking tot ngo's is aangenomen, waarin buitenlandse organisaties als ongewenst worden bestempeld wanneer zij als een bedreiging voor de grondwettelijke orde, defensie of veiligheid worden gezien, en overwegende dat alleen al in 2015 wereldwijd 185 milieu- en mensenrechtenactivisten werden vermoord, waarvan 66 % in Latijns-Amerika;

Q.  overwegende dat steeds meer landen, vooral in Azië, het Midden-Oosten en Afrika, gebruikmaken van een reisverbod om te verhinderen dat mensenrechtenverdedigers internationale evenementen zouden bijwonen;

R.  overwegende dat in de artikelen 18 en 19 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en vrijheid van mening en meningsuiting heeft en dat dit recht de vrijheid omvat om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven; overwegende dat er een sterke stijging is van het aantal gevallen van vervolging waarvan de gronden uitsluitend zijn terug te voeren op het vreedzaam uitoefenen van het recht op vrijheid van mening, godsdienstbeleving en meningsuiting;

S.  overwegende dat in artikel 20 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering heeft; overwegende dat resolutie 21/16 van de VN‑Mensenrechtenraad staten wijst op hun plicht om de rechten van individuen op vreedzame vereniging en vrijheid van vergadering, zowel online als offline, te eerbiedigen en ten volle te beschermen, en overwegende dat de vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging moet worden ondersteund door middel van interreligieuze en interculturele dialogen;

T.  overwegende dat in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij wordt voorzien in de basisregels van het IHR en de mensenrechten, en dat deze regels centraal staan in elk humanitair optreden; overwegende dat de bescherming van burgers en ontheemden in conflictgebieden moet worden gewaarborgd in totale neutraliteit en onpartijdigheid, en dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan;

U.  overwegende dat de illegale bezetting van een grondgebied een aanhoudende schending van het internationaal recht vormt, en dat de bezettingsmacht uit hoofde van het IHR de verantwoordelijkheid draagt voor de burgerbevolking van dat grondgebied;

V.  overwegende dat bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeilijk intact te houden is – in het bijzonder in tijden van ongekende vluchtelingenstromen, op de vlucht voor geweld; overwegende dat het intact houden van bewijsmateriaal van essentieel belang is om daders voor de rechter te brengen;

W.  overwegende dat pogingen om de VS‑gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten zijn mislukt en er in 2015 amper 20 gedetineerden zijn vrijgelaten of overgeplaatst;

X.  overwegende dat wereldwijd steeds meer mensen op de vlucht zijn voor oorlog, gewapende conflicten en andere mensonterende omstandigheden, en dat deze vluchtelingenstromen en verschillende vormen van migratie zowel voor de EU als in mondiale termen een aanzienlijke uitdaging vormen waarvoor onmiddellijke, doeltreffende en duurzame oplossingen moeten worden gevonden die stroken met onze gedeelde Europese waarden; overwegende dat met de humanitaire hulp van de Commissie, als grootste mondiale donor, bijstand wordt geboden aan vluchtelingen en ontheemden in meer dan 30 landen;

Y.  overwegende dat de strijd tegen mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten reacties vergt op korte, middellange en lange termijn, waaronder maatregelen om criminele netwerken te ontwrichten en criminelen voor de rechter te brengen, het verzamelen en analyseren van gegevens, maatregelen om slachtoffers te beschermen en irreguliere migranten terug te sturen, alsook samenwerking met derde landen, in combinatie met langetermijnstrategieën, om iets te doen aan de vraag naar verhandelde en gesmokkelde personen en aan de onderliggende oorzaken van migratie die ervoor zorgen dat mensen in handen van criminele smokkelaars vallen;

Z.  overwegende dat gerechtigheid van essentieel belang is om de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en dat de EU en haar lidstaten van bij de oprichting onvoorwaardelijke voorstanders zijn van het Internationaal Strafhof (ICC) door de universaliteit van het Statuut van Rome te bevorderen en de integriteit ervan te verdedigen ter versteviging van de onafhankelijkheid van het ICC;

AA.  overwegende dat er tot nu toe al substantiële vooruitgang is geboekt met betrekking tot de afschaffing van de doodstraf; overwegende dat de doodstraf in vele landen is opgeschort en er in andere landen wetgevingsmaatregelen zijn genomen om dit te verwezenlijken; overwegende dat er in 2015 een drastische stijging heeft plaatsgevonden van het totale aantal executies, waarvan bijna 90 % in slechts drie landen werd uitgevoerd, namelijk Iran, Pakistan en Saudi-Arabië; overwegende dat Belarus het enige land in Europa is dat de doodstraf niet heeft afgeschaft;

AB.  overwegende dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen een Europese kernwaarde vormt die verankerd is in het juridische en politieke kader van de EU en tevens centraal staat in de Agenda 2030 van de VN; overwegende dat geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen en meisjes de afgelopen jaren dramatisch zijn toegenomen, in het bijzonder in oorlogsgebied en onder autoritaire regimes;

AC.  overwegende dat volgens Unicef wereldwijd 250 miljoen kinderen in landen wonen die getroffen zijn door conflicten en bijna 50 miljoen kinderen hetzij ontheemd zijn door geweld, oorlog en de bijbehorende gruwel, terreurdaden en oproer, hetzij hun land hebben verlaten, en dat velen nog steeds te lijden hebben onder alle vormen van discriminatie, geweld, uitbuiting, misbruik, dwangarbeid, armoede en ondervoeding;

AD.  overwegende dat volgens Unicef één op 200 kinderen wereldwijd vluchteling is, dat bijna een derde van de kinderen die buiten hun geboorteland wonen vluchteling is en dat het aantal kindvluchtelingen tussen 2005 en 2015 is verdubbeld;

AE.  overwegende dat in artikel 25 van de UVRM wordt bepaald dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat toegang tot onderwijs, voeding en gezondheidszorg voor alle kinderen dient te worden gegarandeerd; overwegende dat resolutie 26/28(36) van de UNHRC een oproep bevat om de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de UNHRC toe te spitsen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt gesteld dat het een van de grondrechten van ieder mens is om het hoogst mogelijke niveau van gezondheid te genieten, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie;

AF.  overwegende dat autoriteiten de rechten van kinderen die van een of beide ouders zijn gescheiden, moeten eerbiedigen, overeenkomstig het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

AG.  overwegende dat geweld tegen en illegale vervolging van minderheden, waaronder LGBTI's, op vele plaatsen in de wereld blijven voortduren en dat discriminatie op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en andere domeinen schering en inslag is;

AH.  overwegende dat er van over de hele wereld nog steeds meldingen komen van schendingen van burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten, alsook van milieuschade als gevolg van wanpraktijken van een aantal actoren uit de particuliere sector; overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen corruptie, belastingontduiking, illegale kapitaalstromen en schendingen van de mensenrechten;

AI.  overwegende dat de VN‑richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, sector, locatie, eigenaars en structuur, maar dat doeltreffende controle- en sanctiemechanismen een uitdaging blijven bij de mondiale tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren; overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en dat een flexibele aanpak ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden gekozen die is aangepast aan hun mogelijkheden;

AJ.  overwegende dat de Commissie in oktober 2015 haar nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen" heeft gepubliceerd, waarin zij haar streven te kennen geeft om handel te gebruiken als middel om de mensenrechten in derde landen te bevorderen;

AK.  overwegende dat de EU in 2015 is begonnen met het uitwerken van regelgeving om de handel in mineralen die conflicten in de hand werkt aan te pakken;

AL.  overwegende dat de organisatie van nationale en internationale sportevenementen als de Olympische Spelen en de wereldkampioenschappen voetbal niet mag worden gebruikt voor politieke doeleinden, maar moet verlopen aan de hand van een volledige eerbiediging van alle mensenrechten, zoals verankerd in het Olympisch Handvest, en dat deze evenementen gericht moeten zijn op een harmonieuze ontwikkeling van de mensheid, met het oog op de bevordering van een vreedzame samenleving waarin de bescherming van de mensenrechten en de menselijke waardigheid hoog op de agenda staan, zonder discriminatie op basis van gronden als nationaliteit, ras, godsdienst, politieke voorkeur, geslacht, genderidentiteit, seksuele gerichtheid of geslachtskenmerken;

AM.  overwegende dat de klimaatverandering de toegang tot water, natuurlijke hulpbronnen en voedsel aantast;

Een centrale plaats voor de mensenrechten in het externe beleid van de EU

1.  toont er zich uiterst bezorgd over dat de bevordering en eerbiediging van mensenrechten en democratische waarden wereldwijd onder druk staan en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken in vele delen van de wereld, waaronder in autoritaire regimes en door terroristische groeperingen als Da'esh;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over de talloze en steeds toenemende pogingen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in te perken, over de toenemende beperkingen op de vrijheid van vergadering en meningsuiting, en over het stijgende aantal tegen het maatschappelijk middenveld gerichte repressieve wetten dat wereldwijd wordt aangenomen in landen als Rusland, Turkije en China, onder meer onder het mom van terrorismebestrijding (via de invoering van antiterrorismewetgeving en maatregelen met betrekking tot noodsituaties en veiligheid), aangezien zij vaak een negatief effect hebben op de mensenrechten en frequent worden misbruikt om de bevolking te onderdrukken; wijst er nogmaals op dat dergelijke wetgeving op geen enkele wijze mag worden gebruikt om de ruimte waarin organisaties uit het maatschappelijk middenveld hun activiteiten kunnen ontplooien in te perken; vraagt om dit misbruik en deze schendingen expliciet te veroordelen;

3.  benadrukt ten stelligste dat de EU zich ertoe verbindt te streven naar een GBVB en alle andere beleidsdomeinen met een externe dimensie die berusten op de bevordering van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht; herhaalt dat deze beginselen ook inherent zijn aan het externe optreden buiten het GBVB, bijvoorbeeld binnen het ontwikkelings- en humanitair beleid;

4.  verzoekt alle EU‑instellingen en de EU‑lidstaten zich daadwerkelijk in te zetten voor hun beloften om de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder het recht om zich op vreedzame wijze te ontwikkelen, te beschermen en te verwezenlijken, en de mensenrechten centraal te stellen in de EU‑betrekkingen met alle derde landen – met inbegrip van de strategische partners van de EU – en op alle niveaus;

5.  richt zich nogmaals tot de lidstaten om het goede voorbeeld te geven, door met één stem te spreken ter verdediging van de ondeelbaarheid, onderlinge afhankelijkheid, onderlinge samenhang en universaliteit van de mensenrechten, en vooral door alle internationale door de VN vastgestelde mensenrechteninstrumenten te ratificeren;

6.  benadrukt dat de EU, als ze in externe betrekkingen een geloofwaardige speler wil zijn, moet zorgen voor een betere samenhang tussen haar intern en extern beleid met betrekking tot mensenrechten en democratische waarden (waarbij mensenrechtenstrategieën om de rechten van LGBTI's te bevorderen en te beschermen van cruciaal belang zijn) en moet streven naar een systematisch consistente en coherente tenuitvoerlegging van het EU‑mensenrechtenbeleid;

7.  vestigt de aandacht op zijn verbintenis op lange termijn om de mensenrechten te bevorderen en de democratische waarden uit te dragen, zoals onder meer blijkt uit de jaarlijkse uitreiking van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, het werk van de Subcommissie mensenrechten op het gebied van democratieondersteuning en verkiezingswaarnemingen en van het Europees Fonds voor Democratie, de maandelijkse plenaire debatten en resoluties over gevallen waarin de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat geschonden zijn en de vele parlementaire delegaties;

8.  is diep verontrust door het grote aantal mensenrechtenverdedigers dat tegenwoordig onder vuur ligt; verzoekt de EU, en de VV/HV in het bijzonder, een beleid vast te stellen om moord op mensenrechtenverdedigers stelselmatig en op ondubbelzinnige wijze te veroordelen, net als elke poging om hen te onderwerpen aan allerlei vormen van geweld, vervolging, bedreiging, intimidatie, verdwijning, gevangenneming of willekeurige arrestatie, om zich krachtig uit te spreken tegen al wie dergelijke wreedheden begaat of laat gebeuren, en om intensiever aan publieksdiplomatie te doen, waarbij mensenrechtenverdedigers klaar en duidelijk worden gesteund, ook wanneer deze in multilaterale fora komen getuigen; verzoekt de EU voor dit beleid richtsnoeren aan te reiken, aangezien dit de samenhang bevordert van de huidige EU‑prioriteiten zoals uiteengezet in de verschillende bestaande EU‑richtsnoeren; spoort de EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, in het bijzonder door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, opgesloten mensenrechtenverdedigers te bezoeken en in voorkomend geval verklaringen af te leggen over individuele zaken; roept op tot het opzetten van een systeem voor effectief toezicht op de ruimte voor het maatschappelijk middenveld met duidelijke benchmarks en indicatoren; wijst nogmaals op het belang van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), dat dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand verleent aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en van het noodfonds, dat de EU‑delegaties in staat stelt om rechtstreeks ad‑hoctoelagen te verstrekken aan mensenrechtenverdedigers die voor hun leven vrezen;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten om de oprichting van nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's) te bevorderen, in overeenstemming met de VN‑beginselen van Parijs, met een toereikend mandaat en afdoende middelen en deskundigheid om de mensenrechten te kunnen vrijwaren en de eerbiediging ervan te kunnen verzekeren;

10.  wijst erop dat de interparlementaire betrekkingen tussen de Unie en haar partnerlanden moeten worden gestimuleerd binnen het kader van een oprechte dialoog op basis van wederzijds begrip en vertrouwen, met als doel de mensenrechten op doeltreffende wijze te bevorderen;

Het strategisch kader en het nieuwe actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie

11.  is verheugd over de aanneming van het tweede EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om de maatregelen die erin vervat zitten volledig, op consistente en transparante wijze en tijdig uit te voeren en democratieondersteuning verder te versterken; onderstreept dat consensus en coördinatie tussen de EU en haar lidstaten nodig zijn om een samenhangende tenuitvoerlegging van het actieplan te verzekeren en spoort de lidstaten ertoe aan de tenuitvoerlegging en evaluatie van het actieplan meer in handen te nemen; benadrukt dat de lidstaten verslag moeten uitbrengen over de manier waarop ze het actieplan hebben uitgevoerd;

12.  benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het tweede actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat betreft specifiek personeel voor delegaties, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) als beschikbare middelen voor projecten;

13.  beschouwt een vrije burgermaatschappij als één van de fundamenten voor de bescherming en ondersteuning van mensenrechten en democratische waarden en is daarom verontrust over de inperking van de openbare ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over de toenemende aanvallen op mensenrechtenverdedigers en journalisten wereldwijd; is ingenomen met de opname van een doelstelling om de druk op de bewegingsruimte van het maatschappelijk middenveld aan te pakken en dringt er bij de EU op aan om duidelijk afgelijnde maatregelen te treffen; spoort alle partijen die betrokken zijn bij het extern optreden van de EU aan bestaande hiaten op het vlak van de bescherming van de mensenrechten en de democratische vrijheden op te sporen en aan te pakken, en intensiever samen te werken met het maatschappelijk middenveld, parlementen, politieke partijen en plaatselijke overheden en met regionale en internationale organisaties op het terrein; vestigt de aandacht op het feit dat het actieplan geen afzonderlijke doelstelling bevat voor de bevordering van democratische normen in partnerlanden; verzoekt de Commissie EU‑richtsnoeren voor democratieondersteuning uit te werken;

Jaarverslag van de EU

14.  is ingenomen met de pogingen om het thematisch onderdeel van het jaarverslag over mensenrechten en democratie te verbeteren, beknopter en systematischer te maken en het breder beschikbaar te maken voor het grote publiek; herhaalt zijn overtuiging dat het jaarverslag krachtiger moet worden door een objectievere benadering, waarbij in het verslag naast verwezenlijkingen en beste praktijken ook zeer specifieke problemen en beperkingen aan bod komen waarmee men in derde landen is geconfronteerd, en er in het verslag ook aanbevelingen worden gedaan voor corrigerende maatregelen en informatie wordt gegeven over maatregelen van de EDEO om deze problemen te verhelpen; blijft bij zijn standpunt dat de landenverslagen die deel uitmaken van het jaarverslag zo weinig mogelijk beschrijvend moeten zijn, een beeld moeten geven van de uitvoering van de landenstrategieën voor mensenrechten en democratie en een overzicht moeten bieden van de gevolgen die de acties van de EU op het terrein hebben;

15.  herhaalt zijn oproep om stelselmatig en uitgebreid verslag uit te brengen over de getroffen maatregelen, de bereikte resultaten en de politieke conclusies naar aanleiding van acties die voortvloeien uit resoluties van het Parlement over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; dringt erop aan dat inbreuken op de mensenrechten een snelle en passende reactie krijgen, zelfs in de beginfase van dergelijke schendingen; is in dat opzicht ingenomen met de follow‑up door de EDEO, binnen de Subcommissie mensenrechten, van resoluties inzake debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; verzoekt nogmaals om een uitvoerig schriftelijk antwoord van de Commissie en de EDEO op de resolutie van het Parlement betreffende het jaarverslag over mensenrechten en democratie, aangezien dit van belang is voor een systematische en diepgaande follow‑up van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld, alsook voor het parlementaire toezicht; verzoekt de VV/HV nogmaals tijdens twee plenaire zittingen per jaar in debat te gaan met de leden van het Europees Parlement, de eerste maal op het moment dat het EU‑jaarverslag wordt voorgesteld, en de tweede maal in een reactie op de resolutie van het Parlement;

Speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten

16.  wijst nogmaals op het belang van een krachtiger en flexibeler mandaat voor de SVEU om de doeltreffendheid, samenhang en zichtbaarheid van de EU in het uitdragen van mensenrechten en democratische beginselen over de hele wereld te verbeteren; roept er nogmaals toe op om hier een permanent mandaat van te maken; is bovendien van mening dat de SVEU het recht moet hebben in het openbaar te spreken en dat hij initiatiefrecht, meer zichtbaarheid en passende middelen en deskundigheid dient te krijgen;

17.  benadrukt het belang van systematische steun voor het maatschappelijk middenveld, in combinatie met oprecht en diepgaand overleg, als voorbereiding op de bezoeken van de SVEU aan partnerlanden; is in dat opzicht verheugd dat de SVEU hechte contacten onderhoudt met mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van plaatselijke vertegenwoordigers, jongeren en kinderen, alsook met betrokken internationale organisaties, voorafgaand aan, tijdens en bij de follow-up van een bezoek aan een derde land, en benadrukt hoe belangrijk het is dat deze banden in stand worden gehouden en steeds hechter worden en dat er duidelijke en transparante follow‑upmechanismen nodig zijn; schaart zich volledig achter de keuze van de SVEU om zich tijdens zijn mandaat bij wijze van centrale prioriteit te concentreren op de bevordering en bescherming van een open ruimte voor het maatschappelijk middenveld en voor mensenrechtenverdedigers; verzoekt de SVEU om na zijn bezoeken op regelmatige basis verslag uit te brengen aan het Parlement; betreurt dat de werkzaamheden en de impact van de SVEU slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn via een evaluatie van het jaarverslag over mensenrechten, zijn accounts op sociale media en beschikbare toespraken; betreurt tevens dat er geen officiële informatie over zijn activiteiten en plannen, noch voortgangsverslagen of evaluaties beschikbaar zijn;

18.  spoort de SVEU ertoe aan om systematisch te blijven pleiten voor de mensenrechtenprioriteiten van de EU en om het engagement van de EU bij alle relevante regionale en internationale mensenrechtenorganisaties en ‑mechanismen te vergroten; verzoekt de Raad er een algemeen beginsel van te maken om in het mandaat van de toekomstige geografische SVEU's systematisch op te nemen dat moet worden samengewerkt met de SVEU voor de mensenrechten;

Landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en de rol van EUdelegaties

19.  is verheugd dat democratie werd toegevoegd aan de landenstrategieën inzake mensenrechten, als noodzakelijk element van elke uitgebreide analyse van de situatie op het gebied van mensenrechten en democratie in partnerlanden;

20.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is om op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van derde landen rekening te houden met deze landenstrategieën, onder meer bij de voorbereiding van politieke dialogen op hoog niveau, mensenrechtendialogen, landenstrategiedocumenten en jaarlijkse actieprogramma's;

21.  herhaalt dat er overeenstemming moet zijn tussen de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en EU‑maatregelen die in elk land naargelang van de specifieke situatie zullen worden genomen, en dat de landenstrategieën meetbare voortgangsindicatoren dienen te bevatten die in voorkomend geval kunnen worden aangepast; wijst erop dat de landenstrategieën permanent moeten worden beoordeeld; dringt aan op een verdere verbetering van de samenwerking, communicatie en uitwisseling van gegevens tussen EU‑delegaties, ambassades van de lidstaten en EU‑instellingen bij het opstellen en uitvoeren van de landenstrategieën; herhaalt zijn eis dat de leden van het Europees Parlement toegang moeten krijgen tot de landenstrategieën en informatie moeten krijgen over de manier waarop de EU deze strategieën ten uitvoer legt en dat deze moeten worden aangeboden in een vorm die de leden ertoe in staat stelt hun controletaak naar behoren uit te voeren;

22.  wijst op de noodzaak van een samenhangend en zichtbaar EU‑beleid inzake het maatschappelijk middenveld en van een duidelijker begrip met betrekking tot het gebruik van publieksdiplomatie; pleit ervoor om landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en stappenplannen te publiceren en werk te maken van effectieve feedback, follow‑up van zaken en informatie-uitwisseling;

23.  is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en/of genderkwesties in alle EU‑delegaties en wijst nogmaals op zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken in verband met de rol van contactpunten voor de mensenrechten; dringt erop aan dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten ook wordt ondersteund door het diplomatieke personeel van de lidstaten; verzoekt dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten onafhankelijk en vrij is van politieke inmenging en intimidatie door nationale autoriteiten van derde landen, met name in hun contacten met mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld; staat erop dat al het personeel van EU‑delegaties opleiding krijgt over de inhoud van de EU‑richtsnoeren over mensenrechten;

24.  is verheugd over de toegenomen begroting en de gestroomlijnde procedures van het EIDHR voor de periode 2014‑2020 en dringt erop aan dat de geplande toewijzing voor de tussentijdse evaluatie van het EIDHR blijft behouden voor de rest van het huidig meerjarig financieel kader; wijst nogmaals op de noodzaak van samenhang en complementariteit tussen de verschillende financieringsinstrumenten van de EU, en herhaalt dat alle instrumenten die de mensenrechten dienen op deze wijze moeten worden versterkt;

25.  dringt aan op een jaarlijkse goedkeuring van jaarlijkse actieprogramma's voor het EIDHR in plaats van, zoals onlangs nog, een tweejaarlijks goedkeuring (2016‑2017), om maximale flexibiliteit te waarborgen in reactie op veranderende situaties en optimale complementariteit te garanderen met de andere EU‑financieringsinstrumenten voor het externe optreden;

Mensenrechtendialogen en overleg

26.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor specifieke mensenrechtendialogen en stelt vast dat ze een efficiënt en doeltreffend instrument voor bilaterale betrekkingen en samenwerking kunnen zijn, op voorwaarde dat beide partijen de mogelijkheid krijgen inhoudelijke kwesties aan te snijden en politieke boodschappen van betekenis over te brengen, dat deze dialogen resultaatgericht zijn en een consequente follow‑up krijgen en dat hierin niet louter informatie wordt uitgewisseld over beste praktijken en problemen; verzoekt de EU om in alle mensenrechtendialogen systematisch discussies op te nemen over de situatie van de rechten van vrouwen en kinderen;

27.  is zich ervan bewust dat het belangrijk is ook met landen die gekenmerkt worden door ernstige mensenrechtenproblemen specifieke mensenrechtendialogen aan te gaan; onderstreept echter dat de EU duidelijke politieke conclusies moet trekken wanneer deze mensenrechtendialogen niet de verhoopte resultaten opleveren; waarschuwt ervoor discussies over mensenrechten niet op het tweede plan te schuiven in politieke dialogen op hoog niveau;

28.  benadrukt dat discussies over mensenrechten nooit ondergeschikt mogen zijn aan andere belangen in politieke discussies op hoog niveau; herhaalt zijn oproep aan het adres van de EDEO om een mechanisme te ontwikkelen voor het evalueren van mensenrechtendialogen, met als doel ze te kunnen verbeteren; is van mening dat alternatieve instrumenten ter ondersteuning van de bevordering van mensenrechten moeten worden gebruikt indien deze dialogen in een bepaald land voortdurend mislukken;

29.  spoort de EDEO aan stelselmatig voorbereidende dialogen te voeren met het maatschappelijk middenveld, ook op lokaal niveau, met als doel deze rechtstreeks te laten doorsijpelen in de mensenrechtendialogen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de VV/HV en de EDEO individuele zaken van mensenrechtenverdedigers systematisch aankaarten tijdens mensenrechtendialogen; verzoekt de EDEO stelselmatig na te gaan of de toezeggingen die tijdens mensenrechtendialogen zijn gedaan ook worden nagekomen en om systematisch bijeen te komen met organisaties uit het maatschappelijk middenveld om hen op de hoogte te houden;

EU-richtsnoeren inzake mensenrechten

30.  is verheugd over de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten als een waardevol EU‑instrument van het buitenlands beleid inzake mensenrechten waarin praktische aanwijzingen zijn opgenomen voor EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten; herhaalt zijn oproep om onverwijld nieuwe EU‑richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind aan te nemen;

31.  wijst er met klem op hoe belangrijk het is de uitvoering van de richtsnoeren voortdurend te evalueren aan de hand van duidelijke benchmarks; dringt er bij de Commissie op aan om een grondige evaluatie van de toepassing van de richtsnoeren door EU‑delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten in alle derde landen uit te voeren en te publiceren om mogelijke verschillen en lacunes in de toepassing ervan op te sporen en te verhelpen; is van mening dat het personeel van de EDEO en de EU‑delegaties stelselmatig en op doeltreffende wijze moet worden opgeleid om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren naar behoren worden toegepast;

De strijd tegen alle vormen van discriminatie

32.  veroordeelt alle vormen van discriminatie in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit, taal, cultuur, godsdienst of overtuiging, sociale afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of gelijk welke andere status; herhaalt zijn oproep voor een sterker Europees beleid en krachtigere Europese diplomatie die erop gericht zijn alle vormen van discriminatie uit te bannen en elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig bezorgd te tonen over dergelijke discriminatie; dringt er bij de EU voorts op aan te blijven ijveren voor de ratificatie en volledige tenuitvoerlegging van alle relevante VN‑Verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is verheugd over het werk van de EDEO met betrekking tot het opstellen van een antidiscriminatiehandboek;

Missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)

33.  brengt de belofte van de EU in herinnering om mensenrechten- en genderaspecten te integreren in missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, overeenkomstig de cruciale resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid en de recent aangenomen resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde problemen; herhaalt in dit verband zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om in het proces van de totstandbrenging van duurzame verzoening de stelselmatige deelname van vrouwen als essentieel onderdeel van een vredesproces te ondersteunen; verzoekt de EU in dit verband om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en wederopbouw na afloop van conflicten;

34.  benadrukt dat het GVDB een instrument is dat niet alleen de Europese veiligheid waarborgt, maar ook deel uitmaakt van de instrumenten voor het buitenlands beleid van de EU en derhalve moet worden gebruikt de mensenrechten en democratie in derde landen nog meer te bevorderen;

35.  dringt aan op een verdere Europese militaire integratie om de paraatheid en flexibiliteit van de Europese strijdkrachten te verbeteren, zodat ze kunnen reageren op dreigingen en in gevallen van ernstige schendingen van de mensenrechten, genocide of etnische zuiveringen; benadrukt in dit verband dat het concept "verantwoordelijkheid om te beschermen" moet worden geconsolideerd in het internationaal recht en dat de EU, als gemeenschap van waarden, de leiding moet nemen bij initiatieven en zinvolle acties om burgers te beschermen, ook wanneer zij worden bedreigd door hun eigen staat;

36.  onderstreept dat migrantensmokkel verband houdt met mensenhandel en een ernstige schending vormt van de rechten van de mens; herinnert eraan dat het opzetten van missies, zoals de militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied (EUNAVFOR MED operation SOPHIA), een doeltreffende methode is om migrantensmokkel te bestrijden; verzoekt de Unie dit soort operaties voort te zetten en te intensiveren;

37.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV de hoofden van EU‑missies en bevoegde EU‑vertegenwoordigers (hoofden van civiele EU‑operaties, bevelhebbers van militaire EU‑operaties en speciale EU‑vertegenwoordigers) te vragen gevallen van ernstige schending van het IHR te melden en te ijveren voor het volgen van de gedragscode met betrekking tot maatregelen van de Veiligheidsraad tegen genocide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden, waarmee de VN‑lidstaten zich ertoe verbinden het optreden van de Veiligheidsraad ter voorkoming of beëindiging van dergelijke misdaden te steunen; dringt erop aan om in alle civiele en militaire operaties van de EU waarbij sprake is van contact met kinderen beleidsmaatregelen voor de bescherming van kinderen te integreren;

38.  vraagt dat de EU intensiever samenwerkt met de VN in de context van het formuleren van een gemeenschappelijke strategische visie op veiligheid op basis van de nieuwe mondiale strategie van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid enerzijds en de evaluatie van de VN van de eigen vredesoperaties en architectuur voor vredesopbouw anderzijds; staat erop dat er met de VN wordt samengewerkt voor het versterken van de rol en de capaciteit van regionale en subregionale organisaties met betrekking tot vredeshandhaving, conflictpreventie, civiel en militair crisisbeheer en conflictoplossing, en dat procedures om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid in te schakelen ter ondersteuning van VN‑operaties, onder meer door de inzet van EU‑gevechtstroepen of door capaciteitsopbouw en initiatieven in het kader van de hervorming van de veiligheidssector, verder worden uitgewerkt, terwijl mensenrechten en gender worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de missie en de operatie;

Multilateraal engagement voor de mensenrechten

39.  stelt nogmaals klaar en duidelijk dat alle door VN‑verdragen beschermde mensenrechten universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn, zoals overeengekomen in de verklaring en het actieprogramma van Wenen van 1993, en dat de eerbiediging van deze rechten moet worden afgedwongen; wijst nogmaals op de verbintenis van de Unie om in het kader van de VN internationaal recht te bevorderen en uit te werken; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten alle door de VN vastgestelde internationale mensenrechteninstrumenten ratificeren, met inbegrip van de instrumenten die verankerd zijn in het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met name in het facultatief protocol houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen, in overeenstemming met artikel 21 VEU;

40.  onderstreept de noodzaak van EU‑leiderschap om aan te dringen op hervormingen van de VN met het oog op het versterken van de impact en de kracht van het op regels gebaseerde multilaterale stelsel en het zorgen voor een efficiëntere bescherming van de mensenrechten en de bevordering van het internationaal recht; herhaalt voorts hoe belangrijk het is te waarborgen dat de EU actief en consequent deelneemt aan de mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie, de Algemene Vergadering (AVVN) en de UNHRC, teneinde de geloofwaardigheid van de EU te vergroten; steunt de inspanningen van de EDEO, de EU‑delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU‑standpunt inzake mensenrechtenkwesties binnen de VN verder te vergroten; spoort de EU aan de praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te intensiveren, op te treden als initiatiefnemer en mede-indiener van resoluties en nauw toe te zien op de procedure van de universele periodieke doorlichting (UPR); veroordeelt het feit dat in de UNHRC vaak landen zitting nemen waarvan bewezen is dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen en verzoekt de EU‑lidstaten hun stemgedrag in de UNHRC openbaar te maken; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband ervoor te zorgen dat het gelijke belang van rechten zichtbaar is in hun stemgedrag en zich bij de stemming over UNHRC-resoluties te baseren op de inhoud in plaats van op de indieners van deze teksten; onderstreept het belang en de noodzaak van een permanente vertegenwoordiging van de EU in alle multilaterale fora en van een grotere zichtbaarheid voor het optreden van de EU;

41.  verzoekt de EU bijzondere aandacht te besteden aan de omstreden gebieden van haar oostelijk nabuurschap, waar ongeveer vijf miljoen mensen leven zonder daadwerkelijke bescherming van hun mensenrechten en zonder toegang tot de rechter; verzoekt de EU deze kwestie bovenaan de bilaterale agenda te plaatsen om oplossingen te vinden met de betrokken staten, en gebruik te maken van haar volledige arsenaal aan instrumenten om concrete oplossingen te ondersteunen om de mensenrechten in deze entiteiten te bevorderen en er het werk van mensenrechtenverdedigers te steunen;

Bevordering van een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers

42.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit van aanvallen, intimidatie, arrestaties, moord, pesterijen of onderdrukking ten aanzien van aanklagers, rechters, advocaten, academici en journalisten of van leden van andere beroepsgroepen die qua onafhankelijkheid en professionele vrijheid van essentieel belang zijn voor het opbouwen van een democratische samenleving;

43.  betreurt het toenemende aantal aanvallen tegen milieuactivisten en mensenrechtenverdedigers overal ter wereld; verzet zich hevig tegen straffeloosheid met betrekking tot moord op deze mensen en verzoekt de EDEO zich te scharen achter eisen om de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen;

44.  veroordeelt ten stelligste dat er de laatste tijd in vele landen over de hele wereld strikte ngo-wetgeving is ingevoerd die tot een verzwakking van het maatschappelijk middenveld leidt en zich leent tot willekeurige toepassing, met straffen zoals vrijheidsberoving, de bevriezing van activa en een inreisverbod voor ngo-personeel, met name ten aanzien van ngo's die financiering van buitenlandse overheden ontvangen;

45.  veroordeelt ten stelligste dat autoriteiten reisverboden opleggen als middel om de onafhankelijke stemmen van mensenrechtenverdedigers en activisten, advocaten en journalisten het zwijgen op te leggen en benadrukt dat deze maatregelen vaak willekeurig en zonder gerechtelijke motivering worden genomen;

46.  beklemtoont de rol van EU‑delegaties bij het opnieuw bekrachtigen en bevorderen van de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in een democratie en bij het scheppen van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld en vraagt hen zoveel mogelijk transparantie aan de dag te leggen en naar inclusie te streven in hun samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers; betreurt daarom dat tien jaar na de goedkeuring van de EU‑richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers de contactgegevens van contactpunten voor de mensenrechten / verbindingsfunctionarissen voor mensenrechtenverdedigers nog steeds niet op alle websites van EU‑delegaties terug te vinden zijn;

47.  verzoekt de VV/HV en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU om in de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken op regelmatige basis plaats te maken voor een debat over de inspanningen van de EU ten aanzien van de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, hulpverleners, journalisten, politieke activisten en anderen, en om jaarlijks een openbare vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken te organiseren, waarin de steeds kleiner wordende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers op de agenda staan, alsook om deze zaken bij elke gelegenheid ter sprake te brengen in contacten met de desbetreffende gesprekspartners, met inbegrip van de zaken die aan bod komen in resoluties van het Parlement naar aanleiding van debatten over schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

48.  verzoekt de internationale gemeenschap politieke leiders voor het gerecht te brengen indien zij zich schuldig maken aan machtsmisbruik door het stelselmatig inzetten van het politie- en militaire apparaat om stemmen van verzet tegen (het verlengen van) hun leiderschap het zwijgen op te leggen;

Migranten, vluchtelingen, asielzoekers en intern ontheemden (IDP's)

49.  verklaart zich solidair met de vluchtelingen en migranten die in groten getale te lijden hebben onder ernstige schendingen van de mensenrechten als slachtoffer van conflicten, bestuurlijke tekortkomingen en netwerken voor mensenhandel; spreekt zijn afkeuring uit over het dramatisch aantal personen dat de dood heeft gevonden op de Middellandse Zee; is uiterst bezorgd over het toenemende aantal mensenrechtenschendingen ten aanzien van vluchtelingen, irreguliere migranten en asielzoekers op weg naar Europa; benadrukt dat de vrouwen en kinderen onder de vluchtelingen, asielzoekers en migranten zonder papieren bijzonder kwetsbaar zijn op migratieroutes en in de EU zelf; doet een dringende oproep tot het nemen van maatregelen om de samenhang in het migratiebeleid te verbeteren en benadrukt dat er behoefte is aan een holistische benadering om duurzame en coherente oplossingen voor de lange termijn te vinden die berusten op internationale normen en beginselen inzake mensenrechten en waarmee de onderliggende oorzaken van de vluchtelingencrisis worden aangepakt; onderstreept dat er solidariteit nodig is om migranten en vluchtelingen te beschermen, in overeenstemming met op mensenrechten gebaseerd EU‑beleid; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en migranten;

50.  onderstreept dat conflicten, oorlogen, falend bestuur en het gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten en democratie belangrijke oorzaken zijn van migratie en ontheemding; benadrukt dat gastlanden moeten zorgen voor een volledige toegang tot gratis, openbare en kwaliteitsvolle dienstverlening voor onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, toegang tot de arbeidsmarkt en tot huisvesting die voldoet aan de behoeften van vluchtelingen; beklemtoont dat de bereidheid van migranten en vluchtelingen om te integreren, in combinatie met een geschikt welzijnsbeleid, van wezenlijk belang is voor integratie; verzoekt de EU meer inspanningen te leveren om Libanon en Jordanië te ondersteunen, aangezien deze twee landen een ongezien aantal vluchtelingen opvangen die vaak te maken krijgen met meervoudige bedreigingen;

51.  benadrukt dat het noodzakelijk is de samenwerking met landen van herkomst en doorreislanden te versterken ter bevordering van een gestructureerd beheer van migratiestromen en van maatregelen om de onderliggende oorzaken van emigratie aan te pakken; onderstreept dat het cruciaal is de strijd aan te gaan met groepen die zich bezighouden met migrantensmokkel; wijst erop dat de EU de betrokken landen moet aansporen het Protocol van Palermo tegen migrantensmokkel te ondertekenen; herinnert aan de verbintenissen waarover op de top van Valletta overeenstemming is bereikt;

52.  benadrukt dat er dringend behoefte is aan de ontwikkeling en invoering van een uitgebreid, samenhangend en goed gecoördineerd gemeenschappelijk Europees asielstelsel waarin de verantwoordelijkheid wordt verdeeld over de lidstaten;

53.  verzoekt de EU en de lidstaten volledige transparantie aan de dag te leggen met betrekking tot de middelen die aan derde landen worden toegekend voor de samenwerking op het gebied van migratie, en mee te delen welke waarborgen zijn vastgesteld om ervoor te zorgen dat veiligheidsdiensten, politiediensten en rechtsstelsels die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen niet direct of indirect voordeel halen uit een dergelijke samenwerking;

54.  neemt kennis van het recente Commissievoorstel voor een EU‑lijst van veilige landen van herkomst, tot wijziging van de richtlijn asielprocedures;

55.  is van oordeel dat er in plaats van bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen beter nieuwe EU‑overnameovereenkomsten zouden worden gesloten om ervoor te zorgen dat overnames doeltreffender verlopen en de coherentie van het terugkeerbeleid op Europees niveau wordt gewaarborgd;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de terugkeerrichtlijn gepaard gaat met naleving van de procedures, normen en fundamentele mensenrechten die de EU in staat stellen een humane en waardige behandeling van teruggekeerde migranten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van non‑refoulement; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan asielaanvragen die verband houden met mogelijke politieke vervolging, om te voorkomen dat personen worden teruggestuurd die mogelijk te maken kunnen krijgen met een schending van de mensenrechten in hun land van herkomst of in een derde land;

57.  herhaalt zijn verzoek aan de EU om ervoor te zorgen dat alle overeenkomsten op het gebied van migratie, samenwerking en overname met landen buiten de EU stroken met de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het internationaal zeerecht, alsook met de beginselen en waarden van de EU; verzoekt de lidstaten het internationale beginsel van non‑refoulement in acht te nemen, in overeenstemming met het internationaal recht; vraagt dat toezichtsmechanismen zodanig worden geïntegreerd dat kan worden beoordeeld wat de gevolgen voor de mensenrechten zijn van samenwerking op het gebied van migratie met landen buiten de EU en van maatregelen inzake grenscontrole; dringt erop aan dat de mensenrechten in alle activiteiten van Frontex worden geïntegreerd en bewaakt; verzoekt de EU actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan in het internationaal recht;

58.  dringt bovendien aan op een clausule waarin wordt aangegeven dat deze overeenkomsten kunnen worden opgeschort totdat de partijen daadwerkelijk voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de individuele beoordeling van asielaanvragen en, meer in het algemeen, de eerbiediging van de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;

59.  wijst er nogmaals op dat het beginsel van non-refoulement in Europese en internationale wateren moet worden nageleefd, zoals is bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in bestaande EU‑wetgeving; herinnert aan het engagement om parallel met een betere bescherming van de buitengrenzen van de EU ook adequate legale en veilige migratiekanalen te ontwikkelen; verzoekt de Unie en de meest ontwikkelde derde landen partnerschapsovereenkomsten met andere landen te sluiten ter bevordering van gezinshereniging en mobiliteit voor alle vaardigheidsniveaus, ook de minst gekwalificeerde;

60.  verzoekt de lidstaten om het aangenomen gemeenschappelijke asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving van de EU na te leven en volledig ten uitvoer te leggen, met name om kwetsbare asielzoekers zoals kinderen, vrouwen, ouderen en LGBTI's te beschermen tegen geweld en discriminatie tijdens de asielprocedure, en om te voorzien in passende opleiding voor de lidstaten om geschikte en redelijke procedures mogelijk te maken; verzoekt de lidstaten deel te nemen aan hervestigingsprogramma's, toegang te geven tot gezinshereniging en humanitaire visa te verlenen; benadrukt dat het belangrijk is iets te doen aan de administratieve en politieke belemmeringen voor een snelle uitvoering van de verbintenissen inzake herplaatsing; begrijpt dat de veilige terugkeer van degenen die na individuele beoordeling van hun asielaanvraag niet voor bescherming in de Unie in aanmerking komen, moet worden uitgevoerd;

61.  is diep verontrust over het groeiende aantal kinderen onder de vluchtelingen en over de situatie van kinderen zonder begeleider en kinderen die vermist of van hun familie gescheiden zijn; dringt er bij de lidstaten op aan de snelle hereniging van minderjarigen zonder begeleider met familieleden tot absolute prioriteit te verheffen; benadrukt dat het belangrijk is kinderen toegang te bieden tot gezondheidszorg en onderwijs als onderdeel van EU‑programma's om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken; verzoekt de lidstaten een einde te maken aan de opsluiting van kinderen, rekening te houden met de belangen van het kind in alle procedures en te zorgen voor de bescherming van kinderen overeenkomstig het internationaal recht; wijst op het belang van het toewijzen van adequate middelen om kinderen onder de vluchtelingen en de migranten te beschermen tegen geweld, uitbuiting en misbruik; verzoekt de Commissie te waarborgen dat minderjarigen zonder begeleider niet verdwijnen en een strategie te ontwikkelen om in de toekomst te voorkomen dat minderjarige migranten zonder begeleider vermist raken op EU‑grondgebied en om vermiste kinderen terug te vinden;

62.  erkent dat LGBTI-asielzoekers tijdens hun reis en bij aankomst in het land waar zij asiel aanvragen vaak worden blootgesteld aan bijkomende gevaren in de vorm van bijvoorbeeld intimidatie, uitsluiting, seksueel geweld of andere vormen van geweld; herinnert eraan dat LGBTI's in een aantal landen die zijn aangemerkt als "veilig" voor asielzoekers worden gediscrimineerd of dat homoseksualiteit er zelfs strafbaar is; benadrukt dat kwetsbare groepen bijkomende waarborgen nodig hebben en verzoekt staten ervoor te zorgen dat LGBTI-vluchtelingen worden beschermd overeenkomstig het IHR;

63.  wijst erop dat het belangrijk is te investeren in preventieve maatregelen, en wel door de ontwikkeling van strategieën voor integratie en sociale inclusie; benadrukt dat het noodzakelijk is om specifieke programma's voor deradicalisering en re‑integratie ten uitvoer te leggen met terugkerende migranten als doelgroep;

64.  vestigt de aandacht op de problematische situatie van vluchtelingen in de buurlanden van Syrië en is van mening dat het belangrijk is dat de EU alles in het werk stelt om ervoor te helpen zorgen dat vluchtelingen in deze landen verzekerd zijn van behoorlijke leefomstandigheden, en met name van de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en werkgelegenheid;

65.  wijst op de dramatische situatie van intern ontheemden (IDP's), met name van het enorme aantal IDP's in Irak en Syrië, alsook het toenemende aantal IDP's in Oekraïne, die in 2015 in totaal met 1,4 miljoen waren; benadrukt dat ook het mogelijke lot van IDP's moet worden erkend en een plaats moet krijgen in programma's met betrekking tot vluchtelingen in een regio; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de internationale gemeenschap maatregelen te nemen om hun situatie op het terrein te verbeteren en ervoor te zorgen dat ontheemden huisvesting, voedsel, gezondheidszorg en onderwijs krijgen;

66.  herinnert eraan dat alleen al in 2015 volgens het Internal Displacement Monitoring Centre (IDMC) 19,3 miljoen mensen ontheemd raakten als gevolg van milieurampen; herinnert eraan dat deze vorm van ontheemding vooral plaatsvindt in zuidelijke regio's; wijst erop dat 85 % van die ontheemdingen plaatsvindt in ontwikkelingslanden, voornamelijk binnen één land of delen van landen;

Mensenhandel

67.  verzoekt de EU de strijd tegen de mensenhandel uit te roepen tot prioriteit van het extern beleid en daarbij zowel de vraag- als de aanbodzijde van het verschijnsel aan te pakken, bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers en te zorgen voor een betere communicatie en samenwerking met de relevante spelers in de strijd tegen mensenhandel; herhaalt nogmaals dat alle lidstaten Richtlijn 2011/36/EU en de EU‑strategie voor de uitroeiing van mensenhandel ten uitvoer moeten leggen;

68.  herinnert eraan dat criminele netwerken profiteren van de toenemende migratiedruk, het gebrek aan veilige migratiekanalen en de kwetsbaarheid van migranten en vluchtelingen, met name vrouwen, meisjes en kinderen, om hen tot slachtoffer te maken van mensensmokkel, mensenhandel, slavernij en seksuele uitbuiting;

69.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan aandacht te besteden aan het identificeren van vluchtelingen en migranten als slachtoffers van mensenhandel of als slachtoffers van schendingen en misbruik in het kader van smokkel; dringt in deze context aan op opleidingen voor grenswachters om een zorgvuldige identificatie te kunnen waarborgen, hetgeen essentieel is voor het verwezenlijken van de rechten waarop slachtoffers wettelijk recht hebben;

70.  is ingenomen met de uitbreiding van de middelen voor de operaties Triton en Poseidon; neemt kennis van de lancering van de EUNAVFOR MED operation SOPHIA tegen mensensmokkelaars en mensenhandelaren in het Middellandse Zeegebied en is voorstander van de versterking van het beheer van de buitengrenzen van de Unie;

71.  verzoekt de EU en de lidstaten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

Het verband tussen ontwikkeling, democratie en mensenrechten

72.  uit zijn diepe bezorgdheid over de toename van extreme armoede en ongelijkheid in bepaalde delen van de wereld waardoor de volledige uitoefening van alle mensenrechten in het gedrang komt; is van mening dat de eerbiediging van de mensenrechten en het recht op ontwikkeling intrinsiek met elkaar verbonden zijn; benadrukt dat de eerbiediging van mensenrechten, met inbegrip van sociale en economische rechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, goed bestuur, de eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat, vrede en veiligheid absolute voorwaarden zijn voor de uitroeiing van armoede en ongelijkheid;

73.  toont zich verheugd over de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat EU‑ontwikkelingssamenwerking met derde landen gericht moet zijn op de totstandbrenging van een internationaal klimaat dat bevorderlijk is voor de verwezenlijking van sociale en economische rechten, en dringt aan op de tenuitvoerlegging van de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling van 1986; wijst nogmaals op het cruciale belang van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, om de eerbiediging van de mensenrechten tot stand te brengen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD door middel van de noodzakelijke richtsnoeren, effectbeoordelingen en toezichts- en verslagleggingsmechanismen daadwerkelijk doorklinkt in het beleid van de EU en van de lidstaten; is van mening dat de tenuitvoerlegging van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, en duidelijk omschreven kaders in alle EU‑instrumenten en mensenrechtenmechanismen van cruciaal belang zijn om de Agenda 2030 te verwezenlijken, te zorgen voor de inclusie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen en een op mensenrechten gebaseerde benadering te integreren; dringt aan op een betere coherentie en coördinatie van alle externe beleidsmaatregelen en -instrumenten van de EU bij de tenuitvoerlegging van de op rechten gebaseerde benadering; verzoekt de lidstaten om binnen het kader van hun bevoegdheden maatregelen te nemen en zich hierbij te houden aan de toezeggingen op het gebied van ontwikkeling die zij zijn aangegaan en aan het EU‑beleid ter zake; verzoekt de Commissie het gebruik van het instrumentarium voor een op rechten gebaseerde benadering in delegaties te evalueren en een overzicht van deze evaluatie aan het Parlement voor te leggen;

74.  brengt in herinnering dat in het EU‑ontwikkelingsbeleid een op rechten gebaseerde benadering wordt ingevoerd, die tot doel heeft de mensenrechtenbeginselen te integreren in de operationele ontwikkelingsactiviteiten van de EU en van toepassing is op regelingen voor het synchroniseren van de activiteiten op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, zowel in de hoofdkantoren als op het terrein; pleit voor een bredere verspreiding van het instrumentarium van de op rechten gebaseerde benadering onder onze partners, waaronder lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, en voor een nauwlettend toezicht door de Commissie op de toepassing ervan;

75.  is van oordeel dat mensenrechten voor iedereen de rode draad moeten vormen bij het behalen van alle doelstellingen en streefcijfers van de agenda 2030; pleit voor een inclusief en op rechten gebaseerd kader van indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen waarin rekening wordt gehouden met mensenrechten, dat op nationaal en internationaal niveau moet worden opgezet om een grote mate van transparantie en verantwoordingsplicht in dit opzicht te waarborgen, zodat de voor ontwikkeling bestemde middelen ook daadwerkelijk terechtkomen bij mensen in nood;

76.  bevestigt nogmaals dat het mondiale probleem van armoede en van aan ondervoeding gerelateerde en verwaarloosde ziekten dringend moet worden aangepakt; verzoekt om een ambitieuze politieke strategie voor de lange termijn en een actieplan inzake wereldgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen waarin onder meer aandacht uitgaat naar investeringen in onderzoek en ontwikkeling, zodat het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is om de gezondheid en het welzijn van elk individu te verzekeren, wordt gewaarborgd zonder discriminatie op grond van ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale omstandigheden, genderidentiteit of seksuele geaardheid;

77.  uit zijn bezorgdheid over pogingen om middelen die bestemd zijn voor armoedebestrijding en ontwikkeling – waarmee ook concrete tenuitvoerlegging wordt gegeven aan beleid dat uiteindelijk bedoeld is voor de bescherming van de mensenrechten – voor niet-ontwikkelingsgerelateerde doelen te gebruiken; benadrukt dat ontwikkelingshulp gericht moet zijn op de uitbanning van armoede en niet louter een instrument mag worden voor het controleren van migratie, en herinnert aan het belang van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 inzake vrede, rechtvaardigheid en sterke instellingen voor het nastreven van verbeteringen op het vlak van de mensenrechten en doeltreffend democratisch bestuur; is van mening dat de transparantie van EU‑hulpverlening en de verantwoordingsplicht van de begunstigde landen alleen kunnen worden gewaarborgd als er een anticorruptieclausule wordt opgenomen in alle ontwikkelingsprogramma's, en dat de consolidering van de rechtsstaat, goed bestuur, institutionele capaciteit met behulp van begrotingssteun, democratische participatie en representatieve besluitvorming, stabiliteit, sociale rechtvaardigheid en inclusieve en duurzame groei, waardoor het mogelijk wordt de gegenereerde rijkdom op een billijke manier te herverdelen, hoofddoelstellingen zouden moeten zijn van al het externe beleid van de EU; waarschuwt voor populisme, extremisme en misbruik van de grondwet waarmee mensenrechtenschendingen worden gelegitimeerd;

78.  stelt vast dat er als gevolg van de toenemende humanitaire behoeften een aanhoudend financieringstekort blijft bestaan met betrekking tot humanitaire hulp en dat de tekortkomingen in het Wereldvoedselprogramma tot gevolg hebben dat er wordt gesnoeid in de voedselvoorraden; verzoekt de VN‑lidstaten, alsook de EU en haar lidstaten om ten minste hun financiële toezeggingen na te komen; stelt in dit verband vast dat de meeste EU‑lidstaten niet voldoen aan hun toezegging om 0,7 % van hun bbp aan ontwikkelingshulp te spenderen, maar is niettemin blij met de EU‑toezeggingen in verband met humanitaire hulp en civiele bescherming, waarvan de EU en haar lidstaten de grootste donor zijn;

79.  is verheugd over het nieuw Europees extern investeringsplan (EIP) en het trustfonds voor Afrika die tot doel hebben de onderliggende oorzaken van armoede, ongelijkheid en irreguliere migratie aan te pakken door groei en werkgelegenheid te genereren, alsook aan te sporen tot eerbiediging van de mensenrechten en particuliere investeringen in Afrika en het nabuurschap van de EU te stimuleren; vraagt dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling tijdelijk wordt ingezet in de buurlanden van de EU om bij te dragen aan de stabilisering van deze landen;

80.  is ingenomen met de opname van een hoofdstuk over ontwikkeling in het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015 en dringt erop aan dat dit ook voor de toekomstige jaarverslagen de gangbare praktijk wordt.

Handel, het bedrijfsleven en mensenrechten

81.  dringt aan op de snelle, doeltreffende en brede tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten; spoort alle VN‑lidstaten, met inbegrip van de EU‑lidstaten, aan nationale actieplannen uit te werken en ten uitvoer te leggen; is van mening dat handel en mensenrechten hand in hand kunnen gaan en dat voor het bedrijfsleven een belangrijke rol is weggelegd wat de bevordering van mensenrechten en democratie betreft;

82.  herhaalt dat met spoed op alle niveaus, zowel nationaal, Europees als internationaal, op aanhoudende, doeltreffende en samenhangende wijze moet worden gehandeld om mensenrechtenschendingen en corrupte praktijken door internationale ondernemingen daadwerkelijk aan te pakken wanneer ze zich voordoen en ervoor te zorgen dat deze ondernemingen ter verantwoording kunnen worden geroepen, onder meer door iets te doen aan de juridische problemen die het gevolg zijn van het extraterritoriale karakter van bedrijven en hun handelingen;

83.  verzoekt de VN, de EU en haar lidstaten het probleem van landroof en de behandeling van landrechtenverdedigers, die vaak het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen, onder meer via dreigementen, intimidatie, willekeurige arrestaties, geweld en moord, aan te kaarten bij multinationale en Europese ondernemingen;

84.  is zeer verheugd over de start van de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN‑verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten; betreurt obstructieve houdingen met betrekking tot dit proces en verzoekt de EU en haar lidstaten op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deel te nemen;

85.  wijst nogmaals op de verschillende maar aanvullende rollen van landen en bedrijven met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten; herinnert er met klem aan dat landen, in geval van schendingen van de mensenrechten, de slachtoffers toegang moeten geven tot een doeltreffende voorziening in rechte; brengt in dit verband in herinnering dat de eerbiediging van de mensenrechten door derde landen, waaronder het waarborgen van effectieve voorziening in rechte voor alle slachtoffers van dergelijke schendingen, een essentieel onderdeel vormt van de externe betrekkingen van de EU met deze landen; waardeert dat de EU een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen; is verheugd over de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten en over het verzoek van de Raad om toegang tot voorziening in rechte op te nemen in de nationale actieplannen (NAP's) inzake het bedrijfsleven en mensenrechten;

86.  herhaalt dat er aandacht nodig is voor de bijzondere kenmerken van kmo's, die voornamelijk op lokaal en regionaal niveau en binnen specifieke sectoren actief zijn; acht het daarom van fundamenteel belang dat er in het beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van de Unie, met inbegrip van de nationale MVO-actieplannen, naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van kmo's, dat dit beleid strookt met het "denk eerst klein"-principe en dat de informele en intuïtieve benadering van MVO die door kmo's wordt gehanteerd erkenning krijgt; verzet zich andermaal tegen alle maatregelen die tot meer administratieve of financiële lasten voor kmo's kunnen leiden, maar spreekt zijn steun uit voor maatregelen die kmo's in staat stellen gezamenlijk op te treden;

87.  richt zich tot de Commissie en de lidstaten om op alle niveaus beleidscoherentie met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten te waarborgen, in het bijzonder wat het handelsbeleid van de EU betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten regelmatig verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn genomen om voor een daadwerkelijke bescherming van de mensenrechten te zorgen in de context van bedrijfsactiviteiten;

88.  dringt nogmaals sterk aan op de stelselmatige opname van mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, die zijn gesloten of zullen worden gesloten tussen de EU en derde landen; wijst bovendien op de noodzaak van mechanismen voor voorafgaande controle, die worden ingezet voordat een kaderovereenkomst wordt gesloten en die als fundamenteel onderdeel van de overeenkomst een voorwaarde vormen voor de sluiting ervan, alsook mechanismen voor controle achteraf waarmee concreet gevolg kan worden gegeven aan schendingen van deze clausules, zoals passende sancties als uiteengezet in de mensenrechtenclausules van de overeenkomst, waaronder (tijdelijke) opschorting van de overeenkomst;

89.  dringt erop aan dat er regelingen worden uitgewerkt om de naleving van de mensenrechten door zowel landen als ondernemingen te waarborgen, en dat er klachtenregelingen tot stand worden gebracht voor wie zijn rechten geschonden ziet door handels- en investeringsovereenkomsten;

90.  neemt kennis van het wetgevingsvoorstel van de Commissie van 28 september 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 betreffende de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik (COM(2016)0616), dat erop is gericht deze controle te versterken, aangezien bepaalde goederen en technologieën kunnen worden misbruikt om de mensenrechten ernstig te schenden;

91.  is verheugd dat er eensgezindheid is over een actualisering van de EU‑regeling voor controle op de uitvoer met betrekking tot goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en dringt aan op een daadwerkelijke en volledige tenuitvoerlegging van deze cruciale wetgeving; spoort de EU en haar lidstaten aan om derde landen te stimuleren vergelijkbare wetgeving aan te nemen en om een initiatief te lanceren voor het bevorderen van een internationaal kader inzake folterwerktuigen en de doodstraf; is ingenomen met het initiatief voor een regeling tot oprichting van een systeem van zorgvuldigheidseisen in de toeleveringsketen voor de verantwoorde winning van mineralen uit conflictgebieden; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de EU‑wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren; benadrukt dat het voor het Parlement prioritair is mensenrechten te hanteren als criterium voor uitvoervergunningen en verzoekt de lidstaten eindelijk overeenstemming te bereiken over een omschakeling naar een moderner, flexibeler en sterker op mensenrechten gebaseerd uitvoerbeleid; verzoekt de lidstaten striktere en meer op de mensenrechten gebaseerde controles op de wapenuitvoer te verrichten, met name in het geval van landen waarvan is bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan gewelddadige binnenlandse onderdrukking en mensenrechtenschendingen;

92.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe handelsstrategie van de Commissie, getiteld "Handel voor iedereen", waarin zij ernaar streeft mensenrechten te integreren in het handelsbeleid en de positie van de EU als handelsblok te gebruiken om de mensenrechten in derde landen op te krikken; benadrukt dat dit een volledige consistentie en complementariteit van initiatieven op het gebied van handels- en buitenlands beleid vergt, met inbegrip van een nauwe samenwerking tussen de verschillende directoraten-generaal, de EDEO en de autoriteiten van de lidstaten; neemt kennis van de plannen van de Commissie om de Europese economische diplomatie te versterken en benadrukt dat handelsbeleid ook moet bijdragen aan duurzame groei in derde landen; verzoekt de Commissie alle belanghebbende partijen te betrekken bij de discussie over het regelgevingskader en de zakelijke verplichtingen in landen waar particuliere en openbare investeringen waarschijnlijk zullen toenemen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat projecten die door de EIB worden ondersteund in overeenstemming zijn met het EU‑beleid en pleit voor betere controles achteraf ter beoordeling van de economische, sociale en milieueffecten van door de EIB ondersteunde projecten;

93.  is verheugd over de nieuwe verordening betreffende een schema van algemene preferenties (SAP), die op 1 januari 2014 in werking is getreden, en beschouwt deze als een zeer belangrijk instrument voor het EU‑handelsbeleid ter bevordering van de mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur in kwetsbare ontwikkelingslanden; waardeert met name dat in het kader van SAP+ verleende handelsvoordelen inherent en wettelijk afhankelijk zijn van de permanente uitvoering van de internationale mensenrechtenverdragen; is ingenomen met de publicatie van het eerste tweejaarlijkse verslag van de Commissie over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SAP+‑regeling en met de dialoog die met het Parlement is gevoerd alvorens het verslag werd gepubliceerd; stelt vast dat er melding is gemaakt van schendingen van fundamentele arbeidsnormen in een aantal landen met SAP+‑status en dringt aan op een echte handhaving van de SAP+‑regeling; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof op te nemen in de lijst van verdragen die vereist zijn voor de SAP+‑status, en richt zich tot SAP+‑aanvragers die geen partij zijn bij dit statuut om het te ratificeren;

94.  is verheugd dat bijzonder voordelige handelspreferenties zijn toegekend aan 14 landen in het kader van de nieuwe SAP+‑regeling, die sinds 1 januari 2014 in werking is getreden, en is evenzeer verheugd over de naleving van 27 internationale verdragen (waaronder verdragen over fundamentele mensenrechten en arbeidsrechten), waarop sterk werd aangedrongen;

95.  dringt nogmaals sterk aan op uitgebreide, voorafgaande mensenrechteneffectbeoordelingen, waarin op inhoudelijke wijze rekening wordt gehouden met de standpunten van het maatschappelijk middenveld, voor alle handels- en investeringsovereenkomsten;

96.  is weliswaar ingenomen met de aanneming van nieuwe richtsnoeren inzake de analyse van de invloed van mensenrechten op de effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(60), maar is erg verontrust door de kwaliteit van de mensenrechtenoverwegingen in de duurzaamheidseffectbeoordeling van de investeringsbeschermingsovereenkomst EU‑Myanmar en door het feit dat de Commissie geen mensenrechteneffectbeoordeling heeft verricht voor de vrijhandelsovereenkomst EU‑Vietnam; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een uitgebreide beoordeling die wordt verricht als onderdeel van de evaluatie achteraf van deze overeenkomsten;

Sport en mensenrechten

97.  maakt zich zorgen over de toekenning van de organisatie van megasportevenementen aan landen met een erg povere staat van dienst wat mensenrechten betreft, bijvoorbeeld de FIFA-Wereldbeker van 2018 in Rusland en die van 2022 in Qatar en de Olympische Spelen van 2022 in Peking, alsook over mensenrechtenschendingen als gevolg van megasportevenementen, waaronder gedwongen uitzettingen zonder raadpleging of vergoeding van de betrokken bewoners, de uitbuiting van kwetsbare groepen als kinderen en arbeidsmigranten, die als slavernij kan worden aangemerkt, en het monddood maken van organisaties uit het maatschappelijk middenveld die dergelijke mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen; verzoekt het Internationaal Olympisch Comité en de Wereldvoetbalbond (FIFA) hun praktijken in overeenstemming te brengen met de idealen van de sport door waarborgen in te stellen om alle mensenrechtenschendingen in verband met megasportevenementen te voorkomen, om toezicht te houden op dergelijke schendingen en te voorzien in rechtsmiddelen; dringt aan op de ontwikkeling van een EU‑beleidskader inzake sport en mensenrechten; verzoekt de EU en haar lidstaten te overleggen met nationale sportfederaties, actoren uit het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld over de voorwaarden voor hun deelname aan dergelijke evenementen;

Personen met een handicap

98.  is verheugd over de nieuwe doelstellingen 12 en 16, en met name doelstelling 16, letter f, in de conclusies van de Raad over het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap systematisch ter sprake wordt gebracht in mensenrechtendialogen met derde landen; merkt op dat rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de behoeften van personen met een handicap in het kader van inspanningen ter bestrijding van discriminatie; dringt erop aan dat de doeltreffendheid van projecten op het gebied van handicaps grondig wordt beoordeeld en dat op passende wijze wordt overlegd met gehandicaptenorganisaties bij de planning en uitvoering van deze projecten;

99.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat personen met een handicap daadwerkelijk kunnen genieten van het recht op vrij verkeer in openbare ruimten en dus gelijke kansen hebben om deel te nemen aan het openbare leven;

100.  vraagt nadrukkelijk om de mensenrechten van personen met een handicap te integreren in het gehele externe beleid en alle externe maatregelen van de EU, met name in het migratie- en vluchtelingenbeleid van de EU, zodat een passend antwoord wordt geboden op hun specifieke behoeften, aangezien zij meervoudige discriminatie ondervinden; brengt in herinnering dat vrouwen en kinderen met een handicap te kampen hebben met meervoudige discriminatie en vaak een groter risico lopen om het slachtoffer te worden van geweld, misbruik, mishandeling of uitbuiting; is een sterke voorstander van de aanbeveling een genderperspectief te integreren in alle EU‑strategieën inzake handicaps, ook in het externe beleid en optreden;

101.  spoort de VV/HV aan steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd; merkt op dat de EU het goede voorbeeld moet geven door zelf het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap daadwerkelijk toe te passen; verzoekt de EU een leidende rol te vervullen bij de uitvoering van een inclusieve Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die ervoor zou zorgen dat niemand wordt uitgesloten, zoals aanbevolen door het Comité voor het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in de afsluitende opmerkingen van zijn verslag over de uitvoering van het verdrag in de EU;

Rechten van vrouwen en kinderen

102.  is ingenomen met de goedkeuring van het genderactieplan (2016‑2020), dat een uitgebreide lijst bevat van acties ter verbetering van de situatie van vrouwen op het gebied van gelijke rechten en empowerment; benadrukt dat het genderactieplan samen met het actieplan inzake mensenrechten en democratie moet worden uitgevoerd, om ervoor te zorgen dat vrouwenrechten als zodanig worden erkend; is ook blij met de goedkeuring van het strategisch engagement voor gendergelijkheid (2016‑2019), ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de rechten van vrouwen overal ter wereld; bevestigt nogmaals dat er met betrekking tot de rechten van vrouwen geen toegevingen mogen worden gedaan uit achting voor specifieke voorschriften van een godsdienst of overtuiging; vraagt dat de EU vaart zet achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het vlak van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het actieprogramma van Peking, de verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling en de respectieve beoordelingen van hun resultaten, en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het acquis van de actieprogramma's van Peking en Caïro betreffende de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten, en dat wordt gewaarborgd dat vrouwelijke slachtoffers van verkrachting in functie van oorlog alle noodzakelijke, veilige medische en psychologische zorgen krijgen toegediend, met inbegrip van veilige abortus, overeenkomstig het IHR; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders, een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus en toegang tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om kinder- en moedersterfte terug te dringen; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen; beklemtoont dat de verdediging van de rechten van vrouwen, de vrijwaring van de eerbiediging van hun menselijke waardigheid en de uitbanning van geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen van essentieel belang zijn om hun mensenrechten te verwezenlijken; benadrukt het recht van alle personen om vrij te beslissen over zaken die verband houden met hun seksualiteit en hun seksuele en reproductieve gezondheid; erkent in dit opzicht de onvervreemdbare rechten van vrouwen om autonoom besluiten te nemen, onder meer over de toegang tot gezinsplanning;

103.  herhaalt zijn veroordeling van alle vormen van misbruik en geweld ten aanzien van vrouwen en kinderen en van geweld op basis van gender, waaronder de schadelijke praktijken van huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, vrouwelijke genitale verminking, uitbuiting en slavernij, huiselijk geweld en het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; is van mening dat geweld jegens vrouwen ook een psychologische weerslag heeft en benadrukt dat het noodzakelijk is genderoverwegingen te integreren die onder meer de actieve participatie van vrouwen bij humanitaire hulp bevorderen en die beschermingsstrategieën omvatten tegen seksueel en gendergebaseerd geweld, alsook basisgezondheidsmaatregelen bestaande uit seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten niet alleen de strijd moeten aangaan met alle vormen van geweld ten aanzien van vrouwen, maar in de eerste plaats ook de toegang tot onderwijs moeten bevorderen en genderstereotypering moeten bestrijden, zowel voor meisjes als voor jongens en vanaf jonge leeftijd; verzoekt de EU en haar lidstaten het Verdrag van Istanbul met spoed te ratificeren om samenhang te garanderen tussen het interne en externe optreden van de EU inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergebaseerd geweld; is verheugd over het voorstel dat de Commissie op 4 maart 2016 naar voren heeft geschoven om de EU te laten toetreden tot het Verdrag van Istanbul, het eerste juridisch bindende internationale instrument dat erop is gericht geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat dit het interne en externe beleid van de EU doeltreffender en samenhangender zal maken en op internationaal niveau zal zorgen voor een grotere verantwoordelijkheid en rol voor de EU met betrekking tot het bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan hun uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat de EU het Verdrag van Istanbul kan ondertekenen en sluiten, en tegelijkertijd de 14 lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te sporen dit verdrag te ondertekenen en te ratificeren en ervoor te zorgen dat dit verdrag naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat zorgverleners, de politie, openbare aanklagers, rechters, diplomaten en vredeshandhavers, zowel binnen de EU als in derde landen, naar behoren worden opgeleid om slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen, te helpen en te ondersteunen in conflictsituaties en bij operaties op het terrein;

104.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over mensenrechtenschendingen ten aanzien van vrouwen en kinderen in vluchtelingenkampen en opvangcentra, waar onder meer gevallen van seksueel geweld en ongelijke behandeling van vrouwen en kinderen worden gemeld; verzoekt de EDEO met klem aan te dringen op strengere regels en goede praktijken in derde landen; benadrukt dat vrouwen en kinderen die zijn misbruikt in conflictsituaties toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg en psychologische bijstand, overeenkomstig het internationaal recht, en dat kinderen in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden onderwijs, gezondheidszorg en voedsel moeten blijven krijgen;

105.  merkt op dat in maatregelen om gendergerelateerd geweld aan te pakken ook aandacht moet worden besteed aan onlinegeweld, waaronder dreigementen, pesterijen en intimidatie, en dat hierbij ook moet worden gewerkt aan de totstandbrenging van een onlineomgeving die veilig is voor vrouwen en meisjes;

106.  is ingenomen met de goedkeuring en steunt de tenuitvoerlegging van de recente resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, en waarin wordt aangedrongen op bijkomende inspanningen om de agenda's inzake vrouwen, vrede en veiligheid in alle verschillende dimensies van vredeshandhaving te integreren; benadrukt hoe belangrijk een evenwaardige, volledige en actieve participatie van vrouwen is bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook in het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw; pleit voor de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen op alle politieke niveaus;

107.  betreurt ten zeerste dat Roma, en met name Romavrouwen, nog steeds te lijden hebben onder wijdverspreide discriminatie en zigeunerhaat, waardoor de cyclus van benadeling, uitsluiting, segregatie en marginalisering draaiende wordt gehouden; verzoekt de EU en de lidstaten om de mensenrechten van Roma volledig te eerbiedigen door het recht op onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, huisvesting en sociale bescherming te waarborgen;

108.  is erg teleurgesteld over het gebrek aan gendergelijkheid in politieke kringen en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politieke, sociale en economische besluitvorming, waardoor mensenrechten en democratie worden ondermijnd; is van mening dat regeringen moeten streven naar gendergelijkheid in processen voor het opbouwen en in stand houden van democratie en dat ze elke vorm van genderdiscriminatie in de samenleving moeten bestrijden; benadrukt dat de verslagen van verkiezingswaarnemingsmissies nauwkeurige richtsnoeren bevatten die de EU van dienst kunnen zijn in politieke dialogen met derde landen ter verbetering van de deelname van vrouwen aan verkiezingsprocessen en het democratische leven van dat land;

109.  betreurt dat in sommige landen nog steeds beperkingen worden opgelegd aan de deelname van vrouwen aan verkiezingen;

110.  betreurt dat vrouwen wereldwijd enorme moeilijkheden blijven ondervinden om een fatsoenlijke baan te vinden en te behouden, zoals blijkt uit het verslag "Women at work 2016" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

111.  betreurt dat het glazen plafond voor vrouwen in de bedrijfswereld, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het gebrek aan steun vanuit de samenleving voor vrouwelijke ondernemers, nog steeds wereldwijd voorkomen; dringt aan op initiatieven om de positie van vrouwen verder te versterken, in het bijzonder op het gebied van zelfstandig ondernemerschap en kmo's;

112.  herinnert eraan dat toegang tot onderwijs, beroepsopleiding en microkredieten essentieel is voor de versterking van de positie van vrouwen en het voorkomen van de schending van hun mensenrechten;

113.  spoort vrouwen aan actief te worden in vakbonden en andere organisaties, omdat dit ertoe zal bijdragen dat genderaspecten hun intrede zullen doen in arbeidsvoorwaarden;

114.  spoort de lidstaten, de Commissie en de EDEO aan zich toe te spitsen op de economische en politieke emancipatie van vrouwen in ontwikkelingslanden door hun betrokkenheid bij het bedrijfsleven en bij de uitvoering van regionale en plaatselijke ontwikkelingsprojecten te bevorderen;

115.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering toe te passen in alle relevante EU‑financiering;

116.  roept op om in vrouwen en jongeren te investeren, aangezien dit een doeltreffende manier is om armoede, en met name armoede onder vrouwen, te bestrijden;

117.  is diep verontrust dat de snel toenemende dreiging van antimicrobiële resistentie (AMR) naar verwachting de belangrijkste doodsoorzaak ter wereld zal worden en dat met name kwetsbare en zwakke personen in ontwikkelingslanden hiervan het slachtoffer zullen worden; verzoekt de Commissie onverwijld een echt doeltreffende strategie voor volksgezondheid te ontwikkelen;

Rechten van het kind

118.  herhaalt dat er dringend behoefte is aan een universele ratificatie en doeltreffende tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijbehorende facultatieve protocollen, vraagt dat de EU systematisch overleg pleegt met bevoegde lokale en internationale kinderrechtenorganisaties en in haar politieke en mensenrechtendialogen met derde landen wijst op de verplichting van landen die partij zijn bij het verdrag om het ten uitvoer te leggen; is blij met de ratificatie van het verdrag door Zuid-Sudan en Somalië; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de VV/HV om op zoek te gaan naar manieren en methoden waardoor de EU kan toetreden tot het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

119.  vraagt dat de EU de EU‑UNICEF-toolkit "kinderrechten integreren in ontwikkelingssamenwerking" blijft bevorderen via haar externe delegaties en het personeel van EU‑delegaties degelijk blijft opleiden op dit gebied; vestigt de aandacht op de ernstige kwestie van niet-geregistreerde kinderen die in een ander land dan het thuisland van hun ouders zijn geboren, een kwestie die bijzonder prangend is met betrekking tot vluchtelingen, en verzoekt de EU deze kwestie in voorkomend geval aan de orde stellen in haar politieke dialogen met derde landen; verzoekt de Commissie beleid te ontwikkelen inzake de bescherming van kinderen van gedetineerde ouders en hier in internationale fora voor te ijveren, zodat een einde wordt gemaakt aan de discriminatie en stigmatisering van deze kinderen; benadrukt dat er nog steeds miljoenen kinderen aan ondervoeding lijden en dat dit voor velen onder hen onomkeerbare gevolgen op lange termijn inhoudt en zelfs de dood tot gevolg kan hebben; verzoekt de Commissie en de internationale gemeenschap innovatieve methoden in te voeren om ondervoeding op doeltreffende wijze aan te pakken, met name bij kinderen, door op maximale wijze gebruik te maken van de volledige voedselketen, dus onder meer via samenwerkingsverbanden tussen overheden, bedrijven en individuen, en met alle andere beschikbare middelen, met name de sociale media;

120.  wijst erop dat er internationale bijstand nodig is om te proberen vrouwen en kinderen die nog steeds gevangen worden gehouden door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties op te sporen en te bevrijden, alsook om binnen de Europese Unie en wereldwijd specifieke programma's te bevorderen voor de behandeling van wie gevangen heeft gezeten; uit zijn bezorgdheid over het ronselen van kinderen en de deelname van kinderen aan terroristische en militaire activiteiten; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen vast te stellen als leidraad voor de zoektocht naar en de bevrijding, rehabilitatie en re-integratie van deze kinderen; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen te bevorderen voor de ontwapening, rehabilitatie en re-integratie van kindsoldaten; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, zodat kinderrechten in zowel het extern als het intern EU-beleid tot prioriteit worden verheven en de rechten van kinderen worden bevorderd, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, ook in conflictgebieden en vluchtelingenkampen;

De rechten van ouderen

121.  is verheugd over doelstelling 16, onder g), van het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), die gericht is op bewustmaking met betrekking tot de mensenrechten en specifieke behoeften van ouderen; is bezorgd over de negatieve gevolgen van discriminatie op grond van leeftijd; benadrukt de bijzondere uitdagingen waarmee ouderen te maken krijgen bij de uitoefening van hun mensenrechten, bijvoorbeeld wanneer ze toegang willen krijgen tot sociale bescherming en gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten de huidige herziening van het Internationaal actieplan van Madrid inzake vergrijzing aan te grijpen om de toepassing van bestaande instrumenten in kaart te brengen en mogelijke lacunes aan te wijzen; roept de EU en haar lidstaten op actief betrokken te zijn bij de open werkgroep van de VN inzake ouderdom en zich meer in te spannen om de rechten van ouderen te beschermen en te bevorderen, onder meer door te overwegen een nieuw rechtsinstrument te ontwikkelen;

Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)

122.  is diep verontrust door de toename van geweld en discriminatie ten aanzien van LGBTI's; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de recente toename van discriminerende wetten en daden van geweld ten aanzien van personen op basis van hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken, en over het feit dat 73 landen homoseksualiteit nog steeds strafbaar stellen (onder meer door LGBTI's aan te klagen wegens "losbandig gedrag"), waarvan 13 landen(61) waar de doodstraf is toegestaan, en dat transgenderidentiteiten nog steeds strafbaar zijn in 20 landen; is ernstig bezorgd over de zogenaamde "propagandawetten" die gericht zijn op de beperking van de vrijheid van meningsuiting en vereniging van LGBTI's en diegenen die hun rechten ondersteunen; verzoekt alle landen die dergelijke wetten hebben deze bepalingen in te trekken; veroordeelt krachtig dat de vrijheid van vergadering en vereniging van LGBTI-groepen en verdedigers van hun rechten in toenemende mate aan banden wordt gelegd en dat zij voorwaarden krijgen opgelegd die hun werking bemoeilijken, hetgeen ook geldt voor evenementen en protesten zoals pride-optochten, waarbij in sommige gevallen sprake is van gewelddadig optreden van de autoriteiten tegen de demonstranten; bevestigt opnieuw dat deze fundamentele vrijheden een cruciale rol spelen in de werking van democratische samenlevingen en dat staten verantwoordelijk zijn om te waarborgen dat deze rechten worden geëerbiedigd en dat al wie deze rechten uitoefent op bescherming kan rekenen; vraagt de EDEO voorrang te geven aan maatregelen in landen waar LGBTI's te maken krijgen met geweld, moord, misbruik en discriminatie en deze maatregelen te versterken door dergelijke praktijken te veroordelen overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf en de EU‑richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en door op dit gebied te blijven samenwerken met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens; benadrukt hoe belangrijk het is het werk van verdedigers van de mensenrechten van LGBTI's te ondersteunen, via een verhoging van de steun en middelen voor doeltreffende programmering, door campagnes te organiseren, ook met financiering uit hoofde van het EIDHR, om het publiek bewust te maken van discriminatie en geweld ten aanzien van LGBTI's, en door ervoor te zorgen dat noodhulp wordt geboden aan al wie dergelijke steun nodig heeft; verzoekt de EU‑delegaties en de betreffende instellingen deze rechten en fundamentele vrijheden actief te bevorderen;

123.  is ingenomen met de richtsnoeren van de Raad Buitenlandse Zaken voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door LGBTI's, die op 24 juni 2013 zijn aangenomen; verzoekt de EDEO en de Commissie aan te dringen op een meer strategische en systematische toepassing van de richtsnoeren, onder meer door bewustmaking en opleiding van EU‑personeel in derde landen, zodat de kwestie van LGBTI-rechten op doeltreffende wijze ter sprake wordt gebracht in politieke en mensenrechtendialogen met derde landen en in multilaterale fora; benadrukt hoe belangrijk het is de EU-richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten ruim te verspreiden onder LGBTI's; dringt aan op concrete maatregelen om de samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU inzake LGBTI-rechten te vergroten;

124.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan te blijven bijdragen aan het debat over de erkenning van het huwelijk of geregistreerd partnerschap van personen van hetzelfde geslacht door dit naar voren te schuiven als een kwestie van politieke, sociale, mensen- en burgerrechten; is verheugd dat een toenemend aantal landen het recht een gezin te stichten door middel van een huwelijk, geregistreerd partnerschap en adoptie eerbiedigen zonder discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, en verzoekt de Commissie en de lidstaten voorstellen uit te werken voor de wederzijdse erkenning van deze samenlevingsvormen en van gezinnen met partners van hetzelfde geslacht in de gehele EU, zodat gelijke behandeling met betrekking tot werkgelegenheid, vrij verkeer, belasting en sociale zekerheid wordt gewaarborgd en de inkomens van gezinnen en kinderen worden beschermd;

Rechten van inheemse volkeren en van personen die tot minderheden behoren

125.  stelt met grote bezorgdheid vast dat inheemse volkeren nog steeds een bijzonder risico op discriminatie lopen en vooral kwetsbaar zijn voor politieke, economische, milieugerelateerde en arbeidsgerelateerde verandering en ontwrichting; wijst erop dat de meesten van deze mensen onder de armoededrempel leven en nauwelijks of geen toegang hebben tot politieke vertegenwoordiging en besluitvorming, hetgeen in strijd is met hun recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming als gewaarborgd in de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren en erkend in de Europese consensus inzake ontwikkeling van 2005; maakt zich in het bijzonder zorgen over meldingen van wijdverspreide en toenemende mensenrechtenschendingen ten aanzien van inheemse volkeren, waaronder de vervolging, de willekeurige arrestatie en het vermoorden van mensenrechtenverdedigers, alsook gedwongen ontheemding, landroof en mensenrechtenschendingen door bedrijven;

126.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat inheemse volkeren in het bijzonder te lijden hebben onder schendingen van de mensenrechten die verband houden met de winning van hulpbronnen; verzoekt de Commissie en de EDEO strenge rechtskaders en wetgevingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op het waarborgen van transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren die natuurlijke hulpbronnen aanboren, en daardoor ook van de eerbiediging van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de plaatselijke bevolking en de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de EU‑delegaties de dialoog met inheemse volkeren op het terrein verder te intensiveren om mensenrechtenschendingen te signaleren en te voorkomen;

127.  benadrukt dat minderheidsgroepen specifieke behoeften hebben en dat daarom in alle facetten van het economische, sociale, politieke en culturele leven moet worden gestreefd naar een volledige en daadwerkelijke gelijkheid tussen personen die tot een minderheid behoren en personen die tot de meerderheid behoren; dringt er bij de Commissie op aan tijdens het volledige verloop van het uitbreidingsproces nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van bepalingen ter bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren;

De rechten van personen die op grond van kaste worden gediscrimineerd

128.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen ten aanzien van personen die het slachtoffer zijn van hiërarchische kastenstelsels en van discriminatie op grond van kaste, zoals de ontzegging van gelijkheid en van toegang tot het rechtssysteem en werk, alsook de permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen wat de verwezenlijking van fundamentele mensenrechten en ontwikkeling betreft; is erg verontrust door het alarmerend aantal gewelddadige aanvallen op Dalits op grond van kaste en door geïnstitutionaliseerde discriminatie die ongestraft blijft; herhaalt zijn oproep voor de ontwikkeling van EU‑beleid inzake discriminatie op grond van kaste en verzoekt de EU elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig verontrust te tonen over discriminatie op grond van kaste;

Internationaal Strafhof (ICC) / overgangsjustitie

129.  wijst nogmaals op de universaliteit van het ICC en spreekt opnieuw zijn volledige steun uit voor de werkzaamheden van het hof; benadrukt de belangrijke rol die voor het ICC is weggelegd om een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aanbelangen, en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert met betrekking tot pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen;

130.  herinnert aan zijn resolutie van 4 februari 2016 waarin de leden van de VN‑Veiligheidsraad worden opgeroepen hun steun uit te spreken voor verwijzing door de Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof om een onderzoek in te stellen naar schendingen die in Irak en Syrië door de zogenoemde IS/Da'esh zijn gepleegd jegens christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs), jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden;

131.  is verheugd over de door Oekraïne afgelegde verklaring waarin de jurisdictie van het ICC wordt aanvaard voor sinds 20 februari 2014 in het land gepleegde misdaden, aangezien met deze verklaring voor de aanklager van het ICC het pad wordt geëffend om af te wegen of het hof een onderzoek kan instellen naar wanpraktijken die tijdens het gewapend conflict zijn begaan, ook al is Oekraïne nog geen ICC-lidstaat;

132.  is ingenomen met de conclusies van de Raad inzake de steun van de EU aan overgangsjustitie, en waardeert het EU-beleidskader inzake steun aan overgangsjustitie, waarbij de EU de eerste regionale organisatie is die een dergelijk beleid vaststelt; verzoekt de EU, haar lidstaten en haar speciale vertegenwoordigers het ICC, de handhaving van zijn beslissingen en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen actief te bevorderen, en spreekt er zijn ernstige bezorgdheid over uit dat tal van aanhoudingsbevelen nog steeds niet zijn uitgevoerd; spoort de EU en haar lidstaten aan met het ICC samen te werken en krachtige diplomatieke en politieke steun te blijven geven aan inspanningen om de betrekkingen tussen het ICC en de VN te versterken en uit te breiden, met name in de context van de VN‑Veiligheidsraad, alsook maatregelen te nemen om niet-medewerking met het ICC te voorkomen en anders doeltreffend in te grijpen; herhaalt zijn oproep aan de EU om een gemeenschappelijk standpunt aan te nemen inzake het misdrijf agressie en de Kampala-amendementen, en verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de definities als uiteengezet in de Kampala-amendementen en de samenwerking met het ICC te verbeteren; betreurt de minachting ten aanzien van het ICC waarvan verscheidene landen blijk geven door zich te onttrekken of door te dreigen zich te zullen onttrekken aan de jurisdictie van het ICC;

133.  herhaalt zijn oproep voor de invoering van de functie van speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationale rechtspraak en internationaal humanitair recht om deze onderwerpen de aandacht en zichtbaarheid te geven die ze verdienen, om de EU‑agenda daadwerkelijk vooruit te helpen en de toezeggingen van de EU inzake de strijd tegen straffeloosheid en vóór het ICC te integreren in het hele buitenlands beleid van de EU;

134.  verzoekt de EU en haar lidstaten om het ICC van voldoende financiering te voorzien en om hun steun aan het internationaal strafrechtelijk systeem, met inbegrip van overgangsjustitie, te versterken;

Internationaal humanitair recht (IHR)

135.  veroordeelt het gebrek aan eerbiediging van het IHR en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de alarmerende toename van nevenschade in gewapende conflicten overal ter wereld en van dodelijke aanvallen op ziekenhuizen, scholen, humanitaire konvooien en andere burgerdoelwitten; toont zich erg verontrust door de groeiende invloed van acties van niet-overheidsactoren in conflicten overal ter wereld en dringt er bij de EU op aan alle beschikbare instrumenten aan te wenden om naleving van het IHR door overheids- en niet‑overheidsactoren te verbeteren; is verheugd over de belofte van de EU en de lidstaten aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) om de oprichting van een effectief mechanisme voor het bevorderen van de naleving van het IHR volop te steunen en verzoekt de VV/HV verslag uit te brengen aan het Parlement inzake haar doelstellingen en strategie om deze belofte gestand te doen; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie bijeen te roepen ter voorbereiding van een nieuw internationaal mechanisme voor het opsporen, verzamelen en openbaar maken van gegevens over schendingen van het IHR, met inbegrip van aanvallen op ziekenhuizen, medisch personeel en ziekenwagens; is van mening dat een dergelijk mechanisme kan voortbouwen op het bestaande mechanisme voor kinderen en gewapende conflicten (CAAC); verzoekt de VV/HV ieder jaar een openbare lijst van vermeende daders van aanvallen op scholen en ziekenhuizen te presenteren, zodat passende EU‑maatregelen kunnen worden geformuleerd om dergelijke aanvallen een halt toe te roepen;

136.  betreurt dat zeven lidstaten het Verdrag inzake clustermunitie nog niet hebben geratificeerd; verzoekt de EU en haar lidstaten een wereldwijd verbod op het gebruik van witte fosfor te steunen, met name door de sluiting van een nieuw protocol bij het Conventionelewapensverdrag waarin het gebruik van dergelijke wapens wordt verboden;

137.  verzoekt de lidstaten de belangrijkste instrumenten van het IHR en andere rechtsinstrumenten die van invloed zijn op het IHR te ratificeren; is zich bewust van het belang van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR en herhaalt zijn verzoek aan de VV/HV en de EDEO om de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren te herzien in het licht van de tragische gebeurtenissen in het Midden-Oosten, met name in het kader van de wijdverbreide en systematische straffeloosheid voor grove schendingen van het IHR en het recht inzake de mensenrechten; verzoekt de EU steun te bieden aan initiatieven voor het verspreiden van kennis over het IHR en van goede praktijken wat de toepassing ervan betreft, en roept de EU op alle beschikbare bilaterale instrumenten op doeltreffende wijze in te zetten om de naleving van het IHR door haar partners te bevorderen, onder meer door politieke dialoog; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om zich aan te sluiten bij internationale initiatieven om te voorkomen dat scholen door gewapende groeperingen worden aangevallen en voor militaire doeleinden worden gebruikt door de Verklaring inzake veilige scholen te onderschrijven, die als doel heeft een einde te maken aan de talrijke militaire aanvallen op scholen tijdens gewapende conflicten;

138.  dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie te beleggen, zodat de doeltreffendheid van internationale humanitaire regels wordt vergroot;

139.  verzoekt de VV/HV nogmaals een initiatief op te starten om een EU‑wapenembargo op te leggen aan landen die beschuldigd worden van ernstige aantijgingen inzake schendingen van het IHR, met name in verband met het bewust tot doelwit maken van civiele infrastructuur; benadrukt dat het blijven verlenen van vergunningen voor de verkoop van wapens aan dergelijke landen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008; vraagt de lidstaten te overwegen gevangenen uit Guantánamo in de EU op te nemen; benadrukt dat de gevangenis van Guantánamo Bay zo snel mogelijk moet wordt gesloten;

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging

140.  veroordeelt, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alle daden van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie op basis van ideologie, godsdienst of overtuiging; uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende meldingen van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie ten aanzien van religieuze of levensbeschouwelijke minderheden overal ter wereld; benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging een fundamenteel mensenrecht is dat nauw samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en het recht om te geloven of niet te geloven omvat, evenals het recht om al dan niet uiting te geven aan een godsdienst of overtuiging en het recht om een overtuiging naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen, zoals verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; verzoekt de EU en haar lidstaten politieke gesprekken aan te gaan opdat wetgeving inzake godslastering wordt ingetrokken; verzoekt de EU en haar lidstaten te waarborgen dat minderheden overal ter wereld worden geëerbiedigd en beschermd, ook in het Midden-Oosten, waar atheïsten en minderheden van jezidi's, christenen en moslims worden vervolgd door Da'esh en andere terroristische groeperingen; betreurt het misbruiken van een godsdienst of overtuiging voor terroristische doeleinden;

141.  steunt de verbintenis van de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen in internationale en regionale fora, waaronder de VN, de OVSE, de Raad van Europa en andere regionale mechanismen, en spoort de EU aan haar jaarlijkse resolutie over vrijheid van godsdienst of overtuiging te blijven indienen bij de VN en steun te blijven geven aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; spoort de VV/HV en de EDEO aan om een permanente dialoog aan te gaan met ngo's, groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging en religieuze leiders;

142.  geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de UNHRC en op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) het initiatief te nemen voor thematische resoluties over de vrijheid van godsdienst en overtuiging, spoort de EU aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te steunen en dringt er bij landen die momenteel niet ingaan op een verzoek voor een bezoek van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op aan dit vooralsnog te doen;

143.  verzoekt de EU haar bestaande instrumenten aan te scherpen en eventuele andere instrumenten binnen haar mandaat vast te stellen om te waarborgen dat religieuze minderheden wereldwijd effectief worden beschermd;

144.  dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat de EU‑richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, onder meer door: te zorgen voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU‑personeel in hoofdkantoren en delegaties; verslag uit te brengen over situaties per land en lokale situaties; en nauw samen te werken met lokale actoren, in het bijzonder met leiders van groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging;

145.  stelt met ernstige bezorgdheid vast dat de positie van gemeenschappen met een bepaalde godsdienst of overtuiging in sommige delen van de wereld wordt bedreigd, waarbij volledige geloofsgemeenschappen verdwijnen of op de vlucht slaan;

146.  wijst erop dat de christenen momenteel overal ter wereld het meest van alle religieuze groepen worden lastiggevallen en geïntimideerd, ook in Europa, waar christelijke vluchtelingen regelmatig worden vervolgd op religieuze gronden, en dat enkele van de oudste christelijke gemeenschappen gevaar lopen te verdwijnen, met name in Noord-Afrika en het Midden-Oosten;

147.  spoort de internationale gemeenschap en de EU aan minderheden bescherming te bieden en veilige zones tot stand te brengen; dringt aan op erkenning, zelfbestuur en bescherming voor etnische en religieuze minderheden die in gebieden wonen waar ze historisch altijd sterk aanwezig zijn geweest en vreedzaam met elkaar hebben samengeleefd – bijvoorbeeld in het Sinjargebergte (jezidi's) en de vlakte van Nineve (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs); dringt aan op speciale bijstand om te proberen (massa)graven te beschermen in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, teneinde de stoffelijke overschotten op te graven en forensisch te onderzoeken, zodat de stoffelijke overschotten van de slachtoffers op een fatsoenlijke manier kunnen worden begraven of kunnen worden vrijgegeven aan de familie; dringt aan op de totstandbrenging van een speciaal fonds om initiatieven voor het veiligstellen van bewijsmateriaal te helpen financieren, zodat vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden onderzocht en vervolgd; dringt aan op maatregelen van de EU en haar lidstaten om met spoed een groep deskundigen aan te stellen voor het verzamelen van al het bewijsmateriaal met betrekking tot internationale misdaden, met inbegrip van genocide, die momenteel waar dan ook ter wereld worden gepleegd tegen religieuze en etnische minderheden, onder meer ook voor het beschermen van massagraven in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, ter voorbereiding van internationale vervolging van de verantwoordelijken;

Vrijheid van meningsuiting online en offline en via audiovisuele en andere mediabronnen

148.  benadrukt dat mensenrechten en fundamentele vrijheden universeel zijn en in alle uitingsvormen wereldwijd moeten worden verdedigd;

149.  benadrukt het belang van vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media als fundamentele elementen op de weg naar democratie, en beklemtoont dat de positie van burgers en het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt om transparantie en verantwoordingsplicht in de overheidssector te waarborgen;

150.  maakt zich zorgen over de toename van het aantal arrestaties en intimidatiepogingen ten aanzien van journalisten in tal van landen en benadrukt dat deze praktijken een zware belemmering vormen voor de persvrijheid; dringt er bij de EU en de internationale gemeenschap op aan onafhankelijke journalisten en bloggers te beschermen, de digitale kloof te dichten en de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, evenals de ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid), te bevorderen;

151.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de proliferatie en verspreiding van monitoring-, bewakings-, censuur- en filtertechnologieën, hetgeen een toenemend gevaar vormt voor democratie- en mensenrechtenactivisten in autocratische landen;

152.  veroordeelt ten stelligste dat een toenemend aantal mensenrechtenverdedigers te maken krijgt met digitale bedreigingen, waaronder gecompromitteerde gegevens door inbeslagname van apparatuur, bewaking op afstand en data leakage; veroordeelt de praktijk van online bewaking en hacking voor het vergaren van informatie die kan worden gebruikt in rechtszaken of lastercampagnes, alsook in rechtszaken wegens laster;

153.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over autoriteiten die controle uitoefenen op het internet, de media en de academische wereld, alsook over de toegenomen intimidatie, pesterijen en willekeurige arrestaties waarmee mensenrechtenverdedigers, advocaten en journalisten worden geconfronteerd;

154.  verwerpt beperkende maatregelen met betrekking tot digitale communicatie, waaronder het opdoeken van websites en het blokkeren van persoonlijke accounts door autoritaire regimes met de bedoeling de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen en als een manier om oppositiestemmen het zwijgen op te leggen en het maatschappelijk middenveld te onderdrukken; verzoekt de EU en haar lidstaten om regimes die de digitale communicatie van hun critici en tegenstanders beperken publiekelijk te veroordelen;

155.  beklemtoont hoe belangrijk het is om in alle mogelijke betrekkingen met derde landen, waaronder toetredingsonderhandelingen, handelsbesprekingen, mensenrechtendialogen en diplomatieke betrekkingen, op te komen voor onbeperkte toegang tot het internet, en om informatie over mensenrechten en democratie zo toegankelijk mogelijk te maken voor mensen over de hele wereld;

156.  is bezorgd over de toename van haatzaaiende uitlatingen, met name op socialemediaplatforms; verzoekt de Commissie vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te betrekken bij deze kwestie, om te waarborgen dat er in onderhandelingen over gedragscodes rekening wordt gehouden met hun standpunten; spreekt ten stelligste zijn afkeuring uit over het verspreiden van haatzaaiende uitlatingen die aanzetten tot geweld en terreur;

157.  dringt erop aan meer steun te bieden op het gebied van de bevordering van de vrijheid van de media, de bescherming van onafhankelijke journalisten, bloggers en klokkenluiders, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, alsook het vrijwaren van een ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid);

158.  dringt aan op een actieve ontwikkeling en verspreiding van technologieën die bijdragen tot de bescherming van de mensenrechten en die bevorderend zijn voor de digitale vrijheden en rechten, alsook de veiligheid en privacy van mensen;

159.  verzoekt de EU gratis software en opensourcesoftware in gebruik te nemen en andere actoren aan te sporen hetzelfde te doen, daar zulke software zorgt voor verbeterde veiligheid en een betere eerbiediging van de mensenrechten;

160.  roept de Commissie en de lidstaten op in alle internationale fora, waaronder het Forum voor internetbeheer van de VN, de G8, de G20, de OVSE en de Raad van Europa, aandacht te vragen voor de vrijheid van meningsuiting online, de digitale vrijheden en het belang van een vrij en open internet;

Terrorismebestrijding

161.  spreekt nogmaals zijn ondubbelzinnige veroordeling van terrorisme uit, alsook zijn volledige steun ten aanzien van maatregelen die gericht zijn op de uitroeiing van terroristische organisaties, met name Da'esh, een groepering die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormt, maar wijst er tegelijkertijd op dat in deze maatregelen het internationaal recht inzake de mensenrechten altijd volledig moet worden geëerbiedigd; steunt de tenuitvoerlegging van resolutie 2178 (2014) van de VN‑Veiligheidsraad over de bestrijding van dreigingen die uitgaan van buitenlandse terroristische strijders, en van de leidende beginselen van Madrid inzake het tegengaan van de toestroom van buitenlandse terroristische strijders;

162.  wijst er nogmaals op dat in het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie wordt beklemtoond dat de eerbiediging van de vrijheid van mening en meningsuiting moet worden geïntegreerd in ontwikkelingsbeleid en programma's die verband houden met terrorisme, waaronder het gebruik van digitale bewakingstechnologieën; onderstreept dat de lidstaten volop gebruik moeten maken van de bestaande instrumenten voor het aanpakken van de radicalisering van Europese burgers en effectieve programma's moeten ontwikkelen waarmee terroristische en extremistische propaganda en rekruteringsmethoden kunnen worden tegengegaan, met name online, en waarmee wordt gewerkt aan de preventie van radicalisering; benadrukt dat er zo snel mogelijk een gecoördineerd EU‑beleid moet komen en dringt erop aan dat de lidstaten samenwerken op gevoelige gebieden, met name de uitwisseling van informatie en inlichtingen;

163.  vraagt dat de EU met de VN blijft samenwerken inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, onder meer door gebruik te maken van bestaande mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties, en dat ze mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal blijft versterken, zonder afbreuk te doen aan de internationale normen voor eerlijke rechtsbedeling en de rechtsstaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten met spoed een effectieve dialoog aan te gaan over dit onderwerp met staten die terroristische organisaties financieren of ondersteunen, of die hun burgers hierbij geen strobreed in de weg leggen;

De doodstraf

164.  wijst nogmaals op het EU‑standpunt van nultolerantie ten aanzien van de doodstraf en herhaalt dat de EU zich sinds lang verzet tegen de doodstraf, foltering en wrede, onmenselijke en onterende behandeling en bestraffing, in alle gevallen en onder alle omstandigheden;

165.  is ingenomen met de afschaffing van de doodstraf in Fiji, Suriname, Mongolië en de Amerikaanse staat Nebraska;

166.  stelt met grote bezorgdheid vast dat een aantal landen de afgelopen jaren opnieuw is begonnen met het uitvoeren van terechtstellingen; betreurt dat politieke leiders in andere landen overwegen de doodstraf opnieuw in te voeren; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de gemelde toename van het aantal doodvonnissen in 2015 wereldwijd, met name in China, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan en Saudi-Arabië; herinnert de autoriteiten in deze landen eraan dat ze partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, uit hoofde waarvan de doodstraf voor misdaden begaan door iemand die nog geen 18 jaar oud is strikt wordt verboden;

167.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het toenemende aantal doodvonnissen dat wordt uitgesproken in massaprocessen, zonder enige waarborging van minimumnormen voor een eerlijke rechtsgang zoals vereist op grond van het internationaal recht;

168.  veroordeelt de toename van het aantal doodvonnissen voor drugsdelicten ten stelligste en dringt erop aan dat de doodstraf en standrechtelijke executies voor dergelijke delicten niet worden toegepast;

169.  verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op de uitvoering van doodvonnissen, standvastig te blijven in hun verbintenissen en de doodstraf niet opnieuw in te voeren; verzoekt de EU om samenwerking en diplomatie te blijven inzetten in alle mogelijke fora wereldwijd om een pleidooi te houden tegen de doodstraf en er tegelijkertijd voor te zorgen dat het recht op een onpartijdig gerecht volledig wordt geëerbiedigd voor al wie een terechtstelling te wachten staat; benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU toezicht blijft houden op de omstandigheden waaronder mensen worden terechtgesteld in landen waar de doodstraf bestaat, om erop toe te zien dat de lijst van terdoodveroordeelden openbaar wordt gemaakt en de lichamen aan de families worden teruggegeven;

170.  beklemtoont dat het belangrijk is dat de EU haar beleid voor de mondiale afschaffing van de doodstraf in de schijnwerpers blijft plaatsen, in overeenstemming met de in 2013 herziene EU‑richtsnoeren over de doodstraf, en dat ze argumenten blijft aanvoeren tegen de doodstraf; verzoekt de EU om verder te blijven werken aan de wereldwijde afschaffing ervan, op zoek te gaan naar nieuwe manieren om hiervoor te ijveren en in het kader van het EIDHR steun te verlenen aan maatregelen ter preventie van doodvonnissen of terechtstellingen; vraagt dat de EU‑delegaties activiteiten blijven organiseren om het bewustzijn hierover aan te wakkeren;

Strijd tegen foltering en mishandeling

171.  toont zich diep bezorgd over de aanhoudende praktijk van foltering en mishandeling ten aanzien van personen in hechtenis, onder meer om bekentenissen af te dwingen die vervolgens worden gebruikt in strafprocessen die manifest tekortschieten op het vlak van internationale normen inzake rechtvaardige behandeling;

172.  betreurt de wijdverbreide praktijk van foltering en mishandeling jegens andersdenkenden in de samenleving om hen het zwijgen op te leggen, alsook jegens kwetsbare groepen als etnische, taalkundige en religieuze minderheden, LGBTI's, vrouwen, kinderen, asielzoekers en migranten;

173.  veroordeelt de foltering en mishandeling die door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties worden veroorzaakt in de sterkst mogelijke bewoordingen; drukt zijn solidariteit uit met de families en gemeenschappen van alle slachtoffers die getroffen zijn door dit geweld; veroordeelt de praktijken van Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties waarbij minderheden worden gediscrimineerd of in het vizier worden genomen; verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap een grotere inspanning te leveren ten aanzien van de dringende noodzaak om elk verder lijden op doeltreffende wijze te voorkomen;

174.  vindt de detentieomstandigheden en de staat van de gevangenissen in een aantal landen zeer zorgwekkend; acht het van essentieel belang dat alle vormen van foltering en mishandeling, waaronder psychische foltering, ten aanzien van gevangenen worden bestreden en dat meer wordt gedaan voor de naleving van het internationaal recht ter zake, met name wat betreft de toegang tot gezondheidszorg en geneesmiddelen; veroordeelt resoluut alle schendingen van dit recht en is van oordeel dat het niet behandelen van gevangenen voor ziekten als hepatitis of hiv neerkomt op het niet verlenen van hulp aan personen in nood;

175.  dringt er gezien de niet aflatende stroom meldingen van algemeen gangbare standrechtelijke executies, folterpraktijken en mishandeling over de hele wereld bij de EDEO op aan om in dialogen op alle niveaus en in alle fora een grotere inspanning te leveren met betrekking tot de strijd van de EU tegen standrechtelijke executies, foltering en andere mishandeling, in overeenstemming met de richtsnoeren voor een EU‑beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

176.  dringt er bij de EDEO op aan op systematische wijze zijn bezorgdheid te laten blijken over foltering en mishandeling in politieke en mensenrechtendialogen met de betrokken landen en in publieke verklaringen, en verzoekt de EU‑delegaties en de ambassades van de lidstaten op het terrein toezicht te houden op gevallen van foltering en mishandeling en concrete maatregelen te nemen om deze compleet uit te bannen, de strafprocessen die hiermee verband houden te observeren en alle beschikbare instrumenten in te zetten om de betrokken personen bij te staan;

Drones

177.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de inzet van gewapende drones buiten het internationale rechtskader; dringt er bij de lidstaten op aan inzake gewapende drones duidelijke beleidslijnen en rechtsposities te formuleren en herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones, waarin de mensenrechten en het IHR worden geëerbiedigd en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht, de bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van buitengerechtelijk en doelgericht doden en zich ertoe te verbinden passende maatregelen te treffen, overeenkomstig de binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een individu of entiteit binnen haar rechtsgebied in verband zou kunnen worden gebracht met onwettig doelgericht doden in het buitenland; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Raad gewapende drones en volledig autonome wapens op te nemen in relevante Europese en internationale regelingen voor ontwapening en wapenbeheersing, en dringt er bij de lidstaten op aan deze regelingen te hanteren en te versterken; verzoekt de EU om bij het inzetten van gewapende drones meer transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen vanwege haar lidstaten, boven alles ten aanzien van derde landen, wat de rechtsgrondslag voor hun gebruik en de operationele verantwoordelijkheid betreft, teneinde rechterlijke toetsing van droneaanvallen mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat slachtoffers van onrechtmatige droneaanvallen toegang hebben tot doeltreffende voorzieningen in rechte;

178.  benadrukt dat er een EU‑verbod is op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; roept de EU op zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van onwettig doelgericht doden;

179.  verzoekt de Commissie het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU‑middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die verband houden met de constructie van drones, zowel voor civiele als militaire doeleinden; dringt aan op mensenrechteneffectbeoordelingen van toekomstige projecten voor de ontwikkeling van drones;

180.  benadrukt dat de invloed die technologieën hebben op de verbetering van de mensenrechten moet worden geïntegreerd in EU‑beleid en ‑programma's met het oog op een betere bescherming van de mensenrechten en een sterkere bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vreedzame conflictoplossing;

Ondersteuning van democratie en verkiezingen en verkiezingswaarnemingsmissies

181.  herinnert eraan dat een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging en de eerbiediging van de rechtsstaat centrale elementen zijn voor eerlijke en democratische verkiezingen; verzoekt de EU erop toe te zien dat lokale ngo's over de ruimte beschikken om het verloop van verkiezingen op gerechtvaardigde wijze waar te nemen en erop toe te zien; onderstreept dat corruptie een bedreiging vormt voor de gelijkwaardige uitoefening van mensenrechten en de democratische processen ondermijnt; is van mening dat de EU het belang van integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken moet beklemtonen in alle dialogen met derde landen, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC); herinnert eraan dat de EU zich aan de toezegging moet houden die ze heeft gemaakt ten aanzien van haar partners, met name in de buurlanden, om economische, sociale en politieke hervormingen te steunen, de mensenrechten te beschermen en te helpen bij de invoering van de rechtsstaat, aangezien dit de beste manier is om de internationale orde te versterken en de stabiliteit in haar buurlanden te waarborgen; beklemtoont in dit verband dat de herziening van het nabuurschapsbeleid de gelegenheid bij uitstek was om opnieuw te verklaren dat de verdediging van universele waarden en de bevordering van mensenrechten centrale doelstellingen van de Unie zijn; herinnert eraan dat de ervaringen die zijn opgedaan door de EU, politici, academici, de media, ngo's en het maatschappelijk middenveld en de lessen die zijn getrokken uit de overgang naar democratie in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kunnen bijdragen aan de vaststelling van beproefde methoden die kunnen worden gebruikt voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld; is in dit verband ingenomen met het werk van het Europees Fonds voor Democratie en EU‑programma's ter ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met name het EIDHR;

182.  pleit ervoor dat de EU een bredere benadering van democratiseringsprocessen ontwikkelt, aangezien verkiezingswaarnemingen slechts één dimensie vormen van een langere en bredere cyclus; herhaalt dat politieke transitie en democratisering enkel duurzaam en succesvol kunnen zijn wanneer ze samengaan met de eerbiediging van mensenrechten en gelijke toegang tot het democratisch proces voor vrouwen, personen met een handicap en andere gemarginaliseerde groepen, de bevordering van gerechtigheid, transparantie, verantwoordingsplicht, verzoening, de rechtsstaat, economische en sociale ontwikkeling, maatregelen om extreme armoede tegen te gaan en de totstandbrenging van democratische instellingen; benadrukt dat de EU het bestrijden van corruptie in landen die democratiseringsprocessen doormaken tot prioriteit moet verheffen, aangezien dit verschijnsel de bescherming en bevordering van goed bestuur in de weg staat, georganiseerde misdaad stimuleert en in verband staat met verkiezingsfraude;

183.  is verheugd over de gezamenlijke mededeling over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid, en herinnert eraan dat, zoals bepaald in het VEU, de betrekkingen tussen de EU en haar buurlanden gebaseerd moeten zijn op de waarden van de Unie, waaronder mensenrechten en democratie; benadrukt dat een bijdrage aan de stabilisering van het nabuurschap hand in hand gaat met de bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten;

184.  benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen en het maatschappelijk middenveld in buurlanden moet blijven ondersteunen; wijst in dit verband in positieve zin op de niet‑aflatende inzet van het Europees Fonds voor Democratie in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap van de EU om de eerbiediging van grondrechten, fundamentele vrijheden en democratische beginselen te bevorderen;

185.  benadrukt dat het uitbreidingsbeleid een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van democratische beginselen en mensenrechten te versterken; verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen aan de versterking van een democratische politieke cultuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de media en de rechterlijke macht, en de bestrijding van corruptie in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

186.  verzoekt de Commissie en de EDEO hun volledige steun te blijven verlenen aan democratische processen in uitvoering in derde landen, alsook aan politieke dialoog tussen partijen uit regering en oppositie, en het maatschappelijk middenveld; dringt aan op het belang van een consequente follow-up van aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies als onderdeel van het engagement van de EU ter ondersteuning van democratie en als onderdeel van de landenstrategieën inzake mensenrechten voor de betrokken landen; vraagt om nauwere coördinatie en samenwerking tussen het Parlement en de Commissie/de EDEO om een follow-up van de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen te waarborgen en ervoor te zorgen dat gebruik wordt gemaakt van de gerichte financiële en technische bijstand die de EU zou kunnen bieden; verzoekt de Commissie een algemene beoordeling te geven van de procedures voor toezicht op verkiezingen;

187.  verzoekt de Raad en de EDEO in het geografische onderdeel van het EU‑jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld een specifiek hoofdstuk op te nemen – voor de betreffende landen – over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen die zijn vastgesteld in het kader van de verkiezingswaarnemingsmissies; herinnert aan de toezegging die in het actieplan is geformuleerd door de EDEO, de Commissie en de lidstaten om op een meer vastberaden en consequente manier in derde landen overleg te plegen met verkiezingsinstanties, parlementaire instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om zo een bijdrage te leveren aan de versterking van hun positie en daardoor ook het democratisch proces te helpen versterken;

188.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat haar verkiezingsactiviteiten – bestaande uit waarneming en bijstand – worden gecombineerd met vergelijkbare ondersteuning voor andere belangrijke actoren binnen een democratisch stelsel, zoals politieke partijen, parlementen, plaatselijke overheden, onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld;

189.  verzoekt de EU te blijven werken aan de vaststelling van beste praktijken op dit gebied, onder meer in de context van conflictpreventiemaatregelen, bemiddeling en de bevordering van dialoog, teneinde een samenhangende, flexibele en geloofwaardige EU‑benadering te ontwikkelen;

190.  erkent het succesvolle werk van de EDEO en EU‑delegaties bij het voltooien van de tweede generatie democratie-analyses en de vorderingen op het gebied van actieplannen inzake democratie, en verzoekt de VV/HV erop toe te zien dat de actieplannen worden omgezet in concrete ondersteuning van democratie op het terrein;

191.  verzoekt de EDEO voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan in het kader van de democratie-analyses om voorbereidingen te treffen opdat deze analyses in haar buitenlands optreden worden geïntegreerd, en merkt op dat het toevoegen van de component democratie aan de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie weliswaar wordt toegejuicht, maar dat dit niet voldoende is om een echt volledig beeld te krijgen van de democratie in een partnerland;

o
o   o

192.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten.

(1)http://www.un.org/womenwatch/daw/cedaw/cedaw.htm.
(2)PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(3)http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/CMW.aspx.
(4)A/RES/41/128.
(5)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/2
(6)http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/Vienna.aspx
(7)http://www.un.org/womenwatch/daw/beijing/pdf/BDPfA%20E.pdf
(8)http://www.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/programme_of_action_Web%20ENGLISH.pdf
(9)http://www.ohchr.org/Documents/Publications/PTS-4Rev1-NHRI_en.pdf
(10)https://europa.eu/globalstrategy/en/global-strategy-foreign-and-security-policy-european-union
(11)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11855-2012-INIT/nl/pdf
(12)https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cmsUpload/111817.pdf
(13)http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52009XG1215(01)&from=EN
(14)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/nl/pdf
(15)PB C 65 van 19.2.2016, blz. 174
(16)http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/foraff/137584.pdf
(17)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10255-2016-INIT/nl/pdf
(18)http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/fac/2015/10/st13201-en15_pdf/
(19)http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/16-epsco-conclusions-lgbti-equality/
(20)http://ec.europa.eu/justice/discrimination/files/lgbti_actionlist_en.pdf
(21)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9242-2015-INIT/nl/pdf
(22)http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2015/07/20-fac-migration-conclusions/
(23)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12002-2015-REV-1/nl/pdf
(24)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12098-2015-INIT/nl/pdf
(25)PB L 43 van 18.2.2015, blz. 29
(26)http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=nl&f=ST%2015559%202014%20INIT
(27)http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/130243.pdf
(28)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12525-2016-INIT/nl/pdf
(29)https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=090000168008482e
(30)PB L 76 van 22.3.2011, blz. 56
(31)http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/international-summit/2015/11/action_plan_en_pdf/
(32)http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/s_res_2242.pdf
(33)http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/CAC%20S%20RES%201820.pdf
(34)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1325(2000)
(35)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/167
(36)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(37)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.
(38)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0201.
(39)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.
(40)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.
(41)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(42)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.
(43)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.
(44)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.
(45)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.
(46)PB C 316 van 30.8.2016, blz. 130.
(47)PB C 316 van 30.8.2016, blz. 178.
(48)PB C 234 van 28.6.2016, blz. 25.
(49)Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0172.
(50)PB C 181 van 19.5.2016, blz. 69.
(51)http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session31/Documents/A_HRC_31_56_en.doc
(52)PB C 65 van 19.2.2016, blz. 105.
(53)PB C 434 van 23.12.2015, blz. 24.
(54)PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.
(55)PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(56)PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 69.
(57)A/HRC/RES/17/4.
(58)https://www.democracyendowment.eu/annual-report/
(59)PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.
(60)http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf.
(61) Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Nigeria, Somalië, Mauritanië, Sudan, Sierra Leone, Jemen, Afghanistan, Pakistan, Qatar, Iran en de Maldiven.


Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (artikel 36 VEU)
PDF 240kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (2016/2036(INI))
P8_TA(2016)0503A8-0360/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien de artikelen 21 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over politieke verantwoordingsplicht,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van 21 september 2015 over "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2020)" (SWD(2015)0182),

–  gezien de toespraak over de staat van de Unie die voorzitter Juncker op 14 september 2016 heeft gehouden,

–  gezien de mondiale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie (Global Strategy on Foreign and Security Policies of the European Union, EUGS), die op 28 juni 2016 is gepresenteerd door VV/HV Federica Mogherini, en haar voorstellen tijdens de informele vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van 2 september 2016 in Bratislava,

–  gezien de conclusies van de top van Bratislava van 16 september 2016,

–  gezien het resultaat van de informele vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU in Bratislava op 27 september 2016,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2016 over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Weimardriehoek, Frank-Walter Steinmeier (Duitsland), Jean-Marc Ayrault (Frankrijk) en Witold Waszczykowski (Polen) over de toekomst van Europa, gedaan te Weimar op 28 augustus 2016,

–  gezien het Frans-Duitse initiatief over defensie van september 2016 met als titel "Hernieuwing van het GVDB",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0360/2016),

A.  overwegende dat de Europese Unie wordt geconfronteerd met ongekende interne en externe uitdagingen, waaronder conflicten tussen staten, de ineenstorting van staten, terrorisme, hybride dreigingen, onzekerheid over de cyber- en energieveiligheid, georganiseerde misdaad en klimaatverandering; overwegende dat de EU enkel doeltreffend op de nieuwe uitdagingen kan reageren als haar structuren en haar lidstaten op een goed gecoördineerde manier samenwerken in de context van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

B.  overwegende dat de EU momenteel wordt omringd door een boog van instabiliteit, aangezien grote delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MONA) worden overspoeld door etnisch-religieuze conflicten en oorlogen op afstand, en terroristische groeperingen zoals de zogenaamde ISIS/Daesh en het Jabhat Fateh al-Sham-front zich in de regio uitbreiden; overwegende dat Al Qaida profiteert van het veiligheidsvacuüm in het Midden-Oosten en Noord-Afrika om zich te versterken en dat hun engagement met betrekking tot een wereldwijde jihad onveranderd is;

C.  overwegende dat deze conflicten directe en ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid en het welzijn van Europese burgers, omdat ze steeds meer naar de EU overslaan, in de vorm van terrorisme, enorme vluchtelingenstromen of desinformatiecampagnes om onze samenleving te verdelen;

D.  overwegende dat Europa de dreiging van het terrorisme ervaart op haar grondgebied, overwegende dat de recente terroristische aanvallen in Europese steden door radicale, aan ISIS/Daesh verbonden jihadisten deel uitmaken van de alomvattende strategie van deze groepering en een aanvulling vormen op de landoorlog in Syrië, Irak en Libië, de economische oorlog tegen de toeristische sector in Noord-Afrika en onlinepropaganda en cyberaanvallen; overwegende dat duizenden EU-burgers die zich bij dergelijke terroristische groeperingen hebben aangesloten een steeds grotere dreiging vormen voor onze veiligheid in eigen land en elders in de wereld;

E.  overwegende dat het agressieve Rusland de soevereiniteit en onafhankelijkheid van zijn buurlanden blijft schenden en de Europese en mondiale vredes- en veiligheidsorde openlijk uitdaagt; overwegende dat Rusland zich alsmaar autocratischer gedraagt en agressiever dan ooit is tegenover zijn buurlanden sinds de ontbinding van de Sovjetunie in 1991; overwegende dat de officiële Russische propaganda het Westen afschildert als een tegenstander en actief probeert om de eenheid in de Europese Unie en de samenhang binnen het trans-Atlantisch partnerschap aan te tasten in de vorm van desinformatiecampagnes of in de vorm van financiële steun aan eurosceptische en fascistische groeperingen binnen de Unie en in kandidaat-lidstaten;

Het succesverhaal van de EU voortzetten: transformatie door actie

1.  herhaalt dat de Europese Unie een van de grootste successen in de Europese geschiedenis is en dat de transformerende kracht van de EU haar burgers en buurlanden, waaronder veel EU-lidstaten zijn geworden, vrede, stabiliteit en welvaart heeft gebracht; benadrukt dat de EU de grootste economische macht blijft, de meest vrijgevige donor van humanitaire en ontwikkelingssteun en een voortrekker in mondiale multilaterale diplomatie over kwesties als klimaatverandering, internationale justitie, non-proliferatie van massavernietigingswapens en de mensenrechten; vraagt dat de zichtbaarheid van de EU-acties op deze gebieden wordt vergroot;

2.  is van mening dat de huidige interne en externe crisis ook een kans is voor de EU, als dit wordt benut om de EU beter te doen functioneren en te laten samenwerken; is van mening dat de huidige uitdagingen hervormingen vergen om de EU beter en democratischer te maken, en de burgers te kunnen geven wat zij verwachten; herinnert eraan dat Europese burgers een doeltreffend gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als een prioritair actieterrein voor de EU beschouwen en dat dit een van de beleidsdomeinen is waarin Europese samenwerking de meeste toegevoegde waarde kan opleveren; wijst er derhalve op dat de lidstaten hun mentaliteit moeten wijzigen, aangezien het beschouwen van buitenlands beleid en veiligheid vanuit een bekrompen, nationaal standpunt vandaag achterhaald is; is ervan overtuigd dat geen enkele lidstaat ertoe in staat is de uitdagingen waarmee we vandaag worden geconfronteerd, alleen aan te pakken; is er vast van overtuigd dat de kwetsbaarheid van de EU een rechtstreeks gevolg is van de onvolledige integratie en een gebrek aan coördinatie; benadrukt dat globalisering en multipolariteit integratieprocessen, zoals de EU, noodzakelijk maken; dringt er bij de lidstaten op aan eindelijk voldoende eenheid, politieke wil en wederzijds vertrouwen te tonen om de beschikbare instrumenten in samenspraak te kunnen benutten teneinde onze belangen en waarden na te streven; herhaalt dat de EU alleen een sterke mondiale speler op gelijke voet met andere grootmachten kan zijn als alle lidstaten met één stem spreken en samen in het kader van een sterk buitenlands en veiligheidsbeleid handelen;

3.  is verheugd over de routekaart en de toezeggingen van de top van Bratislava en verwacht een concreet engagement van de lidstaten voor de uitvoering ervan;

4.  herhaalt dat de beleidslijnen van de Unie inzake het buitenland zowel onderling als met andere beleidslijnen met een buitenlandse dimensie moeten overeenstemmen, en dat de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde doelstellingen verder moeten worden nagestreefd; merkt op dat voor de opbouw van veerkracht, wat een van de belangrijkste doelstellingen van het GVDB moet zijn, een alomvattende aanpak van verschillende sectoren noodzakelijk is, waarbij vraagtekens worden geplaatst bij de traditionele benadering van buitenlands en veiligheidsbeleid door een brede waaier aan diplomatieke, veiligheids-, defensie-, economische, handels-, ontwikkelings- en humanitaire instrumenten te gebruiken alsook door de onafhankelijkheid te verhogen op het vlak van energiezekerheid; is van mening dat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid assertiever en doeltreffender moet zijn en meer respect voor menselijke waarden moet hebben; onderstreept dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling een belangrijk hulpmiddel is om te komen tot een integrale operationele EU-aanpak in overeenstemming met de doelstellingen van Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

5.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe handelsstrategie van de Commissie, getiteld "Handel voor iedereen", waarin zij ernaar streeft mensenrechten in het handelsbeleid te versterken en de positie van de EU als handelsblok te gebruiken om de mensenrechten in derde landen op te krikken; benadrukt dat hiervoor volledige convergentie en complementariteit van beleidsinitiatieven op het gebied van handel en buitenlands beleid nodig zijn, met inbegrip van een nauwe samenwerking tussen de verschillende DG's, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de autoriteiten van de lidstaten; benadrukt het belang van de Groep van commissarissen voor extern optreden, voorgezeten door de VV/HV, om de uitvoering van de integrale aanpak een impuls te geven; vraagt de VV/HV om regelmatig van het werk van deze groep verslag te doen aan het Europees Parlement; roept de EU-delegaties op om een gezamenlijk programma op te stellen voor alle beleidsterreinen van het extern optreden om dubbel werk te voorkomen, geld uit te sparen, de efficiëntie te verbeteren en eventuele lacunes op te sporen;

6.  erkent dat klimaatverandering ernstige gevolgen kan hebben voor de regionale en wereldwijde stabiliteit, aangezien de opwarming van de aarde invloed heeft op geschillen over grondgebied, voedsel, water en andere hulpbronnen, economieën verzwakt, de regionale veiligheid bedreigt en een bron van migratiestromen vormt; moedigt de Unie en de lidstaten verder aan om te onderzoeken hoe klimaatverandering kan worden opgenomen in de nationale en communautaire militaire planning en wat in dit verband de juiste capaciteit, prioriteit en reactie kan vormen;

7.  verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om een sterker vermogen op te bouwen om onjuiste informatie en propagandacampagnes gericht tot de EU-bevolking en de buurlanden van de EU te bestrijden; roept alle EU-instellingen en de lidstaten op te erkennen dat de huidige informatieoorlog niet enkel een externe EU-kwestie is, maar ook een interne kwestie; betreurt het onvermogen van de EU om te communiceren en de acties, verdiensten en successen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid naar behoren voor te stellen aan het publiek van Europa; dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan om deze lacune op te vullen door het extern optreden van de EU verantwoordelijker en zichtbaarder te maken;

8.  erkent dat informatie en digitale oorlogvoering een doelbewuste poging is om op Europees en niet-Europees niveau de politieke, economische en sociale structuren te destabiliseren en in diskrediet te brengen; wijst in dit verband op de dringende noodzaak om cyberbeveiliging en cyberdefensie te integreren in al het interne en externe beleid van de Unie, alsook in haar betrekkingen met derde landen; roept de lidstaten op een geautomatiseerd systeem voor de uitwisseling van informatie op te zetten voor cyber- en hybride bedreigingen en aanvallen; vraagt de EU in internationale fora ervoor te pleiten dat de open wereldwijde kerninfrastructuur van het internet een neutrale zone moet zijn; is er verder van overtuigd dat de Unie de steunverlening voor capaciteitsopbouw op het gebied van cyberbeveiliging, de bestrijding van cybercriminaliteit en cyberterrorisme moet intensiveren;

9.  herinnert de EU aan haar belofte om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit te werken op basis van de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, en in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht; herinnert aan het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie dat benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU haar mensenrechten- en genderbeleid verwerkt in missies en operaties in verband met crisisbeheer; herinnert aan het belang van de zogeheten "mensenrechtenclausule" die sinds het begin van de jaren negentig in alle kaderovereenkomsten met derde landen wordt opgenomen;

10.  herinnert eraan dat het uitbreidingsbeleid een van de meest succesvolle is van de EU en dat het heeft bijgedragen aan het garanderen van stabiliteit, democratie en welvaart op het Europese continent; herhaalt zijn grote steun voor het uitbreidingsproces, op voorwaarde dat de criteria van Kopenhagen, waaronder de integratiecapaciteit, worden vervuld; onderstreept de noodzaak om de samenwerking te intensiveren tussen de Unie en de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten op gebieden als migratie, veiligheid, de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad en de bestrijding van mensenhandel; roept de kandidaat-lidstaten op om hun uiterste best te doen om hun beleid aan te passen aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid/gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie;

11.  onderstreept het belang dat de Unie hecht aan een op regels gebaseerde internationale orde en een doeltreffend door de VN geleid multilateraal systeem; spreekt zijn erkenning uit voor het strategische partnerschap op het gebied van vredehandhaving en crisisbeheer tussen de EU en de VN sinds 2003; moedigt de EU en de lidstaten aan om steun te verlenen aan de vredeshandhaving door de VN en om met de VN samen te werken voor de versterking van de capaciteiten van regionale organisaties op het gebied van vredeshandhaving, met name van de Afrikaanse Unie, rekening houdend met de Afrikaanse Vredesfaciliteit; verzoekt de EU-lidstaten hun militaire en politionele deelname aan VN-vredeshandhavingsmissies aanzienlijk uit te breiden; is verheugd over de verbintenis van de mondiale strategie van de EU met de NAVO als hoeksteen van de collectieve veiligheid van Europa, en over het engagement om de Verenigde Naties te versterken als basis van de internationale orde;

12.  benadrukt dat de huidige crises de beperkingen van de Verenigde Naties aantonen; vraagt de EU en haar lidstaten hun hele gewicht in de schaal te leggen voor een hervorming van de Veiligheidsraad, met name wat betreft de ontzegging van het vetorecht bij massale gruweldaden;

13.  benadrukt dat de effectieve tenuitvoerlegging van de door de HV/VV in juni 2016 voorgestelde mondiale strategie van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid niet mogelijk is zonder sterk engagement, ownership, politieke wil en leiderschap van de lidstaten; onderstreept dat de lidstaten gepaste personele en financiële middelen moeten toekennen voor de tenuitvoerlegging van deze strategie, in het bijzonder op het cruciale domein van conflictpreventie, veiligheid en defensie; benadrukt de praktische en financiële voordelen van verdere integratie van de Europese defensiecapaciteiten;

14.  uit zijn tevredenheid over de intentie om een uitvoeringsplan over veiligheid en defensie op te stellen; benadrukt dat dit uitvoeringsplan moet worden aangevuld met een witboekproces, waarbij het ambitieniveau, de taken, de vereisten en de prioriteiten inzake vermogens voor Europese defensie nader worden gespecificeerd; vraagt de VV/HV om zo spoedig mogelijk in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie aan een dergelijk witboek te beginnen werken om in 2017 met de eerste resultaten te komen;

15.  is ingenomen over het voorstel om jaarlijks te reflecteren over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze strategie; is van mening dat deze reflectie moet plaatsvinden in het kader van een jaarlijks debat in het Parlement op basis van een door de VV/HV opgesteld tenuitvoerleggingsverslag;

16.  is van mening dat de algemene strategie regelmatig moet worden gereviseerd en een analyse over de tenuitvoerlegging ervan moet worden verstrekt, gelijktijdig met de verkiezingscyclus en het aantreden van elke nieuwe Commissie, om na te gaan of de doelstellingen en prioriteiten nog overeenstemmen met de uitdagingen en bedreigingen;

17.  benadrukt dat het extern optreden van de EU op drie pijlers moet zijn gebaseerd: diplomatie, ontwikkeling en defensie;

Verantwoordelijkheid nemen voor onze veiligheid: voorkom, verdedig, schrik af, reageer

18.  benadrukt dat de EU haar veiligheids- en defensiecapaciteiten moet versterken, aangezien ze haar volledige potentieel als mondiale macht enkel kan benutten als ze haar ongeëvenaarde soft power met hard power combineert, als deel van de alomvattende EU-aanpak; herinnert eraan dat gemeenschappelijke en sterkere civiele en militaire capaciteiten essentiële elementen zijn voor de EU om ten volle op crises te reageren, de weerbaarheid van partners op te bouwen en Europa te beschermen; merkt op dat aangezien internationale betrekkingen opnieuw door machtspolitiek worden gedomineerd, verdedigings- en afschrikcapaciteiten essentieel zijn voor onze invloed tijdens diplomatieke besprekingen; herhaalt in dit verband dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid moet worden versterkt en uitgediept, omdat een toename van synergieën door middel van versterkte defensiesamenwerking op basis van de behoeften van alle lidstaten en door gerichte investeringen de enige realistische manier is om onze militaire capaciteiten te versterken in tijden van budgettaire beperkingen; is van mening dat een versterkte Europese samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie zou leiden tot meer doeltreffendheid, eenheid en efficiëntie en dat de EU en haar lidstaten de noodzakelijke technologische en industriële vermogens enkel door dergelijke nauwere samenwerking kunnen verwerven;

19.  is ervan overtuigd dat bijkomende financiering van de lidstaten en inspanningen om synergie in de hand te werken ook noodzakelijk zijn gezien de reeds ondergefinancierde EU-begroting, bijkomende inspanningen voor operaties, administratieve kosten, voorbereidende acties en pilootprojecten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; roept de Commissie en de lidstaten op om gebruik te maken van de huidige herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) om tegemoet te komen aan de budgettaire behoeften voor de toenemende uitdagingen op het gebied van veiligheid; roept de lidstaten op hun defensie-uitgaven te verhogen om het door de NAVO vastgestelde capaciteitsdoel van minimaal 2 % van het bbp aan defensie-uitgaven te verwezenlijken; benadrukt dat besparingen en herverdeling van de middelen mogelijk zijn door een betere coördinatie en een daling van het aantal overlappende activiteiten tussen de EU en de lidstaten;

20.  is van mening dat de in het Verdrag van Lissabon verstrekte instrumenten eindelijk moeten worden ingevoerd, met name de permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (PESCO); is van mening dat een flexibele alomvattende aanpak waarbij open en proactieve participatie van alle lidstaten wordt aangemoedigd, essentieel is bij de uitvoering van de PESCO; is verheugd over de gezamenlijke nota van de defensieministers van Frankrijk en Duitsland over de "hernieuwing van het GVDB" en het Italiaanse voorstel voor een "sterkere Europese defensie", en steunt het doel voor wat betreft een positief besluit over de oprichting van de PESCO tijdens de Raad Buitenlandse Zaken en Defensie van november 2016 volledig; vraagt de HV/VV voor dit initiatief en andere recente voorstellen ter versterking van het GVDB het voortouw te nemen zodat de basis wordt gelegd voor verdere ambitieuze besluiten over het GVDB tijdens de Raad Buitenlandse Zaken en Defensie van november 2016 en de Europese Raad van december 2016, waaronder:

   het creëren van een permanent civiel-militair hoofdkwartier, met een even belangrijk militair plannings- en uitvoeringsvermogen en civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC), dat de strategische en operationele planning in de hele planningscyclus zou verbeteren, de civiel-militaire samenwerking zou versterken en het vermogen van de EU om snel op crises te reageren zou verbeteren;
   het versterken van de snellereactie-instrumenten van de EU, met name door de bruikbaarheid van de gevechtsgroepen te verbeteren door het operationaliseren van artikel 44 en door het Eurokorps te versterken en beter te gebruiken voor GVDB‑missies en ‑operaties;
   het uitbreiden van de gemeenschappelijke financiering van GVDB‑operaties, onder meer door een dringende en grondige herziening van het Athena-mechanisme, waar de verklaring over de gevechtsgroepen in verwerkt zal zijn en hetgeen nodig is om te garanderen dat EU-missies kunnen worden gefinancierd via collectieve fondsen in plaats van door de individuele deelnemende lidstaten, en zo een mogelijke hindernis voor lidstaten om strijdkrachten in te zetten weg te nemen;
   het opzetten van een defensieconfiguratie van de Raad;

21.  moedigt een herziening aan van de aanpak van de EU met betrekking tot civiele GVDB‑missies, van de aard van de interventies tot de doelstellingen ervan en de personen die erbij betrokken zijn, om ervoor te zorgen dat ze goed worden uitgestippeld, uitgevoerd en ondersteund; is ingenomen met de geboekte vooruitgang van de GVDB‑missies en ‑operaties, ondanks hun tekortkomingen; roept op tot meer flexibiliteit in de financiële regels van de EU ter ondersteuning van haar mogelijkheden om op crises te reageren en ter uitvoering van bestaande bepalingen in het Verdrag van Lissabon; steunt de oprichting van een opstartfonds voor de dringende financiering van de beginfases van militaire operaties; is van mening dat de EU via een nieuwe, effectievere besluitvormingsprocedure om te beslissen over militaire EU-missies sneller en daadkrachtiger zou kunnen optreden bij dreigingen en crises; toch moet de beslissing om troepen in te zetten voor dergelijke missies op het niveau van de lidstaten worden genomen;

22.  onderstreept dat elk besluit in de richting van een Europese defensie-unie, zoals de ontwikkeling van een betere permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie en de creatie van gemeenschappelijke defensie-instrumenten, moet worden genomen met eenparigheid van stemmen in de EU‑lidstaten;

23.  betreurt dat de alomvattende taken voortgekomen uit de Raad Buitenlandse Zaken van november 2013, de Europese Raad van 2013 en de Europese Raad van 2015 nog niet volledig zijn uitgevoerd door de Europese Commissie, de EDEO, het EDA en de lidstaten; vraagt de VV/HV en de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf om de uitvoering van eerdere besluiten te beoordelen en voor te leggen aan het Parlement vooraleer nieuwe taken worden voorgesteld; spoort aan tot spoed op het vlak van het lopende werk over het Europees defensieactieplan en de inspanningen van de Commissie om de defensiesamenwerking te maximaliseren, met inbegrip van stimulansen op bijvoorbeeld het vlak van interne-markt-, openbare aanbestedings-, onderzoeks-, vervoers-, ruimte-, cyber-, energie- en industriebeleid; neemt kennis van het voorstel van de Franse president voor een Europees veiligheids- en defensiefonds en steunt de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve financierings- en investeringsconcepten, ook via de Europese Investeringsbank en publiek-private partnerschappen;

24.  wijst erop dat aangezien de lidstaten moeite hebben om een zeer brede waaier aan volledig operationele defensiecapaciteiten in stand te houden, er meer moet worden gecoördineerd en duidelijkere keuzes moeten worden gemaakt over welke capaciteiten in stand worden gehouden, zodat de lidstaten zich in bepaalde capaciteiten kunnen specialiseren; wijst op de praktische en financiële voordelen van een verdere integratie van Europese defensiecapaciteiten en neemt kennis van verschillende lopende initiatieven die in een breder kader zouden moeten worden geplaatst om een slimme routekaart uit te tekenen; steunt de voorstellen voor een "Europees semester voor defensie" en vraagt de VV/HV hiervoor concrete voorstellen te doen; is van mening dat interoperabiliteit van essentieel belang is om de strijdkrachten van de lidstaten compatibeler en meer geïntegreerd te maken; moedigt de lidstaten aan om nieuwe methoden te zoeken voor gezamenlijke verwerving, onderhoud en behoud van strijdkrachten en materiaal;

25.  looft de rol die het Europees Defensieagentschap speelt voor de bevordering en coördinatie van capaciteitsontwikkeling en vraagt dat het agentschap wordt versterkt, met name door de begroting te vergroten; benadrukt dat voor het personeel en de exploitatiekosten van het agentschap EU‑middelen moeten worden toegewezen; roept de VV/VH en de lidstaten op om de organisatie, de procedures en de activiteiten uit het verleden van het EDA te beoordelen;

26.  brengt in herinnering dat Europa een concurrerende en innovatieve industriële en technologische basis in stand moet houden die deze capaciteiten kan ontwikkelen en produceren; herhaalt dat een geïntegreerde defensiemarkt en de consolidering van de Europese defensie-industrie absoluut noodzakelijk zijn om schaalvoordelen en grotere efficiëntie te bereiken;

27.  uit zijn tevredenheid over het voorstel van voorzitter Juncker om een Europees defensiefonds op te richten om onderzoek en innovatie te verbeteren; is ingenomen over het opzetten van een voorbereidende actie voor onderzoek in verband met defensie, dat moet worden gevolgd door een uitgebreid en speciaal door de EU gefinancierd Europees defensie-onderzoeksprogramma (EDRP) binnen het volgende MFK, waaronder bijkomende financiële middelen door de lidstaten;

28.  vraagt een actievere rol voor de EU op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing; vraagt de Raad ervoor te zorgen dat de VV/HV een actievere rol kan spelen bij de conflictbeslechting en de vredeshandhaving;

29.  herinnert eraan dat in de integrale EU-strategie wordt gepleit voor investeringen in conflictpreventie, maar dat in werkelijkheid zowel de Commissie als de Raad in de begroting 2017 verstrekkende bezuinigingen op het enige EU-instrument voor conflictpreventie (IcSP) hebben voorgesteld; benadrukt dat het, gezien de vele uitdagingen op het gebied van veiligheid in het Europese nabuurschap en daarbuiten, nodig is om de inspanningen op het gebied van conflictpreventie, bemiddeling en verzoening te verdubbelen;

30.  erkent dat de externe en interne veiligheid steeds meer onderling afhankelijk zijn en is van mening dat voor de huidige uitdagingen op het vlak van veiligheid nood is aan een kritische analyse van ons veiligheidsbeleid om een consistent en eenvormig beleid op te stellen dat betrekking heeft op zowel interne als externe dimensies, met inbegrip van aspecten als terrorismebestrijding, cyberveiligheid, energiezekerheid, hybride bedreigingen, strategische communicatie en kritieke infrastructuren; dringt er bij de veiligheidsdiensten van de lidstaten op aan de coördinatie en de samenwerking te verbeteren en meer inlichtingen en informatie uit te wisselen, en vraagt alle lidstaten hun wettelijke verplichting om in de bestrijding van terrorisme en de georganiseerde misdaad inlichtingen uit te wisselen met Europol en Eurojust na te leven; dringt er bij de EU op aan haar samenwerking en uitwisseling van inlichtingen met derde landen verder te versterken in het kader van de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad en daarbij het internationaal humanitair recht en het internationale recht inzake de mensenrechten te eerbiedigen; looft de start van het Europees grens- en kustwachtagentschap;

31.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring over samenwerking tussen de NAVO en de EU tijdens de top van Warschau; verleent volledige steun aan de diepere samenwerking tussen de NAVO en de EU op het vlak van cyberdefensie, migratie, strategische communicatie en de reactie op hybride bedreigingen; vraagt de VV/HV tegen eind 2016 specifieke voorstellen te doen voor de follow‑up op de gezamenlijke verklaring van Warschau; is ervan overtuigd dat de NAVO cruciaal is voor de collectieve veiligheid van Europa, maar benadrukt dat EU‑reactiecapaciteiten behouden moeten worden; wijst erop dat een sterkere NAVO en een sterkere EU elkaar wederzijds versterken en aanvullen; is verheugd over de verbintenis van de mondiale strategie van de EU met de NAVO als hoeksteen van de collectieve veiligheid van Europa; benadrukt dat de Unie optimaal gebruik moet maken van de beschikbare veiligheids- en defensiemiddelen en dubbel werk moet voorkomen; is verder van mening dat de Unie en haar lidstaten nauwer moeten samenwerken met de NAVO om ervoor te zorgen dat het "Smart Defence"-initiatief van de NAVO en het "Pooling and Sharing"-initiatief van de EU elkaar aanvullen en elkaar wederzijds versterken;

32.  benadrukt dat de veiligheid van de EU-lidstaten ondeelbaar is en dat alle lidstaten overeenkomstig artikel 42, lid 7, VEU, hetzelfde veiligheidsniveau moeten genieten, en daarom eveneens naar evenredigheid dienen bij te dragen en deel te nemen aan de veiligheid van de Unie en gedane toezeggingen moeten nakomen; merkt verder op dat in dit artikel ook is bepaald dat dit het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat;

33.  erkent dat op het vlak van GBVB/GVDB naar creatieve oplossingen moet worden gezocht voor samenwerking tussen de EU en het VK;

34.  is van mening dat de Europese veiligheidsarchitectuur, die gebaseerd is op de Slotakte van Helsinki (1975) en op de vier "sferen" ervan ernstige schade heeft opgelopen door de illegale militaire interventies van Rusland in de Krim en in het oosten van Oekraïne, moet worden versterkt;

35.  vindt dat een nieuwe, realistischere strategie voor de betrekkingen van de EU met Rusland moet worden gedefinieerd, die is gebaseerd op een geloofwaardig afschrikkend effect, maar ook op dialoog op domeinen van gemeenschappelijk belang, zoals terrorismebestrijding, non-proliferatie en handel; onderstreept tegelijkertijd het belang om meer te investeren in de samenwerking met en de ondersteuning van het Russische maatschappelijk middenveld, teneinde de basis voor de betrekkingen tussen de Unie en Rusland op lange termijn te versterken; benadrukt dat sancties noodzakelijk waren als reactie op en de meest doeltreffende manier zijn gebleken om verdere Russische agressie in Oekraïne te beletten; herinnert eraan dat de opschorting van de sancties in kwestie afhankelijk is gesteld van de volledige tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk; steunt volledig de oplegging door de Unie van beperkende maatregelen aan personen en entiteiten in Rusland als reactie op de illegale annexatie van de Krim en de opzettelijke destabilisatie van Oekraïne, en onderstreept dat de EU de optie van bijkomende graduele sancties moet openhouden, in het bijzonder tegen hoogtechnologische producten in de olie- en gas-, IT- en bewapeningssector, als Rusland internationaal recht blijft schenden; is van mening dat het in het gemeenschappelijk belang van de EU en Rusland is om betere betrekkingen te verwezenlijken op voorwaarde dat internationaal recht wordt toegepast;

36.  roept de EU-lidstaten en de internationale gemeenschap op om zich eensgezind uit te spreken om de Russische regering duidelijk te maken dat haar acties kosten en consequenties zullen hebben; eist verder een de-escalatie van de huidige crisis en dringt er bij de Unie en haar lidstaten op aan samen te werken met internationale partners om diplomatieke, politieke en economische druk uit te oefenen op de Russische regering om een einde te maken aan haar agressie; is ingenomen met de besluiten van de NAVO-top van Warschau in deze context; benadrukt zijn engagement voor de eenheid, de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne; onderstreept dat de verkiezingen die zijn gehouden op het bezette grondgebied van de Krim ongeldig zijn;

37.  vindt dat het belangrijk is manieren te vinden om de huidige spanningen te de-escalaren en een constructieve dialoog aan te gaan met Rusland om maatregelen te identificeren ter vermindering van het risico op gevaarlijke misverstanden en misrekeningen; benadrukt dat de wederzijdse transparantie in militaire activiteiten moet worden verhoogd om maritieme en luchtincidenten met Rusland te voorkomen en dat gemeenschappelijke normen voor het omgaan met mogelijke ongevallen en incidenten moeten worden ontwikkeld; is van mening dat niet‑coöperatieve militaire vluchten zonder actieve transponders een ernstig gevaar vormen voor de burgerluchtvaart en acht het noodzakelijk maatregelen te formuleren om deze vluchten zo vroeg mogelijk op te sporen en tot een internationale aanpak te komen om aan dit veiligheidsrisico een einde te maken; is verder van mening dat de samenwerking met Rusland bij het recente nucleaire akkoord met Iran vooruitzicht biedt op betere betrekkingen op andere terreinen, waaronder met de NAVO, die kunnen dienen om de spanningen te verminderen in gebieden als de Oostzee, Syrië en Oekraïne;

38.  dringt er bij de EU op aan haar samenwerking met de landen van het Oostelijk Partnerschap te intensiveren om hun democratische instellingen, weerstand en onafhankelijkheid te versterken, inclusief door ambitieuze, volwaardige GVDB-missies op te zetten met de opdracht de veiligheid en stabiliteit te verbeteren; vraagt de Unie een actievere en meer doeltreffende rol te spelen bij de conflictbeslechting en de vredeshandhaving; roept de lidstaten op om de steun aan Oekraïne uit te breiden, met inbegrip van adequate verdedigingssystemen, om een militaire escalatie in Oost-Oekraïne tegen te gaan en om van EU East StratCom een permanent EU-onderdeel te maken en om voldoende personele en financiële middelen beschikbaar te stellen zodat het beter kan functioneren; steunt verder de wens tot toenadering tot de EU van die landen, alsook hun hervormingsagenda met betrekking tot gebieden als de rechtstaat, de economie, het openbaar bestuur, de bestrijding van corruptie en de bescherming van minderheden;

39.  wijst op de belofte van de EU aan haar partners in haar nabuurschap om de sociale en politieke hervormingen te ondersteunen, om de versterking van de rechtsstaat te consolideren, om de mensenrechten te beschermen, alsook om de economische ontwikkeling te bevorderen, als belangrijkste instrumenten om de internationale orde te versterken en de stabiliteit van haar nabuurschap te waarborgen; erkent dat er geen uniforme aanpak kan worden vastgesteld voor de ambities van het beleid van de EU en dat deze derhalve flexibeler en reactiever moeten zijn ten aanzien van de veranderende situaties in de oostelijke en zuidelijke nabuurschappen; merkt op dat het herziene Europees nabuurschapsinstrument zijn doel niet heeft bereikt, vooral op het gebied van het "meer voor meer"-beginsel; moedigt de overweging van het "less for less"-beleid aan voor landen die op het gebied van bestuur, democratie en mensenrechten achteruitgaan;

40.  benadrukt dat het voor de EU van strategisch belang is de betrekkingen met de VS en Canada te verdiepen en tegelijkertijd de betrekkingen met Centraal- en Zuid-Amerika te versterken, niet alleen om het biregionale partnerschap te versterken, maar ook om gezamenlijk belangrijke wereldwijde uitdagingen aan te pakken; erkent dat de EU verreweg de belangrijkste economische partner voor de Verenigde Staten is, en omgekeerd, terwijl beiden belangrijke internationale bondgenoten zijn, zowel in bilateraal verband als in NAVO-verband, alsook op gebieden als Syrië, Oekraïne en het nucleair akkoord met Iran; moedigt de Unie en de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat deze relatie na de Amerikaanse presidentsverkiezingen in november 2016 wordt voortgezet op basis van gedeelde waarden;

Veerkracht opbouwen en in een echt alomvattende benadering investeren: ontwikkel, steun en versterk

41.  benadrukt dat het garanderen van vrede en stabiliteit op ons continent, in de ons omringende landen en in Afrika nu de kern moet zijn van de acties van Europa; erkent dat duurzame ontwikkeling niet mogelijk is zonder veiligheid en dat duurzame ontwikkeling de voorwaarde is voor veiligheid, stabiliteit, sociale rechtvaardigheid en democratie; vindt dat de onderliggende oorzaken van instabiliteit en gedwongen en irreguliere migratie moeten worden aangepakt, namelijk armoede, het gebrek aan economische kansen, gewapende conflicten, slecht bestuur, klimaatverandering, mensenrechtenschendingen, ongelijkheid en een handelsbeleid dat geen oplossingen biedt voor deze uitdagingen; meent dat veiligheid, economische en sociale ontwikkeling en handel onderdelen van dezelfde alomvattende strategie zijn en in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals verankerd in artikel 208 van het Verdrag van Lissabon; vraagt om Europese en internationale (VN, G20) actie tegen illegale financiële stromen uit Afrika;

42.  wijst erop dat de EU bijzondere aandacht moet besteden aan de verbetering van de leefomstandigheden in haar nabuurschap en daarbij gebruik moet maken van alle beschikbare beleidsinstrumenten, waaronder handel, ontwikkelingshulp, milieubeleid en diplomatie, en crisisbeheerscapaciteiten; is in dit verband ingenomen met de nieuwe migratiepartnerschappen en het extern investeringsplan van de EU en verzoekt te worden betrokken bij de uitvoering van die instrumenten; onderstreept dat een nieuwe benadering van Afrika moet worden ontwikkeld op basis van de waarden en beginselen van de EU, waarbij betere mogelijkheden voor handel, investeringen, toegang tot energie en economische groei moeten worden geboden en Afrikaanse landen moeten worden gesteund bij de opbouw van democratische, transparante en doeltreffende instellingen, en bij het treffen van maatregelen om de effecten van klimaatverandering te beperken; is ervan overtuigd dat de EU haar ontwikkelings- en handelsbeleid moet herzien om ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming met onze waarden zijn en daadwerkelijk bijdragen tot deze doelstellingen; vraagt de EU en in het bijzonder de lidstaten te strijden tegen illegale geldstromen en hun financiële toezeggingen aan de regio aanzienlijk te verhogen, onder meer via het trustfonds voor Afrika, het Europees extern investeringsplan en het Europees Ontwikkelingsfonds; onderstreept de belangrijke rol van de EU bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030; is van mening dat de particuliere sector een belangrijke rol bij ontwikkeling kan spelen als zij opereert binnen een juridisch bindend kader dat de verantwoordelijkheden van de zakensector vaststelt betreffende de naleving van mensen-, sociale en milieurechten;

43.  erkent dat de steunverlening door de Unie aan slachtoffers van rampen, vluchtelingen en andere hulpbehoevende personen gemengde resultaten heeft opgeleverd;

44.  vestigt er de aandacht op dat de strijd moet worden opgevoerd tegen onderliggende oorzaken die de voedingsbodem vormen voor terrorisme en radicalisering, die voornamelijk West-Afrika, de Sahel, de Hoorn van Afrika en het Midden-Oosten treffen en zich in ongekende mate op Europa richten; dringt er bij de EU op aan gecoördineerde diplomatieke inspanningen te ondernemen, samen met de VS en andere internationale partners, om partners in de regio, zoals Turkije, Saudi-Arabië en Iran, ervan te overtuigen dat een gemeenschappelijke, juridisch gefundeerde strategie voor deze mondiale uitdaging noodzakelijk is; spoort aan tot verdere samenwerking en gecoördineerd optreden met andere landen bij deze strijd en dringt er bij de statelijke en niet-statelijke actoren in de regio op aan de sektarische en etnische spanningen niet verder aan te wakkeren; spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechtenverdragen in Jemen, waaronder het bombardement van een begrafenis in Sanaa op 8 oktober 2016; eist een dringend, onafhankelijk, internationaal onderzoek naar deze en andere schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten; roept de Unie en de lidstaten op om iedere samenwerking in Jemen op te schorten totdat deze schendingen zijn onderzocht en de verantwoordelijke partijen aansprakelijk zijn gesteld; eist de onmiddellijke opheffing van de blokkade van Jemen en roept alle partijen bij het conflict op om de dialoog te hervatten en te werken aan een duurzaam staakt-het-vuren; herhaalt dat er geen militaire oplossing is voor het conflict;

45.  moedigt de invoering aan van thematische kaders om samenwerking tussen de Unie, de zuidelijke nabuurschap en belangrijke spelers in de regio, in het bijzonder in Afrika, voor te stellen en af te stemmen op regionale uitdagingen zoals veiligheid, ontwikkeling, energie en het beheer van migratiestromen; is van mening dat de veerkracht van ons nabuurschap sterker zou zijn indien dat laatste werd georganiseerd in het kader van een regionale samenwerking waarmee gemeenschappelijke antwoorden kunnen worden geboden op uitdagingen zoals migratie, terrorisme en ontwikkeling; vraagt de EU daarom samen te werken met haar buren uit de Maghreb voor de wederopleving en de ontwikkeling van de Unie van de Arabische Maghreb;

46.  herhaalt dat de Sahelregio en andere daarmee verbonden geografische gebieden prioritaire regio's zijn om de veiligheid van de Europese Unie te garanderen en wijst op de broosheid van de veiligheidssituatie daar en de mogelijke gevolgen van de huidige onrust; vraagt de Unie om te werken aan de versterking van de samenwerking met de landen van Noord-Afrika en de Sahel in de strijd tegen de toenemende terroristische activiteiten in het gebied van de Sahel en de Sahara; benadrukt dat de erg moeilijke levensomstandigheden in bepaalde plaatsen een deel van de bevolking naar het alternatief van het islamitisch terrorisme kunnen drijven; is voorstander van de ontwikkeling van een samenhangende, solide strategie voor de Sahelregio gericht op verbetering van het bestuur en versterking van de verantwoordingsplicht en legitimiteit van de nationale en regionale instellingen, vergroting van de veiligheid, het tegengaan van radicalisering en de handel in mensen, wapens en drugs, en versterking van het economisch en ontwikkelingsbeleid; is ervan overtuigd dat versterking van de capaciteiten van regionale en subregionale organisaties, met name in Afrika, cruciaal is met het oog op conflictpreventie, conflictoplossing en veiligheidssamenwerking; benadrukt dat de Unie een echte oplossing voor deze veiligheidssituatie moet bieden, niet alleen met economische middelen, maar ook met politieke en militaire middelen;

47.  benadrukt dat een duurzame oplossing moet worden gevonden voor het conflict in Syrië in overeenstemming met het overgangsproces zoals voorzien in het Communiqué van Genève en resolutie 2254(2015) van de VN‑Veiligheidsraad; steunt de door de VN geleide inspanningen ter facilitering van de onderhandelingen tussen alle partijen bij het Syrische conflict over een inclusieve politieke oplossing; verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger dringend een Europese strategie voor Syrië voor te bereiden; is ervan overtuigd dat de bilaterale onderhandelingen tussen Rusland en de Verenigde Staten niet zullen volstaan om een duurzame oplossing voor de Syrische crisis met zich mee te brengen; vraagt de EU een einde te maken aan haar gemarginaliseerde diplomatieke positie en haar invloed op belangrijke actoren zoals Iran, Saudi-Arabië, Turkije, Qatar en Rusland, aan te wenden om ervoor te zorgen dat zij een constructieve positie innemen en niet langer bijdragen aan een verdere escalatie van de situatie; blijft er bij alle leden van de VN‑Veiligheidsraad op aandringen hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de crisis te aanvaarden; wijst nogmaals op het herhaaldelijke gebruik door Rusland en andere van hun vetorecht in de VN‑Veiligheidsraad en is van oordeel dat dit gebruik indruist tegen de internationale vredesinspanningen en pogingen tot conflictbeslechting in Syrië en de regio; wijst erop dat sancties moeten worden gebruikt tegen alle personen en entiteiten die betrokken zijn bij misdaden tegen de menselijkheid in Syrië; spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de massale en wijdverbreide schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechtenverdragen door alle partijen bij het conflict in Syrië en wijst op het belang dat zij hiervoor aansprakelijk worden gehouden; zegt opnieuw zijn steun toe aan de buurlanden van Syrië die het hoofd moeten bieden aan monumentale uitdagingen door miljoenen vluchtelingen op te vangen; spreekt opnieuw zijn volledige steun uit voor de onafhankelijkheid, territoriale integriteit en soevereiniteit van Irak en Syrië, waar de rechten van alle etnische en religieuze groepen geheel worden geëerbiedigd;

48.  erkent dat Turkije als belangrijke partner een rol heeft te spelen om het Syrische conflict op te lossen, IS/Daesh te bestrijden in Syrië en Irak en de migratiecrisis aan te pakken; veroordeelt met klem de poging tot militaire staatsgreep tegen de democratisch verkozen regering van Turkije; spoort de Turkse regering aan de grondwettelijke orde te beschermen en benadrukt dat de mensenrechten, de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de media in de nasleep van de coup moeten worden geëerbiedigd, overeenkomstig haar verplichtingen als lid van de Raad van Europa; benadrukt dat Turkije nauw met de Raad van Europa moet samenwerken om ervoor te zorgen dat alle procedures de rechtsstaat eerbiedigen; is verontrust over de repressieve aard en de omvang van de zuiveringscampagne die op de poging tot staatsgreep is gevolgd, waardoor fundamentele vrijheden en mensenrechten in Turkije ernstig zijn aangetast; is uiterst bezorgd over het stijgend aantal de gevallen van buitensporig geweld door de politie en mishandeling van gevangenen, de aanhoudende straffeloosheid voor schending van mensenrechten en de uitholling van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

49.  onderstreept de noodzaak om te komen tot een tweestatenoplossing voor het conflict in het Midden-Oosten – uitgaande van de randvoorwaarden die in de conclusies van de Raad van juli 2014 zijn vastgesteld – die een veilige Israëlische staat en een leefbare Palestijnse staat op basis van de grenzen van 1967 garandeert en een oplossing biedt voor alle vraagstukken betreffende de definitieve status; roept de Unie op haar verantwoordelijkheid te nemen en een volwaardige partij en gangmaker te worden in het diplomatieke proces; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten onmiddellijke stappen te nemen om de haalbaarheid van de tweestatenoplossing te waarborgen en een positieve dynamiek te creëren in de richting van echte vredesonderhandelingen; verzoekt de Israëlische autoriteiten hun nederzettingenbeleid onmiddellijk stop te zetten en terug te draaien; benadrukt dat eerbiediging van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door alle partijen en onder alle omstandigheden onverminderd een conditio sine qua non is voor het bereiken van eerlijke en duurzame vrede; benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU‑beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied;

50.  is van mening dat de strijd tegen mensenhandelaars enkel mogelijk is wanneer er wordt samengewerkt met landen aan de andere zijde van de Middellandse Zee en Afrika in zijn geheel, onder eerbiediging van de mensenrechten, en is in dit verband van mening dat de Europese Unie en de lidstaten moeten samenwerken met internationale partners om de afstotende factoren aan te pakken die tot migratie leiden;

51.  is een groot voorstander van versterking van de Responsibility to Protect (R2P) als een belangrijk leidend principe voor de Europese Unie en de lidstaten bij hun optreden ten aanzien van allerlei soorten conflicten, alsook op het gebied van mensenrechten en ontwikkeling;

De kracht van Europese diplomatie: kennis, engagement en impact

52.  benadrukt het immense potentieel van de EU als diplomatieke supermacht, dat gebaseerd is op de ruime waaier aan instrumenten te onzer beschikking en onze normatieve kracht op het gebied van democratie, vrijheid en mensenrechten; wil in die context de centrale coördinerende rol benadrukken van de VV/HV, de EDEO en de vertegenwoordigingen van de EU in derde landen;

53.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan conflictpreventie door de oorzaken van instabiliteit aan te pakken en menselijke veiligheid te waarborgen; erkent dat vroegtijdige acties ter voorkoming van risico's op een gewelddadig conflict op lange termijn doeltreffender, minder tijdrovend en minder kostbaar zijn dan vredeshandhavingsoperaties; roept de Unie op om politiek leiderschap te tonen inzake preventieve diplomatie en conflictbemiddeling; is in dit verband verheugd over de rol van het EU-systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor conflicten, het EDEO-team voor bemiddelingsondersteuning en het Europees Vredesinstituut; roept op tot de verdere ontwikkeling van de capaciteiten van de Unie op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling; benadrukt dat de deelname van vrouwen aan conflictoplossingsgesprekken cruciaal is om de rechten en deelname van vrouwen te bevorderen en dat dit een eerste stap is naar hun volledige inclusie in toekomstige overgangsprocessen; verzoekt de VV/HV en de Commissie de financiële en bestuurlijke middelen voor bemiddeling, dialoog, verzoening en crisisrespons te verhogen; dringt er bij de lidstaten op aan zich strikt te houden aan het gemeenschappelijk EU-standpunt inzake wapenuitvoer en geen wapens meer te verkopen aan derde landen die niet aan de gestelde criteria voldoen; dringt er bij de Unie op aan de politieke dialoog en de samenwerking op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing te intensiveren;

54.  spoort aan tot verdere onderhandelingen over de hereniging van Cyprus om deze snel tot een goed einde te brengen;

55.  meent dat de Europese Unie en haar lidstaten een doeltreffend buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid moeten ontwikkelen waarbij de nationale belangen worden geëerbiedigd, maar waarbij ook met internationale partners, de Verenigde Naties, ngo's, verdedigers van mensenrechten en anderen wordt gewerkt aan kwesties van gemeenschappelijk belang en om de vrede, welvaart en stabiliteit wereldwijd te bevorderen; benadrukt dat op het vlak van globale bedreigingen en uitdagingen nauw moet worden samengewerkt met andere mondiale en regionale machten; benadrukt in het bijzonder het belang van de trans-Atlantische betrekkingen, die gebaseerd zijn op gemeenschappelijke belangen en waarden; wijst erop dat een revitalisering van de strategische partnerschappen, met het doel om deze om te vormen tot effectieve instrumenten van het buitenlands beleid, een prioriteit voor de EU zou moeten zijn;

56.  is van mening dat de EU haar diplomatische inspanningen in Azië, waaronder met ASEAN, naar een hoger niveau moet tillen en moet intensiveren om bij te dragen tot meer stabiliteit en veiligheid in conflictgebieden waar opnieuw spanningen zijn ontstaan, en daarbij nauw moet samenwerken met partners in de regio en internationale wetgeving moet hooghouden, mede in het geval van de Zuid-Chinese Zee, en met het oog op de aanpak van problemen die verband houden met de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat; merkt op dat de Unie de ontwikkeling van de vreedzame betrekkingen tussen China en zijn buurlanden rond de Zuid-Chinese Zee, waaronder Vietnam, Taiwan en de Filipijnen, door constructieve bilaterale en inclusieve multilaterale mechanismen moet blijven steunen; is van mening dat een versterking en vernieuwing van de structuren van de internationale orde niet kan worden verwezenlijkt zonder Azië, en met name China; benadrukt dat gezien de wereldwijde ambities van China de betrekkingen tussen de EU en China zich niet moeten beperken tot economische betrekkingen, maar ook andere gebieden moeten beslaan, met bijzondere aandacht voor de rol van China in de VN, de invloed van China op regionale conflicten in zijn nabuurschap en de bijdrage van China aan het aanpakken van mondiale uitdagingen;

57.  vraagt de Europese Unie niet volledig afstand te doen van de gebieden die momenteel strategisch minder belangrijk zijn, maar die van essentieel belang kunnen worden in de toekomst, zowel uit economisch, menselijk als militair oogpunt, zoals Centraal-Azië, sub-Saharaans Afrika en het Noordpoolgebied, en die het voorwerp uitmaken van bijzondere aandacht van de andere grote wereldmachten;

58.  wijst nogmaals op de normatieve kracht van Europa en vraagt dat de culturele en wetenschappelijke diplomatie van de EU verder wordt versterkt om Europese sterkte en waarden ook buiten onze grenzen te projecteren en te bevorderen; wijst eveneens op de kracht van economische diplomatie en onder meer sancties, als een middel om EU-beleid kracht bij te zetten;

59.  vestigt de aandacht op de rol van parlementaire diplomatie bij de versterking van de politieke samenwerking met de partners van de EU;

60.  wijst op de noodzaak om de rol van de nationale parlementen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te versterken, onder meer door een intensievere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen op het vlak van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

61.  onderstreept de rol van niet-statelijke actoren en maatschappelijke organisaties als diplomatieke actoren en belangrijke partners van de Unie, en benadrukt het belang van de steun aan en de betrokkenheid van de EU bij deze actoren;

62.  benadrukt dat snel werk moet worden gemaakt van de consolidering van de volwaardige Europese diplomatieke dienst en meer bepaald van de versterking van de thematische expertise en strategische beleidsplanning en ‑raming alsook op het vlak van inlichtingen; is van mening dat het belangrijk is de EDEO‑vertegenwoordigingen in crisisgebieden een consulaire rol te geven met het oog op de hulpverlening aan burgers van de Unie; benadrukt dat een eerlijk evenwicht moet worden gevonden tussen door de lidstaten gedetacheerde diplomaten en EU‑ambtenaren in de EDEO, ook in managementposities;

63.  benadrukt dat de voor het extern optreden van de EU beschikbare financiële middelen niet in verhouding staan tot de uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd; vraagt in dit verband dat de in rubriek IV van het meerjarig financieel kader (MFK) beschikbare middelen aanzienlijk worden verhoogd tegen de achtergrond van de tussentijdse herziening van het MFK;

64.  vraagt om meer verantwoordingsplicht en transparantie, in het bijzonder met betrekking tot de onderhandelingen over internationale overeenkomsten;

65.  betreurt sterk dat het GBVB van de EU zo'n beperkte begroting heeft van ongeveer 320 miljoen EUR (0,2 % van de begroting van de Unie) en vraagt dat de financiële stromen beter beheerd worden om deze begroting uit te voeren; wijst erop dat de begrotingstoewijzingen voor 2016 op het niveau van 2015 zijn gebleven en dat de beschikbare marge eind maart 2016, 170 miljoen EUR bedroeg, ingevolge de goedkeuring van een bijkomend bedrag van 5 miljoen EUR voor veiligheidsmaatregelen ten behoeve van de missie EUCAP Sahel Mali en 10 miljoen EUR voor EUBAM Libië; uit zijn bezorgdheid over de schaarste van de beschikbare middelen in het licht van de verplichtingen waaraan in 2016 nog moet worden voldaan, aangezien alleen al voor de voortzetting van de missies die in 2016 aflopen een bijkomend bedrag van 169 miljoen EUR nodig is;

66.  benadrukt dat cultuur in het externe beleid van de EU een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van dialoog, wederzijds begrip en wederzijds leren; benadrukt dat gericht cultuur- en onderwijsbeleid belangrijke doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU kan ondersteunen en kan bijdragen tot het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten; herinnert eraan dat interculturele en interreligieuze dialoog een rol speelt bij de bestrijding van extremisme, radicalisering en marginalisering; verzoekt de Commissie en de EDEO met culturele diplomatie en interculturele dialoog rekening te houden in de EU‑instrumenten voor buitenlandse betrekkingen en in de ontwikkelingsagenda van de EU; vraagt de EDEO en alle EU-delegaties om in alle EU‑vertegenwoordigingen in derde partnerlanden een cultureel attaché te benoemen; benadrukt voorts dat onderwijs een essentiële rol speelt bij het bevorderen van burgerzin en interculturele vaardigheden, het creëren van betere economische vooruitzichten en het verbeteren van de volksgezondheid; steunt de huidige inspanningen van de Commissie om wetenschap en onderzoek een grotere rol te geven als instrumenten van "soft power" in de externe betrekkingen van de EU; benadrukt hoe wetenschappelijke uitwisselingen kunnen helpen om coalities tot stand te brengen en conflicten op te lossen, met name in de betrekkingen met de buurlanden van de EU;

o
o   o

67.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0249.


Instrumenten van het GLB voor het verminderen van de prijsschommelingen op de landbouwmarkten
PDF 190kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over de instrumenten van het GLB ter vermindering van de prijsschommelingen op de landbouwmarkten (2016/2034(INI))
P8_TA(2016)0504A8-0339/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de studie van maart 2016 uitgevoerd in opdracht van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement getiteld "State of play of risk management tools implemented by member states during the period 2014-2020: national and European frameworks",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0339/2016),

A.  overwegende dat er altijd sprake is geweest van instabiliteit en prijsschommelingen op de landbouwmarkten, en dat deze de afgelopen jaren, vanwege de snel opeenvolgende schokken in vraag, aanbod en prijzen, structureel onderdeel zijn geworden van de landbouw in en buiten Europa;

B.  overwegende dat de landbouw de grote uitdaging van de stijging van de wereldbevolking het hoofd moet bieden, terwijl een groot gedeelte van de wereldbevolking nog altijd ondervoed is, en dat de volatiliteit van de landbouwmarkten vanwege schommelingen in de productie en verschillen tussen vraag en aanbod nog groter zal worden;

C.  overwegende dat de klimaatverandering en de plagen die zich in de landbouw voordoen negatieve gevolgen hebben voor het productieniveau in de landbouw, en dat de concrete symptomen van klimaatverandering, zoals droogte en overstromingen, tot prijsschommelingen leiden;

D.  overwegende dat macro-economische omstandigheden een sleutelrol kunnen spelen bij prijsvolatiliteit, waaronder structurele factoren zoals wisselkoersen, energie- en mestprijzen, rentevoeten en speculatie op de landbouwmarkten;

E.  overwegende dat naast de EU de grote wereldspelers op de landbouwmarkten beleid tot stand brengen om de schommelingen te verminderen, en dat in het kader van de landbouw-G20, met het oog op duurzame ontwikkeling, actie is ondernomen om de strijd aan te gaan tegen de negatieve effecten van de buitensporige schommelingen van de prijzen van de landbouwgrondstoffen op de voedselveiligheid;

F.  overwegende dat elke regio in de wereld haar eigen productiemodellen kent en uiteenlopende maatregelen hanteert met betrekking tot milieu en dierenwelzijn, hetgeen grote gevolgen kan hebben voor de kostprijs van de productie, en overwegende dat Europese landbouwers op de wereldmarkt moeten kunnen concurreren;

G.  overwegende dat prijsschommelingen van landbouwproducten sterker kunnen worden door politieke beslissingen, zoals de instelling van een handelsembargo;

H.  overwegende dat de Europese Unie niet over een echt vangnet beschikt om de marktvolatiliteit af te remmen, wat een sterk ontmoedigende invloed heeft op de handhaving van de landbouwactiviteit in de EU;

I.  overwegende dat de openstelling van markten en de keuzes die hebben geleid tot de globalisering van de economie van de afgelopen decennia, met name onder invloed van de WTO-overeenkomsten of bilaterale handelsovereenkomsten, de marktfluïditeit hebben vergroot, maar dat mede hierdoor ook de prijsschommelingen in de landbouw zijn versterkt;

J.  overwegende dat landbouwers te kampen hebben met stijgende productiekosten en een stijging van de landbouwschuld, en overwegende dat tussen 2005 en 2010, 2,4 miljoen landbouwbedrijven in de EU zijn verdwenen, waardoor een groot aantal banen in plattelandsgebieden verloren zijn gegaan;

K.  overwegende dat de landbouwmarkten, als ontmoetingsplaats van vraag en aanbod, instabiel van aard zijn, dat door de aanwezigheid van financiële spelers deze instabiliteit toeneemt en dat mede door de lage elasticiteit van de mondiale vraag naar voedsel ten opzichte van het aanbod aan landbouwproducten, de gevolgen van de werkelijke of veronderstelde onevenwichtigheden voor de marktdeelnemers worden vermeerderd met soms bliksemsnelle gevolgen voor de prijzen van de landbouwproducten;

L.  overwegende dat de financialisering van de wereldeconomie en de speculatie die hiermee gepaard gaat gevolgen voor de landbouwmarkten kunnen hebben en kunnen bijdragen tot een toename van de onevenwichtigheid van deze markten en van de prijsschommelingen, waarbij de landbouwgrondstoffen als simpele financiële activa worden gebruikt; overwegende dat deze buitensporige financialisering vernietigende gevolgen kan hebben en ethisch onaanvaardbaar kan zijn wanneer deze de voedselveiligheid van de minst goed gevoede en de armste inwoners van de aarde in gevaar brengt, zoals is gebleken uit de verschrikkelijke crisis rond de hongerrellen in 2008;

M.  overwegende dat de Europese Unie de verantwoordelijkheid heeft om bij te dragen aan de voedselveiligheid in Europa en de concurrentiepositie van de Europese boer en tuinder op de wereldmarkt;

N.  overwegende dat de landbouw- en agro-voedingssector van groot belang is voor de economie van de EU en dat deze sector over de capaciteit beschikt om bij te dragen aan een duurzame groei;

O.  overwegende dat de prijsschommelingen leiden tot hoge onzekerheid voor producenten en consumenten, aangezien bij lage prijzen de inkomsten en investeringsmogelijkheden van producenten en dus de houdbaarheid op de lange termijn van hun activiteiten worden bedreigd, terwijl de mogelijkheid voor consumenten om zich te voeden en basisgoederen aan te schaffen in gevaar kan worden gebracht door hoge voedingsprijzen, waardoor crisissituaties ontstaan;

P.  overwegende dat de prijsschommelingen schadelijk zijn voor de landbouw- en agro-voedingssector, met negatieve effecten op investeringen, groei en werkgelegenheid, en mogelijk ernstige gevolgen voor de consumentenvoorziening, de voedselveiligheid en de goede werking van het GLB;

Q.  overwegende dat de prijsschommelingen de investeringscapaciteit en de capaciteit tot het scheppen van banen van landbouwers aantast, hetgeen modernisering, innovatie, nieuwkomers op de markt en generatievernieuwing ontmoedigt;

R.  overwegende dat duurzame landbouw als een bron van kwalitatief hoogstaand voedsel slechts mogelijk is als landbouwers toereikende af-boerderij-prijzen krijgen, die alle kosten voor duurzame productie dekken;

S.  overwegende dat in het kader van de "digitale revolutie", sterkere transparantie op de Europese markten en tijdige toegang tot informatie, naast andere instrumenten, kunnen bijdragen aan de beperking van de marktvolatiliteit en de prijsschommelingen doordat marktdeelnemers betere toegang krijgen tot objectievere informatie over de ontwikkelingen op de landbouwmarkten, wat zou bijdragen tot een betere bescherming van de inkomens van landbouwers en de bestrijding van de speculatie op de landbouwmarkten;

T.  overwegende de risicobeheersinstrumenten van het GLB zoals hervormd in 2013 in het kader van het plattelandontwikkelingsbeleid, en overwegende dat slechts 2% van de begroting van de tweede pijler en 0,4% van de begroting van het GLB momenteel aan deze instrumenten wordt besteed;

Huidige situatie en doelstellingen

1.  is van mening dat de landbouwers steeds sterker zullen worden blootgesteld aan prijsschommelingen met verschillende oorzaken, zoals de instabiliteit en onvolmaaktheid van landbouwmarkten, de globalisering en de ingewikkelder werking van de landbouwmarkten, de sterkere schommelingen in het aanbod vanwege het instabiele klimaat, de toename van de gezondheidsrisico's en het kwetsbare evenwicht in de voedselvoorziening;

2.  acht het noodzakelijk dat een verstrekkender en samenhangender beleid wordt aangenomen, met doelgerichte instrumenten op EU- en nationaal niveau, om te zorgen voor multifunctionele, duurzame landbouwproductie in de gehele Unie en eerlijke en rendabele prijzen, in het bijzonder door de negatieve effecten te beperken voor de marktdeelnemers die het sterkst onder de prijsschommelingen te lijden hebben;

3.  stelt vast dat de verschillende landbouwsectoren niet allemaal dezelfde gevolgen van de prijsschommelingen ondervinden en dat de beleidsinstrumenten en de strategieën om de betrokken spelers bij te staan moeten worden aangepast aan elke sector en aan de werkelijke, onmiddellijke en toekomstige risico's waaraan de landbouwers blootstaan;

4.  stelt vast dat terwijl de Europese Unie haar strategische landbouwsteun afbouwt, haar concurrenten op de wereldmarkt, met name de Verenigde Staten, Brazilië en China, aanzienlijke en toenemende overheidsmiddelen beschikbaar stellen voor de ontwikkeling van nieuwe risico-beleidsmodellen en instrumenten om hun landbouwers tegen de effecten van de prijsschommelingen te beschermen;

5.  wijst erop dat de Europese Unie de enige landbouwspeler is die haar landbouwbeleid op van de productie ontkoppelde steun stut, terwijl zij tegelijkertijd haar strategische landbouwsteun de afgelopen jaren heeft afgebouwd;

6.  merkt op dat de Verenigde Staten in het kader van de Farm Bill 2014 specifieke verzekeringspolissen hebben ontwikkeld voor de verschillende landbouwsectoren;

7.  merkt op dat het GLB de afgelopen decennia sterk is ontwikkeld, terwijl de hoofddoelstellingen ervan, te weten landbouwers een redelijke levensstandaard te verzekeren en te zorgen voor een stabiele en veilige voedselvoorziening tegen betaalbare prijzen voor consumenten, ongewijzigd zijn gebleven;

8.  onderstreept in dit verband dat een Europees gemeenschappelijk beleid van wezenlijk belang is voor een sector die moet zorgen voor voedselveiligheid en die een sleutelrol speelt bij het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de duurzame economische en ecologische ontwikkeling van plattelandsgebieden;

9.  benadrukt dat gebruik moet worden gemaakt van synergieën tussen het GLB en andere EU-beleidsdomeinen;

10.  merkt op dat de laatste hervormingen van het GLB hebben geleid tot een vrijwel volledige ontkoppeling van de rechtstreekse steun van de productie, het proces van convergentie voor rechtstreekse betalingen hebben voortgezet, en dat hierbij meer rekening is gehouden met maatschappelijke en vooral met milieuaspecten;

11.  wijst met bezorgdheid op de daling van de begrotingsmiddelen van het GLB van de afgelopen jaren, in het bijzonder voor maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening, hetgeen tot een hernationalisatie van het GLB zou kunnen leiden en hetgeen ten koste gaat van eerlijke voorwaarden en een gelijk speelveld op de interne markt van de EU;

12.  benadrukt dat de gemiddelde jaarlijkse landbouwinkomsten in de EU de afgelopen tien jaar gelijk zijn gebleven of zelfs achteruit zijn gegaan, terwijl de productiekosten zijn blijven stijgen, hetgeen heeft geleid tot een aanzienlijke daling van het aantal landbouwbedrijven, waardoor een groot aantal banen in plattelandsgebieden verloren zou kunnen gaan;

13.  is van mening dat de Commissie alle financiële speelruimte waarover zij in het kader van de integrale GMO beschikt moet gebruiken;

14.  betreurt de geringe uitvoering van de instrumenten van de integrale GMO om de negatieve effecten van de prijsschommelingen te beperken en de verstoringen van de markten te beheren;

15.  wijst erop dat de meeste risicobeheersinstrumenten, onderlinge fondsen en inkomensstabiliserings- en verzekeringsinstrumenten die beschikbaar worden gesteld in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's ongelijk en met beperkte begrotingsmiddelen worden geïmplementeerd;

16.  beveelt dat ook aan dat de huidige maatregelen onder de tweede pijler worden versterkt om het concurrentievermogen van de Europese landbouw te vergroten en producentenorganisaties nauw bij het implementatieproces te betrekken;

17.  verzoekt de Commissie een diepgaand onderzoek in te stellen naar de redenen waarom de instrumenten in het kader van de tweede pijler van het GLB weinig worden gebruikt en waarom de implementatie van de integrale GMO niet optimaal verloopt, met als doel de betreffende bepalingen te kunnen herzien;

18.  onderstreept het belang van het behoud van ontkoppelde rechtstreekse steun in het kader van het huidige GLB in combinatie met de regeling inzake een enkele areaalbetaling, die compensaties vormen voor openbare diensten en er sterk toe bijdragen dat de inkomens van landbouwers veilig worden gesteld en hun een zekere financiële stabiliteit wordt geboden;

19.  benadrukt echter dat het huidige GLB, dat niet over responsieve en effectieve instrumenten beschikt, noch adequaat op de sterkere schommelingen op de landbouwmarkten heeft ingespeeld, noch landbouwers in staat heeft gesteld op marktsignalen te reageren of oplossingen te zoeken om met prijsontwikkelingen te kunnen omgaan;

20.  verzoekt de Commissie onverwijld maatregelen te treffen ter ondersteuning van de landbouwsector in de ultraperifere, berg- en minst begunstigde regio's, waar de kosten van productie, het oogsten en de afzet van producten buiten de desbetreffende productiegebieden veel hoger liggen dan elders, en te voorzien in specifieke indicatoren voor het activeren van vangnetmaatregelen voor landbouwmarkten in deze regio's;

21.  is van mening dat de onafhankelijkheid en voedselveiligheid van de EU, evenals de ontwikkeling van een concurrerende en duurzame landbouwsector op het gehele grondgebied van de Unie die inspeelt op de behoeften van de burgers, strategische doelstellingen voor het toekomstige GLB moeten blijven, terwijl een redelijke levensstandaard voor landbouwers op korte termijn moet worden gewaarborgd;

22.  is van mening dat de voedselproductie niet kan worden gewaarborgd zonder Europese landbouwers, die voortdurend blootstaan aan prijsschommelingen en sterk afhankelijk zijn van stabiele markten en prijzen, evenals toereikende openbare middelen en maatregelen ter behoud van het concurrentievermogen van (familie)boerenbedrijven;

23.  onderstreept in dit verband de belangrijke rol van jonge landbouwers en nieuwkomers voor de toekomst van de Europese landbouw;

Voorstellen

Organisatie van de sectoren en contractualisatie

24.  is van mening dat primaire producenten de zwakste schakel in de voedselvoorzieningsketen vormen, in het bijzonder gezien de toenemende concentratie en omvang van de detailhandel op Europees en nationaal niveau, en in staat moeten worden gesteld zich te verenigen in organen zoals coöperatieve verenigingen, producentenorganisaties, of hun eigen verenigingen of brancheorganisaties;

25.  verzoekt de Commissie contractualisatie te vergemakkelijken door overeenkomstig artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het mededingingsbeleid van de EU aan de specifieke behoeften van de landbouwsector aan te passen, met uniforme regels en tenuitvoerlegging in alle lidstaten; stelt dat de GLB-doelstellingen boven de mededingingsregels moeten blijven prevaleren en dat eventuele initiatieven voor betere aanpassing van het mededingingswetgeving aan de specificiteiten van de landbouwsector op de Integrale-GMO-verordening moeten worden gebaseerd;

26.  benadrukt dat de onderhandelingspositie van producenten in de voedselketen moet worden versterkt, door middel van transparante, evenwichtige standaardcontracten die na collectieve onderhandelingen tot stand zijn gekomen, om landbouwers in staat te stellen oneerlijke handelspraktijken te bestrijden, hun concurrentievermogen te versterken, hun inkomensstabiliteit te verbeteren, toegevoegde waarde te genereren en in innovatie te investeren;

27.  vraagt de Commissie een wettelijke EU-regeling in te voeren om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen te verbieden die voor prijsvolatiliteit op de landbouwmarkten in de hand werken;

28.  benadrukt dat deze contracten een passende duur moeten hebben en bepalingen moeten bevatten betreffende prijzen, betalingstermijnen en andere voorwaarden voor de levering van landbouwproducten;

29.  is van mening dat landbouwers in de verschillende landbouwsectoren in staat moeten zijn om collectief over de voorwaarden van de contracten te onderhandelen via producentenorganisaties die van vergelijkbare grootte zijn als de industriële spelers of de spelers uit de distributie waarmee zij onderhandelen;

30.  merkt op dat geïntegreerde toeleveringscontracten op langere termijn, termijncontracten, contracten met een vaste marge en de mogelijkheid om met de productiekosten overeenstemmende prijzen voor een bepaalde tijd "vast te zetten" potentieel bieden en instrumenten zouden kunnen zijn waardoor producenten meer vat kunnen krijgen op de gevolgen van de schommelingen voor hun marges;

31.  meent dat de mogelijkheid moet worden geboden om in contractuele betrekkingen gebruik te maken van nieuwe instrumenten en dat ook contractbemiddelingsinstrumenten beschikbaar moeten worden gesteld;

32.  stelt vast dat met interprofessionele organisaties het vertrouwen en de dialoog tussen de verschillende spelers (producenten, verwerkers en distributeurs) worden bevorderd en makkelijker toegevoegde waarde kan worden gecreëerd door middel van gemeenschappelijke initiatieven die landbouwers erbij helpen hun kennis van de markten en de productie te verbeteren, goede praktijken en markttransparantie te bevorderen, het productiepotentieel in te schatten, het beheer van het aanbod te verbeteren en modelcontracten op te stellen in overeenstemming met de EU-voorschriften;

33.  verzoekt de Commissie brancheorganisaties op EU-niveau aan te moedigen gezamenlijk de belangen te beschermen van producenten in de sectoren die het meest op grensoverschrijdende markten gericht zijn, zoals de groente- en fruitsector;

34.  is zich bewust van de inspanningen die de Europese coöperaties hebben geleverd om producenten te verenigen en hen erbij te helpen hun positie in de waardeketen te verbeteren, en is van mening dat deze coöperaties moeten worden aangemoedigd om een grotere rol in de landbouwsectoren te spelen, om de gevolgen van de buitensporige marktschommelingen te beperken;

Risicobeheersinstrumenten

35.  pleit voor de verdere ontwikkeling van de instrumenten voor het beheer van klimaat-, gezondheids- en economische risico's, met name de verschillende soorten risicoverzekeringen voor de landbouwproductie, inkomensstabiliseringsinstrumenten, mechanismen voor individuele voorzieningen en onderlinge fondsen in een op de markt gericht GLB om de effecten van de prijsschommelingen te beperken en toekomstgericht landbouwbedrijfsbeheer aan te moedigen;

36.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen en nieuwe instrumenten te ontwikkelen, die niet alleen rechtvaardig, doeltreffend en snel inzetbaar zijn, maar ook betaalbaar en toegankelijk voor landbouwers, om de risico's in verband met de prijsschommelingen te af te wenden en te beheren en zo de basis te leggen voor de discussies in het kader van de toekomstige hervormingen van het GLB;

37.  onderstreept dat dergelijke instrumenten, die als aanvulling op het stelsel van rechtstreekse betalingen dienen, over voldoende middelen moeten beschikken om de veerkracht van de landbouw te versterken terwijl de behoefte aan crisisbeheer zal afnemen;

38.  is van mening dat onderlinge fondsen op sectoraal niveau, opgericht op initiatief van landbouwers, een zekere mate van inkomstenstabiliteit voor landbouwers kunnen garanderen bij schommelingen in de winstmarges op de verkoop van producten;

39.  is verder van mening dat deze onderlinge fondsen de door de Unie verstrekte steun niet moeten vervangen en met nationale steun moeten worden gecombineerd;

40.  verzoekt eveneens de Commissie initiatieven te nemen om de oprichting van dergelijke fondsen te stimuleren, terwijl wordt gewaarborgd dat elke toekomstige regeling inzake risicobeheer in overeenstemming is met, en in voorkomend geval een aanvulling vormt op de verzekeringsstelsels die op nationaal niveau door de lidstaten zijn aangenomen;

41.  meent dat prijsschommelingen ook op nationaal niveau kunnen worden beheerd, en verzoekt de lidstaten in hun belastingstelsel rekening te houden met marktschommelingen door landbouwers in staat te stellen mechanismen voor individuele voorzieningen tot stand te brengen die van belasting kunnen worden vrijgesteld;

42.  wijst erop dat landbouwers tot de economisch meest kwetsbare spelers behoren, in het bijzonder diegenen die investeringen in de ontwikkeling van hun bedrijf hebben gedaan;

43.  meent verder dat in het kader van het GLB instrumenten, zoals effectieve kasstroomondersteuning of een systeem van voorzorgsparen, moeten worden ontwikkeld om te voorkomen dat de wil tot investeren afneemt;

44.  benadrukt dat landbouwbedrijven slechts kunnen innoveren als de kapitaalkosten laag zijn en er liquiditeit beschikbaar is; benadrukt in dit verband dat een stabiel inkomen een van de voorwaarden is voor het verkrijgen van landbouwkrediet;

45.  merkt op dat de banksector door zijn rol en acties een groot effect heeft op de producenten, en dat de stijgende landbouwschulden de sector in tijden van prijsvolatiliteit nog extra belasten;

46.  onderstreept dat landbouwers beter moeten worden ingelicht over de sleutelrol van de Europese Investeringsbank bij de ondersteuning en ontwikkeling van de plattelandseconomie en de manier waarop zij gebruik kunnen maken van innovatieve financieringsinstrumenten;

47.  is van mening dat betere informatie over de modernisering, duurzaamheid en het concurrentievermogen van bedrijven aan landbouwers en landbouworganisaties moet worden geboden , terwijl eveneens wordt voorzien in opleidingscursussen over risicobeheer, marktgegevens, marges en schommelingen;

48.  roept de Commissie op in nauwe samenwerking met de nationale autoriteiten en landbouwgroeperingen een plan aan te nemen om het bewustzijn van de risicobeheersinstrumenten die onder de tweede pijler en in de integrale GMO beschikbaar zijn, te vergroten;

49.  roept de lidstaten en de lokale overheden op om bovengenoemde aspecten een sterkere nadruk te geven in hun programma's voor landbouwonderwijs en beroepsonderwijs;

50.  meent dat een van de manieren om de markten te stabiliseren en de prijsschommelingen te verminderen eruit bestaat te zorgen voor een beter evenwicht tussen vraag en aanbod;

Markt- en landbouwprijswaarnemingsposten

51.  is van mening dat de landbouwmarkten transparant moeten zijn, hetgeen vooral kan worden bereikt door bestaande informatie over prijzen en kosten tijdiger te publiceren en eenvoudig toegankelijk en nuttig te maken voor alle betrokken partijen in de toeleveringsketen, van producenten tot spelers in de distributie, waardoor de prijsspeculatie en de prijsschommelingen worden beperkt;

52.  merkt echter op dat prijstransparantie op zich de weerbaarheid van landbouwers tegen prijsvolatiliteit niet verbetert, en de structurele problemen in de marktorganisatie, zoals het onevenwicht tussen vraag en aanbod, niet oplost;

53.  moedigt de ontwikkeling van een Europese kaart met real-time informatie over de beschikbaarheid van landbouwproducten aan;

54.  is verheugd over de uitbreiding van de aanvullende instrumenten voor markttoezicht naar andere sectoren;

55.  onderstreept dat kennis over de totstandkoming en de ontwikkeling van prijzen, evenals de evolutie van het aanbod uiterst nuttig is voor landbouwers bij onderhandelingen over contracten met alle andere belanghebbenden;

56.  pleit voor de oprichting van waarnemingsposten van de Europese landbouwprijzen, gericht op de gehele keten, van de productieprijzen tot de uiteindelijke verkoopprijzen, met het oog op de ontwikkeling van een dynamische analyse van de verschillende onderdelen van de landbouwmarkten;

57.  beveelt aan marktdeelnemers te betrekken bij het elke maand of elke twee maanden beschikbaar stellen van actuele relevante gegevens betreffende ontwikkelingen en vooruitzichten op korte en middellange termijn, in overeenstemming met de specifieke behoeften van de sector in kwestie;

58.  verzoekt de Commissie met klem de waarnemingsposten met de noodzakelijke middelen uit te rusten om deze in staat te stellen aanbevelingen te doen en zich niet tot de waarneming van verstoringen te beperken;

Instrumenten ter voorkoming en beheer van crises

59.  is van mening dat de historische instrumenten van het GLB op het gebied van crisisbeheer (openbaar optreden en particuliere opslag) in een geglobaliseerde economie niet doeltreffend genoeg zijn;

60.  verzoekt de Commissie dan ook combineerbare en/of complementaire instrumenten voor de openbare en particuliere sector te ontwikkelen, in combinatie met een op de behoeften afgestemd, bindend mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing om de goede werking van markten te waarborgen en marktcrises te bestrijden;

61.  meent dat de Commissie gebruik moet maken van alle instrumenten waarover zij reeds beschikt in de integrale GMO om crises te bestrijden;

62.  betreurt het geringe gebruik van de crisisreserve, hoofdzakelijk vanwege de begrotingsregels, in het bijzonder het jaarperiodiciteitsbeginsel, en de discretionaire bevoegdheid die aan de Commissie is verleend wat betreft de toepassing ervan;

63.  wenst dan ook dat de crisisreserve buiten de GLB-begroting om tot stand wordt gebracht en dat deze ter financiering van crisisbeheersinstrumenten dient;

64.  beschouwt contracyclische maatregelen als instrumenten ter voorkoming en beheer van crises, in combinatie met de risicobeheersinstrumenten, waarmee de EU op landbouwmarkten kan ingrijpen in geval van crises door "overmacht" om aanzienlijke prijsdalingen te voorkomen;

65.  verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe mechanismen kunnen worden ontwikkeld om crisis door prijsschommelingen met contracyclische steun te voorkomen en te bestrijden, en te voorzien in een grotere flexibiliteit van de jaarlijkse begrotingen, met inachtnemening van de meerjarige financiële toewijzing, om rekening te kunnen houden met de contracyclische steun;

o
o   o

66.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Juridische mededeling