Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 2 februari 2017 - BrusselDefinitieve uitgave
Een geïntegreerde aanpak van het beleid voor de sport: goed bestuur, toegankelijkheid en integriteit
 Grensoverschrijdende aspecten van adopties
 Bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst EU-Columbia/Peru ***I
 Duurzaam beheer van externe vissersvloten ***I
 Derde landen waarvan de onderdanen in het bezit moeten zijn van een visum of waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld: Georgië ***I
 Crisis van de rechtstaat in de Democratische Republiek Congo en in Gabon
 Uitvoering Erasmus +

Een geïntegreerde aanpak van het beleid voor de sport: goed bestuur, toegankelijkheid en integriteit
PDF 288kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over een geïntegreerde aanpak van het beleid voor de sport: goed bestuur, toegankelijkheid en integriteit (2016/2143(INI))
P8_TA(2017)0012A8-0381/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de doelstellingen van het EU-beleid op het gebied van sport worden aangegeven,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 januari 2011 getiteld "Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport" (COM(2011)0012),

–  gezien het verslag van de EU-deskundigengroep inzake goed bestuur over "the Principles for Good Governance of Sport in the EU" van oktober 2013,

–   gezien het verslag van de groep op hoog niveau over "Grassroots Sport – Shaping Europe" van juni 2016,

–   gezien het verslag van de groep op hoog niveau over sportdiplomatie van juni 2016,

–   gezien het Erasmus+-programma, dat tot doel heeft grensoverschrijdende bedreigingen van de integriteit van sport aan te pakken en goed bestuur op het gebied van sport, duale loopbanen van sporters en vrijwilligerswerk in de sport, alsmede sociale inclusie en gelijke kansen te bevorderen en te ondersteunen,

–  gezien het Witboek Sport van de Commissie (COM(2007)0391),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2015 over recente onthullingen over corruptiezaken op hoog niveau bij de FIFA(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2013 over onlinegokken op de interne markt(3),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sportwereld(4),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2012 over de Europese dimensie van de sport(5),

–  gezien zijn resolutie van 8 mei 2008 over het Witboek Sport(6),

–  gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa(7),

–   gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over spelersmakelaars in de sport(8),

–   gezien zijn resolutie van 21 november 2013 over Qatar: de situatie van migrerende werknemers(9),

–   gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 31 mei 2016 over het verbeteren van integriteit, transparantie en goed bestuur bij grote sportevenementen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over het optimaal benutten van breedtesport in de ontwikkeling van transversale vaardigheden, met name bij jongeren,

–  gezien de resolutie van de Raad van 21 mei 2014 over een werkplan van de Europese Unie voor sport (2014-2017),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 november 2013 betreffende de bijdrage van sport aan de economie van de EU en in het bijzonder aan het aanpakken van jongerenwerkloosheid en sociale insluiting,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 25 november 2013 over de stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 november 2010 over de rol van sport als bron en motor van actieve sociale insluiting(11),

–  gezien het verdrag van de Raad van Europa van 3 juli 2016 inzake een integrale benadering van veiligheid en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen,

–  gezien het verdrag van de Raad van Europa van 18 september 2014 over het manipuleren van sportwedstrijden,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van de Europese Unie en de besluiten van de Commissie op het gebied van sport, wedden en gokken,

–  gezien de mondiale agenda 2030 inzake duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien artikel 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0381/2016),

A.  overwegende dat de Europese Unie met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 een specifieke bevoegdheid voor sport kreeg voor het opzetten en uitvoeren van een op EU-niveau gecoördineerd sportbeleid op basis van een specifieke begrotingslijn en voor het totstandbrengen van samenwerking met internationale organisaties in de sportwereld, rekening houdend met het specifieke karakter van sport en onder eerbiediging van de autonomie van beheersstructuren op het gebied van sport;

B.  overwegende dat sport een prominente rol speelt in het leven van miljoenen EU-burgers; overwegende dat amateur- en beroepssport niet alleen een kwestie is van atletisch vermogen, sportieve prestaties en wedstrijden, maar ook een significante maatschappelijke, educatieve, economische, culturele en verbindende bijdrage aan de economie en de samenleving in de EU levert, alsmede aan de strategische doelstellingen en maatschappelijke waarden van de EU;

C.  overwegende dat sport een belangrijke en snelgroeiende sector van de EU-economie vormt en een waardevolle bijdrage levert aan groei, werkgelegenheid en de maatschappij, ook op lokaal niveau, met een meerwaarde en werkgelegenheidseffecten die de gemiddelde groeipercentages overstijgen; overwegende dat de aan sport gerelateerde werkgelegenheid naar schatting 3,51 % van de totale werkgelegenheid in de EU vertegenwoordigt, en het aandeel van de aan sport gerelateerde bruto-meerwaarde 294 miljard EUR bedraagt (2,98 % van de totale bruto-meerwaarde in de EU);

D.  overwegende dat sport niet alleen een groeiende economische realiteit is, maar ook een maatschappelijk verschijnsel dat een belangrijke bijdrage levert aan de strategische doelstellingen van de Europese Unie, evenals aan sociale waarden als tolerantie, solidariteit, voorspoed, vrede, eerbiediging van de mensenrechten en begrip tussen naties en culturen;

E.  overwegende dat het beoefenen van sport bijdraagt aan een betere kwaliteit van leven, ziekten helpt voorkomen en een essentiële rol speelt bij de bevordering van de persoonlijke ontwikkeling en de gezondheidstoestand;

F.  overwegende dat de naleving van fundamentele arbeidsrechten van essentieel belang is voor beroepssporters;

G.  overwegende dat sport tevens bijdraagt aan de integratie van mensen, en ras, religie en etnische achtergrond overstijgt;

H.  overwegende dat integriteit in de sport het opperste gebod is, willen de geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid ervan bevorderd worden;

I.  overwegende dat sport specifieke kenmerken heeft die berusten op vrijwillige structuren en die een voorwaarde vormen voor zijn educatieve en maatschappelijke functie;

J.  overwegende dat recente corruptieschandalen in de sportwereld en binnen sportorganisaties op Europees en internationaal niveau het imago van sport hebben bezoedeld en stemmen hebben doen opgaan voor echte structurele hervormingen van bestuursorganen en organisaties op sportgebied, rekening houdend met de grote verscheidenheid van sportstructuren in de verschillende Europese landen en het feit dat sportorganisaties van nature grotendeels zelfregulerend zijn;

K.  overwegende dat zowel de beroeps- als de breedtesport een essentiële rol spelen in het wereldwijde streven naar vrede, eerbiediging van de mensenrechten en solidariteit, economische en gezondheidsvoordelen meebrengen voor de samenleving en een belangrijke taak vervullen bij het benadrukken van fundamentele culturele en educatieve waarden en bij het bevorderen van sociale insluiting;

L.  overwegende dat goed bestuur in de sport rekening dient te houden met de adequate regulering van de sport aan de hand van de beginselen van doeltreffend, transparant, ethisch verantwoord en democratisch bestuur alsmede bestuur, processen en structuren waarbij belanghebbenden inspraak hebben;

M.  overwegende dat sportorganisaties verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van strenge normen inzake bestuur en integriteit en deze verder dienen aan te scherpen, en zich hier onder alle omstandigheden aan moeten houden teneinde het vertrouwen van de burgers in de positieve waarde van sport te herstellen en te vergroten;

N.  overwegende dat een evenwichtig beleid, gericht op verbetering van de financiële transparantie, stabiliteit en geloofwaardigheid in de sport, van essentieel belang is voor het verbeteren van de financiële en bestuurlijke normen;

O.  overwegende dat het Europese model voor de georganiseerde sport gebaseerd is op de beginselen van territorialiteit en nationaliteit, met één enkele federatie per discipline, en op solidariteitsmechanismen tussen topsport en breedtesport, zoals promotie en degradatie, open competities en financiële herverdeling;

P.  overwegende dat de erkenning van het beginsel van één enkele federatie per tak van sport bijzonder relevant is en geworteld is in de maatschappelijke betekenis van sport als de beste manier om de belangen van de sport en de voordelen ervan voor de samenleving te beschermen;

Q.  overwegende dat van alle belanghebbenden kan en moet worden verlangd dat bij sportwedstrijden en de desbetreffende beslissingen de internationaal erkende spelregels worden gehanteerd;

R.  overwegende dat sporttribunalen een centrale rol vervullen bij het garanderen van de universele geldigheid van spelregels, van het recht op een eerlijk proces in met sport verband houdende geschillen en van goed bestuur, daar zij de aangewezen instantie vormen om geschillen op het gebied van sport te beslechten overeenkomstig de fundamentele procedurele rechten in de EU;

S.  overwegende dat de stijgende bedragen die in de sportsector en de betrokken organisaties omgaan geleid hebben tot de roep om beter bestuur en meer transparantie; overwegende dat de sport, als economische activiteit, zich geconfronteerd ziet met een reeks schandalen rond wedstrijdmanipulatie in combinatie met andere misdrijven en illegale activiteiten, zoals witwassen, corruptie en omkoping;

T.  overwegende dat de toename van dopingpraktijken een bedreiging blijft vormen voor de integriteit en de reputatie van sport in die zin dat de ethisch waarden en beginselen zoals fair play hierdoor worden geschonden, en overwegende dat het gebruik van doping de gezondheid van de sporters in kwestie ernstig in gevaar brengt, en overwegende dat de strijd tegen doping een kwestie van publiek belang en volksgezondheid is;

U.  overwegende dat elke daad van geweld, hooligangedrag of discriminatie jegens een groep personen of een lid van een dergelijke groep, of het nu om amateur- of om beroepssport gaat, het imago ervan bezoedelt en toeschouwers ervan weerhoudt om sportevenementen bij te wonen;

V.  overwegende dat het bevorderen van sport voor mensen met een geestelijke of fysieke handicap een topprioriteit op Europees, nationaal en plaatselijk niveau zou moeten zijn;

W.  overwegende dat de deelname aan en de zichtbaarheid van vrouwen in sport en sportwedstrijden moet worden verbeterd;

X.  overwegende dat sporters, met name minderjarigen, in toenemende mate met economische druk te kampen hebben en als goederen worden behandeld, en daarom beschermd moeten worden tegen alle vormen van misbruik, geweld of discriminatie die zich bij hun deelname aan sport kunnen voordoen;

Y.  overwegende dat er een groeiende en verontrustende tendens is van eigendom door derde partijen bij teamsporten in Europa, waarbij – vaak zeer jonge – spelers gedeeltelijk of volledig eigendom zijn van privé-investeerders en niet langer zelf het verloop van hun carrière kunnen bepalen;

Z.  overwegende dat kwalijke praktijken in verband met makelaars en transfers van spelers geleid hebben tot witwassen, fraude en uitbuiting van minderjarigen;

AA.  overwegende dat breedtesport mogelijkheden biedt om discriminatie aan te pakken, sociale insluiting, samenhang en integratie te bevorderen en een krachtige bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van transversale vaardigheden;

AB.  overwegende dat een toenemend aantal verenigingen vooral gebruik maakt van de transfermarkt om hun teams samen te stellen, terwijl zij meer aandacht zouden moeten besteden aan lokale opleiding;

AC.  overwegende dat sport gezien wordt als een grondrecht voor iedereen en overwegende dat iedereen evenveel recht zou moeten hebben om aan lichaamsbeweging en sport te doen;

AD.  overwegende dat er een stagnatie te zien valt wat lichaamsbeweging betreft, ondanks duidelijk bewijs dat deze de persoonlijke gezondheid, met inbegrip van de geestelijke gezondheid, en het welzijn ten goede komt, hetgeen de lidstaten aanzienlijke besparingen oplevert op overheidsuitgaven voor volksgezondheid, en ondanks een groeiende tendens in de richting van recreatieve sporten, zoals hardlopen, die ook buiten georganiseerde structuren om beoefend worden;

AE.  overwegende dat sportevenementen en -activiteiten, en met name grote internationale sportwedstrijden, de voordelen van sport laten zien en een positieve maatschappelijke, economische en milieu-impact hebben;

AF.  overwegende dat nationale teams een essentiële rol spelen, niet alleen doordat zij de nationale identiteit versterken en jonge sporters inspireren om naar topprestaties te streven, maar ook doordat zij de solidariteit met breedtesport bevorderen;

AG.  overwegende dat voortzetting van onderwijs en opleiding een essentieel onderdeel is van de voorbereiding van sporters op een loopbaan na het einde van hun sportcarrière;

AH.  overwegende dat investeringen in en bevordering van onderwijs en opleiding van getalenteerde jonge sporters van cruciaal belang zijn voor de langetermijnontwikkeling en de maatschappelijk rol van sport;

AI.  overwegende dat de georganiseerde sport steunt op vrijwilligers, die voor de ontwikkeling en toegankelijkheid van sportactiviteiten zorgen, met name in de breedtesport; overwegende dat sport bovendien jongeren uitstekende kansen voor scholing en niet-formele opleiding biedt, ook in internationaal verband en in samenhang met samenwerkings- en ontwikkelingsprogramma's in gebieden buiten de EU waar de dialoog moet worden versterkt en het externe beleid van de EU moet worden gesteund;

AJ.  overwegende dat sport in de breedste zin van het woord een waardensysteem voor een gemeenschap vertegenwoordigt en overwegende dat deze waarden de basis vormen van een gemeenschappelijke taal die alle culturele en taalgrenzen overstijgt; overwegende dat sport als middel en kans moet worden gezien om de dialoog en de solidariteit met derde landen te verbeteren, de bescherming van fundamentele mensenrechten en vrijheden wereldwijd te bevorderen en het externe EU-beleid te ondersteunen;

AK.  overwegende dat de schending van de intellectuele-eigendomsrechten van sportorganisaties, met inbegrip van digitale piraterij, met name de illegale rechtstreekse uitzending van sportevenementen, reden is voor ernstige bezorgdheid over de langetermijnfinanciering van sport, op ieder niveau;

AL.  overwegende dat de persvrijheid bij alle sportevenementen moet zijn gewaarborgd;

AM.  overwegende dat sport kan bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

Integriteit en goed bestuur in de sport

1.  herhaalt dat de bestrijding van corruptie in de sport grensoverschrijdende inspanningen en samenwerking vereist tussen alle belanghebbenden, met inbegrip van de overheid, rechtshandhavingsinstanties, de sportsector, sporters en supporters;

2.  roept internationale, Europese en nationale sportorganisaties op zich te verplichten tot goed bestuur en een cultuur van transparantie en duurzame financiering te ontwikkelen, door financiële gegevens en activiteitenverslagen openbaar te maken, inclusief verplichte openbaarmaking van vergoedingen voor topfunctionarissen en hun ambtstermijnen;

3.  is van mening dat het ontwikkelen van een cultuur van transparantie gepaard moet gaan met een betere scheiding van bevoegdheden binnen de bestuursorganen in de sport, een betere scheiding tussen commerciële en liefdadige activiteiten en betere interne zelfreguleringsprocedures om sportcriminaliteit en illegale activiteiten binnen sportorganisaties bespreekbaar te maken, op te sporen, te onderzoeken en te bestraffen;

4.  herinnert eraan dat goed bestuur, dat in het volgende EU-werkplan voor sport een prioriteit zou moeten vormen, een voorwaarde moet zijn voor de autonomie van sportorganisaties, overeenkomstig de beginselen van transparantie, verantwoordingsplicht, gelijke kansen, sociale inclusie en democratie, met inbegrip van adequate inspraak van belanghebbenden;

5.  benadrukt dat er een beleid van nultolerantie ten aanzien van corruptie en andere vormen van criminaliteit in de sport moet worden gevoerd;

6.  onderstreept dat de toepassing van beginselen van goed bestuur in de sport, samen met monitoring, toezicht en adequate juridische instrumenten, een essentiële factor is bij het uitroeien van corruptie en andere kwalijke praktijken;

7.  roept de Commissie en de lidstaten alsmede sportorganisaties en kandidaatentiteiten op te waarborgen dat degenen die zich kandidaat stellen om als gastheer voor grote evenementen op te treden zich houden aan normen voor goed bestuur, mensenrechten en arbeidsrechten en aan het beginsel van democratie, om ervoor te zorgen dat er sprake is van een positieve sociale, economische en milieu-impact op lokale gemeenschappen maar dat ook de diversiteit en tradities geëerbiedigd worden, met het doel een duurzame erfenis achter te laten en de geloofwaardigheid van de sport te garanderen;

8.  is van mening dat landen die kandideren of optreden als gastland voor sportevenementen moeten zorgen voor een in maatschappelijk, economisch en milieu-opzicht verantwoorde planning, organisatie, uitvoering, deelname en follow-up van deze evenementen; roept sportorganisaties en landen die als gastheer voor dergelijke evenementen optreden op om ongewenste veranderingen in de leefomgeving van lokale bewoners te voorkomen, waaronder de verplaatsing van de lokale bevolking;

9.  verzoekt de Commissie een normen- en waardenbord te ontwikkelen en na te gaan of het mogelijk is een gedragscode op te stellen op het gebied van goed bestuur en integriteit in de sport; is van mening dat sportorganisaties transparantieregels, ethische normen en gedragscodes voor hun toezichthoudende organen, uitvoerende comités en leden alsmede operationele maatregelen en methodes zouden moeten vaststellen om onafhankelijkheid en naleving van de vastgestelde regels te waarborgen; is verder van oordeel dat het zoeken naar nieuwe instrumenten voor samenwerking tussen overheden, sportorganisaties en de EU kan helpen om sommige van de huidige problemen waarvoor de sportsector zich gesteld ziet, aan te pakken;

10.  dringt er bij de lidstaten op aan overheidsgeld voor sport afhankelijk te stellen van de naleving van bestaande en algemeen toegankelijke minimumnormen voor bestuur, monitoring en verslaglegging;

11.  is van mening dat beter bestuur en grotere integriteit in de sport een mentaliteitsverandering bij alle belanghebbenden vereisen; steunt de initiatieven die door sportorganisaties en andere relevante belanghebbenden worden genomen om de bestuursnormen in de sportwereld te verbeteren en de dialoog en samenwerking met lokale en nationale autoriteiten op te voeren;

12.  roept sportorganisaties op tot 2018 concrete voorstellen voor te leggen en uit te voeren om de normen voor goed bestuur van sportorganisaties, bestuursorganen en hun ledenorganisaties aan te scherpen en de resultaten hiervan publiek te maken; onderstreept dat passende monitoring in dit verband van essentieel belang is;

13.  roept de lidstaten op wedstrijdmanipulatie aan te merken als specifiek misdrijf en te waarborgen dat voor criminele activiteiten als wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sport rechtsvervolging en adequate sancties gelden waar dit nog niet het geval is, daar wedstrijdmanipulatie de ethiek en integriteit van de sport aantasten en vaak al aan sancties door sportautoriteiten onderworpen zijn;

14.  wijst erop dat de problemen die zich voordoen bij het onderzoeken van internationale gevallen van wedstrijdmanipulatie grensoverschrijdende uitwisseling van informatie en samenwerking tussen sportorganen, overheden en wedkantoren vereisen, binnen het kader van nationale platforms, teneinde wedstrijdmanipulatie op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen; verzoekt de lidstaten, voor zover zij dit nog niet gedaan hebben, te overwegen om speciale aanklagers aan te stellen die specifiek belast zijn met het onderzoek naar gevallen van fraude in de sport; herinnert eraan dat de vierde richtlijn inzake witwassen het voorschrift bevat dat aanbieders van gokdiensten "due diligence"-controles moeten uitvoeren bij omvangrijke transacties;

15.  dringt er bij de Raad op aan naar een oplossing te zoeken die de EU en de lidstaten in staat stelt het Verdrag van de Raad van Europa over de manipulatie van sportwedstrijden te ondertekenen en te ratificeren, zodat dit ten uitvoer kan worden gelegd en geratificeerd kan worden, en verzoekt de Commissie met klem dit proces te ondersteunen en te faciliteren, alsmede te waarborgen dat er een doeltreffende follow-up plaatsvindt;

16.  herinnert de Commissie aan haar toezegging om een aanbeveling te doen over de uitwisseling van beste praktijken bij de voorkoming en bestrijding van aan weddenschappen gerelateerde wedstrijdvervalsing en dringt erop aan om deze aanbeveling zonder uitstel te publiceren;

17.  roept de Commissie op de interinstitutionele banden met de Raad van Europa aan te halen en vervolgens gecoördineerde operationele programma's te ontwikkelen die voor optimale efficiëntie bij het gebruik van middelen zorgen;

18.  spreekt zijn steun en aanmoediging uit voor preventie, educatie en bewustmakingscampagnes alsmede informatieprogramma's om sporters, coaches, functionarissen en relevante belanghebbenden op alle niveaus van advies te voorzien over de risico's van wedstrijdmanipulatie, doping en andere met integriteit verband houdende kwesties, waaronder ook risico's die zij kunnen tegenkomen en manieren waarop zij melding kunnen maken van twijfelachtige benaderingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen voor te stellen die in het komende EU-werkplan kunnen worden opgenomen, zoals proefprogramma's en -projecten die tot doel hebben te waarborgen dat jongeren zo vroeg mogelijk in hun leven burgerschapsvorming op het gebied van sport krijgen;

19.  verzoekt de Commissie antidopingprojecten te blijven steunen via het Erasmus+-programma, de impact ervan te evalueren en ervoor te zorgen dat het de bestaande regelingen voor de financiering van dopingbestrijding op een zinvolle manier aanvult;

20.  verzoekt de Commissie goed bestuur in projecten voor sportbeheer te steunen via het Erasmus+-programma;

21.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan dopingcontroles, nationale testprogramma's en wetgeving die voorziet in coördinatie en uitwisseling van informatie tussen overheden, sportorganisaties en antidopingagentschappen; verzoekt de lidstaten deze laatste in staat te stellen uitvoerige monitoringprogramma's voor doping op te stellen en gegevens te verwerken en uit te wisselen overeenkomstig de huidige en toekomstige EU-regels inzake gegevensbescherming;

22.  wijst op de rol van het internationale antidopingagentschap (WADA) in de monitoring en coördinatie van antidopingbeleid en -maatregelen wereldwijd; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken met het WADA, de UNESCO en de Raad van Europa met het doel doping doeltreffender te voorkomen en te bestrijden door de juridische en politieke verbintenissen van de internationale antidopingcode (WADAC) aan te scherpen; verzoekt de EU de uitwisseling van informatie en beste praktijken inzake gezondheids- en preventiebeleid aan te moedigen als onderdeel van de wereldwijde strijd tegen doping;

23.  verzoekt de Commissie en de Raad de sluiting van overeenkomsten tussen landen waarmee officieel erkende teams voor dopingcontrole uit andere landen wordt toegestaan tests uit te voeren, aan te moedigen en te faciliteren, onder eerbiediging van de grondrechten van sporters en overeenkomstig het Internationaal Verdrag tegen doping in de sport;

24.  is van mening dat doping tevens een groeiend probleem vormt in de sector recreatieve sport, waar educatie en voorlichtingscampagnes alsmede ervaren en professionele instructeurs en trainers nodig zijn om een gezonde instelling ten aanzien van doping te bevorderen;

25.  verzoekt de lidstaten en de Commissie nauw samen te werken met het WADA en de Raad van Europa bij het definiëren van een beleid ter bescherming van klokkenluiders;

26.  spoort sportorganisaties en nationale overheden aan om gecoördineerde antidopingsystemen voor grensoverschrijdende controle in te voeren en concrete maatregelen te treffen tegen de vervaardiging van en handel in illegale prestatieverhogende middelen in de sportwereld;

27.  is ingenomen met het nieuwe verdrag van de Raad van Europa over een integrale benadering van veiligheid en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen en roept de lidstaten op dit verdrag onverwijld te ondertekenen en te ratificeren; herhaalt zijn voorstel betreffende de invoering van onderlinge erkenning van stadionverboden in Europa en de uitwisseling van gegevens hierover;

28.  verzoekt de Commissie methodes te verkennen voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot geweld in de sport via de bestaande netwerken;

29.  merkt op dat er in verband met de terreurdreiging nieuwe inspanningen nodig zijn om voor operationele veiligheid bij sportevenementen te zorgen;

30.  benadrukt dat sportorganen ervoor moeten zorgen dat onafhankelijke nieuwsmedia bij alle sportevenementen de nodige toegang en mogelijkheden voor nieuwsgaring krijgen, zodat zij hun rol als belangrijke en kritische waarnemers van sportevenementen en sportbeheer kunnen vervullen;

31.  veroordeelt ten strengste alle vormen van discriminatie en geweld in de sport, zowel op het veld als daarbuiten, en onderstreept de noodzaak om dergelijk gedrag op alle niveaus te voorkomen, het melden en monitoren van dergelijke incidenten te verbeteren en kernwaarden als respect, vriendschap, tolerantie en fair play te bevorderen; is van mening dat sportorganisaties die zich aan strenge normen voor goed bestuur houden, beter zijn toegerust om de maatschappelijke rol van sport te promoten en racisme, discriminatie en geweld te bestrijden;

32.  wijst andermaal op de noodzaak om de strijd tegen mensenhandel in de sport op te voeren, met name de handel in kinderen;

33.  is ingenomen met goede zelfreguleringsmethoden, zoals het Financial Fair Play-initiatief, daar deze aanzetten tot grotere economische rationaliteit en betere normen voor financieel beheer in de beroepssport, waarbij gekeken wordt naar de lange in plaats van de korte termijn, en die daardoor bijdragen tot een gezonde en duurzame ontwikkeling van de sport in Europa; benadrukt dat Financial Fair Play tot betere financiële beheersnormen heeft geleid en daarom strikt dient te worden toegepast;

34.  is ingenomen met transparante en duurzame investeringen in sport en sportorganisaties, vooropgesteld dat zij aan strikte controle en openbaarmakingsvereisten zijn onderworpen en de integriteit van wedstrijden en sporters niet schaden;

35.  beschouwt het eigendomsmodel waarbij clubleden de controle over de club houden (door middel van de 50+1-regel) als een goede praktijk in de EU, en verzoekt de lidstaten, sportbeheersorganen, nationale federaties en bonden een constructieve dialoog op te zetten over dit model en dit te gaan uitwisselen;

36.  benadrukt dat sporters, en met name minderjarigen, beschermd moeten worden tegen misbruikpraktijken zoals eigendom van spelers door derde partijen, die talloze vragen opwerpen op het gebied van integriteit en bredere ethische vraagstukken; steunt beslissingen van overheden om eigendom door derden van spelers te verbieden en verzoekt de Commissie om een verbod op eigendom door derden per EU-wetgeving te overwegen en de lidstaten te vragen aanvullende maatregelen te nemen met betrekking tot de rechten van sporters;

37.  is van mening dat er een herbeoordeling van de regels voor de promotie van plaatselijke spelers nodig is om talentvolle jonge spelers meer kansen te bieden om in het eerste team van hun club te spelen en aldus de competitiebalans in heel Europa te verbeteren;

38.  verzoekt beheersorganen en nationale autoriteiten op alle niveaus maatregelen te treffen die trainingsclubs een vergoeding bieden, met het doel het rekruteren en trainen van jonge spelers te stimuleren, overeenkomstig het arrest-Bernard van het Europees Hof van Justitie van 16 maart 2010;

39.  verklaart eens te meer te hechten aan het Europese model van georganiseerde sport, waarin federaties een centrale rol spelen, daar dit voorziet in een evenwicht tussen de uiteenlopende belangen van alle belanghebbenden, zoals sporters, spelers, clubs, bonden, verenigingen en vrijwilligers, met adequate, democratische vertegenwoordiging en transparantiemechanismen in de besluitvorming, en met open competities op basis van sportieve merites; dringt aan op meer financiële solidariteit op alle niveaus;

40.  spreekt zijn voldoening uit over het jaarlijkse EU-Sportforum ter bevordering van de dialoog met belanghebbenden uit internationale en Europese sportfederaties , de Olympische beweging, Europese en nationale overkoepelende sportorganen en andere met sport verband houdende organisaties; wijst erop dat de structuur van de dialoog met belanghebbenden, de taken van het forum en de follow-up van de discussie vatbaar zijn voor verdere verbetering;

41.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie – en alle betrokken belanghebbenden – om de sociale dialoog op het gebied van sport te bevorderen, daar dit een uitstekende mogelijkheid is om een evenwicht te bewerkstelligen tussen de grondrechten en arbeidsrechten van sporters enerzijds en de economische kant van de sport anderzijds door alle belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, te betrekken bij het debat over en de sluiting van overeenkomsten; erkent dat sportorganisaties gehouden zijn zich te verplichten tot het ontwikkelen van een cultuur van transparantie; dringt erop aan dat de EU zich actief inzet voor minimumnormen op het gebied van tewerkstelling en arbeid voor beroepssporters in heel Europa;

42.  herhaalt zijn oproep om transparantieregisters in te voeren voor de betaling van sportmakelaars, gebaseerd op een doeltreffend monitoringsysteem zoals een clearinginstelling voor betalingen en passende sancties, in samenwerking met de relevante overheden, teneinde malafide praktijken met betrekking tot makelaars aan te pakken; herhaalt zijn oproep betreffende licenties en registratie van sportmakelaars, evenals de invoering van een minimumniveau van kwalificaties; verzoekt de Commissie een gevolg te geven aan de conclusies van haar studie "Study on sports agents in the European Union", met name wat betreft de vaststelling dat makelaars een centrale rol vervullen in geldstromen die vaak niet transparant zijn, waardoor zij gemakkelijk in illegale activiteiten verwikkeld raken;

43.  is van mening dat een geïntegreerde benadering van gendergelijkheid in de sport stereotypen kan helpen vermijden en een positieve sociale omgeving voor iedereen kan helpen creëren; is ingenomen met initiatieven die gendergelijkheid en gelijke participatie in de besluitvorming op sportgebied aanmoedigen, vrouwelijke sporters in staat stellen gezinsleven en professionele sportactiviteiten te combineren, en erop gericht zijn de op gender gebaseerde loonkloof en verschillen in geldprijzen terug te dringen, evenals alle vormen van stereotypen en intimidatie in de sport; roept sportorganisaties op bijzondere aandacht te besteden aan het genderaspect door de deelname van vrouwen aan sport aan te moedigen;

Sociale insluiting, maatschappelijke functie en toegankelijkheid van sport

44.  is van mening dat investeringen in sport helpen om hechte en inclusieve samenlevingen tot stand te brengen, barrières te slechten en mensen in staat te stellen respect voor elkaar te tonen door bruggen te slaan tussen culturen en over etnische en sociale scheidslijnen heen, en om een positieve boodschap over te brengen van gedeelde waarden, zoals wederzijds respect, tolerantie, compassie, leiderschap, gelijke kansen en de rechtsstaat;

45.  spreekt zijn voldoening uit over transnationale sportevenementen die in verschillende Europese landen plaatsvinden voor zover deze bijdragen tot het bevorderen van gedeelde essentiële waarden van de EU, zoals pluralisme, tolerantie, gerechtigheid, gelijkheid en solidariteit; herinnert eraan dat sportactiviteiten en -evenementen het toerisme in Europese steden en streken stimuleren;

46.  wijst met nadruk op de waarde van transversale vaardigheden die door middel van sport worden opgedaan als onderdeel van niet-formeel en informeel leren, en op het verband tussen inzetbaarheid in de sport, onderwijs en opleiding;

47.  wijst op de rol van sport bij de inclusie en integratie van kansarme groepen; is ingenomen met initiatieven waarmee vluchtelingen, migranten en asielzoekers de kans krijgen om als sporters deel te nemen aan sportwedstrijden;

48.  onderstreept de betekenis van educatie via sport en het potentieel van sport om sociaal kwetsbare jongeren te helpen hun leven weer op de rails te krijgen; is zich bewust van de betekenis van breedtesport bij het voorkomen en tegengaan van radicalisering, en spreekt zijn steun en bemoediging uit voor initiatieven op dit terrein; is ingenomen met de twee door het Europees Parlement goedgekeurde proefprojecten: "Sport als instrument voor integratie en sociale inclusie van vluchtelingen" en "Toezicht op en coaching van jongeren die het risico lopen te radicaliseren, via sport";

49.  herinnert eraan dat jonge Europese sporters vaak te maken krijgen met het probleem dat hun sportcarrière moeilijk te combineren is met opleiding en werk; erkent dat hogere opleiding en beroepsopleiding van essentieel belang zijn bij het streven sporters maximale kansen te bieden om later een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren; steunt de invoering van doeltreffende systemen voor duale loopbanen met minimum-kwaliteitseisen en passende monitoring van de voortgang van programma's voor duale loopbanen in Europa, alsmede het verstrekken van diensten voor loopbaanadvies door middel van overeenkomsten met universiteiten of instellingen voor hoger onderwijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten de grensoverschrijdende mobiliteit van sporters te faciliteren, de erkenning van sport- en onderwijskwalificaties te harmoniseren, met inbegrip van niet-formele en informele educatie via sport, en de uitwisseling van goede praktijken te verbeteren;

50.  benadrukt dat het nodig is via het Erasmus+ Sport-hoofdstuk duurzame financiële steun te waarborgen voor uitwisselingsprogramma's voor duale loopbanen op EU- en nationaal niveau en verder onderzoek op dit terrein aan te moedigen; verzoekt de lidstaten in samenwerking met onderwijsinstellingen grensoverschrijdende uitwisselingen van sporters te bevorderen en sporters toegang te bieden tot beurzen;

51.  ondersteunt de mobiliteit van coaches en andere dienstverleners (zoals fysiotherapeuten en adviseurs inzake duale loopbanen) en de uitwisseling van goede praktijken met aandacht voor de erkenning van kwalificaties en van technische innovatie;

52.  verzoekt sportorganisaties om samen met de lidstaten minimumnormen voor coaches te ontwikkelen die strafbladcontroles, scholing inzake het beschermen van minderjarigen en kwetsbare volwassenen alsmede inzake voorkoming en bestrijding van doping en wedstrijdmanipulatie omvatten;

53.  onderstreept dat gebrek aan lichaamsbeweging volgens de WHO wereldwijd de op drie na belangrijkste risicofactor is wat sterfte betreft, met aanzienlijke rechtstreekse en onrechtstreekse sociale en economische gevolgen en kosten voor lidstaten; is bezorgd over het feit dat ondanks de aanzienlijk uitgaven die worden gedaan om lichaamsbeweging te promoten, en ondanks de aanzienlijke impact op de algemene gezondheidstoestand die het ontbreken van lichaamsbeweging heeft, in sommige lidstaten steeds minder mensen fysiek actief zijn;

54.  roept sportorganisaties en de lidstaten op tot samenwerking bij het ondersteunen van de inzetbaarheid en mobiliteit van coaches die in andere EU-landen willen werken, door middel van een streven naar waarborging van kwaliteitscontroles van de vaardigheden van coaches en normen voor kwalificaties en opleiding;

55.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan lichaamsbeweging in het volgende EU-werkplan voor sport tot politieke prioriteit uit te roepen, met name voor jongeren en kwetsbare gemeenschappen in sociaal gezien benadeelde gebieden waar lichaamsbeweging weinig aandacht krijgt;

56.  verzoekt internationale en nationale federaties en andere aanbieders van educatie ervoor te zorgen dat onderwerpen met betrekking tot integriteit op sportgebied worden opgenomen in het opleidingsprogramma voor sportcoaches;

57.  benadrukt dat het stimuleren van lichamelijke opvoeding op school voor kinderen een essentiële ingang vormt naar algemene vaardigheden, mentaliteit, waarden, kennis en begrip, alsmede tot het genieten van een leven lang fysiek actief zijn; herinnert eraan dat het beoefenen van sport tijdens de studie en door ouderen een belangrijke rol speelt bij een blijvende gezonde levensstijl en de sociale interactie bevordert;

58.  neemt in aanmerking dat de EU-bevolking vergrijst en dat de aandacht daarom in het bijzonder moet uitgaan naar de positieve impact van lichaamsbeweging op gezondheid en welzijn van ouderen;

59.  onderstreept dat sport en lichaamsbeweging op alle beleidsterreinen meer moeten worden gestimuleerd; roept lokale autoriteiten en gemeenten op gelijke toegang tot lichaamsbeweging te bevorderen; beveelt de lidstaten en de Commissie aan burgers er door middel van passende gezondheidsmaatregelen en -programma's voor het dagelijks leven toe aan te zetten naar meer regelmatige lichaamsbeweging te streven;

60.  verzoekt de lidstaten sport meer te stimuleren onder sociaal uitgesloten groepen en onder mensen die in sociaal benadeelde gebieden leven, waar sport vaak weinig aandacht krijgt, en voor meer samenwerking te zorgen tussen niet-gouvernementele organisaties en scholen die in deze gebieden actief zijn, met name bij stadsplanning en de aanleg van sportfaciliteiten, zodat de bijzondere behoeften van het publiek, en met name van kwetsbare groepen, in aanmerking worden genomen; verzoekt de lidstaten te voorzien in volledige en gelijke toegang tot openbare sportfaciliteiten in alle delen van het land en de oprichting van nieuwe sportclubs, met name in landelijke gebieden en benadeelde stedelijke gebieden, te steunen;

61.  benadrukt dat mensen met een handicap gelijke toegang moeten hebben tot alle sportfaciliteiten, alsmede tot vervoer en andere faciliteiten – en competent ondersteunend personeel – die daarvoor nodig zijn, en dringt aan op betere integratie van alle aan sport gerelateerde componenten, overeenkomstig het beginsel dat sportfaciliteiten voor iedereen toegankelijk moeten zijn; spoort de lidstaten aan op scholen en universiteiten inclusieve sportprogramma's voor mensen met een handicap in te voeren, waarbij ook getrainde coaches en aangepaste programma's voor lichaamsbeweging beschikbaar zijn, beginnend in de lagere klassen op school, zodat leerlingen en studenten met een handicap kunnen deelnemen aan sportlessen en buitenschoolse sportactiviteiten;

62.  erkent de essentiële rol van de Internationale Paralympische Spelen bij het kweken van besef, het bestrijden van discriminatie en het bevorderen van toegang tot sport voor mensen met een handicap; verzoekt de lidstaten zich sterker in te spannen voor inclusie in sportactiviteiten van personen met een handicap en voor grotere zichtbaarheid in de media en uitzending van de Paralympische Spelen en andere wedstrijden voor sporters met een handicap;

63.  verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat kinderen sport in een veilige omgeving beoefenen;

64.  is ingenomen met initiatieven die inclusie, integriteit en toegankelijkheid van sport bevorderen door middel van het gebruik van nieuwe technologie en innovatie;

65.  spreekt zijn voldoening uit over het succes van de Europese Week van de Sport, die tot doel heeft sport, lichaamsbeweging en een gezondere levensstijl voor iedereen in heel Europa te promoten, ongeacht leeftijd, achtergrond of conditie, en verzoekt alle EU-instellingen en lidstaten deel te nemen aan dit initiatief en het te blijven ondersteunen, en ervoor te zorgen dat het toegankelijk is voor een zo breed mogelijk publiek, met name op scholen;

66.  is van oordeel dat de traditionele sporten deel uitmaken van het Europees cultureel erfgoed;

67.  is ingenomen met de studie van de Commissie naar het specifieke karakter van sport; verzoekt de Commissie en sportorganisaties na te denken over verdere stappen om het specifieke karakter van sport te ontwikkelen;

68.  benadrukt dat subsidie een belangrijk beleidsinstrument van de EU is dat gebruikt kan worden om verbeteringen aan te brengen op essentiële terreinen van EU-activiteit met betrekking tot sport; verzoekt de Commissie in het kader van Erasmus+ meer middelen beschikbaar te stellen voor sport, met speciale aandacht voor breedtesport en educatie en met het doel de zichtbaarheid en toegankelijkheid ervan te vergroten en sport in andere subsidieprogramma's zoals de ESIF of het gezondheidsprogramma te mainstreamen; dringt aan op betere communicatie tussen de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat deze middelen op doeltreffendere wijze worden gebruikt en om de administratieve lasten voor breedtesportorganisaties zo gering mogelijk te houden;

69.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan steun te verlenen aan maatregelen en programma's ter bevordering van de mobiliteit, deelname, opleiding, ontwikkeling van vaardigheden en training van vrijwilligers op het gebied van sport, alsmede de erkenning van hun inspanningen; beveelt aan beste praktijken voor vrijwilligerswerk uit te wisselen door bij te dragen aan het bevorderen van een uitgebreidere sportpraktijk en -cultuur, onder meer aan de hand van de in het Erasmus+-programma gegeven richtsnoeren;

70.  verzoekt de Commissie met richtsnoeren te komen over de toepassing van regels inzake overheidssteun in de sportsector, rekening houdend met de sociale, culturele en educatieve doelstellingen, teneinde voor meer rechtszekerheid te zorgen; is in dit opzicht van mening dat sportorganisaties, met name breedtesportorganisaties, niet gediscrimineerd mogen worden als zij op nationaal of plaatselijk niveau overheidssteun aanvragen;

71.  acht het van cruciaal belang dat mechanismen voor financiële solidariteit in de sport het noodzakelijke dwarsverband aanbrengen tussen beroepssport en amateursport; is in dit verband verheugd over de bijdrage van nationale loterijen aan de breedtesport en moedigt de lidstaten aan erkende wedkantoren een verplichte en billijke financiële bijdrage aan de breedtesport en aan projecten ter verbetering van brede toegang tot sport op te leggen, met het doel de duurzaamheid, transparantie en traceerbaarheid hiervan te waarborgen, als aanvulling op de financiële bijdrage die reeds voortvloeit uit de verkoop van media- en uitzendrechten;

72.  is van mening dat de verkoop van televisierechten op een gecentraliseerde, exclusieve en territoriale basis, met een eerlijke verdeling van de inkomsten, van essentieel belang is voor de duurzame financiering van sport op alle niveaus en voor het waarborgen van een gelijk speelveld;

73.  benadrukt dat schending van intellectuele-eigendomsrechten in de sport een bedreiging vormt van de financiering ervan op de lange termijn;

74.  beveelt de lidstaten aan hun respectieve belastingstelsels actief te gebruiken om btw-vrijstellingen, belastingverlaging en andere vormen van financiële stimulansen in de breedtesport te ondersteunen; is van mening dat regels inzake overheidssteun niet op dergelijke steun van toepassing zouden mogen zijn;

75.  roept de Commissie en de lidstaten op meer middelen toe te wijzen aan het inrichten van openbare sport- en speelvelden, teneinde de toegang tot breedtesport te vergemakkelijken;

76.  is van oordeel dat duurzaamheid en milieubescherming een integrerend bestanddeel van sportevenementen zouden moeten zijn en dat belanghebbenden op sportgebied zouden moeten bijdragen aan de mondiale agenda 2030 inzake duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

77.  moedigt de nationale olympische comités en de sportfederaties van de lidstaten aan de EU-vlag en het EU-symbool samen met individuele vlaggen en nationale symbolen bij internationale sportevenementen aan te nemen en te gebruiken;

78.  benadrukt dat sport een krachtige factor is bij het creëren en versterken van het gevoel van verbondenheid met een plaats, een land of zelfs Europa;

79.  benadrukt het belang van volledige transparantie van de eigendomssituatie in professionele sportclubs;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Europese, internationale en nationale sportfederaties en -bonden.

(1) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 81.
(2) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.
(3) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 42.
(4) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 137.
(5) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 46.
(6) PB C 271 E van 12.11.2009, blz. 51.
(7) PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 232.
(8) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 99.
(9) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 42.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(11) PB C 326 van 3.12.2010, blz. 5.


Grensoverschrijdende aspecten van adopties
PDF 225kWORD 58k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement met 2 februari 2017 met aanbevelingen aan de Commissie over grensoverschrijdende aspecten van adopties (2015/2086(INL))
P8_TA(2017)0013A8-0370/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, en met name de artikelen 7, 21 en 35,

–  gezien het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie van 25 mei 2000 bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963,

–  gezien het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

–  gezien de discussienota van de Commissaris voor de mensenrechten over adoptie en kinderen vanuit het oogpunt van de mensenrechten, gepubliceerd op 28 april 2011,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie verzoekschriften (A8-0370/2016),

Gemeenschappelijke minimumnormen voor adopties

A.  overwegende dat het essentieel is dat op het gebied van adoptie elk besluit genomen wordt in het belang van het kind, en dat het beginsel van non-discriminatie en de grondrechten van het kind worden geëerbiedigd;

B.  overwegende dat adoptie niet is bedoeld om het recht van volwassenen op een kind te waarborgen, maar tot doel heeft een kind een stabiele, liefdevolle en zorgzame omgeving te bieden, waarin het op harmonieuze wijze kan opgroeien en zich kan ontwikkelen;

C.  overwegende dat de adoptieprocedure betrekking heeft op kinderen die op het moment waarop adoptie wordt aangevraagd de leeftijd van 18 jaar of de leeftijd waarop kinderen in hun land van herkomst meerderjarig worden nog niet hebben bereikt;

D.  overwegende dat er een passend evenwicht moet worden gevonden tussen het recht van een geadopteerd kind om zijn ware identiteit te kennen en het recht van de biologische ouders om hun identiteit te beschermen;

E.  overwegende dat de economische omstandigheden van de biologische ouders voor de bevoegde autoriteiten nooit de enige reden en enige rechtvaardigingsgrond mogen vormen voor onttrekking van een kind aan het ouderlijk gezag en het ter adoptie aanbieden van een kind;

F.  overwegende dat een adoptieprocedure niet van start mag gaan voordat het besluit tot ontzetting van de biologische ouders uit het ouderlijk gezag onherroepelijk is, en de biologische ouders de kans hebben gekregen alle rechtsmiddelen tegen dat besluit aan te wenden; overwegende dat andere lidstaten kunnen weigeren een adoptiebeschikking te erkennen indien dergelijke procedurele waarborgen ontbreken;

G.  overwegende dat meer efficiëntie en een grotere transparantie ertoe zullen leiden dat de nationale adoptieprocedures beter worden en internationale adoptie wellicht gemakkelijker wordt, waardoor het aantal adopties zou kunnen toenemen; overwegende dat in verband hiermee de naleving van artikel 21 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat door alle lidstaten is geratificeerd, het belangrijkste criterium dient te zijn voor alle procedures, maatregelen en strategieën voor adopties in een grensoverschrijdende context, en dat het belang van het kind voorop moet staan;

H.  overwegende dat meer vastberaden optreden noodzakelijk is om te voorkomen dat toekomstige ouders die belangstelling hebben voor adoptie door gewetenloze bemiddelingsorganisaties worden uitgebuit en overwegende dat daarom ook de samenwerking op het gebied van de bestrijding van misdaad en corruptie in verband met adoptie binnen de Unie moet worden versterkt;

I.  overwegende dat er zo veel mogelijk naar moet worden gestreefd broertjes en zusjes bij hetzelfde adoptiegezin te plaatsen, om te voorkomen dat zij door gescheiden plaatsing verder getraumatiseerd raken;

Interlandelijke adoptie op grond van het Verdrag van Den Haag van 1993

J.  overwegende dat het door alle lidstaten geratificeerde Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (het Verdrag van Den Haag)voorziet in een systeem van administratieve samenwerking en erkenning van interlandelijke adopties, d.w.z. adopties waarbij de adoptieouders en het kind of de kinderen hun gewone verblijfplaats niet in hetzelfde land hebben;

K.  overwegende dat in het Verdrag van Den Haag is bepaald dat interlandelijke adopties in alle landen die het verdrag hebben ondertekend automatisch worden erkend, zonder dat er een specifieke erkenningsprocedure nodig is;

L.  overwegende dat erkenning op grond van het Verdrag van Den Haag uitsluitend mag worden geweigerd als de adoptie kennelijk strijdig is met de openbare orde van de desbetreffende staat, rekening houdend met het belang van het kind;

Civielrechtelijke samenwerking op het gebied van adoptie

M.  overwegende dat juridische scholing in de breedste zin de sleutel vormt tot wederzijds vertrouwen op alle rechtsgebieden, waaronder adoptie; overwegende dat in het kader van de bestaande Unieprogramma's voor juridische scholing en ondersteuning voor het Europees justitieel netwerk daarom meer de focus moet worden gelegd op gespecialiseerde rechtbanken, zoals familierechtbanken en jeugdrechtbanken;

N.  overwegende dat burgers betere toegang moeten krijgen tot uitgebreide informatie over de juridische en procedurele aspecten van nationale adoptie in de lidstaten; overwegende dat het e-justitieportaal in dit kader uitgebreid zou kunnen worden;

O.  overwegende dat sinds 1997 wordt samengewerkt binnen het Europees netwerk van kinderombudsmannen en dat de ombudsmannen voor kinderen in Europa moeten worden aangespoord om binnen dat forum nauwer samen te werken; overwegende dat in dit kader bijvoorbeeld ook kan worden gedacht aan deelname van deze ombudsmannen aan bestaande door de Unie gefinancierde justitiële-opleidingsprogramma's;

P.  overwegende dat een uitgebreide analyse moet worden verricht, omdat er meer moet worden gedaan om grensoverschrijdende smokkel van kinderen met het oog op adoptie te voorkomen en bestrijden en om ervoor te zorgen dat de bestaande regels en richtsnoeren ter bestrijding van kinderhandel naar behoren en op doeltreffende wijze worden uitgevoerd; overwegende dat de samenwerking op het gebied van de bestrijding van misdaad en corruptie in de Unie derhalve moet worden geïntensiveerd, om ontvoering en verkoop van en handel in kinderen te voorkomen;

Grensoverschrijdende erkenning van nationale adoptiebeschikkingen

Q.  overwegende dat binnen het Unierecht het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van wezenlijk belang is, omdat het de mogelijkheid biedt om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden; overwegende dat de lidstaten op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat berust op wederzijds vertrouwen, gehouden zijn uitspraken of besluiten uit een andere lidstaat uit te voeren;

R.  overwegende dat de meningen over de beginselen die aan adoptie ten grondslag dienen te liggen tussen de lidstaten nog altijd sterk uiteenlopen, ondanks de internationale voorschriften die er op dit gebied bestaan, en dat ook de adoptieprocedures en de rechtsgevolgen van adoptie niet overal hetzelfde zijn;

S.  overwegende dat de Europese Unie bevoegd is om, zonder in te grijpen in het nationale familierecht, maatregelen vast te stellen ter verbetering van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten, onder meer op het gebied van adoptie;

T.  overwegende dat uitzonderingen uit hoofde van de openbare orde tot doel hebben de identiteit van de lidstaten, die tot uitdrukking komt in het materieel familierecht van de lidstaten, te waarborgen;

U.  overwegende dat het Europees recht momenteel geen bepalingen kent inzake de erkenning, automatisch of anderszins, van nationale adoptiebeschikkingen, d.w.z. beschikkingen betreffende adopties die plaatsvinden binnen één lidstaat;

V.  overwegende dat het ontbreken van dergelijke bepalingen aanzienlijke problemen veroorzaakt voor Europese gezinnen die na de adoptie van een kind naar een andere lidstaat verhuizen, aangezien de kans bestaat dat de adoptie niet wordt erkend, waardoor de ouders problemen kunnen ondervinden bij de uitoefening van het ouderlijk gezag en te maken kunnen krijgen met financiële problemen in verband met de verschillende vergoedingen die zij verschuldigd zijn;

W.  overwegende dat het ontbreken van dergelijke bepalingen het recht van kinderen op een stabiel en blijvend gezin ondergraaft;

X.  overwegende dat het op dit moment kan gebeuren dat ouders bij een verhuizing naar een andere lidstaat een specifieke nationale erkenningsprocedure moeten doorlopen en soms zelfs het kind opnieuw moeten adopteren, hetgeen veel rechtsonzekerheid met zich brengt;

Y.  overwegende dat de huidige situatie tot ernstige problemen kan leiden en gezinnen kan belemmeren ten volle gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer;

Z.  overwegende dat het wellicht nodig is om de algehele situatie te evalueren en beoordelen aan de hand van een raadpleging onder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten;

AA.  overwegende dat de Brussel II-verordening geen betrekking heeft op erkenning van adoptiebeschikkingen, maar uitsluitend betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid;

AB.  overwegende dat het daarom van het grootste belang is om wetgeving vast te stellen die voorziet in automatische erkenning in een lidstaat van een nationale adoptiebeschikking die in een andere lidstaat is genomen, mits de volledige eerbiediging van nationale bepalingen inzake openbare orde en de eerbiediging van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel zijn gewaarborgd;

AC.  overwegende dat dergelijke wetgeving een aanvulling zal vormen op Verordening (EG) nr. 2201/2003(1) van de Raad (Brussel II bis-verordening) inzake bevoegdheid en ouderlijke verantwoordelijkheid, en de huidige leemte op het gebied van de erkenning van adoptie op grond van het internationale recht (het Verdrag van Den Haag) zal opvullen;

Gemeenschappelijke minimumnormen voor adopties

1.  dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan om bij alle besluiten die betrekking hebben op adoptie te handelen in het belang van het kind, de fundamentele rechten van het kind te eerbiedigen en altijd rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval;

2.  benadrukt dat kinderen die ter adoptie zijn afgestaan niet moeten worden beschouwd als eigendom van een staat, maar als individuen met internationaal erkende fundamentele rechten;

3.  benadrukt dat elke adoptiezaak anders is en moet worden beoordeeld op grond van zijn eigen omstandigheden;

4.  is van oordeel dat bij adoptie met grensoverschrijdende aspecten de culturele en taalkundige achtergrond van het kind moet worden meegewogen en zoveel mogelijk moet worden gerespecteerd;

5.  is van oordeel dat kinderen bij adoptieprocedures altijd de gelegenheid moeten krijgen te worden gehoord en zich uit te spreken over het adoptieproces zonder daarbij onder druk te worden gezet, een en ander rekening houdend met de leeftijd en de mate van rijpheid van het kind; is derhalve van mening dat het van het allergrootste belang is dat, waar mogelijk en ongeacht de leeftijd, aan het kind wordt gevraagd of het instemt met de adoptie; dringt in dit kader aan op behoedzaamheid bij jonge kinderen en baby's die niet kunnen worden gehoord;

6.  is van mening dat geen besluit inzake adoptie mag worden genomen voordat de biologische ouders zijn gehoord en zij, indien van toepassing, alle rechtsmiddelen betreffende het ouderlijk gezag hebben uitgeput, en de ontzetting van de biologische ouders uit het ouderlijk gezag onherroepelijk is; dringt er daarom bij de lidstatelijke autoriteiten op aan om als rechtsmiddelen worden aangewend en tijdens de hele juridische procedure met betrekking tot de adoptie alle maatregelen te nemen die nodig zijn voor het welzijn van het kind en het kind de bescherming en zorg te bieden die nodig is voor zijn harmonieuze ontwikkeling;

7.  dringt er bij de Commissie op aan om na te denken over een vergelijkende studie, om onderzoek te doen naar klachten inzake niet-consensuele adopties met grensoverschrijdende aspecten;

8.  benadrukt dat de bevoegde autoriteiten, voordat zij een kind in aanmerking laten komen voor adoptie door vreemden, altijd eerst moeten onderzoeken of het mogelijk is om het kind bij familieleden te plaatsen als het kind een band heeft met die familieleden, ook als deze in een ander land wonen, en tevens vooraf een individuele beoordeling moeten uitvoeren van de behoeften van het kind; is van mening dat de gewone verblijfplaats van familieleden die de verantwoordelijkheid voor een kind willen overnemen niet als doorslaggevende factor moet worden beschouwd;

9.  dringt erop aan dat ouders met verschillende nationaliteiten in rechtszaken met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid en adoptie gelijk worden behandeld; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat familieleden die betrokken zijn bij adoptieprocedures en die onderdaan zijn van een andere lidstaat dezelfde procedurele rechten hebben, en deze familieleden bijvoorbeeld rechtsbijstand te verlenen, tijdig informatie te verstrekken over hoorzittingen en het recht op een tolk, en alle voor de zaak van belang zijnde documenten in hun moedertaal ter beschikking te stellen;

10.  benadrukt dat als overwogen wordt een kind dat onderdaan is van een andere lidstaat in aanmerking te laten komen voor adoptie, de consulaire autoriteiten van die lidstaat en de familieleden van het kind die in die lidstaat wonen, moeten worden geïnformeerd en geraadpleegd voordat er een besluit wordt genomen;

11.  dringt er voorts bij de lidstaten op aan bijzondere aandacht te besteden aan niet-begeleide minderjarigen die een vluchtelingenstatus hebben aangevraagd of reeds bezitten, en ervoor te zorgen dat zij de bescherming, bijstand en zorg krijgen die de lidstaten uit hoofde van hun internationale verplichtingen moeten bieden, bij voorkeur door deze minderjarigen in de tussentijd in een pleeggezin te plaatsen;

12.  wijst erop dat ervoor moet worden gezorgd dat de werkomstandigheden van maatschappelijk werkers zodanig zijn dat zij hun evaluatie van individuele gevallen naar behoren kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van financiële of juridische druk en volledig rekening houdend met de belangen van het kind op de korte, middellange en lange termijn;

Interlandelijke adoptie overeenkomstig het Verdrag van Den Haag van 1993

13.  wijst op het succes van en het belang van toepassing van het Verdrag van Den Haag en spoort alle landen aan om dit verdrag te ondertekenen of te ratificeren of tot dit verdrag toe te treden;

14.  betreurt dat zich vaak problemen voordoen met betrekking tot de verstrekking van adoptiecertificaten; dringt er derhalve bij de autoriteiten van de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat de procedures en beschermingsmaatregelen die in het leven zijn geroepen bij het Verdrag van Den Haag te allen tijde worden gevolgd, om de automatische erkenning van adoptiecertificaten te waarborgen; verzoekt de lidstaten geen onnodige bureaucratische hindernissen op te werpen voor de erkenning van adopties die onder het toepassingsbereik van het Verdrag van Den Haag vallen en waardoor de procedure zal vertragen en de kosten zullen stijgen;

15.  wijst erop dat er meer inspanningen kunnen worden verricht om naleving en strikte handhaving van het Verdrag van Den Haag te waarborgen, aangezien sommige lidstaten aanvullende administratieve procedures hebben ingesteld of onevenredige vergoedingen vragen in verband met de erkenning van adopties, bijvoorbeeld voor het registreren of wijzigen van gegevens in de burgerlijke stand of voor het verkrijgen van de nationaliteit, ondanks het feit dat deze praktijken strijdig zijn met de bepalingen van het Verdrag van Den Haag;

16.  dringt er bij de lidstaten op aan de procedures met betrekking tot de voorlichtings- en toestemmingsvereisten, zoals neergelegd in artikel 4 van het Verdrag van Den Haag, te eerbiedigen;

Civielrechtelijke samenwerking op het gebied van adoptie

17.  verzoekt de lidstaten om hun samenwerking op het gebied van adoptie, wat zowel de juridische als de sociale aspecten betreft, te intensiveren en dringt aan op meer samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten op het gebied van evaluaties, indien nodig; dringt er in dit verband voorts op aan dat de Unie in al haar belangrijke interne en externe beleidsmaatregelen een consistente aanpak hanteert ten aanzien van de rechten van kinderen;

18.  roept de Commissie op een doeltreffend Europees netwerk van rechters en autoriteiten die gespecialiseerd zijn in adoptie in het leven te roepen, om zo de uitwisseling van informatie en goede praktijken te vergemakkelijken, hetgeen met name nuttig is wanneer bij adopties sprake is van grensoverschrijdende aspecten; acht het uiterst belangrijk om de coördinatie en uitwisseling van goede praktijken met het bestaande netwerk voor justitiële opleiding te vergemakkelijken, om te zorgen voor een zo groot mogelijke samenhang met de reeds door de Unie gefinancierde regelingen; verzoekt de Commissie in dit verband middelen beschikbaar te stellen voor gespecialiseerde opleidingen voor rechters die zaken behandelen die betrekking hebben op grensoverschrijdende adopties;

19.  is van oordeel dat het door middel van scholing en mogelijkheden voor rechters om in contact te komen met andere rechters die zaken behandelen op het gebied van grensoverschrijdende adopties gemakkelijker kan worden verwachte problemen op het gebied van de erkenning van nationale adopties in kaart te brengen en de daarvoor noodzakelijke juridische oplossingen te vinden; dringt er daarom bij de Commissie op aan om bij het opstellen van het voorstel voor de verordening te voorzien in de beschikbaarstelling van middelen voor deze scholing en contactmogelijkheden;

20.  dringt er bij de Commissie op aan om op het Europees e-justitieportaal relevante juridische en procedurele informatie te plaatsen over het adoptierecht en de adoptiepraktijken in alle lidstaten;

21.  neemt nota van de activiteiten van het Europees Netwerk van ombudsmannen voor kinderen en is van mening dat deze samenwerking verder moet worden ontwikkeld en versterkt;

22.  benadrukt het belang van nauwere samenwerking, onder meer via Europese autoriteiten zoals Europol, om grensoverschrijdende ontvoering, verkoop en smokkel van kinderen met het oog op adoptie te voorkomen; merkt op dat smokkel van kinderen met het oog op adoptie wellicht kan worden voorkomen als de landen beschikken over betrouwbare nationale systemen voor geboorteregistratie; dring in dit kader aan op intensivering van de coördinatie op het gevoelige gebied van adoptie van kinderen uit derde landen;

Grensoverschrijdende erkenning van nationale adoptiebeschikkingen

23.  verklaart dat er een duidelijke behoefte is aan Europese wetgeving waarin wordt voorzien in de automatische grensoverschrijdende erkenning van nationale adoptiebeschikkingen;

24.  verzoekt de Commissie om uiterlijk op 31 juli 2017, op basis van artikel 67 en artikel 81 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, een voorstel voor een handeling betreffende de grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen voor te leggen, rekening houdend met de aanbevelingen in bijgevoegde bijlage en in overeenstemming met het bestaande internationale recht op dit gebied;

25.  bevestigt dat in de bij deze ontwerpresolutie gevoegde aanbevelingen de grondrechten en het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel worden geëerbiedigd;

26.  is van mening dat het gevraagde voorstel geen negatieve financiële gevolgen heeft, aangezien het uiteindelijke doel om adoptiebeschikkingen automatisch te erkennen een kostenbesparing met zich zal brengen;

o
o   o

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN VOOR EEN VERORDENING VAN DE RAAD BETREFFENDE DE GRENSOVERSCHRIJDENDE ERKENNING VAN ADOPTIEBESCHIKKINGEN

A.   BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.  Ieder jaar nemen meer Unieburgers het besluit om gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer en naar een andere lidstaat van de Unie te verhuizen. Hierdoor ontstaan er diverse problemen op het gebied van de erkenning en wettelijke procedures ten aanzien van de persoonlijke en familierechtelijke situatie van mobiele personen. De Unie heeft een aanvang gemaakt met de aanpak van deze problemen, onder meer door het vaststellen van Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad(2) inzake erfopvolging en door nauwere samenwerking tot stand te brengen op het gebied van de erkenning van bepaalde aspecten van huwelijksvermogensstelsels en de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.

2.  Het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (het Verdrag van Den Haag) is van kracht in alle lidstaten. Dit verdrag heeft betrekking op de procedure voor grensoverschrijdende adopties en verplicht tot automatische erkenning van dergelijke adopties. Het Verdrag van Den Haag heeft echter geen betrekking op de situatie van een gezin met een kind dat is geadopteerd overeenkomstig een zuiver nationale procedure en dat vervolgens verhuist naar een andere lidstaat. In een dergelijke geval kunnen er, als de wettelijke relatie tussen de ouder(s) en het geadopteerde kind niet automatisch wordt erkend, aanzienlijke juridische problemen ontstaan. In sommige gevallen moeten aanvullende administratieve of juridische procedures worden doorlopen en in uitzonderlijke gevallen wordt erkenning volledig geweigerd.

3.  Het is ter bescherming van de grondrechten en de vrijheden van deze burgers van de Unie derhalve noodzakelijk om een verordening vast te stellen waarin wordt voorzien in de automatische grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen. De juiste rechtsgrondslag voor een dergelijk voorstel is artikel 67, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat betrekking heeft op de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen, en artikel 81, lid 3, van het Verdrag, dat betrekking heeft op maatregelen betreffende het familierecht. De verordening dient te worden vastgesteld door de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement.

4.  De voorgestelde verordening voorziet in de automatische erkenning van adoptiebeschikkingen genomen in een lidstaat overeenkomstig een andere procedure dan op grond van het Verdrag van Den Haag. Aangezien Europese gezinnen ook banden kunnen hebben met een derde land of er in het verleden kunnen hebben gewoond, voorziet de verordening er ook in dat wanneer één lidstaat een in een derde land genomen adoptiebeschikking heeft erkend op grond van zijn toepasselijke nationale procedurele regels, deze adoptiebeschikking wordt erkend in alle andere lidstaten.

5.  Om "forum shopping" of de toepassing van onwenselijke nationale wetgeving echter te voorkomen, is die automatische erkenning ten eerste onderworpen aan de voorwaarde dat de erkenning niet kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat waar de erkenning wordt gevraagd, waarbij benadrukt wordt dat een dergelijke weigering de facto niet mag leiden tot discriminatie die op grond van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verboden is, en ten tweede, dat de lidstaat die de adoptiebeschikking heeft genomen daartoe op grond van artikel 4 van het verlangde voorstel in Deel B (het voorstel) de bevoegdheid had. Uitsluitend de lidstaat die de gewone verblijfplaats is van de ouder, de ouders of het kind, beschikt over die bevoegdheid. Indien de adoptiebeschikking echter is genomen in een derde land, kan de bevoegdheid voor de eerste erkenning binnen de Unie van die adoptie ook berusten bij de lidstaat waarvan de ouders of het kind de nationaliteit bezitten. Dit om toegang tot de rechter te garanderen voor Europese gezinnen die buiten de Unie wonen.

6.  Er zijn specifieke procedures nodig om te beslissen op bezwaren tegen erkenning in specifieke gevallen. Deze bepalingen zijn identiek aan bepalingen in andere handelingen van de Unie op het gebied van het burgerlijk recht.

7.  Er moet een Europees adoptiecertificaat in het leven worden geroepen om eventuele administratieve vragen met betrekking tot automatische erkenning snel af te handelen. Het model voor dit certificaat moet door de Commissie worden vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling.

8.  Het voorstel heeft uitsluitend betrekking op de relatie tussen ouders en kinderen. Het verplicht de lidstaten niet om bepaalde juridische relaties tussen ouders van een geadopteerd kind te erkennen, aangezien er op het gebied van de wetgeving inzake paren tussen de nationale rechtsstelsels grote verschillen bestaan;

9.  Tot slot bevat het voorstel de gebruikelijke eind- en overgangsbepalingen van burgerrechtelijke instrumenten. De automatische erkenning van adopties is slechts van toepassing op adoptiebeschikkingen die zijn genomen vanaf de datum waarop de verordening van toepassing wordt en op eerdere adoptiebeschikkingen als het kind op die datum nog minderjarig is.

10.  Het voorstel voldoet aan het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, aangezien de lidstaten niet in staat zijn om zelf een juridisch kader in het leven te roepen voor de grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen en het voorstel niet verder gaat dan strikt noodzakelijk om de stabiliteit van de rechtspositie van geadopteerde kinderen te waarborgen. Het voorstel laat het familierecht van de lidstaten onverlet.

B.   TEKST VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Verordening van de Raad betreffende de grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 3,

Gezien het verzoek van het Europees Parlement aan de Europese Commissie,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

1)  De Unie heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van deze ruimte dient de Unie maatregelen vast te stellen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, waaronder op het gebied van het familierecht.

2)  Overeenkomstig de artikelen 67 en 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) omvatten deze maatregelen ook maatregelen bedoeld om de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken te waarborgen.

3)  Om het recht op vrij verkeer van gezinnen die een kind hebben geadopteerd te waarborgen, is het noodzakelijk en passend de regels inzake de bevoegdheid en de erkenning van adoptiebeschikkingen in een bindend en rechtstreeks toepasselijk rechtsinstrument van de Unie neer te leggen.

4)  Deze verordening moet een duidelijk en omvattend rechtskader bieden op het gebied van de grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen, gezinnen meer rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit bieden en voorkomen dat de situatie ontstaat dat een op rechtmatige wijze in een lidstaat genomen adoptiebeschikking in een andere lidstaat niet wordt erkend.

5)  Deze verordening dient van toepassing te zijn op de erkenning van adoptiebeschikkingen die in een lidstaat zijn genomen of erkend. De verordening is echter niet van toepassing op de erkenning van interlandelijke adopties die hebben plaatsgevonden in overeenstemming met het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie, aangezien dat verdrag reeds voorziet in de automatische erkenning van dergelijke adopties. Deze verordening dient derhalve uitsluitend van toepassing te zijn op de erkenning van nationale adopties en internationale adopties die niet hebben plaatsgevonden overeenkomstig dat verdrag.

6)  Er moet een verband bestaan tussen een adoptie en het grondgebied van de lidstaat die de adoptiebeschikking heeft genomen of heeft erkend. Dienovereenkomstig moet de erkenning voldoen aan de gemeenschappelijke regels inzake bevoegdheid.

7)  De voorschriften inzake bevoegdheid moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel dient te gelden dat de bevoegdheid in het algemeen wordt gegrond op de gewone verblijfplaats van de adoptieouders, of de gewone verblijfplaats van één van hen of van het kind. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in situaties waarin een derde land een rol speelt en de lidstaat van nationaliteit een aanknopingspunt kan vormen.

8)  Aangezien adoptie over het algemeen betrekking heeft op minderjarigen, is het niet passend om de ouders of het kind enige flexibiliteit te bieden bij het kiezen van de autoriteiten die een besluit zullen nemen over de adoptie.

9)  Het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie rechtvaardigt het beginsel dat in een lidstaat genomen of door een lidstaat erkende adoptiebeschikkingen in alle andere lidstaten moeten worden erkend, zonder dat daarvoor een speciale procedure hoeft te worden gevolgd. Bijgevolg moet een in een lidstaat genomen adoptiebeschikking behandeld worden alsof deze in de aangezochte lidstaat is genomen.

10)  De automatische erkenning in de aangezochte lidstaat van een adoptiebeschikking die is genomen in een andere lidstaat mag de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet in gevaar brengen. Daarom moet een belanghebbende partij om weigering van de erkenning van een adoptiebeschikking kunnen verzoeken als hij of zij van mening is dat één van de gronden voor weigering van de erkenning van toepassing is.

11)  De erkenning van nationale adoptiebeschikkingen moet automatisch plaatsvinden, tenzij de lidstaat waar de adoptie heeft plaatsgevonden niet bevoegd was of de erkenning kennelijk strijdig is met het openbaar belang van de erkennende lidstaat, zoals uitgelegd overeenkomstig artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

12)  Deze verordening mag niet van invloed zijn op het materiële familierecht, waaronder het adoptierecht, van de lidstaten. Voorts mag de erkenning van een adoptiebeschikking uit hoofde van deze verordening niet de automatische erkenning inhouden van een rechtsbetrekking tussen de adoptieouders als voortvloeisel uit de erkenning van de adoptiebeschikking. Daarnaast mag echter de rechtsbetrekking tussen de adoptieouders niet van invloed zijn op het besluit tot erkenning van een adoptiebeschikking.

13)  Procedurekwesties die niet in deze verordening aan de orde komen, moeten worden geregeld overeenkomstig het nationale recht.

14)  Indien een adoptiebeschikking een rechtsbetrekking impliceert die in het recht van de aangezochte lidstaat onbekend is, moet die rechtsbetrekking, met inbegrip van daaruit voortvloeiende rechten of verplichtingen, zoveel als mogelijk worden aangepast aan een rechtsbetrekking die overeenkomstig het recht van die lidstaat dezelfde rechtsgevolgen heeft en dezelfde doelstellingen beoogt. Hoe en door wie de aanpassing dient te worden uitgevoerd, moet door elke lidstaat zelf worden bepaald.

15)  Om de automatische erkenning waarin deze verordening voorziet eenvoudiger te maken, moet een model worden opgesteld voor de overdracht van adoptiebeschikkingen, het Europees adoptiecertificaat. Te dien einde moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen handelingen vast te stellen inzake de opstelling en wijziging van dat modelcertificaat. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen moet de Commissie ervoor zorgen dat de relevante documenten tijdig en op passende wijze worden doorgestuurd naar het Europees Parlement en de Raad.

16)  Aangezien de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

17)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, [hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening]/[nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze verordening; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].

18)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op de erkenning van adoptiebeschikkingen.

2.  Deze verordening is niet van toepassing op en doet geen afbreuk aan:

a)  het recht van de lidstaten betreffende het recht om te adopteren of betreffende andere familierechtelijke aangelegenheden;

b)  interlandelijke adopties overeenkomstig het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (het Verdrag van Den Haag).

3.  Niets in deze verordening verplicht een lidstaat om:

a)  een bepaalde rechtsbetrekking tussen de ouders van een geadopteerd kind te erkennen als voortvloeisel uit de erkenning van een adoptiebeschikking;

b)  adoptiebeschikkingen te nemen in omstandigheden waarin de nationale wetgeving op dit gebied dat niet toestaat.

Artikel 2

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "adoptiebeschikking" verstaan: een rechterlijke uitspraak of beslissing waarbij een permanente, juridische ouder-kindrelatie wordt gevormd of erkend tussen een minderjarig kind en een nieuwe ouder of nieuwe ouders die niet de biologische ouders van dat kind zijn, ongeacht hoe die rechtsbetrekking in het nationale recht wordt genoemd.

Artikel 3

Automatische erkenning van adoptiebeschikkingen

1.  Een adoptiebeschikking die in een lidstaat is genomen wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daarvoor een speciale procedure hoeft te worden doorlopen, mits de lidstaat die de beschikking heeft genomen bevoegd is overeenkomstig artikel 4.

2.  Iedere belanghebbende partij kan overeenkomstig de procedure als voorzien in artikel 7 om een beslissing verzoeken dat er geen gronden voor weigering van de erkenning als bedoeld in artikel 6 zijn.

3.  Wordt voor een gerecht van een lidstaat de weigering van erkenning bij wege van tussenvordering gevraagd, dan is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Artikel 4

Bevoegdheid inzake adoptiebeschikkingen

1.  De autoriteiten van een lidstaat kunnen uitsluitend een adoptiebeschikking nemen als de adoptieouder of -ouders of het geadopteerde kind hun gewone verblijfplaats in die lidstaat hebben.

2.  De autoriteiten van een lidstaat kunnen, als met betrekking tot een kind een adoptiebeschikking is genomen door de autoriteiten van een derde land, ook een dergelijke beschikking nemen of, overeenkomstig het nationale recht, een besluit nemen over de erkenning van de door het derde land genomen beschikking als de adoptieouder of adoptieouders niet hun gewone verblijfplaats hebben in die lidstaat, maar daar wel staatsburger van zijn.

Artikel 5

Voor de erkenning vereiste documentatie

Een partij die zich in een lidstaat op een in een andere lidstaat genomen adoptiebeschikking wenst te beroepen, legt de volgende stukken over:

a)  een afschrift van de adoptiebeschikking aan de hand waarvan de echtheid van de beschikking kan worden vastgesteld; en

b)  het overeenkomstig artikel 11 verstrekte Europees adoptiecertificaat.

Artikel 6

Weigering van erkenning

Op verzoek van een belanghebbende partij mag de erkenning van een adoptiebeschikking die is genomen in een lidstaat uitsluitend worden geweigerd:

a)  als die erkenning kennelijk in strijd is met de openbare orde (ordre public) van de aangezochte lidstaat;

b)  als de lidstaat die de beschikking heeft genomen niet bevoegd was overeenkomstig artikel 4.

Artikel 7

Verzoek om weigering van erkenning

1.  Op verzoek van een belanghebbende partij in de zin van het nationale recht wordt de erkenning van een adoptiebeschikking geweigerd wanneer wordt vastgesteld dat één van de in artikel 6 bedoelde gronden van toepassing is.

2.  Het verzoek tot weigering van de erkenning wordt ingediend bij het gerecht dat de desbetreffende lidstaat overeenkomstig artikel 13, onder a), tegenover de Commissie heeft aangewezen als het gerecht waarbij het verzoek dient te worden ingediend.

3.  De procedure inzake de weigering van erkenning wordt, voor zover deze niet onder de onderhavige verordening valt, beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat.

4.  De verzoeker legt aan het gerecht een afschrift van het besluit en, indien nodig, een vertaling of transliteratie ervan over.

5.  Het gerecht kan vrijstelling van de overlegging van de in lid 4 bedoelde documenten verlenen, indien het reeds over deze documenten beschikt of het onredelijk acht van de verzoeker overlegging van deze documenten te verlangen. In laatstgenoemd geval kan het gerecht de andere partij gelasten de documenten over te leggen.

6.  De partij die om de weigering van erkenning van een in een andere lidstaat genomen adoptiebeschikking verzoekt, hoeft in de aangezochte lidstaat niet over een postadres te beschikken. Evenmin hoeft zij over een gemachtigde vertegenwoordiger in de aangezochte lidstaat te beschikken, tenzij een dergelijke vertegenwoordiger ongeacht de nationaliteit of de woonplaats van partijen verplicht is.

7.  Het gerecht neemt onverwijld een besluit over het verzoek tot weigering van de erkenning.

Artikel 8

Rechtsmiddelen tegen de beslissing op het verzoek om weigering van erkenning

1.  Elk van de partijen kan beroep instellen tegen de beslissing op het verzoek om weigering van erkenning.

2.  Het beroep wordt ingesteld bij het gerecht dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 13, onder b), tegenover de Commissie heeft aangewezen als het gerecht waarbij een dergelijk beroep dient te worden ingesteld.

3.  Tegen de in beroep gegeven beslissing kan slechts hoger beroep worden ingesteld bij de gerechten die de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 13, onder c) tegenover de Commissie heeft aangewezen als de gerechten waarbij hoger beroep kan worden ingesteld.

Artikel 9

Rechtsmiddelen in de lidstaat die de adoptiebeschikking heeft genomen

Het gerecht waarbij een verzoek om weigering van erkenning is ingediend of het gerecht waarbij een rechtsmiddel in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 3, is ingesteld, kan de uitspraak aanhouden indien in de lidstaat die de adoptiebeschikking heeft genomen een gewoon rechtsmiddel tegen de adoptiebeschikking is ingesteld of de termijn daarvoor nog niet is verstreken. In laatstgenoemd geval kan het gerecht een termijn vaststellen waarbinnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld.

Artikel 10

Verbod van inhoudelijke toetsing

In geen geval wordt in de aangezochte lidstaat overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van een in een lidstaat genomen adoptiebeschikking of gegeven beslissing.

Artikel 11

Europees adoptiecertificaat

De autoriteiten van de lidstaat die de adoptiebeschikking heeft genomen, verstrekken op verzoek van een belanghebbende een meertalig Europees adoptiecertificaat dat overeenstemt met het overeenkomstig artikel 15 vastgestelde model.

Artikel 12

Aanpassing van de adoptiebeschikking

1.  Indien een beslissing of uitspraak een maatregelen of bevelen bevat die in het recht van de aangezochte lidstaat onbekend zijn, wordt de maatregel of het bevel zoveel als mogelijk in overeenstemming gebracht met een maatregel die of een bevel dat in het rechtsstelsel van die lidstaat bestaat, gelijkwaardige gevolgen heeft en dezelfde doelstellingen en belangen beoogt. Deze aanpassing heeft geen rechtsgevolgen die verder gaan dan die waarin het recht van de lidstaat van oorsprong voorziet.

2.  Elke belanghebbende partij kan de aanpassing van de maatregel of het bevel voor het gerecht aanvechten.

Artikel 13

Door de lidstaten te verstrekken gegevens

1)  Uiterlijk op 1 juli 2018 stellen de lidstaten in voorkomend geval de Commissie in kennis van hun nationale bepalingen inzake:

a)  de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 7, lid 2, het verzoek om weigering van erkenning moet worden ingediend;

b)  de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 8, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van erkenning moet worden ingesteld, en

c)  de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 8, lid 3, moet worden ingesteld.

2.  De Commissie maakt de in lid 1 bedoelde informatie, alsook alle andere relevante informatie over adoptieprocedures en de erkenning daarvan in de lidstaten, openbaar toegankelijk via passende middelen, in het bijzonder via het Europees e-justitieportaal.

Artikel 14

Legalisatie of soortgelijke formaliteit

Geen enkele legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist met betrekking tot documenten die op grond van deze verordening in een lidstaat zijn afgegeven.

Artikel 15

Bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de vaststelling en wijziging van het model voor het in artikel 11 bedoelde Europees adoptiecertificaat.

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 1 juli 2018.

3.  De Raad kan de in artikel 15 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van de Raad met twee maanden verlengd.

5.  De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Artikel 17

Overgangsbepalingen

Deze verordening is uitsluitend van toepassing op adoptiebeschikkingen die zijn genomen op of na 1 januari 2019.

Adoptiebeschikkingen die zijn genomen voor 1 januari 2019 worden echter ook vanaf die datum erkend als het desbetreffende kind op die datum nog niet meerderjarig is.

Artikel 18

Verhouding tot bestaande internationale verdragen

1.  Deze verordening is niet van toepassing op adoptiebeschikkingen die zijn genomen in overeenstemming met het Verdrag van Den Haag.

2.  De toepassing van internationale verdragen waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening partij zijn en waarin voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van adopties, wordt door deze verordening onverlet gelaten, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 351 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3.  Deze verordening heeft echter tussen de lidstaten voorrang op uitsluitend tussen twee of meer lidstaten gesloten verdragen, voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

Artikel 19

Herzieningsclausule

1.  Uiterlijk op 31 december 2024 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van voorstellen tot aanpassing van deze verordening.

2.  Te dien einde delen de lidstaten aan de Commissie de nodige informatie mee betreffende de toepassing van deze verordening door hun rechtbanken.

Artikel 20

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2019, met uitzondering van de artikelen 13, 15 en 16, die van toepassing zijn met ingang van 1 juli 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, ...

Voor de Raad

De voorzitter

(1) Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).
(2) Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 107).


Bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst EU-Columbia/Peru ***I
PDF 267kWORD 40k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 19/2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 20/2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds (COM(2015)0220 – C8-0131/2015 – 2015/0112(COD))
P8_TA(2017)0014A8-0277/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0220),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0131/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 20 december 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0277/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 februari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 19/2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 20/2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/540.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING

van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn het eens over het belang van nauwe samenwerking bij het toezicht op de uitvoering van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds(1), zoals gewijzigd bij het protocol van toetreding tot de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Ecuador(2), Verordening (EU) nr. 19/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds(3) en Verordening (EU) nr. 20/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds(4). Met het oog hierop komen zij het volgende overeen:

—  Op verzoek van de bevoegde commissie van het Europees Parlement, brengt de Commissie verslag uit over alle kwesties die verband houden met de naleving door Colombia, Ecuador of Peru van hun verplichtingen inzake handel en duurzame ontwikkeling.

—  Als het Europees Parlement een aanbeveling goedkeurt om een vrijwaringsonderzoek te openen, zal de Commissie zorgvuldig onderzoeken of aan de in Verordening (EU) nr. 19/2013 of Verordening (EU) nr. 20/2013 opgenomen voorwaarden voor een opening ambtshalve is voldaan. Als de Commissie van mening is dat dit niet het geval is, dient zij een verslag in bij de bevoegde commissie van het Europees Parlement met een toelichting van alle factoren die voor de opening van een dergelijk onderzoek relevant zijn.

—  De Commissie voert vóór 1 januari 2019 een beoordeling uit van de situatie van bananenproducenten van de Unie. Indien wordt vastgesteld dat sprake is van een ernstige verslechtering van de situatie van de markt of van de bananenproducenten van de Unie, kan een verlenging van de toepassingsduur van het mechanisme overwogen worden, met instemming van de landen die partij zijn bij de overeenkomst.

De Commissie zal na het verstrijken van het stabilisatiemechanisme regelmatige analyses blijven uitvoeren van de situatie van de markt en de bananenproducenten van de Unie. Indien wordt vastgesteld dat sprake is van een ernstige verslechtering van de situatie van de markt of de bananenproducenten van de Unie, zal de Commissie, gezien het belang van de bananensector voor de ultraperifere regio, de situatie samen met de lidstaten en de betrokken partijen onderzoeken en beslissen of passende maatregelen overwogen moeten worden. De Commissie kan ook regelmatige monitoringbijeenkomsten beleggen met de lidstaten en de betrokken partijen.

De Commissie heeft statistische instrumenten ontwikkeld voor monitoring en beoordeling van de ontwikkelingen met betrekking tot de invoer van bananen en de situatie op de bananenmarkt van de Unie. De Commissie zal met name aandacht besteden aan een herziening van de opmaak van de gegevens met betrekking tot de opvolging van de invoer, teneinde regelmatig geactualiseerde informatie beschikbaar te stellen op een gebruiksvriendelijkere wijze.

(1) PB L 354 van 21.12.2012, blz. 3.
(2) PB L 356 van 24.12.2016, blz. 3.
(3) Verordening (EU) nr. 19/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (PB L 17 van 19.1.2013, blz. 1).
(4) Verordening (EU) nr. 20/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule en het stabilisatiemechanisme voor bananen in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds (PB L 17 van 19.1.2013, blz. 13).


Duurzaam beheer van externe vissersvloten ***I
PDF 313kWORD 102k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (COM(2015)0636 – C8-0393/2015 – 2015/0289(COD))
P8_TA(2017)0015A8-0377/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0636),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0393/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0377/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 februari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

P8_TC1-COD(2015)0289


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Bij Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad(5) ("de verordening betreffende vismachtigingen") is een systeem vastgesteld inzake machtigingen voor visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de wateren van de Unie.

(2)  De Unie is een partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982(6) (Unclos) en heeft de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden van 4 augustus 1995 (de VN-overeenkomst inzake visbestanden)(7) geratificeerd. Die internationale bepalingen gaan uit van het beginsel dat alle staten passende maatregelen voor een duurzaam beheer en een duurzame instandhouding van de rijkdommen van de zee moeten vaststellen en daartoe met elkaar moeten samenwerken. [Am. 1]

(3)  De Unie heeft de van 24 november 1993 daterende Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (FAO-Nalevingsovereenkomst)(8), aanvaard. De FAO-Nalevingsovereenkomst bepaalt dat een verdragsluitende partij geen toestemming mag geven om een vaartuig te gebruiken voor de visserij op volle zee indien niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan, en sancties moet opleggen indien bepaalde rapportageverplichtingen niet worden nagekomen.

(3 bis)   Het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee heeft op 2 april 2015 een advies uitgebracht in antwoord op een verzoek van de Subregionale Visserijcommissie van West-Afrika. In dat advies wordt bevestigd dat de Unie verantwoordelijkheid draagt voor de activiteiten van vaartuigen die onder de vlag van de lidstaten varen en dat de Unie in dat opzicht met de nodige zorgvuldigheid te werk moet gaan. [Am. 2]

(4)  De Unie heeft het in 2001 aangenomen internationale actieplan van de FAO om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (IAP-IOO), bekrachtigd. Het IAP-IOO en de in 2014 bekrachtigde vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat liggen ten grondslag aan de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat om de instandhouding en het duurzame gebruik van levende mariene rijkdommen en mariene ecosystemen op lange termijn te waarborgen. In het IAP-IOO is bepaald dat een vlaggenstaat aan vaartuigen die zijn vlag voeren, machtigingen moet afgeven om visserijactiviteiten te verrichten in wateren die buiten zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen. In de vrijwillige richtsnoeren wordt ook aanbevolen dat de vlaggenstaat en de kuststaat een machtiging verlenen wanneer de visserijactiviteiten in het kader van een overeenkomst inzake toegang tot visserij of zelfs buiten het kader van een dergelijke overeenkomst plaatsvinden. Zij moeten er beide van overtuigd zijn dat zulke activiteiten de duurzaamheid van de bestanden in de wateren van de kuststaat niet zullen ondermijnen (paragrafen 40 en 41).

(4 bis)   In 2014 hebben alle leden van de FAO, waaronder de Unie en haar ontwikkelingspartnerlanden, unaniem de vrijwillige richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij in de context van de voedselzekerheid en de uitroeiing van armoede goedgekeurd, met inbegrip van punt 5.7, waarin wordt benadrukt dat de kleinschalige visserij naar behoren in aanmerking moet worden genomen voordat overeenkomsten inzake toegang tot bestanden worden gesloten met derde landen en derde partijen. [Am. 3]

(4 ter)   In de vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor duurzame kleinschalige visserij in de context van voedselzekerheid en de uitroeiing van armoede wordt aangedrongen op de vaststelling van maatregelen voor de instandhouding en het duurzaam gebruik van visbestanden op de lange termijn en op het veiligstellen van de ecologische fundamenten voor de voedselproductie, waarbij de nadruk wordt gelegd op het belang van milieunormen voor visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie, die een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer en de voorzorgsbenadering omvatten, om de geëxploiteerde visbestanden en uiterlijk in 2020 alle visbestanden te herstellen en boven een niveau te houden dat in 2015 voor zover mogelijk de maximale opbrengst kan opleveren. [Am. 4]

(5)  Op internationaal niveau gaat de aandacht in toenemende mate uit naar de kwestie van de verplichtingen en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van de vlaggenstaat en, in voorkomend geval, de als vlaggenstaat optredende internationale organisatie, met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de volle zee in het kader van Unclos. Dat was ook het geval met de afbakening van de jurisdictie van kuststaten, vlaggenstaten en, in voorkomend geval, als vlaggenstaat en kuststaat optredende internationale organisaties, in het kader van een uit Unclos voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichting om de deugdelijke instandhouding van mariene biologische rijkdommen in onder nationale jurisdictie vallende zeegebieden te verzekeren. In het advies van 2 april 2015 dat het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee (ITLOS) heeft gegeven in antwoord op vragen van de Subregionale Visserijcommissie van West-Afrika, wordt bevestigd dat de Unie internationale verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van derde landen en internationale organisaties voor de activiteiten van haar vissersvaartuigen en dat deze verantwoordelijkheid vereist dat zij met de nodige zorgvuldigheid te werk gaat. Een zorgvuldigheidsverplichting is een verplichting voor een staat om al het mogelijke te doen om illegale visserij te voorkomen, onder meer door bestuursrechtelijke en handhavingsmaatregelen vast te stellen die ervoor moeten zorgen dat noch de onder zijn vlag varende vissersvaartuigen, noch zijn onderdanen, noch de vissersvaartuigen die actief zijn in zijn wateren, betrokken zijn bij activiteiten die een inbreuk vormen op de geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen. Om die redenen en in algemenere zin om de “blauwe” economie te versterken, is het belangrijk om zowel de activiteiten van de vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie als het desbetreffende governancesysteem zo te organiseren dat de internationale verplichtingen van de Unie doelmatig en doeltreffend kunnen worden nagekomen en dat situaties worden voorkomen waarin de Unie handelingen kunnen worden verweten die in strijd zijn met het internationaal recht. [Am. 5]

(5 bis)   De Unie heeft zich op de wereldtop van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling op 25 september 2015 verbonden tot de tenuitvoerlegging van de resolutie met het slotdocument “Naar een nieuwe wereld: de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor 2030”, inclusief duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 14 (beschermen en duurzaam gebruikmaken van de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling) alsook ontwikkelingsdoelstelling 12 (duurzame consumptie- en productiepatronen verzekeren) en de bijbehorende streefdoelen. [Am. 6]

(6)  De resultaten van de in 2012 gehouden conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling "Rio +20"(9) alsook de vaststelling van het EU-actieplan voor de bestrijding van de illegale handel in wilde flora en fauna en de internationale ontwikkelingen in de strijd tegen de illegale handel in wilde dieren alsmede de in september 2015 door de Verenigde Naties vastgestelde nieuwe duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (17 doelstellingen om onze wereld te veranderen en met name doelstelling 14 inzake het leven onder water) moeten in het externe visserijbeleid van de Unie en in het handelsbeleid van de Unie worden weerspiegeld. [Am. 7]

(7)  Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) (de "basisverordening"), is ervoor te zorgen dat visserijactiviteiten ecologisch, economisch en sociaal duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid en de visbestanden te herstellen tot boven een niveau dat een maximale duurzame opbrengst kan opleveren en dit niveau te handhaven, en dat ze bijdragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. Bij de uitvoering van dit beleid dient ook rekening te worden gehouden met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking, zoals wordt bepaald in de tweede alinea van artikel 208, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). [Am. 8]

(7 bis)   De basisverordening schrijft tevens voor dat partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (PODV's) beperkt moeten blijven tot vangstoverschotten, zoals bepaald in artikel 62, leden 2 en 3, van UNCLOS. [Am. 9]

(8)  In Verordening (EU) nr. 1380/2013 de basisverordening wordt de noodzaak benadrukt om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid op internationaal niveau te bevorderen door ervoor te zorgen dat de visserijactiviteiten van de Unie buiten de wateren van de Unie gebaseerd zijn op dezelfde beginselen en normen als krachtens het toepasselijke Unierecht en door daarbij gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers uit de Unie en de marktdeelnemers uit derde landen te stimuleren. De door derde landen vastgestelde sociale en milieuwetgeving kan verschillen van de wetgeving van de Unie, met verschillende normen voor visserijvloten tot gevolg. Deze situatie kan ertoe leiden dat toestemming wordt verleend voor visserijactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met het duurzaam beheer van mariene rijkdommen. Daarom dient te worden gezorgd voor samenhang tussen de activiteiten van de Unie op het gebied van milieu, visserij, handel en ontwikkeling, met name wanneer dit gevolgen heeft voor de visserij in ontwikkelingslanden die een geringe administratieve capaciteit hebben en waar het risico van corruptie hoog is. [Am. 10]

(9)  Met Verordening (EG) nr. 1006/2008 werd beoogd een gemeenschappelijke basis te leggen voor de machtiging van visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie, teneinde de strijd tegen IOO-visserij te ondersteunen en de EU-vloot vloot van de Unie wereldwijd beter te controleren en te monitoren, alsmede voorwaarden vast te stellen voor het machtigen van vaartuigen uit derde landen om in de wateren van de Unie visserij te bedrijven. [Am. 11]

(10)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad(11) inzake IOO-visserij is parallel met Verordening (EG) nr. 1006/2008 vastgesteld en een jaar later is Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (de "controleverordening")(12) vastgesteld. Deze verordeningen zijn de drie uitvoerende pijlers van de controle- en handhavingsbepalingen van het GVB.

(11)  Die drie verordeningen zijn echter niet op consistente wijze ten uitvoer gelegd; er waren met name inconsistenties tussen de verordening betreffende vismachtigingen en de controleverordening, die na de verordening betreffende vismachtigingen is aangenomen. De uitvoering van de verordening betreffende vismachtigingen legde ook verscheidene lacunes bloot, aangezien bepaalde uitdagingen op het gebied van controle niet aan bod kwamen, zoals chartering, omvlagging en vismachtigingen die door de bevoegde autoriteit van een derde land aan een vissersvaartuig van de Unie worden afgegeven buiten het kader van een PODV ("rechtstreekse machtigingen"). Daarnaast zijn bepaalde rapportageverplichtingen en de verdeling van de administratieve taken tussen de lidstaten en de Commissie problematisch gebleken.

(12)  Het grondbeginsel van deze verordening is dat elk vaartuig van de Unie dat buiten de wateren van de Unie vist, daartoe door zijn vlaggenlidstaat moet worden gemachtigd en dienovereenkomstig moet worden gemonitord, ongeacht waar het actief is en binnen welk kader. De afgifte van een machtiging moet afhankelijk zijn van de vervulling van een basisreeks gemeenschappelijke machtigingscriteria. De door de lidstaten vergaarde en aan de Commissie verstrekte informatie moet het de Commissie mogelijk maken te allen tijde in elk gebied buiten de wateren van de Unie te interveniëren in de monitoring van de visserijactiviteiten van alle vaartuigen van de Unie. Dit is noodzakelijk zodat de Commissie haar verplichtingen als hoedster van de Verdragen kan nakomen. [Am. 12]

(12 bis)   De laatste jaren zijn er aanzienlijke verbeteringen doorgevoerd in het externe visserijbeleid van de Unie, op het vlak van de voorwaarden van de PODV's en de zorgvuldigheid waarmee de bepalingen worden gehandhaafd. De instandhouding van de vangstmogelijkheden voor de vloot van de Unie binnen het kader van PODV’s moet een prioritaire doelstelling van het externe visserijbeleid van de Unie zijn, en soortgelijke voorwaarden moeten worden toegepast op activiteiten van de Unie buiten het toepassingsgebied van de PODV’s. [Am. 13]

(12 ter)   De Commissie moet een bemiddelende rol spelen wanneer de mogelijkheid om een vismachtiging in te trekken, te schorsen of te wijzigen wordt aangekaart aan de hand van bewijs dat de exploitatie van visbestanden ernstig bedreigd wordt. [Am. 14]

(13)  Ondersteuningsvaartuigen kunnen een aanzienlijke impact hebben op de wijze waarop vissersvaartuigen in staat zijn hun visserijactiviteiten te verrichten en op de hoeveelheid vis die zij kunnen vangen. Daarom moeten de machtigings- en rapportageprocedures in deze verordening rekening houden met ondersteuningsvaartuigen.

(14)  Omvlagging is problematisch wanneer ze is bedoeld om GVB-regels of bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen te omzeilen. De Unie moet daarom zulke omvlaggingspraktijken kunnen definiëren, opsporen en tegengaan. Gedurende de gehele levensduur van het vaartuig moeten traceerbaarheid en een goede follow-up van de antecedenten van een vaartuig dat eigendom is van een exploitant uit de Unie, ongeacht de vlag(gen) waaronder het vaart, op het gebied van naleving worden gewaarborgd. Ook het vereiste dat door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) een uniek vaartuignummer wordt toegekend, moet daartoe strekken. [Am. 15]

(15)  Vaartuigen van de Unie mogen activiteiten verrichten in de wateren van derde landen hetzij overeenkomstig de bepalingen van PODV's tussen de Unie en derde landen, hetzij door van derde landen rechtstreekse vismachtigingen te verkrijgen indien er geen dergelijke PODV van kracht is. In beide gevallen moeten deze activiteiten op een transparante en duurzame wijze worden verricht. Daarom moeten de vlaggenlidstaten de bevoegdheid krijgen om, op grond van een welomschreven reeks criteria en op voorwaarde dat er monitoring plaatsvindt, de onder hun vlag varende vaartuigen het recht te geven rechtstreekse machtigingen aan te vragen bij en te verkrijgen van derde kuststaten. Er moet een machtiging voor een visserijactiviteit worden verleend zodra de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat die visserijactiviteit de duurzaamheid niet zal ondermijnen. Tenzij de Commissie verdere terdege onderbouwde bezwaren heeft, moet de marktdeelnemer aan wie de machtiging van zowel de vlaggenlidstaat als de kuststaat is verleend, worden toegestaan zijn visserijactiviteit aan te vangen. [Am. 16]

(16)  Een specifieke kwestie met betrekking tot PODV's is het opnieuw toewijzen van onvolledig benutte vangstmogelijkheden waarvan sprake is wanneer de bij de desbetreffende Raadsverordeningen aan de lidstaten toegewezen vangstmogelijkheden niet volledig zijn benut. Aangezien de in de PODV's vastgestelde toegangskosten voor een groot deel uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, is een systeem voor het tijdelijk opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden belangrijk om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren en te waarborgen dat vangstmogelijkheden waarvoor is betaald, niet worden verspild. Daarom is het noodzakelijk het systeem voor het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden, dat een laatste redmiddel moet zijn, te verduidelijken en te verbeteren. De toepassing ervan moet tijdelijk zijn en mag niet van invloed zijn op de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten, wat inhoudt dat deze de relatieve stabiliteit niet in gevaar zal brengen. Aangezien het om een laatste redmiddel gaat, mogen vangstmogelijkhedenVangstmogelijkheden mogen pas opnieuw worden toegewezen wanneer de betrokken lidstaten afstand hebben gedaan van hun recht om onderling vangstmogelijkheden uit te wisselen. [Am. 17]

(16 bis)   “Slapende overeenkomsten” zijn overeenkomsten met landen die een partnerschapsovereenkomst inzake visserij hebben gesloten zonder – om structurele redenen of vanwege bepaalde omstandigheden – over een protocol te beschikken. De Unie heeft verscheidene “slapende overeenkomsten” met derde landen. Vaartuigen van de Unie mogen dan ook niet vissen in wateren die onder een slapende overeenkomst vallen. De Commissie moet zich ervoor inspannen deze slapende overeenkomsten om te zetten in volwaardige overeenkomsten of de partnerschapsovereenkomst in kwestie op te zeggen. [Am. 18]

(17)  Ook voor visserijactiviteiten onder auspiciën van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) en alsmede niet-gereglementeerde visserij op volle zee moet door de vlaggenlidstaat een machtiging worden verleend en geldt dat zij in overeenstemming moeten zijn met de specifieke regels van de ROVB of de Uniewetgeving inzake visserijactiviteiten op volle zee. [Am. 19]

(18)  Charterovereenkomsten kunnen de doeltreffendheid van instandhoudings- en beheersmaatregelen ondermijnen en een negatief effect op de duurzame exploitatie van levende mariene rijkdommen hebben. Daarom is het noodzakelijk een juridisch kader op te zetten dat de Unie helpt de activiteiten van gecharterde onder een vlag van de Unie varende vissersvaartuigen van de Unie die door exploitanten uit derde landen gecharterd zijn, beter te monitoren op basis van hetgeen door de betrokken ROVB is vastgesteld. [Am. 20]

(19)  De procedures moeten transparant, uitvoerbaar en voorspelbaar zijn voor marktdeelnemers van de Unie en van derde landen, alsmede voor hun respectieve bevoegde autoriteiten. [Am. 21]

(19 bis)   De Unie moet zich inspannen voor gelijke randvoorwaarden op internationaal vlak zodat de visserijvloot van de Unie kan concurreren met andere visserijlanden, en zij moet de markttoegangsregels aanpassen wanneer er strengere regels worden ingevoerd voor de vloot van de Unie. [Am. 22]

(20)  Zoals is vastgesteld in de controleverordening moet worden voorzien in de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten en de Commissie. De lidstaten moeten alle vereiste gegevens over hun vloten en de door die vloten verrichte visserijactiviteiten verzamelen, ze beheren en ze ter beschikking van de Commissie stellen. Voorts moeten zij waar nodig met elkaar, met de Commissie en met derde landen samenwerken om die activiteiten op het gebied van gegevensvergaring te coördineren.

(21)  Met het oog op het verbeteren van de transparantie en de toegankelijkheid van informatie over vismachtigingen van de Unie, moet de Commissie een elektronisch register inzake vismachtigingen aanleggen dat zowel een openbaar als een beveiligd deel omvat. De informatie in het Unieregister inzake vismachtigingen omvat persoonsgegevens. De verwerking van de persoonsgegevens op basis van deze verordening dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(13), Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(14) en de toepasselijke nationale wetgeving.

(22)  Met het oog op een adequate benadering van de toegang tot de wateren van de Unie door vaartuigen die de vlag van een derde land voeren, moeten de desbetreffende regels consistent zijn met die welke gelden voor vaartuigen van de Unie, overeenkomstig de controleverordening. Met name moet artikel 33 van die verordening inzake de rapportage van vangsten en vangstgerelateerde gegevens ook van toepassing zijn op vissersvaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen.

(23)  Vissersvaartuigen van derde landen zonder machtiging uit hoofde van deze verordening moeten, wanneer zij in de wateren van de Unie varen, worden verplicht te waarborgen dat hun vistuig op zodanige wijze is opgeborgen dat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

(24)  De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de controle van de visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie en, in het geval van inbreuken, voor de registratie daarvan in het in artikel 93 van de controleverordening bedoelde nationale register van inbreuken.

(25)  Met het oog op de vereenvoudiging van de machtigingsprocedures moet door de lidstaten en de Commissie een gemeenschappelijk systeem voor gegevensuitwisseling en gegevensopslag worden gebruikt om noodzakelijke informatie en actualiseringen te verstrekken en tegelijk de administratieve lasten tot een minimum te beperken. In dit verband moet ten volle worden gebruikgemaakt van de gegevens in het vlootregister van de Unie.

(26)  Teneinde rekening te houden met de technologische vooruitgang, en mogelijke nieuwe internationaalrechtelijke vereisten die daaruit volgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanneming van wijzigingen van de bijlagen bij de onderhavige verordening waarin de lijst is vastgelegd van informatie die een marktdeelnemer moet verstrekken met het oog op het verkrijgen van een vismachtiging. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(15). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(27)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend wat betreft de registratie, het formaat en de verzending van gegevens met betrekking tot vismachtigingen van de lidstaten aan de Commissie en naar het Unieregister inzake vismachtigingen, alsook om een methode vast te stellen voor het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(16).

(28)  De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(29)  Gezien het aantal aan te brengen wijzigingen en het belang ervan, dient Verordening (EG) nr. 1006/2008 te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van vismachtigingen voor:

(a)  vissersvaartuigen van de Unie die visserijactiviteiten verrichten in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land vallen, onder auspiciën van een ROVB waarbij de Unie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, in of buiten wateren van de Unie, of op volle zee; en

(b)  vissersvaartuigen van derde landen die actief zijn visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie. [Am. 23]

Artikel 2

Verhouding tot het internationaal recht en het recht van de Unie

Deze verordening geldt onverminderd de bepalingen:

(a)  in PODV's en soortgelijke visserijovereenkomsten tussen de Unie en derde landen;

(b)  die zijn aangenomen door ROVB's of soortgelijke visserijorganisaties waarbij de Unie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij is;

(c)  in wetgeving van de Unie ter uitvoering of ter omzetting van de onder a) en b) bedoelde bepalingen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van de basisverordening. Daarnaast wordt verstaan onder:

(a)  "ondersteuningsvaartuig": een vaartuig dat niet is uitgerust met voor het vangen of aantrekken van vis ontworpen operationeel vistuig en dat visserijactiviteiten faciliteert, begeleidt of voorbereidt; [Am. 24]

(b)  "vismachtiging": een machtiging vismachtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie of een vissersvaartuig van een derde land dat reeds over een visvergunning beschikt, en die dit vaartuig het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of binnen een bepaalde visserij visserijactiviteiten te verrichten; [Am. 25]

(c)  "register inzake vismachtigingen": het systeem voor het beheer van vismachtigingen en de bijbehorende databank;

(d)  "rechtstreekse machtiging": een vismachtiging die buiten het kader van een PODV door een bevoegde autoriteit van een derde land wordt afgegeven aan een vissersvaartuig van de Unie;

(e)  "wateren van derde landen": wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land;

(f)  "waarnemersprogramma": een regeling onder auspiciën van een ROVB, een PODV, een derde land of een lidstaat waarbij waarnemers onder bepaalde voorwaarden aan boord van vissersvaartuigen gegevens verzamelen en/of verifiëren of het vaartuig aan de door die organisatie, in die PODV of door dat land vastgestelde voorschriften voldoet. [Am. 26]

(f bis)   "verdrag- of overeenkomstsluitende partij": een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij het internationale verdrag of de internationale overeenkomst tot oprichting van een ROVB, alsmede landen, visserijentiteiten of andere entiteiten die met een dergelijke organisatie samenwerken en waaraan in verband met die organisatie de status van samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij is toegekend. [Am. 27]

(f ter)   "chartering": een regeling waarbij een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert voor een bepaalde periode een verbintenis met een marktdeelnemer in hetzij een andere lidstaat, hetzij een derde land aangaat zonder van vlag te veranderen; [Am. 77]

TITEL II

VISSERIJACTIVITEITEN VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE BUITEN DE WATEREN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 4

Algemeen beginsel

Onverminderd het vereiste om een machtiging van de bevoegde organisatie of het derde land te verkrijgen, mag een vissersvaartuig van de Unie geen visserijactiviteiten verrichten buiten de wateren van de Unie, tenzij het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen.

Artikel 5

Machtigingscriteria

1.  Een vlaggenlidstaat mag slechts een vismachtiging voor visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie afgegeven indien:

(a)  hij volledige en accurate informatie heeft ontvangen, overeenkomstig de bijlagen 1 en 2 bijlage, over het vissersvaartuig en het (de) bijbehorende ondersteuneningsvaartuig(en), met inbegrip van niet-uniale ondersteuningsvaartuigen. [Am. 28]

(b)  het vissersvaartuig beschikt over een geldige visvergunning uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

(c)  het vissersvaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben, indien dit op grond van de wetgeving van de Unie vereist is; [Am. 29]

(d)  de marktdeelnemer kapitein van het vissersvaartuig en het vissersvaartuig in kwestie in de 12 maanden vóór de aanvraag van de vismachtiging niet krachtens artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad zijn onderworpen aan een sanctie voor een ernstige inbreuk overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat; [Am. 78]

(e)  het vissersvaartuig niet is opgenomen op een door een ROVB en/of de Unie krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2008 vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;

(f)  in voorkomend geval, in het kader van de betrokken visserijovereenkomst of de desbetreffende bepalingen van de ROVB vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de vlaggenlidstaat; en

(g)  in voorkomend geval, het vissersvaartuig voldoet aan de in artikel 6 vastgestelde vereisten.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage.

Artikel 6

Omvlagging

1.  Dit artikel is van toepassing op vaartuigen die binnen vijf jaar vanaf de datum van tijdens de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een vismachtiging:

(a)  uit het vissersvlootregister van de Unie zijn geschrapt en naar een derde land zijn omgevlagd; en

(b)  binnen 24 maanden na de datum van de schrapping opnieuw in het vissersvlootregister van de Unie zijn opgenomen.

2.  Een vlaggenlidstaat mag slechts een vismachtiging afgeven indien hij ervan overtuigd is heeft gecontroleerd dat gedurende de periode dat het in lid 1 bedoelde vaartuig actief was onder de vlag van een derde land:

(a)  het geen IOO-visserijactiviteiten heeft bedreven; en

(b)  het niet actief was in de wateren van hetzij een land dat overeenkomstig de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 als een niet-meewerkend derde land is geïdentificeerd, dan wel een derde land dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad (17) is geïdentificeerd als een land dat niet-duurzame visserij toelaat.

3.  Daartoe verstrekt een marktdeelnemer alle de volgende door de vlaggenlidstaat verlangde informatie met betrekking tot de desbetreffende periode, waaronder ten minste het volgende waarin het vaartuig onder de vlag van een derde land opereerde:

(a)  een aangifte van de vangsten en de visserijinspanningen gedurende de desbetreffende periode;

(b)  een kopie van de door de vlaggenstaat voor de desbetreffende periode afgegeven vismachtiging;

(c)  een kopie van de vismachtiging(en) op grond waarvan gedurende de desbetreffende periode visserijactiviteiten in de wateren van derde landen zijn toegestaan;

(d)  een officiële verklaring van het derde land waar het vaartuig is omgevlagd waarin de sancties waaraan het vaartuig of de marktdeelnemer gedurende de desbetreffende periode onderworpen was, zijn opgesomd;.

(d bis)   een volledig vlagoverzicht voor de periode dat het vaartuig niet in het vlootregister van de Unie opgenomen was.

4.  Een vlaggenlidstaat geeft geen vismachtiging af aan een vaartuig dat is omgevlagd:

(a)  in een derde land dat krachtens de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 is aangemerkt als een land dat niet meewerkt bij de bestrijding van IOO-visserij of is opgenomen op de lijst van niet-meewerkende derde landen; of

(b)  in een derde land dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat.

5.  Lid 4 is niet van toepassing indien de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat, zodra het land is aangemerkt als een land dat niet meewerkt bij de bestrijding van IOO-visserij of als een land dat niet-duurzame visserij toelaat, de marktdeelnemer:

(a)  de visserijactiviteiten heeft stopgezet; en

(b)  de desbetreffende administratieve procedures om het vaartuig uit het vissersvlootregister van het derde land te schrappen, onmiddellijk heeft opgestart. [Am. 31]

Artikel 7

Monitoring van vismachtigingen

1.  Bij de aanvraag van een vismachtiging verstrekt de marktdeelnemer de vlaggenlidstaat volledige en accurate gegevens.

2.  De marktdeelnemer stelt de vlaggenlidstaat onverwijld in kennis van elke wijziging van de desbetreffende gegevens.

3.  Een vlaggenlidstaat monitort minstens eenmaal per jaar of de voorwaarden op grond waarvan een vismachtiging is afgegeven, vervuld blijven tijdens de geldigheidsduur van die machtiging.

4.  Indien een voorwaarde op grond waarvan een vismachtiging is afgegeven, niet langer is vervuld, wijzigt neemt een vlaggenlidstaat passende maatregelen, zoals de wijziging of de intrekking van de machtiging of trekt hij ze en stelt hij onmiddellijk de marktdeelnemer, en de Commissie en in voorkomend geval het secretariaat van de ROVB of het derde land in kwestie daarvan in kennis.

5.  Op Na ontvangt van een naar behoren gemotiveerd verzoek van de Commissie wordt een machtiging door de vlaggenlidstaat geweigerd, geschorst of ingetrokken in gevallen:

(a)   van doorslaggevende beleidsoverwegingen met betrekking tot dwingende spoed wegens een ernstig gevaar voor de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van mariene biologische rijkdommen; of de voorkoming of beteugeling

(b)   van ernstige schendingen van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 of artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009, in het kader van illegale, ongemelde of ongereglementeerde (IOO) visserij, of in het geval van een verhoogd risico, teneinde dergelijke schendingen te voorkomen;in

(c)   waarin de Unie heeft besloten de betrekkingen met het betrokken derde land te schorsen of te verbreken.

Het in de eerste alinea genoemde naar behoren gemotiveerde verzoek wordt geschraagd door relevante en passende informatie. De Commissie stelt de marktdeelnemer en de vlaggenlidstaat onmiddellijk in kennis als ze een dergelijk naar behoren gemotiveerd verzoek indient. Een dergelijk verzoek van de Commissie wordt gevolgd door een overlegperiode van vijftien dagen tussen de Commissie en de vlaggenlidstaat.

6.  Indien een de Commissie aan het eind van de in lid 5 vermelde periode van 15 dagen haar verzoek bevestigt en de vlaggenlidstaat de machtiging niet weigert, aanpast, schorst of intrekt overeenkomstig de leden 4 en 5, kan de Commissie na nog eens vijf dagen besluiten de machtiging in te trekken, en stelt zij de vlaggenlidstaat en de marktdeelnemer daarvan in kennis te stellen van haar besluit. [Am. 32]

HOOFDSTUK II

Visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van derde landen

Afdeling 1

Visserijactiviteiten in het kader van PODV's

Artikel 8

ROVB-lidmaatschap

Een vissersvaartuig van de Unie mag enkel visserijactiviteiten in de wateren van een derde land op door een ROVB beheerde bestanden verrichten indien dat land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij bij die ROVB is. Als er PODV’s gesloten zijn vóór … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening], is deze alinea van toepassing met ingang van … [vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 33]

De Unie kan een gedeelte van de financiële middelen voor sectorale steun aanwenden om derde landen waarmee zij PODV’s gesloten heeft te helpen om lid te worden van een ROVB. [Am. 34]

Artikel 9

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van een derde land worden verricht in het kader van een PODV.

De Unie ziet erop toe dat de PODV's in overeenstemming zijn met deze verordening. [Am. 35]

Artikel 10

Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten in de wateren van een derde land in het kader van een PODV verrichten tenzij het een vismachtiging heeft ontvangen:

(a)  van zijn vlaggenlidstaat het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden; en [Am. 36]

(b)  van het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de activiteiten plaatsvinden zijn vlaggenlidstaat. [Am. 37]

Artikel 11

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen in het kader van een PODV afgeven indien:

(a)  de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

(b)  de in de desbetreffende PODV vastgestelde voorwaarden worden nageleefd;

(c)  de marktdeelnemer alle in de afgelopen 12 maanden door de bevoegde autoriteit van het derde land gevorderde vergoedingen en financiële sancties heeft betaald;

(c bis)   de marktdeelnemer alle financiële sancties heeft betaald die zijn opgelegd door de bevoegde autoriteit van het derde land, na de beëindiging van de toepasselijke juridische procedures; en [Am. 38]

(c ter)   het visserijvaartuig over een machtiging van het betrokken derde land beschikt. [Am. 39]

Artikel 12

Beheer van vismachtigingen

1.  Zodra een vlaggenlidstaat een vismachtiging heeft afgegeven heeft gecontroleerd of voldaan is aan de in punten a), b) en c) van artikel 11 vastgelegde voorwaarden, zendt hij de Commissie de desbetreffende aanvraag voor om de machtiging van het derde land te verkrijgen toe.

2.  De in lid 1 bedoelde aanvraag bevat de in de bijlagen 1 en 2 bijlage opgenomen informatie, samen met alle andere in het kader van de PODV vereiste gegevens.

3.  Ten minste 10 15 kalenderdagen vóór de in de PODV vastgestelde datum voor de verzending van aanvragen zendt de vlaggenlidstaat de aanvraag aan de Commissie toe. De Commissie kan de vlaggenlidstaat verzoeken een naar behoren gemotiveerd verzoek om alle aanvullende informatie die zij noodzakelijk acht toezenden.

4.  Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat Binnen een termijn van 10 kalenderdagen gerekend vanaf de ontvangst van de aanvraag of, indien er overeenkomstig lid 3 om aanvullende informatie is verzocht, binnen 15 kalenderdagen gerekend vanaf de ontvangst van de aanvraag, voert de Commissie een voorlopig onderzoek uit om te bepalen of de voorwaarden van artikel 11 zijn vervuld. De Commissie zendt zij dan de aanvraag aan het derde land toe of zij stelt de lidstaat ervan in kennis dat de aanvraag is afgewezen.

5.  Indien een derde land de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een vismachtiging voor een vissersvaartuig van de Unie in het kader van de overeenkomst af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan onmiddellijk en indien mogelijk langs elektronische weg in kennis. De vlaggenlidstaat stuurt de informatie onmiddellijk door naar de eigenaar van het vaartuig. [Am. 40]

Artikel 13

Het opnieuw tijdelijk toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden in het kader van PODV's

1.  Gedurende een bepaald jaar of een andere relevante Aan het eind van de eerste helft van de uitvoeringsperiode van een protocol bij een PODV kan de Commissie vaststellen dat er vangstmogelijkheden onbenut zijn gebleven en de lidstaten die over de desbetreffende aandelen van de toewijzing beschikken, daarvan in kennis stellen.

2.  Binnen 10 20 dagen na ontvangst van deze informatie van de Commissie kunnen de in lid 1 bedoelde lidstaten:

(a)  de Commissie meedelen dat zij hun vangstmogelijkheden later in het jaar of in de relevante de tweede helft van de uitvoeringsperiode zullen gebruiken, door een visserijplan te verstrekken met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode; of

(b)  de Commissie in kennis stellen van uitwisselingen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 8, van de basisverordening.

3.  Indien bepaalde lidstaten de Commissie niet op de hoogte hebben gebracht van een van de in lid 2 bedoelde maatregelen en, indien er als gevolg daarvan vangstmogelijkheden onbenut blijven, kan de Commissie gedurende een periode van tien dagen na de in lid 2 genoemde periode een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden bekendmaken onder de andere lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken.

4.  Binnen 10 dagen na ontvangst van die oproep tot het indienen van blijken van belangstelling kunnen deze lidstaten hun belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden aan de Commissie kenbaar maken. Ter ondersteuning van hun verzoek verstrekken zij een visserijplan met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode.

5.  Indien dit nodig wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek, kan de Commissie de betrokken lidstaten om aanvullende informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode vragen.

6.  Indien de lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken, geen belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden hebben, kan de Commissie na de termijn van tien dagen een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling bekendmaken die voor alle lidstaten openstaat. Een lidstaat kan zijn belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden kenbaar maken onder de in lid 4 bedoelde voorwaarden.

7.  Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig lid 4 of lid 5 verstrekte informatie en in nauwe samenwerking met hen wijst de Commissie de onbenutte vangstmogelijkheden alleen op tijdelijke basis opnieuw toe door de in artikel 14 vastgestelde methode toe te passen.

7 bis.   De in lid 7 genoemde hernieuwde toewijzing is alleen van toepassing tijdens de tweede helft van de in lid 1 bedoelde uitvoeringsperiode en mag slechts één keer plaatsvinden in die periode.

7 ter.   De Commissie houdt de lidstaten op de hoogte van:

(a)   de lidstaten waaraan vangstmogelijkheden opnieuw werden toegewezen;

(b)   de exacte hoeveelheden die aan die lidstaten opnieuw werden toegewezen; en

(c)   de gebruikte criteria voor de hernieuwde toewijzing. [Am. 41]

Artikel 13 bis

Vereenvoudiging van de procedures voor jaarlijkse hernieuwing van bestaande vismachtigingen tijdens de periode waarin het protocol bij een geldige PODV van toepassing is

Zolang een PODV van de Unie van kracht is, moeten snellere, eenvoudigere en flexibelere procedures toegestaan zijn voor de hernieuwing van vergunningen voor vaartuigen waarvoor in het jaar ervoor geen statuswijzigingen geregistreerd zijn (eigenschappen, vlaggenlidstaat, eigendom of naleving). [Am. 42]

Artikel 14

Methode voor het tijdelijk opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden

1.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen een methode voor het tijdelijk opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met de beperkte tijd die overblijft om de onbenutte vangstmogelijkheden te gebruiken, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 45, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die handelingen blijven voor een termijn van ten hoogste zes maanden van kracht.

3.  Bij de vaststelling van de methode voor het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden hanteert de Commissie de volgende transparante en objectieve criteria, rekening houdend met sociale, economische en milieufactoren:

(a)  de vangstmogelijkheden die beschikbaar zijn om opnieuw te worden toegewezen;

(b)  het aantal verzoekende lidstaten;

(c)  het bij de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan elke verzoekende lidstaat toegewezen aandeel;

(d)  de historische vangst- en inspanningsniveaus van elke verzoekende lidstaat;

(e)  het aantal, het type en de kenmerken van de vaartuigen en het gebruikte vistuig;

(f)  de consistentie van het door de verzoekende lidstaten verstrekte visserijplan met de in de punten a) tot en met e) vermelde elementen.

De Commissie maakt haar redenen voor de hernieuwde toewijzing bekend. [Am. 43]

Artikel 15

Toewijzing van een jaarlijks quotum uitgesplitst in verscheidene opeenvolgende vangstbeperkingen

1.   Wanneer in het protocol bij een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij PODV maandelijkse of driemaandelijkse vangstbeperkingen of andere onderverdelingen van een jaarlijks quotum zijn vastgesteld, kan de Commissie een uitvoeringshandeling aannemen tot vaststelling van een methode om maandelijks, driemaandelijks of voor een andere periode, is de toewijzing van de overeenkomstige vangstmogelijkheden over aan de lidstaten te verdelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld consistent met de jaarlijkse vangstmogelijkheden die krachtens de desbetreffende wetgevingshandeling van de Unie aan de lidstaten worden toegewezen. Dit beginsel geldt alleen niet wanneer de betrokken lidstaten tot overeenstemming komen over gemeenschappelijke vangstplannen waarin rekening wordt gehouden met de maandelijkse of driemaandelijkse vangstbeperkingen of andere onderverdelingen van een jaarlijks quotum. [Am. 44]

2.  De in lid 1 bedoelde toewijzing van vangstmogelijkheden dient in overeenstemming te zijn met de in het kader van de desbetreffende verordening van de Raad aan de lidstaten toegewezen jaarlijkse vangstmogelijkheden. [Am. 45]

Afdeling 2

Visserijactiviteiten in het kader van rechtstreekse machtigingen

Artikel 16

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door vissersvaartuigen van de Unie buiten het kader van een PODV in de wateren van een derde land worden verricht.

Artikel 17

Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten in de wateren van een derde land buiten het kader van een PODV verrichten tenzij het een vismachtiging heeft ontvangen van:

(a)  zijn vlaggenlidstaat het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de activiteiten plaatsvinden; en [Am. 46]

(b)   het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de activiteiten plaatsvinden zijn vlaggenlidstaat. [Am. 47]

Een vlaggenlidstaat mag een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen afgeven indien het protocol bij een PODV met het desbetreffende derde land voor die wateren niet al ten minste drie jaar van kracht is.

In het geval van verlenging van het protocol wordt de vismachtiging automatisch ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van dat protocol in kwestie. [Am. 48]

Artikel 18

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen buiten het kader van een PODV afgeven indien:

(a)  er geen PODV met het betrokken derde land van kracht is of de van kracht zijnde partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij uitdrukkelijk in de mogelijkheid van rechtstreekse machtigingen voorziet;

(b)   de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria vervuld zijn;

(b bis)   er een overschot van de toegestane vangst is, zoals voorgeschreven door artikel 62, lid 2, van UNCLOS;

(c)  de marktdeelnemer elk van de volgende elementen heeft verstrekt:

(i)  een door de kuststaat aan de marktdeelnemer verstrekte kopie van de geldende visserijwetgeving;

(ii)  een schriftelijke bevestiging van door het derde land, naar aanleiding van de besprekingen tussen de marktdeelnemer en het derde land, van verstrekte geldige vismachtiging voor de voorgenomen visserijactiviteiten, die de voorwaarden voor de voorgenomen rechtstreekse machtiging om de marktdeelnemer toegang tot zijn de visbestanden te geven omvat, met inbegrip van de duur, voorwaarden en vangstmogelijkheden uitgedrukt als inspannings- of vangstbeperkingen;

(iii)  bewijs van de duurzaamheid van de geplande visserijactiviteiten, op basis van:

–  een door het derde land en/of door een ROVB en/of door een door de Commissie erkend regionaal visserijorgaan met wetenschappelijke bevoegdheden verstrekte wetenschappelijke evaluatie; en

–  in het geval van een evaluatie door een derde land: een onderzoek van deze evaluatie door de vlaggenlidstaat op basis van de beoordeling van zijn nationaal wetenschappelijk instituut, of, in voorkomend geval, het wetenschappelijk instituut van een lidstaat met bevoegdheden in de desbetreffende visserijsector;

–  een kopie van de visserijwetgeving van het derde land;

(iv)  een officieel rekeningnummer bij een overheidsbank dat voor de betaling van alle vergoedingen is aangewezen; en

(d)  in het geval dat de visserijactiviteiten worden verricht op een door een ROVB beheerde soort, het derde land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is. [Am. 49]

Artikel 19

Beheer van rechtstreekse vismachtigingen

1.  Zodra een vlaggenlidstaat een vismachtiging heeft afgegeven heeft vastgesteld dat aan de in artikel 18 bepaalde eis is voldaan, zendt hij de in de bijlagen 1 en 2 bijlage, en in artikel 18 vermelde relevante informatie aan de Commissie toe.

2.  Indien de De Commissie binnen vijftien kalender na de verzending van voert een voorlopig onderzoek uit naar de in lid 1 bedoelde informatieniet. Zij kan binnen vijftien dagen om nadere informatie of motivering heeft verzocht, stelt de vlaggenlidstaat de marktdeelnemer ervan in kennis dat hij de visserijactiviteiten in kwestie mag aanvangen, op voorwaarde dat hij ook de rechtstreekse machtiging van het derde land heeft ontvangen verzoeken met betrekking tot de in lid 1 bedoelde informatie.

3.  Indien de Commissie, na het in lid 2 bedoelde verzoek om nadere informatie of motivering, oordeelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 18 is voldaan, kan zij binnen twee maanden één maand na de eerste ontvangst van de gevraagde informatie of motivering, bezwaar tegen de verlening van de vismachtiging aantekenen.

3 bis.   Indien een vismachtiging binnen een periode van hoogstens twee jaar gerekend vanaf de afgifte van de oorspronkelijke machtiging moet worden vernieuwd volgens dezelfde voorwaarden als die van de oorspronkelijke machtiging, kan de lidstaat, onverminderd de leden 1 t/m 3 van dit artikel, de vismachtiging meteen afgeven zodra hij heeft gecontroleerd dat aan de in artikel 18 bepaalde voorwaarden is voldaan, en stelt hij de Commissie hiervan onverwijld in kennis. De Commissie heeft vijftien dagen om bezwaar te maken volgens de in artikel 7 vastgelegde procedure.

4.  Indien een derde land de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie onmiddellijk de vlaggenlidstaat daarvan in kennis, die op zijn beurt de eigenaar van het vaartuig in kennis stelt.

5.  Indien een derde land de vlaggenlidstaat ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de vlaggenlidstaat onmiddellijk de Commissie en de eigenaar van het vaartuig daarvan in kennis.

6.  Een marktdeelnemer verstrekt aan de vlaggenlidstaat een kopie van de tussen hem en het derde land overeengekomen definitieve voorwaarden, met inbegrip van een kopie van de rechtstreekse machtiging. [Am. 50]

Hoofdstuk III

Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie onder auspiciën van een ROVB

Artikel 20

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie op bestanden onder auspiciën van een ROVB, in wateren van de Unie, op volle zee en in de wateren van derde landen.

Artikel 20 bis

Uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie in de ROVB's

Teneinde de internationale verplichtingen van de Unie in de ROVB's uit te voeren en in overeenstemming met de doelstellingen in artikel 28 van de basisverordening stimuleert de Unie periodieke prestatiebeoordelingen door onafhankelijke instanties en speelt zij een actieve rol bij de oprichting en versterking van uitvoeringscomités in alle ROVB's waarbij zij een verdrag- of overeenkomstsluitende partij is. De Unie zorgt er met name voor dat die uitvoeringscomités algemeen toezicht uitoefenen op de tenuitvoerlegging van het externe visserijbeleid en de maatregelen waartoe in de ROVB's besloten is. [Am. 51]

Artikel 21

Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten op door een ROVB beheerde bestanden, tenzij:

(-a)   de Unie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij is bij de ROVB [Am. 52]

(a)  het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen;

(b)  het in het desbetreffende register of de desbetreffende lijst van gemachtigde vissersvaartuigen van de ROVB is opgenomen; en [Am. 53]

(c)  wanneer de visserijactiviteiten in de wateren van derde landen worden verricht: het een vismachtiging van het betrokken derde land heeft ontvangen overeenkomstig hoofdstuk II.

Artikel 22

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging afgegeven indien:

(a)  de machtigingscriteria in artikel 5 zijn vervuld;

(b)  de door de ROVB vastgestelde regels of de Uniewetgeving ter omzetting daarvan worden nageleefd; en

(c)  wanneer de visserijactiviteiten in de wateren van derde landen worden verricht: de in artikel 11 of artikel 18 vastgestelde criteria zijn vervuld.

Artikel 23

Registratie door ROVB’s

1.  Een vlaggenlidstaat zendt de Commissie de lijst (lijsten) toe van de vaartuigen vissersvaartuigen zoals bedoeld in de basisverordening die actief zijn en waarvoor, indien van toepassing, vangstgegevens worden bijgehouden, en die hij heeft gemachtigd tot het verrichten van visserijactiviteiten onder auspiciën van een ROVB.

2.  De in lid 1 bedoelde lijst (lijsten) wordt (worden) opgesteld overeenkomstig de vereisten van de ROVB en gaat (gaan) vergezeld van de informatie in de bijlagen 1 en 2 bijlage.

3.  De Commissie kan de vlaggenlidstaat binnen tien dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde lijst verzoeken om alle aanvullende informatie die zij nodig acht. Zij onderbouwt een dergelijk verzoek.

4.  Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat aan de voorwaarden in artikel 22 is voldaan, zendt zij de lijst (lijsten) van gemachtigde vaartuigen binnen 15 dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde lijst toe aan de ROVB.

5.  Indien het register of de lijst van de ROVB niet openbaar is, stelt doet de Commissie de vlaggenlidstaat in kennis van de de lidstaten die betrokken zijn bij de visserijsector in kwestie de lijst van gemachtigde vaartuigen die erin zijn opgenomen toekomen. [Am. 54]

Hoofdstuk IV

Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie op volle zee

Artikel 24

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de visserijactiviteiten die op volle zee worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van meer dan 24 meter. [Am. 55]

Artikel 25

Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten op volle zee, tenzij:

(a)  het een vismachtiging van zijn de vlaggenlidstaat van dat vaartuig heeft ontvangen, die stoelt op een wetenschappelijke evaluatie waarmee de duurzaamheid van de voorgestelde activiteiten wordt beoordeeld en die gevalideerd is door het nationale wetenschappelijke instituut van dat land of, in voorkomend geval, het wetenschappelijk instituut van een lidstaat met bevoegdheden in de desbetreffende visserijsector; en [Am. 56]

(b)  de Commissie overeenkomstig artikel 27 van de vismachtiging in kennis is gesteld.

Artikel 26

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel slechts een vismachtiging voor visserijactiviteiten op volle zee afgegeven indien:

(a)   de machtigingscriteria in artikel 5 zijn vervuld;

(b)   de geplande visserijactiviteiten:

–   gebaseerd zijn op een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer zoals omschreven in punt 9 van artikel 4 van de basisverordening; en

–   in overeenstemming zijn met een door het nationaal wetenschappelijk instituut van de vlaggenlidstaat verstrekte wetenschappelijke evaluatie, waarin rekening wordt gehouden met de instandhouding van de levende mariene rijkdommen en mariene ecosystemen. [Am. 57]

Artikel 27

Kennisgeving aan de Commissie

Een vlaggenlidstaat stelt de Commissie uiterlijk 15 8,5 kalenderdagen vóór de aanvang van de geplande visserijactiviteiten op volle zee in kennis van de vismachtiging, en verstrekt daarbij de informatie in de bijlagen 1 en 2 bijlage. [Am. 58]

Hoofdstuk V

Charteren van vissersvaartuigen van de Unie

Artikel 28

Beginselen

1.  Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten in het kader van charterovereenkomsten wanneer er een PODV van kracht is, tenzij in die overeenkomst anders is bepaald.

2.  Een vaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten in het kader van meer dan een charterovereenkomst tegelijk en mag geen subchartering verrichten.

2 bis.   Vaartuigen van de Unie mogen in het kader van charterovereenkomsten alleen in wateren onder auspiciën van een ROVB vissen indien de staat aan wie het vaartuig gecharterd is een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is.

3.  Een gecharterd vaartuig van de Unie mag gedurende de charterperiode niet de vangstmogelijkheden van zijn vlaggenlidstaat gebruiken. De vangsten van een gecharterd vaartuig worden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden van de charterende staat.

3 bis.   Niets van het bepaalde in deze verordening doet af aan de verantwoordelijkheden van de vlaggenlidstaat in verband met zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, Verordening (EG) nr. 1224/2009, Verordening (EG) nr. 1005/2008 of andere bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, waaronder rapportagevereisten. [Am. 59]

Artikel 29

Beheer van vismachtigingen in het kader van een charterovereenkomst

Bij de afgifte van een vismachtiging voor een vaartuig overeenkomstig artikel 11, 18, 22 of 26, en wanneer de betrokken visserijactiviteiten worden verricht in het kader van een charterovereenkomst, verifieert de vlaggenlidstaat dat:

(a)  de bevoegde autoriteit van de charterende staat officieel heeft bevestigd dat de overeenkomst in overeenstemming is met de nationale wetgeving; en

(b)  de details van de charterovereenkomst in de vismachtiging wordt worden vermeld, met inbegrip van de periode, de vangstmogelijkheden en de visserijzone. [Am. 60]

Hoofdstuk VI

Controle- en rapportageverplichtingen

Artikel 30

Waanemersprogrammagegevens

Indien aan boord van een vissersvaartuig van de Unie gegevens worden verzameld in het kader van een waarnemersprogramma volgens wetgeving van de Unie of van de ROVB, zendt de marktdeelnemer van dat vaartuig die gegevens toe aan zijn vlaggenlidstaat. [Am. 61]

Artikel 31

Toezending van informatie aan derde landen

1.  Bij de verrichting van visserijactiviteiten in het kader van deze titel, en indien de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij met het derde land daarin voorziet, zendt een marktdeelnemer van een vissersvaartuig van de Unie de relevante vangstaangiften en aanlandingsaangiften zowel toe aan het derde land, en zendt hij zijn vlaggenlidstaat een kopie van dat bericht toe als aan het derde land.

2.  De vlaggenlidstaat beoordeelt de consistentie van de aan het derde land toegezonden gegevens, als bedoeld in lid 1, met de gegevens die hij heeft ontvangen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009. Indien de gegevens uiteenlopen gaat de lidstaat na of deze inconsistentie neerkomt op IOO-visserij in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1005/2008 en neemt hij passende maatregelen, overeenkomstig de artikelen 43 t/m 47 van die verordening.

3.  Niet-verzending van vangstaangiften en aanlandingsaangiften aan het derde land als bedoeld in lid 1, wordt met het oog op de toepassing van de sancties en andere maatregelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid beschouwd als een ernstige inbreuk. De ernst van de inbreuk wordt door de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat beoordeeld, op grond van criteria als de aard en de waarde van de schade, de economische situatie van degene die de inbreuk pleegt en de omvang van de inbreuk of de herhaling ervan. [Am. 62]

Artikel 31 bis

Vereisten voor het ROVB-lidmaatschap

Een vissersvaartuig uit een derde land mag enkel visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie op door een ROVB beheerde bestanden indien dat land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die ROVB is. [Am. 63]

TITEL III

VISSERIJACTIVITEITEN VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 32

Algemene beginselen

1.  Een vissersvaartuig van een derde land mag geen visserijactiviteiten in de wateren van de Unie verrichten tenzij het een vismachtiging van de Commissie heeft ontvangen. Een dergelijk vaartuig krijgt de machtiging in kwestie alleen indien het voldoet aan de criteria van artikel 5. [Am. 64]

2.  Een vissersvaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de regels die gelden voor de visserijactiviteiten van vaartuigen van de Unie in de visserijzone waar het zijn activiteiten verricht, en aan. Wanneer de in de desbetreffende visserijovereenkomst vastgestelde bepalingen van deze regels verschillen, moeten deze bepalingen expliciet vermeld worden, ofwel in die overeenkomst, ofwel via regels ter uitvoering van de overeenkomst die werden afgesproken met het derde land. [Am. 65]

3.  Indien een vissersvaartuig van een derde land in de wateren van de Unie vaart zonder een in het kader van deze verordening afgegeven machtiging, is zijn vistuig vastgemaakt en opgeborgen zodat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

Artikel 33

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen

De Commissie mag enkel een machtiging aan een vissersvaartuig van een derde land voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie afgeven indien:

(-a)   er een overschot aan toegestane vangst is dat de voorgestelde vangstmogelijkheden dekt, zoals voorgeschreven door artikel 62, leden 2 en 3, van UNCLOS;

(a)  de informatie in de bijlagen 1 en 2 bijlage over het vissersvaartuig en het bijbehorende ondersteuningsvaartuig (de bijbehorende ondersteuningsvaartuigen) volledig en accuraat is; het vaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben indien dit krachtens de wetgeving van de Unie vereist is;

(b)  de marktdeelnemer en kapitein van het vissersvaartuig en het vissersvaartuig in kwestie in de 12 maanden vóór de aanvraag van de vismachtiging niet krachtens artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad zijn onderworpen aan een sanctie voor een ernstige inbreuk overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat;

(c)  het vissersvaartuig niet op een IOO-lijst met vaartuigen is opgenomen die is opgesteld door een derde land, een ROVB of de Unie uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1005/2008, en/of het derde land niet krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2008 als een niet-meewerkend derde land is geïdentificeerd of op een lijst van niet-meewerkende derde landen is opgenomen en niet krachtens Verordening (EU) nr. 1026/2012 is geïdentificeerd als een land dat niet-duurzame visserij toelaat of is opgenomen op een lijst van landen die niet-duurzame visserij toelaten;

(d)  het vissersvaartuig op grond van de visserijovereenkomst met het betrokken derde land in aanmerking komt en, indien van toepassing, is opgenomen op de lijst van vaartuigen in het kader van die overeenkomst. [Am. 66]

Artikel 34

Procedure voor de afgifte van vismachtigingen

1.  Het derde land zendt aan de Commissie de aanvragen voor zijn vissersvaartuigen toe uiterlijk op de in de betrokken overeenkomst of de door de Commissie vastgestelde uiterste datum.

2.  De Commissie kan het derde land verzoeken om alle aanvullende informatie die zij noodzakelijk acht.

3.  Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat de voorwaarden in artikel 33 zijn vervuld, geeft zij een vismachtiging af en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 35

Monitoring van vismachtigingen

1.  Indien een voorwaarde in artikel 33 niet langer is vervuld, wijzigt de Commissie de machtiging of trekt zij ze in en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

2.  De Commissie kan de machtiging weigeren, schorsen of intrekken in gevallen:

(a)   waarin de omstandigheden fundamenteel zijn gewijzigd of in gevallen waarin doorslaggevende beleidsoverwegingen met betrekking tot onder meer internationale normen op het vlak van mensenrechten;

(b)   van dwingende spoed wegens een ernstig gevaar voor de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van mariene biologische rijkdommen;

(c)   waarin er actie moet worden ondernomen om een ernstige schending van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 of van artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 te voorkomen in verband met of de strijd tegen illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij een dergelijke maatregel rechtvaardigen,; of

(d)   in gevallenwaarin de Unie, om dergelijke of andere doorslaggevende beleidsoverwegingen, heeft besloten de betrekkingen met het betrokken derde land te schorsen of te verbreken.

De Commissie stelt het derde land onmiddellijk in kennis als zij de machtiging overeenkomstig de eerste alinea weigert, schorst of intrekt. [Am. 67]

Artikel 36

Sluiting van visserijactiviteiten

1.  Indien de aan een derde land toegekende vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt de Commissie het betrokken derde land en de bevoegde controle-instanties van de lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Met het oog op de voortzetting van visserijactiviteiten in het kader van niet-opgebruikte vangstmogelijkheden, die ook van invloed kunnen zijn op opgebruikte vangstmogelijkheden, legt het derde land aan de Commissie technische maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op de opgebruikte vangstmogelijkheden voor. Vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving worden de vismachtigingen die zijn afgegeven voor de vaartuigen die de vlag van het betrokken derde land voeren, geacht te zijn geschorst voor de betrokken visserijactiviteiten en mogen de vaartuigen die visserijactiviteiten niet langer verrichten.

2.  Vismachtigingen worden geacht te zijn ingetrokken wanneer een schorsing van de visserijactiviteiten overeenkomstig lid 2 alle activiteiten betreft waarvoor zij zijn verleend.

3.  Het derde land ziet erop toe dat de betrokken vissersvaartuigen onverwijld in kennis worden gesteld van de toepassing van dit artikel en dat zij alle betrokken visserijactiviteiten stopzetten.

Artikel 37

Overschrijding van quota in de wateren van de Unie

1.  Wanneer de Commissie vaststelt dat een derde land de quota heeft overschreden die het voor een bestand of een groep bestanden toegewezen heeft gekregen, past de Commissie in de daaropvolgende jaren verlagingen toe op de aan dat land voor dat bestand of die groep bestanden toegewezen quota. De omvang van de verlaging dient in overeenstemming te zijn met artikel 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. [Am. 68]

2.  Indien een verlaging krachtens lid 1 niet kan worden toegepast op het quotum voor een bestand of groep bestanden dat/die als zodanig is overbevist, omdat dat quotum voor een bestand of groep bestanden niet voldoende beschikbaar is voor het betrokken derde land, kan de Commissie, na raadpleging van het betrokken derde land, de daaropvolgende jaren verlagingen toepassen op de quota voor andere bestanden of groepen bestanden van dat derde land in hetzelfde geografische gebied of met dezelfde handelswaarde.

Artikel 38

Controle en handhaving

1.  Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de controleregels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van vaartuigen van de Unie in de visserijzone waar het actief is.

2.  Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie, en, indien van toepassing, aan de kuststaat, de gegevens die vaartuigen van de Unie krachtens Verordening (EG) nr. 1224/2009 aan de vlaggenlidstaat moeten toezenden.

3.  De Commissie, of de door haar aangewezen instantie, zendt de in lid 2 bedoelde gegevens toe aan de kustlidstaat.

4.  Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt op verzoek aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie, de in het kader van de toepasselijke waarnemersprogramma's opgestelde waarnemersverslagen.

5.  Een kustlidstaat registreert alle door vissersvaartuigen van derde landen begane inbreuken, met inbegrip van de bijbehorende sancties, in het in artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde nationale register.

6.  De Commissie zendt de in lid 5 bedoelde informatie toe aan het derde land om te waarborgen dat het derde land passende maatregelen neemt.

Lid 1 laat het overleg tussen de Unie en derde landen onverlet. In dit verband wordt de Commissie gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen, overeenkomstig artikel 44, om de uitkomst van het overleg met derde landen met betrekking tot toegangsregelingen in Unierecht om te zetten.

TITEL IV

Gegevens en informatie

Artikel 39

Unieregister inzake vismachtigingen

1.  Door de Commissie wordt een elektronisch Unieregister inzake vismachtigingen aangelegd en bijgehouden, dat alle vismachtigingen omvat die op grond van titel II en titel III zijn toegekend en dat uit een openbaar en een beveiligd deel bestaat. Het register:

(a)  bevat alle informatie in de bijlagen 1 en 2 bijlage, en geeft de status van elke machtiging in realtime weer;

(b)  wordt gebruikt voor de uitwisseling van gegevens en informatie tussen de Commissie en een lidstaat; en

(c)  wordt enkel gebruikt voor het duurzame beheer van vissersvloten.

2.  De lijst van vismachtigingen in het register is openbaar en bevat de volgende informatie:

(a)  naam en vlag van het vaartuig, en het CFR- en IMO-nummer als dat vereist is uit hoofde van de wetgeving van de Unie;

(a bis)   naam, stad en land van vestiging van de eigenaar van het bedrijf en van de begunstigde eigenaar;

(b)  type machtiging, inclusief vangstmogelijkheden; en

(c)  tijd en zone van de visserijactiviteit waarvoor een machtiging is verleend (begin- en einddatums; visserijzone).

3.  Een lidstaat gebruikt het register om vismachtigingen bij de Commissie in te dienen en om de gegevens ervan actueel te houden, zoals voorgeschreven in de artikelen 12, 19, 23 en 27. [Am. 69]

Artikel 40

Technische vereisten

De in de titels II, III en IV bedoelde uitwisseling van informatie vindt plaats in elektronisch formaat. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (18), tot vaststelling van technische operationele vereisten voor de registratie, formattering en verzending van de in die titels bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Om een Unieregister inzake vismachtigingen operationeel te maken en de lidstaten in staat te stellen aan de technische vereisten voor verzending te voldoen, verleent de Commissie technische steun aan de betrokken lidstaten. Hiertoe ondersteunt ze de nationale autoriteiten bij de verzending van de informatie die de marktdeelnemers voor elk type machtiging moeten verstrekken, en ontwikkelt ze uiterlijk … [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] voor de lidstaten een IT-toepassing zodat zij de gegevens over de machtigingsaanvragen en de kenmerken van de vaartuigen automatisch en in realtime naar het Unieregister inzake vismachtigingen kunnen verzenden. [Am. 70]

Voor de technische en financiële ondersteuning voor de verzending van informatie kunnen de lidstaten financiële bijstand krijgen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij krachtens artikel 76, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(19). [Am. 71]

Artikel 41

Toegang tot gegevens

Onverminderd artikel 110 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 verlenen de lidstaten of de Commissie alle relevante bevoegde administratieve diensten die bij het beheer van vissersvloten betrokken zijn, toegang tot het beveiligde deel van het in artikel 39 bedoelde Unieregister inzake vismachtigen.

Artikel 42

Gegevensbeheer, bescherming van persoonsgegevens en vertrouwelijkheid

In het kader van deze verordening verkregen gegevens worden behandeld overeenkomstig de artikelen 109, 110, 111 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG en de nationale uitvoeringsbepalingen daarvan.

Artikel 43

Betrekkingen met derde landen en ROVB's

1.  Lidstaten die van een derde land of een ROVB informatie ontvangen die relevant is voor de doeltreffende toepassing van de onderhavige verordening, delen deze informatie mee aan de andere betrokken lidstaten, de Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie, voor zover hun dit is toegestaan op grond van bilaterale overeenkomsten met het betrokken derde land of overeenkomstig de voorschriften van de betrokken ROVB.

2.  De Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie kan, in het kader van de visserijovereenkomsten tussen de Unie en derde landen, onder auspiciën van ROVB's of soortgelijke visserijorganisaties waarbij de Commissie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij is, relevante informatie betreffende niet-naleving van de regels van deze verordening of betreffende in artikel 42, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1005/2008 en in artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde ernstige inbreuken, meedelen aan de andere partijen bij die overeenkomsten of organisaties, afhankelijk van de toestemming van de lidstaat die de informatie heeft verstrekt en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001. [Am. 72]

TITEL V

Procedures, delegatie en uitvoeringsmaatregelen

Artikel 44

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 73]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3 bis.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 45

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 47 van de basisverordening bedoelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van toepassing.

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 46

Intrekking

1.  Verordening (EG) nr. 1006/2008 wordt ingetrokken.

2.  Verwijzingen naar de ingetrokken Verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 47

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage 1

Lijst van met het oog op de afgifte van een vismachtiging te verstrekken informatie

* verplichte velden (de punten 22 tot en met 25 en 28 tot en met 48 mogen niet worden ingevuld als de informatie automatisch kan worden opgevraagd uit het vlootregister van de Unie aan de hand van het CFR- of het IMO-nummer)

I

AANVRAGER

1

Naam van de marktdeelnemer*

2

E-mailadres*

3

Adres

4

Fax

5

Fiscaal nummer (SIRET, NIF…)*

6

Telefoon

7

Naam van de agent (volgens de bepalingen van protocol) *

8

E-mailadres*

9

Adres

10

Fax

11

Telefoon

12

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt*

13

E-mailadres*

14

Adres

15

Fax

16

Telefoon

17

Naam van de kapitein(s)*

18

E-mailadres*

19

Nationaliteit*

20

Fax

21

Telefoon

II

IDENTIFICATIE, TECHNISCHE KENMERKEN EN UITRUSTING VAN HET VAARTUIG

22

Naam van het vaartuig*

23

Vlaggenstaat*

24

Vaart onder de huidige vlag sinds*

25

Externe kentekens*

26

IMO-nummer (UVI)*

27

CFR-nummer*

28

Internationale radioroepnaam (IRCS)*

29

Radiofrequentie*

30

Satelliettelefoonnummer

31

MMSI-nummer*

32

Bouwjaar en bouwplaats*

33

Vroegere vlag en datum van vlagverlening (indien van toepassing) *

34

Materiaal van de romp: staal / hout / polyester / ander*

35

VMS-transponder*

36

Model*

37

Serienummer*

38

Softwareversie*

39

Satellietexploitant*

40

VMS-fabrikant (naam)

41

Lengte over alles van het vaartuig*

42

Breedte van het vaartuig*

43

Diepgang*

44

Tonnage (bt)*

45

Vermogen van de hoofdmotor (kW) *

46

Motortype

47

Merkteken

48

Motorserienummer*

III

VISSERIJCATEGORIE WAARVOOR EEN VISMACHTIGING WORDT AANGEVRAAGD

49

FAO-code vaartuigtype*

50

FAO-code vistuigtype*

53

FAO-code visserijzones*

54

Visserijsectoren – FAO of kuststaat*

55

Haven(s) van aanlanding

56

Haven(s) van overlading

57

FAO-code doelsoorten of visserijcategorie (partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij)*

58

Aangevraagde machtigingsperiode (begin- en einddatum)

59

Registratienummer ROVB's* (indien bekend)

60

Datum inschrijving in het ROVB-register* (indien bekend)

61

Maximaal aantal bemanningsleden*

62

Van [PARTNERLAND]:

63

Uit de ACS-staten:

64

Methode van visconservering/-bewerking aan boord* Verse vis / Koelen / Invriezen / Vismeel / Olie / Fileren

65

Lijst van ondersteuningsvaartuigen: Naam / IMO-nummer / CFR-nummer

IV

CHARTERING

66

Vaartuig actief in het kader van een charterovereenkomst*: Ja / Nee

67

Type charterovereenkomst

68

Charterperiode (begin- en einddatum)*

69

Vangstmogelijkheden (in ton) toegewezen aan het gecharterde vaartuig*

70

Derde land dat vangstmogelijkheden toewijst aan het gecharterde vaartuig*

Bijlagen (lijst documenten): [Am. 74]

Bijlage 2

Lijst van informatie die moet worden verstrekt voor een ondersteuningsvaartuig van een in bijlage 1 beschreven vissersvaartuig

* verplichte velden (de punten 22 tot en met 25 en 28 tot en met 33 mogen niet worden ingevuld voor een vaartuig dat de vlag van de Unie voert als de informatie automatisch kan worden opgevraagd uit het vlootregister van de Unie aan de hand van het CFR-nummer)

I

EXPLOITANT VAN HET ONDERSTEUNINGSVAARTUIG

1

Naam van de marktdeelnemer*

2

E-mailadres*

3

Adres

4

Fax

5

Fiscaal nummer (SIRET, NIF…)*

6

Telefoon

7

Naam van de agent (volgens de bepalingen van protocol) *

8

E-mailadres*

9

Adres

10

Fax

11

Telefoon

12

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt*

13

E-mailadres*

14

Adres

15

Fax

16

Telefoon

17

Naam van de kapitein(s)*

18

E-mailadres*

19

Nationaliteit*

20

Fax

21

Telefoon

II

IDENTIFICATIE, TECHNISCHE KENMERKEN EN UITRUSTING VAN HET ONDERSTEUNINGSVAARTUIG

22

Naam van het vaartuig*

23

Vlaggenstaat*

24

Vaart onder de huidige vlag sinds*

25

Externe kentekens*

26

IMO-nummer (UVI)*

27

CFR-nummer (voor vaartuigen van de Unie, indien bekend)*

28

Internationale radioroepnaam (IRCS)*

29

Radiofrequentie*

30

Satelliettelefoonnummer

31

MMSI-nummer*

32

Bouwjaar en bouwplaats

33

Vroegere vlag en datum van vlagverlening (indien van toepassing) *

34

Materiaal van de romp: staal / hout / polyester / ander

35

VMS-transponder

36

Model

37

Serienummer

38

Softwareversie

39

Satellietexploitant

40

VMS-fabrikant (naam)

41

Lengte over alles van het vaartuig

42

Breedte vaartuig

43

Diepgang

44

Tonnage (bt)

45

Vermogen van de hoofdmotor (kW)

47

Motortype

48

Merkteken

49

Motorserienummer

III

INFORMATIE OVER ONDERSTEUNDE VISSERIJACTIVITEITEN

50

FAO-code visserijgebieden

51

Visserijsectoren – FAO

52

FAO-code doelsoorten

53

Registratienummer ROVB's*

54

Datum inschrijving in het ROVB-register*

Bijlagen (lijst documenten):.[Am. 75]

Bijlage

Lijst van met het oog op de afgifte van een vismachtiging te verstrekken informatie

* verplichte velden (de punten 22 tot en met 25 en 28 tot en met 48 mogen niet worden ingevuld als de informatie automatisch kan worden opgevraagd uit het vlootregister van de Unie aan de hand van het CFR- of het IMO-nummer)

I

AANVRAGER

1

Identificatienummer van het vaartuig (IMO-nummer, CFR-nummer, enz.)

2

Naam van het vaartuig

3

Naam van de marktdeelnemer*

4

E-mailadres*

5

Adres

6

Fax

7

Fiscaal nummer (SIRET, NIF…)*

8

Telefoon

9

Naam van de reder

10

E-mailadres*

11

Adres

12

Fax

13

Telefoon

14

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt*

15

E-mailadres*

16

Adres

17

Fax

18

Telefoon

19

Naam van de kapitein(s)*

20

E-mailadres*

21

Nationaliteit*

22

Fax

23

Telefoon

II

VISSERIJCATEGORIE WAARVOOR EEN VISMACHTIGING WORDT AANGEVRAAGD

Soort machtiging (visserijovereenkomst, rechtstreekse machtiging, ROVB, diepzee, charter, ondersteuningsvaartuig)

24

FAO-code vaartuigtype*

25

FAO-code vistuigtype*

26

FAO-code visserijzones*

27

FAO-code doelsoorten of visserijcategorie (PODV)*

28

Aangevraagde machtigingsperiode (begin- en einddatum)

29

Registratienummer ROVB's* (indien bekend)

30

Lijst van ondersteuningsvaartuigen: Naam / IMO-nummer / CFR-nummer

III

CHARTERING

31

Vaartuig actief in het kader van een charterovereenkomst*: Ja / Nee

32

Type charterovereenkomst

33

Charterperiode (begin- en einddatum)*

34

Vangstmogelijkheden (in ton) toegewezen aan het gecharterde vaartuig*

35

Derde land dat vangstmogelijkheden toewijst aan het gecharterde vaartuig*

[Am. 76]

(1) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 116.
(2)PB C 303 van 19.8.2016, blz. 116.
(3)PB C van , blz. .
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 2 februari 2017 en Besluit van de Raad van ... .
(5)Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).
(6)Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de Overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).
(7)Besluit 98/414/EG van de Raad van 8 juni 1998 inzake de bekrachtiging door de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14).
(8)Besluit 96/428/EG van de Raad van 25 juni 1996 inzake de aanvaarding door de Gemeenschap van de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (PB L 177 van 16.7.1996, blz. 24).
(9)Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie A/Res/66/288 van 27 juli 2012 over de resultaten van de Rio+20-conferentie, met als titel "The future we want".
(10)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(11)Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(12)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(13)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(14)Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(15) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(16)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(17) Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 34).
(18)Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
(19) Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).


Derde landen waarvan de onderdanen in het bezit moeten zijn van een visum of waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld: Georgië ***I
PDF 241kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Georgië) (COM(2016)0142 – C8-0113/2016 – 2016/0075(COD))
P8_TA(2017)0016A8-0260/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0142),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0113/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 20 december 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0260/2016),

1.  stelt zijn onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 februari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Georgië)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/372.)


Crisis van de rechtstaat in de Democratische Republiek Congo en in Gabon
PDF 176kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over de crisis van de rechtsstaat in de Democratische Republiek Congo en in Gabon (2017/2510(RSP))
P8_TA(2017)0017RC-B8-0120/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC),

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar de DRC over de mensenrechtensituatie in het land,

–  gezien de politieke akkoorden die in de DRC gesloten werden op 18 oktober 2016 en 31 december 2016,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 18 december 2016 over het feit dat er geen akkoord kon worden bereikt in de DRC,

–  gezien de verklaring van 23 november 2016 door de woordvoerder van de VV/HV over de lopende politieke inspanningen in de DRC,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2016 en 17 oktober 2016 over de DRC,

–  gezien de lokale verklaringen van de EU van 2 augustus 2016 en 24 augustus 2016 inzake het verkiezingsproces in de DRC na de aanvang van de nationale dialoog in de DRC,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de DRC, met name resolutie 2293 (2016) over verlenging van het sanctieregime ten aanzien van de DRC en het mandaat van de groep van deskundigen, en resolutie 2277 (2016) waarbij het mandaat van de Stabilisatiemissie van de VN in de DRC (Monusco) werd verlengd,

–  gezien de persverklaringen van de VN-Veiligheidsraad van 15 juli 2016 en 21 september 2016 over de situatie in de DRC,

–  gezien het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, gepubliceerd op 27 juli 2015, over de mensenrechtensituatie in de DRC,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN van 9 maart 2016 over de VN‑stabilisatiemissie in de DRC en de tenuitvoerlegging van het kader voor vrede, veiligheid en samenwerking voor de DRC en de regio,

–  gezien de gezamenlijke persmededelingen van 16 februari 2016 en van 5 juni 2016 van de Afrikaanse Unie, de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Internationale Organisatie van de Francofonie over de noodzaak van een inclusieve politieke dialoog in de DRC en over hun toezegging de actoren van de Democratische Republiek Congo te zullen steunen in hun streven naar consolidatie van democratie in het land,

–  gezien de kaderovereenkomst voor vrede, veiligheid en samenwerking voor de DRC en de regio, die in februari 2013 in Addis Abeba werd ondertekend,

–  gezien het verslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Europese Unie (EU‑EOM),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de VV/HV en de commissaris voor internationale samenwerking en ontwikkeling, Neven Mimica, van 24 september 2016 naar aanleiding van de bekendmaking door het Grondwettelijk Hof van Gabon van de officiële resultaten van de presidentsverkiezingen,

–  gezien de verklaring inzake Gabon van de woordvoerder van de VV/HV van 11 september 2016,

–  gezien de persmededeling van de Afrikaanse Unie van 1 september 2016 waarin het geweld in het na de verkiezingen in Gabon uitgebroken conflict wordt veroordeeld en wordt opgeroepen tot een vreedzame schikking,

–  gezien het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2014, dat op 22 juni 2015 door de Raad van de Europese Unie is aangenomen,

–  gezien het nationaal indicatief programma voor 2014-2020 van het 11de Europees Ontwikkelingsfonds, waarin voorrang wordt gegeven aan het versterken van democratie, bestuur en rechtsstaat,

–  gezien de resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, van 18 mei 2011 over uitdagingen voor de toekomst van de democratie en de eerbiediging van de grondwettelijke orde in de ACS- en EU-landen, en van 27 november 2013 over de eerbiediging van de rechtsstaat en de rol van een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke macht,

–  gezien het ondertekende memorandum van overeenstemming tussen de Republiek Gabon en de Europese Unie over de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU (EU-EOM),

–  gezien de grondwet van de Democratische Republiek Congo en de Gabonese grondwet,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien op de verklaring van de Afrikaanse Unie over de beginselen voor democratische verkiezingen in Afrika (2002),

–  gezien het Internationaal handvest van de rechten van de mens van de VN,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de rechtsstaat, verantwoordingsplicht, eerbiediging van de mensenrechten en vrije en eerlijke verkiezingen essentiële onderdelen zijn van elke goed functionerende democratie; overwegende dat deze bestanddelen onder zware druk zijn komen te staan in bepaalde landen in Afrika ten zuiden van de Sahara, waaronder de DRC en Gabon, waardoor deze landen in een aanhoudende periode van crisis en instabiliteit terecht zijn gekomen;

B.  overwegende dat recentelijk Ali Bongo, de Gabonese scheidende president die sinds de dood van zijn vader Omar Bongo in 2009 aan de macht is, tot winnaar van de presidentsverkiezingen van 2016 werd uitgeroepen; overwegende dat door internationale waarnemers, en met name door de EU-EOM, duidelijke onregelmatigheden bij het samenvoegen van de uitslagen werden vastgesteld;

C.  overwegende dat Jean Ping, zijn belangrijkste tegenstander, dit resultaat onmiddellijk in twijfel heeft getrokken en verworpen; overwegende dat er een aanklacht is ingediend bij het Grondwettelijk Hof wegens veronderstelde onregelmatigheden bij de verkiezingen, alsmede een verzoek om hertelling, en dat het Hof de uitslag uiteindelijk bevestigd heeft; overwegende dat de behandeling van de aanklacht de twijfel omtrent het resultaat van de presidentsverkiezingen echter niet volledig heeft kunnen wegnemen;

D.  overwegende dat de president van de Democratische Republiek Congo, Joseph Kabila, die sinds 2001 aan de macht is, de verkiezingen heeft uitgesteld en aan de macht is gebleven na afloop van zijn constitutionele ambtstermijn; overwegende dat dit heeft geleid tot ongekende politieke spanningen, onrust en geweld in het hele land;

E.  overwegende dat het geweld na het aflopen van de ambtstermijn van president Kabila is geëscaleerd, met als gevolg dat ten minste veertig mensen omkwamen bij botsingen tussen demonstranten en veiligheidstroepen; overwegende dat volgens de VN 107 mensen gewond raakten of mishandeld werden en dat er ten minste 460 arrestaties zijn verricht;

F.  overwegende dat president Kabila en een deel van de oppositie op 18 oktober 2016 een overeenkomst hebben ondertekend om de presidentsverkiezingen tot april 2018 uit te stellen; overwegende dat de partijen bij de overeenkomst van 18 oktober 2016 na maandenlange onderhandelingen een algemeen en inclusief politiek akkoord hebben gesloten op 31 december 2016; overwegende dat dit akkoord voorziet in de eerste vreedzame machtsoverdracht in het land sinds 1960, de vorming van een overgangsregering van nationale eenheid, de organisatie van verkiezingen voor het einde van 2017 en het aftreden van president Kabila;

G.  overwegende dat in beide landen straatprotesten zijn uitgebroken en dat deze op gewelddadige wijze werden neergeslagen, waarbij meerdere mensen omkwamen; overwegende dat de autoriteiten leden van de oppositie en van maatschappelijke organisaties die tegen de heersende macht in het verweer kwamen, de mond hebben gesnoerd; overwegende dat mensenrechtengroeperingen onophoudelijk berichten over de verslechterende situatie op het gebied van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en daarbij onder meer melding maken van excessief geweld tegen vreedzame demonstranten, willekeurige arrestaties en opsluiting, en rechtszaken om politieke redenen;

H.  overwegende dat de vrijheid van de media sterk is verslechterd en wordt beperkt door aanhoudende bedreigingen en geweld jegens journalisten; overwegende dat mediabedrijven en radiostations door de autoriteiten zijn gesloten en er beperkingen zijn gesteld aan internet en sociale netwerken;

I.  overwegende dat de eerbiediging van de grondwet tot de kenmerken van democratieën behoort, en dat zij de grondslag vormt van de staat, de instituties en de rechtsstaat; overwegende dat vreedzame, transparante en eerlijke verkiezingen in deze landen er in grote mate toe zouden hebben bijgedragen de uitdaging van democratische vooruitgang en wisseling van de macht in de Centraal-Afrikaanse regio het hoofd te bieden;

J.  overwegende dat het nationaal indicatief programma voor 2014-2020 van het 11de Europees Ontwikkelingsfonds voorrang geeft aan het versterken van democratie, bestuur en rechtsstaat; overwegende dat zowel de EU als de Afrikaanse partners een sterk gemeenschappelijk belang hebben bij de voortdurende ontwikkeling van democratie en de invoering van goed functionerend constitutionalisme;

1.  betreurt het dat er bij de betogingen van de afgelopen maanden in beide landen doden zijn gevallen en betuigt zijn diepste medeleven aan de nabestaanden van de slachtoffers en aan het volk van de DRC en Gabon;

2.  is zeer bezorgd over de toenemende instabiliteit in beide landen; dringt er bij de autoriteiten en bovenal bij de presidenten op aan hun internationale verplichtingen na te komen, de mensenrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en de regeringstaken met het grootst mogelijke respect voor de rechtsstaat uit te oefenen;

3.  veroordeelt ten zeerste het gebruikte geweld in Gabon en de DRC, de schendingen van de mensenrechten, de willekeurige arrestaties en wederrechtelijke vrijheidsberoving, de politieke intimidatie van het maatschappelijk middenveld en leden van de oppositie, alsmede de schendingen van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in de aanloop naar en na afloop van de presidentsverkiezingen; dringt erop aan alle beperkingen ten aanzien van de media op te heffen en alle politieke gevangenen vrij te laten;

Gabon

4.  is van mening dat de officiële uitslag van de presidentsverkiezingen niet transparant en uiterst twijfelachtig is, hetgeen ertoe geleid heeft dat de legitimiteit van president Bongo in twijfel wordt getrokken; betreurt het dat de beroepsprocedure op basis waarvan Ali Bongo werd uitgeroepen tot winnaar van de verkiezingen, op ondoorzichtige wijze is verlopen en dat het Grondwettelijk Hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de onregelmatigheden die in sommige provincies, met name Haut-Ogooué, het domein van Ali Bongo, zijn vastgesteld; betreurt de weigering van het Grondwettelijk Hof om een hertelling van de stemmen uit te voeren en de stemmingsuitslag te vergelijken voorafgaand aan de vernietiging van de stembiljetten;

5.  is zeer verontrust over de politieke crisis in Gabon en het toenemende geweld tussen demonstranten en veiligheidstroepen na de bekendmaking van de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2016;

6.  veroordeelt krachtig de intimidatie en dreigementen jegens leden van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Europese Unie, alsook de pogingen om de neutraliteit en transparantie ervan ter discussie te stellen; betreurt ten zeerste dat de EU‑EOM, ondanks het met de Gabonese regering ondertekende memorandum van overeenstemming, slechts beperkte toegang is verleend tot de gecentraliseerde telling van de stemmen in de lokale kiescommissies en in het hoofdkantoor van de nationale kiescommissie (CENAP), en dat dit de EU-EOM belet heeft belangrijke onderdelen van het verkiezingsproces voor de presidentsverkiezingen te volgen;

7.  neemt er kennis van dat een nationale dialoog is ingezet, zoals voorgesteld door Ali Bongo; spreekt zijn bedenkingen uit over de geloofwaardigheid en de relevantie van een dergelijk proces; wijst erop dat de leider van de oppositie, Jean Ping, weigert daaraan deel te nemen en heeft een eigen nationale dialoog ingezet en afgerond;

8.  spoort de regering van Gabon aan om onverwijld een grondige hervorming van het kiesstelsel door te voeren en daarbij rekening te houden met de aanbevelingen van de EU‑EOM, teneinde het te verbeteren en volledig transparant en geloofwaardig te maken; benadrukt dat de Gabonese autoriteiten volledige en oprechte samenwerking met alle relevante nationale en internationale belanghebbenden moeten garanderen om te verzekeren dat de volgende parlementsverkiezingen transparant en eerlijk zijn en plaatsvinden in een vrije, democratische, inclusieve en vreedzame omgeving;

9.  verzoekt om een onafhankelijk en objectief onderzoek naar het geweld in verband met de verkiezingen en de beschuldigingen van ernstige schendingen van mensenrechten en fundamentele vrijheden, en onderstreept de noodzaak ervoor te zorgen dat eenieder die hiervoor verantwoordelijk wordt geacht, voor de rechter wordt gebracht; roept de EU daarnaast op om in samenwerking met de VN en de Afrikaanse Unie de algemene situatie in Gabon nauwlettend te blijven volgen en melding te maken van alle gevallen van schendingen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden; neemt kennis van de verzoeken aan het Internationaal Strafhof (ICC) om een vooronderzoek naar het geweld na de verkiezingen in te stellen;

10.  spoort de Raad aan een raadplegingsprocedure uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou op te starten zodra blijkt dat er geen vooruitgang wordt geboekt in het kader van de geïntensiveerde politieke dialoog; verzoekt de Raad, indien binnen het raadplegingsproces geen overeenstemming kan worden bereikt, te overwegen om gerichte sancties op te leggen aan degenen die verantwoordelijk zijn voor het postelectorale geweld en de mensenrechtenschendingen alsmede voor het ondermijnen van het democratische proces in het land;

Democratische Republiek Congo

11.  betreurt dat de regering van de Democratische Republiek Congo er niet in is geslaagd om de presidentsverkiezingen binnen de grondwettelijk vastgelegde termijn te houden; herhaalt zijn oproep alle noodzakelijke stappen te zetten om een gunstig klimaat tot stand te brengen waarbinnen uiterlijk in december 2017 vrije, eerlijke en geloofwaardige verkiezingen kunnen worden gehouden, in volledige overeenstemming met de grondwet van de Democratische Republiek Congo en het Afrikaans handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur;

12.  verzoekt alle politieke actoren een vreedzame en constructieve dialoog aan te gaan, teneinde een verergering van de huidige politieke crisis en verder geweld en provocaties te voorkomen;

13.  verwelkomt de inspanningen van de nationale conferentie van bisschoppen (CENCO) om tot een bredere consensus over een politieke transitie te komen; neemt kennis van het eind december 2016 bereikte akkoord om president Kabila geen derde termijn toe te staan, waarin ook wordt opgeroepen om vóór eind 2017 verkiezingen te houden; wijst alle partijen erop dat zij aan dit akkoord gebonden zijn en spoort hen derhalve aan het akkoord in al zijn facetten uit te voeren en zo spoedig mogelijk een concreet tijdschema op te stellen voor de volgende verkiezingen; herinnert hen eraan dat er veel op het spel staat als zij er niet in slagen een succesvol resultaat te bereiken;

14.  dringt er bij de regering van de Democratische Republiek Congo op aan onmiddellijk in te gaan op onbeantwoorde vragen met betrekking tot het tijdschema voor de verkiezingen, het budget voor de verkiezingen en de actualisering van het kiesregister, teneinde vrije, eerlijke en transparante verkiezingen mogelijk te maken; brengt in herinnering dat de onafhankelijke nationale kiescommissie een onpartijdige en inclusieve instelling moet zijn met voldoende middelen om een uitgebreid en transparant proces mogelijk te maken;

15.  dringt er bij de Europese Unie en haar lidstaten op aan de tenuitvoerlegging van het akkoord en de organisatie van het verkiezingsproces te ondersteunen; dringt er bij alle internationale actoren op aan de DRC indien nodig grootschalige politieke, financiële, technische en logistieke steun te bieden, zodat de verkiezingen voor december 2017 kunnen plaatsvinden; roept op tot transparantie met betrekking tot alle financiële steun van de Europese Unie en haar lidstaten voor de verkiezingen in de Democratische Republiek Congo;

16.  dringt aan op een volledig, grondig en transparant onderzoek naar de veronderstelde schendingen van de mensenrechten tijdens de protesten, zodat de verantwoordelijken geïdentificeerd en ter verantwoording geroepen kunnen worden;

17.  spreekt zijn voldoening uit over de goedkeuring van gerichte EU-sancties, met inbegrip van reisverboden en bevriezing van tegoeden, tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige campagne, alsook voor het ondermijnen van de democratische processen in de DRC; verzoekt de Raad te overwegen deze beperkende maatregelen te verlengen indien het geweld aanhoudt, overeenkomstig de Overeenkomst van Cotonou;

o
o   o

18.  verzoekt de VN-Mensenrechtenraad onderzoek te doen naar de ernstige mensenrechtenschendingen die zich recentelijk in beide landen hebben voorgedaan;

19.  dringt er bij de autoriteiten van Congo en Gabon op aan het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en goed bestuur zo spoedig mogelijk te ratificeren;

20.  verzoekt de EU-delegatie om gebruik te maken van alle geschikte instrumenten en middelen ter ondersteuning van mensenrechtenverdedigers en bewegingen die zich inzetten voor democratie en om een versterkte politieke dialoog te voeren met de nationale autoriteiten, zoals verankerd in artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou;

21.  dringt er voorts bij de landen van de EU en de ACS op aan om, in samenwerking met de VN en de Afrikaanse Unie, de algehele situatie in beide landen nauwlettend te blijven volgen;

22.  benadrukt dat de situatie in Gabon en in de DRC een ernstige bedreiging van de stabiliteit in de Centraal-Afrikaanse regio als geheel betekent; zegt andermaal zijn steun toe aan de Afrikaanse Unie bij haar essentiële rol in het voorkomen van een politieke crisis in de regio en verdere destabilisering van het Grote-Merengebied;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van de DRC en van Gabon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


Uitvoering Erasmus +
PDF 354kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (2015/2327(INI))
P8_TA(2017)0018A8-0389/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(2),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010‑2018)(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over onderwijs voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 januari 2011 getiteld "Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport" (COM(2011)0012),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over "Jeugd in beweging – een kaderinitiatief voor verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa"(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien de resolutie van de Raad van 28 november 2011 over een nieuwe Europese agenda voor volwasseneneducatie (6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 en 29 november 2011 over een benchmark voor leermobiliteit(7),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet‑formeel en informeel leren(8),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa"(9),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over een andere kijk op onderwijs(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,

–  gezien de verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (Verklaring van Parijs), aangenomen op 17 maart 2015 tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de Europese Unie in Parijs,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010‑2018)" (COM(2015)0429),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) — "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(12),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(13),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(14),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(15),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren– een concept van levenslang leren(16),

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 mei 2016 over het ontwikkelen van mediageletterdheid en kritisch denken door onderwijs en opleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 mei 2016 over de rol van de jeugdsector binnen een integrale sectoroverschrijdende aanpak ter voorkoming en bestrijding van gewelddadige radicalisering van jongeren,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa" (COM(2016)0381),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2016 over de follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(17),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0389/2016),

A.  overwegende dat Erasmus+ een van de succesvolste programma's van de Unie is en het belangrijkste instrument voor de ondersteuning van activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en dat het ten doel heeft de carrièreperspectieven van jongeren te verbeteren en de deelnemers sociale contacten te bieden; overwegende dat het in de periode 2014‑2020 meer dan vier miljoen Europeanen de kans biedt in een ander land te studeren, een opleiding te volgen en vrijwilligerswerk te doen;

B.  overwegende dat de Commissie zich flexibel heeft opgesteld en innovatieve stappen heeft ondernomen om het hoofd te bieden aan nieuwe uitdagingen, zoals een voorstel voor vluchtelingen, en om met de stimulerende maatregelen binnen Erasmus+ maatschappelijke waarden te bevorderen om te komen tot een actievere, participatieve interculturele dialoog;

C.  overwegende dat de grote educatieve, maatschappelijke, politieke en economische relevantie van het programma weerspiegeld wordt door de verhoging van het budget voor de programmaperiode met 40 % en het vastleggingspercentage in de beschikbare begroting, dat bijna 100 % heeft bereikt door het grote aantal aanvragen;

D.  overwegende dat nog niet alle relevante gegevens beschikbaar zijn voor een volledige kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de uitvoering en dat het daarom te vroeg is voor een kwalitatieve beoordeling van het effect dat het programma heeft gesorteerd;

E.  overwegende dat uit de resultaten van de Erasmus-effectbeoordeling van 2014(18) blijkt dat personen die een studie of opleiding in het buitenland hebben gevolgd twee keer zoveel kans hebben om werk te vinden dan anderen zonder een dergelijke ervaring, dat 85 % van de Erasmusstudenten een studie of opleiding in het buitenland volgt om beter inzetbaar te worden in het buitenland en dat de werkloosheid onder personen die een studie of opleiding in het buitenland hebben gevolgd, vijf jaar na hun afstuderen 23 % lager ligt; overwegende dat de Erasmus-effectbeoordeling ook duidelijk maakt dat 64 % van de werkgevers internationale ervaring belangrijk vindt voor aanwerving (in 2006 was dit slechts 37 %) en dat aan afgestudeerden met een internationale achtergrond meer verantwoordelijkheid wordt toevertrouwd; overwegende dat een op de drie Erasmusstudenten een baan krijgt aangeboden bij het bedrijf waar hij of zij stage heeft gelopen, en dat bijna een op de tien Erasmusstudenten die stage hebben gelopen, een eigen bedrijf is gestart en dat drie op de vier daar plannen voor hebben of dat overwegen;

Belangrijkste conclusies

1.  wijst erop dat Erasmus+ het vlaggenschipprogramma van de EU is op het gebied van mobiliteit, onderwijs en opleiding, en dat de middelen voor dit programma met 40 % zijn verhoogd ten opzichte van de periode 2007‑2013, vanwege de positieve resultaten en de grote vraag;

2.  merkt op dat een grote meerderheid van de nationale agentschappen ervan uitgaat dat de doelstellingen van het Erasmus+-programma op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd worden gehaald;

3.  is van mening dat Erasmus+ een essentiële rol speelt bij de bevordering van een Europese identiteit en integratie, solidariteit, inclusieve en duurzame groei, hoogwaardige werkgelegenheid, het concurrentievermogen, de sociale samenhang en de arbeidsmobiliteit onder jongeren, doordat het programma bijdraagt tot de verbetering van de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels, een leven lang leren, actief Europees burgerschap en de werkgelegenheidsvooruitzichten, door burgers van de Unie de kans te bieden door middel van studies, opleidingen, werkervaring of vrijwilligerswerk in het buitenland horizontale en overdraagbare vaardigheden en competenties te verwerven, en door hen in staat te stellen onafhankelijker te leven, zich eenvoudiger aan te passen en zich persoonlijk te ontwikkelen;

4.  benadrukt dat het programma als geheel weliswaar zichtbaarder is dan het vorige programma, maar dat de afzonderlijke sectorale programma's nog steeds met een gebrek aan zichtbaarheid te maken hebben; herinnert er in dit verband aan dat bij de uitvoering van het programma de specifieke kenmerken en karakteristieken van de verschillende sectoren in aanmerking moeten worden genomen;

5.  benadrukt dat sectorspecifieke leervormen, zoals Grundtvigworkshops en nationale jeugdinitiatieven die open staan voor informele groepen, weer moeten worden ingevoerd en dat de toegang tot transnationale jeugdinitiatieven moet worden vergemakkelijkt; stelt voor het effect van het programma te maximaliseren met behulp van nieuwe subsidiabele acties, bijv. door in het kader van kernactie 1 (KA1) grootschalige jongerenuitwisselingen te organiseren, uitgaande van de structuur van de grote Europese vrijwilligersdienst (EVD);

6.  beklemtoont dat binnen het programma het hoofdstuk voor jongeren het meest te maken heeft met de toenemende belangstelling van de Europese burgers voor Erasmus+; merkt op dat momenteel 36 % van alle Erasmus+-aanvragen betrekking heeft op het jeugdgedeelte en dat de aanvragen tussen 2014 en 2016 met 60 % zijn toegenomen;

7.  bevestigt het belang van de gestructureerde dialoog over jongeren, een participatief proces dat jongeren en jeugdorganisaties de kans biedt deel te nemen aan en invloed uit te oefenen op de vaststelling van het EU‑jeugdbeleid, en is verheugd over de steun die met het oog daarop vanuit het programma wordt verleend voor nationale werkgroepen en de kernactie 3‑projecten (KA3 gestructureerde dialoog); merkt op dat de Europese vrijwilligersdienst jongeren een intensief leer- en ervaringstraject biedt en een omkadering van hoge kwaliteit vereist; onderstreept dat de toegang tot het Erasmus+-programma primair voorbehouden moet blijven aan het maatschappelijk middenveld;

8.  beseft dat, te oordelen naar de berichten van belanghebbenden op alle niveaus, de uitvoering van het programma de eerste tweeënhalf jaar moeilijk is geweest en voor de nodige problemen heeft gezorgd, maar dat er inmiddels verbeteringen zijn doorgevoerd, hoewel vereenvoudigingen die overal op uniforme wijze zijn doorgevoerd, in veel gevallen een nadelig effect hebben gehad; is van mening dat het terugdringen van bureaucratische obstakels tot een breder en beter toegankelijk programma zou leiden; dringt daarom aan op verdere inspanningen om de bureaucratie in de hele projectcyclus te verminderen en de kosten adequaat en in verhouding tot de begroting of het projecttype vast te stellen; moedigt tegelijkertijd de Commissie aan om de dialoog met de sociale partners, de lokale overheden en het maatschappelijk middenveld te versterken om een zo breed mogelijke toegang tot het programma te verzekeren; betreurt het dat als gevolg van de hoge administratieve lasten Erasmus+-financiering voor kleinere organisaties onbereikbaar kan zijn; is van mening dat de administratieve procedures en de rapportagevereisten dienen te worden vereenvoudigd;

9.  stelt tot zijn spijt vast dat de Commissie geen gegevens over de kwaliteit van de succesvolle projecten verstrekt; benadrukt dat een analyse van de kwaliteit van elk project en een transparante presentatie van de resultaten voor de hand liggende stappen zijn die van de Commissie verwacht mogen worden en die kunnen bijdragen tot een hoger percentage succesvolle aanvragen;

10.  onderstreept dat het doel om de uitvoering eenvoudiger, gebruiksvriendelijker en flexibeler te maken, nog niet is bereikt; betreurt in dit verband dat de programmagids nog steeds niet op alle punten duidelijk en gedetailleerd is en dat de aanvraagformulieren te gecompliceerd zijn, waardoor kleinere, onervaren en niet-professionele aanvragers aanzienlijk worden benadeeld; onderstreept dat het programma verder moet worden verbeterd en gebruiksvriendelijker moet worden, terwijl ook in het oog moet worden gehouden dan het van belang is om tussen verschillende sectoren en groepen begunstigden te differentiëren; betreurt het dat de lange betalingstermijnen binnen Erasmus+ van invloed zijn op de mogelijkheden voor kleinere organisaties om financiering aan te vragen;

11.  verzoekt de Commissie de aanvraagprocedure aanzienlijk te vereenvoudigen en de programmagids sterker aan te passen aan de behoeften van de gebruiker en aan de afzonderlijke sectoren door alle relevante informatie voor elke programmasector in één hoofdstuk te bundelen; verzoekt haar voorts de aanvraagformulieren in alle officiële talen samen met de programmagids ruim voor de indieningstermijn te publiceren en duidelijk aan te geven welke documenten in elk stadium vereist zijn; verzoekt om verduidelijking en vereenvoudiging van het financiële gedeelte van het e-formulier; benadrukt dat voor de evaluatie van de aanvragen een gecoördineerde, consequente beoordeling met steun van onafhankelijke deskundigen noodzakelijk is;

12.  wijst op het belang van duidelijke leerresultaten en specifieke functieomschrijvingen voor de werkervaring die BOO-studenten, trainees, stagiairs en vrijwilligers in het kader van Erasmus+ in het buitenland opdoen; benadrukt dat het integraal deel uitmaakt van de activiteit om de kandidaten voor te bereiden op hun internationale ervaring en dat een dergelijke voorbereiding ook loopbaanbegeleiding en taalcursussen moet omvatten, alsmede cursussen op het vlak van sociale en culturele integratie, met inbegrip van interculturele communicatie, aangezien daarmee hun participatie in de maatschappij wordt bevorderd en hun werk- en leefomstandigheden worden verbeterd; meent dat, gezien de belangrijke rol van meertaligheid bij de verbetering van de inzetbaarheid van jongeren, binnen het Erasmus+-programma meer inspanningen moeten worden geleverd om de meertaligheid te bevorderen en te ondersteunen; is verheugd dat deelnemers aan Erasmus+-projecten vreemde talen beter gaan beheersen, ook de talen van buurlanden, waardoor hun mobiliteit en inzetbaarheid op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt kunnen worden vergroot; is van mening dat de taalcursussen voor inkomende deelnemers aan mobiliteitsprogramma's in samenwerking met de onderwijsinstellingen en de ontvangende bedrijven kunnen worden georganiseerd en kunnen worden afgestemd op hun studiegebied of stage;

13.  herinnert eraan dat ondanks een aanzienlijke verhoging van de totale programmabegroting het MFK slechts in een beperkte verhoging voor de eerste helft van de programmaperiode voorziet, zodat helaas veel projecten van hoge kwaliteit afgewezen moesten worden, waardoor het succespercentage dus laag uitviel en de ontevredenheid onder de deelnemers groot was;

14.  vindt het verheugend dat in 2017 bijna 300 miljoen EUR meer voor het Erasmus+-programma beschikbaar is dan in 2016; onderstreept voorts dat deze middelen deels moeten worden gebruikt voor het verbeteren van de zwakke onderdelen van het programma en vooral voor het verhogen van het aantal succesvolle kwaliteitsprojecten;

15.  wijst erop dat investeringen afkomstig uit de EU‑begroting in het kader van Erasmus+ een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verbetering van vaardigheden, de inzetbaarheid en een verlaagd risico op langdurige werkloosheid voor Europese jongeren, alsmede aan een actief burgerschap en de sociale inclusie van jongeren;

16.  is van mening dat de verhoging van de totale begroting in 2017 met 12,7 % ten opzichte van 2016 en de verdere jaarlijkse begrotingsstijgingen in de resterende jaren zullen resulteren in een hoger succespercentage en een grotere mate van tevredenheid onder de aanvragers; gaat ervan uit dat de Commissie uitvoering geeft aan haar voornemen om voor de resterende programmaperiode 200 miljoen EUR extra toe te kennen, hoewel een nog grotere budgettaire inspanning nodig is om de vraag in ondergefinancierde sectoren, die de beschikbare middelen verre overstijgt, te dekken; wijst erop dat 48 % van de nationale agentschappen (NA's) meldt dat er onvoldoende budget is voor de acties in het kader van het programma;

17.  moedigt de Commissie aan om te analyseren in welke kernacties en sectoren er sprake lijkt te zijn van onderfinanciering, zoals KA2 (strategische partnerschappen), volwasseneneducatie, jongeren, schoolonderwijs, beroepsonderwijs en ‑opleiding (BOO) en hoger onderwijs, en welke het meest zouden kunnen profiteren van de hogere begroting; onderstreept dat het programma onder voortdurend toezicht moet blijven staan om de betrokken gebieden en sectoren op te kunnen sporen en zo snel mogelijk corrigerend op te kunnen treden; benadrukt dat er voldoende middelen voor mobiliteit moeten worden vrijgemaakt, met bijzondere aandacht voor het verhogen van de mobiliteit van ondervertegenwoordigde groepen; benadrukt dat er, om in de behoeften van specifieke sectoren te voorzien, speciale begrotingslijnen voor verschillende sectoren moeten komen; wijst erop dat de begroting uitsluitend mag worden gebruikt als deel van de voorzieningen voor het programma;

18.  onderstreept dat de verspreiding en benutting van resultaten ook wel met virtuele middelen kunnen worden ondersteund, maar dat persoonlijke contacten en gezamenlijke activiteiten van groot belang zijn voor het welslagen van een project en van het programma in zijn geheel; meent in dit verband dat voorlichtingscampagnes in de lidstaten ook seminars en activiteiten moeten omvatten waarin de aspirant-deelnemers persoonlijk kunnen worden ontmoet;

19.  benadrukt tevens dat voor alle deelnemers aan Erasmus+ de ontwikkeling van hun talenkennis een belangrijk punt is; is daarom verheugd over de taalcursussen die de Commissie online aanbiedt, maar wijst erop dat er met het oog op een geslaagde mobiliteit een begeleidend (nationaal, regionaal, lokaal) kader moet worden opgezet, met name voor schoolgaande jongeren en BOO-studenten alsmede personeel, om hen te helpen bij hun integratie in de nieuwe omgeving;

20.  wijst erop dat momenteel slechts 1 % van de jongeren die arbeidsgerelateerde opleidingsprogramma's volgen, waaronder stagiairs, tijdens hun opleiding deelneemt aan mobiliteitsregelingen; wijst erop dat het van essentieel belang is om de nodige voorwaarden te scheppen voor het vergroten van de mobiliteit van leerlingen binnen de EU, zodat zij dezelfde kansen krijgen als studenten in het hoger onderwijs, om op die wijze de doelstellingen met betrekking tot de bestrijding van de werkloosheid, in het bijzonder de jeugdwerkloosheid, te verwezenlijken;

21.  onderstreept het belang van informeel en niet-formeel onderwijs, jeugdwerk, deelname aan sport en vrijwilligerswerk in Erasmus+ als middelen om de ontwikkeling van vaardigheden als burger, in de maatschappelijke omgang en op intercultureel vlak te stimuleren, de sociale inclusie en het actief burgerschap van jongeren te bevorderen en bij te dragen aan de ontwikkeling van hun menselijk en maatschappelijk kapitaal;

22.  benadrukt dat Erasmus en Leonardo voorheen hoofdzakelijk gericht waren op hoger opgeleide jongeren met goede mogelijkheden om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, en te weinig op de meest kwetsbaren; wijst op de EU‑doelstelling om vroegtijdig schoolverlaten en armoede te verminderen; benadrukt dat de lidstaten zich bij de tenuitvoerlegging van Erasmus+ sterk moeten richten op vroegtijdige schoolverlaters, een groep die een groot risico loopt tot armoede te vervallen of werkloos te worden; benadrukt dat aan vroegtijdige schoolverlaters niet de reguliere BOO- en uitwisselingsprogramma's moeten worden aangeboden, maar programma's die gericht zijn op hun behoeften, op eenvoudige toegang en op ongecompliceerde financiering, in combinatie met informele en niet-formele leeromgevingen;

23.  wijst op de nieuwe maatschappelijke uitdagingen en op de voortdurend veranderende inhoud van banen; herinnert eraan dat het Erasmus+-programma jongeren ook voorbereidt op de arbeidsmarkt, en is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de overschakeling van baangerelateerde vaardigheden naar zachte vaardigheden, het bevorderen van de verwerving van horizontale en overdraagbare vaardigheden en competenties, zoals ondernemerschap, ict‑kennis, creatief denken, probleemoplossend denken en een innovatieve geest, zelfvertrouwen, aanpassingsvermogen, teambuilding, projectbeheer, het inschatten en nemen van risico's, alsmede sociale en burgerschapscompetenties die zeer relevant zijn voor de arbeidsmarkt; is van mening dat welzijn op het werk, een goed evenwicht tussen werk en privé en de integratie in de arbeidsmarkt en in de samenleving van personen die zich in kwetsbare situaties bevinden, ook hieronder moeten vallen;

24.  stelt vast dat de garantiefaciliteit voor studentenleningen pas in februari 2015 van start is gegaan, nadat de delegatieovereenkomst met het Europese Investeringsfonds (EIF) in december 2014 was ondertekend, en dat er momenteel slechts vier banken in Frankrijk, Spanje en Ierland van dit innovatieve instrument gebruik maken; betreurt het dat dit financiële instrument geenszins aan de verwachtingen voldoet, want er nemen momenteel slechts 130 masterstudenten deel; wenst dat de leninggarantiefaciliteit kritisch wordt beoordeeld op opzet en toegankelijkheid in heel Europa, en dringt er bij de Commissie op aan om in overleg met het Parlement een strategie voor te stellen voor de herschikking van een deel van de begrotingsmiddelen die in 2020 waarschijnlijk niet zullen zijn besteed; onderstreept dat het totale percentage studenten met een schuld moet worden gevolgd om te garanderen dat de brede financiële instrumenten waarvan in het programma gebruik wordt gemaakt, zich vertalen in een groter aantal personen dat hulp ontvangt;

25.  betreurt het dat organisaties die de amateursport, en met name de gehandicaptensport, op lokaal niveau vertegenwoordigen, sterk ondervertegenwoordigd zijn als projectdeelnemers bij de uitvoering van projecten voor de breedtesport; is verheugd over de invoering van kleine samenwerkingspartnerschappen met geringere administratieve vereisten, want dit is een belangrijke stap om kleinere organisaties in de breedtesport in staat te stellen aan het programma deel te nemen en deze organisaties verder te versterken; onderstreept dat intersectorieel optreden, waardoor in dit geval sport en onderwijs dichter bij elkaar worden gebracht, kan bijdragen aan een oplossing voor deze tekortkoming; merkt op dat deze praktijk ook moet worden uitgebreid naar andere sectoren die via Erasmus+ projectfinanciering ontvangen, met name vrijwilligersorganisaties;

26.  is verheugd over de bijzondere betrokkenheid van het Erasmus+-programma bij de samenwerking en de activiteiten op het gebied van breedtesport; moedigt de Commissie aan om de toegankelijkheid van en de deelname aan het programma te verbeteren voor partijen die aan de basis actief zijn, zoals sportclubs; verzoekt de Commissie na te gaan of de bestaande middelen die in Erasmus+ voor sport beschikbaar zijn, doeltreffend en ten behoeve van de breedtesport worden gebruikt, en, zo niet, mogelijkheden voor verbetering te vinden, met de nadruk op breedtesport en onderwijs om de zichtbaarheid te vergroten, lichamelijke activiteit te bevorderen en sport voor alle burgers in de EU toegankelijker te maken; verzoekt de Commissie om bij alle relevante acties in het kader van Erasmus sterker een sectoroverstijgende benadering van de breedtesport te volgen en activiteiten op dit gebied te coördineren, zodat zij effectief zijn en het gewenste effect sorteren;

27.  benadrukt de meerwaarde van BOO-acties binnen Erasmus+ bij het ondersteunen van de (her)integratie van achterstandsgroepen in beroepsopleidingen c.q. het beroepsonderwijs, zodat zij beter kunnen instromen op de arbeidsmarkt;

28.  dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de betrokken EU‑agentschappen, zoals Cedefop, op aan de kwaliteit en de toegankelijkheid van BOO‑mobiliteitsprogramma's voor iedereen te verbeteren, zodat deze programma's alle deelnemers meerwaarde bieden op het gebied van kwalificatie, erkenning en inhoud, en ervoor te zorgen dat er kwaliteitsnormen worden ingevoerd voor stageprogramma's;

29.  erkent dat het, gezien de hoge jongerenwerkloosheid in enkele lidstaten, een hoofddoel van Erasmus+ is om jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt; hecht er tegelijkertijd veel belang aan dat activiteiten buiten de school, de beroepsopleiding en de studie hun plaats binnen Erasmus+ behouden;

30.  herinnert de Commissie eraan dat personen met een beperking, zoals slechthorenden, bijzondere behoeften hebben, waardoor zij, om deel te kunnen nemen aan het Erasmus+-programma, passende financiering en ondersteuning, zoals gebarentolken, meer informatie en een toereikende toelage nodig hebben; wenst dat de Commissie zich blijft inzetten voor de invoering van nieuwe maatregelen om te waarborgen dat mensen met een beperking een onbelemmerde en niet-discriminerende toegang hebben tot alle programma's waarvoor in het kader van Erasmus+ studiebeurzen worden verleend; acht het zinvol om, indien dit noodzakelijk wordt geacht, binnen de nationale agentschappen "coaches" te benoemen, die advies geven over een optimale toewijzing van de financiële middelen;

31.  beklemtoont dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die in het kader van het Erasmus+-programma beroepsopleidingen aanbieden, financieel of door middel van belastingvoordelen ondersteund moeten worden;

Aanbevelingen

32.  is van mening dat Erasmus+ een van de belangrijkste pijlers is om de Europese bevolking vertrouwd te maken met een leven lang leren; verzoekt de Commissie daarom ten volle gebruik te maken van de dimensie van het programma gericht op een leven lang leren, door de sectoroverstijgende samenwerking in het kader van Erasmus+ te bevorderen en aan te moedigen, waarvoor veel meer ruimte is dan in eerdere programma's, en in de eind 2017 te presenteren tussentijdse evaluatie de sectoroverstijgende samenwerking te evalueren; beseft dat sectoroverstijgende projecten en activiteiten duidelijk maken welke mogelijkheden er zijn om het programma beter te laten presteren; wenst dat onderwijsmobiliteit deel gaat uitmaken van alle programma's voor het hoger en beroepsonderwijs, om het hoger onderwijs en het BOO-stelsel kwalitatief te verbeteren, mensen te helpen bij het verbeteren van hun beroepsvaardigheden, competenties en carrièreontwikkeling, alsook om alle betrokken sectoren sterker bewust te maken van de tijdens de mobiliteit verworven competenties en meer kennis over leren, opleidingen en jeugdwerk te verspreiden; dringt aan op betere mogelijkheden voor BOO-studenten om in een buurland stage te lopen of een deel van hun studie te volgen, bijvoorbeeld via de financiering van de reiskosten van studenten die in hun thuisland blijven wonen;

33.  wijst erop dat Erasmus+ een belangrijk instrument is om de kwaliteit van BOO in de EU te verbeteren; benadrukt dat inclusieve en hoogwaardige BOO en BOO-mobiliteit in Europa op een snel veranderende arbeidsmarkt in economisch en sociaal opzicht een essentiële rol vervullen omdat zij jongeren en volwassenen in staat stellen de professionele en de levensvaardigheden te verwerven die nodig zijn voor de overgang van onderwijs en opleiding naar werk; benadrukt dat BOO en BOO‑mobiliteit gelijke kansen, non‑discriminatie en sociale inclusie moeten bevorderen voor alle burgers, waaronder vrouwen, die ondervertegenwoordigd zijn in BOO, en personen die zich in kwetsbare situaties bevinden, met inbegrip van Roma, werkloze jongeren, personen met een beperking, inwoners van afgelegen en ultraperifere gebieden en migranten; stelt voor om zich ook te richten op laaggeschoolde begunstigden, teneinde hun deelname te verhogen en op die manier het bereik van de programma's te verbeteren;

34.  wijst erop dat er in sommige lidstaten nog steeds sprake is van sociale selectiviteit bij de inschrijving voor mobiliteitsprogramma's; betreurt het dat de ongelijkheid binnen en tussen lidstaten de toegang tot het programma bemoeilijkt, doordat er barrières worden opgeworpen voor aanvragers, en met name voor studenten met een lager inkomen; wijst erop dat een hoog percentage studenten in een mobiliteitsprogramma wordt ondersteund door derden (familie, ouders, partner, lokale instanties die banden met de begunstigden hebben); merkt op dat veel werkstudenten vanwege de mogelijke inkomstenderving afzien van deelname aan een mobiliteitsprogramma; stelt dat het wegnemen van belemmeringen voor de mobiliteit, zoals financiële barrières, en een betere erkenning van internationale werk-/studieresultaten belangrijk zijn om de KA1-doelstellingen te halen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de financiële steun voor personen die om financiële redenen niet kunnen deelnemen, verder te verhogen, en zoekt naar verdere mogelijkheden ter verbetering van hun mobiliteit, om Erasmus+ werkelijk voor iedereen toegankelijk te maken; vraagt de Commissie en de lidstaten voor gendergelijkheid en een gelijke toegang tot het programma te zorgen;

35.  verzoekt de Commissie de mobiliteit in heel Europa ook in crisistijden te verzekeren en aan landen die deelnemen aan de Europese ruimte voor hoger onderwijs, mogelijkheden te blijven bieden om gebruik te maken van Erasmus+;

36.  vreest nog altijd dat Erasmus+ door jongeren en het grotere publiek voornamelijk als programma voor studenten in het hoger onderwijs wordt gezien; beveelt derhalve aan om, met name door middel van een voorlichtingscampagne en publiciteitsactiviteiten met betrekking tot de inhoud van alle programma's, op Europees, nationaal en regionaal niveau niet alleen meer de nadruk te leggen op het zichtbaarder maken van de diverse sectoren waar aanvragen voor kunnen worden ingediend, zoals schoolonderwijs, hoger onderwijs, internationaal hoger onderwijs, BOO, volwassenenonderwijs, jeugd, sport en vrijwilligerswerk, maar ook te wijzen op de mogelijkheid om sectoroverstijgende projecten op te zetten;

37.  is van mening dat de sinds lang in gebruik zijnde merknamen (Comenius, Erasmus, Erasmus Mundus, Leonardo da Vinci, Grundtvig en Jeugd in Actie) en de bijbehorende logo's belangrijke instrumenten zijn om de verscheidenheid van het programma onder de aandacht te brengen; merkt tevens op dat "Erasmus+" de bekendste naam wordt, vooral onder nieuwkomers; benadrukt dat het programma de nieuwe naam "Erasmus+" moet verdedigen en dat er voorts verschillende methoden moeten worden gebruikt om de naamsbekendheid te vergroten; stelt voor dat de Commissie verder de nadruk legt op de relatie tussen het Erasmus+-programma en de merknamen en de grote verscheidenheid aan subprogramma's; verzoekt om toevoeging van de naam "Erasmus+" aan de afzonderlijke programma's (die dan "Erasmus+ Comenius", "Erasmus+ Mundus", "Erasmus+ Leonardo da Vinci", "Erasmus+ Grundtvig" en "Erasmus+ Jeugd in Actie" gaan heten); verzoekt alle belanghebbenden deze namen te blijven gebruiken, met name in publicaties en brochures, om de identiteit van de sectorale programma's te handhaven en te versterken, de herkenbaarheid te vergroten en eventuele verwarring onder de begunstigden tegen te gaan; verzoekt de Commissie de Erasmus+-gids aan de hand van de aloude merknamen te structureren en die namen in de gids steevast te gebruiken;

38.  moedigt de Commissie aan nog sterker te streven naar een open, op raadpleging gebaseerde, transparante werkwijze en haar samenwerking met de sociale partners en maatschappelijke organisaties (inclusief, waar van toepassing, verenigingen van ouders, leerlingen, docenten en niet-onderwijzend personeel en jeugdorganisaties) op alle uitvoeringsniveaus verder te verbeteren; benadrukt dat Erasmus+ een toonbeeld van transparantie voor de Europese Unie moet worden dat als zodanig door haar burgers wordt erkend, zodat een situatie ontstaat waarin alle besluiten en processen volledig transparant worden, met name ten aanzien van de financiële aspecten; herinnert eraan dat volledig transparante besluiten beter te begrijpen zijn voor personen wier projectaanvragen niet zijn gehonoreerd;

39.  wijst op de belangrijke rol van het programmacomité, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1288/2013 tot vaststelling van Erasmus+, bij de uitvoering van het programma en de bevordering van de Europese meerwaarde door middel van een grotere complementariteit en synergie tussen Erasmus+ en beleidsmaatregelen op nationaal niveau; dringt aan op een sterkere rol van het programmacomité bij beleidsbeslissingen; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie over de verdeling van centraal beheerde middelen te blijven delen met het programmacomité;

40.  onderstreept dat IT-instrumenten niet alleen moeten worden gezien als hulpmiddelen voor beheer, toepassing en administratieve processen, maar ook waardevol kunnen zijn om in contact te blijven met de begunstigden en de collegiale contacten tussen de begunstigden te faciliteren, waardoor eventueel tal van andere processen worden ondersteund, bijv. feedback van de begunstigden, wederzijds mentorschap en een grotere zichtbaarheid van het programma;

41.  verzoekt de Commissie zorg te dragen voor een regelmatige informatie-uitwisseling en een goede samenwerking tussen de nationale autoriteiten, de uitvoeringsorganen en maatschappelijke organisaties op Europees niveau en de nationale agentschappen, zowel bij gedecentraliseerde als bij gecentraliseerde acties in het kader van het programma; verzoekt de NA's alle nodige informatie op hun homepage te zetten, waar mogelijk in hetzelfde formaat en met dezelfde inhoud;

42.  vraagt de Commissie en respectievelijk het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur (DG EAC) en het Uitvoerend agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA), om verdere bevordering van gedecentraliseerde acties zoals KA2 mogelijk te maken door financiering voor te stellen die toereikend is en evenredig met de omvang van de acties;

43.  pleit ervoor de samenwerking tussen de NA's en het EACEA verder te versterken om gecentraliseerde acties in het kader van Erasmus+ te bevorderen, de nodige steun te verlenen, het programma sterker onder de aandacht te brengen, aanvullende informatie over het programma aan mogelijke aanvragers te verstrekken en feedback uit te wisselen met het oog op het verbeteren van de uitvoering; verzoekt de Commissie in samenwerking met de nationale agentschappen Europese uitvoeringsrichtsnoeren voor de nationale agentschappen te ontwikkelen; wil dat het contact tussen de Commissie, de NA's, de begunstigden, de vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en het EACEA gemakkelijker verloopt dankzij de ontwikkeling van een communicatieplatform voor de uitwisseling van informatie en goede praktijken, waar alle belanghebbenden kwalitatief goede informatie kunnen opvragen en hun ervaringen en suggesties voor verdere verbeteringen in het programma kunnen delen; benadrukt dat de belanghebbenden en begunstigden moeten worden betrokken bij de vergaderingen van het programmacomité; wijst erop dat dit overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013 zou kunnen worden bereikt door de instelling van vaste subcomités met vertegenwoordigers van de belanghebbenden en begunstigden, de sectorale nationale agentschappen, leden van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van de lidstaten;

44.  verzoekt de Commissie de modaliteiten voor betalingen aan NA's, de aanvraagtermijnen en de toekenningsperioden te evalueren en dienovereenkomstig aan te passen; wijst erop dat de nationale agentschappen flexibeler moeten kunnen omgaan met mobiliteitssubsidies en administratieve kosten ten behoeve van een langer verblijf in het buitenland; moedigt de Commissie aan om de NA's binnen KA's flexibeler met middelen te laten schuiven, zodat zij, uitgaande van de behoeften van de begunstigden, eventuele financieringstekorten kunnen oplossen; stelt voor om dit aan de NA's toe te vertrouwen omdat zij vertrouwd zijn met de eventuele financieringstekorten in hun eigen land; merkt op dat een grotere flexibiliteit inhoudt dat ook meer monitoring en transparantie geboden zijn;

45.  is bezorgd over het afnemende aantal gebundelde projecten in het kader van Leonardo en wenst dat de nationale agentschappen meer ruimte krijgen in hun besluitvorming over de hoogte van de subsidies voor huishoudelijke uitgaven, zodat zij doeltreffender rekening kunnen houden met nationale bijzonderheden als het duale systeem;

46.  is bezorgd over de moeilijkheden die NA's hebben bij de interpretatie en toepassing van de programmavoorschriften, en wijst erop dat 82 % van de Erasmus+-begroting aan gedecentraliseerde acties wordt besteed; verzoekt de Commissie de definities te stoomlijnen en de advisering inzake gedecentraliseerde acties te verbeteren en ervoor te zorgen dat alle NA's de programmavoorschriften consequent toepassen, met inachtneming van gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en procedures voor de projectevaluatie en de administratie, zodat een uniforme, coherente uitvoering van Erasmus+ gewaarborgd is, de beste resultaten voor de EU-begroting worden behaald en fouten worden vermeden;

47.  is van mening dat de prestaties van de NA's geregeld geëvalueerd en verbeterd moeten worden om de resultaten van de door de EU gefinancierde acties te kunnen waarborgen; wijst erop dat de participatieniveaus en de ervaringen van de deelnemers en de partners in dit verband een hoofdrol moeten spelen;

48.  stelt voor dat de organisatiestructuur van de betrokken diensten van de Commissie wordt aangepast aan de opzet van het programma;

49.  dringt erop aan dat de relevante IT‑instrumenten verder worden verbeterd en dat het accent wordt gelegd op het stroomlijnen, de gebruiksvriendelijkheid en het verbeteren van de verbindingen tussen de verschillende instrumenten en niet op de ontwikkeling van nieuwe tools; herinnert er in dit verband aan dat jongeren voor hun communicatie op internet het liefst gebruikmaken van nieuwe IT-instrumenten; onderstreept dat de IT-technologie een belangrijke rol kan spelen bij het vergroten van de zichtbaarheid van het programma;

50.  verzoekt de Commissie de IT‑platforms eTwinning, School Education Gateway, Open Education Europe, EPALE, Europees Jongerenportaal en VALOR verder te ontwikkelen om deze attractiever en gebruiksvriendelijker te maken; verzoekt de Commissie om een evaluatie van deze platforms mee te nemen in de eind 2017 te presenteren tussentijdse evaluatie van Erasmus+;

51.  dringt bij de Commissie aan op optimalisering van de prestaties en de gebruiksvriendelijkheid van de IT‑instrumenten, zoals het mobiliteitsinstrument, of andere ondersteunende IT‑platforms, zoals EPALE (het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa), teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden van het programma maximaal van hun ervaringen kunnen profiteren en dat de grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken worden bevorderd;

52.  verzoekt de Commissie in het programma meer werk te maken van het aspect schoolonderwijs met het oog op meer mobiliteit van leerlingen en vereenvoudiging van de administratieve en financieringsprocedures voor scholen en aanbieders van niet-formeel onderwijs, om zo aan te sluiten bij de algemene doelstelling van Erasmus+ om de sectoroverstijgende samenwerking te bevorderen, en de aanbieders van niet-formeel onderwijs aan te moedigen tot het aangaan van partnerschappen met scholen; moedigt de Commissie aan om binnen het programma de ontwikkeling van het jeugdwerk en het niet-formele onderwijs te versterken door steun te verlenen aan jongerenorganisaties en andere aanbieders van jeugdwerk, en door het jeugdpartnerschap tussen de EU en de Raad van Europe te blijven ondersteunen;

53.  is verheugd over de invoering van twee soorten strategisch partnerschap, een eerste en belangrijke positieve stap om de kansen van kleine organisaties op deelname aan het programma te verhogen, omdat zij vaak moeite hebben om aan de eisen te voldoen en daarom worden gediscrimineerd, hetgeen de reputatie en het gezag van het programma schaadt; verzoekt de Commissie verbeteringen door te voeren die het programma nog aantrekkelijker maken, zodat meer kleine organisaties bij de programma-activiteiten betrokken worden met als uiteindelijk doel dat hun aandeel in het programma groter wordt, voor zover aan de kwaliteitseisen wordt voldaan; is verheugd over de opstelling van Europese uitvoeringsrichtsnoeren en de inrichting van een gedetailleerdere FAQ‑site om de antwoorden over de selectiecriteria beter te ordenen en geselecteerde projecten voor het voetlicht te brengen en zo duidelijkheid te verschaffen omtrent de selectie en kleine organisaties beter te ondersteunen; benadrukt dat er uiteenlopende deelnemende organisaties bij de programma-activiteiten moeten worden betrokken en dat daarbij een evenwicht moet blijven bestaan;

54.  beveelt aan om de subsidiebedragen voor de samenwerking tussen scholen te verlagen ten gunste van het aantal gesubsidieerde projecten, teneinde schooluitwisselingen rechtstreeks te subsidiëren en zodoende meer persoonlijke ontmoetingen tussen mensen uit verschillende cultuur- en taalgebieden mogelijk te maken; onderstreept het belang van persoonlijke ervaringen met mensen met een andere culturele achtergrond, waar het gaat om de bevordering van een Europese identiteit en het fundamentele denkbeeld van Europese integratie, en beveelt aan om te streven naar een maximaal aantal deelnemers, hetgeen zeker voor alle programmadoelstellingen dient te gelden; juicht in dit verband de verbeteringen toe die al hebben plaatsgevonden, maar gaat ervan uit dat de regels in het kader van de strategische partnerschappen door de nationale agentschappen en de Commissie zullen worden versoepeld;

55.  is, gezien de belangrijke rol van meertaligheid bij de bevordering van de inzetbaarheid van jongeren(19), van mening dat binnen het Erasmus+-programma meer inspanningen moeten worden geleverd om meertaligheid te bevorderen en te ondersteunen;

56.  wijst er in het licht van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen voor Europa op dat de Europese aanpak van gemeenschappelijke Europese uitdagingen moet worden versterkt door grootschalige innovatieprojecten te ondersteunen die Europese netwerken van maatschappelijke organisaties uitvoeren op het gebied van onderwijs, opleiding en jongeren; wijst erop dat dit kan worden gedaan door een deel van de totale Erasmus+-financiering van KA2 toe te wijzen aan "Samenwerking voor innovatie en uitwisseling van goede praktijken" in het kader van gecentraliseerde acties;

57.  merkt op dat 75 % van de NA's melding heeft gemaakt van zware administratieve lasten, wat de investeringscapaciteit van de EU‑begroting vermindert en rechtstreekse gevolgen voor de begunstigden dreigt te krijgen; verzoekt DG EAC en het EACEA de uitvoering te verbeteren, vooral wat betreft het aanvraagproces;

58.  is blij dat het systeem van eenheidskosten in het programma is opgenomen om de administratieve lasten tot een minimum te beperken; is ook verheugd over de aanpassingen die de Commissie in 2016 heeft doorgevoerd en voor 2017 heeft gepland; merkt op dat sommige lidstaten dit systeem door regelgevingsvereisten niet kunnen toepassen of de kostenniveaus vergeleken met de reële kosten ontoereikend vinden; beschouwt een verdere verhoging van het eenheidskostenniveau noodzakelijk om de projectdeelnemers voldoende financiële steun te geven, en benadrukt dat verzekerd moet worden dat deelnemers en organisaties uit afgelegen gebieden en grensregio's niet benadeeld worden door het systeem van eenheidskosten; wenst dat het grote persoonlijke engagement, met name van de vele vrijwilligers en docenten en van alle andere deelnemers, op passende wijze wordt beloond; verzoekt om de (her)invoering van aanloopfinanciering voor het leggen van contacten met potentiële samenwerkingspartners of voorbereidende vergaderingen, of bijvoorbeeld een voldoende hoge totale vergoeding om deze kosten te dekken; onderstreept dat transparantie op dit gebied van essentieel belang is, gelet op de transparantievereisten en -doelstellingen voor het gehele Erasmus+-programma;

59.  is verheugd over de vereenvoudiging die is bereikt door forfaitaire bedragen en vaste tarieven te hanteren; moedigt de Commissie aan om na te gaan hoe de gecompliceerde administratieve procedure verder kan worden verbeterd voor de aanvragers in de verschillende sectoren van het programma; maakt zich zorgen over het feit dat NA's melding maken van een hogere auditlast;

60.  wijst op de noodzaak van versterking van de operationele steun aan Europese netwerken uit hoofde van KA3 (Steun voor beleidshervorming), om de mogelijkheden die Erasmus+ biedt, maximaal te kunnen promoten en onder de aandacht te brengen;

61.  verzoekt de Commissie het nodige te doen om vrijwilligerswerk in aanmerking te kunnen nemen als bron van eigen bijdragen aan de projectbegroting, omdat dit de deelname van kleinere organisaties, vooral op sportgebied, gemakkelijker maakt, rekening houdend met het feit dat in Erasmus+ vrijwilligerstijd kan worden beschouwd als cofinanciering in de vorm van bijdragen in natura en dat dit als mogelijkheid wordt genoemd in het nieuwe voorstel van de Commissie voor financiële richtsnoeren; benadrukt dat de bijdrage van vrijwilligers wegens het bijzondere belang voor het programma moet worden erkend en zichtbaar gemaakt, mits er controle plaatsvindt om te waarborgen dat vrijwilligerswerk de investering van overheidsmiddelen aanvult, maar niet vervangt;

62.  erkent de economische en sociale waarde van vrijwilligerswerk en moedigt de Commissie aan om in de verschillende acties in het kader van het programma vrijwilligersorganisaties beter te ondersteunen;

63.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees solidariteitskorps; moedigt de Commissie aan om vrijwilligersorganisaties te betrekken bij de ontwikkeling van dit nieuwe initiatief, zodat het een toegevoegde waarde krijgt bij de versterking van het vrijwilligerswerk in de Europese Unie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om een budgettaire inspanning ten behoeve van dit nieuwe initiatief te leveren, zonder te korten op andere lopende en prioritaire programma's, en wenst dat de mogelijkheid van integratie in de Europese vrijwilligersdienst (EVS) wordt onderzocht om het vrijwilligerswerk in de EU te versterken zonder bestaande programma's en initiatieven nog eens over te doen;

64.  onderstreept dat vrijwilligerswerk een uitdrukking van solidariteit, vrijheid en verantwoordelijkheid is, die bijdraagt tot de versterking van een actief burgerschap en de persoonlijke menselijke ontwikkeling; is van mening dat vrijwilligerswerk ook een essentieel instrument is voor sociale inclusie en cohesie, alsmede voor opleiding, onderwijs en interculturele dialoog, en tegelijkertijd een belangrijke bijdrage levert aan het uitdragen van de Europese waarden; is van mening dat de EVS moet worden erkend voor zijn rol bij de bevordering van de ontwikkeling van vaardigheden en competenties die de EVS‑deelnemers gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt kunnen geven; roept de Commissie en de lidstaten op te waarborgen dat vrijwilligers onder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden kunnen werken, en erop toe te zien dat de arbeidscontracten van vrijwilligers volledig worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat deelnemers aan de Europese vrijwilligersdienst in geen geval worden beschouwd of worden ingezet als onbetaalde werknemers;

65.  wenst dat de besluitvormingstermijn zo kort mogelijk wordt gehouden, dat de beoordeling van aanvragen op coherente en gecoördineerde wijze verloopt en dat bij afwijzing van een aanvraag een transparante, begrijpelijke motivering wordt verstrekt, zodat er onder de deelnemers aan EU-programma's geen drastisch motivatieverlies optreedt;

66.  spoort er nadrukkelijk toe aan om bij de evaluatie van de aanvragen meer transparantie aan de dag te leggen en alle aanvragers een goed doortimmerde reactie te laten toekomen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de begunstigden van het programma over een doeltreffend terugkoppelingssysteem beschikken om eventuele onregelmatigheden in de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma aan de Commissie te melden; verzoekt de Commissie voorts om de uitwisseling van informatie tussen de nationale instanties en de Europese instellingen die belast zijn met de tenuitvoerlegging van het programma, te verbeteren en uit te breiden; moedigt de nationale agentschappen en het EACEA aan om, met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het programma, opleidingsmogelijkheden te bieden aan beoordelaars en regelmatige bijeenkomsten met begunstigden en bezoeken aan projecten te organiseren;

67.  wijst op het belang van versterking van de lokale dimensie van de EVS; stelt voor om aan EVS‑vrijwilligers niet alleen voor hun vertrek, maar ook na hun terugkeer in hun lokale gemeenschap meer steun te verlenen in de vorm van een post-oriëntatie- en post-integratieopleiding, om hen hun Europese deskundigheid met anderen te helpen delen en op lokaal niveau een lans te breken voor vrijwilligerswerk;

68.  is voorstander van grotere doeltreffendheid en efficiëntie door middel van projecten op grotere schaal; merkt echter op dat er een evenwicht moet zijn tussen kleine en grote groepen aanvragers;

69.  verzoekt de Commissie de aangegeven voorfinancieringspercentages zoveel mogelijk voor het hele programma te harmoniseren, zodat alle begunstigden dezelfde voordelen ontvangen en de projectuitvoering, vooral voor kleine organisaties, wordt vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten er bij de selectie van de kandidaten voor het programma voor te zorgen dat grote instellingen niet worden bevoordeeld ten opzichte van kleinere, minder goed ingevoerde instellingen;

70.  wijst op regionale onevenwichtigheden op EU‑niveau en tussen gebieden binnen EU‑lidstaten bij de participatie aan acties die gefinancierd worden via Erasmus+; is bezorgd over de relatief geringe mate van succes van de acties, waarbij binnen de EU grote verschillen optreden; roept op tot gerichte en tijdige acties om de participatie te vergroten en de mate van succes te verhogen, ongeacht de herkomst van de aanvragers, door een deel van de middelen voor specifieke promotie- en bewustmakingscampagnes te gebruiken, vooral in regio's waar nog steeds vrij weinig van de financiering wordt geprofiteerd;

71.  merkt op dat uit de tenuitvoerlegging van Erasmus+ in de regio's van de EU blijkt dat er verschillende financieringsbehoeften en interventieprioriteiten bestaan, waardoor sommige lidstaten de interventie in het kader van het programma dienen te heroriënteren om de kostenefficiëntie van het uitgegeven geld te garanderen;

72.  merkt op dat er ongerechtvaardigde discrepanties bestaan bij de methoden die landen gebruiken om subsidies toe te wijzen; moedigt de Commissie aan onderzoek te doen naar de gevolgen van dergelijke verschillen in een poging de sociaaleconomische scheefgroei in de Europese Unie tot een minimum te beperken; pleit voor een verdere verhoging van de subsidiepercentages en aanpassing aan de kosten van levensonderhoud in het gastland van de mobiliteitsstudent, om de deelname van sociaaleconomisch benadeelde studenten, studenten en personeel met speciale behoeften en studenten en personeel uit afgelegen gebieden te stimuleren;

73.  wijst erop dat het grotere positieve effect van en de hogere vraag naar mobiliteitsbeurzen in oostelijk en zuidelijk Europa niet worden weerspiegeld in het beperkte totale budget voor het programma, hetgeen leidt tot een hoog percentage afgewezen aanvragen; stelt voor dat de Commissie meer in het werk stelt om de mobiliteit van West-Europa naar Oost-Europa te bevorderen;

74.  betreurt het dat de toenemende ongelijkheid tussen en binnen bepaalde lidstaten, alsmede de hoge werkloosheid onder jongeren in de EU de toegang tot het programma bemoeilijken, doordat de mobiliteit van kandidaten uit regio's met lagere inkomens, die zwaarder zijn getroffen door de economische crisis en de bezuinigingen, wordt beperkt; geeft aan dat het Erasmus+-programma en de programma's voor BOO eveneens afgelegen regio's en grensgebieden van de EU moeten bereiken; is van mening dat het een zeer goede zaak zou zijn om de inwoners van deze regio's toegang en gelijke kansen te bieden, als een instrument om de werkloosheid onder jongeren terug te dringen en het economisch herstel te stimuleren;

75.  onderstreept dat subsidies ter ondersteuning van de mobiliteit van personen in het kader van het Erasmus+-programma vrijgesteld dienen te zijn van belastingen en sociale premies;

76.  verzoekt de Commissie om oog te hebben voor het bijzondere karakter van projecten en mobiliteitsprogramma's voor mensen met speciale behoeften en kansarmen; moedigt ertoe aan om de mogelijkheden voor mensen met speciale behoeften en kansarmen, waaronder vluchtelingen, om deel te nemen aan het programma sterker te bevorderen, en wil dat zij gemakkelijker toegang krijgen tot het programma;

77.  onderstreept dat er weliswaar vooruitgang is geboekt bij de erkenning van in het buitenland doorgebrachte studietijden en daar verworven studiepunten, competenties en vaardigheden door niet-formeel en informeel leren, maar dat hier nog steeds problemen bestaan; onderstreept dat de erkenning van internationale kwalificaties essentieel is voor mobiliteit en de basis vormt voor verdere samenwerking in de Europese ruimte voor hoger onderwijs; wijst erop hoe belangrijk het is ten volle gebruik te maken van alle EU-instrumenten voor de validering van kennis, vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor de erkenning van kwalificaties;

78.  benadrukt dat het aantal studenten dat in het kader van Erasmus een deel van zijn opleiding in het buitenland volgt, sinds 2008 gestaag is toegenomen, ondanks de economische, financiële en sociale crisis; wijst erop dat het aantal in het buitenland volbrachte stages tegelijkertijd exponentieel is gestegen; concludeert dat stages door jongeren blijkbaar worden beschouwd als een uitgelezen kans om hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te verbeteren; beveelt de Commissie en nationale agentschappen, organisatoren en instellingen aan rekening te houden met deze ontwikkeling;

79.  benadrukt dat middels het Europees kwalificatiekader(20) duidelijke verbeteringen zijn doorgevoerd op het vlak van erkennings- en valideringssystemen voor diploma's, studiepunten, vaardighedencertificaten en accreditaties van competenties in onderwijs en BOO, maar dat er nog steeds problemen bestaan; benadrukt hoe belangrijk het is om de competenties en kwalificaties die worden vergaard door internationale mobiliteit in welke vorm dan ook – formeel leren, stages bij bedrijven of vrijwilligerswerk en jeugdactiviteiten – goed te documenteren, te valideren, te erkennen en vergelijkbaar te maken binnen het stelsel van het thuisland; verzoekt de Commissie het Europees kwalificatiekader te hervormen, toe te werken naar de versterking ervan en het om te vormen van de huidige aanbeveling tot een krachtiger instrument, om zo het vrije verkeer te ondersteunen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de bestaande Europese instrumenten, zoals Europass, Youthpass en Ecvet, systematisch te benutten en verder te ontwikkelen; dringt aan op de ontwikkeling van gezamenlijke BOO-kwalificaties die kunnen leiden tot de internationale erkenning van kwalificaties; verzoekt de lidstaten de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

80.  wijst erop dat in niet-formele volwasseneneducatie en -opleiding basisvaardigheden en zachte vaardigheden worden bevorderd, zoals sociale en burgerschapscompetenties die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, alsmede voor het welzijn op het werk en een goed evenwicht tussen werk en privé; merkt op dat niet-formele volwasseneneducatie en ‑opleiding een cruciale rol spelen als het erom gaat achterstandsgroepen in de samenleving te bereiken en hen te helpen de vaardigheden te verwerven die hen ondersteunen bij het betreden van de arbeidsmarkt en het zoeken naar een duurzame en hoogwaardige baan of bij het verbeteren van hun arbeidssituatie en het bijdragen aan een democratischer Europa;

81.  verzoekt de Commissie en de lidstaten BOO-programma's te bevorderen en wijst erop dat stageregelingen vormingskansen bieden die voltijdse banen niet vervangen, dat zij stagiairs van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en een behoorlijke beloning moeten verzekeren en dat de taken die een begunstigde moet uitvoeren, in geen geval het karakter mogen hebben van die van een werknemer;

82.  merkt op dat de uitvoering van het lopende programma meer van de NA's vraagt; verzoekt de Commissie voldoende middelen en de nodige steun aan de NA's te verlenen, zodat zij het programma efficiënter kunnen uitvoeren en nieuwe taken kunnen aanpakken die uit de verhoging van de begroting voortvloeien;

83.  verzoekt de Commissie de kwaliteitscriteria die de nationale agentschappen bij projectevaluaties hanteren, in het oog te houden en de uitwisseling van desbetreffende goede praktijken te monitoren; pleit voor opleidingsprogramma's voor beoordelaars, zodat zij zich verder kunnen ontwikkelen, met name op het gebied van sectoroverstijgende projecten, en alle aanvragers kwalitatief goede feedback kunnen geven, om te stimuleren dat in toekomstige projecten de doelstellingen worden gehaald en toekomstige aanvragers beter beslagen ten ijs komen;

84.  is van mening dat kwalitatieve metingen even belangrijk dienen te zijn als kwantitatieve metingen; wenst dat in het kader van Erasmus+ kwalitatieve metingen worden ontwikkeld;

85.  roept de Commissie en de lidstaten op niet‑formele en informele leerresultaten en stages te valideren en te erkennen; moedigt de lidstaten aan jonge leerlingen beter te informeren over de mogelijkheden die voor hen openstaan en opleidingscentra die aan Erasmus+ willen deelnemen beter te begeleiden, maar ook begeleidende maatregelen te treffen om leerlingen die grensoverschrijdende ervaring gaan opdoen in buurlanden, te helpen met het vinden van onderdak en vervoer;

86.  is er voorstander van om de mobiliteit in het onderwijs en in de leerprogramma's en de stageperiodes van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te versterken, teneinde de hoge jeugdwerkloosheid en de geografische onevenwichtigheden binnen de EU terug te dringen;

87.  dringt er bij de Commissie op aan de huidige ongelijke deelname van BOO‑instellingen aan mobiliteitsprogramma's van de EU per land en regio in kaart te brengen, om deze verschillen te verkleinen door middel van een betere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale Erasmus+-agentschappen, steun voor teamwork tussen BOO-instellingen door ervaren BOO-instellingen aan andere instellingen te koppelen, beleidsondersteunende maatregelen en specifieke voorstellen gericht op BOO‑instellingen en verbetering van al bestaande steunregelingen voor BOO‑instellingen;

88.  moedigt de lidstaten aan om ter stimulering van de mobiliteit van leraren, docenten en niet-academisch personeel hun deelname aan mobiliteitsprogramma's in aanmerking te nemen als belangrijke schakel in hun carrièreverloop, en zo mogelijk een beloningssysteem voor de deelname aan mobiliteitsprogramma's in te voeren, bijvoorbeeld in de vorm van financiële voordelen of vermindering van de werklast;

89.  verzoekt de nationale agentschappen bij de evaluatie van projecten volledige transparantie in acht te nemen door de lijst van geselecteerde projecten te publiceren, met opgave van de actuele stand van zaken en de toegekende financiële steun;

90.  pleit ervoor om in KA1 de praktijken die in Comenius het best functioneren, voort te zetten, zoals het bevorderen van uitwisselingen van schoolklassen en de mogelijkheid voor leden van het schoolpersoneel om individueel een mobiliteitssubsidie in het kader van KA1 aan te vragen;

91.  merkt op dat veel projecten in KA2 ondanks de hoge kwaliteit zijn afgewezen omdat de financiële middelen beperkt zijn; moedigt de Commissie aan punten aan deze projecten toe te kennen en zo te helpen bij het aantrekken van gelden uit andere bronnen; moedigt de lidstaten aan hun waardering voor de projecten waaraan punten zijn toegekend, kenbaar te maken door voorrang te geven aan overheidsfinanciering van de uitvoering, als hiervoor financiële middelen kunnen worden gevonden;

92.  verzoekt de Commissie te blijven zoeken naar een oplossing voor de financieringsproblematiek van in Brussel gevestigde Europese organisaties, teneinde hun bijdrage aan de ontwikkeling van Europees beleid op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport te ondersteunen;

93.  neemt kennis van de problemen waarmee NA's te maken hebben bij de toepassing van internationale mobiliteit van studiepunten (International Credit Mobility, ICM); vraagt om meer flexibiliteit voor de NA's, zodat zij middelen van bepaalde landen en regio's naar andere kunnen verschuiven om te voldoen aan de samenwerkingsprioriteiten van de instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);

94.  wijst op het afnemende aantal individuele mobiliteitsdeelnemers buiten Erasmus+, aangezien de Europese IHO's de voorkeur geven aan een geïnstitutionaliseerd mobiliteitssysteem; moedigt de Commissie en de nationale autoriteiten aan om individuele kandidaten weer de kans te geven op deelname aan een mobiliteitsprogramma;

95.  moedigt de Commissie aan het BOO-systeem te versterken door nieuwe organisaties en kleinere instellingen te interesseren voor subprogramma's van Leonardo da Vinci, naast steunverlening bij het aanvragen van passende financiering door middel van meer advisering, onlinecursussen en gepersonaliseerde hulp bij de voorbereiding van kwalitatief goede financieringsaanvragen via contacten met de nationale agentschappen voor het Erasmus+-programma;

96.  pleit ervoor de Europese ruimte voor hoger onderwijs over de hele wereld te promoten en ook individuele kennis wereldwijd te bevorderen door alle relevante partijen (lidstaten, IHO's, verenigingen van hoger onderwijs) te stimuleren om het gezamenlijke masterdiploma van Erasmus Mundus aantrekkelijker te maken van IHO's en mogelijke kandidaten;

97.  pleit voor een grotere betrokkenheid van de NA's bij de beleidsontwikkeling op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport door de contacten tussen Commissie, lidstaten en nationale agentschappen aan te halen;

Volgende programmaperiode

98.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om voor studenten, instellingen en gastbedrijven die bij Erasmus+-projecten zijn betrokken, en dan met name degenen die deze mogelijkheid momenteel onvoldoende benutten, de procedures te vereenvoudigen en de hoge administratieve belasting te verminderen, met als doel de gelijke toegang te bevorderen en de registratie-, validerings- en erkenningsprocedures te vereenvoudigen; stelt dat de informatie met betrekking tot dit programma, met het oog op de bevordering van de betrokkenheid, in alle officiële talen van de EU moet worden verstrekt; roept de Commissie en de nationale agentschappen op de toelatingscriteria te standaardiseren zodat het programma toegankelijk wordt voor een zo groot mogelijk aantal kandidaten;

99.  stelt voor om af te zien van verdere harmonisatie en grote veranderingen in de structuur van het programma en prioriteit toe te kennen aan het veilig stellen en consolideren van het bereikte en, waar nodig, het periodiek uitvoeren van verbeteringen;

100.  beveelt aan om, zowel ten behoeve van de werkgelegenheid onder jongeren als voor het onderwijs aan volwassenen in Erasmus+, een grotere betekenis en meer zichtbaarheid te verlenen aan niet-formeel onderwijs, omdat dergelijk onderwijs belangrijk is voor het Europees burgerschap en voor de bevordering van de democratie en het waardenonderwijs; wijst er echter op dat het programma op grond van zijn naam vaak alleen met formeel onderwijs wordt geassocieerd;

101.  verzoekt de Commissie de relevante partijen te betrekken bij de werkzaamheden voor de volgende financieringsperiode van het programma en bij de invoering van mogelijke verbeteringen om te garanderen dat het programma succesvol blijft en meerwaarde biedt;

102.  beveelt aan om in Erasmus+ de sectoroverstijgende mobiliteit van personen binnen KA1 verder te ontwikkelen, zodat studenten, docenten, opleiders, leerlingen, werknemers en jongeren hiervan maximaal kunnen profiteren;

103.  verzoekt om de opstelling van een duidelijk definitie van sectoroverstijgende projecten om verwarring als gevolg van een onjuiste indeling van projecten te voorkomen;

104.  wenst niet alleen dat in het nieuwe MFK de huidige begrotingsomvang voor de volgende programmageneratie wordt gehandhaafd, maar is van mening dat een verdere verhoging van de begroting, waarmee voor de volgende programmageneratie ten minste hetzelfde jaarlijkse financieringsniveau gegarandeerd wordt als dat van het laatste uitvoeringsjaar van het huidige kader, een conditio sine qua non is om het succes van het programma te kunnen bestendigen; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid van een hogere voorfinanciering onderzoekt;

105.  is verheugd over de opzet van het programma en verzoekt de Commissie om in het voorstel voor de volgende generatie programma's, gelet op hun specifieke kenmerken, de afzonderlijke hoofdstukken en de afzonderlijke begrotingen voor onderwijs en opleiding, voor jeugd en voor sport te handhaven en de aanvraagformulieren, rapportagesystemen en voorschriften voor de ontwikkelde producten sectorspecifiek aan te passen;

106.  moedigt de nationale agentschappen aan om de beschikbare begrotingen voor elke kernactie en voor elke sector na elke aanvraagronde eenvoudig toegankelijk te maken, zodat de aanvragers hun toekomstige acties strategisch kunnen plannen, en roept hen op de resultaten van de selectie en de begrotingslijnen van projecten te publiceren, zodat op passende wijze extern toezicht kan worden uitgeoefend op het programma;

107.  verzoekt de Commissie de hoogte van de financiële steun, waaronder de forfaitaire bedragen voor reis- en verblijfskosten, regelmatig te evalueren teneinde ervoor te zorgen dat de bedragen overeenkomen met de daadwerkelijke kosten van levensonderhoud en dat het maken van schulden tijdens de studieperiode wordt voorkomen, en zo tegen te gaan dat personen met minder financiële middelen en/of speciale behoeften worden gediscrimineerd en in de steek gelaten;

108.  wijst erop dat het programma in de jeugdsector specifiek op achterstandsgroepen is gericht; stelt voor de strategie voor inclusie en diversiteit uit te breiden naar alle programmasectoren om de sociale inclusie te bevorderen en de deelname van mensen met speciale behoeften en kansarmen aan het Erasmus+-programma te stimuleren;

109.  verzoekt de Commissie om indiening en de lidstaten om goedkeuring van een voorstel voor een kwaliteitskader voor leerlingenplaatsen en een voorstel inzake grotere mobiliteit voor leerlingen, teneinde leerlingen, stagiairs, trainees en BOO-studenten te verzekeren van een pakket rechten en er daarmee voor te zorgen dat ze afdoende worden beschermd en dat deze mobiliteitsprogramma's geen vervanging vormen voor standaardarbeidsovereenkomsten; dringt aan op hoogwaardige en bezoldigde stageplaatsen en verzoekt de lidstaten melding te maken van situaties waarin de voorwaarden met betrekking tot de taken of rechten van begunstigden van Erasmus+ worden geschonden;

110.  vraagt de Commissie samen met de lidstaten te ijveren voor een nauwere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en belangrijke betrokkenen (lokale/regionale overheden, sociale partners, de private sector, jongerenvertegenwoordigers, BOO-instanties, onderzoeksorganisaties en organisaties uit het maatschappelijk middenveld) om de onderwijs- en BOO-stelsels beter op de daadwerkelijke behoeften van de arbeidsmarkt af te stemmen, en ervoor te zorgen dat deze samenwerking in Erasmus+ tot uiting komt; is van mening dat de actieve betrokkenheid van de begunstigden en alle belanghebbenden bij de opzet, de organisatie, de monitoring, de uitvoering en de evaluatie van het programma het voortbestaan, het succes en de toegevoegde waarde ervan verzekert;

111.  pleit ervoor om toe te staan dat mobiele studenten hun studie in het buitenland combineren met een aan de studie gerelateerde stage binnen het programma, om zo hun verblijf in het buitenland te ondersteunen, de sociale selectiviteit te verminderen, het aantal mobiele studenten te verhogen, de vaardigheden van de studenten te vergroten en het raakvlak tussen hoger onderwijs en het arbeidsleven te verbreden; vraagt de Commissie om haar aandacht bij het toekennen van Erasmus+-beurzen in het bijzonder te richten op de langetermijnmobiliteit van leerlingen;

112.  wijst op de asymmetrieën tussen de lidstaten wat de toelatingscriteria voor het Erasmus+-programma betreft; wenst dat de Commissie ervoor zorgt dat de voorschriften van het programma door de nationale agentschappen op een geharmoniseerde wijze worden toegepast, waarbij gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en procedurele praktijken worden nageleefd, zodat de interne en externe samenhang van het Erasmus+-programma wordt gewaarborgd en het programma uitgroeit tot een echt Europees programma; verzoekt de Commissie in dit verband om voor de nationale agentschappen een Europese leidraad op te stellen inzake de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma; stimuleert de nationale agentschappen, die een wezenlijke rol moeten spelen in het monitoringsproces, om zich ook toe te leggen op het opzetten of ondersteunen van een forum voor een constructieve dialoog tussen de autoriteiten die in de lidstaten met het onderwijs- en arbeidsmarktbeleid zijn belast; is groot voorstander van betere coördinatie tussen de agentschappen, teneinde projecten die betrekking hebben op vergelijkbare onderwerpen op elkaar af te stemmen;

113.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de opleidingsmogelijkheden voor BOO‑studenten in het buitenland te vergroten en BOO neer te zetten als een manier bij uitstek om een baan te vinden en een veelbelovende loopbaan te starten, om alle burgers, van jong tot oud, van toegang te verzekeren en om passende financiering te verstrekken, aangezien de financiële middelen die voor BOO worden uitgetrokken, niet in verhouding staan(21) tot het aantal personen dat zich voor de beschikbare mobiliteitsprogramma's zou kunnen aanmelden; is er groot voorstander van om de BOO-mobiliteitsprogramma's doeltreffend te bevorderen en aan te moedigen onder vrouwen en is van mening dat in dit verband door de lidstaten ambitieuze doelstellingen moeten worden vastgesteld en nauwlettend moet worden toegezien op de vorderingen;

114.  merkt op dat er een herdefinitie van banen en vaardigheden gaande is, met name als gevolg van de voortgaande transitie naar een meer gedigitaliseerde economie, waarbij zowel nieuwe bedrijfsbehoeften als toekomstgerichte sectoren ontstaan; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het Erasmus+-programma deze realiteit weerspiegelt;

115.  roept ertoe op meer ruchtbaarheid te geven aan de mobiliteitsprogramma's voor gevorderde niveaus van hoger onderwijs, om de mobiliteit tussen onderzoekscentra in Europa te waarborgen en de beoogde internationalisering van de Europese universiteiten dichterbij te brengen;

116.  onderstreept dat mensen meer bewust moeten worden gemaakt van Erasmus+ als een middel om hun vaardigheden te bevorderen en een extra dimensie toe te voegen, waarbij een juiste benadering van dit instrument moet worden gehanteerd met het oog op het waarborgen van de doeltreffendheid ervan, terwijl wordt uitgesloten dat het louter een levenservaring blijft;

117.  verzoekt de Commissie met actuele statistieken te komen over en vervolgonderzoeken uit te voeren naar de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, en zich hierbij in het bijzonder te richten op de benuttingsgraad onder jongeren, uitgesplitst naar regio en geslacht, het effect op de inzetbaarheid, het type werkgelegenheid, de werkgelegenheidsgraad, de gevolgen ervan voor de lonen en de vaststelling van eventuele verbeterpunten; vraagt de Commissie om te analyseren waarom sommige landen meer aanvragen voor BOO-mobiliteit indienen, waar de genderkloof het grootst is en waarom of waar meer aanvragen worden ingediend door personen met een beperking, en om een plan op te stellen om de betrokkenheid van de andere landen te vergroten; roept de nationale agentschappen in de lidstaten daarom op nauw samen te werken bij de uitwisseling van informatie en statistieken; stelt dat de resultaten van de onderzoeken en de statistieken bij de volgende tussentijdse herziening van Erasmus+ moeten worden meegenomen en geanalyseerd;

118.  herinnert eraan dat Erasmus+ in tijden van ernstige crisis ten aanzien van de fundamentele waarden van de EU, een ideale kans kan bieden om de integratie van en het wederzijds begrip en de solidariteit tussen jongeren te bevorderen; wenst derhalve dat de integratie van jongeren wordt bevorderd door hen zowel kennis over andere culturen en tradities als wederzijds en onontbeerlijk respect voor die culturen en tradities bij te brengen;

119.  stelt voor dat de Commissie ondernemerschap in onderwijs en opleiding handhaaft als één van de doelstellingen van een nieuw Erasmus+-programma voor de volgende financieringsperiode (na 2020), waarin mobiliteit een plaats heeft en de volgende aspecten aan bod komen:

   (i) een zorgvuldige beoordeling van het effect van de huidige maatregelen ter bevordering van ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding, en een eventuele aanpassing ervan, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de gevolgen voor ondervertegenwoordigde en kansarme groepen;
   (ii) bevordering van beter gedefinieerde leerprogramma's en instrumenten voor formeel en informeel onderwijs dat op alle studenten is gericht – zowel theoretische modules als praktische modules, zoals ondernemingsprojecten van studenten;
   (iii) bevordering van partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, ondernemingen, non-profitorganisaties en aanbieders van niet-formeel onderwijs, zodat geschikte cursussen ontwikkeld kunnen worden en studenten de vereiste praktische ervaring opdoen en de nodige voorbeelden te zien krijgen;
   (iv) ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van ondernemingsprocessen, financiële kennis, ICT‑kennis en ‑vaardigheden, creatief denken, probleemoplossend denken en een innovatieve geest, zelfvertrouwen, aanpassingsvermogen, teambuilding, projectbeheer, het inschatten en nemen van risico's, alsmede specifieke commerciële kennis en vaardigheden;
   (v) aandacht voor het feit dat niet‑formeel leren en informeel leren een geprivilegieerde omgeving bieden voor het verwerven van ondernemingsvaardigheden;

120.  moedigt de lidstaten aan te blijven deelnemen aan het Erasmusprogramma voor jonge ondernemers en dit programma te promoten bij jongeren die een zakelijk project willen opstarten, zodat deze jongeren ervaring in het buitenland kunnen opdoen en nieuwe vaardigheden kunnen verwerven die hen zullen helpen om van hun ondernemerschap een succes te maken;

121.  is een groot voorstander van intercollegiaal leren na studie, opleiding en werken in het buitenland, om de impact van Erasmus+ op lokale gemeenschappen te vergroten; wijst erop dat de uitwisseling van goede praktijken essentieel is om de kwaliteit van Erasmus+-projecten te verbeteren; is ingenomen met het Erasmus+-platform voor de verspreiding van projectresultaten en dringt aan op een daadkrachtigere aanpak voor de uitwisseling van goede praktijken en voor internationale uitwisselingen van standpunten tussen nationale agentschappen, partners en begunstigden van het programma; roept de Commissie op kandidaten voor het programma te ondersteunen bij hun zoektocht naar internationale partners, door gebruikersvriendelijke platforms te ontwikkelen waarop publieksinformatie over de diverse begunstigden en hun projecten wordt samengevoegd;

122.  vraagt de Commissie om de programmagids te verbeteren en gebruiksvriendelijker en begrijpelijker te maken en om aparte informatiefolders op te stellen over alle kernacties; verzoekt de Commissie de administratieve lasten te verlagen door de aanvraagprocedure te vereenvoudigen;

123.  ondersteunt de ontwikkeling van instellingen voor volwassenenonderwijs door docenten, schoolleiders, opleiders en overig onderwijspersoneel permanent mogelijkheden te bieden op het gebied van professionele ontwikkeling en mobiliteit; moedigt de ontwikkeling van vaardigheden en competenties aan, met name op het gebied van doeltreffend ICT‑gebruik in het volwassenenonderwijs, teneinde de leerresultaten te verbeteren; onderstreept hoe belangrijk het is om goede praktijken uit te wisselen;

124.  is ingenomen met de ontwikkeling van proefprojecten zoals het "Europees kader voor de mobiliteit van leerlingen: Europees burgerschap en Europese vaardigheden bevorderen door middel van de integratie van jongeren in de arbeidsmarkt", dat gericht is op de uitvoering van kosteneffectieve grensoverschrijdende stagemobiliteitsregelingen tussen BOO-instellingen, bedrijven en/of andere relevante organisaties, op de formele erkenning en validering van leerresultaten en op de ondersteuning van de wederzijdse erkenning van diploma's, alsook het project "Mobiliteit van jongeren die een beroepsopleiding volgen – een grotere mobiliteit van jongeren", dat de mobiliteit van jongeren in het beroepsonderwijs moet verbeteren; verzoekt de Commissie om deze twee proefprojecten doeltreffend ten uitvoer te leggen en op de lange termijn op te nemen in het Erasmus+-programma;

125.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om Europese maatschappelijke organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jongeren en sport van meer structurele langetermijnondersteuning in de vorm van exploitatiesubsidies te verzekeren, omdat deze organisaties Europese burgers en ingezetenen leermogelijkheden en participatieruimten bieden voor de ontwikkeling en uitvoering van Europees beleid;

126.  roept de Commissie op na te denken over een passende oplossing voor de situatie van de in Brussel gevestigde Europese niet-gouvernementele organisaties die middelen aanvragen bij Belgische nationale agentschappen;

o
o   o

127.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(3) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(4) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(5) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 77.
(6) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(7) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 31.
(8) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(9) PB C 70 van 8.3.2012, blz. 9.
(10) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 32.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(12) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(13) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(14) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0106.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0291.
(18) http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/repository/education/library/study/2014/erasmus-impact_en.pdf
(19) Science and Policy Report on Languages and Employability, GCO, 2015.
(20) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(21) Volgens de Commissie was het succespercentage van de in aanmerking komende aanvragen voor BOO‑mobiliteit in het kader van Erasmus+ in 2016 42 %, dit vanwege een gebrek aan financiële middelen. De situatie is met de jaren verslechterd: in 2014 was het succespercentage nog 54 %, maar in 2015 daalde het naar 48 %. Hoewel met de jaren een lichte stijging van de financiële middelen kon worden waargenomen, is de vraag veel sneller toegenomen. Vanwege de beperkte middelen van Erasmus+ is het echter uitgesloten dat de financiering gelijke tred houdt met de vraag.

Juridische mededeling