Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2327(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0389/2016

Ingediende teksten :

A8-0389/2016

Debatten :

PV 01/02/2017 - 20
CRE 01/02/2017 - 20

Stemmingen :

PV 02/02/2017 - 7.7
CRE 02/02/2017 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0018

Aangenomen teksten
PDF 354kWORD 74k
Donderdag 2 februari 2017 - Brussel Definitieve uitgave
Uitvoering Erasmus +
P8_TA(2017)0018A8-0389/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (2015/2327(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(2),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010‑2018)(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over onderwijs voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 januari 2011 getiteld "Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport" (COM(2011)0012),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over "Jeugd in beweging – een kaderinitiatief voor verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa"(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien de resolutie van de Raad van 28 november 2011 over een nieuwe Europese agenda voor volwasseneneducatie (6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 en 29 november 2011 over een benchmark voor leermobiliteit(7),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet‑formeel en informeel leren(8),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa"(9),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over een andere kijk op onderwijs(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,

–  gezien de verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (Verklaring van Parijs), aangenomen op 17 maart 2015 tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de Europese Unie in Parijs,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010‑2018)" (COM(2015)0429),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) — "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(12),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(13),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(14),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(15),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren– een concept van levenslang leren(16),

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 mei 2016 over het ontwikkelen van mediageletterdheid en kritisch denken door onderwijs en opleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 mei 2016 over de rol van de jeugdsector binnen een integrale sectoroverschrijdende aanpak ter voorkoming en bestrijding van gewelddadige radicalisering van jongeren,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa" (COM(2016)0381),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2016 over de follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(17),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0389/2016),

A.  overwegende dat Erasmus+ een van de succesvolste programma's van de Unie is en het belangrijkste instrument voor de ondersteuning van activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en dat het ten doel heeft de carrièreperspectieven van jongeren te verbeteren en de deelnemers sociale contacten te bieden; overwegende dat het in de periode 2014‑2020 meer dan vier miljoen Europeanen de kans biedt in een ander land te studeren, een opleiding te volgen en vrijwilligerswerk te doen;

B.  overwegende dat de Commissie zich flexibel heeft opgesteld en innovatieve stappen heeft ondernomen om het hoofd te bieden aan nieuwe uitdagingen, zoals een voorstel voor vluchtelingen, en om met de stimulerende maatregelen binnen Erasmus+ maatschappelijke waarden te bevorderen om te komen tot een actievere, participatieve interculturele dialoog;

C.  overwegende dat de grote educatieve, maatschappelijke, politieke en economische relevantie van het programma weerspiegeld wordt door de verhoging van het budget voor de programmaperiode met 40 % en het vastleggingspercentage in de beschikbare begroting, dat bijna 100 % heeft bereikt door het grote aantal aanvragen;

D.  overwegende dat nog niet alle relevante gegevens beschikbaar zijn voor een volledige kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de uitvoering en dat het daarom te vroeg is voor een kwalitatieve beoordeling van het effect dat het programma heeft gesorteerd;

E.  overwegende dat uit de resultaten van de Erasmus-effectbeoordeling van 2014(18) blijkt dat personen die een studie of opleiding in het buitenland hebben gevolgd twee keer zoveel kans hebben om werk te vinden dan anderen zonder een dergelijke ervaring, dat 85 % van de Erasmusstudenten een studie of opleiding in het buitenland volgt om beter inzetbaar te worden in het buitenland en dat de werkloosheid onder personen die een studie of opleiding in het buitenland hebben gevolgd, vijf jaar na hun afstuderen 23 % lager ligt; overwegende dat de Erasmus-effectbeoordeling ook duidelijk maakt dat 64 % van de werkgevers internationale ervaring belangrijk vindt voor aanwerving (in 2006 was dit slechts 37 %) en dat aan afgestudeerden met een internationale achtergrond meer verantwoordelijkheid wordt toevertrouwd; overwegende dat een op de drie Erasmusstudenten een baan krijgt aangeboden bij het bedrijf waar hij of zij stage heeft gelopen, en dat bijna een op de tien Erasmusstudenten die stage hebben gelopen, een eigen bedrijf is gestart en dat drie op de vier daar plannen voor hebben of dat overwegen;

Belangrijkste conclusies

1.  wijst erop dat Erasmus+ het vlaggenschipprogramma van de EU is op het gebied van mobiliteit, onderwijs en opleiding, en dat de middelen voor dit programma met 40 % zijn verhoogd ten opzichte van de periode 2007‑2013, vanwege de positieve resultaten en de grote vraag;

2.  merkt op dat een grote meerderheid van de nationale agentschappen ervan uitgaat dat de doelstellingen van het Erasmus+-programma op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd worden gehaald;

3.  is van mening dat Erasmus+ een essentiële rol speelt bij de bevordering van een Europese identiteit en integratie, solidariteit, inclusieve en duurzame groei, hoogwaardige werkgelegenheid, het concurrentievermogen, de sociale samenhang en de arbeidsmobiliteit onder jongeren, doordat het programma bijdraagt tot de verbetering van de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels, een leven lang leren, actief Europees burgerschap en de werkgelegenheidsvooruitzichten, door burgers van de Unie de kans te bieden door middel van studies, opleidingen, werkervaring of vrijwilligerswerk in het buitenland horizontale en overdraagbare vaardigheden en competenties te verwerven, en door hen in staat te stellen onafhankelijker te leven, zich eenvoudiger aan te passen en zich persoonlijk te ontwikkelen;

4.  benadrukt dat het programma als geheel weliswaar zichtbaarder is dan het vorige programma, maar dat de afzonderlijke sectorale programma's nog steeds met een gebrek aan zichtbaarheid te maken hebben; herinnert er in dit verband aan dat bij de uitvoering van het programma de specifieke kenmerken en karakteristieken van de verschillende sectoren in aanmerking moeten worden genomen;

5.  benadrukt dat sectorspecifieke leervormen, zoals Grundtvigworkshops en nationale jeugdinitiatieven die open staan voor informele groepen, weer moeten worden ingevoerd en dat de toegang tot transnationale jeugdinitiatieven moet worden vergemakkelijkt; stelt voor het effect van het programma te maximaliseren met behulp van nieuwe subsidiabele acties, bijv. door in het kader van kernactie 1 (KA1) grootschalige jongerenuitwisselingen te organiseren, uitgaande van de structuur van de grote Europese vrijwilligersdienst (EVD);

6.  beklemtoont dat binnen het programma het hoofdstuk voor jongeren het meest te maken heeft met de toenemende belangstelling van de Europese burgers voor Erasmus+; merkt op dat momenteel 36 % van alle Erasmus+-aanvragen betrekking heeft op het jeugdgedeelte en dat de aanvragen tussen 2014 en 2016 met 60 % zijn toegenomen;

7.  bevestigt het belang van de gestructureerde dialoog over jongeren, een participatief proces dat jongeren en jeugdorganisaties de kans biedt deel te nemen aan en invloed uit te oefenen op de vaststelling van het EU‑jeugdbeleid, en is verheugd over de steun die met het oog daarop vanuit het programma wordt verleend voor nationale werkgroepen en de kernactie 3‑projecten (KA3 gestructureerde dialoog); merkt op dat de Europese vrijwilligersdienst jongeren een intensief leer- en ervaringstraject biedt en een omkadering van hoge kwaliteit vereist; onderstreept dat de toegang tot het Erasmus+-programma primair voorbehouden moet blijven aan het maatschappelijk middenveld;

8.  beseft dat, te oordelen naar de berichten van belanghebbenden op alle niveaus, de uitvoering van het programma de eerste tweeënhalf jaar moeilijk is geweest en voor de nodige problemen heeft gezorgd, maar dat er inmiddels verbeteringen zijn doorgevoerd, hoewel vereenvoudigingen die overal op uniforme wijze zijn doorgevoerd, in veel gevallen een nadelig effect hebben gehad; is van mening dat het terugdringen van bureaucratische obstakels tot een breder en beter toegankelijk programma zou leiden; dringt daarom aan op verdere inspanningen om de bureaucratie in de hele projectcyclus te verminderen en de kosten adequaat en in verhouding tot de begroting of het projecttype vast te stellen; moedigt tegelijkertijd de Commissie aan om de dialoog met de sociale partners, de lokale overheden en het maatschappelijk middenveld te versterken om een zo breed mogelijke toegang tot het programma te verzekeren; betreurt het dat als gevolg van de hoge administratieve lasten Erasmus+-financiering voor kleinere organisaties onbereikbaar kan zijn; is van mening dat de administratieve procedures en de rapportagevereisten dienen te worden vereenvoudigd;

9.  stelt tot zijn spijt vast dat de Commissie geen gegevens over de kwaliteit van de succesvolle projecten verstrekt; benadrukt dat een analyse van de kwaliteit van elk project en een transparante presentatie van de resultaten voor de hand liggende stappen zijn die van de Commissie verwacht mogen worden en die kunnen bijdragen tot een hoger percentage succesvolle aanvragen;

10.  onderstreept dat het doel om de uitvoering eenvoudiger, gebruiksvriendelijker en flexibeler te maken, nog niet is bereikt; betreurt in dit verband dat de programmagids nog steeds niet op alle punten duidelijk en gedetailleerd is en dat de aanvraagformulieren te gecompliceerd zijn, waardoor kleinere, onervaren en niet-professionele aanvragers aanzienlijk worden benadeeld; onderstreept dat het programma verder moet worden verbeterd en gebruiksvriendelijker moet worden, terwijl ook in het oog moet worden gehouden dan het van belang is om tussen verschillende sectoren en groepen begunstigden te differentiëren; betreurt het dat de lange betalingstermijnen binnen Erasmus+ van invloed zijn op de mogelijkheden voor kleinere organisaties om financiering aan te vragen;

11.  verzoekt de Commissie de aanvraagprocedure aanzienlijk te vereenvoudigen en de programmagids sterker aan te passen aan de behoeften van de gebruiker en aan de afzonderlijke sectoren door alle relevante informatie voor elke programmasector in één hoofdstuk te bundelen; verzoekt haar voorts de aanvraagformulieren in alle officiële talen samen met de programmagids ruim voor de indieningstermijn te publiceren en duidelijk aan te geven welke documenten in elk stadium vereist zijn; verzoekt om verduidelijking en vereenvoudiging van het financiële gedeelte van het e-formulier; benadrukt dat voor de evaluatie van de aanvragen een gecoördineerde, consequente beoordeling met steun van onafhankelijke deskundigen noodzakelijk is;

12.  wijst op het belang van duidelijke leerresultaten en specifieke functieomschrijvingen voor de werkervaring die BOO-studenten, trainees, stagiairs en vrijwilligers in het kader van Erasmus+ in het buitenland opdoen; benadrukt dat het integraal deel uitmaakt van de activiteit om de kandidaten voor te bereiden op hun internationale ervaring en dat een dergelijke voorbereiding ook loopbaanbegeleiding en taalcursussen moet omvatten, alsmede cursussen op het vlak van sociale en culturele integratie, met inbegrip van interculturele communicatie, aangezien daarmee hun participatie in de maatschappij wordt bevorderd en hun werk- en leefomstandigheden worden verbeterd; meent dat, gezien de belangrijke rol van meertaligheid bij de verbetering van de inzetbaarheid van jongeren, binnen het Erasmus+-programma meer inspanningen moeten worden geleverd om de meertaligheid te bevorderen en te ondersteunen; is verheugd dat deelnemers aan Erasmus+-projecten vreemde talen beter gaan beheersen, ook de talen van buurlanden, waardoor hun mobiliteit en inzetbaarheid op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt kunnen worden vergroot; is van mening dat de taalcursussen voor inkomende deelnemers aan mobiliteitsprogramma's in samenwerking met de onderwijsinstellingen en de ontvangende bedrijven kunnen worden georganiseerd en kunnen worden afgestemd op hun studiegebied of stage;

13.  herinnert eraan dat ondanks een aanzienlijke verhoging van de totale programmabegroting het MFK slechts in een beperkte verhoging voor de eerste helft van de programmaperiode voorziet, zodat helaas veel projecten van hoge kwaliteit afgewezen moesten worden, waardoor het succespercentage dus laag uitviel en de ontevredenheid onder de deelnemers groot was;

14.  vindt het verheugend dat in 2017 bijna 300 miljoen EUR meer voor het Erasmus+-programma beschikbaar is dan in 2016; onderstreept voorts dat deze middelen deels moeten worden gebruikt voor het verbeteren van de zwakke onderdelen van het programma en vooral voor het verhogen van het aantal succesvolle kwaliteitsprojecten;

15.  wijst erop dat investeringen afkomstig uit de EU‑begroting in het kader van Erasmus+ een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verbetering van vaardigheden, de inzetbaarheid en een verlaagd risico op langdurige werkloosheid voor Europese jongeren, alsmede aan een actief burgerschap en de sociale inclusie van jongeren;

16.  is van mening dat de verhoging van de totale begroting in 2017 met 12,7 % ten opzichte van 2016 en de verdere jaarlijkse begrotingsstijgingen in de resterende jaren zullen resulteren in een hoger succespercentage en een grotere mate van tevredenheid onder de aanvragers; gaat ervan uit dat de Commissie uitvoering geeft aan haar voornemen om voor de resterende programmaperiode 200 miljoen EUR extra toe te kennen, hoewel een nog grotere budgettaire inspanning nodig is om de vraag in ondergefinancierde sectoren, die de beschikbare middelen verre overstijgt, te dekken; wijst erop dat 48 % van de nationale agentschappen (NA's) meldt dat er onvoldoende budget is voor de acties in het kader van het programma;

17.  moedigt de Commissie aan om te analyseren in welke kernacties en sectoren er sprake lijkt te zijn van onderfinanciering, zoals KA2 (strategische partnerschappen), volwasseneneducatie, jongeren, schoolonderwijs, beroepsonderwijs en ‑opleiding (BOO) en hoger onderwijs, en welke het meest zouden kunnen profiteren van de hogere begroting; onderstreept dat het programma onder voortdurend toezicht moet blijven staan om de betrokken gebieden en sectoren op te kunnen sporen en zo snel mogelijk corrigerend op te kunnen treden; benadrukt dat er voldoende middelen voor mobiliteit moeten worden vrijgemaakt, met bijzondere aandacht voor het verhogen van de mobiliteit van ondervertegenwoordigde groepen; benadrukt dat er, om in de behoeften van specifieke sectoren te voorzien, speciale begrotingslijnen voor verschillende sectoren moeten komen; wijst erop dat de begroting uitsluitend mag worden gebruikt als deel van de voorzieningen voor het programma;

18.  onderstreept dat de verspreiding en benutting van resultaten ook wel met virtuele middelen kunnen worden ondersteund, maar dat persoonlijke contacten en gezamenlijke activiteiten van groot belang zijn voor het welslagen van een project en van het programma in zijn geheel; meent in dit verband dat voorlichtingscampagnes in de lidstaten ook seminars en activiteiten moeten omvatten waarin de aspirant-deelnemers persoonlijk kunnen worden ontmoet;

19.  benadrukt tevens dat voor alle deelnemers aan Erasmus+ de ontwikkeling van hun talenkennis een belangrijk punt is; is daarom verheugd over de taalcursussen die de Commissie online aanbiedt, maar wijst erop dat er met het oog op een geslaagde mobiliteit een begeleidend (nationaal, regionaal, lokaal) kader moet worden opgezet, met name voor schoolgaande jongeren en BOO-studenten alsmede personeel, om hen te helpen bij hun integratie in de nieuwe omgeving;

20.  wijst erop dat momenteel slechts 1 % van de jongeren die arbeidsgerelateerde opleidingsprogramma's volgen, waaronder stagiairs, tijdens hun opleiding deelneemt aan mobiliteitsregelingen; wijst erop dat het van essentieel belang is om de nodige voorwaarden te scheppen voor het vergroten van de mobiliteit van leerlingen binnen de EU, zodat zij dezelfde kansen krijgen als studenten in het hoger onderwijs, om op die wijze de doelstellingen met betrekking tot de bestrijding van de werkloosheid, in het bijzonder de jeugdwerkloosheid, te verwezenlijken;

21.  onderstreept het belang van informeel en niet-formeel onderwijs, jeugdwerk, deelname aan sport en vrijwilligerswerk in Erasmus+ als middelen om de ontwikkeling van vaardigheden als burger, in de maatschappelijke omgang en op intercultureel vlak te stimuleren, de sociale inclusie en het actief burgerschap van jongeren te bevorderen en bij te dragen aan de ontwikkeling van hun menselijk en maatschappelijk kapitaal;

22.  benadrukt dat Erasmus en Leonardo voorheen hoofdzakelijk gericht waren op hoger opgeleide jongeren met goede mogelijkheden om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, en te weinig op de meest kwetsbaren; wijst op de EU‑doelstelling om vroegtijdig schoolverlaten en armoede te verminderen; benadrukt dat de lidstaten zich bij de tenuitvoerlegging van Erasmus+ sterk moeten richten op vroegtijdige schoolverlaters, een groep die een groot risico loopt tot armoede te vervallen of werkloos te worden; benadrukt dat aan vroegtijdige schoolverlaters niet de reguliere BOO- en uitwisselingsprogramma's moeten worden aangeboden, maar programma's die gericht zijn op hun behoeften, op eenvoudige toegang en op ongecompliceerde financiering, in combinatie met informele en niet-formele leeromgevingen;

23.  wijst op de nieuwe maatschappelijke uitdagingen en op de voortdurend veranderende inhoud van banen; herinnert eraan dat het Erasmus+-programma jongeren ook voorbereidt op de arbeidsmarkt, en is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de overschakeling van baangerelateerde vaardigheden naar zachte vaardigheden, het bevorderen van de verwerving van horizontale en overdraagbare vaardigheden en competenties, zoals ondernemerschap, ict‑kennis, creatief denken, probleemoplossend denken en een innovatieve geest, zelfvertrouwen, aanpassingsvermogen, teambuilding, projectbeheer, het inschatten en nemen van risico's, alsmede sociale en burgerschapscompetenties die zeer relevant zijn voor de arbeidsmarkt; is van mening dat welzijn op het werk, een goed evenwicht tussen werk en privé en de integratie in de arbeidsmarkt en in de samenleving van personen die zich in kwetsbare situaties bevinden, ook hieronder moeten vallen;

24.  stelt vast dat de garantiefaciliteit voor studentenleningen pas in februari 2015 van start is gegaan, nadat de delegatieovereenkomst met het Europese Investeringsfonds (EIF) in december 2014 was ondertekend, en dat er momenteel slechts vier banken in Frankrijk, Spanje en Ierland van dit innovatieve instrument gebruik maken; betreurt het dat dit financiële instrument geenszins aan de verwachtingen voldoet, want er nemen momenteel slechts 130 masterstudenten deel; wenst dat de leninggarantiefaciliteit kritisch wordt beoordeeld op opzet en toegankelijkheid in heel Europa, en dringt er bij de Commissie op aan om in overleg met het Parlement een strategie voor te stellen voor de herschikking van een deel van de begrotingsmiddelen die in 2020 waarschijnlijk niet zullen zijn besteed; onderstreept dat het totale percentage studenten met een schuld moet worden gevolgd om te garanderen dat de brede financiële instrumenten waarvan in het programma gebruik wordt gemaakt, zich vertalen in een groter aantal personen dat hulp ontvangt;

25.  betreurt het dat organisaties die de amateursport, en met name de gehandicaptensport, op lokaal niveau vertegenwoordigen, sterk ondervertegenwoordigd zijn als projectdeelnemers bij de uitvoering van projecten voor de breedtesport; is verheugd over de invoering van kleine samenwerkingspartnerschappen met geringere administratieve vereisten, want dit is een belangrijke stap om kleinere organisaties in de breedtesport in staat te stellen aan het programma deel te nemen en deze organisaties verder te versterken; onderstreept dat intersectorieel optreden, waardoor in dit geval sport en onderwijs dichter bij elkaar worden gebracht, kan bijdragen aan een oplossing voor deze tekortkoming; merkt op dat deze praktijk ook moet worden uitgebreid naar andere sectoren die via Erasmus+ projectfinanciering ontvangen, met name vrijwilligersorganisaties;

26.  is verheugd over de bijzondere betrokkenheid van het Erasmus+-programma bij de samenwerking en de activiteiten op het gebied van breedtesport; moedigt de Commissie aan om de toegankelijkheid van en de deelname aan het programma te verbeteren voor partijen die aan de basis actief zijn, zoals sportclubs; verzoekt de Commissie na te gaan of de bestaande middelen die in Erasmus+ voor sport beschikbaar zijn, doeltreffend en ten behoeve van de breedtesport worden gebruikt, en, zo niet, mogelijkheden voor verbetering te vinden, met de nadruk op breedtesport en onderwijs om de zichtbaarheid te vergroten, lichamelijke activiteit te bevorderen en sport voor alle burgers in de EU toegankelijker te maken; verzoekt de Commissie om bij alle relevante acties in het kader van Erasmus sterker een sectoroverstijgende benadering van de breedtesport te volgen en activiteiten op dit gebied te coördineren, zodat zij effectief zijn en het gewenste effect sorteren;

27.  benadrukt de meerwaarde van BOO-acties binnen Erasmus+ bij het ondersteunen van de (her)integratie van achterstandsgroepen in beroepsopleidingen c.q. het beroepsonderwijs, zodat zij beter kunnen instromen op de arbeidsmarkt;

28.  dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de betrokken EU‑agentschappen, zoals Cedefop, op aan de kwaliteit en de toegankelijkheid van BOO‑mobiliteitsprogramma's voor iedereen te verbeteren, zodat deze programma's alle deelnemers meerwaarde bieden op het gebied van kwalificatie, erkenning en inhoud, en ervoor te zorgen dat er kwaliteitsnormen worden ingevoerd voor stageprogramma's;

29.  erkent dat het, gezien de hoge jongerenwerkloosheid in enkele lidstaten, een hoofddoel van Erasmus+ is om jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt; hecht er tegelijkertijd veel belang aan dat activiteiten buiten de school, de beroepsopleiding en de studie hun plaats binnen Erasmus+ behouden;

30.  herinnert de Commissie eraan dat personen met een beperking, zoals slechthorenden, bijzondere behoeften hebben, waardoor zij, om deel te kunnen nemen aan het Erasmus+-programma, passende financiering en ondersteuning, zoals gebarentolken, meer informatie en een toereikende toelage nodig hebben; wenst dat de Commissie zich blijft inzetten voor de invoering van nieuwe maatregelen om te waarborgen dat mensen met een beperking een onbelemmerde en niet-discriminerende toegang hebben tot alle programma's waarvoor in het kader van Erasmus+ studiebeurzen worden verleend; acht het zinvol om, indien dit noodzakelijk wordt geacht, binnen de nationale agentschappen "coaches" te benoemen, die advies geven over een optimale toewijzing van de financiële middelen;

31.  beklemtoont dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die in het kader van het Erasmus+-programma beroepsopleidingen aanbieden, financieel of door middel van belastingvoordelen ondersteund moeten worden;

Aanbevelingen

32.  is van mening dat Erasmus+ een van de belangrijkste pijlers is om de Europese bevolking vertrouwd te maken met een leven lang leren; verzoekt de Commissie daarom ten volle gebruik te maken van de dimensie van het programma gericht op een leven lang leren, door de sectoroverstijgende samenwerking in het kader van Erasmus+ te bevorderen en aan te moedigen, waarvoor veel meer ruimte is dan in eerdere programma's, en in de eind 2017 te presenteren tussentijdse evaluatie de sectoroverstijgende samenwerking te evalueren; beseft dat sectoroverstijgende projecten en activiteiten duidelijk maken welke mogelijkheden er zijn om het programma beter te laten presteren; wenst dat onderwijsmobiliteit deel gaat uitmaken van alle programma's voor het hoger en beroepsonderwijs, om het hoger onderwijs en het BOO-stelsel kwalitatief te verbeteren, mensen te helpen bij het verbeteren van hun beroepsvaardigheden, competenties en carrièreontwikkeling, alsook om alle betrokken sectoren sterker bewust te maken van de tijdens de mobiliteit verworven competenties en meer kennis over leren, opleidingen en jeugdwerk te verspreiden; dringt aan op betere mogelijkheden voor BOO-studenten om in een buurland stage te lopen of een deel van hun studie te volgen, bijvoorbeeld via de financiering van de reiskosten van studenten die in hun thuisland blijven wonen;

33.  wijst erop dat Erasmus+ een belangrijk instrument is om de kwaliteit van BOO in de EU te verbeteren; benadrukt dat inclusieve en hoogwaardige BOO en BOO-mobiliteit in Europa op een snel veranderende arbeidsmarkt in economisch en sociaal opzicht een essentiële rol vervullen omdat zij jongeren en volwassenen in staat stellen de professionele en de levensvaardigheden te verwerven die nodig zijn voor de overgang van onderwijs en opleiding naar werk; benadrukt dat BOO en BOO‑mobiliteit gelijke kansen, non‑discriminatie en sociale inclusie moeten bevorderen voor alle burgers, waaronder vrouwen, die ondervertegenwoordigd zijn in BOO, en personen die zich in kwetsbare situaties bevinden, met inbegrip van Roma, werkloze jongeren, personen met een beperking, inwoners van afgelegen en ultraperifere gebieden en migranten; stelt voor om zich ook te richten op laaggeschoolde begunstigden, teneinde hun deelname te verhogen en op die manier het bereik van de programma's te verbeteren;

34.  wijst erop dat er in sommige lidstaten nog steeds sprake is van sociale selectiviteit bij de inschrijving voor mobiliteitsprogramma's; betreurt het dat de ongelijkheid binnen en tussen lidstaten de toegang tot het programma bemoeilijkt, doordat er barrières worden opgeworpen voor aanvragers, en met name voor studenten met een lager inkomen; wijst erop dat een hoog percentage studenten in een mobiliteitsprogramma wordt ondersteund door derden (familie, ouders, partner, lokale instanties die banden met de begunstigden hebben); merkt op dat veel werkstudenten vanwege de mogelijke inkomstenderving afzien van deelname aan een mobiliteitsprogramma; stelt dat het wegnemen van belemmeringen voor de mobiliteit, zoals financiële barrières, en een betere erkenning van internationale werk-/studieresultaten belangrijk zijn om de KA1-doelstellingen te halen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de financiële steun voor personen die om financiële redenen niet kunnen deelnemen, verder te verhogen, en zoekt naar verdere mogelijkheden ter verbetering van hun mobiliteit, om Erasmus+ werkelijk voor iedereen toegankelijk te maken; vraagt de Commissie en de lidstaten voor gendergelijkheid en een gelijke toegang tot het programma te zorgen;

35.  verzoekt de Commissie de mobiliteit in heel Europa ook in crisistijden te verzekeren en aan landen die deelnemen aan de Europese ruimte voor hoger onderwijs, mogelijkheden te blijven bieden om gebruik te maken van Erasmus+;

36.  vreest nog altijd dat Erasmus+ door jongeren en het grotere publiek voornamelijk als programma voor studenten in het hoger onderwijs wordt gezien; beveelt derhalve aan om, met name door middel van een voorlichtingscampagne en publiciteitsactiviteiten met betrekking tot de inhoud van alle programma's, op Europees, nationaal en regionaal niveau niet alleen meer de nadruk te leggen op het zichtbaarder maken van de diverse sectoren waar aanvragen voor kunnen worden ingediend, zoals schoolonderwijs, hoger onderwijs, internationaal hoger onderwijs, BOO, volwassenenonderwijs, jeugd, sport en vrijwilligerswerk, maar ook te wijzen op de mogelijkheid om sectoroverstijgende projecten op te zetten;

37.  is van mening dat de sinds lang in gebruik zijnde merknamen (Comenius, Erasmus, Erasmus Mundus, Leonardo da Vinci, Grundtvig en Jeugd in Actie) en de bijbehorende logo's belangrijke instrumenten zijn om de verscheidenheid van het programma onder de aandacht te brengen; merkt tevens op dat "Erasmus+" de bekendste naam wordt, vooral onder nieuwkomers; benadrukt dat het programma de nieuwe naam "Erasmus+" moet verdedigen en dat er voorts verschillende methoden moeten worden gebruikt om de naamsbekendheid te vergroten; stelt voor dat de Commissie verder de nadruk legt op de relatie tussen het Erasmus+-programma en de merknamen en de grote verscheidenheid aan subprogramma's; verzoekt om toevoeging van de naam "Erasmus+" aan de afzonderlijke programma's (die dan "Erasmus+ Comenius", "Erasmus+ Mundus", "Erasmus+ Leonardo da Vinci", "Erasmus+ Grundtvig" en "Erasmus+ Jeugd in Actie" gaan heten); verzoekt alle belanghebbenden deze namen te blijven gebruiken, met name in publicaties en brochures, om de identiteit van de sectorale programma's te handhaven en te versterken, de herkenbaarheid te vergroten en eventuele verwarring onder de begunstigden tegen te gaan; verzoekt de Commissie de Erasmus+-gids aan de hand van de aloude merknamen te structureren en die namen in de gids steevast te gebruiken;

38.  moedigt de Commissie aan nog sterker te streven naar een open, op raadpleging gebaseerde, transparante werkwijze en haar samenwerking met de sociale partners en maatschappelijke organisaties (inclusief, waar van toepassing, verenigingen van ouders, leerlingen, docenten en niet-onderwijzend personeel en jeugdorganisaties) op alle uitvoeringsniveaus verder te verbeteren; benadrukt dat Erasmus+ een toonbeeld van transparantie voor de Europese Unie moet worden dat als zodanig door haar burgers wordt erkend, zodat een situatie ontstaat waarin alle besluiten en processen volledig transparant worden, met name ten aanzien van de financiële aspecten; herinnert eraan dat volledig transparante besluiten beter te begrijpen zijn voor personen wier projectaanvragen niet zijn gehonoreerd;

39.  wijst op de belangrijke rol van het programmacomité, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1288/2013 tot vaststelling van Erasmus+, bij de uitvoering van het programma en de bevordering van de Europese meerwaarde door middel van een grotere complementariteit en synergie tussen Erasmus+ en beleidsmaatregelen op nationaal niveau; dringt aan op een sterkere rol van het programmacomité bij beleidsbeslissingen; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie over de verdeling van centraal beheerde middelen te blijven delen met het programmacomité;

40.  onderstreept dat IT-instrumenten niet alleen moeten worden gezien als hulpmiddelen voor beheer, toepassing en administratieve processen, maar ook waardevol kunnen zijn om in contact te blijven met de begunstigden en de collegiale contacten tussen de begunstigden te faciliteren, waardoor eventueel tal van andere processen worden ondersteund, bijv. feedback van de begunstigden, wederzijds mentorschap en een grotere zichtbaarheid van het programma;

41.  verzoekt de Commissie zorg te dragen voor een regelmatige informatie-uitwisseling en een goede samenwerking tussen de nationale autoriteiten, de uitvoeringsorganen en maatschappelijke organisaties op Europees niveau en de nationale agentschappen, zowel bij gedecentraliseerde als bij gecentraliseerde acties in het kader van het programma; verzoekt de NA's alle nodige informatie op hun homepage te zetten, waar mogelijk in hetzelfde formaat en met dezelfde inhoud;

42.  vraagt de Commissie en respectievelijk het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur (DG EAC) en het Uitvoerend agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA), om verdere bevordering van gedecentraliseerde acties zoals KA2 mogelijk te maken door financiering voor te stellen die toereikend is en evenredig met de omvang van de acties;

43.  pleit ervoor de samenwerking tussen de NA's en het EACEA verder te versterken om gecentraliseerde acties in het kader van Erasmus+ te bevorderen, de nodige steun te verlenen, het programma sterker onder de aandacht te brengen, aanvullende informatie over het programma aan mogelijke aanvragers te verstrekken en feedback uit te wisselen met het oog op het verbeteren van de uitvoering; verzoekt de Commissie in samenwerking met de nationale agentschappen Europese uitvoeringsrichtsnoeren voor de nationale agentschappen te ontwikkelen; wil dat het contact tussen de Commissie, de NA's, de begunstigden, de vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en het EACEA gemakkelijker verloopt dankzij de ontwikkeling van een communicatieplatform voor de uitwisseling van informatie en goede praktijken, waar alle belanghebbenden kwalitatief goede informatie kunnen opvragen en hun ervaringen en suggesties voor verdere verbeteringen in het programma kunnen delen; benadrukt dat de belanghebbenden en begunstigden moeten worden betrokken bij de vergaderingen van het programmacomité; wijst erop dat dit overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013 zou kunnen worden bereikt door de instelling van vaste subcomités met vertegenwoordigers van de belanghebbenden en begunstigden, de sectorale nationale agentschappen, leden van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van de lidstaten;

44.  verzoekt de Commissie de modaliteiten voor betalingen aan NA's, de aanvraagtermijnen en de toekenningsperioden te evalueren en dienovereenkomstig aan te passen; wijst erop dat de nationale agentschappen flexibeler moeten kunnen omgaan met mobiliteitssubsidies en administratieve kosten ten behoeve van een langer verblijf in het buitenland; moedigt de Commissie aan om de NA's binnen KA's flexibeler met middelen te laten schuiven, zodat zij, uitgaande van de behoeften van de begunstigden, eventuele financieringstekorten kunnen oplossen; stelt voor om dit aan de NA's toe te vertrouwen omdat zij vertrouwd zijn met de eventuele financieringstekorten in hun eigen land; merkt op dat een grotere flexibiliteit inhoudt dat ook meer monitoring en transparantie geboden zijn;

45.  is bezorgd over het afnemende aantal gebundelde projecten in het kader van Leonardo en wenst dat de nationale agentschappen meer ruimte krijgen in hun besluitvorming over de hoogte van de subsidies voor huishoudelijke uitgaven, zodat zij doeltreffender rekening kunnen houden met nationale bijzonderheden als het duale systeem;

46.  is bezorgd over de moeilijkheden die NA's hebben bij de interpretatie en toepassing van de programmavoorschriften, en wijst erop dat 82 % van de Erasmus+-begroting aan gedecentraliseerde acties wordt besteed; verzoekt de Commissie de definities te stoomlijnen en de advisering inzake gedecentraliseerde acties te verbeteren en ervoor te zorgen dat alle NA's de programmavoorschriften consequent toepassen, met inachtneming van gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en procedures voor de projectevaluatie en de administratie, zodat een uniforme, coherente uitvoering van Erasmus+ gewaarborgd is, de beste resultaten voor de EU-begroting worden behaald en fouten worden vermeden;

47.  is van mening dat de prestaties van de NA's geregeld geëvalueerd en verbeterd moeten worden om de resultaten van de door de EU gefinancierde acties te kunnen waarborgen; wijst erop dat de participatieniveaus en de ervaringen van de deelnemers en de partners in dit verband een hoofdrol moeten spelen;

48.  stelt voor dat de organisatiestructuur van de betrokken diensten van de Commissie wordt aangepast aan de opzet van het programma;

49.  dringt erop aan dat de relevante IT‑instrumenten verder worden verbeterd en dat het accent wordt gelegd op het stroomlijnen, de gebruiksvriendelijkheid en het verbeteren van de verbindingen tussen de verschillende instrumenten en niet op de ontwikkeling van nieuwe tools; herinnert er in dit verband aan dat jongeren voor hun communicatie op internet het liefst gebruikmaken van nieuwe IT-instrumenten; onderstreept dat de IT-technologie een belangrijke rol kan spelen bij het vergroten van de zichtbaarheid van het programma;

50.  verzoekt de Commissie de IT‑platforms eTwinning, School Education Gateway, Open Education Europe, EPALE, Europees Jongerenportaal en VALOR verder te ontwikkelen om deze attractiever en gebruiksvriendelijker te maken; verzoekt de Commissie om een evaluatie van deze platforms mee te nemen in de eind 2017 te presenteren tussentijdse evaluatie van Erasmus+;

51.  dringt bij de Commissie aan op optimalisering van de prestaties en de gebruiksvriendelijkheid van de IT‑instrumenten, zoals het mobiliteitsinstrument, of andere ondersteunende IT‑platforms, zoals EPALE (het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa), teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden van het programma maximaal van hun ervaringen kunnen profiteren en dat de grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken worden bevorderd;

52.  verzoekt de Commissie in het programma meer werk te maken van het aspect schoolonderwijs met het oog op meer mobiliteit van leerlingen en vereenvoudiging van de administratieve en financieringsprocedures voor scholen en aanbieders van niet-formeel onderwijs, om zo aan te sluiten bij de algemene doelstelling van Erasmus+ om de sectoroverstijgende samenwerking te bevorderen, en de aanbieders van niet-formeel onderwijs aan te moedigen tot het aangaan van partnerschappen met scholen; moedigt de Commissie aan om binnen het programma de ontwikkeling van het jeugdwerk en het niet-formele onderwijs te versterken door steun te verlenen aan jongerenorganisaties en andere aanbieders van jeugdwerk, en door het jeugdpartnerschap tussen de EU en de Raad van Europe te blijven ondersteunen;

53.  is verheugd over de invoering van twee soorten strategisch partnerschap, een eerste en belangrijke positieve stap om de kansen van kleine organisaties op deelname aan het programma te verhogen, omdat zij vaak moeite hebben om aan de eisen te voldoen en daarom worden gediscrimineerd, hetgeen de reputatie en het gezag van het programma schaadt; verzoekt de Commissie verbeteringen door te voeren die het programma nog aantrekkelijker maken, zodat meer kleine organisaties bij de programma-activiteiten betrokken worden met als uiteindelijk doel dat hun aandeel in het programma groter wordt, voor zover aan de kwaliteitseisen wordt voldaan; is verheugd over de opstelling van Europese uitvoeringsrichtsnoeren en de inrichting van een gedetailleerdere FAQ‑site om de antwoorden over de selectiecriteria beter te ordenen en geselecteerde projecten voor het voetlicht te brengen en zo duidelijkheid te verschaffen omtrent de selectie en kleine organisaties beter te ondersteunen; benadrukt dat er uiteenlopende deelnemende organisaties bij de programma-activiteiten moeten worden betrokken en dat daarbij een evenwicht moet blijven bestaan;

54.  beveelt aan om de subsidiebedragen voor de samenwerking tussen scholen te verlagen ten gunste van het aantal gesubsidieerde projecten, teneinde schooluitwisselingen rechtstreeks te subsidiëren en zodoende meer persoonlijke ontmoetingen tussen mensen uit verschillende cultuur- en taalgebieden mogelijk te maken; onderstreept het belang van persoonlijke ervaringen met mensen met een andere culturele achtergrond, waar het gaat om de bevordering van een Europese identiteit en het fundamentele denkbeeld van Europese integratie, en beveelt aan om te streven naar een maximaal aantal deelnemers, hetgeen zeker voor alle programmadoelstellingen dient te gelden; juicht in dit verband de verbeteringen toe die al hebben plaatsgevonden, maar gaat ervan uit dat de regels in het kader van de strategische partnerschappen door de nationale agentschappen en de Commissie zullen worden versoepeld;

55.  is, gezien de belangrijke rol van meertaligheid bij de bevordering van de inzetbaarheid van jongeren(19), van mening dat binnen het Erasmus+-programma meer inspanningen moeten worden geleverd om meertaligheid te bevorderen en te ondersteunen;

56.  wijst er in het licht van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen voor Europa op dat de Europese aanpak van gemeenschappelijke Europese uitdagingen moet worden versterkt door grootschalige innovatieprojecten te ondersteunen die Europese netwerken van maatschappelijke organisaties uitvoeren op het gebied van onderwijs, opleiding en jongeren; wijst erop dat dit kan worden gedaan door een deel van de totale Erasmus+-financiering van KA2 toe te wijzen aan "Samenwerking voor innovatie en uitwisseling van goede praktijken" in het kader van gecentraliseerde acties;

57.  merkt op dat 75 % van de NA's melding heeft gemaakt van zware administratieve lasten, wat de investeringscapaciteit van de EU‑begroting vermindert en rechtstreekse gevolgen voor de begunstigden dreigt te krijgen; verzoekt DG EAC en het EACEA de uitvoering te verbeteren, vooral wat betreft het aanvraagproces;

58.  is blij dat het systeem van eenheidskosten in het programma is opgenomen om de administratieve lasten tot een minimum te beperken; is ook verheugd over de aanpassingen die de Commissie in 2016 heeft doorgevoerd en voor 2017 heeft gepland; merkt op dat sommige lidstaten dit systeem door regelgevingsvereisten niet kunnen toepassen of de kostenniveaus vergeleken met de reële kosten ontoereikend vinden; beschouwt een verdere verhoging van het eenheidskostenniveau noodzakelijk om de projectdeelnemers voldoende financiële steun te geven, en benadrukt dat verzekerd moet worden dat deelnemers en organisaties uit afgelegen gebieden en grensregio's niet benadeeld worden door het systeem van eenheidskosten; wenst dat het grote persoonlijke engagement, met name van de vele vrijwilligers en docenten en van alle andere deelnemers, op passende wijze wordt beloond; verzoekt om de (her)invoering van aanloopfinanciering voor het leggen van contacten met potentiële samenwerkingspartners of voorbereidende vergaderingen, of bijvoorbeeld een voldoende hoge totale vergoeding om deze kosten te dekken; onderstreept dat transparantie op dit gebied van essentieel belang is, gelet op de transparantievereisten en -doelstellingen voor het gehele Erasmus+-programma;

59.  is verheugd over de vereenvoudiging die is bereikt door forfaitaire bedragen en vaste tarieven te hanteren; moedigt de Commissie aan om na te gaan hoe de gecompliceerde administratieve procedure verder kan worden verbeterd voor de aanvragers in de verschillende sectoren van het programma; maakt zich zorgen over het feit dat NA's melding maken van een hogere auditlast;

60.  wijst op de noodzaak van versterking van de operationele steun aan Europese netwerken uit hoofde van KA3 (Steun voor beleidshervorming), om de mogelijkheden die Erasmus+ biedt, maximaal te kunnen promoten en onder de aandacht te brengen;

61.  verzoekt de Commissie het nodige te doen om vrijwilligerswerk in aanmerking te kunnen nemen als bron van eigen bijdragen aan de projectbegroting, omdat dit de deelname van kleinere organisaties, vooral op sportgebied, gemakkelijker maakt, rekening houdend met het feit dat in Erasmus+ vrijwilligerstijd kan worden beschouwd als cofinanciering in de vorm van bijdragen in natura en dat dit als mogelijkheid wordt genoemd in het nieuwe voorstel van de Commissie voor financiële richtsnoeren; benadrukt dat de bijdrage van vrijwilligers wegens het bijzondere belang voor het programma moet worden erkend en zichtbaar gemaakt, mits er controle plaatsvindt om te waarborgen dat vrijwilligerswerk de investering van overheidsmiddelen aanvult, maar niet vervangt;

62.  erkent de economische en sociale waarde van vrijwilligerswerk en moedigt de Commissie aan om in de verschillende acties in het kader van het programma vrijwilligersorganisaties beter te ondersteunen;

63.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees solidariteitskorps; moedigt de Commissie aan om vrijwilligersorganisaties te betrekken bij de ontwikkeling van dit nieuwe initiatief, zodat het een toegevoegde waarde krijgt bij de versterking van het vrijwilligerswerk in de Europese Unie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om een budgettaire inspanning ten behoeve van dit nieuwe initiatief te leveren, zonder te korten op andere lopende en prioritaire programma's, en wenst dat de mogelijkheid van integratie in de Europese vrijwilligersdienst (EVS) wordt onderzocht om het vrijwilligerswerk in de EU te versterken zonder bestaande programma's en initiatieven nog eens over te doen;

64.  onderstreept dat vrijwilligerswerk een uitdrukking van solidariteit, vrijheid en verantwoordelijkheid is, die bijdraagt tot de versterking van een actief burgerschap en de persoonlijke menselijke ontwikkeling; is van mening dat vrijwilligerswerk ook een essentieel instrument is voor sociale inclusie en cohesie, alsmede voor opleiding, onderwijs en interculturele dialoog, en tegelijkertijd een belangrijke bijdrage levert aan het uitdragen van de Europese waarden; is van mening dat de EVS moet worden erkend voor zijn rol bij de bevordering van de ontwikkeling van vaardigheden en competenties die de EVS‑deelnemers gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt kunnen geven; roept de Commissie en de lidstaten op te waarborgen dat vrijwilligers onder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden kunnen werken, en erop toe te zien dat de arbeidscontracten van vrijwilligers volledig worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat deelnemers aan de Europese vrijwilligersdienst in geen geval worden beschouwd of worden ingezet als onbetaalde werknemers;

65.  wenst dat de besluitvormingstermijn zo kort mogelijk wordt gehouden, dat de beoordeling van aanvragen op coherente en gecoördineerde wijze verloopt en dat bij afwijzing van een aanvraag een transparante, begrijpelijke motivering wordt verstrekt, zodat er onder de deelnemers aan EU-programma's geen drastisch motivatieverlies optreedt;

66.  spoort er nadrukkelijk toe aan om bij de evaluatie van de aanvragen meer transparantie aan de dag te leggen en alle aanvragers een goed doortimmerde reactie te laten toekomen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de begunstigden van het programma over een doeltreffend terugkoppelingssysteem beschikken om eventuele onregelmatigheden in de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma aan de Commissie te melden; verzoekt de Commissie voorts om de uitwisseling van informatie tussen de nationale instanties en de Europese instellingen die belast zijn met de tenuitvoerlegging van het programma, te verbeteren en uit te breiden; moedigt de nationale agentschappen en het EACEA aan om, met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het programma, opleidingsmogelijkheden te bieden aan beoordelaars en regelmatige bijeenkomsten met begunstigden en bezoeken aan projecten te organiseren;

67.  wijst op het belang van versterking van de lokale dimensie van de EVS; stelt voor om aan EVS‑vrijwilligers niet alleen voor hun vertrek, maar ook na hun terugkeer in hun lokale gemeenschap meer steun te verlenen in de vorm van een post-oriëntatie- en post-integratieopleiding, om hen hun Europese deskundigheid met anderen te helpen delen en op lokaal niveau een lans te breken voor vrijwilligerswerk;

68.  is voorstander van grotere doeltreffendheid en efficiëntie door middel van projecten op grotere schaal; merkt echter op dat er een evenwicht moet zijn tussen kleine en grote groepen aanvragers;

69.  verzoekt de Commissie de aangegeven voorfinancieringspercentages zoveel mogelijk voor het hele programma te harmoniseren, zodat alle begunstigden dezelfde voordelen ontvangen en de projectuitvoering, vooral voor kleine organisaties, wordt vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten er bij de selectie van de kandidaten voor het programma voor te zorgen dat grote instellingen niet worden bevoordeeld ten opzichte van kleinere, minder goed ingevoerde instellingen;

70.  wijst op regionale onevenwichtigheden op EU‑niveau en tussen gebieden binnen EU‑lidstaten bij de participatie aan acties die gefinancierd worden via Erasmus+; is bezorgd over de relatief geringe mate van succes van de acties, waarbij binnen de EU grote verschillen optreden; roept op tot gerichte en tijdige acties om de participatie te vergroten en de mate van succes te verhogen, ongeacht de herkomst van de aanvragers, door een deel van de middelen voor specifieke promotie- en bewustmakingscampagnes te gebruiken, vooral in regio's waar nog steeds vrij weinig van de financiering wordt geprofiteerd;

71.  merkt op dat uit de tenuitvoerlegging van Erasmus+ in de regio's van de EU blijkt dat er verschillende financieringsbehoeften en interventieprioriteiten bestaan, waardoor sommige lidstaten de interventie in het kader van het programma dienen te heroriënteren om de kostenefficiëntie van het uitgegeven geld te garanderen;

72.  merkt op dat er ongerechtvaardigde discrepanties bestaan bij de methoden die landen gebruiken om subsidies toe te wijzen; moedigt de Commissie aan onderzoek te doen naar de gevolgen van dergelijke verschillen in een poging de sociaaleconomische scheefgroei in de Europese Unie tot een minimum te beperken; pleit voor een verdere verhoging van de subsidiepercentages en aanpassing aan de kosten van levensonderhoud in het gastland van de mobiliteitsstudent, om de deelname van sociaaleconomisch benadeelde studenten, studenten en personeel met speciale behoeften en studenten en personeel uit afgelegen gebieden te stimuleren;

73.  wijst erop dat het grotere positieve effect van en de hogere vraag naar mobiliteitsbeurzen in oostelijk en zuidelijk Europa niet worden weerspiegeld in het beperkte totale budget voor het programma, hetgeen leidt tot een hoog percentage afgewezen aanvragen; stelt voor dat de Commissie meer in het werk stelt om de mobiliteit van West-Europa naar Oost-Europa te bevorderen;

74.  betreurt het dat de toenemende ongelijkheid tussen en binnen bepaalde lidstaten, alsmede de hoge werkloosheid onder jongeren in de EU de toegang tot het programma bemoeilijken, doordat de mobiliteit van kandidaten uit regio's met lagere inkomens, die zwaarder zijn getroffen door de economische crisis en de bezuinigingen, wordt beperkt; geeft aan dat het Erasmus+-programma en de programma's voor BOO eveneens afgelegen regio's en grensgebieden van de EU moeten bereiken; is van mening dat het een zeer goede zaak zou zijn om de inwoners van deze regio's toegang en gelijke kansen te bieden, als een instrument om de werkloosheid onder jongeren terug te dringen en het economisch herstel te stimuleren;

75.  onderstreept dat subsidies ter ondersteuning van de mobiliteit van personen in het kader van het Erasmus+-programma vrijgesteld dienen te zijn van belastingen en sociale premies;

76.  verzoekt de Commissie om oog te hebben voor het bijzondere karakter van projecten en mobiliteitsprogramma's voor mensen met speciale behoeften en kansarmen; moedigt ertoe aan om de mogelijkheden voor mensen met speciale behoeften en kansarmen, waaronder vluchtelingen, om deel te nemen aan het programma sterker te bevorderen, en wil dat zij gemakkelijker toegang krijgen tot het programma;

77.  onderstreept dat er weliswaar vooruitgang is geboekt bij de erkenning van in het buitenland doorgebrachte studietijden en daar verworven studiepunten, competenties en vaardigheden door niet-formeel en informeel leren, maar dat hier nog steeds problemen bestaan; onderstreept dat de erkenning van internationale kwalificaties essentieel is voor mobiliteit en de basis vormt voor verdere samenwerking in de Europese ruimte voor hoger onderwijs; wijst erop hoe belangrijk het is ten volle gebruik te maken van alle EU-instrumenten voor de validering van kennis, vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor de erkenning van kwalificaties;

78.  benadrukt dat het aantal studenten dat in het kader van Erasmus een deel van zijn opleiding in het buitenland volgt, sinds 2008 gestaag is toegenomen, ondanks de economische, financiële en sociale crisis; wijst erop dat het aantal in het buitenland volbrachte stages tegelijkertijd exponentieel is gestegen; concludeert dat stages door jongeren blijkbaar worden beschouwd als een uitgelezen kans om hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te verbeteren; beveelt de Commissie en nationale agentschappen, organisatoren en instellingen aan rekening te houden met deze ontwikkeling;

79.  benadrukt dat middels het Europees kwalificatiekader(20) duidelijke verbeteringen zijn doorgevoerd op het vlak van erkennings- en valideringssystemen voor diploma's, studiepunten, vaardighedencertificaten en accreditaties van competenties in onderwijs en BOO, maar dat er nog steeds problemen bestaan; benadrukt hoe belangrijk het is om de competenties en kwalificaties die worden vergaard door internationale mobiliteit in welke vorm dan ook – formeel leren, stages bij bedrijven of vrijwilligerswerk en jeugdactiviteiten – goed te documenteren, te valideren, te erkennen en vergelijkbaar te maken binnen het stelsel van het thuisland; verzoekt de Commissie het Europees kwalificatiekader te hervormen, toe te werken naar de versterking ervan en het om te vormen van de huidige aanbeveling tot een krachtiger instrument, om zo het vrije verkeer te ondersteunen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de bestaande Europese instrumenten, zoals Europass, Youthpass en Ecvet, systematisch te benutten en verder te ontwikkelen; dringt aan op de ontwikkeling van gezamenlijke BOO-kwalificaties die kunnen leiden tot de internationale erkenning van kwalificaties; verzoekt de lidstaten de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

80.  wijst erop dat in niet-formele volwasseneneducatie en -opleiding basisvaardigheden en zachte vaardigheden worden bevorderd, zoals sociale en burgerschapscompetenties die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, alsmede voor het welzijn op het werk en een goed evenwicht tussen werk en privé; merkt op dat niet-formele volwasseneneducatie en ‑opleiding een cruciale rol spelen als het erom gaat achterstandsgroepen in de samenleving te bereiken en hen te helpen de vaardigheden te verwerven die hen ondersteunen bij het betreden van de arbeidsmarkt en het zoeken naar een duurzame en hoogwaardige baan of bij het verbeteren van hun arbeidssituatie en het bijdragen aan een democratischer Europa;

81.  verzoekt de Commissie en de lidstaten BOO-programma's te bevorderen en wijst erop dat stageregelingen vormingskansen bieden die voltijdse banen niet vervangen, dat zij stagiairs van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en een behoorlijke beloning moeten verzekeren en dat de taken die een begunstigde moet uitvoeren, in geen geval het karakter mogen hebben van die van een werknemer;

82.  merkt op dat de uitvoering van het lopende programma meer van de NA's vraagt; verzoekt de Commissie voldoende middelen en de nodige steun aan de NA's te verlenen, zodat zij het programma efficiënter kunnen uitvoeren en nieuwe taken kunnen aanpakken die uit de verhoging van de begroting voortvloeien;

83.  verzoekt de Commissie de kwaliteitscriteria die de nationale agentschappen bij projectevaluaties hanteren, in het oog te houden en de uitwisseling van desbetreffende goede praktijken te monitoren; pleit voor opleidingsprogramma's voor beoordelaars, zodat zij zich verder kunnen ontwikkelen, met name op het gebied van sectoroverstijgende projecten, en alle aanvragers kwalitatief goede feedback kunnen geven, om te stimuleren dat in toekomstige projecten de doelstellingen worden gehaald en toekomstige aanvragers beter beslagen ten ijs komen;

84.  is van mening dat kwalitatieve metingen even belangrijk dienen te zijn als kwantitatieve metingen; wenst dat in het kader van Erasmus+ kwalitatieve metingen worden ontwikkeld;

85.  roept de Commissie en de lidstaten op niet‑formele en informele leerresultaten en stages te valideren en te erkennen; moedigt de lidstaten aan jonge leerlingen beter te informeren over de mogelijkheden die voor hen openstaan en opleidingscentra die aan Erasmus+ willen deelnemen beter te begeleiden, maar ook begeleidende maatregelen te treffen om leerlingen die grensoverschrijdende ervaring gaan opdoen in buurlanden, te helpen met het vinden van onderdak en vervoer;

86.  is er voorstander van om de mobiliteit in het onderwijs en in de leerprogramma's en de stageperiodes van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te versterken, teneinde de hoge jeugdwerkloosheid en de geografische onevenwichtigheden binnen de EU terug te dringen;

87.  dringt er bij de Commissie op aan de huidige ongelijke deelname van BOO‑instellingen aan mobiliteitsprogramma's van de EU per land en regio in kaart te brengen, om deze verschillen te verkleinen door middel van een betere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale Erasmus+-agentschappen, steun voor teamwork tussen BOO-instellingen door ervaren BOO-instellingen aan andere instellingen te koppelen, beleidsondersteunende maatregelen en specifieke voorstellen gericht op BOO‑instellingen en verbetering van al bestaande steunregelingen voor BOO‑instellingen;

88.  moedigt de lidstaten aan om ter stimulering van de mobiliteit van leraren, docenten en niet-academisch personeel hun deelname aan mobiliteitsprogramma's in aanmerking te nemen als belangrijke schakel in hun carrièreverloop, en zo mogelijk een beloningssysteem voor de deelname aan mobiliteitsprogramma's in te voeren, bijvoorbeeld in de vorm van financiële voordelen of vermindering van de werklast;

89.  verzoekt de nationale agentschappen bij de evaluatie van projecten volledige transparantie in acht te nemen door de lijst van geselecteerde projecten te publiceren, met opgave van de actuele stand van zaken en de toegekende financiële steun;

90.  pleit ervoor om in KA1 de praktijken die in Comenius het best functioneren, voort te zetten, zoals het bevorderen van uitwisselingen van schoolklassen en de mogelijkheid voor leden van het schoolpersoneel om individueel een mobiliteitssubsidie in het kader van KA1 aan te vragen;

91.  merkt op dat veel projecten in KA2 ondanks de hoge kwaliteit zijn afgewezen omdat de financiële middelen beperkt zijn; moedigt de Commissie aan punten aan deze projecten toe te kennen en zo te helpen bij het aantrekken van gelden uit andere bronnen; moedigt de lidstaten aan hun waardering voor de projecten waaraan punten zijn toegekend, kenbaar te maken door voorrang te geven aan overheidsfinanciering van de uitvoering, als hiervoor financiële middelen kunnen worden gevonden;

92.  verzoekt de Commissie te blijven zoeken naar een oplossing voor de financieringsproblematiek van in Brussel gevestigde Europese organisaties, teneinde hun bijdrage aan de ontwikkeling van Europees beleid op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport te ondersteunen;

93.  neemt kennis van de problemen waarmee NA's te maken hebben bij de toepassing van internationale mobiliteit van studiepunten (International Credit Mobility, ICM); vraagt om meer flexibiliteit voor de NA's, zodat zij middelen van bepaalde landen en regio's naar andere kunnen verschuiven om te voldoen aan de samenwerkingsprioriteiten van de instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);

94.  wijst op het afnemende aantal individuele mobiliteitsdeelnemers buiten Erasmus+, aangezien de Europese IHO's de voorkeur geven aan een geïnstitutionaliseerd mobiliteitssysteem; moedigt de Commissie en de nationale autoriteiten aan om individuele kandidaten weer de kans te geven op deelname aan een mobiliteitsprogramma;

95.  moedigt de Commissie aan het BOO-systeem te versterken door nieuwe organisaties en kleinere instellingen te interesseren voor subprogramma's van Leonardo da Vinci, naast steunverlening bij het aanvragen van passende financiering door middel van meer advisering, onlinecursussen en gepersonaliseerde hulp bij de voorbereiding van kwalitatief goede financieringsaanvragen via contacten met de nationale agentschappen voor het Erasmus+-programma;

96.  pleit ervoor de Europese ruimte voor hoger onderwijs over de hele wereld te promoten en ook individuele kennis wereldwijd te bevorderen door alle relevante partijen (lidstaten, IHO's, verenigingen van hoger onderwijs) te stimuleren om het gezamenlijke masterdiploma van Erasmus Mundus aantrekkelijker te maken van IHO's en mogelijke kandidaten;

97.  pleit voor een grotere betrokkenheid van de NA's bij de beleidsontwikkeling op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport door de contacten tussen Commissie, lidstaten en nationale agentschappen aan te halen;

Volgende programmaperiode

98.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om voor studenten, instellingen en gastbedrijven die bij Erasmus+-projecten zijn betrokken, en dan met name degenen die deze mogelijkheid momenteel onvoldoende benutten, de procedures te vereenvoudigen en de hoge administratieve belasting te verminderen, met als doel de gelijke toegang te bevorderen en de registratie-, validerings- en erkenningsprocedures te vereenvoudigen; stelt dat de informatie met betrekking tot dit programma, met het oog op de bevordering van de betrokkenheid, in alle officiële talen van de EU moet worden verstrekt; roept de Commissie en de nationale agentschappen op de toelatingscriteria te standaardiseren zodat het programma toegankelijk wordt voor een zo groot mogelijk aantal kandidaten;

99.  stelt voor om af te zien van verdere harmonisatie en grote veranderingen in de structuur van het programma en prioriteit toe te kennen aan het veilig stellen en consolideren van het bereikte en, waar nodig, het periodiek uitvoeren van verbeteringen;

100.  beveelt aan om, zowel ten behoeve van de werkgelegenheid onder jongeren als voor het onderwijs aan volwassenen in Erasmus+, een grotere betekenis en meer zichtbaarheid te verlenen aan niet-formeel onderwijs, omdat dergelijk onderwijs belangrijk is voor het Europees burgerschap en voor de bevordering van de democratie en het waardenonderwijs; wijst er echter op dat het programma op grond van zijn naam vaak alleen met formeel onderwijs wordt geassocieerd;

101.  verzoekt de Commissie de relevante partijen te betrekken bij de werkzaamheden voor de volgende financieringsperiode van het programma en bij de invoering van mogelijke verbeteringen om te garanderen dat het programma succesvol blijft en meerwaarde biedt;

102.  beveelt aan om in Erasmus+ de sectoroverstijgende mobiliteit van personen binnen KA1 verder te ontwikkelen, zodat studenten, docenten, opleiders, leerlingen, werknemers en jongeren hiervan maximaal kunnen profiteren;

103.  verzoekt om de opstelling van een duidelijk definitie van sectoroverstijgende projecten om verwarring als gevolg van een onjuiste indeling van projecten te voorkomen;

104.  wenst niet alleen dat in het nieuwe MFK de huidige begrotingsomvang voor de volgende programmageneratie wordt gehandhaafd, maar is van mening dat een verdere verhoging van de begroting, waarmee voor de volgende programmageneratie ten minste hetzelfde jaarlijkse financieringsniveau gegarandeerd wordt als dat van het laatste uitvoeringsjaar van het huidige kader, een conditio sine qua non is om het succes van het programma te kunnen bestendigen; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid van een hogere voorfinanciering onderzoekt;

105.  is verheugd over de opzet van het programma en verzoekt de Commissie om in het voorstel voor de volgende generatie programma's, gelet op hun specifieke kenmerken, de afzonderlijke hoofdstukken en de afzonderlijke begrotingen voor onderwijs en opleiding, voor jeugd en voor sport te handhaven en de aanvraagformulieren, rapportagesystemen en voorschriften voor de ontwikkelde producten sectorspecifiek aan te passen;

106.  moedigt de nationale agentschappen aan om de beschikbare begrotingen voor elke kernactie en voor elke sector na elke aanvraagronde eenvoudig toegankelijk te maken, zodat de aanvragers hun toekomstige acties strategisch kunnen plannen, en roept hen op de resultaten van de selectie en de begrotingslijnen van projecten te publiceren, zodat op passende wijze extern toezicht kan worden uitgeoefend op het programma;

107.  verzoekt de Commissie de hoogte van de financiële steun, waaronder de forfaitaire bedragen voor reis- en verblijfskosten, regelmatig te evalueren teneinde ervoor te zorgen dat de bedragen overeenkomen met de daadwerkelijke kosten van levensonderhoud en dat het maken van schulden tijdens de studieperiode wordt voorkomen, en zo tegen te gaan dat personen met minder financiële middelen en/of speciale behoeften worden gediscrimineerd en in de steek gelaten;

108.  wijst erop dat het programma in de jeugdsector specifiek op achterstandsgroepen is gericht; stelt voor de strategie voor inclusie en diversiteit uit te breiden naar alle programmasectoren om de sociale inclusie te bevorderen en de deelname van mensen met speciale behoeften en kansarmen aan het Erasmus+-programma te stimuleren;

109.  verzoekt de Commissie om indiening en de lidstaten om goedkeuring van een voorstel voor een kwaliteitskader voor leerlingenplaatsen en een voorstel inzake grotere mobiliteit voor leerlingen, teneinde leerlingen, stagiairs, trainees en BOO-studenten te verzekeren van een pakket rechten en er daarmee voor te zorgen dat ze afdoende worden beschermd en dat deze mobiliteitsprogramma's geen vervanging vormen voor standaardarbeidsovereenkomsten; dringt aan op hoogwaardige en bezoldigde stageplaatsen en verzoekt de lidstaten melding te maken van situaties waarin de voorwaarden met betrekking tot de taken of rechten van begunstigden van Erasmus+ worden geschonden;

110.  vraagt de Commissie samen met de lidstaten te ijveren voor een nauwere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en belangrijke betrokkenen (lokale/regionale overheden, sociale partners, de private sector, jongerenvertegenwoordigers, BOO-instanties, onderzoeksorganisaties en organisaties uit het maatschappelijk middenveld) om de onderwijs- en BOO-stelsels beter op de daadwerkelijke behoeften van de arbeidsmarkt af te stemmen, en ervoor te zorgen dat deze samenwerking in Erasmus+ tot uiting komt; is van mening dat de actieve betrokkenheid van de begunstigden en alle belanghebbenden bij de opzet, de organisatie, de monitoring, de uitvoering en de evaluatie van het programma het voortbestaan, het succes en de toegevoegde waarde ervan verzekert;

111.  pleit ervoor om toe te staan dat mobiele studenten hun studie in het buitenland combineren met een aan de studie gerelateerde stage binnen het programma, om zo hun verblijf in het buitenland te ondersteunen, de sociale selectiviteit te verminderen, het aantal mobiele studenten te verhogen, de vaardigheden van de studenten te vergroten en het raakvlak tussen hoger onderwijs en het arbeidsleven te verbreden; vraagt de Commissie om haar aandacht bij het toekennen van Erasmus+-beurzen in het bijzonder te richten op de langetermijnmobiliteit van leerlingen;

112.  wijst op de asymmetrieën tussen de lidstaten wat de toelatingscriteria voor het Erasmus+-programma betreft; wenst dat de Commissie ervoor zorgt dat de voorschriften van het programma door de nationale agentschappen op een geharmoniseerde wijze worden toegepast, waarbij gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en procedurele praktijken worden nageleefd, zodat de interne en externe samenhang van het Erasmus+-programma wordt gewaarborgd en het programma uitgroeit tot een echt Europees programma; verzoekt de Commissie in dit verband om voor de nationale agentschappen een Europese leidraad op te stellen inzake de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma; stimuleert de nationale agentschappen, die een wezenlijke rol moeten spelen in het monitoringsproces, om zich ook toe te leggen op het opzetten of ondersteunen van een forum voor een constructieve dialoog tussen de autoriteiten die in de lidstaten met het onderwijs- en arbeidsmarktbeleid zijn belast; is groot voorstander van betere coördinatie tussen de agentschappen, teneinde projecten die betrekking hebben op vergelijkbare onderwerpen op elkaar af te stemmen;

113.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de opleidingsmogelijkheden voor BOO‑studenten in het buitenland te vergroten en BOO neer te zetten als een manier bij uitstek om een baan te vinden en een veelbelovende loopbaan te starten, om alle burgers, van jong tot oud, van toegang te verzekeren en om passende financiering te verstrekken, aangezien de financiële middelen die voor BOO worden uitgetrokken, niet in verhouding staan(21) tot het aantal personen dat zich voor de beschikbare mobiliteitsprogramma's zou kunnen aanmelden; is er groot voorstander van om de BOO-mobiliteitsprogramma's doeltreffend te bevorderen en aan te moedigen onder vrouwen en is van mening dat in dit verband door de lidstaten ambitieuze doelstellingen moeten worden vastgesteld en nauwlettend moet worden toegezien op de vorderingen;

114.  merkt op dat er een herdefinitie van banen en vaardigheden gaande is, met name als gevolg van de voortgaande transitie naar een meer gedigitaliseerde economie, waarbij zowel nieuwe bedrijfsbehoeften als toekomstgerichte sectoren ontstaan; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het Erasmus+-programma deze realiteit weerspiegelt;

115.  roept ertoe op meer ruchtbaarheid te geven aan de mobiliteitsprogramma's voor gevorderde niveaus van hoger onderwijs, om de mobiliteit tussen onderzoekscentra in Europa te waarborgen en de beoogde internationalisering van de Europese universiteiten dichterbij te brengen;

116.  onderstreept dat mensen meer bewust moeten worden gemaakt van Erasmus+ als een middel om hun vaardigheden te bevorderen en een extra dimensie toe te voegen, waarbij een juiste benadering van dit instrument moet worden gehanteerd met het oog op het waarborgen van de doeltreffendheid ervan, terwijl wordt uitgesloten dat het louter een levenservaring blijft;

117.  verzoekt de Commissie met actuele statistieken te komen over en vervolgonderzoeken uit te voeren naar de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, en zich hierbij in het bijzonder te richten op de benuttingsgraad onder jongeren, uitgesplitst naar regio en geslacht, het effect op de inzetbaarheid, het type werkgelegenheid, de werkgelegenheidsgraad, de gevolgen ervan voor de lonen en de vaststelling van eventuele verbeterpunten; vraagt de Commissie om te analyseren waarom sommige landen meer aanvragen voor BOO-mobiliteit indienen, waar de genderkloof het grootst is en waarom of waar meer aanvragen worden ingediend door personen met een beperking, en om een plan op te stellen om de betrokkenheid van de andere landen te vergroten; roept de nationale agentschappen in de lidstaten daarom op nauw samen te werken bij de uitwisseling van informatie en statistieken; stelt dat de resultaten van de onderzoeken en de statistieken bij de volgende tussentijdse herziening van Erasmus+ moeten worden meegenomen en geanalyseerd;

118.  herinnert eraan dat Erasmus+ in tijden van ernstige crisis ten aanzien van de fundamentele waarden van de EU, een ideale kans kan bieden om de integratie van en het wederzijds begrip en de solidariteit tussen jongeren te bevorderen; wenst derhalve dat de integratie van jongeren wordt bevorderd door hen zowel kennis over andere culturen en tradities als wederzijds en onontbeerlijk respect voor die culturen en tradities bij te brengen;

119.  stelt voor dat de Commissie ondernemerschap in onderwijs en opleiding handhaaft als één van de doelstellingen van een nieuw Erasmus+-programma voor de volgende financieringsperiode (na 2020), waarin mobiliteit een plaats heeft en de volgende aspecten aan bod komen:

   (i) een zorgvuldige beoordeling van het effect van de huidige maatregelen ter bevordering van ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding, en een eventuele aanpassing ervan, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de gevolgen voor ondervertegenwoordigde en kansarme groepen;
   (ii) bevordering van beter gedefinieerde leerprogramma's en instrumenten voor formeel en informeel onderwijs dat op alle studenten is gericht – zowel theoretische modules als praktische modules, zoals ondernemingsprojecten van studenten;
   (iii) bevordering van partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, ondernemingen, non-profitorganisaties en aanbieders van niet-formeel onderwijs, zodat geschikte cursussen ontwikkeld kunnen worden en studenten de vereiste praktische ervaring opdoen en de nodige voorbeelden te zien krijgen;
   (iv) ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van ondernemingsprocessen, financiële kennis, ICT‑kennis en ‑vaardigheden, creatief denken, probleemoplossend denken en een innovatieve geest, zelfvertrouwen, aanpassingsvermogen, teambuilding, projectbeheer, het inschatten en nemen van risico's, alsmede specifieke commerciële kennis en vaardigheden;
   (v) aandacht voor het feit dat niet‑formeel leren en informeel leren een geprivilegieerde omgeving bieden voor het verwerven van ondernemingsvaardigheden;

120.  moedigt de lidstaten aan te blijven deelnemen aan het Erasmusprogramma voor jonge ondernemers en dit programma te promoten bij jongeren die een zakelijk project willen opstarten, zodat deze jongeren ervaring in het buitenland kunnen opdoen en nieuwe vaardigheden kunnen verwerven die hen zullen helpen om van hun ondernemerschap een succes te maken;

121.  is een groot voorstander van intercollegiaal leren na studie, opleiding en werken in het buitenland, om de impact van Erasmus+ op lokale gemeenschappen te vergroten; wijst erop dat de uitwisseling van goede praktijken essentieel is om de kwaliteit van Erasmus+-projecten te verbeteren; is ingenomen met het Erasmus+-platform voor de verspreiding van projectresultaten en dringt aan op een daadkrachtigere aanpak voor de uitwisseling van goede praktijken en voor internationale uitwisselingen van standpunten tussen nationale agentschappen, partners en begunstigden van het programma; roept de Commissie op kandidaten voor het programma te ondersteunen bij hun zoektocht naar internationale partners, door gebruikersvriendelijke platforms te ontwikkelen waarop publieksinformatie over de diverse begunstigden en hun projecten wordt samengevoegd;

122.  vraagt de Commissie om de programmagids te verbeteren en gebruiksvriendelijker en begrijpelijker te maken en om aparte informatiefolders op te stellen over alle kernacties; verzoekt de Commissie de administratieve lasten te verlagen door de aanvraagprocedure te vereenvoudigen;

123.  ondersteunt de ontwikkeling van instellingen voor volwassenenonderwijs door docenten, schoolleiders, opleiders en overig onderwijspersoneel permanent mogelijkheden te bieden op het gebied van professionele ontwikkeling en mobiliteit; moedigt de ontwikkeling van vaardigheden en competenties aan, met name op het gebied van doeltreffend ICT‑gebruik in het volwassenenonderwijs, teneinde de leerresultaten te verbeteren; onderstreept hoe belangrijk het is om goede praktijken uit te wisselen;

124.  is ingenomen met de ontwikkeling van proefprojecten zoals het "Europees kader voor de mobiliteit van leerlingen: Europees burgerschap en Europese vaardigheden bevorderen door middel van de integratie van jongeren in de arbeidsmarkt", dat gericht is op de uitvoering van kosteneffectieve grensoverschrijdende stagemobiliteitsregelingen tussen BOO-instellingen, bedrijven en/of andere relevante organisaties, op de formele erkenning en validering van leerresultaten en op de ondersteuning van de wederzijdse erkenning van diploma's, alsook het project "Mobiliteit van jongeren die een beroepsopleiding volgen – een grotere mobiliteit van jongeren", dat de mobiliteit van jongeren in het beroepsonderwijs moet verbeteren; verzoekt de Commissie om deze twee proefprojecten doeltreffend ten uitvoer te leggen en op de lange termijn op te nemen in het Erasmus+-programma;

125.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om Europese maatschappelijke organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jongeren en sport van meer structurele langetermijnondersteuning in de vorm van exploitatiesubsidies te verzekeren, omdat deze organisaties Europese burgers en ingezetenen leermogelijkheden en participatieruimten bieden voor de ontwikkeling en uitvoering van Europees beleid;

126.  roept de Commissie op na te denken over een passende oplossing voor de situatie van de in Brussel gevestigde Europese niet-gouvernementele organisaties die middelen aanvragen bij Belgische nationale agentschappen;

o
o   o

127.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(3) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(4) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(5) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 77.
(6) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(7) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 31.
(8) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(9) PB C 70 van 8.3.2012, blz. 9.
(10) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 32.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(12) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(13) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(14) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0106.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0291.
(18) http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/repository/education/library/study/2014/erasmus-impact_en.pdf
(19) Science and Policy Report on Languages and Employability, GCO, 2015.
(20) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(21) Volgens de Commissie was het succespercentage van de in aanmerking komende aanvragen voor BOO‑mobiliteit in het kader van Erasmus+ in 2016 42 %, dit vanwege een gebrek aan financiële middelen. De situatie is met de jaren verslechterd: in 2014 was het succespercentage nog 54 %, maar in 2015 daalde het naar 48 %. Hoewel met de jaren een lichte stijging van de financiële middelen kon worden waargenomen, is de vraag veel sneller toegenomen. Vanwege de beperkte middelen van Erasmus+ is het echter uitgesloten dat de financiering gelijke tred houdt met de vraag.

Juridische mededeling