Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 15 februari 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada en de EU ***
 Overeenkomst inzake een strategisch partnerschap tussen de EU en Canada ***
 Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Mongolië ***
 Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Mongolië (resolutie)
 Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen (bijlage wat de daaronder vallende producten betreft) ***
 Kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen ***I
 Verslag 2016 over Albanië
 Verslag 2016 over Bosnië en Herzegovina
 Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2017
 Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017
 Governance van de interne markt binnen het Europees semester 2017
 De bankenunie – jaarverslag 2016
 Biologische pesticiden met een laag risico

Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada en de EU ***
PDF 240kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (10975/2016 – C8-0438/2016 – 2016/0205(NLE))
P8_TA(2017)0030A8-0009/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10975/2016),

–  gezien het ontwerp van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (10973/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 153, lid 2, artikel 192, lid 1, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0438/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0009/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Canada.


Overeenkomst inzake een strategisch partnerschap tussen de EU en Canada ***
PDF 237kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de strategische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Canada, anderzijds (14765/2016 – C8-0508/2016 – 2016/0373(NLE))
P8_TA(2017)0031A8-0028/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (14765/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst inzake een strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Canada, anderzijds (5368/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 31, lid 1, en artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede krachtens artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0508/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0028/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Canada.


Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Mongolië ***
PDF 240kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds (08919/2016 – C8-0218/2016 – 2015/0114(NLE))
P8_TA(2017)0032A8-0382/2016

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08919/2016),

–  gezien het ontwerp voor de kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds (07902/1/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0218/2016),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 15 februari 2017(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0382/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Mongolië.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0033.


Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en Mongolië (resolutie)
PDF 295kWORD 52k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds (08919/2016 – C8-0218/2016 – 2015/0114(NLE)2016/2231(INI))
P8_TA(2017)0033A8-0383/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08919/2016),

–  gezien de ontwerpkaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds (07902/1/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0218/2016),

–  gezien de ondertekening van de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking (of "partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst", PSO) op 30 april 2013 in Ulaanbaatar, in aanwezigheid van de vicevoorzitter van de Europese Commissie / Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Catherine Ashton,

–  gezien de overeenkomst inzake handel en economische samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en haar lidstaten en Mongolië, die op 1 maart 1993 in werking is getreden,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 15 november 2005 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende een wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) om de Bank in staat te stellen werkzaamheden in Mongolië te financieren(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(2),

–  gezien zijn resoluties van 16 december 2015(3) en 14 maart 2013(4) over de betrekkingen EU-China, met name overweging Y van de laatstgenoemde resolutie,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2012 over het standpunt van het Parlement inzake de 19e zitting van de VN-Raad voor de rechten van de mens(6), met name paragraaf 30,

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2013 over de aanbevelingen van de NPV-toetsingsconferentie inzake de realisatie van een Midden-Oosten dat vrij is van massavernietigingswapens, met name overweging F(7),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(8),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 15 februari 2017 over het ontwerp van besluit(9),

–  gezien de opneming van Mongolië in de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+) van het stelsel van algemene preferenties van de EU,

–  gezien de langdurige betrekkingen tussen de delegaties van het Europees Parlement en de Grote Staats Hural (het Mongolische parlement), en met name de gezamenlijke verklaring van de op 17 februari 2015 in Ulaanbaatar gehouden 10e interparlementaire vergadering (IPV),

–  gezien het voorzitter- en gastheerschap van Mongolië van de op 15-16 juli 2016 in Ulaanbaatar gehouden 11e Azië-Europa-top (ASEM), en van de op 21-22 april 2016 in Ulaanbaatar gehouden 9e vergadering van het Parlementair Samenwerkingsverband Azië-Europa (ASEP), en gezien de respectieve door beide vergaderingen aangenomen verklaringen,

–  gezien de actieve rol van Mongolië in de Parlementaire Vergadering van de OVSE, waaronder het gastheerschap van haar op 15-18 september 2015 in Ulaanbaatar gehouden najaarsvergadering,

–  gezien de verkiezing van Mongolië tot lid van de VN-Mensenrechtenraad voor de periode 2016-2018, en zijn verklaarde ambitie om in 2022 lid van de VN-Veiligheidsraad te worden,

–  gezien het voorzitterschap van Mongolië van de Gemeenschap van democratieën in 2012-2013 en van de Freedom Online Coalition in 2015,

–  gezien de voorlopige bevindingen en conclusies van de internationale verkiezingswaarnemingsmissie voor de parlementsverkiezingen van 29 juni 2016 in Mongolië, waarbij het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (OVSE/ODIHR) en het Europees Parlement waren betrokken,

–  gezien de toespraak van de president van Mongolië, Tsakhiagiin Elbegdorj, van 9 juni 2015 tot de plenaire vergadering van het Europees Parlement,

–  gezien de diverse onderlinge ontmoetingen en bezoeken op hoog niveau, waaronder het bezoek aan Mongolië door de voorzitter van de Europese Commissie, José Barroso, in november 2013,

–  gezien het op het "derde buur"-concept gebaseerde buitenlands beleid van Mongolië, dat betrekkingen met de EU, de VS, Japan, Zuid-Korea, India, Iran, de landen van Centraal-Azië en andere landen behelst,

–  gezien de strategische partnerschappen van Mongolië met Rusland en China,

–  gezien de waarnemersstatus van Mongolië in de Shanghai-samenwerkingsorganisatie (SSO),

–  gezien de regelmatige trilaterale bijeenkomsten op hoog niveau tussen Mongolië, Rusland en China en tussen Mongolië, Japan en de VS,

–  gezien de initiatieven om verschillende economische projecten in de regio te integreren, waaronder de Nieuwe Zijderoute van China, de Trans-Euraziatische Snelweg van Rusland en de Prairieweg van Mongolië,

–  gezien het in 2012 overeengekomen individuele partnerschaps- en samenwerkingsprogramma van Mongolië met de NAVO,

–  gezien de verklaring van Mongolië van september 2015 inzake zijn voornemen om te streven naar de permanente status van neutraal land,

–  gezien de zelfverklaarde status van kernwapenvrij land van Mongolië, die in september 2012 is erkend door de VN,

–  gezien het internationaal samenwerkingsfonds van Mongolië, waarmee wordt beoogd ervaringen te delen met ander landen die een democratische transformatie ondergaan, zoals Myanmar, Kirgizië en Afghanistan,

–  gezien de inspanningen die zijn gericht op het kweken van vertrouwen, zoals de dialoog van Ulaanbaatar over veiligheid in Noordoost-Azië, waaraan ook Noord-Korea deelneemt, en het Forum van Azië,

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité tegen foltering over het tweede periodieke verslag over Mongolië dat is vastgesteld in augustus 2016,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0383/2016),

A.  overwegende dat Mongolië kan dienen als democratisch model voor de andere opkomende democratieën in de regio, maar ook voor de regimes met meer autoritaire neigingen;

B.  overwegende dat de Europese Gemeenschappen op 1 augustus 1989 diplomatieke betrekkingen met Mongolië hebben aangeknoopt;

C.  overwegende dat de EU en Mongolië vriendschappelijke betrekkingen onderhouden op basis van politieke, maatschappelijke, economische, culturele en historische banden;

D.  overwegende dat de EU en Mongolië veel convergerende standpunten hebben met betrekking tot de meeste grote internationale uitdagingen en dat Mongolië een constructieve rol speelt in internationale betrekkingen en met name in multilaterale organisaties;

E.  overwegende dat de betrekkingen van de EU met Mongolië voornamelijk gericht zijn op projecten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking die erop gericht zijn het land in staat te stellen sturing te bieden aan de lopende snelle transformatie naar een sociaal inclusieve en economisch duurzame ontwikkeling van de samenleving;

F.  overwegende dat Mongolië belangstelling heeft in de verdere ontwikkeling van de betrekkingen met de EU en het uitbreiden van de bestaande samenwerking op een wijze die verder gaat dan ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking het toenemende belang benadrukt van de betrekkingen tussen de EU en Mongolië op basis van gedeelde principes als gelijkheid, wederzijds belang, democratie, de rechtstaat en mensenrechten en formeel de mogelijkheid biedt aan beide partijen om nieuwe gebieden voor samenwerking te ontwikkelen, bijvoorbeeld betreffende ondernemingen, handel, ontwikkeling, landbouw, milieu, energie en modernisering van de staat, maar ook onderwijs, cultuur en toerisme;

G.  overwegende dat de ontwikkeling van de betrekkingen van de EU met Mongolië nog steeds onder de verantwoordelijkheid vallen van de delegatie van de EU in Peking; overwegende dat Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Italië momenteel hun eigen ambassade hebben opgericht in Ulaanbaatar;

Algemene bepalingen

1.  waardeert de vriendschappelijke en constructieve betrekkingen tussen de EU en Mongolië;

2.  onderkent de specifieke geografische ligging van Mongolië tussen China, Rusland, de landen van Centraal-Azië en Noordoost-Aziatische landen, met hun grote potentieel voor de wereldeconomie, het belang van Mongolië voor stabiliteit in de regio, de in de regio tamelijk uitzonderlijke en goed gewortelde democratische traditie van Mongolië en de constructieve rol die Mongolië speelt door bij te dragen tot het vinden van vreedzame oplossingen voor de conflicten en confrontaties in de regio en deze te faciliteren en door regionale economische integratie te bevorderen;

3.  stelt vast dat de democratische transformatie die in de jaren negentig van de vorige eeuw is begonnen, consistent wordt doorgevoerd; erkent de tastbare vooruitgang die is geboekt op het gebied van sociaaleconomische hervormingen; neemt niettemin kennis van de problemen op de gebieden van duurzame ontwikkeling en economie, financieel beheer, goed bestuur, corruptiebestrijding, sociale zekerheid, milieubescherming en politieke polarisatie, die worden versterkt door een in toenemende mate uitdagende internationale omgeving;

Institutioneel kader en diplomatieke vertegenwoordiging

4.  is ingenomen met de op verdieping en uitbreiding gerichte aard van de betrekkingen tussen de EU en Mongolië, die tot uiting komt in de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking (PSO) en die onder meer gericht is op politieke dialoog en mensenrechten, handel en ontwikkelingshulp, en met de samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, energie, klimaatverandering, onderzoek en innovatie, en onderwijs en cultuur, die van groot belang zijn voor het bevorderen van economische diversificatie en het oplossen van de huidige economische problemen, evenals voor de langetermijntransformatie van een van oorsprong nomadische samenleving;

5.  is ingenomen met de instelling van een gemengd comité, dat krachtens artikel 56 van de overeenkomst belast wordt met de tenuitvoerlegging van de PSO, en spoort dit comité aan om regelmatig verslag uit te brengen aan zowel het Europees Parlement als het Mongolische parlement;

6.  dringt er bij de drie lidstaten die dat nog niet hebben gedaan op aan hun nationale ratificatieproces met spoed te voltooien om de reeds lang vereiste sluiting en inwerkingtreding van de PSO mogelijk te maken;

7.  benadrukt de noodzaak van een verdere versterking van de parlementaire dimensie van de betrekkingen tussen de EU en Mongolië; betreurt het ontbreken in de tekst van de PSO van artikelen die een parlementaire samenwerkingscommissie in het kader van de PSO instellen voor de democratische controle op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de verbetering van de politieke dialoog tussen de twee parlementen; roept derhalve op tot onderhandelingen over een nieuw protocol om deze situatie te verhelpen die zo snel mogelijk moeten plaatsvinden, onder voorbehoud van artikel 57 van de PSO over toekomstige samenwerking, zoals eerder op is aangedrongen door het Europees Parlement en het Mongolische parlement in de gezamenlijke verklaring van de 10e interparlementaire vergadering;

8.  maakt zich zorgen om het feit dat de diplomatieke betrekkingen met Mongolië nog steeds worden onderhouden vanuit de EU-delegatie in China; dringt er met klem bij de Raad en de VV/HV op aan het verbindingskantoor van de Europese Unie in Ulaanbaatar om te vormen tot een volwaardige delegatie van de Europese Unie, als maatregel die van het allergrootste belang is met het oog op het vergemakkelijken van de politieke dialoog en de samenwerking op het vlak van mensenrechten en democratie, het vergroten van de capaciteit om EU-hulpprojecten uit te voeren en er toezicht op te houden, en het bevorderen van de handel in goederen en diensten en van de uitwisseling van personen en culturele uitwisselingen;

Democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten

9.  is ingenomen met de inspanningen van Mongolië voor de consolidatie van de democratisering en de rechtsstaat, inclusief meerpartijenverkiezingen, onafhankelijkere media en een florerend maatschappelijk middenveld; is in dit verband verheugd over de deelname van Mongolië aan de Gemeenschap van democratieën;

10.  benadrukt dat de eerbiediging van de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting van essentieel belang is voor de verdere consolidatie van democratie, de rechtstaat en mensenrechten in Mongolië; spoort de Mongolische autoriteiten aan om kwesties die verband houden met meldingen over politiek gemotiveerd ingrijpen in mediawerkzaamheden aan te pakken en zich te onthouden van het straffen en beperken van offline en online media die kritiek uiten op de regering; dringt er bij het Mongolische parlement op aan dergelijke grondrechten expliciet te codificeren en deze onder streng toezicht ten uitvoer te leggen;

11.  is ervan overtuigd dat de democratische transformatie van Mongolië kan zorgen voor een positief spillover-effect in de regio waar complexe overgangsprocessen plaatsvinden, en dat Mongolië in dit opzicht constructief zou kunnen bijdragen aan de stabiliteit en het gemeenschappelijk welzijn in de regio; roept de EU op daar rekening mee te houden bij de programmering van regionale samenwerking, met name met de landen in de Centraal-Aziatische regio, maar ook in de bredere regio;

12.  prijst het feit dat de algemene eerbiediging van de verkiezingsregels is aangetoond tijdens de recente verkiezingen; verzoekt de Mongolische autoriteiten opvolging te geven aan de aanbevelingen die het OVSE/ODIHR na de verkiezingen van 29 juni 2016 heeft geformuleerd, waaronder stabilisatie van het verkiezingsproces, restricties aan verkiezingscampagnes, onafhankelijkheid van de media en onpartijdige en volledige informatieverstrekking aan de kiezers;

13.  geeft aan geïnteresseerd te zijn in het sturen van een waarnemingsmissie van het Europees Parlement naar de presidentsverkiezingen die gepland staan voor medio 2017;

14.  dringt er bij Mongolië op aan de resterende uitdagingen op het gebied van eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aan te pakken;

15.  is ingenomen met de recentelijk begonnen inspanningen om de rechtsgrondslag te versterken van de bestrijding van de wijdverbreide corruptie, die het reële en grote risico van ondermijning van de sociale cohesie van het land met zich meebrengt, evenals de inspanningen om mensenrechten te beschermen en sociale conflicten te bestrijden; dringt er bij Mongolië op aan omvangrijke hervormingen aan te nemen en deze tijdig door te voeren; verwijst in dit verband naar zijn eigen ervaring dat personen die veroordeeld zijn voor corruptie op consistente wijze verantwoordelijk moeten worden gehouden; beveelt het land aan om de samenwerking met de EU, de OVSE en de VN op het gebied van het omgaan met corruptie te versterken; is ervan overtuigd dat de actieve betrokkenheid bij de uitvoering van internationale aanbevelingen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) in de economische productiesector en in het openbare en administratieve leven in Mongolië een positieve en aanzienlijke rol kan spelen bij deze inspanningen;

16.  erkent de inspanningen en het rechtskader van het land om mensenhandel te voorkomen, maar blijft bezorgd over de concrete situatie en dringt er bij Mongolië op aan de wetgeving ter bestrijding van mensenhandel van 2012 evenals de nationale plannen hiervoor volledig ten uitvoer te leggen;

17.  is verheugd dat er tussen de EU en Mongolië principeovereenstemming is bereikt en dat er voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd om in 2017 een regelmatige mensenrechtendialoog tussen de EU en Mongolië te starten;

18.  is verheugd over het feit dat het Mongolische parlement in december 2015 na de ratificatie van het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een herzien wetboek van strafrecht heeft aangenomen, dat, in aanvulling op andere belangrijke hervormingen, zoals het verbod op foltering, de doodstraf afschaft voor alle misdrijven; merkt op dat het recent verkozen parlement de uitvoering van het herziene strafwetboek heeft uitgesteld en dringt er bij de Mongolische autoriteiten op aan deze belangrijke hervorming zonder verdere vertraging door te voeren;

19.  neemt nota van de voortgang van Mongolië bij het verbeteren van het rechtskader overeenkomstig de internationale verplichtingen op het gebied van mensenrechten, institutionele hervormingen, waaronder de Onafhankelijke Nationale commissie voor de mensenrechten, en de inspanningen die gericht zijn op capaciteitsopbouw en het verhogen van het bewustzijn over mensenrechten, evenals de doorlopende toewijding om de resterende uitdagingen op het gebied van de bescherming en bevordering van universele mensenrechtennormen aan te pakken, zoals die welke zijn benadrukt in de tweede universele periodieke doorlichting van de Verenigde Naties (VN-UPR) uit 2015, waaronder het voorkomen en onderzoeken van alle beschuldigingen van foltering en het beschermen van de rechten van vrouwen en kinderen, evenals de rechten van gevangenen;

20.  uit zijn bezorgdheid over rapporten over gevallen van arrestaties zonder juridisch mandaat, foltering en straffeloosheid in Mongolische gevangenissen; sluit zich aan bij de oproep van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC) voor doeltreffende maatregelen om te garanderen dat alle gedetineerden in de praktijk alle fundamentele wettelijke beschermingsmaatregelen ontvangen in overeenstemming met internationale normen; roept Mongolië op zijn toezegging om een onafhankelijk mechanisme in te stellen voor het onderzoek naar beschuldigingen van foltering en mishandeling spoedig en effectief na te komen;

21.  prijst het door de EU ondersteunde project ter ondersteuning van LGBTI-rechten in Mongolië; is niettemin bezorgd over de voortdurende discriminatie en intimidatie van de LGBTI-gemeenschap;

22.  raadt Mongolië aan om, in overeenstemming met het reeds geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind, lijfstraffen niet alleen in onderwijsinstellingen wettelijk te verbieden, maar volledig, en om met behulp van specifieke en gerichte maatregelen de niet-afnemende cijfers van geweld tegen kinderen, economische uitbuiting van kinderen en incidenten die leiden tot de dood van of ernstig letsel bij kinderen, aan te pakken; roept alle relevante EU-instellingen op bijstand te verlenen inzake deze kwestie;

23.  doet de aanbeveling om de situatie op het gebied van gezondheid en veiligheid te versterken door IAO-verdrag C176 ten uitvoer te leggen, evenals andere nog niet geratificeerde IAO-verdragen op het gebied van veiligheid en gezondheid;

24.  steunt de lopende en eerlijke inspanningen van Mongolië om geleidelijk alle vormen van kinderarbeid uit te roeien en om de rechten van het kind te garanderen;

25.  is verheugd over het rechtskader van Mongolië voor het realiseren van gelijke rechten van vrouwen en mannen dat in 2011 is aangenomen evenals de geleidelijke uitroeiing van discriminatie van vrouwen;

Duurzame ontwikkeling

26.  is ingenomen met de substantiële vooruitgang die Mongolië sinds de jaren negentig van de vorige eeuw heeft geboekt op het gebied van economische ontwikkeling en het terugdringen van de armoede in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's); steunt Mongolië in zijn streven om de MDG's te verwezenlijken in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en transparantie van hulp;

27.  erkent dat een verdieping van de regionale economische integratie kansen zal scheppen voor Mongolië om een welvarendere toekomst en economisch succes tegemoet te gaan, en neemt kennis van het feit dat Mongolië tegelijkertijd zoekt naar economische allianties en partners die het land de mogelijkheid bieden om zijn samenwerkingspotentieel volledig te realiseren door de nationale politieke en economische belangen, de langdurige betrokkenheid bij multidirectionele diplomatie, de traditionele identiteit en levensstijl of de democratische grondslagen van de Mongolische samenleving te eerbiedigen;

28.  is niettemin bezorgd over het feit dat in sommige gebieden armoede structureel aan het worden is en dat de gerapporteerde economische boom van 2010-2012 onvoldoende heeft bijgedragen tot een vermindering van de armoede in het land;

29.  moedigt Mongolië aan in zijn inspanningen om duurzame economische groei te verwezenlijken; spreekt zijn bezorgdheid uit over de scherpe daling van de bbp-groei, die in 2011 een recordhoogte (17,3 %) bereikte, maar in 2015 slechts 2,3 % bedroeg, terwijl de prognose voor 2016 1,3 % is; is bezorgd dat het begrotingstekort, dat is gestegen tot 20 % van het bbp, mogelijk een negatief effect op de het verlichten van de armoede kan hebben, evenals op de sociale inclusiviteit en de cohesie van het socialebeschermingsstelsel;

30.  is ingenomen met het feit dat de ontwikkelingshulp van de EU aan het land voor de periode 2014-2020 meer dan verdubbeld is – en nu 65 miljoen EUR bedraagt, tegenover 30 miljoen EUR in de periode 2007-2013 – en zich concentreert op de verbetering van het economische bestuur en beroepsopleidingen om een betere werkgelegenheid te scheppen; moedigt de deelname van Mongolië aan door de EU gefinancierde regionale programma's aan; wijst op de relatief goede uitvoering van EU-projecten en -programma's ter ondersteuning van de ontwikkeling en modernisering van Mongolië;

31.  benadrukt het belang van een voortdurende administratieve hervorming die zich voornamelijk richt op de opbouw van een zeer professionele administratie op zowel nationaal als lokaal niveau; roept de EU-instellingen op om Mongolië te helpen bij de ontwikkeling van de benodigde bronnen en deskundigheid, om zo het land beter toe te rusten om te kunnen omgaan met de uitdagingen van de complexe economische en maatschappelijke transformatieprocessen en om de absorptiecapaciteit van EU-fondsen in het land te vergroten;

32.  verzoekt om meer uitwisselingsmogelijkheden voor studenten en academici in het kader van het Erasmus+-programma en het Marie Curie Skłodowska-programma en om uitgebreider intermenselijk contact tussen de EU en Mongolië, waaronder tussen artiesten; roept de EU op onderzoek en innovatie op te nemen in de samenwerkingsgebieden met Mongolië;

33.  is verheugd over de tijdige deponering van het ratificatie-instrument op 21 september 2016 van de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering; is bezorgd dat de combinatie van de gevolgen van klimaatverandering, een extensieve toename van veehouderijen, een dramatische groei van de migratie van het platteland naar de hoofdstad, evenals het massale gebruik en de snelle exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, zoals water en land voor het legaal en illegaal winnen van koper, kolen en andere grondstoffen, heeft geleid tot een ernstige achteruitgang van het milieu in Mongolië, een toenemend risico op waterconflicten met zijn buurlanden en een stijging in het voorkomen van klimaatfenomenen zoals de zogenoemde "dzud", die wordt gekenmerkt door cycli van langdurige droogte en strenge winters en die leiden tot de dood van een groot deel van het vee, wilde dieren en een afname van de biodiversiteit in het algemeen; roept de Mongolische regering op de inspanningen om de diversificatie van zijn economie te versterken en dringt er bij de EU op aan om hierbij bijstand te verlenen met specifieke activiteiten en preventieve en andere maatregelen, bijvoorbeeld in de context van nauwere coördinatie van het milieubeleid tussen de EU en Mongolië; roept de Mongolische autoriteiten en het parlement, evenals de EU-lidstaten op tot samenwerking en tot het bijdragen aan een substantiële versterking van het internationaal klimaatregime in het kader van de inspanningen van de COP22 in Marrakesh;

34.  is verheugd over de ratificatie en naleving door Mongolië van alle voor de SAP +-regeling relevante verdragen inzake milieubescherming en klimaatverandering; dringt er echter bij Mongolië op aan te voldoen aan zijn rapportageverplichtingen op grond van de VN-Verdragen inzake milieubescherming en klimaatverandering (Cites, Verdragen van Bazel en van Stockholm) en het milieurechtelijke kader van het land te versterken;

35.  wijst erop dat Mongolische winningsindustrieën in 2014 verantwoordelijk waren voor 17 % van het bbp en 89 % van de totale uitvoer van Mongolië; is in dit opzicht verheugd over de actieve deelname van Mongolië aan het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën, dat erop is gericht deze sector verantwoordelijker en transparanter te maken;

36.  benadrukt dat de koper- en goudmijn Oyu Tolgoi het grootste mijnbouwproject is en dat het vanaf 2020 verantwoordelijk moet zijn voor een derde van het bbp van Mongolië en dat de Tarvan Tolgoi de grootste onontwikkelde kolenmijn ter wereld is; is verheugd over de openbare debatten die zijn gehouden over de milieugevolgen van mijnbouw en de publieke deelname aan het beheer van hulpbronnen op lokaal niveau;

37.  moedigt Mongolië aan, ten gunste van zijn eigen bevolking, de exploitatie van zijn natuurlijke hulpbronnen te ontwikkelen, met name van zeldzame mineralen, aangezien deze steeds waardevoller worden in de digitale industrie; wijst op de ondersteunende rol die de EU kan spelen bij het verlenen van technologische en financiële steun aan een dergelijke onafhankelijke mineraalwinning;

38.  is van mening dat investeringen in toekomstige technologieën en digitalisering kunnen helpen bij het overbruggen van de ontwikkelingskloof tussen verschillende regio's in Mongolië en de diversificatie van de economie; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de samenwerking op het gebied van digitalisering en nieuwe technologieën te intensiveren;

39.  erkent de aanzienlijke uitdagingen bij het bestrijden van drugshandel; beveelt de EU aan bijstand te verlenen aan de versterking van openbare instellingen en middelen om deze kwesties aan te pakken;

Handel en economische betrekkingen

40.  stelt vast dat de EU de derde handelspartner van Mongolië is geworden, en dat Mongolische goederen reeds nagenoeg tariefvrij hun weg vinden naar de EU-markt in het kader van het stelsel van algemene preferenties;

41.  verwelkomt de opneming van Mongolië in de SAP+-regeling;

42.  neemt nota van het feit dat er vanuit Europa nog maar beperkt wordt geïnvesteerd in Mongolië als gevolg van het onzekere ondernemingsklimaat en een gebrek aan informatie;

43.  spoort de EU en Mongolië aan om hun handels- en investeringsbetrekkingen te intensiveren, onder meer door middel van informatieverstrekking en bewustmaking, in overeenstemming met de juridische bepalingen van het PSO; benadrukt dat een dergelijke intensivering overeen moet stemmen met de verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen inzake arbeidsnormen, goed bestuur en mensenrechten, evenals inzake milieunormen, en deze volledig moet eerbiedigen;

44.  dringt in dit verband aan op de verdere ontwikkeling van de activiteiten van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) in Mongolië;

45.  benadrukt het belang van een stabiel ondernemings- en juridisch klimaat voor een toename van de investeringen uit de EU;

46.  neemt nota van de afname van de buitenlandse directe investeringen (BDI) in de mijnbouwsector, die de economie domineert en een belangrijke bron van verdeeldheid blijft;

47.  dringt er bij Mongolië op aan om zijn economie te diversifiëren, met behulp van buitenlandse investeringen en een transparantere wettelijke omgeving, teneinde de kwetsbaarheid van veranderlijke delfstoffenmarkten te voorkomen; is in dit verband ingenomen met de nieuwe wetgeving inzake BDI;

48.  moedigt de verdere integratie van Mongolië in de regionale en wereldeconomie aan, in het kader van onder meer de Prairieweg, de Zijderoute/”One Belt One Road” of de Trans-Euraziatische Snelweg, in overeenstemming met de strategische belangen en prioriteiten van het land; vraagt de EU om deelname aan infrastructuur- en investeringsprogramma's, waaronder in de mijnbouwsector, in de regio te overwegen;

Regionale en mondiale uitdagingen en samenwerking

49.  erkent de sleutelrol die Mongolië kan spelen tussen de enorme en zeer dynamische economieën van China, Rusland, Zuid-Korea en Japan en de Centraal-Aziatische landen, en tegelijkertijd als intermediair tussen Europa en de Oost-Aziatische regio;

50.  wijst op het "derde buur"-concept in het buitenlands beleid van Mongolië, dat betrekkingen met de EU behelst in combinatie met constructieve en intensieve betrekkingen met zijn invloedrijke strategische partners en directe buurlanden Rusland en China;

51.  neemt nota van de vriendschappelijke en tevens in economisch opzicht concurrerende, betrekkingen met de andere landen in de regio;

52.  stelt vast dat Mongolië de gevolgen van een potentieel lidmaatschap van de Euraziatische Economische Unie (EEU) serieus aan het evalueren is; is bezorgd dat een dergelijke stap intensievere politieke en handelsbetrekkingen met de EU zou kunnen bemoeilijken;

53.  feliciteert Mongolië met zijn succesvolle voorzitterschap van de in 2016 in Ulaanbaatar gehouden bijeenkomsten van de ASEM en de ASEP, de versterking van de parlementaire dimensie en de versterking van het partnerschap tussen de twee regio's die gebaseerd is op universeel erkende beginselen van gelijkheid, wederzijds respect en de bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden; is ingenomen met het voorstel van Mongolië om een ASEM-centrum op te richten, met inbegrip van een virtuele/online-faciliteit;

54.  is verheugd over het feit dat Mongolië zich heeft verklaard tot kernwapenvrije zone, zoals officieel door de VN wordt erkend; is in het bijzonder verheugd over de constructieve en actieve rol die het land speelt in multilaterale fora voor de bevordering van samenwerking voor wereldwijde nucleaire ontwapening, evenals over zijn aanmelding voor de humanitaire belofte(10);

55.  verwelkomt de wederzijdse inzet voor internationale vrede en veiligheid, en in deze context ook de actieve rol van Mongolië in internationale multilaterale mechanismen zoals de VN en de OVSE, evenals zijn bijdrage aan initiatieven ter ondersteuning van vrede en stabiliteit in Noordoost-Azië en andere initiatieven, zoals de dialoog van Ulaanbaatar over veiligheid in Noordoost-Azië;

56.  neemt nota van de bijdrage van Mongolië aan VN-vredesmissies over de hele wereld en de verstrekking van opleidingsfaciliteiten voor dergelijke missies, terwijl het land tegelijkertijd steeds meer streeft naar een versterking van de politieke en diplomatieke mogelijkheden en de verantwoordelijkheid van de VN om conflicten te voorkomen en op te lossen;

57.  is verheugd over de nauwe samenwerking met de EU voor de onderhandelings- en stemposities in de Verenigde Naties en andere multilaterale fora; benadrukt in dit verband het belang van artikel 8 van de PSO inzake internationale samenwerking;

58.  erkent de rol die Mongolië speelt bij de bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten als nieuw lid van de UNHRC van 2016 tot 2018 en roept op tot nauwe samenwerking van de EU met Mongolië bij het voorbereiden en uitvoeren van de werkzaamheden van de UNHRC;

59.  is verheugd over de ratificatie door Mongolië van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) en dringt er bij Mongolië op aan de wijzigingen van Kampala te ratificeren die voorzien in een definitie en een procedure voor de tijdige rechtsbevoegdheid van het Hof over het misdrijf agressie;

60.  prijst de inspanningen van Mongolië voor de bevordering van democratie, de rechtstaat en mensenrechten in landen die in het nabuurschap van Mongolië liggen en die democratische verandering willen doorvoeren; dringt er bij de EU op aan Mongolië ook te betrekken bij en te zoeken naar synergieën op ad-hocbasis in regionale programma's in Centraal-Azië die zich richten op dergelijke ontwikkelingen;

61.  prijst de rol van Mongolië bij het samenbrengen van academici uit de beide Korea's, China en Rusland, evenals voor het organiseren van de reünie van families die gescheiden zijn geraakt als gevolg van de verdeling van het Koreaans schiereiland;

62.  steunt het door Mongolië uitgesproken verlangen lid te worden van de VN-Veiligheidsraad in 2022;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de VV/HV, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Grote Staats Hural (het parlement) van Mongolië.

(1) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 49.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0121.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0458.
(4) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 126.
(5) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 35.
(6) PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 41.
(7) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 97.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0424.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0032.
(10) http://www.icanw.org/pledge/


Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen (bijlage wat de daaronder vallende producten betreft) ***
PDF 238kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol (2015) tot wijziging van de bijlage bij de Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen wat de daaronder vallende producten betreft (11018/2016 – C8-0391/2016 – 2016/0202(NLE))
P8_TA(2017)0034A8-0007/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11018/2016),

–  gezien het Protocol (2015) tot wijziging van de bijlage bij de Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen (11019/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0391/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0007/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen ***I
PDF 760kWORD 101k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 februari 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen (COM(2015)0337 – C8-0190/2015 – 2015/0148(COD))(1)
P8_TA(2017)0035A8-0003/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad15 is een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie vastgesteld teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.
(1)  Bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad15 is een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie vastgesteld teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen en de industrie in de Unie op duurzame wijze bestand te maken tegen het risico op koolstoflekkage en het wegvloeien van investeringen.
__________________
__________________
15 Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
15 Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft zich ertoe verbonden de totale broeikasgasemissies van de Unie tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van 1990. Alle bedrijfstakken van de economie moeten bijdragen aan het behalen van die emissiereducties en de doelstelling zal op de meest kosteneffectieve wijze worden bereikt via de regeling van de Unie voor de handel in emissierechten (EU Emission Trading System, EU-ETS), met tegen 2030 een vermindering met 43 % ten opzichte van 2005. Dat is bevestigd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering is ingediend16.
(2)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft zich ertoe verbonden de totale broeikasgasemissies van de Unie tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van 1990. Alle bedrijfstakken van de economie moeten bijdragen aan het behalen van die emissiereducties en de doelstelling dient op de meest kosteneffectieve wijze te worden bereikt via de regeling van de Unie voor de handel in emissierechten (EU Emission Trading System, EU-ETS), met tegen 2030 een vermindering met 43 % ten opzichte van 2005. Dat is bevestigd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is ingediend. De inspanningen met betrekking tot het verminderen van emissies moeten eerlijk worden verdeeld onder de bedrijfstakken die onder de EU-ETS vallen.
__________________
16 http://www4.unfccc.int/submissions/indc/Submission%20Pages/submissions.aspx
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   Teneinde te voldoen aan de overeengekomen toezegging om alle bedrijfstakken van de economie te doen bijdragen aan de verwezenlijking van de voor 2030 nagestreefde vermindering van de totale broeikasgasemissies van de Unie met ten minste 40 % ten opzichte van het niveau van 1990, is het van belang dat de EU-ETS, die weliswaar het primaire instrument van de Unie vormt om de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor de lange termijn te realiseren, wordt aangevuld met gelijkwaardige aanvullende acties op basis van andere rechtshandelingen en -instrumenten inzake broeikasgasemissies die afkomstig zijn van bedrijfstakken die niet onder de EU-ETS vallen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)   Uit hoofde van de overeenkomst die op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (de "Overeenkomst van Parijs") zijn landen verplicht beleidsmaatregelen uit te werken om meer dan 180 voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) te verwezenlijken die zo'n 98 % van de wereldwijde broeikasgasemissies omvatten. De Overeenkomst van Parijs is erop gericht de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en zich verder in te spannen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau. Naar alle verwachting zullen vele van deze beleidsmaatregelen koolstofbeprijzing of gelijkaardige maatregelen inhouden, en daarom moet er in deze richtlijn een herzieningsclausule worden vastgesteld om de Commissie in voorkomend geval in staat te stellen een voorstel te doen voor strengere emissiereducties na de eerste inventarisering in het kader van de Overeenkomst van Parijs in 2023, alsook voor een aanpassing van de bepalingen met betrekking tot transitionele koolstoflekkage om rekening te houden met de ontwikkeling van de koolstofbeprijzingsmechanismen buiten de Unie, en voor bijkomende beleidsmaatregelen en -instrumenten om de toezeggingen van de Unie en haar lidstaten inzake de vermindering van broeikasgasemissies te versterken. De herzieningsclausule moet er tevens voor zorgen dat er binnen de zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 een mededeling wordt aangenomen waarin wordt beoordeeld of de wetgeving van de Unie inzake klimaatverandering aansluit bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)   Volgens de Overeenkomst van Parijs en in overeenstemming met de verbintenissen van de medewetgevers als weergegeven in Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad1 ter moeten alle bedrijfstakken van de economie verplicht bijdragen aan de vermindering van de emissiewaarden voor koolstofdioxide (CO2). In dit verband wordt er via de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) gewerkt aan het beperken van de internationale maritieme emissies, een ontwikkeling die moet worden aangemoedigd, met als doel een duidelijk IMO-actieplan voor het nemen van klimaatbeleidsmaatregelen vast te stellen om de CO2-emissies van de scheepvaart op mondiaal niveau te verminderen. De vaststelling van duidelijke streefcijfers voor de vermindering van de internationale maritieme emissies via de IMO is zeer urgent geworden en is voor de Unie een absolute voorwaarde voor het al dan niet nemen van verdere maatregelen om de maritieme bedrijfstak in de EU-ETS op te nemen. Indien een dergelijke overeenkomst echter niet wordt bereikt tegen het einde van 2021 moet de bedrijfstak worden opgenomen in de EU-ETS en moet er een fonds worden ingesteld voor bijdragen van scheepsexploitanten en collectieve naleving met betrekking tot CO2-emissies die al onder het EU-systeem voor monitoring, rapportage en verificatie (MRV-systeem) vallen als vastgelegd in Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad1 quater (emissies die worden uitgestoten in Unie-havens en tijdens reizen van en naar deze havens). Een deel van de opbrengsten van de veiling van emissierechten aan de maritieme bedrijfstak moet worden gebruikt ter verbetering van energie-efficiëntie en ter ondersteuning van investeringen in innovatieve technologieën voor het verminderen van CO2-emissies in de maritieme bedrijfstak, met inbegrip van de korte vaart en havens.
__________________
1 bis Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63).
1 ter Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
1 quater Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55).
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  De Europese Raad heeft bevestigd dat een goed functionerende, hervormde EU-ETS met een instrument om de markt te stabiliseren het belangrijkste Europese instrument zal zijn om die doelstelling te bereiken, met een jaarlijkse reductiefactor van 2,2 % vanaf 2021, terwijl de kosteloze toewijzing niet afloopt, maar de bestaande maatregelen na 2020 blijven bestaan om het risico op koolstoflekkage ten gevolge van het klimaatbeleid tegen te gaan zolang er in andere grote economieën geen vergelijkbare inspanningen worden geleverd en zonder het aandeel van de te veilen rechten te verkleinen. Om de planningszekerheid wat investeringsbeslissingen betreft, te verhogen, de transparantie te vergroten en het systeem in zijn geheel eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen te maken, moet in de wetgeving het aandeel dat wordt geveild als een percentage worden uitgedrukt.
(3)  Een goed functionerende, hervormde EU-ETS en een verbeterd instrument om de markt te stabiliseren zullen de belangrijkste Europese instrumenten zijn om die doelstelling te bereiken, met een jaarlijkse reductiefactor van 2,2% vanaf 2021, terwijl de kosteloze toewijzing niet afloopt, maar er na 2020 maatregelen blijven bestaan om het risico op koolstoflekkage ten gevolge van het klimaatbeleid tegen te gaan zolang er in andere grote economieën geen vergelijkbare inspanningen worden geleverd. Om de planningszekerheid wat investeringsbeslissingen betreft, te verhogen, de transparantie te vergroten, het systeem in zijn geheel eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen te maken en de bedrijfstakken die het grootste risico op koolstoflekkage lopen te beschermen tegen de toepassing van een transsectorale correctiefactor, moet in de wetgeving het aandeel dat wordt geveild als een percentage worden uitgedrukt en moet dit percentage afnemen bij toepassing van een transsectorale correctiefactor. Deze bepalingen moeten regelmatig worden geëvalueerd aan de hand van de Overeenkomst van Parijs en moeten indien nodig dienovereenkomstig worden aangepast om te voldoen aan de klimaatverplichtingen van de Unie uit hoofde van die overeenkomst.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)   De minst ontwikkelde landen (MOL's) zijn bijzonder kwetsbaar voor de effecten van klimaatverandering en zijn slechts in zeer geringe mate verantwoordelijk voor de emissie van broeikasgassen. Daarom moet bijzondere prioriteit worden gegeven aan de behoeften van de MOL's door EU-ETS-rechten te gebruiken voor de financiering van klimaatactie, in het bijzonder voor de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering via het Groene Klimaatfonds van het UNFCCC.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te verstrekken. Om dat te bereiken, is een voortzetting van de ambitieuze klimaatactie nodig, met de EU-ETS als de hoeksteen van het Europese klimaatbeleid, en vooruitgang op andere vlakken van de energie-unie17. De uitvoering van de in het beleidskader 2030 besloten ambitie draagt bij tot de vaststelling van een zinvolle koolstofprijs en tot het verder stimuleren van kosteneffectieve broeikasgasemissiereducties.
(4)  Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers en bedrijfstakken betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te verstrekken. Om dat te bereiken, is een voortzetting van de ambitieuze klimaatactie nodig, met de EU-ETS als de hoeksteen van het klimaatbeleid van de Unie, en vooruitgang op andere vlakken van de energie-unie17. Er moet rekening worden gehouden met de interactie tussen de EU-ETS en andere beleidsmaatregelen inzake klimaat en energie op Unie- en nationaal niveau die van invloed zijn op de vraag naar EU-ETS-rechten. De uitvoering van de in het beleidskader 2030 besloten ambitie en een adequate benadering van de vorderingen met betrekking tot andere aspecten van de energie-unie dragen bij tot de vaststelling van een zinvolle koolstofprijs en tot het verder stimuleren van kosteneffectieve broeikasgasemissiereducties.
__________________
__________________
17 COM(2015)0080, "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering".
17 COM(2015)0080, "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering".
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Ambitie op het gebied van energie-efficiëntie die groter is dan het door de Raad goedgekeurde streefcijfer van 27 % moet leiden tot meer kosteloze emissierechten voor bedrijfstakken waar risico op koolstoflekkage bestaat.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Het EU-beleid is krachtens artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerd op het beginsel dat de vervuiler betaalt en op basis daarvan voorziet Richtlijn 2003/87/EG op termijn in een overgang naar volledige veiling. Zolang andere grote economieën geen vergelijkbare maatregelen inzake klimaatbeleid nemen, is het uitstellen van een volledige overgang gerechtvaardigd ter voorkoming van koolstoflekkage en is gerichte kosteloze toewijzing van rechten aan de industrie gerechtvaardigd ter vermindering van het reële risico op een stijging van de broeikasgasemissies in derde landen waar voor de industrie geen vergelijkbare koolstofbeperkingen gelden.
(5)  Het EU-beleid is krachtens artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerd op het beginsel dat de vervuiler betaalt en op basis daarvan voorziet Richtlijn 2003/87/EG op termijn in een overgang naar volledige veiling. Zolang andere grote economieën geen vergelijkbare maatregelen inzake klimaatbeleid nemen, is het tijdelijk uitstellen van een volledige veiling gerechtvaardigd ter voorkoming van koolstoflekkage en is gerichte kosteloze toewijzing van rechten aan de industrie een gerechtvaardigde uitzondering op het beginsel dat de vervuiler betaalt, op voorwaarde dat er geen sprake is van overtoewijzing, ter vermindering van het reële risico op een stijging van de broeikasgasemissies in derde landen waar voor de industrie geen vergelijkbare koolstofbeperkingen gelden. Daarom dient de toewijzing van kosteloze rechten dynamischer te verlopen, in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgestelde drempelwaarden.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  De veiling van rechten blijft de algemene regel en kosteloze toewijzing de uitzondering. Derhalve, en zoals bevestigd door de Europese Raad, mag het aandeel van de te veilen rechten, dat in de periode 2013-2020 57 % bedroeg, niet worden verlaagd. In de effectbeoordeling van de Commissie18 worden nadere gegevens over het te veilen aandeel verstrekt en wordt gepreciseerd dat dit aandeel van 57 % bestaat uit namens de lidstaten geveilde rechten, inclusief voor nieuwkomers gereserveerde rechten die niet zijn toegewezen, rechten voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in bepaalde lidstaten en rechten die op een later tijdstip worden geveild aangezien zij in de bij Besluit (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad19 ingestelde marktstabiliteitsreserve zijn ondergebracht.
(6)  De veiling van rechten blijft de algemene regel en kosteloze toewijzing de uitzondering. Derhalve moet het aandeel van de te veilen rechten, dat in de periode 2021-2030 57 % moet bedragen, worden verlaagd door de transsectorale correctiefactor toe te passen ter bescherming van de bedrijfstakken die het meest zijn blootgesteld aan het risico op koolstoflekkage. In de effectbeoordeling van de Commissie worden nadere gegevens over het te veilen aandeel verstrekt en wordt gepreciseerd dat dit aandeel van 57 % bestaat uit namens de lidstaten geveilde rechten, inclusief voor nieuwkomers gereserveerde rechten die niet zijn toegewezen, rechten voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in bepaalde lidstaten en rechten die op een later tijdstip worden geveild aangezien zij in de bij Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad19 ingestelde marktstabiliteitsreserve (MSR) zijn ondergebracht. Een fonds voor een rechtvaardige transitie moet worden ingesteld ter ondersteuning van regio's met een groter aandeel werknemers in van koolstof afhankelijke bedrijfstakken en een bbp per hoofd van de bevolking dat ver onder het EU-gemiddelde ligt.
__________________
18 SEC(2015)XX.
19Besluit (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L [...] van [...], blz. [...]).
19 Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Om het milieuvoordeel van de emissiereducties in de Unie te handhaven terwijl maatregelen van andere landen de industrie geen vergelijkbare stimulansen voor emissiereductie bieden, moeten nog steeds kosteloze rechten worden toegewezen aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken die een reëel risico op koolstoflekkage lopen. De ervaring die tijdens de werking van de EU-ETS is opgedaan, bevestigt dat bedrijfstakken en deeltakken in verschillende mate zijn blootgesteld aan een risico op koolstoflekkage en dat kosteloze toewijzing koolstoflekkage heeft voorkomen. Terwijl sommige bedrijfstakken en deeltakken kunnen worden geacht een hoger risico op koolstoflekkage te lopen, kunnen andere om hun emissies te betalen een aanzienlijk deel van de kosten van de rechten in de productprijzen doorberekenen, zonder marktaandeel te verliezen, en dragen zij alleen het resterende deel van de kosten, zodat zij een laag risico op koolstoflekkage lopen. De Commissie moet de relevante bedrijfstakken vaststellen en op basis van hun handelsintensiteit en hun emissie-intensiteit differentiëren om beter te kunnen bepalen welke bedrijfstakken een reëel risico op koolstoflekkage lopen. Indien op basis van die criteria een drempel wordt overschreden die is vastgesteld door rekening te houden met de respectievelijke mogelijkheid van betrokken bedrijfstakken en deeltakken om kosten in de productprijzen door te berekenen, moet die bedrijfstak of deeltak worden geacht risico op koolstoflekkage te lopen. Andere moeten worden geacht een laag risico of geen risico op koolstoflekkage te lopen. Door rekening te houden met de mogelijkheden van bedrijfstakken en deeltakken buiten de elektriciteitsopwekking om kosten in de productprijzen door te berekenen, moeten tevens onverhoopte winsten worden beperkt.
(7)  Om het milieuvoordeel van de emissiereducties in de Unie te handhaven terwijl maatregelen van andere landen de industrie geen vergelijkbare stimulansen voor emissiereductie bieden, moeten er nog steeds tijdelijk kosteloze rechten worden toegewezen aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken die een reëel risico op koolstoflekkage lopen. De ervaring die tijdens de werking van de EU-ETS is opgedaan, bevestigt dat bedrijfstakken en deeltakken in verschillende mate zijn blootgesteld aan een risico op koolstoflekkage en dat kosteloze toewijzing koolstoflekkage heeft voorkomen. Terwijl sommige bedrijfstakken en deeltakken kunnen worden geacht een hoger risico op koolstoflekkage te lopen, kunnen andere om hun emissies te betalen een aanzienlijk deel van de kosten van de rechten in de productprijzen doorberekenen, zonder marktaandeel te verliezen, en dragen zij alleen het resterende deel van de kosten, zodat zij een laag risico op koolstoflekkage lopen. De Commissie moet de relevante bedrijfstakken vaststellen en op basis van hun handelsintensiteit en hun emissie-intensiteit differentiëren om beter te kunnen bepalen welke bedrijfstakken een reëel risico op koolstoflekkage lopen. Indien op basis van die criteria een drempel wordt overschreden die is vastgesteld door rekening te houden met de respectievelijke mogelijkheid van betrokken bedrijfstakken en deeltakken om kosten in de productprijzen door te berekenen, moet die bedrijfstak of deeltak worden geacht risico op koolstoflekkage te lopen. Andere moeten worden geacht een laag risico of geen risico op koolstoflekkage te lopen. Door rekening te houden met de mogelijkheden van bedrijfstakken en deeltakken buiten de elektriciteitsopwekking om kosten in de productprijzen door te berekenen, moeten tevens onverhoopte winsten worden beperkt. Het risico op koolstoflekkage in bedrijfstakken en deeltakken waarvoor kosteloze toewijzing wordt berekend op basis van de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas moet ook worden beoordeeld, in acht genomen dat deze producten in zowel chemische fabrieken als raffinaderijen worden geproduceerd.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Om rekening te houden met de technologische vooruitgang in de betrokken bedrijfstakken en de waarden van de benchmarks voor kosteloze toewijzingen aan installaties, vastgesteld aan de hand van gegevens van de jaren 2007-2008, aan de relevante periode van toewijzing aan te passen, moeten die waarden in overeenstemming met de waargenomen gemiddelde vooruitgang worden geactualiseerd. Omwille van de voorspelbaarheid moet dat gebeuren door toepassing van een factor die de beste beoordeling van de vooruitgang in de verschillende bedrijfstakken vertegenwoordigt en rekening houdt met solide, objectieve en geverifieerde gegevens van de installaties, zodat de bedrijfstakken met een aanzienlijk van die factor afwijkende mate van vooruitgang een benchmarkwaarde hebben die dichter bij hun werkelijke mate van vooruitgang ligt. Indien uit de gegevens een verschil ten aanzien van de reductiefactor blijkt dat over de relevante periode jaarlijks meer dan 0,5% hoger of lager ligt dan de waarde van 2007-2008, moet de betrokken benchmarkwaarde ten belope van dat percentage worden aangepast. Om gelijke concurrentievoorwaarden voor de productie van aromaten, waterstof en syngas in raffinaderijen en chemische fabrieken te waarborgen, moeten de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas afgestemd blijven op de benchmarks voor raffinaderijen.
(8)  Om rekening te houden met de technologische vooruitgang in de betrokken bedrijfstakken en de waarden van de benchmarks voor kosteloze toewijzingen aan installaties, vastgesteld aan de hand van gegevens van de jaren 2007 en 2008, aan de relevante periode van toewijzing aan te passen, moeten die waarden in overeenstemming met de waargenomen gemiddelde vooruitgang worden geactualiseerd. Omwille van de voorspelbaarheid moet dat gebeuren door toepassing van een factor die de feitelijke beoordeling van de vooruitgang van de 10 % meest efficiënte installaties in de bedrijfstakken vertegenwoordigt en rekening houdt met solide, objectieve en geverifieerde gegevens van de installaties, zodat de bedrijfstakken met een aanzienlijk van die factor afwijkende mate van vooruitgang een benchmarkwaarde hebben die dichter bij hun werkelijke mate van vooruitgang ligt. Indien uit de gegevens een verschil ten aanzien van de reductiefactor blijkt dat over de relevante periode jaarlijks meer dan 1,75 % afwijkt van de waarde die overeenstemt met de jaren 2007 en 2008 (hetzij hoger, hetzij lager), moet de betrokken benchmarkwaarde ten belope van dat percentage worden aangepast. Indien echter uit de gegevens een vooruitgang over de relevante periode van 0,25 of minder blijkt, moet de betrokken benchmarkwaarde ten belope van dat percentage worden aangepast. Om gelijke concurrentievoorwaarden voor de productie van aromaten, waterstof en syngas in raffinaderijen en chemische fabrieken te waarborgen, moeten de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas afgestemd blijven op de benchmarks voor raffinaderijen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De lidstaten moeten, in overeenstemming met de staatssteunregels, voorzien in een gedeeltelijke compensatie voor bepaalde installaties in bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat zij zijn blootgesteld aan een aanzienlijk risico op koolstoflekkage door kosten in verband met in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissies. Het protocol en de bijbehorende besluiten die door de Conferentie van de partijen in Parijs zijn goedgekeurd, moeten voorzien in dynamische beschikbaarstelling van klimaatfinanciering, overdracht van technologie en capaciteitsopbouw voor in aanmerking komende partijen, met name die met de minste mogelijkheden. De publieke sector zal een belangrijke rol blijven spelen bij het mobiliseren van middelen voor klimaatfinanciering na 2020. Daarom moeten veilingopbrengsten ook worden gebruikt voor klimaatfinancieringsacties in kwetsbare derde landen, waaronder de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering. Welk bedrag voor klimaatfinanciering moet worden gemobiliseerd, zal tevens afhangen van het ambitieniveau en de kwaliteit van de voorgestelde voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen, latere investeringsplannen en nationale processen voor aanpassingsplanning. Lidstaten moeten de veilinginkomsten ook gebruiken ter bevordering van het verwerven van vaardigheden en de reallocatie van arbeid die wordt getroffen door de overgang naar andere banen in een economie die koolstofarmer wordt.
(9)  In hun streven naar gelijke concurrentievoorwaarden moeten de lidstaten via een gecentraliseerde regeling op Unieniveau voorzien in een gedeeltelijke compensatie voor bepaalde installaties in bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat zij zijn blootgesteld aan een aanzienlijk risico op koolstoflekkage door kosten in verband met in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissies. De publieke sector zal een belangrijke rol blijven spelen bij het mobiliseren van middelen voor klimaatfinanciering na 2020. Daarom moeten veilingopbrengsten ook worden gebruikt voor klimaatfinancieringsacties in kwetsbare derde landen, waaronder de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering. Welk bedrag voor klimaatfinanciering moet worden gemobiliseerd, zal tevens afhangen van het ambitieniveau en de kwaliteit van de voorgestelde INDC's, latere investeringsplannen en nationale processen voor aanpassingsplanning. Lidstaten moeten ook aandacht besteden aan de sociale aspecten van het koolstofarmer maken van hun economie en de veilinginkomsten gebruiken ter bevordering van het verwerven van vaardigheden en de reallocatie van arbeid die wordt getroffen door de overgang naar andere banen in een economie die koolstofarmer wordt. Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn de via de gecentraliseerde regeling op Unieniveau ontvangen compensatie aan te vullen. Deze financiële maatregelen mogen de niveaus als bedoeld in de desbetreffende richtsnoeren voor staatssteun niet overschrijden.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De voornaamste stimulans op lange termijn van deze richtlijn voor de CO2-afvang en -opslag, nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en baanbrekende innovatie in koolstofarme technologieën en processen is het signaal dat deze verstuurt betreffende de koolstofprijs en dat voor CO2-emissies die permanent worden opgeslagen of vermeden, geen rechten hoeven te worden ingeleverd. Ter aanvulling van de middelen die al worden ingezet om de demonstratie van commerciële faciliteiten voor CO2-afvang en -opslag en innovatieve hernieuwbare energietechnologieën te versnellen, moeten de EU-ETS-rechten ook worden gebruikt als gegarandeerde beloning voor het inzetten van faciliteiten voor CO2-afvang en -opslag, nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en industriële innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in de Unie, indien CO2 in voldoende mate wordt opgeslagen of vermeden en op voorwaarde dat er een overeenkomst over kennisdeling is. Het grootste deel van die steun moet afhangen van de geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, terwijl bepaalde steun kan worden verleend indien vooraf bepaalde mijlpalen worden bereikt, rekening houdend met de ingezette technologie. Het maximale percentage van de projectkosten dat kan worden ondersteund, kan verschillen naargelang de categorie van het project.
(10)  De voornaamste stimulans op lange termijn van deze richtlijn voor CO2-afvang en -opslag (CCS) en CO2-afvang en -gebruik (CCU), nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en baanbrekende innovatie in koolstofarme technologieën en processen is het signaal dat deze verstuurt betreffende de koolstofprijs en dat voor CO2-emissies die permanent worden opgeslagen of vermeden, geen rechten hoeven te worden ingeleverd. Ter aanvulling van de middelen die al worden ingezet om de demonstratie van commerciële faciliteiten voor CCS en CCU en innovatieve hernieuwbare energietechnologieën te versnellen, moeten de EU-ETS-rechten ook worden gebruikt als gegarandeerde beloning voor het inzetten van faciliteiten voor CCS en CCU, nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en industriële innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in de Unie, indien CO2 in voldoende mate wordt opgeslagen of vermeden en op voorwaarde dat er een overeenkomst over kennisdeling is. Het grootste deel van die steun moet afhangen van de geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, terwijl bepaalde steun kan worden verleend indien vooraf bepaalde mijlpalen worden bereikt, rekening houdend met de ingezette technologie. Het maximale percentage van de projectkosten dat kan worden ondersteund, kan verschillen naargelang de categorie van het project.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Een moderniseringsfonds moet worden ingesteld met 2 % van de totale EU-ETS-rechten en geveild overeenkomstig de regels en modaliteiten voor veilingen die op het bij Verordening (EU) nr. 1031/2010 vastgestelde gemeenschappelijke veilingplatform plaatsvinden. Lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, moeten in aanmerking komen voor financiering uit het moderniseringsfonds en mogen tot 2030 afwijken van het beginsel van volledige veiling voor elektriciteitsopwekking door gebruik te maken van de mogelijkheid van kosteloze toewijzing om reële investeringen die hun energiesector moderniseren op een transparante manier te bevorderen en tegelijkertijd verstoringen van de interne energiemarkt te vermijden. De regels voor het beheer van het moderniseringsfonds moeten voorzien in een samenhangend, alomvattend en transparant kader om de efficiëntst mogelijke uitvoering te garanderen en moeten rekening houden met de behoefte aan een eenvoudige toegang voor alle deelnemers. De werking van de beheersstructuur moet zijn afgestemd op het doel om een passend gebruik van de financiële middelen te waarborgen. De beheersstructuur moet bestaan uit een investeringsraad en een beheerscomité en in het besluitvormingsproces moet naar behoren rekening worden gehouden met de deskundigheid van de EIB, tenzij steun wordt verleend aan kleine projecten met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies via een nationaal programma dat de doelstellingen van het moderniseringsfonds deelt. Investeringen die uit het fonds worden gefinancierd, moeten door de lidstaten worden voorgesteld. Om ervoor te zorgen dat de investeringsbehoeften in minder kapitaalkrachtige lidstaten adequaat worden aangepakt, zal bij de verdeling van de financiële middelen in gelijke mate rekening worden gehouden met criteria op het gebied van geverifieerde emissies en bbp. De financiële steun uit het moderniseringsfonds kan in verschillende vormen worden verleend.
(11)  Een moderniseringsfonds moet worden ingesteld met 2 % van de totale EU-ETS-rechten en geveild overeenkomstig de regels en modaliteiten voor veilingen die op het bij Verordening (EU) nr. 1031/2010 vastgestelde gemeenschappelijke veilingplatform plaatsvinden. Lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, moeten in aanmerking komen voor financiering uit het moderniseringsfonds. Lidstaten waarvan in 2014 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen in EUR minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, moeten tot 2030 de mogelijkheid krijgen af te wijken van het beginsel van volledige veiling voor elektriciteitsopwekking door gebruik te maken van de mogelijkheid van kosteloze toewijzing om reële investeringen die hun energiesector moderniseren en diversifiëren op een transparante manier en in overeenstemming met de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2050 te bevorderen, en tegelijkertijd verstoringen van de interne energiemarkt te vermijden. De regels voor het beheer van het moderniseringsfonds moeten voorzien in een samenhangend, alomvattend en transparant kader om de efficiëntst mogelijke uitvoering te garanderen en moeten rekening houden met de behoefte aan een eenvoudige toegang voor alle deelnemers. Deze regels moeten transparant en evenwichtig zijn en zijn afgestemd op het doel om een passend gebruik van de financiële middelen te waarborgen. De beheersstructuur moet bestaan uit een investeringsraad, een adviesraad en een beheerscomité. In het besluitvormingsproces moet naar behoren rekening worden gehouden met de deskundigheid van de EIB, tenzij steun wordt verleend aan kleine projecten met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies via een nationaal programma dat de doelstellingen van het moderniseringsfonds deelt. Investeringen die uit het fonds worden gefinancierd, moeten door de lidstaten worden voorgesteld en elke financiering uit het fonds moet voldoen aan specifieke subsidiabiliteitscriteria. Om ervoor te zorgen dat de investeringsbehoeften in minder kapitaalkrachtige lidstaten adequaat worden aangepakt, zal bij de verdeling van de financiële middelen in gelijke mate rekening worden gehouden met criteria op het gebied van geverifieerde emissies en bbp. De financiële steun uit het moderniseringsfonds kan in verschillende vormen worden verleend.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De Europese Raad heeft bevestigd dat de modaliteiten, inclusief de transparantie, van de optionele kosteloze toewijzing om de energiesector in bepaalde lidstaten te moderniseren, moeten worden verbeterd. Investeringen met een waarde van 10 miljoen EUR of meer moeten door de betrokken lidstaat via een concurrerend biedingsproces worden geselecteerd op basis van duidelijke en transparante regels, zodat de kosteloze toewijzing wordt gebruikt ter bevordering van reële investeringen om de energiesector in overeenstemming met de doelstellingen in het kader van de energie-unie te moderniseren. Investeringen met een waarde van minder dan 10 miljoen EUR moeten ook in aanmerking komen voor financiering uit de kosteloze toewijzing. De betrokken lidstaat moet dergelijke investeringen op basis van duidelijke en transparante criteria selecteren. Er moet een openbare raadpleging over de resultaten van dat selectieproces plaatsvinden. In het stadium van de selectie van investeringsprojecten en van de uitvoering ervan moeten de burgers naar behoren worden geïnformeerd.
(12)  De Europese Raad heeft bevestigd dat de modaliteiten, inclusief de transparantie, van de optionele kosteloze toewijzing om de energiesector in bepaalde lidstaten te moderniseren en te diversifiëren, moeten worden verbeterd. Investeringen met een waarde van 10 miljoen EUR of meer moeten door de betrokken lidstaat via een concurrerend biedingsproces worden geselecteerd op basis van duidelijke en transparante regels, zodat de kosteloze toewijzing wordt gebruikt ter bevordering van reële investeringen om de energiesector in overeenstemming met de doelstellingen in het kader van de energie-unie, waaronder de bevordering van het derde energiepakket, te moderniseren en te diversifiëren. Investeringen met een waarde van minder dan 10 miljoen EUR moeten ook in aanmerking komen voor financiering uit de kosteloze toewijzing. De betrokken lidstaat moet dergelijke investeringen op basis van duidelijke en transparante criteria selecteren. Er moet een openbare raadpleging over het selectieproces plaatsvinden en de resultaten van een dergelijk selectieproces, met inbegrip van geweigerde projecten, moeten openbaar worden gemaakt. In het stadium van de selectie van investeringsprojecten en van de uitvoering ervan moeten de burgers naar behoren worden geïnformeerd. De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om de overeenkomstige rechten gedeeltelijk of volledig over te dragen naar het moderniseringsfonds indien ze in aanmerking komen om van beide instrumenten gebruik te maken. De afwijking moet uiterlijk aan het einde van de handelsperiode in 2030 worden beëindigd.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De financiering van EU-ETS moet samenhangen met andere financieringsprogramma's van de Unie, inclusief de Europese structuur- en investeringsfondsen, om de doeltreffendheid van de openbare uitgaven te waarborgen.
(13)  De financiering van EU-ETS moet samenhangen met andere financieringsprogramma's van de Unie, inclusief Horizon 2020, het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese structuur- en investeringsfondsen en de Klimaatstrategie van de Europese Investeringsbank (EIB), om de doeltreffendheid van de openbare uitgaven te waarborgen.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Krachtens de bestaande bepalingen die kleine installaties van de EU-ETS uitzonderen, kunnen de installaties die zijn uitgezonderd dat blijven; het moet mogelijk worden dat lidstaten hun lijst van uitgezonderde installaties actualiseren en lidstaten die die mogelijkheid momenteel niet gebruiken, moeten dat aan het begin van elke handelsperiode kunnen doen.
(14)  De bestaande bepalingen die kleine installaties van de EU-ETS uitzonderen, moeten worden uitgebreid naar installaties die worden geëxploiteerd door kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die minder dan 50 000 ton CO2-equivalent uitstoten in elk van de drie jaren die voorafgaan aan het jaar waarin een uitzondering wordt aangevraagd. Het moet mogelijk worden dat lidstaten hun lijst van uitgezonderde installaties actualiseren en lidstaten die die mogelijkheid momenteel niet gebruiken, moeten dat aan het begin van elke handelsperiode en halverwege deze periode kunnen doen. Ook moet het mogelijk worden dat installaties die minder dan 5 000 ton CO2-equivalent uitstoten in elk van de drie jaren die voorafgaan aan het begin van elke handelsperiode worden uitgezonderd van de EU-ETS, die om de vijf jaar wordt herbekeken. De lidstaten moeten waarborgen dat alternatieve gelijkwaardige maatregelen voor installaties die niet deelnemen geen hogere nalevingskosten tot gevolg hebben. Voor kleine emittenten die onder de EU-ETS vallen, moeten de eisen voor bewaking, rapportage en verificatie worden vereenvoudigd.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Om de administratieve lasten voor bedrijven aanzienlijk te verminderen, staat het de Commissie vrij maatregelen te overwegen zoals het automatiseren van het indienen en verifiëren van verslagen inzake emissies, waarbij het potentieel van informatie- en communicatietechnologieën volledig wordt benut.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   In de gedelegeerde handelingen als bedoeld in de artikelen 14 en 15 moeten de regels inzake bewaking, rapportage en verificatie zoveel mogelijk worden vereenvoudigd om de administratieve lasten voor exploitanten te verminderen. In de gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 19, lid 3, moet de toegang tot en het gebruik van het register worden verbeterd, met name voor kleine exploitanten.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 (nieuw)
-1)   In de hele richtlijn wordt de term "Gemeenschapsregeling" vervangen door "EU-ETS" en worden de nodige grammaticale wijzigingen aangebracht.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 bis (nieuw)
-1 bis)   In de hele richtlijn wordt de term "(ge)hele Gemeenschap" vervangen door "hele Unie", waar van toepassing en met inachtneming van de toepasselijke grammaticale regels.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 ter (nieuw)
-1 ter)   In de hele richtlijn, met uitzondering van de onder de punten -1) en -1 bis) bedoelde gevallen en in artikel 26, lid 2, wordt de term "Gemeenschap" vervangen door "Unie", waar van toepassing en met inachtneming van de toepasselijke grammaticale regels.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 quater (nieuw)
-1 quater)   In de hele richtlijn wordt de formulering "de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure" vervangen door de formulering "de in artikel 30 quater, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure".
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 quinquies (nieuw)
-1 quinquies)   In artikel 3 octies, in artikel 5, lid 1, onder d), in artikel 6, lid 2, onder c, in artikel 10 bis, lid 2, tweede alinea, in artikel 14, leden 2, 3 en 4, in artikel 19, leden 1 en 4, en in artikel 29 bis, lid 4, wordt het woord "verordening" vervangen door het woord "handeling" en worden de nodige grammaticale wijzigingen aangebracht.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 septies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter h
-1 septies)   Artikel 3, onder h), wordt vervangen door:
"h) "nieuwkomer":
"h) "nieuwkomer":
—  een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en waaraan na 30 juni 2011 voor de eerste maal een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend,
—  een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en waaraan na 30 juni 2018 voor de eerste maal een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend,
—  een installatie die een activiteit uitvoert die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, voor de eerste maal in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, of
—  een installatie die een activiteit uitvoert die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, voor de eerste maal in de Unieregeling is opgenomen, of
—  een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten dan wel een activiteit die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, uitvoert en na 30 juni 2011 een aanzienlijke uitbreiding heeft ondergaan, alleen voor zover het deze uitbreiding betreft;"
—  een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten dan wel een activiteit die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, in de Unieregeling is opgenomen, uitvoert en na 30 juni 2018 een aanzienlijke uitbreiding heeft ondergaan, alleen voor zover het deze uitbreiding betreft;"
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 octies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 – letter u bis (nieuw)
-1 octies)   Aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
"u bis) "kleine emittent": een installatie met lage emissies die wordt geëxploiteerd door een kleine of middelgrote onderneming1 bis en die ten minste aan één van de volgende criteria voldoet:
–  de gemiddelde jaarlijkse geverifieerde emissies van die installatie als gerapporteerd aan de desbetreffende bevoegde autoriteit tijdens de handelsperiode direct voorafgaand aan de huidige handelsperiode, met uitzondering van CO2 afkomstig uit biomassa en vóór enige aftrek van overgebracht CO2, bedragen minder dan 50 000 ton CO2-equivalent per jaar;
–  de gegevens van de gemiddelde jaarlijkse emissies als bedoeld onder het eerste streepje zijn niet beschikbaar met betrekking tot die installatie of zijn niet meer van toepassing op die installatie vanwege wijzigingen in de grenzen van de installatie of wijzigingen in de exploitatievoorwaarden van de installatie, maar de jaarlijkse emissies van de installatie voor de volgende vijf jaar, met uitzondering van CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgedragen CO2, zullen naar verwachting minder dan 50 000 ton CO2-equivalent per jaar bedragen."
__________________
1 bis Als gedefinieerd in de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 nonies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quater – lid 2
-1 nonies)   Artikel 3 quater, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Voor de in artikel 13, lid 1, bedoelde periode die ingaat op 1 januari 2013, en, indien er na de in artikel 30, lid 4, bedoelde evaluatie geen wijzigingen zijn aangebracht, voor iedere volgende periode, is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 95 % van de historische luchtvaartemissies vermenigvuldigd met het aantal jaren in de periode.
"2. Voor de in artikel 13 bedoelde periode die ingaat op 1 januari 2013, en, indien er na de in artikel 30, lid 4, bedoelde evaluatie geen wijzigingen zijn aangebracht, voor iedere volgende periode, is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 95 % van de historische luchtvaartemissies vermenigvuldigd met het aantal jaren in de periode.
De totale hoeveelheid rechten die in 2021 wordt toegewezen aan vliegtuigexploitanten moet 10 % lager liggen dan de gemiddelde toewijzing voor de periode van 1 januari 2014 t/m 31 december 2016, en daarna afnemen met hetzelfde jaarlijkse percentage als voor het totale plafond van de EU-ETS als bedoeld in artikel 10, lid 1, tweede alinea, zodat het plafond voor de luchtvaartsector uiterlijk in 2030 beter overeenstemt met het plafond voor de bedrijfstakken die onder de EU-ETS vallen.
Voor luchtvaartactiviteiten van en naar luchtvaartterreinen in landen buiten de EER kan de hoeveelheid vanaf 2021 toe te wijzen rechten worden aangepast met inachtneming van het toekomstig mondiaal marktgebaseerd mechanisme waarover in de 39e vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) overeenstemming is bereikt. Uiterlijk in 2019, na afloop van de 40e vergadering van de ICAO, dient de Commissie met betrekking tot deze activiteiten een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.
Dit percentage kan in het kader van de algemene evaluatie van deze richtlijn worden herzien."
Dit percentage kan in het kader van de algemene evaluatie van deze richtlijn worden herzien."
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 decies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quater – lid 4
-1 decies)   In artikel 3 quater, lid 4, wordt de laatste zin vervangen door:
Die vaststelling wordt door het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité bestudeerd.
Die vaststelling wordt door het in artikel 30 quater, lid 1, bedoelde comité bestudeerd.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt -1 undecies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 2
-1 undecies)   Artikel 3 quinquies, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Vanaf 1 januari 2013 wordt 15 % van de rechten geveild. Dit percentage kan worden verhoogd, als onderdeel van de algehele evaluatie van deze richtlijn.
"2. Vanaf 1 januari 2021 wordt 50 % van de rechten geveild."
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 1
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 3
1)  In artikel 3 quinquies, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:
1)  Artikel 3 quinquies, lid 3, wordt vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de veiling door de lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of artikel 3 septies, lid 8. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 3 quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3 quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt."
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 4 – alinea 1
1 bis)   In artikel 3 quinquies, lid 4, wordt de eerste alinea vervangen door:
"4. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. De opbrengsten zouden moeten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, inclusief met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Gemeenschapsregeling te dekken. De veilingopbrengsten moeten ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing."
"4. Alle opbrengsten moeten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, inclusief met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Unieregeling te dekken. De veilingopbrengsten mogen ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing."
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 1 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 sexies – lid 1 bis (nieuw)
1 ter)   Aan artikel 3 sexies wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 bis. Met ingang van 2021 wordt er uit hoofde van deze richtlijn uitsluitend kosteloze toewijzing van rechten verleend aan de luchtvaartsector als dit wordt bevestigd door een later besluit dat wordt aangenomen door het Europees Parlement en de Raad, aangezien in resolutie A-39/3 van de ICAO een mondiale marktgebaseerde maatregel naar voren wordt geschoven die vanaf 2021 van toepassing moet worden. In dat verband houden de medewetgevers rekening met de interactie tussen deze marktgebaseerde maatregel en de EU-ETS."
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Hoofdstuk II bis (nieuw)
2 bis)   Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:
"HOOFDSTUK II bis
Opneming van scheepvaart bij gebrek aan vooruitgang op internationaal niveau
Artikel 3 octies bis
Inleiding
Bij gebrek aan een vergelijkbare regeling binnen het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) worden CO2-emissies afkomstig van havens van de Unie en van reizen naar en vanuit aanloophavens van de Unie met ingang van 2021 in rekening gebracht via het systeem dit in dit hoofdstuk wordt uiteengezet en dat met ingang van 2023 operationeel moet worden.
Artikel 3 octies ter
Toepassingsgebied
Uiterlijk op 1 januari 2023 worden de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op het toewijzen en verlenen van emissierechten met betrekking tot CO2-emissies van schepen die zich bevinden binnen, aankomen in of vertrekken uit havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen, overeenkomstig de bepalingen als vastgesteld in Verordening (EU) 2015/757. De artikelen 12 en 16 zijn op dezelfde wijze van toepassing op maritieme activiteiten als op andere activiteiten.
Artikel 3 octies quater
Bijkomende emissierechten voor de maritieme sector
Uiterlijk op 1 augustus 2021 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn door vaststelling van de totale hoeveelheid emissierechten voor de maritieme bedrijfstak in overeenstemming met andere bedrijfstakken, de toewijzingsmethode voor emissierechten voor deze bedrijfstak via veilingen en de bijzondere bepalingen met betrekking tot de administrerende lidstaat. Wanneer de maritieme bedrijfstak wordt opgenomen in de EU-ETS wordt de totale hoeveelheid emissierechten met die hoeveelheid verhoogd.
Twintig procent van de opbrengsten uit de veiling van de in artikel 3 octies quinquies bedoelde emissierechten wordt gebruikt via het uit hoofde van dat artikel opgerichte fonds (het "Maritiem klimaatfonds") ter verbetering van energie-efficiëntie en ter ondersteuning van investeringen in innovatieve technologieën voor het verminderen van CO2-emissies in de maritieme bedrijfstak, met inbegrip van de korte vaart en havens.
Artikel 3 octies quinquies
Maritiem klimaatfonds
1.   Op Unieniveau wordt er een fonds opgericht ter compensering van maritieme emissies, ter verbetering van energie-efficiëntie en ter bevordering van investeringen in innovatieve technologieën voor het verminderen van CO2-emissies in de maritieme bedrijfstak.
2.   Scheepsexploitanten mogen op vrijwillige basis een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage betalen aan het fonds in overeenstemming met de totale hoeveelheid emissies die zij uit hoofde van Verordening (EU) 2015/757 voor het voorgaande kalenderjaar hebben gerapporteerd. In afwijking van artikel 12, lid 3, levert het fonds emissierechten collectief in namens scheepsexploitanten die lid zijn van het fonds. De bijdrage per ton emissies wordt jaarlijks uiterlijk op 28 februari vastgesteld door het fonds en bedraagt niet minder dan de marktprijs voor emissierechten in het voorgaande jaar.
3.   Het fonds verwerft een hoeveelheid emissierechten die gelijk is aan de collectieve totale hoeveelheid emissies van zijn leden tijdens het voorgaande kalenderjaar en levert de rechten elk jaar uiterlijk op 30 april in bij het register dat uit hoofde van artikel 19 is ingesteld, waarna ze worden geannuleerd. De bijdragen worden openbaar gemaakt.
4.   Het fonds dient ook ter verbetering van energie-efficiëntie en ter bevordering van investeringen in innovatieve technologieën voor het verminderen van CO2-emissies in de maritieme bedrijfstak, met inbegrip van de korte vaart en havens, aan de hand van de in artikel 3 octies quater bedoelde opbrengsten. Alle door het fonds ondersteunde investeringen worden openbaar gemaakt en zijn in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn.
5.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze richtlijn vast te stellen betreffende de uitvoering van dit artikel.
Artikel 3 octies sexies
Internationale samenwerking
Indien een internationale overeenkomst wordt bereikt over mondiale maatregelen ter beperking van broeikasgasemissies van maritiem vervoer, herziet de Commissie deze richtlijn en stelt zij in voorkomend geval wijzigingen voor om de richtlijn af te stemmen op die internationale overeenkomst.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 5 – punt 1 – letter d bis (nieuw)
2 ter)   Aan artikel 5, eerste alinea, wordt het volgende punt toegevoegd:
"d bis) alle CCU-technologieën die in de installatie zullen worden gebruikt om emissies te helpen verminderen".
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2 quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 6 – lid 2 – letters e bis en e ter (nieuw)
2 quater)   Aan artikel 6, lid 2, worden de volgende punten toegevoegd:
"e bis) alle wettelijke verplichtingen inzake sociale verantwoordelijkheid en rapportage om voor een gelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van milieuvoorschriften te zorgen en te garanderen dat de bevoegde autoriteiten en belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van werknemers, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en lokale gemeenschappen, toegang hebben tot alle relevante informatie, zoals bepaald in het Verdrag van Aarhus en opgenomen in het recht van de Unie en het nationaal recht, met inbegrip van deze richtlijn;
e ter)   een verplichting om elk jaar uitgebreide informatie te publiceren over maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan en over de naleving van de richtlijnen van de Unie op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid op het werk; deze informatie moet toegankelijk zijn voor vertegenwoordigers van werknemers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld uit de lokale gemeenschappen in de omgeving van de installatie."
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 7
2 quinquies)   Artikel 7 wordt vervangen door:
"Artikel 7
"Artikel 7
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van voorgenomen wijzigingen in de aard of de werking, van voorgenomen uitbreidingen of van aanzienlijke capaciteitsvermindering van de installatie, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning vereist kan zijn. Zo nodig stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past de bevoegde autoriteit de vergunning aan door vermelding van de naam en het adres van de nieuwe exploitant."
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van voorgenomen wijzigingen in de aard of de werking, van voorgenomen uitbreidingen of van aanzienlijke capaciteitsvermindering van de installatie, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning vereist kan zijn. Zo nodig stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past de bevoegde autoriteit de vergunning aan met de identiteit en contactgegevens van de nieuwe exploitant."
Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 9 – alinea's 2 en 3
Met ingang van 2021 bedraagt de lineaire factor 2,2 %.
Met ingang van 2021 bedraagt de lineaire factor 2,2 %, en moet deze regelmatig worden herzien met het oog op een verhoging naar 2,4 %, op zijn vroegst in 2024.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1
a)   aan lid 1 worden drie nieuwe alinea's toegevoegd:
a)   lid 1 wordt vervangen door:
"1. Met ingang van 2019 veilen dan wel annuleren de lidstaten alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 bis en 10 quater kosteloos worden toegewezen en niet in de MSR worden opgenomen."
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 2
Met ingang van 2021 bedraagt het aandeel van de door de lidstaten te veilen emissierechten 57 %.
Met ingang van 2021 bedraagt het aandeel van de door de lidstaten te veilen of geannuleerde emissierechten 57 %, en dit aandeel neemt met maximaal vijf procentpunten af gedurende de gehele periode van tien jaar, te beginnen op 1 januari 2021, overeenkomstig artikel 10 bis, lid 5. Een dergelijke aanpassing mag uitsluitend plaatsvinden in de vorm van een vermindering van rechten die worden geveild overeenkomstig lid 2, eerste alinea, onder a). Indien er geen aanpassingen zijn of indien er voor een aanpassing minder dan vijf procentpunten nodig zijn, wordt de resterende hoeveelheid rechten geannuleerd. Een dergelijke annulering mag niet meer dan 200 miljoen rechten betreffen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 3
Tussen 2021 en 2030 wordt 2 % van de totale hoeveelheid emissierechten geveild om een fonds voor de verbetering van de energie-efficiëntie en de modernisering van de energiesystemen van bepaalde lidstaten in te stellen, zoals vastgesteld in artikel 10 quinquies van deze richtlijn ("het moderniseringsfonds").
Tussen 2021 en 2030 wordt 2 % van de totale hoeveelheid emissierechten geveild om een fonds ter verbetering van de energie-efficiëntie en modernisering van de energiesystemen van bepaalde lidstaten in te stellen, zoals vastgesteld in artikel 10 quinquies van deze richtlijn ("het moderniseringsfonds"). De in deze alinea vastgestelde hoeveelheid maakt deel uit van het aandeel te veilen rechten van 57 % als vastgesteld in de tweede alinea.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 3 bis (nieuw)
Daarnaast wordt 3 % van de totale hoeveelheid tussen 2021 en 2030 te verlenen emissierechten geveild om de bedrijfstakken of deeltakken te compenseren die aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, als bepaald in artikel 10 bis, lid 6, van deze richtlijn. Twee derde van de in deze alinea vastgestelde hoeveelheid maakt deel uit van het aandeel te veilen rechten van 57 % als bedoeld in de tweede alinea.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 3 ter (nieuw)
Met ingang van 1 januari 2021 wordt ter aanvulling van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds een fonds voor een rechtvaardige transitie opgericht dat wordt gefinancierd door samenbrenging van 2 % van de veilingopbrengsten.
De opbrengsten van deze veilingen blijven op Unieniveau en worden gebruikt om regio's te ondersteunen waar een groot aandeel werknemers is tewerkgesteld in van koolstof afhankelijke sectoren en waar het bbp per hoofd van de bevolking ver onder het Uniegemiddelde ligt. Deze maatregelen worden genomen met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.
Deze voor rechtvaardige transitie bedoelde veilingopbrengsten kunnen op verschillende manieren worden aangewend, zoals:
—  voor het creëren van cellen voor herplaatsing en/of mobiliteit,
—  voor onderwijs-/opleidingsinitiatieven om werknemers om te scholen of bij te scholen,
—  voor ondersteuning bij het zoeken naar een baan,
—  voor het oprichten van bedrijven, en
—  voor toezichts- en preventieve maatregelen ter voorkoming of beperking van de negatieve gevolgen van het herstructureringsproces op de lichamelijke en geestelijke gezondheid.
Aangezien de door een fonds voor een rechtvaardige transitie te financieren kernactiviteiten sterk samenhangen met de arbeidsmarkt, moeten de sociale partners actief worden betrokken bij het beheer van het fonds – naar het voorbeeld van het comité van het Europees Sociaal Fonds – en is de deelname van lokale sociale partners een eerste vereiste die moet zijn vervuld voordat projecten financiering kunnen ontvangen.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 4
De totale resterende hoeveelheid door de lidstaten te veilen emissierechten wordt overeenkomstig lid 2 verdeeld.
De totale resterende hoeveelheid door de lidstaten te veilen emissierechten wordt, na aftrek van de hoeveelheid rechten als bedoeld in artikel 10 bis, lid 8, eerste alinea, overeenkomstig lid 2 verdeeld.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 4 bis (nieuw)
Op 1 januari 2021 worden 800 miljoen in het MSR ondergebrachte rechten geannuleerd.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter b – punt ii
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 2 – letter b
b)  10 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die met het oog op solidariteit en groei binnen de Gemeenschap over bepaalde lidstaten wordt verdeeld, zodat de hoeveelheid emissierechten die deze lidstaten krachtens punt a) veilen, met de in bijlage II bis vermelde percentages wordt verhoogd.
b)  10 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die met het oog op solidariteit en groei binnen de Gemeenschap over bepaalde lidstaten wordt verdeeld, zodat de hoeveelheid emissierechten die deze lidstaten krachtens punt a) veilen, met de in bijlage II bis vermelde percentages wordt verhoogd. Voor lidstaten die in aanmerking komen voor het moderniseringsfonds als vastgesteld in artikel 10 quinquies geldt dat hun aandeel rechten als bepaald in bijlage II bis wordt overgedragen naar hun aandeel in het moderniseringsfonds.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – inleidende formule
b bis)   in lid 3 wordt het inleidende deel vervangen door:
"3. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. Ten minste 50 % van de opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle opbrengsten uit de in lid 2, onder b) en c), bedoelde veilingen, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, zou moeten worden gebruikt voor één of meerdere van de onderstaande doelstellingen:"
"3. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. De totale opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten worden voor 100 % gebruikt voor één of meerdere van de onderstaande doelstellingen:"
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter b
b ter)   in lid 3 wordt punt b) vervangen door:
"b) de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om tegen 2020 20 % duurzame energie te gebruiken, alsook de ontwikkeling van andere technologieën die bijdragen tot de overgang naar een veilige en duurzame, koolstofarme economie, en om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20 % op te voeren;"
"b) de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de Unie inzake duurzame energie tegen 2030, alsook de ontwikkeling van andere technologieën die bijdragen tot de overgang naar een veilige en duurzame, koolstofarme economie, en om te voldoen aan de toezegging van de Unie om de energie-efficiëntie tegen 2030 op te voeren tot de niveaus waartoe is besloten in de toepasselijke wetgevingshandelingen;"
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter b quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter f
b quater)   in lid 3 wordt punt f) vervangen door:
"f) het aanmoedigen van het overschakelen op vervoersvormen met een lage emissie en op vormen van openbaar vervoer;"
"f) het aanmoedigen van het overschakelen op vervoersvormen met een lage emissie en op vormen van openbaar vervoer en – zolang CO2-kosten niet op een vergelijkbare manier worden weergegeven voor andere vormen van oppervlaktevervoer – het ondersteunen van geëlektrificeerde vervoersvormen zoals de spoorwegen of andere geëlektrificeerde vormen van oppervlaktevervoer, rekening houdend met hun indirecte EU-ETS-kosten;"
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter b quinquies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter h
b quinquies)   in lid 3 wordt punt h) vervangen door:
"h) maatregelen die tot doel hebben de energie-efficiëntie en isolatie te verbeteren of financiële steun te verlenen voor de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen;"
"h) maatregelen die tot doel hebben energie-efficiëntie, systemen voor stadsverwarming en isolatie te verbeteren of financiële steun te verlenen voor de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen;"
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter j
j)  de financiering van maatregelen ten gunste van bedrijfstakken of deeltakken die als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld, op voorwaarde dat deze maatregelen aan de in artikel 10 bis, lid 6, vastgestelde voorwaarden voldoen;
j)  de financiering van maatregelen ten gunste van bedrijfstakken of deeltakken die als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld, op voorwaarde dat niet meer dan 20 % van de opbrengsten hiervoor worden gebruikt en dat deze maatregelen aan de in artikel 10 bis, lid 6, vastgestelde voorwaarden voldoen;
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – letter l
l)  de bevordering van het verwerven van vaardigheden en de reallocatie van arbeid die wordt getroffen door de overgang naar andere banen in een economie die koolstofarmer wordt, en dat in nauwe samenspraak met de sociale partners.
l)  het aanpakken van de sociale gevolgen van het koolstofarm maken van hun economieën en de bevordering van het verwerven van vaardigheden en de reallocatie van arbeid die wordt getroffen door de overgang naar andere banen, en dat in nauwe samenspraak met de sociale partners.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter c bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
c bis)   in lid 3 wordt de volgende alinea ingevoegd:
"Deze informatie wordt aangeleverd in een standaardformaat dat door de Commissie is uitgewerkt, met inbegrip van informatie over het gebruik van veilingopbrengsten voor de verschillende categorieën en de additionaliteit van het gebruik van de middelen. De Commissie maakt deze informatie openbaar op haar website."
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter c ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 3 – alinea 2
c ter)   lid 3, tweede alinea, wordt vervangen door:
"De lidstaten voldoen aan het in dit lid bepaalde indien zij een fiscaal of financieel steunbeleid hebben en uitvoeren, waaronder met name in ontwikkelingslanden, of nationale reguleringsmaatregelen uitvoeren die financiële steunverlening in de hand werken, dat is opgezet om de in de eerste alinea vermelde doelstellingen te verwezenlijken en dat een waarde heeft die gelijk is aan ten minste 50 % van de opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veilingen van emissierechten, met inbegrip van alle opbrengsten uit de in lid 2, onder b) en c), bedoelde veilingen."
"De lidstaten voldoen aan het in dit lid bepaalde indien zij een fiscaal of financieel steunbeleid hebben en uitvoeren, waaronder met name in ontwikkelingslanden, of nationale reguleringsmaatregelen uitvoeren die bijkomende financiële steunverlening in de hand werken, dat is opgezet om de in de eerste alinea vermelde doelstellingen te verwezenlijken en dat een waarde heeft die gelijk is aan 100 % van de opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veilingen van emissierechten en hebben deze beleidsmaatregelen gerapporteerd in een standaardformaat dat door de Commissie ter beschikking is gesteld."
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter d
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 4 – alinea's 1, 2 en 3
d)  in lid 4 wordt de derde alinea vervangen door:
d)  in lid 4 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"4. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om ervoor te zorgen dat deze op een open, transparante, geharmoniseerde en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. Te dien einde moet dit proces voorspelbaar zijn, met name met betrekking tot het tijdstip en de opeenvolging van veilingen en de geraamde hoeveelheden emissierechten die aangeboden worden. Wanneer uit een beoordeling blijkt dat er met betrekking tot afzonderlijke bedrijfstakken geen significante gevolgen te verwachten zijn voor bedrijfstakken of deeltakken die zijn blootgesteld aan een significant risico op koolstoflekkage, kan de Commissie, teneinde de ordelijke werking van de markt te waarborgen, onder uitzonderlijke omstandigheden het tijdschema wijzigen voor de in artikel 13, lid 1, bedoelde periode die op 1 januari 2013 aanvangt. De Commissie voert niet meer dan één zulke wijziging door voor een maximumaantal van 900 miljoen emissierechten.
De veilingen worden zodanig opgezet dat:
a)   de exploitanten, en met name eventuele kmo’s die onder de EU-ETS vallen, volledige, eerlijke en gelijke toegang krijgen;
b)   alle deelnemers op hetzelfde tijdstip toegang hebben tot dezelfde informatie en dat deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen;
c)   de organisatie van en deelname aan veilingen kosteneffectief is en dat onnodige administratieve kosten worden vermeden; en
d)   kleine emittenten toegang krijgen tot emissierechten."
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter d bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 4 – alinea 4 bis (nieuw)
d bis)   in lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"De lidstaten rapporteren het aantal door nationale maatregelen gesloten elektriciteitsopwekkingscentrales op hun grondgebied om de twee jaar aan de Commissie. De Commissie berekent het aantal emissierechten dat overeenstemt met die sluitingen en stelt de lidstaten op de hoogte. De lidstaten mogen een overeenkomstige hoeveelheid rechten uit de totale hoeveelheid die in overeenstemming met lid 2 is verdeeld, annuleren."
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 4 – letter d ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 – lid 5
d ter)   lid 5 wordt vervangen door:
"5. De Commissie houdt toezicht op de werking van de Europese koolstofmarkt. Elk jaar dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de werking van de koolstofmarkt, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de veilingen, liquiditeit en verhandelde hoeveelheden. Indien nodig, zorgen de lidstaten ervoor dat alle relevante informatie ten minste twee maanden voor de goedkeuring van het verslag door de Commissie, aan deze laatste wordt doorgegeven."
"5. De Commissie houdt toezicht op de werking van de EU-ETS. Elk jaar dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de veilingen, liquiditeit en verhandelde hoeveelheden. In het verslag moet ook aandacht worden besteed aan de interactie tussen de EU-ETS en andere beleidsmaatregelen van de Unie inzake klimaat en energie, onder meer aan de manier waarop deze beleidsmaatregelen het evenwicht tussen aanbod en vraag in de EU-ETS beïnvloeden en aan de vraag of ze stroken met de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2050. In het verslag wordt tevens rekening gehouden met het risico op koolstoflekkage en de effecten op investeringen binnen de Unie. De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante informatie ten minste twee maanden voor de goedkeuring van het verslag door de Commissie, aan deze laatste wordt doorgegeven."
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 1 – alinea's 1 en 2
a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:
a)  in lid 1 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen. Die handeling voorziet ook in extra toewijzing uit de nieuwkomersreserve voor aanzienlijke productieverhogingen door dezelfde drempels en toewijzingsaanpassingen toe te passen als die welke ten aanzien van een gedeeltelijke beëindiging van de werking gelden."
"1. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met voor de hele Unie geldende en volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor het toewijzen van de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde emissierechten, met inbegrip van bepalingen die nodig zijn voor een geharmoniseerde toepassing van lid 19. Die handeling voorziet ook in extra toewijzing uit de nieuwkomersreserve voor aanzienlijke productieschommelingen. Met name wordt erin bepaald dat iedere toe- of afname van de productie van ten minste 10 %, uitgedrukt als voortschrijdend gemiddelde van geverifieerde productiegegevens voor de twee voorgaande jaren vergeleken met de productieactiviteit die gerapporteerd wordt overeenkomstig artikel 11, wordt aangepast met een overeenkomstige hoeveelheid emissierechten door rechten toe te voegen of te onttrekken aan de reserve als bedoeld in lid 7.
Bij de voorbereiding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de eerste alinea houdt de Commissie voor ogen dat de administratieve complexiteit moet worden beperkt en dat moet worden voorkomen dat het systeem wordt gemanipuleerd. Hiertoe mag de Commissie in voorkomend geval flexibel omgaan met de toepassing van de in dit lid vastgestelde drempels, indien specifieke omstandigheden dit rechtvaardigen."
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 1 – alinea 3
a bis)  in lid 1 wordt de derde alinea vervangen door:
"De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Gemeenschap geldende ex ante benchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. Er wordt geen kosteloze toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 10 quater en voor met rookgassen geproduceerde elektriciteit."
"De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Unie geldende ex ante benchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa, CCS en CCU, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. Er wordt geen kosteloze toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 10 quater en voor met rookgassen geproduceerde elektriciteit."
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 – inleidende formule
De benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzing worden aangepast om onverhoopte winsten te vermijden en rekening te houden met de technologische vooruitgang in de periode 2007-2008 en elke volgende periode waarvoor overeenkomstig artikel 11, lid 1, kosteloze toewijzingen worden vastgesteld. Die aanpassing verlaagt de benchmarkwaarden die bij de uit hoofde van artikel 10 bis goedgekeurde handeling zijn vastgesteld, met 1 % van de op basis van gegevens voor 2007-2008 vastgestelde waarde voor elk jaar tussen 2008 en het midden van de relevante periode van kosteloze toewijzing, met de volgende uitzonderingen:
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn om de herziene benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzing te bepalen. Die handelingen zijn in overeenstemming met de uit hoofde van lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen en voldoen aan de volgende elementen:
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 – punt -i (nieuw)
-i)   voor de periode van 2021 tot en met 2025 worden de benchmarkwaarden bepaald op basis van de uit hoofde van artikel 11 ingediende informatie voor de jaren 2016-2017;
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 – punt -i bis (nieuw)
-i bis)   op grond van een vergelijking tussen de op deze informatie gebaseerde benchmarkwaarden en de benchmarkwaarde van Besluit 2011/278/EU van de Commissie bepaalt de Commissie voor elk jaar tussen 2008 en 2023 het jaarlijkse verminderingspercentage voor elke benchmark en past zij dat toe op de benchmarkwaarden die van toepassing zijn in de periode 2013-2020 om de benchmarkwaarden voor de jaren 2021-2025 te bepalen;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 – punt i
i)   aan de hand van de overeenkomstig artikel 11 ingediende gegevens bepaalt de Commissie of de waarden voor elke benchmark die aan de hand van de beginselen in artikel 10 bis zijn berekend, jaarlijks meer dan 0,5 % van de waarde van 2007-2008 van de bovenstaande jaarlijkse vermindering afwijken. Zo ja, wordt de benchmarkwaarde met 0,5 % of 1,5 % aangepast voor elk jaar tussen 2008 en het midden van de periode waarvoor een kosteloze toewijzing plaatsvindt;
i)   indien op basis van de overeenkomstig artikel 11 ingediende gegevens blijkt dat de vooruitgang niet meer dan 0,25 % bedraagt, wordt de benchmarkwaarde met dit percentage verlaagd in de periode 2021-2025 met betrekking tot elk jaar tussen 2008 en 2023;
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 – punt ii
ii)   in afwijking hiervan worden de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas met hetzelfde percentage als de benchmarks voor raffinaderijen aangepast om de gelijke concurrentievoorwaarden voor de producenten van die producten te handhaven.
ii)   indien op basis van de overeenkomstig artikel 11 ingediende gegevens blijkt dat de vooruitgang meer dan 1,75 % bedraagt, wordt de benchmarkwaarde met dit percentage verlaagd in de periode 2021-2025 met betrekking tot elk jaar tussen 2008 en 2023.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 4
De Commissie stelt hiertoe een uitvoeringshandeling vast overeenkomstig artikel 22 bis.
Schrappen
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 bis (nieuw)
b bis)   aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Voor de periode tussen 2026 en 2030 worden de benchmarkwaarden op dezelfde manier bepaald, op basis van de overeenkomstig artikel 11 ingediende gegevens voor de jaren 2021-2022 en met het jaarlijkse verminderingspercentage dat van toepassing is voor elk jaar tussen 2008 en 2028."
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 2 – alinea 3 ter (nieuw)
b ter)   aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:
ii)   in afwijking hiervan worden de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas met hetzelfde percentage als de benchmarks voor raffinaderijen aangepast om de gelijke concurrentievoorwaarden voor de producenten van die producten te handhaven.
"In afwijking hiervan worden de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas met hetzelfde percentage als de benchmarks voor raffinaderijen aangepast om de gelijke concurrentievoorwaarden voor de producenten van die producten te handhaven."
Amendement 165
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 3
b quater)  aan lid 3 worde de volgende alinea toegevoegd:
Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen.
Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen. Elektriciteitsopwekkers die elektriciteit opwekken uit restgas zijn geen elektriciteitsopwekkers in de zin van artikel 2, lid 3, onder u), van deze richtlijn. Bij benchmarkberekeningen wordt rekening gehouden met het totale koolstofgehalte van de restgassen die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter b quinquies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 4
b quinquies)   lid 4 wordt vervangen door:
"4. Er worden kosteloze toewijzingen gegeven voor stadsverwarming en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van de betrokken warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor."
"4. Er worden kosteloze toewijzingen gegeven voor stadsverwarming en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling."
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 5
Met het oog op de naleving van het in artikel 10 vastgestelde te veilen aandeel worden voor elk jaar waarin de som van de kosteloze toewijzingen het maximumniveau van het te veilen aandeel van een lidstaat niet bereikt, de resterende emissierechten gebruikt ter voorkoming of beperking van de vermindering van de kosteloze toewijzingen om het te veilen aandeel van die lidstaat in latere jaren te respecteren. Wanneer het maximumniveau echter is bereikt, worden de kosteloze toewijzingen dienovereenkomstig aangepast. Elke aanpassing wordt op een eenvormige wijze toegepast.
5.   Indien de som van de kosteloze toewijzingen in een gegeven jaar het maximumniveau niet bereikt, met inachtneming van het te veilen aandeel van de lidstaten als bepaald in artikel 10, lid 1, worden de resterende emissierechten gebruikt ter voorkoming of beperking van de vermindering van kosteloze toewijzingen in de daaropvolgende jaren. Indien het maximumniveau echter wel wordt bereikt, wordt een hoeveelheid rechten die gelijkwaardig is aan een vermindering van maximaal vijf procentpunten van het aandeel van door de lidstaten overeenkomstig artikel 10, lid 1, te veilen rechten voor de volledige tienjarige periode met ingang van 1 januari 2021 kosteloos uitgedeeld aan bedrijfstakken en deeltakken overeenkomstig artikel 10 ter. Indien deze vermindering echter onvoldoende is om te beantwoorden aan de vraag van bedrijfstakken of deeltakken overeenkomstig artikel 10 ter, worden de kosteloze toewijzingen dienovereenkomstig aangepast aan de hand van een uniforme transsectorale correctiefactor voor bedrijfstakken met een handelsintensiteit met derde landen die lager ligt dan 15 % of met een koolstofintensiteit die minder dan 7 kg CO2 per EUR bruto toegevoegde waarde bedraagt.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter d
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 6 – alinea 1
Lidstaten moeten, rekening houdend met de eventuele gevolgen voor de interne markt, financiële maatregelen vaststellen ten gunste van bedrijfstakken of deeltakken die als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld. Dergelijke financiële maatregelen ter compensatie van een deel van die kosten moeten in overeenstemming zijn met de staatssteunregels.
6.   Op het niveau van de Unie wordt een gecentraliseerde regeling vastgesteld ter compensatie van bedrijfstakken of deeltakken die als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld.
De compensatie is evenredig aan de in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten en wordt toegepast overeenkomstig de in de desbetreffende richtsnoeren voor staatssteun vastgestelde criteria, zodat zowel negatieve effecten op de interne markt als overcompensatie van gemaakte kosten worden vermeden.
Indien het beschikbare compensatiebedrag niet toereikend is om de subsidiabele indirecte kosten te dekken, wordt het beschikbare compensatiebedrag voor alle in aanmerking komende installaties op uniforme wijze verlaagd.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn voor doeleinden als bedoeld in dit lid door regelingen voor de instelling en werking van het fonds in te voeren.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter d bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 6 – alinea 1 bis (nieuw)
d bis)   in lid 6 wordt een nieuwe alinea ingevoegd:
"Lidstaten mogen tevens, rekening houdend met de eventuele gevolgen voor de interne markt, nationale financiële maatregelen vaststellen ten gunste van bedrijfstakken of deeltakken die als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten aan een reëel risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld. Dergelijke financiële maatregelen ter compensatie van een deel van deze kosten moeten in overeenstemming zijn met de staatssteunregels en met artikel 10, lid 3, van deze richtlijn. Deze nationale maatregelen mogen, indien ze worden gecombineerd met de steun als bedoeld in de eerste alinea, het maximumniveau voor compensatie als bedoeld in de desbetreffende richtsnoeren voor staatssteun niet overschrijden en mogen geen nieuwe marktverstoring creëren. De bestaande plafonds met betrekking tot compensatie in de vorm van staatssteun blijven dalen gedurende de hele handelsperiode."
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter e – punt i
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 7 – alinea 1
Emissierechten uit de in artikel 10 bis, lid 5, van deze richtlijn bedoelde maximale hoeveelheid die tegen 2020 niet kosteloos zijn toegewezen, worden voor nieuwkomers en aanzienlijke productieverhogingen gereserveerd, samen met 250 miljoen rechten die overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Besluit (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad(*) in de marktstabiliteitsreserve zijn ondergebracht.
7.   Er worden 400 miljoen emissierechten gereserveerd voor nieuwkomers en aanzienlijke productieverhogingen.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter e – punt i
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 7 – alinea 2
Vanaf 2021 worden emissierechten die als gevolg van de toepassing van de leden 19 en 20 niet aan installaties zijn toegewezen, toegevoegd aan die reserve.
Vanaf 2021 worden alle emissierechten die als gevolg van de toepassing van de leden 19 en 20 niet aan installaties zijn toegewezen, toegevoegd aan die reserve.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter f – inleidende formule
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 8
f)  in lid 8 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:
f)  lid 8 wordt vervangen door:
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter f – alinea 1
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 8 – alinea 1
400 miljoen emissierechten worden beschikbaar gesteld om innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in industriële bedrijfstakken zoals bedoeld in bijlage I te ondersteunen en om het opzetten en exploiteren te helpen stimuleren van commerciële demonstratieprojecten die zich bezighouden met het milieutechnisch veilig afvangen en geologisch opslaan van CO2 en van demonstratieprojecten inzake innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie binnen het grondgebied van de Unie.
8.   600 miljoen emissierechten worden beschikbaar gesteld om investeringen in innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in industriële bedrijfstakken zoals bedoeld in bijlage I, waaronder biogebaseerde materialen en producten ter vervanging van koolstofintensieve materialen, in de hand te werken en om het opzetten en exploiteren te helpen stimuleren van commerciële demonstratieprojecten die zich bezighouden met milieutechnisch veilige CCS en CCU en van demonstratieprojecten inzake innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie en voor energieopslag binnen het grondgebied van de Unie.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter f
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 8 – alinea 2
De emissierechten worden beschikbaar gesteld voor innovatie op het gebied van koolstofarme industriële technologieën en processen, alsmede ter ondersteuning van demonstratieprojecten voor de ontwikkeling van een breed gamma technologieën inzake CO2-afvang en -opslag en innovatieve hernieuwbare energie die commercieel nog niet levensvatbaar zijn, op geografisch gezien evenwichtig gespreide locaties. Ter bevordering van innovatieve projecten mag tot 60 % van de relevante kosten van de projecten worden gesubsidieerd, waarvan tot 40 % niet afhankelijk hoeft te zijn van geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, op voorwaarde dat vooraf bepaalde mijlpalen worden bereikt, rekening houdend met de ingezette technologie.
De emissierechten worden beschikbaar gesteld voor innovatie op het gebied van koolstofarme industriële technologieën en processen, alsmede ter ondersteuning van demonstratieprojecten voor de ontwikkeling van een breed gamma innovatieve technologieën inzake hernieuwbare energie, CCS en CCU die commercieel nog niet levensvatbaar zijn. Projecten worden geselecteerd op basis van hun effect op energiesystemen of industriële processen binnen een lidstaat, een groep lidstaten of de Unie. Ter bevordering van innovatieve projecten mag tot 75 % van de relevante kosten van de projecten worden gesubsidieerd, waarvan tot 60 % niet afhankelijk hoeft te zijn van geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, op voorwaarde dat vooraf bepaalde mijlpalen worden bereikt, rekening houdend met de ingezette technologie. De toewijzing van rechten aan een project hangt samen met de behoeften van dat project met betrekking tot het bereiken van vooraf bepaalde mijlpalen.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter f
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 8 – alinea 3
Vóór 2021 vullen daarnaast 50 miljoen niet-toegewezen emissierechten uit de bij Besluit (EU) 2015/... ingestelde marktstabiliteitsreserve alle overige bestaande middelen in dit lid voor hierboven bedoelde projecten aan, met projecten in alle lidstaten, inclusief kleinschalige projecten. Projecten worden geselecteerd op basis van objectieve en transparante criteria.
Vóór 2021 en vanaf 2018 vullen daarnaast 50 miljoen niet-toegewezen emissierechten uit de MSR alle bestaande middelen in dit lid die zijn overgebleven als gevolg van ongebruikte opbrengsten van de NER300-veilingen van emissierechten tussen 2013 en 2020 voor in de eerste en tweede alinea bedoelde projecten aan, met projecten in alle lidstaten, inclusief kleinschalige projecten. Projecten worden geselecteerd op basis van objectieve en transparante criteria, waarbij rekening wordt gehouden met hun relevantie in verband met het koolstofvrij maken van de betrokken bedrijfstakken.
Projecten die worden ondersteund uit hoofde van deze alinea kunnen ook aanvullende steun ontvangen uit hoofde van de eerste en tweede alinea.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter f
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 8 – alinea 4
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met de te gebruiken criteria voor de selectie van projecten die in aanmerking komen voor de rechten als bedoeld in dit lid, waarbij de volgende beginselen in acht worden genomen:
i)  projecten zijn gericht op het ontwerpen en ontwikkelen van baanbrekende oplossingen en het uitvoeren van demonstratieprogramma's;
ii)  de activiteiten moeten dicht bij de markt in productiefaciliteiten plaatsvinden om aan te tonen dat baanbrekende technologieën levensvatbaar zijn voor het overwinnen van zowel technologische als niet-technologische belemmeringen;
iii)  projecten zijn gericht op het leveren van technologische oplossingen die het potentieel hebben breed te kunnen worden toegepast en kunnen een combinatie bieden van verschillende technologieën;
iv)  oplossingen en technologieën beschikken idealiter over het potentieel om binnen de bedrijfstak en mogelijk naar andere bedrijfstakken te worden overgedragen;
v)  projecten waarbij de verwachte emissiereducties aanzienlijk onder de desbetreffende benchmarkwaarde liggen, krijgen voorrang. Subsidiabele projecten zorgen ofwel voor een bijdrage aan emissiereducties die onder de in lid 2 bedoelde benchmarkwaarden liggen, of voor vooruitzichten om de kost van de overgang naar emmissiearme energieopwekking aanzienlijk te verlagen; en
vi)  CCU-projecten staan in voor een nettovermindering van emissies en een permanente opslag van CO2 gedurende hun volledige levensduur.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 5 – letter i bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – lid 20
i bis)   lid 20 wordt vervangen door:
"20. De Commissie neemt, als onderdeel van de krachtens lid 1, vastgestelde maatregelen, bepalingen op om installaties te definiëren die gedeeltelijk of tijdelijk uit bedrijf worden genomen of die hun capaciteit aanzienlijk verminderen, alsook bepalingen om indien nodig de hoeveelheid kosteloos aan die installaties verstrekte emissierechten dienovereenkomstig aan te passen."
"20. De Commissie neemt, als onderdeel van de krachtens lid 1, vastgestelde maatregelen, bepalingen op om installaties te definiëren die gedeeltelijk of tijdelijk uit bedrijf worden genomen of die hun capaciteit aanzienlijk verminderen, alsook bepalingen om indien nodig de hoeveelheid kosteloos aan die installaties verstrekte emissierechten dienovereenkomstig aan te passen.
Deze maatregelen zorgen voor flexibiliteit voor bedrijfstakken waarin capaciteit regelmatig wordt overgedragen tussen operationele installaties binnen eenzelfde bedrijf."
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 bis – titel
Maatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën in geval van koolstoflekkage
Overgangsmaatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën in geval van koolstoflekkage
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 ter – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Na de vaststelling van de herziening van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad* verricht de Commissie een nieuwe beoordeling van het aandeel emissiereducties in de EU-ETS en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad**. Bijkomende reducties door een verhoogd energie-efficiëntiestreefcijfer worden gebruikt om bedrijfstakken die een risico op koolstoflekkage of het wegvloeien van investeringen lopen, te beschermen.
____________
* Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
** Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 ter – lid 1 ter en 1 quater (nieuw)
1 ter.   Ter uitvoering van artikel 6, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs beoordeelt de Commissie in haar verslag, dat zal worden opgesteld overeenkomstig artikel 28 bis bis, de ontwikkeling van beleidsmaatregelen ter beperking van de klimaatverandering, inclusief op de markt gebaseerde benaderingen, in derde landen en regio's en het effect van deze beleidsmaatregelen op het concurrentievermogen van de Europese industrie.
1 quater.   Als de Commissie in haar verslag tot de conclusie komt dat er een aanzienlijk risico van koolstoflekkage blijft bestaan, komt ze in voorkomend geval met een wetgevingsvoorstel ter invoering van een koolstofgrenscorrectie, geheel in overeenstemming met de WTO-regels, op basis van een haalbaarheidsstudie waartoe opdracht moet worden gegeven bij de publicatie van deze richtlijn in het PB. Deze regeling zou in de EU-ETS ook importeurs opnemen van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10 bis vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 ter – lid 2
2.  Bedrijfstakken en deeltakken waarvan het product van de vermenigvuldiging van de intensiteit van hun handel met derde landen met hun emissie-intensiteit groter is dan 0,18 mogen in de in lid 1 bedoelde groep worden opgenomen op basis van een kwalitatieve beoordeling aan de hand van de volgende criteria:
2.  Bedrijfstakken en deeltakken waarvan het product van de vermenigvuldiging van de intensiteit van hun handel met derde landen met hun emissie-intensiteit groter is dan 0,12 mogen in de in lid 1 bedoelde groep worden opgenomen op basis van een kwalitatieve beoordeling aan de hand van de volgende criteria:
a)  de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak of deeltak hun emissieniveau of elektriciteitsverbruik kunnen verminderen;
a)  de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak of deeltak hun emissieniveau of elektriciteitsverbruik kunnen verminderen, rekening houdend met de gerelateerde toename van productiekosten;
b)  huidige en verwachte marktkenmerken;
b)  huidige en verwachte marktkenmerken;
c)  winstmarges als een potentiële indicator van beslissingen inzake langetermijninvestering of verplaatsing.
c)  winstmarges als een potentiële indicator van beslissingen inzake langetermijninvestering of verplaatsing;
c bis)   grondstoffen die op wereldwijde markten worden verhandeld tegen een gemeenschappelijke referentieprijs.
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 ter – lid 3
3.  Andere bedrijfstakken en deeltakken worden geacht in staat te zijn om een groter deel van de kost van de emissierechten in de productprijzen door te berekenen en krijgen voor de periode tot en met 2030 kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 30 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de krachtens artikel 10 bis vastgestelde maatregelen is bepaald.
3.  De bedrijfstak van stadsverwarming wordt geacht in staat te zijn om een groter deel van de kost van de emissierechten in de productprijzen door te berekenen en krijgen voor de periode tot en met 2030 kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 30 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de krachtens artikel 10 bis vastgestelde maatregelen is bepaald. Aan andere bedrijfstakken en deeltakken worden geen kosteloze toewijzingen verleend.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 ter – lid 4
4.  Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens van de laatste drie kalenderjaren voor de uitvoering van de voorgaande leden overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast betreffende activiteiten op viercijferniveau (NACE 4-code) met betrekking tot lid 1.
4.  Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn met betrekking tot lid 1 betreffende de activiteiten op viercijferniveau (NACE 4-code), of, indien gerechtvaardigd op basis van objectieve criteria die door de Commissie worden ontwikkeld, op het relevante niveau van uitsplitsing op basis van openbare en op de bedrijfstak toegespitste gegevens om de onder de EU-ETS vallende activiteiten te omvatten. De beoordeling van de handelsintensiteit gebeurt op basis van de beschikbare gegevens van de laatste vijf kalenderjaren.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 1
1.  Voor de modernisering van de energiesector kunnen lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen in EUR minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, in afwijking van artikel 10 bis, leden 1 tot en met 5, een voorlopige kosteloze toewijzing verstrekken aan installaties voor elektriciteitsproductie.
1.  Voor de modernisering, diversifiëring en duurzame transformatie van de energiesector kunnen lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen in EUR minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg in afwijking van artikel 10 bis, leden 1 tot en met 5, voorlopige kosteloze toewijzing verstrekken aan installaties voor elektriciteitsopwekking. Deze afwijking eindigt op 31 december 2030.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Lidstaten die niet in aanmerking komen uit hoofde van lid 1 maar waarvan in 2014 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktwisselkoersen in EUR minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, kunnen ook gebruikmaken van de afwijking als bedoeld in dat lid tot maximaal de hoeveelheid als bedoeld in lid 4, op voorwaarde dat de overeenkomstige hoeveelheid emissierechten wordt overgebracht naar het moderniseringsfonds en de opbrengsten worden gebruikt ter ondersteuning van investeringen overeenkomstig artikel 10 quinquies.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   Lidstaten die uit hoofde van dit artikel in aanmerking komen voor het verlenen van kosteloze toewijzingen aan installaties voor energieopwekking kunnen ervoor kiezen de overeenkomstige hoeveelheid rechten of een deel ervan over te brengen naar het moderniseringsfonds en de rechten toe te wijzen volgens de bepalingen van artikel 10 quinquies. In dat geval stellen de lidstaten de Commissie daarvan vóór de overdracht in kennis.
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 1 – letter b
b)  waarborgen dat enkel projecten die bijdragen tot de diversificatie van de energiemix en de bevoorradingsbronnen van de lidstaat, tot de nodige herstructurering, milieutechnische opwaardering en aanpassing van de infrastructuur, tot schone technologieën en tot de modernisering van de energieproductie, -transmissie en -distributie in aanmerking komen om te bieden;
b)  waarborgen dat enkel projecten die bijdragen tot de diversificatie van de energiemix en de bevoorradingsbronnen van de lidstaat, tot de nodige herstructurering, milieutechnische opwaardering en aanpassing van de infrastructuur, tot schone technologieën (zoals technologieën op het gebied van hernieuwbare energie) of tot de modernisering van de energieproductie, stadsverwarmingsnetwerken, energie-efficiëntie, energieopslag, -transmissie en -distributie in aanmerking komen om te bieden;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 1 – letter c
c)  duidelijke, objectieve, transparante en niet-discriminerende selectiecriteria voor de rangschikking van de projecten vaststellen om te waarborgen dat projecten worden geselecteerd die:
c)  duidelijke, objectieve, transparante en niet-discriminerende selectiecriteria, die stroken met de EU-beleidsdoelstellingen voor 2050 inzake klimaat en energie, vaststellen voor de rangschikking van de projecten om te waarborgen dat projecten worden geselecteerd die:
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 1 – letter c – punt i
i)  volgens een kosten-batenanalyse een positieve nettowinst voor de emissiereductie opleveren en een vooraf bepaalde aanzienlijke mate van CO2-vermindering verwezenlijken;
i)  volgens een kosten-batenanalyse een positieve nettowinst voor de emissiereductie opleveren en een vooraf bepaalde aanzienlijke mate van CO2-vermindering verwezenlijken die in verhouding is met de omvang van de projecten. Wanneer de projecten betrekking hebben op elektriciteitsproductie mag de broeikasgasemissie per kilowattuur in de installatie geproduceerde elektriciteit in totaal niet meer dan 450 g CO2-equivalent bedragen na beëindiging van het project. Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 30 ter een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van deze richtlijn door voor projecten met betrekking tot warmteproductie de maximale totale broeikasgasemissies per kilowattuur in de installatie geproduceerde warmte te bepalen die niet mag worden overschreden.
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 1 – letter c – punt ii
ii)  een aanvulling zijn, duidelijk tegemoetkomen aan vervangings- en moderniseringsbehoeften en niet beantwoorden aan een marktgestuurde groei van de vraag naar energie;
ii)  een aanvulling zijn, hoewel ze mogen worden gebruikt om te voldoen aan de desbetreffende streefdoelen als vastgesteld in het klimaat- en energiekader 2030, duidelijk tegemoetkomen aan vervangings- en moderniseringsbehoeften en niet beantwoorden aan een marktgestuurde groei van de vraag naar energie;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 1 – letter c – punt iii bis (nieuw)
iii bis)   niet bijdragen aan nieuwe met kolen gestookte energieopwekking of de afhankelijkheid van steenkool vergroten.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 2
Uiterlijk op 30 juni 2019 wordt door elke lidstaat die voornemens is om van de optionele kosteloze toewijzing gebruik te maken, een gedetailleerd nationaal kader waarin het concurrerende biedingsproces en de selectiecriteria worden uiteengezet, bekendgemaakt voor openbaar commentaar.
Uiterlijk op 30 juni 2019 wordt door elke lidstaat die voornemens is om van de optionele voorlopige kosteloze toewijzing voor de modernisering van de energiesector gebruik te maken, een gedetailleerd nationaal kader waarin het concurrerende biedingsproces en de selectiecriteria worden uiteengezet, bekendgemaakt voor openbaar commentaar.
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 2 – alinea 3
Indien investeringen met een waarde van minder dan 10 miljoen EUR met kosteloze toewijzingen worden ondersteund, selecteert de lidstaat projecten op basis van objectieve en transparante criteria. De resultaten van dat selectieproces worden bekendgemaakt voor openbaar commentaar. Op basis daarvan stelt de betrokken lidstaat een lijst met investeringen op en dient die uiterlijk op 30 juni 2019 in bij de Commissie.
Indien investeringen met een waarde van minder dan 10 miljoen EUR met kosteloze toewijzingen worden ondersteund, selecteert de lidstaat projecten op basis van objectieve en transparante criteria die in samenhang zijn met het behalen van de langetermijndoelstellingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie. Over deze criteria wordt een openbare raadpleging gehouden, waarbij volledige transparantie en toegankelijkheid van de betreffende documenten wordt gegarandeerd, en in de criteria wordt ten volle rekening gehouden met de opmerkingen van belanghebbende partijen. De resultaten van dat selectieproces worden bekendgemaakt voor openbare raadpleging. Op basis daarvan stelt de betrokken lidstaat een lijst met investeringen op en dient die uiterlijk op 30 juni 2019 in bij de Commissie.
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 3
3.  De waarde van de voorgenomen investeringen is op zijn minst gelijk aan de waarde van de kosteloze toewijzing, rekening houdend met het feit dat prijsstijgingen als rechtstreeks gevolg hiervan moeten worden beperkt. De marktwaarde is het gemiddelde van de prijs van emissierechten op het gemeenschappelijke veilingplatform in het voorgaande kalenderjaar.
3.  De waarde van de voorgenomen investeringen is op zijn minst gelijk aan de waarde van de kosteloze toewijzing, rekening houdend met het feit dat prijsstijgingen als rechtstreeks gevolg hiervan moeten worden beperkt. De marktwaarde is het gemiddelde van de prijs van emissierechten op het gemeenschappelijke veilingplatform in het voorgaande kalenderjaar. Maximaal 75 % van de relevante kosten van een investering mag worden gesteund.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 6
6.  De lidstaten eisen van begunstigde elektriciteitsproducenten en netwerkexploitanten dat zij uiterlijk op 28 februari van elk jaar verslag uitbrengen over de uitvoering van hun geselecteerde investeringen. De lidstaten brengen hierover verslag uit aan de Commissie en de Commissie maakt dit verslag openbaar.
6.  De lidstaten eisen van begunstigde energieproducenten en netwerkexploitanten dat zij jaarlijks uiterlijk op 31 maart van elk jaar verslag uitbrengen over de uitvoering van hun geselecteerde investeringen, onder meer over het evenwicht tussen kosteloze toewijzing en gemaakte investeringsuitgaven, de typen gesteunde investeringen en de manier waarop ze de doelen als vastgesteld in lid 2, eerste alinea, onder b), hebben bereikt. De lidstaten brengen hierover verslag uit aan de Commissie en de Commissie maakt dit verslag beschikbaar voor het publiek. De lidstaten en de Commissie zorgen voor toezicht en analyse wat potentiële arbitrage met betrekking tot de drempel van 10 miljoen EUR voor kleine projecten betreft en voorkomen ongerechtvaardigde opdeling van een investering over kleinere projecten door uit te sluiten dat meer dan één investering terechtkomt bij dezelfde begunstigde installatie.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   In het geval van een redelijk vermoeden van onregelmatigheden of het verzuim van een lidstaat om te rapporteren overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 kan de Commissie een onafhankelijk onderzoek instellen, indien nodig bijgestaan door een overeenkomstsluitende derde partij. De Commissie onderzoekt tevens andere mogelijke inbreuken, zoals het verzuim om het derde energiepakket ten uitvoer te leggen. De betrokken lidstaat verschaft alle informatie over investeringen en de toegang die nodig is voor het onderzoek, met inbegrip van toegang tot installaties en bouwterreinen. De Commissie publiceert een verslag over dat onderzoek.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 6
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quater – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.   In het geval van inbreuk op de klimaat- en energiewetgeving van de Unie, met inbegrip van het derde energiepakket, of de in dit artikel vastgestelde criteria, kan de Commissie de lidstaat verplichten af te zien van kosteloze toewijzing.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 1 – alinea 1
1.  Ter ondersteuning van investeringen in de modernisering van de energiesystemen en de verbetering van de energie-efficiëntie in lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, wordt voor de periode 2021-2030 een fonds ingesteld en overeenkomstig artikel 10 gefinancierd.
1.  Voor het ondersteunen en aantrekken van investeringen in de modernisering van de energiesystemen, waaronder stadsverwarming, en de verbetering van de energie-efficiëntie in lidstaten waarvan in 2013, 2014 of 2015 het bbp per hoofd van de bevolking minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, wordt voor de periode 2021-2030 een fonds ingesteld en overeenkomstig artikel 10 gefinancierd.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 1 – alinea 2
De ondersteunde investeringen moeten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van deze richtlijn en het Europees Fonds voor strategische investeringen.
De ondersteunde investeringen voldoen aan de beginselen van transparantie, non-discriminatie, gelijke behandeling en degelijk financieel beheer en bieden de beste kosten-batenverhouding. Zij zijn in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, de langetermijndoelstellingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie en het Europees Fonds voor strategische investeringen en voldoen aan de volgende kenmerken:
i)   ze dragen bij aan energiebesparing, systemen voor hernieuwbare energie, energieopslag en de bedrijfstakken van elektriciteitsinterconnectie, -transmissie en -distributie; indien projecten betrekking hebben op elektriciteitsproductie mag de broeikasgasemissie per kilowattuur in de installatie geproduceerde elektriciteit in totaal niet meer dan 450 g CO2-equivalent bedragen na beëindiging van het project. Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 30 ter een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van deze richtlijn door voor projecten met betrekking tot warmteproductie de maximale totale broeikasgasemissies per kilowattuur in de installatie geproduceerde warmte te bepalen die niet mag worden overschreden;
ii)   ze garanderen op basis van een kosten-batenanalyse een positieve nettowinst in termen van emissiereducties en verwezenlijken een vooraf bepaalde aanzienlijke mate van CO2-vermindering;
iii)   ze hebben een aanvullend karakter, hoewel ze mogen worden gebruikt om te voldoen aan de desbetreffende streefdoelen als vastgesteld in het klimaat- en energiekader 2030, ze komen duidelijk tegemoet aan vervangings- en moderniseringsbehoeften en beantwoorden niet aan een marktgestuurde groei van de vraag naar energie;
iv)   ze dragen niet bij aan nieuwe met kolen gestookte energieopwekking en vergroten evenmin de afhankelijkheid van steenkool.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De Commissie evalueert de vereisten die in dit lid zijn opgenomen regelmatig, rekening houdend met de klimaatstrategie van de EIB. Indien één of meer van de in dit lid vermelde vereisten op basis van technologische vooruitgang irrelevant worden, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 30 ter een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van deze richtlijn door nieuwe of bijgewerkte vereisten uiteen te zetten.
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 2
2.  Het fonds financiert ook kleinschalige investeringsprojecten in de modernisering van energiesystemen en energie-efficiëntie. De investeringsraad ontwikkelt daartoe richtsnoeren en selectiecriteria voor investeringen die specifiek zijn voor dergelijke projecten.
2.  Het fonds financiert ook kleinschalige investeringsprojecten in de modernisering van energiesystemen en energie-efficiëntie. De investeringsraad van het fonds ontwikkelt daartoe investeringsrichtsnoeren en -selectiecriteria die specifiek zijn voor dergelijke projecten, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn en de in lid 1 vastgestelde criteria. Deze richtsnoeren en selectiecriteria worden beschikbaar gemaakt voor het publiek.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder een kleinschalig investeringsproject verstaan een project dat wordt gefinancierd met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies die bijdragen aan de uitvoering van een nationaal programma voor de verwezenlijking van specifieke doelstellingen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het moderniseringsfonds, op voorwaarde dat niet meer dan 10 % van het in bijlage II ter vastgestelde aandeel van de lidstaten wordt gebruikt.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Iedere begunstigde lidstaat die heeft besloten overeenkomstig artikel 10 quater voorlopige kosteloze toewijzing te verlenen, mag deze emissierechten overbrengen naar zijn aandeel van het moderniseringsfonds als bepaald in bijlage II ter en deze emissierechten toewijzen overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 quinquies.
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 4 – alinea 1
4.  Het fonds wordt bestuurd door een investeringsraad en een beheerscomité die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de begunstigde lidstaten, de Commissie, de EIB en drie voor een periode van vijf jaar door de andere lidstaten verkozen vertegenwoordigers. De investeringsraad is verantwoordelijk voor de vaststelling op EU-niveau van een investeringsbeleid, passende financieringsinstrumenten en selectiecriteria voor investeringen.
4.  De begunstigde lidstaten zijn verantwoordelijk voor het bestuur van het fonds en richten gezamenlijk een investeringsraad op die is samengesteld uit één vertegenwoordiger per begunstigde lidstaat, de Commissie, de EIB en drie waarnemers van belanghebbende partijen zoals sectorfederaties, vakbonden of ngo's. De investeringsraad is verantwoordelijk voor de vaststelling van een investeringsbeleid op Unie-niveau dat strookt met de vereisten van dit artikel en in samenhang is met het beleid van de Unie.
Er wordt een adviesraad opgericht die onafhankelijk is van de investeringsraad. De adviesraad wordt samengesteld uit drie vertegenwoordigers van de begunstigde lidstaten, drie vertegenwoordigers van de niet-begunstigde lidstaten, een vertegenwoordiger van de Commissie, een vertegenwoordiger van de EIB en een vertegenwoordiger van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), die voor een periode van vijf jaar worden geselecteerd. De vertegenwoordigers van de adviesraad beschikken in hoge mate over relevante marktervaring met betrekking tot projectstructurering en projectfinanciering. De adviesraad verstrekt advies en aanbevelingen aan de investeringsraad over welke projecten in aanmerking komen voor besluiten met betrekking tot selectie, investering en financiering, en zorgt desgewenst voor andere vormen van bijstand bij de ontwikkeling van projecten.
Het beheerscomité is verantwoordelijk voor het dagelijkse beheer van het fonds.
Er wordt een beheerscomité opgericht. Het beheerscomité is verantwoordelijk voor het dagelijkse beheer van het fonds.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 4 – alinea 2
De investeringsraad verkiest een vertegenwoordiger van de Commissie tot zijn voorzitter. De investeringsraad streeft ernaar besluiten bij consensus te nemen. Indien de investeringsraad niet binnen een door de voorzitter vastgestelde termijn bij consensus kan besluiten, neemt de investeringsraad een besluit bij gewone meerderheid.
De investeringsraad kiest uit zijn leden een voorzitter voor een periode van één jaar. De investeringsraad streeft ernaar besluiten bij consensus te nemen. De adviesraad neemt zijn advies aan bij gewone meerderheid.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 4 – alinea 3
Het beheerscomité bestaat uit door de investeringsraad benoemde vertegenwoordigers. De besluiten van het beheerscomité worden bij gewone meerderheid genomen.
De investeringsraad, de adviesraad en het beheerscomité werken op een open en transparante wijze. De notulen van beide raadsvergaderingen worden openbaar gemaakt. De samenstelling van de investeringsraad en de adviesraad wordt openbaar gemaakt en de cv's en de belangenverklaringen van de leden worden beschikbaar gesteld voor het publiek en regelmatig bijgewerkt. De investeringsraad en de adviesraad gaan doorlopend na of er geen belangenconflicten zijn. De adviesraad legt tweemaal per jaar een lijst voor aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met alle adviezen die zijn verstrekt aan projecten.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 4 – alinea 4
Indien de EIB aanbeveelt om een investering niet te financieren en die aanbeveling met redenen onderbouwt, wordt een besluit slechts aangenomen indien een meerderheid van twee derde van alle leden voorstemmen. De lidstaat waarin de investering plaatsvindt en de EIB hebben in dat geval geen stemrecht. De twee voorgaande zinnen zijn niet van toepassing op kleine projecten die gefinancierd zijn met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies die bijdragen tot de uitvoering van een nationaal programma met specifieke doelstellingen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het moderniseringsfonds, op voorwaarde dat niet meer dan 10 % van het in bijlage II ter vastgestelde aandeel van de lidstaten in het kader van het programma wordt gebruikt.
Indien de EIB de adviesraad aanbeveelt om een investering niet te financieren en motiveert waarom deze niet strookt met het investeringsbeleid dat door de investeringsraad is goedgekeurd en de selectiecriteria als bedoeld in lid 1, wordt een positief advies slechts aangenomen indien een meerderheid van twee derde van alle leden voorstemmen. De lidstaat waarin de investering plaatsvindt en de EIB hebben in dat geval geen stemrecht.
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 5 – inleidende formule
5.  De begunstigde lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan het beheerscomité over door het fonds gefinancierde investeringen. Het verslag wordt openbaar gemaakt en bevat het volgende:
5.  De begunstigde lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan de investeringsraad en de adviesraad over door het fonds gefinancierde investeringen. Het verslag wordt beschikbaar gemaakt voor het publiek en bevat het volgende:
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 6
6.  Elk jaar brengt het beheerscomité bij de Commissie verslag uit over de ervaringen met de evaluatie en de selectie van investeringen. Uiterlijk op 31 december 2024 evalueert de Commissie de basis waarop projecten worden geselecteerd, en doet in voorkomend geval voorstellen aan het beheerscomité.
6.  Elk jaar brengt de adviesraad bij de Commissie verslag uit over de ervaringen met de evaluatie en de selectie van investeringen. Uiterlijk op 31 december 2024 evalueert de Commissie de basis waarop projecten worden geselecteerd, en doet in voorkomend geval voorstellen aan de investeringsraad en de adviesraad.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 7
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 10 quinquies – lid 7
7.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen om dit artikel uit te voeren.
7.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de doeltreffende werking van het moderniseringsfonds.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 8 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
8 bis)   Aan artikel 11, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Met ingang van 2021 zorgen de lidstaten er ook voor dat elke exploitant tijdens elk kalenderjaar de productieactiviteit rapporteert zodat de toewijzing kan worden aangepast overeenkomstig artikel 10 bis, lid 7."
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 8 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 11 – lid 3 bis (nieuw)
8 ter)   Aan artikel 11 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. In het geval van een redelijk vermoeden van onregelmatigheden of het verzuim van een lidstaat om de lijst en de informatie als bepaald in de leden 1 tot en met 3 te verstrekken, kan de Commissie een onafhankelijk onderzoek instellen, indien nodig bijgestaan door een overeenkomstsluitende derde partij. De betrokken lidstaat verschaft alle informatie en de toegang die nodig is voor het onderzoek, met inbegrip van toegang tot installaties en productiegegevens. De Commissie neemt dezelfde vertrouwelijkheid inzake commercieel gevoelige informatie in acht als de betrokken lidstaat en brengt verslag uit over dat onderzoek."
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 10 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 12 – lid 3 bis
10 bis)   In artikel 12 wordt lid 3 bis vervangen door:
"3 bis. Voor emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een installatie die een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de geologische opslag van koolstofdioxide ontstaat geen verplichting om emissierechten in te leveren1.
"3 bis. Voor emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een installatie die een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de geologische opslag van koolstofdioxide, ontstaat geen verplichting om emissierechten in te leveren1, noch voor emissies waarvan is vastgesteld dat ze zijn afgevangen en/of hergebruikt in een toepassing die zorgt voor permanente koolstofvastlegging, met het oog op het afvangen en hergebruiken van CO2."
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 12
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 14 – lid 1
12)  In artikel 14, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:
12)   Artikel 14, lid 1, wordt vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"1. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de bewaking en rapportage van emissies en indien van toepassing activiteitsgegevens ten gevolge van de in bijlage I vermelde activiteiten, voor de bewaking en rapportage van ton-kilometergegevens voor het doel van een toepassing zoals bedoeld in artikel 3 sexies of 3 septies, die wordt gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor bewaking en rapportage en waarin het aardopwarmingsvermogen van elk broeikasgas in de vereisten voor de bewaking en rapportage van emissie voor dat gas wordt gespecificeerd.".
"De Commissie past uiterlijk op 31 december 2018 de bestaande voorschriften inzake bewaking en rapportage van emissies zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie* aan, teneinde regelgevingsbelemmeringen met betrekking tot investeringen in recentere koolstofarme technologieën zoals CO2-afvang en -gebruik (CCU) weg te werken. Deze nieuwe voorschriften worden met ingang van 1 januari 2019 van kracht voor alle CCU-technologieën.
In die verordening worden ook vereenvoudigde bewakings-, rapportage- en verificatieprocedures voor kleine emittenten vastgesteld.
____________________
* Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 181 van 12.7.2012, blz. 30)."
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 13
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 15 – leden 4 en 5
13)  In artikel 15 wordt de vijfde alinea vervangen door:
13)  In artikel 15 worden de leden 4 en 5 vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de verificatie van emissieverslagen op basis van de in bijlage V vermelde beginselen en voor de accreditatie van en het toezicht op verificateurs. Hierin worden de voorwaarden vastgesteld voor de accreditatie en intrekking van accreditatie, voor wederzijdse erkenning en collegiaal toezicht op accreditatie-instanties, naargelang het geval.".
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 16 – lid 7
13 bis)   Artikel 16, lid 7, wordt vervangen door:
7.  Het in lid 5 bedoelde verzoek wordt door de Commissie ter kennis gebracht van de andere lidstaten via hun vertegenwoordigers in het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité en volgens het reglement van orde van dat comité.
7.  Het in lid 5 bedoelde verzoek wordt door de Commissie ter kennis gebracht van de andere lidstaten via hun vertegenwoordigers in het in artikel 30 quater, lid 1, bedoelde comité en volgens het reglement van orde van dat comité.
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 14
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 16 – lid 12
12.  Indien nodig worden de in dit artikel vermelde procedures nader geregeld. De betreffende uitvoeringshandelingen worden in overeenstemming met de in artikel 22 bis beschreven adviesprocedure vastgesteld.".
12.  Indien nodig worden de in dit artikel vermelde procedures nader geregeld. De betreffende uitvoeringshandelingen worden in overeenstemming met de in artikel 30 quater, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 15
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 19 – lid 3
15)  In artikel 19, lid 3, wordt de derde zin vervangen door:
15)  Artikel 19, lid 3, wordt vervangen door:
"Die verordening bevat daarnaast bepalingen voor regels inzake de wederzijdse erkenning van emissierechten in overeenkomsten om regelingen voor de handel in emissierechten aan elkaar te koppelen. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de instelling van een gestandaardiseerd en beveiligd stelsel van registers in de vorm van elektronische gegevensbanken, die gemeenschappelijke gegevens bevatten om de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering van emissierechten te volgen, om voor toegang van het publiek en de nodige geheimhouding te zorgen en om te waarborgen dat er geen overdrachten geschieden die met uit het Protocol van Kyoto voortvloeiende verplichtingen onverenigbaar zijn. Deze gedelegeerde handelingen bevatten tevens bepalingen betreffende het gebruik en de identificatie van CER's en ERU's voor gebruik in de EU-ETS en betreffende de bewaking van het niveau van dit gebruik. Deze handelingen bevatten daarnaast bepalingen voor regels inzake de wederzijdse erkenning van emissierechten in overeenkomsten om regelingen voor de handel in emissierechten aan elkaar te koppelen.".
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 15 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 21 – lid 1
15 bis)   Artikel 21, lid 1, wordt vervangen door:
"1. De lidstaten brengen bij de Commissie elk jaar verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. In dit verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de regelingen voor de toewijzing van emissierechten, aan het functioneren van de registers, aan de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen inzake bewaking en rapportage, verificatie en accreditatie, en aan aangelegenheden die verband houden met de naleving van deze richtlijn, alsmede aan de fiscale behandeling van emissierechten, indien van toepassing. Het eerste verslag wordt uiterlijk 30 juni 2005 aan de Commissie toegezonden. Het verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een ontwerp dat door de Commissie is uitgewerkt volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG. De vragenlijst of het kader wordt ten minste zes maanden voor de uiterste termijn voor het inzenden van het eerste verslag aan de lidstaten toegezonden."
"1. De lidstaten brengen bij de Commissie elk jaar verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. In dit verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de regelingen voor de toewijzing van emissierechten, aan financiële maatregelen uit hoofde van artikel 10 bis, lid 6, aan het functioneren van de registers, aan de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen inzake bewaking en rapportage, verificatie en accreditatie, en aan aangelegenheden die verband houden met de naleving van deze richtlijn, alsmede aan de fiscale behandeling van emissierechten, indien van toepassing. Het eerste verslag wordt uiterlijk 30 juni 2005 aan de Commissie toegezonden. Het verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een ontwerp dat door de Commissie is uitgewerkt volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG. De vragenlijst of het kader wordt ten minste zes maanden voor de uiterste termijn voor het inzenden van het eerste verslag aan de lidstaten toegezonden."
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 15 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
15 ter)   In artikel 21 wordt het volgende lid ingevoegd:
"2 bis. In het verslag wordt, aan de hand van de gegevens die worden verstrekt via de in artikel 18 ter bedoelde samenwerking, een lijst opgenomen van exploitanten die aan de voorschriften van deze richtlijn zijn onderworpen en geen rekening in het register hebben geopend."
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 15 quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 21 – lid 3 bis (nieuw)
15 quater)   Aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. In het geval van een redelijk vermoeden van onregelmatigheden of het verzuim van een lidstaat om te rapporteren overeenkomstig lid 1 kan de Commissie een onafhankelijk onderzoek instellen, indien nodig bijgestaan door een overeenkomstsluitende derde partij. De lidstaat verschaft alle informatie en de toegang die nodig is voor het onderzoek, met inbegrip van toegang tot installaties. De Commissie publiceert een verslag over het onderzoek."
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 16
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 22 – lid 2
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn door niet-essentiële elementen vast te stellen in de bijlagen bij deze richtlijn, met uitzondering van de bijlagen I, II bis en II ter.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 17
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 22 bis – titel
17)  Het volgende artikel 22 bis wordt ingevoegd:
17)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 22 bis
"Artikel 30 quater
Comitéprocedure"
Comitéprocedure"
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 18
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 23 – titel
"Artikel 23
"Artikel 30 ter
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie"
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie"
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 19 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 – lid 1 – alinea 1
Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten en broeikasgassen, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de Gemeenschapsregeling en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd.
Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten en broeikasgassen, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de EU-ETS en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten en dergelijke broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd. Een dergelijke eenzijdige opneming wordt uiterlijk 18 maanden vóór het begin van een nieuwe handelsperiode in de EU-ETS voorgesteld en goedgekeurd.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 19 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 – lid 1 – alinea 2
In overeenstemming met gedelegeerde handelingen waarvoor de Commissie overeenkomstig artikel 23 de bevoegdheid wordt toegekend om deze vast te stellen, heeft de opneming betrekking op activiteiten en broeikasgassen die niet in bijlage I zijn vermeld.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor goedkeuring van de opneming van de activiteiten en broeikasgassen zoals bedoeld in de eerste alinea van de regeling voor de handel in emissierechten indien deze opneming betrekking heeft op activiteiten en broeikasgassen die niet in bijlage I zijn vermeld.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 19 – letter b
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 – lid 3
b)  in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:
b)  lid 3 wordt vervangen door:
"De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor een dergelijke verordening voor de bewaking en de rapportage van emissies en activiteitsgegevens.".
"3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met gedetailleerde regelingen voor de bewaking van en rapportage over activiteiten, installaties en broeikasgassen die niet in combinatie in bijlage I voorkomen, mits deze bewaking en rapportage met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden uitgevoerd.".
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 20 – letter a
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 24 bis – lid 1 – alinea's 1 en 2
a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:
a)  in lid 1 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:
"Dergelijke maatregelen moeten samenhangen met overeenkomstig artikel 11 ter, lid 7, vastgestelde handelingen. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast te stellen.".
"1. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met, naast de in artikel 24 bedoelde opneming, gedetailleerde regelingen voor het verlenen van emissierechten of kredieten voor door de lidstaten beheerde projecten die de emissie van broeikasgassen die niet onder de EU-ETS vallen, verlagen.".
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 25 bis – lid 1
1.  Indien een derde land maatregelen vaststelt om het klimaatveranderingseffect van vluchten die vanuit dat land vertrekken en in de Gemeenschap aankomen, te verminderen, bekijkt de Commissie na overleg met dat derde land en met de lidstaten in het comité, bedoeld in artikel 23, lid 1, welke mogelijkheden er zijn om in een optimale interactie tussen de Gemeenschapsregeling en de maatregelen van dat land te voorzien.
1.  Indien een derde land maatregelen vaststelt om het klimaatveranderingseffect van vluchten die vanuit dat land vertrekken en in de Unie aankomen, te verminderen, bekijkt de Commissie na overleg met dat derde land en met de lidstaten in het comité, bedoeld in artikel 30 quater, lid 1, welke mogelijkheden er zijn om in een optimale interactie tussen de EU-ETS en de maatregelen van dat derde land te voorzien.
Indien nodig kan de Commissie wijzigingen aannemen om vluchten vanuit het betreffende derde land van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten uit te sluiten of andere wijzigingen van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten ingevolge overeenkomsten uit hoofde van de vierde alinea door te voeren. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 dergelijke wijzigingen vast te stellen.".
Indien nodig kan de Commissie een wetgevingsvoorstel bij het Europees Parlement en de Raad indienen om vluchten vanuit het betreffende derde land van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten uit te sluiten of andere wijzigingen van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten ingevolge dergelijke overeenkomsten door te voeren.
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 27 – lid 1
22 bis)   Artikel 27, lid 1, wordt vervangen door:
"1. De lidstaten kunnen, na overleg met de exploitant, installaties met een in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder a) bedoelde melding bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissies van minder dan 25 000 t CO2-equivalent en, wanneer zij verbrandingsactiviteiten verrichten, een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 35 MW hebben, emissies uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiereductie zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
"1. De lidstaten kunnen, na overleg met en met instemming van de exploitant, door een kmo geëxploiteerde installaties met een in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder a) bedoelde melding bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissies van minder dan 50 000 ton CO2-equivalent, emissies uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiereductie zullen zorgen, van de EU-ETS uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a)  hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties, voordat de lijst van installaties krachtens artikel 11, lid 1, wordt ingediend en ten laatste wanneer deze lijst bij de Commissie wordt ingediend;
a)  hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties en waarbij wordt aangegeven hoe die maatregelen niet zullen leiden tot hogere nalevingskosten voor die installaties, voordat de lijst van installaties krachtens artikel 11, lid 1, wordt ingediend en ten laatste wanneer deze lijst bij de Commissie wordt ingediend;
b)  hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25 000 t of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend. De lidstaten kunnen vereenvoudigde maatregelen inzake bewaking, rapportage en verificatie toestaan voor installaties met een gemiddelde geverifieerde emissies van minder dan 5 000 t per jaar tussen 2008 en 2010, overeenkomstig artikel 14;
b)  hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 50 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend. De lidstaten kunnen op verzoek van een exploitant vereenvoudigde maatregelen inzake bewaking, rapportage en verificatie toestaan voor installaties met een gemiddelde geverifieerde emissies van minder dan 5 000 ton per jaar tussen 2008 en 2010, overeenkomstig artikel 14;
c)  hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 25 000 t of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, of, indien de maatregelen die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties niet langer van toepassing zijn, weer in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen;
c)  hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 50 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, of, indien de maatregelen die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties niet langer van toepassing zijn, weer in de EU-ETS zal worden opgenomen;
d)  hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
d)  hij stelt de onder a), b) en c) bedoelde informatie ter beschikking van het publiek.
Ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen."
Ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen."
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 27 bis (nieuw)
22 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 27 bis
Uitsluiting van kleine installaties zonder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
1.   De lidstaten kunnen, na overleg met de exploitant, installaties met een in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder a) bedoelde melding bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissies van minder dan 5 000 ton CO2-equivalent, emissies uit biomassa niet meegerekend, van de EU-ETS uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a)   hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan voordat de lijst van installaties krachtens artikel 11, lid 1, moet worden ingediend of ten laatste op het moment dat die lijst bij de Commissie wordt ingediend;
b)   hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 5 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend;
c)   hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 5 000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, weer in de EU-ETS zal worden opgenomen, tenzij artikel 27 van toepassing is;
d)   hij stelt de onder a), b) en c) bedoelde informatie ter beschikking van het publiek.
2.   Wanneer een installatie krachtens lid 1, onder c), weer in de EU-ETS wordt opgenomen, worden alle overeenkomstig artikel 10 bis toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Voor dergelijke installaties verleende emissierechten worden door de lidstaat waarin de installatie gelegen is, afgetrokken van de overeenkomstig artikel 10, lid 2, te veilen hoeveelheid."
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22 quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 29
22 quater)  Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
"Verslag met het oog op een betere werking van de koolstofmarkt
"Verslag met het oog op een betere werking van de koolstofmarkt
Indien het de Commissie op grond van de geregelde verslagen over de koolstofmarkt als bedoeld in artikel 10, lid 6), blijkt dat de koolstofmarkt niet naar behoren werkt, legt zij een verslag voor aan het Europees Parlement en aan de Raad. Dit verslag kan zo nodig vergezeld gaan van voorstellen met het oog op een transparantere koolstofmarkt en maatregelen voor de verbetering ervan."
Indien het de Commissie op grond van de geregelde verslagen over de koolstofmarkt als bedoeld in artikel 10, lid 5), blijkt dat de koolstofmarkt niet naar behoren werkt, legt zij een verslag voor aan het Europees Parlement en aan de Raad. Het verslag omvat een deel over de interactie tussen de EU-ETS en andere beleidsmaatregelen inzake klimaat en energie op Unie- en nationaal niveau met betrekking tot de hoeveelheden emissiereducties, de kosteneffectiviteit van dit beleid en de invloed ervan op de vraag naar EU-ETS-rechten. Dit verslag kan zo nodig vergezeld gaan van voorstellen met het oog op een transparantere EU-ETS en waarin wordt ingegaan op het vermogen een bijdrage te leveren aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2050 en op maatregelen voor de verbetering van de regeling, met inbegrip van maatregelen ter verantwoording van de effecten van complementair, voor de hele Unie geldend beleid inzake energie en klimaat op het evenwicht tussen vraag en aanbod van de EU-ETS."
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 30 bis (nieuw)
22 quinquies)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 30 bis
Aanpassing na de algemene inventarisatie uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs
Binnen de zes maanden na afloop van de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling ter beoordeling van de samenhang tussen de wetgeving van de Unie inzake klimaatverandering en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Met name wordt in de mededeling nagegaan welke rol de EU-ETS speelt bij het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en of de regeling hiervoor geschikt is.
Binnen de zes maanden na afloop van de algemene inventarisatie in 2023 en na elke volgende algemene inventarisatie dient de Commissie een verslag in waarin wordt beoordeeld of de klimaatactie van de Unie dienovereenkomstig moet worden aangepast.
In het verslag wordt overwogen of er aanpassingen moeten worden aangebracht in de EU-ETS binnen de context van wereldwijde inspanningen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en inspanningen van andere grote economieën. Met name wordt in het verslag beoordeeld of er strengere emissiereducties nodig zijn, of de bepalingen inzake koolstoflekkage moeten worden aangepast en of er al dan niet bijkomende beleidsmaatregelen nodig zijn om te voldoen aan de toezeggingen van de Unie en de lidstaten inzake de vermindering van broeikasgasemissies.
In het verslag wordt rekening gehouden met het risico op koolstoflekkage, het concurrentievermogen van de Europese bedrijfstakken, investeringen binnen de Unie en het industrialiseringsbeleid van de Unie.
Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel en in dat geval publiceert de Commissie op hetzelfde moment een volledige effectbeoordeling."
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 22 sexies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Bijlage I – lid 3
22 sexies)   In bijlage I wordt punt 3 vervangen door:
"3. Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in de Gemeenschapsregeling, worden het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Deze eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot "eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken" behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt."
"3. Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in de EU-ETS, worden het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW, reserve- en noodeenheden die alleen worden gebruikt om bij een stroomstoring elektriciteit voor gebruik ter plaatse op te wekken, en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot "eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken" behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt."
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 bis (nieuw)
Besluit (EU) nr. 2015/1814
Artikel 1 – lid 5 – alinea's 1 bis en 1 ter (nieuw)
Artikel 1 bis
Wijzigingen van Besluit (EU) 2015/1814
Besluit (EU) 2015/1814 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1, lid 5, worden aan de eerste alinea de volgende alinea's toegevoegd:
"Bij wijze van afwijking worden tot aan de evaluatieperiode als bedoeld in artikel 3 de percentages als vermeld in deze alinea verdubbeld. In de evaluatie wordt overwogen of het opnemingspercentage wordt verdubbeld tot het marktevenwicht is hersteld.
Bovendien wordt in de evaluatie een plafond ingesteld voor de MSR en in voorkomend geval gaat de evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.".

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0003/2017).


Verslag 2016 over Albanië
PDF 195kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Albanië (2016/2312(INI))
P8_TA(2017)0036A8-0023/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over de vooruitzichten van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de EU,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 26-27 juni 2014 om de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen aan Albanië, en gezien de conclusies van de Raad van 15 december 2015,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016,

–  gezien de conclusies van de achtste bijeenkomst van de Stabilisatie- en associatieraad tussen Albanië en de EU, gehouden te Brussel op 8 september 2016,

–  gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in aanloop naar de top in Parijs in 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 getiteld "Mededeling over het EU-uitbreidingsbeleid 2016" (COM(2016)0715) en bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Albania 2016 Report" (SWD(2016)0364),

–  gezien de gezamenlijke conclusies van de zesde dialoog op hoog niveau over de belangrijkste prioriteiten, goedgekeurd in Tirana op 30 maart 2016,

–  gezien de eindverslagen van de OVSE/ODIHR over de parlementsverkiezingen van 2013 en de lokale verkiezingen van 2015,

–  gezien het OVSE-rapport "Monitoring of Administrative Trials 2015",

–  gezien de aanbevelingen van de elfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Albanië, die op 7-8 november 2016 werd gehouden in Brussel,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Albanië,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0023/2017),

A.  overwegende dat Albanië vooruitgang heeft geboekt bij het vervullen van de politieke criteria voor lidmaatschap en gestaag vooruitgang bij de vijf kernprioriteiten voor het openen van toetredingsonderhandelingen; overwegende dat verdere uitvoering van, onder meer, het pakket justitiële hervormingen, de hervorming van het kiesstelsel en de zogenaamde decriminaliseringswet een conditio sine qua non is om het vertrouwen van de burgers in hun openbare instellingen en politieke vertegenwoordigers te vergroten;

B.  overwegende dat er nog altijd problemen zijn en dat deze in een geest van dialoog, samenwerking en compromisbereidheid tussen de regering en de oppositie snel en doeltreffend moeten worden aangepakt, teneinde voor verdere vooruitgang te zorgen in de richting van toetreding tot de EU;

C.  overwegende dat een constructieve en duurzame politieke dialoog tussen politieke krachten over EU-gerelateerde hervormingen van vitaal belang is voor verdere vorderingen in het toetredingsproces;

D.  overwegende dat er in Albanië politieke consensus over en een breed draagvlak voor het EU-toetredingsproces bestaan;

E.  overwegende dat toetredingsonderhandelingen een sterke stimulans zijn voor de aanname en uitvoering van toetredingsgerelateerde hervormingen;

F.  overwegende dat justitiële hervormingen in Albanië onverminderd essentieel zijn voor vooruitgang in het proces van toetreding tot de EU;

G.  overwegende dat er in Albanië in 2017 presidents- en parlementsverkiezingen zullen plaatsvinden;

H.  overwegende dat de bescherming van godsdienstvrijheid, cultureel erfgoed, de rechten van minderheden en eigendomsbeheer tot de fundamentele waarden van de Europese Unie behoren;

I.  overwegende dat de EU benadrukt heeft dat de economische governance, de rechtsstaat en de capaciteit van de overheid in alle landen van de Westelijke Balkan moeten worden versterkt;

J.  overwegende dat de Albanese instanties positief staan tegenover regionale samenwerking die gericht is op de bevordering van de ontwikkeling van infrastructuur, de strijd tegen het terrorisme, de handel en de mobiliteit van jongeren;

1.  is ingenomen met de gestage vooruitgang van Albanië op het vlak van EU-gerelateerde hervormingen, in het bijzonder de op consensus gebaseerde aanname in juli 2016 van grondwettelijke amendementen die de weg vrijmaken voor een grondige en alomvattende justitiële hervorming; benadrukt dat niet alleen een consistente goedkeuring, maar ook een volledige en tijdige uitvoering van hervormingen ten aanzien van alle vijf kernprioriteiten en aanhoudend politiek engagement essentieel zijn om het EU-toetredingsproces te doen vorderen; moedigt Albanië aan om degelijke resultaten te boeken met betrekking tot de hervormingen in kwestie;

2.  is verheugd over de aanbeveling van de Commissie betreffende opening van toetredingsonderhandelingen met Albanië; steunt de toetreding van Albanië tot de EU volledig en vraagt dat de toetredingsonderhandelingen worden geopend zodra bij de uitvoering van de brede justitiële hervorming en de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie geloofwaardige en duurzame vooruitgang wordt geboekt om het momentum van deze hervormingen te behouden; verwacht dat Albanië de geboekte vooruitgang consolideert en het tempo van uitvoering van alle belangrijke prioriteiten aanhoudt;

3.  herhaalt dat een constructieve dialoog, duurzame politieke samenwerking, wederzijds vertrouwen en bereidheid tot compromis cruciaal zijn voor het succes van de hervormingen en voor het hele EU-toetredingsproces; is in dit verband verheugd over de goedkeuring van wetgeving die plegers van misdrijven uitsluit van overheidsfuncties; verzoekt alle politieke partijen om verdere inspanningen te doen om een echte politieke dialoog te bewerkstelligen en constructief samen te werken;

4.  looft de op consensus gebaseerde aanname van grondwettelijke amendementen voor de justitiële hervorming en de goedkeuring van wetten over de institutionele reorganisatie van het rechtsstelsel, het Openbaar Ministerie en het Grondwettelijk Hof; vraagt dat alle relevante begeleidende wetten en regels, in het bijzonder de wet op de herevaluatie (doorlichting) van rechters, aanklagers en juridische adviseurs en het pakket wetsontwerpen dat nodig is voor de tenuitvoerlegging van de hervorming van het justitieel apparaat, spoedig worden aangenomen en geloofwaardig worden uitgevoerd; neemt nota van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de grondwettelijkheid van de doorlichtingswet na een positief advies van de Venetië-commissie; herhaalt dat een alomvattende justitiële hervorming een belangrijke eis van de Albanese burgers is om hun vertrouwen in hun politieke vertegenwoordigers en openbare instellingen te herstellen en dat de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van het hele hervormingsproces, waaronder de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, afhangen van het succes van het doorlichtingsproces en de tenuitvoerlegging van de justitiële hervorming; herinnert eraan dat het aannemen en uitvoeren van een dergelijke hervorming noodzakelijk zijn voor de corruptiebestrijding en van essentieel belang zijn voor de consolidering van de rechtsstaat, alsmede voor het verbeteren van de handhaving van de grondrechten in het land, mede met het oog op vergroting van het vertrouwen in het rechtssysteem onder alle burgers;

5.  uit zijn tevredenheid over de nieuwe strategie voor justitiële hervorming 2017-2020 en het daarbij horende actieplan voor meer professionalisme, grotere doeltreffendheid en onafhankelijkheid van het justitieel systeem, waaronder de rechtbanken en de herbeoordeling van alle leden van het justitieel apparaat, alsook de grotere budgettaire middelen voor de uitvoering; betreurt het dat het justitieel apparaat nog altijd langzaam en inefficiënt is; stelt vast dat weinig vooruitgang wordt geboekt bij het opvullen van vacatures bij het Hooggerechtshof en de administratieve rechtbanken, en bij de toepassing van het uniforme systeem voor het beheer van rechtszaken; vraagt dat alle tekortkomingen van de werking van het rechtsstelsel verder worden aangepakt, waaronder het gebrek aan onafhankelijkheid van politieke beïnvloeding van de rechterlijke macht en van beïnvloeding van andere machten, selectieve rechtspraak, beperkte verantwoordingsplicht, inefficiënte controlemechanismen, corruptie, de globale tijdsduur van gerechtelijke procedures en handhaving; betreurt de politieke inmenging in onderzoeken en rechtszaken en vraagt derhalve dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de praktijk wordt versterkt; dringt aan op meer inspanningen op het vlak van het beheer van juridische procedures, zoals verbetering van de toegang tot rechtbanken en de toewijzing van middelen die de rechtbanken in staat stellen doeltreffend te opereren; herhaalt dat de hervorming van het justitieel apparaat gericht moet zijn op het ter verantwoording roepen van plegers van misdrijven en hun rehabilitatie en re-integratie, met inachtneming van de rechten van slachtoffers en getuigen;

6.  vraagt de ad-hocparlementscommissie voor de hervorming van het kiesrecht haar herziening van de kieswet snel af te ronden en daarbij op alle voorgaande aanbevelingen van de OVSE/ODIHR in te gaan, en voor meer transparantie van de partijfinanciering en grotere integriteit van verkiezingen te zorgen; vraagt de bevoegde autoriteiten de tijdige toepassing vóór de komende parlementsverkiezingen van juni 2017 te garanderen en voor onafhankelijkheid en depolitisering van de organisatie van verkiezingen te zorgen; herinnert eraan dat alle politieke partijen ervoor moeten zorgen dat democratische verkiezingen in overeenstemming met internationale normen verlopen; dringt er bij de autoriteiten op aan om maatschappelijke organisaties aan te moedigen actief deel te nemen aan het toezicht op het algehele verkiezingsproces; herinnert eraan dat vrije en eerlijke verkiezingen essentieel zijn voor verdere vooruitgang in het proces van toetreding tot de EU; benadrukt dat bezorgdheden over de financiering van politieke partijen en een controleerbaar auditsysteem moeten worden aangepakt;

7.  vraagt de politieke partijen van Albanië bij de opstelling van hun kieslijsten voor de volgende verkiezingen de wet inzake uitsluiting van criminelen van het openbaar ambt naar de letter en geest te eerbiedigen; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van deze wet;

8.  spoort de Albanese autoriteiten aan maatregelen te nemen waardoor Albanezen die in het buitenland wonen, gemakkelijker buiten het land voor Albanese verkiezingen kunnen stemmen;

9.  is ingenomen met de verbeterde transparantie en inclusiviteit van de activiteiten van het parlement, maar vraagt dat de parlementaire capaciteiten worden verhoogd om de hervormingen te monitoren en na te gaan of zij aan de EU-normen voldoen en beter gebruik te maken van de verschillende controlemechanismen en -instellingen teneinde de regering ter verantwoording te roepen; vraagt dat de parlementaire gedragscode wordt aangenomen en dat de wet over de rol van het parlement in het EU-integratieproces wordt weerspiegeld in dit reglement; stelt voor na te gaan hoe in het kader van het EP-programma voor steun aan de parlementen van de uitbreidingslanden nauwer kan worden samengewerkt met het parlement van Albanië ter verhoging van zijn capaciteit om kwalitatieve wetgeving in lijn met het EU-acquis te produceren en zijn controlefunctie ten aanzien van de uitvoering van de hervormingen uit te oefenen;

10.  neemt kennis van de inspanningen in de richting van een burgervriendelijkere openbare administratie en de gestage vooruitgang van de uitvoering van de hervorming van het openbaar bestuur en van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën; vraagt dat er verdere vooruitgang wordt geboekt op het vlak van versterking van de toepassing van de wet inzake de overheidsdienst en de wet inzake administratieve procedures om de aanwervings- en bevorderingprocedures op basis van verdienste en prestaties te verbeteren en institutionele en personeelsbeheercapaciteiten te verhogen teneinde de verwezenlijkingen op het gebied van een efficiëntere, meer gedepolitiseerde, transparantere en professionelere overheid te consolideren, hetgeen ook dienstig zou zijn voor een efficiënt verloop van de EU-toetredingsonderhandelingen; dringt erop aan de bevoegdheid, de autonomie, de efficiëntie en de middelen van mensenrechtenstructuren, met inbegrip van het Bureau van de ombudsman, uit te breiden; looft de nationale raad voor Europese integratie voor zijn initiatieven ter verbetering van de capaciteiten van de openbare administratie en het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de monitoring van de uitvoering van toetredingsgerelateerde hervormingen; beklemtoont dat de onafhankelijkheid van de regelgevings- en toezichtsorganen moet worden gewaarborgd;

11.  neemt nota van de tenuitvoerlegging van de territoriale hervorming; beklemtoont dat er serieuze inspanningen moeten worden gedaan om de financiële en administratieve capaciteiten van de pas opgerichte plaatselijke overheidsentiteiten te vergroten;

12.  is ingenomen met de goedkeuring van belangrijke stukken anti-corruptiewetgeving, waaronder met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders; blijft echter bezorgd dat de corruptie op veel gebieden onverminderd groot is en een groot probleem blijft, waardoor het vertrouwen van de bevolking in openbare instellingen afneemt; is bezorgd dat belangrijke instellingen ter bestrijding van corruptie aan politieke inmenging onderworpen blijven worden en beperkte administratieve capaciteiten hebben; stelt vast dat het verrichten van proactieve onderzoeken en het daadwerkelijk aanpakken van corruptie bemoeilijkt blijven worden door slechte interinstitutionele samenwerking en een ontoereikende uitwisseling van informatie; benadrukt dat er een gepaster juridisch kader moet komen voor belangenconflicten, de regulering van lobbyactiviteiten en betere interinstitutionele samenwerking, vooral tussen de politie en diensten van het openbaar ministerie, teneinde de resultaten op het vlak van onderzoek, vervolging en veroordeling, waaronder bij zaken op hoog niveau, te verbeteren;

13.  uit zijn tevredenheid over de lopende uitvoering van de strategie en het actieplan voor de bestrijding van georganiseerde misdaad en intensievere internationale politiesamenwerking; vraagt dat ook netwerken van georganiseerde misdaad worden ontmanteld en dat het aantal definitieve veroordelingen in zaken tegen de georganiseerde misdaad toeneemt door een betere samenwerking tussen internationale organisaties, de politie en openbare ministeries en door sterkere institutionele en operationele capaciteiten; vindt het zorgwekkend dat het aantal gevallen van bevriezing en inbeslagneming van illegaal verworven vermogen nog steeds zeer laag is en dringt erop aan de mogelijkheden voor financiële onderzoeken te vergroten, en meer illegaal verworven vermogen te bevriezen en in beslag te nemen; stelt vast dat er weliswaar meer onderzoeken naar witwaspraktijken worden gestart, maar dat het aantal definitieve veroordelingen klein blijft;

14.  verwelkomt de recente acties tegen cannabisplantages, maar dringt er tegelijkertijd op aan de maatregelen voor het elimineren van de teelt, productie en handel van drugs in Albanië en voor het aanpakken van aan drugs gerelateerde netwerken te intensiveren, onder meer door de internationale en regionale samenwerking te versterken; stelt overigens vast dat de politie en het Openbaar Ministerie er niet in slagen de criminele netwerken die zich met de vervaardiging van drugs bezighouden, te identificeren;

15.  vraagt dat meer inspanningen worden geleverd om de ongecontroleerde proliferatie van de illegale handel in wapens aan te pakken, onder meer door de samenwerking met de EU op dit vlak te verstevigen, de overgebleven voorraden kleine en lichte wapens te vernietigen en de kwaliteit van de opslagfaciliteiten te verbeteren; maakt zich zorgen over het zeer hoge percentage moorden in Albanië dat wordt gepleegd met vuurwapens;

16.  dringt aan op versterking van de capaciteit van de regering om de opbrengsten van cybercriminaliteit te achterhalen, af te pakken en in beslag te nemen, en om witwaspraktijken op het internet te voorkomen;

17.  spoort Albanië aan zijn wettelijke kader voor het bepalen van de internationale beschermingsstatus van vluchtelingen verder te verbeteren; is verheugd over de inspanningen van de Albanese politie gericht op het verbeteren van de uitwisseling van informatie met Frontex, en dringt aan op intensivering van de samenwerking tussen de EU en Albanië, teneinde de rechten van vluchtelingen te beschermen in overeenstemming met internationale normen en de fundamentele waarden van de EU; maakt zich zorgen over de recente toename van het aantal gevallen van mensensmokkel; dringt erop aan meer te doen op het gebied van het voorkomen van mensensmokkel, met bijzondere aandacht voor de voornaamste slachtoffers hiervan, met name niet-begeleide minderjarigen, vrouwen en meisjes;

18.  vindt het zorgelijk dat de gevangenissen overvol zijn, dat er (meldingen zijn dat er) te weinig medische zorg beschikbaar is in detentieverblijven en dat verdachten op politiebureaus slecht behandeld worden; beveelt aan de benadering van het inzetten op straffen te herzien, strafbare feiten opnieuw te classificeren en vaker te kiezen voor een alternatieve straf;

19.  neemt kennis van de verbeterde samenwerking tussen staatsinstellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld op EU-gerelateerde gebieden, met inbegrip van hun samenwerking in vergaderingen van de nationale raad voor Europese integratie; stelt vast dat een mondig maatschappelijk middenveld een essentiële voorwaarde is voor elk democratisch bestel; benadrukt derhalve dat er op alle regeringsniveaus nauwer moet worden samengewerkt met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, ook op lokaal niveau; verwelkomt in dit verband de oprichting van de nationale raad voor het maatschappelijk middenveld; vraagt dat het recht op informatie en openbare raadpleging effectief ten uitvoer gelegd wordt en dat het fiscale kader voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld beter wordt gereguleerd;

20.  herinnert eraan dat tot de kernprioriteiten behoren het verbeteren van de eerbiediging van mensenrechten en minderhedenrechten, versterking van het anti-discriminatiebeleid, onder meer door de handhaving te versterken; dringt er met klem bij de bevoegde autoriteiten op aan het klimaat van inclusie en tolerantie voor alle minderheden in het land te blijven bevorderen in overeenstemming met de Europese normen inzake de bescherming van minderheden, onder meer door de staatscommissie voor minderheden een grotere rol toe te kennen; is verheugd over de eerste stappen gericht op de verbetering van het wettelijk kader voor de bescherming van minderheden en verzoekt Albanië de kaderwet inzake de bescherming van minderheden goed te keuren en het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden te ratificeren; neemt kennis van het brede raadplegingsproces, waaraan wordt deelgenomen door onafhankelijke instellingen, minderhedenorganisaties en het maatschappelijk middenveld; beklemtoont de noodzaak van het verbeteren van de leefomstandigheden van Roma, Egyptenaren en andere etnische minderheden; dringt aan op concrete maatregelen, zoals de registratie van Roma en Egyptenaren bij de burgerlijke stand (geboorteakten en identiteitsbewijzen); vraagt dat inspanningen geleverd blijven worden om de toegang tot werk en alle overheids- en sociale diensten, onderwijs, gezondheidszorg, sociale woningen en juridische bijstand te verbeteren; is bezorgd over het feit dat de inclusie van Roma-kinderen in het onderwijssysteem, ondanks verbeteringen, de laagste in de regio blijft;

21.  looft de ombudsman voor zijn werk gericht op het verbeteren van de mensenrechtenwetgeving, en met name voor hetgeen hij gedaan heeft in het kader van de hervorming van justitie; juicht het toe dat actief gewerkt wordt aan de bevordering van de rechten van kwetsbare groepen, en van de beginselen van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en de rechtsstaat; betreurt het dat het werk van de ombudsman als gevolg van een gebrek aan financiële en personele middelen in zijn centrale en lokale bureaus beperkt gebleven is; vraagt om meer bevoegdheid, autonomie, efficiëntie en middelen voor het Bureau van de ombudsman;

22.  blijft bezorgd over de discriminatie van en het gebrek aan passende maatregelen voor de bescherming van vrouwen en meisjes die tot achterstands- en gemarginaliseerde groepen behoren, alsook over het grote aantal gevallen van huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes; beklemtoont dat aanvullende inspanningen nodig zijn om op het gebied van de aanpak van discriminatie een goede reputatie op te bouwen; verzoekt de bevoegde autoriteiten door te gaan met bewustmakingscampagnes betreffende en het voorkomen van huiselijk geweld, en de ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld te verbeteren; roept nog eens op tot volledige implementatie van het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa (Verdrag van Istanbul), spoort de autoriteiten aan op gender gebaseerde stereotiepe vooroordelen aan te pakken door middel van systematisch onderwijs, openbaar debat en overheidsmaatregelen;

23.  vraagt dat de institutionele mechanismen de rechten van het kind beter beschermen en kinderarbeid voorkomen;

24.  merkt op dat er meer moet worden gedaan om de rechten van alle minderheden in Albanië te beschermen door de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te leggen; beveelt aan de rechten van etnische Bulgaren in de regio's Prespa, Golo Brdo en Gora in de wetgeving te verankeren en in de praktijk te waarborgen;

25.  is ingenomen met de verbeteringen die zijn doorgevoerd op het gebied van de bescherming van LGBTI-personen, is verheugd over de vaststelling van het nationaal actieplan voor LGBTI-personen 2016 - 2020, en spoort de regering aan door te gaan met het implementeren van de maatregelen van het programma en de samenwerking van de regering met LGBTI-organisaties uit het maatschappelijk middenveld verder te consolideren; moedigt de regering en de wetgevers voorts aan ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor geslachtserkenning voldoen aan de normen zoals vastgesteld bij aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit;

26.  betreurt het dat de bevoegde autoriteiten tot nu toe geen serieus strafrechtelijk onderzoek hebben gehouden naar het verlies aan mensenlevens tijdens de demonstratie op 21 januari 2011; verzoekt de autoriteiten om onverwijld recht te doen aan de slachtoffers van de gebeurtenissen van die dag;

27.  looft de godsdiensttolerantie en de goede samenwerking tussen religieuze gemeenschappen; roept alle bevoegde autoriteiten en religieuze gemeenschappen op om samen te werken aan het behoud en de bevordering van religieuze harmonie, in overeenstemming met de grondwet; acht het essentieel islamistische radicalisering te voorkomen door middel van een gerichte aanpak van de inlichtingendiensten, de wetshandhavingsautoriteiten en justitie, alsook door uit het buitenland terugkerende strijders 'los te weken' van het islamisme en opnieuw te integreren, gewelddadig extremisme tegen te gaan in samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en religieuze gemeenschappen, en de regionale en internationale samenwerking op dit vlak te intensiveren; prijst het land voor het alomvattende wettelijk kader voor de preventie en bestrijding van de financiering van terrorisme; eist dat alle maatregelen de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in overeenstemming met de internationale mensenrechtennormen onder alle omstandigheden garanderen; beklemtoont dat speciale onderwijsprogramma's van belang zijn bij het voorkomen van radicalisering, alsook bij de rehabilitatie en re-integratie in de samenleving van de betrokken personen;

28.  betreurt het dat afgelopen jaar weinig vooruitgang is geboekt op het gebied van de mediavrijheid; herhaalt het cruciale belang van professionele en onafhankelijke particuliere en openbare media; is bezorgd over de politieke invloed op de media en de wijdverspreide zelfcensuur bij journalisten; merkt op dat de wet op audiovisuele media traag wordt uitgevoerd en dat de vacatures bij de Autoriteit voor audiovisuele media (AMA) met vertraging worden ingevuld; roept op tot maatregelen om de professionele en ethische normen van journalisten te verhogen, reguliere arbeidscontracten voor journalisten gangbaar te maken, de transparantie van overheidsadvertenties in de media te verbeteren en de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en verantwoordingsplicht van de Autoriteit voor audiovisuele media (AMA) en de openbare omroep volledig te verzekeren, vooral met het oog op de aanstaande parlementsverkiezingen; herhaalt dat het intern reglement van de openbare omroep RTSH gefinaliseerd en goedgekeurd moet worden, en dat de overstap op digitale uitzendingen gerealiseerd moet worden;

29.  uit zijn tevredenheid over de verbeteringen op het vlak van begrotingsconsolidatie, hogere scores voor ondernemerschap en inspanningen ter bestrijding van de informele economie; wijst echter op voortdurende tekortkomingen in de rechtsstaat en een problematisch regelgevingsklimaat, hetgeen investeringen hindert; vindt het zorgwekkend dat overmakingen van Albanese migranten in het buitenland een belangrijke stuwende kracht achter de binnenlandse vraag vormen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan maatregelen te treffen voor een verbeterde naleving van contracten en een betere belastinginning, en de justitiële hervorming te blijven uitvoeren om het bedrijfsklimaat te verbeteren; maakt zich zorgen over het grote aantal directe aanbestedingen en niet-concurrerende biedingen, alsook over de toekenning van langetermijncontracten voor outsourcing en contracten voor PPP's, met twijfelachtige gevolgen voor het openbaar belang;

30.  beveelt de autoriteiten aan om vaart te zetten achter de uitvoering van grote infrastructuurprojecten, zoals de spoorwegverbinding en de moderne snelweg tussen Tirana en Skopje, die onderdeel zijn van Corridor VIII;

31.  stelt bezorgd vast dat er weinig administratieve capaciteit is om de milieuwetgeving te handhaven en dat het slecht gesteld is met het afval- en het waterbeheer, hetgeen tot veel milieucriminaliteit leidt, hetgeen een bedreiging vormt voor Albanië's economische hulpbronnen en een obstakel is voor een hulpbronnenefficiënte economie; onderstreept dat de kwaliteit van milieueffectbeoordelingen verbeterd moet worden en dat de inspraak en raadpleging van het maatschappelijk middenveld bij relevante projecten gewaarborgd moeten worden; beklemtoont dat het essentieel is de klimaatveranderingsdoelstellingen te verwezenlijken zonder dat dit leidt tot negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, het landschap, de aquatische hulpbronnen, fauna en flora, en de plaatselijke bevolking; vindt het zeer zorgwekkend dat 44 van de 71 geplande waterkrachtcentrales volgens de Commissie in beschermde gebieden worden gebouwd;

32.  benadrukt dat de milieugevolgen van waterkrachtcentrales vaak niet goed in kaart worden gebracht, teneinde ervoor te zorgen dat ze voldoen aan de internationale normen en de toepasselijke EU-natuurbeschermingswetgeving; adviseert de regering te overwegen langs de gehele lengte van de rivier een Vjosa Nationaal Park te creëren, en de plannen voor de bouw van een waterkrachtcentrale in het gebied van de rivier de Vjosa en zijn zijrivieren te schrappen; dringt aan op verdere afstemming op de energiewetgeving van de EU, en vooral op de goedkeuring van een nationale energiestrategie, met als doel grotere energieonafhankelijkheid en -efficiëntie; verwelkomt het nationale actieplan 2015-2020 voor hernieuwbare energiebronnen;

33.  merkt op dat de effectieve handhaving van eigendomsrechten nog niet gewaarborgd is; dringt aan op maatregelen voor de voltooiing van het proces van registratie, restitutie en compensatie van eigendommen, en voor de actualisering en doeltreffende tenuitvoerlegging van de strategie inzake eigendomsrechten voor de periode 2012-2020; dringt er daarnaast bij de autoriteiten op aan in dit verband een routekaart met duidelijke verantwoordelijkheden en deadlines te ontwikkelen, en een op het grote publiek gerichte voorlichtingscampagne te organiseren om voormalige eigenaren te informeren over hun rechten en plichten in verband met de teruggave van eigendom; dringt aan op meer transparantie, rechtszekerheid en gelijkheid van behandeling bij de wet houdende de toekenning van compensatie voor eigendommen die in het communistische tijdperk in beslag genomen zijn; vindt dat er een nationaal coördinator voor eigendomsrechten moet worden benoemd, en dat het proces van registratie en het in kaart brengen van eigendommen, inclusief de digitalisering hiervan, moet worden versneld;

34.  beklemtoont het belang van onderzoek bij het aan het licht brengen van misdaden van het voormalige communistische regime, en onderstreept in dit verband de morele, politieke en juridische verantwoordelijkheid van de instellingen van de staat; verzoekt de autoriteiten passende wetgevingsmaatregelen op te stellen voor de rehabilitatie van slachtoffers, waaronder compensatie voor individuen en hun gezinnen, en alle nog van kracht zijnde politiek gemotiveerde rechterlijke uitspraken in te trekken; spoort de Albanese autoriteiten aan te achterhalen wie tijdens de communistische dictatuur misdaden tegen de menselijkheid heeft begaan, en de daders ter verantwoording te roepen;

35.  stelt vast dat het verwerken van het communistische verleden, in de vorm van erkenning van mensenrechtenschendingen, waarheidsvinding en gerechtigheid voor de slachtoffers, van essentieel belang is; is blij met de wet houdende de oprichting van een autoriteit voor de openstelling van de Sigurimi-archieven; verwelkomt de publicatie door de OVSE-aanwezigheid en de Duitse ambassade over de kennis en publieke perceptie van het communistische verleden in Albanië en verwachtingen voor de toekomst; is van mening dat deze inspanningen zullen bijdragen tot het voeren van een dialoog over het verleden en het wekken van verwachtingen voor de toekomst;

36.  benadrukt dat het belangrijk is de sociale dialoog, de rol van het maatschappelijk middenveld, de capaciteiten van sociale partners en handhavingsmechanismen voor sociale rechten te versterken; dringt er bij de regering op aan het onderwijssysteem te moderniseren teneinde tot een inclusievere samenleving te komen, en de ongelijkheid en discriminatie te reduceren, en jongeren beter van vaardigheden en kennis te voorzien; benadrukt het belang van steun van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) voor het onderwijs-, werkgelegenheids- en sociaal beleid;

37.  verzoekt de Albanese autoriteiten op beleidsgebied meer te doen voor personen met een handicap, die nog altijd moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot onderwijs, de arbeidsmarkt, gezondheidszorg, sociale diensten en het besluitvormingsproces, bijvoorbeeld in de vorm van obstakels voor het uitoefenen van hun stemrecht;

38.  merkt bezorgd dat het aantal asielaanvragen van Albanezen in EU-lidstaten, die ongegrond werden verklaard, opnieuw is toegenomen; dringt er bij de regering op aan onverwijld concrete maatregelen te nemen om dit verschijnsel aan te pakken en de inspanningen voor bewustmaking, sociaaleconomische steun en preventie op dit vlak op te voeren, alsook aandacht te besteden aan de pushfactoren, die verband houden met structurele tekortkomingen bij sociale bescherming, onderwijs en volksgezondheid; beklemtoont dat het Directoraat-Generaal Grenzen en Migratie en de grenspolitie over voldoende personele middelen moeten beschikken, en dat de interinstitutionele samenwerking moet worden verbeterd, teneinde de irreguliere migratie beter te kunnen aanpakken;

39.  looft Albanië voor zijn voortdurende volledige afstemming op relevante EU-verklaringen en conclusies van de Raad, waardoor het land zijn engagement voor Europese integratie en solidariteit duidelijk toont; benadrukt het belang en de noodzaak van een voortgezette constructieve bijdrage van Albanië aan de politieke stabiliteit in de regio;

40.  juicht het toe dat de Albanese autoriteiten besloten hebben het buitenlands beleid van het land in overeenstemming te brengen met Besluit (GBVB) 2016/1671, houdende verlenging van de beperkende maatregelen van de EU tegen Rusland;

41.  beklemtoont het belang van goede nabuurschapsrelaties, die, omdat ze integrerend onderdeel uitmaken van het uitbreidingsproces en van de voorwaarden van het stabilisatie- en associatieproces, essentieel zijn; juicht het toe dat Albanië zich constructief en proactief opstelt bij het bevorderen van regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen met andere uitbreidingslanden en buurlanden die reeds EU-lidstaat zijn; is ingenomen met de deelname van Albanië aan het initiatief "de Zes van de Westelijke Balkan";

42.  looft zowel Albanië, als Servië voor hun voortgezet engagement ter verbetering van de bilaterale betrekkingen en ter versterking van de regionale samenwerking op politiek en maatschappelijk niveau, bijvoorbeeld via het in Tirana gevestigde Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (Regional Youth Cooperation Office, RYCO); moedigt beide landen aan hun goede samenwerking voort te zetten teneinde verzoening in de regio te bevorderen, in het bijzonder middels programma's voor jongeren, zoals die in het kader van de positieve agenda voor de jeugd in de Westelijke Balkan;

43.  neemt kennis van de recente wrijvingen in de Albanees-Griekse betrekkingen, en beveelt beide partijen aan niets te doen of te zeggen dat die betrekkingen negatief zou kunnen beïnvloeden;

44.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om informatie over IPA-steun aan Albanië en de doeltreffendheid van de uitgevoerde maatregelen in haar verslagen op te nemen, in het bijzonder over de voor de uitvoering van de belangrijke prioriteiten en relevante projecten toegekende IPA-steun;

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Albanië.


Verslag 2016 over Bosnië en Herzegovina
PDF 286kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina (2016/2313(INI))
P8_TA(2017)0037A8-0026/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina (BiH), anderzijds,

–  gezien het op 18 juli 2016 geparafeerde en op 15 december 2016 ondertekende Protocol tot aanpassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie,

–  gezien het verzoek om toetreding tot de Europese Unie van Bosnië en Herzegovina van 15 februari 2016,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 over de Westelijke Balkan en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloníki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 september 2016 over het verzoek om toetreding tot de Europese Unie van Bosnië en Herzegovina,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de EU van 13 december 2016,

–  gezien de eerste bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité EU‑Bosnië en Herzegovina, die op 5 en 6 november 2015 in Sarajevo werd gehouden, en de eerste bijeenkomsten van de Stabilisatie- en associatieraad en het Stabilisatie- en associatiecomité tussen Bosnië en Herzegovina en de EU, die respectievelijk op 11 en 17 december 2015 werd gehouden,

–  gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in aanloop naar de top in Parijs in 2016,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 1 augustus 2016 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de commissaris voor het Europees Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen over de overeenkomst met de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina over cruciale maatregelen voor het land op weg naar toetreding tot de EU,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 17 september 2016 van de VV/HV en de commissaris voor het Europees Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen naar aanleiding van het besluit van het Grondwettelijk Hof van Bosnië en Herzegovina inzake de Dag van de Republika Srpska,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 getiteld "Mededeling over het EU‑uitbreidingsbeleid 2016" (COM(2016)0715), vergezeld van het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Verslag 2016 over Bosnië en Herzegovina" (SWD(2016)0365),

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer getiteld "Pretoetredingssteun van de EU voor het versterken van de bestuurlijke capaciteit in de Westelijke Balkan: een metacontrole"(1),

–  gezien het vijftigste verslag aan de VN‑Veiligheidsraad van de hoge vertegenwoordiger voor de uitvoering van het vredesakkoord betreffende Bosnië en Herzegovina(2),

–  gezien de verklaring die Z.E. de heer João Vale de Almeida, hoofd van de delegatie van de Europese Unie bij de Verenigde Naties, in november 2016 namens de Europese Unie en haar lidstaten heeft afgelegd tijdens het debat in de Veiligheidsraad over "De situatie in Bosnië en Herzegovina",

–  gezien de in juli 2015 goedgekeurde hervormingsagenda 2015‑2018 voor Bosnië en Herzegovina en het coördinatiemechanisme dat op 23 augustus 2016 door de Raad van ministers en de regeringen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina werd vastgesteld,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0026/2017),

A.  overwegende dat de EU gehecht blijft aan het Europees perspectief van Bosnië en Herzegovina en aan de territoriale integriteit, soevereiniteit en eenheid van het land; overwegende dat er vooruitgang is geboekt op weg naar integratie in de EU; overwegende dat de Raad de Commissie heeft verzocht advies uit te brengen over het verzoek om toetreding van Bosnië en Herzegovina;

B.  overwegende dat de commissaris voor Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen op 9 december 2016 in Sarajevo de vragenlijst heeft overhandigd aan de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina;

C.  overwegende dat de opschorting van de autonome handelsmaatregelen zal worden opgeheven zodra het Protocol tot aanpassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst is ondertekend en voorlopig wordt toegepast;

D.  overwegende dat de autoriteiten op alle niveaus met de hervormingsagenda 2013-2018 voor BiH de dringende noodzaak hebben erkend om een proces van herstel en modernisering van de economie te initiëren teneinde nieuwe banen te scheppen en duurzame, efficiënte, sociaal rechtvaardige en gestage economische groei tot stand te brengen; overwegende dat Bosnië en Herzegovina blijk heeft gegeven van inzet en bereidheid om over te gaan tot verdere sociaaleconomische hervormingen die nodig zijn om de jeugdwerkloosheid, die nog steeds veel te hoog is, terug te dringen;

E.  overwegende dat een onafhankelijk, goed functionerend en stabiel rechtsstelsel belangrijk is om de rechtsstaat en de vooruitgang op weg naar EU‑toetreding te verzekeren;

F.  overwegende dat er uitdagingen blijven bestaan wat betreft de duurzaamheid van het verzoeningsproces; overwegende dat de voortgang in het EU‑toetredingsproces verdere verzoening zal faciliteren;

G.  overwegende dat Bosnië en Herzegovina nog geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaken Sejdić-Finci, Zornić en Pilav;

H.  overwegende dat corruptie, ook op het hoogste niveau, nog steeds wijdverspreid is;

I.  overwegende dat er nog steeds 74 000 binnenlandse ontheemden zijn, dat een aanzienlijk aantal vluchtelingen uit BiH nog steeds in buurlanden en andere landen in Europa en de wereld verblijft en dat nog 6 808 personen worden vermist;

J.  overwegende dat onderwijs essentieel is voor het tot stand brengen en bevorderen van een tolerante en inclusieve samenleving en het stimuleren van onderling begrip tussen culturele, religieuze en etnische groepen in het land;

K.  overwegende dat Bosnië en Herzegovina het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo, 1991) heeft ondertekend;

L.  overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten worden beoordeeld op hun eigen merites, en overwegende dat het tijdschema voor toetreding wordt bepaald door de snelheid en kwaliteit van de vereiste hervormingen;

1.  is verheugd dat de Raad het verzoek om toetreding tot de EU van Bosnië en Herzegovina in behandeling heeft genomen en dat de vragenlijst is overhandigd, en kijkt uit naar het advies van de Commissie over de ontvankelijkheid van dit verzoek; verzoekt de bevoegde autoriteiten in Bosnië en Herzegovina zich op alle niveaus actief in te zetten voor dit proces, en samen te werken en op gecoördineerde wijze deel te nemen aan het evaluatieproces van de Commissie, door één enkele coherente reeks antwoorden te verstrekken op de verzoeken om informatie van de Commissie; wijst erop dat dit ook bewijs zal vormen voor het goed functioneren van de staat; herhaalt dat toetreding tot de EU een inclusief proces is waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn;

2.  heeft waardering voor en is verheugd over de rol van het tripartiete voorzitterschap als belangrijke initiator van de stimulans voor alle andere institutionele actoren op alle niveaus om hun functie in het totale proces van de toenadering van het land tot de EU te vervullen;

3.  verwelkomt de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de hervormingsagenda 2015-2018 en de vastbeslotenheid van het land om verdere institutionele en sociaaleconomische hervormingen door te voeren; herinnert eraan dat de nieuwe EU-benadering van Bosnië en Herzegovina een reactie is op de moeilijke sociaaleconomische situatie en de groeiende ontevredenheid onder de burgers; merkt op dat de situatie nu enigszins verbeterd is, maar onderstreept dat een geharmoniseerde en doeltreffende tenuitvoerlegging van de hervormingsagenda overeenkomstig het actieplan noodzakelijk is om tot echte verandering te komen in het land en tastbare verbeteringen tot stand te brengen in het leven van alle burgers in Bosnië en Herzegovina;

4.  dringt erop aan dat de hervormingen gestaag worden voortgezet om Bosnië en Herzegovina om te vormen tot een doeltreffende, inclusieve en goed functionerende staat, die gegrondvest is op de rechtsstaat en die de gelijkheid en democratische vertegenwoordiging van al zijn bevolkingsgroepen en burgers garandeert; betreurt dat gemeenschappelijke hervormingsinspanningen nog vaak worden gehinderd door etnische en politieke tegenstellingen, veroorzaakt door diepgewortelde desintegrerende tendensen die de normale democratische ontwikkeling hinderen en door de verdere politisering van overheden; benadrukt tevens dat Bosnië en Herzegovina geen succesvolle kandidaat voor het EU-lidmaatschap zal zijn zolang nog de passende institutionele omstandigheden nog niet zijn verwezenlijkt; dringt er bij alle politieke leiders op aan te werken aan de noodzakelijke veranderingen, waaronder de hervorming van het kiesrecht, en de beginselen in acht te nemen die het Parlement in eerdere resoluties heeft verwoord, zoals de beginselen van federalisme, decentralisatie en legitieme vertegenwoordiging, om te waarborgen dat alle burgers zich op voet van gelijkheid kandidaat kunnen stellen, kunnen worden gekozen en op elk politiek niveau een functie kunnen vervullen; acht het van essentieel belang om de consensus over EU‑integratie te bewaren en op gecoördineerde wijze vooruitgang te boeken op de weg van de rechtsstaat, met inbegrip van de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, alsook de hervorming van de rechterlijke macht en de overheidsadministratie; onderstreept ook dat een voortdurende en effectieve focus op sociale en economische hervormingen een prioriteit moet blijven;

5.  verwelkomt de oprichting van een coördinatiemechanisme voor EU-aangelegenheden dat de werking en efficiëntie van het toetredingsproces, waaronder de financiële bijstand van de EU, moet verbeteren, evenals de interactie met de EU; dringt aan op snelle tenuitvoerlegging hiervan; roept daarnaast op tot effectieve samenwerking en communicatie tussen alle bestuursniveaus onderling en met de EU, teneinde de aanpassing en toepassing van het acquis te faciliteren, en om de Commissie tijdens de opstelling van haar advies afdoende antwoorden te verstrekken; acht het onaanvaardbaar dat de regering van de Republika Srpska probeert parallelle communicatiekanalen te openen door bepalingen inzake rechtstreekse rapportage aan de Commissie vast te stellen; pleit voor een verdere uitbreiding van de rol en capaciteiten van het Directoraat voor Europese Integratie, zodat dit zijn coördinerende rol bij de tenuitvoerlegging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en bij het toetredingsproces in het algemeen ten volle kan vervullen;

6.  geeft uiting aan zijn tevredenheid over de ondertekening van het Protocol tot aanpassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst, dat met ingang van 1 februari 2017 voorlopig zal worden toegepast, waardoor de autonome handelsmaatregelen die sinds 1 januari 2016 waren opgeschort, automatisch weer in werking zullen treden; ziet uit naar een snelle en soepele ratificatie van het protocol;

7.  betreurt dat het reglement van orde van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité nog niet kon worden vastgesteld vanwege pogingen om in reglement van het comité etnische blokkeermogelijkheden in te voeren, met als gevolg dat BiH het enige kandidaatland is waar een dergelijk orgaan nog niet naar behoren kon worden opgericht; dringt er bij de organen die het parlement van Bosnië en Herzegovina voorzitten op aan onverwijld een oplossing te vinden die voldoet aan de vereisten van het institutioneel en wettelijk kader van de EU en om betekenisvol parlementair toezicht op het toetredingsproces mogelijk te maken; brengt in herinnering dat krachtens de stabilisatie- en associatieovereenkomst een reglement van orde dient te worden vastgesteld, en dat niet-vaststelling de tenuitvoerlegging ervan rechtstreeks schendt;

8.  verwelkomt bepaalde verbeteringen van de kieswet in overeenstemming met de aanbevelingen van OVSE/ODIHR; merkt op dat de lokale verkiezingen van 2 oktober 2016 grotendeels ordelijk zijn verlopen; betreurt dat de burgers van Mostar als gevolg van aanhoudende twisten tussen politieke leiders na zes jaar nog steeds geen gebruik kunnen maken van hun democratische recht om hun lokale vertegenwoordigers te kiezen; dringt aan op een snelle tenuitvoerlegging van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof inzake Mostar door de kieswet en het statuut van de stad te amenderen; veroordeelt het onaanvaardbare geweld tegen verkiezingsfunctionarissen in Stolac en roept de bevoegde autoriteiten op de situatie op te lossen door de rechtsstaat te eerbiedigen, onder meer door alle gewelddaden en verkiezingsonregelmatigheden te onderzoeken en de daders te vervolgen; neemt kennis van de nietigverklaring van de verkiezingen door de centrale kiescommissie van BiH en roept op tot het houden van nieuwe verkiezingen volgens democratische normen, op vreedzame wijze en in een sfeer van tolerantie;

9.  betreurt dat de politieke toezegging om corruptie te bestrijden niet tot tastbare resultaten heeft geleid; onderstreept dat een voorgeschiedenis van zaken tegen personen met een hoog profiel ontbreekt en dat het wettelijk en institutioneel kader voor de bestrijding van systemische corruptie, bijvoorbeeld op het gebied van partijfinanciering, openbare aanbestedingen, belangenconflicten en belangenverklaringen, zwak en ontoereikend is; erkent de vooruitgang die is geboekt met de aanneming van actieplannen tegen corruptie en het opzetten van instanties ter preventie van corruptie op verschillende bestuursniveaus en vraagt om een consistente en snelle tenuitvoerlegging van deze besluiten; constateert met bezorgdheid dat fragmentering en zwakke onderlinge samenwerking de doeltreffendheid van anticorruptiemaatregelen belemmeren; pleit voor verdere professionele specialisatie binnen de politie en de rechterlijke macht via passende coördinatie; onderstreept de noodzaak om resultaten te boeken bij de effectieve toetsing van de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes, transparante wervingsprocedures in de bredere publieke sector te ontwikkelen en corruptie in de openbareaanbestedingscyclus uit te roeien;

10.  wijst erop dat de resultaten van de volkstelling van 2013 een belangrijke basis vormen voor een adequaat antwoord op de vragen van de Commissie en essentieel zijn voor een doeltreffende sociaaleconomische planning; verwelkomt het eindoordeel van het Internationaal Monitoringbureau, waarin wordt geconcludeerd dat de volkstelling in Bosnië en Herzegovina als geheel is uitgevoerd in overeenstemming met internationale normen; betreurt dat de Republika Srpska heeft geweigerd de resultaten als rechtmatig te erkennen en dat de autoriteiten van de Republika Srpska hun eigen resultaten hebben gepubliceerd, die afwijken van de resultaten die zijn bevestigd door het statistiekbureau van Bosnië en Herzegovina; dringt er bij de autoriteiten van de Republika Srpska op aan hun benadering te heroverwegen; verzoekt de statistiekbureaus van Bosnië en Herzegovina op dit essentiële terrein naar significante vooruitgang te streven en hun statistieken en methodologieën in overeenstemming te brengen met Eurostat-normen;

11.  herinnert eraan dat voor elk land dat het EU-lidmaatschap ambieert, een professionele, effectieve en op verdienste gebaseerde overheid de ruggengraat van het integratieproces vormt; is bezorgd over de aanhoudende fragmentering en politisering van de overheidsdiensten, die institutionele en wetgevingshervormingen belemmeren en de openbare dienstverlening aan de burgers moeizaam en duur maken; dringt met klem aan op een geharmoniseerde aanpak van beleidsontwikkeling en coördinatie tussen alle bestuursniveaus, depolitisering van de overheid en de publieke sector, een betere planning op de middellange termijn en een duidelijke strategie voor het beheer van de openbare financiën;

12.  geeft opnieuw uiting aan zijn bezorgdheid over de aanhoudende opsplitsing in vier verschillende rechtsstelsels; onderstreept de noodzaak om in het oog springende tekortkomingen van de rechterlijke macht onverwijld aan te pakken, de efficiëntie en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te versterken, onder meer door depolitisering van de rechterlijke macht, corruptie in het rechtsstelsel te bestrijden en adequate procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken toe te passen; dringt aan op de spoedige goedkeuring van het actieplan voor de tenuitvoerlegging van de hervorming van het rechtswezen 2014-2018; roept op tot volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de bescherming van en een doeltreffende toegang tot justitie voor kinderen; verwelkomt de goedkeuring van de nieuwe wet op gratis rechtsbijstand op staatsniveau en de invoering door de Hoge Raad voor Justitie en Rechtsvervolging van richtsnoeren voor de preventie van belangenconflicten, de opstelling van integriteitsplannen en disciplinaire maatregelen;

13.  vraagt om verbetering van de algehele efficiëntie van de rechterlijke macht, een grotere transparantie en objectiviteit in het selectieproces voor nieuwe rechters en openbaar aanklagers, en om versterking van de verantwoordings- en integriteitsmechanismen binnen de rechterlijke macht; onderstreept de noodzaak om mechanismen voor het voorkomen van belangenconflicten te versterken en om mechanismen voor transparantie van financiële verslagen en vermogensaangiften in de rechterlijke macht in te stellen; wijst op het belang van de gestructureerde dialoog over justitie bij het aanpakken van de tekortkomingen in het rechtsstelsel van Bosnië en Herzegovina; vraagt om een wettelijke oplossing waarmee de efficiëntie van de behandeling van zaken op het hele grondgebied van BiH kan worden gevolgd;

14.  betreurt dat een groot aantal besluiten van het Grondwettelijk Hof niet wordt uitgevoerd, waaronder het besluit betreffende de eerbiediging van het fundamentele democratische recht van de burgers van Mostar om bij lokale verkiezingen te mogen stemmen; dringt aan op snelle tenuitvoerlegging van al deze besluiten; vestigt de aandacht met name op het besluit van het Grondwettelijk Hof inzake de Dag van de Republika Srpska, dat in het op 25 september 2016 gehouden referendum werd betwist; beschouwt dit als een ernstige schending van de vredesakkoorden van Dayton en als een aanval op de rechterlijke macht en de rechtsstaat; wijst op de noodzaak van een dialoog in plaats van unilaterale initiatieven; benadrukt dat nationalistische en populistische retoriek en acties ernstige hindernissen vormen voor ontwikkeling en dat eerbiediging van de rechtsstaat en het grondwettelijk kader van het land van essentieel belang is om vooruitgang te boeken op de weg naar toetreding tot de EU en om de vrede en stabiliteit in BiH te handhaven;

15.  veroordeelt ten strengste de wet inzake de openbare orde in de Republika Srpska, die nog steeds van kracht is en een aantasting inhoudt van fundamentele democratische vrijheden als de vrijheid van vergadering, de vrijheid van vereniging en de persvrijheid, alsmede de bepaling inzake de doodstraf in de RS; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de wet inzake toegang tot informatie; dringt er bij de autoriteiten op aan het aanvullend protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen, snel ten uitvoer te leggen;

16.  dringt er bij alle partijen op aan zich te onthouden van tweedracht zaaiende, nationalistische en secessionistische retoriek die de samenleving polariseert, en van acties die een uitdaging voor de samenhang, soevereiniteit en integriteit van het land vormen; dringt erop aan om in plaats daarvan serieus werk te maken van hervormingen die de sociaaleconomische situatie van alle burgers van Bosnië en Herzegovina zullen verbeteren, een democratische, inclusieve en goed functionerende staat tot stand zullen brengen en het land dichter bij de EU zullen brengen;

17.  benadrukt het belang van de recente beslissing van het Grondwettelijk Hof inzake het beginsel van de constituerende status en gelijkheid van de drie constituerende bevolkingsgroepen om hun eigen rechtmatige politieke vertegenwoordigers te kiezen op basis van legitieme en evenredige vertegenwoordiging in het Huis van het Volk van het parlement van de Federatie van Bosnië en Herzegovina;

18.  neemt nota van de bevredigende samenwerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië inzake oorlogsmisdrijven (ICTY) en pleit voor meer regionale samenwerking met betrekking tot de vervolging van oorlogsmisdrijven; geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat er uiteenlopende juridische normen worden toegepast bij de vervolging van oorlogsmisdrijven; is verheugd over de inspanningen om de achterstand bij de vervolging van binnenlandse oorlogsmisdrijven aan te pakken en over de voortgang die is geboekt bij de succesvolle vervolging van oorlogsmisdrijven waarbij seksueel geweld is gebruikt; verwelkomt de overeenkomst tussen de EU-delegatie en het ministerie van Financiën van Bosnië en Herzegovina over de financiering van de activiteiten van de openbaar aanklagers en rechtbanken in Bosnië en Herzegovina met betrekking tot de vervolging van oorlogsmisdrijven;

19.  veroordeelt met klem het besluit van het parlement van de Republika Srpska van oktober 2016 om lof uit te spreken over voormalige leiders van de Republiek die veroordeeld zijn wegens oorlogsmisdrijven; roept dringend op tot respect voor de slachtoffers van oorlogsmisdrijven en tot de bevordering van verzoening; herinnert alle politiek leiders en instellingen in Bosnië en Herzegovina eraan dat zij een verantwoordelijkheid hebben om oorlogsgebeurtenissen objectief te beoordelen, in het belang van waarheid en verzoening, en om misbruik van de rechterlijke macht voor politieke doeleinden te vermijden;

20.  prijst de voortgang die is geboekt bij de vervolging van oorlogsmisdrijven waarbij seksueel geweld is gebruikt en dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan om de toegang tot justitie voor slachtoffers van conflictgerelateerd seksueel geweld verder te verbeteren, onder meer door gratis rechtshulp en psychosociale en gezondheidsdiensten beschikbaar te stellen en te voorzien in betere compensatie en follow-up; dringt aan op garanties dat de rechten op compensatie van dergelijke slachtoffers consequent worden erkend;

21.  constateert een zekere vooruitgang met betrekking tot vluchtelingen en als gevolg van de Bosnische oorlog ontheemde personen wat betreft de teruggave van eigendom en herstel van bewonersrechten, alsook de wederopbouw van huizen; vraagt de bevoegde autoriteiten de blijvende terugkeer van deze mensen te faciliteren en hun toegang tot gezondheidszorg, werkgelegenheid, sociale bescherming en onderwijs te verzekeren en meer aandacht te besteden aan schadevergoeding voor eigendommen die niet kunnen worden teruggegeven;

22.  is verontrust over het blijvend grote aantal personen dat als gevolg van de oorlog vermist is; verzoekt de bevoegde autoriteiten het vraagstuk van hun onbekende lot met meer nadruk aan te pakken, onder meer door de samenwerking tussen de beide entiteiten op te voeren; benadrukt dat het oplossen van deze kwestie van het allergrootste belang is voor verzoening en stabiliteit in de regio;

23.  is bezorgd over de situatie van het gezondheidsstelsel in Bosnië en Herzegovina, een van de stelsels in het land waarin het sterkst sprake is van corruptie; vraagt de autoriteiten om ervoor te zorgen dat er niet wordt gediscrimineerd bij de toegang tot medische zorg;

24.  constateert een zekere vooruitgang bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad; is echter bezorgd over het ontbreken van een consistente aanpak bij deze bestrijding als gevolg van de vele actieplannen van de diverse rechtshandhavingsinstanties op verschillende niveaus; wijst op de noodzaak om het kader voor samenwerking tussen deze instanties verder te versterken; verwelkomt gezamenlijke onderzoeken, maar pleit voor meer gecoördineerde operaties en betere uitwisseling van informatie; pleit voor uitbreiding van de capaciteit van rechtshandhavingsinstanties, onder meer voor terrorismebestrijding; roept de autoriteiten op om maatregelen te treffen in de strijd tegen de financiering van terrorisme en het witwassen van geld en de capaciteit voor het uitvoeren van financiële onderzoeken op te voeren; is verheugd over de ondertekening van de overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking met Europol, die ten doel heeft grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden door onder meer uitwisseling van informatie en gezamenlijke planning van operationele activiteiten; beveelt aan om ook een samenwerkingsovereenkomst met Eurojust te sluiten;

25.  onderstreept de noodzaak om de strijd tegen mensenhandel te verbeteren; verzoekt de Federatie-entiteit om het wetboek van strafrecht snel te wijzigen zodat alle vormen van mensenhandel, waarvan de slachtoffers voor 80 % vrouwen en meisjes zijn, worden verboden;

26.  vraagt om versterking van de mechanismen voor het verzamelen, delen en analyseren van gegevens over migratie, aangezien de statistieken erop wijzen dat steeds meer personen uit landen met een hoog migratierisico naar Bosnië en Herzegovina komen; verzoekt de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina om alle vluchtelingen en migranten die asiel aanvragen of over het grondgebied reizen, te behandelen conform het internationaal en EU-recht, en om het regelgevingskader voor migratie en asiel verder te ontwikkelen, voor meer interinstitutionele coördinatie te zorgen en de noodzakelijke capaciteit op te bouwen; verzoekt de Commissie om met alle landen van de Westelijke Balkan te blijven samenwerken aan migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat de Europese en internationale normen worden nageleefd;

27.  wijst erop dat de polarisatie van het land, in combinatie met de verslechterende sociaaleconomische situatie, met name voor jongeren, het gevaar van een zich verspreidende radicalisering vergroot; vraagt met klem dat de inspanningen worden opgevoerd om radicalisering tegen te gaan en dat bijkomende maatregelen worden genomen om de stroom van buitenlandse strijders en de kanalen voor niet-traceerbare financiering van verdere radicalisering te identificeren, te voorkomen en te doorbreken, onder meer door nauwe samenwerking met de bevoegde diensten van de lidstaten en landen in de regio en door handhaving van de desbetreffende wetgeving; pleit voor een betere coördinatie tussen veiligheids- en inlichtingendiensten en de politie; moedigt ertoe aan gevallen van haatzaaien en het verspreiden van extremistische ideologieën via sociale media krachtdadig aan te pakken en te bestraffen; pleit voor snelle invoering van programma's voor deradicalisering en preventie van radicalisering van jongeren, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, door middel van uitgebreide mensenrechteneducatie om radicaliserende propaganda te helpen ontmantelen en sociale cohesie onder kinderen en jongeren tot stand te brengen; spoort in dit opzicht aan tot een grotere deelname van jongeren aan het democratische politieke proces; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan religieus extremisme te bestrijden; neemt met bezorgdheid kennis van de aanwezigheid van geradicaliseerde gemeenschappen in het hele land en wijst in dit verband op de belangrijke rol van religieuze leiders, docenten en het onderwijsstelsel als geheel; wijst voorts op de noodzaak om te voorzien in instrumenten voor de rehabilitatie en re-integratie van de betrokken personen in de samenleving en om instrumenten voor deradicalisering te verbeteren en gerichter in te zetten;

28.  wijst op de actieve betrokkenheid van de gemengde parlementaire commissie voor veiligheid en defensie bij de democratische controle op de strijdkrachten van Bosnië en Herzegovina; wijst met bezorgdheid op de grote voorraden ongeregistreerde vuurwapens en munitie die illegaal in het bezit zijn van burgers en dringt aan op de volledige verwijdering van deze wapens; is eveneens bezorgd over de aanwezigheid van grote ondeskundig opgeslagen voorraden munitie en wapens die onder de verantwoordelijkheid van de strijdkrachten vallen; onderstreept het belang van het aan banden leggen van de wapenhandel en vraagt om versterking van de samenwerking tussen de EU en Bosnië en Herzegovina op dit terrein; dringt aan op een brede benadering van de resterende problemen wat betreft het voornemen om het land tegen 2019 te ontmijnen;

29.  acht het van essentieel belang om de participatie van het publiek in de besluitvorming te verbeteren en de burgers – waaronder jongeren – doeltreffender te betrekken bij het EU‑toetredingsproces; herhaalt zijn oproep om transparante en inclusieve openbareraadplegingsmechanismen met organisaties van het maatschappelijk middenveld in te stellen op alle overheidsniveaus en transparante en niet-discriminerende procedures in te voeren voor de toewijzing van overheidsmiddelen aan maatschappelijke organisaties; merkt op dat het maatschappelijk middenveld gefragmenteerd is en zowel institutioneel als financieel zwak staat, met alle gevolgen van dien voor de duurzaamheid en onafhankelijkheid van deze organisaties; dringt aan op meer EU-steun, betere samenwerkingsmechanismen tussen de regering en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de ontwikkeling van een strategisch samenwerkingskader, en een meer concrete betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij het EU-integratieproces; veroordeelt de herhaaldelijke lastercampagnes en gewelddadige aanvallen tegen vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten;

30.  onderstreept dat een substantiële verbetering van het strategische, wettelijke, institutionele en beleidskader voor de eerbiediging van de mensenrechten nodig is; dringt aan op de vaststelling van een strategie met betrekking tot mensenrechten en non-discriminatie voor het gehele land en op aanvullende maatregelen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale mensenrechteninstrumenten die Bosnië en Herzegovina heeft ondertekend en geratificeerd; wenst dat de wet inzake de hervorming van de diensten van de BiH-ombudsman binnen afzienbare tijd wordt aangenomen; dringt erop aan dat de aanbevelingen van het Internationale Coördinatiecomité en de Commissie van Venetië bij het vaststellen van deze wet worden opgevolgd; maakt zich zorgen over het feit dat het kantoor van de Ombudsman niet naar behoren functioneert, voornamelijk als gevolg van het ontbreken van toereikende personele middelen en ernstige financiële beperkingen; verzoekt de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina op federaal niveau en in de Republika Srpska om het werk van de Ombudsman voor de mensenrechten te vergemakkelijken;

31.  is bezorgd over de aanhoudende discriminatie van mensen met een handicap wat betreft werkgelegenheid, onderwijs en toegang tot gezondheidszorg; vraagt om de vaststelling van één nationaal actieplan voor de rechten van personen met een handicap; dringt aan op de ontwikkeling van een alomvattende en geïntegreerde strategie met het oog op de sociale inclusie en vertegenwoordiging van de Roma-gemeenschap; dringt aan op beter afstemming van de sociale bijstand zodat deze ook de meest kwetsbare groepen bereikt; is verheugd dat enkele regeringen en parlementen een begin hebben gemaakt met het debat over LGBTI-rechten en het opstellen van specifieke maatregelen om deze te beschermen; dringt erop aan dat de veiligheid en het recht op samenkomsten van LGBTI-groepen gewaarborgd wordt; verwelkomt de wijzigingen van de antidiscriminatiewet van Bosnië en Herzegovina waarbij de gronden voor discriminatie worden uitgebreid tot leeftijd, handicap, seksuele geaardheid en genderidentiteit; dringt aan op werkelijke handhaving hiervan; verwelkomt de invoering van een verbod op haatmisdrijven bij wijzigingen van het wetboek van strafrecht van de Federatie van Bosnië en Herzegovina; spoort ertoe aan om onderwijs op het gebied van haatmisdrijven in te voeren in de les- en opleidingsprogramma's voor politiefunctionarissen, openbaar aanklagers en rechters en om de samenwerking tussen politiële en justitiële organen bij de vervolging van haatmisdrijven te verbeteren; dringt opnieuw aan op de intrekking van de bepaling over de doodstraf in de grondwet van de deelstaat Republika Srpska;

32.  dringt aan op verdere versterking van de kinderbeschermingssystemen om geweld tegen en misbruik, verwaarlozing en exploitatie van kinderen te voorkomen; beveelt aan om meer middelen uit te trekken voor preventie en om de coördinatie tussen gemeenschappen en de regering op het gebied van kinderbescherming verder te verbeteren; vraagt om de tenuitvoerlegging van het actieplan inzake kinderen 2015-2018 van Bosnië en Herzegovina;

33.  merkt op dat het wettelijk kader voor de bescherming van minderheden grotendeels is vastgesteld en in overeenstemming is met de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden; verwelkomt de reactivering van de Raad van nationale minderheden van de deelstaat van de Federatie van Bosnië en Herzegovina; is bezorgd dat door een gebrek aan coördinatie tussen de staat en de deelstaten bestaande wetten niet worden toegepast en dat het strategisch platform inzake nationale minderheden op staatsniveau nog niet is vastgesteld; betreurt dat nationale minderheden nog altijd in beperkte mate aanwezig zijn bij en deelnemen aan politieke en openbare debatten en in de media;

34.  roept op tot extra inspanningen om gendergelijkheid te bevorderen en de participatie van vrouwen in het politieke en openbare leven en op de arbeidsmarkt te vergroten, hun sociaaleconomische situatie te verbeteren en vrouwenrechten in het algemeen te versterken; merkt op dat grotendeels is voorzien in wettelijke bepalingen die moeten zorgen voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan nog steeds niet effectief is; merkt met bezorgdheid op dat er nog steeds moederschapsgerelateerde discriminatie plaatsvindt op de arbeidsmarkt en dat de deelstaten en kantons geen geharmoniseerde wetgeving inzake zwangerschaps- en ouderschapsverlof kennen; wijst er voorts op dat de bestaande actieve arbeidsmarktmaatregelen die bedoeld zijn om langdurig werklozen aan het werk te krijgen en banen te scheppen voor kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, niet op doeltreffende wijze worden uitgevoerd; onderstreept dat het belangrijk is om het aantal meisjes dat de lagere en middelbare school afmaakt, met name meisjes uit de Roma-gemeenschap, te laten stijgen;

35.  wijst op het belang van een doeltreffende tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake preventie van en bescherming tegen gendergerelateerd geweld in overeenstemming met de internationale verdragen betreffende preventie van en bescherming tegen huiselijk geweld die Bosnië en Herzegovina heeft ondertekend en geratificeerd; is ingenomen met de toezegging van de bevoegde autoriteiten en instellingen van Bosnië en Herzegovina om de Overeenkomst van Istanbul van de Raad van Europa betreffende preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld; verzoekt om afstemming van de wetgeving en het overheidsbeleid op het Verdrag van Istanbul; roept ertoe op vrouwelijke overlevenden van geweld te informeren over de beschikbare vormen van ondersteuning en bijstand, crisiscentra voor slachtoffers van verkrachting of andere vormen van seksueel geweld; maakt zich zorgen over het ontbreken van systematische registratie van gendergerelateerd geweld;

36.  betreurt dat Bosnië en Herzegovina nog steeds in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens handelt door geen uitvoering te geven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Sejdić-Finci, Zornić en Pilav; dringt er met klem op aan dat op dit gebied onverwijld vooruitgang wordt geboekt, teneinde het EU-perspectief van het land te verbeteren; stelt dat tenuitvoerlegging van deze uitspraken zou helpen om een goed functionerende democratische samenleving tot stand te brengen waarin gelijke rechten voor allen worden gegarandeerd; herhaalt dat het geen uitvoering geven aan deze uitspraken openlijke discriminatie van burgers in Bosnië en Herzegovina aanmoedigt en onverenigbaar is met de waarden van de EU;

37.  uit zijn bezorgdheid over gevallen van politieke druk en intimidatie jegens journalisten, inclusief fysieke en verbale aanvallen, ook door hooggeplaatste of voormalige ambtenaren, alsook over het gebrek aan transparantie inzake de media-eigendom; maakt zich tevens zorgen over het gebruik van civielrechtelijke smaadzaken tegen kritische mediabedrijven en journalisten; onderstreept dat aanvallen op journalisten moeten worden onderzocht en dat hieraan een passend gerechtelijk gevolg moet worden gegeven; verzoekt de autoriteiten alle aanvallen op journalisten en mediabedrijven ondubbelzinnig te veroordelen en ervoor te zorgen dat dergelijke gevallen grondig worden onderzocht en dat de daders te berechten; vraagt om alle aanvullende maatregelen die nodig zijn om de volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de toegang tot informatie, zowel online als offline, te garanderen; verzoekt de BiH-autoriteiten met spoed maatregelen te treffen om te voorkomen dat de openbare omroepdiensten volledig ineenstorten; verzoekt de bevoegde autoriteiten de onafhankelijkheid en financiële stabiliteit van de drie openbare omroepdiensten alsook de politieke, operationele en financiële onafhankelijkheid en transparantie van de toezichthoudende autoriteit voor communicatie te verzekeren; verzoekt de bevoegde autoriteiten de onafhankelijkheid en financiële stabiliteit van de drie openbare omroepdiensten te waarborgen en te zorgen voor de uitzending van programma's in alle officiële talen van Bosnië en Herzegovina; dringt aan op voltooiing van de digitale omschakeling en op de vaststelling van een breedbandstrategie;

38.  blijft bezorgd over de aanhoudende fragmentering, segregatie, ondoeltreffendheid en complexiteit in het onderwijssysteem; dringt aan op de vaststelling van een gemeenschappelijk kernprogramma voor scholen in het hele land dat bijdraagt tot de cohesie in het land; dringt aan op betere coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus voor onderwijs om een inclusief en niet-discriminerend onderwijsstelsel te bevorderen, waarin samenwerking over culturele, religieuze en etnische grenzen heen wordt gestimuleerd; roept de autoriteiten op de beginselen van tolerantie, dialoog en intercultureel begrip tussen de verschillende etnische groepen te promoten; dringt aan op de vaststelling van concrete maatregelen om de doelmatigheid van het onderwijsstelsel te verbeteren en segregatiepraktijken af te schaffen, onder eerbiediging van een gelijk recht op onderwijs in alle officiële talen van Bosnië en Herzegovina; blijft bezorgd over het hoge percentage voortijdige schoolverlaters in onderwijs en opleiding en het aanhoudend grote aantal voortijdige schoolverlaters onder Roma-leerlingen; betreurt dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt bij de aanpak van de kwestie "twee scholen onder een dak", mono-etnische scholen en andere vormen van segregatie en discriminatie op scholen;

39.  verwelkomt de maatregelen om de arbeidswetgeving te moderniseren, het ondernemingsklimaat te verbeteren en tekortkomingen in de financiële sector weg te werken in het kader van de hervormingsagenda; is positief over de toename van de geregistreerde werkgelegenheid en de stappen die zijn gezet om de coördinatie van het economisch beleid te versterken; is verheugd over de met het IMF overeengekomen driejarige uitgebreide Fondsfaciliteit die ertoe moet bijdragen het ondernemingsklimaat verder te verbeteren, de omvang van de overheid te beperken en de financiële sector te beschermen; betreurt het ontbreken van een eengemaakte economische ruimte, wat het ondernemingsklimaat en directe buitenlandse investeringen bemoeilijkt en het midden- en kleinbedrijf belemmert; wenst dat deze problemen worden aangepakt door middel van een geharmoniseerd en gecoördineerd industrie- en kmo-beleid voor het gehele land; verzoekt de bevoegde autoriteiten dringend gecoördineerde maatregelen vast te stellen om de rechtsstaat te versterken, de procedures voor de handhaving van contracten te vereenvoudigen en de corruptie in de economie te bestrijden;

40.  is verheugd dat de werkloosheid licht is verminderd; blijft echter bezorgd over het feit dat nog steeds sprake is van structurele werkloosheid en dat de jongerenwerkloosheid hoog blijft, hetgeen leidt tot een aanzienlijke braindrain; spoort Bosnië en Herzegovina aan om actief deel te nemen aan verschillende programma's voor jongeren in de regio, zoals de programma's in het kader van de positieve agenda voor jongeren in de Westelijke Balkan of het regionale bureau voor jongerensamenwerking (RYCO); verzoekt de bevoegde autoriteiten de bestaande wetgeving verder te versterken en een actief arbeidsmarktbeleid te voeren dat met name gericht is op jongeren, vrouwen, kwetsbare groepen met inbegrip van de Roma, en langdurig werklozen, en de capaciteit van de diensten voor arbeidsbemiddeling uit te breiden;

41.  betreurt het dat de arbeidswetgeving in beide deelstaten is vastgesteld door middel van de spoedprocedure en zonder een behoorlijke dialoog met de sociale partners; wijst erop dat arbeids- en vakbondsrechten nog steeds een beperkte reikwijdte hebben, en benadrukt het belang van een verdere versterking en harmonisering van deze wetgeving op landelijk niveau; herinnert eraan dat Bosnië en Herzegovina een aantal IAO-verdragen heeft ondertekend die onder meer de beginselen van sociale dialoog en het belang van samenwerking met de sociale partners erkennen; benadrukt het belang van een verdere versterking en harmonisering van de gezondheids- en veiligheidswetgeving op landelijk niveau; wijst ook op de noodzaak om de gefragmenteerde sociale beschermingsstelsels te hervormen en te harmoniseren, sociale cohesie te bevorderen en te voorzien in sociale bescherming voor de meest kwetsbare groepen;

42.  merkt op dat er enige vooruitgang is geboekt bij het verder afstemmen van beleid en wetgeving op het gebied van milieubescherming; vraagt om krachtige inspanningen voor een goede en systematische tenuitvoerlegging en handhaving van bestaande wetgeving; benadrukt de noodzaak van een nationale strategie voor aanpassing aan het milieu-acquis, verbetering van het wettelijk kader en versterking van administratieve en toezichtcapaciteiten; wijst erop dat de wetgeving die de toegang tot milieu-informatie en de deelname aan besluitvormingsprocessen door het publiek regelt, in overeenstemming met het EU-acquis moet worden gebracht; dringt aan op onverwijlde afstemming op het EU-acquis op het gebied van natuurbescherming; onderstreept dat de planning en aanleg van waterkrachtcentrales en -projecten de naleving van internationale en EU-milieuwetgeving vereist; dringt erop aan dat waterkrachtprojecten niet in beschermde natuurgebieden worden aangelegd en dat zij de natuur geen schade toebrengen; benadrukt de noodzaak van participatie van het publiek in en raadpleging van het maatschappelijk middenveld over relevante projecten; geeft uiting aan zijn ongerustheid om het feit dat er geen vooruitgang wordt geboekt bij het vinden van een oplossing voor het probleem van de buitensporige grensoverschrijdende verontreiniging door de raffinaderij in Bosanski Brod;

43.  wijst erop dat overeengekomen prioritaire EU-projecten voor elektriciteits- en gastransmissie-interconnecties met aangrenzende landen stilliggen als gevolg van het ontbreken van politieke overeenstemming over een energiestrategie voor het hele land; onderstreept in dit verband de noodzaak van een energiestrategie voor het hele land en van de vaststelling van een wettelijk kader voor gas, in overeenstemming met het derde energiepakket, zodat de sancties van de Europese energiegemeenschap kunnen worden opgeheven; dringt erop aan een aardgaswet aan te nemen zodat de voorzieningszekerheid toeneemt; dringt bij de autoriteiten aan op afstemming op internationale en EU-normen en beleidsdoelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering;

44.  wijst op de tekortkomingen van BiH op het gebied van infrastructuur en pleit voor verdere investeringen in infrastructuurprojecten om de vervoersverbindingen in het land en met buurlanden te verbeteren; moedigt de volledige betrokkenheid van Bosnië en Herzegovina bij de tenuitvoerlegging van de connectiviteitsagenda van de EU aan; spreekt zijn waardering uit voor de vaststelling van de nationale kadervervoersstrategie voor de periode 2015-2030 in juli 2016; wijst erop dat BiH hierdoor in aanmerking komt voor middelen van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II); vraagt de autoriteiten het wettelijk kader voor vervoer in overeenstemming te brengen met de toepasselijke EU-wetgeving, functionele vervoersketens tot stand te brengen, de knelpunten in corridor Vc aan te pakken en aanbestedingsregels en het beginsel van transparantie bij de selectie van contractanten na te leven om misbruik en corruptie te voorkomen;

45.  is verheugd over de voortdurende constructieve en proactieve houding van Bosnië en Herzegovina ten aanzien van bilaterale en regionale samenwerking; dringt aan op verdere inspanningen om tot een oplossing te komen voor hangende bilaterale kwesties, zoals de afbakening van de grenzen met Servië en Kroatië en kwesties in verband met grensoverschrijdende milieuvervuiling; is verheugd dat Bosnië en Herzegovina wat de aanpassing aan de relevante verklaringen en besluiten in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) betreft, de mate van vooruitgang heeft verbeterd van 62 % naar 77 %; betreurt het besluit van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina om de EU-sancties tegen Rusland na de illegale annexatie van de Krim door Rusland niet te steunen; herinnert Bosnië en Herzegovina aan de noodzaak van een eendrachtig buitenlands beleid en aan het feit dat onderlinge afstemming van het buitenlands beleid een essentieel onderdeel van het EU-lidmaatschap is; acht het belangrijk om het buitenlands beleid van Bosnië en Herzegovina en van de EU op elkaar af te stemmen en meent dat de EU zich actief moet blijven inzetten om de veiligheid in Bosnië en Herzegovina in stand te houden; is verheugd over de blijvende aanwezigheid van operatie Althea, die het vermogen behoudt om bij te dragen tot de afschrikkingscapaciteit van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina indien de situatie daarom vraagt en zich ondertussen kan richten op capaciteitsopbouw en opleiding; verwelkomt tevens de verlenging van het mandaat van EUFOR met een jaar door de VN-Veiligheidsraad in november 2016;

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de VV/HV, de Raad, de Commissie, het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, de ministerraad van Bosnië en Herzegovina, de Parlementaire Vergadering van Bosnië en Herzegovina, de regeringen en parlementen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina en de entiteiten van de Republika Srpska en het District Brčko, alsook aan de besturen van de tien kantons.

(1) ECA 2016 nr. 21.
(2) S/2016/911.


Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2017
PDF 287kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2017 (2016/2306(INI))
P8_TA(2017)0038A8-0039/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name artikel 121, lid 2, artikel 126 en artikel 136, alsmede Protocol nr. 12 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–   gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(1),

–  gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(8),

–  gezien de conclusies van de Raad over de jaarlijkse groeianalyse 2016 van 15 januari 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad over het Fiscal Sustainability Report 2015 (verslag begrotingsduurzaamheid 2015) van 8 maart 2016,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 maart 2016,

–  gezien de verklaring van de Eurogroep over gemeenschappelijke beginselen voor het verbeteren van de toewijzing van uitgaven van 9 september 2016,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de ECB,

–  gezien de Europese economische najaarsprognose 2016 van de Commissie van 9 november 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 over de jaarlijkse groeianalyse 2017 (COM(2016)0725),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 met een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2016)0726),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Naar een positieve begrotingskoers voor de eurozone" (COM(2016)0727),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 november 2016 over het waarschuwingsmechanismeverslag 2017 (COM(2016)0728),

–  gezien het debat met de nationale parlementen in het kader van de Europese parlementaire week 2017,

–  gezien het verslag over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(9),

–  gezien het jaarverslag 2015 van de European Restructuring Monitor van Eurofound,

–  gezien de verklaring van de leiders van de G20 tijdens de top van Hangzhou van 4‑5 september 2016,

–  gezien de verklaring van de president van de ECB tijdens de 34e bijeenkomst van het internationaal monetair en financieel comité van 7 oktober 2016,

–  gezien het akkoord dat op 12 december 2015 tijdens de COP21-klimaatconferentie in Parijs is bereikt,

–  gezien de resolutie van het Comité van de Regio's van 12 oktober 2016 over het Europees semester 2016 en met het oog op de jaarlijkse groeianalyse 2017,

–  gezien het jaarverslag inzake Europese kmo's 2015/2016,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 26 augustus 2016 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties (COM(2016)0534),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0039/2017),

A.  overwegende dat de Europese economie zich langzaam herstelt en bescheiden groeit, waarbij er overigens wel verschillen zijn van lidstaat tot lidstaat;

B.  overwegende dat het bbp in 2016 in reële termen in de EU volgens de Commissie naar verwachting met 1,8 % zal groeien, en in de eurozone met 1,7 %, en dat dit in 2017 1,6 %, respectievelijk 1,7 % zal zijn, en dat de staatsschuld in 2016 in de EU naar verwachting op 86,0 % zal uitkomen, en in de eurozone op 91,6 %; overwegende dat het tekort in de eurozone in 2016 1,7 % van het bbp zal bedragen, en 1,5 % in 2017 en 2018;

C.  overwegende dat consumentenuitgaven momenteel de belangrijkste aanjager zijn van groei en dat dit in 2017 naar verwachting zo zal blijven; overwegende dat Europa echter nog altijd een aanzienlijke investeringsachterstand heeft, met investeringen die aanzienlijk lager liggen dan vóór de crisis;

D.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU toeneemt, zij het niet overal evenveel en tegen een te laag tempo, waardoor de werkloosheid in de eurozone in 2016 naar 10,1 % daalt, en dat dit onvoldoende is om de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid te verminderen;

E.  overwegende dat dit herstel op de arbeidsmarkten en bij de groei ongelijk over de lidstaten verdeeld is en fragiel blijft, en overwegende dat opwaartse convergentie in de EU moet worden bevorderd;

F.  overwegende dat de groei in belangrijke mate toe te schrijven is aan onconventioneel monetair beleid, dat niet altijd in stand kan worden gehouden; overwegende dat dit pleit voor een driesporenaanpak van groeibevorderende investeringen, duurzame structurele hervormingen en op verantwoorde wijze beheerde overheidsfinanciën, middels een consistente implementatie van het pact voor stabiliteit en groei in alle lidstaten, met volledige eerbiediging van de bestaande flexibiliteitsclausules;

G.  overwegende dat sommige lidstaten nog altijd een zeer hoge particuliere en staatsschuld hebben, boven het plafond van 60 % van het bbp zoals opgenomen in het pact voor stabiliteit en groei;

H.  overwegende dat uit de beoordeling – door de Commissie – van de ontwerpbegrotingen voor 2017 van de lidstaten van de eurozone blijkt dat geen enkele ontwerpbegroting op significante wijze niet aan de vereisten van het pact voor stabiliteit en groei voldoet, maar dat een aantal van die ontwerpbegrotingen wat de geplande aanpassingen aan de overheidsfinanciën betreft wel in geringe mate tekortschiet, of dreigt te gaan schieten, wat de inachtneming van de vereisten van het pact aangaat;

I.  overwegende dat uit de beoordeling door de Commissie van de ontwerpbegrotingen van de lidstaten van de eurozone voor 2017 blijkt dat slechts negen lidstaten voldoen aan de vereisten van het stabiliteits- en groeipact;

J.  overwegende dat de duurzaamheid van de overheidsfinanciën van de EU‑lidstaten op de lange termijn een punt van zorg is voor een eerlijke verdeling van de lasten tussen de generaties;

K.  overwegende dat de omvang van de staatsschuld kan worden beïnvloed door zowel impliciete, als voorwaardelijke verplichtingen;

L.  overwegende dat sommige lidstaten een zeer hoog overschot op de lopende rekening hebben en dat de Europese macro-onevenwichtigheden nog steeds zeer groot zijn;

M.  overwegende dat de EU verlangt dat er flinke aanvullende particuliere en publieke investeringen worden gedaan, met name in onderwijs, onderzoek, ICT en innovatie, alsook in nieuwe banen en bedrijven, teneinde haar groeipotentieel te benutten en de bestaande investeringskloof te dichten, omdat er nu minder wordt geïnvesteerd dan vóór de crisis; overwegende dat hiervoor in het bijzonder behoefte is aan een beter regelgevingsklimaat;

N.  overwegende dat het grote aantal oninbare leningen een groot probleem blijft in een aantal lidstaten; overwegende dat de kredietgroei geleidelijk herstelt, maar zich nog altijd onder het niveau van vóór de crisis bevindt;

O.  overwegende dat om het tekortschietende mondiale concurrentievermogen van de EU te verbeteren en de economische groei in de Unie aan te zwengelen een betere implementatie van de nieuwe beleidsmix, intelligente structurele hervormingen in de lidstaten en de voltooiing van de interne markt nodig zijn;

P.  overwegende dat economieën met strengere faillissementsregeling de groeipotentie van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid onbenut laten, hetgeen ertoe noopt dat alle lidstaten het tweede-kansbeginsel van de Small Business Act volledig ten uitvoer leggen;

Q.  overwegende dat het Europese concurrentievermogen ook sterk afhangt van niet‑prijsgerelateerde aspecten in verband met innovatie, technologie en organisatiecapaciteiten, en niet uitsluitend van prijzen, kosten en lonen;

R.  overwegende dat de richtlijn 2011/7/EU betreffende betalingsachterstand is ontworpen om bedrijven te helpen die door achterstallige betalingen van particuliere en openbare ondernemingen te maken krijgen met hoge kosten of zelfs een faillissement; overwegende dat uit de externe ex-postevaluatie is gebleken dat overheidsinstanties in meer dan de helft van de lidstaten nog niet voldoen aan de wettelijke betalingstermijn van dertig dagen; overwegende dat in het verslag is vastgesteld dat de lidstaten die onderworpen zijn aan aanpassingsprogramma's moeite hebben om de richtlijn toe te passen wanneer de stipte betaling van de huidige facturen moet worden afgewogen tegen de aflossing van opgestapelde schuld;

1.  verwelkomt de jaarlijkse groeianalyse 2017 van de Commissie en het feit dat daarin de strategie van een doeltreffend driesporenbeleid van publieke en particuliere investeringen, sociaal evenwichtige structurele hervormingen en gezonde overheidsfinanciën wordt herbevestigd, en dringt aan op een betere tenuitvoerlegging van deze beleidsmix; deelt de zienswijze dat groei en banen, ter ondersteuning van het economisch herstel, staan of vallen met snellere vooruitgang bij de goedkeuring van hervormingen, overeenkomstig de landenspecifieke aanbevelingen; betreurt derhalve het zeer lage uitvoeringspercentage van de landenspecifieke aanbevelingen, dat afnam van 11 % in 2012 tot slechts 4 % in 2015; benadrukt dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om hervormingen door te voeren indien ze weer groei willen realiseren en banen willen creëren; ondersteunt het dat de Commissie het stimuleren van werkgelegenheid, groei en investeringen voor de Unie als haar hoogste prioriteit ziet;

2.  stelt vast dat op dit moment vooral vertrouwd wordt op het monetair beleid van de Europese Centrale Bank, en geeft aan dat monetair beleid alléén – wanneer het niet wordt aangevuld met investeringen en duurzame structurele hervormingen – niet volstaat om groei tot stand te brengen;

3.  is het met de Commissie eens dat de eurozone steeds meer op de binnenlandse vraag zou moeten steunen; is van mening dat een sterkere binnenlandse vraag beter zou zijn voor de duurzame groei in de eurozone;

4.  neemt er kennis van dat de economie ook in 2016 bescheiden is gegroeid, en dat deze groei groter is dan vóór de crisis, maar dat deze bescheiden groei niet los kan worden gezien van het buitengewone monetaire beleid dat is gevoerd, én nog altijd zwak is en ongelijk verdeeld over de lidstaten; stelt bezorgd vast dat de groei van het bbp en de productiviteit achterblijft bij het volledige potentieel en er derhalve geen ruimte is voor zelfgenoegzaamheid, en dat dit bescheiden herstel betekent dat we onze inspanningen onverminderd moeten voortzetten, teneinde middels meer groei en banen voor grotere veerkracht te zorgen;

5.  merkt op dat het referendum in het Verenigd Koninkrijk onzekerheden heeft gecreëerd voor de Europese economie en de financiële markten; merkt op dat de uitkomst van de recente presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten tot politieke onzekerheid heeft geleid die naar verwachting gevolgen voor de Europese economie zal hebben, niet in de laatste plaats voor de internationale handelsbetrekkingen;

6.  wijst met bezorgdheid op het verzet tegen de globalisering en de toename van het protectionisme;

7.  stelt vast dat de werkloosheid gemiddeld weliswaar geleidelijk daalt en de economische activiteit toeneemt, maar dat de structurele problemen in veel lidstaten nog niet zijn aangepakt; stelt vast dat de langdurige en de jeugdwerkloosheid hoog blijven; beklemtoont dat deze structurele problemen in de betrokken lidstaten alleen kunnen worden aangepakt middels inclusieve arbeidsmarkthervormingen, mét volledige inachtneming van de sociale dialoog;

8.  benadrukt dat de investeringen in de EU en in de eurozone zich nog ver onder het niveau van vóór de crisis bevinden; onderstreept dat de investeringskloof door publieke en particuliere investeringen moet worden gedicht, en beklemtoont dat alleen gerichte investeringen zichtbare resultaten kunnen opleveren op de korte termijn en op de juiste schaal; is het met de Commissie eens dat de lage financieringskosten een ideale gelegenheid bieden om investeringen vervroegd uit te voeren, met name in infrastructuurvoorzieningen;

Investeringen

9.  deelt de zienswijze van de Commissie dat toegang tot financiering en versterking van de interne markt essentieel zijn om ondernemingen in staat te stellen aan innovatie te doen en te groeien; benadrukt dat nieuwe kapitaal- en liquiditeitsvereisten, ofschoon nodig om de bankensector veerkrachtiger te maken, het vermogen van banken om kredieten aan de reële economie te verstrekken, niet mogen ondermijnen; is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de toegang van kmo's tot financiering te stimuleren; roept de Commissie derhalve op haar inspanningen ten aanzien van verbetering van het financieringsklimaat te intensiveren;

10.  benadrukt dat particuliere en publieke investeringen in menselijk kapitaal en infrastructuur van het allergrootste belang zijn; is van mening dat er grote behoefte bestaat aan de bevordering van investeringen in bijvoorbeeld onderwijs, innovatie, en onderzoek en ontwikkeling, factoren die cruciaal zijn voor een meer concurrerende Europese economie;

11.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te verlengen en het bedrag ervan te verdubbelen; benadrukt dat de geografische en de sectorale dekking aanzienlijk moeten worden verbeterd om de doelstellingen van de verordening te verwezenlijken; beklemtoont dat het EFSI ook financiering moet aantrekken voor projecten met een grensoverschrijdende dimensie, en dat hierbij voor een evenwichtige verdeling over de hele Unie moet worden gezorgd; benadrukt het belang van betere coördinatie tussen de lidstaten, de Commissie en de Europese investeringsadvieshub;

12.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) te bespoedigen en te maximaliseren, teneinde alle binnenlandse groeiaanjagers te benutten en opwaartse convergentie te bevorderen;

13.  stelt vast dat een geloofwaardig financieel systeem en geloofwaardige financiële instellingen van onmisbaar belang zijn voor het aantrekken van investeringen en het aanzwengelen van groei in de Europese economie; beklemtoont dat het huidige financiële systeem veiliger en stabieler is dan vóór de financiële crisis; geeft aan dat er desalniettemin nog grote onopgeloste problemen zijn, zoals de tijdens de financiële crisis opgehoopte voorraad oninbare leningen;

14.  onderstreept dat een volledig functionerende kapitaalmarktenunie voor kmo's op de lange termijn een alternatieve bron van financiering kan zijn, als aanvulling op de bankensector, en de financieringsbronnen voor de economie in het algemeen kan diversifiëren; roept de Commissie op haar werkzaamheden ten aanzien van de kapitaalmarktenunie te versnellen om tot een doeltreffender kapitaaltoewijzing in de EU te komen, de EU‑kapitaalmarkten te verdiepen, te zorgen voor meer diversiteit voor investeerders, langetermijninvesteringen te stimuleren en de innovatieve financiële instrumenten van de EU ter ondersteuning van de toegang van kmo's tot de kapitaalmarkten volledig te benutten; benadrukt dat de voltooiing van de kapitaalmarktenunie de tot op heden behaalde resultaten niet mag ondermijnen, maar er juist op gericht moet zijn de belangen van de Europese burgers te dienen;

15.  benadrukt dat er meer financiering nodig is voor investeringen; roept op tot een goed functionerend financieel systeem waarin een grotere stabiliteit en bestaande grensoverschrijdende instellingen kunnen zorgen voor liquiditeit en marktmaking, voornamelijk voor kmo's; wijst er in dit verband verder op dat ook sterk groeiende bedrijven problemen hebben bij de toegang tot financiering; roept de Commissie op projecten te identificeren en ten uitvoer te leggen die marktgerichte investeringen ondersteunen en aantrekken voor die groep bedrijven; onderstreept dat hervormingen van de bankenstructuur het genereren van liquiditeit niet mogen belemmeren;

16.  dringt aan op een grondige, stapsgewijze voltooiing van de bankenunie en op de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie, gericht op het vergroten van de veerkracht van de banksector, waarmee wordt bijgedragen tot financiële stabiliteit en een stabiel klimaat voor investeringen en groei, en tot het vermijden van versnippering van de financiële markt in de eurozone; benadrukt in dit verband het aansprakelijkheidsbeginsel, en dat perverse prikkels ("moreel risico") moeten worden vermeden, met name om de burgers te beschermen; dringt aan op eerbiediging van de bestaande gemeenschappelijke regels;

17.  wijst erop dat publieke en particuliere investeringen cruciaal zijn om de overgang naar een koolstofarme en circulaire economie mogelijk te maken; herinnert aan de verplichtingen die de Europese Unie met name bij de Overeenkomst van Parijs is aangegaan om de inzet van schone technologieën, het opschalen van hernieuwbare energiebronnen en de energie-efficiëntie en de algemene verlaging van de broeikasgasemissies te financieren;

18.  onderstreept dat ondernemers alleen bereid zijn te investeren indien zij ervan overtuigd zijn dat het regelgevingsklimaat stabiel is en hen in staat stelt hun geld te laten renderen; is van oordeel dat voorspelbare regels, efficiënte en transparante overheidsadministraties, effectieve rechtssystemen, gelijke randvoorwaarden en minder bureaucratie essentieel zijn voor het aantrekken van investeringen; benadrukt dat 40 % van de landenspecifieke aanbevelingen voor 2016 betrekking heeft op obstakels voor investeringen die de lokale en regionale overheden kunnen helpen verwijderen; verzoekt de Commissie aan de hand van de enquête naar het EU‑regelgevingskader voor financiële diensten de bureaucratie te reduceren, de regelgeving te vereenvoudigen en het financieringsklimaat te verbeteren;

19.  erkent het onbenutte potentieel voor productiviteitsgroei en investeringen dat kan worden benut wanneer de regels voor de interne markt volledig zouden worden gehandhaafd en de producten- en dienstenmarkten beter zouden zijn geïntegreerd; herinnert aan het belang van de landenspecifieke aanbevelingen voor het aanwijzen van belangrijke actieterreinen in de lidstaten;

20.  is het met de Commissie eens dat handel vaak meer voordelen oplevert dan in het maatschappelijk debat wordt onderkend, en onderstreept dat internationale handel voor veel banen in Europa kan zorgen en een cruciale bijdrage kan leveren aan groei; herhaalt dat meer dan 30 miljoen banen nu afhangen van exporten uit de EU; onderstreept dat internationale handelsovereenkomsten de Europese regelgevings-, sociale en milieunormen niet moeten ondermijnen, maar juist tot betere mondiale normen zouden moeten leiden;

21.  vindt het zorgwekkend dat het aandeel van de EU in de mondiale directe buitenlandse investeringen sinds de crisis aanzienlijk is afgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om het ondernemersklimaat voor investeringen te verbeteren, onder meer door de EU‑internemarktwetgeving volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven; is het ermee eens dat snellere vooruitgang bij de aanneming van duurzame structurele hervormingen, overeenkomstig de landenspecifieke aanbevelingen, nodig is om het concurrentievermogen van de EU te versterken, een gunstig ondernemersklimaat (vooral voor kmo's) en investeringen te bevorderen en om groei en banen te creëren, alsook om opwaartse convergentie tussen de lidstaten tot stand te brengen;

22.  hamert op het belang van het vrijwaren van het vermogen van financiële instellingen om langetermijninvesteringen te plegen, van de winstgevendheid van spaartegoeden met een laag risico en van pensioenproducten op de lange termijn, teneinde de duurzaamheid van de spaar- en pensioenregelingen van de Europese burgers niet in gevaar te brengen;

23.  benadrukt dat duurzame structurele hervormingen moeten worden aangevuld met langetermijninvesteringen in onderwijs, onderzoek, innovatie en menselijk kapitaal, in het bijzonder onderwijs en opleiding gericht op het aanleren van nieuwe vaardigheden en kennis; is van oordeel dat partnerschappen tussen beleidsmakers, wetgevers, onderzoekers, producenten en innoveerders ook als instrumenten voor het bevorderen van investeringen, het creëren van slimme en duurzame groei, en het aanvullen van investeringsprogramma's kunnen worden beschouwd;

Structurele hervormingen

24.  deelt de opvatting dat duurzame structurele hervormingen van de markten voor producten en diensten, alsook van de markten voor inclusieve werkgelegenheid, gezondheidszorg, huisvesting en pensioenen onverminderd een prioriteit in de lidstaten vormen, teneinde het herstel daadwerkelijk te ondersteunen, de hoge werkloosheid aan te pakken, het concurrentievermogen en eerlijke concurrentie te bevorderen, het groeipotentieel te benutten, en de doeltreffendheid van de systemen voor onderzoek en innovatie naar een hoger plan te tillen, zonder dat dit ten koste gaat van werknemersrechten, consumentenbescherming of milieunormen;

25.  is van oordeel dat bewezen is goed-functionerende en productieve arbeidsmarkten die gecombineerd worden met een hoog niveau van sociale bescherming en dialoog zich sneller van economische recessies herstellen; vraagt de lidstaten de segmentatie van de arbeidsmarkten te reduceren, de arbeidsmarktparticipatie te vergroten en het vaardighedenniveau op te krikken, waaronder middels een sterkere gerichtheid op scholing en een leven lang leren, ter bevordering van de inzetbaarheid en de productiviteit; merkt op dat enkele lidstaten nog aanzienlijke hervormingen moeten doorvoeren om hun arbeidsmarkten veerkrachtiger en inclusiever te maken;

26.  benadrukt het belang van het op gang brengen of voortzetten van de implementatie van coherente en duurzame structurele hervormingen voor stabiliteit op de middellange en lange termijn; benadrukt dat de EU en haar lidstaten niet op algemene of arbeidskosten alleen kunnen concurreren, maar meer moeten investeren in onderzoek, innovatie en ontwikkeling, onderwijs en vaardigheden, en hulpbronnenefficiëntie op zowel nationaal, als Europees niveau;

27.  maakt zich zorgen over de gevolgen van demografische ontwikkelingen, zoals lage geboortecijfers, de vergrijzing en emigratie, voor de overheidsfinanciën en duurzame groei; wijst met name op de impact van de vergrijzing op de pensioen- en gezondheidszorgstelsels in de EU; wijst erop dat de effecten van deze ontwikkelingen als gevolg van verschillende demografische structuren niet in elke lidstaat hetzelfde zullen zijn, maar waarschuwt dat de nu reeds te voorziene financieringskosten van grote invloed zullen zijn op de overheidsfinanciën;

28.  brengt in herinnering dat het verwezenlijken en in stand houden van een hoge arbeidsparticipatie een belangrijke factor voor het waarborgen van duurzaamheid van de pensioenstelsels is; wijst er in dit verband ook op dat het belangrijk is de vaardigheden van migranten beter te gebruiken, teneinde ze aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

29.  merkt op dat lidstaten momenteel 5 tot 11 % van hun bbp aan gezondheidszorg uitgeven en dat dit percentage de komende decennia naar verwachting aanzienlijk zal stijgen ten gevolge van demografische veranderingen; dringt er met klem bij de Commissie op aan zich bij de financiering van kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg te concentreren op kostenefficiëntie en universele toegang, en dat door samenwerking en het uitwisselen van goede praktijken op EU‑niveau, en door in de landenspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de duurzaamheid van kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorgstelsels;

30.  verzoekt de Commissie regelmatig voor elke lidstaat evaluaties van de budgettaire houdbaarheid te publiceren, rekening houdend met alle landenspecifieke factoren, zoals demografische ontwikkelingen, en voorwaardelijke, impliciete en andere buitenbudgettaire verplichtingen, die van invloed zijn op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën; acht het raadzaam deze verslagen deel te laten uitmaken van de jaarlijkse landenverslagen; stelt voor dat de Commissie een indicator ontwikkelt om het effect te onderzoeken van overheidsfinanciën en jaarbegrotingen op toekomstige generaties, rekening houdend met toekomstige aansprakelijkheid en impliciete budgettaire verplichtingen; beaamt dat de administratieve belasting van deze evaluaties beperkt moet worden gehouden;

31.  juicht het toe dat de jeugdwerkloosheid gemiddeld afneemt, hoewel deze nog steeds te hoog is; geeft aan dat er nog altijd grote verschillen zijn van lidstaat tot lidstaat, en dat dus door moet worden gegaan met de hervormingen, teneinde jongeren de toegang tot de arbeidsmarkt mogelijk te maken om een eerlijke verdeling tussen de generaties te waarborgen; benadrukt in dit verband het belang van de jongerengarantie, en dringt erop aan door te gaan met de EU‑financiering van dit cruciale programma; is het eens met de Commissie dat de lidstaten meer maatregelen moeten treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, in het bijzonder in vorm van het vergroten van de doeltreffendheid van de jongerengarantie;

32.  beklemtoont het belang van een verantwoorde en groeibevorderende loonontwikkeling, die een goede levensstandaard waarborgt, aansluit bij de productiviteit en rekening houdt met het concurrentievermogen, en van een doeltreffende sociale dialoog voor een goed werkende sociale markteconomie;

33.  merkt op dat belastingen ondersteunend moeten zijn voor investeringen en het creëren van banen; dringt aan op belastinghervormingen, teneinde de hoge belastingdruk op arbeid in Europa aan te pakken, de belastinginning te verbeteren, belastingontwijking en ‑ontduiking te bestrijden, en de belastingstelsels eenvoudiger, eerlijker en efficiënter te maken; benadrukt dat administratieve praktijken op belastinggebied beter gecoördineerd moeten worden; dringt aan op grotere transparantie tussen de lidstaten met betrekking tot de vennootschapsbelasting;

Budgettaire verantwoordelijkheid en structuur van de overheidsfinanciën

34.  constateert dat de Commissie budgettaire houdbaarheid onverminderd als een prioriteit blijft zien, en dat er sinds het hoogtepunt van de crisis aanzienlijk minder uitdagingen zijn en dit op korte termijn voor de eurozone in haar geheel wellicht geen belangrijke risicobron meer is;

35.  stelt ook vast dat de Commissie van oordeel is dat er nog wel degelijk uitdagingen bestaan, en dat sommige daarvan op het verleden – de crisis – terug te voeren zijn en dat andere met structurele tekortkomingen te maken hebben, en dat deze moeten worden aangepakt om risico's op de lange termijn te vermijden;

36.  onderstreept dat alle lidstaten zich aan het pact voor stabiliteit en groei moeten houden, met volledige inachtneming van de daarin opgenomen flexibiliteitsclausules; wijst in dit verband ook op het belang van Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur, en vraagt de Commissie met klem een verslag te presenteren over haar ervaringen met de implementatie daarvan, als uitgangspunt voor de noodzakelijke stappen – overeenkomstig het VEU en het VWEU – om de inhoud van dit verdrag in het rechtskader van de EU op te nemen;

37.  wijst erop dat, hoewel zes lidstaten onder de buitensporigetekortprocedure blijven vallen, het niveau van de gemiddelde overheidstekorten, dat in 2016 naar verwachting minder dan 2 % zal bedragen en de komende jaren naar verwachting zal blijven dalen, is gedaald, en dat slechts twee lidstaten naar verwachting in 2017 onder de buitensporigetekortprocedure zullen vallen; stelt vast dat de grote stijging van de schuld in het recente verleden mede het resultaat was van de herkapitalisatie van banken en de lage groei; onderstreept dat wanneer de rente weer gaat stijgen het moeilijker zou kunnen worden de overheidsfinanciën weer op orde te brengen;

38.  onderstreept de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen; benadrukt dat er behoefte is aan een objectieve en transparante evaluatie van de toepassing en handhaving van gemeenschappelijk overeengekomen wetgeving;

39.  hamert erop dat alle lidstaten gelijk moeten worden behandeld; merkt op dat alleen begrotingsbeleid dat de Uniale wetgeving in acht neemt en naleeft, geloofwaardigheid en vertrouwen tussen de lidstaten creëert, en als hoeksteen kan fungeren voor de voltooiing van de EMU en vertrouwen van de financiële markten;

40.  verzoekt de Commissie en de Raad om zo specifiek mogelijk te zijn bij de behandeling van begrotingsaanbevelingen in het kader van het preventieve en corrigerende gedeelte van het stabiliteits- en groeipact, om de transparantie en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen te verbeteren; benadrukt dat in de aanbevelingen in het kader van het preventieve gedeelte zowel de beoogde datum voor de landenspecifieke middellangetermijndoelstelling als de begrotingsaanpassing om deze te bereiken of te handhaven, moet worden opgenomen;

41.  is van oordeel dat macro-economische onevenwichtigheden binnen lidstaten middels toepassing van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden en inspanningen door alle lidstaten moeten worden aangepakt, op grond van relevante hervormingen en investeringen; benadrukt dat elke lidstaat in dit verband zijn eigen verantwoordelijkheid op zich moet nemen; merkt op dat grote overschotten op de lopende rekening de mogelijkheid van een grotere binnenlandse vraag inhouden; benadrukt dat een grote overheids- en particuliere schuld ons bijzonder kwetsbaar maakt, en dat een verantwoord begrotingsbeleid en meer groei nodig zijn om die schuld sneller te verminderen;

42.  merkt op dat uit de beoordeling van de ontwerpbegrotingen voor 2017 blijkt dat, hoewel de situatie van de overheidsfinanciën de afgelopen is verbeterd, bij acht lidstaten het gevaar bestaat dat zij zich niet aan de regels houden; is van oordeel dat de overeengekomen aanpassingen daadwerkelijk moeten worden doorgevoerd;

43.  juicht het toe dat de overheidstekorten en ‑schulden gemiddeld zijn afgenomen, maar onderkent dat de geaggregeerde cijfers verhullen dat er tussen de lidstaten sprake is van belangrijke verschillen; beklemtoont dat de geaggregeerde cijfers altijd in combinatie met individuele begrotingen moeten worden bekeken, en onderstreept dat het met het oog op eventuele rentestijgingen een 'must' is ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciën gezond zijn; wijst op het belang van opwaarste convergentie, met name tussen de lidstaten van de eurozone;

Begrotingskoers voor de eurozone

44.  merkt op dat volgens de economische najaarsverwachting van 2016 van de Commissie de begrotingskoers in de eurozone in 2015 van restrictief naar neutraal is opgeschoven, en gedurende de periode van de raming naar verwachting gematigd expansief zal zijn; neemt daarnaast kennis van de overweging van de Commissie dat volledige naleving van de begrotingsvereisten in de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op geaggregeerd niveau zou leiden tot een matig restrictieve begrotingskoers voor de eurozone als geheel in 2017 en 2018, en van het feit dat de Commissie ondanks de economische en juridische situatie op dit moment aandringt op een positief expansieve begrotingskoers;

45.  beschouwt de mededeling van de Commissie over een positieve begrotingskoers een belangrijke ontwikkeling; juicht de intentie van de mededeling toe om een bijdrage te leveren tot een betere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone en de wijzen op de mogelijkheden om een begrotingsstimulans te geven in die lidstaten die hiervoor over ruimte beschikken; onderstreept dat budgettaire vereisten stoelen op gemeenschappelijk overeengekomen begrotingsregels; herinnert eraan dat de lidstaten zich ongeacht geaggregeerde aanbevelingen aan het pact voor stabiliteit en groei moeten houden; merkt op dat er meningsverschillen bestaan ten aanzien van het potentieel voor en het niveau van een doelstelling voor een geaggregeerde begrotingskoers; juicht de lopende werkzaamheden op dit vlak van de onafhankelijke European Fiscal Board toe;

46.  is van oordeel dat het verbeteren van de structuur van de overheidsbegrotingen essentieel is om te waarborgen dat de Europese regels inzake de overheidsfinanciën in acht worden genomen en om financiering vrij te maken voor absoluut noodzakelijke uitgaven, het opbouwen van reserves voor onvoorziene behoeften en groeibevorderende investeringen en, tot slot, het financieren van minder essentiële uitgaven, alsook om bij te dragen aan een efficiënter en verantwoord gebruik van publieke middelen; brengt in herinnering dat de samenstelling van de nationale begrotingen op nationaal niveau wordt vastgesteld, rekening houdend met de landenspecifieke aanbevelingen;

47.  merkt op dat het debat over een slimme toewijzing van overheidsuitgaven en beleidsprioriteiten regelmatig plaatsvindt met betrekking tot de EU‑begroting, en dat een dergelijke kritische beoordeling ook onontbeerlijk is voor nationale begrotingen, om de kwaliteit van overheidsbegrotingen op de middellange en lange termijn te verbeteren en lineaire bezuinigingen op de begroting te vermijden;

48.  verwelkomt de lopende toetsing van de overheidsuitgaven, en spoort de lidstaten aan de kwaliteit en samenstelling van hun begrotingen kritisch tegen het licht te houden; steunt de inspanningen gericht op het verbeteren van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de overheidsuitgaven, waaronder door middelen niet voor niet‑productieve uitgaven uit te geven, maar voor groeibevorderende investeringen;

49.  is van mening dat de EU‑begroting de druk op de nationale begrotingen kan helpen verlichten, door eigen middelen te innen in plaats van in hoge mate afhankelijk te zijn van nationale bijdragen;

50.  is verheugd over de thematische besprekingen die worden gevoerd en de door de Eurogroep aangenomen beste praktijken, zoals met betrekking tot beoordelingen van uitgaven, in de semestercyclus 2016; vraagt de Commissie en de Eurogroep de besprekingen in kwestie nog effectiever en transparanter te maken;

51.  vraagt de Commissie en de Raad landenspecifieke aanbevelingen uit te werken die het mogelijk maken vooruitgang te kwantificeren, en dat met name voor gevallen waarin de beleidsaanbeveling herhaaldelijk gericht is op hetzelfde beleidsterrein en/of waar de uitvoering door de aard van de hervorming langer duurt dan een semestercyclus;

Coördinatie van nationale beleidsmaatregelen en democratische verantwoording

52.  onderstreept dat het belangrijk is dat de nationale parlementen debatteren over de landenverslagen, de landenspecifieke aanbevelingen, de nationale hervormingsprogramma's en de stabiliteitsprogramma's, en deze in sterkere mate omzetten dan tot nu toe het geval is;

53.  is van mening dat voor een betere uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen duidelijk omschreven prioriteiten op Europees niveau en een echt publiek debat op nationaal, regionaal en lokaal niveau nodig zijn, wat zal leiden tot meer ownership; vraagt de lidstaten de plaatselijke en regionale autoriteiten hierbij gezien de impact en de uitdagingen die bij hen ook op het subnationale niveau spelen stelselmatig te betrekken, teneinde de implementatie van de landenspecififke aanbevelingen te verbeteren;

54.  vraagt de Commissie onderhandelingen te beginnen over een interinstitutioneel akkoord inzake economisch bestuur; benadrukt dat dit interinstitutioneel akkoord ervoor moet zorgen dat de structuur van het Europees semester, binnen het kader van de Verdragen, zinvol en regelmatig parlementair toezicht op het proces mogelijk maakt, in het bijzonder wat de prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse en de aanbevelingen voor de eurozone betreft;

Sectorale bijdragen aan de jaarlijkse groeianalyse 2017

Begroting

55.  is van mening dat de EU‑begroting toegevoegde waarde kan bieden voor investeringen en structurele hervormingen in lidstaten, indien er gezorgd wordt voor betere synergie tussen de bestaande instrumenten en een verband met de begrotingen van de lidstaten; is van mening dat de jaarlijkse groeianalyse, als een belangrijk beleidsdocument dat basisinhoud biedt voor nationale hervormingsprogramma's, landspecifieke aanbevelingen en implementatieplannen, daarom als leidraad moet dienen voor de lidstaten en met betrekking tot de voorbereiding van de nationale begrotingen, om gemeenschappelijke oplossingen te introduceren die zichtbaar zijn in de nationale begrotingen en gekoppeld zijn aan de EU‑begroting;

56.  herinnert eraan dat het verbeteren van de systemen voor de inning van btw en douanerechten een topprioriteit voor alle lidstaten moet zijn; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor de invoering van een Europese zwarte lijst van belastingparadijzen, die moet worden gehandhaafd door strafrechtelijke sancties teneinde multinationals die belastingen ontduiken, aan te pakken;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

57.  wijst erop dat om een beter en efficiënter gebruik van hulpbronnen te stimuleren, de afhankelijkheid van buitenlandse energie te verminderen en duurzame productie in te voeren op basis van betere productontwerpvereisten en duurzamere consumptiepatronen, ondernemerschap en banencreatie moeten worden bevorderd, de internationale streefcijfers en de milieudoelstellingen van de EU effectief ten uitvoer moeten worden gelegd en de inkomstenbronnen moeten worden gediversifieerd, in een context van verantwoord begrotingsbeleid en economisch concurrentievermogen; is van oordeel dat het Europees semester eveneens verslaglegging over energie-efficiëntie en interconnectiviteit moet omvatten aan de hand van op EU‑niveau vastgelegde streefcijfers;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de nationale parlementen en de Europese Centrale Bank.

(1) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.
(2) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.
(3) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.
(4) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.
(5) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.
(6) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(7) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.
(8) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.
(9) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 86.


Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017
PDF 253kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017 (2016/2307(INI))
P8_TA(2017)0039A8-0037/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 152, 153 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 349 VWEU inzake een specifiek statuut voor de ultraperifere gebieden,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien het IAO-Verdrag nr. 102 inzake minimumnormen voor sociale zekerheid en IAO-aanbeveling nr. 202 over een sociale beschermingsvloer,

–  gezien het herzien Europees Sociaal Handvest,

–  gezien doelstelling inzake duurzame ontwikkeling 1 ("Beëindig armoede overal en in al haar vormen"), en in het bijzonder doelstelling 3 ("Voor elk land passende systemen en maatregelen voor sociale bescherming voor iedereen toepassen, waaronder een beschermingsvloer, en er tegen 2030 voor zorgen dat deze ook mensen in armoede en kwetsbare mensen bereiken"),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie 2013/112/EU van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2017" (COM(2016)0725),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 16 november 2016 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2016)0726),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Naar een positieve begrotingskoers voor de eurozone" (COM(2016)0727),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2017" (COM(2016)0728),

–  gezien het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 16 november 2016 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2017 (COM(2016)0729),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2017: Algemene beoordeling" (COM(2016)0730),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020 – Een resultaatgerichte EU‑begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 26 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013 (COM(2015)0701),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 15 februari 2016 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2016)0071) en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 15 september 2016(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire unie" (COM(2013)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014‑2020" (COM(2013)0083),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 over het initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2011)0933),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758) en de desbetreffende resolutie van het Parlement van 15 november 2011(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(3),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's economische en monetaire unie",

–  gezien de conclusies van de Raad over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa (13414/2015),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: uitvoering van de prioriteiten voor 2016(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over vluchtelingen: sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2016(6),

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van 24 september 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015(7),

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(8),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(9),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(10),

–  gezien vraag voor mondeling antwoord O‑000121/2015 – B8‑1102/2015 aan de Raad en zijn daarmee samenhangende resolutie van 29 oktober 2015 over de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(11),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(12),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(14),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(15),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(16),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(17),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer getiteld "De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet"(18),

–  gezien het document "Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa – driemaandelijkse beoordeling – herfst 2016" van 11 oktober 2016,

–  gezien Eurofound’s vijfde en zesde editie van de Europese enquêtes naar de arbeidsomstandigheden (2010 en 2015)(19),

–  gezien het document "Employment Outlook 2016" (Werkgelegenheidsvooruitzichten 2016) van de OESO van 7 juli 2016,

–  gezien het werkdocument van de OESO van 9 december 2014 getiteld "Trends in Income Inequality and its Impact on Economic Growth" (Trends op het vlak van inkomensongelijkheid en de gevolgen voor economische groei),

–  gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 10 oktober 2014, getiteld "Adequate sociale bescherming voor behoeften aan langdurige zorg in een vergrijzende samenleving",

–  gezien de routekaart en de raadpleging van de Commissie getiteld "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken",

–  gezien de bijeenkomsten van 3 oktober en 8 november 2016 in het kader van de gestructureerde dialoog over de opschorting van fondsen voor Portugal en Spanje,

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0037/2017),

A.  overwegende dat de werkloosheid in de EU vanaf de tweede helft van 2013 langzaam een dalende lijn heeft ingezet, dat er sinds 2013 acht miljoen nieuwe banen zijn gecreëerd en de werkloosheid in september 2016 8,6 % bedroeg, waarmee het laagste niveau sinds 2009 werd bereikt; overwegende dat het aandeel van jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) hoog blijft en 14,8 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar vertegenwoordigt(20)(21); overwegende dat de werkloosheid over de gehele EU genomen weliswaar daalt, maar in sommige lidstaten helaas nog altijd zeer hoog is; overwegende dat de armoede onder werkenden volgens de Commissie hoog blijft;

B.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen doorgaans lager is, en overwegende dat de arbeidsparticipatie van mannen tussen 20 en 64 jaar in de EU-28 in 2015 75,9 % bedroeg, ten opzichte van 64,3 % voor vrouwen; overwegende dat de genderkloof met betrekking tot de toegang tot werk nog steeds een van de grootste obstakels is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en dat er dringend inspanningen nodig zijn om het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen te verkleinen;

C.  overwegende dat het, als de huidige trends worden versterkt met passende overheidsmaatregelen, mogelijk wordt om het Europa 2020-streefcijfer voor een arbeidsparticipatie van 75 % daadwerkelijk te behalen;

D.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid op EU‑niveau 18,6 % bedraagt en 21,0 % in de eurozone; overwegende dat 4,2 miljoen jongeren werkloos zijn, waarvan 2,9 miljoen in de eurozone; overwegende dat de werkloosheid onder jongeren ver boven het lage niveau van 2008 blijft, hetgeen er nogmaals op wijst dat de tenuitvoerlegging en de volledige gebruikmaking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) door de lidstaten voorrang moet blijven krijgen; overwegende dat werkgelegenheid voor jongeren helaas nog steeds wordt gekenmerkt door lage lonen, soms onder de armoedegrens, onbetaalde stages, gebrek aan kwaliteitsvolle opleiding en gebrek aan rechten op het werk;

E.  overwegende dat NEET's de EU jaarlijks naar schatting 153 miljard EUR (1,21 % van het bbp) aan uitkeringen en gederfde inkomsten en belastingen kosten, terwijl de totale kostprijs voor het inrichten van jongerengarantiestelsels in de eurozone wordt geraamd op 21 miljard EUR, of 0,22 % van het bbp;

F.  overwegende dat het aantal in 2015 geregistreerde NEET's zal blijven afnemen; overwegende dat 6,6 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar zich nog altijd in deze situatie bevinden, een cijfer dat overeenkomt met 12 % van de bevolking in deze leeftijdsgroep;

G.  overwegende dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, namelijk door een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en toe te passen;

H.  overwegende dat mensen met een handicap nog steeds in grote mate worden uitgesloten van de arbeidsmarkt en dat op dit gebied erg weinig vooruitgang is geboekt de voorbije tien jaar, deels door een gebrek aan investeringen in passende steunmaatregelen; overwegende dat dit vaak leidt tot armoede en sociale uitsluiting en daardoor negatieve gevolgen heeft voor het Europa 2020-streefcijfer;

I.  overwegende dat structurele problemen op de arbeidsmarkt, zoals een lage participatiegraad en het probleem dat het aanbod van en de vraag naar vaardigheden en kwalificaties niet op elkaar aansluiten, een punt van zorg blijven in tal van lidstaten;

J.  overwegende dat het percentage langdurig werklozen (dat betrekking heeft op werkloosheid van meer dan een jaar) op jaarbasis tot het eerste kwartaal van 2016 met 0,7 % is gedaald tot 4,2 % van de beroepsbevolking; overwegende dat het percentage zeer langdurig werklozen (dat betrekking heeft op werkloosheid van meer dan twee jaar) is gedaald tot 2,6 % van de beroepsbevolking; overwegende dat het aantal langdurig werklozen niettemin hoog blijft, rond de tien miljoen; overwegende dat langdurige werkloosheid vooral problematisch is voor jongere en oudere werkzoekenden, aangezien 30 % van de 15- tot 24-jarige werkzoekenden en 64 % van de 55- tot 64-jarige werkzoekenden al meer dan een jaar op zoek is naar een baan; overwegende dat veel oudere werknemers die inactief zijn niet in de werkloosheidsstatistieken worden opgenomen; overwegende dat het werkloosheidspercentage en de sociale gevolgen ervan uiteenlopen in de Europese landen, en overwegende dat het van essentieel belang is om rekening te houden met specifieke micro-economische omstandigheden;

K.  overwegende dat de Europa 2020-strategie erop gericht is armoede terug te dringen door het aantal mensen dat door armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd met ten minste 20 miljoen te verminderen tegen 2020; overwegende dat deze doelstelling nog lang niet binnen bereik ligt en er dan ook bijkomende inspanningen nodig zijn; overwegende dat in 2015 119 miljoen mensen bedreigd waren door armoede of sociale uitsluiting, ongeveer 3,5 miljoen mensen minder dan in 2014; overwegende dat er in 2012 in de EU 32,2 miljoen mensen met een handicap waren die zich in deze situatie bevonden; overwegende dat in 2013 in de EU-28 26,5 miljoen kinderen het risico liepen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen; overwegende dat een hoog niveau van ongelijkheid de output van de economie en het potentieel voor duurzame groei doet dalen;

L.  overwegende dat de begeleiding van langdurig werklozen van cruciaal belang is, aangezien deze toestand anders hun zelfvertrouwen, welbevinden en toekomstige ontwikkeling zal beginnen aantasten, waardoor zij het risico lopen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen en waardoor de houdbaarheid van de nationale socialezekerheidsstelsels en het Europees sociaal model onder druk komt te staan;

M.  overwegende dat een afzwakking van de sociale dialoog negatieve gevolgen heeft voor de rechten van werknemers, voor de koopkracht van de EU-burgers en voor groei;

N.  overwegende dat er sprake is van een aantal positieve ontwikkelingen in de EU die wijzen op de veerkracht en het herstel van de Europese economie;

O.  overwegende dat de sociale economie, waarin 2 miljoen ondernemingen actief zijn die in de Unie samen meer dan 14,5 miljoen mensen tewerkstellen, een belangrijke sector is gebleken die bijdraagt tot de veerkracht en het economisch herstel van Europa;

P.  overwegende dat de groei in de meeste lidstaten laag blijft, waarbij het groeipercentage in de EU voor 2016 zelfs is gedaald en op 2 % is gestagneerd, ondanks positieve tijdsgebonden aspecten, hetgeen dus aantoont dat de EU meer kan doen om het economisch en sociaal herstel te bevorderen zodat het duurzamer wordt op de middellange termijn;

Q.  overwegende dat er volgens de Europese Commissie(22) op werkgelegenheids- en sociaal gebied nog steeds verschillen zijn binnen en tussen de lidstaten, en dat maatschappelijke ontwikkelingen erop blijven wijzen dat de verschillen in de EU verder toenemen en zo groei, werkgelegenheid en cohesie in de weg staan; overwegende dat samenlevingen die door een hoog niveau van gelijkheid en investeringen in mensen worden gekenmerkt, het beter doen op het gebied van groei en veerkracht van de werkgelegenheid;

R.  overwegende dat zwartwerk nog altijd bestaat en ernstige gevolgen heeft voor de begroting, aangezien het leidt tot gederfde belastingontvangsten en verliezen voor de sociale zekerheid, en dat zwartwerk bovendien negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, productiviteit, arbeidskwaliteit en ontwikkeling van vaardigheden;

S.  overwegende dat de ultraperifere gebieden worden geconfronteerd met enorme problemen die samenhangen met hun specifieke kenmerken, waardoor hun mogelijkheden voor groei en ontwikkeling worden beknot; overwegende dat werkloosheid, jongerenwerkloosheid en langdurige werkloosheid in deze gebieden tot de hoogste van de EU behoren en in veel gevallen hoger zijn dan 30 %;

T.  overwegende dat in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) al 69 projecten in 18 landen zijn goedgekeurd en 56 verrichtingen zijn ondertekend, dat dit naar verwachting zal leiden tot meer dan 22 miljard EUR aan investeringen en dat hierbij ongeveer 71 000 kmo's betrokken zullen zijn;

U.  overwegende dat de bevolking in de werkende leeftijd en de beroepsbevolking in vele lidstaten blijven afnemen; overwegende dat de lidstaten de arbeidsparticipatie van vrouwen kunnen aangrijpen om iets te doen aan dit probleem en de beroepsbevolking in de EU te versterken; overwegende dat ook de aanhoudende instroom van vluchtelingen en asielzoekers zou kunnen helpen om de beroepsbevolking te verstevigen;

V.  overwegende dat de EU wordt geconfronteerd met demografische uitdagingen die niet alleen samenhangen met de vergrijzing en het dalende geboortecijfer, maar ook met andere elementen zoals ontvolking;

W.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen momenteel 16 % bedraagt en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen 38 %, waardoor vrouwen meer risico lopen met armoede en sociale uitsluiting te maken te krijgen naarmate zij ouder worden;

X.  overwegende dat het aanbieden en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie hier coördinerend, maar niet harmoniserend optreedt;

Y.  overwegende dat de gezonde levensverwachting van vrouwen is gedaald van 62,6 in 2010 naar 61,5 in 2013, met een kleine stijging in 2014, en dat die voor mannen stabiel is gebleven op 61,4;

1.  is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 niet alleen nadruk wordt gelegd op het scheppen van hoogwaardige en inclusieve werkgelegenheid en het verbeteren van vaardigheden en op de noodzaak om concurrentievermogen, innovatie en productiviteit te vergroten, maar ook wordt beklemtoond hoe belangrijk het is sociale rechtvaardigheid te garanderen als middel om inclusievere groei te stimuleren; verzoekt de Commissie te waarborgen dat in de landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot hervormingen van de arbeidsmarkt ook nadruk wordt gelegd op het belang van een actief arbeidsmarktbeleid en wordt gepleit voor de rechten en de bescherming van werknemers;

2.  is ingenomen met de vooruitgang die wordt geboekt bij het tot stand brengen van een evenwicht tussen de economische en sociale dimensie van het Europees semester, waarbij de Commissie tegemoet komt aan een aantal verzoeken van het Parlement; benadrukt echter dat er meer inspanningen moeten worden gedaan om het scorebord van de centrale sociale en werkgelegenheidsindicatoren meer politieke zichtbaarheid en invloed te geven; is verheugd over het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 99/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees statistisch programma 2013-2017, door het te verlengen tot 2018-2020 en door er nieuwe sociale indicatoren voor het weergeven van werkgelegenheids- en sociale gegevens in op te nemen die gekoppeld zijn aan de evolutie van de macro-economische gegevens, zodat de analyse een goed overzicht geeft van de onderlinge verwevenheid en de gevolgen van verschillende beleidskeuzen; benadrukt dat de werkgelegenheidsindicatoren op voet van gelijkheid moeten worden geplaatst met de economische indicatoren, zodat ze de aanleiding kunnen vormen voor diepgaande analyses en voor corrigerende maatregelen in de betreffende lidstaten;

3.  beklemtoont dat het in de cyclus van het Europees semester nog steeds ontbreekt aan een benadering waarin het kind centraal staat, bestaande uit een verbintenis met betrekking tot kinderrechten, mainstreaming van de strijd tegen kinderarmoede en doelstellingen op het vlak van welzijn in alle relevante beleidsterreinen van de beleidsvorming; benadrukt dat een strategische benadering met duidelijke doelstellingen en streefcijfers noodzakelijk is om de vicieuze cirkel van achterstand te doorbreken;

4.  dringt aan op programma's voor het bieden van steun en mogelijkheden, als deel van een geïntegreerd Europees plan om te investeren in jonge kinderen en kinderarmoede tegen te gaan, onder meer door de invoering van een kindergarantie gericht op een volledige tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie "Investeren in kinderen", waarmee wordt gewaarborgd dat elk kind in Europa dat risico loopt op armoede (met inbegrip van vluchtelingen) toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang, behoorlijke huisvesting en toereikende voeding;

5.  benadrukt dat investeringen in sociale ontwikkeling bijdragen aan economische groei en convergentie; neemt kennis van recente studies van de OESO(23) en het IMF(24) waarin wordt onderstreept dat de sociale ongelijkheid in Europa een rem zet op het economisch herstel; dringt aan op grotere inspanningen in de strijd tegen armoede en groeiende ongelijkheid, en in voorkomend geval op meer investeringen in sociale infrastructuur en meer steun voor diegenen die het hardst zijn getroffen door de economische crisis; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de landspecifieke aanbevelingen een specifieke focus op de bestrijding van ongelijkheid bevatten;

6.  verzoekt de Commissie en de Raad een betere strategie te ontwikkelen om een overkoepelende gendergelijkheidsdoelstelling tot stand te brengen; is voorstander van het gebruik door de Commissie van jaarverslagen inzake gendergelijkheid in het kader van het Europees semester met het oog op een betere gendermainstreaming; verzoekt de lidstaten om de genderdimensie en het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's op te nemen door streefdoelen vast te stellen en maatregelen aan te geven om de aanhoudende genderkloven aan te pakken; verzoekt de Commissie om landspecifieke aanbevelingen te blijven verstrekken met betrekking tot betere kinderopvangfaciliteiten en langdurige zorgverlening die een positief effect kunnen hebben op de arbeidsparticipatie van vrouwen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om te overwegen in het monitoringsproces van het Europees semester in voorkomend geval naar geslacht uitgesplitste gegevens te gebruiken; stelt voor het Europees Instituut voor gendergelijkheid nauwer te betrekken bij het Europees semester;

7.  wijst erop dat de openbare en particuliere schulden in sommige lidstaten te hoog zijn en dat dit investeringen, economische groei en werkgelegenheid in de weg staat;

8.  is van mening dat de gegevens van het scorebord van sociale en werkgelegenheidsindicatoren nuttig zijn, maar niet volstaan om de evolutie van de sociale en werkgelegenheidstoestand in de EU te beoordelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten het scorebord aan te vullen met gegevens over de kwaliteit van de werkgelegenheid en over armoede, met bijzondere aandacht voor multidimensionale kinderarmoede;

9.  vraagt de Commissie haar opvatting van sociale rechtvaardigheid te definiëren en te kwantificeren, rekening houdend met het werkgelegenheidsbeleid en het sociaal beleid, aan de hand van de jaarlijkse groeianalyse 2016 en het Europees semester;

10.  verzoekt de lidstaten en de Commissie vaart te zetten achter de uitvoering van alle programma's die het scheppen van fatsoenlijke, hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid voor alle bevolkingscategorieën, en met name jongeren, kunnen bevorderen; benadrukt dat er weliswaar sprake is van een lichte daling van de werkloosheid in de EU, maar dat de jeugdwerkloosheid nog steeds 18,6 % bedraagt; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een proactievere follow-up door de autoriteiten die de programma's beheren;

11.  onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie moet worden versterkt op nationaal, regionaal en lokaal niveau en tot ten minste 2020 moet worden verlengd, met actieve deelname van de sociale partners en versterkte overheidsdiensten, en benadrukt het belang hiervan voor de overgang van school naar werk; spoort de Commissie aan impactstudies uit te voeren om nauwkeurig te kunnen vaststellen welke resultaten tot nu toe zijn bereikt en bijkomende maatregelen te kunnen nemen, en dringt erop aan rekening te houden met de verwachte audit door de Rekenkamer, de uitwisseling van beste praktijken en de organisatie van workshops waarin alle betrokkenen rond de tafel worden gebracht en die bedoeld zijn om dit instrument doeltreffender te maken; beklemtoont dat de lidstaten moeten garanderen dat de jongerengarantie volledig toegankelijk is, ook voor kwetsbare personen en mensen met een handicap; benadrukt dat dit niet in alle lidstaten het geval is en verzoekt de lidstaten deze situatie zo spoedig mogelijk te verhelpen, aangezien het indruist tegen het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de jongerengarantie jongeren bereikt die met meervoudige uitsluiting en extreme armoede te kampen hebben; wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan jonge vrouwen en meisjes, die mogelijk worden geconfronteerd met gendergerelateerde belemmeringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorzien in een toereikende financiering van de jongerengarantie, zodat het instrument naar behoren wordt uitgevoerd in alle lidstaten en nog meer jongeren worden geholpen;

12.  neemt kennis van de goedkeuring van 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2017; benadrukt dat dit bedrag ontoereikend is en dat het in het huidige MFK moet worden verhoogd en veiliggesteld; merkt echter tevens op dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK een akkoord moet worden bereikt over toereikende bijkomende financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de resterende duur van de huidige MFK‑periode;

13.  benadrukt het potentieel van de culturele en creatieve sector voor jongerenwerkgelegenheid; onderstreept dat verdere stimulering van en investeringen in de culturele en creatieve sector een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investeringen, groei, innovatie en werkgelegenheid; roept de Commissie daarom op na te denken over de bijzondere mogelijkheden die de hele culturele en creatieve sector kan bieden, met inbegrip van ngo's en kleine verenigingen, bijvoorbeeld in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

14.  onderstreept dat ontoereikende investeringen in het openbaar onderwijs de concurrentiepositie van Europa en de inzetbaarheid van de Europese beroepsbevolking kunnen ondermijnen; benadrukt dat er zo vroeg mogelijk in de levenscyclus in mensen moet worden geïnvesteerd om ongelijkheid te doen dalen en sociale inclusie op jonge leeftijd te bevorderen; beklemtoont eveneens dat stereotypen van jongs af aan op school moeten worden bestreden door de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle onderwijsniveaus te bevorderen;

15.  verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen toe te passen en toezicht te houden op inclusievere vormen van socialebeschermingsstelsels en inkomenssteun, om ervoor te zorgen dat die stelsels een fatsoenlijke levensstandaard bieden voor werklozen en mensen die worden bedreigd door armoede en sociale uitsluiting en toegang verschaffen tot onderwijs, opleiding en kansen om de arbeidsmarkt te betreden;

16.  is verheugd over de toegenomen arbeidsparticipatie; stelt echter vast dat de toename van de arbeidsparticipatie in de lidstaten gepaard is gegaan met de groeiende opkomst van atypische en niet-formele arbeidsvormen, met inbegrip van nulurencontracten; wijst erop dat duurzaamheid en kwaliteit van de gecreëerde werkgelegenheid een prioriteit moet vormen; maakt er zich grote zorgen over dat de hoge werkloosheid aanhoudt, vooral in landen die nog altijd lijden onder de crisis; beschouwt het verschijnsel van armoede onder werkenden als een gevolg van verslechterende loon- en arbeidsvoorwaarden, hetgeen moet worden aangepakt als onderdeel van maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid en sociale bescherming; spoort de lidstaten aan inspanningen te blijven leveren en te blijven openstaan voor nieuwe oplossingen en benaderingen om het Europa 2020-streefcijfer voor een arbeidsparticipatie van 75 % te behalen, onder meer door zich te richten op groepen die het slechtst vertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt, zoals vrouwen, oudere werknemers, laaggeschoolden en personen met een handicap; verzoekt de lidstaten hun aanbod op het gebied van een leven lang leren en doeltreffende bij- en nascholing uit te breiden;

17.  is van mening dat migratie een belangrijke rol kan spelen, onder meer via onderwijsregelingen, aangevuld met efficiënte overheidsuitgaven, zodat er kwaliteitsvolle sociale en ecologisch duurzame investeringen worden gedaan met het oog op de integratie van werknemers op de arbeidsmarkt en de terugdringing van de werkloosheid;

18.  erkent dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom proactieve beleidsmaatregelen te treffen en passende investeringen aan te bieden die bedoeld en ontworpen zijn om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen; beklemtoont dat een betere balans tussen werk en privéleven essentieel is om de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten; wijst er in dit verband op dat flexibele werkregelingen, zoals telewerk, flexibele werktijden en vermindering van werkuren volgens de Commissie een belangrijke rol kunnen vervullen; deelt de opvatting van de Commissie dat het aanbieden van betaald moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof bijdraagt aan de bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen; verzoekt de lidstaten voorts passende beleidsmaatregelen vast te stellen om mannen en vrouwen die na perioden van gezins- of zorgverlof de arbeidsmarkt (her)betreden, er blijven en er carrière maken, te steunen met duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid; betreurt genderongelijkheid op het gebied van de arbeidsparticipatie, de loonkloof en de pensioenkloof; pleit voor beleidsmaatregelen die vrouwen ertoe aansporen en hen steunen om carrière te maken als ondernemer, door de toegang tot financiering en zakelijke mogelijkheden te vergemakkelijken en persoonsgerichte opleidingen aan te bieden;

19.  is zich er echter van bewust dat steun voor het scheppen van werkgelegenheid en maatregelen om de actieve arbeidsparticipatie te verbeteren deel moeten uitmaken van een bredere, op rechten gebaseerde benadering om sociale uitsluiting en armoede aan te pakken, waarbij rekening wordt gehouden met kinderen en gezinnen en hun specifieke behoeften;

20.  roept de lidstaten op beste praktijken uit te wisselen en na te denken over nieuwe, innovatieve manieren om een aanpasbare en flexibele arbeidsmarkt tot stand te brengen, teneinde de uitdagingen van een globale economie het hoofd te kunnen bieden en tegelijkertijd hoge arbeidsnormen voor alle werknemers te waarborgen;

21.  stelt op prijs dat de lidstaten eraan worden herinnerd dat de socialezekerheidsstelsels verankerd moeten zijn in sterke sociale normen, en dat de bevordering van de balans tussen werk en privéleven en de aanpak van discriminatie niet alleen bijdragen tot sociale rechtvaardigheid, maar ook tot groei; onderstreept dat de herintreding van ouders op de arbeidsmarkt moet worden ondersteund door de voorwaarden te scheppen voor een hoogwaardige en inclusieve werkgelegenheids- en werkomgeving die ouders in staat stellen een evenwicht te vinden tussen hun rol op het werk en hun rol als ouders;

22.  erkent dat het scheppen van banen gepaard moet gaan met de integratie van langdurig werklozen in kwaliteitsvolle banen via maatregelen op maat, met name via actieve beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, als cruciale factor in de bestrijding van hun armoede en sociale uitsluiting wanneer er fatsoenlijk werk beschikbaar is; wijst erop dat de nadruk moet liggen op verbeterde maatregelen voor het creëren van fatsoenlijk werk; beklemtoont dat de integratie van mensen die het verst van de arbeidsmarkt zijn verwijderd een tweeledig effect heeft, aangezien het die persoon zelf ten goede komt en daarnaast ook de socialezekerheidsstelsels stabiliseert en de economie steunt; acht het noodzakelijk om rekening te houden met de sociale situatie van deze burgers en hun specifieke behoeften en om op Europees niveau beter toezicht te houden op de beleidsmaatregelen die op nationaal niveau worden genomen;

23.  wijst op het belang van vaardigheden en competenties die in niet-formele en informele leeromgevingen zijn verworven – en op de validatie en certificering hiervan – en van toegang tot een leven lang leren, alsook op het belang van de toezeggingen en benchmarks van het strategisch kader op het gebied van onderwijs en opleiding 2020; verzoekt de Commissie en de lidstaten systemen uit te werken voor de erkenning van niet-formele en informele competenties; verzoekt de lidstaten voorts beleidsmaatregelen uit te voeren, niet alleen voor het garanderen van toegang tot onderwijs en opleiding die kwaliteitsvol, inclusief en betaalbaar zijn, maar ook om te waarborgen dat de kaderaanpak voor een leven lang leren wordt uitgevoerd in de richting van een flexibel onderwijstraject waarbij gelijkheid en sociale samenhang worden bevorderd en iedereen werkgelegenheidskansen krijgt;

24.  pleit ervoor om partnerschappen tussen werkgevers, sociale partners, arbeidsbemiddelingsdiensten van de overheid en de particuliere sector, overheden, sociale diensten en onderwijs- en opleidingsinstellingen tot stand te brengen en te ontwikkelen, zodat de nodige instrumenten voorhanden zijn om beter te beantwoorden aan de behoeften van de arbeidsmarkt en langdurige werkloosheid te voorkomen; herinnert eraan dat het onontbeerlijk is een gepersonaliseerde en geïndividualiseerde follow‑up te hanteren die geschikt is om effectieve oplossingen te kunnen bieden voor langdurig werklozen;

25.  betreurt het aanhoudend lage niveau van overheidsinvesteringen, aangezien dergelijke investeringen een belangrijke stimulans kunnen zijn voor het scheppen van banen; beklemtoont dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) onvoldoende investeringen in sociale infrastructuur heeft ontwikkeld en dat dit een gemiste kans is waar dringend iets aan moet worden gedaan;

26.  pleit voor beleidsmaatregelen die collectieve onderhandelingen en de reikwijdte ervan eerbiedigen en bevorderen, zodat zoveel mogelijk werknemers worden bereikt en er daarnaast ook betere loonondergrenzen in de vorm van minimumlonen worden vastgesteld op een fatsoenlijk niveau en met de betrokkenheid van de sociale partners – dit alles met de bedoeling een einde te maken aan de concurrerende loonnivellering naar beneden, de geaggregeerde vraag en het economisch herstel te ondersteunen, de loonongelijkheid terug te dringen en de armoede onder werkenden te bestrijden;

27.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat mensen met tijdelijke of parttimecontracten of zelfstandigen een gelijke behandeling genieten – ook wat betreft ontslag en loon – en dat zij voldoende sociale bescherming en toegang tot opleiding krijgen, alsook dat de nodige randvoorwaarden worden gecreëerd opdat zij een loopbaan kunnen uitbouwen; verzoekt de lidstaten om de raamovereenkomsten inzake parttimewerk en banen van bepaalde duur ten uitvoer te leggen en de richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep daadwerkelijk te doen naleven;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om vluchtelingen te helpen zich te vestigen en te integreren, en verzoekt tevens ervoor te zorgen dat openbare diensten over voldoende middelen beschikken en dat tijdig wordt geanticipeerd op de voorwaarden die nodig zijn om hun integratie te vergemakkelijken;

29.  betreurt dat het percentage van mensen die bedreigd worden door armoede en sociale uitsluiting hoog blijft; wijst erop dat een hoge mate van ongelijkheid en armoede invloed heeft op sociale samenhang en bovendien hinderlijk is voor sociale en politieke stabiliteit; betreurt dat beleidsmaatregelen om dit doeltreffend aan te pakken niet ambitieus genoeg zijn om voldoende economische effecten te kunnen sorteren; vraagt de lidstaten een versnelling hoger te schakelen voor het behalen van het Europa 2020-streefcijfer om het aantal mensen dat door armoede wordt bedreigd met ten minste 20 miljoen te verminderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de terugdringing van ongelijkheid tot prioriteit te verheffen; vraagt betere ondersteuning en erkenning van de werkzaamheden van ngo's, organisaties voor armoedebestrijding en organisaties van mensen in armoede, zodat zij worden aangemoedigd om deel te nemen aan de uitwisseling van goede praktijken;

30.  uit zijn bezorgdheid over de lage arbeidsparticipatie van etnische minderheden, met name de Roma; dringt aan op de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG; beklemtoont dat het nodig is de rol te versterken die gespecialiseerde ngo's vervullen bij het bevorderen van hun participatie op de arbeidsmarkt en bij het ondersteunen van de inschrijving van kinderen in scholen, maar ook bij het voorkomen dat zij de school voortijdig verlaten, zodat de armoedecyclus wordt doorbroken;

31.  acht het van belang de investeringskloof te dichten om duurzame groei te kunnen genereren zonder de economische en sociale duurzaamheid van de lidstaten op het spel te zetten; vestigt in dit verband de aandacht op het opkomende verschijnsel van het waarborgen van begrotingsconsolidatie, hetgeen van essentieel belang is om het Europese sociale model dat zo kenmerkend is voor de EU te kunnen voortzetten;

32.  betreurt dat de recentste aanbevelingen van de Commissie zijn voorbijgegaan aan de vraag van het Parlement om de toepassing van artikel 349 VWEU te versterken, namelijk door gedifferentieerde maatregelen en programma's vast te stellen om asymmetrieën te verminderen en de sociale cohesie in de EU te maximaliseren; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan om specifieke investeringsprogramma's te ontwikkelen voor hun subregio's waar de werkloosheid meer dan 30 % bedraagt; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de lidstaten en de Europese regio's, met name de ultraperifere regio's, te helpen bij het ontwikkelen en financieren van de investeringsprogramma's in het kader van het MFK;

33.  beseft dat de Europese arbeidsmarkt zich in een kwetsbare situatie blijft bevinden, met aan de ene kant het probleem van de nog altijd hoge werkloosheidscijfers waarvoor geen oplossing wordt gevonden, en aan de andere kant de vraag van bedrijven naar geschoolde en geschikte arbeidskrachten; verzoekt de Commissie samenwerkingsvormen op het niveau van de lidstaten te bevorderen waarbij overheden, bedrijven – met inbegrip van bedrijven uit de sociale economie – onderwijsinstellingen, geïndividualiseerde ondersteuningsdiensten, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners betrokken zijn, op basis van de uitwisseling van beste praktijken en met het oog op de aanpassing van de onderwijs- en opleidingssystemen van de lidstaten om het aanbod van en de vraag naar vaardigheden beter op elkaar te laten aansluiten, zodat wordt beantwoord aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

34.  beklemtoont dat onderwijs een grondrecht is dat moet worden gegarandeerd voor alle kinderen en dat ongelijkheid in de beschikbaarheid en kwaliteit van het onderwijs moet worden aangepakt om alle kinderen de kans te bieden op een onderwijsloopbaan en het aantal vroegtijdige schoolverlaters te verminderen; benadrukt dat de afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en op het banenaanbod kan bijdragen tot de totstandbrenging van een inclusieve arbeidsmarkt in de EU; is van mening dat begeleiding en advisering met aandacht voor de individuele behoeften en gericht op de ontwikkeling en uitbreiding van individuele vaardigheden al vanaf een vroeg stadium kernelementen moeten zijn van het beleid inzake onderwijs en vaardigheden in de vorming van ieder individu; verzoekt de lidstaten onderwijs en opleiding beter af te stemmen op behoeften van de arbeidsmarkt over de hele EU; onderstreept dat het belangrijk is de verschillende werkgelegenheidssituaties in de lidstaten te evalueren om de eigen kenmerken en bijzonderheden ervan te waarborgen;

35.  is zich ervan bewust dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de digitalisering van de Europese industrie belangrijke uitdagingen vormen voor de EU; beklemtoont dat de productiemodellen van de EU en de lidstaten, geschraagd door hun onderwijsmodellen, moeten worden gericht op sectoren met een hoge productiviteit, met name sectoren die verband houden met ICT en digitalisering, teneinde de mondiale concurrentiekracht van de EU te verbeteren;

36.  onderstreept dat ontoereikende en niet naar behoren afgestemde investeringen in onderwijs op het gebied van digitale vaardigheden, waaronder programmeervakken en STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), de concurrentiepositie van Europa, de beschikbaarheid van een goed opgeleide beroepsbevolking en de inzetbaarheid van die beroepsbevolking ondermijnen; is van oordeel dat een betere afstemming tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en een betere wederzijdse erkenning van kwalificaties gunstig zullen zijn om de kloof te dichten wat betreft het tekort aan vaardigheden en de slechte afstemming tussen vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt, alsook gunstig zullen zijn voor werkzoekenden, met name jongeren; verzoekt de lidstaten om voorrang te geven aan uitgebreide opleiding, voor mensen van alle leeftijden, in digitale vaardigheden, programmeren en vaardigheden waar veel vraag naar is bij werkgevers, terwijl tegelijkertijd ook hoge normen in stand worden gehouden voor het traditionele onderwijs, en om in de context van bijscholing en omscholing – hetgeen niet beperkt mag blijven tot kennis vanuit het perspectief van de gebruiker – rekening te houden met de verschuiving naar een digitale economie;

37.  stelt vast dat er in vele lidstaten grotere inspanningen nodig zijn om de beroepsbevolking op te leiden, onder meer via mogelijkheden voor volwassenenonderwijs en beroepsopleiding; wijst op het belang van een leven lang leren, ook voor oudere werknemers, om vaardigheden te kunnen afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt; pleit ervoor STEM-vakken sterker aan te prijzen bij vrouwen en meisjes om bestaande onderwijsstereotypen aan te pakken en de reeds lang bestaande kloven op het gebied van arbeidsparticipatie, loon en pensioen te bestrijden;

38.  erkent de waarde van nieuwe technologieën en het belang van digitale geletterdheid voor het persoonlijke leven van het individu en diens succesvolle integratie op de arbeidsmarkt; stelt daarom voor dat de lidstaten hun investeringen in een betere ICT‑infrastructuur en een betere connectiviteit in onderwijsinstellingen opvoeren en effectieve strategieën ontwikkelen om het potentieel van ICT ter ondersteuning van informeel leren bij volwassenen te benutten en hun formele en niet-formele onderwijsmogelijkheden te verbeteren;

39.  is verheugd over de bijdrage van Erasmus+ aan de bevordering van de mobiliteit en de culturele uitwisselingen binnen de EU en met derde landen; vraagt dat de Europese instrumenten voor transparantie, mobiliteit en de erkenning van vaardigheden en kwalificaties meer worden aangeprezen en beter worden gebruikt om mobiliteit op het vlak van leren en werken te faciliteren; stelt opnieuw dat moet worden gezorgd voor mobiliteitsmogelijkheden voor beroepsopleidingen, kansarme jongeren en mensen die onder verschillende vormen van discriminatie te lijden hebben;

40.  is ingenomen met het nieuwe beleids- en investeringskader dat door de Overeenkomst van Parijs wordt verschaft, en dat zal bijdragen tot het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in de koolstofarme en de lage-emissiesectoren;

41.  verzoekt de Commissie te benadrukken hoe belangrijk het is de fysische en digitale obstakels en belemmeringen waarmee mensen met een handicap in de lidstaten nog altijd worden geconfronteerd zoveel mogelijk weg te werken;

42.  is ingenomen met de uitdrukkelijke vermelding van kinderopvang, huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs in verband met de verbetering van de toegang tot kwaliteitsvolle dienstverlening;

43.  herinnert eraan dat het vrije verkeer van werknemers een grondbeginsel is van het Verdrag; is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 wordt benadrukt hoe belangrijk het is sociale rechtvaardigheid te garanderen via een eerlijke samenwerking tussen de verschillende instellingen van de lidstaten; verzoekt de lidstaten derhalve arbeidsinspecties of andere relevante overheidsorganen te voorzien van passende middelen, en tevens de grensoverschrijdende samenwerking tussen inspectiediensten te verbeteren en de elektronische gegevensuitwisseling te bevorderen, teneinde de controles die zijn bedoeld voor de bestrijding en preventie van sociale fraude en zwartwerk doeltreffender te maken;

44.  onderstreept dat de binnenlandse vraag moet worden aangezwengeld door investeringen van de overheid en de particuliere sector te bevorderen, door sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen te stimuleren die de ongelijkheid verminderen en kwaliteitsvolle en duurzame werkgelegenheid, duurzame groei en sociale investeringen, alsook verantwoorde consolidatie van de overheidsfinanciën bevorderen, en op die manier een gunstig traject naar een klimaat van grotere cohesie en opwaartse sociale convergentie versterken ten behoeve van het bedrijfsleven en de overheidsdiensten; benadrukt de belangrijke rol van investeringen in menselijk kapitaal als gemeenschappelijke strategie; beklemtoont tevens dat het economische beleid van de Unie een nieuwe oriëntatie moet krijgen in de richting van een sociale markteconomie;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te treffen om voor digitale werknemers dezelfde rechten en hetzelfde niveau van sociale bescherming te waarborgen als voor gelijkaardige werknemers in de betrokken sector;

46.  merkt op dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, die meer dan 90 % vertegenwoordigen van alle ondernemingen in Europa en de motor zijn van de Europese economie, alsook de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening en ondernemingen in de sociale en de solidaire economie op doeltreffende wijze bijdragen aan duurzame en inclusieve ontwikkeling en het scheppen van kwaliteitsvolle banen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het beleidsvormingsproces meer rekening te houden met de belangen van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen door de kmo-test toe te passen in het hele wetgevingsproces, volgens het "denk eerst klein"-principe, en om bestaande vormen van financiële steun voor micro-ondernemingen aan te prijzen, zoals het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); is van mening dat het uiterst belangrijk is de administratieve lasten voor deze ondernemingen te verlichten en onnodige wetgeving te schrappen zonder de arbeids- en sociale rechten op de helling te zetten; beklemtoont dat ondernemers die in eerste instantie hebben gefaald een tweede kans verdienen indien ze geen fraude hebben gepleegd en de rechten van de werknemers hebben geëerbiedigd;

47.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economie kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is derhalve van mening dat onderwijs in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moet hebben en onder meer onderwerpen moet behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, met het oog op de totstandbrenging van een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

48.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan te onderzoeken hoe de productiviteit kan worden verhoogd door te investeren in menselijk kapitaal, rekening houdend met het feit dat de competentste, best geïntegreerde en meest tevreden werknemers beter kunnen inspelen op de vragen en uitdagingen van bedrijven en diensten;

49.  spoort de lidstaten aan vooral aandacht te schenken aan het statuut van zelfstandige ondernemers om ervoor te zorgen dat zij beschikken over passende sociale bescherming wat betreft ziekte-, ongevallen- en werkloosheidsverzekering en pensioenrechten;

50.  herinnert eraan dat het belangrijk is een echte cultuur van ondernemerschap tot stand te brengen die jongeren vanaf jonge leeftijd stimuleert; vraagt de lidstaten daarom hun onderwijs- en opleidingsprogramma's aan dit beginsel aan te passen; waarschuwt de lidstaten dat er prikkels voor ondernemerschap moeten worden ingesteld, met name via de toepassing van fiscale regels en de beperking van administratieve lasten; verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten maatregelen te treffen, teneinde betere informatie te verstrekken over alle Europese fondsen en programma's die het ondernemerschap, investeringen en de toegang tot financiering kunnen aanwakkeren, zoals Erasmus voor jonge ondernemers;

51.  beklemtoont de hefboomwerking van de EU-begroting op de nationale begrotingen; benadrukt de aanvullende rol die de EU-begroting speelt bij het verwezenlijken van de in de jaarlijkse groeianalyse 2017 vermelde doelstellingen van de Unie in het kader van het sociale beleid, gericht op het creëren van meer en betere banen in de hele EU;

52.  is bezorgd over de vertraging die tijdens de huidige programmeringsperiode is opgelopen bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma's; stelt vast dat in september 2016 slechts 65 % van de bevoegde nationale autoriteiten was aangewezen en verzoekt de lidstaten actiever gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om in te spelen op sociale en werkgelegenheidsprioriteiten en de tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen die met name en op inclusieve wijze sociale en werkgelegenheidsaangelegenheden behandelen, te ondersteunen; benadrukt echter ook dat deze fondsen niet uitsluitend mogen worden gebruikt voor de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen, aangezien er dan mogelijk andere belangrijke investeringsgebieden worden uitgesloten; wijst er uitdrukkelijk op dat verdere inspanningen moeten worden gedaan om procedures te vereenvoudigen, met name in het geval van horizontale en sectorale financiële regels, en belemmeringen weg te werken die maatschappelijke organisaties de toegang tot financiering beletten;

53.  wijst erop dat de economische groei in de EU en de eurozone bescheiden blijft; beklemtoont dat er investeringen nodig zijn in onderzoek, innovatie en onderwijs; merkt op dat er in de EU-begroting 2017 voor 21 312,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten is toegewezen aan concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid via programma's als Horizon 2020, Cosme en Erasmus+;

54.  wijst erop dat Europese fondsen en programma's zoals Erasmus voor ondernemers, het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening (Eures), het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme), het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) het potentieel in zich dragen toegang tot financiering te vergemakkelijken en investeringen, en bijgevolg ook ondernemerschap, te stimuleren; herinnert aan het belang van het partnerschapsbeginsel, het additionaliteitsbeginsel, de bottom-upbenadering, een passende toewijzing van middelen en een goed evenwicht tussen rapportageverplichtingen en gegevensverzameling bij degenen die van de fondsen gebruikmaken; vraagt de Commissie te zorgen voor nauw toezicht op het gebruik van EU-middelen om de doeltreffendheid te vergroten; verzoekt de Commissie landspecifieke aanbevelingen te verstrekken over de tenuitvoerlegging van EU-fondsen om het bereik en de doeltreffendheid van het sociale beleid en het actieve arbeidsmarktbeleid op nationaal niveau te vergroten;

55.  is ingenomen met de toekenning in 2017 van nog eens 500 miljoen EUR bovenop de ontwerpbegroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van 200 miljoen EUR voor het stimuleren van belangrijke initiatieven voor groei en banencreatie; herinnert eraan dat beter gebruik moet worden gemaakt van de beschikbare middelen en initiatieven met betrekking tot onderwijs en opleiding, cultuur, sport en jeugd, en dat, waar nodig, meer in deze sectoren moet worden geïnvesteerd, in het bijzonder in de thematische gebieden die van rechtstreeks belang zijn voor de Europa 2020-strategie, zoals vroegtijdig schoolverlaten, hoger onderwijs, werkgelegenheid voor jongeren, beroepsonderwijs en -opleiding, een leven lang leren en mobiliteit, om veerkracht op te bouwen en werkloosheid terug te dringen, vooral bij jongeren en de kwetsbaarste groepen, om radicalisering te voorkomen en sociale inclusie op de lange termijn te garanderen;

56.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het EFSI uit te breiden en het bedrag ervan tegen 2022 te verdubbelen tot 630 miljard EUR, en tegelijkertijd het geografische en sectorale bereik ervan te verbeteren; wijst erop dat het EFSI tot dusver geen erg succesvol middel is gebleken om te zorgen voor een betere sociale en economische convergentie tussen lidstaten en hun regio's binnen de Unie en er evenmin in is geslaagd om zich te richten op sociale infrastructuur; wijst er nogmaals op dat de meeste projecten worden goedgekeurd in de economisch gezondere regio's van West‑Europa, waardoor de investeringskloof tussen de lidstaten nog dieper wordt en de onevenwichtigheden binnen de Unie worden versterkt; vraagt de Commissie de zwakkere regio's te helpen met de aanvraagprocedure maar niets te wijzigen aan het uitgangspunt dat projecten uitsluitend op basis van kwaliteit worden geselecteerd; verzoekt de Commissie dringend steun te verlenen aan de mogelijkheid om sociale ondernemingen toegang te verlenen tot het EFSI; verzoekt de Commissie en de Europese Investeringsbank bijkomende en proactieve stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten en sectoren op passende wijze worden benaderd om toegang te krijgen tot het EFSI, met name wanneer rechtstreeks wordt bijgedragen aan de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; beklemtoont dat de administratieve capaciteit, zoals de investeringsadvieshub, moet worden versterkt; betreurt dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de banen die naar verwachting zullen worden gecreëerd als gevolg van EFSI-investeringen; verzoekt de Commissie toezicht te houden en controle uit te oefenen op investeringen in het kader van het EFSI en de economische en sociale effecten van deze investeringen te meten, en verzoekt tevens ervoor te zorgen dat er geen overlappingen zijn tussen het EFSI en bestaande financiële programma's en te voorkomen dat het EFSI ter vervanging dient van rechtstreekse overheidsuitgaven; herhaalt zijn oproep met betrekking tot investeringen in menselijk en sociaal kapitaal, zoals gezondheidszorg, kinderopvang en betaalbare huisvesting;

57.  wijst erop dat de ultraperifere gebieden worden geconfronteerd met een reeks structurele beperkingen, die door hun blijvend karakter en in onderlinge combinatie een grote rem zetten op de ontwikkeling van deze gebieden; verzoekt de Commissie om de toepassing van artikel 349 VWEU te verdedigen;

58.  beklemtoont dat de Commissie en de lidstaten zich sterker moeten inzetten om artikel 174 VWEU toe te passen; onderstreept dat een grotere territoriale cohesie een grotere economische en sociale cohesie vereist, en dringt daarom aan op strategische investeringen in die regio's, met name in een breedbandnetwerk, om hun concurrentievermogen te vergroten, hun industriële weefsel en territoriale structuur te verbeteren en, ten slotte, hun bevolking op peil te houden;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alle regeringsniveaus en relevante partijen te betrekken bij het aanwijzen van investeringsbelemmeringen, waarbij de aandacht in eerste instantie uitgaat naar de regio's en sectoren waar de nood het hoogst is en er daarnaast ook passende instrumenten ter beschikking worden gesteld die een combinatie vormen van openbare en particulier financiering;

60.  verzoekt de Commissie beleidsmaatregelen in te voeren om de demografische neergang en de spreiding van de bevolking tegen te gaan; onderstreept dat het een van de prioriteiten van het cohesiebeleid van de EU moet zijn om aandacht te besteden aan regio's die te kampen hebben met een demografische neergang;

61.  benadrukt dat de universele toegang tot officiële, solidaire en adequate pensioenen en ouderdomspensioenen moet worden gegarandeerd voor iedereen; erkent de uitdagingen voor de lidstaten om de pensioenstelsels duurzamer te maken, maar benadrukt dat het belangrijk is solidariteit binnen de pensioenstelsels te waarborgen door de ontvangstenzijde te versterken zonder noodzakelijkerwijs de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken; benadrukt het belang van officiële en bedrijfspensioenregelingen die voorzien in een adequaat pensioeninkomen dat ruim boven de armoedegrens ligt en waarmee gepensioneerden hun levensstandaard kunnen handhaven; is van mening dat de beste manier om te zorgen voor duurzame, zekere en toereikende pensioenen voor vrouwen en mannen erin bestaat de totale arbeidsparticipatie en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te verhogen, de arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden te verbeteren en de nodige aanvullende overheidsuitgaven in de begroting op te nemen; is van mening dat hervormingen van het pensioenstelsel onder meer gericht moeten zijn op de effectieve pensioenleeftijd en moeten inspelen op de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de gezondheids- en welvaartsituatie, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio; is van mening dat deze hervormingen ook rekening moeten houden met de situatie van miljoenen werkenden in Europa, met name van vrouwen, jongeren en zelfstandigen, die worden geconfronteerd met onzeker en atypisch werk, perioden van onvrijwillige werkloosheid en verminderde arbeidsduur;

62.  wijst de lidstaten op de noodzaak, gezien de vergrijzing van de Europese bevolking en de daaruit volgende stijgende behoeften met betrekking tot informele en formele zorgverlening, om te investeren in de bevordering van volksgezondheid en ziektepreventie en tegelijkertijd de houdbaarheid, veiligheid, toereikendheid en doelmatigheid van socialebeschermingsstelsels en de verlening van kwaliteitsvolle langdurige sociale diensten voor de komende decennia te garanderen; spoort de lidstaten daarom aan strategieën te ontwikkelen om te zorgen voor toereikende financiering, voldoende personeel en passende ontwikkeling voor deze stelsels en diensten en de dekking van de socialezekerheidsstelsels uit te breiden ten gunste van de samenleving en het individu; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de sociale partners vooral op aan om:

   een hogere arbeidsparticipatie voor alle leeftijdsgroepen aan te moedigen;
   werk te maken van een beperking van gendersegregatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen;
   arbeidsmarkten aan te passen voor oudere werknemers met behulp van leeftijdsvriendelijke arbeidsvoorwaarden die hen in staat stellen tot aan de wettelijke pensioenleeftijd te blijven werken;
   leeftijdsstereotypen op de arbeidsmarkt te bestrijden;
   te zorgen voor een levensloopbenadering en een preventieve aanpak van gezondheid en veiligheid op het werk;
   aandacht te besteden aan de balans tussen werk en privéleven van personen met zorgtaken via passende zorg- en verlofstelsels en door steun te geven aan niet-officiële verzorgers;
   werkgevers, met name kmo's, te ondersteunen en te informeren over manieren waarop zij de werkomgeving dusdanig kunnen verbeteren dat werknemers van alle leeftijden productief blijven;
   arbeidsbemiddelingsdiensten van de overheid te ondersteunen, zodat die oudere werkzoekenden zinvolle bijstand kunnen verlenen;
   investeringen te doen en in stimulansen te voorzien met betrekking tot een leven lang leren voor werknemers van alle leeftijden, zowel op het werk als daarbuiten, en systemen uit te werken voor de validatie en certificering van vaardigheden;
   oudere werknemers te helpen langer actief te blijven en zich voor te bereiden op hun pensioen aan de hand van door de werknemer aangestuurde flexibele arbeidsvoorwaarden die hen in staat stellen minder uren te werken tijdens de overgang van werk naar pensioen;

63.  onderstreept dat de Commissie naast toezicht op de evolutie van de huizenprijzen in de lidstaten ook toezicht moet houden op ontwikkelingen op het gebied van dakloosheid en uitsluiting van de woningmarkt; pleit voor dringende maatregelen om het stijgend aantal gevallen van dakloosheid en uitsluiting van de woningmarkt in tal van lidstaten aan te pakken; is bezorgd over de mogelijke sociale gevolgen van het hoge volume aan noodlijdende kredieten op de balansen van banken, en vooral over de verklaring van de Commissie dat verkoop aan gespecialiseerde niet-bancaire instellingen moet worden aangemoedigd, hetgeen zou kunnen leiden tot een golf van huisuitzettingen; spoort de lidstaten, de Commissie en de EIB aan het EFSI te gebruiken voor sociale infrastructuur, onder meer om het recht op toereikende, betaalbare huisvesting voor iedereen te doen gelden;

64.  stelt met bezorgdheid vast dat de lonen in sommige lidstaten ontoereikend zijn om een fatsoenlijk leven te kunnen leiden, waardoor werknemers "werkende armen" worden en werklozen ontmoedigd raken om terug te keren naar de arbeidsmarkt; is in dit opzicht voorstander van de bevordering van collectieve onderhandelingen;

65.  spoort de lidstaten aan de nodige maatregelen toe te passen voor de sociale inclusie van vluchtelingen en van mensen die tot een etnische minderheid behoren of een migratieachtergrond hebben;

66.  is verheugd dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 wordt benadrukt dat belastingen en uitkeringen moeten worden hervormd met als doel de stimulansen om te gaan werken te verbeteren en werk lonend te maken, aangezien belastingstelsels eveneens kunnen bijdragen aan de bestrijding van inkomensongelijkheid en armoede en aan een grotere concurrentiekracht op mondiaal niveau; verzoekt de lidstaten gaandeweg over te schakelen van belasting op arbeid naar belasting op andere bronnen;

67.  dringt aan op hervormingen in de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg, zodat de aandacht wordt toegespitst op de ontwikkeling van gezondheidsbevordering en ziektepreventie, de instandhouding van kwaliteitsvolle, universeel toegankelijke gezondheidszorg en het terugdringen van ongelijkheid in de toegang tot gezondheidszorg;

68.  vraagt de Commissie en de lidstaten samen te werken om de belemmeringen op het vlak van arbeidsmobiliteit weg te nemen, zodat mobiele werknemers uit de EU op dezelfde wijze worden behandeld als niet-mobiele werknemers;

69.  verzoekt de lidstaten om het bereik, de efficiëntie en de effectiviteit van een actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid te vergroten, in nauwe samenwerking met de sociale partners; is verheugd dat er in de jaarlijkse groeianalyse 2017 voor wordt gepleit meer inspanningen te leveren om maatregelen uit te werken ter ondersteuning van de inclusie van kansarme groepen, met name mensen met een handicap, op de arbeidsmarkt, met het oog op de positieve economische en sociale langetermijneffecten daarvan;

70.  verzoekt de lidstaten ambitieuze sociale normen vast te stellen op basis van hun eigen landspecifieke aanbevelingen en in overeenstemming met hun nationale bevoegdheid en hun financiële en fiscale situatie, voornamelijk door adequate regelingen voor een minimuminkomen voor de gehele levensduur in te voeren waar deze nog niet bestaan en door de gaten in adequate regelingen voor een minimuminkomen te dichten die zijn veroorzaakt door onvoldoende dekking of gebruik;

71.  juicht het initiatief van de Commissie toe om raadplegingen te houden over het oprichten van een Europese pijler van sociale rechten; is van mening dat dit initiatief de aanzet moet kunnen geven tot de ontwikkeling van flexibelere vaardigheden en competenties, acties gericht op een leven lang leren en actieve ondersteuning van kwaliteitsvolle werkgelegenheid;

72.  herhaalt het aan de Commissie gerichte verzoek in het recentste advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken om bij de opstelling van landspecifieke aanbevelingen de invoering van een procedure voor sociale onevenwichtigheden te overwegen ter voorkoming van een nivellering naar beneden op het gebied van normen, uitgaande van het doeltreffende gebruik van sociale en werkgelegenheidsindicatoren in het kader van het macro-economisch toezicht;

73.  verzoekt de lidstaten meer nadruk te leggen op het doorbreken van de armoedecyclus en het bevorderen van gelijkheid; verzoekt de Commissie sterkere aanbevelingen te verstrekken aan de lidstaten betreffende sociale inclusie en bescherming, daarbij ook verder te kijken dan de beroepsbevolking en met name te investeren in kinderen;

74.  is verheugd dat de sociale partners, de nationale parlementen en andere belanghebbende partijen uit het maatschappelijk middenveld worden betrokken bij het proces van het Europees semester; wijst er nogmaals op dat sociale dialoog en dialoog met het maatschappelijk middenveld essentieel zijn om de doeltreffendheid en toereikendheid van het Europees en nationaal beleid te verbeteren en om die reden in alle fasen van het Europees semester moeten worden nagestreefd; benadrukt dat de betrokkenheid van deze partijen doeltreffender moet worden gemaakt door te zorgen voor een bruikbaar tijdschema, toegang tot documenten en dialoog met gesprekspartners op het passende niveau;

75.  herinnert aan de verschillende verzoeken om een agenda waarin de positie van het Parlement wordt versterkt en in aanmerking wordt genomen voordat de Raad een besluit neemt; vraagt voorts dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, gezien haar specifieke bevoegdheden, op gelijke voet komt te staan met de Commissie economische en monetaire zaken wanneer het Europees Parlement wordt verzocht advies te geven over de verschillende fasen van het Europees semester;

76.  is van mening dat er een sociale conventie van de EU moet worden bijeengeroepen in het kader waarvan vertegenwoordigers van de sociale partners, de nationale regeringen en parlementen en de EU-instellingen met participatie van het publiek over de toekomst en de structuur van het Europees sociaal model debatteren;

77.  dringt er eens te meer op aan dat de Raad Epsco in het Europees semester een sterkere rol krijgt toebedeeld;

78.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0355.
(2) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.
(3) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0416.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0297.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.
(7) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 83.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0033.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0389.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(14) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 19.
(15) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 19.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.
(17) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(18) http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_03/SR15_03_NL.pdf
(19) https://www.eurofound.europa.eu/nl/surveys/european-working-conditions-surveys
(20) https://www.eurofound.europa.eu/nl/young-people-and-neets-1
(21) Zie het verslag van Eurofound over jeugdwerkloosheid.
(22) Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2016, blz. 2.
(23) OESO-verslag "In It Together: Why Less Inequality Benefits All" (In hetzelfde schuitje: waarom minder ongelijkheid ons allen ten goede komt), 2015.
(24) IMF-verslag "Causes and Consequences of Income Inequality" (Oorzaken en gevolgen van inkomensongelijkheid), juni 2015.


Governance van de interne markt binnen het Europees semester 2017
PDF 187kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over het Jaarverslag over de governance van de interne markt binnen het Europees semester (2016/2248(INI))
P8_TA(2017)0040A8-0016/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2016(1), en het antwoord van de Commissie daarop van 27 april 2016,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(2), en het antwoord van de Commissie daarop van 3 juni 2015,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2014(3), en het antwoord van de Commissie daarop van 28 mei 2014,

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de governance van de interne markt(4), en het antwoord van de Commissie daarop van 8 mei 2013,

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over non-tarifaire belemmeringen in de interne markt(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2015 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2016 - Het herstel versterken en de convergentie bevorderen" (COM(2015)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 over de jaarlijkse groeianalyse 2017 (COM(2016)0725),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550) en het verslag getiteld "Integratie van de interne markt en concurrentiekracht in de EU en de lidstaten" (SWD(2015)0203),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2012 getiteld "Betere governance van de interne markt" (COM(2012)0259),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2012 over de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn (COM(2012)0261), als geactualiseerd in oktober 2015,

–  gezien de studie van september 2014 getiteld "De kosten van non-beleid van de EU op het gebied van de interne markt", uitgevoerd in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien de studie van september 2014 getiteld "Indicatoren voor het meten van de prestaties van de eengemaakte markt – Ontwikkeling van de internemarktpijler van het Europees semester", uitgevoerd in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–  gezien de studie van september 2014 getiteld "De bijdrage van de interne markt en consumentenbescherming aan groei", uitgevoerd in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–  gezien de in juli 2016 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 maart 2016,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2016,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0016/2017),

A.  overwegende dat een diepere en eerlijkere interne markt een voorwaarde is voor het scheppen van nieuwe banen, het bevorderen van de productiviteit en het creëren van een aantrekkelijk klimaat voor investeringen en innovatie alsook een consumentenvriendelijke omgeving;

B.  overwegende dat dit een hernieuwde focus vereist in heel Europa, met inbegrip van de tijdige voltooiing en uitvoering van verschillende strategieën voor de interne markt, met name de strategie voor een digitale interne markt;

C.  overwegende dat deze hernieuwde focus ook de gevolgen van de brexit moet omvatten, onder meer met betrekking tot het vrij verkeer van goederen en diensten, het recht van vestiging, de douane-unie en het acquis betreffende de interne markt in het algemeen;

D.  overwegende dat de EU na de economische crisis die in 2008 begon nog altijd te maken heeft met stagnatie en een traag economisch herstel, een hoog niveau van werkloosheid en sociale kwetsbaarheden; overwegende dat echter een positievere toon werd aangeslagen met het motto "Het herstel versterken en de convergentie bevorderen" van de Jaarlijkse groeianalyse 2016;

E.  overwegende dat in de jaarlijkse groeianalyse 2017 wordt gewezen op de noodzaak om een inclusief economisch herstel te verwezenlijken waarin de sociale dimensie van de interne markt tot uiting komt, en overwegende dat in de analyse van 2017 ook wordt benadrukt dat Europa krachtig moet investeren in jongeren en werkzoekenden, alsmede in starters en kmo's;

F.  overwegende dat de werkloosheid, ondanks het economische herstel, veel te hoog blijft in veel delen van Europa en dat de langdurige periode van grote werkloosheid in tal van lidstaten haar tol eist op sociaal vlak;

G.  overwegende dat het Europees Semester tot doel heeft de coördinatie van het economisch en fiscaal beleid binnen de EU te verbeteren om de stabiliteit te vergroten, de groei en werkgelegenheid te bevorderen en het concurrentievermogen te versterken in overeenstemming met de doelstellingen van sociale rechtvaardigheid en bescherming van de kwetsbaarsten in de samenleving; overwegende dat deze doelstelling niet is bereikt;

H.  overwegende dat de interne markt een van de hoekstenen en een van de belangrijkste verworvenheden van de EU is; overwegende dat het Europees Semester alleen kan bijdragen aan economische groei en stabielere economieën door ook de interne markt en het beleid voor voltooiing daarvan te omvatten;

Versterking van de internemarktpijler van het Europees Semester

1.  herinnert eraan dat de interne markt een van de fundamenten van de EU is en de ruggengraat vormt van de economieën van de lidstaten en van het Europese integratieproject in zijn geheel; stelt vast dat de interne markt nog steeds gefragmenteerd is en onvoldoende ten uitvoer is gelegd, en een enorm potentieel heeft voor groei, innovatie en werkgelegenheid; benadrukt dat de interne markt van essentieel belang is voor een succesvol economisch herstel, het stimuleren van convergentie en het steunen van investeringen in jongeren en werkzoekenden alsook in startende bedrijven en kmo's; roept de Commissie op te zorgen voor de voltooiing van alle dimensies van de interne markt, waaronder goederen, diensten, kapitaal, arbeid, energie, vervoer en de digitale sector;

2.  roept nogmaals op tot de invoering van een sterke internemarktpijler met een sociale dimensie binnen het Europees Semester, met een systeem van regelmatige controle en de vaststelling van landenspecifieke belemmeringen voor de interne markt die de laatste tijd de neiging hebben frequenter en met een grotere impact en omvang in de lidstaten te worden ingevoerd; roept op tot een grondige evaluatie van de integratie en het interne concurrentievermogen van de interne markt; benadrukt dat de evaluatie van de situatie met betrekking tot de integratie van de interne markt een integraal deel moet gaan uitmaken van het kader voor economische governance;

3.  herinnert eraan dat het Europees Semester in 2010 is ingevoerd met als doel om de lidstaten in staat te stellen hun economische en budgettaire planning in de loop van het jaar op specifieke momenten te bespreken met hun partners binnen de EU, zodat ze elkaars plannen kunnen becommentariëren en de vooruitgang gezamenlijk kunnen beoordelen; benadrukt dat de nadruk moet blijven liggen op sociale prestaties alsook op de bevordering van opwaartse economische en sociale convergentie;

4.  benadrukt dat de internemarktpijler binnen het Europees Semester het mogelijk moet maken om vast te stellen welke terreinen, met betrekking tot alle dimensies van de interne markt, het meeste potentieel bieden voor het verwezenlijken van groei en werkgelegenheid; benadrukt verder dat deze pijler ook moet dienen als benchmark voor het streven naar structurele hervormingen in de lidstaten;

5.  benadrukt dat de internemarktpijler binnen het Europees Semester een regelmatige evaluatie mogelijk zou maken van de governance van de interne markt middels systematische controles van nationale wetgeving en instrumenten voor gegevensanalyse voor het vaststellen van niet-naleving, het verbeteren van het toezicht op de wetgeving inzake de interne markt, waardoor de instellingen over de nodige informatie kunnen beschikken om het regelgevingskader voor de interne markt te herzien, in te voeren, toe te passen en te handhaven, met concrete resultaten voor de burgers;

6.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om ervoor te zorgen dat de voordelen van de globalisering en technologische veranderingen eerlijk worden verdeeld over verschillende groepen in de samenleving, met name onder jongeren; roept op tot bewustmaking op alle niveaus omtrent de impact van beleid en hervormingen op de inkomensverdeling, waarbij gelijkheid, rechtvaardigheid en inclusiviteit worden gewaarborgd;

7.  is met betrekking tot nationale maatregelen of implementatie op nationaal niveau van mening dat vroegtijdig ingrijpen doeltreffender kan zijn en dat er sneller resultaten mee kunnen worden geboekt dan met inbreukprocedures; onderstreept evenwel dat indien vroegtijdig ingrijpen geen resultaat oplevert de Commissie alle haar ter beschikking staande middelen, inclusief inbreukprocedures, moet inzetten om te garanderen dat de internemarktwetgeving volledig ten uitvoer wordt gelegd;

8.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om ten volle rekening te houden met de voornaamste gebieden van groei en werkgelegenheid voor de opbouw van een op de 21ste eeuw gerichte Europese interne markt, zoals die in een eerder stadium door de Commissie zijn aangewezen en nader zijn gedefinieerd in de studie van september 2014 getiteld "De kosten van een niet-verenigd Europa voor de interne markt", en die onder meer diensten, de digitale interne markt en met name elektronische handel, het consumentenacquis, overheidsopdrachten en concessies en het vrije verkeer van goederen omvatten;

9.  dringt er bij de Commissie op aan systematisch toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en handhaving van de regels inzake de interne markt door middel van de landenspecifieke aanbevelingen (lsa's), in het bijzonder wanneer die regels een bijdrage tot structurele hervormingen leveren, en wijst in dit verband op het belang van de nieuwe benadering die de Commissie hanteert, waarbij sociale rechtvaardigheid wordt benadrukt; verzoekt de Commissie aan het Parlement verslag uit te brengen van de door de lidstaten gemaakte vorderingen met de tenuitvoerlegging van de lsa's met betrekking tot de werking van de interne markt en de integratie van product-, goederen- en dienstenmarkten, als onderdeel van de jaarlijkse groeianalyse;

10.  herinnert eraan dat de algehele tenuitvoerlegging van de belangrijkste in de lsa's uiteengezette hervormingen op sommige terreinen nog steeds teleurstellend is en per land varieert; roept de lidstaten op tot snellere vooruitgang ten aanzien van de goedkeuring van hervormingen overeenkomstig de lsa's, tezamen met passende opeenvolging en uitvoering, teneinde het groeipotentieel te vergroten en economische, sociale en territoriale samenhang te bevorderen;

11.  is van mening dat de nationale parlementen zich verantwoordelijker moeten voelen voor de landenspecifieke aanbevelingen; moedigt de lidstaten ertoe aan de Commissie de mogelijkheid te bieden om de landenspecifieke aanbevelingen in de nationale parlementen te presenteren; vraagt de lidstaten voorts de lsa's ten uitvoer te leggen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de maatregelen die getroffen zijn om ervoor te zorgen dat er gevolg wordt gegeven aan de landenspecifieke aanbevelingen en over de vooruitgang die er tot dan toe is geboekt;

12.  verzoekt de Raad Concurrentievermogen een actieve rol te vervullen in het toezicht op de tenuitvoerlegging van de lsa's door de lidstaten, alsook in het proces van formulering van die aanbevelingen;

13.  benadrukt dat de doelen van het investeringsplan voor Europa de verwijdering van onnodige belemmeringen, het bevorderen van innovatie en het verdiepen van de interne markt omvatten, terwijl investeringen in menselijk kapitaal en sociale infrastructuur worden bevorderd;

14.  benadrukt dat het verbeteren van het investeringsklimaat een versterking van de interne markt behelst door te zorgen voor grotere voorspelbaarheid van de regelgeving en een gelijk speelveld in de EU te bevorderen door onnodige belemmeringen voor investeringen van binnen en buiten de EU uit de weg te ruimen; herinnert eraan dat duurzame investeringen een solide en voorspelbaar ondernemingsklimaat vereisen; wijst erop dat activiteiten op verschillende gebieden zijn gestart op EU-niveau, zoals toegelicht in de strategie voor de interne markt, de energie-unie en de digitale interne markt, en is van mening dat deze EU-activiteiten gepaard moeten gaan met maatregelen op nationaal niveau;

15.  herinnert eraan dat de nieuwe set aanbevelingen voor de eurozone hervormingen omvat om open en concurrerende markten voor goederen en diensten te waarborgen; brengt tevens in herinnering dat nationale en grensoverschrijdende innovatie en concurrentie van essentieel belang zijn voor een goed functionerende interne markt en is van mening dat de Europese wetgeving hierop moet toezien;

16.  steunt het verzoek van de Commissie aan de lidstaten om hun inspanningen ten aanzien van de drie elementen van de driehoek van economisch beleid te verdubbelen en aldus de nadruk te leggen op sociale rechtvaardigheid om meer inclusieve groei te bewerkstelligen;

17.  deelt het standpunt van de Commissie dat met de interne markt verenigbare convergentie-inspanningen moeten stoelen op beste praktijken betreffende strategieën voor levenslang leren, doeltreffend beleid om werklozen te helpen terug te keren op de arbeidsmarkt en moderne en inclusieve sociale voorzieningen en onderwijssystemen;

Potentieel van de interne markt op cruciale groeiterreinen aanboren

18.  benadrukt dat tarifaire belemmeringen op de interne markt weliswaar zijn afgeschaft, maar dat er een enorm aantal verschillende onnodige niet-tarifaire belemmeringen (ntb's) bestaat; benadrukt dat voor het versterken van de interne markt zowel op EU- als op nationaal niveau dringend actie ondernomen moet worden om deze onnodige ntb's aan te pakken op een manier die verenigbaar is met de bevordering van sociale, consumenten- en milieunormen, om te zorgen voor meer mededinging en voor groei en banen; benadrukt dat protectionisme en discriminerende maatregelen door de lidstaten niet mogen worden getolereerd; herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om in 2016 een uitgebreid overzicht van de ntb's op de interne markt te presenteren, alsook een analyse van de manieren waarop deze kunnen worden aangepakt, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een ntb en regelgeving waarmee een legitieme doelstelling van het overheidsbeleid van een lidstaat op evenredige wijze wordt verwezenlijkt, en een ambitieus voorstel in te dienen om deze ntb's zo spoedig mogelijk uit de weg te ruimen zodat het nog onbenutte potentieel van de interne markt kan worden aangeboord;

19.  beklemtoont dat belemmeringen ten aanzien van het vrij verrichten van diensten bijzonder zorgwekkend zijn, aangezien zij met name de grensoverschrijdende activiteiten hinderen van kleine en middelgrote ondernemingen, die een drijvende kracht achter de ontwikkeling van de EU-economie zijn; wijst erop dat onevenredige administratieve vereisten, inspecties en sancties kunnen leiden tot het terugdraaien van hetgeen dankzij de interne markt reeds is bereikt;

20.  benadrukt de strategie voor de interne markt en de bijbehorende gerichte acties voor het creëren van kansen voor consumenten, professionals en bedrijven, met name voor kmo's, het stimuleren en mogelijk maken van de modernisering en innovatie waar Europa behoefte aan heeft en het waarborgen van de uitvoering in de praktijk, zodat consumenten en ondernemingen in het dagelijks leven de vruchten kunnen plukken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de best mogelijke voorwaarden voor de deeleconomie te garanderen, zodat deze tot ontwikkeling en bloei kan komen; onderstreept dat de deeleconomie een enorm potentieel biedt ten aanzien van groei en keuze van de consument;

21.  roept de lidstaten op hervormingen en beleid in te voeren ter vergemakkelijking van de verspreiding van nieuwe technologieën om ervoor te zorgen dat de voordelen ervan een uitwerking kunnen hebben op een breder scala van bedrijven; verzoekt de Commissie snel te komen met de in de jaarlijkse groeianalyse 2017 bedoelde concrete voorstellen in verband met de handhaving van internemarktregels alsmede maatregelen op het vlak van zakelijke dienstverlening, inclusief het vergemakkelijken van de grensoverschrijdende verrichting ervan en de totstandbrenging van een eenvoudig, modern en fraudebestendig btw-stelsel;

22.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse 2017 over het verdere werk aan een kader voor één EU-vergunning dat direct van toepassing zou zijn op grote projecten met een grensoverschrijdende dimensie of grote investeringsplatformen waarbij sprake is van nationale medefinanciering;

23.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de EU-regels inzake overheidsopdrachten tijdig ten uitvoer worden gelegd, met name de invoering van elektronische aanbestedingen en de nieuwe bepalingen waarmee de verdeling van opdrachten in clusters wordt aangemoedigd, hetgeen essentieel is om de innovatie en concurrentie te bevorderen en kmo's te ondersteunen op aanbestedingsmarkten;

24.  benadrukt wat de interne dienstenmarkt betreft, dat er duidelijk behoefte bestaat aan een beter grensoverschrijdend dienstenaanbod, terwijl de hoge kwaliteit van deze diensten gehandhaafd blijft; wijst op het voorstel van de Commissie voor een Europees paspoort voor diensten en voor een geharmoniseerd kennisgevingsformulier; moedigt de Commissie aan om de marktontwikkelingen in het oog te houden en indien nodig actie te ondernemen in verband met verzekeringseisen voor verrichters van zakelijke diensten en dienstverrichters in de bouwsector;

25.   wijst erop dat voor meer dan 5 500 beroepen in Europa specifieke kwalificaties of een specifieke titel vereist zijn en verwelkomt in dit verband de wederzijdse evaluatie van gereglementeerde beroepen, uitgevoerd door de Commissie en de lidstaten;

26.  roept de Commissie op krachtig op te treden tegen protectionisme door de lidstaten; is van mening dat de lidstaten geen discriminerende maatregelen dienen te nemen zoals handels- en belastingwetten die alleen betrekking hebben op bepaalde sectoren of bedrijfsmodellen en die de concurrentie verstoren, waardoor het voor buitenlandse bedrijven moeilijk wordt om zich in een bepaalde lidstaat te vestigen, hetgeen een duidelijke inbreuk vormt op de beginselen van de interne markt;

27.  verwacht met betrekking tot de interne markt voor goederen een voorstel van de Commissie voor een herziening van de verordening inzake wederzijdse erkenning, om te waarborgen dat ondernemingen in de praktijk binnen de EU recht op vrij verkeer hebben voor producten die rechtmatig in een lidstaat in de handel zijn gebracht; benadrukt dat het beginsel van wederzijdse erkenning niet naar behoren door de lidstaten wordt toegepast en nageleefd, waardoor bedrijven zich aldus moeten richten op het overwinnen van de problemen met betrekking tot de gebrekkige tenuitvoerlegging in plaats van het doen van zaken;

28.   verzoekt de Commissie vaart te zetten achter haar visie voor een uniek en samenhangend Europees normalisatiesysteem dat aangepast kan worden aan de veranderende omgeving, meerdere beleidsvormen ondersteunt en voordeel biedt voor consumenten en ondernemingen; benadrukt dat Europese normen vaak wereldwijd worden overgenomen, wat niet alleen bevorderlijk is voor de interoperabiliteit en de veiligheid, de verlaging van kosten en de integratie van ondernemingen in de waardeketen en de handel, maar ook de positie van de industrie versterkt via internationalisering;

29.  is van mening dat het bevorderen van de digitale interne markt van cruciaal belang is voor het stimuleren van groei, het creëren van hoogwaardige banen, het bevorderen van de nodige innovatie in de EU-markt, het wereldwijd concurrerend houden van de Europese economie en het bieden van voordelen voor zowel ondernemingen als consumenten; roept de lidstaten op ten volle mee te werken aan de verwezenlijking van de digitale eengemaakte markt;

Versterking van de governance van de interne markt

30.  roept de Commissie er nogmaals toe op de governance van de interne markt te verbeteren via de ontwikkeling van een reeks analytische instrumenten, waaronder sociale indicatoren om de prestaties van de interne markt in het kader van de internemarktpijler van het Europees semester beter te meten; is van mening dat een dergelijk analytisch instrument een nuttige inbreng kan leveren voor de landenspecifieke aanbevelingen (lsa's), de jaarlijkse groeianalyse, de richtsnoeren van de Europese Raad voor de lidstaten en de nationale actieplannen die gericht zijn op de uitvoering van de internemarktrichtsnoeren;

31.  dringt aan op de handhaving van het kader voor de internemarktgovernance en op een strenger toezicht op en beoordeling van de correcte, tijdige en doeltreffende tenuitvoerlegging en toepassing van de internemarktregels; roept de lidstaten op hun prestaties wat betreft het gebruik van de instrumenten voor governance van de interne markt te verhogen en beter gebruik te maken van de voor elke lidstaat beschikbare gegevens van het scorebord van de interne markt alsook hun ontwikkeling in termen van beleidsprestaties;

32.  is nog altijd van mening dat er een geïntegreerd meetsysteem moet worden uitgewerkt waarbij verschillende methoden, zoals samengestelde indicatoren, een stelselmatige reeks indicatoren en sectorale instrumenten met elkaar moeten worden gecombineerd om de prestaties van de interne markt te meten, zodat deze in het Europees semester kunnen worden ingepast; roept de Commissie op om een kernindicator en een daarvoor te hanteren streefcijfer voor de integratie van de interne markt te overwegen, teneinde een impuls te kunnen geven aan de verdieping van de interne markt op belangrijke prioritaire terreinen en daarvoor over een maatstaf te kunnen beschikken;

33.  roept de Commissie nogmaals op om waar passend kwantitatieve streefcijfers vast te stellen voor het verminderen van de onnodige administratieve lasten op Europees niveau; verzoekt om deze kwantitatieve streefcijfers in overweging te nemen in het nieuwe initiatief van de Commissie inzake vermindering van de administratieve lasten;

34.  is van mening dat lidstaten meer inspanningen moeten leveren om hun overheidsdiensten te moderniseren door burgers en bedrijven meer en beter toegankelijke digitale diensten te verstrekken, en om grensoverschrijdende samenwerking tussen en interoperabiliteit van overheidsdiensten te bevorderen;

35.  verzoekt de Commissie elk wetgevingsinitiatief te laten voorafgaan door een grondige effectbeoordeling die rekening houdt met de gevolgen van de handeling voor het ondernemersklimaat in alle lidstaten en het juiste evenwicht tussen de kosten en doelstellingen van het project voor de gehele EU te beoordelen;

36.  verzoekt de Commissie zich energiek in te zetten voor maatregelen op het gebied van slimme handhaving en een cultuur van naleving, om het probleem te verhelpen dat niet alle kansen die de interne markt in theorie biedt reeds zijn benut, omdat de wetgeving van de EU nog niet volledig is doorgevoerd of wordt gehandhaafd;

37.  roept de Commissie op het mechanisme voor markttoezicht te verscherpen om producten die onveilig zijn of niet aan de eisen voldoen op te sporen en ze van de interne markt te verwijderen; roept de Raad opnieuw op om het pakket betreffende productveiligheid en markttoezicht onmiddellijk goed te keuren;

38.  verwelkomt en kijkt met belangstelling uit naar het initiatief van de Commissie tot het opzetten van één digitale toegangspoort, als uitbreiding en ter verbetering van bestaande instrumenten en diensten, waaronder de "enige contactpunten", de productcontactpunten, de productcontactpunten voor de bouw, de portaalsite "Uw Europa" en Solvit, op een gebruikersvriendelijke wijze voor zowel burgers als ondernemingen;

39.  wijst op de positieve rol van de "EU Sweeps", gestart door de Commissie ter verbetering van de handhaving door middel van gecoördineerde controles om inbreuken op het consumentenrecht in de online omgeving op te sporen;

40.  erkent het belang van de beginselen voor betere regelgeving en het Refit-initiatief, waarbij wordt gezorgd voor meer samenhang in de huidige en toekomstige wetgeving terwijl de regelgevende soevereiniteit en de behoefte aan zekerheid en voorspelbaarheid van regelgeving behouden blijven;

41.  benadrukt het belang van de steun en samenwerking van de Commissie met de lidstaten op het gebied van een betere omzetting, tenuitvoerlegging en toepassing van de internemarktwetgeving; benadrukt in dit verband de noodzaak van verdere acties op nationaal niveau, onder meer met het oog op vermindering van administratieve lasten en voorkoming van nieuwe bijkomende vereisten bij de omzetting van richtlijnen in nationale wetgeving ("gold-plating"), zoals fiscale barrières voor grensoverschrijdende investeringen;

42.  benadrukt dat de interne markt voordeel moet blijven bieden voor alle actoren – burgers van de EU, met name studenten, professionals en ondernemers, en in het bijzonder kmo's – in alle lidstaten, die een permanente dialoog moeten voeren en moeten beoordelen wat werkt en wat niet, en op welke wijze het internemarktbeleid in de toekomst moet worden ontwikkeld; benadrukt in dit kader de rol van het Internemarktforum dat jaarlijks door de Commissie wordt georganiseerd in samenwerking met lokale partners zoals nationale autoriteiten, belanghebbenden van maatschappelijke organisaties, sociale partners, kamers van koophandel en bedrijfsverenigingen;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0060.
(2) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 98.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0130.
(4) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 75.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0237.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0236.


De bankenunie – jaarverslag 2016
PDF 318kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016 (2016/2247(INI))
P8_TA(2017)0041A8-0019/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Actieplan inzake een kapitaalmarktenunie van de Commissie van 30 september 2015 (COM(2015)0468),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(1),

–  gezien de verklaring van de top van de eurozone van 29 juni 2012 waarin het voornemen kenbaar werd gemaakt om "de vicieuze cirkel tussen de banken en de overheden te doorbreken"(2),

–  gezien de eerste EU Shadow Banking Monitor van het Europees Comité voor systeemrisico's van juli 2016,

–  gezien het Global Financial Stability Report van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van 2016,

–  gezien de resultaten van de stresstests zoals gehouden door de Europese Bankenautoriteit (EBA) en gepubliceerd op 29 juli 2016,

–  gezien de resultaten van de monitoring van CRD IV - CRR/Basel III zoals gehouden door de EBA op basis van gegevens van december 2015 en bekendgemaakt in september 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van 17 juni 2016 over een routekaart voor het voltooien van de bankenunie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van dinsdag 24 november 2015 getiteld "Naar de voltooiing van de bankenunie" (COM(2015)0587),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 die aan de Europese Centrale Bank specifieke taken opdraagt betreffende het beleid inzake prudentieel toezicht op kredietinstellingen(3) (GTM-verordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten(4) (GTM-kaderverordening),

–  gezien de GTM-verklaring over de prioriteiten op het gebied van toezicht voor 2016,

–  gezien het jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2015 van maart 2016(5),

–  gezien Speciaal verslag nr. 29/2016 van de Europese Rekenkamer over het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme(6),

–  gezien het verslag van de EBA over de dynamiek en de aanjagers van niet-renderende posities in de bankensector in de EU van juli 2016,

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's over de wettelijke behandeling van blootstellingen aan staatsschulden van maart 2015,

–  gezien de goedkeuring door de raad van bestuur van de ECB van 4 oktober 2016 van beginselen om de transparantie te verhogen bij de uitwerking van ECB-voorschriften inzake Europese statistiek, en rekening houdend met de praktijken van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aangaande transparantie,

–  gezien de ECB-raadpleging over haar ontwerprichtsnoeren voor banken betreffende oninbare leningen van september 2016,

–  gezien de ECB-gids over de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt,

–  gezien Verordening (EU) 2016/445 van de Europese Centrale Bank van 14 maart 2016 betreffende de manier waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt(7),

–  gezien de lopende gesprekken in het Bazels Comité en met name het raadplegingsdocument getiteld "Reducing variation in credit risk-weighted assets – constraints on the use of internal model approaches" van maart 2016,

–  gezien het verslag van de EBA van 3 augustus 2016 inzake de hefboomratiovereisten uit hoofde van artikel 511 van de kapitaalvereistenverordening (VKV) (EBA-Op-2016-13),

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van dinsdag 12 juli 2016 over een routekaart voor het voltooien van de bankenunie,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(8),

–  gezien zijn resolutie van woensdag 23 november 2016 over de afronding van Bazel III(9),

–  gezien het lopende werk van de Commissie aan de herziening van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(10) (CRR), met name wat betreft de herziening van pijler 2 en de behandeling van nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte,

–  gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU, en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(11) (BRRD),

–  gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(12) (GAM-verordening),

–  gezien het jaarverslag 2015 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van juli 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de toepassing, vanaf 1 augustus 2013, van de staatssteunregels op steunmaatregelen ten voordele van banken in het kader van de financiële crisis (de mededeling over het bankwezen)(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1450 van de Commissie van 23 mei 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methode voor het vaststellen van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva(14),

–  gezien het verslag van de Commissie over de beoordeling van de beloningsregels uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 van 28 juli 2016 (COM(2016)0510),

–  gezien de lijst van de raad voor financiële stabiliteit (FSB) van voorwaarden voor totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) van november 2015,

–  gezien het werkdocument van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) nr. 558 van april 2016 getiteld "Why bank capital matters for monetary policy",

–  gezien het tussentijds verslag van de EBA over de tenuitvoerlegging en het ontwerp van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) van 19 juli 2016,

–  gezien het aanvullende analyseverslag van de Commissie van oktober 2016 over de effecten van het voorstel voor een Europees depositogarantiestelsel (EDIS),

–  gezien het eindverslag van de EBA over de tenuitvoerlegging en het ontwerp van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) van 14 december 2016,

–  gezien het akkoord over de transfer en mutualisering van bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en met name artikel 16,

–  gezien het Memorandum of Understanding tussen de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank over samenwerking en informatieuitwisseling van 22 december 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels(15) (DGDS),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

–  gezien de verschillende EBA-richtsnoeren zoals opgesteld in het kader van de richtlijn inzake depositogarantiestelsels, met name de definitieve verslagen over richtsnoeren over samenwerkingsovereenkomsten tussen depositogarantiestelsels van februari 2016 en over richtsnoeren over stresstests van depositogarantiestelsels van mei 2016,

–  gezien de verklaring van de Eurogroep en de Ecofin-ministers van 18 december 2013 over het achtervangmechanisme van het GAM,

–  gezien de verklaring van de Raad van 8 december 2015 over de bankenunie en overbruggende financieringsregelingen voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0019/2017),

A.  overwegende dat de oprichting van de bankenunie (BU) een onmisbare component van een monetaire unie vormt en een fundamentele bouwsteen is van een daadwerkelijke Economische en Monetaire Unie (EMU); overwegende dat er meer inspanningen nodig zijn, aangezien de bankenunie niet voltooid is zolang ze geen budgettair achtervangmechanisme en een derde pijler omvat, omdat dit een Europese benadering is van een depositogarantiestelsel, waarover op dit moment op commissieniveau wordt gedebatteerd; overwegende dat een voltooide bankenunie een belangrijke bijdrage zal leveren om de link tussen overheden en risico's te breken;

B.  overwegende dat de Europese Centrale Bank (ECB) in bepaalde situaties met belangenconflicten te kampen kan hebben vanwege haar tweeledige verantwoordelijkheid als autoriteit voor het monetair beleid en toezichthouder op de banken;

C.  overwegende dat de kapitaal- en liquiditeitsratio's van EU-banken de voorbije jaren in het algemeen steeds verder zijn verbeterd; overwegende dat er desalniettemin nog wel risico's bestaan voor de financiële stabiliteit; overwegende dat gezien de huidige situatie voorzichtig moet worden omgegaan met het introduceren van ingrijpende wijzigingen aan de regelgeving, vooral met het oog op het klimaat voor de financiering van de reële economie;

D.  overwegende dat een stevige opschoning van de balansen van banken na de crisis is uitgebleven, en dat dit de economische groei nog steeds hindert;

E.  overwegende dat het niet de taak van de Europese instellingen is om de winstgevendheid van de bankensector te verzekeren;

F.  overwegende dat het nieuwe afwikkelingsregime, dat in januari 2016 in werking is getreden, een koerswijziging moet teweegbrengen van bail-outs naar bail-ins; overwegende dat de marktdeelnemers zich het nieuwe systeem nog eigen moeten maken;

G.  overwegende dat de bankenunie openstaat voor deelname van lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd;

H.  overwegende dat alle lidstaten die de euro als munt hebben de bankenunie vormen; overwegende dat de euro de munteenheid van de Europese Unie is; overwegende dat alle lidstaten, met uitzondering van die met een uitzondering, zich ertoe hebben verbonden zich bij de eurozone en bijgevolg ook bij de bankenunie aan te sluiten;

I.  overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht van de Commissie ten opzichte van het Europees Parlement sleutelbeginselen zijn; overwegende dat dit impliceert dat de Commissie voor een goede follow-up van de aanbevelingen van het Parlement moet zorgen, en dat het Parlement hier toezicht op moet uitoefenen;

J.  overwegende dat onze werkzaamheden rond de kapitaalmarktenunie de druk om de werkzaamheden rond de bankenunie te voltooien niet mogen doen afnemen, aangezien dit nog altijd van essentieel belang is voor de financiële stabiliteit in het van banken afhankelijke landschap van de Europese Unie;

K.  overwegende dat uit recente gegevens blijkt dat de oninbare leningen in de eurozone naar schatting goed zijn voor EUR 1 132 miljard(16);

Toezicht

1.  vindt het hoge niveau van oninbare leningen voor banken in de eurozone, dat volgens gegevens van de ECB in april 2016 EUR 1 014 miljard bedroeg, zorgwekkend; acht het van cruciaal belang om dit niveau te verlagen; is ingenomen met de inspanningen die in sommige lidstaten reeds zijn geleverd om het niveau van de oninbare leningen te reduceren; stelt evenwel vast dat deze kwestie tot nu toe vrijwel uitsluitend op lidstaatniveau is aangepakt; is van oordeel dat het probleem op zo kort mogelijke termijn moet worden opgelost, maar erkent dat een definitieve oplossing niet zo één-twee-drie voorhanden ligt; is van mening dat bij alle voorgestelde oplossingen rekening moet worden gehouden met de bron van de oninbare leningen, de effecten op het vermogen van de banken om kredieten aan de reële economie te verstrekken, en de noodzaak van het ontwikkelen van een primaire en secundaire markt voor oninbare leningen, mogelijkerwijs in de vorm van veilige en transparante securitisatie op zowel Unie-, als lidstaatniveau; beveelt aan dat de Commissie de lidstaten ondersteunt bij - onder andere - de oprichting van speciale ondernemingen voor vermogensbeheer (of 'bad banks') en versterkt toezicht; wijst er in dit verband nogmaals op dat het belangrijk is dat oninbare leningen verkocht moeten kunnen worden om kapitaal vrij te maken, hetgeen vooral belangrijk is voor de kredietverstrekking door banken aan kmo's; juicht de raadpleging van de ECB over ontwerprichtsnoeren voor banken met betrekking tot oninbare leningen -als een eerste stap - toe, maar is van mening dat er meer substantiële vorderingen moeten worden gemaakt; verwelkomt het voorstel van de Commissie inzake insolventie en herstructureringen, met inbegrip van snelle herstructureringen en tweede kansen, in het kader van de kapitaalmarktenunie; verzoekt de lidstaten hun wetgeving in kwestie, en in het bijzonder die aangaande de duur van de terugvorderingsprocedures, de werking van de justitiële systemen en - in het algemeen - de herstructurering van schulden, nog voordat deze wordt goedgekeurd en teneinde deze te vervolledigen, te verbeteren, en de noodzakelijke duurzame structurele hervormingen door te voeren, met het oog op herstel van de economische groei en het aanpakken van de oninbare leningen; neemt er kennis van dat sommige banken in de eurozone in de crisisjaren volgens de Bank voor Internationale Betalingen hun kapitaalbasis hebben uitgehold door aanzienlijke dividenden uit te keren, en soms zelfs dividenden hoger lagen dan de ingehouden winst; is van mening dat de kapitaalpositie van banken kan worden versterkt door de dividenden te verlagen en nieuw vermogen aan te trekken;

2.  spoort alle lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd ertoe aan om de nodige stappen te zetten om dat wel te doen, of om zich aan te sluiten bij de BU, teneinde de BU geleidelijk aan in lijn te brengen met de volledige interne markt;

3.  is bezorgd over de sluimerende instabiliteit van de bankensector in Europa, die onder meer voor het voetlicht werd gebracht in het Global Financial Stability Report 2016 van het IMF, waarin staat dat Europa zelfs bij een cyclisch herstel een groot aantal zwakke banken en banken met problemen zou blijven tellen; wijst op de geringe winstgevendheid van een aantal instellingen in de eurozone; wijst erop dat hiervoor vaak redenen worden genoemd als het niveau van oninbare leningen, het rentevoetklimaat en eventuele vraagzijdekwesties; sluit zich aan bij de oproep van het IMF om fundamentele veranderingen door te voeren in zowel de ondernemingsmodellen van de banken, als de structuur van het bankenstelsel om een gezond Europees bankenstelsel te verzekeren;

4.  is van oordeel dat er aan staatsschuld risico's verbonden zijn; merkt verder op dat financiële instellingen in sommige lidstaten bovenmatig in door hun eigen overheid uitgegeven obligaties hebben belegd, wat tot een buitensporige nationale vooringenomenheid leidt, terwijl een van de voornaamste doelstellingen van de bankenunie het juist is het risico als gevolg van de onderlinge verwevenheid van banken en staatsschulden te verkleinen; wijst erop dat een passende prudentiële behandeling van staatsschulden voor banken een stimulans zou kunnen zijn om hun blootstelling aan de gevaren van staatsobligaties beter te beheren; wijst er overigens op dat staatsobligaties een cruciale rol spelen als bron van hoogwaardig, liquide zekerheden en bij het voeren van monetair beleid, en dat het wijzigen van de prudentiële behandeling ervan, met name indien hierbij niet voor een geleidelijke aanpak wordt gekozen, aanzienlijke gevolgen voor zowel de financiële als de publieke sector zou kunnen hebben, hetgeen betekent dat de voors en tegens van een herziening van het huidige kader zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen alvorens een voorstel wordt gepresenteerd; neemt nota van de diverse beleidsopties in het rapport van de werkgroep op hoog niveau inzake de prudentiële behandeling van de blootstelling aan staatsschulden, dat tijdens de informele bijeenkomst van Ecofin op 22 april 2016 werd behandeld; is van oordeel dat het regelgevingskader van de EU met de internationale norm zou moeten stroken; wacht dan ook met veel belangstelling op het resultaat van het werk van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) met betrekking tot staatsschuld, als leidraad voor verdere besluiten; is van mening dat het Europese kader marktdiscipline mogelijk moet maken door een duurzaam beleid te voeren en te voorzien in kwalitatief hoogwaardige en liquide activa voor de financiële sector en veilige passiva voor overheden; beklemtoont dat niet alleen over staatsschuld moet worden nagedacht, maar ook over het bereiken van overeenstemming over een breder scala aan economische kwesties, over staatssteunregels en risico's zoals wangedrag, inclusief financiële strafbare feiten;

5.  acht het voor depositohouders, beleggers en toezichthoudende instanties uitermate belangrijk de buitensporige verschillen aan te pakken in de risicogewichten die worden toegepast op risico-gewogen activa van dezelfde categorie tussen instellingen; herinnert eraan dat de huidige regels voor het gebruik van interne modellen banken een aanzienlijke mate van flexibiliteit bieden en vanuit het oogpunt van de toezichthouder een extra dimensie van risicomodellering toevoegen; verwelkomt in dit verband het werk van de EBA op het vlak van het harmoniseren van belangrijke premissen en parameters, waarvan de onderlinge verschillen als één van de belangrijkste veroorzakers van variabiliteit zijn geïdentificeerd, alsook het werk dat in het kader van het ECB-project 'Targeted Review of Internal Models' (TRIM) is gedaan met het oog op het beoordelen en toetsen van de adequaatheid en geëigendheid van de interne modellen; dringt erop aan hier nog meer vooruitgang te boeken; kijkt uit naar de resultaten van het werk dat op internationaal vlak wordt gedaan om het gebruik van interne modellen in het geval van operationele risico's en leningen aan bedrijven, andere financiële instellingen, en gespecialiseerde financierings- en equitybanken te stroomlijnen, teneinde de geloofwaardigheid van die modellen te herstellen en ervoor te zorgen dat zij worden toegespitst op die gebieden waar zij een toegevoegde waarde betekenen; verwelkomt daarnaast de introductie van een hefboomratio als een robuust vangnet, in het bijzonder voor instellingen van wereldwijd systeembelang; beklemtoont de noodzaak van een meer risicogevoelige standaardaanpak, teneinde de naleving van het principe "dezelfde risico's, dezelfde regels" te verzekeren; verzoekt de financiële toezichthouders nieuwe interne modellen alleen toe te staan als zij niet tot aanzienlijk lagere ongerechtvaardigde risicogewichten leiden; herhaalt de conclusies van zijn resolutie van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III; herinnert er in het bijzonder aan dat de geplande wijzigingen in de regelgeving niet tot een algemene toename van de kapitaalvereisten moeten leiden, noch negatief moeten uitwerken op het vermogen van banken om de reële economie, en met name kmo's, te financieren; beklemtoont dat bij de internationale activiteiten in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen; herinnert eraan dat het belangrijk is het Europees bankenmodel geen buitensporige lasten op te leggen, en discriminatie tussen EU- en internationale banken te vermijden; dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat indien op dit vlak nieuwe internationale normen worden ontwikkeld naar behoren met de specifieke Europese omstandigheden rekening wordt gehouden, alsook met het evenredigheidsbeginsel en het bestaan van verschillende bankmodellen bij de beoordeling van de gevolgen van toekomstige wetgeving tot uitvoering van internationaal overeengekomen normen;

6.  benadrukt dat de betrouwbare toegang tot financiering en de correcte toewijzing van kapitaal in de op banken gebaseerde financieringsmodellen van Europa sterk afhankelijk zijn van robuuste balansen en een gedegen kapitalisering, waarvan het herstel na de financiële crises niet in de gehele Unie op uniforme wijze was en is verzekerd, wat de economische groei hindert;

7.  onderstreept dat de Europese bankensector een essentiële rol speelt in de financiering van de Europese economie en dat die rol wordt ondersteund door een sterk stelsel van toezicht; is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie om de kmo-ondersteunende factor te behouden bij de toekomstige herziening van de RKV/VKV en deze factor op te trekken tot boven de huidige drempel;

8.  geeft aan dat de adviezen van internationale fora zo veel als mogelijk moeten worden opgevolgd om versnippering van de regelgeving voor en het toezicht op grote, internationaal opererende banken te vermijden, zonder overigens een kritische benadering - wanneer daar behoefte aan is - op te geven of uit te sluiten dat in bepaalde gevallen, namelijk indien en wanneer in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het Europese systeem, van internationale normen zal worden afgeweken; herinnert aan de conclusies van zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen, benadrukt in het bijzonder het belang van de rol van de Commissie, de ECB en de EBA om betrokken te worden bij de werkzaamheden van het BCBS, alsook het Europees Parlement en de Raad te voorzien van transparante en uitgebreide updates over de status van de ontwikkeling van de BCBS-besprekingen; is van mening dat de EU moet werken aan een passende vertegenwoordiging in het BCBS, met name voor de eurozone; dringt aan op een sterkere zichtbaarheid van deze rol tijdens Ecofin-vergaderingen, evenals op een verhoogde verantwoording richting de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement; beklemtoont dat het BCBS en andere fora gelijke randvoorwaarden op mondiaal niveau tot stand moeten helpen brengen middels het verkleinen – in plaats van het vergroten – van de verschillen tussen jurisdicties;

9.  wijst op de risico's, waaronder systeemrisico's, van het snelgroeiende schaduwbankieren, zoals is aangetoond in de "EU Shadow Banking Monitor" 2016; benadrukt het feit dat acties op het gebied van regulering van de bankensector vergezeld moeten worden door passende regulering van het schaduwbankieren; roept derhalve op tot gecoördineerde actie om eerlijke mededinging en financiële stabiliteit te verzekeren;

10.  benadrukt de noodzaak van een uitgebreid overzicht van de cumulatieve gevolgen van de verschillende wijzigingen in het regelgevend kader, ongeacht of deze betrekking hebben op toezicht, verliesabsorptie, afwikkeling of boekhoudkundige normen;

11.  beklemtoont dat nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte belemmerend kunnen werken voor de totstandbrenging van gelijke randvoorwaarden tussen de lidstaten en voor de vergelijkbaarheid van de financiële verslaglegging door banken aan het publiek; juicht het toe dat het nieuwe voorstel voor wijziging van de VKV de mogelijkheid inhoudt het gebruik van sommige daarvan op EU-niveau af te sluiten of te beperken, teneinde de bestaande obstakels en segmentering aan te pakken, en alleen die te behouden die vanwege de diversiteit aan bankmodellen absoluut noodzakelijk zijn; dringt erop aan deze mogelijkheid volledig te benutten; is verheugd over de adviezen en regelgeving van de ECB, waarmee de benutting van de nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte in de bankenunie wordt geharmoniseerd; herinnert er overigens aan dat de ECB zich bij het reduceren van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte aan haar mandaat moet houden; benadrukt dat het essentieel is verder te werken aan het verdiepen van het gemeenschappelijke rulebook, en onderstreept de noodzaak om de huidige overlapping en verstrengeling van bestaande, gewijzigde en nieuwe wetgeving te stroomlijnen; verzoekt de ECB het toezichtshandboek - met daarin de gemeenschappelijke processen, procedures en methoden voor het uitvoeren van een herziening van de regels voor toezicht in de hele eurozone - volledig openbaar te maken;

12.  benadrukt dat er sinds de oprichting van het GTM een natuurlijk leerproces heeft plaatsgevonden voor alle leden van de raad van toezicht om te leren omgaan met allerlei verschillende bedrijfsmodellen en entiteiten van verschillende omvang, en dat dit proces moet worden ondersteund en versneld;

13.  neemt kennis van de verduidelijking van de doelstellingen van pijler 2, alsook van de plaats ervan in de pikorde van kapitaalvereisten zoals voorgesteld in de wijzigingen van de richtlijn kapitaalvereisten (RKV); merkt op dat kapitaalrichtsnoeren bijdragen tot het tot stand brengen van evenwicht tussen de doelstelling van financiële stabiliteit enerzijds en de behoefte om ruimte te laten voor beoordelingen door de toezichthouder en analyses per geval anderzijds; roept de ECB op de criteria te verduidelijken die de richtsnoeren voor pijler 2 ondersteunen; herinnert eraan dat deze richtsnoeren het maximaal uitkeerbare bedrag (MDA) niet beperken en bekendmaking ervan derhalve niet nodig is; is van oordeel dat kapitaalrichtsnoeren niet mogen leiden tot een aantoonbare verlaging van de vereisten van pijler 2; is van mening dat, om aan de vereisten en richtsnoeren van pijler 2 te voldoen, meer convergentie op het gebied van toezicht noodzakelijk is; juicht het derhalve toe dat hieraan in het voorstel voor wijziging van de RKV aandacht wordt besteed;

14.  benadrukt de risico's die voortvloeien uit het aanhouden van activa van niveau 3, inclusief derivaten, en met name uit de moeilijkheden bij de waardering ervan; is van oordeel dat deze risico's moeten worden gereduceerd en dat het met het oog hierop nodig is de portfolio's van dit soort activa geleidelijk te verkleinen; roept het GTM op om van deze kwestie een van zijn toezichthoudende prioriteiten te maken en om, samen met de EBA, een kwantitatieve stresstest hiervoor te organiseren;

15.  herinnert aan de behoefte om grotere transparantie te waarborgen voor de volledige reeks toezichthoudende praktijken, met name in de SREP-cyclus; verzoekt de ECB prestatie-indicatoren en statistieken te publiceren, teneinde de doeltreffendheid van het toezicht aan te tonen en zijn externe verantwoordingsplicht te versterken; herhaalt zijn oproep tot meer transparantie met betrekking tot besluiten en motiveringen in het kader van pijler 2; verzoekt de ECB om gemeenschappelijke controlestandaarden te publiceren;

16.  wijst op de risico's van financiële instellingen die 'too big to fail', 'too interconnected to fail' en 'too complex to resolve' zijn; stelt vast dat overeenstemming is bereikt over een reeks op internationaal niveau uitgewerkte beleidsmaatregelen om deze risico's aan te pakken (met name TLAC, centrale clearing van derivaten, en toevoeging aan de kapitaal- en hefboomratio voor wereldwijde systeembanken); zegt toe snel desbetreffende wetgevingsvoorstellen uit te werken voor de tenuitvoerlegging ervan in de Unie, waarmee de risico's van financiële instellingen van het type 'too big to fail' verder worden gereduceerd; herinnert aan de woorden van Mark Carney, voorzitter van de FSB, die erop neerkwamen dat overeenstemming over voorstellen voor een gemeenschappelijke internationale standaard voor de totale verliesabsorptiecapaciteit voor G-SIB's een keerpunt vormt om banken die als 'too big to fail' worden beschouwd een halt toe te roepen; stelt verder vast dat een doeltreffend 'bail-in'-mechanisme en de toepassing van een passend niveau van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva belangrijke elementen vormen van de regelgevingsmaatregelen voor het aanpakken van deze kwestie, en ertoe bijdragen dat het probleem van wereldwijde systeembanken kan worden opgelost zonder de inzet van overheidssteun en zonder verstoring van het financiële systeem als zodanig;

17.  benadrukt de beperkingen van de huidige stresstestmethodologie; is derhalve ingenomen met de inspanningen van de EBA en de ECB om verbeteringen aan te brengen aan het kader voor stresstests; is echter van mening dat er meer moet worden gedaan om de kans op en realiteit van daadwerkelijke crisissituaties te weerspiegelen door, onder andere, meer dynamische elementen, zoals besmettingsgevolgen, beter op te nemen in de methodologie; is van mening dat het gebrek aan transparantie met betrekking tot de eigen stresstests van de ECB op onzekerheid ten aanzien van de toezichthoudende praktijken duidt; roept de ECB op de resultaten van zijn stresstest bekend te maken, teneinde het marktvertrouwen te vergroten;

18.  is van mening dat wanneer een nationale bevoegde autoriteit het verzoek om bij een stresstest rekening te houden met specifieke omstandigheden afwijst, dit aan de EBA en het GTM moet worden meegedeeld om gelijke randvoorwaarden te waarborgen;

19.  is verheugd over de voortgang die is gemaakt bij de voorbereidingen om enige delegatie mogelijk te maken op het gebied van betrouwbare en deskundige besluiten; geeft desalniettemin aan dat een wijziging in de regelgeving noodzakelijk is om de besluitvorming ten aanzien van bepaalde routinekwesties vaker en sneller van de raad van toezicht naar bevoegde ambtenaren over te hevelen; zou ingenomen zijn met een dergelijke wijziging die het toezicht door de ECB op banken doeltreffender en efficiënter zou maken; roept de ECB op om de taken en het juridische kader voor de delegatie van besluitvorming te specificeren;

20.  neemt nota van het verslag van de Europese Rekenkamer over de werking van het GTM; neemt nota van de bevindingen betreffende de ontoereikende personeelsbezetting; roept de nationale bevoegde autoriteiten en de lidstaten op de ECB te voorzien van alle benodigde personele middelen en economische gegevens om haar taak te kunnen vervullen, met name wat inspecties ter plaatse betreft; verzoekt de ECB de GTM-kaderverordening te wijzigen om de verbintenissen van deelnemende nationale bevoegde autoriteiten te formaliseren, en een op risico's gebaseerde methodologie toe te passen om het beoogde aantal personeelsleden en de samenstelling van de vaardigheden binnen de gezamenlijke toezichthoudende teams te bepalen; is van mening dat een grotere betrokkenheid van ECB-personeel en een kleinere rol voor de nationale bevoegde autoriteiten de onafhankelijkheid van het toezicht ten goede zou komen, naast de inzet van personeelsleden van de bevoegde autoriteit van de ene lidstaat om toezicht te houden op een instelling uit een andere lidstaat, hetgeen ook een doeltreffende manier is om het risico op tolerantie door de toezichthouder te voorkomen; is verheugd over de samenwerking van de ECB met het Europees Parlement over de arbeidsomstandigheden van personeel; verzoekt de ECB voor een goede werkomgeving te zorgen, hetgeen de interne professionele cohesie bevordert; herinnert aan het potentiële belangenconflict tussen toezichtstaken en verantwoordelijkheid voor monetair beleid, en op het feit dat deze twee taken duidelijk van elkaar gescheiden moeten zijn; verzoekt de ECB om een risicoanalyse te verrichten inzake mogelijke belangenconflicten en om werk te maken van afzonderlijke verslagleggingslijnen wanneer er specifieke toezichthoudende middelen worden ingezet; is van mening dat, hoewel de scheiding van monetair beleid en toezicht een centraal beginsel vormt, dit geen kostenbesparingen zou moeten uitsluiten die mogelijk zijn door het delen van diensten, mits dergelijke diensten niet cruciaal zijn op het gebied van beleidsvorming en er passende garanties worden ingevoerd; verzoekt de ECB ontwerpen van quasi-wetgevingsmaatregelen aan een publieke raadpleging te onderwerpen, teneinde de verantwoordingsplicht te vergroten;

21.  benadrukt dat de oprichting van het GTM gepaard is gegaan met een toegenomen invloed van de Europese Unie op internationaal niveau in vergelijking met de eerdere situatie;

22.  benadrukt dat de scheiding van toezichthoudende taken van functies op het gebied van monetair beleid het GTM in staat moet stellen een onafhankelijk standpunt in te nemen in alle relevante kwesties, waaronder over de mogelijke gevolgen van de rentevoetdoelstellingen van de ECB op de financiële positie van banken die onder het toezicht vallen;

23.  deelt de mening van de Europese Rekenkamer dat er een auditkloof is ontstaan sinds de oprichting van het GTM; maakt zich zorgen dat als gevolg van de door de ECB opgelegde beperkingen aan de toegang van de Europese Rekenkamer tot documenten belangrijke gebieden niet worden gecontroleerd; spoort de ECB aan volledig samen te werken met de Europese Rekenkamer om deze in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en daardoor de controleerbaarheid te verbeteren;

24.  herinnert eraan dat zowel bij regulering als bij het uitoefenen van toezicht moet worden gestreefd naar evenwicht tussen enerzijds proportionaliteit en anderzijds een consistente benadering; neemt in dit verband nota van de wijzigingen die in het voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU worden voorgesteld met betrekking tot de verslagleggings- en beloningsvereisten ; roept de Commissie op de werkzaamheden aan een 'small banking box' te prioriteren en deze uit te breiden tot een beoordeling van de haalbaarheid van een toekomstig regelgevingskader bestaande uit minder complexe en beter passende en proportionele prudentiële regels die specifiek zijn voor bepaalde soorten bankmodellen; wijst erop dat op alle banken een voldoende mate van toezicht moet worden gehouden; herinnert eraan dat passend toezicht van cruciaal belang is voor de controle van alle risico's, ongeacht de omvang van de banken; respecteert de verdeling van rollen en bevoegdheden tussen de GAR, de EBA en andere autoriteiten binnen het Europese stelsel van financieel toezicht, maar benadrukt tegelijkertijd het belang van doeltreffende samenwerking; ziet de noodzaak om de proliferatie van overlappende verslagleggingsvereisten en nationale interpretaties van Europese wetgeving op de interne markt aan te pakken; steunt de tot nu toe geleverde inspanningen voor de stroomlijning van verslagleggingsvereisten, zoals het idee achter het Europees verslagleggingskader (ERF), en roept op tot verdere inspanningen op dit vlak om dubbele verslaglegging en onnodige bijkomende kosten in verband met regelgeving te vermijden; verzoekt de Commissie hieraan te zijner tijd aandacht te besteden, overeenkomstig de conclusies die zij getrokken heeft naar aanleiding van de enquête, bijvoorbeeld in de vorm van een voorstel voor een gemeenschappelijke, uniforme en geconsolideerde procedure voor verslaglegging in verband met toezicht; roept ook op tot een tijdige aankondiging van ad-hoc- en permanente verslagleggingsvereisten om een hoge kwaliteit van gegevens en planningszekerheid te garanderen;

25.  benadrukt dat de veiligheid en robuustheid van een bank niet kan worden vastgesteld door een beoordeling op een bepaald moment van uitsluitend de balans, aangezien deze worden gewaarborgd door dynamische interacties tussen de bank en de markten en worden beïnvloed door verschillende elementen in de gehele economie; benadrukt derhalve dat een robuust kader voor financiële stabiliteit en groei veelomvattend en evenwichtig moet zijn om dynamische toezichtspraktijken te omvatten en zich niet uitsluitend te richten op statische regulering met voornamelijk kwantitatieve aspecten;

26.  vestigt de aandacht op de taakverdeling tussen de ECB en de EBA; benadrukt dat de ECB niet de facto de normen mag gaan bepalen voor banken die niet onder het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) vallen;

27.  neemt er nota van dat de raad van bestuur van de ECB op 18 mei 2016 de verordening betreffende de invoering van de analytische database voor kredietgegevens (AnaCredit) heeft goedgekeurd; verzoekt de ECB om de nationale centrale banken zoveel mogelijk speelruimte te geven bij de tenuitvoerlegging van AnaCredit;

28.  verzoekt de ECB om, alvorens werkzaamheden te verrichten met het oog op een eventuele verdere ontwikkeling van AnaCredit, een openbare raadpleging te houden, waarbij het Europees Parlement volledig dient te worden betrokken en bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het evenredigheidsbeginsel;

29.  herhaalt het belang van sterke en goed-functionerende IT-systemen die beantwoorden aan de behoeften van de toezichtsfuncties van het GTM en beveiligingsproblemen; betreurt de recente rapporten over aanhoudende zwakke punten in het IT-systeem;

30.  juicht de oprichting van nationale raden voor systeemrisico's toe, maar benadrukt dat de oprichting van de bankenunie de noodzaak bevestigt om het macroprudentieel beleid op Europees niveau te versterken om zo op passende wijze mogelijke grensoverschrijdende overloopeffecten van systeemrisico's aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan een samenhangend en doeltreffend toezicht voor te stellen in haar algemene herziening van het macroprudentieel kader in 2017; roept de Commissie op om uitermate ambitieus te zijn bij het verbeteren van de institutionele en analytische capaciteit van het ESRB om risico's en zwakke plekken in en rondom de bankensector te beoordelen en naar bevind van zaken te interveniëren; is van mening dat op leningen gebaseerde instrumenten (zoals LTV's en DSTI's) moeten worden opgenomen in de Europese wetgeving, teneinde voor harmonisatie van het gebruik van deze aanvullende typen macroprudentiële instrumenten te zorgen; beklemtoont het belang van het verkleinen van de institutionele complexiteit en van het langzame proces van interactie tussen het ESRB, de ECB/GTM en nationale autoriteiten, en tussen bevoegde en aangewezen nationale autoriteiten op het gebied van macroprudentieel toezicht; is in dit verband ingenomen met de reeds geboekte voortgang op het gebied van grensoverschrijdende coördinatie door de ESRB-aanbeveling over vrijwillige wederkerigheid; dringt nogmaals aan op verduidelijking van de verbanden tussen het macroprudentieel kader en de bestaande microprudentiële instrumenten, teneinde voor een doeltreffende onderlinge interactie te zorgen; uit zijn bezorgdheid over de door het ESRB vastgestelde kwetsbaarheden in de vastgoedsector; stelt vast dat de EBA er nog steeds niet in is geslaagd technische reguleringsnormen vast te stellen voor de voorwaarde van kapitaalvereisten voor hypotheekposities op grond van artikel 124, lid 4, onder b), en artikel 164, lid 6, van de VKV; neemt er nota van dat tot nu toe slechts een klein aantal GTM-leden algemene systemische risicobuffers en een anticyclische kapitaalbuffer heeft geactiveerd of voornemens is dit te doen; merkt op dat de ECB tot nu toe nog niet volledig gebruik heeft gemaakt van haar macro-economische toezichthoudende bevoegdheden door de aanname van macroprudentiële toezichtsinstrumenten door nationale autoriteiten te bevorderen;

31.  beklemtoont dat het resultaat van het referendum over het EU-lidmaatschap van het VK een beoordeling noodzakelijk maakt van het gehele Europese stelsel van financieel toezicht (ESFS), met inbegrip van de stemmodaliteiten binnen de Europese toezichthoudende autoriteiten, met name van de dubbelemeerderheidsmechanismen zoals bedoeld in artikel 44, lid 1, van de EBA-verordening; beklemtoont dat eventuele onderhandelingen na het referendum niet tot ongelijke randvoorwaarden tussen financiële instellingen van de EU enerzijds en van buiten de EU anderzijds mogen leiden, en niet mogen worden gebruikt om tot meer deregulering in de financiële sector te komen;

32.  is ingenomen met de uitstekende werkzaamheden van de gezamenlijke toezichtsteams (GTT's), die een goed voorbeeld vormen van Europese samenwerking en kennisopbouw; wijst erop dat het voorgestelde toekomstige gebruik van een rotatiesysteem bij de organisatie van GTT's objectief toezicht moet garanderen, terwijl rekening wordt gehouden met het langdurige proces van kennisopbouw op dit zeer complexe deskundigheidsgebied;

33.  is er verheugd over dat de bankenunie de "home-host"-kwestie bij het toezicht op de oprichting van één enkele toezichthouder in grote mate heeft weggenomen en de uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten aanzienlijk heeft verbeterd, waardoor een holistischer toezicht mogelijk is op grensoverschrijdende bankengroepen; benadrukt dat als gevolg van de huidige onvoltooide status van de bankenunie, de CRR-beoordeling op het gebied van liquiditeit en kapitaalconcessies op passende wijze rekening moet houden met zorgen op het gebied van consumentenbescherming in gastlanden;

34.  is verheugd over het initiatief van de ECB om onder toezicht staande banken te verplichten omvangrijke cyberaanvallen te rapporteren via een realtime-waarschuwingsdienst, alsook over de inspecties ter plaatse door het GTM om toezicht te houden op cyberveiligheid; roept op tot de oprichting van een juridisch kader dat de uitwisseling van gevoelige informatie die van belang is cyberaanvallen tussen banken te voorkomen, vereenvoudigt;

35.  benadrukt de cruciale rol van cyberveiligheid voor bankdiensten en de noodzaak om financiële instellingen te stimuleren zeer ambitieus te zijn bij de bescherming van consumentengegevens en cyberveiligheid te garanderen;

36.  merkt op dat het GTM de taak van Europees toezicht op banken kreeg toegewezen om de naleving te verzekeren van de prudentiële voorschriften van de EU en financiële stabiliteit te waarborgen, terwijl andere toezichthoudende taken met duidelijke Europese overloopeffecten in handen van nationale toezichthouders zijn gebleven; benadrukt in dit verband dat het GTM zou moeten beschikken over controlebevoegdheden met betrekking tot activiteiten op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken van nationale toezichthouders voor banken; benadrukt dat de EBA tevens aanvullende bevoegdheden zou moeten krijgen op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken, waaronder de bevoegdheid om ter plaatse beoordelingen uit te voeren bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, om de overlegging te gelasten van informatie die van belang is voor de beoordeling van de naleving, om aanbevelingen voor corrigerende maatregelen uit te geven, om deze aanbevelingen openbaar te maken en om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de aanbevelingen op doeltreffende wijze ten uitvoer worden gelegd;

37.  herhaalt zijn oproep aan de EBA om het consumentenbeschermingskader voor bankdiensten overeenkomstig haar mandaat te handhaven en te verbeteren, ter aanvulling van het prudentiële toezicht door het GTM;

Afwikkeling

38.  herinnert eraan dat bij toekomstige bankencrisissen de staatssteunregels in acht moeten worden genomen, en wijst erop dat de uitzondering van buitengewone overheidssteun zowel van anticiperende, als tijdelijke aard moet zijn en niet gebruikt mag worden om verliezen goed te maken die een instelling heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden; roept op tot de vaststelling van doelgerichte procedures tussen de GAR en de Commissie voor besluitvorming in het geval van een afwikkeling, met name betreffende het tijdsbestek; is van oordeel dat de in het huidige kader ingebouwde flexibiliteit moet worden verduidelijkt, en is van oordeel dat deze ook beter moet worden gebruikt voor het aanpakken van specifieke situaties, zonder de daadwerkelijke afwikkeling van insolvente banken te verhinderen, met name de preventieve en alternatieve maatregelen waarbij middelen van depositogarantiestelsels worden gebruikt, zoals vermeld in artikel 11, leden 3 en 6, van de richtlijn depositogarantiestelsels; verzoekt de Commissie dan ook haar interpretatie van de desbetreffende staatssteunregels te herzien, teneinde ervoor te zorgen dat de preventieve en alternatieve maatregelen die de Europese wetgever met de richtlijn inzake de depositogarantiestelsels beoogde ook daadwerkelijk kunnen worden toegepast; merkt op dat specifieke situaties verschillend zijn behandeld zonder duidelijke rechtvaardiging; herinnert de Commissie eraan dat een verslag ter beoordeling van de voortdurende behoefte aan mogelijke preventieve herkapitalisaties en de voorwaarden gekoppeld aan dergelijke maatregelen op 31 december 2015 voltooid had moeten zijn; roept de Commissie op een dergelijk verslag alsnog zo snel mogelijk in te dienen;

39.  nodigt de Commissie uit in het licht van opgedane ervaring en in het kader van de evaluatie van Verordening (EU) nr. 806/2014 te beoordelen of de GAR en de nationale afwikkelingsautoriteit zijn uitgerust met toereikende vroegtijdige-interventiebevoegdheden en toereikende instrumenten voor vroegtijdige interventie om verstorende uitstroom van kapitaal en verliesabsorptiecapaciteit van banken tijdens een crisis te voorkomen;

40.  benadrukt het belang van het verduidelijken van een aantal praktische kwesties die rechtstreeks van invloed zijn op afwikkeling, zoals het vertrouwen op dienstverleners die essentiële diensten verlenen, bijvoorbeeld bij de uitbesteding van IT-diensten;

41.  neemt nota van de voorstellen van de Commissie betreffende de invoering in pijler 1 van een minimale totale verliesabsorptiecapaciteit (Total Loss Absorbing Capacity –TLAC) voor wereldwijd belangrijke systeembanken, overeenkomstig internationale normen; neemt nota van de verschillen tussen de TLAC en het MREL; beklemtoont evenwel dat beide normen hetzelfde beogen, te weten ervoor zorgen dat banken over voldoende eigen kapitaal en verliesabsorberende passiva beschikken om bail-in tot een doeltreffend instrument bij een afwikkeling te maken zonder tot financiële instabiliteit te leiden en zonder een beroep op overheidsgelden te moeten doen, waarmee de vermaatschappelijking van particuliere banken wordt vermeden; concludeert dan ook dat middels een combinatie van deze twee normen tot een holistische aanpak van verliesabsorptie kan worden gekomen, waarbij de TLAC-norm zoals bedoeld in het huidige voorstel van de Commissie als minimumnorm wordt genomen, op voorwaarde dat de medewetgevers hierover tot overeenstemming kunnen komen; beklemtoont dat goed moet worden nagedacht over het behouden van de twee criteria voor omvang-gewogen activa en voor risico-gewogen activa, en wijst op het verband tussen het criterium voor risico-gewogen activa dat aan de TLAC-norm ten grondslag ligt en de lopende werkzaamheden in de EU en in het Bazels Comité op het gebied van interne modellen en de afronding van het Bazel III-kader; benadrukt dat er bij het kalibreren en/of gefaseerd invoeren van de nieuwe MREL-vereisten passende aandacht moet worden besteed aan de noodzaak een markt te creëren voor passiva die in aanmerking komen voor het MREL; beklemtoont dat het belangrijk is manoeuvreerruimte te behouden voor de afwikkelingsautoriteit bij het vaststellen van het MREL, en dat ervoor moet worden gezorgd dat banken voldoende achtergestelde leningen en voor bail-in in aanmerking komende schuld; benadrukt dat openbaarmaking op passende wijze moet plaatsvinden om verkeerde interpretatie van de MREL-vereisten door beleggers te voorkomen;

42.  geeft aan dat het belangrijk is in de wetgeving vast te leggen waar voor MREL in aanmerking komende CET1 en kapitaalbuffers zich in de pikorde bevinden; benadrukt de noodzaak van het vaststellen van wetgeving ter verduidelijking van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van afwikkelings-, respectievelijk bevoegde autoriteiten voor het nemen van vroegtijdige-interventiemaatregelen in geval van schending van de MREL-vereisten; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de vaststelling van MREL-richtsnoeren; herhaalt dat de kalibratie van het MREL in alle gevallen nauw gekoppeld moet zijn aan en gerechtvaardigd moet worden door de strategie voor de afwikkeling van de bank in kwestie;

43.  geeft aan dat het belangrijk is in de wetgeving te verduidelijken dat voor het MREL in aanmerking komende CET1 een aanvulling vormt op kapitaalbuffers, teneinde dubbeltelling van kapitaal te voorkomen;

44.  onderstreept dat het essentieel is de hiërarchie van claims bij bankinsolventies in alle lidstaten te harmoniseren, teneinde de tenuitvoerlegging van de BRRD consistenter en doeltreffender te maken, en zekerheid te verschaffen aan grensoverschrijdende beleggers; is derhalve ingenomen met het voorstel van de Commissie om verder te gaan bij de harmonisatie van de hiërarchie van claims; merkt op dat een betere harmonisatie van de reguliere insolventieregeling en van de hiërarchie van claims ook van essentieel belang is, zowel, in het geval van banken, voor het vermijden van discrepanties met de regeling voor de afwikkeling van banken, als, in het geval van ondernemingen, voor het bieden van aanvullende duidelijkheid en zekerheid aan grensoverschrijdende beleggers en om bij te dragen aan de aanpak van het probleem van oninbare leningen; is verheugd over het feit dat de BRRD een belangrijke verandering teweeg heeft gebracht in de hiërarchie van insolventie, waarbij voorrang wordt verleend aan verzekerde deposito's, zodat zij in de pikorde als hoogste van alle kapitaalinstrumenten, verliesabsorptiecapaciteit, andere niet-achtergestelde schulden en niet-verzekerde deposito's eindigen; roept de GAR op tot openbaarmaking van de resultaten van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen voor G-SIB's en andere banken, waaronder de voorgestelde maatregelen om belemmeringen voor de afwikkeling te ondervangen;

45.  wijst op de waaier aan opties die ter beschikking staat om de subordinatie van voor TLAC in aanmerking komende schuld te garanderen; wijst erop dat de FSB aan geen van deze opties de voorkeur geeft; is van oordeel dat moet worden gekozen voor een aanpak die eerst en vooral voor evenwicht zorgt tussen flexibiliteit, doeltreffendheid, juridische zekerheid en de mogelijkheid van de markt om nieuwe schuldklassen te absorberen;

46.  roept op tot reflectie over de mogelijke negatieve gevolgen voor de reële economie van de herziening van de Bazel-voorschriften, de invoering van MREL-vereisten, de invoering van TLAC en IFRS 9; roept op tot een oplossing die is gericht op het verzachten van de gevolgen;

47.  herinnert eraan dat de recent ingevoerde afwikkelingsregeling ertoe heeft geleid dat aan beleggers, en met name retailbeleggers, instrumenten worden aangeboden die een hoger risico op verlies met zich meebrengen dan onder de vorige regeling het geval was; herinnert er daarnaast aan dat instrumenten voor een bail-in in de eerste plaats uitsluitend verkocht mogen worden aan geschikte beleggers, die potentiële verliezen kunnen absorberen zonder dat dit hun eigen solide financiële positie in gevaar brengt; verzoekt de Commissie dan ook met klem erop toe te zien dat de desbetreffende bestaande wetgeving daadwerkelijk wordt toegepast, en vraagt de Europese toezichthoudende autoriteiten ambitieus te zijn bij de opsporing van misleidende verkooppraktijken;

48.  waarschuwt dat het BRRD-vereiste van contractuele erkenning voor 'bail-in'-bevoegdheden betreffende passiva die onder een niet-EU-wetgeving vallen, in de praktijk moeilijk af te dwingen is; is van mening dat deze kwestie onmiddellijk moet worden aangepakt; neemt nota van het recht van bevoegde autoriteiten om af te zien van dit vereiste dat wordt ingevoerd door de voorgestelde wijzigingen van de BRRD; is van mening dat deze aanpak flexibiliteit en een beoordeling per geval van de betreffende activa mogelijk maakt; roept de Commissie en de afwikkelingsautoriteiten op te waarborgen dat de voorwaarden voor het verlenen van vrijstellingen en de uiteindelijke definitieve beslissingen over vrijstellingen geen gevaar vormen voor de afwikkelbaarheid van banken;

49.  geeft aan dat een snelle en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen toezichts- en afwikkelingsautoriteiten een "conditio sine qua non" is voor goed crisisbeheer; is er verheugd over dat de ECB en het GAM een Memorandum of Understanding zijn overeengekomen over samenwerking en informatie-uitwisseling; roept de ECB op in het memorandum van overeenstemming de communicatieprocedures te specificeren tussen gezamenlijke toezichtsteams en interne afwikkelingsteams; raadt aan om de aanwezigheid van de ECB als permanente waarnemer tijdens de plenaire en besloten vergaderingen van de GAR volledig wederzijds te maken, zodat een vertegenwoordiger van de GAR ook de raad van toezicht van de ECB als permanente waarnemer kan bijwonen;

50.  neemt kennis van de dubbele rol van de leden van de GAR-raad, die tegelijkertijd leden van een uitvoerend orgaan met besluitvormingstaken zijn en leidinggevende functionarissen die in die hoedanigheid verantwoording verschuldigd zijn aan de voorzitter van de raad, en is van mening dat deze structuur voor het einde van het huidige mandaat moet worden geëvalueerd;

51.  herinnert eraan dat de inhoud van het interinstitutioneel akkoord betreffende het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) uiteindelijk in het wetgevingskader van de Unie moet worden opgenomen; vraagt de Commissie erover na te denken wat hiervoor de beste manier is; onderstreept dat de geplande opname van het fiscal compact in het EU-recht hier als voorbeeld zou kunnen dienen;

52.  verzoekt de voorafgaande bijdragen aan het GAF op volledig transparante wijze te berekenen, waarbij wordt getracht informatie over de resultaten van de berekening te harmoniseren en het begrip van de rekenmethodologie te verbeteren; verzoekt de Commissie de evaluatie van de berekening van de bijdragen aan het GAF, waarvan sprake is in overweging 27 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren en daarbij met name de geschiktheid van de risicofactor te controleren, teneinde ervoor te zorgen dat het risicoprofiel van minder complexe instellingen op passende wijze wordt weerspiegeld;

53.  neemt nota van de verklaring van de ministers van Financiën van 8 december 2015 over het stelsel van overbruggingsfinancieringsregelingen voor het GAF; merkt in dit verband op dat 15 van de 19 lidstaten uit de eurozone al een geharmoniseerde leningsovereenkomst hebben gesloten met de GAR; herinnert eraan dat deze afzonderlijke kredietlijnen slechts beschikbaar zijn als laatste toevlucht; is van oordeel dat dit niet volstaat om een eind te maken aan de vicieuze 'banken-staatsschuld'-cirkel en aan door de belastingbetaler gefinancierde bail-outs; vindt dat snel vooruitgang moet worden geboekt bij de werkzaamheden op het niveau van de Raad en de Commissie voor een gemeenschappelijk vangnet voor het GAF en dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de financiering daarvan bij het bankwezen moet liggen én op de middellange termijn begrotingsneutraal moet zijn, zoals overeengekomen in het akkoord over het GAF en bevestigd door de Europese Raad in juni 2016;

Depositogarantie

54.  herhaalt zijn oproep voor een derde pijler voor de voltooiing van de bankenunie; herinnert eraan dat de bescherming van deposito's een gemeenschappelijke kwestie is voor alle burgers van de EU; voert op dit moment op commissieniveau een debat over het EDIS-voorstel;

55.  beklemtoont dat de introductie van het EDIS en de gesprekken over dit project er niet in mogen resulteren dat de inspanningen gericht op het verbeteren van de tenuitvoerlegging van het DGSD op een lager pitje komen te staan; juicht het recente werk van de EBA gericht op convergentie op dit vlak toe; is verheugd dat alle lidstaten de BRRD in hun nationale wetgeving hebben omgezet; herinnert alle lidstaten aan de verplichting de BRRD en de DGSD toe te passen en op correcte wijze ten uitvoer te leggen;

56.  wijst erop dat de rol van de Commissie is om gelijke randvoorwaarden in de EU te creëren en dat zij moet voorkomen dat de interne markt versnipperd raakt;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, ECB, de GAR, de nationale parlementen en de bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in punt 40 van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.
(2) http://www.consilium.europa.eu/en/european-council/pdf/20120629-euro-area-summit-statement-en_pdf
(3) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(4) PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1.
(5) https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/ssmar2015.en.pdf
(6) getiteld 'Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – een goede start maar verdere verbeteringen nodig', http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR16_29/SR_SSM_NL.pdf
(7) PB L 78 van 24.3.2016, blz. 60.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0439.
(10) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(11) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.
(12) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(13) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.
(14) PB L 237 van 3.9.2016, blz. 1.
(15) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149.
(16) Onafhankelijke jaarlijkse groeianalyse 2017, 5e verslag, 23 november 2016.


Biologische pesticiden met een laag risico
PDF 180kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico (2016/2903(RSP))
P8_TA(2017)0042B8-0140/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG(1) van de Raad, en met name de artikelen 22 en 47, artikel 66, lid 2, en bijlage II, punt 5,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(2), en met name de artikelen 12 en 14,

–  gezien de ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen wat betreft de criteria voor de goedkeuring van werkzame stoffen met een laag risico (D046260/01),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over technologische oplossingen voor duurzame landbouw in de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(4),

–  gezien het door de deskundigengroep over duurzame gewasbescherming opgestelde en op 28 juni 2016 door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te vergroten en de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de lidstaten te versnellen,

–  gezien het Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie (COM(2011)0748) en het geplande Actieplan tegen antimicrobiële resistentie dat in 2017 door de Commissie zal worden gepresenteerd,

–  gezien de vraag aan de Commissie over biologische pesticiden met een laag risico (O-000147/2016 – B8-1821/2016),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het gebruik van conventionele gewasbeschermingsmiddelen in toenemende mate ter discussie komt te staan wegens de risico's die zij inhouden voor de menselijke gezondheid, dieren en het milieu;

B.  overwegende dat op de EU-markt steeds minder werkzame stoffen voor gewasbescherming verkrijgbaar zijn; overwegende dat EU-boeren nog steeds een verscheidenheid aan middelen voor gewasbescherming nodig hebben;

C.  overwegende dat de ontwikkeling van alternatieve procedés of technieken moet worden bevorderd om de afhankelijkheid van conventionele pesticiden te verminderen;

D.  overwegende dat het voorkomen van voedselverspilling een prioriteit is in de EU, en dat toegang tot passende oplossingen voor de bescherming van gewassen van cruciaal belang is voor het voorkomen van schade als gevolg van plagen en ziekten die tot voedselverspilling leiden; overwegende dat volgens de FAO 20 % van de fruit- en voedselproductie in Europa op de akkers verloren gaat(5);

E.  overwegende dat er nog altijd ongewenste residuen van pesticiden te vinden zijn in de bodem, in het water en in het milieu in het algemeen, en dat zelfs een bepaald percentage van de landbouwproducten met een plantaardige of dierlijke oorsprong residuen van pesticiden kan bevatten boven het maximumresidugehalte voor pesticiden;

F.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 criteria ter herkenning van risicoarme stoffen hanteert die niet de oorsprong van de stof gelden, zodat een pesticide “met een laag risico” evengoed biologisch als synthetisch van oorsprong kan zijn;

G.  overwegende dat onder pesticiden van biologische oorsprong in het algemeen wordt verstaan gewasbeschermingsproducten op basis van micro-organismen, plantaardige stoffen, biologisch gewonnen stoffen of signaalstoffen (zoals feromonen en diverse essentiële oliën) met de nevenproducten; overwegende dat het huidige regelgevingskader voor gewasbeschermingsmiddelen(6) geen juridisch onderscheid kent tussen biologische en synthetische chemische, gewasbeschermingsmiddelen;

H.  overwegende dat recente wetenschappelijke studies aantonen dat subletale blootstelling aan bepaalde herbiciden negatieve veranderingen van de antibioticagevoeligheid van bacteriën(7) kan veroorzaken en dat een combinatie van een intensief gebruik van herbiciden en antibiotica in de nabijheid van boerderijdieren en insecten kan leiden tot een groter gebruik van antibiotica doordat de therapeutische effecten van deze antibiotica worden ondermijnd;

I.  overwegende dat risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong een bruikbaar alternatief kunnen bieden voor conventionele gewasbeschermingsmiddelen, zowel voor conventionele als voor bioboeren, en een bijdrage kunnen leveren aan een duurzamere landbouw; overwegende dat sommige gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong op een nieuwe uitwerking berusten, wat heilzaam is in het licht van de voortschrijdende resistentie tegen conventionele gewasbeschermingsmiddelen, en de effecten op niet-doelorganismen beperkt; overwegende dat risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong, samen met andere niet-chemische beheersings- of preventiemethoden, tot de eerste keuze van de niet-professionele gebruiker en hobbyteler zouden moeten behoren;

J.  overwegende dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nodig is om de vraag naar levensmiddelen en veevoer in voldoende mate te kunnen dekken, en dat in de goedkeuringsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen daarvan het voorzorgsbeginsel(8) wordt gehanteerd;

K.  overwegende dat het lange goedkeurings- en registratieproces dat aan de commercialisering van biologische pesticiden met een laag risico voorafgaat, voor de fabrikanten een aanzienlijke economische belemmering vormt;

L.  overwegende dat de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de Unie verplicht is op grond van Richtlijn 2009/128/EG; overwegende dat lidstaten en lokale autoriteiten meer nadruk moeten leggen op duurzaam gebruik van pesticiden, waaronder ook de risicoarme alternatieven voor gewasbescherming;

M.  overwegende dat werkzame stoffen krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 op Unieniveau worden toegelaten, terwijl de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

N.  overwegende dat werkzame stoffen krachtens artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als werkzame stoffen met een laag risico mogen worden toegelaten als zij voldoen aan de algemene goedkeuringscriteria en de in bijlage II, punt 5, vermelde specifieke laagrisicocriteria; overwegende dat ingevolge artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een gewasbeschermingsmiddel dat alleen risicoarme werkzame stoffen bevat, geen andere stof bevat die tot bezorgdheid aanleiding geeft, geen specifieke risicobeperkende maatregelen vereist en voldoende werkzaam is, wordt toegelaten als gewasbeschermingsmiddel met een laag risico;

O.  overwegende dat er momenteel slechts zeven werkzame stoffen – waarvan zes biologisch van oorsprong – zijn ingedeeld als stoffen "met een laag risico" en als zodanig in de EU zijn goedgekeurd; overwegende dat de Commissie in haar vernieuwingsprogramma voorrang geeft aan de beoordeling van werkzame stoffen met een verondersteld laag risico;

P.  overwegende dat producten met risicoarme werkzame stoffen van biologische oorsprong door sommige lidstaten worden geweerd wegens een vermeende geringere doeltreffendheid ten opzichte van synthetische en chemische pesticiden, zonder dat acht wordt geslagen op de voortschrijdende innovatie op gebied van biologische pesticiden met een laag risico, de hulpbronnenefficiëntievoordelen voor de biologische landbouw en de landbouw- en milieukosten van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen;

Q.  overwegende dat het huidige regelingskader bepaalde prikkels biedt voor het gebruik van risicoarme werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen, namelijk een langere eerste goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen met laag risico – namelijk 15 jaar, overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 – en een kortere termijn voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico – namelijk 120 dagen, overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; overwegende dat deze regelgevingsprikkels echter alleen gelden aan het einde van de goedkeuringsprocedure, zodra een werkzame stof eenmaal als risicoarm is ingedeeld;

R.  overwegende dat artikel 12 van Richtlijn 2009/128/EG bepaalt dat het gebruik van pesticiden tot een minimum beperkt moet blijven of moet worden verboden in bepaalde specifieke gebieden, zoals gebieden die door het brede publiek worden gebruikt en beschermde gebieden; overwegende dat in dergelijke gevallen passende risicobeheersmaatregelen moeten worden genomen en dat in eerste instantie het gebruik van risicoarme gewasbeschermingsmiddelen en biologische bestrijdingsmiddelen moet worden overwogen; overwegende dat sommige lidstaten het gebruik van pesticiden in deze specifieke gebieden inmiddels al lang hebben verboden;

S.  overwegende dat de Commissie een ontwerpverordening heeft voorgelegd aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wat betreft de criteria voor de goedkeuring van risicoarme werkzame stoffen; overwegende dat in dit ontwerp wordt aangenomen dat werkzame stoffen in de vorm van micro-organismen een laag risico inhouden;

Algemene overwegingen

1.  benadrukt dat er onverwijld meer risicoarme pesticides, waaronder gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong, in de Unie beschikbaar moeten komen;

2.  benadrukt dat landbouwers een groter instrumentarium voorhanden moeten hebben om hun gewassen te beschermen en te beslissen welke maatregelen hun gewassen het best en het duurzaamst zullen beschermen; moedigt derhalve een breder gebruik aan van verschillende instrumenten, met inbegrip van biologische pesticiden met een laag risico, conform de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming;

3.  benadrukt dat de biologische landbouw in ruimere mate over een instrumentarium voor plaagbestrijding moet kunnen beschikken dat aan de vereisten beantwoordt van zowel biologische landbouw als hulpbronnenefficiëntie;

4.  benadrukt dat aan de vraag van de consument moet worden voldaan naar veilige voedingsmiddelen die zowel betaalbaar zijn als duurzaam geproduceerd;

5.  onderstreept dat het de ontwikkeling en gebruik van nieuwe, risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong ten goede zal komen als de beoordeling ervan op doelmatigheid en risico's, en op geschiktheid voor agrarisch gebruik in ecologisch, sanitair en economisch opzicht, zodanig geschiedt dat landbouwers gewasbescherming van een voldoende hoog niveau wordt geboden;

6.  wijst met nadruk op het belang van een maatschappelijke discussie over introductie van alternatieven voor conventionele pesticiden en van een ruimere keuze aan bestrijdingsmiddelen voor boeren en tuinders, zoals risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong en andere biologische beheersingsmethoden, om uit te komen bij oplossingen die het meest levensvatbaar zijn in termen van milieu, gezondheid en economie; benadrukt dat er voorlichting verstrekt en kennis verspreid moet worden over de noodzaak van duurzame gewasbescherming; spoort aan tot verdere research en innovatie op gebied van risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong;

7.  is ingenomen met het door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan om de beschikbaarheid van risicoarme gewasbeschermingsmiddelen te vergroten en de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de lidstaten te versnellen; roept de lidstaten, de Commissie en de Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het Middellandse Zeegebied (EPPO) op om op de uitvoering van dit plan toe te zien;

Onmiddellijke maatregelen

8.  dringt aan op de snelle goedkeuring van de bij het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingediende ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wat betreft de criteria voor de goedkeuring van risicoarme werkzame stoffen; dringt er bij de Commissie op aan de criteria voortdurend te blijven actualiseren aan de hand van de meest recente wetenschappelijke kennis;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de beoordeling, toelating en registratie van risicoarme gewasbeschermingsmiddelen van biologische oorsprong te versnellen, en daarbij de risicobeoordeling op hoog peil te houden;

10.  verzoekt de lidstaten het gebruik van biologische pesticiden met een laag risico op te nemen in hun nationale actieplannen inzake de bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens;

11.  spoort de lidstaten aan tot uitwisseling van de informatie en de goede praktijken die de onderzoeksresultaten over plantenpestbestrijding opleveren, wat kan leiden tot alternatieve oplossingen die levensvatbaar zijn in termen van milieu, gezondheid en economie;

12.  verzoekt de Commissie de risicoarme substanties op te noemen die nu reeds op de markt zijn;

Herziening van de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen

13.  is verheugd over het initiatief dat de Commissie in 2016 in het kader van het REFIT-programma heeft genomen om Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan een evaluatie te onderwerpen; benadrukt echter dat dit REFIT-initiatief niet mag leiden tot een verlaging van voedselveiligheids- en milieubeschermingsnormen; is zich ervan bewust dat de algehele herziening van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in combinatie met de REFIT-evaluatie ervan wel tien jaar in beslag kan nemen;

14.  benadrukt dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet worden herzien om de ontwikkeling, de toelating en het op de EU-markt brengen van biologische pesticiden met een laag risico te bevorderen; noemt als bezwaar dat het huidige toelatingsproces om gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen minder gunstig uitwerkt voor biologische pesticiden met een laag risico; wijst erop dat het huidige registratieproces voor risicoarme basisstoffen soms de facto de vorm krijgt van een soort octrooi, waardoor het gebruik van een product op basis van diezelfde, maar in een andere lidstaat niet geregistreerde stof wordt bemoeilijkt;

15.  vraagt de Commissie om voor eind 2018 een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, los van de algemene herziening in het kader van het REFIT-initiatief, met het oog op de invoering van een versnelde procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische pesticiden met een laag risico;

16.  wijst op de behoefte aan een definitie van een "gewasbeschermingsmiddel van biologische oorsprong" van Verordening (EG) nr. 1107/2009, waaronder gewasbeschermingsmiddelen vallen met als werkzame stof een micro-organisme of een in de natuur voorkomend molecuul dat via een natuurlijk proces wordt verkregen of op dezelfde wijze als het natuurlijke molecuul is samengesteld, in tegenstelling tot "gewasbeschermingsmiddelen van synthetische chemische oorsprong", zijnde gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stof een synthetisch molecuul is dat niet in de natuur voorkomt, ongeacht de productiewijze;

17.  verzoekt de Commissie in haar verslag over de beoordeling van de nationale actieplannen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, de lacunes in de tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten op te sporen en de lidstaten in dit verslag constructieve aanbevelingen te doen voor het treffen van onmiddellijke maatregelen waarmee zij enerzijds het risico en de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu van het gebruik van pesticiden kunnen verkleinen en anderzijds alternatieve benaderingen of technieken kunnen ontwikkelen en invoeren aan de hand waarvan de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden kan worden teruggedrongen;

o
o   o

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0251.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0252.
(5) FAO (2011) “Global food losses and food waste”.
(6) Het begrip "pesticiden" omvat ook biociden waarop deze resolutie geen betrekking heeft.
(7) bv. Kurenbach B, Marjoshi D, Amábile-Cuevas CF, Ferguson GC, Godsoe W, Gibson P, Heinemann J.A., 2015, "Sublethal exposure to commercial formulations of the herbicides dicamba, 2,4-dichlorophenoxyacetic acid, and glyphosate cause changes in antibiotic susceptibility in Escherichia coli and Salmonella enterica serovar Typhimurium", mBio 6(2):e00009-15. doi:10.1128/mBio.00009-15.
(8) Artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Juridische mededeling