Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2343(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0042/2017

Ingediende teksten :

A8-0042/2017

Debatten :

PV 15/03/2017 - 16
CRE 15/03/2017 - 16

Stemmingen :

PV 16/03/2017 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0092

Aangenomen teksten
PDF 322kWORD 59k
Donderdag 16 maart 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden
P8_TA(2017)0092A8-0042/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden (2015/2343(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 36 VEU betreffende de rol van het Europees Parlement inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien artikel 42, leden 2, 3, 6 en 7, alsmede de artikelen 45 en 46 van het VEU inzake de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 bij het VWEU over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015 en 15 december 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016 en 14 november 2016 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(1),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(2),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(3),

–   gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de clausule inzake wederzijdse verdediging (artikel 42, lid 7, VEU)(4),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7) (het "Financieel Reglement"),

–  gezien besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap(8),

–  gezien het besluit van de Raad 2001/78/GBVB van 22 januari 2001 tot instelling van het Politiek en Veiligheidscomité(9),

–  gezien de definitieve conclusies van de interparlementaire conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van Den Haag van 8 april 2016, van Luxemburg van 6 september 2015, van Riga van 6 maart 2015, van Rome van 7 november 2014, van Athene van 4 april 2014, van Vilnius van 6 september 2013, van Dublin van 25 maart 2013, en van Pafos van 10 september 2012,

–  gezien het document met de titel "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid" dat door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) is gepresenteerd op 28 juni 2016,

–  gezien het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend in Washington DC op 4 april 1949,

–  gezien het document met de titel "Uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie" dat door de VV/HV is gepresenteerd op 14 november 2016,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de VV/HV en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016,

–  gezien de uitslag van het Britse referendum op 23 juni 2016,

–  gezien de resultaten van de speciale Eurobarometer van het Europees Parlement, die is verricht in de 28 lidstaten van de Europese Unie tussen 9 en 18 april 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0042/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie vastbesloten is om een gemeenschappelijk defensiebeleid op te zetten, dat moet leiden tot een gemeenschappelijke defensie die de eenheid, strategische autonomie en integratie moet versterken teneinde vrede, veiligheid en stabiliteit in het Europees nabuurschap en in de wereld te bevorderen; overwegende dat een gemeenschappelijk defensiebeleid een unaniem besluit van de Europese Raad vereist, en de aanvaarding van dat besluit door de lidstaten overeenkomstig hun constitutionele voorschriften;

B.  overwegende dat de opkomst van nieuwe geopolitieke en geostrategische kaders (met een overwicht van de Aziatische op de Euratlantische regio), van nieuwe spelers en van nieuwe reële bedreigingen en toepassingsgebieden aantoont dat de lidstaten afzonderlijk niet de nieuwe gevaren kunnen bestrijden maar dat een gezamenlijk antwoord nodig is;

C.  overwegende dat volgens schattingen de kostprijs van niet-Europa voor veiligheid en defensie meer dan 10 miljard EUR per jaar bedraagt en het efficiëntieniveau van de EU gelijk is aan 10 tot 15 % van dat van de VS;

D.  overwegende dat een wereldwijde klimaatverslechtering duidelijk maakt dat de samenwerking en uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de EU-lidstaten moeten worden verbeterd en de militaire uitgaven van de EU flink moeten worden verhoogd, via een daarvoor te reserveren eigen-middelenbron;

E.  overwegende dat de beoogde integratie op militair en defensiegebied teruggaat op de oprichters van de Unie, die als belangrijkste doelstelling hadden een gemeenschappelijk mechanisme voor legitieme defensie te creëren en de vrede op het Europese continent te verzekeren;

F.  overwegende dat de principes en doelstellingen op het gebied van het GBDB en het GVDB en de mechanismen en kaders ter verwezenlijking daarvan duidelijk in de artikelen 21 leden 1 en 2 en 42 van het VEU omschreven; overwegende dat er slechts zeer beperkte vooruitgang is geboekt met die doelstellingen, ondanks de vele oproepen en voorstellen tot uitvoering ervan door het Parlement en de Commissie;

G.  overwegende dat de ontwikkeling van het GVDB vraagt om politieke wil van de lidstaten, gedeelde waarden en beginselen evenals gemeenschappelijke belangen, evenals om het opzetten van institutionele samenwerkingsstructuren; overwegende dat het GVDB een effectief gemeenschappelijk beleid met een toegevoegde waarde moet zijn en niet slechts de som of grootste gemene deler van de nationale beleidsmaatregelen van de lidstaten;

H.  overwegende dat de inroeping door Frankrijk in november 2015 van artikel 42, lid 7, VEU het potentieel van alle Verdragsbepalingen inzake veiligheid en defensie duidelijk heeft gemaakt;

I.  overwegende dat de EU volgens artikel 42, lid 2, VEU en artikel 2, lid 4, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, bevoegd is om een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk communautair defensiebeleid, te definiëren en ten uitvoer te leggen; overwegende dat de EU deze bevoegdheid moet gebruiken om de coördinatie en efficiëntie te verbeteren en de acties van de lidstaten aan te vullen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van defensie;

J.  overwegende dat Europese multinationale structuren zoals Eurocorps al jarenlang voorbeelden van goede praktijken en samenwerking tussen lidstaten zijn; overwegende dat deze structuren een uitgangspunt kunnen zijn voor verdere stappen in de richting van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie;

K.  overwegende dat EU-burgers meer actie van de EU verwachten op gebied van defensie en veiligheid; overwegende dat blijkens de Eurobarometer van juni 2016 twee derde van de ondervraagde Europese burgers meer betrokkenheid van de lidstaten willen zien voor een EU-inspanning op gebied van veiligheids- en defensiebeleid;

L.  overwegende dat een defensiecultuur ontwikkeld moet worden die de Europese burgers helpt in te zien dat defensie een rol speelt in onze maatschappij en bijdraagt aan stabiliteit, vrede en internationale veiligheid;

M.  overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om de operabiliteit en doelmatigheid van het Europees veiligheidsbeleid te vergroten opdat de veiligheid van Europa daadwerkelijk kan verbeteren;

N.  overwegende dat de Europese Raad onverwijld een Europese defensie-unie in het leven moet roepen, zoals bepleit door het Europees Parlement, evenals een gemeenschappelijke EU-defensie; overwegende dat de lidstaten overeenkomstig hun respectieve constitutionele vereisten een besluit moeten nemen inzake de gemeenschappelijke defensie;

O.  overwegende dat het Europees defensiebeleid de EU meer mogelijkheden zou moeten bieden om de veiligheid zowel in de EU als daarbuiten te vergroten en om de betrekkingen met de NAVO en de trans-Atlantische partners te versterken, hetgeen zal bijdragen tot een sterkere NAVO;

P.  overwegende dat het Parlement de Europese defensie-unie actief ondersteunt en daartoe passende voorstellen zal blijven doen; overwegende dat de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB een forum moet gaan vormen voor de uitvoering van doelmatige en periodieke interparlementaire samenwerking inzake het GVDB en de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid;

Q.  overwegende dat de VV/HV regelmatig in overleg treedt met het Parlement over de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, ervoor zorgt dat er binnen dat proces terdege rekening wordt gehouden met de opvattingen van het Parlement en het Parlement informeert over de voortgang die is geboekt op weg naar de Europese defensie-unie;

R.  overwegende dat de VV/HV in haar verklaring op de Gymnich-bijeenkomst van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken op 2 september 2016 heeft aangegeven dat de lidstaten mogelijkheden te over hebben om flinke vooruitgang te boeken op defensiegebied;

S.  overwegende dat de Commissie de toepassing van de verdragen waarborgt, alsmede van maatregelen die door de instellingen zijn aangenomen op grond daarvan, onder andere op het vlak van het GVDB;

T.  overwegende dat de toekomstige jaarlijkse en meerjarige programmering van de EU defensiebeleid moet omvatten; overwegende dat de Commissie het werk aan passende interinstitutionele overeenkomsten in gang moet zetten, met inbegrip van een witboek over EU-defensie, ten behoeve van een eerste uitvoering ervan binnen het meerjarige financiële en politieke kader van de EU;

U.  overwegende dat het Europees Parlement de Europese burgers vertegenwoordigt en zowel wetgevings- en begrotingstaken als politieke controle- en raadgevingstaken verricht, en dat het derhalve een belangrijke rol vervult bij de vormgeving van de defensie-unie;

V.  overwegende dat een actieve rol van het Parlement, in de vorm van politieke steun en democratische toetsing, bij het opzetten van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid en de inrichting van een gemeenschappelijke defensie, bevorderlijk en heilzaam zou zijn voor de representatieve en democratische grondslag van de Unie;

W.  overwegende dat de mondiale strategie van de EU kan dienen als een zeer helder en waardevol strategisch kader voor de toekomstige ontwikkeling van het GVDB;

X.  overwegende dat militaire training in het buitenland beperkingen kent, zowel wat betreft de handelingsprotocollen als wat betreft de vereiste militaire en logistieke steun;

Y.  overwegende dat trainingsmissies in het buitenland bijgevolg enkel kunnen plaatsvinden als de regering van de betrokken landen de nodige bewapening en uitrusting verstrekt aan de militaire eenheden, zoals in het geval van de trainingsmissies in de Centraal Afrikaanse Republiek (EUTM CAR) of Mali (EUTM Mali); overwegende dat het zonder training met wapens en uitrusting onmogelijk is eenheden te creëren met de capaciteiten om oorlogen en operaties aan te kunnen;

Z.  overwegende dat Europese militairen momenteel niet als waarnemers mogen deelnemen aan militaire operaties, waardoor zij niet kunnen nagaan wat de zwakke plekken van de opgerichte eenheden zijn, en zij vervolgens evenmin operationele problemen kunnen oplossen;

AA.  overwegende dat deze eenheden zowel in Mali als in de Centraal Afrikaanse Republiek opgericht zijn om oorlogsoperaties uit te voeren, maar dat zij na drie jaar verre van operationeel zijn door een gebrek aan uitrusting en behoorlijke opleiding, zoals het geval is voor EUTM Mali;

AB.  overwegende dat bij gebrek aan de benodigde bewapening trainingsmissies in het buitenland enkel georganiseerd kunnen worden als de plaatselijke regering zorgt voor bewapening, die de opgerichte eenheden kunnen blijven gebruiken;

Constitutioneel en juridisch kader

1.  brengt in herinnering dat het GVDB, zoals vastgelegd in het VEU, de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid omvat, dat moet leiden tot een toekomstige gemeenschappelijke defensie wanneer de Europese Raad daartoe met eenparigheid van stemmen besluit en de lidstaten dat besluit overnemen overeenkomstig hun constitutionele voorschriften;; roept de lidstaten op zich met prioriteit te verbinden aan de bepalingen van het Verdrag met betrekking tot het GVDB, en zich meer in te spannen voor tastbare voortgang ten aanzien van verwezenlijking van de in die bepalingen gedefinieerde doelstellingen;

2.  merkt op dat de hervorming en innovatie die het Verdrag van Lissabon met zich meebrengt ten aanzien van het GVDB een toereikend en coherent kader vormen en als uitgangspunt moeten dienen voor een waarlijk gemeenschappelijk beleid, uitgaande van de gedeelde middelen en capaciteiten alsmede gecoördineerde planning op EU-niveau; benadrukt dat de voortgang van het GVDB binnen het huidige institutionele en juridische kader eerder afhankelijk is van politieke wil van de lidstaten dan van juridische overwegingen; benadrukt dat artikel 43 VEU het volledige spectrum aan crisismanagementtaken omvat, en dat de EU ernaar streeft deze snel en kordaat in te kunnen zetten;

3.  vraagt derhalve de VV/HV, de Raad en de lidstaten om, zoals in het VEU bepaald is, de samenhang tussen de diverse onderdelen van het extern optreden van de Unie te waarborgen en een algemene en alomvattende benadering van deze onderdelen te hanteren, en om gebruik te maken van alle mogelijkheden die worden geboden door het Verdrag, in het bijzonder de mechanismen die zijn vervat in artikel 42, lid 6, en artikel 46 VEU, in Protocol nr. 10 inzake permanente gestructureerde samenwerking (Pesco) in het kader van artikel 42 VEU, en in de operationele fase in artikel 44 van het VEU inzake de uitvoering van een GVDB-taak door een groep lidstaten, met als doel tot een snellere, efficiëntere en flexibelere inzet van missies en operaties te komen; beklemtoont dat de regels voor samenwerking in het kader van de Pesco duidelijk gedefinieerd moeten worden;

4.  is van oordeel dat wanneer in het VEU is bepaald dat de Raad moet handelen bij gekwalificeerde meerderheid om beslissingen in het kader van het GVDB goed te keuren, met name beslissingen op grond van artikel 45, lid 2, en artikel 46, lid 2, VEU, alle uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van dergelijke besluiten, ten laste van de EU-begroting dienen te komen, die gefinancierd dient te worden met nieuwe, aanvullende middelen; is voorts van mening dat er om die reden behoefte is aan aanvullende financiering of cofinanciering van de lidstaten;

5.  is daarom van oordeel dat het Europees Defensieagentschap (EDA) en de Pesco moeten worden behandeld als EU-instellingen sui generis, net zoals het geval is bij de Europese dienst voor extern optreden (EEAS); is van oordeel dat dit om een wijziging vraagt van het Financieel Reglement teneinde het EDA en de Pesco op te nemen in artikel 2, onder b), daarvan, met een specifieke afdeling in de EU-begroting; wijst erop dat het Europees Parlement samen met de Raad wetgevingstaken en begrotingstaken dient uit te oefenen, alsook de in Verdragen bepaalde politieke controle en adviserende taken;

6.  is ervan overtuigd dat artikel 41, lid 1, VEU van toepassing is op de administratieve uitgaven van het EDA en de Pesco;

7.  merkt op dat artikel 41, lid 2, VEU van toepassing is op de administratieve uitgaven van het EDA en de Pesco; herinnert eraan dat operationele uitgaven die voortvloeien uit militaire missies als bedoeld in artikel 42, lid 1, VEU, of uit defensie-operaties van een lidstaat indien deze het slachtoffer is van gewapende agressie op zijn grondgebied, of uit defensie-operaties van lidstaten wanneer deze voldoen aan de verplichting van hulp en bijstand uit hoofde van artikel 42, lid 7, VEU collectief moeten worden gefinancierd maar niet ten laste van de EU-begroting komen; is ingenomen met de activering van artikel 42, lid 7, over de clausule inzake wederzijdse verdediging;

8.  is derhalve van mening dat op grond van de verdragen de financiering van administratieve en operationele uitgaven uit de EU-begroting voor het EDA en de Pesco de enige optie is, niettegenstaande het feit dat beide instellingen fondsen kunnen beheren die rechtstreeks zijn geboden door lidstaten;

9.  roept de lidstaten op om de nodige aanvullende financiële middelen te verstrekken zodat de administratieve en operationele kosten van het EDA en de Pesco ten laste kunnen komen van de EU-begroting;

10.  dringt er bij de Raad op aan Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap in dat licht te herzien;

11.  is van oordeel dat de verdieping van de samenwerking op defensiegebied tussen de lidstaten op EU-niveau gepaard moet gaan met een vergroting van het parlementaire toezicht en de parlementaire controle, door zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen;

12.  onderstreept in dit verband de rol van het Europees Parlement als begrotingsautoriteit; is vastbesloten om effectieve parlementaire controle en budgettaire controle uit te oefenen op het EDA en de Pesco, zoals bepaald in de verdragen;

13.  spoort de Raad aan om onverwijld en in overeenstemming met artikel 41, lid 3, VEU, een besluit goed te keuren tot oprichting van een opstartfonds voor de dringende financiering van de beginfases van militaire operaties, voor de taken waarnaar verwezen wordt in de artikelen 42, lid 1, en 43 VEU;

14.  spoort de Raad aan om in overeenstemming met artikel 42, lid 2, VEU concrete stappen te nemen voor de harmonisatie en normalisatie van de Europese strijdkrachten om de samenwerking tussen de strijdkrachten te vergemakkelijken in het kader van een nieuwe Europese defensie-unie, als een stap in de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie;

De Europese toegevoegde waarde van het GVDB

15.  benadrukt dat het gezien de sterk verslechterende veiligheidssituatie meer dan ooit noodzakelijk is om de doelstellingen van het GVDB te verwezenlijken, die erop gericht zijn om – zoals bepaald in het VEU – het operationeel vermogen van de Unie voor extern optreden te versterken met het oog op vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid; is stellig van oordeel dat de veiligheids- en defensieuitdagingen waarmee de EU kampt, die gericht zijn tegen haar burgers en grondgebied, van gemeenschappelijke aard zijn en niet door de lidstaten afzonderlijk aangepakt kunnen worden; is ervan overtuigd dat de veiligheid en de defensie van de Unie sterker zullen zijn als de Unie en de lidstaten besluiten verenigd te blijven en samen te werken; is van oordeel dat de EU een doelmatig systeem voor Europese lastenverdeling voor haar eigen veiligheid en defensie moet ontwikkelen, hetgeen vooralsnog niet bestaat; vraagt de lidstaten hun volledige politieke inzet te tonen en in dit verband samen te werken;

16.  beklemtoont dat veiligheid en defensie een gebied vormen waarop de Europese toegevoegde waarde, in de zin van efficiëntie, gemakkelijk kan worden aangetoond, namelijk doordat de lidstaten grotere en kosteneffectievere capaciteit wordt geboden, door middel van grotere samenhang, coördinatie en interoperabiliteit ten aanzien van veiligheid en defensie, en in termen van consolidering van solidariteit, cohesie, strategische autonomie en veerkracht van de Unie; refereert in het bijzonder aan de inschatting dat elke euro die in defensie wordt geïnvesteerd een rendement van 1,6 euro genereert, in het bijzonder in de vorm van banen voor geschoold personeel, onderzoek en technologie, en exporten;

17.  beklemtoont dat het benutten van alle mogelijkheden in het Verdrag het concurrentievermogen en de werking van de defensie-industrie in de interne markt ten goede komt, en de samenwerking op defensiegebied verder aanzwengelt door middel van positieve stimulansen, focus op projecten die de lidstaten niet alleen aankunnen, waarmee ook het aantal overlappingen wordt gereduceerd, en een doeltreffender gebruik van publiek geld;

18.  onderstreept dat versterking van het GVDB in overeenstemming met de verdragen niet ten koste gaat van nationale soevereiniteit aangezien dit beleid door de lidstaten wordt aangestuurd; is stellig van oordeel dat er geen groter respect voor de soevereiniteit bestaat dan het verdedigen van de territoriale integriteit van de Europese Unie door middel van een gemeenschappelijk defensiebeleid;

19.  onderstreept dat de lancering van GVDB-missies op basis van artikel 44 VEU bijdraagt tot de totstandkoming van een Europese defensie-unie; vraagt de Unie het potentieel van artikel 44 ten volle te benutten om dit soort operaties voort te zetten en te intensiveren met het oog op een operationeel veiligheids- en defensiebeleid;

20.  is van mening dat de nationale defensie-uitgaven moeten toenemen tot 2 % van het bbp van de EU; benadrukt dat dit tegen het eind van het komende decennium neerkomt op extra uitgaven van bijna 100 miljoen EUR voor defensie; vindt dat deze impuls moet worden gebruikt om binnen de gehele Unie meer strategische samenwerkingsprogramma's te lanceren, door de vraag- en aanbodzijde beter te structureren en beide zijden efficiënter en effectiever te maken; acht een dergelijke verhoging bevorderlijk voor Europese ondersteuning van de Europese defensieindustrie en banenschepping, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen; is van mening dat een aanzienlijk deel van die defensie-uitgaven moet worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling en strategische samenwerking, gericht op nieuwe technologieën voor tweeërlei gebruik en defensietechnologieën, die cruciaal zijn voor die doelstellingen en ook extra meerwaarde voor de Europese Unie opleveren; geeft te kennen dat ten aanzien van deze extra uitgaven ook gezorgd moet worden voor meer verantwoording, transparantie en controle rond de besteding van Europese publieke middelen;

21.  is er zeker van dat EU-investeringen in defensie ervoor zorgen dat alle lidstaten kunnen deelnemen aan een evenwichtige, coherente en gesynchroniseerde verbetering van hun militaire capaciteiten; is van oordeel dat dit voor de Unie een strategische kans biedt om haar veiligheid en defensie beter op orde te brengen;

Institutioneel kader

Raad van de ministers van Defensie

22.  wijst op het blijvende belang van invoering van een Raadsconfiguratuur van ministers van Defensie onder voorzitterschap van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die de uitvoering van het GVDB moet coördineren en efficiënter maken;

Het bestuur van het Europees Defensieagentschap

23.  is van mening dat het bestuur van het EDA, dat bestaat uit afgevaardigden van de ministeries van Defensie van de lidstaten, een orgaan vormt dat geschikt is om de advies- en toezichtfuncties uit te oefenen die vereist zijn voor de uitvoering van de artikelen 42, 45 en 46 VEU;

24.  is van oordeel dat artikel 4, lid 4, van Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap voorziet in een noodzakelijk en krachtig fundament voor het bestuur van het EDA om op te treden als het derde comité van permanente vertegenwoordigers van de EU, namelijk het bestuur van het Europees Defensieagentschap; is van oordeel dat dit comité ook de advies- en toezichtfuncties moet uitoefenen die vereist zijn om de permanente gestructureerde samenwerking uit te voeren zodra deze is ingesteld;

25.  is ervan overtuigd dat het mandaat van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC), zoals vastgelegd in artikel 38 van het VEU, strikt moeten worden geïnterpreteerd; is van oordeel dat dit mandaat op grond van de verdragen alleen situaties en missies buiten de EU omvat, alsmede bepaalde aspecten van de uitvoering van de solidariteitsclausule; is in het bijzonder van mening dat de opgestelde werkafspraken niet zijn aangepast aan de verdere uitvoering van dat deel van het GVDB dat wordt gedefinieerd in artikel 42, lid 2, van het VEU;

26.  vraagt de Raad dringend om Besluit 2001/78/GBVB tot instelling van een Politiek en Veiligheidscomité alsmede Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap in dat licht te herzien;

Europees Defensieagentschap

27.  herinnert eraan dat het doel van het EDA de ondersteuning van de lidstaten bij de ontwikkeling van hun defensievermogens en de versterking van hun industriële en technologische defensiebasis is; wijst op het te weinig aangesproken potentieel van het EDA voor de ondersteuning van de ontwikkeling van het GVDB en voor het bereiken van die doelstellingen waarvoor de volle capaciteit van dat agentschap moet worden benut; spoort aan tot nadenken over de toekomstige rol en taken van het agentschap; roept de lidstaten op om binnen een hervormd EDA een gemeenschappelijk ambitieniveau te definiëren; pleit voor versterking van de politieke ondersteuning, financiering en middelen van het EDA, evenals voor coördinatie ervan met de acties van de Commissie, de lidstaten en overige partijen, met name op het gebied van capaciteitsopbouw, overheidsopdrachten op defensiegebied, onderzoek en interoperabiliteit tussen krijgsmachten van de lidstaten; vindt dat het Agentschap, parallel aan hetgeen de autoriteiten van de lidstaten en particuliere marktpartijen doen, medefinanciering voor de precommerciële inkoop van en openbare aanbestedingen in verband met innovatieve oplossingen ter beschikking moet kunnen stellen;

28.  neemt kennis van het besluit van het EDA om het vermogensontwikkelingsplan (CDP) te herzien overeenkomstig de mondiale strategie van de EU en ziet uit naar een toekomstig CDP dat op relevantere wijze een weerslag vormt van de prioriteiten en behoeften van de EU en de lidstaten;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan binnen het EDA een gemeenschappelijk Europees capaciteits- en bewapeningsbeleid op te zetten zoals voorzien in artikel 42, lid 3, VEU, en verzoekt de Commissie en het EDA met voorstellen hiervoor te komen; vraagt de VV/HV om het Parlement te informeren over de resultaten die zijn bereikt op grond van de bestaande werkrelatie tussen het EDA en de Commissie, alsmede over zowel het Europees Ruimteagentschap (ESA) en de Gezamenlijke Organisatie voor samenwerking op defensiematerieelgebied (Occar); dringt er bij de lidstaten op aan uitvoering te geven aan Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/CFSP inzake wapenexport, en een gemeenschappelijk wapenexportbeleid op te zetten dat moet zorgen voor gemeenschappelijke, EU-wijde criteria voor de export van wapens, munitie, defensiemateriaal en -technologie naar derde landen;

Permanente gestructureerde samenwerking (Pesco)

30.  moedigt de lidstaten aan binnen de kaders van de Unie permanente gestructureerde samenwerking op te zetten en hieraan deel te nemen, met het oog op onderhoud en verbetering van de militaire vermogens door middel van ontwikkeling van doctrine en leiderschap, ontwikkeling en training van personeel, ontwikkeling van defensiemateriaal en infrastructuur, en interoperabiliteit en certificering; wijst op het belang van en de behoefte aan de deelname aan een permanente en efficiënt gestructureerde samenwerking door alle lidstaten die de integratie van hun defensie tot het hoogste ambitieniveau willen opvoeren; stelt dat er een permanente "Europese geïntegreerde strijdmacht” in het leven moet worden geroepen als een internationale strijdmacht, als bedoeld in artikel 1 van Protocol nr. 10 inzake PESCO, waarover de Unie moet kunnen beschikken ter uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid zoals bedoeld in artikel 42, lid 3, VEU; verzoekt de HV/VV voorstellen te presenteren voor het operationeel maken van Pesco in de eerste zes maanden van 2017;

31.  is van mening dat de EU er in overeenstemming met de desbetreffende lidstaten voor moet zorgen dat zij deelneemt aan de door deze lidstaten ondernomen vermogensprogramma's; is voorts van oordeel dat de financiële bijdrage van de EU aan dergelijke programma's de bijdragen van de deelnemende lidstaten niet te boven mag gaan;

32.  is van oordeel dat het gevechtsgroepensysteem van de EU moet worden ondergebracht bij Pesco, tezamen met de vestiging van een permanent civiel-militair hoofdkwartier, met een even belangrijk militair plannings- en uitvoeringsvermogen en civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC), dat de strategische en operationele planning in de hele planningscyclus zou verbeteren, de civiel-militaire samenwerking zou versterken en het vermogen van de EU om snel op crises te reageren zou verbeteren; is van mening dat ook andere Europese multinationale structuren, zoals het Europees luchttransportcommando, Eurocorps en Occar, alsook bilaterale en multilaterale vormen van militaire samenwerking tussen landen die aan Pesco deelnemen, bij Pesco ondergebracht moeten worden; vindt dat de privileges en immuniteiten van de EU van toepassing moeten zijn op al die multinationale structuren die deel uitmaken van Pesco;

33.  is van mening dat de EU gedurende de opbouw-, standby- en afbouwfasen alle kosten van de EU-gevechtsgroepen moet dragen;

34.  roept de HV/VV en de Raad op om resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad volledig ten uitvoer te leggen en een speciale vertegenwoordiger voor vrouwen en conflicten te benoemen;

Het Europees Parlement

35.  benadrukt dat het Europees Parlement een prominente rol moet spelen in de controle van en het toezicht op de uitvoering en in de evaluatie van het GVDB conform artikel 14, lid 1, VEU; Is van mening dat de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB ook als platform moet dienen voor interparlementair overleg en toezicht rond het GVDB; dringt erop aan dat het Parlement daadwerkelijk wordt geraadpleegd ten aanzien van grote besluiten op het gebied van het GVDB, met name met betrekking tot militaire en civiele missies buiten de EU en strategische defensieoperaties;

36.  roept in dit opzicht de VV/HV op volledig uitvoering te geven aan artikel 36 van het VEU, door te zorgen dat de opvattingen van het Parlement worden overwogen in het kader van raadpleging van het Parlement inzake de belangrijkste aspecten en fundamentele keuzes ten aanzien van het GVDB als onderdeel van het GBVB; pleit ervoor dat het Parlement op regelmatige basis en uitvoeriger wordt ingelicht, met het oog op versterking van de beschikbare parlementaire en politieke controlemechanismen;

37.  verzoekt het Parlement met klem zijn Subcommissie veiligheid en defensie om te vormen tot een volwaardige parlementaire commissie, waarmee zij een prominente rol kan spelen bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en met name een rol bij de toetsing van wetgevingshandelingen in verband met de defensiemarkt, alsook bij procedures zoals de gecoördineerde jaarlijkse defensie-evaluatie;

38.  vraagt om betere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, als cruciaal onderdeel van de ontwikkeling van concrete resultaten op het gebied van het GVBD en de legitimering daarvan; merkt op dat dergelijke samenwerking niet de uitvoering van het GVDB en de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan als EU-beleid moet ondermijnen;

39.  pleit ervoor dat het Parlement specifieke initiatieven blijft stimuleren en aanbevelingen aan de Raad, de VV/HV en de Commissie inzake vraagstukken betreffende gemeenschappelijke veiligheid en defensie blijft doen, ook buiten zijn rol in de begrotingsprocedures;

Betrekkingen tussen EU en NAVO

40.  pleit voor nauwere betrekkingen tussen het GVDB en de NAVO die een politieke kans bieden voor samenwerking en complementariteit op elk niveau, onder voorbehoud van artikel 42, lid 7, tweede alinea VEU; herinnert eraan dat het strategisch partnerschap tussen EU en NAVO in evenwicht moet worden gebracht en uitgebreid, met als doel voor compatibiliteit te zorgen, gezamenlijke capaciteiten te ontwikkelen en dubbele acties te vermijden, en daarmee de uitgaven terug te brengen en doelmatiger te werk te gaan; verzoekt de HV/VV onverwijld contact met de trans-Atlantische partners op te nemen, teneinde duidelijkheid te krijgen over hun standpunt met betrekking tot de verschillende aspecten van de alomvattende strategie ("Global strategy");

41.  roept de VV/HV en de secretaris-generaal van de NAVO op om een gedetailleerde analyse op te stellen van de juridische en politieke gevolgen van het mogelijk in gang zetten door het Verenigd Koninkrijk van artikel 50 van het VEU voor de ontwikkeling van het partnerschap EU-NAVO;

42.  beklemtoont dat de "Berlijn plus"-regeling grondig moet worden bewerkt, teneinde ze aan te passen aan de huidige strategische context en de gesignaleerde tekortkomingen ervan te elimineren, waarbij de tactische en operationele mechanismen voor scenario's waarin zowel de EU als de NAVO een rol spelen, moeten worden verbeterd en de NAVO gebruik moet kunnen maken van de EU-instrumenten;

Politieke aanbevelingen

43.  steunt het voorstel van een gecoördineerde jaarlijkse beoordeling inzake defensie, in het kader waarvan de lidstaten hun defensie-uitgaven en capaciteitsplannen kunnen coördineren, zulks in het kader van een open proces waarbij zowel het Europees parlement en de nationale parlementen betrokken zijn;

44.  roept de Raad en de VV/HV op een EU-witboek inzake veiligheid en defensie op te stellen, met inbegrip van een passende beoordeling van de bedreigingen en gevaren voor de Europese veiligheid waar de EU en haar lidstaten mee worden geconfronteerd, als een eerste stap in de richting van het in kaart brengen van de vermogens waar de Europese defensie over moet beschikken, een routekaart met duidelijke fasen en een kalender voor de te nemen stappen op weg naar de vestiging van een Europese defensie-unie en een meer effectief gemeenschappelijk defensiebeleid; gelooft dat een dergelijk witboek het resultaat moet zijn van bedragen van de verschillende EU-instellingen en zo uitgebreid mogelijk moet zijn en de verschillende maatregelen moet bevatten die worden overwogen binnen de Unie;

45.  is ingenomen met het actieplan voor Europese defensie dat in november 2016 is voorgesteld door de Commissie; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op het bestuur, de financiering en de doelstellingen van een eventueel Europees defensiefonds, en in het bijzonder van de "capaciteits- en onderzoeksvensters", nader toe te lichten; is van oordeel dat de doelmatige uitvoering van het plan krachtige ondersteuning en politieke betrokkenheid van de lidstaten en de EU-instellingen vereist; betreurt in dit opzicht dat de Commissie, het EDA en de lidstaten nog niet alle werkzaamheden hebben afgerond die voortvloeien uit de vergaderingen van de Europese Raad inzake defensie in 2013 en 2015;

46.  herinnert eraan dat de verschillende door de Commissie voorgestelde initiatieven rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van de defensiesector (deelnameregels, intellectuele-eigendomsrechten, governance en verband met de operationele behoeften); zal dit nauwlettend in de gaten houden tijdens de onderhandelingen voor de periode 2021-2027, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van het toekomstige Europees onderzoeksprogramma voor defensie;

47.  is van mening dat de goedkeuring van een EU-witboek over veiligheid en defensie gebaseerd moet zijn op het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie in het kader van de mondiale strategie, om aldus te komen tot een geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid; wijst er met klem op dat dit document niet alleen een weerslag moet vormen van de huidige militaire capaciteiten van de lidstaten, maar eveneens een analyse moeten bieden van het soort samenwerking dat nodig is, evenals de middelen die nodig zijn om dit te verwezenlijken, de soorten operaties die de EU kan uitvoeren en de capaciteiten en middelen die benodigd zijn, en tegelijk moet bijdragen aan de coördinatie en samenwerking tussen de NAVO en de EU;

48.  dringt aan op onmiddellijke hervorming van het Athena-mechanisme ter vergroting van het potentieel daarvan voor kostendeling en gemeenschappelijke financiering en ter verzekering van een eerlijke verdeling van operationele kosten, zodat de lidstaten worden gestimuleerd met troepen bij te dragen zonder door hun financiële draagkracht te worden beperkt; is van mening dat bij die hervorming moet worden geregeld dat alle gemeenschappelijke kosten in de zin van de bijlagen I - IV van Besluit (GBVB) 2015/528 van 27 maart 2015 altijd ten laste komen van Athena; is van oordeel dat het herziene ATHENA-mechanisme ook moet worden gebruikt voor het financieren van de operaties van de "Europese geïntegreerde krijgsmacht" (zodra die binnen Pesco in het leven geroepen is), met inbegrip van de EU-gevechtsgroepen;

49.  verlangt dat de Europese militaire opleidingsmissies in het buitenland hun doel verwezenlijken, namelijk plaatselijke nationale militaire eenheden opleiden die opgewassen zijn tegen oorlogssituaties en bedreigingen van de veiligheid (opstanden en terrorisme); is van mening dat deze eenheden bijgevolg over de nodige wapens en uitrusting moeten beschikken voor zowel hun opleiding als hun inzet op het terrein, en dat de met hun opleiding belaste Europese militairen hen als waarnemers moeten kunnen begeleiden zonder in de operaties tussenbeide te komen, om de doeltreffendheid van de opleiding te kunnen beoordelen en zo nodig te kunnen bijsturen en bijscholen;

50.  onderstreept het belang van een diepgravend debat over de toekomstige relatie tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van kwesties in het kader van het GVDB, met name op het gebied van militaire capaciteiten, mocht het Verenigd Koninkrijk ertoe besluiten artikel 50 van het VEU in gang te zetten; is van oordeel dat er nieuwe regelingen voor opperbevel moeten worden getroffen met betrekking tot het operationeel hoofdkwartier in Northwood, Verenigd Koninkrijk, voor de operatie Atalanta;

51.  vraagt de Raad en de VV/HV om te zorgen voor coördinatie op alle interactieniveaus: civiel en militair, EEAS/Commissie en EU/lidstaten; is ingenomen met het verband tussen interne en externe veiligheid zoals dat wordt gelegd in de mondiale strategie, en vraagt de VV/HV en de Commissie te zorgen voor samenhang en te waarborgen dat de interne en externe aspecten van veiligheid terdege worden gecoördineerd, onder andere op bestuurlijk niveau;

52.  beklemtoont dat de EU ook meer inspanningen moet doen om de mondiale governance te versterken, hetgeen zal bijdragen tot een betere strategische en veiligheidssituatie; verzoekt de lidstaten zich hard te maken voor een hervorming van de VN, teneinde zijn legitimiteit, transparantie, controleerbaarheid en doeltreffendheid te vergroten; is van oordeel dat de VN-Veiligheidsraad moet worden hervormd, met name wat betreft zijn samenstelling en stemprocedures, teneinde hem beter in staat te stellen krachtdadig op mondiale veiligheidsuitdagingen te reageren, en daarbij verder te kijken dan uitsluitend de militaire focus;

53.  beklemtoont dat de menselijke factor een van onze meest waardevolle kwaliteiten is bij het ontwikkelen van een gemeenschappelijke defensie; is van oordeel dat meer investeringen in onderwijs en opleiding met betrekking tot het GVDB nodig zijn, waaronder voor de ontwikkeling van een geïntegreerd systeem op basis van nationale militaire centra, aangezien zowel onderwijs, als opleiding daadwerkelijk tot vooruitgang op dit gebied kunnen bijdragen;

54.  is van oordeel dat de opvattingen die zijn verwoord door het Europees Parlement in zijn resolutie, aanbevelingen vormen die zijn gericht tot de Raad en de VV/HV, zoals genoemd in artikel 36 van het VEU; is voorts van mening dat deze aanbevelingen terdege in overweging moeten worden genomen door de VV/HR in alle voorstellen voor de ontwikkeling van het GVDB, en door de Raad bij de goedkeuring van dergelijke voorstellen, als goede praktijk van wederzijdse oprechte samenwerking tussen de EU-instellingen;

55.  beklemtoont dat in artikel 21 VEU expliciet is bepaald dat het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen met betrekking tot het huidige institutionele bestel van de Europese Unie

56.  vraagt de deelnemers aan een toekomstige conventie:

   de aanbevelingen en richtlijnen in deze resolutie en in de resoluties van het Parlement over de uitvoering van het GVDB en de Europese Defensieunie in overweging te nemen;
   aan de hand van de aanbevelingen en richtlijnen van deze resoluties, bepalingen in een toekomstig Unieverdrag op te nemen die ertoe strekken dat:
   de Europese strijdmacht tot stand te brengen, die in staat is tot inzet van gevechtseenheden bij conflicten met een hoge intensiteit, inzet van stabilisatie-eenheden voor handhaving van bestandsafspraken of vredesakkoorden, voor evacueringstaken en/of medische diensten zoals mobiele veldhospitaal, en voor logistieke taken en genie-opdrachten;
   in het kader van het gemeenschappelijk defensiebeleid precieze en bindende richtsnoeren uit te vaardigen voor het activeren en invullen van de wederzijdse hulp- en bijstandclausule;
   te zorgen voor verplicht delen van informatie op Europees niveau onder de nationale inlichtingendiensten onder een adequate samenwerkingsstructuur;
   een permanente werkgroep ‘defensieaangelegenheden’ samen te stellen uit de leden van de Commissie, onder voorzitterschap van de VV/HV; het Parlement hierbij te betrekken via permanente vertegenwoordigers in deze werkgroep; de Commissie nauwer te betrekken bij defensie door gerichte research, planning en uitvoering; de klimaatverandering door de VV/HV te laten instromen in al het extern optreden van de EU, en met name in het GVDB;
   de financiële en budgettaire beleidsbeoordeling van de defensie-uitgaven van de lidstaten te bezien vanuit oogpunt van een toekomstig Europees Semester voor defensie, dat wil zeggen rekening houden met hoeveel elke lidstaat op dit vlak uitgeeft, zodat de omvang van de individuele uitgaven wordt gekoppeld aan de veiligheid van Europa in zijn geheel; is van mening dat de EU op de lange termijn de mogelijkheid moet nagaan van een na te streven gemeenschappelijke begroting;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de EU-agentschappen op het gebied van ruimte, veiligheid en defensie en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(2) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 138.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0435.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0019.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0440.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 266 van 13.10.2015, blz. 55.
(9) PB L 27 van 30.1.2001, blz. 1.

Juridische mededeling