Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2328(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0030/2017

Ingediende teksten :

A8-0030/2017

Debatten :

PV 02/03/2017 - 2
CRE 02/03/2017 - 2

Stemmingen :

PV 02/03/2017 - 6.7
CRE 02/03/2017 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0062

Aangenomen teksten
PDF 205kWORD 54k
Donderdag 2 maart 2017 - Brussel Definitieve uitgave
Uitvoering van het programma "Creatief Europa"
P8_TA(2017)0062A8-0030/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (2015/2328(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (“de verordening”)(1),

–  gezien de artikelen 167 en 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) is aangenomen,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012)0537),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2010 getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 27 april 2010 getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (COM(2010)0183),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2015 over culturele en creatieve kruisbestuiving ter stimulering van innovatie, economische duurzaamheid en sociale inclusie,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa"(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(4),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de Europese film in het digitale tijdperk(5),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende Afdeling B Structuur- en Cohesiebeleid van 2013 getiteld "European Capitals of Culture: Success and Long-Term Effects" (Culturele Hoofdsteden van Europa: succesvolle strategieën en langetermijneffecten), verricht op verzoek van de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken"(8),

–  gezien het EU-werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 "Beter wetgeven" van het Parlement, de Raad en de Commissie, met name de punten 20 tot en met 24 over evaluatie van bestaande wetgeving,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0030/2017),

A.  overwegende dat het programma Creatief Europa tot doel heeft Europese culturele en taalkundige verscheidenheid te beschermen en te bevorderen, door enerzijds het culturele erfgoed van Europa te bevorderen en anderzijds het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren te vergroten;

B.  overwegende dat cultuur een cruciale factor is voor de bevordering van Europese integratie;

C.  overwegende dat het programma Creatief Europa, en met name het subprogramma Cultuur, ernstig ondergefinancierd is en het daardoor moeilijk heeft om aan de hoge verwachtingen te voldoen;

D.  overwegende dat in de artikelen 3 en 4 van de verordening wordt bepaald dat de bevordering van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid en van het culturele erfgoed van Europa – en meer bepaald de bevordering van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken – tot de basisdoelstellingen van het programma behoort;

E.  overwegende dat in artikel 12 van de verordening wordt bepaald dat de bevordering van transnationale verspreiding en mobiliteit – en meer bepaald het ondersteunen van de verspreiding van Europese literatuur, waarbij naar een zo groot mogelijke toegankelijkheid wordt gestreefd – tot de basisdoelstellingen van het subprogramma Cultuur behoort;

F.  overwegende dat de structuur van één enkel programma voordelen biedt om tot een kritische massa te komen en zichtbaarheid kan geven aan domeinen die nog steeds ondergewaardeerd worden en dezelfde problemen ervaren op het vlak van versnippering, mondialisering, gebrek aan gegevens en moeilijke toegang tot krediet;

G.  overwegende dat de structuur van het programma in twee subprogramma's waarin de specifieke kenmerken en de eigenheid van beide worden behouden, met toevoeging van een sectoroverschrijdend onderdeel, voordelen biedt voor een beter inzicht in samenwerking en ontwikkelingen op het gebied van cultuur bij het aanknopen van betrekkingen met derde landen;

H.  overwegende dat in het sectoroverschrijdend onderdeel de strategische doelstelling om transnationale en transsectorale culturele samenwerking te bevorderen slechts gedeeltelijk is uitgewerkt;

I.  overwegende dat in het kader van Creatief Europa, op basis van gezamenlijke bijdragen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, ook samenwerking en gemeenschappelijke acties mogelijk zijn met landen die niet aan het programma deelnemen en met internationale organisaties die in de culturele en creatieve sectoren actief zijn, zoals de Unesco, de Raad van Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

J.  overwegende dat het systeem van prestatie-indicatoren als bedoeld in artikel 18 van de verordening, met onder meer indicatoren voor de algemene doelstellingen van het programma, afzonderlijke indicatoren voor de subprogramma's MEDIA en Cultuur en specifieke indicatoren met betrekking tot het instrument van de garantiefaciliteit, tot op heden niet is ingesteld of operationeel is geworden;

K.  overwegende dat het huidige beoordelingssysteem ongeschikt blijkt voor de aard en specifieke kenmerken van het programma en dat er daarom verbeteringen moeten worden aangebracht;

L.  overwegende dat specifieke acties, zoals de Culturele Hoofdsteden van Europa en het bijbehorende netwerk, prijzen en het Europees erfgoedlabel, hebben aangetoond dat er een potentieel is voor duurzame lokale economische ontwikkeling en cultureel toerisme en dat deze daarom op proactievere wijze moeten worden uitgebouwd en bevorderd;

M.  overwegende dat er in 2016 in het kader van het sectoroverschrijdend onderdeel een specifieke oproep is gelanceerd voor vluchtelingen die deelnemen aan de Europese samenleving, ter bevordering en ondersteuning van creativiteit en interculturele dialoog;

N.  overwegende dat het financieringsdomein "samenwerkingsprojecten" van het subprogramma Cultuur goed is voor zo'n 70 % van de begroting van het subprogramma, erg populair is bij culturele actoren en gericht is op het hanteren van een gemeenschappelijke benadering op een grensoverschrijdende basis, waardoor een open formulering van onvoorspelbare, uiterst innovatieve en creatieve projecten mogelijk wordt, die met open armen worden ontvangen;

O.  overwegende dat in de verordening weliswaar wordt voorzien in de totstandbrenging van bilaterale overeenkomsten met derde landen om hen in het programma of delen ervan te laten participeren, maar dat tot nu toe slechts een handvol landen de procedure heeft voltooid;

P.  overwegende dat cultuur, de culturele en creatieve sector en de audiovisuele sector dankzij acties van het Parlement een plaats hebben gekregen, zij het onvoldoende, in de meerjarenprogramma's Erasmus+, Horizon 2020 en Cosme, in de structuurfondsen en in de prioriteiten van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI);

Q.  overwegende dat er een sterke synergie bestaat tussen informele vormen van leren en de creatieve en mediasector, aangezien vele kunst-, media- en cultuurorganisaties over een aanbod van informele onderwijsvormen beschikken;

R.  overwegende dat het percentage succesvolle aanvragen voor Cultuur 15 % bedraagt en voor MEDIA 44 %, maar dat het percentage in dit laatste subprogramma zelfs nog lager ligt (32 %) wanneer automatische regelingen niet worden meegerekend;

S.  overwegende dat voor MEDIA tot nu toe in totaal 13 000 aanvragen zijn opgetekend, waarvan 5 500 projecten middelen toegekend hebben gekregen;

T.  overwegende dat het systeem van automatische puntentoekenning in MEDIA, dat bedoeld is om gelijke voorwaarden te waarborgen tussen de lidstaten, tot een verstoring van de markt leidt en erg nadelig uitvalt voor landen met een grote audiovisuele productiecapaciteit;

U.  overwegende dat het type subsidies dat wordt toegekend voor samenwerkingsprojecten binnen het subprogramma Cultuur van Creatief Europa niet geschikt is om te beantwoorden aan de behoeften van netwerken, die steunen op operationele structuur en activiteiten, zoals in het vorige programma Cultuur 2007-2013;

V.  overwegende dat het administratieve beheer (aanvraag-, evaluatie- en rapporteringsprocedures) kritiek krijgt van belanghebbende partijen vanwege de rompslomp die het oplevert; benadrukt daarom dat de aanvraagprocedure moet worden vereenvoudigd om toegang tot het programma te vergemakkelijken en potentiële begunstigden aan te sporen om deel te nemen;

W.  overwegende dat de Creatief Europa-desks de cruciale bemiddelaar vormen tussen de Commissie, het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) en de aanvragers, en overwegende dat ze beter moeten worden ingelicht over het huidige besluitvormingsproces en nauw moeten worden betrokken bij het verstrekken van informatie over projecten en bij het bevorderen van de resultaten daarvan;

X.  overwegende dat de actoren zich beklagen over de grote administratieve last van de aanvraagprocedure, die uitgebreide richtsnoeren en een groot aantal documenten bevat die elkaar soms tegenspreken;

Y.  overwegende dat wordt gemeld dat het systeem voor de registratie van ondernemingen bij de authenticatiedienst van de Europese Commissie (ECAS) problematisch is; overwegende echter dat het e-formulier erg welkom is gebleken;

1.  dringt er bij de lidstaten op aan de begroting voor Creatief Europa op te trekken zodat ze in overeenstemming is met de verwachtingen van de Europese burger en met de ambities van elk subprogramma, en vraagt dus te aanvaarden dat de waarde van culturele producties niet louter aan de hand van economische cijfers kan worden afgemeten en ervoor te zorgen dat het programma efficiënter kan worden en betere resultaten kan boeken;

2.  is ingenomen met een aantal stroomlijningsmaatregelen op het vlak van programmabeheer die sinds 2014 zijn ingevoerd;

3.  betreurt dat een gebrek aan financiële capaciteit een van de grootste obstakels blijft voor potentiële aanvragers, samen met administratieve en regelgevingsbelemmeringen; spoort de Commissie, het EACEA en de nationale Creatief Europa-desks ertoe aan iets te proberen doen aan de ondervertegenwoordiging van culturele actoren uit micro-organisaties en van bepaalde sectoren in het subprogramma Cultuur;

4.  verzoekt de Commissie de samenhang tussen het programma en alle betreffende EU-beleidsmaatregelen en andere financieringsbronnen te vergroten;

5.  vraagt de Commissie te zorgen voor een goede afstemming tussen de DG's die bevoegd zijn voor Creatief Europa, alsook met het EACEA en de Creatief Europa-desks, die zich bezighouden met de verschillende fases van de tenuitvoerlegging van Creatief Europa, en hierbij voor ogen te houden dat de rol van de Creatief Europa-desks en van het EACEA cruciaal is, aangezien zij voor rechtstreekse banden zorgen met de begunstigden en met de hele culturele en creatieve sector;

6.  verzoekt de Commissie zo nauw mogelijk samen te werken met de Unesco, de Raad van Europa en de OESO om een sterkere basis van gezamenlijke bijdragen te ontwikkelen bij het uitwerken van programmadoelstellingen en effectbeoordelingen, met name in internationaal perspectief en wat de eerbiediging van de specifieke menselijke en economische waarde van cultuur en creatie betreft;

7.  verzoekt de Commissie de huidige structuur van Creatief Europa weliswaar te behouden, maar een analyse te maken van de specifieke kenmerken van de twee subprogramma's en deze beter te omschrijven; vraagt tevens om het potentieel van het sectoroverschrijdend onderdeel te versterken en na te gaan of de tenuitvoerlegging van het garantiefonds doeltreffend verloopt;

8.  verzoekt de Commissie een beter evenwicht te zoeken, zowel in de subprogramma's als in de richtsnoeren voor beoordelaars, tussen de artistieke en creatieve component enerzijds en de aspecten met betrekking tot management en innovatie anderzijds, met name in het geval van de culturele en creatieve sector;

9.  verzoekt de Commissie gebruik te maken van het systeem van prestatie-indicatoren als bedoeld in artikel 18 van de rechtsgrond van Creatief Europa, en dus nadruk te leggen op de artistieke en creatieve component van het programma, die al te vaak wordt opgeofferd voor puur economische overwegingen als beheerscapaciteit of kwantitatieve publieksontwikkeling;

10.  dringt er bij de Commissie op aan om voor beoordelaars meer dan de huidige zes deskundigheidsgebieden vast te stellen, zodat ze beter opgewassen zijn tegen de taak om de specifieke gebieden te beoordelen;

11.  spoort de Commissie en het EACEA aan verbeteringen aan te brengen in de evaluatieprocedure door het aantal beoordelaars in de eerste fase op te trekken en te zorgen voor een collegiale besluitronde de visu voor het selecteren van kandidaten op basis van de shortlist die is opgesteld in de tweede fase; beklemtoont dat de transparantie zeer groot moet zijn en dat de redenen voor het afwijzen van projecten erg grondig en duidelijk moeten worden toegelicht, om te vermijden dat het programma niet wordt aanvaard omdat er geen touw aan vast te knopen is;

12.  vraagt de Commissie te voorzien in mogelijkheden voor opleiding en capaciteitsopbouw voor culturele actoren die hun vaardigheden met betrekking tot aanvraagprocedures, algemeen projectbeheer en projectuitvoering wensen te verbeteren;

13.  verzoekt de Commissie en het EACEA culturele actoren beter te ondersteunen bij het vinden van partners voor de samenwerkingsprojecten, via maatregelen bestaande uit – maar niet beperkt tot – specifieke bij elkaar passende onderdelen binnen de belangrijkste Europese culturele evenementen, door de bestaande zoekinstrumenten en gegevensbanken te verbeteren en gelegenheden om te netwerken te organiseren over vooraf aangekondigde thema's;

14.  vraagt de Commissie en het EACEA maatregelen te treffen om de transparantie van de betwistingsprocedure voor afgewezen aanvragen te vergroten en zo de algemene frustratie bij kandidaten te verminderen en de geloofwaardigheid van het programma op de lange termijn te vergroten;

15.  vraagt de Commissie met klem de aanvraag- en rapporteringsprocedure verder te vereenvoudigen door richtsnoeren en andere documenten te beperken en te vereenvoudigen, door het tijdschema minder rigide te maken en door een standaardformulier voor de samenwerkingsovereenkomst op te stellen;

16.  verzoekt de Commissie gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten om de resultaten van de uitgevoerde projecten nog beter bekend te maken en te verspreiden, en dit tevens te doen met betrekking tot informatie over de Europese meerwaarde van alle in het kader van het programma uitgevoerde acties;

17.  dringt er bij de Commissie op aan te vermijden dat er wijzigingen worden aangebracht in de prioriteiten en regels of dat er nieuwe worden toegevoegd zonder de Creatief Europa-desks en belanghebbende partijen de nodige tijd te geven om zich voor te bereiden op de volgende oproepen;

18.  dringt er bij de Commissie op aan de financiële aspecten verder te vereenvoudigen, onder meer door het instrument van vaste bedragen uit te breiden en aan te zetten tot een beter gebruik van forfaitaire terugbetalingen; verzoekt tevens gebruik te maken van criteria die het kleine projecten niet lastig maken toegang te krijgen tot financiering en ervoor te zorgen dat de definitieve uitbetaling van de subsidies zo snel mogelijk wordt uitgevoerd, hetgeen een strikte kwaliteitsnorm zou moeten zijn voor het werk van het EACEA, voor beide subprogramma's van Cultuur en MEDIA;

19.  stelt vast dat er aanzienlijke nationale verschillen zijn in het niveau van de lonen voor medewerkers die betrokken zijn bij samenwerkingsprojecten, wat op zijn beurt leidt tot aanzienlijke discrepanties tussen partners uit verschillende lidstaten wat het vermogen tot medefinanciering betreft; verzoekt de Commissie daarom een mogelijk alternatief te overwegen voor de beoordeling van het werk van personeel in het kader van samenwerkingsprojecten, op basis van andere indicatoren dan alleen de looncategorie;

20.  dringt er bij de Commissie op aan samen met Eurostat specifieke criteria te blijven vaststellen die beantwoorden aan de specifieke aard van de sectoren (creatie, culturele en artistieke waarde, innovatie, groei, sociale inclusie, gemeenschapsopbouw, internationalisering, beter ondernemerschap, vermogen tot het creëren van doorwerking en wisselwerking, enz.) en te evalueren of het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek eventueel bij het proces kan worden betrokken; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is hoogwaardige kennisbronnen over de sectoren uit te bouwen, naast statistisch onderzoek en toegang tot vergelijkbare gegevensbronnen op het terrein, zodat er een effectieve monitoring en analyse van de culturele, economische en maatschappelijke invloed van beleidsmaatregelen in de culturele en creatieve sector kan worden verricht;

MEDIA

21.  is verheugd over de huidige werkzaamheden van de Commissie en het EACEA voor het wijzigen van het systeem van automatische puntentoekenning om echt gelijke voorwaarden te creëren, waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met alle criteria die worden vermeld in het programma Creatief Europa (transnationaal karakter, ontwikkeling van transnationale samenwerking, schaalvoordelen, kritische massa, hefboomeffect), alsook met de productiecapaciteit en de bestaande nationale steunregelingen voor de audiovisuele sector;

22.  bevestigt dat MEDIA blijk heeft gegeven van een diepe verankering in de gediversifieerde audiovisuele sector en dat het programma culturele diversiteit en sectorbeleid op doeltreffende wijze ondersteunt;

23.  spoort ertoe aan meer werk te maken van ondertiteling en nasynchronisatie om de verspreiding van audiovisuele producten binnen en buiten de EU te vergemakkelijken;

24.  pleit ervoor dat het Europees audiovisueel erfgoed wordt veiliggesteld en beschikbaar wordt gemaakt voor studiedoeleinden, om redenen van publieksbinding en met het oog op economische bevordering, door films en audiovisuele archieven te digitaliseren;

25.  onderstreept dat de Europese audiovisuele sector, in de context van een internationaal en steeds competitiever filmlandschap, nog steeds maatstaven moet hooghouden om te waken over zijn diversiteit en onafhankelijkheid; benadrukt dat rechtstreekse steun voor Europese audiovisuele producties noodzakelijk is, met name tijdens de ontwikkelingsfase van projecten, en moet plaatsvinden door scholing uit te breiden naar bijkomende activiteiten en door het concurrentievermogen van de sector te versterken;

26.  pleit voor bijkomende acties voor buurlanden in het kader van het programma, om Europese werken op hun grondgebied en gezamenlijke creatieve projecten te bevorderen;

27.  erkent dat Europese onlineplatforms nog steeds niet concurrerend zijn op internationaal niveau, ondanks de steun die wordt verleend voor onlinedistributie, en dat Europese inhoud op bestaande platforms moeilijk te vinden of moeilijk toegankelijk is;

28.  is verheugd over de opsplitsing van het aspect publieksontwikkeling in filmgeletterdheid, met een nadruk op filmonderwijs op scholen, en initiatieven voor publieksontwikkeling;

29.  onderstreept dat de Commissie met een voorstel moet komen voor een datagestuurd Europees project voor publieksbinding, gericht op het onderzoeken en versterken van de capaciteit van de Europese audiovisuele en filmsector om gegevens over kijkgedrag van het publiek te verzamelen, te analyseren en te voorspellen, met het oog op het vergroten van de vraag naar niet-nationale Europese films;

30.  onderstreept dat er steeds meer ondersteuning wordt geboden aan onafhankelijke televisieproducenten voor fictieseries die men in de hele wereld wil laten doorbreken, met name om een authentiek Europees antwoord te bieden op de huidige grote vraag naar kwaliteitsvolle series, zelfs al lijkt het erop dat de beste resultaten tot nu toe worden behaald in de sector van documentaires en producties voor kinderen;

31.  vraagt de Commissie steun te blijven geven aan netwerken van bioscopen, zoals Europa Cinemas, die de Europese film wereldwijd promoten door bioscopen die een groot aantal Europese films vertonen financieel en operationeel te helpen, en benadrukt de cruciale rol van bioscopen voor het aanwakkeren van het bewustzijn van het publiek en voor de instandhouding van het sociale aspect van de bioscoopervaring;

32.  vraagt de Commissie om een wijziging van het bonussysteem voor het gelijktijdig uitbrengen van producties in zalen en via video on demand (VOD);

33.  pleit ervoor beoordelaars instrumenten te bieden waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de steunregelingen van elk land, om gelijke voorwaarden te waarborgen in MEDIA;

34.  verzoekt de Commissie het maximaal financieringsbedrag voor Europese videogames op te trekken om rekening te houden met de hoge en stijgende productiekosten ervan; benadrukt bovendien dat het subsidiabiliteitscriterium met betrekking tot de uitsluitend narratieve aard van een videogame moet worden herzien om het bereik te vergroten, zodat ook projecten met een transnationaal distributiepotentieel (sportgames, sandboxgames, enz.) in aanmerking komen, en dat "gameplay" moet worden toegevoegd aan de evaluatiecriteria voor projecten om duidelijk te maken dat dit aspect een centraal element vormt in het succes van een product;

Subprogramma Cultuur

35.  verzoekt de Commissie een beter evenwicht te zoeken tussen de economische dimensie en de intrinsieke waarde van kunst en cultuur an sich, en de aandacht meer te richten op artiesten en ontwerpers;

36.  pleit ervoor dat in Europese samenwerkingsprojecten rekening wordt gehouden met innovatie, mobiliteit en verlengde coproducties;

37.  vraagt de Commissie mogelijke maatregelen in te voeren om de wanverhouding tussen het aantal begunstigden en het aantal aanvragen binnen de perken te houden, onder meer door het optrekken van de begroting voor het subprogramma Cultuur, door een betere vertegenwoordiging van alle culturele en creatieve sectoren en door een betere ondersteuning van kleinschaligere projecten;

38.  wijst op het belang van vertalingen voor de bevordering van het erfgoed van taalkundige diversiteit en pleit ervoor dat projecten voor literaire vertaling ook betrekking hebben op het aanprijzen van boeken en van lezen en op steun voor deelname aan boekenbeurzen, onder meer door een jaarlijkse Europese boekenbeurs te overwegen om de verspreiding van boeken te vergroten, Europese literaire uitwisselingen te bevorderen, diverse nationale literatuur voor te stellen en te zorgen voor toegang tot geletterdheid voor iedereen, met inbegrip van personen met een handicap;

39.  is blij met de oprichting van "hubs" (Europese platformprojecten) om opkomende artiesten en ontwerpers te ondersteunen en in staat te stellen ideeën uit te wisselen en samen te werken;

40.  stelt met klem dat stabiele en in hoge mate representatieve Europese culturele netwerken van fundamenteel belang zijn voor de zichtbaarheid van cultuur en artistieke activiteiten, binnen Europa en met derde landen, aangezien deze netwerken vaak als eerste samenwerkingen aangaan op nieuwe domeinen, in nieuwe sectoren of landen; is van mening dat hun rol als coördinatoren van activiteiten en bevorderaars van cultuur en creativiteit voor volledige artistieke domeinen moet worden ondersteund met operationele subsidies; is van mening er dat in dit opzicht op voorhand duidelijke en transparante selectiecriteria moeten worden vastgesteld;

41.  verzoekt de Commissie en het EACEA het subprogramma Cultuur de gelegenheid te bieden zichzelf naar de buitenwereld toe voor te stellen en gestructureerde bijeenkomsten te organiseren met actoren in de sector;

42.  pleit ervoor dat de Europese theaterprijs opnieuw wordt ingevoerd en passende middelen krijgt toegewezen;

43.  onderstreept het succes en het belang van de actie Culturele Hoofdstad van Europa, gebaseerd op de dynamiek van steden en regio's die betrokken zijn bij het proces, waardoor uit het label en de nog steeds erg bescheiden financiële bijdrage van de EU echt voordeel wordt gehaald voor verdere financiering en activiteiten, tot ver voorbij het huidige jaar;

44.  is ingenomen met de komende uitbreiding van de actie Culturele Hoofdstad van Europa vanaf 2020 naar kandidaat-lidstaten en EVA-landen en pleit voor een betere verspreiding van deze ervaring binnen de EU en daarbuiten;

45.  pleit ervoor dat het Europees erfgoedlabel meer zichtbaarheid krijgt en benadrukt hoe belangrijk de (materiële en immateriële) sites in kwestie zijn voor de Europese identiteit en voor de bevordering van een gedeeld gevoel tot Europa te behoren, alsook om aan de EU te bouwen en te leren over divers erfgoed voor een betere toekomst;

46.  pleit ervoor dat er maatregelen worden genomen om de initiatieven in het kader van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed in 2018 te coördineren en voldoende te ondersteunen met behulp van Creatief Europa, te beginnen met het voorbereidende jaar 2017, zij het via een specifieke lijn in de begroting en niet door middelen te gebruiken die zijn toegewezen aan het subprogramma Cultuur, zoals voorgesteld door de Commissie;

47.  vraagt de Commissie na te denken over manieren om de toegang van in kunst bedreven vluchtelingen tot het programma Creatief Europa te vergemakkelijken;

Sectoroverschrijdend onderdeel

48.  spoort de Commissie aan het potentieel van het onderdeel uit te werken en ten volle te benutten om de doelstellingen ervan te bereiken, zoals vastgesteld in de verordening, met name de bevordering van transnationale en sectoroverschrijdende samenwerking;

49.  pleit voor de invoering van drie nieuwe steunmaatregelen in het kader van dit onderdeel: a) Creatief Europa Mundus voor transnationale samenwerking, b) sociale inclusie en c) innovatieve cross-over- en sectoroverschrijdende projecten;

50.  vraagt de Commissie te streven naar een geografisch en sectoraal evenwicht in de garantiefaciliteit om ervoor te zorgen dat kleinschalige organisaties en initiatieven en projecten vanuit de basis uit alle lidstaten gelijke toegang krijgen, om de effecten op met name kleine culturele ondernemingen, culturele bemiddelaars en netwerkers te beoordelen, en om na te gaan wat er mogelijk is op het gebied van synergieën met EFSI en andere programma's, in het bijzonder Cosme, zodat wordt gewaarborgd dat de garantiefaciliteit zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt om de culturele en creatieve sector te helpen;

51.  kijkt uit naar de eerste resultaten van de in 2016 gelanceerde financiële garantiefaciliteit; verwacht dat dit nieuwe marktinstrument, dat de toegang van kmo's en micro-ondernemingen tot leningen moet vergemakkelijken, zal helpen om culturele en creatieve projecten, die afkomstig zijn uit sectoren die 4,4 % van het bbp en 3,8 % van de beroepsbevolking van de EU vertegenwoordigen, op te schalen zodat zij hun volledige potentieel als veelbelovende bron van groei en banen en als drijvende kracht voor concurrentievermogen, culturele diversiteit en grensoverschrijdende samenwerking verwezenlijken; betreurt echter ten zeerste dat de faciliteit enkel functioneel werkzaam zal zijn in landen waar reeds een gelijkaardig instrument bestaat;

52.  is verheugd over de maatregelen die de Commissie en het EACEA hebben genomen om voor opleiding te zorgen en de vaardigheden gelijk te trekken in alle Creatief Europa-desks en pleit ervoor dat deze inspanningen worden voortgezet;

53.  verzoekt de Commissie en het EACEA de communicatie en de uitwisseling van gegevens met Creatief Europa-desks over lopende besluitvormingsprocessen te verbeteren, onder meer over de financiële instrumenten en over nieuwe sectoroverschrijdende initiatieven; beveelt de Commissie aan om met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het programma rekening te houden met de deskundigheid van Creatief Europa-desks upstream en downstream de selectieprocedure en om de door de Creatief Europa-desks uitgewerkte instrumenten en documentatie online beschikbaar te maken als voorbeelden van goede praktijken; onderstreept dat er beter moet worden samengewerkt tussen Creatief Europa-desks, opdat ze doeltreffender zouden worden als adviserende instanties voor de aanvragers in hun land; wijst erop dat de vertrouwelijke uitwisseling van beoordelingsverslagen, ook de negatieve, kan helpen om hun capaciteit te verbeteren en verzoekt de Commissie de transparantie van de beoordelingen en de selectieprocedures te vergroten;

Aanbevelingen voor toekomstige generaties van het programma

54.  pleit ervoor dat Creatief Europa gedurende de periode 2021-2018 wordt voortgezet, herzien en verbeterd, als een programma waarvan alle culturele en creatieve sectoren deel uitmaken, met nadruk op hoogwaardige projecten, met dezelfde waarde en prioriteiten, met twee subprogramma's en een sectoroverschrijdend onderdeel die betrekking hebben op scholing, publieksontwikkeling, markttoegang, sociale inclusie, samenwerking, sectoroverschrijdende en cross-overprojecten en "peer learning", alsook op communicatie, studies, steun op maat van de culturele en creatieve sector, een garantiefaciliteit en ondersteuning van Creatief Europa-desks;

55.  is in het licht van de aanzienlijke instroom van migranten en vluchtelingen in de EU van de afgelopen jaren erg blij met de groeiende interculturele dimensie van het programma, die hopelijk vanaf 2017 zal leiden tot meer projecten die culturele diversiteit en interculturele dialoog stimuleren en meertaligheid bevorderen; benadrukt dat dit als een regulier programmaonderdeel ondersteund moet worden, aangezien culturele integratie de komende jaren naar verwachting in vele lidstaten een uitdaging zal blijven;

56.  pleit ervoor dat in de rechtsgrond voor het volgende programma de bevordering van culturele en artistieke kwaliteit en de intrinsieke waarde van cultuur expliciet worden opgenomen in de doelstellingen van het programma en van de subprogramma's, alsook in de selectie- en beoordelingscriteria;

57.  verzoekt de Commissie om bij de herziening van het subprogramma MEDIA na te gaan of de gegeven steun niet efficiënter kan worden gemaakt door voor de programmaonderdelen met betrekking tot productie, festivals, bioscopen en verspreiding kleinere projecten aan te wijzen;

58.  dringt er bij de Commissie op aan een proactieve benadering te hanteren voor de toelating van nieuwe landen tot het programma, met een bijzondere status voor zuidelijke en oostelijke Europese buurlanden;

59.  stelt vast dat Europese coproducties voor films van cruciaal belang zijn om te waarborgen dat onze producten voldoende concurrerend zijn en om marktproblemen het hoofd te kunnen bieden, en pleit ervoor dat ze verder worden ontwikkeld met behulp van methoden en middelen die in verhouding zijn, onder meer door samenwerking met Europese vlaggenschipinstellingen in de sector, zoals Eurimages;

60.  verzoekt de Commissie na te gaan of het gezien de grote verscheidenheid van de creatieve sectoren zinnig zou zijn om een Europese waarnemingspost voor cultuur en creativiteit op te richten naar het voorbeeld van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, met normen die te vergelijken zijn met die van dit waarnemingscentrum, en verzoekt in dat geval kwalitatieve criteria uit te werken die afgestemd zijn op de specifieke aard van de sectoren;

o
o   o

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(2) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0293.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(5) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 10.
(6) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 95.
(7) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.
(8) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 142.

Juridische mededeling