Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2323(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0060/2017

Ingediende teksten :

A8-0060/2017

Debatten :

PV 14/03/2017 - 14
CRE 14/03/2017 - 14

Stemmingen :

PV 15/03/2017 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0085

Aangenomen teksten
PDF 368kWORD 50k
Woensdag 15 maart 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Richtsnoeren voor de begroting 2018 – Afdeling III
P8_TA(2017)0085A8-0060/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018, afdeling III – Commissie (2016/2323(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2) (hierna "het Interinstitutioneel Akkoord"),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

—  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(4),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(5) en de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van dinsdag 21 februari 2017 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2018 (6522/2017),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0060/2017),

A.  overwegende dat 2018 het vijfde jaar zal zijn van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020;

B.  overwegende dat de interne economische en sociale context alsook de externe uitdagingen en politieke onzekerheden de EU-begroting 2018 onder druk zullen houden;

C.  overwegende dat de begrotingsgevolgen verbonden aan dringende problemen en crises hand in hand moeten gaan met duurzame antwoorden die gericht zijn op de gemeenschappelijke toekomst van de Unie;

Een begroting voor duurzame groei, werkgelegenheid en veiligheid

1.  is ingenomen met de belangrijke rol die de EU-begroting speelt bij het voorzien in concrete oplossingen voor de problemen waarmee de EU geconfronteerd wordt; benadrukt dat fatsoenlijke, goede en stabiele banen, met name voor jongeren, economische groei en sociaaleconomische convergentie, migratie, veiligheid en de aanpak van populisme, alsmede klimaatverandering, de belangrijkste zorgen zijn op EU-niveau en dat de EU-begroting deel uitmaakt van het antwoord op deze uitdagingen; benadrukt dat solidariteit een basisbeginsel moet blijven van de EU-begroting; onderstreept dat een sterke en doelgerichte EU-begroting met daadwerkelijke Europese meerwaarde ten goede zal komen aan zowel alle lidstaten als de burgers van de EU; verwacht dat de Commissie een ontwerpbegroting 2018 zal voorstellen die de EU in staat stelt welvaart te blijven genereren door middel van groei en banen, en de veiligheid van haar burgers waarborgt;

2.  is van mening dat de EU-begroting over instrumenten moet beschikken om te kunnen antwoorden op meerdere crises tegelijkertijd en dat daarvoor een bepaalde mate van flexibiliteit onontbeerlijk is, met handhaving van de begrotingsdiscipline; is van oordeel dat, terwijl groei en banen de kernprioriteiten van de EU-begroting blijven, duurzame vooruitgang en ontwikkeling op deze terreinen verwezenlijkt moeten worden naast het besteden van aandacht van de zorgen van de EU-burgers op het gebied van veiligheid en zekerheid; herhaalt zijn oproep voor een thematische concentratie bij het vaststellen van de prioriteiten van de EU-begroting voor 2018;

Onderzoek, infrastructuur en het mkb als belangrijkste aandrijvers van banengroei

3.  onderstreept dat vergroting van het concurrentievermogen van de EU-economie, infrastructuur, goed gefinancierd onderzoek, steun aan de ontwikkeling van vaardigheden en de doorlopende inspanningen van de EU om investeringen te vergroten essentieel zijn om te zorgen voor economische groei en meer werkgelegenheid; is van mening dat het scheppen van op maatschappelijk en milieugebied duurzame en goedbetaalde banen een van de belangrijkste prioriteiten van de EU-begroting moet zijn; stelt dat banen voornamelijk door de particuliere sector worden gecreëerd en dat derhalve voldoende middelen uit de begroting moeten worden toegewezen aan het stimuleren van investeringen in zowel de particuliere als de publieke sectoren, met speciale aandacht voor het mkb; onderstreept dan ook het belang van rubriek 1a, die reële meerwaarde voor Europese burgers en bedrijven heeft, en verzoekt om een passend financieringsniveau voor deze rubriek te waarborgen;

4.  benadrukt dat investeringen in onderzoek en innovatie, waaronder steun voor starters, een voorwaarde zijn voor de verwezenlijking van daadwerkelijk concurrentievermogen in de EU en voor het waarborgen van een innovatieve en concurrerende EU-economie op wereldniveau; betreurt het feit dat, als gevolg van ontoereikende EU-financiering op het gebied van onderzoek en innovatie, er sprake is van een alarmerend laag succespercentage van aanvragen, en dat verschillende hoogwaardige projecten op het gebied van onderzoek en innovatie geen EU-financiering ontvangen; merkt op dat vele geïnteresseerde partijen, waaronder kmo's, worden ontmoedigd om Horizon 2020-projectvoorstellen in te dienen; verzoekt in dit verband om een passend niveau aan kredieten te waarborgen voor Horizon 2020, en tegelijkertijd de vereenvoudiging ervan voort te zetten; benadrukt dat een grotere begroting voor Horizon 2020 niet ten koste mag gaan van andere onderzoeksprogramma's;

5.  erkent het feit dat het mkb de ruggengraat van de Europese economie blijft en een beslissende rol blijft spelen bij het scheppen van banen en groei in de hele EU; is van mening dat het mkb de voornaamste bron van nieuwe werkgelegenheid is en daarom goede toegang tot financiering moet genieten; verzoekt in dit verband om een verhoging van de kredieten voor Cosme, gezien het succes van dit programma; benadrukt het belang van de versterking van het Cosme-programma in het nieuwe MFK om het mkb zo meer substantiële ondersteuning te bieden vanuit de EU; is van mening dat het tot stand brengen van synergieën met andere financiële instrumenten tot betere resultaten zou leiden;

6.  is groot voorstander van de verdere ontwikkeling en verbetering van de interoperabiliteit van de Europese infrastructurele netwerken; is van mening dat de financiering van de Europese verbindingen (CEF) cruciaal is voor het verwezenlijken van deze doelstellingen, en verzoekt de Commissie in 2018 een passend niveau van financiering te waarborgen;

7.  onderstreept de belangrijke rol en het potentieel van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het verkleinen van de investeringskloof die nog altijd bestaat in Europa, en wijst op de tot dusverre bereikte resultaten; is ook ingenomen met het voorstel van de Commissie om het EFSI tot 2020 te verlengen, wat erop gericht moet zijn de werking daarvan verder te verbeteren, met name ten aanzien van het additionaliteitsbeginsel en het geografisch evenwicht; benadrukt dat de selectie van project die worden gefinancierd via het EFSI moet worden gebaseerd op kwaliteit en vraag; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de rol van de Europese investeringsadvieshub met betrekking tot het bieden van gerichtere lokale technische bijstand in de gehele EU te versterken en om het geografisch evenwicht te verbeteren; verzoekt de Commissie om de toegevoegde waarde van het EFSI regelmatig te analyseren door middel van effectbeoordelingen van de resultaten van het fonds;

Onderwijs en jeugdwerkgelegenheid – voorwaarden voor het succes van de jongere generatie

8.  is van mening dat onderwijs een voorwaarde is voor duurzame, goedbetaalde en vaste banen; onderstreept het belang van mobiliteit als een instrument dat jonge Europeanen in staat stelt te profiteren van de verscheidenheid aan vaardigheden onder de bevolking, en waarmee tegelijkertijd de onderwijs-, opleidings- en werkgelegenheidskansen worden verruimd; is in dit opzicht ingenomen met de rol die Erasmus+ speelt bij het faciliteren van de mobiliteit van jonge studenten, leerlingen en vrijwilligers binnen Europa; is van mening dat het met name in tijden van groeiend nationalisme en populisme belangrijk is om de natuurlijke interactie tussen verschillende Europese landen en culturen te faciliteren om het Europees bewustzijn en de Europese identiteit te vergroten; verzoekt in dit verband om verdere verhoging van de financiering van het programma Erasmus+ in 2018;

9.  onderstreept dat jeugdwerkloosheid een van de grote zorgen is op Europees niveau en een bijzonder grote sociale impact heeft, met name in de armste regio's van de Unie, en een risico vormt voor een hele generatie van jonge Europeanen en de economische groei op de lange termijn ondermijnt; benadrukt dat, als onderdeel van het in de bemiddelingsprocedure bereikte akkoord voor de EU-begroting 2017, een bedrag van 500 miljoen EUR moet worden toegewezen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), door middel van een gewijzigde begroting in 2017; is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een fundamentele bijdrage is aan de prioritaire doelstelling van de Unie voor banen en groei en blijft zich vastbesloten inzetten voor een adequate financiering voor de bestrijding van jeugdwerkeloosheid en de voortzetting van het YEI tot het einde van het huidige MFK, en tegelijkertijd de werking en uitvoering daarvan te verbeteren; onderstreept in dit verband het belang van de jeugdstrategie van de EU;

10.  neemt met instemming kennis van het voorstel om een "Interrailpas voor Europa op de achttiende verjaardag" in te voeren; onderstreept dat dit project het potentieel heeft om het Europese bewustzijn en de Europese identiteit te versterken; benadrukt echter dat het project niet moet worden gefinancierd ten koste van andere succesvolle EU-programma's, met name op het gebied van jeugd en cultuur, en zo sociaal inclusief als mogelijk moet zijn en bepalingen moet bevatten om ook inwoners van de afgelegen Europese eilanden aan het project te laten participeren; verzoekt de Commissie de potentiële kosten en financieringsbronnen van dit initiatief te beoordelen en relevante voorstellen ter zake in te dienen;

Traditionele EU-begrotingsprioriteiten als investeringsbeleid

11.  is groot voorstander van regionaal beleid als een van de belangrijkste instrumenten van de EU-begroting dat economische, sociale en territoriale cohesie waarborgt; onderstreept dat dit beleid groei en banen genereert in alle lidstaten; is echter bezorgd over de onaanvaardbare vertragingen bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op EU-niveau binnen het huidige MFK, die tot nu toe tot minder investeringen hebben geleid en onvoldoende groei en werkgelegenheid hebben opgeleverd of te weinig hebben bijgedragen aan het verminderen van economische, sociale en territoriale verschillen binnen en tussen Europese regio's; verzoekt de Commissie om de oorzaken van de vertraging te identificeren en de lidstaten om samen te werken bij de aanpak daarvan, met name om ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en de tenuitvoerlegging sterk wordt versneld;

12.  erkent het belang van de Europese landbouwsector om de voedselzekerheid te handhaven en biodiversiteit te beheren in de EU; spreekt zijn volledige steun uit voor de landbouwers die door het Russisch embargo, de vogelgriep, de crisis in de zuivelsector of de vleescrisis worden getroffen; verzoekt de Commissie dan ook om landbouwers in heel Europa te steunen bij onverwachte marktvolatiliteit en bij het waarborgen van een veilige en hoogwaardige voedselvoorziening; verzoekt meer aandacht te besteden aan kleinschalige landbouw en kleinschalige visserij;

Interne uitdagingen

13.  is ervan overtuigd dat, in de huidige situatie, de EU-begroting ontoereikend is gebleken om om te gaan met de gevolgen van de migratie- en vluchtelingencrisis en de daarmee samenhangende humanitaire uitdagingen, evenals met de uitdagingen op het gebied van veiligheid, zoals toenemend internationaal terrorisme; benadrukt dat op deze basis een duurzame oplossing moet worden gevonden, aangezien uit de herhaalde mobilisering van speciale instrumenten, zoals het flexibiliteitsinstrument, is gebleken dat de EU-begroting oorspronkelijk niet was ingericht voor de aanpak van crises van deze omvang; wijst erop dat er een duidelijke strategie moet worden vastgesteld voor de aanpak van de migratie- en vluchtelingencrisis, waaronder duidelijke, meetbare en begrijpelijke doelstellingen; herinnert er echter aan dat de noodzaak om aanvullende middelen te mobiliseren om deze uitdagingen het hoofd te bieden geen voorrang moet krijgen boven ander belangrijk beleid van de Unie, bijvoorbeeld op het gebied van werkgelegenheid en groei;

14.  is ingenomen met de rol die instrumenten zoals het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) spelen bij de aanpak van de gevolgen van de uitdagingen op het gebied van migranten en vluchtelingen en de daarmee samenhangende humanitaire uitdagingen, en verzoekt om adequate budgettering van deze fondsen in de komende jaren; wijst nogmaals op het belang van het beginsel van gedeelde lasten onder de lidstaten bij de financiering van de nodige activiteiten om op toereikende wijze te zorgen voor vluchtelingen; is ingenomen met de rol van de EU-agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, zoals Europol, de Europese grens- en kustwacht, EASO, Eurojust, het Agentschap voor de grondrechten en eu-LISA, en verzoekt in dit verband om voldoende middelen en personeel voor de uitvoering van hun mandaat; is ervan overtuigd dat de EU meer moet investeren in de versterking en het beheer van haar grenzen, in meer samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en nationale autoriteiten en de bestrijding van terrorisme, radicalisering en zware en georganiseerde criminaliteit, door verbetering van de integratiemaatregelen en -praktijken, het waarborgen van de interoperabiliteit van informatiesystemen, en het garanderen van behoorlijke terugkeeroperaties voor diegenen die geen recht hebben op bescherming, waarbij het beginsel van non-refoulement volledig in acht moet worden genomen;

15.  benadrukt dat de huidige begroting van het ISF (ongeveer 700 miljoen EUR aan vastleggingen) onvoldoende is om de uitdagingen op het gebied van veiligheid aan te pakken die voortvloeien uit internationaal terrorisme; verzoekt daarom om de versterking van de financiële middelen om de veiligheidsinfrastructuur te verhogen naar een toereikender en moderner niveau;

16.  herinnert aan het belang van de Europese agentschappen voor het waarborgen van de uitvoering van de Europese wetgevingsprioriteiten en daarmee het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen van de EU, zoals die welke verband houden met concurrentievermogen, groei, werkgelegenheid en de beheersing van de huidige vluchtelingen- en migratiecrisis; dringt er daarom op aan dat adequate financiële en personele middelen worden vrijgemaakt ten behoeve van administratieve en operationele uitgaven, om de agentschappen in staat te stellen hun taken te vervullen en de best mogelijke resultaten te leveren; benadrukt, met betrekking tot de verhoging van het aantal werknemers en de kredieten voor agentschappen sinds de begroting voor 2014, het feit dat deze worden beschouwd als onderdeel van nieuwe beleidsontwikkelingen en wetgeving die geen deel uitmaken van de berekening voor de doelstelling van een vermindering van het aantal werknemers met 5 %; benadrukt derhalve dat de begroting voor 2018 niet mag voorzien in verdere verlagingen in de personeelsformaties van de Europese agentschappen met meer dan de overeengekomen 5 %, voor elke instelling en elk orgaan van de Europese Unie, in het kader van de interinstitutionele overeenkomst;

17.  is groot voorstander van initiatieven op het gebied van defensieonderzoek met het oog op het stimuleren van betere samenwerking tussen de lidstaten en het verwezenlijken van synergieën op het gebied van defensie; benadrukt echter dat aan dergelijke activiteiten verse middelen moeten worden toegewezen, aangezien het een nieuw politiek initiatief betreft met aanzienlijke gevolgen voor de EU-begroting; roept daarnaast op tot het onderzoeken van alle mogelijkheden voor het financieren van een programma voor defensieonderzoek met een eigen begroting binnen het volgende MFK; herinnert eraan dat, met inachtneming van de bepalingen van de Verdragen, nauwere samenwerking op het gebied van defensie een noodzakelijke optie is om aan de veiligheidsuitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt het hoofd te bieden, en die zijn ontstaan door de aanhoudende instabiliteit in de buurlanden van de EU en de onzekerheid omtrent het belang dat bepaalde EU-partners aan de NAVO-doelstellingen hechten; benadrukt voorts de noodzaak om het concurrentievermogen van en de innovatie in de Europese defensie-industrie te verbeteren, wat kan bijdragen aan de stimulering van groei en het creëren van banen; verzoekt de lidstaten om toereikende budgettering te verzekeren om externe uitdagingen op meer overeenstemmende wijze aan te pakken; neemt kennis van de oprichting van het Europees defensiefonds, met onderzoeks- en capaciteitsonderdelen;

18.  onderstreept dat de EU-begroting de vervulling van de doelstelling van de overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen voor de lange termijn van de EU zelf moet ondersteunen door te voldoen aan de 20 %-doelstelling voor uitgaven aan het klimaat in het MFK 2014-2020; merkt met bezorgdheid op dat de biodiversiteitsdoelstellingen voor 2020 van de EU zonder aanzienlijke aanvullende inspanningen niet worden behaald; benadrukt daarom het belang van het mainstreamen van biodiversiteitsbescherming in de gehele EU-begroting, waarbij de aandacht met name wordt gericht op het LIFE-programma en het Natura 2000-netwerk;

Externe uitdagingen

19.  benadrukt dat de EU-begroting ook een instrument is van externe solidariteit, dat urgente bijstand verleent in humanitaire en civiele crises door steun te verlenen aan landen in nood; herinnert eraan dat de uitdagingen op het gebied van de uitroeiing van armoede en van duurzame ontwikkeling zijn bevestigd als belangrijke prioriteit voor de EU en haar lidstaten; herinnert in dit verband aan de toezegging van de EU om bij te dragen aan het bereiken van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) en ook om de ODA/bni-doelstelling van 0,7 % te bereiken binnen de periode van de agenda voor na 2015; benadrukt dat ontwikkelingshulp op de lange termijn rendement op de investeringen oplevert in de vorm van meer handel en groei van het bbp in Europa;

20.  spreekt opnieuw zijn overtuiging uit dat, met het oog op de aanpak van de structurele oorzaken van de huidige migratie- en vluchtelingencrisis en de daarmee verband houdende humanitaire uitdagingen, de EU meer moet investeren in de landen van herkomst van migratiestromen; roept de Commissie om dit kader op een routekaart op te stellen om de migratiecrisis op doeltreffende wijze aan te pakken; benadrukt dat een grotere strategischere aanpassing van alle instrumenten van het ontwikkelingsbeleid noodzakelijk is om een stabiele economische en sociale ontwikkeling op het gebied van vrede en veiligheid te waarborgen, zonder de tenuitvoerlegging van bestaand extern beleid te ondermijnen; stelt vast dat investeringen in infrastructuur, huisvesting, onderwijs en medische diensten en steun aan het mkb, met speciale aandacht voor het creëren van banen, sociale bescherming en inclusie, deel uitmaken van de oplossing om de structurele oorzaken van migratie aan te pakken; verwelkomt daarom, als deel van de oplossing voor deze uitdagingen, het Europees extern investeringsplan (EIP) als een coherent en gecoördineerd kader voor de bevordering van investeringen in Afrika en de buurlanden, rekening houdend met het feit dat het volledig afgestemd moet zijn op en bij moet dragen aan het bereiken van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; verwacht dat het EIP duurzame ontwikkeling zal bevorderen zonder mensenrechten, mitigatie van klimaatverandering of goed bestuur op het spel te zetten en verwacht dat transparant bestuur van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling en de projecten daarvan zal worden gewaarborgd;

21.  merkt op dat de huidige tendens van de Commissie om haar toevlucht te zoeken tot satellietmechanismen op het gebied van begroting, zoals de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, trustfondsen en andere soortgelijke instrumenten, niet altijd een succes is gebleken; is bezorgd dat de vaststelling van financiële instrumenten buiten de Uniebegroting het transparante beheer van de begroting ondermijnt en het recht van het Parlement belemmert om doeltreffende toetsing te kunnen uitoefenen op de uitgaven; handhaaft derhalve zijn standpunt dat externe financiële ad‑hocinstrumenten die de afgelopen jaren in het leven zijn geroepen, in de EU-begroting moeten worden opgenomen, en dat het Parlement de tenuitvoerlegging van deze instrumenten volledig moet kunnen toetsen; benadrukt echter dat deze instrumenten niet moeten worden gefinancierd ten koste van bestaande externe instrumenten; neemt nota van de verschillen tussen de beloften en de feitelijke bijdragen aan deze fondsen door de lidstaten en spoort de lidstaten aan zich te houden aan hun beloften om de bijdragen van de EU te evenaren;

22.  onderstreept dat stabiliteit in de EU-buurlanden een van de voorwaarden vormt voor het behoud van stabiliteit en welvaart in de EU; verzoekt de Commissie dan ook om ervoor te zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan investeringen in de buurlanden van de EU teneinde inspanningen te steunen die de belangrijkste problemen in dit gebied aanpakken, te weten de migratie- en vluchtelingencrisis en de daarmee verband houdende humanitaire uitdagingen in de zuidelijke buurlanden en de Russische agressie in de buurlanden in het oosten; benadrukt dat het steunen van landen die associatie-akkoorden met de EU uitvoeren van cruciaal belang is voor het bevorderen van politieke en economische hervormingen, maar benadrukt dat deze steun moet worden verleend zolang deze landen voldoen aan de daarvoor geldende criteria, met name op het gebied van de rechtsstaat en het tot stand brengen van democratische instellingen;

Voldoende betalingskredieten voor meer geloofwaardigheid van de EU

23.  herhaalt zijn voorgaande verzoeken om de EU-begroting te voorzien van een voldoende niveau van betalingskredieten om ervoor te zorgen dat de begroting haar rol van investeringsbegroting kan vervullen; is ervan overtuigd dat deze rol niet kan worden vervuld als de EU haar verplichtingen niet nakomt en daarmee haar geloofwaardigheid op het spel zet;

24.  benadrukt dat ernstige vertragingen in de tenuitvoerlegging van de programma's in gedeeld beheer voor 2014-2020 hebben geleid tot een vermindering van de betalingsaanvragen voor 2016 en 2017; is met name bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode en wijst op het ongekende niveau van 24,7 miljard EUR dat aan het eind van 2014 bereikt was; is ingenomen met het feit dat de Commissie, ter gelegenheid van de tussentijdse herziening van het MFK, voor het eerst in een prognose tot 2020 heeft voorzien, maar benadrukt dat die elk jaar naar behoren moet worden bijgewerkt om de begrotingsautoriteit de mogelijkheid te geven de noodzakelijke maatregelen tijdig te treffen;

25.  onderstreept dat, ondanks dat een definitief akkoord over de tussentijdse herziening van het MFK nog niet is bereikt, verschillende positieve elementen van de herziening waarover momenteel wordt onderhandeld, met name wat meer flexibiliteit betreft, kunnen bijdragen aan de voorkoming en oplossing van een toekomstige betalingscrisis; is van mening dat, indien de uitvoering van het cohesiebeleid zoals verwacht zou versnellen, de toegenomen flexibiliteit reeds volgend jaar nodig zou kunnen zijn om in reactie daarop een toereikend niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te waarborgen en om de ophoping van onbetaalde rekeningen in het kader van het cohesiebeleid aan het einde van het jaar te voorkomen;

26.  neemt kennis van en betreurt het feit dat fraude met en ontduiking van vennootschapsbelasting heeft geleid tot omvangrijke derving van belastinginkomsten voor de lidstaten, en daardoor tot een verlaging van hun bijdrage aan de EU-begroting; is bovendien van mening dat dergelijke oneerlijke belastingconcurrentie in sommige gevallen betekent dat bbp wordt overgedragen van de ene lidstaat naar de andere en dat bni wordt overgedragen naar belastingparadijzen buiten de EU, leidend tot lagere totale bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting;

27.  herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat de betalingen voor de speciale instrumenten (het flexibiliteitsinstrument, het Solidariteitsfonds van de EU, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en de reserve voor noodhulp) buiten de MFK-betalingsplafonds om moeten worden geboekt, zoals dat ook het geval is voor de vastleggingen; onderstreept, in de context van de lopende tussentijdse herziening van het MFK, de potentiële voortgang die is bereikt inzake de kwestie van het budgetteren van de betalingen van de speciale MFK-instrumenten met de herziening van het besluit inzake de marge voor onvoorziene uitgaven, ook al is deze kwestie nog niet voor eens en voor altijd geregeld;

Toekomstperspectief

28.  benadrukt dat overeenkomstig de MFK-verordening de Commissie tegen eind 2017 haar voorstellen voor het MFK na 2020 zal indienen, waarin rekening zal moeten worden gehouden met het besluit van het Verenigd Koninkrijk om uit de EU te stappen, hetgeen gevolgen zal hebben voor het MFK na 2020; benadrukt dat dit besluit het onmogelijk maakt om door te gaan alsof er niets aan de hand is; hecht bijzonder veel belang aan het proces dat tot de totstandkoming van het nieuwe financiële kader en een hervormde en doeltreffender EU-begroting zal leiden, en verwacht dat dit is afgestemd op de uitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt en op de toezeggingen die zij reeds heeft gedaan; roept op tot een spoedige en positieve afsluiting van de lopende tussentijdse herziening van het MFK die moet voorzien in de noodzakelijke aanpassing van het huidige financiële kader en aanvullende flexibiliteit van de EU-begroting moet waarborgen, die onmisbaar is voor het bereiken van de doelstellingen van de Unie;

29.  benadrukt dat voorspelbaarheid en houdbaarheid van de begroting op de lange termijn een voorwaarde is voor een sterke en stabiele Europese Unie; benadrukt de noodzaak om de looptijd van het MFK af te stemmen op de politieke cycli van het Parlement en de Commissie; wijst erop dat de terugtrekking van het VK uit de EU de gelegenheid biedt langlopende kwesties aan te pakken die ervoor hebben gezorgd dat de EU‑begroting haar potentieel niet ten volle heeft benut, met name wat de ontvangstenzijde van de begroting betreft, met als doel om alle soorten kortingen en correctiemechanismen in hun geheel te schrappen; herhaalt zijn standpunt ten faveure van een grondige hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Unie en is in dit verband ingenomen met de bekendmaking van het eindverslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen; nodigt alle betrokken partijen uit de passende conclusies te trekken uit dit verslag en de haalbaarheid te onderzoeken van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen die kunnen bijdragen aan het stabieler, eenvoudiger, autonomer, eerlijker en voorspelbaarder maken van de EU‑begroting; verwacht dat alle nieuwe eigen middelen zullen leiden tot een verlaging van de bni‑bijdragen van de lidstaten; is ingenomen met de conclusie van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen met betrekking tot het feit dat de EU‑begroting zich moet richten op gebieden die de hoogste Europese toegevoegde waarde opleveren en over de "juste retour"-benadering, namelijk dat daaraan een einde moet komen aangezien in het verslag is aangetoond dat alle lidstaten, ongeacht hun "nettosaldo", van de EU-begroting voordeel hebben;

30.  roept de Commissie op door te gaan met de ontwikkeling en uitvoering van de strategie waarin de EU-begroting is gericht op resultaten; benadrukt in dit verband het belang van de vereenvoudiging van regels, de stroomlijning van toezichtsprocessen en de ontwikkeling van relevante prestatie-indicatoren;

31.  benadrukt dat het beginsel van gendergelijkheid waar mogelijk moet worden gemainstreamd als horizontale beleidsdoelstelling in alle titels van de EU-begroting;

32.  benadrukt het belang dat het Parlement, als de enige instelling die door de burgers van de EU democratisch is gekozen, volledig wordt betrokken bij alle met de begroting verband houdende onderwerpen;

33.  verzoekt de Raad zijn politieke verklaringen in de praktijk te brengen en samen te werken om ervoor te zorgen dat de EU wordt uitgerust met een adequate begroting;

o
o   o

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(5) PB L 51 van 28.2.2017.
(6) Aangenomen teksten van 1.12.2016, P8_TA(2016)0475.

Juridische mededeling