Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2144(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0033/2017

Ingediende teksten :

A8-0033/2017

Debatten :

PV 13/03/2017 - 13
CRE 13/03/2017 - 13

Stemmingen :

PV 14/03/2017 - 6.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0075

Aangenomen teksten
PDF 212kWORD 52k
Dinsdag 14 maart 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-middelen voor gendergelijkheid
P8_TA(2017)0075A8-0033/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid (2016/2144(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(2) over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 – Een resultaatgerichte EU-begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014" (SWD(2016)0123),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven voor het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2016)0300),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (SWD(2015)0182),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(5),

–  gezien de in 2015 door de beleidsondersteunende afdeling D van het Parlement gepubliceerde studie getiteld "The EU Budget for Gender Equality" en de in 2016 door de beleidsondersteunende afdeling C gepubliceerde vervolgstudie inzake het gebruik van financiële middelen ten behoeve van de gendergelijkheid in bepaalde lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(6),

–  gezien het rapport van de Raad van Europa over genderbudgettering: eindrapport van de groep deskundigen over genderbudgettering – Straatsburg, 2005,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0033/2017),

A.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een in de Verdragen verankerde fundamentele waarde van de Europese Unie betreft; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk in dat artikel bedoeld optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

B.  overwegende dat gendergelijkheid de vijfde doelstelling is van de 17 door de Verenigde Naties vastgestelde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, die tegen 2030 moeten worden bereikt, en relevant is voor alle 17 doelstellingen;

C.  overwegende dat de Commissie in december 2015 een werkdocument heeft gepubliceerd met als titel "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", waarin zij wijst op de belangrijke rol van EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid; overwegende dat geen enkele EU-instelling consequent genderbudgettering heeft toegepast;

D.  overwegende dat beslissingen in verband met uitgaven en inkomsten andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 juli 2016 getiteld "Voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel"(7) pleit voor een effectieve integratie van gendermainstreaming;

F.  overwegende dat gendervraagstukken in het algemeen vaker aan bod komen in "zachte" beleidsterreinen, die bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, dan in "harde" beleidsterreinen zoals infrastructuur en ICT, die meer financiële ondersteuning krijgen;

G.  overwegende dat er voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven een uitgekiend systeem van zorgverlof en goed werkende, betaalbare en toegankelijke kinderopvangvoorzieningen nodig is, met inbegrip van openbare voorzieningen, en dat de uitgaven voor dergelijke voorzieningen als onderdeel van de infrastructuurinvesteringen moeten worden beschouwd; overwegende dat deze twee factoren een basisvoorwaarde vormen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen in leidinggevende functies en functies op het gebied van wetenschap en onderzoek, en bijgevolg ook voor de gendergelijkheid;

H.  overwegende dat er in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op wordt aangedrongen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK 2014-2020 waar nodig genderelementen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algemeen financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt en voor gendermainstreaming zorgt; overwegende dat de krachtige toezeggingen in verband met gendermainstreaming desondanks beter moeten worden nagekomen, aangezien de bestaande beleidsmaatregelen tot dusver slechts mondjesmaat werden toegepast en er onvoldoende begrotingsmiddelen voor gendervraagstukken werden gereserveerd;

I.  overwegende dat er in het publieke debat en de beleidsagenda steeds minder aandacht wordt besteed aan het thema gendergelijkheid, een verschijnsel dat zowel op EU- als op nationaal niveau merkbaar is sinds de crisis van 2008; overwegende dat de als gevolg van de crisis opgetreden begrotingsconsolidatie en begrotingsbeperkingen de beschikbare middelen ten behoeve van gendergelijkheidsstrategieën en -instanties verder in het gedrang zullen brengen;

J.  overwegende dat alle Europese instellingen, op een ogenblik waarop er in de EU een vertrouwenscrisis heerst, voorrang zouden moeten verlenen aan inspanningen die ervoor zorgen dat de financiën van de EU volledig transparant zijn, en dat dit iets is wat zij niet mogen negeren;

K.  overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2015 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) blijkt dat de doelstelling van gendergelijkheid in Europa nog lang niet is gerealiseerd;

L.  overwegende dat een van de meest in het oog springende maatregelen van gendergelijkheid gelijke beloning is; overwegende dat de inspanningen en de resultaten van de EU om een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en een gelijke mate van economische zelfstandigheid van vrouwen en mannen te bevorderen echter even belangrijk zijn, net zoals het bevorderen van gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming, het bestrijden van gendergerelateerd geweld en de bescherming en ondersteuning van slachtoffers, en het bevorderen van gendergelijkheid en de rechten van vrouwen in de hele wereld;

M.  overwegende dat het VN-actieplatform van Beijing in 1995 opriep tot een genderbewuste aanpak van begrotingsprocedures;

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over de beoogde mainstreaming van gendergelijkheid overeenkomstig artikel 8 VWEU, als transversale beleidsdoelstelling van de EU-begroting op het gebied van EU-middelen en programma's;

2.  betreurt echter het feit dat de politieke inzet van de EU op hoog niveau ten aanzien van gendergelijkheid en -mainstreaming nog niet helemaal tot uitdrukking komt in de begrotingstoewijzing en uitgavenbeslissingen op de beleidsterreinen van de EU als onderdeel van een genderbudgetteringsmethodologie;

3.  merkt op dat genderbudgettering deel uitmaakt van een globale strategie inzake gendergelijkheid en benadrukt daarom dat de inzet van EU-instellingen op dat gebied van fundamenteel belang is; betreurt in dit verband dat er geen EU-strategie voor gendergelijkheid is goedgekeurd voor de periode 2016-2020 en verzoekt de Commissie om de status van haar Strategische inzet voor gendergelijkheid 2016-2019 te versterken door deze als mededeling aan te nemen, in aansluiting op de conclusies van de Raad over gendergelijkheid van 16 juni 2016;

4.  benadrukt het belang van de bij de budgettering betrokken structuren en processen en de noodzaak om structuren en processen waarvan is gebleken dat ze genderongelijkheid schragen of onbedoeld bevorderen te wijzigen;

5.  merkt op dat bewustmaking en opleiding over gendermainstreaming en genderbudgettering nodig zijn om genderbewuste structuren en procedures te ontwikkelen;

6.  constateert dat sommige EU-programma's (zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF), het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap 2014-2020 (REC), Horizon 2020, het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA II) op het gebied van humanitaire hulpverlening, het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR)) specifieke maatregelen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten, terwijl weer andere programma's (zoals het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFAG)) aan de algemene beginselen van gendergelijkheid refereren, maar dat er al met al maar weinig programma's zijn die daadwerkelijk voorzien in duidelijke doelen, gerichte middelen of systematische tenuitvoerlegging en controle;

7.  betreurt dat verschillende programma's gendergelijkheid slechts als een transversale doelstelling hebben, hetgeen niet alleen leidt tot geringere ondersteuning voor genderspecifieke maatregelen, maar het ook vrijwel onmogelijk maakt om de bedragen te schatten die aan gendervraagstukken worden toegewezen(8);

8.  betreurt dat de meeste door de EU-gefinancierde programma's geen specifieke doelgerichte maatregelen met specifieke begrotingstoewijzingen voor gendergelijkheid hebben; merkt op dat gendergelijkheid in de EU-begrotingstitels als beleidsdoelstelling moet worden erkend en dat daarbij melding moet worden gemaakt van het bedrag dat aan specifieke beleidsdoeleinden en -maatregelen is toegekend, zodat de transparantie ervan verbetert en de genderdoelstellingen niet uit het zicht raken; is bovendien van mening dat bij begrotingscontroletaken moet worden aangegeven in welke mate de EU-begroting en de uitvoering ervan gunstig zijn voor het gendergelijkheidsbeleid of juist een belemmering vormen;

9.  betreurt het feit dat instrumenten ten behoeve van gendermainstreaming, zoals genderindicatoren, gendereffectbeoordelingen en genderbudgettering, door de EU- en nationale instellingen zelden worden ingezet ten behoeve van beleidsontwikkeling en -uitvoering; betreurt het huidige gebrek aan volledige genderindicatoren en naar gender uitgesplitste gegevens en benadrukt het feit dat het EIGE genderindicatoren evenals naar gender uitgesplitste gegevens moet verzamelen om een consistent beeld te krijgen van de gevolgen van het EU-beleid voor gendergelijkheid en om de controleerbaarheid van de begroting en besteding van financiële middelen op dit punt te verbeteren; benadrukt de fundamentele rol van het EIGE bij het verbeteren van de gebrekkige samenwerking tussen statistici en beleidsmakers om bewustzijn te creëren over de uitdagingen die zich stellen bij de verzameling van gevoelige gegevens; herhaalt daarom zijn verzoek om de ontwikkeling van indicatoren en statistieken inzake gendervraagstukken door te zetten teneinde de beoordeling van de EU-begroting vanuit een genderperspectief mogelijk te maken en toezicht te kunnen uitoefenen op de genderbudgettering;

10.  betreurt het feit dat er, ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd, slechts weinig vooruitgang is geboekt op dit gebied;

11.  betreurt ten zeerste dat het MFK 2014-2020 geen duidelijke gendergelijkheidsstrategie met specifieke en concrete doelstellingen, streefcijfers en begrotingstoewijzingen heeft opgeleverd;

12.  betreurt dat in de mededeling van de Commissie inzake de in september 2016 gepubliceerde tussentijdse evaluatie van het MFK niet wordt gerefereerd aan de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming;

13.  pleit ervoor om de gendergelijkheidsstrategie en gendermainstreaming op te nemen in het Europees Semester;

14.  onderstreept dat transparantie en toegang tot informatie over reële resultaten op het gebied van gendergelijkheid, en niet alleen de tenuitvoerlegging ervan, echte prioriteiten moeten zijn voor de Europese Unie;

15.  pleit ervoor ook gendermainstreamingsbepalingen op te nemen in beleidsterreinen die niet meteen in verband worden gebracht met gendergelijkheid, zoals ICT, vervoer, steun aan het bedrijfsleven en investeringen of klimaatverandering;

16.  is van mening dat in alle fasen van het begrotingsproces een netwerk van externe deskundigen en organisaties moet worden betrokken om de transparantie en het democratische gehalte ervan te vergroten, met name wanneer het gaat om de toepassing van genderbudgettering;

EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie uit hoofde van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen)

17.  wijst erop dat de ESI-fondsen de belangrijkste bron van financiële ondersteuning vormen voor de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsbeleid in de EU, met name waar het het ESF betreft dat tot doel heeft de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt dat Verordening (EU) nr. 1304/2013 gendermainstreaming tot een verplicht onderdeel maakt van alle fasen van de uit hoofde van het ESF gefinancierde programma's en projecten, met inbegrip van de voorbereidings-, uitvoerings-, controle- en beoordelingsfase;

18.  benadrukt de belangrijke rol van openbare diensten bij de bevordering van gendergelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten te werken aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Barcelona om het evenwicht tussen werk en privéleven voor iedereen haalbaar te maken en daarbij gebruik te maken van de juiste instrumenten en prikkels, met inbegrip van Europese fondsen zoals het ESF, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), waarbij wordt voorzien in de financiering van de nodige sociale infrastructuur voor goed werkende, betaalbare en toegankelijke voorzieningen voor kinderopvang en zorgvoorzieningen voor andere afhankelijke personen, waaronder ouderen en familieleden met een handicap; wijst erop dat dit zal leiden tot een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en de economische onafhankelijkheid van vrouwen zal bevorderen;

19.  betreurt dat vrouwen nog steeds te maken hebben met ongelijkheden in het beroepsleven, zoals een lagere arbeidsparticipatie, de loonkloof, de grotere deelname aan atypisch of deeltijdwerk, lagere pensioenrechten, loopbaanonderbrekingen en minder kansen op promotie; benadrukt het belang van het ESF voor het bieden van financieringsmogelijkheden om discriminatie te bestrijden en gendergelijkheid op het werk te bevorderen;

20.  merkt op dat bij de traditionele aanpak van de betaling van sociale uitkeringen geen rekening wordt gehouden met onbetaald werk, zoals kinderopvang en zorg voor ouderen;

21.  merkt op dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", in de periode 2014-2020 5,85 miljard EUR zal worden besteed aan maatregelen voor het stimuleren van gendergelijkheid, waarvan 1,6 % in het kader van het ESF voor de specifieke investeringsprioriteit "gelijkheid tussen mannen en vrouwen op alle gebieden, met inbegrip van toegang tot de arbeidsmarkt, loopbaanontwikkeling, combineren van werk en privéleven en de bevordering van gelijke beloning voor gelijk werk";

22.  merkt op dat EFRO-financiering steun moet blijven bieden aan investeringen in kinderopvang-, ouderenzorg- en andere openbare en particuliere sociale-infrastructuurvoorzieningen om onder meer een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;

23.  wijst op de belangrijke rol van het Elfpo om de nodige financiering te garanderen voor openbare diensten en sociale infrastructuur in plattelandsgebieden en om de toegang tot land en investeringen voor vrouwen te bevorderen;

24.  verzoekt de Commissie nieuwe, doelgerichte acties voor te stellen ter bevordering van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, zoals een in het kader van het Elfpo gefinancierd specifiek programma waarmee vrouwelijk ondernemerschap wordt ondersteund;

25.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden gebruik te maken van het potentieel van transversale financieringsmogelijkheden uit hoofde van de ESI-fondsen om projecten ter bevordering van gendergelijkheid te ondersteunen; benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel dat in het kader van de ESI-fondsen wordt toegepast en een positieve bijdrage levert aan gendermainstreaming op lokaal niveau;

26.  herinnert aan het belang van de eis om naar gender uitgesplitste indicatoren op te nemen in de monitoring en evaluatie van de operationele programma's zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de ESI-fondsen, teneinde te beantwoorden aan de gendergelijkheidsdoelstelling in de uitvoeringsfase;

27.  betreurt het feit dat het, ondanks het streven om op dit gebied een "standaard" in het leven te roepen, nog niet is gelukt een systematische methode voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming vast te stellen in het kader van de ESI-fondsen en dat het evenmin is gelukt om doelgerichte acties in verband met een algemene strategie voor gendermainstreaming vast te stellen; roept de Commissie en lidstaten op de middelen ten behoeve van gendergelijkheidsbeoordelingen waar nodig te verhogen en de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming te bewaken;

28.  herinnert eraan dat voor de ESI-fondsen een ex-antevoorwaarde inzake gender geldt, hetgeen betekent dat er opleidingen voor het betrokken personeel moeten worden georganiseerd en dat de organen die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid bij de volledige voorbereiding en uitvoering van de programma's moeten worden betrokken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat aan deze eisen wordt voldaan; verzoekt om de doeltreffende aanwending van de bestaande permanente organen voor gendergelijkheid op het niveau van de lidstaten; is zeer verheugd over een aantal nationale beste praktijken in dit verband, zoals het Europese praktijkgemeenschapsnetwerk inzake gendermainstreaming (GenderCoP) in Zweden; dringt er bij de lidstaten op aan de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van gelijkheidsorganen te garanderen, en hen eveneens toereikende bevoegdheden te verlenen en voldoende middelen te verschaffen om hun belangrijkste taken te vervullen;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is bijzondere aandacht te besteden en voorrang te verlenen aan ESIF-maatregelen ter ondersteuning van investeringen in onderwijs-, sociale en gezondheidsdiensten en in kinderopvangvoorzieningen, aangezien deze diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau te kampen hebben met afnemende overheidsfinanciering en meer banen zouden kunnen creëren;

30.  beveelt aan meer middelen vrij te maken in het kader van het MFK voor sociale infrastructuur, kinderopvang en ouderenzorg;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020

31.  betreurt dat de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" (REC) voor de periode 2014-2020 niet aangeven welke middelen er precies aan elke doelstelling van het programma worden toegewezen, zodat het heel moeilijk is om na te gaan welke uitgaven er worden gedaan voor gendergelijkheid en de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

32.  constateert dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", de twee doelstellingen die samenhangen met het thema gendergelijkheid en met het Daphne-programma voor het bestrijden van geweld tegen vrouwen, circa 35 % van de fondsen in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" toegewezen hebben gekregen, en dat de totale begroting voor gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 439,5 miljoen EUR bedraagt; wijst op het feit dat, in vergelijking met de gendergelijkheidsdoelstelling, het grootste deel van de betreffende financiële middelen aan de Daphne-doelstelling zal worden toegewezen; betreurt niettemin dat er voor Daphne geen afzonderlijk begrotingsonderdeel bestaat, en dat terwijl dit momenteel een van de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" is; benadrukt dat Daphne moet worden voorzien van voldoende financiële steun en dat de zichtbaarheid en het zeer succesvolle profiel ervan moeten worden behouden;

33.  benadrukt dat voor de periode 2014-2020 de oproepen in het kader van de Daphne-doelstelling alle vormen van geweld tegen vrouwen en/of kinderen betreffen; constateert dat het grootste deel van de financiële middelen is toegewezen aan het voorkomen en bestrijden van geweld gerelateerd aan schadelijke praktijken (39 %) en aan steun in de vorm van gespecialiseerde dienstverlening voor vrouwen aan slachtoffers van gendergerelateerd geweld, huiselijk geweld of geweld binnen een intieme relatie (24 %);

34.  constateert dat de volgende prioriteiten aan bod zijn gekomen in het kader van de gendergelijkheidsdoelstelling: gelijke economische onafhankelijkheid van vrouwen en mannen en het evenwicht tussen werk en privéleven (toewijzing van 44 %); het bevorderen van goede praktijken met betrekking tot genderrollen en het doorbreken van genderstereotypen op het gebied van onderwijs en scholing en op het werk (44 %) en ondersteuning van EU-netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's (12 %);

35.  benadrukt dat de totstandbrenging van het burgerschap niet alleen verband moet houden met de verdediging en uitbreiding van rechten, maar tevens met welvaart en welzijn, onderwijs en opleiding vrij van genderstereotypen, en toegang tot sociale en gezondheidsdiensten, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid;

36.  betreurt echter dat er minder fondsen beschikbaar zijn voor de specifieke Daphne-doelstelling; wijst erop dat de begrotingskredieten voor vastleggingen voor het Daphne-programma in 2013 18 miljoen EUR bedroegen, tegenover 19,5 miljoen EUR in 2012 en meer dan 20 miljoen EUR in 2011; merkt voorts op dat er in het werkprogramma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor 2016 slechts werd voorzien in iets meer dan 14 miljoen EUR voor deze doelstelling;

37.  vraagt de Commissie bij de opstelling van het jaarlijks werkprogramma eerbied te betonen voor de gepaste en eerlijke verdeling van financiële steun tussen verschillende domeinen die onder de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het niveau van financiering dat reeds in het kader van de vorige programmeringsperiode 2007-2013 werd toegekend;

38.  verzoekt de Commissie haar steun aan Europese netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's te vergroten en daarmee de mogelijkheden voor meer intercollegiaal leren, met name bij subnationale overheden, te vergroten; merkt in het bijzonder op dat er vooral specifieke ondersteuning nodig is om de deelname van vrouwen aan de besluitvorming te bevorderen;

39.  vraagt om meer duidelijkheid over de manier waarop de doelstelling inzake de bestrijding van geweld in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" wordt nagestreefd; benadrukt dat het belangrijk is dat financiële steun de basisorganisaties ter plaatse en de lokale en regionale overheden bereikt om een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen; dringt erop aan dat voorrang wordt verleend aan organisaties die zich bezighouden met het voorkomen van geweld en met steun aan slachtoffers van alle vormen van geweld;

40.  erkent de noodzaak om steun te verlenen aan de uitvoering van de bestaande lokale en regionale initiatieven op het gebied van gendergelijkheid, zoals het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen op lokaal niveau;

41.  roept de Commissie op hogere eisen te stellen aan het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens voor de tenuitvoerlegging van dit programma als cruciaal element van een doeltreffende beoordeling van de genderbudgettering;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van Horizon 2020

42.  benadrukt het feit dat in het Horizon 2020-programma (hierna "dit programma" genoemd), overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1291/2013, in alle onderdelen van het werkprogramma een rol is weggelegd voor gendergelijkheid en de genderdimensie in onderzoeksprojecten als transversale kwesties;

43.  vraagt aandacht voor de drie gendermainstreamingsdoeleinden in het kader van dit programma, namelijk: het stimuleren van gelijke kansen en genderevenwicht in projectteams; het waarborgen van het genderevenwicht in het besluitvormingsproces; en het integreren van een genderdimensie in onderzoeksinhoud;

44.  is verheugd over het feit dat dit programma onderzoeksorganisaties ondersteuning biedt bij de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen; is tevens verheugd over het gezamenlijke project van de Commissie en het EIGE inzake de totstandbrenging van een online-instrument voor gendergelijkheidsplannen op basis waarvan beste praktijken kunnen worden geïdentificeerd en met de relevante belanghebbenden kunnen worden gedeeld;

45.  is verheugd over het feit dat kandidaten opleidingen inzake gender en genderstudies als subsidiabele kosten in hun voorstellen kunnen opnemen;

46.  is ingenomen met het feit dat genderevenwicht in het personeelsbestand volgens de evaluatiecriteria in dit programma een van de factoren is die bepalend zijn voor de rangorde en dat de manier waarop met de geslachtsspecifieke en/of genderanalyse rekening wordt gehouden in een voorstel door de beoordelaars samen met de andere relevante aspecten van het voorstel wordt geëvalueerd;

47.  is verheugd over de specifieke indicatoren die worden gebruikt ter controle van de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsperspectief in dit programma, evenals over het feit dat met betrekking tot het genderevenwicht voor Horizon 2020 de adviesgroepen in 2014 voor 52 % uit vrouwen bestonden(9);

48.  is van mening dat een nadere evaluatie is vereist ter beoordeling van de resultaten, mede op basis van specifieke indicatoren, zoals het percentage vrouwelijke deelnemers en vrouwelijke projectcoördinatoren in dit programma, en dat indien nodig aanpassingen van de specifieke maatregelen moeten worden voorgesteld;

49.  dringt erop aan dat gendermainstreaming in dit programma verder wordt geïntensiveerd en vraagt met klem om de ontwikkeling van streefcijfers voor gendergelijkheid in strategieën, programma's en projecten in alle stadia van de onderzoekscyclus;

50.  roept op tot het hanteren van een onafhankelijke financieringslijn voor genderspecifieke structurele veranderingsprojecten (zoals het programma inzake gendergelijkheid in onderzoek en innovatie (GERI) voor 2014-2016), evenals voor andere gendergelijkheidsthema's in onderzoek en innovatie;

51.  is verheugd over het feit dat het zorgen voor gendergelijkheid, zowel in het onderzoeksproces als in de onderzoeksinhoud, een van de doelstellingen van het programma "Science with and for Society" is; is tevens ingenomen met de subsidies voor onderzoeksorganisaties voor de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen en de bevordering van gendergelijkheid in Horizon 2020 en de Europese Onderzoeksruimte; betreurt echter dat er geen specifieke begrotingsonderdelen bestaan voor de in dit programma uiteengezette doelstellingen;

Andere programma's en fondsen die specifieke doelstellingen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten

52.  benadrukt dat natuurrampen grote gevolgen hebben voor infrastructuur in verband met openbare diensten en dat vrouwen derhalve in bijzondere mate worden getroffen; verzoekt de Commissie om in het Solidariteitsfonds van de EU de eis in te voeren dat bij de beoordeling van de gevolgen voor de bevolking een genderbewuste analyse wordt uitgevoerd;

53.  constateert dat waar het externe maatregelen en ontwikkelingssamenwerking betreft, het genderactieplan voor de periode 2016-2020 de activiteiten van de EU in derde landen omvat en dat er verschillende instrumenten voor externe bijstand bestaan ter ondersteuning van de gendergelijkheidsdoelstellingen;

54.  benadrukt dat vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van gewapende conflicten recht hebben op noodzakelijke medische zorg, onder meer toegang tot anticonceptie, noodanticonceptie en abortus; herinnert eraan dat de humanitaire hulp van de EU de rechten van meisjes en vrouwen moet handhaven in het kader van het internationaal humanitair recht en niet mag vallen onder de beperkingen die worden opgelegd door andere partnerdonoren zoals vermeld in de EU-begroting voor 2016; is ingenomen met de benadering van de EU in dit verband; moedigt de Commissie aan haar standpunt te handhaven;

55.  verzoekt de Commissie EU-ontwikkelingsmiddelen te bestemmen voor vrijwillige, moderne diensten op het gebied van gezinsplanning en reproductieve gezondheid, om de financiële deficits te compenseren als gevolg van de door de nieuwe Amerikaanse regering ingestelde "global gag rule" en zo vrouwenlevens te redden, de gezondheid van vrouwen te beschermen en de verspreiding van seksueel overdraagbare infecties te voorkomen;

56.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen behoort van het onlangs opgerichte Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); herhaalt zijn oproep om in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderdimensie door ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot een veilig onderkomen, specifieke gezondheidszorg in verband met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en dat er bijzondere aandacht uitgaat naar de specifieke behoeften van kwetsbare personen, zoals vrouwen die slachtoffer zijn geworden van geweld, met inbegrip van seksueel geweld, niet-begeleide minderjarigen en andere risicogroepen, waaronder LGBTI's;

57.  vraagt om voor het migratie- en asielbeleid een omvattend pakket EU-brede genderrichtsnoeren vast te stellen met voldoende middelen voor volledige opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaren die mogelijk in contact komen met vluchtelingen en asielzoekers; benadrukt dat in deze richtsnoeren de genderspecifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen en de daarmee samenhangende gendergerelateerde schadelijke praktijken, zoals de handel in vrouwen en meisjes, in aanmerking moeten worden genomen;

58.  wijst uitdrukkelijk op de nog steeds bestaande problemen van overbevolking in vluchtelingenopvangcentra en de gevolgen hiervan voor de veiligheid van vrouwen; dringt erop aan dat er meer middelen uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie worden aangewend om opvangcentra te verbeteren en er afzonderlijke slaapgelegenheid en sanitaire voorzieningen voor vrouwen en mannen in te richten en om de bewoners toegang te bieden tot genderbewuste gezondheidszorg, met inbegrip van pre- en postnatale zorg;

59.  is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd meer gebruik te maken van cohesiefondsen, ESI-fondsen en het Fonds voor asiel, migratie en integratie teneinde de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, met bijzondere aandacht voor het feit dat toegankelijke kinderopvang vrouwelijke vluchtelingen in staat stelt zich op de arbeidsmarkt te begeven;

60.  vraagt om de hogere financiering en grotere reikwijdte van het Daphne- en het Odysseusprogramma te beoordelen in het licht van een uitbreiding ervan, zodat ze kunnen worden ingezet om de ernstige kwetsbaarheid van vrouwelijke vluchtelingen aan te pakken en meer steun kunnen bieden om deze gendergerelateerde nadelen weg te werken;

61.  benadrukt dat andere fondsen zijn gemobiliseerd om steun te bieden in de huidige vluchtelingencrisis, zoals het Fonds voor interne veiligheid (ISF), bijzondere financiële instrumenten zoals het instrument voor noodhulp en andere ad-hocinstrumenten en -subsidies; wijst erop dat het lastig is het gebruik van deze middelen te controleren, met name ten aanzien van het genderperspectief, en roept op tot een gecoördineerd, doeltreffend, transparant en genderbewust gebruik van EU-middelen;

62.  dringt aan op het vrijmaken van specifieke financiële middelen ter ondersteuning van gerichte maatregelen om met medewerking van basisorganisaties en lokale en regionale overheden de basisbehoeften, mensenrechten, veiligheid en bescherming van meisjes en vrouwen in de asielzoekers-, migranten- en vluchtelingenpopulatie, met inbegrip van zwangere en oudere vrouwen en LGBTI's, te garanderen;

Beleidsaanbevelingen

63.  dringt er nogmaals op aan genderbudgettering toe te passen op alle niveaus van de EU-begrotingsprocedure; pleit voor een consistent gebruik van genderbudgettering tijdens de gehele begrotingsprocedure, zodat de begrotingsuitgaven kunnen worden aangewend als een manier om gendergelijkheid te bevorderen;

64.  dringt erop aan dat genderbudgettering en gendermainstreaming door middel van krachtige en doeltreffende maatregelen worden geïntegreerd en ten uitvoer worden gelegd in de EU-financieringsprogramma's voor de periode na 2020, opdat de EU-financiering voor maatregelen ter bestrijding van genderdiscriminatie wordt verhoogd, en dat daarbij de volgende aspecten in beschouwing worden genomen:

   i) het in kaart brengen van impliciete en expliciete genderkwesties;
   ii) het - waar mogelijk - vaststellen van de daarvoor benodigde toewijzingen van middelen; en
   iii) het beoordelen of de EU-financieringsprogramma's de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen (of groepen mannen en vrouwen) en tussen jongens en meisjes, alsook in bepaalde genderverhoudingen, zullen laten voortbestaan of tot verandering zullen leiden;

65.  pleit ervoor dat met alle EU-begrotingstitels dezelfde hoge gendergelijkheidsdoelen en gendermainstreamingsnormen worden nagestreefd;

66.  pleit ervoor dat de bedragen die worden toegekend voor de diverse op gendergelijkheid gerichte beleidsdoelstellingen en -maatregelen duidelijk worden gespecificeerd teneinde de transparantie en controleerbaarheid te verhogen;

67.  merkt op dat gendermainstreaming geen eenmalige exercitie is en dat genderbudgettering een blijvend engagement vereist om zich te verdiepen in gender, met inbegrip van analyses en raadplegingen, en om de begroting aan te passen teneinde rekening te houden met de evoluerende behoeften van vrouwen en mannen, jongens en meisjes;

68.  beschouwt de toewijzing in het huidige MFK van 6,17 miljard EUR voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het strategisch engagement voor gendergelijkheid als een eerste stap;

69.  is van mening dat de tussentijdse evaluatie van het MFK een kans zou zijn geweest om de resultaten die zijn behaald op het gebied van gendergelijkheid uit hoofde van de EU-begroting te optimaliseren, en om deze geoptimaliseerde prestaties aan het publiek te laten zien;

70.  betreurt derhalve de beslissing van de Commissie om de kwestie inzake de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming niet te behandelen in de tussentijdse evaluatie van het MFK en roept op tot het nemen van specifiekere maatregelen om dit te verhelpen;

71.  pleit voor het toepassen van genderspecifieke indicatoren bij de projectselectie, monitoring en evaluatie van alle acties die uit de EU-begroting worden gefinancierd; verzoekt voorts om verplichte gendereffectbeoordelingen als onderdeel van een algemene ex-antevoorwaarde, en om de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens inzake begunstigden en deelnemers;

72.  raadt ten zeerste aan naar gender uitgesplitste gegevens toegankelijk te maken voor het publiek om zo de financiële controleerbaarheid en transparantie te waarborgen;

73.  pleit voor de overname van de methodologie voor het meten van gendergelijkheid die is gebruikt in het in 2015 door het EIGE gepubliceerde verslag "Gender Equality Index 2015 – Measuring gender equality in the European Union 2005-2012" als basis voor de planning en tenuitvoerlegging van EU-financieringsprogramma's;

74.  verzoekt de EU-instellingen en lidstaten om regelmatig voor al het personeel dat zich bezighoudt met beleidsvorming en begrotingsprocedures opleidingsprogramma's en programma's gericht op technische ondersteuning te organiseren op het gebied van instrumenten voor gendermainstreaming; vraagt om het gebruik van genderbudgettering in EU- en nationale strategieën te versterken teneinde de gendergelijkheid doeltreffender te bevorderen;

75.  dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gendergelijkheid;

76.  verzoekt de Europese Rekenkamer ook het genderperspectief te hanteren wanneer zij de uitvoering van de begroting van de Unie beoordeelt, zowel in haar aanbevelingen als in haar speciale verslagen, en hierbij aandacht te besteden aan zowel de specifieke doelstellingen van het gendergelijkheidsbeleid van de EU als de horizontale aspecten van dit beleid; vraagt de lidstaten eveneens om de genderdimensie in hun begroting op te nemen teneinde een analyse te kunnen maken van de overheidsprogramma's en -beleidsmaatregelen, hun gevolgen voor de toewijzing van middelen en hun bijdrage tot de gelijkheid van vrouwen en mannen;

77.  herhaalt zijn bezorgdheid over het opvallende gebrek aan genderevenwicht bij de leden van de Europese Rekenkamer, waar het verschil met 28 mannen en slechts 3 vrouwen (twee minder dan begin 2016) het grootst is van alle EU-instellingen; verzoekt de Raad vanaf nu en totdat er een aanvaardbaar evenwicht is bereikt, het Parlement bij toekomstige benoemingen twee kandidaten voor te dragen, één man en één vrouw;

78.  uit zijn lof over het werk van het Bureau van de Commissaris voor de Mensenrechten in Polen, dat volgens de wet op gelijke behandeling aan het hoofd staat van het gelijkheidsorgaan dat bevoegd is voor de toepassing van gelijke behandeling; uit zijn ernstige bezorgdheid over de recente besnoeiingen op de begroting van die onderdelen van het Bureau van de Commissaris voor de Mensenrechten die zich bezighouden met gendergelijkheid; herinnert eraan dat het nationale orgaan voor gelijkheid moet beschikken over voldoende personele en financiële middelen en dat zijn onafhankelijkheid moet worden geëerbiedigd en gehandhaafd;

o
o   o

79.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 51.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0072.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(8) Werkdocument van de diensten van de Commissie Deel I over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2016)0300), blz. 15.
(9) Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en innovatie, "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014", ISBN 978-92-79-57749-9, blz. 44.

Juridische mededeling