Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2307(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0037/2017

Ingediende teksten :

A8-0037/2017

Debatten :

PV 14/02/2017 - 18
CRE 14/02/2017 - 18

Stemmingen :

PV 15/02/2017 - 7.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0039

Aangenomen teksten
PDF 253kWORD 65k
Woensdag 15 februari 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017
P8_TA(2017)0039A8-0037/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017 (2016/2307(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 152, 153 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 349 VWEU inzake een specifiek statuut voor de ultraperifere gebieden,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien het IAO-Verdrag nr. 102 inzake minimumnormen voor sociale zekerheid en IAO-aanbeveling nr. 202 over een sociale beschermingsvloer,

–  gezien het herzien Europees Sociaal Handvest,

–  gezien doelstelling inzake duurzame ontwikkeling 1 ("Beëindig armoede overal en in al haar vormen"), en in het bijzonder doelstelling 3 ("Voor elk land passende systemen en maatregelen voor sociale bescherming voor iedereen toepassen, waaronder een beschermingsvloer, en er tegen 2030 voor zorgen dat deze ook mensen in armoede en kwetsbare mensen bereiken"),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie 2013/112/EU van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2017" (COM(2016)0725),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 16 november 2016 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2016)0726),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Naar een positieve begrotingskoers voor de eurozone" (COM(2016)0727),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2017" (COM(2016)0728),

–  gezien het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 16 november 2016 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2017 (COM(2016)0729),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2017: Algemene beoordeling" (COM(2016)0730),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020 – Een resultaatgerichte EU‑begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 26 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013 (COM(2015)0701),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 15 februari 2016 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2016)0071) en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 15 september 2016(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire unie" (COM(2013)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014‑2020" (COM(2013)0083),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 over het initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2011)0933),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758) en de desbetreffende resolutie van het Parlement van 15 november 2011(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(3),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's economische en monetaire unie",

–  gezien de conclusies van de Raad over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa (13414/2015),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: uitvoering van de prioriteiten voor 2016(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over vluchtelingen: sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2016(6),

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van 24 september 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015(7),

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(8),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(9),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(10),

–  gezien vraag voor mondeling antwoord O‑000121/2015 – B8‑1102/2015 aan de Raad en zijn daarmee samenhangende resolutie van 29 oktober 2015 over de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(11),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(12),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(14),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(15),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(16),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(17),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer getiteld "De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet"(18),

–  gezien het document "Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa – driemaandelijkse beoordeling – herfst 2016" van 11 oktober 2016,

–  gezien Eurofound’s vijfde en zesde editie van de Europese enquêtes naar de arbeidsomstandigheden (2010 en 2015)(19),

–  gezien het document "Employment Outlook 2016" (Werkgelegenheidsvooruitzichten 2016) van de OESO van 7 juli 2016,

–  gezien het werkdocument van de OESO van 9 december 2014 getiteld "Trends in Income Inequality and its Impact on Economic Growth" (Trends op het vlak van inkomensongelijkheid en de gevolgen voor economische groei),

–  gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 10 oktober 2014, getiteld "Adequate sociale bescherming voor behoeften aan langdurige zorg in een vergrijzende samenleving",

–  gezien de routekaart en de raadpleging van de Commissie getiteld "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken",

–  gezien de bijeenkomsten van 3 oktober en 8 november 2016 in het kader van de gestructureerde dialoog over de opschorting van fondsen voor Portugal en Spanje,

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0037/2017),

A.  overwegende dat de werkloosheid in de EU vanaf de tweede helft van 2013 langzaam een dalende lijn heeft ingezet, dat er sinds 2013 acht miljoen nieuwe banen zijn gecreëerd en de werkloosheid in september 2016 8,6 % bedroeg, waarmee het laagste niveau sinds 2009 werd bereikt; overwegende dat het aandeel van jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) hoog blijft en 14,8 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar vertegenwoordigt(20)(21); overwegende dat de werkloosheid over de gehele EU genomen weliswaar daalt, maar in sommige lidstaten helaas nog altijd zeer hoog is; overwegende dat de armoede onder werkenden volgens de Commissie hoog blijft;

B.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen doorgaans lager is, en overwegende dat de arbeidsparticipatie van mannen tussen 20 en 64 jaar in de EU-28 in 2015 75,9 % bedroeg, ten opzichte van 64,3 % voor vrouwen; overwegende dat de genderkloof met betrekking tot de toegang tot werk nog steeds een van de grootste obstakels is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en dat er dringend inspanningen nodig zijn om het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen te verkleinen;

C.  overwegende dat het, als de huidige trends worden versterkt met passende overheidsmaatregelen, mogelijk wordt om het Europa 2020-streefcijfer voor een arbeidsparticipatie van 75 % daadwerkelijk te behalen;

D.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid op EU‑niveau 18,6 % bedraagt en 21,0 % in de eurozone; overwegende dat 4,2 miljoen jongeren werkloos zijn, waarvan 2,9 miljoen in de eurozone; overwegende dat de werkloosheid onder jongeren ver boven het lage niveau van 2008 blijft, hetgeen er nogmaals op wijst dat de tenuitvoerlegging en de volledige gebruikmaking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) door de lidstaten voorrang moet blijven krijgen; overwegende dat werkgelegenheid voor jongeren helaas nog steeds wordt gekenmerkt door lage lonen, soms onder de armoedegrens, onbetaalde stages, gebrek aan kwaliteitsvolle opleiding en gebrek aan rechten op het werk;

E.  overwegende dat NEET's de EU jaarlijks naar schatting 153 miljard EUR (1,21 % van het bbp) aan uitkeringen en gederfde inkomsten en belastingen kosten, terwijl de totale kostprijs voor het inrichten van jongerengarantiestelsels in de eurozone wordt geraamd op 21 miljard EUR, of 0,22 % van het bbp;

F.  overwegende dat het aantal in 2015 geregistreerde NEET's zal blijven afnemen; overwegende dat 6,6 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar zich nog altijd in deze situatie bevinden, een cijfer dat overeenkomt met 12 % van de bevolking in deze leeftijdsgroep;

G.  overwegende dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, namelijk door een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en toe te passen;

H.  overwegende dat mensen met een handicap nog steeds in grote mate worden uitgesloten van de arbeidsmarkt en dat op dit gebied erg weinig vooruitgang is geboekt de voorbije tien jaar, deels door een gebrek aan investeringen in passende steunmaatregelen; overwegende dat dit vaak leidt tot armoede en sociale uitsluiting en daardoor negatieve gevolgen heeft voor het Europa 2020-streefcijfer;

I.  overwegende dat structurele problemen op de arbeidsmarkt, zoals een lage participatiegraad en het probleem dat het aanbod van en de vraag naar vaardigheden en kwalificaties niet op elkaar aansluiten, een punt van zorg blijven in tal van lidstaten;

J.  overwegende dat het percentage langdurig werklozen (dat betrekking heeft op werkloosheid van meer dan een jaar) op jaarbasis tot het eerste kwartaal van 2016 met 0,7 % is gedaald tot 4,2 % van de beroepsbevolking; overwegende dat het percentage zeer langdurig werklozen (dat betrekking heeft op werkloosheid van meer dan twee jaar) is gedaald tot 2,6 % van de beroepsbevolking; overwegende dat het aantal langdurig werklozen niettemin hoog blijft, rond de tien miljoen; overwegende dat langdurige werkloosheid vooral problematisch is voor jongere en oudere werkzoekenden, aangezien 30 % van de 15- tot 24-jarige werkzoekenden en 64 % van de 55- tot 64-jarige werkzoekenden al meer dan een jaar op zoek is naar een baan; overwegende dat veel oudere werknemers die inactief zijn niet in de werkloosheidsstatistieken worden opgenomen; overwegende dat het werkloosheidspercentage en de sociale gevolgen ervan uiteenlopen in de Europese landen, en overwegende dat het van essentieel belang is om rekening te houden met specifieke micro-economische omstandigheden;

K.  overwegende dat de Europa 2020-strategie erop gericht is armoede terug te dringen door het aantal mensen dat door armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd met ten minste 20 miljoen te verminderen tegen 2020; overwegende dat deze doelstelling nog lang niet binnen bereik ligt en er dan ook bijkomende inspanningen nodig zijn; overwegende dat in 2015 119 miljoen mensen bedreigd waren door armoede of sociale uitsluiting, ongeveer 3,5 miljoen mensen minder dan in 2014; overwegende dat er in 2012 in de EU 32,2 miljoen mensen met een handicap waren die zich in deze situatie bevonden; overwegende dat in 2013 in de EU-28 26,5 miljoen kinderen het risico liepen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen; overwegende dat een hoog niveau van ongelijkheid de output van de economie en het potentieel voor duurzame groei doet dalen;

L.  overwegende dat de begeleiding van langdurig werklozen van cruciaal belang is, aangezien deze toestand anders hun zelfvertrouwen, welbevinden en toekomstige ontwikkeling zal beginnen aantasten, waardoor zij het risico lopen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen en waardoor de houdbaarheid van de nationale socialezekerheidsstelsels en het Europees sociaal model onder druk komt te staan;

M.  overwegende dat een afzwakking van de sociale dialoog negatieve gevolgen heeft voor de rechten van werknemers, voor de koopkracht van de EU-burgers en voor groei;

N.  overwegende dat er sprake is van een aantal positieve ontwikkelingen in de EU die wijzen op de veerkracht en het herstel van de Europese economie;

O.  overwegende dat de sociale economie, waarin 2 miljoen ondernemingen actief zijn die in de Unie samen meer dan 14,5 miljoen mensen tewerkstellen, een belangrijke sector is gebleken die bijdraagt tot de veerkracht en het economisch herstel van Europa;

P.  overwegende dat de groei in de meeste lidstaten laag blijft, waarbij het groeipercentage in de EU voor 2016 zelfs is gedaald en op 2 % is gestagneerd, ondanks positieve tijdsgebonden aspecten, hetgeen dus aantoont dat de EU meer kan doen om het economisch en sociaal herstel te bevorderen zodat het duurzamer wordt op de middellange termijn;

Q.  overwegende dat er volgens de Europese Commissie(22) op werkgelegenheids- en sociaal gebied nog steeds verschillen zijn binnen en tussen de lidstaten, en dat maatschappelijke ontwikkelingen erop blijven wijzen dat de verschillen in de EU verder toenemen en zo groei, werkgelegenheid en cohesie in de weg staan; overwegende dat samenlevingen die door een hoog niveau van gelijkheid en investeringen in mensen worden gekenmerkt, het beter doen op het gebied van groei en veerkracht van de werkgelegenheid;

R.  overwegende dat zwartwerk nog altijd bestaat en ernstige gevolgen heeft voor de begroting, aangezien het leidt tot gederfde belastingontvangsten en verliezen voor de sociale zekerheid, en dat zwartwerk bovendien negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, productiviteit, arbeidskwaliteit en ontwikkeling van vaardigheden;

S.  overwegende dat de ultraperifere gebieden worden geconfronteerd met enorme problemen die samenhangen met hun specifieke kenmerken, waardoor hun mogelijkheden voor groei en ontwikkeling worden beknot; overwegende dat werkloosheid, jongerenwerkloosheid en langdurige werkloosheid in deze gebieden tot de hoogste van de EU behoren en in veel gevallen hoger zijn dan 30 %;

T.  overwegende dat in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) al 69 projecten in 18 landen zijn goedgekeurd en 56 verrichtingen zijn ondertekend, dat dit naar verwachting zal leiden tot meer dan 22 miljard EUR aan investeringen en dat hierbij ongeveer 71 000 kmo's betrokken zullen zijn;

U.  overwegende dat de bevolking in de werkende leeftijd en de beroepsbevolking in vele lidstaten blijven afnemen; overwegende dat de lidstaten de arbeidsparticipatie van vrouwen kunnen aangrijpen om iets te doen aan dit probleem en de beroepsbevolking in de EU te versterken; overwegende dat ook de aanhoudende instroom van vluchtelingen en asielzoekers zou kunnen helpen om de beroepsbevolking te verstevigen;

V.  overwegende dat de EU wordt geconfronteerd met demografische uitdagingen die niet alleen samenhangen met de vergrijzing en het dalende geboortecijfer, maar ook met andere elementen zoals ontvolking;

W.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen momenteel 16 % bedraagt en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen 38 %, waardoor vrouwen meer risico lopen met armoede en sociale uitsluiting te maken te krijgen naarmate zij ouder worden;

X.  overwegende dat het aanbieden en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie hier coördinerend, maar niet harmoniserend optreedt;

Y.  overwegende dat de gezonde levensverwachting van vrouwen is gedaald van 62,6 in 2010 naar 61,5 in 2013, met een kleine stijging in 2014, en dat die voor mannen stabiel is gebleven op 61,4;

1.  is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 niet alleen nadruk wordt gelegd op het scheppen van hoogwaardige en inclusieve werkgelegenheid en het verbeteren van vaardigheden en op de noodzaak om concurrentievermogen, innovatie en productiviteit te vergroten, maar ook wordt beklemtoond hoe belangrijk het is sociale rechtvaardigheid te garanderen als middel om inclusievere groei te stimuleren; verzoekt de Commissie te waarborgen dat in de landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot hervormingen van de arbeidsmarkt ook nadruk wordt gelegd op het belang van een actief arbeidsmarktbeleid en wordt gepleit voor de rechten en de bescherming van werknemers;

2.  is ingenomen met de vooruitgang die wordt geboekt bij het tot stand brengen van een evenwicht tussen de economische en sociale dimensie van het Europees semester, waarbij de Commissie tegemoet komt aan een aantal verzoeken van het Parlement; benadrukt echter dat er meer inspanningen moeten worden gedaan om het scorebord van de centrale sociale en werkgelegenheidsindicatoren meer politieke zichtbaarheid en invloed te geven; is verheugd over het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 99/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees statistisch programma 2013-2017, door het te verlengen tot 2018-2020 en door er nieuwe sociale indicatoren voor het weergeven van werkgelegenheids- en sociale gegevens in op te nemen die gekoppeld zijn aan de evolutie van de macro-economische gegevens, zodat de analyse een goed overzicht geeft van de onderlinge verwevenheid en de gevolgen van verschillende beleidskeuzen; benadrukt dat de werkgelegenheidsindicatoren op voet van gelijkheid moeten worden geplaatst met de economische indicatoren, zodat ze de aanleiding kunnen vormen voor diepgaande analyses en voor corrigerende maatregelen in de betreffende lidstaten;

3.  beklemtoont dat het in de cyclus van het Europees semester nog steeds ontbreekt aan een benadering waarin het kind centraal staat, bestaande uit een verbintenis met betrekking tot kinderrechten, mainstreaming van de strijd tegen kinderarmoede en doelstellingen op het vlak van welzijn in alle relevante beleidsterreinen van de beleidsvorming; benadrukt dat een strategische benadering met duidelijke doelstellingen en streefcijfers noodzakelijk is om de vicieuze cirkel van achterstand te doorbreken;

4.  dringt aan op programma's voor het bieden van steun en mogelijkheden, als deel van een geïntegreerd Europees plan om te investeren in jonge kinderen en kinderarmoede tegen te gaan, onder meer door de invoering van een kindergarantie gericht op een volledige tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie "Investeren in kinderen", waarmee wordt gewaarborgd dat elk kind in Europa dat risico loopt op armoede (met inbegrip van vluchtelingen) toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang, behoorlijke huisvesting en toereikende voeding;

5.  benadrukt dat investeringen in sociale ontwikkeling bijdragen aan economische groei en convergentie; neemt kennis van recente studies van de OESO(23) en het IMF(24) waarin wordt onderstreept dat de sociale ongelijkheid in Europa een rem zet op het economisch herstel; dringt aan op grotere inspanningen in de strijd tegen armoede en groeiende ongelijkheid, en in voorkomend geval op meer investeringen in sociale infrastructuur en meer steun voor diegenen die het hardst zijn getroffen door de economische crisis; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de landspecifieke aanbevelingen een specifieke focus op de bestrijding van ongelijkheid bevatten;

6.  verzoekt de Commissie en de Raad een betere strategie te ontwikkelen om een overkoepelende gendergelijkheidsdoelstelling tot stand te brengen; is voorstander van het gebruik door de Commissie van jaarverslagen inzake gendergelijkheid in het kader van het Europees semester met het oog op een betere gendermainstreaming; verzoekt de lidstaten om de genderdimensie en het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's op te nemen door streefdoelen vast te stellen en maatregelen aan te geven om de aanhoudende genderkloven aan te pakken; verzoekt de Commissie om landspecifieke aanbevelingen te blijven verstrekken met betrekking tot betere kinderopvangfaciliteiten en langdurige zorgverlening die een positief effect kunnen hebben op de arbeidsparticipatie van vrouwen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om te overwegen in het monitoringsproces van het Europees semester in voorkomend geval naar geslacht uitgesplitste gegevens te gebruiken; stelt voor het Europees Instituut voor gendergelijkheid nauwer te betrekken bij het Europees semester;

7.  wijst erop dat de openbare en particuliere schulden in sommige lidstaten te hoog zijn en dat dit investeringen, economische groei en werkgelegenheid in de weg staat;

8.  is van mening dat de gegevens van het scorebord van sociale en werkgelegenheidsindicatoren nuttig zijn, maar niet volstaan om de evolutie van de sociale en werkgelegenheidstoestand in de EU te beoordelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten het scorebord aan te vullen met gegevens over de kwaliteit van de werkgelegenheid en over armoede, met bijzondere aandacht voor multidimensionale kinderarmoede;

9.  vraagt de Commissie haar opvatting van sociale rechtvaardigheid te definiëren en te kwantificeren, rekening houdend met het werkgelegenheidsbeleid en het sociaal beleid, aan de hand van de jaarlijkse groeianalyse 2016 en het Europees semester;

10.  verzoekt de lidstaten en de Commissie vaart te zetten achter de uitvoering van alle programma's die het scheppen van fatsoenlijke, hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid voor alle bevolkingscategorieën, en met name jongeren, kunnen bevorderen; benadrukt dat er weliswaar sprake is van een lichte daling van de werkloosheid in de EU, maar dat de jeugdwerkloosheid nog steeds 18,6 % bedraagt; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een proactievere follow-up door de autoriteiten die de programma's beheren;

11.  onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie moet worden versterkt op nationaal, regionaal en lokaal niveau en tot ten minste 2020 moet worden verlengd, met actieve deelname van de sociale partners en versterkte overheidsdiensten, en benadrukt het belang hiervan voor de overgang van school naar werk; spoort de Commissie aan impactstudies uit te voeren om nauwkeurig te kunnen vaststellen welke resultaten tot nu toe zijn bereikt en bijkomende maatregelen te kunnen nemen, en dringt erop aan rekening te houden met de verwachte audit door de Rekenkamer, de uitwisseling van beste praktijken en de organisatie van workshops waarin alle betrokkenen rond de tafel worden gebracht en die bedoeld zijn om dit instrument doeltreffender te maken; beklemtoont dat de lidstaten moeten garanderen dat de jongerengarantie volledig toegankelijk is, ook voor kwetsbare personen en mensen met een handicap; benadrukt dat dit niet in alle lidstaten het geval is en verzoekt de lidstaten deze situatie zo spoedig mogelijk te verhelpen, aangezien het indruist tegen het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de jongerengarantie jongeren bereikt die met meervoudige uitsluiting en extreme armoede te kampen hebben; wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan jonge vrouwen en meisjes, die mogelijk worden geconfronteerd met gendergerelateerde belemmeringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorzien in een toereikende financiering van de jongerengarantie, zodat het instrument naar behoren wordt uitgevoerd in alle lidstaten en nog meer jongeren worden geholpen;

12.  neemt kennis van de goedkeuring van 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2017; benadrukt dat dit bedrag ontoereikend is en dat het in het huidige MFK moet worden verhoogd en veiliggesteld; merkt echter tevens op dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK een akkoord moet worden bereikt over toereikende bijkomende financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de resterende duur van de huidige MFK‑periode;

13.  benadrukt het potentieel van de culturele en creatieve sector voor jongerenwerkgelegenheid; onderstreept dat verdere stimulering van en investeringen in de culturele en creatieve sector een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investeringen, groei, innovatie en werkgelegenheid; roept de Commissie daarom op na te denken over de bijzondere mogelijkheden die de hele culturele en creatieve sector kan bieden, met inbegrip van ngo's en kleine verenigingen, bijvoorbeeld in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

14.  onderstreept dat ontoereikende investeringen in het openbaar onderwijs de concurrentiepositie van Europa en de inzetbaarheid van de Europese beroepsbevolking kunnen ondermijnen; benadrukt dat er zo vroeg mogelijk in de levenscyclus in mensen moet worden geïnvesteerd om ongelijkheid te doen dalen en sociale inclusie op jonge leeftijd te bevorderen; beklemtoont eveneens dat stereotypen van jongs af aan op school moeten worden bestreden door de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle onderwijsniveaus te bevorderen;

15.  verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen toe te passen en toezicht te houden op inclusievere vormen van socialebeschermingsstelsels en inkomenssteun, om ervoor te zorgen dat die stelsels een fatsoenlijke levensstandaard bieden voor werklozen en mensen die worden bedreigd door armoede en sociale uitsluiting en toegang verschaffen tot onderwijs, opleiding en kansen om de arbeidsmarkt te betreden;

16.  is verheugd over de toegenomen arbeidsparticipatie; stelt echter vast dat de toename van de arbeidsparticipatie in de lidstaten gepaard is gegaan met de groeiende opkomst van atypische en niet-formele arbeidsvormen, met inbegrip van nulurencontracten; wijst erop dat duurzaamheid en kwaliteit van de gecreëerde werkgelegenheid een prioriteit moet vormen; maakt er zich grote zorgen over dat de hoge werkloosheid aanhoudt, vooral in landen die nog altijd lijden onder de crisis; beschouwt het verschijnsel van armoede onder werkenden als een gevolg van verslechterende loon- en arbeidsvoorwaarden, hetgeen moet worden aangepakt als onderdeel van maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid en sociale bescherming; spoort de lidstaten aan inspanningen te blijven leveren en te blijven openstaan voor nieuwe oplossingen en benaderingen om het Europa 2020-streefcijfer voor een arbeidsparticipatie van 75 % te behalen, onder meer door zich te richten op groepen die het slechtst vertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt, zoals vrouwen, oudere werknemers, laaggeschoolden en personen met een handicap; verzoekt de lidstaten hun aanbod op het gebied van een leven lang leren en doeltreffende bij- en nascholing uit te breiden;

17.  is van mening dat migratie een belangrijke rol kan spelen, onder meer via onderwijsregelingen, aangevuld met efficiënte overheidsuitgaven, zodat er kwaliteitsvolle sociale en ecologisch duurzame investeringen worden gedaan met het oog op de integratie van werknemers op de arbeidsmarkt en de terugdringing van de werkloosheid;

18.  erkent dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom proactieve beleidsmaatregelen te treffen en passende investeringen aan te bieden die bedoeld en ontworpen zijn om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen; beklemtoont dat een betere balans tussen werk en privéleven essentieel is om de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten; wijst er in dit verband op dat flexibele werkregelingen, zoals telewerk, flexibele werktijden en vermindering van werkuren volgens de Commissie een belangrijke rol kunnen vervullen; deelt de opvatting van de Commissie dat het aanbieden van betaald moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof bijdraagt aan de bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen; verzoekt de lidstaten voorts passende beleidsmaatregelen vast te stellen om mannen en vrouwen die na perioden van gezins- of zorgverlof de arbeidsmarkt (her)betreden, er blijven en er carrière maken, te steunen met duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid; betreurt genderongelijkheid op het gebied van de arbeidsparticipatie, de loonkloof en de pensioenkloof; pleit voor beleidsmaatregelen die vrouwen ertoe aansporen en hen steunen om carrière te maken als ondernemer, door de toegang tot financiering en zakelijke mogelijkheden te vergemakkelijken en persoonsgerichte opleidingen aan te bieden;

19.  is zich er echter van bewust dat steun voor het scheppen van werkgelegenheid en maatregelen om de actieve arbeidsparticipatie te verbeteren deel moeten uitmaken van een bredere, op rechten gebaseerde benadering om sociale uitsluiting en armoede aan te pakken, waarbij rekening wordt gehouden met kinderen en gezinnen en hun specifieke behoeften;

20.  roept de lidstaten op beste praktijken uit te wisselen en na te denken over nieuwe, innovatieve manieren om een aanpasbare en flexibele arbeidsmarkt tot stand te brengen, teneinde de uitdagingen van een globale economie het hoofd te kunnen bieden en tegelijkertijd hoge arbeidsnormen voor alle werknemers te waarborgen;

21.  stelt op prijs dat de lidstaten eraan worden herinnerd dat de socialezekerheidsstelsels verankerd moeten zijn in sterke sociale normen, en dat de bevordering van de balans tussen werk en privéleven en de aanpak van discriminatie niet alleen bijdragen tot sociale rechtvaardigheid, maar ook tot groei; onderstreept dat de herintreding van ouders op de arbeidsmarkt moet worden ondersteund door de voorwaarden te scheppen voor een hoogwaardige en inclusieve werkgelegenheids- en werkomgeving die ouders in staat stellen een evenwicht te vinden tussen hun rol op het werk en hun rol als ouders;

22.  erkent dat het scheppen van banen gepaard moet gaan met de integratie van langdurig werklozen in kwaliteitsvolle banen via maatregelen op maat, met name via actieve beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, als cruciale factor in de bestrijding van hun armoede en sociale uitsluiting wanneer er fatsoenlijk werk beschikbaar is; wijst erop dat de nadruk moet liggen op verbeterde maatregelen voor het creëren van fatsoenlijk werk; beklemtoont dat de integratie van mensen die het verst van de arbeidsmarkt zijn verwijderd een tweeledig effect heeft, aangezien het die persoon zelf ten goede komt en daarnaast ook de socialezekerheidsstelsels stabiliseert en de economie steunt; acht het noodzakelijk om rekening te houden met de sociale situatie van deze burgers en hun specifieke behoeften en om op Europees niveau beter toezicht te houden op de beleidsmaatregelen die op nationaal niveau worden genomen;

23.  wijst op het belang van vaardigheden en competenties die in niet-formele en informele leeromgevingen zijn verworven – en op de validatie en certificering hiervan – en van toegang tot een leven lang leren, alsook op het belang van de toezeggingen en benchmarks van het strategisch kader op het gebied van onderwijs en opleiding 2020; verzoekt de Commissie en de lidstaten systemen uit te werken voor de erkenning van niet-formele en informele competenties; verzoekt de lidstaten voorts beleidsmaatregelen uit te voeren, niet alleen voor het garanderen van toegang tot onderwijs en opleiding die kwaliteitsvol, inclusief en betaalbaar zijn, maar ook om te waarborgen dat de kaderaanpak voor een leven lang leren wordt uitgevoerd in de richting van een flexibel onderwijstraject waarbij gelijkheid en sociale samenhang worden bevorderd en iedereen werkgelegenheidskansen krijgt;

24.  pleit ervoor om partnerschappen tussen werkgevers, sociale partners, arbeidsbemiddelingsdiensten van de overheid en de particuliere sector, overheden, sociale diensten en onderwijs- en opleidingsinstellingen tot stand te brengen en te ontwikkelen, zodat de nodige instrumenten voorhanden zijn om beter te beantwoorden aan de behoeften van de arbeidsmarkt en langdurige werkloosheid te voorkomen; herinnert eraan dat het onontbeerlijk is een gepersonaliseerde en geïndividualiseerde follow‑up te hanteren die geschikt is om effectieve oplossingen te kunnen bieden voor langdurig werklozen;

25.  betreurt het aanhoudend lage niveau van overheidsinvesteringen, aangezien dergelijke investeringen een belangrijke stimulans kunnen zijn voor het scheppen van banen; beklemtoont dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) onvoldoende investeringen in sociale infrastructuur heeft ontwikkeld en dat dit een gemiste kans is waar dringend iets aan moet worden gedaan;

26.  pleit voor beleidsmaatregelen die collectieve onderhandelingen en de reikwijdte ervan eerbiedigen en bevorderen, zodat zoveel mogelijk werknemers worden bereikt en er daarnaast ook betere loonondergrenzen in de vorm van minimumlonen worden vastgesteld op een fatsoenlijk niveau en met de betrokkenheid van de sociale partners – dit alles met de bedoeling een einde te maken aan de concurrerende loonnivellering naar beneden, de geaggregeerde vraag en het economisch herstel te ondersteunen, de loonongelijkheid terug te dringen en de armoede onder werkenden te bestrijden;

27.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat mensen met tijdelijke of parttimecontracten of zelfstandigen een gelijke behandeling genieten – ook wat betreft ontslag en loon – en dat zij voldoende sociale bescherming en toegang tot opleiding krijgen, alsook dat de nodige randvoorwaarden worden gecreëerd opdat zij een loopbaan kunnen uitbouwen; verzoekt de lidstaten om de raamovereenkomsten inzake parttimewerk en banen van bepaalde duur ten uitvoer te leggen en de richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep daadwerkelijk te doen naleven;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om vluchtelingen te helpen zich te vestigen en te integreren, en verzoekt tevens ervoor te zorgen dat openbare diensten over voldoende middelen beschikken en dat tijdig wordt geanticipeerd op de voorwaarden die nodig zijn om hun integratie te vergemakkelijken;

29.  betreurt dat het percentage van mensen die bedreigd worden door armoede en sociale uitsluiting hoog blijft; wijst erop dat een hoge mate van ongelijkheid en armoede invloed heeft op sociale samenhang en bovendien hinderlijk is voor sociale en politieke stabiliteit; betreurt dat beleidsmaatregelen om dit doeltreffend aan te pakken niet ambitieus genoeg zijn om voldoende economische effecten te kunnen sorteren; vraagt de lidstaten een versnelling hoger te schakelen voor het behalen van het Europa 2020-streefcijfer om het aantal mensen dat door armoede wordt bedreigd met ten minste 20 miljoen te verminderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de terugdringing van ongelijkheid tot prioriteit te verheffen; vraagt betere ondersteuning en erkenning van de werkzaamheden van ngo's, organisaties voor armoedebestrijding en organisaties van mensen in armoede, zodat zij worden aangemoedigd om deel te nemen aan de uitwisseling van goede praktijken;

30.  uit zijn bezorgdheid over de lage arbeidsparticipatie van etnische minderheden, met name de Roma; dringt aan op de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG; beklemtoont dat het nodig is de rol te versterken die gespecialiseerde ngo's vervullen bij het bevorderen van hun participatie op de arbeidsmarkt en bij het ondersteunen van de inschrijving van kinderen in scholen, maar ook bij het voorkomen dat zij de school voortijdig verlaten, zodat de armoedecyclus wordt doorbroken;

31.  acht het van belang de investeringskloof te dichten om duurzame groei te kunnen genereren zonder de economische en sociale duurzaamheid van de lidstaten op het spel te zetten; vestigt in dit verband de aandacht op het opkomende verschijnsel van het waarborgen van begrotingsconsolidatie, hetgeen van essentieel belang is om het Europese sociale model dat zo kenmerkend is voor de EU te kunnen voortzetten;

32.  betreurt dat de recentste aanbevelingen van de Commissie zijn voorbijgegaan aan de vraag van het Parlement om de toepassing van artikel 349 VWEU te versterken, namelijk door gedifferentieerde maatregelen en programma's vast te stellen om asymmetrieën te verminderen en de sociale cohesie in de EU te maximaliseren; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan om specifieke investeringsprogramma's te ontwikkelen voor hun subregio's waar de werkloosheid meer dan 30 % bedraagt; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de lidstaten en de Europese regio's, met name de ultraperifere regio's, te helpen bij het ontwikkelen en financieren van de investeringsprogramma's in het kader van het MFK;

33.  beseft dat de Europese arbeidsmarkt zich in een kwetsbare situatie blijft bevinden, met aan de ene kant het probleem van de nog altijd hoge werkloosheidscijfers waarvoor geen oplossing wordt gevonden, en aan de andere kant de vraag van bedrijven naar geschoolde en geschikte arbeidskrachten; verzoekt de Commissie samenwerkingsvormen op het niveau van de lidstaten te bevorderen waarbij overheden, bedrijven – met inbegrip van bedrijven uit de sociale economie – onderwijsinstellingen, geïndividualiseerde ondersteuningsdiensten, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners betrokken zijn, op basis van de uitwisseling van beste praktijken en met het oog op de aanpassing van de onderwijs- en opleidingssystemen van de lidstaten om het aanbod van en de vraag naar vaardigheden beter op elkaar te laten aansluiten, zodat wordt beantwoord aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

34.  beklemtoont dat onderwijs een grondrecht is dat moet worden gegarandeerd voor alle kinderen en dat ongelijkheid in de beschikbaarheid en kwaliteit van het onderwijs moet worden aangepakt om alle kinderen de kans te bieden op een onderwijsloopbaan en het aantal vroegtijdige schoolverlaters te verminderen; benadrukt dat de afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en op het banenaanbod kan bijdragen tot de totstandbrenging van een inclusieve arbeidsmarkt in de EU; is van mening dat begeleiding en advisering met aandacht voor de individuele behoeften en gericht op de ontwikkeling en uitbreiding van individuele vaardigheden al vanaf een vroeg stadium kernelementen moeten zijn van het beleid inzake onderwijs en vaardigheden in de vorming van ieder individu; verzoekt de lidstaten onderwijs en opleiding beter af te stemmen op behoeften van de arbeidsmarkt over de hele EU; onderstreept dat het belangrijk is de verschillende werkgelegenheidssituaties in de lidstaten te evalueren om de eigen kenmerken en bijzonderheden ervan te waarborgen;

35.  is zich ervan bewust dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de digitalisering van de Europese industrie belangrijke uitdagingen vormen voor de EU; beklemtoont dat de productiemodellen van de EU en de lidstaten, geschraagd door hun onderwijsmodellen, moeten worden gericht op sectoren met een hoge productiviteit, met name sectoren die verband houden met ICT en digitalisering, teneinde de mondiale concurrentiekracht van de EU te verbeteren;

36.  onderstreept dat ontoereikende en niet naar behoren afgestemde investeringen in onderwijs op het gebied van digitale vaardigheden, waaronder programmeervakken en STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), de concurrentiepositie van Europa, de beschikbaarheid van een goed opgeleide beroepsbevolking en de inzetbaarheid van die beroepsbevolking ondermijnen; is van oordeel dat een betere afstemming tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en een betere wederzijdse erkenning van kwalificaties gunstig zullen zijn om de kloof te dichten wat betreft het tekort aan vaardigheden en de slechte afstemming tussen vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt, alsook gunstig zullen zijn voor werkzoekenden, met name jongeren; verzoekt de lidstaten om voorrang te geven aan uitgebreide opleiding, voor mensen van alle leeftijden, in digitale vaardigheden, programmeren en vaardigheden waar veel vraag naar is bij werkgevers, terwijl tegelijkertijd ook hoge normen in stand worden gehouden voor het traditionele onderwijs, en om in de context van bijscholing en omscholing – hetgeen niet beperkt mag blijven tot kennis vanuit het perspectief van de gebruiker – rekening te houden met de verschuiving naar een digitale economie;

37.  stelt vast dat er in vele lidstaten grotere inspanningen nodig zijn om de beroepsbevolking op te leiden, onder meer via mogelijkheden voor volwassenenonderwijs en beroepsopleiding; wijst op het belang van een leven lang leren, ook voor oudere werknemers, om vaardigheden te kunnen afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt; pleit ervoor STEM-vakken sterker aan te prijzen bij vrouwen en meisjes om bestaande onderwijsstereotypen aan te pakken en de reeds lang bestaande kloven op het gebied van arbeidsparticipatie, loon en pensioen te bestrijden;

38.  erkent de waarde van nieuwe technologieën en het belang van digitale geletterdheid voor het persoonlijke leven van het individu en diens succesvolle integratie op de arbeidsmarkt; stelt daarom voor dat de lidstaten hun investeringen in een betere ICT‑infrastructuur en een betere connectiviteit in onderwijsinstellingen opvoeren en effectieve strategieën ontwikkelen om het potentieel van ICT ter ondersteuning van informeel leren bij volwassenen te benutten en hun formele en niet-formele onderwijsmogelijkheden te verbeteren;

39.  is verheugd over de bijdrage van Erasmus+ aan de bevordering van de mobiliteit en de culturele uitwisselingen binnen de EU en met derde landen; vraagt dat de Europese instrumenten voor transparantie, mobiliteit en de erkenning van vaardigheden en kwalificaties meer worden aangeprezen en beter worden gebruikt om mobiliteit op het vlak van leren en werken te faciliteren; stelt opnieuw dat moet worden gezorgd voor mobiliteitsmogelijkheden voor beroepsopleidingen, kansarme jongeren en mensen die onder verschillende vormen van discriminatie te lijden hebben;

40.  is ingenomen met het nieuwe beleids- en investeringskader dat door de Overeenkomst van Parijs wordt verschaft, en dat zal bijdragen tot het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in de koolstofarme en de lage-emissiesectoren;

41.  verzoekt de Commissie te benadrukken hoe belangrijk het is de fysische en digitale obstakels en belemmeringen waarmee mensen met een handicap in de lidstaten nog altijd worden geconfronteerd zoveel mogelijk weg te werken;

42.  is ingenomen met de uitdrukkelijke vermelding van kinderopvang, huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs in verband met de verbetering van de toegang tot kwaliteitsvolle dienstverlening;

43.  herinnert eraan dat het vrije verkeer van werknemers een grondbeginsel is van het Verdrag; is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 wordt benadrukt hoe belangrijk het is sociale rechtvaardigheid te garanderen via een eerlijke samenwerking tussen de verschillende instellingen van de lidstaten; verzoekt de lidstaten derhalve arbeidsinspecties of andere relevante overheidsorganen te voorzien van passende middelen, en tevens de grensoverschrijdende samenwerking tussen inspectiediensten te verbeteren en de elektronische gegevensuitwisseling te bevorderen, teneinde de controles die zijn bedoeld voor de bestrijding en preventie van sociale fraude en zwartwerk doeltreffender te maken;

44.  onderstreept dat de binnenlandse vraag moet worden aangezwengeld door investeringen van de overheid en de particuliere sector te bevorderen, door sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen te stimuleren die de ongelijkheid verminderen en kwaliteitsvolle en duurzame werkgelegenheid, duurzame groei en sociale investeringen, alsook verantwoorde consolidatie van de overheidsfinanciën bevorderen, en op die manier een gunstig traject naar een klimaat van grotere cohesie en opwaartse sociale convergentie versterken ten behoeve van het bedrijfsleven en de overheidsdiensten; benadrukt de belangrijke rol van investeringen in menselijk kapitaal als gemeenschappelijke strategie; beklemtoont tevens dat het economische beleid van de Unie een nieuwe oriëntatie moet krijgen in de richting van een sociale markteconomie;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te treffen om voor digitale werknemers dezelfde rechten en hetzelfde niveau van sociale bescherming te waarborgen als voor gelijkaardige werknemers in de betrokken sector;

46.  merkt op dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, die meer dan 90 % vertegenwoordigen van alle ondernemingen in Europa en de motor zijn van de Europese economie, alsook de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening en ondernemingen in de sociale en de solidaire economie op doeltreffende wijze bijdragen aan duurzame en inclusieve ontwikkeling en het scheppen van kwaliteitsvolle banen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het beleidsvormingsproces meer rekening te houden met de belangen van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen door de kmo-test toe te passen in het hele wetgevingsproces, volgens het "denk eerst klein"-principe, en om bestaande vormen van financiële steun voor micro-ondernemingen aan te prijzen, zoals het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); is van mening dat het uiterst belangrijk is de administratieve lasten voor deze ondernemingen te verlichten en onnodige wetgeving te schrappen zonder de arbeids- en sociale rechten op de helling te zetten; beklemtoont dat ondernemers die in eerste instantie hebben gefaald een tweede kans verdienen indien ze geen fraude hebben gepleegd en de rechten van de werknemers hebben geëerbiedigd;

47.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economie kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is derhalve van mening dat onderwijs in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moet hebben en onder meer onderwerpen moet behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, met het oog op de totstandbrenging van een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

48.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan te onderzoeken hoe de productiviteit kan worden verhoogd door te investeren in menselijk kapitaal, rekening houdend met het feit dat de competentste, best geïntegreerde en meest tevreden werknemers beter kunnen inspelen op de vragen en uitdagingen van bedrijven en diensten;

49.  spoort de lidstaten aan vooral aandacht te schenken aan het statuut van zelfstandige ondernemers om ervoor te zorgen dat zij beschikken over passende sociale bescherming wat betreft ziekte-, ongevallen- en werkloosheidsverzekering en pensioenrechten;

50.  herinnert eraan dat het belangrijk is een echte cultuur van ondernemerschap tot stand te brengen die jongeren vanaf jonge leeftijd stimuleert; vraagt de lidstaten daarom hun onderwijs- en opleidingsprogramma's aan dit beginsel aan te passen; waarschuwt de lidstaten dat er prikkels voor ondernemerschap moeten worden ingesteld, met name via de toepassing van fiscale regels en de beperking van administratieve lasten; verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten maatregelen te treffen, teneinde betere informatie te verstrekken over alle Europese fondsen en programma's die het ondernemerschap, investeringen en de toegang tot financiering kunnen aanwakkeren, zoals Erasmus voor jonge ondernemers;

51.  beklemtoont de hefboomwerking van de EU-begroting op de nationale begrotingen; benadrukt de aanvullende rol die de EU-begroting speelt bij het verwezenlijken van de in de jaarlijkse groeianalyse 2017 vermelde doelstellingen van de Unie in het kader van het sociale beleid, gericht op het creëren van meer en betere banen in de hele EU;

52.  is bezorgd over de vertraging die tijdens de huidige programmeringsperiode is opgelopen bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma's; stelt vast dat in september 2016 slechts 65 % van de bevoegde nationale autoriteiten was aangewezen en verzoekt de lidstaten actiever gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om in te spelen op sociale en werkgelegenheidsprioriteiten en de tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen die met name en op inclusieve wijze sociale en werkgelegenheidsaangelegenheden behandelen, te ondersteunen; benadrukt echter ook dat deze fondsen niet uitsluitend mogen worden gebruikt voor de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen, aangezien er dan mogelijk andere belangrijke investeringsgebieden worden uitgesloten; wijst er uitdrukkelijk op dat verdere inspanningen moeten worden gedaan om procedures te vereenvoudigen, met name in het geval van horizontale en sectorale financiële regels, en belemmeringen weg te werken die maatschappelijke organisaties de toegang tot financiering beletten;

53.  wijst erop dat de economische groei in de EU en de eurozone bescheiden blijft; beklemtoont dat er investeringen nodig zijn in onderzoek, innovatie en onderwijs; merkt op dat er in de EU-begroting 2017 voor 21 312,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten is toegewezen aan concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid via programma's als Horizon 2020, Cosme en Erasmus+;

54.  wijst erop dat Europese fondsen en programma's zoals Erasmus voor ondernemers, het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening (Eures), het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme), het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) het potentieel in zich dragen toegang tot financiering te vergemakkelijken en investeringen, en bijgevolg ook ondernemerschap, te stimuleren; herinnert aan het belang van het partnerschapsbeginsel, het additionaliteitsbeginsel, de bottom-upbenadering, een passende toewijzing van middelen en een goed evenwicht tussen rapportageverplichtingen en gegevensverzameling bij degenen die van de fondsen gebruikmaken; vraagt de Commissie te zorgen voor nauw toezicht op het gebruik van EU-middelen om de doeltreffendheid te vergroten; verzoekt de Commissie landspecifieke aanbevelingen te verstrekken over de tenuitvoerlegging van EU-fondsen om het bereik en de doeltreffendheid van het sociale beleid en het actieve arbeidsmarktbeleid op nationaal niveau te vergroten;

55.  is ingenomen met de toekenning in 2017 van nog eens 500 miljoen EUR bovenop de ontwerpbegroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van 200 miljoen EUR voor het stimuleren van belangrijke initiatieven voor groei en banencreatie; herinnert eraan dat beter gebruik moet worden gemaakt van de beschikbare middelen en initiatieven met betrekking tot onderwijs en opleiding, cultuur, sport en jeugd, en dat, waar nodig, meer in deze sectoren moet worden geïnvesteerd, in het bijzonder in de thematische gebieden die van rechtstreeks belang zijn voor de Europa 2020-strategie, zoals vroegtijdig schoolverlaten, hoger onderwijs, werkgelegenheid voor jongeren, beroepsonderwijs en -opleiding, een leven lang leren en mobiliteit, om veerkracht op te bouwen en werkloosheid terug te dringen, vooral bij jongeren en de kwetsbaarste groepen, om radicalisering te voorkomen en sociale inclusie op de lange termijn te garanderen;

56.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het EFSI uit te breiden en het bedrag ervan tegen 2022 te verdubbelen tot 630 miljard EUR, en tegelijkertijd het geografische en sectorale bereik ervan te verbeteren; wijst erop dat het EFSI tot dusver geen erg succesvol middel is gebleken om te zorgen voor een betere sociale en economische convergentie tussen lidstaten en hun regio's binnen de Unie en er evenmin in is geslaagd om zich te richten op sociale infrastructuur; wijst er nogmaals op dat de meeste projecten worden goedgekeurd in de economisch gezondere regio's van West‑Europa, waardoor de investeringskloof tussen de lidstaten nog dieper wordt en de onevenwichtigheden binnen de Unie worden versterkt; vraagt de Commissie de zwakkere regio's te helpen met de aanvraagprocedure maar niets te wijzigen aan het uitgangspunt dat projecten uitsluitend op basis van kwaliteit worden geselecteerd; verzoekt de Commissie dringend steun te verlenen aan de mogelijkheid om sociale ondernemingen toegang te verlenen tot het EFSI; verzoekt de Commissie en de Europese Investeringsbank bijkomende en proactieve stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten en sectoren op passende wijze worden benaderd om toegang te krijgen tot het EFSI, met name wanneer rechtstreeks wordt bijgedragen aan de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; beklemtoont dat de administratieve capaciteit, zoals de investeringsadvieshub, moet worden versterkt; betreurt dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de banen die naar verwachting zullen worden gecreëerd als gevolg van EFSI-investeringen; verzoekt de Commissie toezicht te houden en controle uit te oefenen op investeringen in het kader van het EFSI en de economische en sociale effecten van deze investeringen te meten, en verzoekt tevens ervoor te zorgen dat er geen overlappingen zijn tussen het EFSI en bestaande financiële programma's en te voorkomen dat het EFSI ter vervanging dient van rechtstreekse overheidsuitgaven; herhaalt zijn oproep met betrekking tot investeringen in menselijk en sociaal kapitaal, zoals gezondheidszorg, kinderopvang en betaalbare huisvesting;

57.  wijst erop dat de ultraperifere gebieden worden geconfronteerd met een reeks structurele beperkingen, die door hun blijvend karakter en in onderlinge combinatie een grote rem zetten op de ontwikkeling van deze gebieden; verzoekt de Commissie om de toepassing van artikel 349 VWEU te verdedigen;

58.  beklemtoont dat de Commissie en de lidstaten zich sterker moeten inzetten om artikel 174 VWEU toe te passen; onderstreept dat een grotere territoriale cohesie een grotere economische en sociale cohesie vereist, en dringt daarom aan op strategische investeringen in die regio's, met name in een breedbandnetwerk, om hun concurrentievermogen te vergroten, hun industriële weefsel en territoriale structuur te verbeteren en, ten slotte, hun bevolking op peil te houden;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alle regeringsniveaus en relevante partijen te betrekken bij het aanwijzen van investeringsbelemmeringen, waarbij de aandacht in eerste instantie uitgaat naar de regio's en sectoren waar de nood het hoogst is en er daarnaast ook passende instrumenten ter beschikking worden gesteld die een combinatie vormen van openbare en particulier financiering;

60.  verzoekt de Commissie beleidsmaatregelen in te voeren om de demografische neergang en de spreiding van de bevolking tegen te gaan; onderstreept dat het een van de prioriteiten van het cohesiebeleid van de EU moet zijn om aandacht te besteden aan regio's die te kampen hebben met een demografische neergang;

61.  benadrukt dat de universele toegang tot officiële, solidaire en adequate pensioenen en ouderdomspensioenen moet worden gegarandeerd voor iedereen; erkent de uitdagingen voor de lidstaten om de pensioenstelsels duurzamer te maken, maar benadrukt dat het belangrijk is solidariteit binnen de pensioenstelsels te waarborgen door de ontvangstenzijde te versterken zonder noodzakelijkerwijs de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken; benadrukt het belang van officiële en bedrijfspensioenregelingen die voorzien in een adequaat pensioeninkomen dat ruim boven de armoedegrens ligt en waarmee gepensioneerden hun levensstandaard kunnen handhaven; is van mening dat de beste manier om te zorgen voor duurzame, zekere en toereikende pensioenen voor vrouwen en mannen erin bestaat de totale arbeidsparticipatie en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te verhogen, de arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden te verbeteren en de nodige aanvullende overheidsuitgaven in de begroting op te nemen; is van mening dat hervormingen van het pensioenstelsel onder meer gericht moeten zijn op de effectieve pensioenleeftijd en moeten inspelen op de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de gezondheids- en welvaartsituatie, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio; is van mening dat deze hervormingen ook rekening moeten houden met de situatie van miljoenen werkenden in Europa, met name van vrouwen, jongeren en zelfstandigen, die worden geconfronteerd met onzeker en atypisch werk, perioden van onvrijwillige werkloosheid en verminderde arbeidsduur;

62.  wijst de lidstaten op de noodzaak, gezien de vergrijzing van de Europese bevolking en de daaruit volgende stijgende behoeften met betrekking tot informele en formele zorgverlening, om te investeren in de bevordering van volksgezondheid en ziektepreventie en tegelijkertijd de houdbaarheid, veiligheid, toereikendheid en doelmatigheid van socialebeschermingsstelsels en de verlening van kwaliteitsvolle langdurige sociale diensten voor de komende decennia te garanderen; spoort de lidstaten daarom aan strategieën te ontwikkelen om te zorgen voor toereikende financiering, voldoende personeel en passende ontwikkeling voor deze stelsels en diensten en de dekking van de socialezekerheidsstelsels uit te breiden ten gunste van de samenleving en het individu; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de sociale partners vooral op aan om:

   een hogere arbeidsparticipatie voor alle leeftijdsgroepen aan te moedigen;
   werk te maken van een beperking van gendersegregatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen;
   arbeidsmarkten aan te passen voor oudere werknemers met behulp van leeftijdsvriendelijke arbeidsvoorwaarden die hen in staat stellen tot aan de wettelijke pensioenleeftijd te blijven werken;
   leeftijdsstereotypen op de arbeidsmarkt te bestrijden;
   te zorgen voor een levensloopbenadering en een preventieve aanpak van gezondheid en veiligheid op het werk;
   aandacht te besteden aan de balans tussen werk en privéleven van personen met zorgtaken via passende zorg- en verlofstelsels en door steun te geven aan niet-officiële verzorgers;
   werkgevers, met name kmo's, te ondersteunen en te informeren over manieren waarop zij de werkomgeving dusdanig kunnen verbeteren dat werknemers van alle leeftijden productief blijven;
   arbeidsbemiddelingsdiensten van de overheid te ondersteunen, zodat die oudere werkzoekenden zinvolle bijstand kunnen verlenen;
   investeringen te doen en in stimulansen te voorzien met betrekking tot een leven lang leren voor werknemers van alle leeftijden, zowel op het werk als daarbuiten, en systemen uit te werken voor de validatie en certificering van vaardigheden;
   oudere werknemers te helpen langer actief te blijven en zich voor te bereiden op hun pensioen aan de hand van door de werknemer aangestuurde flexibele arbeidsvoorwaarden die hen in staat stellen minder uren te werken tijdens de overgang van werk naar pensioen;

63.  onderstreept dat de Commissie naast toezicht op de evolutie van de huizenprijzen in de lidstaten ook toezicht moet houden op ontwikkelingen op het gebied van dakloosheid en uitsluiting van de woningmarkt; pleit voor dringende maatregelen om het stijgend aantal gevallen van dakloosheid en uitsluiting van de woningmarkt in tal van lidstaten aan te pakken; is bezorgd over de mogelijke sociale gevolgen van het hoge volume aan noodlijdende kredieten op de balansen van banken, en vooral over de verklaring van de Commissie dat verkoop aan gespecialiseerde niet-bancaire instellingen moet worden aangemoedigd, hetgeen zou kunnen leiden tot een golf van huisuitzettingen; spoort de lidstaten, de Commissie en de EIB aan het EFSI te gebruiken voor sociale infrastructuur, onder meer om het recht op toereikende, betaalbare huisvesting voor iedereen te doen gelden;

64.  stelt met bezorgdheid vast dat de lonen in sommige lidstaten ontoereikend zijn om een fatsoenlijk leven te kunnen leiden, waardoor werknemers "werkende armen" worden en werklozen ontmoedigd raken om terug te keren naar de arbeidsmarkt; is in dit opzicht voorstander van de bevordering van collectieve onderhandelingen;

65.  spoort de lidstaten aan de nodige maatregelen toe te passen voor de sociale inclusie van vluchtelingen en van mensen die tot een etnische minderheid behoren of een migratieachtergrond hebben;

66.  is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 wordt benadrukt dat belastingen en uitkeringen moeten worden hervormd met als doel de stimulansen om te gaan werken te verbeteren en werk lonend te maken, aangezien belastingstelsels eveneens kunnen bijdragen aan de bestrijding van inkomensongelijkheid en armoede en aan een grotere concurrentiekracht op mondiaal niveau; verzoekt de lidstaten gaandeweg over te schakelen van belasting op arbeid naar belasting op andere bronnen;

67.  dringt aan op hervormingen in de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg, zodat de aandacht wordt toegespitst op de ontwikkeling van gezondheidsbevordering en ziektepreventie, de instandhouding van kwaliteitsvolle, universeel toegankelijke gezondheidszorg en het terugdringen van ongelijkheid in de toegang tot gezondheidszorg;

68.  vraagt de Commissie en de lidstaten samen te werken om de belemmeringen op het vlak van arbeidsmobiliteit weg te nemen, zodat mobiele werknemers uit de EU op dezelfde wijze worden behandeld als niet-mobiele werknemers;

69.  verzoekt de lidstaten om het bereik, de efficiëntie en de effectiviteit van een actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid te vergroten, in nauwe samenwerking met de sociale partners; is verheugd dat er in de jaarlijkse groeianalyse 2017 voor wordt gepleit meer inspanningen te leveren om maatregelen uit te werken ter ondersteuning van de inclusie van kansarme groepen, met name mensen met een handicap, op de arbeidsmarkt, met het oog op de positieve economische en sociale langetermijneffecten daarvan;

70.  verzoekt de lidstaten ambitieuze sociale normen vast te stellen op basis van hun eigen landspecifieke aanbevelingen en in overeenstemming met hun nationale bevoegdheid en hun financiële en fiscale situatie, voornamelijk door adequate regelingen voor een minimuminkomen voor de gehele levensduur in te voeren waar deze nog niet bestaan en door de gaten in adequate regelingen voor een minimuminkomen te dichten die zijn veroorzaakt door onvoldoende dekking of gebruik;

71.  juicht het initiatief van de Commissie toe om raadplegingen te houden over het oprichten van een Europese pijler van sociale rechten; is van mening dat dit initiatief de aanzet moet kunnen geven tot de ontwikkeling van flexibelere vaardigheden en competenties, acties gericht op een leven lang leren en actieve ondersteuning van kwaliteitsvolle werkgelegenheid;

72.  herhaalt het aan de Commissie gerichte verzoek in het recentste advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken om bij de opstelling van landspecifieke aanbevelingen de invoering van een procedure voor sociale onevenwichtigheden te overwegen ter voorkoming van een nivellering naar beneden op het gebied van normen, uitgaande van het doeltreffende gebruik van sociale en werkgelegenheidsindicatoren in het kader van het macro-economisch toezicht;

73.  verzoekt de lidstaten meer nadruk te leggen op het doorbreken van de armoedecyclus en het bevorderen van gelijkheid; verzoekt de Commissie sterkere aanbevelingen te verstrekken aan de lidstaten betreffende sociale inclusie en bescherming, daarbij ook verder te kijken dan de beroepsbevolking en met name te investeren in kinderen;

74.  is verheugd dat de sociale partners, de nationale parlementen en andere belanghebbende partijen uit het maatschappelijk middenveld worden betrokken bij het proces van het Europees semester; wijst er nogmaals op dat sociale dialoog en dialoog met het maatschappelijk middenveld essentieel zijn om de doeltreffendheid en toereikendheid van het Europees en nationaal beleid te verbeteren en om die reden in alle fasen van het Europees semester moeten worden nagestreefd; benadrukt dat de betrokkenheid van deze partijen doeltreffender moet worden gemaakt door te zorgen voor een bruikbaar tijdschema, toegang tot documenten en dialoog met gesprekspartners op het passende niveau;

75.  herinnert aan de verschillende verzoeken om een agenda waarin de positie van het Parlement wordt versterkt en in aanmerking wordt genomen voordat de Raad een besluit neemt; vraagt voorts dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, gezien haar specifieke bevoegdheden, op gelijke voet komt te staan met de Commissie economische en monetaire zaken wanneer het Europees Parlement wordt verzocht advies te geven over de verschillende fasen van het Europees semester;

76.  is van mening dat er een sociale conventie van de EU moet worden bijeengeroepen in het kader waarvan vertegenwoordigers van de sociale partners, de nationale regeringen en parlementen en de EU-instellingen met participatie van het publiek over de toekomst en de structuur van het Europees sociaal model debatteren;

77.  dringt er eens te meer op aan dat de Raad Epsco in het Europees semester een sterkere rol krijgt toebedeeld;

78.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0355.
(2) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.
(3) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0416.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0297.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.
(7) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 83.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0033.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0389.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(14) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 19.
(15) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 19.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.
(17) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(18) http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_03/SR15_03_NL.pdf
(19) https://www.eurofound.europa.eu/nl/surveys/european-working-conditions-surveys
(20) https://www.eurofound.europa.eu/nl/young-people-and-neets-1
(21) Zie het verslag van Eurofound over jeugdwerkloosheid.
(22) Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2016, blz. 2.
(23) OESO-verslag "In It Together: Why Less Inequality Benefits All" (In hetzelfde schuitje: waarom minder ongelijkheid ons allen ten goede komt), 2015.
(24) IMF-verslag "Causes and Consequences of Income Inequality" (Oorzaken en gevolgen van inkomensongelijkheid), juni 2015.

Juridische mededeling