Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2309(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0050/2017

Ingediende teksten :

A8-0050/2017

Debatten :

PV 15/03/2017 - 18
CRE 15/03/2017 - 18

Stemmingen :

PV 16/03/2017 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0094

Aangenomen teksten
PDF 199kWORD 54k
Donderdag 16 maart 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verslag 2016 over Montenegro
P8_TA(2017)0094A8-0050/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Montenegro (2016/2309(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst van 29 maart 2010 tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds(1),

–  gezien het resultaat van de bijeenkomsten van de toetredingsconferentie EU-Montenegro op plaatsvervangersniveau op 30 juni 2016 en op ministerieel niveau op 13 december 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 juni 2012 met het besluit om de toetredingsonderhandelingen met Montenegro op 29 juni 2012 te openen en de conclusies van 13 december 2016 die door de overgrote meerderheid van de delegaties werden onderschreven,

–  gezien de conclusies van de zevende bijeenkomst van de Stabilisatie- en associatieraad tussen Montenegro en de EU, die op 20 juni 2016 in Brussel werd gehouden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 over het EU-uitbreidingsbeleid 2016 (COM(2016)0715) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Montenegro 2016 Report" (SWD(2016)0360),

–  gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van de maatschappelijke organisaties voor de top in Parijs in 2016,

–  gezien het besluit van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten van de NAVO van 2 december 2015 en de ondertekening van het NAVO-toetredingsprotocol van Montenegro op 19 mei 2016,

–  gezien het eindrapport van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR over de parlementsverkiezingen van 16 oktober 2016,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de achtste bijeenkomst van het Gemengd raadgevend comité van maatschappelijke organisaties EU-Montenegro, die op 8 november 2016 in Budva werd gehouden,

–  gezien de verklaring en de aanbevelingen van de twaalfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Montenegro die op 19 en 20 mei 2016 in Podgorica werd gehouden,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Montenegro,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0050/2017),

A.  overwegende dat de Euro-Atlantische integratie de topprioriteit van het Montenegrijns buitenlands beleid vormt;

B.  overwegende dat in de toetredingsonderhandelingen verdere vooruitgang is geboekt; overwegende dat Montenegro wordt beschouwd als het land dat het verst gevorderd is in zijn toetredingsproces; overwegende dat het rechtskader op het gebied van de rechtsstaat grotendeels is voltooid en de institutionele structuur is opgezet;

C.  overwegende dat zorgen blijven bestaan over het gepolariseerde binnenlandse klimaat en de boycot door de oppositie in het Parlement; overwegende dat een duurzame dialoog en een constructieve samenwerking tussen de regeringscoalitie en de oppositie van cruciaal belang zijn om de voortgang van het toetredingsproces te kunnen handhaven;

D.  overwegende dat corruptie en georganiseerde misdaad een ernstige bron van zorg blijven;

E.  overwegende dat de maatschappelijke organisaties aan werkgroepen kunnen deelnemen, onder andere voor de toetredingsonderhandelingen, maar dat zij hun ontevredenheid hebben geuit over hun mate van betrokkenheid bij de beleidsvorming en hun vermogen om toegang tot informatie te krijgen; overwegende dat het uiterst zorgwekkend is dat een aantal activisten van maatschappelijke organisaties het doelwit van lastercampagnes in de media zijn;

F.  overwegende dat de vorderingen van Montenegro uit hoofde van hoofdstukken 23 en 24 inzake de rechtsstaat cruciaal blijven voor het algehele tempo van het onderhandelingsproces;

G.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid tot de kernwaarden van de EU behoren en de hoekstenen van iedere democratie vormen; overwegende dat de Montenegrijnse mediagemeenschap sterk gepolitiseerd is, dat nog steeds sprake is van censuur en zelfcensuur, en dat er economische en politieke druk op journalisten wordt uitgeoefend;

1.  is ingenomen met de aanhoudende voortgang van de EU-integratie van Montenegro; is verheugd over het feit dat Montenegro gestage vooruitgang heeft geboekt bij de toetredingsonderhandelingen waarbij erop zij gewezen dat tot dusverre 26 hoofdstukken voor onderhandelingen zijn geopend en 2 hoofdstukken voorlopig zijn afgesloten; verzoekt de Raad de onderhandelingen met Montenegro op te voeren; spoort aan tot het openen en afsluiten van verdere hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen in 2017; prijst de goedkeuring door de Montenegrijnse regering van het programma voor toetreding van Montenegro tot de EU 2017‑2018; moedigt Montenegro aan het tempo van de hervormingen op te voeren, meer inspanningen te leveren met het oog op het voldoen aan alle ijkpunten en zich te blijven richten op de fundamentele aspecten van het toetredingsproces; herinnert eraan dat het van essentieel belang is concrete resultaten te boeken met goede en duurzame prestaties ten aanzien van de tenuitvoerlegging, met name op het gebied van de rechtsstaat, justitie en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad;

2.  looft de bevoegde autoriteiten voor het ordelijke verloop van de parlementsverkiezingen op 16 oktober 2016 waarbij de fundamentele vrijheden over het algemeen werden geëerbiedigd; spoort aan tot verdere overeenstemming met internationale normen; is ingenomen met het feit dat de opkomst de hoogste was sinds 2002; is ingenomen met het herziene rechtskader waarbinnen de verkiezingen werden gehouden, maar stelt vast dat er een aantal administratieve lacunes blijven bestaan, ook aan de zijde van de nationale verkiezingscommissie, alsmede zorgen over de juistheid van het kiezersregister en de politisering;

3.  betreurt het tijdelijk stilleggen van internetcommunicatieplatforms op de dag van de verkiezingen, alsmede het hacken van de website van het Centrum voor democratische overgang (CDT) enkele dagen voor de verkiezingen waardoor het werk van maatschappelijke organisaties wat betreft toezicht op de verkiezingen werd belemmerd; doet een beroep op de bevoegde instanties de tekortkomingen aan te pakken en een onderzoek in te stellen naar de vermeende procedurele onregelmatigheden, met inbegrip van het vermeende misbruik van overheidsgelden en ambtsmisbruik, en andere gemelde tekortkomingen op een snelle en doeltreffende wijze, overeenkomstig de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR; verwacht dat de onafhankelijkheid van de nationale verkiezingscommissie wordt gehandhaafd; is van oordeel dat een verbetering van het verkiezingsproces vereist is om het volle vertrouwen in het proces op te bouwen; betreurt het feit dat de oppositie de verkiezingsuitslag niet heeft erkend; onderkent de pogingen van externe actoren om het verkiezingsproces in diskrediet te brengen en de problemen die hierdoor zijn veroorzaakt; verwacht dat de nieuwe regering de politieke inzet voor het hervormingsproces zal handhaven en vraagt alle politieke partijen om opnieuw een constructieve dialoog aan te gaan;

4.  stelt vast dat in de aanloop naar deze verkiezingen een regering van electoraal vertrouwen is gevormd; is ingenomen met het feit dat dit een door Montenegrijnen aangestuurd proces was dat op partijoverschrijdende basis plaatsvond;

5.  is verontrust over de vermeende Russische pogingen om de ontwikkelingen in Montenegro te beïnvloeden, aangezien dit gedragspatroon in de regio tot een verdere destabilisering van de Westelijke Balkan zou kunnen leiden; is bezorgd over de ernstige voorvallen, met inbegrip van een vermeende staatsgreep, die plaatsvonden op 16 oktober 2016, en doet een beroep op de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en op de Commissie om het lopende onderzoek door de bevoegde autoriteiten nauwlettend te volgen; looft de bereidwilligheid van Servië om mee te werken aan deze onderzoeken; acht het belangrijk dat de betrokken diensten van de lidstaten informatie over deze voorvallen met elkaar en met de VV/HV en de Commissie delen;

6.  blijft zich ernstig zorgen maken over het gepolariseerde binnenlandse klimaat en de boycot van de parlementaire werkzaamheden door leden van de oppositie; verzoekt de oppositie het aanbod van de Montenegrijnse premier te benutten om aan de regering deel te nemen in ruil voor het beëindigen van de boycot; onderstreept de noodzaak dat alle politieke krachten opnieuw deelnemen aan een constructieve dialoog en samenwerking in het Montenegrijnse parlement; dringt erop aan het parlementaire toezicht op het toetredingsproces en de capaciteit voor begrotingscontrole verder te versterken; looft het parlement voor het blijven uitdragen van een hoge mate van transparantie; is verontrust over het gebruik van buitensporig geweld tijdens protesten tegen de regering; blijft hameren op de noodzaak van een gedegen follow‑up van de "geluidsopname-affaire"; dringt aan op verbeteringen van het parlementair toezicht op de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie;

7.  verzoekt de regering de toegang tot overheidsinformatie te verbeteren, met name met betrekking tot grote infrastructuurprojecten zoals de aanleg van snelwegen, privatisering, overheidsopdrachten en gerechtelijke acties;

8.  is verheugd over de nieuwe strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur (PAR) 2016‑2020, het programma voor de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën, de inwerkingtreding van de nieuwe wet op de lonen en de vereenvoudiging van de administratieve procedures; dringt aan op maatregelen om de passende begrotingsmiddelen voor de tenuitvoerlegging van de PAR ter beschikking te stellen, alsmede op een consequente politieke wil om het openbaar bestuur te rationaliseren, ook met het oog op de voorbereidingen op de toetreding; merkt op dat geringe vooruitgang is geboekt bij het versterken van de administratieve capaciteit; spoort ertoe aan het openbaar bestuur volledig te depolitiseren; acht het van essentieel belang om te hechten aan de beginselen van verdienste, professionaliteit, verantwoordingsplicht, transparantie en tijdige effectbeoordelingen van de regelgeving, alsmede om het recht van burgers op goed bestuur zonder corruptie en hun recht op informatie te waarborgen;

9.  merkt op dat er vooruitgang is geboekt bij de hervorming van het rechtsstelsel, met inbegrip van een verbetering van de institutionele capaciteit; blijft bezorgd over de ongepaste beïnvloeding van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name bij de benoeming van rechters; onderstreept dat de verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht moet worden versterkt door het invoeren van een overzicht van de naleving van de regels inzake de beroepsethiek en van de nieuwe tuchtrechtelijke regelingen voor rechters en aanklagers; onderstreept dat het justitiële apparaat moet worden gerationaliseerd, dat de capaciteit voor het toezicht op de achterstanden bij rechtbanken moet worden versterkt en dat het aantal hangende zaken verder moet worden verminderd; dringt aan op een efficiëntere institutionele en individuele verantwoordingsplicht wat betreft de behandeling van aanklachten wegens corruptie, het witwassen van geld en georganiseerde misdaad; onderstreept dat gerechtelijke beslissingen ten aanzien van de toegang tot informatie op doeltreffende wijze moeten worden uitgevoerd en dat de heersende praktijk moet worden tegengegaan om, ter beperking van de toegang, documenten als vertrouwelijk aan te merken; wijst op het belang van bewustmaking van het publiek omtrent de bestaande klachtenmechanismen;

10.  doet een beroep op de bevoegde autoriteiten, hoewel enige vooruitgang in de afhandeling van oorlogsmisdaden is geboekt, oorlogsmisdaden daadwerkelijk te onderzoeken, te vervolgen, voor de rechter te brengen en te bestraffen, alsmede de straffeloosheid te bestrijden, overeenkomstig de internationale normen, met name ten aanzien van de verantwoordelijke functionarissen in de top van de commandostructuur; is ingenomen met de goedkeuring van een vervolgingsstrategie om nieuwe zaken te openen en concrete resultaten te behalen; onderstreept dat moet worden gezorgd voor de ongehinderde toegang tot de rechter en billijke schadeloosstelling voor de slachtoffers van oorlogsmisdaden, alsmede de volledige bescherming van getuigen tijdens processen over oorlogsmisdaden;

11.  merkt bezorgd op dat corruptie op veel gebieden nog steeds de overhand heeft, maar is ingenomen met de verdere versterking van het kader voor corruptiebestrijding, onder andere doordat het agentschap ter bestrijding van corruptie volledig operationeel wordt gemaakt en speciale aanklagers voor corruptiebestrijding worden benoemd, alsook doordat tegemoet wordt gekomen aan de behoefte aan gespecialiseerde langdurige opleidingen; acht dit van essentieel belang om hun onafhankelijkheid bij onderzoeken te waarborgen; onderstreept het belang van politiek onpartijdige, professionele en transparante activiteiten van het agentschap ter bestrijding van corruptie, met name ten aanzien van zaken van corruptie op hoog niveau en de financiering van politieke partijen; onderstreept andermaal dat een balans moet worden opgemaakt van succesvolle onderzoeken en veroordelingen, met name in zaken van corruptie op hoog niveau, en van de maatregelen ter voorkoming van corruptie, met inbegrip van de doeltreffendere toepassing van wettelijke sancties; verzoekt de nieuwe regering de strijd tegen corruptie tot een van haar prioriteiten te maken door voor deze taak voldoende personele en begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen;

12.  dringt aan op de doeltreffende uitvoering van sectorale actieplannen voor terreinen die bijzonder kwetsbaar zijn voor corruptie, zoals overheidsopdrachten, privatisering, stedelijke planning, onderwijs, gezondheidszorg, lokale overheid en politie; roept op tot een effectief onderzoek naar potentiële klokkenluiderszaken en de adequate bescherming van klokkenluiders; dringt erop aan het strafbare feit van ongeoorloofde verrijking op te nemen in het Montenegrijnse wetboek van strafrecht; dringt aan op de doeltreffende tenuitvoerlegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen Eurojust en Montenegro ter bevordering van de justitiële samenwerking in de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit; dringt aan op maatregelen om de bescherming van klokkenluiders te verbeteren;

13.  neemt kennis van de goedkeuring van een actieplan ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, en van de ondertekening van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme; onderstreept dat de resultaten bij de vervolging van de georganiseerde misdaad verder moeten worden verbeterd, met name ten aanzien van de mensenhandel, drugs en het witwassen van geld, dat de samenwerking tussen agentschappen moet worden versterkt en dat de regionale en internationale samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad moet worden geïntensiveerd; onderstreept dat gespecialiseerde adviseurs inzake forensische accountancy in het kader van regelmatige onderzoeken voor ondersteuning moeten zorgen;

14.  is verheugd over het verbeterde rechtskader voor de bestrijding van mensenhandel; onderstreept echter de noodzaak van een betere identificatie van de slachtoffers van mensenhandel en een betere toegang tot bijstand, schadeloosstelling en bescherming;

15.  is ingenomen met de nieuwe strategie ter bestrijding van extremistische gewelddaden 2016-2018, die een aanvulling vormt op de nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van terrorisme, witwassen van geld en terrorismefinanciering; neemt kennis van het opzetten van een nieuwe inlichtingeneenheid die tot taak heeft potentiële leden van gewelddadige extremistische groeperingen op te sporen en in het oog te houden; acht het van fundamenteel belang mensen in de beginfase van radicalisering op te sporen om te verhinderen dat zij door gewelddadige extremistische groeperingen worden gerekruteerd en om hen met succes terug te plaatsen in de maatschappij; acht het belangrijk dat bij de maatregelen die met het oog hierop worden genomen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd overeenkomstig de internationale verplichtingen; wijst op het belang van bewustmaking om mogelijke terroristische dreigingen in het oog te houden;

16.  erkent de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de voorbereidingen op de toetreding, maar verzoekt de bevoegde autoriteiten de toegang van maatschappelijke organisaties tot met de EU verband houdende informatie verder te verbeteren en ervoor te zorgen dat zij, waar mogelijk, op zinvolle wijze worden geraadpleegd; doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om een meer ondersteunende en inclusieve benadering te ontwikkelen om maatschappelijke activiteiten door de maatschappelijke organisaties aan de basis te faciliteren en hun actieve deelneming aan het toezicht op het gehele verkiezingsproces aan te moedigen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan overheidsgelden voor maatschappelijke organisaties, zowel op nationaal als plaatselijk niveau, ter beschikking te stellen op een meer duurzame, transparante en doeltreffende wijze; roept de betrokken autoriteiten op gunstige voorwaarden voor vrijwilligerswerk en een grotere mate van maatschappelijke betrokkenheid te scheppen; is zeer verontrust over het feit dat de lastercampagnes en intimidatiepogingen tegen bepaalde activisten van maatschappelijke organisaties voortduren; roept de bevoegde autoriteiten op de oorzaak hiervan te onderzoeken en te verklaren en de inspanningen ter bescherming van activisten van maatschappelijke organisaties op te voeren;

17.  stelt vast dat er enige vooruitgang is geboekt bij het verbeteren van de situatie van minderheden, met inbegrip van de voltooiing van verscheidene wetgevingshervormingen, om te zorgen voor een verdere overeenstemming met de EU- en internationale mensenrechtennormen; is ingenomen met de goedkeuring van een strategie en actieplan 2016-2020 voor de sociale inclusie van de gemeenschappen van Roma en Balkan-Egyptenaren; dringt erop aan dat toereikende begrotingsmiddelen worden uitgetrokken, opdat het actieplan naar behoren kan worden uitgevoerd; is verontrust over de dubbele discriminatie van vrouwen en meisjes in de Romagemeenschap en over de toegang van de Romagemeenschap, de minderheid van Balkan-Egyptenaren en de Ashkali tot gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en werkgelegenheid; moedigt de bevoegde autoriteiten ertoe aan zich meer in te zetten voor de bescherming van de rechten van LGBTI-personen; roept de bevoegde autoriteiten op verdere inspanningen te leveren met het oog op de bewustmaking omtrent antidiscriminatie onder het grote publiek; blijft bezorgd over het feit dat de meeste openbare gebouwen, met inbegrip van medische centra en universiteitsfaculteiten, nog steeds niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap en dat het aantal werknemers met een handicap nog steeds zeer gering is; dringt aan op verdere maatregelen ter bescherming van de multi-etnische identiteit van de regio rond de Baai van Kotor;

18.  roept op tot een verdere versterking van mensenrechteninstellingen, met inbegrip van de Ombudsman en het Ministerie van Mensenrechten en Minderheden, en is van mening dat hun kennis van de internationale en Europese mensenrechtenwetgeving en -normen moet worden vergroot; is bezorgd over het ontbreken van een uniforme benadering van en de lage strafmaat voor schendingen van de mensenrechten;

19.  blijft bezorgd over het aanhoudend gendergerelateerd huiselijk en seksueel geweld, over het uitblijven van vervolging en van een behoorlijke veroordeling van de daders overeenkomstig de internationale normen, en over de inefficiënte bijstand voor en bescherming van de slachtoffers; dringt aan op maatregelen voor de invoering van toereikende beschermingsdiensten, de versterking van de coördinatie tussen de betrokken instellingen, het doeltreffende gebruik van de nieuwe samengevoegde databank van gevallen van huiselijk geweld en de uitvoering van de strategie ter bestrijding van huiselijk geweld 2016‑2020; benadrukt dat het belangrijk is werknemers in overheidsinstellingen te onderrichten en op te leiden om met slachtoffers te werken; roept de bevoegde autoriteiten op te zorgen voor passende bescherming, langdurige huisvesting, financiële steun en onderwijsprogramma's voor de slachtoffers van gedwongen huwelijken, alsmede voor de doeltreffende vervolging en veroordeling van de daders; onderstreept dat het belangrijk is de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, waaronder in essentiële besluitvormingsfuncties, en hun toegang tot en betere vertegenwoordiging op de arbeidsmarkt te bevorderen; dringt aan op de ontwikkeling van overheidsbeleid dat werk en gezinsleven helpt te combineren; neemt ter kennis dat het actieplan inzake gendergelijkheid 2013‑2017 nog steeds wordt uitgevoerd; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging ervan; beklemtoont dat er uitdagingen bestaan bij het coördineren van beleid met betrekking tot kinderen en dat geweld tegen kinderen een punt van zorg blijft;

20.  roept de Montenegrijnse autoriteiten op de nodige maatregelen te treffen ter voorkoming van geweld tegen kinderen, mensenhandel en gedwongen kinderhuwelijken waarvan ngo's nog steeds melding maken;

21.  wijst op de noodzaak voortdurend en serieus te werken aan de harmonisatie van het Montenegrijnse rechtsstelsel met internationale rechtsnormen op het gebied van de mensenrechten en vrijheden van personen met een handicap ten einde de naleving van de beginselen van de rechtsstaat, de grondwettigheid en de legaliteit te waarborgen;

22.  blijft bezorgd over de stand van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid in Montenegro en het ontbreken van doeltreffend onderzoek door de regering naar aanvallen op journalisten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten andermaal op aan de reeds lang aanhangige zaken van geweld tegen, intimidatie en bedreigingen van journalisten tot een einde te brengen, maatregelen ter bescherming van mediaprofessionals te nemen en een veilige omgeving voor de vrije en onderzoeksjournalistiek te creëren; is ook bezorgd over door politiediensten uitgevoerde aanvallen en over recente gevallen van het onder druk zetten en intimideren van journalisten, onder meer in de vorm van lastercampagnes, fysieke aanvallen en bedreigingen, alsook gevallen van belemmering van de media tijdens betogingen tegen de regering, waaronder willekeurige aanhoudingen en inbeslagneming van apparatuur; is verontrust over het nog steeds uitblijven van behoorlijk onderzoek naar deze aanvallen en over het feit dat deze gevallen niet zijn opgelost; stelt vast dat het aantal rechtszaken wegens smaad hoog blijft; dringt aan op transparante staatsreclame in de particuliere media, de wijziging van het Montenegrijnse wetboek van strafrecht en het opnemen van nieuwe strafbare feiten in het wetboek ter voorkoming en bestraffing van aanvallen op journalisten bij de uitoefening van hun beroep; erkent dat wettelijke maatregelen zijn genomen om te zorgen voor meer financiële onafhankelijkheid en duurzaamheid bij de publieke omroep RTCG en dringt aan op verdere stappen om de onafhankelijkheid ervan te waarborgen, met inbegrip van de redactionele onafhankelijkheid; benadrukt de noodzaak van het ondersteunen en versterken van bestaande zelfregulerende mechanismen; benadrukt dat de herziene gedragscode voor journalisten op effectieve en uniforme wijze in de hele mediagemeenschap moet worden toegepast; dringt erop aan dat, indien nodig, waarnemers van de EU-delegatie en de ambassades van de lidstaten regelmatiger processen tegen journalisten en mediaprofessionals bijwonen;

23.  stelt vast dat de nationale verkiezingscommissie tijdens de verkiezingen van 2016 de toegang van de media heeft beperkt; roept op tot de uitvoering van de aanbevelingen betreffende de media die zijn gedaan in het eindrapport van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR over de parlementsverkiezingen van 2016;

24.  neemt de gunstige economische ontwikkelingen ter kennis, maar dringt er bij de nieuwe regering op aan maatregelen te treffen om budgettaire houdbaarheid te waarborgen, de sociale rechten en de consumentenbescherming te versterken, verdere structurele hervormingen door te voeren om het bedrijfs- en investeringsklimaat te verbeteren waardoor banen en groei worden gecreëerd en een meer diverse economie tot stand wordt gebracht, met inbegrip van maatregelen voor de inperking van de informele sector, en vast te houden aan de noodzaak de belastingontduiking daadwerkelijk aan te pakken; is ingenomen met het openen van hoofdstuk 19 en is er stellig van overtuigd dat dit de beste stimulans vormt voor de regering om sneller te werken aan sociale inclusie en het terugdringen van de armoede, alsmede het inperken van de informele sector; dringt aan op de rationalisatie van de overheidsuitgaven, alsmede op meer inspanningen om de rechtsstaat en de uitvoering van contracten te versterken; dringt erop aan dat grote externe onevenwichtigheden worden aangepakt, en dat de projecten voor investeringen in openbare infrastructuurwerken die een uitdaging vormen op het gebied van budgettaire houdbaarheid, opnieuw worden beoordeeld; dringt aan op verdere financiële en niet-financiële maatregelen ter ondersteuning van kmo's en op verdere investeringen in innovatie en duurzame projecten om de economie te stimuleren; dringt aan op de verbetering van de sociale dialoog;

25.  merkt op dat, hoewel enige vooruitgang is geboekt ten aanzien van de ontwikkeling van vervoersinfrastructuur, onder meer via het waarnemingscentrum voor vervoer in Zuidoost-Europa, een gebrek aan grensoverschrijdende wegen de handel en het toerisme belemmert; is ingenomen met de tot dusver geleverde inspanningen met het oog op de liberalisering van de spoorwegsector in Montenegro; onderstreept de noodzaak om met buurlanden de connectiviteitsvraagstukken te coördineren en hen in staat te stellen deel uit te maken van het planningsproces voor infrastructuurprojecten;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de kmo-sector wordt versterkt, dat ondersteuning wordt geboden door middel van betere wetgeving, financiering en tenuitvoerlegging van industrieel beleid, alsmede de terugdringing van de informele economie en het bespoedigen van de nationale elektronische registratie van bedrijven;

27.  stelt vast dat de schaduweconomie van Montenegro nog steeds goed is voor een groot aandeel van het bbp; herinnert eraan dat de omvangrijke informele economie een belangrijke belemmering vormt voor het ondernemerschap en de economische groei en moedigt Montenegro aan maatregelen te nemen om de omvang van de schaduweconomie terug te dringen;

28.  merkt bezorgd op dat sommige door het IPA gefinancierde resultaten inzake capaciteitsopbouw niet ten volle door de autoriteiten werden benut of opgevolgd; benadrukt dat de autoriteiten met het oog op positieve resultaten moeten zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel, de nodige wetgeving moeten goedkeuren om de resultaten ten nutte te kunnen maken en nieuw opgerichte instellingen de nodige onafhankelijkheid moeten verlenen;

29.  stelt vast dat de werkloosheid licht is gedaald; is ingenomen met de nieuwe nationale strategie voor werkgelegenheid en ontwikkeling van menselijke hulpbronnen 2016‑2020 en het begeleidende actieplan 2016; blijft verontrust over de hoge jeugdwerkloosheid en de geringe arbeidsmobiliteit; dringt aan op proactieve maatregelen ten behoeve van de arbeidsmarkt om de kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te vergroten en vrouwen, kwetsbare mensen, personen met een handicap en jongeren te ondersteunen middels onderwijs, loopbaanbegeleiding, opleiding, werk en arbeidsrechten; wijst nogmaals op het belang van actieve deelname aan regionale jeugdinitiatieven, zoals het Bureau voor regionale jeugdsamenwerking van de Westelijke Balkan, mede door te profiteren van bestaande programma's die zijn ontworpen om de connectiviteit in de regio te bevorderen en de jeugdwerkloosheid aan te pakken;

30.  stelt vast dat de overheidsuitgaven voor onderwijs ver beneden het EU‑gemiddelde blijven; onderstreept dat de nodige maatregelen moeten worden ingevoerd, met name ten aanzien van de opvang van jonge kinderen en het kleuteronderwijs, waarvoor het aantal inschrijvingen teleurstellend laag is en aanzienlijk lager dan de EU‑doelstelling van 95 % tegen 2020; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gebrekkige toegang tot verscheidene openbare universiteiten voor personen met een handicap;

31.  is verheugd over de nieuwe milieuwetgeving, alsmede de nationale strategie voor de omzetting en uitvoering van het acquis van de EU inzake milieu en klimaatverandering en het begeleidende actieplan 2016‑2020; onderstreept de noodzaak de uitvoeringsinspanningen te intensiveren, met name inzake waterkwaliteit, natuurbescherming en afvalbeheer, alsmede daarmee verband houdende beheerscapaciteiten op alle niveaus; is bezorgd over de aanzienlijke vertraging bij het invoeren van de bescherming van het potentiële Natura 2000-gebied Ulcinj Salina; dringt aan op verdere inspanningen om de biodiversiteit van de saline en de duurzame ontwikkeling van de kuststrook te behouden;

32.  doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om de nodige beschermings- en instandhoudingsmaatregelen te treffen in verband met het Meer van Shkodër, opdat de ecologische kenmerken en de ecologische integriteit ervan behouden blijven; verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de omvorming van de nationale parken tot een vennootschap van de staat met beperkte aansprakelijkheid geen negatieve gevolgen voor de bescherming ervan heeft; erkent in dit verband de bezwaren die naar voren zijn gebracht in het kader van de overeenkomsten van Ramsar en Bern ten aanzien van het ruimtelijk plan voor speciale doeleinden voor het nationaal park van het Meer van Shkodër, waaronder het bouwproject Porto Skadar Lake; is bezorgd over de aanzienlijke vertraging bij de totstandbrenging van de bescherming van gebieden die zijn aangemerkt als potentiële gebieden binnen het Natura 2000-netwerk, zoals het nationaal park van het Meer van Shkodër; wijst er nogmaals op dat zorgvuldige en strategische milieueffectbeoordelingen moeten worden verricht in overeenstemming met het EU-acquis en internationale normen;

33.  benadrukt dat de internationale verbintenissen op het gebied van de beperking van de klimaatverandering moeten worden uitgevoerd; is zeer verontrust over het plan van de regering om de kolengestookte elektriciteitscentrale Pljevlja II te ontwikkelen die niet verenigbaar is met de in het kader van de overeenkomst van Parijs aangegane verbintenissen;

34.  erkent de gemaakte goede vorderingen op het gebied van energie, waaronder op het gebied van verbindingen met partnerlanden; verzoekt Montenegro wetgeving ter uitvoering van het derde energiepakket in te voeren, in het bijzonder de richtlijn hernieuwbare energie; blijft bezorgd over de niet-duurzame ontwikkeling van waterkracht en het feit dat vele van deze centrales worden gepland zonder dat hieraan een gedegen milieueffectbeoordeling is voorafgegaan, met name ten aanzien van de bescherming van de biodiversiteit en de gevolgen van de centrales voor beschermde gebieden, zoals vereist door de EU‑wetgeving; doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om nauwlettend toezicht te blijven houden op de exploratie van offshore-olie- en gasvelden, en om alle beschermingsmaatregelen overeenkomstig vastgestelde wetgeving, regelgeving en het EU‑acquis uit te voeren;

35.  roept de Montenegrijnse autoriteiten ertoe op om met het oog op de voorbereidingen voor de top over de Westelijke Balkan in Italië in 2017 extra inspanningen te leveren voor de uitvoering van wet- en regelgevingsmaatregelen op het gebied van vervoer en energie (zachte maatregelen), teneinde aan de connectiviteitsagenda van de Europese Unie te voldoen;

36.  is ingenomen met de proactieve participatie en de aanhoudende constructieve rol van Montenegro in de regionale en internationale samenwerking in goed nabuurschap; spoort in dit verband aan tot verdere samenwerking; prijst Montenegro ten zeerste, omdat het land zijn buitenlands beleid volledig blijft afstemmen op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, waaronder Besluit (GBVB) 2016/1671 van de Raad tot verlenging van de beperkende EU‑maatregelen tegen Rusland; is verheugd over de deelname van Montenegro aan de GVDB-missies van de EU; moedigt Montenegro aan, op een constructieve wijze en in een geest van goed nabuurschap, hangende bilaterale kwesties met zijn buurlanden te blijven aanpakken, met inbegrip van de onopgeloste kwesties van de grensafbakening met Servië en Kroatië, zo spoedig mogelijk in het toetredingsproces; herhaalt zijn verzoek aan de autoriteiten om bij te dragen tot de oplossing van de statenopvolgingskwesties met betrekking tot de erfenis van de voormalige Socialistische Federale Republiek Joegoslavië; is ingenomen met de overeenkomst over de grensafbakening met Bosnië en Herzegovina en de ratificatie van de overeenkomst over de grensafbakening met Kosovo; onderstreept dat de onderhandelingen over de aanpassing van de overeenkomsten inzake grensoverschrijding en grensverkeer moeten worden voortgezet; looft de samenwerking met buurlanden in het kader van het proces van de verklaring van Sarajevo; dringt bij Montenegro aan op overeenstemming met de gemeenschappelijke standpunten van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome en aanverwante EU‑grondbeginselen over bilaterale onschendbaarheidsovereenkomsten;

37.  merkt op dat Montenegro, hoewel het niet op de "Westelijke Balkanroute" ligt, nog steeds een doorgangsland vormt voor vluchtelingen en migranten, van wie het merendeel afkomstig is uit Syrië; doet een beroep op de Montenegrijnse autoriteiten ervoor te zorgen dat migranten en vluchtelingen die asiel aanvragen in Montenegro of over Montenegrijns grondgebied reizen, worden behandeld overeenkomstig internationale en EU-wetgeving, waaronder het Vluchtelingenverdrag van 1951 en het EU-Handvest van de grondrechten; is ingenomen met de goedkeuring van het Schengenactieplan en de strategie voor geïntegreerd migratiebeheer 2017‑2020;

38.  verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan over migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat de internationale en EU‑normen worden nageleefd; is ingenomen met het in dit verband reeds verrichte werk;

39.  is verheugd over de actieve deelname van Montenegro aan de top over de Westelijke Balkan in Parijs in 2016, met name wat betreft de connectiviteitsagenda; roept de autoriteiten op tot de tenuitvoerlegging van de onlangs ondertekende overeenkomst inzake grensoverschrijding met Albanië en van de verordening betreffende een trans-Europees netwerk ten aanzien van de vergunning en toelating van de open toegang tot de spoorwegmarkt; merkt op dat, hoewel de spoorwegmarkt in Montenegro al sinds 2014 voor mededinging openstaat, particuliere investeerders tot op heden geen belangstelling hebben getoond om de markt te betreden; roept de nieuwe regering ertoe op te voorzien in een open spoorwegmarkt, met transparante spoortoegangsrechten en capaciteitstoewijzing in volledige overeenstemming met het acquis;

40.  is ingenomen met het feit dat het NAVO-toetredingsprotocol van Montenegro in mei 2016 is ondertekend, als een erkenning van de hervormingsinspanningen van Montenegro, en dat het protocol momenteel door de NAVO-leden wordt geratificeerd, aangezien de NAVO een belangrijke factor vormt voor stabiliteit en vrede in de landen van de Westelijke Balkan; moedigt de NAVO-leden in de EU aan voorrang te verlenen aan het ratificatieproces en te erkennen dat het NAVO-lidmaatschap voor Montenegro een belangrijk symbolisch en strategisch onderdeel is van zijn Euro-Atlantisch integratieproces; wijst er nogmaals op dat de EU-toetredingsonderhandelingen losstaan van het NAVO-toetredingsproces;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Montenegro.

(1) PB L 108 van 29.4.2010, blz. 1.

Juridische mededeling