Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2204(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0058/2017

Ingediende teksten :

A8-0058/2017

Debatten :

PV 03/04/2017 - 23
CRE 03/04/2017 - 23

Stemmingen :

PV 04/04/2017 - 7.4
CRE 04/04/2017 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0099

Aangenomen teksten
PDF 213kWORD 52k
Dinsdag 4 april 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden
P8_TA(2017)0099A8-0058/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden (2016/2204(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 157, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het actieprogramma van Peking,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat in 1979 werd aangenomen,

–  gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(1),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2),

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(5),

–  gezien artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 over het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2008 over de situatie van de vrouw in de plattelandsgebieden van de EU(6),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de rol van vrouwen in de landbouw en op het platteland(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa(9),

–  gezien de aanbevelingen van het VN-Comité inzake Wereldvoedselzekerheid van 17 oktober 2016 inzake veeteelt en mondiale voedselzekerheid, met name die met betrekking tot gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen,

–  gezien zijn resolutie van donderdag 27 oktober 2016 over hoe het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden kan verbeteren(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0058/2017),

Multifunctionaliteit van de rollen van vrouwen in plattelandsgebieden

A.  overwegende dat de economische en levensomstandigheden de laatste decennia grondig veranderd zijn en aanzienlijk verschillen zowel tussen de lidstaten als binnen de lidstaten;

B.  overwegende dat vrouwen aanzienlijke bijdragen leveren aan de plattelandseconomie en overwegende dat de diversificatiemaatregelen en het begrip multifunctionaliteit, als een essentiële basis voor strategieën voor duurzame ontwikkeling, weliswaar nog niet in alle gebieden ten volle benut zijn maar dat zij toch nieuwe kansen voor vrouwen hebben gecreëerd, dankzij innovatie en de ontwikkeling van nieuwe concepten waarmee het platteland een nieuwe dynamiek kan worden gegeven;

C.  overwegende dat vrouwen vaak de motor zijn achter de ontwikkeling van bijkomende activiteiten op of buiten de boerderij die verder gaan dan landbouwproductie en een reële toegevoegde waarde voor activiteiten in plattelandsgebieden opleveren;

D.  overwegende dat vrouwen die in plattelandsgebieden wonen geen homogene groep zijn en dat hun situatie, hun bezigheden, hun bijdragen tot de maatschappij en uiteindelijk hun behoeften en belangen aanzienlijk verschillen tussen en binnen de lidstaten;

E.  overwegende dat vrouwen actief betrokken zijn bij landbouwactiviteiten, ondernemerschap en toerisme en een belangrijke rol vervullen in het behoud van culturele tradities in plattelandsgebieden, die de regionale identiteit kunnen helpen opbouwen en/of versterken;

F.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een kernbeginsel is van de Europese Unie en haar lidstaten en dat de bevordering van deze gelijkheid een van haar voornaamste doelstellingen is; overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een elementaire waarde is van de EU zoals in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten erkend, en dat de EU zich specifiek tot taak heeft gesteld hieraan in al haar activiteiten een plaats toe te kennen; overwegende dat gendermainstreaming een belangrijk instrument is om dit beginsel in EU-beleid, -maatregelen en -acties te integreren met het oog op de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de bestrijding van discriminatie, teneinde de actieve betrokkenheid van vrouwen in de arbeidsmarkt en economische en sociale activiteiten te vergroten; overwegende dat dit instrument ook kan worden toegepast in de Europese structuur- en investeringsfondsen, onder meer het ELFPO;

G.  overwegende dat de familiale landbouw het meest verspreide landbouwmodel in de EU-28 is, waarbij 76,5 % van het werk wordt verricht door de eigenaar of door leden van zijn of haar familie(11) en dat deze dus moet worden ondersteund en beschermd; overwegende dat het bestaan van familielandbouwbedrijven solidariteit tussen generaties en sociale en milieuverantwoordelijkheid bevordert en dus bijdraagt tot de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden;

H.  overwegende dat het tegen de achtergrond van de toenemende verstedelijking voor de samenleving essentieel is een actieve, dynamische en welvarende bevolking in plattelandsgebieden te handhaven, met bijzondere aandacht voor gebieden met natuurlijke beperkingen, aangezien het behoud van het milieu en het landschap daarvan afhangt;

I.  overwegende dat de vergrijzing van de bevolking, in combinatie met de afname van landbouwactiviteiten en de economische achteruitgang in de plattelandsgebieden van de EU, de voornaamste oorzaken vormen voor de ontvolking en de uittocht van vrouwen uit het platteland, wat een negatieve impact heeft niet alleen op de arbeidsmarkt, maar ook op de sociale infrastructuur; overwegende dat deze situatie alleen een halt kan worden toegeroepen indien de Europese instellingen en regeringen al het mogelijke doen om te zorgen voor meer erkenning van hun werk en hun rechten en om plattelandsgebieden te voorzien van de nodige diensten die de combinatie van werk en privéleven mogelijk maken;

J.  overwegende dat het agrotoerisme, dat onder meer het platteland voorziet van goederen en diensten via familiebedrijven en coöperatieve ondernemingen, met geringe bedrijfsrisico's gepaard gaat, banen creëert, de mogelijkheid biedt tot het combineren van werk, gezin en privéleven en plattelandsvlucht, met name onder vrouwen, tegengaat;

K.  overwegende dat de economische crisis de Europese Unie heeft getroffen en een ernstige impact heeft gehad op vele plattelandsgebieden en -regio’s; overwegende dat de gevolgen van de crisis nog steeds zichtbaar zijn en dat jongeren uit plattelandsgebieden te kampen hebben met hoge werkloosheidscijfers, armoede en ontvolking waarvan vooral vrouwen de gevolgen ondervinden; overwegende dat vrouwen de impact van de crisis direct ervaren bij het beheer van hun landbouwbedrijf en hun huishouden;

L.  overwegende dat deze situatie een ernstige uitdaging vormt voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dat moet zorgen voor de ontwikkeling van plattelandsgebieden en de verhoging van hun potentieel;

M.  overwegende dat het noodzakelijk is een duurzame en levendige landbouwsector te handhaven als de fundamentele economische, milieu- en sociale basis van plattelandsgebieden, die bijdraagt aan plattelandsontwikkeling, voedselproductie, biodiversiteit en het scheppen van banen;

N.  overwegende dat de status van kleine boeren of familielandbouwbedrijven als primaire voedselproducenten moet worden verbeterd en dat hun landbouw- en veeteeltactiviteiten moeten worden gehandhaafd door innovatie en voldoende financiële middelen en maatregelen op EU-niveau te bevorderen; overwegende dat tussen 2005 en 2010 2,4 miljoen landbouwbedrijven in de EU zijn verdwenen, de meeste daarvan kleine of familiebedrijven, en dat de werkloosheid in de plattelandsgebieden daardoor is toegenomen;

O.  overwegende dat de bevordering van diversificatiemaatregelen en de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, alsmede de bevordering van producentenorganisaties, kan bijdragen tot de weerbaarheid van de sector, die geconfronteerd wordt met de problemen van oneerlijke handelspraktijken en markten die steeds instabieler worden;

P.  overwegende dat het van belang is de deelname van vrouwen aan de waardeketen op het gebied van agrovoeding te ondersteunen en bevorderen, aangezien zij met name een rol spelen bij de productie- en verwerkingsprocessen;

Q.  overwegende dat toegang tot een leven lang leren, de mogelijkheid om in een niet-formele context verkregen vaardigheden te benutten en de mogelijkheid tot omscholing en verkrijging van vaardigheden die op een dynamische arbeidsmarkt gebruikt kunnen worden, essentiële voorwaarden zijn voor de verruiming van de werkgelegenheid voor vrouwen in plattelandsgebieden;

R.  overwegende dat coöperatieven, onderlinge maatschappijen, sociale ondernemingen en andere alternatieve bedrijfsmodellen een enorm potentieel bieden om een duurzame en inclusieve economische groei te stimuleren en de economische positie van vrouwen in plattelandsgebieden en in de landbouwsector te versterken;

S.  overwegende dat de deelname van vrouwen en meisjes aan onderwijs en "een leven lang leren", met name op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM), alsook aan ondernemerschap van essentieel belang is om gendergelijkheid in de landbouw- en voedselproductiesector te bewerkstelligen, alsook in de toeristische sector en andere bedrijfstakken in plattelandsgebieden;

De problemen van vrouwen in plattelandsgebieden

T.  overwegende dat iets minder dan 50 % van de totale beroepsbevolking van plattelandsgebieden in de EU vrouw is, maar dat zij slechts circa 45 % van de totale beroepsbevolking vormen; overwegende dat vele vrouwen niet als werkloos geregistreerd staan of worden meegeteld in de werkloosheidsstatistieken en dat er geen duidelijke gegevens bestaan over vrouwen die in de landbouw werkzaam zijn als bedrijfseigenares of als werkneemster;

U.  overwegende dat in de overwegend rurale gebieden van de EU in 2009 slechts 61 % van vrouwen in de leefdtijdscategorie van 20 tot 64 jaar in dienstverband werkzaam was(12); overwegende dat in veel lidstaten vrouwen in plattelandsgebieden beperkte toegang tot banen in de landbouw hebben en relatief weinig arbeidskansen krijgen in deze sector, maar dat zij niettemin een belangrijke rol vervullen in plattelandsontwikkeling en het sociale netwerk van plattelandsgebieden doordat zij zorgen voor een inkomen voor huishoudens of de levensomstandigheden verbeteren;

V.  overwegende dat vrouwen in 2014 instonden voor ongeveer 35% van de totale arbeidstijd in de landbouw, waarbij zij 53,8% van het deeltijdwerk en 30,8% van het voltijdwerk verrichtten, en dat zij zodoende een belangrijke bijdrage leveren aan de landbouwproductie; overwegende dat het werk dat wordt verricht door echtgenotes en andere vrouwelijke familieleden in landbouwbedrijven vaak onontbeerlijk is en als "onzichtbaar werk" wordt ondergewaardeerd als gevolg van het ontbreken van een beroepsstatus, waardoor het erkend kan worden en de vrouwen in kwestie in de socialezekerheidsdiensten kunnen worden ingeschreven, wat het mogelijke verlies van rechten zoals het recht op ziekteverlof en zwangerschapsverlof zou voorkomen en zou zorgen voor hun financiële onafhankelijkheid;

W.  overwegende dat er in sommige lidstaten, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, verschillende juridische statussen bestaan voor echtgenotes die op het bedrijf een regelmatige beroepsactiviteit uitoefenen (bedrijfsmedewerker, werknemer of bedrijfshoofd), waardoor zij werkelijke sociale bescherming genieten tegen risico's in het beroeps- en het privéleven;

X.  overwegende dat gemiddeld slechts 30% van de landbouwbedrijven in de EU door vrouwen wordt beheerd; overwegende dat een groot aantal vrouwen in de landbouw werkzaam is en dat de meeste vrouwen worden aangemerkt als echtgenote van de eigenaar, hetgeen in 2007 gold voor 80,1% van alle echtgenotes(13);

Y.  overwegende dat de eigenaar van het landbouwbedrijf de persoon is die wordt vermeld op bankdocumenten, in aanmerking komt voor subsidies en rechten opbouwt, en ook de persoon is die het landbouwbedrijf vertegenwoordigt bij verenigingen en collectieve organisaties; overwegende dat wie geen eigenaar is van het landbouwbedrijf geen enkele van de met deze eigendomsstatus verbonden rechten heeft (recht op bedrijfstoeslagen, premies voor zoogkoeien, aanplantrechten voor wijnstokken, inkomen, enz.) en dat dit vrouwen in een kwetsbare en nadelige positie plaatst;

Z.  overwegende dat vrouwen, om te kunnen profiteren van voordelige hulpregelingen voor in de landbouw werkende vrouwen, moeten worden erkend als eigenaars of mede-eigenaars; overwegende dat het eigenaarschap of mede-eigenaarschap van landbouwbedrijven voor vrouwen moet worden bevorderd door de Europese Unie, wat een gunstig effect zou hebben op hun situatie op de arbeidsmarkt, sociale rechten en economische onafhankelijkheid en er dus zou voor zorgen dat zij in de plattelandsgebieden een grotere zichtbaarheid krijgen (en erkenning van hun bijdrage aan de economie en de inkomens) en meer toegang tot land;

AA.  overwegende dat in Europese, nationale en regionale statistieken meer zichtbaarheid moet worden gegeven aan vrouwen in plattelandsgebieden, zodat een beeld wordt gegeven van hun situatie en de rol die zij vervullen;

AB.  overwegende dat een betere toegang van jongeren en vrouwen tot land ten goede zou komen aan de overname van landbouwbedrijven door de jongere generatie en een positieve invloed zou hebben op de economische groei en het sociale welzijn;

AC.  overwegende dat het voor alle bewoners van plattelandsgebieden belangrijk is dat kwaliteitsvolle en betaalbare openbare en particuliere diensten worden verstrekt, onder meer kinderopvang en zorg voor ouderen en andere zorgbehoevenden, met inbegrip van personen met een handicap; overwegende dat deze diensten met name van belang zijn voor een beter evenwicht tussen werk en gezin, vooral voor vrouwen, aangezien zij meer betrokken zijn bij de zorg voor de jongere, zorgbehoevende en oudere leden van de familie;

AD.  overwegende dat vrouwen een multifunctionele rol hebben in plattelandsgebieden en dat deze diensten hen derhalve in staat zouden stellen te werken en hun loopbaan verder te ontwikkelen, met een eerlijke verdeling van familiale en zorgtaken;

AE.  overwegende dat de basis voor het verbeteren van de levenskwaliteit in plattelandsgebieden gevormd wordt door de beschikbaarheid van infrastructuur zoals vervoersverbindingen, toegang tot snel breedbandinternet, inclusief mobiele gegevensdiensten en energievoorziening, alsmede kwaliteitsvolle sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten;

AF.  overwegende dat de breedbanddekking in plattelandsgebieden in de gehele EU-28 nog steeds achter blijft bij de nationale dekking; overwegende dat in 2015 98,4 % van de huishoudens in plattelandsgebieden over ten minste één breedbandtechnologie beschikten, maar dat slechts 27,8 % toegang had tot diensten van de volgende generatie; overwegende dat digitale infrastructuur, die niet volledig ontwikkeld is in alle plattelandsgebieden van de EU, zeer nuttig kan zijn voor de toegang tot informatie en onderwijs, het delen van informatie en de uitwisseling van goede praktijken tussen vrouwen in plattelandsgebieden en een sleutelelement kan vormen in de steun die nodig is om de vrouwelijke bevolking van deze gebieden te handhaven;

AG.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel instrument vormt voor de bevordering van gelijkheid, een waarde die horizontaal moet worden gestimuleerd, niet alleen op scholen maar ook in beroepsopleidingen, en met name op de primaire sector gerichte opleidingen;

AH.  overwegende dat verbetering van de algemene omstandigheden in plattelandsgebieden een verbeterde positie van vrouwen in deze gebieden tot gevolg zullen hebben;

AI.  overwegende dat de aanzienlijke bijdrage die vrouwen leveren aan lokale en plattelandsontwikkeling onvoldoende weerspiegeld wordt in hun deelname aan de desbetreffende besluitvormingsprocessen, aangezien vrouwen in plattelandsgebieden vaak ondervertegenwoordigd zijn in besluitvormingsorganen, zoals landbouwcoöperatieven, vakbonden en gemeentebesturen; overwegende dat het uiterst belangrijk is de vertegenwoordiging van vrouwen in dergelijke organen te vergroten;

AJ.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden ook te lijden hebben onder pensioen- en loonkloven, die in sommige lidstaten groter worden; overwegende dat daarom meer aandacht moet worden besteed aan het opstellen van geactualiseerde statistieken over de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden, alsook over hun werk- en leefomstandigheden;

AK.  overwegende dat er tot nu toe geen thematische subprogramma's gecreëerd zijn met betrekking tot "Vrouwen in plattelandsgebieden” en dat de participatie van vrouwen in het gebruik van de instrumenten die in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's beschikbaar waren tot 2014 betreurenswaardig laag was; overwegende dat van de 6,1 miljoen deelnemers aan opleidingsmaatregelen, slechts 28 % vrouw was; overwegende dat slechts 19 % van de begunstigden van fysieke investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van modernisering en 33% van de begunstigden van diversificatiemaatregelen vrouw was; overwegende dat van de banen die zijn gecreëerd als gevolg van maatregelen uit hoofde van as 3 (diversificatie van de economie in plattelandsgebieden) slechts 38 % naar vrouwen is gegaan;

1.  legt de nadruk op de actieve rol van vrouwen in plattelandsgebieden en erkent dat vrouwen aan de economie in deze gebieden bijdragen als ondernemers, hoofden van familiebedrijven en bevorderaars van duurzame ontwikkeling; is van mening dat vrouwelijk ondernemerschap voor het platteland in sociaal, economisch en milieuopzicht een belangrijke pijler voor duurzame ontwikkeling vormt en dus moet worden bevorderd, aangemoedigd en ondersteund binnen de strategieën voor plattelandsontwikkeling en met name door middel van onderwijs en beroepsopleiding, bevordering van bedrijfseigendom onder vrouwen, ondernemersnetwerken en toegang tot investeringen en krediet, bevordering van hun vertegenwoordiging in bestuurslichamen en door het creëren van de kansen die nodig zijn om jonge, zelfstandige, deeltijd werkende en vaak onderbetaalde vrouwen te ondersteunen;

2.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een geslaagd evenwicht tussen werk en gezin te ondersteunen, nieuwe arbeidskansen en een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden te bevorderen en vrouwen aan te moedigen om hun eigen project op te zetten;

3.  is ingenomen met de steun voor vrouwen in plattelandsgebieden in de vorm van initiatieven die gericht zijn op hun erkenning of op netwerken; benadrukt met name de fundamentele rol van vrouwen als leden van kleine of familiale landbouwbedrijven, die de belangrijkste sociaaleconomische kern van plattelandsgebieden vormen die instaat voor voedselproductie, behoud van traditionele kennis en vaardigheden, regionale identiteit en bescherming van het milieu; is van mening dat vrouwelijke landbouwers een belangrijke rol kunnen spelen bij het behoud van kleine en familiale toekomstbestendige landbouwbedrijven;

4.  meent dat er, gezien de verschillende rollen, beroepen en omstandigheden van vrouwen in plattelandsgebieden, voor het verbeteren van de arbeidsperspectieven bijstand en ondersteuning vereist is die op maat van hun behoeften en belangen is toegesneden;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen in plattelandsgebieden te ondersteunen, te stimuleren, te faciliteren en te bevorderen als een voorrangspunt in hun toekomstig beleid voor plattelandsontwikkeling, en in dit verband doelstellingen inzake duurzame en betaalde werkgelegenheid te formuleren; vraagt ook aan de lidstaten dat zij in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling strategieën opnemen die specifiek gericht zijn op de bijdrage van vrouwen aan het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

6.  stelt vast dat de participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt in plattelandsgebieden betrekking heeft op een breed scala aan banen die verder gaan dan de conventionele landbouw en benadrukt in dit verband dat vrouwen in plattelandsgebieden actoren van verandering kunnen zijn, in de zin dat zij de overgang naar duurzame en ecologisch verantwoorde landbouw kunnen bevorderen en een belangrijke rol kunnen vervullen bij het scheppen van groene banen;

7.  verzoekt de lidstaten gerichter gebruik te maken van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit en deze beter bekend te maken, ELFPO-specifieke maatregelen aan te wenden ten behoeve van de werkgelegenheid van vrouwen, verschillende soorten arbeidsregelingen voor vrouwen te bevorderen en te verbeteren, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in plattelandsgebieden, te voorzien in verschillende soorten stimulansen om duurzaamheid en de ontwikkeling van start-ups en kmo's te ondersteunen en initiatieven te introduceren om in de landbouw nieuwe banen te creëren en bestaande te behouden, en deze ook voor jonge vrouwen aantrekkelijker te maken;

8.  spoort de lidstaten aan regelmatig toe te zien op de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden en zoveel mogelijk gebruik te maken van specifieke instrumenten en bestaande maatregelen in het kader van het GLB om de participatie van vrouwen als begunstigden te verhogen en zodoende hun situatie te verbeteren;

9.  beveelt aan dat de Commissie bij de toekomstige hervorming van het GLB de thematische subprogramma's met betrekking tot "Vrouwen in plattelandsgebieden" handhaaft en verbetert en deze programma's onder meer richt op projecten voor het in de handel brengen en de rechtstreekse verkoop en promotie van producten op lokaal of regionaal niveau, aangezien dergelijke projecten een rol kunnen vervullen bij het scheppen van werkgelegenheid voor vrouwen in plattelandsgebieden;

10.  wijst erop dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kerndoelstelling is van de EU en haar lidstaten, verzoekt de Commissie en de Raad erop toe te zien dat gendergelijkheid in alle EU- programma’s, -acties en -initiatieven aan bod komt, en verlangt daarom dat gendermainstreaming wordt toegepast binnen het GLB en het cohesiebeleid op het platteland; doet een voorstel voor nieuwe doelgerichte acties om de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden via het ELFPO aan te moedigen;

11.  hoopt dat meer inzicht in de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden het mogelijk zal maken op middellange termijn een Europees Handvest voor vrouwelijke landbouwers op te stellen, waarin dit beginsel wordt gedefinieerd en directe en indirecte vormen van discriminatie van vrouwen in plattelandsgebieden worden vastgesteld, evenals positievediscriminatiemaatregelen om deze uit te bannen;

12.  verzoekt de lidstaten, in het licht van de vereisten inzake gelijkheid van vrouwen en mannen, als een verplichting en een kerndoelstelling van de EU en haar lidstaten, en inzake non-discriminatie om meer synergieën te creëren bij het gebruik van de instrumenten die beschikbaar zijn in het kader van het ELFPO, Leader+, Horizon 2020 en het ESF om betere leef- en arbeidsomstandigheden in plattelandsgebieden te creëren, specifieke op maat gesneden beleidsmaatregelen na te streven, gericht op de sociale en economische inclusie en empowerment van vrouwen en meisjes, met name uit kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en om hen bewust te maken van alle kansen die hen worden geboden in plattelandsgebieden in het kader van de bestaande wetgeving;

13.  onderstreept hoe belangrijk het is specifieke maatregelen te overwegen ter bevordering van de opleiding, werkgelegenheid en bescherming van de rechten van de groepen vrouwen die het meest kwetsbaar zijn en die specifieke behoeften hebben, zoals vrouwen met een handicap, immigranten (waaronder seizoensarbeiders), vluchtelingen en minderheden, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, vrouwen zonder opleiding of met een laag opleidingsniveau, alleenstaande moeders enz.;

14.  benadrukt de cruciale rol die vrouwen doorgaans vervullen als het gaat om boekhoudkundige werkzaamheden binnen familiebedrijven en wijst in dit verband op het gebrek aan ondersteuning in de vorm van advies wanneer het financieel slecht gaat met een bedrijf;

15.  spoort de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de deelname van vrouwen aan het beheer van landbouwbedrijven volledig wordt erkend en dat hun toegang tot het eigenaarschap of mede-eigenaarschap van landbouwbedrijven bevorderd en vergemakkelijkt wordt;

16.  dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen voor voorlichting en technische bijstand te bevorderen, alsook de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten wat betreft de invoering van een beroepsstatus voor meewerkende echtgenotes in de landbouw, die hen individuele rechten toekent zoals met name het recht op moederschapsverlof, sociale bescherming in geval van arbeidsongevallen, toegang tot opleiding en recht op pensioen;

17.  verzoekt de Europese instellingen te zorgen voor een GLB waarin de steun evenwichtig wordt verdeeld, om de ondersteuning van kleine landbouwbedrijven te waarborgen;

18.  benadrukt dat de participatie van vrouwen in de besluitvorming in plattelandsgebieden moet worden ondersteund door middel van opleidingsactiviteiten die bedoeld zijn om hun aanwezigheid in gebieden en sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, te stimuleren en door bewustmakingscampagnes over het belang van de actieve deelname van vrouwen aan coöperaties, zowel als partners als in managementposities;

19.  spoort de lidstaten aan de gelijkheid van vrouwen en mannen in de verschillende organen voor bestuur en vertegenwoordiging te bevorderen ter aanmoediging van gelijke deelname en inspraak en betere vertegenwoordiging van vrouwen in werkgroepen en toezichtcommissies voor plattelandsontwikkeling en in alle soorten landbouworganisaties, verenigingen en openbare instellingen, zodat het besluitvormingsproces de standpunten van vrouwen en mannen reflecteert, en dringt erop aan dat zij vrouwen aanmoedigen deel te nemen aan plaatselijke actiegroepen en lokale partnerschappen ontwikkelen in het kader van het Leader-programma;

20.  dringt aan op steun voor organisaties van vrouwen en landbouwers, die een belangrijke rol te vervullen hebben bij het aanmoedigen en opzetten van nieuwe programma's voor ontwikkeling en diversifiëring;

21.  verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan de bestaande wetgevingshandelingen inzake gelijke behandeling van vrouwen en mannen, onder meer op het gebied van sociale zekerheid en zwangerschaps- en ouderschapsverlof; spoort hen aan de wetgeving inzake gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de arbeidsmarkt te verbeteren en te zorgen voor socialezekerheidsdekking voor mannen en vrouwen die in plattelandsgebieden werken;

22.  verzoekt de Commissie toe te zien op de omzetting van de bestaande wetgevingshandelingen om de problemen en discriminatie van vrouwen die in plattelandsgebieden wonen en werken aan te pakken;

23.  benadrukt dat op Europees en nationaal niveau effectieve maatregelen moeten worden genomen om de huidige loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen; spoort de Commissie aan om, samen met de lidstaten en de desbetreffende regionale autoriteiten, de multidimensionale aard van de genderpensioenkloof in overweging te nemen bij de ontwikkeling van specifieke beleidsmaatregelen in het kader van de EU-strategie voor plattelandsontwikkeling, aangezien meerdere factoren, waaronder de arbeids- en loonkloof, onderbroken carrières, deeltijdwerk, informele arbeid van meewerkende echtgenotes, de opzet van pensioenstelsels en lagere bijdragen, kunnen leiden tot grotere pensioenkloven;

24.  spoort voorts de lidstaten aan een behoorlijk pensioen te waarborgen, met inbegrip van een nationaal minimumpensioen dat met name bedoeld is om vrouwen in plattelandsgebieden te helpen hun financiële onafhankelijkheid te behouden wanneer zij de pensioenleeftijd bereiken;

25.  benadrukt dat het EU-beleid inzake leefomstandigheden voor vrouwen in plattelandsgebieden ook rekening moet houden met de leef- en arbeidsomstandigheden van vrouwen die als seizoenarbeiders in de landbouw worden ingehuurd, met name wat betreft de noodzaak om hen sociale bescherming, een ziektekostenverzekering en gezondheidszorg te bieden; wijst erop dat aan het werk dat deze vrouwen verrichten een maximale waarde moet worden toegekend;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan de rol van de sociale partners en organisaties die samenwerken met de autoriteiten te versterken bij het toezicht op de naleving van de arbeidswetgeving, de bestrijding van zwartwerk en de naleving van sociale en veiligheidsnormen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van alle vrouwelijke werknemers, met inbegrip van migrantenwerknemers, seizoenarbeiders en vluchtelingen;

27.  dringt er bij de Commissie en de nationale autoriteiten op aan op lidstaatniveau informatie-databanken en netwerken op te zetten teneinde de economische en sociale situatie van vrouwen in plattelandsgebieden en hun bijdrage aan de samenleving in kaart te brengen en de kennis hierover te vergroten;

28.  vraagt dat de lidstaten en de Europese autoriteiten hun statistische plannen herzien en mechanismen opnemen waarmee de algehele bijdrage van vrouwen aan het plattelandsinkomen en de plattelandseconomie kan worden gemeten, en dat zij daarbij waar mogelijk de indicatoren naar geslacht uitsplitsen en de beschikbare gegevens over de economische en sociale situatie van vrouwen en hun betrokkenheid bij de activiteiten in landelijke gebieden, optimaal benutten om de beleidsmaatregelen beter af te stemmen op de realiteit;

29.  dringt aan op beter regelmatig toezicht op het GLB, het verzamelen van gegevens en evaluatie-indicatoren om de rol van vrouwen in de landbouw en het “onzichtbare” werk dat zij verrichten in kaart te brengen;

30.  beklemtoont dat er meer aandacht moet worden besteed aan de productie van bijgewerkte statistieken over het landbezit onder vrouwen;

31.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten en de plaatselijke en regionale autoriteiten om niet alleen voldoende speciaal op vrouwelijke landbouwers en vrouwen op het platteland gericht voorlichtingsmateriaal over de mogelijkheden voor steun beschikbaar te stellen, maar ook toegang te verschaffen tot onderwijs en beroepsopleiding op het gebied van de landbouw en alle verwante sectoren, onder meer post-universitaire opleidingen en gespecialiseerde cursussen voor ondernemers en agrarische producenten, zodat vrouwen ondernemerscapaciteiten, kennis en toegang tot financiering en microfinanciering kunnen verwerven met het oog op het opstarten en versterken van bedrijfsactiviteiten en zodat zij ook kunnen deelnemen aan een brede waaier van productieactiviteiten in landelijke gebieden, en hun concurrentievermogen in landbouw- en plattelandsgebieden te bevorderen, ook in het plattelandstoerisme dat verbonden is met commerciële landbouwactiviteiten;

32.  vraagt dat breed professioneel en bedrijfsadvies over diversificatie wordt verstrekt en dat actie wordt ondernomen om de economische emancipatie van vrouwen te versterken, coöperaties, mutualiteiten, sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen te bevorderen en de ondernemingszin en -vaardigheden van vrouwen te verbeteren;

33.  herinnert er in dit verband aan dat de door de Commissie voorgestelde Nieuwe Agenda voor vaardigheden de lidstaten de mogelijkheid biedt om vaardigheden die buiten het formele onderwijs en de formele beroepsopleiding om zijn verworven, beter te identificeren en te erkennen teneinde sociale uitsluiting en armoederisico te bestrijden;

34.  dringt erop aan dat de deelname van hoog opgeleide vrouwen op het gebied van landbouw, veehouderij en bosbouw aangemoedigd wordt en vergemakkelijkt wordt door middel van opleidingsprogramma's voor de ontwikkeling van activiteiten die verband houden met het verstrekken van adviesdiensten aan boerderijen en innovatie;

35.  pleit voor de geleidelijke opname van gelijkheidsmodules in specifieke landbouwopleidingen en in onderwijsmateriaal, de bevordering van openbare campagnes voor gelijkheid in plattelandsgebieden en bijzondere aandacht voor het belang van gelijkheid op plattelandsscholen;

36.  onderstreept hoe belangrijk het is vrouwen te adviseren en ondersteunen om hen in staat te stellen innoverende landbouw- en andere activiteiten in plattelandsgebieden te ontwikkelen;

37.  benadrukt dat organisaties van plattelandsvrouwenorganisaties moeten worden bevorderd en gesteund onder meer door de activiteit van netwerken, hubs, databanken en verenigingen aan te moedigen als een sleutel voor sociale, economische en culturele ontwikkeling aangezien deze informatie-, opleidings- en werkgelegenheidsnetwerken tot stand brengen, ernaar streven de uitwisseling van ervaring en beste praktijken op alle niveaus op te voeren en ervoor zorgen dat de sociale en economische situatie van vrouwen in landelijke gebieden zichtbaarder wordt; steunt bedrijfsinitiatieven, verenigingen, coöperaties en organisaties die vrouwen vertegenwoordigen;

38.  verzoekt de regionale spelers met financiële middelen uit de tweede pijler sensibiliseringsprogramma's uit te voeren waarmee de genderneutraliteit van alle beroepen wordt onderstreept en de nog altijd zeer traditionele taakverdeling in de landbouw wordt doorbroken;

39.  verzoekt de lidstaten gelijke toegang tot land voor vrouwen te vergemakkelijken, eigendoms- en erfenisrechten te waarborgen en toegang tot krediet voor vrouwen te faciliteren teneinde hen aan te moedigen zich in plattelandsgebieden te vestigen en een rol in de landbouwsector te vervullen; spoort de lidstaten voorts aan het probleem van landroof en concentratie van grondbezit op EU-niveau aan te pakken;

40.  is ingenomen met de nieuwe modellen voor landbouwkrediet die mogelijk zijn geworden dankzij de nauwe samenwerking tussen de Europese Commissie en de Europese Investeringsbank en beveelt de lidstaten aan deze zo breed mogelijk toe te passen;

41.  verzoekt de lidstaten en regionale en lokale overheden te zorgen voor betaalbare, kwalitatief hoogwaardige faciliteiten en openbare en particuliere diensten voor het dagelijks leven in plattelandsgebieden, vooral op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en zorg; wijst erop dat dit betekent dat er op het platteland infrastructuren voor kinderopvang moeten zijn, gezondheidsdiensten, onderwijsstructuren, zorginstellingen voor ouderen en andere afhankelijke personen, diensten voor plaatsvervanging in geval van ziekte of zwangerschap, alsook culturele diensten;

42.  onderstreept dat nieuwe kansen moeten worden geboden voor betaald werk, met name voor vrouwen, teneinde plattelandsgemeenschappen in stand te houden en de voorwaarden te creëren voor een goed evenwicht tussen beroeps- en privéleven;

43.  spoort de lidstaten en de regionale autoriteiten ertoe aan gebruik te maken van de structuurfondsen en het cohesiefonds om de vervoersinfrastructuur in plattelandsgebieden uit te breiden en te moderniseren en om te zorgen voor zekere energievoorziening en betrouwbare snelle breedbandinfrastructuur en -diensten in plattelandsgebieden; onderstreept het belang van de digitale ontwikkeling op het platteland en van de ontwikkeling van holistische concepten (het “digitale dorp");

44.  dringt er bij de Commissie op aan te erkennen dat het belangrijk is om haar digitale agenda uit te breiden tot plattelandsgebieden, aangezien digitale ontwikkeling aanzienlijk kan bijdragen tot de creatie van nieuwe banen, het faciliteren van zelfstandig ondernemerschap, de bevordering van concurrentie en toeristische ontwikkeling en kan zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezinsleven;

45.  spoort lokale en nationale autoriteiten en andere instanties aan de fundamentele mensenrechten van migranten en seizoensarbeiders en hun gezinnen te waarborgen, met name die van vrouwen en bijzonder kwetsbare personen, en hun integratie in de lokale gemeenschap te bevorderen;

46.  vestigt de aandacht op de ongelijke toegang tot kinderopvang in stedelijke en plattelandsgebieden en op de regionale verschillen bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van Barcelona betreffende kinderopvang;

47.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen en wijst erop dat bijstand aan slachtoffers een cruciale rol speelt; vraagt daarom de lidstaten en de regionale en plaatselijke overheden dat zij een krachtig signaal van nultolerantie ten aanzien van geweld tegen vrouwen afgeven en dat zij maatregelen uitvoeren en diensten aanbieden die zijn toegesneden op de omstandigheden in plattelandsgebieden teneinde geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden en ervoor te zorgen dat de slachtoffers toegang hebben tot bijstand;

48.  dringt er bijgevolg bij de lidstaten en de regionale en lokale overheden op aan ervoor te zorgen dat slachtoffers van geweld tegen vrouwen in plattelandsgebieden en afgelegen gebieden gelijke toegang krijgen tot bijstand en herinnert aan zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om het verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ratificeren;

49.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om met een voorstel te komen voor een EU-richtlijn betreffende geweld tegen vrouwen;

50.  benadrukt dat plattelandsgebieden binnen de lidstaten een cruciale rol op gebied van economie en veiligheid te vervullen hebben in onze moderne maatschappij, waarin meer dan 12 miljoen landbouwers zorgen voor een voldoende hoeveelheid gezond en veilig voedsel voor een half miljard consumenten in de hele Europese Unie; wijst erop dat het uiterst belangrijk is de gemeenschappen in deze gebieden levendig te houden door vrouwen en gezinnen aan te moedigen om er te blijven;

51.  vraagt in dit verband aan de Commissie en de lidstaten dat zij waarborgen bieden voor een krachtig GLB met voldoende middelen, dat Europese boeren en consumenten van dienst is, plattelandsontwikkeling bevordert, de gevolgen van klimaatverandering beperkt en het milieu beschermt en versterkt, terwijl tegelijk wordt gezorgd voor kwaliteitsvolle en veilige voedselvoorziening en het creëren van meer banen;

52.  wijst erop dat plattelandsgebieden vaak natuurlijk en cultureel erfgoed omvatten dat beschermd en ontwikkeld moet worden, samen met duurzaam toerisme en milieu-onderwijs;

53.  benadrukt het belang van het beginsel multifunctionaliteit, waarbij wordt verwezen naar andere activiteiten in plattelandsgebieden die een aanvulling vormen op de landbouwproductie en waarin met name vrouwen werkzaam zijn; moedigt de lidstaten daarom aan aandacht te besteden aan maatregelen voor diversificatie van activiteiten zoals rechtstreekse verkoop van producten, sociale diensten, zorgdiensten en agritoerisme; meent dat, gezien de stijgende belangstelling voor dit soort toerisme, de activiteiten in deze sector in een netwerk moeten worden opgenomen en optimale werkwijzen moeten worden verspreid;

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(2) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(3) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(6) PB C 66 E van 20.3.2009, blz. 23.
(7) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 13.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0264.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0290.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0427.
(11) volgens de landbouwstructuurenquête van Eurostat.
(12) Europese Commissie (2011), 'Agriculture and Rural Development. EU Agricultural Economic Briefs. Rural Areas and the Europe 2020 Strategy – Employment', Brief nr. 5 – november 2011.
(13) Europese Commissie (2012), 'Agricultural Economic Briefs. Women in EU agriculture and rural areas: hard work, low profile', Brief nr. 7 – juni 2012.

Juridische mededeling