Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 19 januari 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Indonesië, met name de gevallen van Hosea Yeimo, Ismael Alua en de gouverneur van Jakarta
 Centraal-Afrikaanse Republiek
 De situatie in Burundi
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo: toepassingsprocedures ***I
 Invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder een bijzondere invoerregeling van de Unie ***I
 Sluiting van de overeenkomst tot voortzetting van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie ***
 Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen
 Logistiek in de EU en multimodaal vervoer in de nieuwe TEN-T-corridors
 Een Europese pijler van sociale rechten
 Aanpak van de problemen in verband met de implementatie van het douanewetboek van de Unie (UCC)

Indonesië, met name de gevallen van Hosea Yeimo, Ismael Alua en de gouverneur van Jakarta
PDF 167kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over Indonesië, met name de gevallen van Hosea Yeimo en Ismael Alua en de gouverneur van Jakarta (2017/2506(RSP))
P8_TA(2017)0002RC-B8-0072/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Indonesië, met name die van 26 februari 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds, met uitzondering van de aangelegenheden die verband houden met overname(1),

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Indonesië, die op 1 mei 2014 in werking is getreden,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 23 mei 2015 over het vooruitzicht van verdere executies in Indonesië,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 27 juli 2016 over de geplande executies in Indonesië,

–  gezien de zesde mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Indonesië van 28 juni 2016,

–  gezien de verklaring van Bangkok van 14 oktober 2016 over het bevorderen van een mondiaal partnerschap tussen de ASEAN en de EU met betrekking tot gezamenlijke strategische doelstellingen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Indonesië in 2006 heeft geratificeerd,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1987,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Indonesië de op drie na volkrijkste natie ter wereld is, de op twee na grootste democratie, het grootste moslimland met miljoenen aanhangers van andere godsdiensten, en een heterogene maatschappij met meer dan 255 miljoen inwoners met diverse etniciteiten, talen en culturen;

B.  overwegende dat Indonesië een belangrijke partner van de EU is; overwegende dat de EU en Indonesië, een lid van de G20, nauwe betrekkingen onderhouden; overwegende dat de EU en Indonesië dezelfde waarden delen op het gebied van mensenrechten, governance en democratie;

C.  overwegende dat de minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië en de VV/HV tijdens de eerste strategische ministeriële dialoog (8 april 2016) gezamenlijk verklaard hebben de betrekkingen tussen de EU en Indonesië "tot een hoger niveau van partnerschap" te brengen;

D.  overwegende dat Hosea Yeimo en Ismael Alua, twee Papoease politieke activisten, op 19 december 2016 na vreedzame politieke activiteiten werden gearresteerd op beschuldiging van "rebellie" volgens het Indonesische strafrecht; overwegende dat Hosea Yeimo en Ismael Alua op 11 januari 2017 op borgtocht zijn vrijgelaten; overwegende dat de gerechtelijke procedure nog lopende is; overwegende dat hun gevangenisstraf bij veroordeling kan oplopen tot levenslang;

E.  overwegende dat president Joko Widodo de Papoeanen verandering beloofd heeft, te beginnen bij "een open dialoog voor een beter Papoea", en zich ertoe verbonden heeft het buitensporige gebruik van geweld en de mensenrechtenschendingen te beëindigen; overwegende dat de president sinds zijn verkiezing in 2014 vier bezoeken aan Papoea heeft gebracht; overwegende dat hij onlangs een groot aantal Papoease gevangen heeft vrijgelaten ten teken van verzoening;

F.  overwegende dat de gouverneur van Jakarta, Basuki Tjahaja Purnama, beter bekend onder de naam Ahok, terechtstaat omdat hij door bepaalde religieuze groeperingen beschuldigd wordt van het beledigen van de islam; overwegende dat een coalitie van islamistische groeperingen met de naam "Nationale beweging voor handhaving van de MUI-fatwa", waaronder ook leden van het "Front ter verdediging van de Islam" (FPI), sinds oktober 2016 drie betogingen heeft georganiseerd om Ahok achter tralies te krijgen;

G.  overwegende dat de vrijheid van gedachte, de vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, de vrijheid van religie, het recht om niet willekeurig gearresteerd of opgesloten te worden en het recht niet te worden gefolterd fundamentele en onvervreemdbare vrijheden en rechten zijn;

H.  overwegende dat Indonesië in 2013 opnieuw begonnen is met het uitvoeren van de doodstraf en sindsdien een aantal veroordeelden heeft geëxecuteerd;

1.  stelt prijs op de nauwe betrekkingen tussen de EU en Indonesië en herhaalt het belang van de sterke en langdurige politieke, economische en culturele banden tussen beide landen;

2.  is bezorgd over de groeiende intolerantie in Indonesië ten opzichte van etnische, religieuze en seksuele minderheden; veroordeelt met klem alle vormen van geweld, pesterijen en intimidatie ten aanzien van minderheden, evenals de straffeloosheid van deze daden, en veroordeelt het toenemende misbruik van de bestaande regelgeving om leden van religieuze minderheden, traditionele religies en etnische en seksuele minderheden te discrimineren, te vervolgen en op te sluiten;

3.  verwelkomt de inzichten van Indonesië over het bestrijden van gewelddadig extremisme alsook de ervaringen van het land met betrekking tot de bevordering van tolerantie in de maatschappij en interreligieuze dialoog; merkt op dat Indonesië inspanningen levert om de democratie te behouden, de mensenrechten te eerbiedigen en zijn "eenheid in verscheidenheid" te benadrukken; wijst erop dat de bescherming van alle mensenrechten verzekerd moet worden, met inbegrip van die van kwetsbare en minderheidsgroepen, zodat non-discriminatie bij de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, opinie, meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering gewaarborgd is;

4.  verwelkomt de voortzetting van de mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Indonesië, die in 2010 van start ging; verwelkomt de hechte samenwerking tussen de EU en Indonesië op tal van gebieden; benadrukt dat de EU en Indonesië overeen zijn gekomen concrete samenwerkingsprojecten op diverse gebieden op te zetten, waaronder toegang tot justitie en strafrechtbeleid, het bestrijden van gewelddadig extremisme, de rechten van migranten, bedrijfsleven en mensenrechten, de rechten van personen met een handicap en van personen die behoren tot kwetsbare en minderheidsgroepen;

5.  brengt in herinnering dat het verbeteren van de mensenrechten in Indonesië een prioriteit is in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Indonesië;

6.  is verheugd over de goede relaties die Indonesië met zijn buren onderhoudt en zijn actieve inzet voor de Verenigde Naties;

7.  moedigt de regering van Indonesië aan alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de rechten van vreedzame activisten te beschermen en een klimaat te creëren dat bevorderlijk is voor de verwezenlijking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzaam protest;

8.  verneemt met instemming dat Hosea Yeimo en Ismael Alua op 11 januari 2017 op borgtocht zijn vrijgelaten; merkt op dat de gerechtelijke procedure nog lopende is; vraagt de EU-delegatie in Indonesië deze gerechtelijke procedure op te volgen;

9.  verzoekt de Indonesische autoriteiten te overwegen af te zien van de aanklacht die loopt tegen Hosea Yeimo, Ismael Alua en andere gewetensgevangenen op grond van de vreedzame uitoefening van hun recht op vrijheid van meningsuiting;

10.  spoort de Indonesische en lokale autoriteiten in Papoea aan om onmiddellijk effectieve maatregelen te treffen om de veiligheid van vreedzame politieke activisten die hun rechten uitoefenen te waarborgen; roept de autoriteiten op ervoor te zorgen dat de bevolking van Papoea haar ideeën en meningen vrij kan uitdrukken, zonder angst voor straf, vergelding of intimidatie;

11.  veroordeelt met klem alle vormen van geweld of terreur, en betuigt zijn deelneming met de families van de slachtoffers;

12.  maakt zich zorgen over de aanklacht tegen Ahok op grond van godslastering; benadrukt dat vrijheid van meningsuiting en vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst beschermd zijn uit hoofde van het internationaal humanitair recht;

13.  roept de autoriteiten van Indonesië op om artikelen 156 en 156 (a) van het nationale wetboek van strafrecht in te trekken, de bepalingen met betrekking tot godslastering in het huidige voorstel tot herziening van het wetboek van strafrecht (RUU Revisi KUHP), de wet inzake elektronische informatie en transacties en de wetten inzake rebellie (met name artikelen 106 en 110) te schrappen, en alle wetten in overeenstemming te brengen met de verplichtingen van Indonesië krachtens het internationaal humanitair recht, met name op het gebied van vrijheid van meningsuiting, gedachte, geweten en godsdienst, gelijkheid voor de wet, vrijheid van discriminatie, het recht op vrije meningsuiting en openbare vergadering; merkt op dat mensen tot vijf jaar lang opgesloten kunnen worden op grond van "laster";

14.  benadrukt dat de Indonesische regering de Indonesische traditie van religieuze tolerantie en pluralisme dient te beschermen door individuen of groepen die discrimineren of die daden van geweld tegen religieuze gemeenschappen begaan te onderzoeken, arresteren en vervolgen;

15.  is bezorgd over de steeds hevigere anti-LGBTI-retoriek, die geleid heeft tot talloze bedreigingen tegen en gewelddadige aanvallen op LGBTI-ngo's, -activisten en -personen; roept de regering en de wetgevers op af te zien van verdere inkrimping van de rechten van LGBTI-personen en ervoor te zorgen dat hun recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering gewaarborgd is;

16.  betreurt dat de doodstraf opnieuw werd ingevoerd; roept de autoriteiten op om een officieel moratorium op executies in te stellen, met het oog op de afschaffing van de doodstraf; uit zijn bezorgdheid over de zaak rond EU-burger Serge Atlaoui;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Indonesië, de secretaris-generaal van de ASEAN, de Intergouvernementele Commissie inzake mensenrechten van de ASEAN en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0141.


Centraal-Afrikaanse Republiek
PDF 182kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (2017/2507(RSP))
P8_TA(2017)0003RC-B8-0074/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), met name de resolutie van 7 juni 2016 over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie(1),

–  gezien VN-resolutie 2301 (2016) tot verlenging van het mandaat van de multidimensionale geïntegreerde stabilisatiemissie van de VN in de Centraal-Afrikaanse Republiek (MINUSCA) tot 15 november 2017, goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad op zijn 7747e vergadering van 26 juli 2016,

–  gezien het VN-mensenrechtenverslag van 14 december 2016 en gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 6 januari 2017 over de aanvallen op MINUSCA,

–  gezien het gedeelde voorzitterschap van de Conferentie van Brussel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek van 17 november 2016 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de president van de CAR, Faustin-Archange Touadéra,

–  gezien de EU-briefing over de CAR van 21 oktober 2016 door H. Exc. Joanne Adamson, plaatsvervangend hoofd van de delegatie van de Europese Unie bij de Verenigde Naties, bij het Departement Vredeshandhavingsoperaties van de Verenigde Naties,

–  gezien het verslag van 22 juli 2016 van de onafhankelijke deskundige van de VN, benoemd door de Mensenrechtenraad om de mensenrechtensituatie in de CAR te monitoren, hierover verslag uit te brengen en te adviseren, en haar verklaring van 16 november 2016, voorafgaand aan de vergadering van donoren in Brussel,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 februari 2015, 20 juli 2015 en 14 maart 2016, en van 19 april 2016 over het houden van vreedzame verkiezingen in de CAR,

–  gezien de verklaring van 8 juli 2016 van de voorzitter van de CAR-configuratie in de Commissie voor vredesopbouw tijdens de briefing van de VN-Veiligheidsraad over de CAR,

–  gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het Statuut van Rome van 1998 van het Internationaal Strafhof (ICC), dat door de CAR in 2001 werd geratificeerd,

–  gezien het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten, dat is ondertekend door de CAR,

–  gezien het verslag van Amnesty International van 11 januari 2017 – "The Long Wait For Justice: Accountability In Central African Republic",

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Centraal-Afrikaanse Republiek na het gewelddadige conflict tussen de rebellencoalitie Séléka en de anti-Balakamilitie sinds 2013 met ondersteuning van de internationale gemeenschap een indrukwekkende voortgang heeft geboekt bij het herstel van een constitutionele orde, met de vreedzame en succesvolle organisatie van verkiezingen en voltooiing van de politieke transitie;

B.  overwegende dat de CAR weliswaar politieke voortgang heeft geboekt, maar nog altijd instabiel is en gekenmerkt wordt door sporadische onrust die op een aantal plaatsen heeft geleid tot gewelddadige confrontaties, waardoor in het westen, noorden en oosten van het land diverse malen sprake is geweest van gedwongen verplaatsingen van de bevolking; overwegende dat ook het ontbreken van burgerlijke vrijheden, de genderongelijkheid, de beperkingen van de vrijheid van godsdienst of geloof en de spanningen tussen gemeenschappen nog altijd ernstige mensenrechtenproblemen in de CAR vormen;

C.  overwegende dat in het kader van de VN-missie wel 10 750 vredeshandhavers ter plaatse zijn in de CAR, maar dat sommige burgers klagen dat dit onvoldoende is om hen te beschermen tegen tientallen gewapende groeperingen; overwegende dat in het VN-mensenrechtenverslag van 14 december 2016 over het willekeurig doden van mensen melding wordt gemaakt van seksueel geweld in de CAR;

D.  overwegende dat de MINUSCA-missie in december 2016 ondersteuning heeft gegeven aan een nieuwe dialoog tussen 11 van de 14 gewapende groeperingen en de regering, als onderdeel van de voortdurende inspanningen met het oog op ontwapening van de facties in de CAR; overwegende dat volgens MINUSCA haar vredeshandhavers op patrouille op 4 januari 2017 terugkwamen uit de stad Koui en ongeveer 60 kilometer (37 mijl) ten westen van Obo zijn aangevallen door circa 50 personen, waarbij twee vredeshandhavers vermoord zijn door onbekende opstandelingen, terwijl op 7 januari 2017 een soortgelijke aanval plaatsvond in het noordwesten van Bokayi, waarbij één vredeshandhaver om het leven is gekomen;

E.  overwegende dat de wederopbouw van de justitiële sector nog altijd in de kinderschoenen staat en dat de capaciteit van de politie extreem beperkt is, en dat dit, in combinatie met een niet-functionerend gerechtelijk apparaat ertoe heeft geleid dat weinig actie is genomen om mensenrechtenschendingen een halt toe te roepen of aan te pakken en de daders te berechten;

F.  overwegende dat het gebrek aan rechtsbedeling in de CAR volgens Amnesty International zo nijpend is dat sommige slachtoffers gedwongen zijn hun dagelijks leven zij aan zij met hun agressors door te brengen, aangezien honderden ontsnapt zijn tijdens grootschalige gevangenisuitbraken en vele van de zwaarste delicten beschuldigde personen nooit gearresteerd zijn; overwegende dat slechts 8 van de 35 gevangenissen functioneren en buiten de hoofdstad Bangui weinig rechtbanken in werking zijn;

G.  overwegende dat sinds augustus 2016 in de CAR melding is gemaakt van een alarmerende stijging van het aantal gevallen van mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht waaraan de verschillende facties van de ex-Séléka en de anti-Balaka en daarbij aangesloten personen zich schuldig maken, welke hebben geleid tot ten minste 100 gevallen van moord, gedwongen verplaatsingen van de bevolking en vernieling van bezittingen; overwegende dat mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van zware gevechten die eind november 2016 plaatsvonden in de CAR tussen twee Séléka-groeperingen, waarbij ten minste 14 burgers zijn omgekomen en 76 gewond zijn geraakt;

H.  overwegende dat dergelijke aanvallen volgens Vladimir Monteiro, de woordvoerder van MINUSCA in Bangui, niet alleen gericht zijn tegen VN-vredeshandhavers, maar ook tegen humanitaire actoren en de burgerbevolking;

I.  overwegende dat tussen 28 en 30 november 2016 ten minste 115 mensen om het leven zijn gekomen als gevolgd van schermutselingen tussen twee groeperingen (beide Sélékafacties – het Volksfront voor de Renaissance van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Front Populaire pour la Renassaince de la Centrafrique, FPRC) en de Unie voor Vrede in de Centraal-Afrikaanse Republiek (l'Union pour la Paix en Centrafrique, UPC) over de controle van wegen die leiden naar de diamantmijnen rondom Kalaga, een stad op 45 kilometer afstand van Bria waar beide facties "wegenbelastingen” innen, met name in de mijngebieden en op de migratieroutes van de Fulbe-herders;

J.  overwegende dat het Vijfde Comité van de VN in mei 2016 een transversale resolutie over vredeshandhaving heeft aangenomen waarin waardering wordt geuit voor de vastbeslotenheid van de secretaris-generaal om volledig uitvoering te geven aan het zero-tolerance-beleid en waarin opnieuw wordt bevestigd dat meer coördinatie van de ondersteuning van slachtoffers nodig is en het VN-beleid van transparantie bij vermoedelijke gevallen van seksuele uitbuiting seksueel misbruik wordt uitgebreid;

K.  overwegende dat de VV/HV, Federica Mogherini, en de president van de Centraal-Afrikaanse Republiek, Faustin-Archange Touadéra, op 17 november 2016 de internationale gemeenschap hebben gemobiliseerd om politieke steun te verwerven en concrete toezeggingen te krijgen voor de ambitieuze agenda van de autoriteiten van de CAR die gericht is op het realiseren van vrede, veiligheid en verzoening in het hele land en het bevorderen van economisch herstel;

L.  overwegende dat de VN heeft vastgesteld dat de voedselvoorziening van bijna de helft van de bevolking van de CAR onzeker is, waardoor deze mensen humanitaire hulp nodig hebben; overwegende dat 40 % van de kinderen onder de drie ondervoed is en dat één op de vijf kinderen zijn vijfde verjaardag niet haalt;

M.  overwegende dat naar schatting 2,2 miljoen mensen dit jaar humanitaire hulp nodig zullen hebben, waaronder 1,1 miljoen kinderen; overwegende dat eind 2016 naar schatting 420 000 mensen intern ontheemd zijn geraakt en dat nog eens 453 000 mensen hun toevlucht hebben gezocht in aangrenzende landen;

N.  overwegende dat de Europese Unie de afgelopen drie jaar de grootste donor voor de CAR is geweest en meer dan 500 miljoen EUR aan het land heeft toegewezen; overwegende dat de Commissie alleen sinds december 2013 124 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft geboden (en tevens 30 miljoen EUR voor Centraal-Afrikaanse vluchtelingen in aangrenzende landen); overwegende dat de EU op de conferentie van donoren in Brussel van 17 november 2016 heeft aangekondigd nog eens 409 miljoen EUR beschikbaar te stellen voor de financiering van wederopbouw en vredesopbouw en ter leniging van humanitaire noden in de Centraal-Afrikaanse Republiek;

O.  overwegende dat het Verzetsleger van de Heer (LRA) actiever is geworden in het Oosten van de CAR en zich verspreidt buiten de mijngebieden, waarbij aanvallen worden gepleegd die gepaard gaan met plunderingen, willekeurige vrijheidsberoving, vernieling en confiscatie van bezittingen van burgers, en ontvoeringen; overwegende dat volgens de LRA crisis tracker sinds januari 2016 344 mensen, waaronder meer dan 60 kinderen, naar verluidt zijn ontvoerd door het LRA, waarbij duizenden burgers ontheemd zijn geraakt in de gebieden waar het LRA actief is;

P.  overwegende dat de EU op 15 juli 2014 het eerste EU-multidonortrustfonds heeft opgericht, het zogeheten trustfonds Bêkou, dat gericht is op de CAR en bijdraagt aan de stabilisering en wederopbouw van het land;

Q.  overwegende dat de algehele veiligheidssituatie sinds 2013 is verbeterd, met name in Bangui, maar nog altijd kwetsbaar blijft, waarbij er de afgelopen maanden weer meer uitbraken van geweld zijn voorgekomen; overwegende nog altijd in het hele land misdrijven worden gepleegd zoals moord, marteling, seksueel geweld, diefstal, ontvoering, vernieling van bezittingen, illegale wapenhandel en illegaal wapenbezit;

R.  overwegende dat het Wereldvoedselprogramma bekend heeft gemaakt dat het wegens beperkte financiële middelen extra zal moeten bezuinigen op het te verstrekken voedsel, en dat de voedselverstrekking met ingang van februari 2017 wellicht helemaal gestaakt wordt;

S.  overwegende dat illegale handel in en illegale winning van diamanten en houtkap het conflict aanwakkeren door bij te dragen aan de financiering van gewapende groeperingen;

T.  overwegende dat de Organisation Internationale de la Francophonie (OIF) zich sinds 2003 onafgebroken heeft ingezet voor versterking van de democratie, de rechtsstaat en vrede in de Centraal-Afrikaanse Republiek, en dat zij binnen de huidige context van wederopbouw na de crisis haar werkzaamheden voortzet; overwegende dat de werkzaamheden van de OIF cruciaal zijn voor de versterking van de capaciteit van de Centraal-Afrikaanse instituties, waarbij zij technische hulp biedt bij de oprichting van een Buitengewoon Strafhof, de instelling van een nationale commissie voor de mensenrechten ondersteunt, steun biedt aan de versterking van het administratieve en juridische kader voor het houden van verkiezingen, technische hulp biedt bij de uitvoering van de programma's voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie en hervormingen van de veiligheidssector (DDR-SSR), en tevens technische hulp biedt voor het Buitengewoon Strafhof door Franstalige openbaar aanklagers en rechters aan te werven;

1.  is ingenomen met de inspanningen die president Touadéra en zijn regering hebben geleverd ter bevordering van vrede en verzoening in de Centraal-Afrikaanse Republiek, na decennialange onderontwikkeling en kwetsbaarheid en ettelijke jaren van gewapende conflicten; verzoekt de regering van de CAR deze inspanningen verder op te voeren, in het bijzonder wat betreft de dialoog met de gewapende groeperingen, DDR en SSR, en het herstel van justitie en rechtspleging ter bestrijding van de straffeloosheid;

2.  veroordeelt ten stelligste het verlies van bestaansmiddelen en de schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht, met inbegrip van het willekeurig doden van mensen, seksueel geweld, onmenselijke behandelingen en alle vormen van aanslagen, alsook agressie jegens en provocatie van de burgerbevolking en vredeshandhavers; herinnert eraan dat deze gerichte aanvallen op grond van het internationaal humanitair recht als oorlogsmisdrijf kunnen worden aangemerkt; betuigt zijn oprechte deelneming aan de regeringen van Marokko en Bangladesh, aan de familieleden van de slachtoffers en aan MINUSCA; onderstreept dat op vredeshandhavers gerichte aanvallen inacceptabel zijn en indruisen tegen alle internationale normen;

3.  acht het vreedzame verloop van de gecombineerde verkiezingen in de CAR van 14 februari 2016, waarbij de opkomst hoog was, een werkelijk succes voor het politieke transitieproces; prijst de autoriteiten voor hun inspanningen, die de geloofwaardigheid en de transparantie van de verkiezingen hebben verhoogd; is ingenomen met de toewijding van MINUSCA en de door Operation Sangaris geboden ondersteuning, die in hoge mate hebben bijgedragen aan een vreedzaam verloop van het verkiezingsproces;

4.  ondersteunt krachtig de bevoegdheid van de secretaris-generaal van de VN tot tenuitvoerlegging van het VN-beleid van transparantie (zero tolerance) bij vermoedelijke gevallen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, en is ingenomen met de initiatieven die hij tot dusver in de CAR heeft genomen; verzoekt de VN-lidstaten erop toe te zien dat de teams van MINUSCA voor gedrag en discipline en intern toezicht de nodige middelen ontvangen om effectief te kunnen reageren op gevallen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, en op andere misdrijven;

5.  onderstreept dat veiligheid van cruciaal belang is; benadrukt in dit verband dat hervormingen doorgevoerd moeten worden met het oog op omvorming van de gewapende groeperingen in de CAR in een professioneel, democratisch gecontroleerd en etnisch representatief leger; is ingenomen met het besluit van de Europese Raad van 19 april 2016 tot instelling van een militaire trainingsmissie in de CAR (EUTM RCA), die bijdraagt aan de hervorming van de defensiesector van het land; verwacht dat deze missie bijdraagt tot modernisering van de Centraal-Afrikaanse Strijdkrachten (FACA) en de effectiviteit en representativiteit van de FACA verbetert door middel van strategische advisering van het Ministerie van Defensie en de generale staf van de CAR, alsook door middel van onderwijs en opleiding;

6.  verzoekt de regering van de CAR onverwijld een onpartijdig onderzoek in te stellen naar alle vermoedelijke schendingen van de mensenrechten en het humanitair recht, en de verantwoordelijken naar behoren te vervolgen, aangezien criminelen en moordenaars berecht moeten worden, ongeacht de groep waartoe zij behoren, en slachtoffers van deze schendingen passende schadeloosstelling te bieden; ondersteunt krachtig de spoedige instelling van een Buitengewoon Strafhof, dat naar verwachting midden 2017 in werking zal treden en duurzaam gefinancierd moet worden om de verantwoordingsplicht te kunnen waarborgen en een einde te maken aan de huidige wijdverbreide straffeloosheid; is ermee ingenomen dat de VN in december 2016 gestart is met de aanwerving van acht internationale rechters;

7.  betreurt het dat het rechtsstelsel van de CAR, dat vóór de burgeroorlog al zwak was, sterk ondermijnd is geraakt door de aanhoudende gevechten, hetgeen ertoe geleid heeft dat talrijke juridische dossiers zijn vernietigd en veel beoefenaars van juridische beroepen in ballingschap moesten gaan; verzoekt de regering van de CAR om met ondersteuning van de internationale gemeenschap grootscheeps te investeren in haar rechtsstelsel, met inbegrip van wederopbouw van haar rechtbanken, politie en gevangenissen; herinnert er tegelijkertijd aan dat succes alleen gegarandeerd is wanneer de beginselen van goed democratisch en economisch bestuur in acht worden genomen, volgens een constructieve aanpak waarin dialoog centraal staat, in de geest van het Forum van Bangui;

8.  benadrukt met name het belang van nauwe coördinatie met de partners - met name de Centraal-Afrikaanse autoriteiten, de Europese Unie, de Wereldbank en de VN - teneinde een goede samenwerking te garanderen en ervoor te zorgen dat de huidige inspanningen om de stabiliteit in de CAR te herstellen, complementair zijn; verlangt dat onmiddellijk actie wordt ondernomen om de straffeloosheid bij oorlog en andere misdrijven te bestrijden en om het rechtsstelsel opnieuw op te bouwen, aangezien een gebrekkige rechtspleging bijgedragen heeft tot een toename van het aantal gewelddadige confrontaties in de afgelopen maanden;

9.  betreurt het dat het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de VN vanwege een gebrek aan financiering het risico loopt zijn hulp aan 150 000 mensen die in de door crises verscheurde CAR door geweld ontheemd zijn geraakt, stop te moeten zetten; wijst erop dat het door het WFP verstrekte voedsel voor deze ontheemden, die alles verloren hebben, van levensbelang is, en dat staking van de hulp dramatische gevolgen voor hun leven heeft; roept donoren in dit verband zich te houden aan hun toezeggingen aan het WFP, en een verdere verslechtering van het bieden van humanitaire hulp te voorkomen;

10.  verwelkomt het versterken van de humanitaire inspanningen van de EU en de lidstaten in de CAR, gezien de ontwikkeling van de behoeften in dat land; verzoekt alle internationale donoren de humanitaire hulp van de EU te ondersteunen, waaronder het WFP, en degenen die de gevolgen van de crisis in de CAR ondervinden te helpen, zowel degenen in het land als de vluchtelingen in aangrenzende landen;

11.  verzoekt de CAR nationaal beleid en juridische kaders te ontwikkelen waarmee de mensenrechten van ontheemden adequaat worden beschermd, met inbegrip van de vrijheid van verkeer; verlangt tevens dat blijvende oplossingen worden gezocht voor ontheemden en vluchtelingen, met inbegrip van vrijwillige, duurzame, veilige en waardige terugkeer en integratie ter plaatse of hervestiging;

12.  is van mening dat dialoog de enige manier is om in de conflictgebieden van de CAR blijvende vrede te garanderen; roept de regering op om concreet te reageren op de zorgen van de internationale gemeenschap en de crisis op te lossen door een proactieve benadering te volgen bij het bieden van veiligheid aan de lokale bevolking;

13.  verzoekt de regering van de CAR om met ondersteuning van haar internationale partners haar nationale plan voor herstel en vredesopbouw dringend ten uitvoer te leggen, met name door versterking van de capaciteit van de nationale veiligheidskrachten, ontwapening, demobilisatie en re-integratie van gewapende groeperingen, en door bestrijding van straffeloosheid;

14.  verzoekt de Centraal-Afrikaanse autoriteiten om een nationale strategie te ontwikkelen ter bestrijding van netwerken voor illegale winning en illegale handel in natuurlijke hulpbronnen;

15.  stelt de VN voor om binnen MINUSCA een cel te creëren ter bestrijding van de illegale handel in diamanten, hout, goud en ivoor, alsook stroperij;

16.  verzoekt de internationale diamantbedrijven het conflict en de schendingen van de mensenrechten niet langer aan te wakkeren door het kopen van illegaal gewonnen en verhandelde diamanten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek te staken;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en de autoriteiten van de CAR, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de VN, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten, de parlementaire vergadering EU-ACS, alsmede de lidstaten van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0249.


De situatie in Burundi
PDF 175kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de situatie in Burundi (2017/2508(RSP))
P8_TA(2017)0004RC-B8-0075/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi, met name de twee recentste, van 9 juli 2015(1) en 17 december 2015(2),

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou, en met name artikel 96,

–  gezien Besluit (EU) 2016/394 van de Raad van 14 maart 2016 betreffende de afsluiting van het overleg met de Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020(4),

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 9 december 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de Burundese grondwet, en met name artikel 96,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 21 oktober 2016 namens de Europese Unie over Zuid-Afrika en Burundi en het Internationaal Strafhof (ICC),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi(5), en de verlenging daarvan op 29 september 2016,

–  gezien de resolutie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 4 november 2016 over de situatie van de mensenrechten in de Republiek Burundi,

–  gezien het verslag van 20 september 2016 over het onafhankelijke onderzoek van de Verenigde Naties over Burundi (UNIIB), dat is ingesteld op grond van resolutie S-24/1 van de Mensenrechtenraad,

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 17 juni 2016 over de situatie van de mensenrechten in Burundi,

–  gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 30 september 2016 over de situatie van de mensenrechten in Burundi,

–  gezien het verslag van de delegatie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 17 mei 2016 over haar onderzoeksmissie in Burundi van 7 tot 13 december 2015,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 6 januari 2017 over het verbieden van de Ligue Iteka in Burundi,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi een dramatische politieke, sociale en economische crisis doormaakt sinds president Pierre Nkurunziza in april 2015 heeft besloten zich kandidaat te stellen voor een derde presidentiële ambtstermijn, wat in strijd is met de Overeenkomst van Arusha en de grondwet van het land; overwegende dat president Nkurunziza onlangs heeft verklaard dat hij de mogelijkheid van een wijziging van de Burundese grondwet die hem in staat zou stellen zich kandidaat te stellen voor een eventuele vierde ambtstermijn vanaf 2020, niet uitsluit;

B.  overwegende dat Burundi het Internationaal Strafhof op 19 oktober 2016 heeft meegedeeld dat het zich uit het Internationaal Strafhof en het Statuut van Rome terugtrekt naar aanleiding van het besluit van het Internationaal Strafhof om een vooronderzoek in te stellen naar geweld en mensenrechtenschendingen in het land;

C.  overwegende dat de Ligue Iteka, na een twee jaar durend onderzoek in het land, op 15 november 2016 een samen met de Internationale Federatie voor de mensenrechten (FIDH) geschreven verslag met als titel "Repressie en genocidale dynamiek in Burundi" heeft gepubliceerd, waarin een update wordt gegeven over repressie en massale mensenrechtenschendingen door de regering; overwegende dat de Ligue Iteka enkele weken later ook verscheidene onderzoeksrapporten heeft gepubliceerd over zware misdrijven die door regeringstroepen in Burundi zijn begaan: moorden, ontvoeringen, gedwongen verdwijningen, foltering, verkrachting en massale aanhoudingen; overwegende dat deze misdrijven niet ophouden en volkomen ongestraft blijven; overwegende dat in oktober 2016 al vijf andere mensenrechtenorganisaties zijn verboden, namelijk Forum pour le renforcement de la société civile (FORSC), Forum pour la conscience et le développement (FOCODE), Action chrétienne pour l'abolition de la torture (ACAT), Association burundaise pour la protection des droits humains et des personnes détenues (APRODH) en Réseau des citoyens probes (RCP);

D.  overwegende dat de FIDH in november 2016 melding heeft gemaakt van meer dan 1 000 doden, 8 000 politieke gevangenen, 300 à 800 vermisten, honderden gevallen van foltering, honderden vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld, duizenden willekeurige arrestaties, meer dan 310 000 mensen die naar de buurlanden zijn gevlucht en 61 000 intern ontheemden; overwegende dat de veiligheidssituatie in Burundi risico's inhoudt voor de stabiliteit van de hele regio;

E.  overwegende dat de regering haar greep op onafhankelijke media en kranten heeft versterkt en dat journalisten te maken krijgen met gedwongen verdwijning, fysieke bedreigingen en aanvallen, of gerechtelijke intimidatie; overwegende dat alle onafhankelijke radiostations uit de ether zijn gehaald; overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen Burundi in zijn World Press Freedom Index 2016 op de 156e plaats (op 180) heeft gezet;

F.  overwegende dat de EU in maart 2016 het overleg krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou heeft beëindigd en de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese overheid heeft geschorst omdat zij de voorgestelde toezeggingen van de regering inzake de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat onbevredigend achtte;

G.  overwegende dat het gerechtelijk apparaat in Burundi buitengewoon corrupt is en dat er, hoewel er sinds het begin van de crisis honderden mensen zijn vermoord en gefolterd, in veel gevallen door de politie en de inlichtingendiensten, zeer weinig daders zijn berecht;

H.  overwegende dat er wordt gevreesd dat de regering de crisis wil "etniseren" en dat verdeeldheid zaaiende retoriek van staatsambtenaren een wijdverbreide tendens wordt, wat ook door ambtenaren van de VN wordt vermeld;

I.  overwegende dat er wordt bericht dat leden van de jeugdafdeling van de regeringspartij, de Imbonerakure, inwoners aanhouden, slaan en bestelen, en ook verkrachting als wapen gebruiken; overwegende dat zij hun aanvallen vooral richten op leden van de oppositie, en met name leden van de National Liberation Forces (FNL); overwegende dat veel leden van de oppositie en vermeende opponenten de afgelopen maanden vermoord, opgesloten, geslagen en gefolterd zijn;

J.  overwegende dat de Raad op 29 september 2016 de beperkende maatregelen van de EU tegen Burundi heeft verlengd tot 31 oktober 2017; overwegende dat deze maatregelen bestaan in een reisverbod en een bevriezing van tegoeden ten aanzien van personen wier activiteiten geacht worden de democratie te ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi te belemmeren;

K.  overwegende dat de bemiddelingspogingen worden voortgezet met volledige steun van de Afrikaanse Unie, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de EU en de VN, teneinde de inter-Burundese dialoog te bevorderen zodat er een op een consensus gebaseerde, vreedzame oplossing voor de crisis in Burundi kan worden gevonden;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de verslechtering van de politieke en veiligheidssituatie in Burundi; veroordeelt het geweld dat sinds in Burundi plaatsvindt, waardoor duizenden mensen het slachtoffer zijn geworden van moord, foltering, gericht geweld tegen vrouwen, waaronder collectieve verkrachting, intimidatie en opsluiting, waardoor honderdduizenden Burundezen gedwongen verplaatst zijn, en dat heeft geleid tot willekeurige arrestaties, wederrechtelijke vrijheidsberoving en schendingen van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsook wijdverbreide straffeloosheid voor deze daden; vraagt om een grondig en onafhankelijk onderzoek naar de moorden en misdrijven en vraagt dat de daders worden berecht;

2.  herinnert de Burundese autoriteiten aan hun verplichting om de grondrechten, waaronder de burgerrechten en politieke rechten van haar burgers, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, die in het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten zijn vastgelegd, te garanderen, te beschermen en te bevorderen; herinnert de Burundese regering aan haar internationale verplichtingen op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met name inzake de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat en het verloop van de rechtsgang, in het bijzonder het recht op een eerlijk en onpartijdig proces;

3.  is uiterst bezorgd over het feit dat het Burundese parlement op 23 en 28 december 2016 twee wetsontwerpen heeft aangenomen die strengere controles op de activiteiten van nationale en internationale ngo's instellen; benadrukt dat die wetten ertoe hebben geleid dat het de Ligue Iteka op 3 januari 2017 werd verboden in het land actief te zijn; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan dit besluit te heroverwegen; bevestigt nogmaals de essentiële rol van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten in een democratische samenleving; vraagt de lokale autoriteiten hen in staat te stellen vrij en veilig hun werk te doen;

4.  dringt erop aan dat alle gewetensgevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden vrijgelaten; vraagt de EU en de lidstaten extra inspanningen te leveren om mensenrechtenverdedigers en -organisaties die in Burundi gevaar lopen, te steunen en te beschermen;

5.  vraagt de Burundese autoriteiten de media onverwijld weer vrij te maken en oppositieleiders in ballingschap naar het land te laten terugkeren;

6.  vraagt de Burundese regering de samenwerking met het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) en de VN-Mensenrechtenraad te hervatten en personeelsleden van het OHCHR toegang te verlenen tot gevangenissen; vraagt de Burundese regering de mensenrechten en fundamentele vrijheden van iedereen te eerbiedigen en te garanderen overeenkomstig haar internationale verplichtingen;

7.  spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor de democratische beginselen en waarden, de mensenrechten en de rechtsstaat als essentiële onderdelen van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en de beginselen die in de Overeenkomst van Arusha zijn vermeld; vraagt alle partijen de nodige voorwaarden te scheppen om het vertrouwen te herstellen en de nationale eenheid te bevorderen door een inclusieve en transparante nationale dialoog waarbij de regering, de oppositiepartijen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties worden betrokken, overeenkomstig de Overeenkomst van Arusha en de Burundese grondwet;

8.  neemt er met grote bezorgdheid nota van dat Burundi zich officieel heeft teruggetrokken uit het Statuut van Rome; herinnert eraan dat het Internationaal Strafhof een belangrijke instelling is, die burgers die het slachtoffer zijn van zware misdrijven, helpt gerechtigheid te laten geschieden wanneer dat op nationaal niveau niet mogelijk is;

9.  vraagt de VN-Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof spoedig een grondig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van mensenrechtenschendingen in Burundi, met inbegrip van het gevaar van genocide binnen zijn jurisdictie tijdens de recente crisis in het land;

10.  veroordeelt de aanneming van een nieuwe wet inzake de oprichting van een nationaal vrijwilligerscorps, waarmee wettelijke toestemming wordt gegeven voor de activiteiten van de gewelddadige Imbonerakure-jongerenmilitie, die er door tal van internationale mensenrechtenorganisaties en de VN van wordt beschuldigd ernstige mensenrechtenschendingen te begaan en in een klimaat van straffeloosheid te werk te gaan; vraagt dat de milities onmiddellijk worden ontwapend;

11.  staat achter het besluit van de Raad om, na het mislukken van het overleg krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese overheid, waaronder begrotingssteun, te schorsen, maar wel volledige financiële steun te blijven geven aan de bevolking en humanitaire hulp te blijven bieden via rechtstreekse kanalen;

12.  is ingenomen met de door de gerichte sancties die de EU op 1 oktober 2015 heeft goedgekeurd, in overeenstemming met het besluit van de Afrikaanse Unie om gerichte sancties op te leggen, zoals een reisverbod en een bevriezing van tegoeden ten aanzien van Burundezen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en die de inspanningen om tot een politieke oplossing voor de crisis te komen, dwarsbomen; vraagt de EU deze sancties uit te breiden tot alle personen wier handelingen een bedreiging vormen voor de vrede en stabiliteit in de regio, aanzetten tot haat en in strijd zijn met de Overeenkomst van Arusha;

13.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de politieke crisis tot een etnisch conflict zou kunnen leiden; hekelt het feit dat mensen in de Burundese overheid en het leger per etnie worden geregistreerd; vraagt alle partijen de Overeenkomst van Arusha in acht te nemen;

14.  is verheugd dat de VN in november 2016 een onderzoekscommissie hebben ingesteld om de mensenrechtenschendingen in Burundi sinds april 2015 te onderzoeken; vraagt de Burundese autoriteiten volledige medewerking te verlenen aan de leden van de onderzoekscommissie;

15.  steunt de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van juli 2016 waarmee toestemming wordt verleend voor het inzetten van een VN-politiemacht in Burundi om het geweld en de mensenrechtenschendingen in het land te doen verminderen; vraagt de Raad voor vrede en veiligheid van de Afrikaanse Unie met spoed een delegatie naar Bujumbura te sturen om president Nkurunziza te ontmoeten en pressie op hem uit te oefenen om een einde te maken aan het wangedrag van de veiligheidstroepen;

16.  vraagt de Afrikaanse Unie, de VN en de EU ernstig rekening te houden met de regionale dimensie en een verdere destabilisering in de regio te voorkomen; vraagt de VV/HV met de Burundese autoriteiten en alle andere belanghebbenden samen te werken en de regionale bemiddelingspogingen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap om door een open en inclusieve dialoog te komen tot een duurzame oplossing voor de crisis die in overeenstemming is met de grondwet, de Overeenkomst van Arusha en de internationale mensenrechtenwetgeving, te steunen, nieuw leven in te blazen en meer geloofwaardigheid te geven;

17.  is uiterst bezorgd over de toenemende stroom vluchtelingen in de buurlanden en over de alarmerende humanitaire situatie in Burundi; betuigt nogmaals zijn steun voor en solidariteit met alle humanitaire organisaties die ter plaatse werkzaam zijn en de buurlanden waar de vluchtelingen worden opgevangen; vraagt de EU voorts meer bijstand te verlenen in de regio;

18.  vindt het zeer zorgwekkend dat president Nkurunziza op 30 december 2016 heeft aangekondigd dat hij zich in 2020 misschien opnieuw kandidaat zal stellen voor een vierde presidentiële ambtstermijn;

19.  is bijzonder bezorgd over de dramatische mate van discriminatie en criminalisering van LGBTI's in Burundi; verzoekt het parlement en de regering van Burundi daarom de strafrechtelijke bepalingen die discriminerend zijn voor LGBTI's af te schaffen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Burundi, de Raad ACS-EU, de Commissie, de Raad, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de regeringen van haar lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, de instellingen van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0275.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0474.
(3) PB L 73 van 18.3.2016, blz. 90.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.
(5) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo: toepassingsprocedures ***I
PDF 259kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Kosovo(1), anderzijds (COM(2016)0460 – C8-0327/2016 – 2016/0218(COD))
P8_TA(2017)0005A8-0361/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0460),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0327/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 12 december 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0361/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 januari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Kosovo(2), anderzijds

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/355.)

(1)* Deze verwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244(1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2)*Deze verwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244(1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


Invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder een bijzondere invoerregeling van de Unie ***I
PDF 242kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie (COM(2016)0044 – C8-0022/2016 – 2016/0029(COD))
P8_TA(2017)0006A8-0311/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0044),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0022/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 8 december 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0311/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 januari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/936 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/354.)


Sluiting van de overeenkomst tot voortzetting van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie ***
PDF 237kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tot voortzetting van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie (08558/2016 – C8-0214/2016 – 2016/0120(NLE))
P8_TA(2017)0007A8-0363/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08558/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tot voortzetting van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie (12681/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 31, lid 1, en artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 180 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0214/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0363/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de deelnemende partijen bij de overeenkomst.


Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen
PDF 253kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 24 november 2016 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (C(2016)07495 – 2016/3007(DEA))
P8_TA(2017)0008B8-0001/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2016)07495),

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie(1), en met name de artikelen 9, lid 2, en 64, lid 5,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie van 14 juli 2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen(2), en met name de bijlage daarbij,

–  gezien de gezamenlijke brief van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van 19 september 2016 over Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie en de reactie van Eurocommissaris Jourová van 26 oktober 2016 daarop,

–  gezien het werk dat is verricht en de conclusies die zijn getrokken door de twee bijzondere commissies van het Parlement, de Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect en de enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel van de Commissie COM(2016)0450, en met name paragraaf 3.8 daarvan over de lijst van derde landen met een hoog risico,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 105, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde verordening, de bijlage daarbij en de gedelegeerde wijzigingsverordening ten doel hebben landen met een hoog risico te identificeren waarvan de regelgeving op het gebied van de bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering (AML/CTF) strategische tekortkomingen vertoont die een bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de EU, en ter zake waarvan meldingsplichtige entiteiten in de EU overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn ((EU) 2015/849) verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen moeten toepassen;

B.  overwegende dat de meest recente gedelegeerde verordening, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen, sinds 23 september 2016 van kracht is;

C.  overwegende dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie onverminderd van kracht zal blijven, ook al zou de gedelegeerde wijzigingsverordening verworpen worden;

D.  overwegende dat de lijst van landen, met inbegrip van de wijziging die is ingevoerd bij de gedelegeerde wijzigingsverordening die op 24 november 2016 door de Commissie is goedgekeurd, overeenstemt met de lijst die door de Financiële-actiegroep (FATF) op haar voltallige vergadering van 19 t/m 21 oktober 2016 is vastgesteld;

E.  overwegende dat, zoals gesteld wordt in overweging 28 van de vierde antiwitwasrichtlijn en herhaald wordt in de toelichting (C(2016)4180 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie, de beoordeling door de Commissie een autonoom proces is; overwegende dat het de Commissie dus vrijstaat om verder te gaan dan de normen van de FATF, bijvoorbeeld door een derde land dat door de FATF van de lijst is geschrapt op de lijst te laten staan of door andere derde landen op de lijst te plaatsen, mits dit in overeenstemming is met de specifieke criteria van artikel 9, lid 2, van de vierde antiwitwasrichtlijn;

F.  overwegende dat de beoordeling door de Commissie een autonoom proces is dat uitvoerig en op onbevooroordeelde wijze uitgevoerd moet worden, waarbij alle derde landen beoordeeld moeten worden aan de hand van dezelfde in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849 vastgestelde criteria;

G.  overwegende dat de beoordeling door de Commissie een volledig onafhankelijk en niet-politiek proces moet zijn;

H.  overwegende dat de Commissie in haar brief van 26 oktober 2016 stelt dat zij de landen met een hoog risico uitsluitend moet identificeren op basis van de in artikel 9, lid 2, van de vierde antiwitwasrichtlijn genoemde gronden, die uitsluitend betrekking hebben op tekortkomingen in de AML- en CTF-regelgeving;

I.  overwegende dat de twee bijzondere commissies van het Parlement, de Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect en de enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking hebben vastgesteld dat er in diverse landen die niet op de bestaande lijst van derde landen met een hoog risico staan, mogelijkerwijs sprake is van tekortkomingen in de AML/CTF-wetgeving met betrekking tot diverse aspecten van artikel 9, lid 2;

J.  voorts overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de lijst met criteria in artikel 9, lid 2, van de vierde antiwitwasrichtlijn niet limitatief is ("in het bijzonder...") en dat gronddelicten van witwasactiviteiten, zoals fiscale misdrijven, ook onder deze criteria vallen en dus door de Commissie in haar autonome proces in aanmerking moeten worden genomen;

K.  overwegende dat het Parlement het eens is met hetgeen de Commissie in haar brief van 26 oktober 2016 stelt, dat belastingontwijking en witwaspraktijken niet altijd hand in hand gaan, maar het er fundamenteel mee oneens is dat er altijd een duidelijk onderscheid te maken valt tussen jurisdicties die niet bereid zijn tot samenwerking op het gebied van de belastingen en jurisdicties waarbinnen sprake is van tekortkomingen ten aanzien van de AML- en CTF-regelgeving, met name als het gaat om de vereisten die gelden voor het melden van verdachte transacties;

L.  overwegende dat het Parlement van de Commissie verwacht dat zij haar eigen beoordeling uitvoert en niet uitsluitend vertrouwt op externe informatiebronnen;

1.  maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.  verzoekt de Commissie een nieuwe gedelegeerde handeling in te dienen waarin rekening wordt gehouden met bovenstaande bezwaren;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(2) PB L 254 van 20.9.2016, blz. 1.


Logistiek in de EU en multimodaal vervoer in de nieuwe TEN-T-corridors
PDF 212kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over logistiek in de EU en multimodaal vervoer in de nieuwe TEN-T-corridors (2015/2348(INI))
P8_TA(2017)0009A8-0384/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(1),

–  gezien zijn resolutie van 2 december 2015 over duurzame stadsmobiliteit(2),

–  gezien zijn resolutie van 4 september 2008 over het goederenvervoer in Europa(3),

–  gezien zijn resolutie van 5 september 2007 over goederenlogistiek in Europa – sleutel tot duurzame mobiliteit(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013(5) en Verordening (EU) nr. 1316/2013(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 913/2010(7),

–  gezien het Witboek van de Commissie getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien de mededeling van de Commissie over een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie (COM(2016)0500),

–  gezien de mededeling van de Commissie over een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit (COM(2016)0501),

–  gezien de mededeling van de Commissie over het stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 inzake een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (COM(2016)0049),

–  gezien de ministeriële verklaring van Rotterdam van 20 juni 2016 over de tenuitvoerlegging van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T)(8),

–  gezien de discussienota van de Europese coördinatoren voor de TEN-T-corridors die is opgesteld voor de TEN-T-dagen van 2016 in Rotterdam(9),

–  gezien de werkplannen voor de corridors die door de Europese TEN-T-coördinatoren zijn opgesteld,

–  gezien Speciaal verslag nr. 08/2016 van de Rekenkamer getiteld "Goederenvervoer per trein in de EU: nog steeds niet op het juiste spoor"(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0384/2016),

A.  overwegende dat modern efficiënt vervoer en moderne efficiënte logistiek essentieel zijn voor een doeltreffende werking van de interne markt van de EU en belangrijk zijn om concurrentievermogen te waarborgen, nieuwe bedrijven en werkgelegenheid te creëren, het milieu te beschermen en de klimaatverandering te beperken door een vermindering van de vervoersgerelateerde CO2-uitstoot;

B.  overwegende dat in de derde doelstelling van het Witboek vervoer van de Commissie het streven naar voren wordt geschoven om 30 % van het goederenvervoer over de weg over afstanden van meer dan 300 km uiterlijk in 2030 te verschuiven naar duurzamere vervoerswijzen zoals vervoer per spoor of over het water, met een percentage van meer dan 50 % uiterlijk in 2050, en dat hiervoor ook een geschikte infrastructuur zal moeten worden ontwikkeld; overwegende dat het Europees vervoerbeleid en het TEN-T-netwerk een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren voor het behalen van de EU-klimaatdoelstellingen en de doelstellingen van de COP21-Overeenkomst van Parijs;

C.  overwegende dat een vooruitziend EU-beleid inzake logistiek ernaar moet streven de logistieke sector te helpen zijn mondiale concurrentievermogen en bijdrage aan de groei van de EU-economie in stand te houden in het licht van veranderende economische, maatschappelijke en technologische trends en handelsbetrekkingen wereldwijd;

D.  overwegende dat het TEN-T-beleid erop gericht is efficiënt, slim en duurzaam vervoer mogelijk te maken en overwegende dat het voor een toekomstgerichte logistiek en voor multimodale vervoersalternatieven met name van belang is over de sectoren heen samen te werken;

E.  overwegende dat prioriteit moet worden gegeven aan multimodale verbindingen tussen havens, luchthavens, multimodale platforms en aan de corridors en andere secties van het TEN-T-kernnetwerk om de economie en de werkgelegenheid in de EU voort te stuwen;

F.  overwegende dat de kerncorridors van het TEN-T-netwerk een stimulans vormen voor synergieën door een sterkere nadruk op terminals en stedelijke knooppunten en door de integratie van intelligente vervoerssystemen en vervoerssystemen op schone brandstof, en overwegende dat de complementaire toegangsfunctie van het uitgebreide netwerk eveneens van essentieel belang is;

G.  overwegende dat er tussen de lidstaten nog steeds aanzienlijke verschillen bestaan wat betreft de efficiëntie en doeltreffendheid van het vervoer, aangezien deze aspecten een weerspiegeling vormen van de economische kracht van de desbetreffende landen, alsook van de rol die zij toebedelen aan industrie, hun geografische omstandigheden, de kwaliteit van hun infrastructuur en hun bevolkingsdichtheid;

H.  overwegende dat transportdrones weliswaar nieuwe mogelijkheden bieden voor het vervoeren van goederen in de logistieke keten, maar dat het potentieel van de drones enkel kan worden benut als er een geharmoniseerde rechtsgrondslag en een naadloze coördinatie met de traditionele vervoerswijzen tot stand worden gebracht om het Europees concurrentievermogen in de toekomst te waarborgen;

I.  overwegende dat het huidige uitvoeringsniveau van de prioritaire corridors zoals afgesproken in het Europese vervoersnetwerk een aanzienlijk positief effect zou kunnen hebben op de economie van landen die hard zijn getroffen door de economische crisis;

J.  overwegende dat er bij het goederenvervoer problemen zijn vastgesteld die te maken hebben met verschillen in spanning op grensoverschrijdende verbindingen;

K.  overwegende dat regelgeving voor vervoer momenteel gekoppeld is aan de vervoerswijze en onder de bevoegdheid valt van diverse internationale instanties (zoals de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) of de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO));

Logistiek in de EU en de noodzaak van bijkomende maatregelen in het TEN-T-programma

1.  wijst erop hoe belangrijk het voor de ontwikkeling van de interne markt, de welvaart en de economische, sociale en territoriale samenhang van de EU is om vrij verkeer van personen, goederen en diensten te waarborgen, onder meer via een efficiënt en duurzaam goederenvervoerssysteem;

2.  is van mening dat een naadloos EU-infrastructuurstelsel enkel voordelen kan opleveren voor de logistieke sector, en bij uitbreiding voor regionale ontwikkeling en groei, als het ten uitvoer wordt gelegd in samenhang met EU-wetgeving en met het reeds aangenomen TEN-T-beleid; dringt er bij de lidstaten op aan de wetgeving correct om te zetten naar nationale wetgeving zonder het vrij verkeer van goederen te belemmeren; verzoekt de lidstaten zich meer in te spannen om EU-wetgeving toe te passen en na te leven en geen nieuwe belemmeringen op te werpen; dringt er bij de Commissie op aan om lidstaten die de tenuitvoerlegging van EU-recht uitstellen voor het Hof van Justitie te brengen en om een impuls te geven aan de acties van alle andere relevante actoren, zodat dergelijk uitstel kan worden voorkomen;

3.  maakt zich zorgen over de negatieve gevolgen van het sluiten van interne grenzen in verband met de humanitaire en migrantencrisis en de terroristische dreiging in de Europese Unie, voor de logistieke sector, en bij uitbreiding voor regionale ontwikkeling en groei; verzoekt de lidstaten en de Commissie om bij het voorstellen van dergelijke maatregelen zo veel mogelijk te voorkomen dat er nevenschade voor vrachtverkeersstromen ontstaat; verzoekt de Commissie om tuchtmaatregelen te nemen tegen lidstaten die het vrije verkeer belemmeren door opzettelijk hinder te veroorzaken voor vrachtverkeersstromen;

4.  onderstreept dat logistiek een centrale, onderbelichte rol speelt bij het verzorgen van efficiënt en duurzaam goederenvervoer in de EU; onderstreept dat er een hernieuwde EU-strategie voor goederenlogistiek moet worden geformuleerd,

   waarin rekening wordt gehouden met het nieuwe TEN-T-infrastructuurbeleid,
   die gericht is op een verdere vermindering van regelgevings-, operationele en technische belemmeringen,
   die afgestemd is op een optimaal gebruik van hulpbronnen,
   die gericht is op het toepassen en uitvoeren van nieuwe technologieën en innovatieve oplossingen waarmee de prestaties van de sector zullen verbeteren en de verschuiving naar een koolstofarm vervoerssysteem sneller zal verlopen,
   waarin wordt gestreefd naar een betere connectiviteit en naar de ontwikkeling van infrastructuur in gebieden waar die ontbreekt,
   die een ondersteuning en bevordering inhoudt voor de Europese spoorwegindustrie en die een stimulans vormt voor een Europees beleid voor de herindustrialisering van het spoor, met het win-winperspectief van een duurzamere EU-logistiek en een betere concurrentiepositie voor spoorvervoerproducten op de wereldmarkt,
   waarin van meet af aan rekening wordt gehouden met drones als een toekomstige vervoerswijze,
   die een blijvende ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoek en opleidingen op het gebied van vervoer en logistiek bevordert,
   die een onafhankelijke wetenschappelijke studie bevat waarin in detail wordt uiteengezet in hoeverre goederenvervoer over de weg uiterlijk in 2030 en 2050 kan worden overgeheveld naar het spoorvervoer en de binnenvaart, met opgave van de kosten die dit met zich zou meebrengen en de mate waarin milieuschade zoals geluidsoverlast en luchtverontreiniging kan worden vermeden;

5.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het TEN-T-netwerk, met een bijzondere nadruk op grensoverschrijdende verbindingen, binnen de gestelde termijn en voltooid uiterlijk in 2030, zal leiden tot een verminderd aantal knelpunten, een betere interoperabiliteit tussen de verschillende vervoerswijzen en zal bijdragen aan de totstandbrenging van een geïntegreerd multimodaal goederenvervoer in de EU; herinnert eraan dat het uitgebreide netwerk moet worden aangepakt aan de hand van nationale planning, in overeenstemming met het kernnetwerk, zodat het kan worden geïntegreerd in nationale, regionale en lokale infrastructuur, hetgeen uiterlijk in 2050 voltooid moet zijn;

6.  is ingenomen met de grotere nadruk die in de benadering voor de corridors van het kernnetwerk wordt gelegd op het verbeteren van de kwaliteit van vervoersknooppunten en hun aansluitingen op het netwerk van de laatste kilometer, op het opsporen en wegwerken van belemmeringen op het gebied van interoperabiliteit, op het verbeteren en innoveren van ICT-oplossingen en op het opvullen van elke andere lacune (fysiek, technisch of organisatorisch) die een naadloze dienstverlening voor goederenlogistiek in de weg zou kunnen staan;

7.  herinnert in dit verband ook aan het belang van stedelijke knooppunten – waar zich een groot deel van de vervoerswijzen bevindt (havens, luchthavens, hubs, terminals enz.) en waar goederen worden overgeladen en distributie voor de laatste kilometer plaatsvindt – aangezien deze essentieel zijn voor de gehele logistieke keten en hieraan meer aandacht moet worden besteed als naadloze stadslogistiek moet worden gewaarborgd; benadrukt hoe belangrijk het is om te investeren in deze stedelijke knooppunten en om spoorverbindingen met fabrieken en een betere interconnectiviteit tussen het spoor en zeehavens, binnenhavens en hubs verder in het binnenland te bevorderen; vraagt de Commissie om in de herziening van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) van 2017 prioriteit te geven aan deze investeringen;

8.  merkt op dat een gebrek aan efficiënte harmonisatie en tijdige tenuitvoerlegging door de lidstaten, en een gebrek aan billijke politieke samenwerking tussen naburige lidstaten een hinderpaal kunnen vormen voor grensoverschrijdende projecten; is blij met de toegenomen belangstelling van de EU-instellingen om ondersteuning te bieden voor grensoverschrijdende infrastructuur en voorzieningen, met name grensoverschrijdende regionale spoorverbindingen die van aanzienlijk belang zijn en een Europese meerwaarde vormen; benadrukt dat ontbrekende schakels in de spoorinfrastructuur van grensregio's moeten worden aangepakt, zodat efficiënt en succesvol spoorvervoer mogelijk wordt gemaakt; verzoekt de Commissie, de Europese coördinatoren en de andere belanghebbende partijen om evenveel aandacht te besteden aan kleinschalige als aan grotere TEN-T-projecten en om de voordelen op de korte, middellange en lange termijn die dergelijke projecten kunnen opleveren op dezelfde manier in overweging te nemen; spoort spelers aan om successen op korte termijn te stimuleren; spoort de Commissie aan te bevorderen en te verzekeren dat dergelijke successen worden opgenomen in de CEF-financiering;

9.  is van mening dat het uitgebreid netwerk weliswaar voor het grootste deel onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, maar dat beide lagen van het TEN-T-netwerk van cruciaal belang zijn voor de EU-logistiek om connectiviteit van bepaalde zones in de EU niet uit het oog te verliezen, aangezien het uitgebreid netwerk verdere vertakkingen toevoegt aan het kernnetwerk en instaat voor distributie voor de laatste kilometer; is van mening dat regionale netwerken niet buiten het Europees perspectief mogen worden gehouden, ook niet in termen van financierings- en regelgevingsmaatregelen, met name in het geval van maatregelen die verband houden met toegang tot het spoorwegnet, de toewijzing van slots en kosten; dringt erop aan dat ontbrekende schakels in de spoorinfrastructuur van grensregio's moeten worden aangepakt, zodat efficiënt en succesvol spoorvervoer over de grenzen heen mogelijk wordt gemaakt;

10.  wijst op de sleutelrol van multimodaliteit in goederenlogistiek en dringt er daarom op aan dat multimodale platformen meer worden betrokken bij de planning van de lidstaten en bij de verdere ontwikkeling van trajecten;

11.  stelt vast dat een groot aantal knooppunten en vrachtverkeersstromen in het TEN-T-netwerk verspreid ligt langs dichtbevolkte gebieden en dichte netwerken, onder meer in grensgebieden waar de capaciteit moet worden gedeeld met het passagiersverkeer; is van mening dat de manieren waarop infrastructuur voor goederenvervoer vorm moet krijgen in het TEN-T-netwerk moeten worden geoptimaliseerd, met name in gebieden waar een grote verkeersdrukte heerst, door te proberen rekening te houden met innovatieve strategieën op het gebied van stedelijke logistiek; verzoekt de Commissie om in coördinatie met de Europese coördinatoren de voortgang van de tenuitvoerlegging van de projecten te beoordelen en om de lidstaten aan te sporen resultaten te boeken; verzoekt de Commissie bovendien om de methodologie en de criteria voor het tot stand brengen van netwerken voor goederenvervoer opnieuw te beoordelen en er met name voor te zorgen dat er in alternatieve trajecten voor goederenvervoer met minder drukke knooppunten, terminals, luchthavens en havens wordt geïnvesteerd, waarbij ook rekening wordt gehouden met milieubescherming en lawaaibeperking;

12.  betreurt dat er al te vaak een besluit valt over nationale infrastructuurplannen in de lidstaten zonder verwijzing naar de doelstellingen van het TEN-T-netwerk; spoort de Commissie aan om na te gaan wat de redenen zijn voor dit gebrek aan samenwerking en om voor een betere coördinatie te zorgen tussen de twee planningsniveaus, en stelt voor aan het Europees semester een hoofdstuk toe te voegen over toezicht op de samenhang en de duidelijke doeltreffendheid ervan aan de hand van passende corrigerende maatregelen; verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan projecten in de lidstaten die in overeenstemming zijn met het TEN-T-netwerk, de inspanningen te richten op projecten met een grotere Europese meerwaarde en toezicht te houden op grensoverschrijdende vervoersprojecten; dringt er bij de lidstaten op aan om hun besluiten over nationale infrastructuurplannen te laten stroken met de doelstellingen van het TEN-T-netwerk;

13.  stelt vast dat lidstaten die economische en budgettaire problemen ondervinden als gevolg van een strikte interpretatie van het stabiliteits- en groeipact (SGP) niet kunnen instaan voor de medefinanciering van projecten voor goederenvervoer; pleit voor een optimaal gebruik van openbare en particuliere financieringsregelingen, ook in het licht van een combinatie van de CEF en Horizon 2020 met het Europees Fonds voor strategische investeringen en andere financiële instrumenten; meent dat projecten die in het kader van de CEF worden afgewikkeld buiten de berekening van de overheidsschuld moeten worden gehouden; verzoekt de Commissie met een studie te komen waarin wordt onderzocht of een dergelijke maatregel een geschikte manier zou zijn om investeringen in de infrastructuur voor goederenvervoer merkbaar te verhogen;

14.  is van mening dat een efficiënt logistiek systeem voor de EU verdere coördinatie vergt op meer gebieden dan alleen de fysieke connectiviteit en een operationeel TEN-T-netwerk; verzoekt de Commissie logistiek integraal deel te laten uitmaken van de corridors van het kernnetwerk, de coördinatie met nationale, regionale en lokale autoriteiten op te voeren en in deze context ook aandacht te besteden aan de interconnectiviteit tussen de verschillende corridors en de regionale en stedelijke netwerken voor goederenvervoer; verzoekt de Commissie om het werkterrein van de Europese TEN-T-coördinatoren uit te breiden zodat verder wordt gekeken dan het geografische gebied van de corridors onder hun respectieve verantwoordelijkheid, en zodat plaats wordt gemaakt voor horizontale beleidskwesties zoals multimodaliteit en efficiënte goederenlogistiek; verzoekt de Commissie dit werk met betrekking tot logistiek en multimodaliteit in de corridors om de twee jaar te evalueren;

15.  is van mening dat gebrekkig onderhoud van het netwerk de duurzaamheid en de prestaties van de TEN-T-infrastructuur kan aantasten; benadrukt dat de vervoersinfrastructuur niet alleen moet worden vernieuwd en gemoderniseerd, maar dat die ook regelmatig moet worden onderhouden; stelt met bezorgdheid vast dat het aanhoudende gebrek aan aandacht voor onderhoud van de kant van infrastructuurbeheerders en lidstaten het concurrentievermogen van de lijnen aantast (snelheidsbeperkingen, betrouwbaarheid, veiligheid), met name in het geval van de spoorlijnen, en dat dit soms tot gevolg heeft dat lijnen worden gesloten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen met de EIB nieuwe financieringsregelingen te bestuderen om investeringen in het onderhoud van het netwerk te vergemakkelijken;

16.  vraagt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de conclusies en maatregelen die in het Digital Transport and Logistics Forum (forum voor digitaal vervoer en digitale logistiek) naar voren worden geschoven om de digitalisering van goederenvervoer en logistiek verder te ondersteunen; dringt erop aan dat dit forum blijft bestaan zolang het van nut kan zijn;

17.  benadrukt dat moet worden gegarandeerd dat de geplande infrastructuur voldoet aan de daadwerkelijke behoeften inzake duurzame logistiek en dat zij geen al te grote belasting zal vormen voor het milieu; benadrukt in dit verband dat de bescherming van biodiversiteit en het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen van de EU veel beter in de planning en de tenuitvoerlegging van het TEN-T-netwerk moeten worden geïntegreerd;

Verbeterde vereenvoudiging en een nieuw kader voor digitalisering 

18.  benadrukt dat documenten en procedures met betrekking tot administratie en douane dringend moeten worden vereenvoudigd voor alle vervoerswijzen en in alle stadia van logistieke ketens; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van het akkoord over "Beter wetgeven" een analyse te maken van overbodige EU-wetgeving inzake vervoer en mobiliteit, toezicht te houden op nationale, regionale en lokale regelgeving die mogelijk in strijd is met het EU-recht, en deze regelgeving in voorkomend geval zo snel mogelijk te harmoniseren met de EU-wetgeving; dringt aan op een jaarlijks voortgangsverslag van de Commissie over deze sector;

19.  dringt er bij de Commissie op aan om uiterlijk einde 2017 een digitaal kader voor te stellen voor elektronische uitwisseling van informatie en elektronisch vervoersbeheer met betrekking tot multimodaal vervoer (e-Freight), teneinde een vereenvoudigde, papierloze, naadloze, transparante, beveiligde en betrouwbare gegevensstroom te bevorderen tussen ondernemingen, klanten en autoriteiten, voortbouwend op gevestigde diensten (zoals SafeSeaNet, de richtlijn betreffende meldingsformaliteiten voor schepen (RFD), het eManifest, River Information Services (RIS), telematicatoepassingen voor goederenvervoer (TAF), intelligent vervoerssysteem (ITS)); verzoekt de Commissie om een geharmoniseerde toepassing van elektronische vervoersdocumenten, fraudebestrijdingssystemen en cyberbeveiliging te waarborgen;

20.  verzoekt de lidstaten elektronische vervoersdocumenten te aanvaarden en het e-CMR-protocol onverwijld te ratificeren en toe te passen;

21.  onderstreept het belang van innovatie in het gebruik van nieuwe technologieën, zoals digitalisering (bijv. digitale vrachtbrieven), toegang tot gegevens en uitwisseling van gegevens, met behoud van een hoog niveau van cyberbeveiliging en gegevensbescherming, zodat efficiëntere oplossingen op het gebied van vervoer en logistiek kunnen worden gevonden, op voorwaarde dat interoperabiliteit en een gelijke en niet-discriminerende toegang worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen om de integratie, toegankelijkheid en bescherming van gegevens die aan de basis liggen van logistiek en vrachtvervoer te waarborgen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op een gewaarborgde niet-discriminerende behandeling in de digitale uitwisseling van gegevens een systeem van investeringen te ontwikkelen om te voorzien in initiële IT-opleidingen en permanente opfrissingscursussen over de platforms die worden gebruikt voor gegevensuitwisseling;

23.  onderstreept de rol die is weggelegd voor onderzoek en innovatie om een uit milieuoogpunt duurzame, gedigitaliseerde logistiek te ontwikkelen en een grotere interoperabiliteit en interconnectiviteit van IT-systemen en -diensten te waarborgen;

24.  wijst erop dat informatie- en communicatiesystemen verder moeten worden ontwikkeld, met een volledige inzet van het potentieel van de Europese satellietnavigatiesystemen Galileo en Egnos en verwante beheer- en informatiesystemen inzake verkeer voor alle vervoerswijzen en voor logistiek, waarbij toegang wordt verschaft tot alle beschikbare financiële instrumenten om particuliere investeringen te stimuleren;

25.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor snelle administratieve procedures om de tenuitvoerlegging van de TEN-T-corridors te versnellen; vraagt de Commissie te waarborgen dat de regels inzake het SGP, staatssteun en de financiële markten investeringen niet in de weg staan;

Het Europees vervoerssysteem vormgeven en ondersteunen met investeringen, met een centrale plaats voor logistiek

26.  onderstreept dat voldoende EU-financiering moet worden verzekerd voor de tenuitvoerlegging van het TEN-T-netwerk na afloop van het huidig meerjarig financieel kader; rekent erop dat de Commissie in 2017 met de tussentijdse herziening van de CEF komt, met een voorstel voor het stroomlijnen van maatregelen en middelen om de prioritaire projecten binnen de gestelde termijn te kunnen uitvoeren; houdt vast aan het beginsel "gebruiken of verliezen" waardoor niet-uitgegeven CEF-middelen beschikbaar worden gesteld voor toekomstige oproepen tot het indienen van voorstellen; dringt er bij de Commissie op aan een beoordeling te geven van een voorstel voor een specifieke oproep met betrekking tot logistiek in 2017, onder meer met betrekking tot oplossingen inzake multimodaal vervoer, goederenvervoer en bevrachting in stedelijke knooppunten, met inbegrip van innovatieve en alternatieve vormen van vervoer (bijv. drones, vrachtvoertuigen op alternatieve brandstof, gebruik van fietsen enz.);

27.  verzoekt de Commissie er bij de lidstaten op aan te dringen de nodige investeringen te doen om de laatste hand te leggen aan de verbindingen van de kerncorridors in de EU;

28.  herinnert aan het belang van stedelijke knooppunten in de gehele logistieke keten, als de plaats waar goederen worden overgeladen en de distributie voor de laatste kilometer plaatsvindt; verzoekt de lidstaten, de Commissie en projectontwikkelaars om zich bij de TEN-T-kernnetwerkcorridors te richten op de gecoördineerde ontwikkeling van projecten waarmee multimodaliteit in goederenlogistiek wordt bevorderd, waarbij het met name gaat om terminalhubs, logistieke platforms en stedelijke knooppunten, op basis van de huidige en toekomstige vraag naar vervoersdiensten en naar behoren gerangschikt volgens prioriteit wat betreft de effecten op lokaal niveau, op grensoverschrijdend niveau en voor het hele netwerk van corridors;

29.  is van mening dat betrouwbaarheid, frequentie, flexibiliteit, klantgerichtheid en de duur en prijs van het vervoer de belangrijkste factoren zijn die door expediteurs in overweging worden genomen bij hun keuze tussen de verschillende beschikbare vervoermiddelen;

30.  is van mening dat een doeltreffend logistiek systeem tevens gericht moet zijn op toekomstige technologieën die een snel, milieuvriendelijk en efficiënt alternatief bieden voor het vervoer van goederen; wijst op het potentieel en de groeiende rol van automatisering en autonomisering van het transport in de logistiek, met onder meer geautomatiseerde voertuigen, drones en van op afstand bestuurde robots;

31.  verzoekt de Commissie ten volle rekening te houden met automatisering en de gevolgen ervan voor haar strategie inzake logistiek, door ervoor te zorgen dat dit aspect op een vlotte en efficiënte manier wordt geïntegreerd in het TEN-T-netwerk, alsook te voorzien in de ondersteuning van onderzoek naar, investeringen in en de ontwikkeling van deze cruciale technologie;

32.  benadrukt het potentieel van geautomatiseerd, autonoom vervoer en van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (drones) voor de logistiek; dringt aan op maatregelen om bij de inzet van ITS-systemen in het netwerk te waarborgen dat de interactie tussen geautomatiseerde voertuigen en systemen enerzijds en traditionele voertuigen en kwetsbare gebruikers anderzijds vlot verloopt; is van mening dat de toekomstige ontwikkeling en het grootschalige gebruik van op afstand bestuurde robots en luchtvaartuigsystemen (drones) nieuwe, snelle, milieuvriendelijke en efficiënte alternatieven inhouden voor het vervoer van goederen; verzoekt de Commissie een nieuwe strategie uit te denken om te garanderen dat drones op een efficiënte manier in het TEN-T-programma kunnen worden geïntegreerd en hiertoe richtsnoeren op te stellen voor de lidstaten;

33.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de effecten van just-in-time-distributie op het milieu vanwege de toename van het aantal voertuigen in het verkeer;

34.  onderstreept dat logistieke activiteiten met betrekking tot vertrekkende en terugkerende goederen met elkaar moeten worden geïntegreerd om het totale volume aan voertuigbewegingen te verminderen, vooral gezien de geleidelijke verschuiving naar een circulaire economie;

Spoedige en efficiëntere integratie van vervoerswijzen

35.  benadrukt dat grote inspanningen moeten worden geconcentreerd op de reactivering van het spoor en op de versterking van het netwerk van binnenwateren als prioriteit voor de EU-strategie inzake duurzaam vervoer; is zich ervan bewust dat met name het spoor sinds het begin van de economische crisis zijn marktaandeel voortdurend heeft zien slinken, en is daarom van mening dat de lidstaten en de Commissie nieuwe en niet-discriminerende initiatieven moeten voorstellen om de ontwikkeling van deze sector in heel Europa te ondersteunen;

36.  verzoekt de Commissie de dienstverlening voor het vervoer van goederen per spoor concurrerender te maken door middel van spoorwegnetten die volledig interoperabel en met elkaar verbonden zijn en door bedrijven gelijke toegang te garanderen, en verzoekt hetzelfde te doen voor vervoer over de binnenwateren, gemengd vervoer over zee en rivieren, vervoer over zee en luchtvervoer, waarbij elke vervoerswijze in staat wordt gesteld activiteiten te ontplooien onder gelijke voorwaarden, en dringt er bij de Commissie op aan multimodaal en intermodaal vervoer te bevorderen;

37.  beschouwt het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) als een succesvol Europees project voor de bevordering van goederenvervoer in de spoorwegsector en is verheugd over de inspanningen om de inzet van het systeem te versnellen door mijlpalen vast te stellen per corridor; is zich bewust van de beperkingen met betrekking tot de financiering van multinationale (ERTMS-)projecten op meerdere niveaus; verzoekt de Commissie en de Europese investeringsadvieshub specifieke oplossingen inzake financiering te formuleren zodat toegang tot financiering uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) makkelijker wordt voor de ontplooiing van ERTMS ten gunste van installaties voor zowel infrastructuur als locomotieven;

38.  is van mening dat hindernissen en beperkingen op het vlak van interoperabiliteit aanzienlijk zullen afnemen wanneer alle lidstaten de interoperabiliteitsrichtlijn toepassen; onderstreept dat bijkomende zachte maatregelen zoals interoperabel rollend materieel (lage wagons, locomotieven die geschikt zijn voor meerdere spoorbreedtes enz.) kunnen helpen om beperkingen op het vlak van interoperabiliteit te verminderen; dringt er bij Shift2Rail op aan om een analyse te maken van de EU-markt en van toekomstige ontwikkelingen, en om ter ondersteuning van multimodaal en gecombineerd vervoer de beschikbaarheid van zachte multioperabele oplossingen voor infrastructuur en rollend materieel te stimuleren;

39.  wijst erop dat gecombineerd vervoer moet worden versterkt en dat de huidige EU-regelgeving moet worden gemoderniseerd, met inbegrip van de regelgeving voor intracommunautaire cabotage en vervoersdocumenten, zodat de regels duidelijk en begrijpelijk zijn en kunnen worden toegepast door de autoriteiten; is verheugd over de toezegging van de Commissie om Richtlijn 92/106/EEG van de Raad te herzien en dringt erop aan dat de herziening onverwijld wordt voorgelegd;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, zonder de algemene veiligheid in gevaar te brengen, krachtigere, effectievere maatregelen en stimulansen in te voeren om spoorwegmaatschappijen ertoe aan te zetten het lawaai dat wordt veroorzaakt door goederentreinen aan te pakken, gezien de negatieve effecten van geluidsoverlast op de gezondheid, met name omdat bijna zeven miljoen mensen in de EU worden blootgesteld aan een niveau van spoorweglawaai dat de drempel van buitensporige blootstelling overschrijdt, vooral in stedelijke gebieden; verzoekt de Commissie in dit verband grenswaarden voor geluidsemissies van goederentreinen in te voeren;

41.  is van mening dat de overgang naar vervoer per spoor en over water moet worden gestimuleerd, omdat zo de verkeersdrukte wordt ontlast en omdat deze vervoerswijzen minder vervuilend zijn dan het vervoer over de weg;

42.  merkt op dat binnenwateren een steeds grotere rol moeten spelen bij het bedienen van zeehavens als logistieke centra, met name door goederen verder het binnenland in te brengen en de Europese zeeën met elkaar te verbinden;

43.  is ingenomen met de eerste maatregelen van de Commissie op basis van de akkoorden van Parijs om brandstofnormen voor zware bedrijfsvoertuigen en CO2-grenswaarden in te voeren, alsook om een streefcijfer vast te stellen voor de vermindering van broeikasgassen in de sector van het goederenvervoer over de weg; is van mening dat maatregelen waarvoor een bijstelling van de infrastructuur- en operationele normen van het TEN-T-netwerk nodig is enkel in overweging kunnen worden genomen als kan worden aangetoond dat alternatieven zoals het verminderen van retourritten met lege vrachtwagens, een beter gebruik en een grotere beschikbaarheid van alternatieve brandstoffen, betere logistiek en aandrijfsystemen geen grotere efficiëntiewinst kunnen opleveren met minder gevolgen voor de infrastructuur en het milieu;

44.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is één enkele standaardmethode in te voeren voor het meten van broeikasgasemissies over de hele toeleveringsketen en voor alle oplossingen inzake modaal vervoer;

45.  verzoekt de Commissie om aan te zetten tot de ontwikkeling van elektrische vervoerswijzen en vervoerswijzen op alternatieve energiebronnen, met de nodige infrastructuur over het hele TEN-T-netwerk, en om met name in stadscentra aan te zetten tot de ontwikkeling van innoverende regelingen inzake vervoer, bijvoorbeeld het gebruik van elektrische voertuigen en hernieuwbare energiebronnen en de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen en de bijbehorende infrastructuur; benadrukt dat het gebruik van elektrische lichte bedrijfsvoertuigen in de logistiek van de laatste kilometer de CO2-emissies in het algemeen en ook de plaatselijke emissies van vervuilende stoffen en van lawaai in het bijzonder vermindert en zo een positieve bijdrage levert aan de luchtkwaliteit in de stad; benadrukt daarom dat oplaadinfrastructuur in logistieke knooppunten noodzakelijk is;

46.  is van mening dat verdere maatregelen nodig zijn om het vervoer over de weg efficiënter en milieuvriendelijker te maken in de logistieke keten; stelt voor om voor zware bedrijfsvoertuigen die op schone, alternatieve brandstoffen rijden die voldoen aan de strengste emissie-, geluids-, veiligheids- en sociale normen de verkeersbeperkingen te versoepelen en te zorgen voor continuïteit en een volledig efficiënte logistiek in de corridors van het kernnetwerk; staat erop dat de corridors van het kernnetwerk op grote schaal en bij wijze van minimum worden uitgerust met tankstations voor alternatieve brandstoffen en veilige parkeerplaatsen voor vrachtwagens, met inbegrip van de nodige voorzieningen om beroepschauffeurs in staat te stellen hun rusttijden in waardige omstandigheden door te brengen;

47.  is van mening dat de ingebruikname van schonere aandrijfsystemen in het goederenvervoer moet worden gestimuleerd door een gecoördineerde en dringende ontwikkeling van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de TEN-T-corridors, in overeenstemming met de EU-wetgeving;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is de verstrekking van en toegang tot informatie over multimodale en logistieke diensten van de EU te verbeteren, met name voor kmo's die een beperkte toegang hebben tot deze informatie; verzoekt de Commissie om in samenwerking met netwerkexploitanten en de lidstaten de uitwisseling van geldende overeenkomsten, instrumenten, afspraken, wetgeving en beste praktijken inzake multimodaal vervoer in de EU te faciliteren en een handboek online ter beschikking te stellen om marktdeelnemers te ondersteunen;

49.  onderstreept dat de digitalisering van diensten van belang kan zijn om aan te sporen tot het vinden van milieuvriendelijkere oplossingen op het gebied van multimodaal vervoer; verzoekt de Commissie derhalve om, mede door een coherente wetgevende aanpak op het niveau van de EU, de toegang tot en het delen van gegevens over de verkeersstromen langs de corridors en het gebruik van multimodaal transport te faciliteren, met name voor kmo's, en te verzekeren dat lokale spelers en openbare autoriteiten in deze sector meer worden geraadpleegd, zodat er een beter beheer van de voorzieningsketen tot stand wordt gebracht en op efficiëntere wijze gebruik wordt gemaakt van middelen en infrastructuur, onder meer door goede praktijken te bundelen; onderstreept dat toegang tot dergelijke gegevens over verkeersstromen voor spelers zoals dienstverleners op het gebied van digitale kaarten en navigatie van fundamenteel belang is om intermodaal vervoer, efficiëntere trajectbepaling, geautomatiseerd rijden en intelligente vervoerssystemen mogelijk te maken, alsook "platooning" (groepering van verscheidene voertuigen) in het vrachtvervoer over de weg, waarbij deze laatste methode ervoor zorgt dat beter gebruik kan worden gemaakt van de slipstream, waardoor emissies dalen en de wegcapaciteit wordt vergroot;

50.  pleit voor een verplichte plaatsing van alcoholsloten – met een kleine, wetenschappelijk gefundeerde meettolerantie – in alle nieuwe modellen van voertuigen voor goederenvervoer;

Betere opleidings- en arbeidsvoorwaarden om nieuwe vakmensen aan te trekken

51.  stelt vast dat de werk- en leefomstandigheden van het personeel in de logistieke keten de laatste jaren aanzienlijk is verslechterd, waardoor deze sector minder aantrekkelijk is geworden voor nieuwe generaties, met name voor mobiele werknemers;

52.  stelt met bezorgdheid vast dat de logistieke sector met een tekort aan werknemers kampt, dat de technologische ontwikkeling de komende jaren nog meer uitdagingen met zich zal meebrengen en dat de prestaties van de sector hinder kunnen ondervinden doordat de aanpassing van de arbeidskrachten aan nieuwe technologieën, waaronder digitale technologieën, traag verloopt; verzoekt de Commissie een inventaris te maken van de opleidings- en leerbehoeften op EU-niveau, alsook van de arbeidsvoorwaarden, kosten en belemmeringen die werknemers ervan weerhouden in de vervoerssector te stappen, en met spoed maatregelen voor te stellen om de sector aantrekkelijker te maken voor jongeren en toekomstige generaties; beschouwt dit als een kans om het aandeel vrouwen, onder meer via maatregelen voor positieve discriminatie, en nieuwkomers op de arbeidsmarkt in de vervoerssector uit te breiden, onder andere met onderdanen van derde landen; is er bovendien van overtuigd dat een strategische investering in opleiding en betere arbeidsomstandigheden initiatieven moet omvatten om in de overheidssector kennis te ontwikkelen om kwesties in verband met goederenvervoer beter te integreren in sociale planning, alsook om demonstratie- en testarena's te ontwikkelen waar onderzoek en innovatie met betrekking tot goederenvervoer en logistiek kunnen worden toegepast en getest onder reële omstandigheden;

53.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is financieel te investeren in duaal onderwijs en beroepsopleidingen voor de vervoerssector;

54.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om in de TEN-T-corridors te zorgen voor voldoende en veilige parkeerruimte om te voorkomen dat mobiele werknemers in de vervoerssector te maken krijgen met steeds toenemende veiligheidsproblemen;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te buigen over de aanbevelingen die het Parlement onlangs heeft geformuleerd betreffende sociaal-economische aspecten in de vervoerssector en betreffende de strijd tegen oneerlijke praktijken op de arbeidsmarkt; merkt op dat wetgeving inzake sociale en arbeidsomstandigheden moet stroken met alle fundamentele vrijheden van de EU, geen beperking mag vormen voor eerlijke concurrentie of bijkomende administratieve lasten mag veroorzaken;

Behoefte aan betere statistische informatie over logistiek

56.  onderstreept dat er voor de logistieke sector behoefte is aan betere statistieken inzake intermodaal vervoer en prestaties, ter facilitering van voorspellingen en evaluaties met betrekking tot beleids- en investeringsmaatregelen en om waardevolle informatie te kunnen verschaffen aan exploitanten; verzoekt de Commissie samen te werken met belanghebbende partijen om een EU-kader te ontwikkelen voor statistische gegevens inzake multimodaal vervoer en logistiek, waarbij ook nieuwe indicatoren worden ontwikkeld om reële trends in het goederenvervoer beter weer te geven;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0310.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0423.
(3) PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 79.
(4) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 154.
(5) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
(7) PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22.
(8) https://www.eu2016.nl/documenten/publicaties/2016/06/20/ministerial-declaration-on-implementing-ten-t
(9) http://ec.europa.eu/transport/themes/infrastructure/news/doc/2016-06-20-ten-t-days-2016/issues-papers.pdf
(10) http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR16_08/SR_RAIL_FREIGHT_NL.pdf


Een Europese pijler van sociale rechten
PDF 349kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten (2016/2095(INI))
P8_TA(2017)0010A8-0391/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 9 van het VWEU, op grond waarvan de EU verplicht is tot de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid,

–  gezien de artikelen 151-156 van het VWEU,

–  gezien de Verklaring van 9 mei 1950, waarin werd opgeroepen tot "het gelijkstellen en verbeteren van de levensomstandigheden van werknemers",

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, het bijkomende protocol hierbij en de herzien versie hiervan, die in werking is getreden op 1 juli 1999, met name deel I en deel II en de artikelen 2, 4, 16 en 27 hiervan, over het recht van werknemers met gezinsverantwoordelijkheden op gelijke kansen en gelijke behandeling,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat door de EU is geratificeerd in 2010,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat in werking is getreden in 1990,

–  gezien het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat is goedgekeurd op 9 december 1989,

–  gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling voor 2030, die door de Verenigde Naties in 2015 zijn aangenomen en die van toepassing zijn op de hele wereld, ook de EU,

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BusinessEurope, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herzien raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG1 bis(1),

–  gezien de conventies en aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien de Europese Code inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa en het protocol erbij, een centraal Europees instrument voor de minimale harmonisatie van socialezekerheidsstelsels, dat minimumnormen bevat en de partijen bij de Code toelaat het beter te doen dan deze normen,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke VN-deskundige betreffende het genot van alle mensenrechten door oudere personen,

–  gezien de bestaande EU-wetgeving, beleidscoördinatiemechanismen en financiële instrumenten op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid, economisch en monetair beleid, de interne markt, het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, het Europees Sociaal Fonds en economische, sociale en territoriale cohesie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010 en 17 juni 2010 en de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de aanbevelingen en conclusies van de Raad over de integratie van Roma,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(2),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 met als titel "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 getiteld "De bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa",

–  gezien de Richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep(4),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof (COM(2008)0637),

–  gezien de richtlijn schriftelijke verklaringen(5),

–  gezien de richtlijn betreffende arbeid voor bepaalde tijd(6),

–  gezien de richtlijn betreffende uitzendarbeid(7),

–  gezien de richtlijn betreffende deeltijdarbeid(8),

–  gezien de richtlijn rassengelijkheid(9),

–  gezien de politieke richtsnoeren voor de Commissie, getiteld "Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda voor banen, groei, billijkheid en democratische verandering", en gepresenteerd door Jean-Claude Juncker op 15 juli 2014,

–  gezien het verslag over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters") van 22 juni 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededelingen van de Commissie over de integratie van Roma (COM(2010)0133, COM(2011)0173, COM(2012)0226, COM(2013)0454, COM(2015)0299, COM(2016)0424),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het verslag van de Commissie van 21 maart 2014 over de toepassing van Richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid (COM(2014)0176),

–  gezien het EESC-advies van 17 september 2015 getiteld "Beginselen voor doeltreffende en betrouwbare socialezekerheidsstelsels"(10),

–  gezien zijn resolutie van woensdag 6 juli 2016 over de strategische prioriteiten met betrekking tot het werkprogramma van de Commissie voor 2017(11),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende informatie voor en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering(12),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2015 over zwangerschapsverlof(13),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over een EU-strategie inzake dakloosheid(14),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(15),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(16),

–  gezien de nota Strategische inzet voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Europese Commissie,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(17),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over het armoedebestrijdingsdoel halen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten(19),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap(20),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie(21),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(22),

–  gezien zijn resolutie van 5 oktober 2016 over de behoefte aan een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente Caterpillar- en Alstom-zaken(23),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(24),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid(25),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het sociale investeringspact - een reactie op de crisis(26) en het pakket sociale-investeringsmaatregelen van de Commissie van 20 februari 2013, met inbegrip van de aanbeveling van de Commissie over investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken van 2013,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Roma(27),

–  gezien het Europese woordenboek van industriële relaties van Eurofound,

–  gezien het Eurofound-verslag van 2014 getiteld "Pay in Europe in the 21st century" ("Beloning in Europa in de 21e eeuw"),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2014 getiteld "Access to healthcare in time of crisis" ("Toegang tot gezondheidszorg in crisistijd"),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2015 getiteld "Access to social benefits: Reducing non-take-up" ("Toegang tot sociale uitkeringen: vermindering van het niet-claimen"),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2015 getiteld "New forms of employment" ("Nieuwe vormen van werk"),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2016 getiteld "Inadequate housing in Europe: Costs and consequences" ("Slechte huisvesting in Europa: kosten en gevolgen"),

–  gezien de geplande Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden van Eurofound van 2016,

–  gezien de IAO-studie van 2016 getiteld "Building a social pillar for European convergence",

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en in het bijzonder zijn enquêtes bij migranten en minderheden en verslagen over ernstige arbeidsuitbuiting, kinderbeschermingssystemen en het recht van personen met een handicap op zelfstandig leven,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-266/14 van 10 september 2015 over de organisatie van de arbeidstijd voor werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie in gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P (Ledra Advertising en andere) van 20 september 2016, waarin de grondrechten van burgers worden versterkt ten aanzien van de Commissie en de Europese Centrale Bank bij het aannemen van memoranda van overeenstemming namens het ESM,

–  gezien de gezamenlijke analyses van de Europese sociale partners, BusinessEurope, het CEEP, het EVV en UEAPME van oktober 2007 getiteld "De belangrijkste uitdagingen voor de Europese arbeidsmarkten", en van juli 2015 getiteld "Grondige analyse van de werkgelegenheid door de Europese sociale partners",

–  gezien het gezamenlijke advies van de Comités voor de werkgelegenheid en voor sociale bescherming over de Europese pijler van sociale rechten, als bekrachtigd door de Raad op 13 oktober 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0391/2016),

A.  overwegende dat de EU snel en zichtbaar moet reageren op de toenemende frustratie en de zorgen van velen met betrekking tot onzekere levensvooruitzichten, werkloosheid, toenemende ongelijkheid en een gebrek aan kansen, met name voor jongeren; overwegende dat de openbare raadpleging over de Europese pijler van sociale rechten die de Commissie tot december 2016 heeft gehouden, heeft geleid tot een grondige reflectie over het bestaande sociale acquis en tot een ruim debat onder de sociale partners, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de civiele maatschappij en de EU-instellingen over de toekomst en de structuur van een Europees sociaal model voor de toekomst; overwegende dat dit debat kan helpen de aandacht te vestigen op de basiswaarden van de EU en het feit dat Europa in vergelijking met de rest van de wereld beschikt over geavanceerde arbeids- en sociale normen en socialezekerheidsstelsels; overwegende dat het debat over de Europese pijler van sociale rechten en de stappen die moeten worden ondernomen om deze te realiseren, ook kan helpen om het Europese project een stevigere fundering te geven en het gevoel van betrokkenheid van mensen bij het Europese-eenmakingsproces te vergroten;

B.  overwegende dat de EU verder een Europees sociaal model moet ontwikkelen dat is ingepast in een sociale markteconomie, dat mensen de teugels in handen geeft en dat duurzame welvaart en hoge productiviteit mogelijk maakt op basis van solidariteit, sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen, een billijke welvaartsverdeling, solidariteit tussen de generaties, de rechtsstaat, non-discriminatie, gendergelijkheid, universele, kwalitatief hoogwaardig openbaaronderwijssystemen, kwaliteitsbanen en duurzame, banenrijke en inclusieve groei op de lange termijn, in overeenstemming met de wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling – een model dat werkelijk gericht is op volledige werkgelegenheid, dat adequate sociale bescherming en kwalitatief hoogstaande diensten garandeert voor iedereen en dat economische ongelijkheid bestrijdt, personen in kwetsbare situaties sterker maakt, armoede en sociale uitsluiting bestrijdt, participatie in het maatschappelijke en politieke leven bevordert en de levensomstandigheden van alle mensen in de EU verbetert, teneinde de doelstellingen en rechten te realiseren die zijn vastgesteld in de EU-Verdragen, het Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest;

C.  overwegende dat de Commissie zich heeft verplicht tot het verwerven van een sociale AAA-rating voor de EU en dat zij in het voorjaar van 2017 naar verwachting een voorstel zal indienen voor een Europese pijler van sociale rechten die goed functionerende en inclusieve arbeidsmarkten en verzorgingsstelsels zal bevorderen in de deelnemende lidstaten en zal dienen als kompas voor een hernieuwde opwaartse convergentie door i) de bestaande EU-wetgeving te actualiseren, ii) het EU-kader voor coördinatie van het economisch en sociaal beleid te verbeteren, onder andere door sociale benchmarking van de nationale hervormingsinspanningen, zonder de invoering van inefficiënte parallelle structuren, en iii) te voorzien in financiële steun hiervoor op nationaal en Europees niveau; overwegende dat het Parlement, dat rechtstreeks door de Europese burgers is gekozen, een fundamentele verantwoordelijkheid en rol heeft bij het vaststellen en aannemen van de Europese pijler van sociale rechten;

D.  overwegende dat economische en sociale beleidsmaatregelen bedoeld zijn voor het dienen van mensen, inclusief door het bevorderen van duurzame en maatschappelijk verantwoorde economische activiteiten op een gelijk speelveld, en dat mensen ook de belangrijkste factor zijn voor het concurrentievermogen van een bedrijf en de behoorlijke werking van de hele economie;

E.  overwegende dat de sociale dialoog positief kan bijdragen tot groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen; overwegende dat de Unie verplicht is de rol van de sociale partners te erkennen en te bevorderen en de dialoog tussen de sociale partners te faciliteren, met inachtneming van hun autonomie, inclusief op het gebied van de vaststelling van de lonen, het recht op collectieve onderhandeling en het sluiten en handhaven van collectieve overeenkomsten en het recht op gezamenlijke acties in overeenstemming met de nationale wetten en praktijken; overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten de sociale partners en de lidstaten ertoe moet aanmoedigen normen vast te stellen die hoger liggen dan degene die zijn overeengekomen op Europees niveau; overwegende dat de Commissie overleg pleegt met de sociale partners over de richting die kan worden ingeslagen met het optreden van de Unie op het gebied van sociaal beleid; overwegende dat continue ondersteuning nodig is voor de sociale dialoog op alle niveaus;

F.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat bedrijven zich gedragen op maatschappelijk verantwoorde wijze en werkelijk rekening houden met duurzaamheid en de belangen van de samenleving; overwegende dat het waardevol is werknemers te betrekken bij de besluitvorming; overwegende dat ondernemingen van de sociale economie, bijvoorbeeld coöperaties, een goed voorbeeld zijn wat de creatie van kwaliteitsbanen, ondersteuning van sociale inclusie en bevordering van een participerende economie betreft;

G.  overwegende dat de fundamentele sociale rechten van toepassing zijn op alle mensen in de EU en dat de bestaande EU-wetgeving inzake arbeid en product- en dienstenmarkten van toepassing is op alle lidstaten; overwegende dat economische integratie de lidstaten van elkaar afhankelijk maakt wat hun capaciteit betreft om te zorgen voor behoorlijke arbeidsomstandigheden en de instandhouding van de sociale cohesie; overwegende dat een werkende interne markt een degelijke kern vereist van sociale rechten voor arbeiders, om te voorkomen dat er wordt geconcurreerd op basis van de arbeidsomstandigheden; overwegende dat het in de Verdragen vastgestelde subsidiariteitsprincipe actie op Unieniveau verantwoordt op basis van de schaal of effecten van de actie die wordt voorgesteld; overwegende dat het realiseren van de sociale doelstellingen van de EU ook afhangt van de nationale wetgeving en van goed ontwikkelde nationale sociale stelsels; overwegende dat regionale verschillen tussen de loonniveaus en de socialezekerheidsstelsels tot op zekere hoogte onontkoombaar zijn, maar dat erop moet worden toegezien dat dit geen neerwaartse druk creëert op de arbeids- en de leefomstandigheden; overwegende dat opwaartse sociale en economische convergentie erg belangrijk is voor de behoorlijke werking van de Unie; overwegende dat de Unie de nationale socialezekerheidsstelsels niet harmoniseert, maar coördineert, dat zij de ontwikkeling ervan bevordert en dat zij de efficiënte sociale bescherming faciliteert van personen die hun recht uitoefenen op vrij verkeer; overwegende dat de ontwikkelingen op het gebied van regelgeving gelijke pas moeten houden met de technologische en andere innovatie, om rechtszekerheid te bieden en economische ontwikkeling door eerlijke mededinging te bevorderen; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten actie zal vereisen op diverse niveaus, alsmede sectoroverschrijdende benaderingen en een volledige betrokkenheid van alle belanghebbenden; overwegende dat bij de bepalingen inzake de rusttijd van werknemers rekening moet worden gehouden, indien van toepassing, met een gemeenschappelijke wekelijkse rustdag die erkend wordt door de traditie en de gebruiken in het land of de regio;

H.  overwegende dat de Europese verzorgingsstaten moeten worden geactualiseerd bijgewerkt en versterkt om de opwaartse doorstroming naar en binnen de arbeidsmarkt te ondersteunen en om mensen gedurende hun hele leven economische zekerheid te geven; overwegende dat, nu de arbeidsmarkt complexer wordt, de welvaartsstaat uiteraard ook zijn mechanismen en instrumenten moet aanpassen om de verschillende sociale risico's die ontstaan, correct te beheren; overwegende dat dit actualiseringsproces ook de toegang van mensen tot de verzorgingsstaat en de interactie hiermee moet verbeteren en de toepassing moet faciliteren van de desbetreffende regels, inclusief voor kmo's; overwegende dat de rol van verzorgingsstaten evenwel ruimer is dan hetgeen betrekking heeft op de arbeidsmarkt; dat onder andere ook inbegrepen zijn: het laten functioneren van de socialezekerheidsstelsels, bestrijding van armoede en sociale exclusie en investering in onderwijs, kinderopvang, gezondheidszorg, sociale diensten en andere essentiële diensten; overwegende dat sociale investeringen die de ontwikkeling van mensen ondersteunen vanaf de prille kinderjaren tot op hoge leeftijd, een cruciale rol spelen om mensen in staat te stellen volledig te participeren in een maatschappij en economie van de 21e eeuw; overwegende dat een grote inspanning nodig zal zijn om de doelstelling van de Europa 2020-strategie inzake armoedevermindering en sociale inclusie te realiseren; overwegende dat huisvesting een nijpend probleem is in vele lidstaten en dat vele gezinnen een groot deel van hun beschikbare inkomen besteden aan de kosten van huisvesting en energie;

I.  overwegende dat conventie 202 van de IAO bepaalt dat de socialebeschermingsniveaus ten minste de volgende elementaire waarborgen inzake sociale zekerheid moeten bevatten: a) toegang tot een geheel van goederen en diensten die op nationaal niveau worden gedefinieerd, met name essentiële gezondheidszorgen, met inbegrip van kraamzorg, en die voldoen aan de criteria van beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid en kwaliteit; b) fundamentele inkomenszekerheid voor kinderen die zich ten minste op een minimumniveau bevindt zoals bepaald op nationaal niveau en die de toegang verzekert tot voeding, onderwijs, verzorging en alle andere noodzakelijke goederen en diensten; c) fundamentele inkomenszekerheid die zich ten minste op een minimumniveau bevindt zoals bepaald op nationaal niveau, voor personen op actieve leeftijd die onvoldoende inkomen kunnen verwerven, in het bijzonder omwille van ziekte, werkloosheid, moederschap en invaliditeit; en d) fundamentele inkomenszekerheid voor ouderen die zich ten minste op een minimumniveau bevindt zoals bepaald op nationaal niveau; overwegende dat bij de Europese pijler van sociale rechten rekening moet worden gehouden met deze definitie en ernaar moet worden gestreefd om te garanderen dat deze essentiële aspecten van sociale bescherming volledig worden gerealiseerd en bij voorkeur overschreden in alle lidstaten; overwegende dat het Europees Economisch en Sociaal Comité een nuttige bijdrage in dit opzicht heeft geleverd door overeenstemming te bereiken over principes inzake effectieve en betrouwbare verzorgingsstelsels;

J.  overwegende dat alle EU-lidstaten aankijken tegen bepaalde uitdagingen op werkgelegenheids- en sociaal gebied; overwegende dat de realisatie van sociale rechten ook afhangt van beleid en instrumenten ter ondersteuning van territoriale cohesie, met name in regio's met ernstige en permanente natuurlijke, demografische of structurele economische handicaps, inclusief regio's met een lage bevolkingsdichtheid en een verspreide populatie of ultraperifere gebieden; overwegende dat meer strategische investering en steun voor cohesie nodig is in achtergestelde regio's, om ze concurrerender te maken, de sociaaleconomische structuur ervan te verbeteren en verdere demografische achteruitgang te voorkomen; overwegende dat de eurozone, gezien zijn huidige macro-economische kader, te maken heeft met specifieke uitdagingen om de werkgelegenheids- en sociale doelstellingen die in de Verdragen zijn vastgesteld, te behalen; overwegende dat het herstel van adequate sociaaleconomische zekerheid als compensatie voor deze toegenomen interne flexibiliteit de overweging kan vereisen van specifieke sociale doelstellingen, normen en/of financiële instrumenten op het niveau van de eurozone;

K.  overwegende dat de Europese arbeidsmarkten zich vaker ontwikkelen naar "atypische vormen" of "niet-standaardvormen" van werk zoals uitzendarbeid, onvrijwillig deeltijds werk, occasioneel werk, seizoensarbeid, oproepwerk, economisch afhankelijk zelfstandig werk of werk op basis van bemiddeling door digitale platforms; overwegende dat vaste banen evenwel het meeste blijven bijdragen tot meer werkgelegenheid, aangezien zij gedurende de afgelopen tweeënhalf jaar sneller groeien dan tijdelijke banen(28); overwegende dat de vraag naar arbeid diverser wordt dan in het verleden; overwegende dat dit in sommige gevallen gunstig kan zijn voor de productiviteit, het evenwicht tussen privé- en beroepsleven, doorstromingen naar de arbeidsmarkt en mogelijkheden inzake een tweede loopbaan voor wie daar behoefte aan heeft; overwegende echter dat sommige niet-standaardvormen van werk voortdurende economische onzekerheid en slechte arbeidsvoorwaarden omvatten, met name in termen van lagere en minder zekere inkomsten, minder mogelijkheden om op te komen voor zijn rechten, gebrek aan sociale en ziektekostenverzekeringen, gebrek aan professionele identiteit, gebrek aan loopbaanperspectieven en moeilijkheden om oproepwerk te combineren met privé- en gezinsleven; overwegende dat een dynamische arbeidsmarkt moet garanderen dat iedereen de mogelijkheid heeft om in zijn beroepsleven zijn of haar vaardigheden en bekwaamheden te gebruiken, onder andere op basis van gezonde en veilige werkomstandigheden, een actief arbeidsmarktbeleid en een actualisering van de vaardigheden in de loop van een leven, door middel van geregeld en een leven lang leren; overwegende dat de toepasselijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de concepten arbeidsbetrekking en werknemer verduidelijkt voor de toepassing van de EU-wetgeving, onverminderd de nationale definities van werknemer, die zijn vastgesteld voor de toepassing van de nationale wet, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel;

L.  overwegende dat een actief arbeidsmarktbeleid, individuele verantwoordelijkheid en deelname aan een leven lang leren belangrijk zijn voor arbeidsmarktinclusie, hoewel werkloosheid in de meeste gevallen het gevolg is van een gebrek aan vacatures of andere omstandigheden die ontsnappen aan iemands controle;

M.  overwegende dat personen die verkeren in kwetsbare situaties of vaker te maken krijgen met discriminatie, zoals vrouwen, etnische minderheden, langetermijnwerklozen, ouderen en personen met een handicap, aanvullende maatregelen behoeven, zodat ze beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en tijdens hun hele leven kunnen genieten van een waardige levensstandaard; overwegende dat de EU zich heeft verplicht tot de bouw van een Europa zonder belemmeringen voor de naar schatting 80 miljoenen personen met een handicap in de EU en dat de EU-doelstellingen inzake werkgelegenheid en terugdringing van de armoede niet zullen worden gerealiseerd, als personen met een handicap niet volledig in de economie en de samenleving worden geïntegreerd; overwegende dat het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door de EU is geratificeerd en dat de principes hiervan bijgevolg in de pijler van sociale rechten moeten worden gemainstreamd; overwegende dat de negatieve gevolgen van de crisis op toegang tot gezondheidszorg vaak pas later zichtbaar zijn geworden en dat veel mensen geen toegang tot gezondheidszorg kunnen krijgen, zelfs als ze formeel het recht hebben op de diensten, met name omdat ze hun eigen bijdrage in de kosten niet kunnen betalen of te maken krijgen met wachtlijsten;

N.  overwegende dat vrouwen nog steeds te maken hebben met vele vormen van discriminatie in de EU en nog steeds ondervertegenwoordigd zijn op alle niveaus van besluitvorming;

O.  overwegende dat gendergelijkheid is vastgelegd in de EU-Verdragen en in het EU‑Handvest van de grondrechten en een kernwaarde is van de EU; overwegende, niettemin, dat vrouwen ondervertegenwoordigd blijven op de arbeidsmarkt in het algemeen (zo heeft 75,6 % van de mannen een baan tegenover 64,5 % van de vrouwen) en dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in deeltijdse banen en in de slechtstbetaalde sectoren, en bovendien minder betaald worden per uur, waardoor de loonkloof tussen mannen en vrouwen 16 % bedraagt en de pensioenkloof 39 %, evenwel met grote verschillen tussen de diverse lidstaten; overwegende dat gendergerelateerde discriminatie in aanwervingsprocedures in de lidstaten blijft bestaan, ook al is het opleidingsniveau van vrouwen intussen hoger dan dat van mannen;

P.  overwegende dat sociale rechten, diensten en een behoorlijk inkomen gendergerelateerde kwesties zijn, aangezien vrouwen vaker een slechtbetaalde baan hebben, een hoger risico op armoede lopen, sterker afhankelijk zijn van publieke en particuliere sociale diensten, en traditioneel de rol van zorgverlener voor kinderen en oudere familieleden en de primaire verantwoordelijkheid voor het huishouden op zich nemen, waardoor zij over het algemeen een lager pensioen krijgen;

Q.  overwegende dat de doelstellingen van Barcelona uit 2002 bij lange niet zijn bereikt, hoewel in het Handvest van de grondrechten staat dat kinderen recht hebben op bescherming en zorg, en dat dit aanzienlijke gevolgen heeft op het vlak van de arbeidsparticipatie van vrouwen, de gelijkheid van mannen en vrouwen, het evenwicht tussen werk en privéleven en armoede onder vrouwen;

R.  overwegende dat Europa veel verder kan gaan in het ontwikkelen van een cluster van sectoren die zijn gericht op het ondersteunen van de gezondheid, de kennis en het vermogen tot deelname aan de economie van mensen; overwegende dat er in de sector van op mensen gerichte diensten zoals onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang, andere verzorgingsdiensten en sport veel banen kunnen worden gecreëerd en dat deze sector niet mag worden beschouwd als een last voor de economie, maar eerder als een sleutelfactor voor duurzame welvaart;

S.  overwegende dat een strategische aanpak nodig is van de uitdagingen als gevolg van de veroudering en inkrimping van de EU-bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd, met name wat toekomstige tekorten met betrekking tot bepaalde vaardigheden en toekomstige wanverhoudingen op de EU-arbeidsmarkt, alsmede de verwachte evolutie van de economische afhankelijkheidsratio's betreft, mede rekening houdend met legaal in de EU verblijvende burgers van derde landen; overwegende dat het belangrijk is mogelijkheden te bevorderen inzake arbeidsmobiliteit, met name onder jongeren, inclusief diegene die een beroepsopleiding volgen in het kader van het leerlingwezen;

1.  verzoekt de Commissie voort te bouwen op de herziening van het sociale acquis en van het EU-werkgelegenheids- en sociale beleid, alsmede op de resultaten van de openbare raadpleging van 2016 door voorstellen in te dienen voor een degelijke Europese pijler van sociale rechten die niet beperkt is tot een verklaring van principes of goede intenties, maar die de sociale rechten versterkt door middel van concrete, specifieke instrumenten (wetgeving, beleidsmechanismen en financiële instrumenten), om te zorgen voor een positieve impact op het leven van de burgers op korte en middellange termijn en steun mogelijk te maken voor de Europese eenmaking in de 21e eeuw, door de sociale doelstellingen van de Verdragen effectief te realiseren, de nationale verzorgingsstaten te ondersteunen, de cohesie, de solidariteit en de opwaartse convergentie van de economische en sociale resultaten te versterken, te zorgen voor passende sociale bescherming, de ongelijkheid te verminderen, de vooruitgang op het gebied van terugdringing van de armoede en sociale exclusie die al lang een feit had moeten zijn, te realiseren, de nationale hervormingsinspanningen te faciliteren door middel van benchmarks en te helpen de werking van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de interne markt van de EU te verbeteren;

2.  is van mening dat de Europese pijler van sociale rechten ook moet helpen om te zorgen voor een behoorlijke toepassing van de internationale arbeidsnormen en om het sociale acquis te actualiseren; is van mening dat de normen die in het kader van de Europese pijler van sociale rechten zullen worden vastgesteld, van toepassing moeten zijn op alle landen die deelnemen aan de eengemaakte markt, om een gelijk speelveld te behouden, en dat wetgeving, bestuursmechanismen en financiële instrumenten die relevant zijn om de normen te realiseren, van toepassing moeten zijn op alle EU-lidstaten; onderstreept het feit dat met de pijler van sociale rechten rekening moet worden gehouden bij de EU's economisch beleid; is van mening dat de specifieke beperkingen van het lidmaatschap van de eurozone vereisen dat bijkomende specifieke sociale streefdoelen en normen worden vastgesteld en dat financiële steun in verband hiermee op het niveau van de eurozone wordt overwogen, terwijl openheid voor de lidstaten die geen lid zijn van de eurozone, behouden blijft; wijst op het mogelijke gebruik van het mechanisme voor nauwere samenwerking krachtens artikel 20 van het VEU, om desgewenst een sterke Europese pijler van sociale rechten tot stand te brengen;

3.  benadrukt het feit dat de Europese pijler van sociale rechten mensen die wonen in de EU, moet uitrusten met krachtigere middelen om de controle te behouden over hun leven, zodat zij een waardig leven kunnen leiden en hun ambities kunnen waarmaken, door de diverse sociale risico's die zich gedurende hun leven voordoen, te milderen en mensen in staat te stellen volledig te participeren in de maatschappij en zich aan te passen aan de frequente technologische en economische veranderingen, inclusief door hun vaardigheden te verbeteren en door steun te verlenen voor ondernemerschap; onderstreept het feit dat de Europese pijler van sociale rechten de markten moet inschakelen voor de realisatie van welvaart, welzijn en duurzame ontwikkeling die door iedereen worden gedeeld, in de context van een sterk concurrerende sociale markteconomie die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, mede met gebruikmaking van een industrieel beleid op het niveau van de EU; is van mening dat de pijler dit moet doen door de sociale normen op dit gebied te bevorderen en de nationale verzorgingsstaten in staat te stellen de sociale cohesie en gelijkheid in de hele EU te behouden, door middel van adequate, toegankelijke en financieel duurzame socialebeschermingsstelsels en beleid inzake sociale inclusie; benadrukt het feit dat de pijler ook het vrije verkeer van werknemers moet faciliteren in een verregaandere en eerlijkere Europese arbeidsmarkt; wijst erop dat de Europese pijler van sociale rechten ook moet bijdragen tot het handhaven van de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en gelijke kansen door middel van werkgelegenheids- en sociaal beleid; beveelt aan dat de pijler zo de effectieve uitvoering mogelijk maakt van de bestaande sociale rechten en dat er, waar dit gerechtvaardigd is door nieuwe technologische en sociaaleconomische ontwikkelingen, nieuwe rechten mee worden vastgesteld; is van mening dat de pijler op deze manier ook de legitimiteit van de EU zal vergroten;

Actualisering van de bestaande arbeids- en sociale normen

4.  verzoekt de sociale partners en de Commissie samen te werken om een voorstel in te dienen voor een kaderrichtlijn over behoorlijke arbeidsomstandigheden in alle vormen van werk, met uitbreiding van de bestaande minimumnormen naar nieuwe soorten arbeidsbetrekkingen, op basis van een grondige effectbeoordeling; is van mening dat deze kaderrichtlijn de handhaving van de EU-wetgeving moet verbeteren, de rechtszekerheid binnen de hele interne markt moet vergroten en discriminatie moet voorkomen door de bestaande EU-wetgeving aan te vullen en voor elke werknemer een kernpakket afdwingbare rechten te garanderen, ongeacht het soort contract of arbeidsbetrekking, met onder andere gelijke behandeling, bescherming op het gebied van gezondheid en veiligheid, bescherming tijdens het moederschapsverlof, voorschriften op het gebied van werktijd en rusttijd, evenwicht tussen beroeps- en privéleven, toegang tot opleiding, ondersteuning op de werkvloer voor personen met een handicap, adequate rechten op het gebied van informatie, overleg en participatie, vrijheid van vereniging en vertegenwoordiging, collectieve onderhandelingen en collectieve actie; onderstreept het feit dat deze kaderrichtlijn van toepassing moet zijn op werknemers en alle werkenden met andere vormen van werk dan de standaardvorm, zonder noodzakelijkerwijze reeds bestaande richtlijnen te wijzigen; herinnert eraan dat de bestaande arbeidsrechten door de lidstaten worden toegepast overeenkomstig de nationale en de EU-wetgeving; vraagt ook een meer doelmatige en doeltreffende tenuitvoerlegging en controle van de bestaande arbeidsnormen, om de afdwingbaarheid van rechten te verbeteren en ongedeclareerd werk aan te pakken;

Arbeidsvoorwaarden

5.  erkent het feit dat een bepaalde diversiteit aan arbeidscontracten nuttig is om ervoor te zorgen dat werknemers en werkgevers elkaar op efficiënte wijze vinden; herinnert evenwel aan het risico van een tweedeling van de arbeidsmarkt en aan het gevaar dat mensen gevangen komen te zitten in onzekere contracten zonder tastbaar vooruitzicht op opwaartse transities; benadrukt het feit dat arbeidscontracten met een open einde belangrijk zijn voor de sociaaleconomische zekerheid en wijst op de voordelen die deze contracten werkgevers bieden in talrijke sectoren; steunt ook de bevordering van bedrijfsmodellen van de sociale economie; verzoekt de Commissie de richtlijn schriftelijke verklaringen (91/533/EEG) uit te breiden naar alle vormen van werk en arbeidsbetrekkingen; vraagt dat in de kaderrichtlijn over behoorlijke arbeidsomstandigheden ook de bestaande specifieke minimumnormen worden opgenomen die moeten worden gegarandeerd bij bepaalde specifieke arbeidsbetrekkingen, met name:

   a) passende inhoud op het gebied van leren en opleiding en behoorlijke arbeidsvoorwaarden voor stages, practica en leerlingplaatsen, om ervoor te zorgen dat zij waardevolle stapstenen zijn voor de overgang van onderwijs naar beroepsleven, overeenkomstig de bepalingen van de aanbeveling van de Raad inzake een kwaliteitskader voor stages, en dat zij beperkt zijn in de tijd en niet in de plaats komen van werk voor jongeren; een betaling die in verhouding staat tot het verrichte werk, de vaardigheden en de ervaring van de betrokkene en die stagiairs, praktikanten en leerlingen op de arbeidsmarkt buiten onderwijscurricula in staat stelt om rond te komen;
   b) voor werk op basis van bemiddeling door digitale platforms en andere vormen van economisch afhankelijke zelfstandige arbeid, een duidelijk onderscheid – voor de toepassing van de EU-wetgeving en onverminderd de nationale wetgeving – van personen die werkelijk zelfstandig zijn en personen met een arbeidsbetrekking, rekening houdend met Aanbeveling 198 van de IAO, die bepaalt dat het volstaat dat aan meerdere indicatoren is voldaan om van een arbeidsbetrekking te spreken; de status en essentiële verantwoordelijkheden van het platform, de cliënt en de persoon die het werk uitvoert, moeten bijgevolg worden verduidelijkt; minimumnormen voor samenwerkingsregels moeten ook worden ingevoerd, met volledige en uitgebreide informatie aan de dienstverlener over zijn of haar rechten en plichten, het bijbehorende socialebeschermingsniveau en de identiteit van de werkgever; werknemers en werkelijk zelfstandige personen die in dienst worden genomen via onlineplatforms, moeten analoge rechten hebben met de rest van de economie en beschermd zijn door participatie in socialezekerheids- en ziekteverzekeringstelsels; de lidstaten moeten zorgen voor goed toezicht op de voorwaarden van de arbeidsbetrekking of het dienstverleningscontract, zodat misbruik van de dominante positie door de eigenaar van het platform wordt voorkomen;
   c) beperkingen inzake oproepwerk: nulurencontracten mogen niet toegestaan zijn, gezien de extreme onzekerheid die zij inhouden;

6.  neemt kennis van de dalende inkomsten uit arbeid in Europa in de voorbij decennia; benadrukt het feit dat er een hernieuwde opwaartse sociale convergentie nodig is en dat genderloonkloof moet worden gedicht in de hele EU om de vraag aan te zwengelen, duurzame, inclusieve groei mogelijk te maken en de ongelijkheden te verkleinen; erkent het feit dat behoorlijke, leefbare lonen belangrijk zijn om armoede onder werkenden te voorkomen; verzoekt de Commissie actief een ruimer toepassingsgebied te ondersteunen van collectieve overeenkomsten in overeenstemming met de nationale tradities en praktijken van de lidstaten en met passende eerbiediging van de autonomie van de sociale partners; beveelt de vaststelling aan van loonondergrenzen in de vorm van een nationaal minimumloon, indien van toepassing, met passende eerbiediging van de praktijken van elke lidstaat en na overleg met de sociale partners; verzoekt de Commissie om te helpen bij de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied;

7.  herinnert eraan dat het recht op gezonde en veilige werkomstandigheden ook bescherming omvat tegen risico's op het werk evenals beperkingen van de werktijd en bepalingen inzake minimale rustperioden en jaarlijkse vakantie; dringt er bij de lidstaten op aan de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te leggen; kijkt uit naar Commissievoorstellen voor concrete maatregelen om dit recht effectief voor alle werkenden te garanderen, inclusief seizoen- en loonarbeiders, met inbegrip van maatregelen ter voorkoming van geweld tegen vrouwen of intimidatie; merkt op dat deze maatregelen gebaseerd moeten zijn op een effectbeoordeling, rekening houdend met alle actuele kennis inzake gezondheids- en veiligheidsrisico's en tevens met nieuwe manieren van werken die zijn gekoppeld aan digitalisering en andere technologische ontwikkelingen;

8.  benadrukt het feit dat het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie belangrijk is en een fundamenteel recht dat is vastgelegd in het primaire EU-recht; verwacht dat de Commissie de concrete steun opvoert voor het versterken en eerbiedigen van de sociale dialoog op alle niveaus en in alle sectoren, met name waar deze onvoldoende ontwikkeld is, waarbij zij rekening moet houden met de verschillende nationale praktijken; erkent de voordelen van het betrekken van werknemers bij het beheer van een onderneming, waaronder transnationale ondernemingen, en van de informatie, raadpleging en participatie van werknemers, mede om goed gebruik te maken van nieuwe organisatievormen van werk, te waarborgen dat werk betekenisvol en lonend is en te anticiperen op economische veranderingen; roept op tot monitoring van de toepassing van de Europese wetgeving inzake Europese ondernemingsraden en de informatie en raadpleging van werknemers en tot doeltreffende maatregelen die waarborgen dat de reorganisatie van ondernemingen op sociaal verantwoordelijke wijze plaatsvindt;

9.  benadrukt de noodzaak van uitgebreide, betrouwbare en regelmatig bijgewerkte gegevens over de kwaliteit van werk en werkgelegenheid die kunnen worden gebruikt voor het bewaken van de kwaliteit van werk en werkgelegenheid in de loop der tijd en als bewijs kunnen dienen voor het opstellen van beleid op dit gebied; dringt bij Eurofound aan op verdere ontwikkeling van zijn activiteiten bij het bewaken van de kwaliteit van banen en het werkzame leven bij zijn Europese enquêtes inzake de arbeidsomstandigheden op basis van zijn concept van de kwaliteit van banen, die bestaat uit verdiensten, vooruitzichten, fysieke omgeving, sociale omgeving, arbeidsintensiteit, gebruik van vaardigheden, discretie en kwaliteit van de werktijd; dringt bij Eurofound aan op de verdere ontwikkeling van onderzoek naar beleid, overeenkomsten met de sociale partners en ondernemingspraktijken die een betere kwaliteit van banen en het werkzame leven ondersteunen;

Adequate en duurzame sociale bescherming

10.  wijst erop dat de rechten inzake sociale bescherming individuele rechten zijn; steunt een meer geïntegreerde verstrekking van sociale uitkeringen en kwalitatief hoogwaardige sociale diensten als manier om de verzorgingsstaat begrijpelijker en toegankelijker te maken, zonder de sociale bescherming te verzwakken; benadrukt de noodzaak van toereikende sociale bescherming en sociale investeringen gedurende het gehele leven, zodat iedereen volledig kan deelnemen aan de samenleving en de economie en fatsoenlijke levensstandaarden worden behouden; wijst erop dat het belangrijk is de burgers te informeren over sociale rechten en over het potentieel van toegankelijke e-governmentoplossingen, met eventueel ook een Europese socialezekerheidskaart, met krachtige garanties inzake gegevensbescherming, die de coördinatie van de EU op het gebied van sociale zekerheid kan verbeteren en het individuele bewustzijn kan vergroten en ook mobiele werkenden kan helpen om duidelijkheid te verkrijgen over hun bijdragen en rechten in thuis- en gastlanden en om deze te vrijwaren en het werk kan faciliteren van nationale arbeidsinspecties; benadrukt het belang van gepersonaliseerde, persoonlijke ondersteuning, met name voor uitgesloten en kwetsbare huishoudens;

11.  is ervan overtuigd dat universele toegang tot snelle, kwalitatief hoogstaande en betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg en tot geneesmiddelen belangrijk is; beschouwt dit als een recht dat moet worden gegarandeerd, ook in plattelandsgebieden en grensoverschrijdende regio's; benadrukt het feit dat alle inwoners gedekt moeten zijn door een ziekteverzekering; is ervan overtuigd dat een betere bescherming van de gezondheid en de voorkoming van ziekten een overduidelijke sociale investering is die zichzelf terugbetaalt, ook door gezonder ouder worden;

12.  is zich ervan bewust dat de toenemende levensverwachting en inkrimping van de beroepsbevolking een uitdaging vormen voor de duurzaamheid en toereikendheid van de pensioenstelsels en de solidariteit tussen generaties; merkt op dat het dichten van de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in dit verband tevens een prioriteit moet zijn; herhaalt eens te meer dat het beste antwoord is de algemene activiteitsgraad te verhogen door middel van werkgelegenheidsmodellen die zijn gekoppeld aan volledige pensioendekking en met bijzondere aandacht voor de jongere generatie en diegenen die het meest zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt; is van mening dat de pensioengerechtigde leeftijd naast de levensverwachting andere factoren moet weerspiegelen, die moeten worden gedefinieerd op nationaal niveau, onder andere ontwikkelingen op het gebied van productiviteit, de economischeafhankelijkheidsratio en verschillen wat de zwaarte van het werk betreft; herinnert aan het belang van investeringen in actief ouder worden en van regelingen waarmee mensen die de pensioenleeftijd hebben bereikt, de optie krijgen om te blijven werken op hun eigen gewenste intensiteitsniveau, terwijl ze gedeeltelijk gebruik kunnen maken van hun pensioen, als zij minder dan voltijds werken;

13.  verzoekt de Commissie om een grondige analyse uit te voeren van de beste praktijken als hulp voor de lidstaten bij de berekening van de minimumpensioenen;

14.  beveelt aan dat alle werkenden gedekt zijn door een verzekering tegen werkloosheid of onvrijwillig deeltijds werk, inclusief hulp bij het zoeken van een baan en investering in opleiding of omscholing afhankelijk van de voorwaarden die elke lidstaat in overleg met de sociale partners heeft vastgelegd; herinnert eraan dat adequate werkloosheidsuitkeringen ervoor zorgen dat werknemers en werkgevers elkaar gemakkelijker kunnen vinden en bijgevolg nuttig zijn voor de productiviteit, terwijl zij ook een sleutelrol spelen voor de voorkoming en terugdringing van armoede; is van mening dat de Europese pijler van sociale rechten kwaliteitsbenchmarks moet aanbevelen voor de nationale verzekeringsregelingen tegen werkloosheid, met name met betrekking tot de dekking ervan, de activeringsvereisten, een koppeling tussen de duur van de steunverlening en de gemiddelde nationale duur van een zoektocht naar werk en de kwaliteit van de steun die wordt verleend door arbeidsbureaus;

15.  wijst op het belang van toereikende regelingen inzake een minimuminkomen voor het behouden van de menselijke waardigheid en het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting en op de rol ervan als vorm van sociale investering om mensen in staat te stellen te participeren in de maatschappij, opleiding te volgen en/of werk te zoeken; verzoekt de Commissie en de lidstaten regelingen inzake een minimuminkomen in de Europese Unie te beoordelen, inclusief de vraag of de regelingen gezinnen in staat stellen te voorzien in hun behoeften; verzoekt de Commissie en de lidstaten op basis hiervan de wijze en middelen te evalueren om te voorzien in een adequaat minimuminkomen in alle lidstaten en bijkomende stappen te overwegen om sociale convergentie in de hele Europese Unie te ondersteunen, rekening houdend met de economische en sociale omstandigheden van elke lidstaat, alsmede met de nationale praktijken en tradities;

16.  benadrukt het feit dat de rechten van personen met een handicap moeten worden geïntegreerd in de gehele sociale pijler met een op mensenrechten gebaseerde aanpak die overeenkomt met de verplichtingen van de EU en van de lidstaten op grond van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is van mening dat de bepalingen ten minste het volgende moeten omvatten:

   het recht op fatsoenlijk en belemmeringsvrij werk in volledig inclusieve, open en toegankelijke werkomgevingen en arbeidsmarkten;
   diensten en een minimale inkomenszekerheid die is aangepast aan specifieke individuele behoeften, waarmee een behoorlijk levenspeil en sociale inclusie wordt geboden;
   garantie van vrij verkeer en de overdraagbaarheid van diensten tussen de lidstaten van de EU;
   inclusief onderwijs en inclusieve opleiding, waaronder voorzieningen voor toereikende digitale geletterdheid;
   specifieke bepalingen inzake de bescherming tegen uitbuiting en gedwongen arbeid van personen met een handicap, met name onder personen met een intellectuele en psychosociale handicap en personen van wie de handelingsbevoegdheid is ontnomen;

17.  merkt met bezorgdheid op dat de beschikbaarheid en betaalbaarheid van langdurige zorg een groot probleem blijven in Europa, waardoor personen met familiale zorgtaken thuis vast komen te zitten en hen wordt belet hun carrière na te streven; betreurt veel voorkomend misbruik van zorgverleners die in dienst zijn van arbeidsbureaus of op informele basis; beschouwt toegang tot kwalitatief hoogstaande en betaalbare diensten op het gebied van langetermijnverzorging, inclusief thuisverzorging en regelingen voor een onafhankelijk leven, als een recht dat moet worden gegarandeerd met de steun van naar behoren gekwalificeerde beroepsbeoefenaren die werken tegen behoorlijke voorwaarden; is van mening dat er daarom passende overheidsdiensten en steun moeten worden ingevoerd voor huishoudens, in het bijzonder voor huishoudens met een laag inkomen, om institutionalisering en het risico op armoede te voorkomen; herhaalt zijn verzoek om wetgeving inzake zorgverlof om het effect op loon en sociale rechten te beperken, wanneer werknemers tijdelijk de zorg op zich moeten nemen van verwanten; verzoekt de Commissie een concreet actieplan op dit gebied op te stellen, inclusief doelstellingen inzake zorg voor ouderen, personen met een handicap en andere afhankelijke personen, vergelijkbaar met de Barcelona-doelstellingen, met toezichtsmiddelen die de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid moeten meten; roept ook op tot meer delen en invoeren van beste prakrijken op dit gebied;

18.  beschouwt kinderarmoede als een belangrijke kwestie, waartegen Europa alles uit de kast moet halen; benadrukt het feit dat het recht op universele onderwijs-, gezondheids- en socialezekerheidsstelsels een basisvoorwaarde is voor de bestrijding van armoede, met name onder kinderen; met deze doelstelling in gedachte, verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de snelle tenuitvoerlegging van de aanbeveling van 2013 over "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" en concrete stappen te ondernemen voor een kindergarantie in alle lidstaten, zodat elk kind dat momenteel het risico loopt van armoede, toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, behoorlijke huisvesting en gezonde voeding; wijst op de noodzakelijke koppeling met programma's die ondersteuning en mogelijkheden bieden voor de ouders om te ontkomen aan situaties van sociale uitsluiting en om te integreren op de arbeidsmarkt; erkent dat dit beleid toereikende financiering vereist op nationaal niveau en steun uit het Europees Structureel en Investeringsfonds;

19.  verzoekt de lidstaten het recht op behoorlijke huisvesting te realiseren door te zorgen voor toegang tot kwalitatief hoogwaardige en betaalbare huisvesting van afdoende grootte voor iedereen, om dakloosheid te voorkomen en te verminderen, met het oog op de geleidelijke eliminatie ervan; dringt er bij hen op aan wetgeving en/of andere maatregelen die nodig zijn, vast te stellen om te garanderen dat toegang tot sociale woningen of passende huisvestingstoelagen worden verstrekt aan behoeftigen, inclusief vanzelfsprekend dakloze personen en gezinnen, en dat kwetsbare mensen en arme gezinnen worden beschermd tegen uitzetting of hun alternatieve huisvesting wordt aangeboden; vraagt dat de verstrekking van huisvesting wordt gecombineerd met toepasselijke sociale diensten die sociale en economische inclusie ondersteunen; vraagt dat effectieve maatregelen worden genomen om jongeren met een laag inkomen te helpen een gezin te starten; benadrukt dat investeringen in energie-efficiënte sociale huisvesting een win-winsituatie is voor banen, het milieu, vermindering van energie-armoede en de realisatie van sociale rechten; vraagt dat meer gebruik wordt gemaakt van toepasselijke Europese financieringsinstrumenten voor het ondersteunen van stadsvernieuwing en de verstrekking van betaalbare, toegankelijke en energie-efficiënte huisvesting en voor de bevordering van de ontwikkeling van sociale huisvesting in regio's waar deze onderontwikkeld is; vraagt de afschaffing van alle vormen van strafbaarstelling van armoede, zoals maatregelen met oneerlijke sancties voor dakloosheid of andere vormen van materiële deprivatie;

20.  vraagt passende maatregelen, inclusief, indien dit na evaluatie nodig blijkt, verbeteringen in de wetgeving, om de beschikbaarheid en toegang voor iedereen te garanderen tot kwalitatief hoogstaande en betaalbare sociale diensten van algemeen belang en andere diensten van algemeen belang of essentiële diensten, bijvoorbeeld watervoorziening, afvalbeheer, onderwijs, gezondheidszorg, e-communicatie en hogesnelheidsbreedband, energie, openbaar vervoer en financiële diensten; wijst op de belangrijke rol die wordt gespeeld door goed uitgeruste en goed bemande aanbieders in de openbare sector en sociale ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk op dit gebied, omdat hun primaire doelstelling een positieve sociale impact is; wijst ook op de belangrijke rol die wordt gespeeld door ondernemingen van de sociale economie met betrekking tot het verstrekken van deze diensten en het inclusiever maken van de arbeidsmarkt; vraagt dat de bestaande rechtsonzekerheden worden weggenomen die overheidsinstanties ervaren bij de financiering van sociale diensten van algemeen belang; steunt het gebruik van sociale criteria bij overheidsopdrachten; herinnert eraan dat met name plattelandsgebieden blijvend steun nodig hebben om hun infrastructuur te moderniseren en het economisch dynamisme te behouden; wijst ook op het belangrijke karakter van financiële opvoeding, die helpt te voorkomen dat gezinnen te veel schulden krijgen, en juridische bijstand en andere mechanismen om schuldenaars te beschermen en te steunen tegen roofpraktijken en hun een tweede kans te bieden;

Gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt

21.  is van mening dat in onze steeds digitaler wordende wereld laagopgeleide mensen niet alleen slechtere werkgelegenheidskansen hebben, maar ook kwetsbaarder zijn voor langdurige werkloosheid en meer moeite hebben om toegang te krijgen tot diensten en volledig deel te nemen aan de samenleving, een situatie die niet alleen slecht is voor het individu, maar ook zeer kostbaar is voor de economie en de samenleving als geheel; steunt daarom een vaardighedengarantie, als nieuw recht voor iedereen, in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden te verwerven voor de 21e eeuw, inclusief geletterdheid, wiskundige onderlegdheid en digitale en mediavaardigheden, kritisch denken, sociale vaardigheden en vaardigheden die nodig zijn voor de groene en circulaire economie, rekening houdend met opkomende industrieën en belangrijke groeisectoren, met de garantie van volledige openstelling voor personen in situaties van achterstelling, inclusief personen met een handicap, asielzoekers, langdurig werklozen en ondervertegenwoordigde groepen; benadrukt het feit dat onderwijsstelsels inclusief moeten zijn en kwalitatief hoogstaand onderwijs moeten verstrekken aan de hele bevolking, om mensen in staat te stellen actieve Europese burgers te zijn, tijdens hun leven te leren en zich aan te passen en te reageren op de behoeften van de maatschappij en de arbeidsmarkt; is van mening dat de voltooiing van secundair onderwijs in het Europa van de 21e eeuw verplicht moet zijn en dat er relevante programma's beschikbaar moeten zijn om een nieuwe kans te bieden aan al die jongeren die de basis- of middelbare school voortijdig hebben verlaten; is van mening dat de vaardighedengarantie tevens de individuele beoordeling moet omvatten van de leerbehoeften, evenals een kwalitatief hoogwaardig leeraanbod en systematische validatie van verworven vaardigheden en competenties, zodat ze eenvoudig kunnen worden erkend op de arbeidsmarkt; wijst erop dat algemene toegang moet worden gegarandeerd tot breedband om digitale geletterdheid mogelijk te maken; wijst erop dat de vaardighedengarantie een belangrijke sociale investering is, die een behoorlijke tenuitvoerlegging en passende financiering vereist, mede met steun uit het Europees Structureel en Investeringsfonds;

22.  maakt zich zorgen over de verspreiding van sociaaleconomische onzekerheid en de verslechtering van de arbeidsomstandigheden voor vele werknemers; erkent het feit dat vele werkenden met andere vormen van werk dan de standaardvorm moeilijkheden ondervinden om hun rechten op het werk uit te oefenen of toegang te verkrijgen tot socialezekerheidsuitkeringen en dat vrouwen en migranten in onevenredige mate door dit probleem worden getroffen; verzoekt de Commissie nauw toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en handhaving van de richtlijn betreffende arbeid voor bepaalde tijd, de richtlijn betreffende deeltijdarbeid en de richtlijn betreffende uitzendwerk; vraagt de Commissie en de lidstaten stappen te ondernemen om de meeneembaarheid van bij verschillende activiteiten verworven sociale rechten te verbeteren; benadrukt het feit dat het belangrijk is te zorgen voor voldoende capaciteit om op het niveau van de lidstaten passende sociale bescherming te bieden aan mensen met alle vormen van werk, zowel standaard- en niet-standaardarbeidsverhoudingen als zelfstandig werk; verzoekt de Commissie een aanbeveling hierover in te dienen; is met name van mening dat

   a) de lidstaten moeten de socialezekerheidsstelsels zo organiseren dat iedereen, in alle vormen van werk, arbeidsverhoudingen en zelfstandig werk, rechten kan accumuleren die inkomenszekerheid bieden in situaties als werkloosheid, onvrijwillig deeltijds werk, gezondheidsproblemen, hoge leeftijd of loopbaanonderbrekingen voor de opvoeding van kinderen en andere zorgactiviteiten of in geval van opleiding;
   b) vanaf zijn eerste intrede op de arbeidsmarkt moet iedereen, in alle vormen van werk, arbeidsverhoudingen en zelfstandig werk een persoonlijke activiteitsrekening hebben, die gemakkelijk toegankelijk moet zijn via persoonlijk contact en elektronische, naar behoren rekening houdend met de behoeften van personen met een handicap, waar zij hun opgebouwde sociale uitkeringen en andere sociale rechten kunnen opzoeken, inclusief op een leven lang leren, en waar zij informatie kunnen vinden over de eventuele meeneembaarheid hiervan naar andere landen; deze persoonlijke activiteitsrekeningen moeten ter beschikking worden gesteld op kostenefficiënte wijze en adequate gegevensbescherming moet gegarandeerd zijn;
   c) digitale platformen en andere intermediairs moeten een verplichting hebben om alle werkzaamheden die via hen worden ondernomen, te rapporteren aan de bevoegde autoriteiten om zo toereikende bijdragen en bescherming te waarborgen door middel van sociale en gezondheidsverzekering voor alle werkenden;

23.  wijst erop dat professionele omschakelingen passende investeringen vereisen, zowel in de institutionele capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening als om te helpen bij de individuele zoektocht naar werk en bijscholing in een zo vroeg mogelijk stadium; is van mening dat actief arbeidsmarktbeleid, bijvoorbeeld assistentie bij opleiding en plaatsing, een nuttig instrument is om werklozen weer aan het werk te krijgen, ongeacht hun leeftijd; herinnert aan de nuttige rol van het Europees Sociaal Fonds bij de ondersteuning van actief beleid voor de arbeidsmarkt in heel Europa en van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dat bijscholing en herintreding ondersteunt in geval van regionale economische schokken en massaontslagen; herinnert voorts aan de belangrijke rol die wordt gespeeld door socialezekerheidsstelsels met betrekking tot het ondersteunen van veilige transities; benadrukt dat het behoud en de meeneembaarheid van sociale rechten die zijn opgebouwd tijdens de carrière en de levenscyclus, moeten worden gewaarborgd om de overgang tussen banen en beroepen te vereenvoudigen;

24.  benadrukt het feit dat een proactief werkgelegenheidsbeleid overheidssteun veronderstelt voor zich ontwikkelende sectoren met een aanzienlijk werkgelegenheidspotentieel en dat in vele landen ook de rol moet worden verruimd van de openbare arbeidsbureaus en moet worden gegarandeerd dat zij beschikken over adequate capaciteit voor rechtstreeks contact met het bedrijfsleven, zodat omscholing en andere steun voor werkzoekenden wordt verstrekt overeenkomstig het profiel van de werkzoekende en de behoeften van de lokale economie; vraagt de volledige tenuitvoerlegging van de Jongerengarantie voor iedereen onder de leeftijd van 30, met speciale aandacht voor kwalitatief hoogwaardige aanbiedingen en doeltreffend bereik van alle NEET's, en van de aanbeveling van de Raad inzake langetermijnwerklozen, waaronder door middel van de ontwikkeling van aanvullende maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat dit beleid toegankelijk is voor mensen met ondersteuningsbehoeften; benadrukt het feit dat rekening moet worden gehouden met de behoeften van oudere werkenden en werkzoekenden en dat samenwerking tussen jongere en oudere werkenden moet worden bevorderd; wijst erop dat deze beleidsmaatregelen belangrijke structurele hervormingen en sociale investeringen zijn die passende financiering behoeven, zowel op Europees als op nationaal niveau, inclusief van het Europees Sociaal Fonds, het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en/of andere instrumenten;

25.  brengt in herinnering dat vrouwen een groter risico lopen op onzeker en slecht betaald werk en op loopbaanonderbrekingen en dat dit gevolgen heeft voor hun hele leven; is van mening dat dringend beslissende vooruitgang nodig is op het gebied van gendergelijkheid en het evenwicht tussen werk en privéleven, om hardnekkige discriminatie te elimineren; verwacht Commissie voorstellen op dit gebied, overeenkomstig de aankondiging in het werkprogramma van de Commissie voor 2017, met name met betrekking tot het volgende:

   a) bestaande mechanismen voor het garanderen van gelijke behandeling van mannen en vrouwen moeten worden versterkt, dat blijvende genderkloven op het gebied van verloning en pensioenen moeten worden gedicht en dat de segregatie op de arbeidsmarkt moet worden verminderd; hiertoe moet de tenuitvoerlegging en handhaving worden gecontroleerd van Richtlijn 2006/54/EG en indien nodig moet de richtlijn worden herzien; het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) en Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 moeten worden voortgezet, mede via jaarlijkse gendergelijkheidsverslagen;
   b) er is behoefte aan nieuwe, effectieve maatregelen zowel op nationaal als op Europees niveau voor de combinatie van werk-, gezins- en privéleven, inclusief wetgevingsvoorstellen over moederschapsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof, toegang tot kwalitatief hoogstaande zorgverlening en flexibele arbeidstijdregelingen; er moet een gelijk gebruik worden aangemoedigd van de verlofregelingen door mannen en vrouwen in alle categorieën werkenden, teneinde de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt en hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren, de rol van vaders bij de opvoeding van hun kinderen te vergroten en het evenwicht tussen werk en privéleven te faciliteren; de Commissie moet de lidstaten ook ondersteunen bij het uitwisselen en overnemen van goede praktijken;

26.  herinnert eraan dat het Handvest van de grondrechten van de EU elke discriminatie op gronden als geslacht, ras, kleur, etnische of sociale herkomst, genetische trekken, taal, religie of geloof, politieke of andere opinie, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, invaliditeit, leeftijd of seksuele oriëntatie verbiedt; benadrukt het feit dat iedereen gelijke kansen moet genieten gedurende zijn hele leven, inclusief bij het zoeken naar werk en op het werk; wijst erop dat de Richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep (2000/78/EG) en de Richtlijn inzake rassengelijkheid (2000/43/EG) behoorlijk ten uitvoer moeten worden gelegd; dringt er bij de lidstaten op aan de tenuitvoerlegging te bespoedigen en bij de Commissie de handhaving te evalueren van de bestaande maatregelen voor het garanderen van non-discriminatie en gelijke kansen en voor een verbeterde arbeidsmarktparticipatie en sociale integratie van ondervertegenwoordigde groepen; verzoekt de Commissie indien nodig nieuwe, concrete aanbevelingen of andere maatregelen op dit gebied in te dienen; herinnert eraan dat de in 2008 voorgestelde en nog niet goedgekeurde richtlijn inzake gelijke behandeling een ontbrekend element is in de wetgeving op het gebied van non-discriminatie; vestigt de aandacht op de Europese en nationale rechtspraak waarin wordt aangegeven dat er een verplichting tot redelijke aanpassing voor alle discriminatiegronden moet worden vastgelegd in de EU- en de nationale wetgeving, op voorwaarde dat deze geen onevenredige belasting veroorzaakt voor werkgevers en dienstverleners; roept de Commissie ertoe op de rechtskaders en het beleid van de lidstaten te monitoren overeenkomstig de toepasselijke EU-wetgeving om ervoor te zorgen dat integratie, gelijke behandeling en behoorlijke werkomstandigheden gegarandeerd zijn voor alle personen met de status van vluchteling; benadrukt dat toegang tot de rechter en bescherming moet worden gewaarborgd voor alle slachtoffers van uitbuiting en discriminatie;

Werknemersmobiliteit

27.  beklemtoont dat het vrije verkeer van personen een van de grootste verworvenheden van de EU is en dat het vrije verkeer van werknemers een hoeksteen is van de interne markt, die een belangrijke rol speelt voor de bevordering van de convergentie en de integratie onder de lidstaten; onderstreept het feit dat mobiliteit binnen de EU een mogelijkheid is en een grondrecht is waarvan de uitoefening moet worden ondersteund, mede door middel van een vlot werkend systeem voor de coördinatie van de sociale zekerheid; verzoekt om een behoorlijke tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-regels inzake de mobiliteit van werknemers en de grensoverschrijdende verstrekking van diensten; vraagt bovendien dat steun voor arbeidsmobiliteit wordt verstrekt door middel van adequaat taalonderwijs op alle onderwijsniveaus, betere vergelijkbaarheid van onderwijsstelsels en erkenning van beroepskwalificaties, gemakkelijk verkrijgbare informatie over de rechten en plichten van mobiele werkenden en maatregelen voor het garanderen van behoorlijke arbeidsvoorwaarden en effectieve samenwerking tussen de openbare arbeidsbureaus in heel Europa; merkt op dat mobiliteit niet het resultaat mag zijn van onbehoorlijke werkkansen of ontoereikende sociale bescherming in de thuisregio van werkenden, omdat een aanhoudende uitstroom van arbeidskrachten hinderlijk kan zijn voor de economische convergentie; wijst er daarom op dat het cohesiebeleid en andere instrumenten voor een territoriaal evenwichtige economische ontwikkeling belangrijk zijn; is van mening dat arbeidsmobiliteit niet mag worden misbruikt om de sociale normen van gastlanden te ondermijnen door middel van fraude of omzeiling van de wet; beklemtoont het feit dat mobiele werknemers meestal een nettobijdrage leveren aan de overheidsbegrotingen van hun gastland; roept op tot adequate investeringen in overheidsdiensten in gebieden die te maken krijgen met een bevolkingsaanwas en wijst op de steun die in verband hiermee kan worden verstrekt door het Europees Sociaal Fonds;

28.  roept de EU en de lidstaten op de sociale gevolgen van mobiliteit voor het toenemende aantal transnationale gezinnen in acht te nemen, bijvoorbeeld door te voorzien in verlofmogelijkheden voor zorgverlening aan een gezinslid in een ander land en door de overdraagbaarheid en vergelijkbaarheid van onderwijsstelsels te garanderen, wat de mobiliteit betreft van kinderen van schoolgaande leeftijd;

29.  roept de lidstaten op werkgevers te verplichten mobiele EU-burgers een arbeidsovereenkomst te verstrekken in een taal die zij verstaan, teneinde arbeidsovereenkomsten begrijpelijk te maken voor de werknemers;

De middelen opbouwen om resultaten te realiseren in de praktijk

30.  verzoekt de Commissie voort te bouwen op de resultaten van de openbare raadpleging en op de adviezen van de EU-instellingen door een duidelijke routekaart in te dienen met concrete maatregelen voor een volledige praktische tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten en een onvoorwaardelijk nastreven van de sociale doelstellingen van de Verdragen; wijst erop dat, om de fundamentele sociale rechten te beschermen, bepalingen als de artikelen 8, 9 en 10 van het VWEU naar behoren moeten worden toegepast, in de beleidsvoering van de EU en alle acties van de EU-instellingen, inclusief door middel van sociaaleffectbeoordelingen;

31.  verzoekt om de opname van een sociaal protocol in de Verdragen als deze worden herzien, teneinde de sociale grondrechten met betrekking tot economische vrijheden te versterken;

32.  verzoekt de lidstaten het herziene Europees Sociaal Handvest en het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (ETS nr. 78) te ondertekenen en ratificeren; moedigt de Commissie ertoe aan te onderzoeken welke stappen moeten worden ondernomen om de Europese Unie te laten toetreden tot het herziene handvest en hiervoor een tijdsschema voor te stellen;

33.  verzoekt de Commissie om gendermainstreaming als een integraal onderdeel van de Europese pijler van sociale rechten op te nemen en om systematische genderimpactbeoordelingen als onderdeel van de beoordeling van de eerbiediging van de grondrechten in te voeren;

34.  maakt zich zorgen over de voortdurende negatieve impact van de aanhoudende economische crisis die Europa heeft doorgemaakt in de eerste helft van het decennium en die op sommige landen een grotere impact heeft gehad dan op andere; is van mening dat het streefdoel van opwaartse economische en sociale convergentie moet worden ondersteund door een reeks doelstellingen, voortbouwend op de Europa 2020-strategie en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, om te dienen als leidraad voor de coördinatie van het economische, werkgelegenheids- en sociale beleid in de EU en als kompas voor de eurozone, waar bijzondere aandacht aan opwaartse economische en sociale convergentie moet worden besteed;

35.  vestigt de aandacht op de tweerichtingsverbinding tussen sociale omstandigheden en economische prestaties; vraagt dat direct en op transparante wijze rekening wordt gehouden met de Europa 2020-doelstellingen, het bestaande scorebord van essentiële werkgelegenheids- en sociale indicatoren in het gezamenlijk werkgelegenheidsverslag en de eventuele nieuwe convergentiecode bij de formulering van landspecifieke aanbevelingen en de aanbeveling voor de eurozone, alsmede bij het gebruik van EU-instrumenten; meent dat met het oog hierop ook de instrumenten van de Europese werkgelegenheidsstrategie en de sociale open coördinatiemethode moeten worden versterkt; dringt aan op een sterkere rol voor de macro-economische dialoog met de sociale partners bij het formuleren van de economische beleidsmix op Europees niveau; is van mening dat macrosociaal toezicht van groot belang is om ervoor te zorgen dat economische onevenwichtigheden niet worden verminderd ten koste van de werkgelegenheids- en sociale situatie en om neerwaartse concurrentie te voorkomen met betrekking tot de sociale normen in de EU; verzoekt nogmaals om een Europese agenda van hervormingen en investeringen om op basis van kwaliteitsvolle banen en productiviteit het groeipotentieel te versterken, om billijke, robuuste, doeltreffende en duurzame socialezekerheidsstelsels te bevorderen en om binnen de economieën van de lidstaten een duurzame overgang naar meer hulpbronnenefficiëntie te bewerkstelligen;

36.  is van oordeel dat het stimuleren van arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en hun economische onafhankelijkheid van cruciaal belang is voor het behalen van de doelstelling van de Europa 2020-strategie van een algemene arbeidsparticipatie van 75 % en dat dit het bbp zou doen toenemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook om een krachtiger beleid en meer investeringen ter ondersteuning van vrouwen in hoogwaardige banen, met name in sectoren en posities waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, zoals in de wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM), de groene economie, of seniormanagementfuncties in alle sectoren;

37.  merkt op dat vrouwen en meisjes onevenredig zwaar getroffen worden door armoede en sociale uitsluiting, en roept op tot hernieuwde politieke impulsen voor een ambitieuze Europese strategie ter bestrijding van armoede, en nieuwe toezeggingen om de doelstellingen van Europa 2020 inzake armoedebestrijding te halen; spoort de lidstaten ertoe aan gedetailleerde nationale strategieën voor armoedebestrijding te ontwikkelen, en dringt er bij de Commissie op aan armoedevermindering te benadrukken in het kader van het Europees semester;

38.  verzoekt de lidstaten en de Commissie zich in te zetten voor het garanderen van een passend niveau van de sociale investeringen die essentieel zijn voor de cohesie van de samenleving en een duidelijke positieve impact hebben op de economische groei op korte en lange termijn (bijvoorbeeld kinderopvang, onderwijs, de jongerengarantie en de vaardighedengarantie); is van mening dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de overheidsuitgaven ook rekening moet worden gehouden met deze kwestie;

39.  herhaalt zijn verzoek om gezamenlijke vergaderingen van de Raad Epsco en de Raad Ecofin om het sociaaleconomisch beleid beter te coördineren, evenals zijn verzoek om regelmatige vergaderingen van de ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken van de eurozone om beleidscoördinatie binnen de eurozone te verbeteren en sociale onevenwichtigheden naar behoren aan te pakken;

40.  wijst erop dat de hedendaagse fenomenen van kapitaalintensieve productie en de aanzienlijke bijdrage van immateriële activa aan het creëren van meerwaarde enerzijds, en hoge ongelijkheids- en werkloosheidscijfers, een toenemende verspreiding van atypisch werk en een steeds kleiner aandeel van arbeid in het totale inkomen anderzijds, een verruiming nodig maken van de financiële basis van zorgstelsels, met fiscale neutraliteit, om behoorlijke sociale bescherming en kwalitatief hoogstaande diensten te bieden voor iedereen; is van mening dat hiervoor met name moet worden overgeschakeld op andere bronnen van belastinginkomsten; dringt er bij de lidstaten op aan hun behoeften op dit gebied te evalueren; herinnert eraan dat de accumulatie van socialezekerheidsrechten door middel van werk een belangrijk aspect van behoorlijk werk is en aanzienlijk bijdraagt tot economische en sociale stabiliteit; wijst er evenwel op dat de huidige belastingwig op arbeid kan worden verminderd en tegelijk de duurzaamheid en toereikendheid van nationale socialezekerheidsstelsels kan worden gegarandeerd; beklemtoont eveneens het feit dat het van cruciaal belang is belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan om een toereikend niveau van overheidsinvesteringen en de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels te garanderen;

41.  is van mening dat de Europese pijler van sociale rechten alleen geloofwaardig kan zijn, als hij vergezeld gaat van adequate financiering op nationaal en Europees niveau, zodat de lidstaten de overeengekomen doelstellingen kunnen realiseren; herhaalt zijn verzoek om een snellere tenuitvoerlegging van de desbetreffende operationele programma's en een herziening van het MFK 2014-2020, indien nodig, om te voorzien in de toegenomen behoeften; vraagt met name een verdere versterking van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en bijkomende stappen om te zorgen voor een gemakkelijkere toegang tot en volledig gebruik van het Europees Sociaal Fonds, het EGF en het FEAD; is van mening dat deze financieringsinstrumenten beschikbaar moeten blijven voor alle lidstaten en naar behoefte moeten worden versterkt, inclusief wat onderwijs en opleiding, de vaardighedengarantie en kinderarmoede betreft, alsmede onvoorziene nieuwe uitdagingen als de integratie in de arbeidsmarkt van vluchtelingen; is van mening dat de regel waarbij 20 % van de nationale ESF-enveloppes worden toegewezen aan de bestrijding van armoede en sociale exclusie, moet worden gehandhaafd;

42.  vraagt dat bijkomende EU-steun wordt verstrekt voor institutionelecapaciteitsopbouw, bijvoorbeeld met betrekking tot de sociale dialoog, het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening, de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid en het platform tegen ongedeclareerd werk, dat op lange termijn kan evolueren naar een Europees systeem van arbeidsinspecties; wijst er in verband hiermee op dat het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie en ESF-steun voor deze capaciteitsopbouw op nationaal niveau belangrijk zijn;

43.  verzoekt de Commissie en de EIB-groep het investeringsplan voor Europa verder te ontwikkelen, met het oog op een versterking van de investering in economisch herstel, de creatie van kwaliteitsbanen, duurzame ontwikkeling en sociale investering in de huidige en toekomstige capaciteiten van mensen om actief te zijn op de arbeidsmarkt;

44.  is van mening dat de sociale impact van economische aanpassing binnen de eurozone kan worden verlicht en dat de opwaartse economische en sociale convergentie kan worden versterkt door middel van adequate financiering, om een verdere achteruitgang te voorkomen wat de ongelijkheden en het groeipotentieel van de lidstaten betreft en om ernstige macro-economische schokken het hoofd te bieden en tegelijk het concurrentievermogen en de stabiliteit van de economieën van de lidstaten te vergroten; verzoekt de Commissie, de Raad en andere instanties die zich hiermee bezig houden bijgevolg om deze kwestie bij toekomstige besprekingen aan de orde te stellen;

45.  verzoekt de Commissie haar voorstellen met betrekking tot de Europese pijler van sociale rechten te presenteren ter gelegenheid van de publicatie van haar aangekondigde witboek over de toekomst van de EU en de EMU;

46.  verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten externe actie te ondernemen die coherent is met de Europese pijler van sociale rechten, met name door de tenuitvoerlegging te bevorderen van de VN-verdragen en -doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de IAO-verdragen, de relevante conclusies van de G20, de relevante verdragen van de Raad van Europa en de handelsovereenkomsten en strategische partnerschappen van de EU;

47.  is van mening dat de Europese pijler van sociale rechten moet worden goedgekeurd in 2017, als overeenkomst tussen het Parlement, de Commissie en de Europese Raad, met deelname van de sociale partners en de civiele maatschappij op het hoogste niveau, en dat hij een duidelijke routekaart moet omvatten voor de tenuitvoerlegging; verzoekt de Commissie mechanismen voor te stellen om alle belanghebbenden op adequate wijze op alle niveaus bij de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten te betrekken;

o
o   o

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 68 van 18.3.2010, blz. 13.
(2) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(3) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(4) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(5) Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32).
(6) Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde (PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43).
(7) Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9).
(8) Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid - Bijlage : Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9).
(9) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
(10) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 40.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0312.
(12) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.
(13) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 39.
(14) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 141.
(15) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0411.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0136.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0318.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0377.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0008.
(26) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 5.
(27) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0085, P7_TA(2010)0312, P7_TA(2011)0092, P7_TA(2013)0545, P7_TA(2013)0594, P8_TA(2015)0095.
(28) The Employment and Social Development Quarterly Review, najaar 2016, Commissie.


Aanpak van de problemen in verband met de implementatie van het douanewetboek van de Unie (UCC)
PDF 164kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de aanpak van de uitdagingen rond de tenuitvoerlegging van het EU-douanewetboek (2016/3024(RSP))
P8_TA(2017)0011B8-0024/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie(1) en de daarmee verband houdende gedelegeerde handeling (Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015(2)), uitvoeringshandeling (Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015(3)), gedelegeerde handeling met overgangsregels (Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015(4)) en werkprogramma (Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016(5)),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties (COM(2013)0884),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad(6),

–  gezien de ratificering van de overeenkomst inzake handelsfacilitatie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) door de Europese Unie,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de douane-unie een hoeksteen is van de Europese Unie, een van de grootste handelsblokken ter wereld, en van essentieel belang is voor de goede werking van de interne markt ten behoeve van zowel EU-bedrijven als EU-burgers;

B.  overwegende dat de digitale interne markt betere toegang tot digitale goederen en diensten voor consumenten en bedrijven in heel Europa beoogt;

C.  overwegende dat deze toegang door de douane-unie verder moet worden vergemakkelijkt teneinde de kansen van globale handel maximaal te benutten;

D.  overwegende dat complexe douaneregels en -procedures vooral kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) benadelen;

E.  overwegende dat de verschillende douanestelsels, in het bijzonder wat douanerechten en de in- en uitklaring door de douane betreft, fragmentering, bijkomende administratieve lasten en vertraging veroorzaken, die onzekerheid en marktongelijkheid met zich meebrengen, waardoor de naleving van de douanewetgeving door de marktdeelnemers kan worden ondermijnd;

F.  overwegende dat de substantiële bepalingen van het douanewetboek van de Unie op 1 mei 2016 in werking zijn getreden en dat de transitieperiode loopt tot 31 december 2020, wanneer de IT-infrastructuur van alle lidstaten klaar moet zijn om de elektronische flow van douanegegevens te ondersteunen;

G.  overwegende dat de Commissie het Parlement reeds een amendement op de EU-douanewetgeving heeft voorgesteld (bijvoorbeeld de recent aangenomen wijzigingen met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten) en uiteindelijk in de nabije toekomst amendementen zal blijven voorstellen;

H.  overwegende dat ten gevolge van de herschikkingstechniek geen kosten-batenanalyse van het douanewetboek werd uitgevoerd en dat van de ermee verband houdende gedelegeerde handeling (Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446), uitvoeringshandeling (Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447), gedelegeerde handeling met overgangsregels (Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341) en werkprogramma (Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578) geen voorgaande effectbeoordeling werd uitgeoefend;

I.  overwegende dat doeltreffende samenwerking op het vlak van douane tussen de douanediensten van de lidstaten, met derde landen en op multilateraal niveau een cruciale rol speelt gezien de aanzienlijke handelsvolumes en de nieuwe uitdagingen voor de douane-unie sinds de oprichting ervan;

J.  overwegende dat de Commissie een voorstel heeft gedaan voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties;

1.  vraagt de Commissie en de lidstaten een duidelijke, samenhangende en ambitieuze strategie en tijdskader voor te stellen om ervoor te zorgen dat alle voor de handhaving van de EU-douanestelsels noodzakelijke elementen worden behandeld door gepaste voorstellen die stroken met en voor het beoogde doel geschikt zijn voor de huidige evolutie van de wereldhandel en de uitvoering van de EU-handelsagenda;

2.  stelt in het bijzonder voor meer inspanningen te leveren om op EU-niveau eenvormigere elektronische douanevereisten en risicobeoordelingsprogramma's op te stellen binnen de door het douanewetboek verschafte tijd om ervoor te zorgen dat de aankomst, de transit en het vertrek van goederen zo doeltreffend mogelijk in de EU worden geregistreerd, zonder de veiligheid in het gedrang te brengen, door de stelsels van de lidstaten met elkaar te verbinden tot een coherent elektronisch systeem op basis van hetzelfde gegevensmodel en gemeenschappelijke vervoersystemen; is van mening dat de Commissie op dit vlak een proactieve benadering moet hanteren, in het bijzonder door middel van een cofinanciering die de ontwikkeling van interoperabele IT-systemen en de interoperabiliteit met andere IT-systemen voor gezondheids- en diergezondheidscertificaten kan garanderen;

3.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten in elk stadium van de ontwikkeling van de uitvoering van het douanewetboek alsook tijdens het proces van de wijziging van de gedelegeerde handelingen van het douanewetboek nauw samenwerken met marktdeelnemers en steunt het regelmatige raadplegingsproces met de Trade Contact Group met dit doel;

4.  herinnert de Commissie aan het engagement van de EU om de stroom van goederen over grenzen te vergemakkelijken, handelskosten te beperken en de doeltreffende samenwerking tussen leden op het vlak van handelsfacilitatie en kwesties van de naleving van de douanewetgeving te verbeteren;

5.  herinnert de Commissie aan haar belofte een echte digitale eengemaakte markt te verwezenlijken, waarvan de handelsfacilitatie van e-commerce een belangrijk onderdeel moet zijn; benadrukt dat elke marktdeelnemer de normen van douaneprocedures moet eerbiedigen om de mazen in de douaneprocedures te voorkomen en erkent dat marktdeelnemers vereenvoudigde douaneprocedures moeten kunnen blijven gebruiken als zij verenigbaar zijn met regels inzake veiligheid, beveiliging en intellectuele eigendom, bijvoorbeeld in het geval van exploitanten van besteldiensten van zendingen van geringe waarde, die volgens de bepalingen van het douanewetboek standaarddouaneprocedures moeten volgen, hetgeen administratieve rompslomp met zich mee kan brengen en de groei van e-commerce kan belemmeren;

6.  vraagt de Commissie gebruik te maken van het feit dat momenteel uitvoeringsmaatregelen worden opgesteld om bovenstaande doelstellingen aan te pakken en alle juridische tekortkomingen spoedig te verhelpen teneinde de kansen van de douane-unie maximaal te benutten;

7.  stelt voor dat de Commissie verduidelijkt dat een douaneschuld door niet-naleving ook kan worden ingelost in gevallen waarin door gepast bewijs kan worden vastgesteld dat er geen poging tot bedrog is, bijvoorbeeld bij tijdelijke opslag en invoer van niet-Unie-goederen in het douanegebied van de Unie;

8.  vraagt de Commissie tegen 2017 een tussentijds verslag voor te stellen waarin het EU-douanebeleid grondig wordt geëvalueerd (met inbegrip van een complete evaluatie van alle problemen, overlapping, tekortkomingen, inconsistenties, achterhaalde maatregelen, bij douaneautoriteiten ingediende klachten en inbreuken op het douanewetboek die het gevolg zijn van fouten en mazen in Verordening (EU) nr. 952/2013 en sinds 1 mei 2016 werden hersteld) en tegen 2021 een geschiktheidscontrole voor te stellen, met inbegrip van een onafhankelijke effectbeoordeling, om ervoor te zorgen dat het regelgevend kader van het EU-douanebeleid, waaronder het nieuwe douanewetboek, doeltreffend, evenredig en zowel voor de lidstaten als voor marktdeelnemers geschikt voor het beoogde doel is;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1.
(3) PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558.
(4) PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1.
(5) PB L 99 van 15.4.2016, blz. 6.
(6) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15.

Juridische mededeling