Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 februari 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De situatie op het gebied van de mensenrechten en democratie in Nicaragua, de kwestie Francisca Ramirez
 Executies in Koeweit en Bahrein
 Guatemala, in het bijzonder de situatie van mensenrechtenactivisten
 Terrorismebestrijding ***I
 Aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen ***I
 Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen met betrekking tot het huidige institutionele bestel van de Europese Unie
 Verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon
 Begrotingscapaciteit voor de eurozone
 Civielrechtelijke bepalingen over robotica
 Europees cloudinitiatief
 Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen
 Een luchtvaartstrategie voor Europa
 Vertraagde uitvoering van operationele programma's ESI-fondsen - effect op cohesiebeleid en de verdere voortgang

De situatie op het gebied van de mensenrechten en democratie in Nicaragua, de kwestie Francisca Ramirez
PDF 257kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over de situatie op het gebied van de mensenrechten en democratie in Nicaragua – de kwestie Francisca Ramirez (2017/2563(RSP))
P8_TA(2017)0043RC-B8-0156/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande resoluties over Nicaragua, met name die van 18 december 2008 over aanvallen op verdedigers van mensenrechten, burgerlijke vrijheden en democratie in Nicaragua(1), en die van 26 november 2009(2),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 16 augustus 2016 over het recente rechterlijke besluit in Nicaragua om leden van het parlement te ontslaan, en de verklaring van de VV/HV van 19 november 2016 over de eindresultaten van de verkiezingen in Nicaragua,

–  gezien het verslag van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie naar Nicaragua over de wetgevende en presidentsverkiezingen van 6 november 2011,

–  gezien de verklaring van het secretariaat-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van 16 oktober 2016 over het verkiezingsproces in Nicaragua,

–  gezien het verslag van het secretariaat-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten en Nicaragua van 20 januari 2017,

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen van Midden-Amerika van 2012, die in augustus 2013 in werking is getreden, met inbegrip van de mensenrechtenclausules,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenactivisten van juni 2004,

–  gezien de richtsnoeren voor het EU-grondbeleid van 2004 ter sturing van de ontwikkeling van het grondbeleid en de programmering in ontwikkelingslanden,

–  gezien de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers van december 1998,

–  gezien de verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP),

–  gezien het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen van de Internationale Arbeidsorganisatie (Verdrag nr. 169 van de IAO) uit 1989, dat door Nicaragua werd geratificeerd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de ontwikkeling en consolidering van de democratie en de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden integraal deel moeten uitmaken van het extern beleid van de EU, met inbegrip van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen van Midden-Amerika van 2012;

B.  overwegende dat democratie en de rechtsstaat in Nicaragua de voorbije jaren zijn verslechterd;

C.  overwegende dat Nicaragua in 2013 Wet 840 heeft aangenomen, waardoor aan een Chinees privé-bedrijf, HK Nicaragua Canal Development Investment Company Ltd (HKND), een concessie van 100 jaar wordt gegeven voor een kanaal door Nicaragua dat de oceanen verbindt;

D.  overwegende dat deze wet HKND de bevoegdheid gaf land te onteigenen en dat het bedrijf werd vrijgesteld van lokale belastingen en handelsreguleringen; overwegende dat aan HKND tevens werd gegarandeerd dat er geen criminele sanctie zou zijn voor contractbreuk;

E.  overwegende dat tussen 27 november en 1 december 2016 manifestanten vanuit heel Nicaragua in de hoofdstad zijn bijeengekomen om de bouw van het kanaal dat de oceanen verbindt, een megaproject waardoor duizenden kleine boeren en inheemse volkeren in de gebieden langs het kanaalproject worden ontheemd, af te wijzen alsook het gebrek aan transparantie tijdens de presidentsverkiezingen van 6 november 2016 aan de kaak te stellen; overwegende dat mensenrechtenverdedigers meldden dat de politie traangas en rubberen en loden kogels heeft gebruikt tegen de demonstranten;

F.  overwegende dat geen milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd en dat, in strijd met IAO-verdrag 169, de inheemse bevolking niet op voorhand werd geraadpleegd; overwegende dat het voorgestelde traject van het kanaal door land van de inheemse volkeren zal gaan en tussen 30 000 en 120 000 inheemse bewoners zou verdrijven;

G.  overwegende dat wetenschappelijke organisaties de alarmbel hebben geluid, omdat het kanaal het Meer van Nicaragua dwars zou doorsnijden en zo de grootste zoet waterbron van Midden-Amerika in gevaar zou brengen; overwegende dat wetenschappelijke organisaties aan de Nicaraguaanse regering hebben gevraagd het project op te schorten totdat onafhankelijke studies afgerond zijn en openbaar worden besproken;

H.  overwegende dat Francisca Ramirez, coördinator van de nationale raad ter verdediging van het land, het meer en de soevereiniteit, in december 2016 een formele klacht indiende met betrekking tot daden van repressie en agressie in Nueva Guinea; overwegende dat Francisca Ramirez werd geïntimideerd en willekeurig vastgehouden en dat haar familieleden met geweld werden aangevallen uit wraak voor haar activisme;

I.  overwegende dat journalisten in Nicaragua met pesterijen, intimidatie en arrestatie worden geconfronteerd en met de dood werden bedreigd;

J.  overwegende dat het bezoek van Michel Forst, de speciale VN-rapporteur over de situatie van mensenrechtenverdedigers, aan Nicaragua in augustus 2016 werd geannuleerd ten gevolge van door de Nicaraguaanse regering opgelegde obstakels;

K.  overwegende dat de strikte uitsluiting van kandidaten van de oppositie aantoont dat de voorwaarden voor vrije en eerlijke verkiezingen duidelijk ontbraken en dat de vrijheid van vereniging, politieke concurrentie en pluralisme ernstig worden ondermijnd;

L.  overwegende dat de speciaal rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten in het kader van een procedure voor de universele periodieke doorlichting van 2014 de aandacht vestigde op benoemingen van rechters bij het hooggerechtshof, die onder sterke invloed van de politiek staan; overwegende dat in 2013 de wet op een niet-transparante wijze werd omzeild om constitutionele wijzigingen door te voeren waardoor de president herverkozen kon worden; overwegende dat artikel 147 van de grondwet van Nicaragua verbiedt dat personen die door bloedband of door affiniteit met de president verbonden zijn, zich kandidaat stellen voor de functie van president of vice-president;

M.  overwegende dat corruptie in de openbare sector, waaronder door verwanten van de president, een van de grootste uitdagingen blijft; overwegende dat omkoping van ambtenaren, onwettige inbeslagname en willekeurige beoordelingen door douane- en belastingsautoriteiten zeer vaak voorkomen;

1.  uit zijn bezorgdheid over de gestaag verslechterende mensenrechtensituatie in Nicaragua en betreurt het dat mensenrechtenorganisaties en hun leden en onafhankelijke journalisten het slachtoffer zijn geweest van aanvallen en pesterijen van personen, politieke krachten en aan de staat gelinkte organen;

2.  dringt er bij de regering op aan geen intimidatie en represaillemaatregelen te gebruiken tegen Francisca Ramirez en andere mensenrechtenverdedigers voor de uitvoering van hun legitieme werk; vraagt de Nicaraguaanse autoriteiten een eind te maken aan de straffeloosheid van daders van misdaden tegen mensenrechtenverdedigers; steunt het recht van milieu- en mensenrechtenverdedigers om hun onvrede te uiten zonder represailles; vraagt Nicaragua daadwerkelijk een onafhankelijke milieueffectbeoordeling te starten alvorens verdere stappen te ondernemen en het hele proces openbaar te maken;

3.  vraagt de regering van Nicaragua haar internationale verplichtingen op het vlak van mensenrechten na te komen, in het bijzonder de in 2008 ondertekende verklaring van de VN over de rechten van inheemse volkeren en IAO-verdrag 169;

4.  vraagt de regering van Nicaragua het land van inheemse volkeren te beschermen tegen de impact van enorme ontwikkelingsprojecten die het levensondersteunend vermogen van hun grondgebieden aantasten, inheemse samenlevingen in conflictsituaties brengen en hen aan de praktijk van geweld blootstellen;

5.  is uiterst bezorgd over het ontslag van de oppositieleden uit de nationale vergadering van Nicaragua en de beslissing waardoor de leiderschapsstructuur van de oppositiepartij is gewijzigd;

6.  dringt er bij Nicaragua op aan democratische waarden, zoals de scheiding der machten, volledig te eerbiedigen en de positie van alle politieke oppositiepartijen te herstellen door kritische stemmen in het politieke stelsel en de samenleving in het algemeen toe te laten; herinnert eraan dat de volledige participatie van de oppositie, de depolarisering van de rechterlijke macht, het einde van de straffeloosheid en een onafhankelijk maatschappelijk middenveld essentiële factoren zijn voor het succes van een democratie;

7.  herinnert aan de illegale maatregelen die in strijd met het rechtsstelsel werden genomen om de grondwet te wijzigen teneinde de beperkingen van de presidentiële ambtstermijnen op te heffen, waardoor Daniel Ortega jaren aan de macht kon blijven;

8.  wijst erop dat de instellingen van de Europese Unie en de Organisatie van Amerikaanse staten veel kritiek hebben geuit op onregelmatigheden tijdens de verkiezingen in 2011 en 2016; wijst erop dat er momenteel een dialoogproces met de Organisatie van Amerikaanse staten loopt en dat tegen 28 februari 2017 een memorandum van overeenstemming moet worden getekend, waardoor de situatie kan verbeteren;

9.  herhaalt dat de vrijheid van pers en media essentiële onderdelen van een democratie en een open samenleving vormen; vraagt de Nicaraguaanse autoriteiten de pluraliteit van de media te herstellen;

10.  wijst erop dat Nicaragua er, gezien de onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen van Midden-Amerika, aan moet worden herinnerd dat het de beginselen van de rechtsstaat, democratie en mensenrechten, die door de Europese Unie nageleefd en bevorderd worden, moet eerbiedigen; dringt er bij de EU op aan de situatie op de voet te volgen en te beoordelen welke maatregelen moeten worden genomen;

11.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse staten, de Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering, het Midden-Amerikaans parlement en de regering en het parlement van de Republiek Nicaragua.

(1) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 89.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 74.


Executies in Koeweit en Bahrein
PDF 171kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over executies in Koeweit en Bahrein (2017/2564(RSP))
P8_TA(2017)0044RC-B8-0150/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 4 februari 2016 over de zaak van Mohammed Ramadan(1) en die van 7 juli 2016 over Bahrein(2), en zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(3),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 15 januari 2017 over de in Bahrein uitgevoerde executies en die van 25 januari 2017 over de recente executies in Koeweit,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die VV/HV Federica Mogherini, namens de EU, en Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, op 10 oktober 2015 hebben afgelegd ter gelegenheid van de Europese dag en de Werelddag tegen de doodstraf,

–  gezien de verklaring van 25 januari 2017 van Agnes Callamard, speciaal VN-rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies, en Nils Melzer, speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarin zij de regering van Bahrein dringend oproepen met nieuwe executies te stoppen, en gezien de verklaring van 17 januari 2017 van Rupert Colville, woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, over Bahrein,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien artikel 2 van het Europese Mensenrechtenverdrag en de bijbehorende protocollen 6 en 13,

–  gezien de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie, haar lidstaten en de lidstaten van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (GCC) van 1988,

–  gezien de conclusies van de 25e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst EU-GCC van 18 juli 2016,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de uitvoering van de doodstraf, met name die van 18 december 2014 en de meest recente van 19 december 2016,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, waarbij Koeweit en Bahrein allemaal partij zijn,

–  gezien de waarborgen ter bescherming van de rechten van degenen die ter dood veroordeeld kunnen worden, die door de Economische en Sociale Raad bij resolutie 1984/50 van 25 mei 1984 zijn goedgekeurd,

–  gezien de slotopmerkingen over het derde periodieke verslag over Koeweit van het Mensenrechtencomité van de VN van 11 augustus 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 15,

–  gezien het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), met name artikel 18 daarvan en het tweede facultatieve protocol daarbij over de doodstraf, en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het VN-Verdrag van 1954 betreffende de status van statelozen en dat van 1961 tot beperking der stateloosheid,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) meer dan 160 lidstaten van de VN, met uiteenlopende rechtsstelsels, tradities, culturen en religieuze achtergronden, de doodstraf hebben afgeschaft of niet meer toepassen;

B.  overwegende dat de Koeweitse autoriteiten op 25 januari 2017 zeven mensen, onder wie een lid van de koninklijke familie, hebben terechtgesteld, namelijk Mohammad Shahed Mohammad Sanwar Hussain, Jakatia Midon Pawa, Amakeel Ooko Mikunin, Nasra Youseff Mohammad al-Anzi, Sayed Radhi Jumaa, Sameer Taha Abdulmajed Abduljaleel en Faisal Abdullah Jaber Al Sabah, van wie de meesten wegens moord veroordeeld waren; overwegende dat zich onder de gevangenen vijf buitenlanders bevonden: twee Egyptenaren, een Bengalees, een Filipijnse en een Ethiopische, en dat drie van hen vrouwen waren; overwegende dat de executies de eerste in het land waren sinds 2013, toen de Koeweitse autoriteiten vijf mensen terechtstelden na een moratorium van zes jaar;

C.  overwegende dat het "Gulf Centre for Human Rights" en andere mensenrechtenorganisaties in het Koeweitse strafrechtsysteem schendingen van een behoorlijke rechtsgang hebben vastgesteld waardoor het voor aangeklaagden moeilijk is een eerlijk proces te krijgen; overwegende dat buitenlands huispersoneel bijzonder kwetsbaar is omdat het geen sociale en juridische bescherming geniet;

D.  overwegende dat Bahrein op 15 januari 2017 Ali Al-Singace, Abbas Al-Samea en Sami Mushaima door een vuurpeloton heeft laten terechtstellen, na een moratorium van zes jaar;

E.  overwegende dat de executies volgens het OHCHR een ernstige schending van de normen voor een eerlijke rechtsgang vormden; overwegende dat de drie mannen werden beschuldigd van een bomaanslag in Manama in 2014, waarbij verscheidene doden vielen, onder wie drie politieagenten; overwegende dat ze echter alle drie gefolterd zouden zijn om bekentenissen af te dwingen, die nadien als voornaamste bewijs voor hun veroordeling werden gebruikt; overwegende dat hun nationaliteit hun werd ontnomen, dat ze geen toegang tot een advocaat kregen en dat ze minder dan een week na het vonnis werden terechtgesteld zonder dat hun familie vooraf werd ingelicht en zonder dat ze de kans kregen om genade te vragen;

F.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies deze terechtstellingen als "buitengerechtelijke executies" bestempelde omdat de drie mannen het in artikel 14 van het ICCPR neergelegde recht op een eerlijk proces werd ontzegd;

G.  overwegende dat het OHCHR stelde dat het "ontzet" was over de executies en dat er "ernstige twijfels" bestonden of de mannen wel een eerlijk proces kregen;

H.  overwegende dat twee andere mannen, Mohammad Ramadan en Hussein Moussa, ook ter dood veroordeeld zijn in Bahrein; overwegende dat beide mannen beweren gefolterd te zijn om ten onrechte halsmisdrijven te bekennen, en dat ze elk moment terechtgesteld kunnen worden;

I.  overwegende dat de Bahreins-Deense staatsburger Abdulhadi al-Khawaja, een oprichter en directeur van het "Gulf Center for Human Rights", en Khalil Al Halwachi, een wiskundeleraar die vroeger in Zweden woonde, in de gevangenis zitten op beschuldiging van vreedzame meningsuiting;

1.  betreurt ten zeerste het besluit van Koeweit en Bahrein om opnieuw de doodstraf toe te passen; veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan;

2.  vraagt Zijne Majesteit sjeik Hamad bin Isa Al Khalifa van Bahrein om de executie van Mohamed Ramadan en Hussein Moosa tegen te houden, en verzoekt de Bahreinse autoriteiten te zorgen voor een nieuw proces dat aan de internationale normen voldoet; wijst erop dat alle beschuldigingen van mensenrechtenschendingen tijdens de procedure terdege moeten worden onderzocht;

3.  beklemtoont dat het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de doodstraf uitdrukkelijk verbieden voor misdrijven door personen onder de achttien;

4.  verzoekt de Koeweitse en de Bahreinse regering onverwijld een open uitnodiging te richten aan de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing om het land te bezoeken, en onbelemmerde toegang te geven tot gedetineerden en alle detentiecentra;

5.  herinnert eraan dat de EU tegen de doodstraf is en dit beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag en die bij fouten onomkeerbaar is;

6.  verzoekt Koeweit en Bahrein het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat als doel heeft de doodstraf af te schaffen, te ondertekenen en te bekrachtigen;

7.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan de strijd tegen de voltrekking van de doodstraf voort te zetten; verzoekt Bahrein en Koeweit met klem de internationale minimumnormen in acht te nemen en het toepassingsgebied en het gebruik van de doodstraf in te perken; dringt er bij de EDEO op aan waakzaam te blijven voor de ontwikkelingen in beide landen en in de Golfregio in het algemeen en alle beschikbare middelen om invloed uit te oefenen te gebruiken;

8.  verklaart nogmaals dat de activiteiten van Europese bedrijven die in derde landen werkzaam zijn volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale mensenrechtennormen; veroordeelt met klem de overeenkomsten inzake handel in wapens en technologieën die worden gebruikt om de mensenrechten te schenden;

9.  dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan in te grijpen bij de Bahreinse regering en op te roepen tot de vrijlating van Nabeel Rajab en al wie louter wordt vastgehouden vanwege de vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, en de Bahreinse regering met klem te verzoeken te stoppen met het buitensporige gebruik van geweld tegen demonstranten of het willekeurig afnemen van het staatsburgerschap;

10.  dringt aan op de vrijlating van Abdulhadi al-Khawaja en Khalil Al Halwachi;

11.  verzoekt de Bahreinse regering de aanbevelingen van het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie voor Bahrein (BICI), de universele periodieke doorlichting en het Nationaal Instituut voor de mensenrechten volledig uit te voeren; spoort aan tot verdere hervormingsinspanningen in Koeweit;

12.  verzoekt de Bahreinse autoriteiten de dialoog inzake een nationale consensus voort te zetten, met het oog op de totstandbrenging van een duurzame en inclusieve nationale verzoening en van duurzame politieke oplossingen voor de crisis; merkt op dat in een duurzaam politiek proces, legitieme en vreedzame kritiek vrij moet kunnen worden uitgesproken;

13.  neemt kennis van de protestacties die in Bahrein worden gehouden naar aanleiding van de zesde herdenking van de opstand in 2011; verzoekt de Bahreinse autoriteiten ervoor te zorgen dat de veiligheidstroepen de rechten van vreedzame betogers volledig eerbiedigen en zich onthouden van buitensporig gebruik van geweld, willekeurige detentie, foltering en andere inbreuken op de mensenrechten;

14.  pleit voor dialoog en moedigt aan dat er tussen de EU, haar lidstaten en de Golfstaten, met inbegrip van Koeweit en Bahrein, bilaterale en multilaterale initiatieven worden ontplooid met betrekking tot mensenrechtenkwesties en op andere gebieden van wederzijds belang; verzoekt de EDEO en vv/hv Federica Mogherini aan te dringen op de totstandbrenging van een formele mensenrechtendialoog met de Koeweitse en Bahreinse autoriteiten, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein, de regering en het parlement van de Staat Koeweit en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0044.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0315.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.


Guatemala, in het bijzonder de situatie van mensenrechtenactivisten
PDF 179kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over Guatemala, in het bijzonder de situatie van mensenrechtenactivisten (2017/2565(RSP))
P8_TA(2017)0045RC-B8-0152/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien de Europese consensus over ontwikkeling van december 2005,

–  gezien zijn eerdere resoluties over mensenrechtenschendingen, waaronder de resoluties over debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resoluties van 15 maart 2007 over Guatemala(1) en van 11 december 2012 over de associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika(2),

–  gezien het bezoek van de subcommissie mensenrechten aan Mexico en Guatemala in februari 2016, en gezien het definitieve verslag van dat bezoek,

–  gezien het verslag van het bezoek van de Delegatie voor de betrekkingen met de landen in Midden-Amerika aan Guatemala en Honduras van 16 t/m 20 februari 2015,

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2016(3),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur over de mondiale bedreigingen voor mensenrechtenactivisten, en over de situatie van vrouwenrechtenactivisten,

–  gezien het jaarverslag 2016 van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de activiteiten van zijn kantoor in Guatemala,

–  gezien het recente bezoek van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten aan Guatemala,

–  gezien het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien de routekaart 2014-2017 van de EU voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld in partnerlanden,

–  gezien de richtsnoeren van de EU voor de bescherming van mensenrechtenactivisten en het strategisch kader inzake mensenrechten, dat erop gericht is mensenrechtenactivisten te engageren,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad 26/9 van 26 juni 2014 waarin de UNHRC besloot een open intergouvernementele werkgroep op te richten voor de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens,

–  gezien het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen van de Internationale Arbeidsorganisatie (Verdrag nr. 169 van de IAO) uit 1989,

–  gezien de clausules over de mensenrechten in de associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika en de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) EU-Midden-Amerika, van kracht sinds 2013,

–  gezien het meerjarig indicatief programma voor Guatemala 2014-2020, en de doelstelling van dit programma om bij te dragen aan de oplossing van conflicten en aan vrede en veiligheid,

–  gezien de steunprogramma's van de Europese Unie ten behoeve van het rechtswezen in Guatemala, met name SEJUST,

–  gezien de uitspraak van het Inter-Amerikaanse Hof voor de rechten van de mens van 2014 in de zaak Human rights defenders et al. v. Guatemala, en het verslag van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de mensenrechten over de situatie van de mensenrechten in Guatemala (OEA/Ser.L/V/II.Doc. 43/15) van 31 december 2015,

–  gezien artikel 25 van het reglement inzake het mechanisme voor voorzorgsmaatregelen van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de mensenrechten,

–  gezien de conclusies van de Raad over de ondersteuning van de democratie in de externe betrekkingen van de EU,

–  gezien de richtsnoeren van 2009 van de Raad inzake mensenrechten en internationaal humanitair recht,

–  gezien de verklaring van 9 december 2016 van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini namens de Europese Unie ter gelegenheid van de Dag van de mensenrechten 10 december 2016,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 17 augustus 2016 over mensenrechtenactivisten in Guatemala,

–  gezien de Santo Domingo-verklaring van de ministeriële bijeenkomst van de EU en de Celac op 25 en 26 oktober 2016,

–  gezien de verklaring van 1 februari 2017 van de groep van 13 over de versterking van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie en straffeloosheid,

–  gezien de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 135 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Guatemala de op twee na grootste ontvanger is van bilaterale ontwikkelingshulp van de EU in Midden-Amerika, met een bedrag van 187 miljoen EUR in de periode 2014-2020, gericht op voedselveiligheid, conflictoplossing, vrede, veiligheid en concurrentievermogen;

B.  overwegende dat Guatemala strategisch is gelegen op de aanvoerroute van drugs en de illegale migratieroute tussen Midden-Amerika en de Verenigde Staten; overwegende dat Guatemalanen de op een na grootste groep gedeporteerden uit de VS blijven; overwegende dat decennia van binnenlandse conflicten, grootschalige armoede en een diepgewortelde cultuur van straffeloosheid hebben geleid tot een aanhoudend hoog niveau van geweld en veiligheidsproblemen in Guatemala; overwegende dat de hele maatschappij de gevolgen ondervindt van hoge criminaliteitscijfers, maar dat vooral mensenrechtenactivisten, ngo's en lokale autoriteiten hierdoor geraakt worden;

C.  overwegende dat het in 2017 twintig jaar geleden is dat de vredesakkoorden van Guatemala zijn ondertekend; overwegende dat de strijd tegen straffeloosheid, waaronder tegen ernstige misdaden die zijn gepleegd tijdens de eerdere niet-democratische regimes, van wezenlijk belang is; overwegende dat de Guatemalaanse autoriteiten een duidelijk signaal moeten afgeven aan degenen die zich schuldig maken aan het plegen of plannen van geweld tegen mensenrechtenactivisten dat dergelijke acties niet onbestraft zullen blijven;

D.  overwegende dat tussen januari en november 2016 veertien moorden en zeven pogingen tot moord op mensenrechtenactivisten in Guatemala zijn geregistreerd door de organisatie voor de bescherming van mensenrechtenactivisten in Guatemala (UDEFEGUA); overwegende dat zich volgens dezelfde bron in 2016 in totaal 223 tegen mensenrechtenactivisten gerichte acties hebben voorgedaan, waaronder 68 nieuwe rechtszaken die zijn aangespannen tegen mensenrechtenactivisten; overwegende dat milieuactivisten en grondrechtenactivisten en degenen die zich inzetten voor rechtvaardigheid en de bestrijding van straffeloosheid tot de groep mensenrechtenactivisten behoorden die het vaakst het doelwit waren;

E.  overwegende dat in 2017 de mensenrechtenactivisten Laura Leonor Vásquez Pineda en Sebastián Alonzo Juan zijn vermoord, en dat in 2016 de journalisten Victor Valdés Cardona, Diego Esteban Gaspar, Roberto Salazar Barahona en Winston Leonardo Túnchez Cano zijn vermoord;

F.  overwegende dat de mensenrechtensituatie zeer ernstig blijft; overwegende dat de situatie van vrouwen en inheemse volkeren, met name van mensenrechtenactivisten, alsmede van migranten, ernstige zorgen baart, net als andere problemen zoals de toegang tot het recht, omstandigheden in gevangenissen, politieoptreden en beschuldigingen van marteling, met daarbij ook nog wijdverspreide corruptie, samenzwering en straffeloosheid;

G.  overwegende dat Guatemala de IAO-verdragen 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen en 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht heeft geratificeerd; overwegende dat er enkele positieve signalen zijn te bespeuren, zoals de oprichting van Mesa Sindical del Ministerio Público; overwegende dat de Guatemalaanse wetgeving geen verplichting bevat om voorafgaand, vrij en inhoudelijk overleg te voeren met inheemse gemeenschappen, zoals bepaald in IAO-verdrag 169;

H.  overwegende dat het Inter-Amerikaanse Hof voor de rechten van de mens in 2014 een bindende uitspraak heeft gedaan waarin werd opgeroepen tot het invoeren van overheidsbeleid ter bescherming van mensenrechtenactivisten; overwegende dat een door de EU gefinancierd overlegproces gaande is voor de formulering van bovengenoemd beleid;

I.  overwegende dat de VN-richtsnoeren voor bedrijven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, sector, plaats, eigenaars en structuur, hoewel doeltreffende controle- en sanctiemechanismen een uitdaging blijven bij de mondiale tenuitvoerlegging van de UNGP's; overwegende dat de mensenrechtensituatie in Guatemala in 2017 zal worden geëvalueerd in het kader van de universele periodieke doorlichting door de Mensenrechtenraad;

J.  overwegende dat de Guatemalaanse ombudsman voor de mensenrechten, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht belangrijke stappen hebben genomen tegen straffeloosheid en voor de erkenning van de mensenrechten;

K.  overwegende dat Guatemala enkele positieve stappen heeft genomen, zoals de verlenging van het mandaat van de Internationale Commissie tegen straffeloosheid in Guatemala (CICIG) tot 2019; overwegende dat in oktober 2016 een voorstel voor de constitutionele hervorming van het rechtswezen, onder andere gebaseerd op rondetafelgesprekken met het maatschappelijk middenveld, aan het congres is gepresenteerd door de voorzitters van de uitvoerende macht, het congres en het rechtsstelsel van Guatemala, dat tot doel heeft het rechtsstelsel te versterken op basis van beginselen als justitiële hiërarchie, juridisch pluralisme en rechterlijke onafhankelijkheid;

L.  overwegende dat een gerichte campagne van intimidatie de afwikkeling van een aantal belangrijke zaken betreffende corruptie en overgangsjustitie heeft belemmerd, waarbij mensenrechtenactivisten betrokken waren, en waarbij rechters en advocaten werden geïntimideerd en te maken kregen met verzonnen juridische klachten; overwegende dat ook tegen Iván Velasquez, directeur van de internationaal erkende Internationale Commissie tegen straffeloosheid in Guatemala (CICIG), klachten zijn ingediend, en dat hij het mikpunt is van een voortdurende lastercampagne; overwegende dat belangrijke zaken betreffende overgangsjustitie worden behandeld, zoals de zaak van Molina Theissen en CREOMPAZ, of de corruptiezaken rond La Linea y Coparacha;

M.  overwegende dat sommige EU-lidstaten de associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika nog niet hebben geratificeerd, en de pijler met betrekking tot "politieke dialoog" dus nog niet van kracht is; overwegende dat mensenrechten en de rechtsstaat de kern vormen van het EU-beleid inzake externe acties, naast duurzame economische en sociale ontwikkeling;

1.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de recente moorden op Laura Leonor Vásquez Pineda en Sebastián Alonzo Juan en de journalisten Victor Valdés Cardona, Diego Esteban Gaspar, Roberto Salazar Barahona en Winston Leonardo Túnchez Cano, alsmede de 14 moorden op andere mensenrechtenactivisten in Guatemala die plaatsvonden in 2016; betuigt zijn oprechte medeleven aan de families en vrienden van al deze mensenrechtenactivisten;

2.  onderstreept zijn bezorgdheid dat het voortdurende geweld en de onveiligheid negatieve gevolgen hebben voor de mogelijkheden van mensenrechtenactivisten om hun activiteiten ten volle en vrij uit te voeren; uit zijn respect voor alle mensenrechtenactivisten in Guatemala en roept op tot een ogenblikkelijk, onafhankelijk, objectief en grondig onderzoek naar bovengenoemde en eerdere moorden; benadrukt dat een levendig maatschappelijk middenveld noodzakelijk is om een staat op alle niveaus verantwoordelijker, ontvankelijker, inclusiever, doeltreffender en daarmee legitiemer te maken;

3.  verwelkomt de inspanningen van Guatemala in zijn strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, verzoekt om op dit terrein nog meer inspanningen te verrichten en begrijpt dat het land voor een enorme opgave staat om al zijn burgers veiligheid en vrijheid te bieden in een situatie die gekenmerkt wordt door structureel geweld, veroorzaakt door de drugshandel; roept de instellingen en lidstaten van de EU op om Guatemala technische en financiële steun te bieden ter ondersteuning van zijn strijd tegen corruptie en georganiseerde criminaliteit, en om deze inspanningen prioriteit te verlenen in bilaterale samenwerkingsprogramma's;

4.  herinnert aan de noodzaak om een overheidsbeleid te ontwikkelen ter bescherming van mensenrechtenactivisten, zoals gesteld door het Inter-Amerikaanse Hof voor de rechten van de mens (IACHR) in 2014; wijst op de recent gestarte nationale dialoog, roept de Guatemalaanse autoriteiten op te waarborgen dat het overheidsbeleid tot stand komt via een proces van brede participatie en gericht is op de structurele oorzaken die de kwetsbaarheid van mensenrechtenactivisten vergroten, en verzoekt het bedrijfsleven deze inspanningen te ondersteunen;

5.  verwelkomt het besluit van de delegatie van de EU in Guatemala om financieel bij te dragen aan het proces van discussie en overleg inzake een dergelijk programma en moedigt de delegatie van de EU aan om door te gaan met het ondersteunen van mensenrechtenactivisten; roept de bevoegde autoriteiten op een overheidsbeleid te formuleren en in te voeren ter bescherming van mensenrechtenactivisten, in samenwerking met een breed scala aan belanghebbenden, en om door te gaan met de hervormingen voor een onafhankelijke rechterlijke macht, de bestrijding van straffeloosheid en de consolidatie van de rechtsstaat;

6.  roept op tot de snelle en verplichte tenuitvoerlegging van voorzorgsmaatregelen zoals aanbevolen door de IACHR en roept de autoriteiten op het besluit ongedaan te maken dat nationale voorzorgsmaatregelen ten behoeve van mensenrechtenactivisten unilateraal intrekt;

7.  herinnert aan de resultaten van 93 gemeentelijke overlegrondes die in 2014 en 2015 zijn gehouden; herinnert eraan dat momenteel een participatiegericht proces gaande is en roept de Guatemalaanse autoriteiten op de procedures te versnellen om de invoering van een mechanisme voor vrij en inhoudelijk voorafgaand overleg in te voeren, als voorzien in IAO-verdrag 169; roept de Guatemalaanse overheid op om breed sociaal overleg te starten met betrekking tot waterkrachtcentrales, mijnbouwprojecten en oliewinning, en roept de instellingen van de EU op te waarborgen dat de Europese steun niet ten goede komt van ontwikkelingsprojecten zonder dat aan de voorwaarde voor voorafgaand, vrij en inhoudelijk overleg met inheemse gemeenschappen is voldaan;

8.  verwelkomt het initiatief inzake een hervorming van het rechtsstelsel, gepresenteerd door de uitvoerende, rechtsprekende en wetgevende macht aan het congres, met als doel de verdere ontwikkeling van een professioneel democratisch justitieel apparaat op basis van effectieve rechterlijke onafhankelijkheid; roept op tot gezamenlijke inspanningen van het Guatemalaanse congres om de hervorming van het rechtsstelsel in 2017 volledig en integraal te kunnen afronden; roept de Guatemalaanse autoriteiten derhalve op om voldoende financiering en menselijke hulpbronnen beschikbaar te stellen aan het gerechtelijk apparaat, en met name aan het bureau van de procureur-generaal; steunt de belangrijke werkzaamheden van de Internationale Commissie tegen straffeloosheid in Guatemala (CICIG);

9.  verwelkomt de uitspraak van de eerste kamer van het Hof van beroep waarbij de niet-toepasbaarheid werd bevestigd van wettelijke beperkingen op de misdaad van genocide en misdaden tegen de menselijkheid in de zaak tegen voormalig dictator Rios Montt, als mijlpaal in de bestrijding van straffeloosheid;

10.  roept de Guatemalaanse overheid op tot samenwerking in het kader van de universele periodieke doorlichting en alle nodige stappen te ondernemen om de daarmee verband houdende aanbevelingen uit te voeren;

11.  verzoekt de Europese Unie het bureau van de procureur-generaal te ondersteunen; verwerpt met kracht elke vorm van druk, intimidatie of invloed die de onafhankelijkheid, het juridisch pluralisme en de objectiviteit in gevaar brengt; moedigt de Guatemalaanse autoriteiten aan om de samenwerking tussen de dienst voor analyse van aanvallen op mensenrechtenactivisten en de dienst mensenrechten van het bureau van de procureur-generaal voort te zetten;

12.  roept de instellingen van de EU op te werken aan het sluiten van internationaal bindende akkoorden om de naleving van de mensenrechten te versterken, met name door ondernemingen gebaseerd in de EU die werkzaam zijn in derde landen;

13.  verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om de associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika snel te ratificeren; verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten gebruik te maken van de mechanismen die zijn vastgelegd in de associatieovereenkomst met politieke dialoog, om er bij Guatemala op aan te dringen een ambitieuze mensenrechtenagenda na te streven en door te gaan met de bestrijding van straffeloosheid; roept de instellingen en de lidstaten van de EU op om hiervoor afdoende financiële en technische middelen beschikbaar te stellen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Organisatie van Amerikaanse Staten, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van de Republiek Guatemala, SIECA en Parlacen.

(1) PB C 301E van 13.12.2007, blz. 257.
(2) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 181
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0020.


Terrorismebestrijding ***I
PDF 255kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding (COM(2015)0625 – C8-0386/2015 – 2015/0281(COD))
P8_TA(2017)0046A8-0228/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0625),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 83, lid 1, en 82, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0386/2015),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 maart 2016(1),

–  gezien resoluties 1373(2001) van 28 september 2001, 2178(2014) van 24 september 2014, 2195(2014) van 19 december 2014, 2199(2015) van 12 februari 2015, 2249(2015) van 20 november 2015 en 2253(2015) van 17 december 2015 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien het verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 2005 en het aanvullend protocol daarbij van 19 mei 2015,

–  gezien de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF),

–  gezien het communiqué van de Top over nucleaire veiligheid te Washington van 1 april 2016,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 november 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0228/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 februari 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/541.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bij de vaststelling van de richtlijn terrorismebestrijding

Bij de recente terroristische aanslagen in Europa is gebleken dat meer moet worden gedaan om de veiligheid te beschermen en tegelijk onze gemeenschappelijke waarden te eerbiedigen, onder meer de rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten. Om een integraal antwoord op de steeds veranderende terroristische dreiging te kunnen bieden, moet een aangescherpt strafrechtelijk kader ter bestrijding van het terrorisme worden aangevuld met efficiënte maatregelen ter preventie van radicalisering die leidt tot terrorisme en met efficiënte uitwisseling van informatie over terroristische misdrijven.

Het is in die geest dat de Unie-instellingen en de lidstaten gezamenlijk hebben toegezegd om - binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden - door te gaan met het ontwikkelen van en investeren in doeltreffende preventieve maatregelen, als onderdeel van een sectoroverschrijdende totaalaanpak die alle beleidsinitiatieven hieromtrent, met name op het gebied van onderwijs, sociale insluiting en integratie, behelst en waar alle belanghebbenden, inclusief maatschappelijke organisaties, lokale gemeenschappen of partners uit het bedrijfsleven bij betrokken zijn.

De Commissie zal de inspanningen van de lidstaten steunen, met name door financiële steun te verlenen voor projecten gericht op de ontwikkeling van instrumenten om radicalisering tegen te gaan en via Uniebrede initiatieven en netwerken, zoals het netwerk voor voorlichting over radicalisering.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wijzen op de noodzaak van een doeltreffende en tijdige uitwisseling van alle relevante informatie met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van terroristische misdrijven tussen de bevoegde autoriteiten in de Unie. In dit verband is volledige benutting van alle bestaande instrumenten, kanalen en instanties voor de uitwisseling van informatie, alsmede snelle implementatie van alle aangenomen Uniewetgeving hierover, nodig.

De drie instellingen herhalen dat het noodzakelijk is de werking van het algemene Uniekader voor informatie-uitwisseling te evalueren, en tastbare maatregelen te nemen om eventuele tekortkomingen aan te pakken, waaronder in het kader van de routekaart voor het verbeteren van informatie-uitwisseling en informatiebeheer op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, onder meer door middel van interoperabiliteitsoplossingen

(1) PB C 177 van 18.5.2016, blz. 51.


Aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen ***I
PDF 240kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 inzake het aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen (COM(2015)0670 – C8-0407/2015 – 2015/0307(COD))
P8_TA(2017)0047A8-0218/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0670),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0407/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 7 december 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0218/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 februari 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 inzake het aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/458.)


Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen met betrekking tot het huidige institutionele bestel van de Europese Unie
PDF 396kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie (2014/2248(INI))
P8_TA(2017)0048A8-0390/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien met name de artikelen 1, 2, 3, 6, 9, 10, 14, 15, 16, 17, 48 en 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en de artikelen 119, 120‑126, 127‑133, 136‑138, 139‑144, 194 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de protocollen hierbij,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het verslag van 22 juni 2015 van de voorzitter van de Europese Commissie in nauwe samenwerking met de voorzitters van de Europese Raad, het Europees Parlement, de Europese Centrale Bank en de eurogroep, getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie" (het "verslag van de vijf voorzitters")(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 november 2013 over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014‑2020(2) en gezien zijn besluit van 19 november 2013 inzake de sluiting van een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien het MFK(4) en het Interinstitutioneel Akkoord(5) zoals goedgekeurd op 2 december 2013,

–  gezien het definitieve verslag en de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen van december 2016(6),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18‑19 februari 2016 betreffende een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie, die nietig is geworden door het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de Unie te verlaten,

–  gezien het feit dat het VK er in het referendum over het lidmaatschap van de EU voor gestemd heeft de EU te verlaten,

–  gezien de gewone Eurobarometer 84 van najaar 2015 getiteld "De publieke opinie in de Europese Unie" en de speciale Eurobarometer van het Europees Parlement van juni 2016 getiteld "Europeans in 2016: Perceptions and expectations, fight against terrorism and radicalisation",

–  gezien Advies 2/13 van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het ontwerpakkoord inzake de toetreding van de EU tot het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Europees Verdrag voor de rechten van de mens – EVRM)(7),

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 28 juni 2013 tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(9),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 inzake onderhandelingen over "Het MFK 2014‑2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(10),

–  gezien zijn resoluties van 22 november 2012 inzake de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014(11), en van 4 juli 2013 over verbetering van de organisatie van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014(12),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(13),

–   gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief(14),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de herziening van de kieswet van de Europese Unie(15) en gezien zijn voorstel tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over het besluit van het VK om als gevolg van het referendum in het VK de EU te verlaten(16)

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(17),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(18),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(19),

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht(20),

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(21) en van het Comité van de Regio's van 8 juli 2015(22),

–  gezien de verklaring "Greater European Integration: The Way Forward" van de voorzitters van de Italiaanse Camera dei Deputati, de Franse Assemblée nationale, de Duitse Bundestag en de Luxemburgse Chambre des Députés, ondertekend op 14 september 2015 en momenteel gesteund door meerdere nationale parlementaire kamers in de EU,

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2013 over de bevordering van het kiesrecht van EU‑burgers(23),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8‑0390/2016),

A.  overwegende dat onderhavige resolutie tot doel heeft oplossingen te bieden die niet kunnen worden verkregen met behulp van de instrumenten waarin de Verdragen momenteel voorzien en die daarom alleen haalbaar zijn via een toekomstige wijziging van de Verdragen wanneer aan de voorwaarden is voldaan;

B.  overwegende dat het onvermogen van de EU-instellingen om het hoofd te bieden aan de ernstige en talrijke crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd – de zogeheten "polycrisis" – met alle gevolgen van dien op financieel, economisch, sociaal en migratiegebied alsmede de groei van populistische partijen en nationalistische bewegingen hebben geleid tot toenemende onvrede onder een steeds groter deel van de bevolking over de werking van de huidige Europese Unie;

C.  overwegende dat deze significante Europese uitdagingen niet kunnen worden afgehandeld door de afzonderlijke lidstaten, maar dat hiervoor een gezamenlijk antwoord nodig is van de Europese Unie;

D.  overwegende dat het streven naar een Unie die haar doelstellingen ook werkelijk bereikt en verwezenlijkt belemmerd wordt door een gebrek aan governance als gevolg van het voortdurend en systematisch zoeken naar unanimiteit in de Raad (hetgeen nog steeds gebaseerd is op het zogeheten compromis van Luxemburg) en het ontbreken van een één enkele geloofwaardige uitvoerende macht die volledige democratische legitimiteit geniet alsmede de bevoegdheid om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen op een brede waaier van beleidsterreinen; overwegende dat recente voorbeelden zoals het inadequate beheer van de migratiestromen, de trage sanering van onze banken na het uitbreken van de financiële crisis en het uitblijven van een onmiddellijke gezamenlijke reactie op de interne en externe terrorismedreiging overduidelijk hebben aangetoond dat de Unie niet snel en doeltreffend kan reageren;

E.  overwegende dat de EU niet kan voldoen aan de verwachtingen van de Europese burgers, omdat de huidige Verdragen niet ten volle worden benut en niet voorzien in alle noodzakelijke instrumenten, bevoegdheden en besluitvormingsprocedures om deze gemeenschappelijke doelstellingen doeltreffend na te streven;

F.  overwegende dat dit probleem, in combinatie met het ontbreken van een gemeenschappelijke visie van de lidstaten op de toekomst van ons continent, geleid heeft tot een ongekende mate van euroscepticisme, die leidt tot een terugkeer naar nationalisme en de Unie dreigt te ondermijnen en mogelijk zelfs ineen te laten storten;

G.  overwegende dat het systeem waarin de lidstaten hun toevlucht nemen tot oplossingen "à la carte", een systeem dat in het Verdrag van Lissabon verder is versterkt, de Unie niet heeft bevorderd maar de complexiteit ervan juist heeft vergroot en de verscheidenheid nog eens heeft benadrukt; overwegende dat er ondanks de door de Verdragen geboden flexibiliteit vele "opt‑outs" met betrekking tot het primaire recht zijn verleend aan meerdere lidstaten, en dat hierdoor een ondoorzichtig systeem is ontstaan van met elkaar kruisende samenwerkingsclusters, dat de democratische controle en verantwoordingsplicht belemmert;

H.  overwegende dat de Verdragen voorzien in vormen van flexibele en gedifferentieerde integratie op het niveau van het secundaire recht door middel van de instrumenten voor nauwere en gestructureerde samenwerking, die slechts op een beperkt aantal beleidsgebieden zou moeten worden toegepast, maar tegelijkertijd inclusief moet zijn, zodat alle lidstaten van de EU kunnen deelnemen; overwegende dat de impact van nauwere samenwerking twintig jaar na de invoering ervan nog steeds beperkt is; overwegende dat er in drie gevallen sprake is geweest van nauwere samenwerking, namelijk bij gemeenschappelijke regels voor de van toepassing zijnde wetgeving inzake echtscheidingen van internationale paren, het Europees octrooi met eenheidswerking en de invoering van een belasting op financiële transacties (BFT); overwegende dat nauwere samenwerking moet worden ingezet als eerste step in de richting van verdere integratie van beleid zoals het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en niet als manier om "a la carte"-oplossingen te faciliteren;

I.  overwegende dat de Gemeenschapsmethode moet worden behouden en niet mag worden gedwarsboomd door intergouvernementele oplossingen, zelfs op terreinen waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen;

J.  overwegende dat de euro evenwel de valuta van de Unie is (art. 3, lid 4, VEU) en dat voor het monetair beleid voor het Verenigd Koninkrijk een uitzondering betreffende toetreding geldt (Protocol nr. 15) en voor Denemarken een constitutionele uitzondering (Protocol nr. 16), dat Zweden zich niet langer aan de convergentiecriteria voor de euro houdt en dat de mogelijkheid dat Griekenland de euro loslaat openlijk in de Europese Raad is besproken; overwegende dat alle lidstaten verplicht zijn toe te treden tot deze valuta zodra zij aan alle voorgeschreven criteria voldoen, terwijl er geen tijdschema is opgesteld voor de lidstaten die zich aansluiten na de invoering van de euro;

K.  overwegende dat er wat betreft Schengen, het vrije verkeer van personen en de daaruit voortvloeiende afschaffing van de controles aan de binnengrenzen, onderwerpen die officieel in de Verdragen zijn opgenomen, aan het VK en Ierland "opt‑outs" zijn toegekend; overwegende dat vier andere lidstaten evenmin deelnemen, maar wel verplicht zijn om zulks te doen, terwijl aan drie landen buiten de Europese Unie "opt‑ins" zijn toegekend; overwegende dat deze fragmentering niet alleen verhindert dat de laatste bestaande binnengrenzen verdwijnen, maar ook de totstandbrenging van een echte interne markt en van een volledig geïntegreerde ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid bemoeilijkt; herinnert eraan dat integratie in het Schengengebied de doelstelling moet blijven voor alle lidstaten van de EU;

L.  overwegende dat "opt‑outs" voor afzonderlijke lidstaten de uniforme toepassing van het EU-recht in het gedrang brengen, tot excessieve complexiteit in bestuurlijk opzicht leiden, de samenhang van de Unie bedreigen en de solidariteit tussen haar burgers ondermijnen;

M.  overwegende dat de Europese Raad sinds het Verdrag van Lissabon en bespoedigd door de economische, financiële, migratie- en veiligheidscrisis zijn rol heeft uitgebreid tot dagelijks bestuur via de vaststelling van intergouvernementele instrumenten buiten het kader van de EU om, ondanks het feit dat het niet zijn rol is om wetgevende taken uit te oefenen maar om de Unie de noodzakelijke stimulansen te bieden voor haar ontwikkeling en om algemene politieke richting en prioriteiten vast te stellen (artikel 15, lid 1, VEU);

N.  overwegende dat het streven naar op eenparigheid van stemmen in de Europese Raad en zijn onvermogen om een dergelijke eenparigheid te bereiken, hebben geleid tot de vaststelling van intergouvernementele overeenkomsten buiten het Europese rechtskader om, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (TSCG ofwel het "begrotingspact"); overwegende dat hetzelfde geldt voor de afspraak met Turkije inzake de Syrische vluchtelingencrisis;

O.  overwegende dat artikel 16 van het TSCG bepaalt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding (vóór 1 januari 2018) de nodige maatregelen moeten zijn genomen om het begrotingspact op te nemen in het juridisch kader van de Unie maar dat het, ondanks het feit dat er soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de intergouvernementele overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, wel duidelijk is dat er geen grotere veerkracht van de eurozone bewerkstelligd kan worden, met inbegrip van de voltooiing van de bankenunie, zonder verdere stappen richting begrotingsverdieping in combinatie met een meer betrouwbare, doeltreffende en democratische vorm van governance;

P.  overwegende dat dit nieuwe systeem van governance impliceert dat de Commissie een werkelijke regering zou worden die verantwoording aan het Parlement moet afleggen, is toegerust om het gemeenschappelijke begrotingsbeleid en het macro-economisch beleid te formuleren en uit te voeren dat de eurozone nodig heeft, en moet kunnen beschikken over een schatkist en begroting welke evenredig zijn met de omvang van haar taken; overwegende dat hiertoe behalve maatregelen op het vlak van het bestaande primaire recht ook een hervorming van het Verdrag van Lissabon vereist is;

Q.  overwegende dat dit ook geldt voor de noodzakelijke hervorming en modernisering van de financiële middelen van de hele Europese Unie; overwegende dat het akkoord over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) slechts na lange en moeizame onderhandelingen werd bereikt en gepaard ging met het besluit om een Groep op hoog niveau in te stellen die het systeem van "eigen middelen" voor inkomsten van de Unie moest evalueren en in 2016 verslag moest uitbrengen; overwegende dat het huidige MFK de financiële en politieke autonomie ernstig beperkt, daar de meeste inkomsten afkomstig zijn van de nationale bijdragen van de lidstaten en een groot deel van de uitgaven reeds vastligt in de zin van betalingen aan dezelfde lidstaten; overwegende dat de op bnp/bni gebaseerde nationale bijdragen veruit de grootste inkomstenbron zijn geworden;

R.  overwegende dat het MFK in nominale termen kleiner is in vergelijking met het vorige, terwijl de omstandigheden vragen om grote begrotingsinspanningen om vluchtelingen bij te staan en economische groei, sociale samenhang en financiële stabiliteit te stimuleren;

S.  overwegende dat het vereiste van unanimiteit voor het belastingbeleid verhindert dat de aanwezigheid van belastingparadijzen binnen de Europese Unie en schadelijke belastingmaatregelen van lidstaten worden aangepakt; overwegende dat veel van deze praktijken de werking van de interne markt verstoren, de inkomsten van de lidstaten in gevaar brengen en uiteindelijk de lasten verplaatsen naar burgers en kmo's;

T.  overwegende dat de Europese Unie een constitutioneel bestel is dat gebaseerd is op de rechtsstaat; overwegende dat de Verdragen gewijzigd moeten worden om het Hof van Justitie van de Europese Unie (EHvJ) jurisdictie over alle aspecten van de EU‑wetgeving te verlenen, in overeenstemming met het beginsel van de scheiding der machten;

U.  overwegende dat de EU tevens berust op waarden als eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat de bestaande instrumenten van de EU voor beoordeling en bestraffing van schendingen van deze beginselen door de lidstaten ontoereikend zijn gebleken; overwegende dat inbreukprocedures die zijn ingeleid tegen specifieke rechtshandelingen of maatregelen van een lidstaat welke in strijd zijn met de EU‑wetgeving, ontoereikend zijn om systematische schendingen van de fundamentele waarden van de EU aan te pakken; overwegende dat de Raad op grond van artikel 7, lid 1, VEU handelt met een meerderheid van vier vijfde van zijn leden bij de vaststelling van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de fundamentele waarden en dat de Europese Raad op grond van artikel 7, lid 2, VEU unaniem moet handelen bij het vaststellen van het bestaan van een ernstige en voortdurende schending; overwegende dat als gevolg hiervan noch een beroep gedaan is op de preventieve maatregel op grond van artikel 7, lid 1, VEU, noch op de strafmechanismen van artikel 7, leden 2 en 3;

V.  overwegende dat de EU beter in staat lijkt om beleid inzake grondrechten, de rechtsstaat en corruptie te beïnvloeden wanneer landen nog kandidaat zijn voor toetreding tot de Unie; overwegende dat het rechtsstaatmechanisme met evenveel kracht moet worden toegepast op alle lidstaten;

W.  overwegende dat zo'n evaluatie ook nodig is om de werking van de Unie opnieuw in balans te brengen en grondig te renoveren, met het doel de bureaucratie terug te dringen en de beleidsvorming doeltreffender te maken en beter op de behoeften van de burger af te stemmen; overwegende dat de Unie over de noodzakelijke bevoegdheden moet beschikken om te kunnen streven naar vooruitgang bij een aantal van haar doelstellingen, zoals de voltooiing van de interne markt, de energie-unie, sociale samenhang en het streven naar volledige werkgelegenheid, rechtvaardig en gemeenschappelijk migratie- en asielbeheer, alsmede beleid voor interne en externe veiligheid;

X.  overwegende dat de opbouw van een systematische dialoog met maatschappelijke organisaties en het versterken van de sociale dialoog, op alle niveaus en in overeenstemming met het in artikel 11 VWEU vastgelegde beginsel, van essentieel belang zijn om euroscepticisme weg te nemen en het belang van de op solidariteit gebaseerde dimensie van Europa, sociale cohesie en de opbouw van een participatieve en inclusieve democratie opnieuw te bevestigen, als aanvulling op de representatieve democratie;

Y.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Europa de afgelopen tien jaar duidelijk is verslechterd, met name in de ons omringende landen: lidstaten kunnen niet langer zonder hulp van anderen voor hun eigen interne en externe veiligheid zorgen;

Z.  overwegende dat de teruggang van de Europees defensiecapaciteit het vermogen heeft beknot om tot buiten onze onmiddellijke grenzen voor stabiliteit te zorgen; overwegende dat dit hand in hand gaat met de aarzeling van onze Amerikaanse bondgenoten om te interveniëren als Europa niet bereid is om zijn deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen; overwegende dat het EU‑defensiebeleid moet worden versterkt en dat er een uitgebreid partnerschap tussen de EU en de NAVO moet worden opgericht, terwijl de Unie in staat moet worden gesteld om autonoom te handelen in buitenlandse activiteiten, voornamelijk om haar eigen omgeving te stabiliseren; overwegende dat dit betekent dat er intensievere samenwerking tussen de lidstaten nodig is alsmede integratie van een deel van hun defensiecapaciteit in een Europese defensiegemeenschap, aansluitend bij een nieuwe Europese veiligheidsstrategie;

AA.  overwegende dat geen van de "passerelle"-clausules in het Verdrag van Lissabon, bedoeld om de Unie-governance te stroomlijnen, is toegepast en dat dit onder de huidige omstandigheden ook niet zal gebeuren; overwegende dat in plaats daarvan, als gevolg van het besluit van de Europese Raad van 18‑19 juni 2009 betreffende de inkrimping van het aantal Eurocommissarissen zoals beoogd in het Verdrag van Lissabon, onmiddellijk de "let out"-clausule werd toegepast;

AB.  overwegende dat de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014 voor het eerst rechtstreeks hebben geleid tot de benoeming van de kandidaat voor het ambt van Commissievoorzitter; overwegende dat de burgers helaas niet rechtstreeks voor de kandidaten konden stemmen; overwegende dat het supranationale karakter van de Europese verkiezingen verder dient te worden versterkt door een duidelijke rechtsgrondslag in te voeren, om te waarborgen dat dit nieuwe systeem wordt beschermd en verder ontwikkeld; overwegende dat voor burgers de onderlinge verhoudingen tussen de voorzitter van de Commissie en de voorzitter van de Europese Raad moeilijk te begrijpen zijn;

AC.  overwegende dat de noodzaak van een hervorming van de Unie dramatisch is toegenomen nu het Verenigd Koninkrijk er in het referendum voor heeft gestemd om de Europese Unie te verlaten; overwegende dat bij de onderhandelingen over de regelingen voor de uittreding van het VK ook rekening moet worden gehouden met de randvoorwaarden voor de toekomstige relatie van het land met de Unie; overwegende dat deze overeenkomst tot stand moet komen overeenkomstig artikel 218, lid 3, VWEU en namens de Unie moet worden gesloten door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na instemming van het Europees Parlement; overwegende dat het Europees Parlement daarom gedurende de gehele onderhandelingsprocedure volledig bij een en ander betrokken moet worden;

AD.  overwegende dat het vertrek van het VK een kans zou bieden om de complexiteit van de Unie te verminderen en duidelijker te bepalen wat het lidmaatschap van de Unie werkelijk betekent; overwegende dat er in de toekomst een duidelijke structuur nodig is voor de betrekkingen van de EU met niet‑leden in haar omgeving (het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Turkije, Oekraïne, enz.); overwegende dat de oprichters van de Unie reeds een soort "geassocieerde status" voor ogen hadden;

AE.  overwegende dat de Verdragen bij deze belangrijke exercitie zes specifieke prerogatieven voor het Europees Parlement noemen, namelijk: het recht om wijzigingen op de Verdragen voor te stellen (art. 48, lid 2, VEU), het recht om door de Europese Raad te worden geraadpleegd over wijzigingen op de Verdragen (art. 48, lid 3, eerste alinea, VEU), het recht om te eisen dat er tegen de wil van de Europese Raad een Conventie bijeen wordt geroepen (art. 48, lid 3, tweede alinea, VEU), het recht om te worden geraadpleegd over een besluit van de Europese Raad tot gehele of gedeeltelijke herziening van het derde deel van het VWEU (art. 48, lid 6, tweede alinea, VEU), het recht om vóór de volgende verkiezingen een herverdeling van het aantal zetels in het Parlement voor te stellen (art. 14, lid 2, VEU) en het recht om een uniforme verkiezingsprocedure voor te stellen (art. 223, lid 1, VWEU);

AF.  overwegende dat de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en van het Comité van de Regio's (CvdR) als institutionele vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en regionale en lokale actoren moet worden beschermd, gezien het feit dat hun adviezen bijdragen aan het vergroten van de democratische legitimiteit van beleidsvormings- en wetgevingsprocessen;

AG.  overwegende dat een duidelijke meerderheid van de regionale en lokale overheden in de Unie, via het Comité van de Regio's, op consistente wijze hun standpunt bekend hebben gemaakt ten gunste van een meer geïntegreerde EU met doeltreffende governance;

1.  is van mening dat de tijd van crisismanagement door middel van ad‑hocbeslissingen voorbij is, daar dit slechts leidt tot maatregelen die dikwijls te weinig resultaat boeken en te laat komen; is ervan overtuigd dat het nu tijd is voor een grondige overdenking over de manier waarop de tekortkomingen van de governance van de Europese Unie moeten worden aangepakt, en wel door een uitgebreide en diepgaande herziening van het Verdrag van Lissabon uit te voeren; is van mening dat intussen korte- en middellangetermijnoplossingen kunnen worden verkregen door ten volle gebruik te maken van het potentieel van de bestaande Verdragen;

2.  stelt vast dat de koers van de hervorming van de Unie gericht moet zijn op de modernisering ervan door middel van nieuwe doeltreffende Europese bevoegdheden en instrumenten en verdere democratisering van de besluitvormingsprocessen in plaats van renationalisering via meer intergouvernementele maatregelen;

3.  onderstreept dat recente Eurobarometer-enquêtes laten zien dat, in tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, de EU‑burgers zich nog steeds volledig bewust zijn van het belang van echte Europese oplossingen en deze ook steunen(24), onder andere op het gebied van veiligheid, defensie en van migratie;

4.  neemt met grote bezorgdheid waar hoe steeds meer subgroepen van lidstaten de eenheid van de Unie ondermijnen door verwarring te zaaien en het vertrouwen van de bevolking aan te tasten; is van mening dat de passende samenstelling voor het voeren van de discussie over de toekomst van de Unie de EU-27 is; benadrukt dat opsplitsing van de discussie in verschillende samenstellingen of groepen van lidstaten contraproductief zou zijn;

5.  benadrukt dat een uitvoerige democratische hervorming van de Verdragen moet worden bewerkstelligd via beraad over de toekomst van de EU en een akkoord over een visie voor de huidige en toekomstige generaties Europese burgers, welke uitmonden in een Conventie die inclusiviteit garandeert doordat zij is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen, de regeringen van alle lidstaten, de Commissie, het Europees Parlement, de adviesorganen van de EU zoals het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, en die tevens het juiste platform biedt voor een dergelijk beraad en een debat met de Europese burger en het maatschappelijk middenveld;

Een einde aan "Europa à la carte"

6.  betreurt het dat telkens wanneer de Europese Raad besluit intergouvernementele methodes toe te passen en de "Gemeenschaps- of Unie-methode" zoals gedefinieerd in de Verdragen te omzeilen, dit niet alleen leidt tot minder doeltreffende beleidsvorming maar ook bijdraagt tot een toenemend gebrek aan transparantie, democratische verantwoording en controle; is van mening dat een gedifferentieerde aanpak alleen als tijdelijke stap in de richting van een doeltreffendere en beter geïntegreerde EU‑beleidsvorming denkbaar is;

7.  is van mening dat de "Unie-methode" de enige democratische wetgevingsmethode is die waarborgt dat alle belangen, met name de gemeenschappelijke Europese belangen, in aanmerking worden genomen; verstaat onder "Unie-methode" de wetgevingsprocedure waarbij de Commissie als onderdeel van haar bevoegdheid als uitvoerende macht wetgeving initieert, het Parlement en de Raad als vertegenwoordiging van resp. de burgers en de staten met meerderheid van stemmen via medebeslissing een besluit nemen, waarbij unanimiteitsverplichtingen in de Raad absolute uitzonderingen worden, en waarbij het Hof van Justitie toezicht uitoefent en de uiteindelijke rechterlijke toetsing uitvoert; dringt erop aan dat zelfs in spoed vereisende gevallen de "Unie-methode" gerespecteerd wordt;

8.  acht het onder deze omstandigheden essentieel het streven naar een "steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa" (art. 1 VEU) andermaal te bekrachtigen, teneinde de tendens in de richting van desintegratie tegen te gaan en eens te meer de morele, politieke en historische redenen voor de EU alsmede de constitutionele aard ervan te belichten;

9.  stelt voor de vereisten voor het invoeren van nauwere en gestructureerde samenwerking minder restrictief te maken, onder meer door het verlagen van het minimumaantal deelnemende lidstaten;

10.  stelt voor bij de volgende herziening van de Verdragen de huidige ongeordende differentiatie te rationaliseren door een einde te maken aan de praktijk van opt‑outs, opt‑ins en uitzonderingen voor individuele lidstaten op het niveau van het primaire EU‑recht, of deze in elk geval drastisch in te perken;

11.  beveelt aan een partnerschap te definiëren en te ontwikkelen om een kring van partners op te zetten rondom de EU voor staten die niet tot de Unie kunnen of willen toetreden, maar wel nauwe banden met de EU willen hebben; is van mening dat deze banden gepaard moeten gaan met verplichtingen die overeenkomen met de respectieve rechten, zoals een financiële bijdrage en – nog belangrijker – eerbiediging van de fundamentele waarden van de Unie en de rechtsstaat;

12.  is van mening dat het enkelvoudige institutionele kader moet worden behouden teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie te bereiken en het beginsel van gelijkheid van alle burgers en lidstaten te garanderen;

Uittreding van het VK uit de Europese Unie

13.  stelt vast dat deze nieuwe vorm van partnerschap een van de mogelijke oplossingen zou kunnen vormen om tegemoet te komen aan de wens van de meerderheid van de burgers van het Verenigd Koninkrijk om de EU te verlaten; benadrukt dat de uittreding van het VK, als een van de grotere lidstaten en als grootste niet tot de eurozone behorend lid, van invloed is op de kracht en het institutionele evenwicht van de Unie;

14.  bekrachtigt andermaal dat constitutionele elementen van de Unie, in het bijzonder de integriteit van de interne markt en het feit dat deze niet gescheiden kan worden van de vier fundamentele vrijheden van de Unie (vrij verkeer van kapitaal, personen, goederen en diensten) essentiële, ondeelbare pijlers van de Unie zijn, evenals het bestaan van een rechtsstaat, gewaarborgd door het Europees Hof van Justitie; bekrachtigt andermaal dat deze constitutionele eenheid niet ongedaan kan worden gemaakt tijdens de onderhandelingen rond de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie;

15.  dringt erop aan dat de zetel van de Europese Bankautoriteit en die van het Europees Geneesmiddelenbureau, beide momenteel in Londen, worden verplaatst naar een andere lidstaat, gezien de keuze van de burgers van het Verenigd Koninkrijk om de EU te verlaten;

Nieuwe economische governance voor economische groei, sociale samenhang en financiële stabiliteit

16.  is ernstig verontrust over de toenemende economische en sociale divergentie en het gebrek aan economische hervormingen en financiële stabiliteit in de Economische en Monetaire Unie (EMU) alsmede het verlies aan concurrentiekracht van de economieën in veel lidstaten; dat met name te wijten is aan het ontbreken van een gemeenschappelijk economisch en begrotingsbeleid; is dan ook van mening dat het gemeenschappelijk begrotingsbeleid en economisch beleid een gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten moet worden;

17.  is van oordeel dat in hun huidige vorm noch het stabiliteits- en groeipact, noch de "no bail-out"-clausule (art. 125 VWEU) het gewenste doel bereiken; is van mening dat de EU de pogingen moet afhouden om terug te gaan naar een nationale politiek van protectionisme en in de toekomst een open economie moet blijven; waarschuwt dat dit niet bereikt kan worden door het sociale model te ontmantelen;

18.  merkt daarnaast op dat het huidige systeem de nationale eigendom van landenspecifieke aanbevelingen niet voldoende waarborgt; is wat dit betreft geïnteresseerd in het potentieel dat geboden wordt door het adviserend Europees Begrotingscomité en zijn toekomstige taak om de Commissie te adviseren over een begrotingskoers die geschikt zou zijn voor de eurozone als geheel;

19.  is zich bewust van de noodzaak om de doeltreffendheid van de vele recente maatregelen voor crisisbeheersing die de EU genomen heeft, tegen het licht te houden en bepaalde besluitvormingsprocedures in primair recht om te zetten, alsmede van de noodzaak om de rechtsgrondslagen van het nieuwe regelgevingskader voor de financiële sector te verankeren; is het eens met het verslag van de vijf voorzitters dat de "open coördinatiemethode" als basis voor de economische strategie voor Europa niet werkt;

20.  stelt daarom voor om in aanvulling op het stabiliteits- en groeipact als wetgevingshandeling volgens de gewone wetgevingsprocedure een "convergentiecode" aan te nemen, waarmee convergentiedoelen worden vastgesteld (belasting, arbeidsmarkt, investeringen, productiviteit, sociale samenhang, administratieve overheidscapaciteit alsmede capaciteit voor goed bestuur); benadrukt dat, binnen het kader voor economische governance, naleving van de convergentiecode een voorwaarde moet zijn voor volledige deelname aan de begrotingscapaciteit van de eurozone en verplicht iedere lidstaat ertoe voorstellen te doen met betrekking tot de manier waarop aan de criteria van de convergentiecode kan worden voldaan; onderstreept dat de normen en de begrotingsstimulansen worden neergelegd in de resolutie over begrotingscapaciteit voor de eurozone;

21.  meent dat een sterke sociale dimensie cruciaal is voor een alomvattende EMU en dat artikel 9 van het VWEU in zijn huidige vorm niet toereikend is om een adequaat evenwicht tussen sociale rechten en economische vrijheden te waarborgen; dringt daarom aan op het gelijkstellen van deze rechten en op het waarborgen van de dialoog tussen de sociale partners;

22.  dringt erop aan dat het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (het “begrotingspact”) in het juridisch kader van de EU, en het ESM en het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de EU‑wetgeving worden opgenomen, op basis van een uitvoering evaluatie van hun tenuitvoerlegging en met dienovereenkomstige democratische controle door het Parlement, om te waarborgen dat de controle en verantwoording tot de verantwoordelijkheid behoren van hen die hieraan bijdragen; dringt tevens aan op verdere ontwikkeling van de interparlementaire conferentie voorzien in artikel 13 van het begrotingspact, om substantiële en tijdige discussie tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen waar nodig mogelijk te maken;

23.  is van mening dat de eurozone, om de financiële stabiliteit te vergroten, grensoverschrijdende asymmetrische en symmetrische schokken op te vangen en de gevolgen van de recessie af te zwakken, en een juist investeringsniveau te waarborgen, een begrotingscapaciteit nodig heeft die gebaseerd is op echte eigen middelen, alsmede een Europese schatkist die is toegerust met een leningscapaciteit; merkt op dat deze schatkist bij de Commissie zou moeten worden ondergebracht en worden onderworpen aan democratische toetsing en verantwoording via het Parlement en de Raad;

24.  wijst erop dat er, gezien het feit dat naleving van essentieel belang is voor het functioneren van de Economische en Monetaire Unie, krachtigere gouvernementele functies nodig zijn dan die welke nu door de Commissie en/of de eurogroep worden geboden, alsook volledig democratische checks-and-balances via de betrokkenheid van het Europees Parlement bij alle aspecten van de EMU; meent dat daarnaast, om de eigen verantwoordelijkheid te verbeteren, een verantwoordingsplicht gewaarborgd moet worden op het niveau waar de besluiten worden genomen of worden uitgevoerd, d.w.z. dat de nationale parlementen de nationale regeringen moeten controleren en dat het Europees Parlement de Europese uitvoerende macht moet controleren;

25.  dringt er dan ook op aan dat de uitvoerende macht in handen van de Commissie komt te liggen, in de rol van een EU-minister van Financiën, door de Commissie de bevoegdheid te verlenen een gemeenschappelijk economisch beleid van de EU te formuleren, bestaande uit macro-economische, monetaire en begrotingsinstrumenten, gesteund door een begrotingscapaciteit voor de eurozone, en dit beleid uit te voeren; de minister van Financiën zou verantwoordelijk moeten zijn voor het functioneren van het ESM en andere onderlinge instrumenten, waaronder de begrotingscapaciteit, en zou de enige externe vertegenwoordiger van de eurozone in internationale organisaties moeten zijn, met name in de financiële sector;

26.  vindt dat de minister van Financiën moet worden toegerust met voldoende bevoegdheden om te kunnen interveniëren om de convergentiecode te kunnen monitoren, alsmede met de bevoegdheid om de hierboven beschreven begrotingsstimulansen in te zetten;

27.  acht het noodzakelijk, onverminderd de taken van het Europees systeem van centrale banken, dat het Europees Stabiliteitsmechanisme in staat wordt gesteld op te treden als eerste kredietverstrekker in laatste instantie voor financiële instellingen die direct onder supervisie of toezicht van de Europese Centrale Bank vallen; acht het verder noodzakelijk dat de Europese Centrale Bank alle bevoegdheden van een "federal reserve" krijgt, met behoud van haar onafhankelijkheid;

28.  dringt er tot slot op aan dat de bankenunie en de kapitaalmarktunie stap voor stap, maar zo snel mogelijk, worden voltooid, aan de hand van een kort tijdschema;

29.  acht het noodzakelijk de eenparigheidsvereiste voor de harmonisatie van bepaalde belastingpraktijken op te heffen zodat de EU de eerlijke en soepele werking van de interne markt kan vrijwaren en schadelijk belastingbeleid van de lidstaten wordt vermeden; dringt erop aan de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking en belastingparadijzen tot een fundamentele doelstelling van de Europese Unie te maken;

Nieuwe uitdagingen

30.  erkent dat er in geopolitiek, economisch en milieuopzicht behoefte is aan de oprichting van een echte Europese energie-unie; onderstreept dat klimaatverandering een van de belangrijkste mondiale uitdagingen is waaraan de EU het hoofd moet bieden; benadrukt in dit verband dat, naast de noodzaak van volledige ratificatie en tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs en de aanpassing van bindende EU‑klimaatdoelstellingen en ‑maatregelen, de beperking die stelt dat EU‑beleid het recht van een staat om de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen, de keuze tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening te bepalen, niet mag beïnvloeden (artikel 194, lid 2, VWEU), moet worden gewijzigd om de succesvolle uitvoering van een gemeenschappelijk beleid inzake schone en hernieuwbare energie mogelijk te maken;

31.  benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen als primair doel voor zowel de Unie als de lidstaten in de Verdragen moet worden opgenomen;

32.  merkt op dat de Verdragen ruime mogelijkheden bieden om een humaan en goed functionerend systeem voor migratie- en asielbeheer op te zetten, met inbegrip van een Europese grens- en kustwacht, en is ingenomen met de gemaakte vorderingen in dit opzicht; is evenwel van oordeel dat de Verdragen, met name artikel 79, lid 5, VWEU, te restrictief zijn wat andere aspecten van migratie betreft, met name als het gaat om het invoeren van een werkelijk Europees systeem voor legale migratie; onderstreept dat het toekomstige migratiesysteem van de EU in synergie moet zijn met haar buitenlandse hulp en haar buitenlands beleid, en nationale criteria voor het verlenen van asiel en toegang tot de arbeidsmarkt moet harmoniseren; onderstreept dat er democratische controle door het Parlement nodig is bij de uitvoering van grenscontroles, overeenkomsten met derde landen die samenwerking op het gebied van overname en terugkeer behelzen, en asiel- en migratiebeleid, en dat het waarborgen van de nationale veiligheid niet als voorwendsel gebruikt mag worden om Europese maatregelen te omzeilen;

33.  acht het met het oog op de omvang van de terreurdreiging nodig om de EU‑capaciteit in de strijd tegen terrorisme en de internationale georganiseerde misdaad op te voeren; benadrukt dat er niet alleen nauwere coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten en instanties in de lidstaten nodig is, maar dat er ook echte onderzoeks- en vervolgingsbevoegdheden en -middelen moeten worden toegekend aan Europol en Eurojust, naar aanleiding van hun transformatie tot een echt Europees Bureau voor onderzoek en terrorismebestrijding, met navenante parlementaire toetsing;

34.  concludeert dat de verschillende terroristische aanslagen die op Europees grondgebied zijn uitgevoerd, hebben aangetoond dat de veiligheid beter zou zijn gewaarborgd als dit geen exclusieve bevoegdheid van de lidstaten was; stelt daarom voor dit tot gedeelde bevoegdheid te maken teneinde de oprichting van een Europese onderzoeks- en inlichtingendienst binnen Europol, onder toezicht van de rechterlijke macht, mogelijk te maken; benadrukt dat er overeenkomstig artikel 73 VWEU niets is dat de lidstaten er ondertussen van weerhoudt om deze vormen van samenwerking tussen hun diensten tot stand te brengen;

Een krachtiger buitenlands beleid

35.  betreurt het, zoals verklaard in zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon, dat de EU niet meer vooruitgang heeft geboekt bij het ontwikkelen van haar vermogen om tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en dit uit te voeren; stelt vast dat de inspanningen om een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid tot stand te brengen niet bijzonder succesvol zijn geweest, met name ten aanzien van het delen van kosten en verantwoordelijkheden;

36.  merkt op dat de EU alleen door het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te verbeteren met geloofwaardige oplossingen kan komen voor de nieuwe bedreigingen en uitdagingen voor de veiligheid, en aldus terrorisme kan bestrijden en vrede, stabiliteit en orde in de haar omringende landen tot stand kan brengen;

37.  herhaalt dat er meer vooruitgang kan en moet worden bereikt binnen de randvoorwaarden van het Verdrag van Lissabon, waaronder door gebruik van de bepalingen inzake het stemmen met gekwalificeerde meerderheid, en is van mening dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger moet worden omgedoopt in EU‑minister van Buitenlandse Zaken en steun moet krijgen bij haar inspanningen om de belangrijkste externe vertegenwoordiger van de Europese Unie in internationale fora te worden, niet in de laatste plaats op het niveau van de VN; is van oordeel dat de minister van Buitenlandse Zaken politieke plaatsvervangers moet kunnen benoemen; stelt voor het functioneren van de huidige Europese Dienst voor extern optreden tegen het licht te houden, inclusief de behoefte aan passende begrotingsmiddelen;

38.  benadrukt de behoefte aan de snelle oprichting van een Europese defensie-unie om de defensie van het EU‑grondgebied te versterken, waardoor de Unie in een strategisch partnerschap met de NAVO autonoom zou kunnen optreden in het buitenland, voornamelijk om de ons omringende landen te stabiliseren en daarmee de rol van de EU als garant van haar eigen defensie en veiligheid zou kunnen verbeteren, overeenkomstig de beginselen van het handvest van de Verenigde Naties; vestigt de aandacht op het Frans-Duitse initiatief van september 2016 en het Italiaanse initiatief van augustus 2016, die nuttige bijdragen aan deze kwestie leveren; benadrukt dat het Europees Parlement volledig betrokken moet worden bij alle stappen van de oprichting van de Europese defensie-unie en het goedkeuringsrecht moet hebben in geval van buitenlandse operaties; gezien de relevantie ervan dienen de Verdragen uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid om een Europese defensie-unie op te richten; verder dient er naast de Europese Dienst voor extern optreden een directoraat-generaal voor defensie (DG Defence) te worden opgericht dat verantwoordelijk is voor de interne aspecten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

39.  benadrukt dat de voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bedoelde middelen moeten worden uitgebreid om ervoor te zorgen dat de kosten voor militaire operaties die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid of de Europese defensie-unie worden uitgevoerd, eerlijker worden verdeeld;

40.  stelt voor een Europese inlichtingendienst op te richten ter ondersteuning van het GBVB;

Bescherming van de grondrechten

41.  brengt in herinnering dat de Commissie de hoedster is van de Verdragen en van de waarden van de Unie, zoals vermeld in artikel 2 VEU; concludeert, naar aanleiding van verschillende mogelijke schendingen van de waarden van de Unie in een aantal lidstaten, dat de huidige procedure van artikel 7 VEU gebrekkig en omslachtig is;

42.  onderstreept dat de eerbiediging en bescherming van de fundamentele waarden van de EU de hoeksteen vormen van de Europese Unie als een op waarden gebaseerde gemeenschap en dat zij de lidstaten bijeenhouden;

43.  stelt voor artikel 258 VWEU te wijzigen om de Commissie uitdrukkelijk toe te staan een "systemische inbreukprocedure" in te stellen tegen lidstaten die fundamentele waarden schenden; verstaat onder "systemische inbreukprocedure" de bundeling van een reeks verwante individuele inbreukprocedures die op een ernstige en voortdurende schending van artikel 2 VEU door een lidstaat duiden;

44.  stelt voor om, middels een wijziging van de artikelen 258 en 259 VWEU, het recht uit te breiden van alle natuurlijke en rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door een handeling om een procedure aanhangig te maken bij het EHvJ wegens vermoedelijke schendingen van het Handvest van de grondrechten door EU‑instellingen of door een lidstaat;

45.  beveelt aan artikel 51 van het Handvest van de grondrechten te schrappen en het Handvest om te zetten in een "Bill of Rights" van de Unie;

46.  is bovendien van mening dat burgers meer instrumenten voor participerende democratie op het niveau van de Unie aangereikt moeten krijgen; stelt daarom voor de invoering, in de Verdragen, van een bepaling inzake een EU‑referendum over kwesties betreffende het optreden en beleid van de Unie te overwegen;

Meer democratie, transparantie en verantwoording

47.  stelt voor de Commissie om te vormen tot belangrijkste uitvoerende macht of regering van de Unie, met het doel de "Unie-methode" doeltreffender te maken, de transparantie te vergroten en de efficiëntie en effectiviteit van maatregelen die op het niveau van de Europese Unie worden genomen, te verbeteren;

48.  herhaalt zijn oproep om de omvang van de nieuwe Commissie aanzienlijk te verkleinen en het aantal ondervoorzitters tot twee te beperken, nl. de minister van Financiën en de minister van Buitenlandse Zaken; stelt voor dezelfde reductie toe te passen bij de Rekenkamer;

49.  is ingenomen met de succesvolle nieuwe procedure waarbij Europese politieke partijen hun lijsttrekkers promoten voor het ambt van voorzitter van de Europese uitvoerende macht, gekozen door het Europees Parlement op voorstel van de Europese Raad, maar is van mening dat zij zich bij de volgende verkiezingen in alle lidstaten officieel kandidaat zouden moeten kunnen stellen;

50.  benadrukt dat het betrekken van burgers bij het politieke proces van hun woonland helpt bij de versterking van de Europese democratie en verzoekt het kiesrecht van burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, zoals bepaald in artikel 22 VWEU, uit te breiden naar alle andere verkiezingen;

51.  steunt het besluit van de Europese Raad van 28 juni 2013 om een systeem op te zetten om de zetels in het Europees Parlement telkens vóór de verkiezingen opnieuw tussen de lidstaten te verdelen, en wel op objectieve, eerlijke, duurzame en transparante wijze, onder naleving van het beginsel van degressieve evenredigheid en rekening houdend met alle wijzigingen wat betreft het aantal lidstaten en demografische trends;

52.  herinnert aan de talloze verklaringen over het vaststellen van één enkele zetel voor het Europees Parlement, vanwege de symbolische waarde en de feitelijke besparing van middelen die deze keuze zou inhouden;

53.  herhaalt zijn oproep om één enkele zetel voor het Europees Parlement aan te wijzen en zijn toezegging om een gewone verdragsherzieningsprocedure op grond van artikel 48 VEU in gang te zetten met het oog op een wijziging van artikel 341 VWEU en van Protocol nr. 6, opdat het Parlement zelf kan beslissen over de locatie van zijn zetel en zijn interne organisatie;

54.  stelt voor alle configuraties van de Raad en de Europese Raad om te zetten in een raad van staten waarbij het de belangrijkste taak van de Europese Raad zou zijn om richting en coherentie aan de overige configuraties te geven;

55.  is van mening dat de Raad en de gespecialiseerde configuraties ervan, als tweede tak van de wetgevende EU-macht, ten behoeve van meer specialisme, professionalisme en continuïteit de praktijk van het roulerend halfjaarlijkse voorzitterschap zouden moeten vervangen door een systeem van vaste, uit hun midden gekozen voorzitters; stelt voor dat de beslissingen van de Raad door één enkele wetgevende Raad genomen worden en dat de bestaande gespecialiseerde Raadsconfiguraties tot voorbereidende organen omgevormd worden, vergelijkbaar met de commissies in het Parlement;

56.  vindt dat lidstaten de samenstelling van hun nationale vertegenwoordiging in de gespecialiseerde Raadsconfiguraties zelf moeten kunnen bepalen, namelijk of deze uit vertegenwoordigers van hun respectieve nationale parlementen, regeringen of een combinatie van beide bestaan;

57.  benadrukt dat de eurogroep na de invoering van het ambt van EU-minister van Financiën dient te worden beschouwd als een gespecialiseerde configuratie van de Raad, met wetgevende en controlefuncties;

58.  dringt aan op een verdere vermindering van het aantal stemmingsprocedures in de Raad waarvoor nog steeds eenparigheid van stemmen is vereist, bijvoorbeeld op het gebied van buitenlandse zaken en defensie, begrotingskwesties en sociaal beleid, ten gunste van stemmingsprocedures waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, alsmede op omzetting van de bestaande bijzondere wetgevingsprocedures in gewone wetgevingsprocedures en op de volledige vervanging van de raadplegingsprocedure door medebeslissing tussen Parlement en Raad;

59.  is van mening dat er bij het verbeteren van de governance in de eurozone voldoende rekening moet worden gehouden met de belangen van de lidstaten die nog niet deelnemen aan de euro (de "pre‑ins");

60.  erkent de belangrijke rol die nationale parlementen in het huidige institutionele bestel van de Europese Unie vervullen, met name hun rol bij de omzetting van EU‑wetgeving in nationale wetgeving alsmede de rol die zij zouden spelen bij zowel ex‑ante- als ex‑postcontrole van de wetgevingsbesluiten en beleidskeuzes die hun leden van de Raad, met inbegrip van de gespecialiseerde configuraties daarvan, hebben genomen; stelt dan ook voor de bevoegdheden van de nationale parlementen aan te vullen en uit te breiden door een "groene kaart" in te voeren waarmee nationale parlementen wetgevingsvoorstellen aan de Raad kunnen voorleggen;

61.  erkent, met eerbiediging van de rol van nationale parlementen en het subsidiariteitsbeginsel, de exclusieve bevoegdheden van de EU op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid; verzoekt om een duidelijke afbakening van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten in dit opzicht; merkt op dat deze afbakening een positieve invloed zou hebben op de werkgelegenheid en groei in de EU en bij haar handelspartners;

62.  stelt daarnaast voor om – naar het voorbeeld van hetgeen gebruikelijk is in een aantal lidstaten – de twee takken van de wetgevende EU‑macht, namelijk de Raad en met name het Parlement, als enige instelling die rechtstreeks wordt gekozen door de burgers, het recht van wetgevingsinitiatief toe te kennen, onverminderd het fundamentele wetgevingsrecht van de Commissie;

63.  is van mening dat krachtens de artikelen 245 en 247 VWEU niet alleen de Raad en de Commissie, maar ook het Europees Parlement het recht moet hebben zich tot het Europees Hof van Justitie te wenden indien een lid of voormalig lid van de Europese Commissie zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen niet nakomt, op ernstige wijze tekort is geschoten of niet langer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet;

64.  benadrukt dat het enquêterecht van het Parlement dient te worden uitgebreid en voorzien van specifieke, werkelijke en duidelijk omlijnde bevoegdheden die beter aansluiten bij zijn politieke status en bevoegdheden, met inbegrip van het recht om getuigen op te roepen, volledige toegang tot documenten te krijgen, onderzoek ter plaatse te doen en sancties op te leggen bij niet-naleving;

65.  is ervan overtuigd dat de EU‑begroting moet worden gefinancierd met een systeem van echte eigen middelen, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie; onderschrijft de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen met betrekking tot de diversifiëring van de inkomsten van de EU-begroting, met inbegrip van eigen nieuwe middelen, teneinde het aandeel van de bni‑bijdragen in de EU‑begroting te verlagen, om een einde te maken aan de zogenaamde "juste retour"-benadering van lidstaten; dringt in dit verband aan op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen;

66.  stelt in dit verband voor dat bij de besluitvorming voor zowel de eigen middelen als het MFK zou moeten worden overgaan van unanimiteit naar gekwalificeerde meerderheid, zodat er in alle begrotingsaangelegenheden sprake is van echte medebeslissing tussen Raad en Parlement; herhaalt tevens zijn oproep om het MFK qua termijnen gelijk te laten lopen met het mandaat van het Parlement en de Europese uitvoerende macht, en benadrukt dat de financiën van alle EU‑agentschappen een integrerend bestanddeel van de EU‑begroting moeten worden;

67.  beklemtoont dat de gewone wetgevingsprocedure moet worden gebruikt voor de goedkeuring van de MFK‑verordening, om deze af te stemmen op de besluitvormingsprocedure van bijna alle meerjarenprogramma's van de EU, met inbegrip van hun respectieve financiële toewijzingen, evenals de EU‑begroting; meent dat de goedkeuringsprocedure het Parlement de beslissingsbevoegdheid ontneemt die het uitoefent over de goedkeuring van de jaarlijkse begrotingen, terwijl de eenparigheidsregel in de Raad betekent dat de overeenkomst een weerspiegeling is van de kleinste gemene deler, aangezien men wil voorkomen dat één lidstaat een veto uitspreekt;

68.  merkt op dat de in artikel 13 van het VEU opgenomen lijst van instellingen niet overeenkomt met de instellingen die worden genoemd in artikel 2 van het Financieel Reglement; is van mening dat het Financieel Reglement de huidige praktijk al weergeeft;

69.  stelt vast dat er een aantal gevallen zijn waarbij de letterlijke inhoud van het VWEU afwijkt van de praktische uitlegging en de geest van het Verdrag; is van mening dat deze onsamenhangendheid in het belang van democratie en transparantie gecorrigeerd moet worden;

70.  herinnert eraan dat elk van de instellingen, zoals omschreven in artikel 2, onder b), van het Financieel Reglement, bevoegd is voor de uitvoering van haar afdeling van de begroting, overeenkomstig artikel 55 van het Financieel Reglement; wijst erop dat deze bevoegdheid ook een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt met betrekking tot het gebruik van de toegewezen middelen;

71.  wijst erop dat voor een effectief toezicht op de tenuitvoerlegging van de EU‑begroting door de instellingen en organen bona fide en effectievere samenwerking met het Parlement vereist is, alsmede volledige transparantie met betrekking tot het gebruik van de middelen en een jaarlijks document waarin alle instellingen vermelden welk gevolg zij hebben gegeven aan de kwijtingsaanbevelingen van het Parlement; betreurt het dat de Raad van deze procedure is afgeweken en is van mening dat deze al geruime tijd onveranderde stand van zaken niet te rechtvaardigen is en de reputatie van de hele Unie ondermijnt;

72.  wijst erop dat de procedure van het afzonderlijk verlenen van kwijting aan elke EU‑instelling en elk EU‑orgaan een gevestigde handelwijze vormt, die het Parlement heeft ontwikkeld om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen en die een middel is voor het verifiëren van de relevantie en transparantie van het gebruik van EU‑financiering; benadrukt dat deze handelwijze daadwerkelijk een garantie vormt voor het recht en de taak van het Parlement om toezicht te houden op de volledige EU‑begroting; herinnert aan het in januari 2014 geformuleerde standpunt van de Commissie, dat alle instellingen zonder uitzondering volledig deel uitmaken van het follow up-proces ten aanzien van de opmerkingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure formuleert en dat zij steeds nauw moeten samenwerken teneinde het soepele verloop van de kwijtingsprocedure te waarborgen;

73.  verzoekt de instellingen hun jaarverslagen rechtstreeks aan het Parlement te doen toekomen zodat het Parlement goed geïnformeerd kan besluiten over het al dan niet verlenen van kwijting, alsmede volledige informatie te verstrekken in antwoord op de vragen van het Parlement gedurende het kwijtingsproces;

74.  is van mening dat het VWEU het Parlement het recht moet toekennen om de volledige EU‑begroting te toetsen, en niet alleen het door de Commissie beheerde gedeelte; dringt er daarom op aan om hoofdstuk 4 van Titel II – Financiële bepalingen – in die zin bij te werken, zodat alle instellingen en organen komen te vallen onder de in dat hoofdstuk voorziene rechten en plichten, en het hoofdstuk in overeenstemming te brengen met het Financieel Reglement;

75.  benadrukt dat alle lidstaten verplicht zouden moeten zijn jaarlijks een verklaring te verstrekken om zo verantwoording af te leggen over hun gebruik van EU‑middelen;

76.  onderkent de cruciale rol van de Rekenkamer waar het gaat om betere en verstandigere besteding van de EU‑begroting, het opsporen van gevallen van fraude, corruptie en onrechtmatig gebruik van EU‑financiering, en het geven van professioneel advies ten aanzien van een beter beheer van EU‑financiering; herinnert eraan dat de Rekenkamer een belangrijke rol speelt als een Europese openbare auditautoriteit;

77.  is van mening dat het gezien de belangrijke rol die de Europese Rekenkamer speelt bij de controle op het innen en gebruiken van EU‑middelen, absoluut noodzakelijk is dat de instellingen terdege rekening houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer;

78.  wijst erop dat de samenstelling van de Rekenkamer en de benoemingsprocedure voor de leden zijn geregeld in de artikelen 285 en 286 VWEU; is van mening dat het Parlement en de Raad bij de benoeming van leden van de Rekenkamer evenveel zeggenschap moeten hebben, met het oog op de democratische legitimering, transparantie en de absolute onafhankelijkheid van die leden; vraagt de Raad om de besluiten die het Parlement na het horen van kandidaat-leden voor de Rekenkamer neemt, volledig te aanvaarden;

79.  betreurt het dat bepaalde benoemingsprocedures hebben geleid tot conflicten tussen het Parlement en de Raad over kandidaten; onderstreept dat het, zoals bepaald in het Verdrag, de taak van het Parlement is om de kandidaten te beoordelen; benadrukt dat deze conflicten de goede werkrelaties van de Rekenkamer met voornoemde instellingen kunnen schaden en mogelijk ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de geloofwaardigheid en dus de effectiviteit van de Rekenkamer; is van mening dat de Raad in de geest van goede samenwerking tussen de EU‑instellingen de beslissingen die het Parlement na de hoorzittingen heeft genomen, moet accepteren;

80.  verzoekt om de invoering van een rechtsgrondslag om EU‑agentschappen op te richten die specifieke uitvoerende taken kunnen uitvoeren die hun overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedures door het Europees Parlement en de Raad worden opgelegd;

81.  wijst erop dat het Parlement, overeenkomstig de Verdragen, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting; meent, gezien het feit dat alle EU‑instellingen en ‑organen hun begroting zelf beheren, dat het Parlement de expliciete bevoegdheid zou moeten krijgen om alle EU‑instellingen en ‑organen kwijting te verlenen, en dat deze laatste verplicht zouden moeten zijn in alle opzichten met het Parlement samen te werken;

82.  is tot slot van mening dat de huidige procedure voor ratificatie van de Verdragen te rigide is voor een supranationale rechtspersoon als de Europese Unie; stelt voor om amendementen op de Verdragen in werking te laten treden door middel van een EU‑breed referendum dan wel na ratificatie door een gekwalificeerde meerderheid van vier vijfde van de lidstaten, na instemming van het Parlement;

83.  dringt erop aan dat het EHvJ de volledige jurisdictie over alle EU‑beleid met betrekking tot vraagstukken van juridische aard krijgt, zoals passend is in een democratisch systeem gebaseerd op de rechtsstaat en de scheiding der machten;

Grondwettelijk proces

84.  verplicht zich ertoe een leidende rol op zich te nemen in deze belangrijke constitutionele ontwikkelingen, en is vastbesloten tijdig met eigen voorstellen voor verdragswijzigingen te komen;

85.  is van oordeel dat het 60‑jarig bestaan van het Verdrag van Rome een geschikt moment zou zijn om een reflectie te starten over de toekomst van de Europese Unie en tot een visie te komen voor de huidige en toekomstige generaties van Europese burgers die leidt tot een Conventie welke tot taak heeft de Europese Unie gereed te maken voor de komende decennia;

o
o   o

86.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Rekenkamer, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/5-presidents-report_nl.pdf
(2) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 49.
(3) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 47.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) http://ec.europa.eu/budget/mff/hlgor/library/reports-communication/hlgor-report_20170104.pdf
(7) Advies 2/13 van het EHJ van 18 december 2014.
(8) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 57.
(9) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 176.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.
(11) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 185.
(12) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 109.
(13) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0382.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(20) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(21) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 183.
(22) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 9.
(23) PB C 62 van 2.3.2013, blz. 26.
(24) Gewone Eurobarometer 84 – herfst 2015, en speciale Eurobarometer EP – juni 2016.


Verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon
PDF 347kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon (2014/2249(INI))
P8_TA(2017)0049A8-0386/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend op 13 december 2007,

–  gezien de verklaring van 9 mei 1950, waarbij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal werd omschreven als "de eerste fase van een Europese volkerengemeenschap",

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon(1),

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutioneel evenwicht van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon voor wat betreft het Europees Parlement(3),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(4),

–  gezien de resolutie van het Comité van de Regio's van 8 juli 2015(5),

–  gezien het rapport aan de Europese Raad van de Reflectiegroep over de toekomst van de EU in 2030,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters (Commissie, Raad, Eurogroep, Parlement en de Europese Centrale Bank (ECB)) over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid(6), en het desbetreffende advies van de Commissie constitutionele zaken,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0386/2016),

A.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten voor grote uitdagingen staan die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken;

B.   overwegende dat de EU onder meer vanwege de economische, financiële en sociale crisis kampt met ontgoocheling van haar burgers over het Europese project, hetgeen ook blijkt uit de aanhoudend lage opkomst bij Europese verkiezingen en de groei van eurosceptische of uitgesproken anti-Europese partijen;

C.  overwegende dat bepaalde voorstellen, die tot doel hebben deze uitdagingen voor de Unie aan te pakken en haar integratie te versterken met het oog op een verbeterde werking in het voordeel van de burgers, slechts volledig kunnen worden gerealiseerd na een herziening van het Verdrag; overwegende dat moet worden voorzien in een uit twee stappen bestaande benadering met betrekking tot de hervorming van de Unie (binnen en buiten het kader van de Verdragen); overwegende dat de bepalingen van het Verdrag van Lissabon en haar protocollen nog niet tot hun volle potentie zijn gebruikt en dat deze resolutie er slechts toe strekt een beoordeling te geven van de juridische mogelijkheden die de Verdragen bieden om de werking van de EU te verbeteren;

D.  overwegende dat de dominante rol van de Europese Raad ertoe leidt dat de communautaire methode, die gekenmerkt wordt door een dubbele legitimiteit, voortdurend wordt genegeerd;

E.  overwegende dat de communautaire methode moet worden behouden en niet in het gedrang mag worden gebracht door terug te vallen op intergouvernementele besluiten, onder meer op gebieden waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen; overwegende dat de Commissie een grotere rol moet krijgen, zodat zij haar rol als drijvende kracht achter de communautaire methode zo volledig en doeltreffend mogelijk kan vervullen;

F.  overwegende dat de interne markt, die het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal mogelijk maakt, een hoeksteen van de EU is;

G.  overwegende dat het Europees Parlement, dat democratisch verkozen wordt door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen en dat dus op Unieniveau de kern van de democratie vormt, het parlement is van de hele Unie, en een essentiële rol speelt bij het waarborgen van de legitimiteit en controleerbaarheid van EU-besluiten, met inbegrip van de democratische controleerbaarheid van acties en besluiten met betrekking tot de eurozone;

H.  overwegende dat het Europees Parlement overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de burgers van de Unie vertegenwoordigt, ongeacht hun nationaliteit, en dat de Raad de onderdanen van de lidstaten vertegenwoordigt via de nationale regeringen;

I.  overwegende dat de politieke dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement moet worden versterkt en de praktische mogelijkheden voor het gebruik van de "gele kaart" en de "oranje kaart" moeten worden verbeterd;

J.  overwegende dat de werkmethoden van de Europese Raad transparanter moeten worden gemaakt ten opzichte van het Parlement, en dat de taken van de Europese Raad binnen de grenzen van de bepalingen van het Verdrag uitgeoefend moeten worden;

K.  overwegende dat, om een daadwerkelijk wetgevingssysteem met twee kamers te creëren waarvan de besluitvorming democratisch en transparant verloopt, de beslissingen van de Raad door één enkele wetgevende Raad genomen moeten worden en de bestaande gespecialiseerde Raadsformaties tot voorbereidende organen omgevormd moeten worden, analoog aan de commissies in het Parlement;

L.  overwegende dat het samengaan van aansprakelijkheid en controle een noodzakelijke voorwaarde is voor de stabiliteit van elke institutionele structuur, met name als het gaat om economische, begrotings- en monetaire aangelegenheden; overwegende dat het economisch beleid van de EU gebaseerd is op een krachtige nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten, zoals onder meer het no-bail-out-beginsel als bedoeld in artikel 125 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); overwegende dat de overdracht van meer bevoegdheden naar Europees niveau overeenstemming veronderstelt inzake afname van nationale soevereiniteit;

M.  overwegende dat de EU het hoogste niveau van bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden moet aanmoedigen en dat de EU, haar instellingen en de lidstaten de eerbiediging en bevordering van deze rechten en vrijheden moeten verzekeren;

N.  overwegende dat de uitvoerende rol van de Europese Commissie op het gebied van economisch en begrotingsbeleid moet worden versterkt;

O.  overwegende dat in artikel 2 van protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep niet is bepaald of de voorzitter van de Eurogroep uit de samenstellende leden moet worden verkozen;

P.  overwegende dat het van fundamenteel belang is dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door middel van een duidelijke en genoegzaam bekende procedure tijdens de Europese verkiezingen teneinde de politieke legitimiteit van de Commissie met betrekking tot de uitvoering van regels op het gebied van economische governance en begrotingsregels te versterken;

Q.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon het wettelijk kader herformuleert waarbinnen de Rekenkamer de openbare verantwoordingsplicht bevordert en het Parlement en de Raad bijstaat bij het toezicht op de uitvoering van de EU-begroting, waarmee zij aan de bescherming van de financiële belangen van de burgers bijdraagt; overwegende dat artikel 318 VWEU voorziet in een aanvullende dialoog tussen Parlement en Commissie, waarmee een cultuur van prestatiegerichtheid moet worden gestimuleerd bij de uitvoering van de EU-begroting;

R.  overwegende dat de Europese instellingen en organen, met name het Comité van de Regio's (CvdR), het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), en in het bijzonder het Europees Parlement, tijdens het dagelijks werk moeten toezien op de eerbiediging van het beginsel van horizontale en verticale subsidiariteit in de Europese Unie; overwegende dat de Europese instellingen de rol van het CvdR en het EESC in het wetgevingskader moeten eerbiedigen en hun adviezen steeds in aanmerking moeten nemen;

S.  overwegende dat de Eurogroep bij artikel 137 VWEU en protocol nr. 14 is opgericht als informeel orgaan;

T.  overwegende dat de Eurogroep, dankzij de nieuwe taken die haar bij de sixpack- en de twopack-verordening zijn toegekend en die betrekking hebben op de identiteit van de leden van de Eurogroep en van de Raad van gouverneurs van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) en de identiteit van de voorzitter van de Eurogroep en de voorzitter van de Raad van gouverneurs van het ESM, feitelijk een zeer belangrijke rol heeft gekregen binnen de economische governance van de eurozone;

U.  overwegende dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden momenteel niet voldoende wordt toegepast; overwegende dat deze procedure, mits ten volle toegepast, ertoe kan bijdragen economische onevenwichtigheden in een vroeg stadium te corrigeren, een nauwkeurig beeld kan geven van de situatie in de afzonderlijke lidstaten en in de Unie in haar geheel, crises kan voorkomen en kan bijdragen aan versterking van het concurrentievermogen; overwegende dat er behoefte is aan meer structurele convergentie tussen de leden, omdat dat zal bijdragen aan duurzame groei en sociale cohesie; overwegende dat derhalve de voltooiing van de Europese en Monetaire Unie (EMU) dringend noodzakelijk is, evenals inspanningen om haar institutionele structuur legitiemer en meer democratisch verantwoord te maken;

V.  overwegende dat de institutionele structuur van de EMU doeltreffender en democratischer gemaakt moet worden, waarbij het Parlement en de Raad als gelijkwaardige medewetgevers optreden, de Commissie als uitvoerende macht optreedt, de nationale parlementen de maatregelen van de nationale regeringen op Europees niveau beter controleren, het Europees Parlement de besluitvorming op EU-niveau nauwlettend in het oog houdt, en het Hof van Justitie een grotere rol krijgt;

W.  overwegende dat de Unie behoefte heeft aan een behoorlijke toepassing en handhaving van het bestaande kader inzake economisch beleid, alsook aan nieuwe juridische bepalingen inzake economisch beleid en belangrijke structurele hervormingen op het gebied van concurrentievermogen, groei en sociale cohesie;

X.  overwegende dat het Europees semester moet worden vereenvoudigd, en meer gefocust en democratischer gemaakt door de rol van toezichthouder van het Parlement over het Europees semester te vergroten en door het Parlement een grotere rol te geven in de diverse cycli van de onderhandelingen;

Y.  overwegende dat het VWEU het Europees Parlement op gelijke voet met de Raad heeft geplaatst wat de jaarlijkse begrotingsprocedure betreft; overwegende dat het Verdrag van Lissabon op budgettair gebied slechts gedeeltelijk in werking is getreden, wat voornamelijk te wijten is aan het ontbreken van echte eigen middelen;

Z.  overwegende dat het gebruik van de begroting van de Unie meer gestroomlijnd moet verlopen, dat de inkomsten afkomstig moeten zijn van echte eigen middelen en niet voornamelijk van bijdragen die gebaseerd zijn op het bruto nationaal inkomen (bni), en dat het meerjarig financieel kader (MFK) op grond van de Verdragen in het vervolg kan worden vastgesteld door middel van stemming met gekwalificeerde meerderheid in plaats van stemming met eenparigheid van stemmen;

AA.  overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het "Financieel Reglement") het beginsel van universaliteit van de begroting er niet aan in de weg staat dat een groep lidstaten een financiële bijdrage bestemt voor de EU-begroting of specifieke ontvangsten voor een specifieke uitgave, zoals bijvoorbeeld reeds gebeurt in het geval van de hogefluxreactor op grond van Besluit 2012/709/Euratom;

AB.  overwegende dat bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21 van het Financieel Reglement overeenkomstig overweging 8 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader geen deel uitmaken van het MFK, zodat de plafonds die gelden voor het MFK hierop niet van toepassing zijn;

AC.  overwegende dat het systeem van eigen middelen niet in de weg staat aan eigen middelen die worden gefinancierd door slechts een deel van de lidstaten;

AD.  overwegende dat de investeringscapaciteit van de Unie vergroot moet worden door te zorgen voor een optimaal gebruik van de bestaande structuurfondsen, door gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen, en door de capaciteit van de Europese Investeringsbank (EIB), het Europees Investeringsfonds (EIF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te vergroten;

AE.  overwegende dat eraan gedacht wordt binnen de eurozone een begrotingscapaciteit te creëren, en de omvang, de financiering, de wijze van steunverlening en de voorwaarden voor integratie in de begroting van de Unie vast te stellen;

AF.  overwegende dat het groeipotentieel van de interne markt verder moet worden benut op het gebied van diensten, de digitale eengemaakte markt, de energie-unie, de bankenunie en de kapitaalmarktenunie;

AG.  overwegende dat de Unie overeenkomstig de Verdragen sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming bevordert, alsmede de gelijkheid van vrouwen en mannen en de solidariteit tussen generaties;

AH.  overwegende dat de versterking van de interne markt gepaard moet gaan met een betere coördinatie van het belastingbeleid;

AI.  overwegende dat het recht op vrij verkeer en de rechten van werknemers moeten worden gegarandeerd en behouden door het potentieel van het Verdrag van Lissabon volledig te benutten;

AJ.  overwegende dat de Uniewetgever op grond van artikel 48 VWEU maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid kan vaststellen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat werknemers hun recht op vrij verkeer kunnen uitoefenen; overwegende dat de Uniewetgever op grond van artikel 153 VWEU maatregelen kan vaststellen ter bescherming van de sociale rechten van werknemers in andere situaties dan wanneer deze gebruik willen maken van hun recht op vrij verkeer;

AK.  overwegende dat de Uniewetgever krachtens artikel 153, lid 1, onder a) t/m i) minimumharmonisatiemaatregelen kan vaststellen op het gebied van sociaal beleid; overwegende dat dergelijke maatregelen het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet laten; overwegende dat dergelijke maatregelen geen aanmerkelijke gevolgen mogen hebben voor het financiële evenwicht van nationale socialezekerheidsstelsels; overwegende dat er voor de Uniewetgever binnen deze voor harmonisatie van sociaal beleid geldende grenzen nog altijd speelruimte is om maatregelen vast te stellen op het gebied van sociaal beleid;

AL.  overwegende dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, zoals bepaald in artikel 157 van het VWEU, nog altijd niet wordt geëerbiedigd;

AM.  overwegende dat er tekortkomingen bestaan in verband met de werking en uitvoering van het Europees burgerinitiatief en dat er derhalve behoefte is aan verbetering, opdat dit instrument op doeltreffende wijze kan functioneren en daadwerkelijk de participatieve democratie en actief burgerschap kan stimuleren;

AN.  overwegende dat het vrije verkeer, vooral van werknemers, een in de Verdragen verankerd recht is (artikel 45 VWEU) dat een belangrijke drijvende kracht vormt voor de voltooiing van de eengemaakte markt;

AO.  overwegende dat de Unie de effectiviteit, cohesie en verantwoording van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) moet doen stijgen, wat kan worden gedaan door de bestaande bepalingen van het Verdrag te gebruiken om op het gebied van extern beleid meer en meer over te gaan van unanimiteit op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid (BGM), en door de bepalingen voor flexibiliteit en vergrote samenwerking waar nodig uit te voeren;

AP.  overwegende dat recente veiligheidsuitdagingen, sommige in de directe nabijheid van de grenzen van de EU, hebben uitgewezen dat er behoefte is aan een progressieve ontwikkeling in de richting van een gemeenschappelijk defensiebeleid en uiteindelijk van een gemeenschappelijke defensie; overwegende dat het Verdrag reeds duidelijke bepalingen bevat over hoe dat kan worden gerealiseerd, met name in artikelen 41, 42, 44 en 46 VEU;

AQ.  overwegende dat op gebieden waar de Unie een exclusieve bevoegdheid heeft en op gebieden waar de Unie een gedeelde bevoegdheid heeft en zij deze bevoegdheid reeds uitoefent, een externe vertegenwoordiging gewaarborgd moet worden, in het belang van de Unie; overwegende dat op gebieden waar de Unie haar gedeelde bevoegdheid nog niet uitoefent, de lidstaten gehouden zijn nauw met de Unie samen te werken en geen maatregelen te nemen die indruisen tegen de belangen van de Unie;

AR.  overwegende dat het belangrijk is dat de Unie en de lidstaten binnen internationale organisaties en op internationale fora een gecoördineerd en gestructureerd standpunt innemen om de invloed van de Unie en haar lidstaten binnen dergelijke organisaties en op dergelijke fora te vergroten;

AS.  overwegende dat het aangaan van internationale verplichtingen door de Unie of de lidstaten er niet toe mag leiden dat de nationale parlementen en het Europees Parlement worden veroordeeld tot een rol in de marge;

AT.  overwegende dat de vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er nood is aan een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid, dat voor een eerlijke verdeling van asielzoekers binnen de EU moet zorgen;

AU.  overwegende dat discriminatie op grond van bijvoorbeeld geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging (politieke of andere), het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, genderidentiteit of seksuele gerichtheid in alle lidstaten een probleem blijft;

AV.  overwegende dat de recente crises hebben aangetoond dat onderlinge aanpassing van wettelijke bepalingen niet voldoende is om de goede werking van de interne markt of de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te waarborgen, omdat de geharmoniseerde bepalingen op verschillende manieren ten uitvoer worden gelegd;

AW.  overwegende dat de Uniewetgever geen discretionaire bevoegdheden mag toekennen aan agentschappen van de Unie als bij de uitoefening van die bevoegdheden politieke keuzes gemaakt moeten worden;

AX.  overwegende dat de Uniewetgever moet waarborgen dat er voldoende politieke controle wordt uitgeoefend op de besluiten en activiteiten van de agentschappen van de Unie;

AY.  overwegende dat de schending van op een Europese top of in de Europese Raad gesloten akkoorden door de lidstaten de geloofwaardigheid van de Europese instellingen ernstig ondermijnt en dat dus doeltreffender op de tenuitvoerlegging van deze akkoorden moet worden toegezien;

1.  stelt vast dat de Europese Unie en haar lidstaten voor ongekende uitdagingen staan, die adequater moeten worden aangepakt, zoals de vluchtelingencrisis, de moeilijkheden van het buitenlands beleid in de directe omgeving van de Unie en de strijd tegen het terrorisme, evenals mondialisering, klimaatverandering, demografische ontwikkelingen, werkloosheid, de oorzaken en de gevolgen van de financiële en schuldencrisis, het gebrek aan concurrentievermogen en de sociale gevolgen daarvan in meerdere lidstaten, en de noodzaak de interne markt van de EU te versterken;

2.  benadrukt dat de individuele lidstaten niet op een behoorlijke manier het hoofd kunnen bieden aan deze uitdagingen, maar dat er nood is aan een collectief antwoord van de Unie dat het principe van meerlagig bestuur eerbiedigt;

3.  herinnert eraan dat de interne markt, die het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal mogelijk maakt, een hoeksteen van de EU is; herinnert er tevens aan dat uitzonderingen op de interne markt leiden tot concurrentieverstoringen binnen de Unie en vernietiging van het gelijke speelveld;

4.  wijst er andermaal op dat de Unie het verloren vertrouwen van haar burgers moet terugwinnen door de transparantie van besluitvorming en de verantwoordingsplicht van haar instellingen, instanties en informele organen (zoals de Eurogroep) te vergroten en haar handelingsbevoegdheid te verbeteren;

5.  herinnert eraan dat nog niet alle bepalingen van het Verdrag van Lissabon tot hun volle potentie zijn gebruikt, terwijl zij enkele noodzakelijke instrumenten bevatten die konden worden toegepast om een aantal van de crises waarmee de Unie te maken kreeg te voorkomen, of konden worden gebruikt om de huidige uitdagingen het hoofd te bieden zonder daarvoor op de korte termijn een herziening van het Verdrag te moeten initiëren;

6.  wijst er andermaal op dat de communautaire methode het best past bij de werking van de Unie en een aantal pluspunten heeft in vergelijking met de intergouvernementele methode omdat het de enige is die meer transparantie, efficiëntie, BGM in de Raad en het gelijke recht op gezamenlijke wetgeving door het Europees Parlement en de Raad mogelijk maakt en bovendien de fragmentatie van institutionele verantwoordelijkheden en de ontwikkeling van met elkaar concurrerende instellingen voorkomt;

7.  is van oordeel dat intergouvernementele oplossingen alleen een uiterste noodoplossing mogen zijn, onder strikte voorwaarden, met name eerbiediging van de Uniewetgeving, de doelstelling van het verdiepen van de Europese integratie en het openstaan voor toetreding door niet-deelnemende lidstaten, en meent dat deze zo snel mogelijk vervangen moeten worden door Unieprocedures, zelfs op gebieden waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen, teneinde de Unie in staat te stellen haar taken uit te voeren binnen één enkel institutioneel kader; verzet zich in dit verband tegen de oprichting van nieuwe instellingen buiten het kader van de Unie, en blijft streven naar de opname van het ESM in de Uniewetgeving, mits er voor passende democratische verantwoording gezorgd wordt, alsook naar opname van de relevante bepalingen van het begrotingspact, zoals bedoeld in het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (VSCB) zelf, op basis van een beoordeling van de ervaringen bij de tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat de huidige besluitvorming en begrotingsverplichtingen niet van elkaar gescheiden mogen worden;

8.  benadrukt dat het rechtstreeks verkozen Europees Parlement een essentiële rol speelt bij de legitimering van de Unie en ervoor zorgt dat de controle van het besluitvormingssysteem van de Unie bij de burgers komt te liggen door de uitoefening van correct parlementair toezicht op de uitvoerende macht op het niveau van de Unie en door de medebeslissingsprocedure, waarvan het toepassingsgebied moet worden uitgebreid;

9.  wijst erop dat het Europees Parlement het parlement is van de hele Unie, en is van oordeel dat correcte democratische verantwoording verzekerd moet worden, ook op de gebieden waar niet alle lidstaten meedoen, met inbegrip van maatregelen en beslissingen die specifiek de eurozone betreffen;

10.  is van mening dat politieke dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement moet worden versterkt, en krachtiger en zinvoller moet worden gemaakt, zonder daarbij de grenzen van hun respectieve constitutionele bevoegdheden te overschrijden; herinnert eraan dat in dit verband de nationale parlementen het beste zijn geplaatst om op nationaal niveau het optreden van hun respectieve overheden in Europese aangelegenheden nauwlettend in het oog te houden, terwijl het Europees Parlement moet zorgen voor de democratische verantwoording en de legitimering van de Europese uitvoerende macht;

11.  meent dat het van essentieel belang is om de transparantie en de openheid van de EU–instellingen te versterken en om de communicatie over EU-besluitvorming te verbeteren; dringt aan op verdere inspanningen gelet op de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en gelet op Richtlijn 93/109/EG, waarin de modaliteiten zijn vastgelegd voor de uitoefening van actief en passief stemrecht bij de Europese parlementsverkiezingen voor EU-burgers die wonen in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn;

12.  brengt in herinnering dat het mogelijk is het parlementaire enquêterecht en het Europees Burgerinitiatief (EBI) via afgeleid Unierecht te versterken, en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een herziening van de EBI-verordening voor te stellen;

13.  acht het noodzakelijk dat de Commissie het EBI hervormt tot een functionerend instrument voor democratisch engagement, rekening houdend met zijn resolutie van 28 oktober 2015(8) en vraagt de Commissie, onder meer, om het publiek beter voor te lichten over dit initiatief en het sterker in de kijker te zetten, om de software voor de inzameling van handtekeningen op het internet gebruiksvriendelijker te maken zodat die ook toegankelijk is voor personen met een handicap; om passende en volledige juridische en praktische begeleiding te verschaffen, om te overwegen om bij haar vertegenwoordigingen in elke lidstaat een speciaal bureau voor het EBI in te richten, om uitvoerig de redenen toe te lichten waarom het EBI verworpen is en te onderzoeken hoe voorstellen voor initiatieven die buiten de bevoegdheid van de Commissie vallen, kunnen worden doorverwezen naar passender autoriteiten;

14.  merkt op dat vrijwilligerswerk in Europa een integraal onderdeel vormt van de Europese burgervorming en raadt daarom aan dat de Commissie onderzoekt hoe jongeren hiertoe gestimuleerd kunnen worden;

Institutionele structuur, democratie en verantwoording

De parlementen

15.  dringt erop aan dat de wetgevende macht en de controlerechten van het Parlement worden gegarandeerd, geconsolideerd en versterkt, onder meer door interinstitutionele akkoorden en door het gebruik van de overeenkomstige rechtsgrondslag door de Commissie;

16.  is van mening dat het Europees Parlement zijn werkmethoden moet hervormen om de toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, door de aan het Parlement toegewezen politieke controle over de Commissie te vergroten, ook in verband met de tenuitvoerlegging en toepassing van het acquis in de lidstaten, door akkoorden in eerste lezing te beperken tot uitzonderlijke en urgente noodgevallen en enkel nadat een weloverwogen en duidelijk besluit werd genomen, en door in deze gevallen te zorgen voor meer transparantie van de procedure die leidt tot de goedkeuring van dergelijke akkoorden; wijst in dit verband op de voorstellen van het Parlement om de eigen kiesprocedure verder te harmoniseren in zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie(9);

17.  spreekt zijn voornemen uit om meer gebruik te maken van initiatiefverslagen van wetgevende aard uit hoofde van artikel 225 VWEU;

18.  is van mening dat het Parlement in zijn hoofdzetel en in alle delegaties in de lidstaten een invoerregister moet oprichten waar burgers terechtkunnen om documenten in te voeren en de inhoud ervan officieel te laten vastleggen;

19.  meent dat een digitaal officieel publicatieblad van het Europees Parlement moet worden opgericht, waarin alle resoluties en verslagen die het Parlement goedkeurt, officieel vastgesteld kunnen worden;

20.  ijvert voor politieke dialoog met de nationale parlementen over de inhoud van wetgevende voorstellen, waar deze dialoog relevant is; benadrukt evenwel dat beslissingen moeten worden genomen op het niveau van constitutionele bevoegdheden en dat er een duidelijke afbakening is van de respectieve besluitvormingsbevoegdheden van de nationale parlementen en het Europees Parlement, waarbij de nationale parlementen hun Europese taak moeten uitoefenen op basis van hun nationale grondwetten, in het bijzonder door middel van de controle van hun nationale overheden als leden van de Europese Raad en de Raad, omdat dit het niveau is waarop zij het best geplaatst zijn om rechtstreeks invloed uit te oefenen op de inhoud van en toezicht te houden op het Europese wetgevingsproces; is daarom tegen de oprichting van nieuwe gezamenlijke parlementaire organen met besluitvormingsbevoegdheden;

21.  wijst op het belang van de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen binnen het kader van de gezamenlijke organen zoals de Conferentie van in communautaire aangelegenheden gespecialiseerde organen (COSAC) en de Interparlementaire Conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB-IPC), en in het kader van artikel 13 van het VSCB in de Economische en Monetaire Unie op basis van de beginselen van consensus en van het delen en raadplegen van informatie om controle te kunnen uitoefenen over hun respectieve autoriteiten; roept de Commissie en de Raad op om op een hoog politiek niveau deel te nemen aan de interparlementaire bijeenkomsten; benadrukt de nood aan een nauwere samenwerking tussen de commissies van het Europees Parlement en hun nationale equivalenten binnen deze gezamenlijke organen door het versterken van de coherentie, transparantie en wederzijdse uitwisseling van informatie;

22.  ijvert voor de uitwisseling van beste praktijken bij parlementair toezicht tussen nationale parlementen, zoals het houden van regelmatige debatten tussen de respectieve ministers en de gespecialiseerde commissies in de nationale parlementen voor en na de vergaderingen van de Raad, en met leden van de Europese Commissie binnen een passend tijdskader, evenals vergaderingen met nationale parlementen voor uitwisselingen met Europarlementsleden; dringt aan op de uitwisseling van ambtenaren van de instellingen en medewerkers van de fracties tussen de administraties van het Europees Parlement en de nationale parlementen;

23.  is van mening dat moet worden vermeden dat de lidstaten te ver gaan bij de omzetting van Europese normen, en dat de nationale parlementen hierbij een cruciale rol vervullen;

Europese Raad

24.  betreurt dat de Raad, door geen gebruik te maken van BGM, te vaak wetgevingsaangelegenheden naar de Europese Raad heeft doorverwezen; is van oordeel dat de werkwijze van de Europese Raad om de Raad opdrachten te geven, verder gaat dan de strategisch adviserende taak die in de Verdragen is vastgelegd, en dus indruist tegen de letter en de geest van de Verdragen, zoals beschreven in artikel 15, lid 1 VEU, waarin bepaald is dat de Europese Raad de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten van de Unie bepaalt maar geen wetgevingstaak uitoefent; acht het noodzakelijk de werkrelaties tussen de Europese Raad en het Parlement te verbeteren;

25.  brengt in herinnering dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door het Europees Parlement op voorstel van de Europese Raad, rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen, en dat de Europese politieke partijen daarom topkandidaten moeten nomineren, zoals in 2014 het geval was, zodat de burgers kunnen kiezen wie zij als voorzitter van de Commissie willen; verwelkomt het voorstel van de voorzitter van de Commissie om het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie te wijzigen met betrekking tot de opkomst van commissarissen als kandidaat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement;

26.  wijst er bovendien op dat, hoewel dit niet in het belang van het Europees Parlement is, het binnen de Verdragen mogelijk is de functie van voorzitter van de Europese Raad samen te voegen met die van voorzitter van de Europese Commissie;

27.  verzoekt de Europese Raad gebruik te maken van de overbruggingsclausule (artikel 48, lid 7, VEU), waardoor de Raad toestemming krijgt om in toepasselijke gevallen waar de Verdragen momenteel eenparigheid van stemmen eisen over te gaan van unanimiteit op BGM;

28.  vraagt de Voorzitter van het Europees Parlement dat hij de Conferentie van Voorzitters op voorhand informeert over het standpunt dat hij zal innemen in zijn toespraak voor de Europese Raad;

Raad

29.  stelt voor dat de Raad in een echte wetgevende kamer wordt veranderd door het aantal configuraties van de Raad met een beslissing van de Europese Raad terug te brengen, en dus een echt wetgevingssysteem met twee kamers te creëren waarbij de Raad en het Parlement worden betrokken en waarbij de Commissie als de uitvoerende macht optreedt; stelt voor om de huidige actieve gespecialiseerde wetgevende configuraties van de Raad te betrekken als voorbereidende lichamen voor één wetgevende Raad waarvan de zittingen openbaar zijn, analoog aan hoe de commissies in het Europees Parlement functioneren;

30.  dringt erop aan dat de transparantie van de juridische besluitvorming van de Raad in het algemeen gewaarborgd wordt, dat daarnaast de uitwisseling van documenten en informatie tussen het Parlement en de Raad verbeterd wordt en dat de toegang van vertegenwoordigers van het Parlement in de rol van waarnemers tot de vergaderingen van de Raad en zijn organen toegestaan wordt, met name bij wetgevende handelingen;

31.  is van oordeel dat het mogelijk is de functies van de voorzitter van de Eurogroep en de commissaris voor Economische en Financiële Zaken samen te voegen, en stelt in dit geval voor dat de voorzitter van de Commissie deze commissaris benoemt tot vicevoorzitter van de Commissie; is van oordeel dat deze commissaris, zodra de begrotingscapaciteit en een Europees Monetair Fonds opgericht zijn, alle nodige middelen en bevoegdheden kan krijgen voor de toepassing en handhaving van het huidige kader voor economische governance en voor de optimalisering van de ontwikkeling van de eurozone in samenwerking met de ministers van financiën van de lidstaten van de eurozone, zoals is uiteengezet in zijn resolutie van 16 februari 2017 over een begrotingscapaciteit voor de eurozone(10);

32.  verlangt dat, in het kader van het huidige Verdrag, de voorzitter en de leden van de Eurogroep, die een democratische verantwoordingsplicht hebben ten aanzien van het Europees Parlement, hier via passende mechanismen aan voldoen, en vooral dat de voorzitter antwoordt op parlementaire vragen; roept daarnaast op tot de invoering van een intern reglement en tot de publicatie van resultaten;

33.  verlangt dat de Raad volledig overschakelt naar BGM wanneer dat op grond van de Verdragen mogelijk is, en geen contentieuze wetgevende gebieden meer overdraagt aan de Europese Raad omdat dit indruist tegen de letter en de geest van het Verdrag, dat stelt dat de Europese Raad uitsluitend unaniem kan besluiten en dat alleen mag doen over brede politieke doelen, niet over wetgeving;

34.  is vastbesloten de bepalingen van het Verdrag betreffende vergrote samenwerking volledig uit te voeren door zich ertoe te verplichten geen nieuwe vergrote samenwerkingsvoorstellen goed te keuren, behalve als de deelnemende lidstaten er zich op hun beurt toe verplichten de speciale overbruggingsclausule van artikel 333 VWEU in werking te laten treden om van unanimiteit over te gaan op BGM, en van een bijzondere op de gewone wetgevende procedure;

35.  benadrukt dat het belangrijk is ten volle gebruik te maken van de procedure voor nauwere samenwerking waarin artikel 20 VEU voorziet, met name tussen lidstaten van de eurozone, opdat de lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie via dit mechanisme de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie kunnen bevorderen en hun integratieproces kunnen versterken, binnen de grenzen en volgens de voorwaarden van de artikelen 326 t/m 334 VWEU;

Commissie

36.  is vastbesloten de rol van het Parlement bij de verkiezing van de voorzitter van de Commissie te versterken door de formele raadplegingen van de politieke partijen en de voorzitter van de Europese Raad te versterken, zoals bepaald werd in Verklaring 11 bij de slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, teneinde te verzekeren dat de Europese Raad ten volle rekening houdt met de verkiezingsuitslagen bij het voordragen van een kandidaat voor het Parlement, zoals het geval was bij de Europese verkiezingen in 2014;

37.  benadrukt nogmaals dat alle voorstellen van de Commissie volledig gerechtvaardigd moeten zijn en vergezeld moeten gaan van een gedetailleerde effectbeoordeling, die ook het effect op de mensenrechten omvat;

38.  is van oordeel dat de onafhankelijkheid van de voorzitter van de Commissie versterkt kan worden als iedere lidstaat ten minste drie kandidaten zou voordragen van beide seksen, die dan bij de benoeming van de Eurocommissarissen door de voorzitter van de Commissie in aanmerking genomen kunnen worden;

39.  dringt aan op het verzekeren van betere coördinatie en, waar mogelijk, vertegenwoordiging van de EU/de eurozone in internationale financiële instellingen, en wijst erop dat artikel 138, lid 2, VWEU een juridische basis verschaft voor de goedkeuring van maatregelen om een gezamenlijke vertegenwoordiging van de EU/de eurozone in de internationale instellingen en conferenties te waarborgen;

40.  vraagt een geformaliseerde, regelmatige en door het Europees Parlement georganiseerde "dialoog" op te zetten over de externe vertegenwoordiging van de Unie;

41.  herinnert eraan dat de Commissie, de lidstaten, het Parlement en de Raad, elk binnen de grenzen van hun bevoegdheden, moeten helpen om een betere toepassing en uitvoering van de wetgeving van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten te verzekeren;

Rekenkamer

42.  onderkent de cruciale rol van de Europese Rekenkamer waar het gaat om een betere en verstandigere besteding van Europese gelden; herinnert eraan dat de Rekenkamer afgezien van haar belangrijke taak om te informeren over de betrouwbaarheid van de boeken en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties, bij uitstek in de positie verkeert om het Parlement te voorzien van de informatie die het nodig heeft om zijn taak en mandaat van democratisch toezicht op de Europese begroting te vervullen, alsook om informatie te verstrekken omtrent de resultaten van door de Unie gefinancierde activiteiten en beleidsmaatregelen, met het oog op grotere doelmatigheid daarvan; acht het daarom raadzaam de Rekenkamer te versterken; rekent erop dat de Rekenkamer onafhankelijkheid, integriteit, onpartijdigheid en professionalisme blijft betrachten, en nauwe werkrelaties met belanghebbende partijen zal opbouwen;

43.  meent dat het hardnekkige gebrek aan samenwerking door de Raad het Parlement belet om met kennis van zaken een kwijtingsbesluit te nemen, hetgeen bij de burgers een blijvende slechte indruk nalaat omtrent de geloofwaardigheid van de EU-instellingen en de transparantie rond de aanwending van EU-gelden; meent dat dit gebrek aan samenwerking ook een nadelige invloed heeft op de werking van de instellingen en de door de Verdragen voorgeschreven procedure voor politieke toetsing van het begrotingsbeheer in diskrediet brengt;

44.  benadrukt dat de samenstelling van de Rekenkamer en de benoemingsprocedure voor de leden zijn geregeld in de artikelen 285 en 286 VWEU; is van mening dat het Parlement en de Raad bij de benoeming van leden van de Rekenkamer evenveel zeggenschap moeten hebben, met het oog op de democratische legitimering, transparantie en de absolute onafhankelijkheid van die leden; vraagt de Raad om besluiten die het Parlement na het horen van de leden van de Rekenkamer neemt, te respecteren;

Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité

45.  roept het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op betere modaliteiten te creëren voor de samenwerking met het CvdR en het EESC, ook tijdens de voorbereiding van de wetgeving bij het verrichten van effectbeoordelingen, om te waarborgen dat gedurende de volledige wetgevingsprocedure rekening gehouden wordt met hun adviezen en beoordelingen;

Agentschappen

46.  benadrukt dat toekenning van uitvoeringsbevoegdheden aan agentschappen van de Unie gepaard moet gaan met voldoende toezicht door de Uniewetgever op besluiten en acties van deze agentschappen; herinnert eraan dat doeltreffend toezicht onder meer de benoeming en het ontslag van leidinggevend personeel van de agentschappen van de Unie omvat, alsmede deelname aan de Raad van toezicht van de agentschappen van de Unie, vetorechten ter zake van bepaalde besluiten van de agentschappen van de Unie, verplichtingen op het gebied van informatieverstrekking, transparantievoorschriften en begrotingsbevoegdheden met betrekking tot de begroting van de agentschappen van de Unie;

47.  overweegt een kaderverordening vast te stellen voor agentschappen van de Unie die uitvoeringsbevoegdheden hebben, die het mechanisme voor het verplichte politieke toezicht door de Uniewetgever omvat, alsook het recht van het Europees Parlement om het leidinggevend personeel van de agentschappen van de Unie te benoemen en te ontslaan, het recht om deel uit te maken van de Raad van toezicht van de agentschappen van de Unie, vetorechten van het Europees Parlement ter zake van bepaalde besluiten van de agentschappen van de Unie, informatieverplichtingen, transparantievoorschriften, en begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement met betrekking tot de begroting van de agentschappen van de Unie;

Eerbiediging van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid

48.  benadrukt het belang van het subsidiariteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 5 VEU, dat bindend is voor alle instellingen en organen van de Unie, en het belang van de instrumenten die zijn opgenomen in protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; herinnert in dit verband aan de respectieve rollen die zijn toebedeeld aan de nationale parlementen en het CvdR; is voorstander van soepelheid met betrekking tot de in het protocol vastgelegde termijnen voor toezending van het ontwerp van wetgevingshandelingen en roept de Commissie op de kwaliteit van haar reacties op met redenen omklede adviezen te verbeteren;

49.  herinnert de nationale parlementen aan hun belangrijke rol bij het toezicht op de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel; wijst erop dat er in dit verband tal van formele mogelijkheden zijn voor nationale parlementen om de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te waarborgen, maar dat de praktische samenwerking tussen de nationale parlementen moet worden versterkt, onder meer opdat zij in nauwe onderlinge samenwerking het vereiste quorum onder artikel 7, lid 3, van het protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kunnen halen in het geval van een vermeende inbreuk op die beginselen;

50.  beklemtoont het belang van artikel 9 VWEU, dat garandeert dat de sociale gevolgen van de rechtshandelingen en beleidsmaatregelen van de EU in aanmerking worden genomen;

Het uitbreiden en verdiepen van de Economische en Monetaire Unie

51.  herinnert eraan dat de verdere ontwikkeling van de EMU moet worden gebaseerd op de bestaande wetgeving en de uitvoering daarvan, en moet worden gekoppeld aan een versterking van de sociale dimensie;

52.  pleit voor verdere institutionele hervormingen om de EMU doeltreffender en democratischer te maken, met verbeterde kwaliteiten om geïntegreerd te worden binnen het institutionele kader van de Unie, waarbij de Commissie optreedt als de uitvoerende macht en het Parlement en de Raad als gezamenlijke wetgevers;

Nieuwe rechtshandeling inzake economisch beleid

53.  wijst nogmaals op zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(11), waarin het idee van een "convergentiecode" aan bod kwam, aangenomen volgens de gewone wetgevingsprocedure, teneinde een meer doeltreffend kader voor de coördinatie van economisch beleid te creëren (met een aantal nog te bepalen convergentiecriteria), dat openstaat voor alle lidstaten en dat door een op stimuli gebaseerd mechanisme wordt ondersteund;

54.  is van mening dat een beperkt aantal cruciale gebieden moet worden vastgelegd voor structurele hervormingen die het concurrentievermogen, het groeipotentieel, echte economische convergentie en sociale cohesie binnen een termijn van vijf jaar doen stijgen om de Europese sociale markteconomie, zoals uiteengezet in artikel 3, lid 3, VEU te versterken;

55.  benadrukt het belang van een duidelijke scheiding van bevoegdheden tussen de EU–instellingen en de lidstaten, waardoor de lidstaten meer zeggenschap krijgen over uitvoeringsprogramma's en de rol van de nationale parlementen hierin toeneemt;

56.  pleit voor een beter gebruik van de beschikbare middelen in samenhang met artikel 136 VWEU om het aannemen en het uitvoeren van nieuwe maatregelen in de eurozone te vergemakkelijken;

Een vereenvoudigd, meer gefocust en democratischer Europees semester

57.  herinnert aan de noodzaak van een kleiner aantal, meer toegespitste landspecifieke aanbevelingen, op basis van het beleidskader uit de convergentiecode, de jaarlijkse groeianalyse en de concrete voorstellen die door iedere lidstaat worden gepresenteerd, in overeenstemming met hun respectieve belangrijkste hervormingsdoelen op basis van een breed spectrum aan structurele hervormingen, die het concurrentievermogen, echte economische convergentie en sociale cohesie aansporen;

58.  benadrukt het belang van de demografische ontwikkeling voor het Europees semester en vraagt dat er meer rekening wordt gehouden met deze indicator;

59.  brengt in herinnering dat er reeds mechanismen voor economische dialoog bestaan, met name via de totstandkoming van de "economische dialoog" in het kader van de sixpack- en twopack-wetgeving; is van mening dat dit een effectief instrument is waarmee het Parlement een grotere rol in het kader van het Europees semester toebedeeld kan krijgen, waardoor de dialoog tussen het Parlement, de Raad, de Commissie en de Eurogroep versterkt kan worden, en stelt voor de rol van toezichthouder van het Parlement te formaliseren door middel van een Interinstitutioneel Akkoord (IIA), zoals het Parlement reeds meerdere malen heeft verzocht; verwelkomt en stimuleert bovendien de betrokkenheid van nationale parlementen op nationaal niveau en samenwerking tussen nationale parlementen en het Europees Parlement in het kader van het Europees semester en voor economische governance meer in het algemeen, bijvoorbeeld via de "Europese Parlementaire Week" en de "Conferentie over artikel 13"; is daarnaast van mening dat de betrokkenheid van de sociale partners in het Europees semester verbeterd kan worden;

60.  pleit voor de integratie van de relevante bepalingen van het begrotingspact in het juridisch kader van de EU op basis van een brede beoordeling van zijn uitvoering en in de mate dat dit nog niet onder bestaand afgeleid recht valt;

De rol van de EU-begroting in de EMU

61.  herinnert aan de mogelijkheid om aan de hand van de bepalingen van artikel 312, lid 2, VWEU, van unanimiteit over te gaan op BGM voor het aannemen van de volgende verordening van het MFK; onderstreept het belang van het leggen van een verband tussen de duur van de zittingsperiode van het Parlement, het mandaat van de Commissie en de duur van het meerjarig financieel kader, die onder de bepalingen van artikel 312, lid 1, VWEU kan worden teruggebracht tot vijf jaar; roept op de MFK's voortaan te laten overeenstemmen met het volgende mandaat; vraagt de Raad zich achter deze democratische vereiste te scharen;

62.  is ingenomen met het verslag van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen; wenst terug te komen tot de letter en de geest van de Verdragen en het huidige systeem van eigen middelen, dat werkt aan de hand van contributies die gebaseerd zijn op het bni, te veranderen in een systeem op basis van echte eigen middelen voor de EU en uiteindelijk een begroting voor de eurozone, waarvoor verschillende ideeën bestaan;

63.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 24 van de Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 de algemene begroting van de Unie alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom omvat, overeenkomstig artikel 7 van het Financieel Reglement;

Een vergrote investeringscapaciteit in de EU

64.  pleit voor een optimaal gebruik van de bestaande structuurfondsen teneinde het concurrentievermogen en de cohesie in de EU aan te sporen, en voor een toename van de investeringscapaciteit in de EU aan de hand van innovatieve werkwijzen, bijvoorbeeld het EFSI, dat specifieke faciliteiten omvat om infrastructuurprojecten die interessant zijn voor de Unie te financieren en te garanderen;

65.  dringt aan op de volledige implementatie van het bestaande sixpack en twopack en het Europees semester en wijst op de behoefte om, in het bijzonder, macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken, en om controle op de lange termijn over tekorten en de nog steeds extreem hoge schuldenniveaus te garanderen aan de hand van groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, een verbeterde efficiëntie van de uitgaven, voorrang voor productieve investeringen, bevordering van eerlijke en duurzame structurele hervormingen en inachtneming van de conjunctuur;

Totstandbrenging van een begrotingscapaciteit binnen de eurozone met gebruikmaking van een deel van de EU-begroting

66.  brengt in herinnering dat de euro de munt van de Unie is en dat de EU-begroting tot doel heeft de in artikel 3 VEU vastgestelde doelstellingen van de Unie te behalen en gemeenschappelijk beleid te financieren, zwakke regio's te helpen door het solidariteitsbeginsel toe te passen, de interne markt te voltooien, Europese synergieën te bevorderen, te reageren op bestaande en opduikende uitdagingen die een pan-Europese aanpak vereisen, en aldus minder ontwikkelde lidstaten mee te helpen hun achterstand in te lopen opdat deze zich bij de eurozone kunnen aansluiten;

67.  neemt kennis van de verschillende voorstellen voor de oprichting van een begrotingscapaciteit in de eurozone; merkt op dat in deze voorstellen verschillende functies toebedeeld worden aan deze capaciteit en dat hun ontwerp uiteenloopt; brengt in herinnering dat het Parlement erop aandringt deze capaciteit te ontwikkelen binnen het kader van de EU;

68.  wijst erop dat het ontwerp, de functie en de grootte van de nieuwe begrotingscapaciteit zullen bepalen of deze capaciteit in het kader van het huidige Verdrag opgericht kan worden, maar dat het mogelijk is overeenkomstig de Verdragen de maximumbedragen van de eigen middelen te verhogen, nieuwe categorieën eigen middelen vast te stellen (zelfs als deze eigen middelen slechts van een beperkt aantal lidstaten komen) en bepaalde begrotingsontvangsten aan specifieke uitgaven toe te wijzen; wijst er daarnaast op dat de EU-begroting reeds waarborgen biedt voor specifieke leningsoperaties en dat verscheidene flexibiliteitsinstrumenten bestaan waarvoor financiering kan worden gemobiliseerd die de uitgavenplafonds van het MFK overschrijdt;

69.  pleit wederom voor de opname van het Europees stabiliteitsmechanisme in het juridisch kader van de Unie, mits er sprake is van een passende democratische verantwoordingsplicht;

70.  is van mening dat de oprichting van een Europese begrotingscapaciteit en het Europees Monetair Fonds onderdelen kunnen zijn van het proces om een Europese Schatkist te creëren, die verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement;

71.  vraagt met het oog op de oprichting van een schuldaflossingsfonds aandacht voor de hoofdbevindingen van de groep van deskundigen die door de Commissie in het leven werd geroepen;

De eengemaakte markt en financiële integratie

72.  is van mening dat de eengemaakte markt een van de hoekstenen vormt van de EU en fundamenteel is voor welvaart, groei en werkgelegenheid in de Unie; wijst erop dat de eengemaakte markt zowel ondernemingen als consumenten tastbare voordelen biedt en een groeipotentieel heeft dat nog niet volledig werd benut, met name de digitale eengemaakte markt, financiële diensten, energie, de bankenunie en de kapitaalmarktenunie; pleit daarom voor een strengere controle van de correcte toepassing en een betere handhaving van het bestaande acquis op deze gebieden;

73.  pleit voor de snelle maar stapsgewijze voltooiing van een bankenunie, gebaseerd op een gemeenschappelijk toezichtmechanisme (GTM), een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) en een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), en gestaafd door een adequaat en begrotingsneutraal achtervangmechanisme; waardeert de overeenkomst inzake een financieel overbruggingsmechanisme tot het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in werking treedt en pleit voor een Europees insolventiesysteem;

74.  herinnert eraan dat de Europese toezichthoudende autoriteiten dienen te handelen met het oog op het verbeteren van de werking van de interne markt, in het bijzonder door een kwalitatief hoog, effectief en consistent niveau van regulering en toezicht te verzekeren, rekening houdend met de uiteenlopende belangen van alle lidstaten en de diverse aard van financiëlemarktdeelnemers; is van mening dat kwesties die alle lidstaten treffen aan de orde moeten worden gesteld en moeten worden besproken door alle lidstaten en dat alle lidstaten hier beslissingen over moeten nemen en dat het, om het gelijke speelveld binnen de eengemaakte markt te versterken, essentieel is om één pakket van regels te creëren dat geldt voor alle financiëlemarktdeelnemers in de EU, teneinde fragmentering van de eengemaakte markt voor financiële diensten en oneerlijke concurrentie door gebrek aan een gelijk speelveld te voorkomen;

75.  pleit voor de oprichting van een echte kapitaalmarktenunie;

76.  steunt de opmaak van een systeem van mededingingsautoriteiten die belast zijn met het samenbrengen van de nationale organen die verantwoordelijk zijn voor de controle van de vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen in elke lidstaat, en stelt voor dat de Commissie toezicht houdt op de vooruitgang van een dergelijk systeem;

77.  is van mening dat het nodig is de automatische informatie-uitwisseling tussen nationale belastingsautoriteiten te verbeteren om belastingontduiking en -fraude, fiscale planning, grondslaguitholling en winstverschuiving te vermijden, en dat gecoördineerde acties gepromoot moeten worden om belastingparadijzen tegen te gaan; pleit voor het aannemen van een richtlijn inzake de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting die een minimumtarief instelt en gemeenschappelijke doelstellingen voor progressieve convergentie uitwerkt; acht het noodzakelijk te beginnen aan een brede herziening van de bestaande btw-wetgeving, waarbij onder meer het beginsel van het land van herkomst wordt geïntroduceerd;

Een democratischere institutionele structuur voor de EMU

78.  herinnert aan de nood aan correcte democratische legitimiteit en verantwoording die op de niveaus van besluitvorming moeten worden gegarandeerd, waarbij de nationale parlementen de nationale regeringen nauwlettend in het oog houden, en met een grotere rol als toezichthouder voor het Europees Parlement op EU-niveau, met inbegrip van een centrale rol, samen met de Raad, bij het aannemen van de convergentiecode volgens de gewone wetgevingsprocedure;

79.  pleit voor het algemeen gebruik van de in artikel 48, lid 7, VEU vastgestelde "overbruggingsclausule"; brengt in herinnering dat de Commissie in haar blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie(12) voorgesteld heeft een instrument voor convergentie en concurrentievermogen op te richten op basis van artikel 136 VWEU of artikel 352 VWEU, indien nodig met versterkte samenwerking; merkt op dat in geval van versterkte samenwerking het gebruik van artikel 333, lid 2, VWEU, dat voorziet in het gebruik van de gewone wetgevingsprocedure, zou zorgen voor meer democratische legitimiteit en doeltreffendheid van EU-governance en de rol van het Parlement hierbij;

80.  herhaalt dat de interparlementaire samenwerking niet mag leiden tot het vaststellen van een nieuw parlementair orgaan of een andere instelling omdat de euro de munt van de EU is en het Europees Parlement het parlement van de EU is; herinnert eraan dat de EMU door de Unie is opgericht, wier burgers op het niveau van de Unie direct worden vertegenwoordigd door het Parlement, dat ervoor moet zorgen dat de parlementaire democratische verantwoording van besluiten met betrekking tot de eurozone kan worden gegarandeerd en uitgevoerd;

81.  dringt erop aan dat de Commissie bevoegdheden krijgt om ieder toekomstig en bestaand instrument dat wordt aangenomen op het gebied van de EMU uit te voeren en te handhaven;

82.  is van mening dat het nodig is de zwakke punten in de bestaande institutionele structuur van de EMU aan te pakken, met name het democratisch deficit ervan, aangezien bepaalde delen van het Verdrag door het Hof van Justitie over het hoofd kunnen worden gezien, terwijl andere delen van dergelijk toezicht zijn uitgesloten; is van mening dat het nodig is de rol van het Parlement bij de gedetailleerde uitvoering van artikel 121, leden 3 en 4, VWEU te versterken, voor een betere afstemming van het economisch beleid;

83.  is van oordeel dat gedifferentieerde integratie open moet blijven voor alle lidstaten;

84.  herinnert eraan dat de normale wetgevings- en begrotingsprocedures op EU-niveau voorrang moeten krijgen, indien nodig door gebruikmaking van afwijkende regelingen en specifieke begrotingslijnen; herinnert eraan dat andere bepalingen, zoals de bepalingen van de eurozone of van vergrote samenwerking, alleen mogen worden gebruikt als de bovenstaande procedures juridisch of politiek niet mogelijk zijn;

Voltooiing van de interne markt als de belangrijkste motor van groei

85.  is ervan overtuigd dat de verdieping van de EMU hand in hand moet gaan met de voltooiing van de interne markt door alle interne barrières op te heffen, in het bijzonder wat betreft de energie-unie, de gemeenschappelijke digitale markt en de dienstenmarkt;

86.  pleit voor volledige handhaving van de bestaande interne-energiemarktwetgeving op grond van artikel 194 VWEU om een energie-unie te bewerkstelligen;

87.  pleit ervoor de taken en bevoegdheden van het Europees Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) te versterken, met als uiteindelijk doel de oprichting van een Europees Energieagentschap op grond van artikel 54 van het Euratom-verdrag, evenals de integratie van de energiemarkten, de oprichting van een Europese strategische reserve door het combineren van nationale reserves en de oprichting van een gemeenschappelijk centrum voor onderhandelingen met leveranciers, teneinde de institutionele structuur van de energie-unie te voltooien;

88.  ijvert voor de financiering van infrastructuur- en energieprojecten voor het gebruik van "projectobligaties", waarbij nauw wordt samengewerkt met de EIB;

89.  roept de Commissie op om artikel 116 VWEU te benutten, waarin de juridische beginselen te vinden zijn op basis waarvan het Parlement en de Raad de gebruikelijke wetgevende procedure kunnen toepassen om nadelige fiscale beleidsmaatregelen die mededinging op de interne markt verhinderen een halt toe te roepen;

De sociale dimensie

90.  benadrukt dat de rechten van werknemers gewaarborgd moeten worden, met name het recht op vrij verkeer alsook sociale rechten, en dat de relevante rechtsinstrumenten zoals vastgesteld in titels IV, IX en X van deel drie van het VWEU en in het EU-Handvest van de grondrechten ten volle benut moeten worden, teneinde een stabiele sociale basis voor de Unie te verzekeren; verwijst in dit verband met name naar de rechten die voortvloeien uit Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en Verordening (EU) nr. 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;

91.  wijst op het belang van een sociaal Europa, zodat het Europese integratieproject op de steun van de werknemers kan blijven rekenen;

92.  benadrukt dat het idee van een minimumloon, dat door iedere lidstaat wordt bepaald, moet worden gepromoot en is van oordeel dat het onderzoeken van mogelijkheden voor een stelsel voor minimumwerkloosheidsuitkeringen, het bestaan van gemeenschappelijke regels en voorwaarden voor een EU-arbeidsmarkt noodzakelijk zou maken, en stelt voor om onder de huidige bepalingen van het Verdrag een wetgevingsvoorstel inzake werknemersmobiliteit vast te stellen om nog steeds bestaande barrières voor werknemers te verminderen;

93.  wijst op de voorzieningen die door de Unie in het leven worden geroepen en de noodzaak om jeugdige werknemers actief te betrekken op de arbeidsmarkt en de uitwisseling van jeugdige werknemers verder te bevorderen in overeenstemming met artikel 47 VWEU;

94.  roept de Commissie op werkgelegenheidscriteria op te nemen in de beoordeling van de macro-economische prestatie van de lidstaten, en structurele hervormingen aan te bevelen en te ondersteunen om onder meer een beter gebruik van sociale en regionale fondsen te garanderen;

95.  roept de Commissie op de behoefte aan EU-optreden en de potentiële economische, sociale en milieu-impact van alternatieve beleidsmogelijkheden grondig te beoordelen, voordat zij een nieuw initiatief voorstelt (zoals wetgevende voorstellen, niet-wetgevende voorstellen en uitvoerende en gedelegeerde handelingen), in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven;

96.  pleit voor het sluiten van een nieuw sociaal pact (dat de vorm van een sociaal protocol kan krijgen) dat erop gericht is de sociale markteconomie van Europa te stimuleren en ongelijkheden te verminderen, waarbij gegarandeerd wordt dat de grondrechten van alle burgers gerespecteerd worden, waaronder het recht op collectief onderhandelen en het recht op vrij verkeer; herinnert eraan dat een dergelijk pact de coördinatie van het sociale beleid van de lidstaten zou kunnen vergroten;

97.  roept de Commissie op de sociale dialoog van de EU nieuw leven in te blazen door middel van bindende overeenkomsten tussen de sociale partners in overeenstemming met artikelen 151 tot en met 161 VWEU;

Extern optreden

De effectiviteit, cohesie en verantwoording van het Gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) doen stijgen

98.  is van oordeel dat de veelomvattende benadering van de Europese Unie met betrekking tot externe conflicten en crises versterkt moet worden door de verschillende actoren en instrumenten in alle fases van de conflictcyclus dichter bij elkaar te brengen;

99.  dringt aan op het gebruik van de bepalingen van artikel 22 VEU om een algeheel strategisch kader te ontwikkelen en besluiten te nemen over strategische belangen en doelstellingen overeenkomstig artikel 21 VEU, die zich verder dan het GBVB uitstrekken, tot andere gebieden van extern optreden, waarvoor samenhang met andere beleidsterreinen, zoals handel, landbouw en ontwikkelingshulp, vereist is; herinnert eraan dat besluiten die op basis van een dergelijke strategie worden genomen door BGM kunnen worden uitgevoerd; merkt op dat de democratische legitimiteit van deze besluiten vergroot kan worden als de Raad en het Parlement gezamenlijke strategische documenten goedkeuren op basis van de voorstellen van de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV);

100.  pleit voor het versterken van de parlementaire supervisie van het externe optreden van de EU, met inbegrip van het voortzetten van de reguliere consultaties met de VV/HV, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie, en voor het voltooien van de onderhandelingen over de vervanging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2002 over toegang tot gevoelige informatie van de Raad op het gebied van het GBVB;

101.  is van mening dat het nodig is dat de speciale vertegenwoordigers van de EU worden geïntegreerd in de EDEO, ook door hun budget over te dragen van de GBVB-lijnen naar de EDEO-lijnen, aangezien dit de cohesie van de EU-inspanningen zou vergroten;

102.  pleit voor het gebruik van artikel 31, lid 2, VEU, dat de Raad toestaat bepaalde beslissingen te nemen inzake het GBVB door middel van BGM, en de overbruggingsclausule die is opgenomen in artikel 31, lid 3, VEU om progressief over te schakelen naar BGM voor beslissingen op het gebied van het GBVB die geen militaire of verdedigingsgevolgen hebben; herinnert eraan dat artikel 20, lid 2, VEU, waarin de bepalingen voor vergrote samenwerking zijn vastgelegd, aanvullende mogelijkheden voor de lidstaten voorziet om vooruitgang te boeken met het GBVB en daarom moet worden gebruikt;

103.  is van mening dat er nood is om de flexibiliteit van de financiële regels voor extern optreden te vergroten om vertraging bij de uitbetaling van EU-middelen te voorkomen en daardoor het vermogen van de EU om op een snelle en effectieve manier op een crisis te reageren te verhogen; is van mening dat het in dit verband nodig is een versnelde procedure voor humanitaire bijstand vast te leggen om ervoor te zorgen dat hulp zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden uitbetaald;

104.  spoort de Raad, de EDEO en de Commissie aan tot de handhaving van hun respectieve verplichtingen om het Parlement in alle fasen van de onderhandeling en sluiting van internationale akkoorden onmiddellijk en volledig te informeren, zoals is vastgelegd in artikel 218, lid 10, VWEU en zoals is uiteengezet in de interinstitutionele akkoorden met de Commissie en de Raad;

105.  merkt op dat het Europees Hof van Justitie (HvJ) bevestigd heeft dat het Parlement op grond van artikel 218, lid 10, VWEU het recht heeft volledig en onmiddellijk geïnformeerd te worden in iedere fase van de procedure voor het onderhandelen en sluiten van internationale overeenkomsten – ook wanneer het gaat om het GBVB – teneinde het Parlement in staat te stellen zijn bevoegdheden uit te oefenen met volledige kennis van het optreden van de Europese Unie in haar geheel; verwacht bijgevolg dat terdege rekening gehouden zal worden met de jurisprudentie van het HvJ bij de toekomstige interinstitutionele onderhandelingen over verbeterde praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling in het kader van de onderhandeling en sluiting van internationale akkoorden;

Naar een gemeenschappelijk defensiebeleid

106.  roept op om verdere stappen te zetten naar een gemeenschappelijk defensiebeleid (artikel 42, lid 2, VEU) en, uiteindelijk, een gemeenschappelijke defensie, die kan worden ingesteld door een unanieme beslissing van de Europese Raad, waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de burgermaatschappij worden versterkt aan de hand van geweldloze conflictpreventie en conflictoplossing, met name door het toekennen van meer financiële, administratieve en personeelsmiddelen voor bemiddeling, dialoog, verzoening en op het maatschappelijk middenveld gebaseerde onmiddellijke crisisrespons;

107.  stelt voor om, in een eerste stap in deze richting, de bepalingen van artikel 46 VEU met betrekking tot de oprichting van een permanente gestructureerde samenwerking door middel van een BGM-stemming in de Raad uit te voeren, aangezien dit instrument de meer ambitieuze lidstaten in staat zou stellen op gecoördineerde wijze nauwer samen te werken op het gebied van defensie onder de bescherming van de EU, en ze de bevoegdheid zou geven om de EU-instellingen, -instrumenten en -begroting te gebruiken;

108.  raadt aan een permanente Raad van ministers van Defensie op te zetten, met de HV/VV als voorzitter, teneinde het gemeenschappelijke defensiebeleid van de lidstaten te coördineren, met name wat betreft cyberveiligheid en antiterrorisme, en gezamenlijk de defensiestrategie en -prioriteiten van de EU te ontwikkelen;

109.  dringt erop aan een EU-witboek over veiligheid en defensie op te stellen op basis van de door de HV/VV voorgestelde globale EU-strategie voor buitenlands- en veiligheidsbeleid en van de agenda van Bratislava, aangezien een dergelijk document de strategische doelen van de EU op het gebied van veiligheid en defensie nader zou beschrijven, en de bestaande en vereiste vermogens zou vastleggen; roept de Commissie op haar huidige voorbereidende werk voor een Europees defensieplan te baseren op de resultaten van het toekomstige EU-witboek over veiligheid en defensie, dat ook moet ingaan op het vraagstuk hoe en onder welke omstandigheden het gebruik van militair geweld passend en legitiem is;

110.  benadrukt de noodzaak om een gemeenschappelijk Europees beleid voor capaciteit en bewapening (artikel 42, lid 3, VEU) te bepalen, dat betrekking zou hebben op de gezamenlijke planning, ontwikkeling en verwerving van militaire capaciteit, en dat ook voorstellen moet bevatten om te reageren op virtuele, hybride en asymmetrische dreigingen; moedigt de Commissie aan te werken aan een ambitieus Europees defensieactieplan, zoals is aangekondigd in het werkprogramma van 2016;

111.  benadrukt het grote potentieel van het Europees Defensieagentschap (EDA) om te helpen bij de ontwikkeling van een eengemaakte defensiemarkt die competitief, efficiënt, onderbouwd door intensief onderzoek, ontwikkeling en innovatie en gericht op het creëren van gespecialiseerde banen is, en pleit er daarom voor eventuele publiek-private partnerschappen te onderzoeken; herhaalt dat het dringend nodig is om het EDA te versterken door het te voorzien van de benodigde middelen en politieke steun, en het daardoor een leidende en coördinerende rol te geven bij capaciteitsontwikkeling, –onderzoek en de aankopen; herhaalt zijn standpunt dat dit het beste kan gebeuren door de personeels- en exploitatiekosten van het agentschap uit hoofde van de EU-begroting te financieren;

112.  herinnert aan het bestaan van artikel 44 VEU, dat aanvullende bepalingen voor flexibiliteit voorziet en dat de mogelijkheid introduceert om de uitvoering van crisismanagementtaken toe te vertrouwen aan een groep lidstaten die dergelijke taken in naam van de EU en onder de politieke controle en het strategisch advies van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en de EDEO zou uitvoeren;

113.  stelt voor dat artikel 41, lid 3, VEU wordt gebruikt om een startfonds in te stellen dat zou bestaan uit contributies van de lidstaten, voor de financiering van voorbereidende activiteiten die betrekking hebben op activiteiten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die niet ten laste van de begroting van de Unie komen;

114.  benadrukt het belang van het verlengen van de gemeenschappelijke financiering op het gebied van het militaire GVDB, inclusief door middel van het Athenamechanisme, aangezien dit de financiële belemmeringen aan de kant van de lidstaten om aan militaire GVDB-missies en operaties bij te dragen zou verminderen en het vermogen van de EU om op crises te reageren zou vergroten;

115.  pleit voor de oprichting van een permanent civiel en militair hoofdkwartier, met militair plannings- en uitvoeringsvermogen (MPCC) en civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC); pleit voor de institutionalisering van de verschillende Europese militaire structuren (onder andere de verschillende gevechtsgroepen, Euroforces, verdedigingssamenwerking tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en luchtverdedigingssamenwerking in de Benelux) binnen het Europees kader, en voor een toename van de bruikbaarheid van de EU-gevechtsgroepen door onder andere de gemeenschappelijke financiering te verlengen en hun inzet standaard te beschouwen als een eenheid voor de eerste fase in toekomstige crisismanagementscenario's;

116.  stelt vast dat dit permanent hoofdkwartier zich kan bezighouden met permanente noodplanning en een belangrijke coördinerende rol kan spelen in toekomstige toepassingen van artikel 42, lid 7, VEU; is van mening dat de "clausule betreffende wederzijdse defensie", zoals die in dit artikel is vastgelegd en door Frankrijk is ingeroepen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2015, kan fungeren als een katalysator voor verdere ontwikkeling van het veiligheids- en defensiebeleid van de EU, hetgeen naar een sterker engagement van alle lidstaten zal leiden;

117.  is van mening dat het nodig is om de samenwerking tussen de EU en de NAVO op alle niveaus, bijvoorbeeld op het gebied van capaciteitsontwikkeling en noodplanning voor hybride bedreigingen, te vergroten en de inspanningen om de resterende politieke hindernissen weg te nemen, te versterken; spoort aan tot een breed politiek en militair partnerschap tussen de EU en de NAVO;

118.  roept op tot doortastende maatregelen om beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) te verzekeren, krachtens artikel 208 VWEU, en eist dat het effectbeoordelingssysteem voor PCD verbeterd wordt en dat een arbitratiemechanisme wordt ingesteld om eventuele discrepanties in de verschillende EU-beleidsmaatregelen op te lossen, waardoor de voorzitter van de Commissie de politieke verantwoordelijkheid krijgt voor de globale richtsnoeren en probleemafwikkeling in overeenstemming met de beloften van de EU inzake PCD;

Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)

119.  benadrukt dat in het licht van de recente aanslagen en de vergrote terroristische dreiging een systematische, verplichte en gestructureerde uitwisseling van informatie en gegevens tussen de nationale rechtshandhavingsautoriteiten en inlichtingendiensten en met Europol, Frontex en Eurojust absoluut essentieel is en zo snel mogelijk moet worden ingevoerd, maar dat hierbij de grondrechten en -vrijheden geëerbiedigd moeten worden en democratisch en justitieel toezicht moet worden uitgeoefend op de terorrismebestrijdingsmaatregelen;

120.  wijst erop dat, zoals bij eerdere aanslagen, de daders van de aanslagen in Parijs reeds bekend waren bij de veiligheidsautoriteiten en het voorwerp hadden uitgemaakt van onderzoeken en toezichtsmaatregelen; vreest dat de bestaande gegevens over deze individuen niet zijn uitgewisseld tussen de lidstaten, ondanks de vereisten van artikel 88 VWEU; verzoekt de Raad op basis van artikel 352 VWEU een verplichte uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten voor te schrijven; is van mening dat de mogelijkheid van nauwere samenwerking moet worden benut indien geen unanimiteit kan worden bereikt;

121.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de EU-maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding en daaraan gerelateerde gebieden aan een gedegen beoordeling te onderwerpen, en daarbij met name te bekijken hoe ze in de lidstaten in nationale wetgeving zijn omgezet en in de praktijk ten uitvoer worden gelegd, en in welke mate de lidstaten samenwerken met de relevante EU-agentschappen, zoals Europol en Eurojust, en – middels de procedure zoals bedoeld in artikel 70 VWEU – na te gaan hoe het gesteld is met de conformiteit van deze maatregelen met de EU-verplichtingen inzake de grondrechten;

122.  herinnert er in deze context aan dat artikel 222 VWEU een solidariteitsclausule voorziet die kan en moet worden geactiveerd wanneer een lidstaat wordt getroffen door een terroristische aanslag, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp;

123.  betreurt dat de richtlijn tijdelijke bescherming niet is toegepast bij de vluchtelingencrisis, ondanks het feit dat deze richtlijn is vastgesteld om met een massale toestroom van onderdanen van derde landen te kunnen omgaan;

124.  onderstreept de noodzaak om een eerlijk en doeltreffend asiel- en immigratiebeleid in te stellen binnen de EU, op basis van de beginselen van solidariteit, non-discriminatie, non-refoulement en loyale samenwerking tussen alle lidstaten, waardoor een eerlijke herverdeling van asielzoekers binnen de Europese Unie verzekerd wordt; meent dat alle lidstaten bij dergelijk beleid moeten worden betrokken; herinnert de lidstaten aan hun in dit verband reeds bestaande verplichtingen en benadrukt dat een nieuw asiel- en migratiekader gebaseerd moet zijn op de grondrechten van migranten;

125.  wijst erop dat er nog verdere stappen nodig zijn om te bereiken dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel een werkelijk uniform systeem wordt; verzoekt de lidstaten hun wetgeving en praktijken te harmoniseren met betrekking tot de criteria om te bepalen wie in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, de waarborgen in het kader van internationale beschermingsprocedures en de opvangvoorzieningen op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het HvJ alsook de beproefde praktijken van andere lidstaten;

126.  verneemt met instemming dat Verordening (EU) 2016/1624 is aangenomen, waardoor Frontex uitgebreidere taken en bevoegdheden en een andere naam krijgt, namelijk het Europees Grens- en kustwachtagentschap; is van mening dat het agentschap, waar nodig, met militaire instrumenten, zoals de Euromarfor-zeestrijdkrachten en een verbeterd Eurokorps, kan worden ondersteund, en worden gefinancierd met de middelen van de permanente gestructureerde samenwerking; benadrukt dat in de verordening is bepaald dat lidstaten, in hun eigen belang en in het belang van andere lidstaten, gegevens in de Europese databanken moeten invoeren; raadt aan interoperabiliteit van de databanken van grensagentschappen zoals Eurodac en interoperabiliteit met de databanken van Europol na te streven;

127.  dringt erop aan de Dublinverordening op korte termijn te herzien door een EU-breed, wettelijk bindend systeem in te voeren om asielzoekers over de lidstaten te verdelen, op basis van een eerlijke, bindende toewijzing;

128.  wijst erop dat gezien de ongekende toestroom van migranten die bij de buitengrenzen van de Unie blijven aankomen, en de gestaag toenemende aantallen verzoekers om internationale bescherming, de Unie een bindende en dwingende wetgevende aanpak voor hervestiging moet kiezen, zoals de Commissie in haar agenda voor migratie ook aangeeft;

129.  pleit voor overeenkomsten met veilige derde landen om de migratiestroom te controleren en te reduceren vóórdat migranten bij de grenzen van de EU aankomen; dringt tegelijkertijd aan op strikte procedures om aanvragers met een ongegrond asielverzoek terug te sturen;

130.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitgaven voor het opleiden van deskundigen op asielgebied te verhogen en de doeltreffendheid van asielprocedures te vergroten;

131.  is van oordeel dat de externe dimensie gericht moet zijn op samenwerking met derde landen om de onderliggende oorzaken van de irreguliere migratiestromen naar Europa aan te pakken en die stromen in goede banen te leiden; is van oordeel dat de aandacht moet blijven uitgaan naar partnerschappen en samenwerkingsverbanden met de belangrijkste landen van herkomst, doorvoer en bestemming; acht het raadzaam dat de samenwerking met derde landen een beoordeling omvat van de asielstelsels van die landen, de mate waarin zij steun verlenen aan vluchtelingen, en hun vermogen en bereidheid om mensenhandel en mensensmokkel naar en via hun landen aan te pakken; onderkent dat de doeltreffendheid van het terugkeerstelsel van de Unie voor verbetering vatbaar is, maar is van mening dat de terugkeer van migranten uitsluitend uitgevoerd mag worden in veilige omstandigheden en in volledige overeenstemming met de fundamentele en procedurele rechten van de betreffende vluchteling;

132.   verneemt met instemming dat in de nieuwe Verordening (EU) 2016/1624 betreffende de Europese grens- en kustwacht is bepaald dat indien de controle van een buitengrens dermate ineffectief is geworden dat de werking van het Schengengebied erdoor in gedrang komt, doordat een lidstaat niet de nodige maatregelen heeft getroffen, onvoldoende steun van Frontex heeft gevraagd of deze steun niet implementeert, de Commissie aan de Raad een besluit kan voorstellen waarin de door het Agentschap uit te voeren maatregelen worden geïdentificeerd en waardoor de betrokken lidstaat met het Agentschap moet samenwerken om deze maatregelen uit te voeren; merkt bovendien op dat de verordening ook bepalingen omvat met betrekking tot de burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van teamleden en een klachtenmechanisme voor toezicht op en waarborging van de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap;

133.  is van mening dat een verbeterde personele en financiële capaciteit van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) noodzakelijk is indien het bureau gevraagd wordt alle EU-asielaanvragen te coördineren en lidstaten die problemen ondervinden bij het verwerken van grote aantallen asielaanvragen te ondersteunen, en er gebruik wordt gemaakt van zijn mandaat tot gemeenschappelijke operaties, proefprojecten en snelle interventies, die vergelijkbaar zijn met diegenen die onder Verordening (EU) nr. 1168/2011 aan het mandaat van Frontex zijn toegevoegd;

134.  onderstreept het belang van een verbeterde coördinatie tussen het EASO, Frontex en het bureau van de Europese Ombudsman om in het geval van specifieke migratiedruk, waarvan aan te nemen is dat deze het respecteren van de fundamentele vrijheden van asielzoekers in gevaar brengt, "Early Alert Reports" soepeler te kunnen aannemen; is van mening dat het mogelijk is voor de Commissie om deze "Early Alert Reports" te gebruiken als de reden om de bijzondere maatregelen waarin artikel 78, lid 3, VWEU voorziet, te starten;

135.  vindt het noodzakelijk om de rol van het Parlement als medewetgever op gelijke voet met de Raad te versterken door middel van artikel 81, lid 3, VWEU, dat het mogelijk maakt de besluitvorming op het gebied van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen te veranderen naar de gewone wetgevingsprocedure als de Raad, na raadpleging van het Parlement, hiertoe unaniem besluit; pleit voor een omschakeling wat betreft de besluitvorming inzake al het andere beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) naar de gebruikelijke wetgevende procedure door de overbruggingsclausule in artikel 48, lid 7, VEU te gebruiken;

136.  verzoekt de Commissie, op basis van artikel 83 VWEU, minimumvoorschriften voor te stellen betreffende de definities en sancties in verband met de strijd tegen terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit;

137.  dringt erop aan de beginselen die in het Verdrag van Lissabon zijn vastgelegd, met name solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, het beginsel van wederzijdse erkenning bij de uitvoering van JBZ-beleid (artikel 70 VWEU), en de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de praktijk te brengen;

138.  is van oordeel dat de EU de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en blijvende eerbiediging van de criteria van Kopenhagen moet waarborgen en ervoor moet zorgen dat alle lidstaten de in artikel 2 VEU vervatte gemeenschappelijke waarden respecteren;

139.  benadrukt het belang van het voltooien van het "pakket van procedurele waarborgen", met name door wetgeving te ontwerpen inzake administratieve detentie en detentie van minderjarigen, gebieden waarop de regelgeving in vele lidstaten niet volledig overeenstemt met de mensenrechten en andere internationale normen;

140.  benadrukt dat verdere vooruitgang geboekt moet worden bij de ontwikkeling van het Europese strafrecht, met name inzake de wederzijdse erkenning en handhaving van strafrechtelijke uitspraken;

141.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van een Europese rechtsplegingscultuur als een eerste vereiste om de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burger tot werkelijkheid te laten worden en om te zorgen voor een betere toepassing van het EU-recht;

142.  is van oordeel dat een Europese openbare aanklager aangeduid moet worden om georganiseerde misdaad, fraude en corruptie te bestrijden, de financiële belangen van de Unie te beschermen en de fragmentering van de Europese strafrechtelijke ruimte tegen te gaan;

143.  benadrukt dat op grond van artikel 86 VWEU een Europees Openbaar Ministerie (EPPO) opgericht kan worden om misdaden tegen de financiële belangen van de EU (PIF-misdrijven) te bestrijden, op voorwaarde dat het Parlement hiermee instemt; herhaalt daarom de aanbevelingen uit zijn resoluties van 12 maart 2014(13) en 29 april 2015(14) over de exacte organisatie van het EPPO, en benadrukt dat de EPPO-verordening onverwijld goedgekeurd moet worden zodat het EPPO de bevoegdheid krijgt om alle PIF-misdrijven, met inbegrip van btw-fraude, te onderzoeken en verdachten te vervolgen;

144.  herinnert aan de plicht van de Unie om het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te aanvaarden, overeenkomstig artikel 6, lid 2, VEU, en dringt erop aan de onderhandelingen hierover met de Raad van Europa zonder vertraging opnieuw te starten, met inachtneming van het advies van het HvJ van 18 december 2014; herinnert de Commissie er in haar rol als hoofdonderhandelaar aan dat deze toetreding tot een betere bescherming van de mensenrechten van alle EU-burgers zal leiden;

145.  herhaalt dat deze resolutie er slechts toe strekt een beoordeling te geven van de juridische mogelijkheden die de Verdragen bieden en de basis moet vormen voor verbeteringen met betrekking tot de werking van de Europese Unie op korte termijn; wijst er nogmaals op dat voor verdere ingrijpende hervormingen in de toekomst een herziening van de Verdragen vereist is;

o
o   o

146.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, de ECB, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 25.
(2) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 82.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0249.
(4) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 183.
(5) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 9.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0103.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0382.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(11) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 176.
(12) COM(2012)0777 van 28 november 2012.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0234.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0173.


Begrotingscapaciteit voor de eurozone
PDF 169kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone (2015/2344(INI))
P8_TA(2017)0050A8-0038/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie begrotingscontrole (A8-0038/2017),

A.  overwegende dat het huidige politieke klimaat en de tegenwoordige economische en politieke uitdagingen in een geglobaliseerde wereld consequente en vastberaden besluiten en acties van de EU vergen op bepaalde gebieden zoals interne en externe veiligheid, grensbewaking en migratiebeleid, stabilisatie van onze buurlanden, groei en werkgelegenheid, met name om de jongerenwerkloosheid te bestrijden en de overeenkomsten van de Conferentie inzake klimaatverandering van 2015 van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen;

B.  overwegende dat de eurozone, na een succesvolle start, convergentie, politieke samenwerking en betrokkenheid heeft ontbeerd;

C.  overwegende dat de verschillende crises en mondiale knelpunten de eurozone dwingen om zo spoedig mogelijk een kwalitatieve sprong naar integratie te maken;

D.  overwegende dat lidmaatschap van een zone met een gemeenschappelijke munt gemeenschappelijke instrumenten en solidariteit op Europees niveau vergt, alsmede verplichtingen en verantwoordelijkheden van de kant van iedere deelnemende lidstaat;

E.  overwegende dat het vertrouwen in de eurozone moet worden hersteld;

F.  overwegende dat een nauwkeurige routekaart met een allesomvattende benadering nodig is om optimaal te profiteren van alle voordelen van de gemeenschappelijke munt, en daarbij te zorgen voor de duurzaamheid van die gemeenschappelijke munt en de doelstellingen van stabiliteit en volledige werkgelegenheid te verwezenlijken;

G.  overwegende dat dit ook de overeengekomen voltooiing van de bankenunie omvat, een versterkt begrotingskader met een capaciteit om schokken te absorberen en prikkels voor groeivriendelijke structurele hervormingen ter aanvulling van de huidige monetaire beleidsmaatregelen;

H.  overwegende dat een begrotingscapaciteit en de eraan gerelateerde convergentiecode vitale onderdelen zijn van deze onderneming, die alleen succesvol kan zijn als verantwoordelijkheid en solidariteit nauw met elkaar verbonden zijn;

I.  overwegende dat de totstandbrenging van een begrotingscapaciteit voor de eurozone maar één stukje van de puzzel is, en dat zij hand in hand moet gaan met een duidelijke wil onder de leden en de toekomstige leden van de eurozone om nieuwe Europese grondslagen te leggen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de volgende routekaart:

i.Algemene beginselen

De overdracht van soevereiniteit op het gebied van monetair beleid vereist alternatieve aanpassingsmechanismen, zoals de tenuitvoerlegging van groeibevorderende structurele hervormingen, de interne markt, de bankenunie, de kapitaalmarktenunie om een veiligere financiële sector te creëren en een begrotingscapaciteit die bestand is tegen macro-economische schokken en het concurrentievermogen vergroot, alsmede de stabiliteit van de economieën van de lidstaten om van de eurozone een optimale monetaire zone te maken.

Convergentie, goed bestuur en conditionaliteit, wanneer deze worden gehandhaafd door instellingen die democratische verantwoording verschuldigd zijn op het niveau van de eurozone en/of de lidstaten, zijn van essentieel belang, met name ter voorkoming van permanente overdrachten, moreel risico ('moral hazard') en onhoudbare publieke risicodeling.

Naarmate de omvang en geloofwaardigheid van de begrotingscapaciteit toeneemt, zal deze ertoe bijdragen dat het vertrouwen van de financiële markt in duurzame overheidsfinanciën in de eurozone wordt hersteld, waardoor belastingbetalers in principe beter kunnen worden beschermd en het publieke en private risico kan worden beperkt.

De begrotingscapaciteit moet het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) omvatten en een specifieke aanvullende begrotingscapaciteit voor de eurozone. De begrotingscapaciteit moet worden opgezet in aanvulling op en zonder enige afbreuk te doen aan het ESM.

In eerste instantie moet de specifieke begrotingscapaciteit voor de eurozone deel uitmaken van de EU-begroting, bovenop de maxima van het meerjarig financieel kader, en moet zij door de eurozone en andere deelnemende lidstaten worden gefinancierd met nieuwe, specifieke aanvullende middelen die moeten worden overeengekomen tussen de deelnemende lidstaten en die moeten worden beschouwd als bestemmingsontvangsten en garanties; zodra de situatie stabiel is, kan de begrotingscapaciteit worden gefinancierd uit de eigen middelen, overeenkomstig de aanbevelingen in het verslag Monti over de toekomstige financiering van de EU.

Het ESM moet, naast het vervullen van zijn doorlopende taken, verder wordt uitgebouwd tot een Europees Monetair Fonds (EMF) met adequate capaciteiten tot het uitlenen en lenen van middelen en een duidelijk afgebakend mandaat, om asymmetrische en symmetrische schokken te absorberen.

ii. Drie pijlers van de begrotingscapaciteit voor convergentie en stabilisatie van de eurozone

De begrotingscapaciteit moet drie verschillende functies vervullen:

   ten eerste, economische en sociale convergentie binnen de eurozone stimuleren om structurele hervormingen te bevorderen, economieën te moderniseren en om het concurrentievermogen van iedere lidstaat en de weerbaarheid van de eurozone te verbeteren, en zo ook een bijdrage te leveren aan het vermogen van de lidstaten om asymmetrische en symmetrische schokken te absorberen;
   ten tweede, asymmetrische schokken opvangen die het gevolg zijn van verschillende bedrijfscycli van de lidstaten in de eurozone die voorkomen uit structurele verschillen of een algemene economische kwetsbaarheid (situaties waarin een economische gebeurtenis de ene economie harder treft dan de andere, bijvoorbeeld wanneer de vraag in een specifieke lidstaat instort en in andere niet door een externe schok waarop een lidstaat geen invloed heeft);
   ten derde, symmetrische schokken opvangen (situaties waarin een economische gebeurtenis alle economieën op dezelfde wijze treft, bijvoorbeeld een verandering van de olieprijzen voor lidstaten die deel uitmaken van de eurozone) om de weerbaarheid van de eurozone als geheel te versterken.

Met het oog op deze functies moet worden nagegaan welke doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt binnen het huidige wetgevingskader van de Unie en voor welke een wijziging of aanpassing van het Verdrag nodig is.

Pijler 1: de convergentiecode

De huidige economische situatie vergt een investeringsstrategie naast begrotingsconsolidatie en ‑verantwoordelijkheid door te voldoen aan het kader voor economische governance.

Naast het Stabiliteits- en Groeipact, moet de convergentiecode, die volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt goedgekeurd en rekening houdend met de landenspecifieke aanbevelingen, gedurende een periode van vijf jaar focussen op convergentiecriteria op het gebied van belasting, arbeidsmarkt, investeringen, productiviteit, sociale cohesie, en openbaar bestuur en good governance capaciteit binnen de huidige Verdragen.

Binnen het kader voor economische governance moet handelen volgens de convergentiecode een voorwaarde zijn voor volledige deelname aan de begrotingscapaciteit en iedere lidstaat moet voorstellen doen met betrekking tot de manier waarop de criteria van de convergentiecode worden gehaald.

Een begrotingscapaciteit voor de eurozone moet worden aangevuld met een langetermijnstrategie voor de houdbaarheid en de vermindering van de schuldenlast en bevordering van de groei en investeringen in de landen van de eurozone, waardoor de totale herfinancieringskosten en schuld-bbp-verhouding zouden dalen.

Pijler 2: het opvangen van asymmetrische schokken

Asymmetrische schokken met gevolgen voor de stabiliteit van de gehele eurozone kunnen niet volledig worden uitgesloten, hoe groot de inspanningen voor beleidscoördinatie, convergentie en duurzame structurele hervormingen ook zijn, aangezien de lidstaten van de eurozone sterk zijn geïntegreerd.

De stabilisatie die wordt geboden door het ESM/EMF moet worden aangevuld met mechanismen voor de automatische opvang van schokken.

Stabilisatie moet goede praktijken stimuleren en moreel risico ('moral hazard') vermijden.

Een dergelijk systeem moet duidelijke regels bevatten met betrekking tot termijnen voor betalingen en terugbetalingen, en moet duidelijk worden omschreven in termen van omvang en financieringsmechanismen, en moet begrotingsneutraal zijn gedurende een langere cyclus.

Pijler 3: het opvangen van symmetrische schokken

Toekomstige symmetrische schokken zouden de eurozone als geheel kunnen destabiliseren, aangezien deze nog niet over de nodige instrumenten beschikt om het hoofd te bieden aan een nieuwe crisis van dezelfde omvang als de vorige.

In het geval van symmetrische schokken die worden veroorzaakt door een zwakke binnenlandse vraag, volstaat monetair beleid alleen niet om de economie weer aan te zwengelen, met name in een context van rentevoeten dicht bij de ondergrens. De begroting van de eurozone moet van een voldoende omvang zijn om deze symmetrische schokken op te vangen door investeringen te financieren die gericht zijn op samenvoeging van de vraag en volledige werkgelegenheid, in overeenstemming met artikel 3 van het VEU.

iii. Governance, democratische verantwoordingsplicht en controle

De communautaire methode moet voorrang krijgen bij de ontwikkeling van economische governance voor de eurozone.

Het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten moeten een grotere rol spelen binnen het vernieuwde kader voor economische governance, met het oog op meer democratische verantwoording. Dit omvat grotere nationale zeggenschap over het Europees Semester en een hervorming van de interparlementaire conferentie als bedoeld in artikel 13 van het Begrotingscompact om er meer inhoud aan te geven teneinde een sterkere parlementaire en publieke opinie te ontwikkelen. Om de zeggenschap te vergroten moeten nationale parlementen de nationale regeringen controleren, net zoals het Europees Parlement de Europese uitvoerende macht moet controleren.

De functies van voorzitter van de Eurogroep en commissaris voor Economische en Financiële Zaken zouden kunnen worden samengevoegd, en in dit geval zou de voorzitter van de Commissie deze commissaris tot vicevoorzitter van de Commissie moeten benoemen.

Een minister van Financiën binnen de Commissie zou volledige democratische verantwoordingsplicht en alle nodige middelen en bevoegdheden moeten krijgen voor de toepassing en handhaving van het huidige kader voor economische governance en voor de optimalisering van de ontwikkeling van de eurozone in samenwerking met de ministers van Financiën van de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone.

Het Europees Parlement moet zijn regels en organisatie herzien om te waarborgen dat sprake is van volledige democratische verantwoordingsplicht over de begrotingscapaciteit aan Europees Parlement‑leden van deelnemende lidstaten;

2.  richt een oproep tot:

   de Europese Raad om de hierboven omschreven richtsnoeren te bepalen, uiterlijk op de EU-vergadering in Rome (maart 2017), inclusief een kader voor een duurzame stabilisatie van de eurozone op de lange termijn;
   de Commissie om met een witboek te komen met een ambitieus kernhoofdstuk over de eurozone en de respectieve wetsvoorstellen in 2017 door gebruik te maken van alle middelen binnen de bestaande verdragen, inclusief de convergentiecode, de begroting voor de eurozone en automatische stabilisatoren, en een nauwkeurig tijdschema vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen;

3.  verklaart bereid te zijn voor het einde van de huidige mandaatsperiode van de Commissie en het Europees Parlement alle wetgevingsmaatregelen te voltooien waarvoor geen verdragswijziging nodig is en de weg te bereiden voor de verdragswijzigingen die op de middellange en lange termijn nodig zijn om een duurzame eurozone mogelijk te maken;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Commissie, de Raad, de Eurogroep, de Europese Centrale Bank en de directeur van het Europees Stabiliteitsmechanisme, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.


Civielrechtelijke bepalingen over robotica
PDF 260kWORD 67k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica (2015/2103(INL))
P8_TA(2017)0051A8-0005/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 85/374/EEG van de Raad(1),

–  gezien de studie inzake ethische aspecten van cyberfysieke systemen, die namens de Evaluatie van wetenschappelijke en technische opties (STOA) van het Parlement is uitgevoerd, onder leiding van de afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen (STOA) van het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0005/2017),

Inleiding

A.  overwegende dat van Mary Shelley's monster van Frankenstein tot de klassieke legende van Pygmalion, van het verhaal van de Praagse Golem tot de robot van Karel Čapek – die de term bedacht – mensen gefantaseerd hebben over de mogelijkheid om intelligente machines te bouwen, veelal met een menselijke gestalte;

B.  overwegende dat de mensheid nu op de drempel staat van een tijdperk waarin steeds geavanceerdere robots, bots, androïden en andere vormen van kunstmatige intelligentie (artificial intelligence - AI) klaarstaan om een nieuwe industriële revolutie te ontketenen, die wellicht geen enkel segment van de samenleving onberoerd zal laten, en dat het dan ook van essentieel belang is dat de wetgevende macht alle juridische en ethische gevolgen en effecten hiervan in aanmerking neemt, zonder de innovatie te beknotten;

C.  overwegende dat er een algemeen aanvaarde definitie van robot en AI moet komen die flexibel is en innovatie niet in de weg staat;

D.  overwegende dat de verkoop van robots tussen 2010 en 2014 gemiddeld met 17% per jaar gestegen is en in 2014 zelfs met 29%, de hoogste toename ooit in één jaar, waarbij de leveranciers van auto-onderdelen en de elektra/elektronica-industrie de belangrijkste drijvende kracht achter de groei waren; overwegende dat de jaarlijkse octrooiaanvragen voor robottechnologie de afgelopen tien jaar verdrievoudigd zijn;

E.  overwegende dat de werkgelegenheidscijfers de afgelopen tweehonderd jaar als gevolg van de technologische ontwikkeling gestadig opgelopen zijn; overwegende dat de ontwikkeling van robotica en AI het potentieel heeft om levens en werkmethodes grondig te veranderen, voor besparingen te zorgen, de efficiëntie en veiligheid te verhogen en een beter niveau van diensten te bieden; overwegende dat robotica en AI op de korte tot middellange termijn zeer waarschijnlijk voordelen in de zin van efficiëntie en besparingen zullen meebrengen, niet alleen op het gebied van productie en handel, maar ook voor vervoer, medische zorg, reddingsoperaties, onderwijs en landbouw, en het mogelijk zullen maken om gevaarlijke situaties aan te pakken zonder mensen te hoeven inzetten, zoals bijvoorbeeld bij het schoonmaken van met gif verontreinigde locaties;

F.  overwegende dat de vergrijzing, die het gevolg is van de gestegen levensverwachting dankzij betere levensomstandigheden en de vorderingen van de moderne geneeskunde, behoort tot de grootste politieke, maatschappelijke en economische uitdagingen van de 21e eeuw voor Europa; overwegende dat in 2025 meer dan 20 % van de Europeanen 65 of ouder zal zijn, en dat vooral het aantal personen van 80 jaar of ouder snel toeneemt, waardoor het evenwicht tussen de generaties in onze samenlevingen fundamenteel zal veranderen; overwegende dat het in het belang van de samenleving is dat ouderen zo lang mogelijk gezond en actief blijven;

G.  overwegende dat de huidige trend op de lange termijn in de richting van de ontwikkeling van slimme, autonome machines zal gaan, die getraind kunnen worden en zelfstandig beslissingen kunnen nemen, hetgeen niet slechts economische voordelen meebrengt maar ook een aantal twijfels wat hun rechtstreekse en onrechtstreekse effecten op de samenleving als geheel betreft;

H.  overwegende dat lerende machines immense economische en innovatieve voordelen voor de samenleving opleveren omdat dit het vermogen om gegevens te analyseren sterk verbetert, maar tegelijk ook nieuwe uitdagingen creëert om niet-discriminatie, degelijke verwerking, transparantie en begrijpelijkheid in het besluitvormingsproces te waarborgen;

I.  overwegende dat economische veranderingen en de impact op de werkgelegenheid als gevolg van robotica en lerende machines moeten worden geëvalueerd; overwegende dat de inzet van robotica, ondanks de onmiskenbare voordelen, veranderingen op de arbeidsmarkt teweeg kunnen brengen en er daarom moet worden nagedacht over de toekomst van onderwijs, werkgelegenheid en sociaal beleid;

J.  overwegende dat een breed gebruik van robots niet automatisch tot het vervangen van banen hoeft te leiden, maar dat laaggekwalificeerd werk in arbeidsintensieve sectoren wellicht eerder geautomatiseerd zal worden; overwegende dat deze tendens productieprocessen zou kunnen terugbrengen naar de Unie; overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat de werkgelegenheid aanzienlijk sneller groei in sectoren waar meer gebruik wordt gemaakt van computers; overwegende dat de automatisering van banen het potentieel heeft om mensen te verlossen van monotoon werk en hen in staat stelt zich op creatievere en zinvollere taken te richten; overwegende dat automatisering regering verplicht te investeren in onderwijs en andere hervormingen om het soort vaardigheden dat de werknemers van morgen nodig hebben te verbeteren;

K.  overwegende dat gezien de toenemende verdeeldheid in de samenleving en een krimpende middenklasse, in aanmerking moet worden genomen dat de ontwikkeling van robotica kan leiden tot een hoge concentratie van rijkdom en invloed in de handen van een minderheid;

L.  overwegende dat de ontwikkeling van robotica en AI het landschap van de arbeidswereld duidelijk zal beïnvloeden, waardoor nieuwe aansprakelijkheidskwesties kunnen ontstaan en andere kunnen verdwijnen; overwegende dat de wettelijke verantwoordelijkheid moet worden verduidelijkt, zowel ten aanzien van het bedrijfsmodel als ten aanzien van het ontwerppatroon van werknemers, voor het geval zich noodgevallen of problemen voordoen;

M.  overwegende dat de tendens in de richting van automatisering van degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en het in de handel brengen van AI-toepassingen vereist dat zij van meet af aan veiligheid en ethiek laten meewegen, en dat zij bereid zijn om wettelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de kwaliteit van de door hen geproduceerde technologie;

N.  overwegende dat Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(2) (de algemene verordening gegevensbescherming) een rechtskader vormt voor de bescherming van persoonsgegevens; overwegende dat andere aspecten betreffende toegang tot gegevens en de bescherming van persoonsgegevens en de privacy wellicht nog aan de orde moeten worden gesteld, aangezien de privacy in het geding kan komen als applicaties en apparatuur met elkaar en met databanken communiceren zonder menselijke tussenkomst;

O.  overwegende dat de ontwikkelingen in robotica en AI op zo'n manier kunnen en moeten worden gestuurd dat zij de waardigheid, autonomie en het recht op zelfbeschikking van het individu beschermen, met name op het gebied van zorg en gezelschap en in de context van medische toepassingen, het "repareren" of "verbeteren" van mensen;

P.  overwegende dat uiteindelijk de mogelijkheid bestaat dat AI op de lange termijn het menselijk denkvermogen inhaalt;

Q.  overwegende dat verdere ontwikkeling en groter gebruik van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming onherroepelijk invloed heeft op de keuzes die een privépersoon (een bedrijf of een internetgebruiker) en een bestuurlijke, gerechtelijke of andere publieke autoriteit maakt bij het nemen van een besluit op het gebied van consumenten-, ondernemings- of administratieve zaken; overwegende dat er veiligheidsmaatregelen en de mogelijkheid van controle en verificatie door mensen moeten worden ingebouwd in het proces van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming;

R.  overwegende dat verschillende buitenlandse rechtsgebieden, zoals de VS, Japan, China en Zuid-Korea, regelgeving met betrekking tot robotica en AI overwegen en tot op zekere hoogte reeds hebben aangenomen, en overwegende dat sommige lidstaten eveneens zijn gaan nadenken over het eventueel opstellen van wettelijke normen of het uitvoeren van wetswijzigingen om rekening te kunnen houden met opkomende toepassingen van deze technologieën;

S.  overwegende dat de Europese sector baat zou kunnen hebben bij een efficiënte, coherente en transparante benadering van de regelgeving op Unieniveau, waarmee voorspelbare en voldoende duidelijke voorwaarden worden vastgesteld waaronder ondernemingen toepassingen kunnen ontwikkelen en hun bedrijfsmodel op Europese schaal kunnen plannen, terwijl tegelijkertijd gewaarborgd wordt dat de Unie en de lidstaten de controle houden over het vaststellen van de regelgevingsnormen, zodat wordt voorkomen dat anderen, d.w.z. de derde landen die bij de ontwikkeling van robotica en AI de voorhoede vormen, de normen vaststellen en voorschrijven;

Algemene beginselen

T.  overwegende dat de wetten van Asimov(3) geacht moeten worden gericht te zijn op de ontwerpers, producenten en bedieners van robots, met inbegrip van robots met ingebouwde autonomie en zelflerend vermogen, daar deze wetten niet kunnen worden omgezet in een machinale code;

U.  overwegende dat een serie regels die met name betrekking hebben op aansprakelijkheid, transparantie en ethiek en de intrinsiek Europese en universele humanistische waarden weerspiegelen welke de bijdrage van Europa tot de samenleving kenmerken, nuttig zou zijn; overwegende dat dergelijke regels niet van invloed mogen zijn op het proces van onderzoek, innovatie en ontwikkeling op het gebied van robotica;

V.  overwegende dat de Unie een essentiële rol zou kunnen vervullen bij het vaststellen van de fundamentele ethische beginselen die moeten worden nageleefd bij de ontwikkeling, de programmering en het gebruik van robots en AI, en bij het opnemen van dergelijke beginselen in Unieregelgeving en gedragscodes, met het doel de technologische revolutie een zodanige vorm te geven dat deze de mensheid dient en dat de voordelen van geavanceerde robotica en AI op grote schaal beschikbaar zijn, terwijl potentiële valkuilen zoveel mogelijk worden vermeden;

W.  overwegende dat aan deze resolutie een handvest over robotica is gehecht, dat is opgesteld met hulp van de afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen (STOA) van het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, en waarin een gedragscode voor robotica-ingenieurs, een code voor commissies voor onderzoeksethiek en modellicenties voor ontwerpers en gebruikers worden voorgesteld;

X.  overwegende dat de Unie zou moeten kiezen voor een geleidelijke, pragmatische en voorzichtige aanpak van het soort dat werd bepleit door Jean Monnet(4) als het gaat om toekomstige initiatieven op het vlak van robotica en AI, om te voorkomen dat de innovatie niet wordt gehinderd;

Y.  overwegende dat het gezien het stadium dat in de ontwikkeling van robotica en AI is bereikt, verstandig zou zijn om te beginnen met vraagstukken betreffende de civielrechtelijke aansprakelijkheid;

Aansprakelijkheid

Z.  overwegende dat dankzij de indrukwekkende technologische vooruitgang van de afgelopen tien jaar de huidige robots niet alleen in staat zijn handelingen uit te voeren die typisch en uitsluitend menselijk waren, maar dat zij door de ontwikkeling van bepaalde autonome en cognitieve kenmerken – bijvoorbeeld de vaardigheid om lering te trekken uit ervaringen en quasionafhankelijke beslissingen te nemen – steeds meer gaan lijken op actoren die met hun omgeving samenwerken en in staat zijn deze significant te wijzigen; overwegende dat de wettelijke verantwoordelijkheid voor schadelijke handelingen van robots in dit verband een essentieel vraagstuk wordt;

AA.  overwegende dat de autonomie van een robot kan worden gedefinieerd als de vaardigheid om beslissingen te nemen en deze in de buitenwereld uit te voeren, onafhankelijk van externe controle of invloed; overwegende dat deze autonomie van zuiver technologische aard is en dat de mate ervan afhangt van de vraag hoe geavanceerd de interactie van de robot met zijn omgeving volgens het ontwerp moet zijn;

AB.  overwegende dat hoe autonomer robots zijn, hoe minder zij kunnen worden beschouwd als eenvoudige werktuigen die door andere actoren (zoals de fabrikant, de bediener, de eigenaar, de gebruiker) worden gehanteerd; overwegende dat dit weer tot de vraag leidt of de gewone aansprakelijkheidsregels volstaan dan wel of er nieuwe beginselen en regels nodig zijn om duidelijkheid te scheppen omtrent de wettelijke aansprakelijkheid van de verschillende actoren als het gaat om verantwoordelijkheid voor de handelingen en omissies van robots waar de oorzaak niet kan worden teruggevoerd op een specifieke menselijke actor en of de handelingen of omissies van robots die tot schade hebben geleid, hadden kunnen worden voorkomen;

AC.  overwegende dat de autonomie van robots uiteindelijk tot de vraag leidt als wat zij in het licht van de bestaande wettelijke categorieën moeten worden beschouwd of dat er een nieuwe categorie moet worden gecreëerd, met eigen specifieke kenmerken en implicaties;

AD.  overwegende dat het huidige rechtskader niet voorziet dat robots aansprakelijk kunnen worden gesteld voor handelen of nalaten waardoor schade ten aanzien van derden wordt veroorzaakt; overwegende dat de bestaande regels inzake aansprakelijkheid gelden voor gevallen waar de oorzaak van het handelen of nalaten van een robot teruggevoerd kan worden op een specifieke menselijke actor, zoals de fabrikant, de bediener, de eigenaar of de gebruiker, en waar die actor het schadelijke optreden van de robot had kunnen voorzien en voorkomen; overwegende dat fabrikanten, bedieners, eigenaren of gebruikers bovendien strikt aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het handelen of nalaten van een robot;

AE.  overwegende dat productaansprakelijkheid – als de fabrikant van een product aansprakelijk is voor het slecht functioneren ervan – en de regels inzake aansprakelijkheid voor schadelijke handelingen – als de gebruik van een product aansprakelijk is voor gedrag dat tot schade leidt – volgens het huidige rechtskader ook van toepassing zijn op schade die door robots of AI is veroorzaakt;

AF.  overwegende dat in het scenario waar robots autonome beslissingen kunnen nemen, de traditionele regels niet zullen volstaan om wettelijke aansprakelijkheid voor door een robot veroorzaakte schade te laten gelden, aangezien zij het niet mogelijk maken om de partij te identificeren die verantwoordelijk is voor het bieden van compensatie en om deze partij te verplichten de veroorzaakte schade te vergoeden;

AG.  overwegende dat de tekortkomingen van het huidige rechtskader tevens duidelijk zichtbaar zijn op het gebied van contractuele aansprakelijkheid, daar machines die zijn ontworpen om hun partners te kiezen, over contractuele voorwaarden te onderhandelen, overeenkomsten te sluiten en te beslissen of en hoe deze moeten worden uitgevoerd, de traditionele regels onuitvoerbaar maken; overwegende dat dit aantoont dat er nieuwe, efficiënte en eigentijdse regels nodig zijn die moeten aansluiten bij de technologische ontwikkelingen en de innovatie van de afgelopen tijd en het gebruik daarvan op de markt;

AH.  overwegende dat wat buitencontractuele aansprakelijkheid betreft Richtlijn 85/374/EEG uitsluitend van toepassing is in geval van schade die is veroorzaakt door fabricagefouten van een robot en mits de benadeelde persoon de concrete schade, de fout in het product en het causaal verband tussen schade en fout kan aantonen, en dat daarom het kader van strikte of algemene aansprakelijkheid wellicht niet volstaat;

AI.  overwegende dat het huidige rechtskader, ongeacht de reikwijdte van Richtlijn 85/374/EEG, niet zou volstaan om de schade te dekken die door de nieuwe generatie robots wordt veroorzaakt, daar zij kunnen worden uitgerust met een aanpassings- en leervermogen dat een zekere onvoorspelbaarheid van hun gedrag meebrengt, en daar deze robots lering zouden trekken uit hun eigen, uiteenlopende ervaringen en op unieke en onvoorspelbare wijze met hun omgeving zouden reageren;

Algemene beginselen voor de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie voor civiel gebruik

1.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke Uniedefinities voor te stellen van fysieke cybersystemen, autonome systemen, slimme autonome robots en hun subcategorieën door de volgende kenmerken van een slimme robot in aanmerking te nemen:

   verwerven van autonomie via sensoren en/of het uitwisselen van gegevens met zijn omgeving (interconnectiviteit) en ruilen en analyseren van die gegevens;
   vermogen om zelf te leren van ervaringen en door interactie (optioneel criterium);
   ten minste een kleine fysieke drager;
   vermogen om zijn gedrag en handelen aan zijn omgeving aan te passen;
   afwezigheid van leven in biologische zin;

2.  is van mening dat er waar relevant en nodig voor specifieke categorieën robots een uitvoerig Uniesysteem voor de registratie van geavanceerde robots op de interne markt van de Unie moet worden ingevoerd, en verzoekt de Commissie criteria vast te stellen voor de classificatie van robots die geregistreerd zouden moeten worden; spoort de Commissie in dit verband aan na te gaan of het wenselijk is dat het registratiesysteem en het register worden beheerd door een daartoe aangewezen Unieagentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie;

3.  benadrukt dat de ontwikkeling van robottechnologieën gericht moet zijn op het aanvullen van menselijke vaardigheden en niet op het vervangen van mensen; acht het van essentieel belang om bij de ontwikkeling van robotica en AI te waarborgen dat de mens onder alle omstandigheden de controle over intelligente machines houdt; is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan het feit dat er een gevoelsrelatie kan ontstaan tussen mens en robot – vooral bij kwetsbare groepen, zoals kinderen, ouderen en personen met een beperking – en wijst op de vragen die rijzen in verband met de verstrekkende emotionele of fysieke gevolgen die deze gevoelsrelatie kan hebben voor de menselijke gebruiker;

4.  stelt met nadruk dat een aanpak op Unieniveau de ontwikkeling kan bevorderen door versnippering van de interne markt te voorkomen, en onderstreept tevens dat het principe van wederzijdse erkenning belangrijk blijft bij het grensoverschrijdende gebruik van robots en roboticasystemen; herinnert eraan dat met keuring, certificering en markttoelating in één enkele lidstaat al moet kunnen worden volstaan; onderstreept dat deze benadering gepaard moet gaan met effectief markttoezicht;

5.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat er ondersteuning wordt geboden aan kmo's en startende ondernemingen in de roboticasector die in deze sector nieuwe marktsegmenten creëren of robots gebruiken;

Onderzoek en innovatie

6.  onderstreept dat veel robottoepassingen zich nog steeds in het experimentele stadium bevinden; juicht het toe dat steeds meer onderzoeksprojecten door de lidstaten en de Unie worden gefinancierd; acht het van essentieel belang dat de Unie samen met de lidstaten met behulp van overheidsfinanciering een leidende positie in het onderzoek naar robotica en AI blijft bekleden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiële instrumenten voor onderzoeksprojecten op het gebied van robotica en ict te uit te breiden, met inbegrip van publiek-private partnerschappen, en in hun onderzoeksbeleid de beginselen van open wetenschap en verantwoordelijke ethische innovatie toe te passen; benadrukt dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor onderzoek naar oplossingen voor de maatschappelijke, ethische, juridische en economische vragen die voortvloeien uit de technologische ontwikkeling en de toepassingen daarvan;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoeksprogramma's te bevorderen, onderzoek naar de langetermijnrisico's en kansen van technologieën voor robotica en AI te stimuleren en aan te moedigen dat er zo spoedig mogelijk een gestructureerde publieke dialoog op gang komt over de gevolgen van de ontwikkeling van dergelijke technologieën in kwestie; verzoekt de Commissie om de tussentijdse herziening van het MFK aan te grijpen om meer steun te verlenen aan het in het kader van Horizon 2020 gefinancierde programma SPARC; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle krachten te bundelen om voor deze technologieën een soepele overgang te waarborgen van onderzoek naar commercialisering en gebruik op de markt nadat er passende veiligheidsbeoordelingen zijn uitgevoerd overeenkomstig het voorzorgsbeginsel;

8.  benadrukt dat innovatie op het gebied van robotica en AI en integratie van robotica- en AI-technologieën in de economie en de maatschappij alleen mogelijk zijn met behulp van een digitale infrastructuur die voorziet in universele connectiviteit; verzoekt de Commissie om met het oog op de digitale toekomst van de Unie een kader op te zetten dat tegemoetkomt aan de vereisten op het gebied van connectiviteit, en om ervoor te zorgen dat de toegang tot breedband- en 5G-netwerken volledig in overeenstemming is met het beginsel van netneutraliteit;

9.  is er vast van overtuigd dat interoperabiliteit tussen systemen, instrumenten en clouddiensten, ontworpen met het oog op veiligheid en privacy, essentieel is voor de realtime uitwisseling van gegevens, waardoor robots en AI flexibeler en autonomer kunnen worden; verzoekt de Commissie om een open omgeving (zoals open normen, innovatieve licentiemodellen, open platforms en transparantie) te bevorderen, om gebondenheid aan gesloten systemen die de interoperabiliteit beperken te voorkomen;

Ethische beginselen

10.  merkt op dat het gebruik van robotica enerzijds de mogelijkheden verruimt, maar anderzijds gepaard gaat met spanningen en risico's en grondig moet worden geëvalueerd uit het oogpunt van menselijke veiligheid en gezondheid, vrijheid, privacy, integriteit en waardigheid, zelfbeschikking en non-discriminatie, alsmede bescherming van persoonsgegevens;

11.  is van mening dat het bestaande rechtskader van de Unie moet worden bijgewerkt en waar nodig aangevuld met leidende ethische beginselen die de complexiteit weerspiegelen van de materie robotica en de vele sociale, medische en bio-ethische implicaties ervan; is van mening dat er een duidelijk, strikt en efficiënt richtinggevend ethisch kader voor ontwikkeling, ontwerp, productie, gebruik en wijziging van robots nodig is als aanvulling op de juridische aanbevelingen in het verslag en het bestaande nationale en Unie-acquis; stelt in de bijlage bij de resolutie een kader voor in de vorm van een handvest, bestaand uit een gedragscode voor robotica-ingenieurs, een code voor commissies voor onderzoeksethiek die roboticaprotocollen beoordelen, en modellicenties voor ontwerpers en gebruikers;

12.  vestigt de aandacht op het beginsel van transparantie, namelijk dat het altijd mogelijk moet zijn om de redenering te volgen die ten grondslag ligt aan een met behulp van AI genomen beslissing die een grote invloed kan hebben op het leven van een of meer personen; is van oordeel dat het altijd mogelijk moet zijn de berekeningen van een AI-systeem terug te brengen tot een vorm die voor mensen begrijpelijk is; vindt dat geavanceerde robots moeten worden uitgerust met een "black box" die de gegevens registreert van elke handeling die de machine uitvoert, met inbegrip van de redeneringen die tot zijn beslissingen hebben bijgedragen;

13.  wijst erop dat het richtinggevend ethisch kader zou moeten stoelen op de beginselen van de plicht tot weldoen, geen schade berokkenen, autonomie en rechtvaardigheid, op de beginselen die zijn neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten, zoals menselijke waardigheid, gelijkheid, gerechtigheid en billijkheid, non-discriminatie, geïnformeerde toestemming, bescherming van privacy, gezinsleven en gegevens, alsmede andere onderliggende beginselen en waarden van de Uniewetgeving, zoals niet-stigmatisering, transparantie, autonomie, individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheid, en op bestaande ethische benaderingen en codes;

14.  wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan robots die een aanzienlijke bedreiging voor de vertrouwelijkheid vormen omdat zij in een traditioneel beschermde privé-omgeving worden ingezet en omdat zij in staat zijn persoonlijke en gevoelige gegevens te verzamelen en te verzenden;

Een Europees agentschap

15.  is van mening dat er nauwere samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie nodig is om te waarborgen dat er coherente grensoverschrijdende regels in de Unie komen die de samenwerking tussen Europese sectoren aanmoedigen en het mogelijk maken in de hele Unie robots in te zetten die voldoen aan de vereiste veiligheidsniveaus en aan de ethische beginselen die in de Uniewetgeving zijn neergelegd;

16.  verzoekt de Commissie de aanwijzing te overwegen van een Europees agentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie teneinde te voorzien in de technische, ethische en regelgevende expertise die nodig is om de betrokken overheidsactoren op het niveau van zowel de Unie als van de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om te zorgen voor een tijdige, ethisch verantwoorde en goed gefundeerde reactie op de nieuwe mogelijkheden en uitdagingen, met name die van grensoverschrijdende aard, die voortvloeien uit de technologische ontwikkeling van robotica, bijvoorbeeld in de vervoerssector;

17.  is van mening dat het potentieel en de problemen van het gebruik van robotica en de huidige investeringsdynamiek rechtvaardigen dat het Europese agentschap wordt voorzien van een passende begroting en personeel dat bestaat uit regelgevers en externe technische en ethiekexperts die zich sectoroverschrijdend en multidisciplinair bezighouden met het toezicht op op robotica gebaseerde toepassingen, het afbakenen van normen voor optimale praktijken en, waar nodig, het aanbevelen van voorschriften, het definiëren van nieuwe beginselen en het behandelen van eventuele vraagstukken van consumentenbescherming en systeemuitdagingen; verzoekt de Commissie (en het Europese agentschap, als dit wordt opgericht) jaarlijks aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de meest recente ontwikkelingen op het gebied van robotica en de maatregelen die getroffen moeten worden;

Intellectuele-eigendomsrechten en gegevensverkeer

18.  stelt vast dat er geen wettelijke bepalingen zijn die specifiek voor robotica gelden, maar dat de bestaande rechtsstelsels en rechtsleer zonder meer op robotica kunnen worden toegepast, al moeten bepaalde aspecten wellicht nader worden onderzocht; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan een horizontale en technologieneutrale benadering van de intellectuele eigendom die kan worden toegepast in alle sectoren waar robotsystemen kunnen worden ingezet;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de civielrechtelijke wetgeving voor de roboticasector aansluit bij de algemene verordening gegevensbescherming en bij de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit; maant de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de snelle technologische ontwikkeling op het gebied van robotica, zoals de snelle vooruitgang van cyberfysieke systemen, en ervoor te zorgen dat de wetgeving van de Unie niet achterblijft bij de technologische ontwikkelingen en toepassingen;

20.  benadrukt dat het recht op eerbiediging van het privéleven en van bescherming van persoonsgegevens, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest en in artikel 16 VWEU, van toepassing is op alle gebieden van robotica en dat het rechtskader van de Unie op het gebied van gegevensbescherming ten volle moet worden nageleefd; verzoekt in dit verband binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de algemene verordening gegevensbescherming om opheldering van de regels en criteria voor het gebruik van camera's en sensoren in robots; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de beginselen inzake gegevensbescherming, zoals gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen, gegevensminimalisatie en doelbinding, alsmede transparante controlemechanismen voor datasubjecten en passende beroepsmogelijkheden overeenkomstig de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming worden nageleefd en dat passende aanbevelingen en normen worden uitgewerkt en in het Uniebeleid worden opgenomen;

21.  benadrukt dat vrij verkeer van gegevens een noodzakelijke voorwaarde is voor de digitale economie en voor de ontwikkeling in de robotica- en AI-sector; onderstreept dat een hoog veiligheidsniveau bij robotsystemen, onder meer wat hun interne datasystemen en gegevensstromen betreft, van cruciaal belang is om een adequaat gebruik van robotica en AI te waarborgen; benadrukt dat netwerken van onderling verbonden robots en AI moeten worden beschermd tegen eventuele inbreuken op de beveiliging; benadrukt dat een hoog veiligheidsniveau en strenge gegevensbescherming in combinatie met voldoende aandacht voor privacy in de communicatie tussen mensen, robots en AI van fundamenteel belang zijn; wijst erop dat ontwerpers van robotica en AI gehouden zijn producten zodanig te ontwikkelen dat zij veilig en betrouwbaar zijn en geschikt voor het beoogde doel; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van de benodigde technologie, onder meer op het gebied van beveiliging door ontwerp, te steunen en te bevorderen;

Normalisatie, veiligheid en zekerheid

22.  wijst erop dat het vraagstuk van normalisatie en het beschikbaar maken van interoperabiliteit van doorslaggevend belang is voor de toekomstige concurrentie op het gebied van AI- en robottechnologie; verzoekt de Commissie te blijven werken aan de internationale harmonisering van technische normen, in het bijzonder in samenwerking met de Europese normalisatie-organisaties en de Internationale Normalisatie-organisatie, teneinde innovatie aan te moedigen, fragmentatie van de interne markt te voorkomen en voor een hoog niveau van productveiligheid en consumentenbescherming te zorgen, waar nodig met inbegrip van minimumveiligheidseisen op de werkplek; wijst op het belang van legale reverse engineering en open normen, teneinde maximale waarde uit innovatie te halen en ervoor te zorgen dat robots met elkaar kunnen communiceren; is in dit opzicht verheugd over de oprichting van speciale technische commissies, zoals ISO/TC 299 Robotica, die zich uitsluitend bezighouden met het opstellen van normen voor robotica;

23.  benadrukt dat het testen van robots in concrete situaties essentieel is voor het opsporen en beoordelen van de risico's die zij mogelijk meebrengen, alsmede van hun technologische ontwikkeling na de zuiver experimentele laboratoriumfase; onderstreept in dit verband dat het testen van robots in concrete situaties, met name in steden en op wegen, een groot aantal vragen opwerpt alsmede belemmeringen die de ontwikkeling van die testfases afremmen, en dat er een doeltreffende strategie en een toezichtmechanisme vereist zijn; verzoekt de Commissie voor alle lidstaten geldende, uniforme criteria vast te stellen die door afzonderlijke lidstaten moeten worden gebruikt om na te gaan in welke situaties experimenten met robots geoorloofd zijn, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel;

Autonome vervoermiddelen

a)Autonome voertuigen

24.  benadrukt dat autonoom vervoer alle vormen van op afstand bestuurde, geautomatiseerde, geconnecteerde en autonome vormen van weg-, spoorweg-, water- en luchtvervoer beslaat, met inbegrip van wegvoertuigen, treinen, schepen, veerboten, vliegtuigen, drones, alsook alle toekomstige vormen van ontwikkelingen en innovaties in deze sector;

25.  is van mening dat de voertuigsector dringend efficiënte uniale en internationale regels nodig heeft om de grensoverschrijdende ontwikkeling van geautomatiseerde en autonome voertuigen te waarborgen, zodat hun economische potentieel ten volle kan worden benut en voordeel kan worden gehaald uit de positieve effecten van technologische trends; benadrukt dat gefragmenteerde regelgeving de toepassing van autonome vervoerssystemen zou belemmeren en het Europese concurrentievermogen in het gedrang zou brengen;

26.  wijst erop dat de reactiesnelheid van de bestuurder bij onvoorziene overname van de besturing van het voertuig van beslissende betekenis is en verlangt daarom dat de betrokken partijen realistische waarden hanteren met betrekking tot veiligheids- en aansprakelijkheidskwesties;

27.  is van mening dat de overgang naar autonome voertuigen gevolgen zal hebben op de volgende terreinen: civielrechtelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid en verzekering), verkeersveiligheid, alle thema's in verband met het milieu (zoals energie-efficiëntie, gebruik van hernieuwbare technologieën en energiebronnen) en met gegevens (toegang tot gegevens, bescherming van gegevens, privacy en delen van gegevens), kwesties met betrekking tot ict-infrastructuur (hoge intensiteit van efficiënte en betrouwbare communicatie) en werkgelegenheid (meer of minder banen, opleiding van vrachtwagenchauffeurs voor het besturen van geautomatiseerde voertuigen); beklemtoont dat er aanzienlijk zal moeten worden geïnvesteerd in weg-, energie- en ict-infrastructuur; verzoekt de Commissie bovengenoemde aspecten in aanmerking te nemen bij haar werkzaamheden in verband met autonome voertuigen;

28.  onderstreept het cruciale belang van betrouwbare positionerings- en tijdsinformatie van de Europese satellietnavigatieprogramma's Galileo en EGNOS voor de invoering van autonome voertuigen, en dringt in dit verband aan op de voltooiing en lancering van de satellieten die nodig zijn om het Europese positioneringssysteem Galileo tot stand te brengen;

29.  wijst op de grote meerwaarde van autonome voertuigen voor personen met beperkte mobiliteit, aangezien zij met dergelijke voertuigen kunnen deelnemen aan het individuele wegverkeer waardoor hun dagelijkse leven eenvoudiger wordt;

b) Drones (RPAS)

30.  constateert dat er op het gebied van dronetechnologie positieve stappen zijn gezet, met name op het gebied van opsporing en redding; benadrukt het belang van een Uniekader voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen (drones of RPAS) om de veiligheid, zekerheid en privacy van de burgers van de Unie te beschermen, en verzoekt de Commissie om een follow-up van de aanbevelingen in de resolutie van het Europees Parlement van 29 oktober 2015 over veilig gebruik van systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS), algemeen bekend als onbemande luchtvaartuigen (UAV), op het gebied van burgerluchtvaart(5); verzoekt de Commissie met klem met evaluaties te komen van de veiligheidskwesties die verband houden met het grootschalige gebruik van drones; verzoekt de Commissie te onderzoeken of er een noodzaak bestaat tot invoering van de verplichting om RPAS uit te rusten met een volg- en identificatiesysteem met behulp waarvan in real-time de positie van RPAS kan worden bepaald; herinnert eraan dat de maatregelen van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad(6) moeten zorgen voor homogeniteit en veiligheid op het gebied van onbemande luchtvaartuigen;

Zorgrobots

31.  onderstreept dat het onderzoek naar en de ontwikkeling van robots in de ouderenzorg mettertijd gebruikelijker en goedkoper zijn geworden, wat geleid heeft tot producten met meer functionaliteiten en een vergroot draagvlak onder consumenten; wijst op de brede waaier aan toepassingen van deze technologieën op het vlak van preventie, ondersteuning, toezicht, stimulering en gezelschap voor ouderen en personen met een beperking, evenals personen die lijden aan dementie, cognitieve problemen of geheugenverlies;

32.  wijst erop dat menselijk contact een van de meest fundamentele aspecten van menselijke zorg is; is van mening dat vervanging van de menselijke factor door robots de zorgpraktijk zou kunnen ontmenselijken, maar erkent anderzijds dat robots geautomatiseerde zorgtaken zouden kunnen uitvoeren en het werk van zorgpersoneel zou kunnen verlichten, waardoor de zorg door mensen intensiever en het revalidatieproces gerichter wordt en medisch en zorgpersoneel meer tijd heeft voor diagnose en beter geplande behandelingsopties; benadrukt dat, ondanks het potentieel van robotica om de mobiliteit en sociale integratie van personen met een handicap en ouderen te verbeteren, menselijke hulpverleners nog steeds nodig zullen zijn, en een belangrijke en niet volledig vervangbare bron van sociale interactie zullen blijven;

Medische robots

33.  benadrukt het belang van passende educatie, opleiding en voorbereiding van gezondheidswerkers zoals artsen en zorgpersoneel om ervoor te zorgen dat de grootst mogelijke vakkundigheid gewaarborgd is, en om de gezondheid van de patiënt te beschermen; onderstreept dat er minimale beroepseisen moeten worden gedefinieerd waaraan chirurgen moeten voldoen voordat zij mogen opereren en hierbij chirurgische robots mogen gebruiken; acht het van fundamenteel belang dat het principe van gecontroleerde autonomie van robots wordt geëerbiedigd, op basis waarvan de initiële programmering van de behandeling en de eindkeuze met betrekking tot de uitvoering altijd bij een menselijke chirurg ligt; benadrukt het grote belang van opleiding voor gebruikers zodat zij zichzelf vertrouwd kunnen maken met de technologische vereisten op dit gebied; wijst op de groeiende trend in de richting van zelfdiagnose met gebruik van een mobiele robot en als gevolg daarvan de noodzaak om artsen op te leiden in de omgang met zelfgediagnosticeerde gevallen; is van oordeel dat het gebruik van dergelijke technologieën de arts-patiëntrelatie niet mag bagatelliseren of schaden, maar de arts moet helpen bij de diagnose en/of de behandeling van de patiënt, met het doel de kans op menselijke fouten te verminderen en de kwaliteit van leven en de levensverwachting te verbeteren;

34.  is van mening dat medische robots een steeds grotere rol zullen gaan spelen op het gebied van microchirurgie en de uitvoering van repetitieve handelingen en dat zij het potentieel hebben om de resultaten op het gebied van revalidatie te verbeteren en uiterst effectieve logistieke steun in ziekenhuizen te bieden; merkt op dat medische robot ook het potentieel hebben om de kosten voor gezondheidszorg te doen dalen door medisch personeel in staat te stellen hun aandacht te verleggen van behandeling naar preventie en door meer financiële middelen vrij te maken voor een betere aanpassing aan de uiteenlopende behoeften van patiënten, voor bijscholing van gezondheidswerkers en voor onderzoek;

35.  roept de Commissie op om vóór de datum waarop Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen van toepassing wordt te waarborgen dat de bestaande proefprocedures voor nieuwe medische robottoestellen veilig zijn, met name in het geval van hulpmiddelen die in het menselijk lichaam worden geïmplanteerd;

Repareren en verbeteren van mensen

36.  wijst op de grote vooruitgang door en het toekomstige potentieel van robotica op het gebied van herstel en vervanging van beschadigde organen en lichaamsfuncties, maar ook op de complexe vraagstukken die zich met name bij de mogelijkheden voor "verbetering" van het lichaam voordoen, daar medische robots en met name cyberfysieke systemen (CPS) onze opvatting van een gezond mensenlichaam zouden kunnen wijzigen doordat zij rechtstreeks op het lichaam kunnen worden gedragen of in het lichaam worden geïmplanteerd; onderstreept het belang van onverwijlde instelling van naar behoren bezette commissies voor robotethiek in ziekenhuizen en andere instellingen voor gezondheidszorg die zich buigen over ongewone, gecompliceerde ethische vraagstukken betreffende de zorg voor en de behandeling van patiënten; verzoekt de Commissie en de lidstaten richtsnoeren te ontwikkelen om dergelijke commissies bij hun oprichting en taak te ondersteunen;

37.  wijst erop dat voor vitale medische toepassingen zoals robotprotheses continue, duurzame toegang tot onderhoud, verbeteringen en met name software-updates die storingen en kwetsbaarheden verhelpen, moet worden gewaarborgd;

38.  beveelt de oprichting aan van onafhankelijke betrouwbare entiteiten die beschikken over de middelen om diensten te verlenen aan dragers van vitale geavanceerde medische apparatuur, met name onderhoud, reparatie en verbeteringen, met inbegrip van software-updates, vooral wanneer degelijke diensten niet langer door de oorspronkelijke leverancier worden aangeboden; stelt voor een verplichting voor fabrikanten in te voeren om deze onafhankelijke betrouwbare entiteiten te voorzien van uitgebreide ontwerpinstructies en de broncode, vergelijkbaar met het wettelijk depot voor publicaties bij een nationale bibliotheek;

39.  wijst op de risico's van hacken, uitschakelen of wissen van het geheugen van de in het menselijk lichaam geïntegreerde cyberfysieke systemen, aangezien hierdoor de gezondheid en in extreme gevallen zelfs het leven van mensen in gevaar kan komen, en benadrukt dan ook dat de bescherming van zulke systemen de voornaamste prioriteit moet zijn;

40.  onderstreept hoe belangrijk het is dat gelijke toegang voor eenieder tot dergelijke technologische innovatie, instrumenten en ingrepen wordt gegarandeerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van hulptechnologieën te bevorderen om de ontwikkeling en ingebruikname van deze technologieën door personen die ze nodig hebben, te faciliteren, overeenkomstig artikel 4 van het VN-Verdrag inzake rechten van personen met een handicap, dat de Unie heeft ondertekend;

Onderwijs en werkgelegenheid

41.  vestigt de aandacht op de verwachting van de Commissie dat Europa rond 2020 tot 825 000 ict-professionals tekort zal komen en dat voor 90% van de banen ten minste digitale basiskennis zal zijn vereist; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een routekaart in te voeren voor het mogelijke gebruik en de herziening van een kader voor digitale vaardigheden en beschrijvingen van digitale vaardigheden voor lerenden op alle niveaus, en verzoekt de Commissie significante steun te bieden voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden in alle leeftijdsgroepen en ongeacht de beroepsstatus, als eerste stap naar een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt; benadrukt dat de groei op het gebied van robotica de lidstaten ertoe noopt flexibelere opleidings- en onderwijssystemen te ontwikkelen om te waarborgen dat de leerstrategieën aansluiten bij de behoeften van de roboteconomie;

42.  is van mening dat de digitale sector, vrouwen en de Europese economie ervan zouden profiteren als meer jonge vrouwen belangstelling zouden krijgen voor digitale loopbanen en meer vrouwen in digitale banen terecht zouden komen; roept de Commissie en de lidstaten op met initiatieven te komen om vrouwen in de ict-sector te steunen en hun e-vaardigheden te verbeteren;

43.  roept de Commissie op middellangetermijn- en langetermijntrends op de arbeidsmarkt nauwlettender te gaan analyseren en in het oog te houden, met bijzondere aandacht voor het ontstaan, de verplaatsing en het verdwijnen van banen in de verschillende sectoren of kwalificatiegebieden, zodat duidelijk wordt waar banen worden gecreëerd en waar banen verloren gaan als gevolg van het toegenomen gebruik van robots;

44.  wijst erop hoe belangrijk het is om veranderingen in de maatschappij te voorzien, gezien het effect dat het ontwikkelen en inzetten van robotica en AI kan hebben; verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de verschillende denkbare scenario's en de gevolgen daarvan voor de draagkracht van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten; ;

45.  benadrukt het belang van flexibele vaardigheden en van sociale, creatieve en digitale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat er naast scholen die academische kennis overdragen een leven lang leren verwezenlijkt moet worden via een leven lang actief zijn;

46.  wijst op het grote potentieel van robotica voor het verbeteren van de veiligheid op het werk door een aantal gevaarlijke of schadelijke taken van mensen naar robots over te dragen, maar wijst er ook op dat robotsystemen nieuwe risico's kunnen meebrengen als gevolg van de toenemende interactie van mens en robot op de werkplek; onderstreept in dit verband het belang van strikte, toekomstgerichte regels voor de interactie tussen mens en robot teneinde de gezondheid en veiligheid alsmede de naleving van de grondrechten op de werkplek te waarborgen;

Milieugevolgen

47.  merkt op dat de ontwikkeling van robotica en AI zodanig moet verlopen dat de milieugevolgen klein gehouden worden door doeltreffend energieverbruik, energie-efficiëntie door bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie en hergebruik van schaarse stoffen, en minimaal afvalproductie, zoals elektrisch en elektronisch afval, alsmede repareerbaarheid; moedigt de Commissie daarom aan de beginselen van de circulaire economie op te nemen in het roboticabeleid van de Unie; merkt voorts op dat het gebruik van robotsystemen ook positieve gevolgen voor het milieu zal hebben, in het bijzonder op het gebied van landbouw en voedselvoorziening en vervoer, met name dankzij de minder grote machines en een lager gebruik van meststoffen, energie en water alsmede door precisielandbouw en route-optimalisering;

48.  onderstreept dat cyberfysieke systemen zullen leiden tot energie- en infrastructuursystemen die de elektriciteitsstroom van de producent naar de verbruiker kunnen controleren, en tot het ontstaan van "energieprosumenten", die zowel energie opwekken als energie verbruiken, waarvan het milieu in hoge mate zal profiteren;

Aansprakelijkheid

49.  is van mening dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor door robots veroorzaakte schade een fundamentele kwestie is die op Unieniveau moet worden geanalyseerd en aangepakt, zodat er in de hele Europese Unie eenzelfde mate van efficiency, transparantie en consistentie bij de toepassing van rechtszekerheid tot stand komt, zowel voor burgers en consumenten als voor bedrijven;

50.  merkt op dat de ontwikkeling van robottechnologieën een beter begrip vereist van de raakvlakken die nodig zijn met betrekking tot gezamenlijke activiteiten van mensen en robots, die moeten worden gebaseerd op de twee van elkaar afhankelijke kernrelaties, namelijk voorspelbaarheid en richtbaarheid; wijst erop dat deze twee van elkaar afhankelijke relaties cruciaal zijn voor het bepalen welke informatie moet worden gedeeld tussen mensen en robots en hoe een gemeenschappelijke basis tussen mensen en robots tot stand kan worden gebracht om soepel lopende gezamenlijke activiteiten van mensen en robots mogelijk te maken;

51.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 114 van het VWEU een voorstel in te dienen voor een wetgevingsinstrument voor juridische vraagstukken met betrekking tot de voor de komende 10 à 15 jaar te verwachten ontwikkeling en het gebruik van robotica en AI, gecombineerd met niet-wetgevingsinstrumenten zoals richtsnoeren en gedragscodes zoals genoemd in de aanbevelingen in de bijlage;

52.  is van mening dat het toekomstige wetgevingsinstrument, ongeacht welke juridische oplossing dit aandraagt voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor door robots veroorzaakte schade anders dan voor schade aan eigendom, het type of de mate van te vergoeden schade op geen enkele manier mag beperken dan wel de vormen van compensatie beperken die de benadeelde partij worden aangeboden, zuiver op grond van het feit dat de schade is veroorzaakt door een niet-menselijke actor;

53.  is van mening dat het toekomstige wetgevingsinstrument gebaseerd moet zijn op een grondige evaluatie door de Commissie van de vraag of moet worden uitgegaan van strikte aansprakelijkheid dan wel van risicobeheersing;

54.  merkt tevens op dat bij strikte aansprakelijkheid uitsluitend bewijs nodig is dat er schade is ontstaan en dat er een causaal verband is tussen het schadelijke functioneren van de robot en de schade die de benadeelde partij heeft geleden;

55.  merkt op dat de benadering van risicobeheersing niet gericht is op de persoon die "nalatig heeft gehandeld" als individueel aansprakelijk, maar op de persoon die onder bepaalde omstandigheden in staat is risico's tot een minimum te beperken en om te gaan met negatieve gevolgen;

56.  is van mening dat zodra de partijen zijn geïdentificeerd die de uiteindelijk verantwoordelijkheid dragen, hun aansprakelijkheid evenredig zou moeten zijn met het concrete niveau van de aan de robot gegeven instructies en de mate van autonomie van de robot, hetgeen betekent dat hoe groter het leervermogen of de autonomie van een robot is, en hoe langer de "opleiding" van een robot heeft geduurd, hoe groter de verantwoordelijkheid van zijn "opleider" zou moeten zijn; merkt met name op dat bij het identificeren van de persoon aan wie het schade veroorzakende gedrag van een robot toe te schrijven is, de vaardigheden die voortvloeien uit de "opleiding" die de robot heeft gekregen, niet mogen worden verwisseld met de vaardigheden die strikt toe te schrijven zijn aan zijn zelflerend vermogen; merkt op dat in elk geval in het huidige stadium de verantwoordelijkheid bij de mens moet liggen en niet bij de robot;

57.  wijst erop dat een mogelijke oplossing voor de complexe vraag wie verantwoordelijk is voor schade die veroorzaakt wordt door steeds autonomere robots gelegen is in een verplichte verzekering, zoals bijvoorbeeld reeds voor voertuigen geldt; stelt evenwel vast dat anders dan het verzekeringssysteem voor het wegvervoer, waar de verzekering menselijke handelingen en fouten dekt, een verzekeringssysteem voor robotica rekening zou moeten houden met alle potentiële verantwoordelijkheden in de keten;

58.  is van mening dat een dergelijk verzekeringssysteem net als bij autoverzekeringen gefinancierd zou kunnen worden uit een fonds, om te waarborgen dat er ook schadevergoedingen kunnen worden uitgekeerd als er geen verzekeringsdekking is; verzoekt de verzekeringssector nieuwe producten en soorten aanbiedingen te ontwikkelen die aansluiten bij de vooruitgang op het gebied van robotica;

59.  verzoekt de Commissie bij het uitvoeren van een effectbeoordeling van haar toekomstige wetgevingsinstrument de gevolgen van alle mogelijke wettelijke oplossingen te verkennen, te analyseren en te beoordelen, zoals:

   a) vaststellen van een verplichte verzekeringsregeling – waar relevant en nodig voor specifieke categorieën robots – waarbij net als bij voertuigen producenten of eigenaren van robots verplicht worden een verzekering af te sluiten voor de schade die hun robots mogelijk veroorzaken;
   b) waarborgen dat een compensatiefonds niet alleen dient om compensatie uit te keren als de door een robot veroorzaakte schade niet gedekt wordt door een verzekering;
   c) voor de fabrikant, programmeur, eigenaar of gebruiker slechts in beperkte aansprakelijkheid voorzien als zij bijdragen aan een compensatiefonds, en als zij gezamenlijk een verzekering afsluiten om compensatie te garanderen als een robot schade veroorzaakt;
   d) besluiten om een algemeen fonds voor alle slimme autonome robots op te richten dan wel een individueel fonds voor elke categorie robots, en besluiten of de contributie eenmalig betaald dient te worden als de robot op de markt wordt gebracht, of dat er gedurende de levensduur van de robot periodieke contributies moeten worden betaald;
   e) waarborgen dat het verband tussen een robot en het bijbehorende fonds zichtbaar wordt door middel van een individueel registratienummer in een specifiek Unieregister, waardoor eenieder die met de robot in aanraking komt, informatie kan verkrijgen over de aard van het fonds, de grenzen van de aansprakelijkheid in geval van schade, de namen en functies van de bijdragende partijen en alle overige relevante details;
   f) op de lange termijn een specifieke rechtspersoonlijkheid creëren voor robots, zodat in elk geval de meest geavanceerde autonome robots de status kunnen krijgen van elektronisch persoon die verantwoordelijk is voor het vergoeden van veroorzaakte schade, en eventueel uitgaan van elektronische persoonlijkheid als robots autonome beslissingen treffen of anderszins onafhankelijk reageren met derden;

Internationale aspecten

60.  merkt op dat de huidige algemene internationale privaatrechtelijke regels inzake verkeersongevallen die in de Unie van toepassing zijn, weliswaar niet dringend in wezenlijke mate moeten worden aangepast om rekening te houden met de ontwikkeling van autonome voertuigen, maar dat vereenvoudiging van het huidige duale systeem voor het vaststellen van het toepasselijke recht (gebaseerd op Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad(7) en op het Haags Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg) de rechtszekerheid ten goede zou komen en de mogelijkheden voor forumshopping zou beperken;

61.  stelt vast dat moet worden nagedacht over wijzigingen op internationale overeenkomsten zoals het Verdrag van Wenen van 8 november 1968 betreffende het wegverkeer en het Haags Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen;

62.  rekent erop dat de Commissie erop zal toezien dat de lidstaten de bestaande wetgeving, zoals het Verdrag van Wenen betreffende het wegverkeer, dat moet worden gewijzigd, op uniforme wijze aanpassen om rijden zonder bestuurder mogelijk te maken en roept de Commissie, de lidstaten en het bedrijfsleven op zo snel mogelijk uitvoering te geven aan de doelstellingen van de Verklaring van Amsterdam;

63.  pleit met kracht voor internationale samenwerking bij de toetsing van maatschappelijke, ethische en juridische vraagstukken en vervolgens bij het vaststellen van regulerende normen onder auspiciën van de Verenigde Naties;

64.  wijst erop dat de beperkingen en voorwaarden van Verordening (EG) nr. 428/2009 van het Europees Parlement en de Raad(8) over de handel in producten voor tweeërlei gebruik – goederen, software en technologie die zowel voor civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt en/of kunnen bijdragen tot de verspreiding van massavernietigingswapens – ook voor roboticatoepassingen zouden moeten gelden;

Overige aspecten

65.  verzoekt overeenkomstig artikel 225 VWEU de Commissie op basis van artikel 114 VWEU een voorstel in te dienen voor een richtlijn inzake civielrechtelijke regels voor robotica, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage bij dit verslag;

66.  constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

67.  is van mening dat het gevraagde voorstel financiële gevolgen zal hebben als er een nieuw Europees agentschap in het leven wordt geroepen;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Definitie en classificatie van "slimme robots"

Er dient een gemeenschappelijke Europese definitie van slimme autonome robots te worden vastgesteld die waar nodig definities van de subcategorieën daarvan omvat en de volgende kenmerken in aanmerking neemt:

–  het vermogen om autonomie te verwerven via sensoren en/of het uitwisselen van gegevens met zijn omgeving (interconnectiviteit) en het analyseren van die gegevens;

–  het vermogen om van ervaringen en interactie te leren;

–  de vorm van de fysieke drager van de robot;

–  het vermogen om zijn gedrag en handelen aan zijn omgeving aan te passen.

Registratie van slimme robots

Ten behoeve van de traceerbaarheid en om de uitvoering van verdere aanbevelingen te vergemakkelijken dient er een systeem voor de registratie van geavanceerde robots te worden ingevoerd, op basis van criteria voor de classificatie van robots. Het registratiesysteem en het register zouden voor de hele Unie moeten gelden en de interne markt moeten afdekken, en zouden kunnen worden beheerd door een daartoe aangewezen Unieagentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie, vooropgesteld dat dit in het leven wordt geroepen.

Civielrechtelijke aansprakelijkheid

Elke juridische oplossing voor de aansprakelijkheid van robots en van AI, anders dan voor schade aan eigendom, mag op geen enkele manier het type of de mate van te verkrijgen schadevergoeding beperken dan wel de vormen van compensatie beperken die de benadeelde partij worden aangeboden, zuiver op grond van het feit dat de schade is veroorzaakt door een niet-menselijke actor.

Het toekomstige wetgevingsinstrument zou gebaseerd moet zijn op een grondige evaluatie door de Commissie van de vraag of moet worden uitgegaan van strikte aansprakelijkheid dan wel van risicobeheersing;

Er dient een verplichte verzekeringsregeling te worden ingevoerd, die gebaseerd zou zijn op de plicht van de producent om een verzekering af te sluiten voor de autonome robots die hij produceert.

Het verzekeringssysteem dient te worden gefinancierd uit een fonds, om te waarborgen dat er ook schadevergoedingen kunnen worden uitgekeerd als er geen verzekeringsdekking is.

Beleidsbeslissingen over de regels inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid die van toepassing zijn op robots en kunstmatige intelligentie dienen te worden getroffen na raadpleging van een pan-Europees onderzoeks- en ontwikkelingsproject op het gebied van robotica en neurowetenschappen, met wetenschappers en deskundigen die in staat zijn alle met dit onderwerp verband houdende risico's en consequenties te beoordelen;

Interoperabiliteit, toegang tot codes en intellectuele-eigendomsrechten

De interoperabiliteit van via een netwerk verbonden autonome robots die met elkaar reageren moet worden gewaarborgd. Toegang tot de broncode, inputgegevens en constructiegegevens dienen waar nodig beschikbaar te zijn, zodat door slimme robots veroorzaakte ongevallen en schade kunnen worden onderzocht en hun continue inzet, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en veiligheid kunnen worden gewaarborgd.

Handvest over robotica

De Commissie zou bij het voorstellen van wetgeving inzake robotica de beginselen in aanmerking moeten nemen die in het hieronder opgenomen Handvest over robotica worden genoemd.

HANDVEST OVER ROBOTICA

De voorgestelde ethiekcode op het gebied van robotica zal de basis leggen voor identificatie van, toezicht op en naleving van fundamentele ethische beginselen vanaf de fase van ontwerp en ontwikkeling.

Het kader, dat op basis van een pan-Europees onderzoeks- en ontwikkelingsproject op het gebied van robotica en neurowetenschappen moet worden opgezet, moet goed doordacht zijn zodat er individuele aanpassingen mogelijk zijn om te beoordelen of een bepaald gedrag in een bepaalde situatie goed of fout is en beslissingen te nemen aan de hand van een van tevoren vastgestelde ranglijst van waarden.

De code mag geen vervanging vormen voor de noodzaak om alle grote juridische vragen op dit terrein aan te pakken, maar dient een aanvullende rol te spelen. Een dergelijke code maakt het eenvoudiger robotica in ethisch opzicht te classificeren, verantwoorde innovatie op dit terrein te steunen en in te spelen op de vragen van het publiek.

Bijzondere aandacht verdienen de fasen van onderzoek en ontwikkeling in het desbetreffende technologische traject (ontwerpproces, ethische beoordeling, audits, enz.). Er moet worden gestreefd naar aandacht voor naleving van ethische normen door onderzoekers, technici, gebruikers en ontwerpers, en daarnaast moet er een procedure worden ingevoerd voor het zoeken naar oplossingen voor ethische dilemma's die zich voordoen, zodat deze systemen op een ethisch verantwoorde wijze kunnen functioneren.

ETHISCHE CODE VOOR ROBOTICA-INGENIEURS

PREAMBULE

De gedragscode schrijft voor dat onderzoekers en ontwerpers verantwoord moeten handelen en de noodzaak om de waardigheid, privacy en veiligheid van mensen te eerbiedigen, onder alle omstandigheden in aanmerking moeten nemen.

De code dringt aan op nauwe samenwerking tussen alle vakgebieden om te waarborgen dat onderzoek op het gebied van robotica in de Europese Unie op een veilige, ethisch verantwoorde en doeltreffende manier wordt uitgevoerd.

De gedragscode geldt voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van robotica.

De gedragscode is vrijwillig en biedt een reeks algemene beginselen en richtsnoeren voor de handelingen van alle belanghebbenden.

Instanties voor de financiering van onderzoek naar robotica, onderzoeksorganisaties, onderzoekers en ethiekcommissies worden aangemoedigd om in een zo vroeg mogelijk stadium de toekomstige gevolgen van de technologieën of voorwerpen die worden onderzocht, te overdenken en een cultuur van verantwoordelijkheid te ontwikkelen ten aanzien van de uitdagingen en kansen die zich kunnen voordoen.

Publieke en particuliere instellingen die robotica-onderzoek financieren dienen te verlangen dat samen met elk ingediend voorstel tot financiering van robotica-onderzoek een risicobeoordeling wordt uitgevoerd en voorgelegd. Een dergelijke code moet de mens en niet de robot als verantwoordelijk beschouwen.

Onderzoekers op het gebied van robotica dienen zich tot streng ethisch en professioneel gedrag te verplichten en de volgende beginselen te hanteren:

Plicht tot weldoen – robots moeten het belang van de mens dienen;

Geen schade berokkenen – de doctrine van "geen schade berokkenen" die voorschrijft dat robots mensen geen schade mogen toebrengen;

Autonomie – het vermogen om een geïnformeerde, vrije beslissing te nemen over de wijze waarop met robots wordt omgegaan;

Rechtvaardigheid – eerlijke verdeling van de voordelen van robotica en in het bijzonder betaalbaarheid van robots voor de huishouding en de gezondheidszorg.

Grondrechten

Onderzoeksactiviteiten op het gebied van robotica moeten de grondrechten respecteren en qua opzet, uitvoering, verspreiding en gebruik gericht zijn op het welzijn en de zelfbeschikking van het individu en van de maatschappij in het algemeen. De menselijke waardigheid en autonomie – in zowel fysiek als geestelijk opzicht – moeten altijd vooropstaan.

Voorzorg

Robotica-onderzoeksactiviteiten moeten worden verricht overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, er dient te worden geanticipeerd op potentiële veiligheidseffecten van resultaten, er dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen die evenredig zijn met het beschermingsniveau en de vooruitgang moet worden gestimuleerd ten voordele van de maatschappij en het milieu.

Inclusiviteit

Robotica-ingenieurs staan garant voor transparantie en respect voor het legitieme recht op toegang tot informatie voor alle belanghebbenden. Inclusiviteit zorgt voor participatie in besluitvormingsprocessen voor alle belanghebbenden die betrokken zijn bij of te maken hebben met onderzoeksactiviteiten op het gebied van robotica.

Verantwoordingsplicht

Robotica-ingenieurs blijven een verantwoordingsplicht houden voor de maatschappelijke, milieu- en gezondheidsimpact die robotica voor de huidige en toekomstige generaties kunnen meebrengen.

Veiligheid

Ontwerpers van robots dienen het fysieke welzijn, de veiligheid, de gezondheid en de rechten van mensen te respecteren. Robotica-ingenieurs moeten het menselijk welzijn boven alles stellen, de mensenrechten eerbiedigen en factoren die een gevaar kunnen betekenen voor het publiek of het milieu, onverwijld bekend maken.

Omkeerbaarheid

Omkeerbaarheid als noodzakelijke voorwaarde voor controleerbaarheid is een fundamenteel concept bij het programmeren van robots om veilig en betrouwbaar te functioneren. Een omkeerbaar model laat de robot weten welke handelingen omkeerbaar zijn en hoe hij dit moet doen. Het vermogen om de laatste handeling of serie handelingen ongedaan te maken stelt gebruikers in staat ongewenste handelingen ongedaan te maken en terug te gaan naar het punt waarop hun werk correct was.

Privacy

Het recht op privacy moet onder alle omstandigheden worden geëerbiedigd. Robotica-ingenieurs dienen te waarborgen dat privé-informatie veilig wordt opgeslagen en alleen in passende gevallen wordt gebruikt. Daarnaast dienen robotica-ingenieurs te waarborgen dat individuele personen niet identificeerbaar zijn, behalve in uitzonderlijke gevallen en dan uitsluitend met duidelijke en ondubbelzinnige geïnformeerde toestemming van de betrokkenen. Alvorens interactie tussen mens en machine plaatsvindt moet de geïnformeerde toestemming van de mens worden verkregen. In dit opzicht hebben robotica-ingenieurs de verantwoordelijkheid om procedures te ontwikkelen voor geldige instemming, vertrouwelijkheid, anonimiteit, rechtvaardige behandeling en recht op eerlijke rechtsbedeling. Ontwerpers dienen te voldoen aan elk verzoek om aanverwante gegevens te vernietigen en uit gegevensverzamelingen te verwijderen.

Maximalisering van voordelen en minimalisering van schade

Onderzoekers dienen in alle fasen van het onderzoek, van de eerste aanzet tot de verspreiding van resultaten, te streven naar maximalisering van de voordelen van hun werk. Schade aan onderzoeksdeelnemers/menselijke subjecten/deelnemers aan experimenten, tests of studies moet worden voorkomen. Als risico's een onvermijdelijk en integraal deel van het onderzoek vormen, moeten er solide risicobeoordelingen en beheersprotocollen worden ontwikkeld en moeten deze worden nageleefd. Normaal gesproken mag het risico op schade niet groter zijn dan die zich welke in het dagelijkse bestaan voordoet, d.w.z. personen mogen niet aan grotere of bijkomende risico's worden blootgesteld dan die welke zij in hun normale bestaan tegenkomen. De werking van een roboticasysteem dient altijd te zijn gebaseerd op een proces van grondige risicobeoordeling, dat moet berusten op de beginselen van voorzorg en evenredigheid.

CODE VOOR COMMISSIES VOOR ONDERZOEKSETHIEK

Beginselen

Onafhankelijkheid

Het proces van ethische beoordeling dient los te staan van het onderzoek zelf. Dit beginsel staat voor de noodzaak om belangenconflicten tussen onderzoekers en degenen die het ethisch protocol beoordelen, en tussen beoordelaars en organisatiestructuren te voorkomen.

Competentie

Het proces voor ethische beoordeling dient te worden uitgevoerd door beoordelaars met de passende deskundigheid, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van zorgvuldige beoordeling van de leden en de specifiek op ethiek gerichte competentie van ethiekcommissies.

Transparantie en verantwoordingsplicht

Over het beoordelingsproces dient verantwoording te kunnen worden afgelegd en het moet getoetst kunnen worden. Ethiekcommissies moeten hun verantwoordelijkheid erkennen en adequaat geplaatst zijn binnen de organisatiestructuur die de werkzaamheden en procedures van de ethiekcommissie transparantie verleent, teneinde normen te handhaven en te evalueren.

De rol van een ethiekcommissie voor het onderzoek

Een ethiekcommissie is normaal gesproken verantwoordelijk voor de beoordeling van elk onderzoek waarbij mensen zijn betrokken en dat wordt uitgevoerd door personen die in dienst zijn bij of worden betaald door de instelling in kwestie; zij moet waarborgen dat de ethische beoordeling op onafhankelijke en competente wijze gebeurt en op een passend tijdstip plaatsvindt; zij moet de waardigheid, de rechten en het welzijn van de onderzoeksdeelnemers beschermen; zij moet naar de veiligheid van de onderzoeker(s) kijken; zij moet de legitieme belangen van andere belanghebbenden in aanmerking nemen; zij moet een onderbouwd oordeel uitspreken over de wetenschappelijke waarde van voorstellen; en zij moet onderbouwde aanbevelingen aan de onderzoeker doen als het voorstel in een bepaald opzicht lacunes vertoont.

Samenstelling van een ethiekcommissie voor het onderzoek

Een ethiekcommissie voor het onderzoek dient normaal gesproken multidisciplinair te zijn, uit zowel mannen als vrouwen te bestaan, en uit leden te bestaan die over brede ervaring en deskundigheid op het gebied van roboticaonderzoek beschikken. Het benoemingsmechanisme dient te waarborgen dat de leden van de commissie een adequate mix van wetenschappelijke deskundigheid, een achtergrond van filosofie, recht of ethiek en lekenstandpunten hebben, en dat de commissie tenminste bestaat uit een lid dat over specialistische kennis van ethiek beschikt, en verder uit gebruikers van specialistische gezondheids-, onderwijs- of sociale diensten waar deze het voorwerp van onderzoek vormen, en individuele personen met specifieke methodologische deskundigheid die relevant is voor het onderzoek in kwestie; en de commissie moet zodanig zijn samengesteld dat belangenconflicten worden vermeden.

Toezicht

Elke onderzoeksorganisatie dient adequate procedures vast te stellen om tot het einde toe toezicht te houden op de uitvoering van onderzoek dat in ethisch opzicht is goedgekeurd, en om een doorlopende beoordeling te waarborgen als de opzet van het onderzoek in de loop der tijd mogelijke wijzigingen meebrengt die eventueel moeten worden aangepakt. Dit toezicht dient evenredig te zijn met de aard en mate van risico waarmee het onderzoek gepaard gaat. Indien een ethiekcommissie van mening is dat een toezichtsverslag ernstige vragen doet rijzen over de ethische kant van een onderzoek, dient zij een volledig, gedetailleerd verslag van het onderzoek op te vragen voor een grondige ethische beoordeling. Als de commissie van mening is dat een onderzoek op onethische wijze wordt uitgevoerd, dient te worden overwogen de goedkeuring in te trekken en het onderzoek op te schorten of af te breken.

ONTWERPERSLICENTIE

–  Houd rekening met de Europese waarden van waardigheid, autonomie en zelfbeschikking, vrijheid en rechtvaardigheid voor, tijdens en na het proces van ontwerp, ontwikkeling en presentatie van dergelijke technologieën, met inbegrip van de noodzaak om (kwetsbare) gebruikers niet te schaden, te benadelen, te bedriegen of uit te buiten.

–  Introduceer betrouwbare beginselen inzake systeemontwerp in alle aspecten van het functioneren van een robot, zowel wat betreft het ontwerp van hardware en software als gegevensverwerking "on-platform" en "off-platform", met het oog op de veiligheid.

–  Introduceer ingebouwde privacy om te waarborgen dat privé-informatie veilig wordt bewaard en alleen in passende situaties wordt gebruikt.

–  Integreer duidelijke onderbrekingsmechanismen (kill switches) die passen bij de doelstellingen van het ontwerp.

–  Zorg ervoor dat een robot functioneert op een manier die past bij de lokale, nationale en internationale ethische en juridische normen.

–  Zorg ervoor dat de besluitvormingsstappen van de robot gereconstrueerd en getraceerd kunnen worden.

–  Zorg ervoor dat maximale transparantie vereist is voor de programmering van roboticasystemen alsmede voorspelbaarheid van het gedrag van de robot.

–  Analyseer de voorspelbaarheid van een mens-robotsysteem door rekening te houden met onzekerheid bij interpretatie en handelen evenals mogelijke fouten van de robot of de mens.

–  Ontwikkel traceermechanismen in het ontwerpstadium van de robot. Deze vergemakkelijken – zij het misschien slechts in beperkte mate – het verantwoorden en toelichten van het gedrag van een robot, op de verschillende niveaus voor deskundigen, exploitanten en gebruikers.

–  Stel ontwerp- en evaluatieprotocollen op en evalueer in samenwerking met potentiële gebruikers en belanghebbenden de voordelen en risico's van robotica, met inbegrip van de cognitieve, psychologische en ecologische voordelen.

–  Zorg ervoor de robots als zodanig kunnen worden geïdentificeerd als zij samenwerken met mensen.

–  Zorg voor de veiligheid en gezondheid van degenen die met robots werken en in aanraking komen, daar robots als product moeten worden ontworpen met behulp van processen die hun veiligheid en zekerheid garanderen. Robotica-ingenieurs moeten het welzijn van de mens vooropstellen en de mensenrechten eerbiedigen en mogen geen robots inzetten zonder de veiligheid, doeltreffendheid en omkeerbaarheid van de werking van het systeem te kunnen garanderen.

–  Zorg ervoor dat er een positief advies is van een commissie voor onderzoeksethiek alvorens een robot in een reële omgeving te testen of mensen bij de ontwerp- en ontwikkelingsprocedures ervan te betrekken.

GEBRUIKERSLICENTIE

–  De gebruiker moet een robot kunnen gebruiken zonder risico op fysieke of geestelijke schade.

–  De gebruiker heeft het recht van een robot te verwachten dat deze elke taak uitvoert waarvoor hij uitdrukkelijk is ontworpen.

–  De gebruiker dient te beseffen dat een robot perceptuele, cognitieve en handelingsbeperkingen kan hebben.

–  De gebruiker dient rekening te houden met menselijke tekortkomingen, zowel in fysiek als in geestelijk opzicht, en de emotionele behoeften van mensen.

–  De gebruiker dient rekening te houden met de privacyrechten van mensen, met inbegrip van de uitschakeling van camera's tijdens intieme handelingen.

–  De gebruiker mag geen persoonlijke informatie verzamelen, gebruiken of onthullen zonder de uitdrukkelijke instemming van de persoon in kwestie.

–  De gebruiker mag een robot niet gebruiken voor handelingen die in strijd zijn met ethische of juridische beginselen en normen.

–  De gebruiker mag een robot niet wijzigen om deze als wapen te kunnen gebruiken.

(1) Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29).
(2) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(3) 1) Een robot mag een mens geen letsel toebrengen of door niet te handelen toestaan dat een mens letsel oploopt. 2) Een robot moet de bevelen uitvoeren die hem door mensen gegeven worden, behalve als die opdrachten in strijd zijn met de Eerste Wet. 3) Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, voor zover die bescherming niet in strijd is met de Eerste of Tweede Wet (zie Runaround, I. Asimov, 1943) en 0) Een robot mag geen schade toebrengen aan de mensheid, of toelaten dat de mensheid schade toegebracht wordt door zijn nalatigheid.
(4) Zie de Schuman-verklaring (1950): "Europa zal niet in één keer tot stand komen, noch volgens één enkel plan: het zal opgebouwd worden door concrete resultaten die allereerst een feitelijke solidariteit tot stand brengen."
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0390.
(6) Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.
(8) Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).


Europees cloudinitiatief
PDF 234kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief (2016/2145(INI))
P8_TA(2017)0052A8-0006/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld ‘Het Europese cloudinitiatief – bouwen aan een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa’ (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0100),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een bloeiende data-economie" (COM(2014)0442),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 met als titel "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 september 2012 over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa (COM(2012)0529),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 februari 2012 getiteld ‘Geavanceerde computing: de positie van Europa in de wereldwijde wedloop’ (COM(2012)0045),

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2016 over de overgang naar een systeem van open wetenschap,

–  gezien de conclusies van de Raad van 29 mei 2015 over open, gegevensintensief en in een netwerk ondergebracht onderzoek als aanjager van snellere en ruimere innovatie,

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu(1),

–  gezien het Besluit (EU) 2015/2240 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van een programma inzake interoperabiliteitsoplossingen en gemeenschappelijke kaders voor Europese overheidsdiensten, bedrijven en burgers (ISA² programma) als middel om de overheidssector te moderniseren (2),

–  gezien Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie(3) (PSI-richtlijn),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2016 getiteld "Naar een bloeiende data-economie"(4),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 "Naar een akte voor een digitale interne markt"(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa(7),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 januari 2013 over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa (TEN/494),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa” (2016 TEN/592 EESC-2016),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's over het Europees cloudinitiatief en normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt 02016 (SEDEC-VI-012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa: Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen", COM(2016)0381,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(8),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie(9) (richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (COM(2016)0590),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 mei 2016 getiteld "Online platforms en de digitale eengemaakte markt – Kansen en uitdagingen voor Europa" (COM(2016)0288),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2015 getiteld "Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten" (COM(2015)0626),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016, getiteld "Normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt" (COM(2016)0176),

–  gezien het rapport "Open Innovation, open science, open to the world – a vision for Europe" van het directoraat-generaal voor Onderzoek en Innovatie (RTD) van de Europese Commissie, gepubliceerd in mei 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne mark t en consumentenbescherming en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0006/2017),

A.  overwegende dat de huidige cloudcapaciteit in de EU onvoldoende is en dat gegevens die door onderzoeksinstellingen en de industrie in de EU zijn geproduceerd om die reden vaak elders worden verwerkt, waardoor Europese onderzoekers en innovatoren naar plaatsen buiten het EU-grondgebied vertrekken waar grote gegevenscapaciteit en rekenkracht sneller beschikbaar zijn;

B.  overwegende dat het gebrek aan een duidelijke structuur van prikkels voor de uitwisseling van gegevens, het gebrek aan interoperabiliteit van wetenschappelijke informatiesystemen en de fragmentatie van grens- en disciplineoverschrijdende wetenschappelijke gegevensinfrastructuren beletten om het potentieel van gegevensgestuurde wetenschap ten volle te benutten;

C.  overwegende dat de EU een achterstand heeft met betrekking tot de ontwikkeling van HPC als gevolg van een laag investeringsniveau voor de oprichting van een volledig HPC-systeem, terwijl landen als de VS, China, Japan en Rusland juist veel investeren in dergelijke systemen, en deze tot strategische prioriteit verheffen met nationale programma's om ze te ontwikkelen;

D.  overwegende dat het volledige potentieel van cloudcomputing voor Europa alleen gerealiseerd kan worden wanneer gegevens volgens duidelijke regels vrij kunnen worden doorgegeven binnen de hele Unie en internationale gegevensstromen een steeds belangrijkere rol spelen in de Europese en wereldeconomie;

E.  overwegende dat het vermogen om "big data" te analyseren en te gebruiken de manier verandert waarop wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd;

F.  overwegende dat de mededeling van de Commissie getiteld "Europees cloudinitiatief - Bouwen aan een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa" het transformatieve potentieel van open wetenschap en cloudcomputing erkent als onderdeel van de Europese digitale economie;

G.  overwegende dat de toegangsprotocollen met betrekking tot netwerken, gegevensopslag en computing per lidstaat verschillen, hetgeen silo's creëert en kennisverspreiding vertraagt;

H.  overwegende dat de algemene verordening gegevensbescherming, de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging en de strategie voor een digitale eengemaakte markt, de basis kunnen vormen voor een concurrerende en welvarende Europese digitale economie, die openstaat voor alle marktdeelnemers die zich aan de regels houden;

I.  overwegende dat gegevens de grondstof zijn voor de digitale economie en het gebruik van gegevens essentieel is voor de digitalisering van de Europese wetenschap en industrie, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en voor het scheppen van nieuwe banen;

J.  overwegende dat de onlangs aangenomen algemene verordening gegevensbescherming doeltreffende bescherming van persoonsgegeven biedt en om een geharmoniseerde aanpak vraagt om de uitvoering ervan te verzekeren;

K.  overwegende dat er in de strategie van de Europese Commissie van 2015 voor een digitale eengemaakte markt is toegezegd om zowel de beperkingen met betrekking tot het vrije verkeer van gegevens aan te pakken als de ongerechtvaardigde beperkingen met betrekking tot de plaats waar de gegevens worden opgeslagen en verwerkt;

L.  overwegende dat het noodzakelijk is dat de Commissie concrete voorstellen doet om de beperkingen met betrekking tot het vrije verkeer van gegevens op te heffen om de digitale eengemaakte markt zo goed mogelijk te kunnen realiseren;

M.  overwegende dat men bij de invoering en ontwikkeling van clouddiensten met uitdagingen wordt geconfronteerd, aangezien de breedbandinfrastructuur en hogesnelheidsnetwerken in Europa ontoereikend zijn;

N.  overwegende dat door de uitvoering en duurzaamheid van de onderzoeks- en gegevensinfrastructuren te vergemakkelijken en ondersteunen, waaronder ook High Performance Computing Centers van wereldklasse en andere onderzoekinfrastructuurnetwerken, en door intensievere samenwerking en uitwisseling van resultaten, de grote uitdagingen op wetenschappelijk, industrieel en maatschappelijk gebied kunnen worden aangegaan;

O.  overwegende dat de hoeveelheid data in een ongekend tempo toeneemt, zodat er tegen 2020 16 biljoen gigabyte aan gegevens zal zijn, wat overeenkomt met een jaarlijkse groei van de gegenereerde gegevens van 236 %;

P.  overwegende dat een datagestuurde economie afhankelijk is van een uitgebreid ICT-ecosysteem om succesvol te kunnen zijn, met inbegrip van het "internet der dingen" om de bevoorrading te regelen, breedbandnetwerken met zeer hoge snelheid voor het gegevensverkeer en cloudcomputing voor de gegevensverwerking alsmede competente wetenschappers en arbeidskrachten;

Q.  overwegende dat de samenwerking tussen Europese wetenschappers, het gebruik en de uitwisseling van gegevens – altijd met instemming van de autoriteiten voor gegevensbescherming – en het gebruik van nieuwe technologische oplossingen, met inbegrip van cloudcomputing en de digitalisering van de Europese wetenschap, cruciaal zijn voor de ontwikkeling van de interne digitale markt; overwegende dat de Europese openwetenschapscloud positieve effecten zal hebben op de wetenschappelijke ontwikkeling in Europa; en overwegende dat deze cloud moet worden ontwikkeld en gebruikt en dat daarbij terdege rekening moet worden gehouden met de in het Handvest van de grondrechten verankerde grondrechten;

Algemeen

1.  verwelkomt de Europese open wetenschapscloud als model voor een cloud in de particuliere en publieke sector; is verheugd over het plan van de Commissie om de gebruikersbasis zo spoedig mogelijk uit te breiden naar de industrie en overheid;

2.  staat positief tegenover de mededeling van de Commissie getiteld "Europees cloudinitiatief - Bouwen aan een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa" en is van mening dat dit een eerste stap is naar een goede basis voor open en concurrerende Europese acties op het gebied van cloudcomputing en high performance computing;

3.  verwelkomt het Europees cloudinitiatief van de Commissie als onderdeel van de tenuitvoerlegging van de strategie voor de digitale interne markt en het pakket voor de digitalisering van de Europese industrie, omdat het bijdraagt aan de groei van de Europese digitale economie, aan het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen en dienstverleners, en aan Europa's mondiale marktpositie. vraagt de Commissie er middels duidelijk omlijnde maatregelen voor te zorgen dat dit initiatief doelmatig, naar buiten gericht en toekomstbestendig is, en geen onevenredige of ongerechtvaardigde belemmeringen creëert;

4.  onderstreept hoe belangrijk het is om de Europese Unie tot mondiaal onderzoekscentrum te maken, door kritische massa te bereiken en uitmuntendheidscentra in te richten; benadrukt dat capaciteit in termen van middelen en een aantrekkelijke omgeving nodig zijn om de Unie tot wereldleider te maken op onderzoeksgebied; wijst er bovendien op dat wil de EU de meest concurrerende kenniseconomie ter wereld worden, openstaan voor internationale onderzoekers, en aantrekken van internationale investeringen, van essentieel belang zijn;

5.  benadrukt dat normalisatiewerkzaamheden op het gebied van cloudcomputing moeten worden versneld; onderstreept dat betere normen en interoperabiliteit communicatie tussen verschillende cloudgebaseerde systemen mogelijk maken en de gevolgen van afhankelijkheid van één verkoper van cloudproducten en -diensten voorkomen; verzoekt de Commissie om nauw samen te werken met commerciële cloudproviders bij de ontwikkeling van open normen voor dit gebied;

6.  benadrukt dat de meerwaarde van dit Europees initiatief gebaseerd is op de uitwisseling van open data, om een vertrouwde en open omgeving te ontwikkelen voor de gemeenschap met betrekking tot de opslag, de uitwisseling en het hergebruik van wetenschappelijke gegevens en resultaten;

7.  benadrukt dat het creëren van meer bewustzijn omtrent de voordelen van cloudcomputing zeer belangrijk is omdat er nog steeds weinig vraag is naar clouddiensten in Europa; wijst erop dat cloudcomputing als gevolg van zijn kostenefficiëntie en uitbreidbaarheid tot economische groei zal leiden; herhaalt dat mkb-bedrijven de belangrijkste motor zijn voor werkgelegenheid en groei in Europa; onderstreept dat mkb-bedrijven enorm kunnen profiteren van de voordelen van cloudcomputing, aangezien deze vaak over onvoldoende middelen beschikken om te investeren in omvangrijke fysieke IT-systemen op locatie;

8.  is verheugd over de open wetenschapsbenadering, en over de rol die deze speelt bij het tot stand brengen van een Europese kenniseconomie en bij het verder stimuleren van de kwaliteit van onderzoek en ontwikkeling in de Europese Unie; onderstreept dat de waarde van de verzamelde onderzoeksgegevens momenteel door het bedrijfsleven, en met name kmo's, niet ten volle wordt benut bij gebreke van vrij grensoverschrijdend gegevensverkeer en van vrije toegang tot een gemeenschappelijk platform of portaal, en neemt er nota van dat de Commissie van plan is alle in het kader van het programma Horizon 2020 gegenereerde wetenschappelijke gegevens in principe openbaar te maken;

9.  benadrukt dat de Europese open wetenschapscloud gepaard moet gaan met een allesomvattende strategie inzake cyberveiligheid, aangezien de wetenschappelijke gemeenschap behoefte heeft aan een betrouwbare data-infrastructuur die gebruikt kan worden zonder het onderzoekswerk bloot te stellen aan dataverlies, datacorruptie of gegevensinbreuk; verzoekt de Commissie om vanaf het begin rekening te houden met de cyberveiligheid met betrekking tot alle IT-initiatieven;

10.  spoort de Commissie aan om op dit gebied het voorbeeld te geven en alle onderzoeksgegevens en -resultaten die door Europese programma's als Horizon 2020, EFSI, ESI enz. gefinancierd worden, standaard openbaar te maken, gebaseerd op de FAIR-principes van vindbaarheid, toegankelijkheid, interoperabiliteit en geschiktheid voor hergebruik;

11.  is bezorgd over het financieringstekort van 4,7 miljard EUR voor het Europees cloudinitiatief; verzoekt de Commissie om passende financieringsmechanismen vast te stellen voor de Europese open wetenschapscloud en de Europese data-infrastructuur; roept de Commissie tevens op om voor dit beleidsterrein voldoende middelen ter beschikking te stellen in Horizon 2020 en in haar voorstel voor het negende kaderprogramma;

12.  beveelt de Commissie aan ervoor te zorgen dat alle regio’s van Europa profijt hebben van de Europese open wetenschapscloud, door het gebruik van regionale ontwikkelingsfondsen te onderzoeken ter verbreding van het initiatief;

13.  Beklemtoont dat momenteel slechts 12 % van de vastleggingskredieten voor het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) naar maatregelen voor digitalisering gaat. Vraagt de Commissie met klem in te zetten op gerichte stappen die erin resulteren dat meer middelen van alle EU‑fondsen, en met name het EFSI, kunnen worden ingezet voor projecten die aan de digitale interne markt gerelateerd zijn, waaronder initiatieven voor het delen van gegevens, digitale toegankelijkheid, infrastructuur en pan‑Europese digitale verbindingen, en meer geld ter beschikking te stellen voor het bevorderen van Europees onderzoek, en ontwikkeling en innovatie, waaronder op het gebied van technologieën die voor meer privacy zorgen en opensourcebeveiliging. Is van mening dat dit initiatief moet worden ontwikkeld in synergie met andere programma's van Horizon 2020, waaronder op het gebied van particuliere cloud computing en e‑overheidsdiensten;

14.  is van mening dat de particuliere sector vanaf het begin betrokken moet worden bij de gebruikersbasis van de Europese open wetenschapscloud, bijvoorbeeld door Software as a Service (SaaS) aan te bieden; merkt op dat de Europese bedrijfswereld naar verwachting het financieringstekort van 4,7 miljard EUR voor het Europees cloudinitiatief zal dekken; wijst erop dat het niet waarschijnlijk is dat bedrijven in het programma investeren als ze niet van de voordelen ervan kunnen profiteren;

15.  onderstreept dat een moderne supercomputerinfrastructuur cruciaal is voor het concurrentievermogen van de EU; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de exaschaalcomputers in 2022 operationeel zijn in Europa;

16.  verzoekt de Commissie om de deelname van Europese mkb-bedrijven en industrieën aan te moedigen met betrekking tot de productie van hardware en software voor de Europese data-infrastructuur, om de Europese economie te stimuleren en bij te dragen aan duurzame groei en het scheppen van nieuwe banen;

17.  verzoekt de Commissie om samen te werken met de lidstaten en met andere onderzoeksfinanciers bij het ontwerp en de uitvoering van een stappenplan voor financiering en bestuur, om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen worden toegekend aan het initiatief en om de coördinatie van nationale inspanningen te vergemakkelijken, om onnodige overlapping en uitgaven te voorkomen;

18.  beaamt dat interoperabiliteit en gegevensportabiliteit van cruciaal belang zijn om grote maatschappelijke uitdagingen aan te kunnen pakken, hetgeen een efficiënte gegevensuitwisseling en een multidisciplinaire en multipartiete aanpak vergt; merkt op dat het actieplan als bedoeld in de Mededeling over het Europees cloudinitiatief (COM(2016)0178 noodzakelijk is om versnippering tegen te gaan en te zorgen dat onderzoeksgegevens volgens de FAIR-principes worden gebruikt;

19.  vraagt de Commissie om een actieplan voor te leggen, gebaseerd op de beginselen van volledige transparantie en openheid, met duidelijke werkpakketten en tijdschema's, waarin het volgende wordt vastgelegd: de te bereiken resultaten, de financieringsbronnen en de belanghebbenden die bij het gehele proces betrokken blijven;

20.  steunt de Europese open wetenschapscloud als onderdeel van het Europees cloudinitiatief omdat die een virtuele omgeving creëert waar wetenschappers en professionals uit alle regio's hun onderzoeksgegevens interdisciplinair en grensoverschrijdend kunnen opslaan, delen, analyseren en hergebruiken, zodat er een einde komt aan de fragmentering van de interne markt. vraagt de Commissie met klem de open wetenschapsgemeenschap en onafhankelijke wetenschappers hier middels een alomvattende benadering volledig bij te betrekken, voor meer duidelijk te zorgen over de in de mededeling gebruikte definities en – meer in het bijzonder – een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen het Europees cloudinitiatief en de Europese open wetenschapscloud, en de wetgeving dienovereenkomstig te actualiseren om het hergebruik van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken;

21.  is van mening dat het Europees cloudinitiatief voor investeringen zorgt op het gebied van wetenschap en onderzoek teneinde instrumenten en stimulansen te creëren om gegevens zo wijd mogelijk te verspreiden en gebruiken, ondersteund door een sterke cloud en data-infrastructuur in de Europese Unie;

22.  benadrukt dat het mkb het kloppend hart is van de Europese economie en dat er meer acties nodig zijn om de wereldwijde concurrentiekracht van mkb-bedrijven en start-ups te bevorderen om de best mogelijke omgeving te creëren met gegevens van hoge kwaliteit, data-analyse, veilige diensten en verwachte kostenefficiëntie voor nieuwe en veelbelovende technologische ontwikkelingen;

23.  verzoekt de Commissie om een economisch levensvatbare basis te creëren voor een Europese cloud en duidelijke stappen te zetten om het mkb aan te moedigen concurrerende oplossingen te bieden met betrekking tot de verwerking en opslag van gegevens, in voorzieningen die gevestigd zijn in lidstaten;

24.  wijst nog eens op de positieve resultaten die met de pan‑Europese structuren en de open gegevens in de nationale faciliteiten voor de opslag van gegevens bereikt zijn. erkent dat er op de interne markt nog steeds veel beperkingen zijn die de volledige tenuitvoerlegging van dit initiatief in de weg staan. vraagt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken wat het potentieel van de reeds beschikbare gegevens is en te zorgen voor een coherente strategie inzake open gegevens en de herbruikbaarheid van deze gegevens in de lidstaten. is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten in kaart moeten brengen welke verdere investeringen in grensoverschrijdende fysieke infrastructuur nodig zijn, met bijzondere aandacht voor het combineren van supercomputers, breedbandnetwerken met een hoge snelheid en faciliteiten voor massale gegevensopslag, teneinde een bloeiende Europese data‑economie tot stand te brengen. verzoekt de Commissie door het bedrijfsleven geïnitieerde en andere internationale partnerschappen op dit gebied te onderzoeken;

25.  merkt op dat de invoering van clouddiensten verder moet worden aangemoedigd onder Europese mkb-bedrijven; merkt op dat Europese cloudproviders meer gecoördineerde steun vereisen met betrekking tot hun deelname op digitaal gebied, voor meer vertrouwen aan de gebruikerskant en bewustmaking van de voordelen van overnemen van cloudcomputing;

26.  benadrukt dat de toegang tot breedbandinternet voor bedrijven en burgers een onmisbaar bestanddeel is van een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa; is daarom van mening dat er voor de ontwikkeling van de cloud initiatieven moeten worden genomen om de toegang tot breedbandinternet voor bedrijven en burgers te verbeteren, met name in plattelandsgebieden;

27.  merkt op dat educatieve acties op digitaal gebied, met inbegrip van cybervaardigheden, van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van cloudcomputing, om hiaten vast te stellen met betrekking tot technische vaardigheden en effectiviteit om de doelstellingen op digitaal gebied te behalen; staat positief tegenover de voorstellen van de Commissie in het kader van de onlangs aangenomen agenda voor nieuwe vaardigheden voor Europa en onderstreept de noodzaak voor voldoende financiële middelen;

28.  is van mening dat cloud-start-ups nicheoplossingen bieden om cloudcomputing sneller, eenvoudiger, betrouwbaarder, flexibeler en veiliger te maken;

29.  benadrukt dat High Performance Computing, hetgeen belangrijk is voor de ontwikkeling van cloudcomputing, moet worden beschouwd als integraal onderdeel van de Europese data-infrastructuur met betrekking tot het volledige ecosysteem en dat de voordelen ervan op brede schaal moeten worden gepromoot;

30.  merkt op dat de betrokkenheid van de academische wereld, onderzoekscentra en universiteiten en andere belanghebbenden aangemoedigd moet worden om geïntegreerde infrastructuren voor wetenschappelijke gegevens en High Performance Computing in stand te houden en te ondersteunen;

31.  merkt op dat de Europese open wetenschapscloud, met de bestaande en toekomstige diensten die door de particuliere sector en landen buiten de EU worden aangeboden, stimuleringsmaatregelen en diensten moet verschaffen om te breken met de hardnekkige gewoonte om steeds op bestaande onderzoekspraktijken terug te vallen;

32.  verzoekt de Commissie en lidstaten om ervoor te zorgen dat de nadruk in de toekomst op Europese groei ligt om een concurrerende cloudsector in Europa te creëren; onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat de marktvraag naar cloudoplossingen blijft toenemen en dat de toepassing van cloudcomputing wordt aangemoedigd in verticale industrieën, zoals de financiële branche, belasting- en uitkeringsstelsels, productie-industrie, banksector, zorgsector, media- en entertainmentsector en landbouwsector;

33.  is van mening dat de algemene verordening gegevensbescherming een kader biedt voor de bescherming van persoonsgegevens; merkt evenwel op dat een over de lidstaten versnipperde uitvoering het werk en de onderlinge communicatie van onderzoekers bemoeilijkt hetgeen ook de nagestreefde samenwerking tussen hen via cloudcomputing frustreert; dringt daarom aan op een deugdelijke omzetting en handhaving van deze verordening;

34.  benadrukt dat oplossingen met betrekking tot het Europees cloudinitiatief ontwikkeld moeten worden met inachtneming van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten, in het bijzonder de rechten betreffende gegevensbescherming, privacy, vrijheid en veiligheid;

35.  merkt op dat de data-economie zich nog in de beginfase bevindt, bedrijfsmodellen in ontwikkeling zijn en dat bestaande bedrijfsmodellen reeds verstoord en gewijzigd worden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de wetgeving op dit terrein in overeenstemming is met het technologisch neutrale "principe van innovatie" en de innovatie, digitalisering van de sector en ontwikkeling van nieuwe technologieën als IoT (internet der dingen) en AI in Europa niet in de weg zal staan;

36.  verzoekt de Commissie samen te werken met lidstaten en alle belanghebbenden met betrekking tot de identificatie van noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering, teneinde maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden die het Europees cloudinitiatief biedt; is van mening dat voor open innovatie en open wetenschap veel meer actoren betrokken moeten worden in het innovatieproces, van onderzoekers tot ondernemers, gebruikers, regeringen en burgermaatschappijen;

De open wetenschapscloud

37.  wijst erop dat belangrijke belanghebbenden in het debat en bij grootschalige proefprojecten ondervertegenwoordigd zijn. is van mening dat de actieve participatie van publieke en private belanghebbenden en van het maatschappelijk middenveld op plaatselijk, regionaal, nationaal en Europees niveau een voorwaarde is voor een doeltreffende uitwisseling van informatie, met vermijding van administratieve overlast; beklemtoont dat het Europees cloudinitiatief niet alleen ten goede moet komen aan en in het belang moet zijn van de wetenschappelijke gemeenschap, maar ook van het bedrijfsleven, inclusief kmo's en start‑ups, overheden en consumenten;

38.  benadrukt dat bij de ontwikkeling van de Europese openwetenschapscloud terdege rekening moet worden gehouden met de in het Handvest van de grondrechten verankerde grondrechten, in het bijzonder met het recht op gegevensbescherming, privacy, vrijheid en beveiliging, en dat deze cloud moet voldoen aan de beginselen van ingebouwde privacy en standaardprivacy, en de beginselen van evenredigheid, noodzakelijkheid, minimale gegevensverwerking en doelbinding; onderkent dat met het hanteren van extra waarborgen, zoals pseudonimisering, anonimisering of cryptografie, met inbegrip van versleuteling, de risico’s beperkt kunnen worden en de bescherming van personen kan worden verbeterd wanneer persoonsgegevens worden gebruikt in bigdatatoepassingen of cloudcomputing; wijst erop dat anonimisering een onomkeerbaar proces is, en verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor de manier waarop gegevens geanonimiseerd kunnen worden; herhaalt dat er speciale bescherming nodig is voor gevoelige gegevens, overeenkomstig de bestaande wetgeving; benadrukt dat bovengenoemde beginselen, samen met hoge normen voor kwaliteit, betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid, nodig zijn om het vertrouwen van consumenten te winnen voor het Europees cloudinitiatief;

39.  benadrukt dat het cloudinitiatief inzake open wetenschap moet leiden tot een cloud die door iedereen aanvaard wordt: wetenschappers, bedrijven en openbare diensten;

40.  wijst op de noodzaak om een open en betrouwbaar samenwerkingsplatform in het leven te roepen voor het beheren, analyseren, delen, hergebruiken en bewaren van onderzoeksgegevens, waarop onder bepaalde voorwaarden innovatieve diensten kunnen worden ontwikkeld en geleverd;

41.  verzoekt de Commissie en lidstaten om zich te beraden op een passend raamwerk voor governance en financiering, en zich daarbij terdege rekenschap te geven van bestaande initiatieven en de duurzaamheid ervan, alsook van de noodzaak om op Europees niveau een gelijk speelveld te creëren; benadrukt dat de lidstaten moeten overwegen hun nationale financieringsprogramma's in de financieringsprogramma’s van de EU te integreren;

42.  verzoekt de Commissie om alle financiële bronnen onder de loep te nemen met betrekking tot de oprichting van de Europese wetenschapscloud en om bestaande instrumenten te versterken voor snellere ontwikkelingen, door zich met name op beste praktijken te richten;

43.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle wetenschappelijk onderzoeksgegevens die verstrekt worden door het programma Horizon 2020, standaard vrijgegeven worden, en vraagt de lidstaten om hun nationale onderzoeksprogramma's overeenkomstig aan te passen;

44.  begrijpt dat de Europese open wetenschapscloud de digitale wetenschap in staat stelt om de mainstreaming van IT als dienst met betrekking tot de openbare onderzoekssector in Europa te stimuleren; verzoekt om een "federaal model voor de wetenschapscloud" dat publieke onderzoeksinstellingen, belanghebbenden, mkb-bedrijven, start-ups, e-infrastructuren en commerciële leveranciers samenbrengt om een gemeenschappelijk platform te creëren, waarin een scala aan diensten wordt aangeboden aan Europese onderzoeksgemeenschappen;

45.  verzoekt de Commissie en lidstaten om, in samenwerking met belanghebbenden, een stappenplan te maken om zo snel mogelijk met een helder tijdsschema te komen voor de uitvoering van de in de Europese open wetenschapscloud voorziene acties;

46.  verzoekt de Commissie om de behoeften van Europese publieke onderzoekers zorgvuldig te onderzoeken om mogelijke hiaten op te sporen wat betreft het leveren van cloudinfrastructuur in Europa; meent dat de Commissie bij constatering van zulke hiaten de Europese providers van cloudinfrastructuur moet vragen om hun stappenplannen te delen om te kunnen beoordelen of particuliere investeringen toereikend zijn om dergelijke hiaten te kunnen overbruggen of dat verdere overheidsfinanciering nodig is;

47.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle wetenschappelijke onderzoeken en gegevens die verstrekt worden door het programma Horizon 2020, ten goede komen aan Europese bedrijven en burgers; pleit ervoor dat wetenschappers, de industrie en openbare diensten op een andere manier worden gestimuleerd om hun data te delen, en om databeheer, opleiding, technische vaardigheden en geletterdheid te verbeteren;

48.  stelt met voldoening vast dat de focus van het cloudinitiatief uitgaat naar de totstandbrenging van netwerken met hoge bandbreedte, grootschalige opslagfaciliteiten, high performance computing en een Europees "big data"-ecosysteem;

49.  benadrukt dat de ontwikkeling van 5G alsmede de Europese regels voor elektronische communicatie, de open wetenschapscloud aantrekkelijker zullen maken door middel van geavanceerd internet en nieuwe, hoogstaande infrastructuur;

50.  staat positief tegenover de ambitie van de Commissie om de vereiste infrastructuur en voorwaarden mogelijk te maken om grote hoeveelheden gegevens te kunnen verwerken, beheerd door diensten die gebruikmaken van realtimegegevens van sensoren of applicaties om gegevens afkomstig van verschillende bronnen aan elkaar te koppelen; merkt op dat het Europees cloudinitiatief leidt tot een betere en meer geharmoniseerde aanpak met betrekking tot infrastructuurontwikkeling;

51.  ondersteunt verdere ontwikkeling van het GEANT-netwerk, om het meest geavanceerde internationale netwerk te worden en de leiderspositie van Europa op het gebied van onderzoek te handhaven;

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen te werken met belanghebbenden om de fragmentatie van digitale infrastructuren te beperken, door een stappenplan te maken voor maatregelen en een robuuste governancestructuur, waarbij financiers, aanbesteders en gebruikers betrokken worden, en onderstreept de noodzaak om de beginselen van open wetenschap te promoten voor het beheer en de uitwisseling van gegevens, met inachtneming van innovatieprikkels, privacy en intellectueel eigendom in het digitale tijdperk;

53.  benadrukt dat het belangrijk is dat het Europees cloudinitiatief gebaseerd is op de bouwstenen van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, met name wat betreft elektronische identiteitskaarten en e‑handtekeningen, teneinde het vertrouwen van gebruikers te vergroten met betrekking tot de veilige, interoperabele en naadloze uitwisseling van elektronische gegevens in heel Europa;

54.  verzoekt de Commissie om meer middelen in te zetten om onderzoek, ontwikkeling, innovatie en opleiding op het gebied van cloudcomputing in Europa te bevorderen, en legt de nadruk op de behoefte aan infrastructuur en processen die de open data en privacy van gebruikers veiligstellen;

55.  benadrukt dat de normen gemakkelijke en volledige overdraagbaarheid en een grote interoperabiliteit tussen clouddiensten mogelijk moeten maken;

56.  is er sterk van overtuigd dat het initiatief inzake de open wetenschapscloud gebaseerd moet zijn op open normen om interoperabiliteit en naadloos geïntegreerde communicatie te garanderen en afhankelijkheid te voorkomen;

57.  benadrukt dat het gebruik van open normen en gratis opensourcesoftware vooral belangrijk is bij het waarborgen van de nodige transparantie bij de manier waarop persoons- en andere soorten gevoelige gegevens in feite worden beschermd;

58.  merkt op dat de Europese economie steeds meer afhankelijk is van het vermogen van supercomputers om tot innovatieve oplossingen te komen, de kosten terug te dringen en om producten en diensten sneller op de markt te brengen; staat positief tegenover de inspanningen van de Commissie om exaschaalcomputersystemen te creëren op basis van Europese hardwaretechnologie;

59.  is van mening dat Europa behoefte heeft aan een volledig HPC-ecosysteem om toonaangevende supercomputers te verwerven, de levering van HPC-systemen te garanderen en HPC-diensten aan te bieden binnen de industrie en onder mkb-bedrijven voor simulatie, visualisatie en prototypeontwikkeling; is van mening dat het van het allergrootste belang is dat de EU in 2022 tot de wereldtop van supercomputing behoort;

60.  is van mening dat het Europese technologieplatform en de cPPP met betrekking tot HPC van cruciaal belang zijn om de onderzoeksprioriteiten van Europa te definiëren voor de ontwikkeling van Europese technologie in alle segmenten van de HPC- leveringsketen;

61.  staat positief tegenover het voorstel van de Commissie om een grootschalig vlaggeschipinitiatief van 1 miljard EUR te lanceren voor kwantumtechnologie, in overeenstemming met de Quantum Manifesto;

62.  herinnert de Commissie eraan dat de clouddienstensector reeds miljarden euro's heeft geïnvesteerd in de totstandbrenging van een toonaangevende infrastructuur in Europa; merkt op dat Europese wetenschappers en onderzoekers nu gebruik kunnen maken van een cloudinfrastructuur die hun de mogelijkheid biedt te experimenteren en snel te innoveren dankzij de toegang tot een grote variëteit aan diensten, terwijl ze alleen betalen voor wat ze gebruiken, wat een betere tijdsbesteding oplevert; merkt op dat de kritische steun van de EU voor onderzoek en ontwikkeling niet mag leiden tot overlapping met bestaande middelen, maar daarentegen doorbraken in nieuwe wetenschappelijke gebieden moet stimuleren om de groei en het concurrentievermogen te bevorderen;

63.  benadrukt dat de wetenschappelijke wereld beveiligde, veilige opensource-infrastructuur met een hoge capaciteit nodig heeft om het onderzoek vooruit te helpen en eventuele cyberaanvallen, gevallen van misbruik en inbreuken op de beveiliging van persoonsgegevens te voorkomen, met name als grote hoeveelheden gegevens worden verzameld, opgeslagen en verwerkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van de benodigde technologie, onder meer cryptografische technologieën, te steunen en te bevorderen, en daarbij ook te letten op methode van ingebouwde beveiliging; Stelt zich achter het streven van de Commissie om de samenwerking tussen overheidsinstanties, het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van kmo’s en start-ups, onderzoekers en academici op het gebied van big data en cyberveiligheid vanaf de prille stadia van het onderzoeks- en innovatieproces te bevorderen, om innovatieve en betrouwbare Europese oplossingen en marktmogelijkheden te kunnen creëren maar daarbij wel een toereikend veiligheidsniveau te garanderen;

64.  is van mening dat de ontwikkeling van duidelijke normen voor cloudinteroperabiliteit, gegevensportabiliteit en overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau voor zekerheid en transparantie zorgt met betrekking tot cloudproviders en eindgebruikers;

65.  benadrukt dat betrouwbaarheid, veiligheid en bescherming van persoonsgegevens noodzakelijk is voor het consumentenvertrouwen, de basis voor een gezonde concurrentiepositie;

66.  merkt op dat de industrie een belangrijke rol moet spelen bij de ontwikkeling van algemeen aanvaarde normen voor het digitale tijdperk, en dat die normen de cloudproviders het vertrouwen geven om te blijven innoveren en de gebruikers om op clouddiensten op Europees niveau over te gaan;

67.  verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij de bevordering van intersectorale, meertalige en grensoverschrijdende interoperabiliteit en cloudnormen en de ondersteuning van privacyvriendelijke, betrouwbare, veilige en energiezuinige clouddiensten als een integraal onderdeel van een gemeenschappelijke strategie, door te focussen op het maximaliseren van de mogelijkheden om normen te ontwikkelen die kans maken om de wereldnorm te worden;

68.  merkt op dat een actieplan voor gegevensinteroperabiliteit nodig is met het oog op verwerking van de grote hoeveelheid data die Europese wetenschappers produceren en beter hergebruik van die data in wetenschap en industrie; verzoekt de Commissie samen te werken met belangrijke wetenschappelijke belanghebbenden om doeltreffende systemen te produceren, om gegevens vindbaar, toegankelijk, interoperabel en geschikt te maken voor hergebruik, met inbegrip van metagegevens, gemeenschappelijke specificaties en dataobjectidentifiers;

69.  merkt op dat Europa niet zoveel investeert in het ecosysteem van High Performance Computing (HPC) als andere regio’s in de wereld, wat niet strookt met haar economische en kennispotentieel;

70.  verzoekt de Commissie om interoperabiliteit te stimuleren en om afhankelijkheid van één verkoper te voorkomen, door aan te moedigen dat meerdere Europese providers van cloudinfrastructuur een scala aan concurrerende, interoperabele en draagbare infrastructuurdiensten vertegenwoordigen;

71.  roept op tot maatregelen om een hoogwaardig normalisatiesysteem veilig te stellen om belangrijke technologische bijdragen aan te trekken; vraagt de Commissie om beleid te voeren waardoor onnodige belemmeringen voor innovatieve sectoren verdwijnen, om investeringen in onderzoek en ontwikkeling te stimuleren en Uniebrede normalisatie te versterken;

72.  spoort de Commissie aan om er direct alles aan te doen om afhankelijkheid van één verkoper op de digitale markt te voorkomen, met name met betrekking tot nieuwe terreinen zoals het Europees cloudinitiatief;

73.  erkent het belang van interoperabiliteit en normen om het concurrentievermogen binnen de ICT -sector te verhogen en vraagt de Commissie om de hiaten in de normen voor de Europese wetenschapscloud vast te stellen, ook met betrekking tot mkb-bedrijven, start-ups en belangrijke Europese sectoren; steunt de ontwikkeling van door de markt aangezwengelde, vrijwillige, technologisch neutrale, transparante, wereldwijd compatibele en voor de markt relevante normen;

74.  is van mening dat het ISA2-programma een kans biedt om interoperabiliteitsnormen te ontwikkelen voor het beheer van "big data" binnen overheidsdiensten en tussen deze diensten en de bedrijven en de burgers;

75.  onderkent dat normen aan moeten sluiten op een aangetoonde behoefte van het bedrijfsleven en de andere belanghebbenden. benadrukt dat het met het oog op de toegang tot het doeltreffende gebruik en de uitwisseling van gegevens – óver disciplines, instellingen en nationale grenzen heen – absoluut noodzakelijk is om gemeenschappelijke hoge normen te ontwikkelen en overeen te komen. vraagt de Commissie in kaart te brengen wat er – in voorkomend geval – nu in de lidstaten reeds bestaat op het vlak van goede certificeringsregelingen, in samenspraak met de relevante belanghebbenden een op de vraag vanuit de markt stoelend pan-Europees pakket normen te ontwikkelen, teneinde het delen van gegevens te faciliteren, en daarbij – daar waar gerechtvaardigd – de voorkeur te geven aan open en algemene normen. onderstreept dat bij maatregelen en acties ten aanzien van het Europees cloudinitiatief te allen tijde rekening moet worden gehouden met de behoeften van de interne markt, en ervoor moet worden gezorgd dat het breed toegankelijk blijft en steeds aan de technologische ontwikkelingen kan worden aangepast;

76.  steunt het voornemen van de Commissie om met name de technische en juridische obstakels voor het vrij verkeer van gegevens en gegevensdiensten, alsmede de disproportionele vereisten inzake gegevenslokalisering, te elimineren en de interoperabiliteit van gegevens te bevorderen door het Europees cloudinitiatief te koppelen aan het voorstel voor het vrij verkeer van gegevens is van oordeel dat een digitale samenleving alleen tot stand kan worden gebracht indien het vrij verkeer van gegevens als vijfde vrijheid binnen de interne markt wordt beschouwd. merkt op dat een duidelijk rechtskader, voldoende vaardigheden en middelen voor het beheer van "big data", alsook de erkenning van de relevante beroepskwalificaties, noodzakelijke voorwaarden zijn om het potentieel van cloud computing volledig te realiseren. vraagt de Commissie met klem samen met de belanghebbenden, en in het bijzonder het bedrijfsleven, opleidingsmogelijkheden op het gebied van "big data" en codering in kaart te brengen, waaronder in het kader van de nieuwe vaardighedenagenda, en voor de belanghebbenden, en met name kmo's en start‑ups, stimulansen te creëren voor het gebruiken, openstellen en delen van gegevens in de interne markt;

77.  staat positief tegenover het voorstel van de Commissie om een grootschalig vlaggeschipinitiatief van 1 miljard EUR te lanceren voor kwantumtechnologie, in overeenstemming met de Quantum Manifesto; benadrukt echter dat transparante en openbare raadpleging van belanghebbenden cruciaal is om ontwikkeling te stimuleren en commerciële producten naar publieke en private gebruikers te brengen;

Uitwisseling van open data, uitwisseling van onderzoeksgegevens

78.  stelt verheugd vast dat de ontwikkeling van een Europese open wetenschapscloud onderzoekers en wetenschappers een omgeving zal bieden waarin ze hun data kunnen opslaan, delen, gebruiken en hergebruiken en waardoor de basis kan worden gelegd voor datagestuurde innovatie in Europa; benadrukt dat de voordelen van gegevensuitwisseling breed erkend worden;

79.  merkt op dat gegevens van wezenlijk belang zijn geworden voor besluitvorming op lokaal, nationaal en mondiaal niveau; merkt op dat lokale en regionale autoriteiten ook sterk kunnen profiteren van gegevensuitwisseling en dat het openstellen van overheidsgegevens de democratie versterkt en nieuwe mogelijkheden voor het bedrijfsleven schept;

80.  ondersteunt de inspanningen van de Commissie in samenwerking met Europese onderzoekers uit zowel de academische wereld als het bedrijfsleven voor de ontwikkeling van Big Data Value PPP in synergie met de cPPP met betrekking tot HPC, hetgeen gemeenschapsvorming stimuleert rond data en HPC en de basis legt voor een welvarende, datagestuurde economie in Europa; ondersteunt de cyberveiligheid PPP die de samenwerking tussen publieke en private actoren bevordert gedurende de eerste stadia van het onderzoeks- en innovatieproces om toegang te krijgen tot innovatieve en betrouwbare Europese oplossingen;

81.  benadrukt dat de EC nauw moet samenwerken met industriepartners en dit zo snel mogelijk moet doen, met name met het mkb en start-ups om erop toe te zien dat er rekening gehouden wordt met de eisen van het bedrijfsleven en de industrie en ervoor te zorgen dat deze op een goede manier geïntegreerd worden in een later stadium van het initiatief;

82.  roept de overheidsinstanties op om betrouwbare en veilige clouddiensten te overwegen door in een duidelijk rechtskader te voorzien en certificeringsregelingen voor cloudcomputing verder te ontwikkelen; wijst erop dat bedrijven en consumenten vertrouwen moeten hebben in het toepassen van nieuwe technologieën;

83.  is van mening dat overheidsdiensten standaard open overheidsgegevens moeten hebben; dringt aan op vooruitgang met de mate en het tempo waarop informatie wordt vrijgegeven als open data, de aanwijzing van belangrijke datasets die beschikbaar moeten komen en de bevordering van het hergebruik van open data in open vorm;

84.  merkt op dat de ongekende groei van digitale technologieën de belangrijkste motor is voor massale ruwe datastromen in cloudomgevingen, en dat door deze enorme verzameling van ruwe datastromen in "big data"-systemen de computationele complexiteit toeneemt, evenals het grondstofgebruik voor dataminingsystemen die voor de cloud geschikt zijn; wijst erop dat het concept van patroongebaseerde gegevensuitwisseling lokale dataverwerking mogelijk maakt nabij de databronnen en de ruwe datastromen omzet in bruikbare kennispatronen; hierdoor kunnen lokale kennispatronen beschikbaar worden gemaakt voor onmiddellijke maatregelen alsmede voor participerende gegevensuitwisseling in cloudomgevingen;

85.  onderschrijft de conclusies van de Raad van mei 2016 over de overgang naar een systeem van open wetenschap en met name de conclusie dat het onderliggend beginsel inzake het optimale hergebruik van onderzoeksgegevens "zo open mogelijk, gesloten indien nodig" moet zijn;

Tekst- en datamining

86.  benadrukt dat de volledige beschikbaarheid van overheidsgegevens binnen de Europese open wetenschapscloud niet voldoende is om alle belemmeringen weg te nemen met betrekking tot datagebaseerd onderzoek;

87.  stelt vast dat het initiatief moet worden aangevuld met een modern kader voor auteursrechten om een einde te maken aan de fragmentatie en het gebrek aan interoperabiliteit met betrekking tot het Europese dataonderzoeksproces;

88.  is van mening dat het initiatief het evenwicht moet bewaren tussen de rechten van onderzoekers, rechthebbenden en andere actoren in de wetenschappelijke wereld en de rechten van auteurs en uitgevers volledig moet respecteren, en tegelijk steun moet verlenen voor innovatief onderzoek in Europa;

89.  is van mening dat onderzoeksgegevens gedeeld kunnen worden binnen de Europese open wetenschapscloud zonder af te doen aan de auteursrechten van onderzoekers of onderzoeksinstellingen, door licentiemodellen vast te leggen waar nodig; is van mening dat de beste praktijken in dit verband worden vastgelegd binnen het proefproject voor openbare onderzoeksgegevens van Horizon 2020;

90.  is van mening dat Richtlijn 96/9/EG betreffende de rechtsbescherming van databanken, die aan herziening toe is, het gebruik van gegevens beperkt zonder aantoonbaar enige economische of wetenschappelijke meerwaarde op te leveren;

Gegevensbescherming, grondrechten en gegevensbeveiliging

91.  dringt er bij de Commissie op aan actie te ondernemen om te komen tot verdere harmonisatie van wetgeving in de lidstaten ter voorkoming van verwarring en fragmentering op het gebied van jurisdictie en ter waarborging van de transparantie op de gemeenschappelijke digitale markt;

92.  is van mening dat Europa een leidende rol vervult met betrekking tot privacybescherming en pleit wereldwijd voor een hoog niveau van gegevensbescherming;

93.  benadrukt dat een gecoördineerde aanpak tussen gegevensbeschermingsautoriteiten, beleidsvormers en industrie vereist is om organisaties te helpen bij deze omschakeling, door de uniforme uitlegging en toepassing van de verplichtingen, toolkits voor naleving van de afspraken en bewustmaking van de belangrijkste kwesties voor burgers en bedrijven;

94.  benadrukt dat Europa een mondiale importeur en exporteur van digitale diensten is en dat cloudcomputing en een krachtige datagestuurde economie vereist zijn om concurrerend te kunnen zijn; verzoekt de Commissie om het voortouw te nemen bij de ontwikkeling van uniforme, wereldwijd aanvaarde normen voor de bescherming van persoonsgegevens;

95.  is van mening dat globale gegevensstromen van vitaal belang zijn voor de internationale handel en de economische groei en dat het initiatief van de Commissie voor het vrije verkeer van gegevens Europese bedrijven, met name in de groeiende sector cloudcomputing, in staat moet stellen om een prominentere plek in te nemen bij de wereldwijde jacht naar innovatie; benadrukt dat het initiatief ook moet strekken tot opheffing van alle arbitraire beperkingen van de plaatsen waar ondernemingen infrastructuur of gegevensopslag mogen onderbrengen, omdat zulke beperkingen de ontwikkeling van de Europese economie hinderen;

96.  is van mening dat de huidige EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, met name de onlangs aangenomen algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn gegevensbescherming inzake rechtshandhaving (Richtlijn (EU) 2016/680)(10), krachtige waarborgen biedt voor de bescherming van persoonsgegevens, waaronder de gegevens die verzameld, samengevoegd en gepseudonimiseerd zijn met het oog op wetenschappelijk onderzoek, en gevoelige medische gegevens, samen met specifieke voorwaarden voor de bekendmaking ervan, het recht van personen om bezwaar te maken tegen verdere verwerking van hun gegevens, en regels voor de toegang tot ordehandhavingsautoriteiten in het kader van strafrechtelijk onderzoek; verzoekt de Commissie rekening te houden met deze waarborgen bij de ontwikkeling van de Europese openwetenschapscloud en de tenuitvoerlegging van de regels voor de toegang tot de gegevens die daarin opgeslagen zijn; ziet in dat een geharmoniseerde aanpak van de tenuitvoerlegging van de algemene verordening gegevensbescherming, waaronder richtsnoeren, toolkits voor naleving van de afspraken en bewustmakingscampagnes voor burgers, onderzoekers en bedrijven cruciaal is, vooral voor de ontwikkeling van de Europese openwetenschapscloud en bevordering van de samenwerking op onderzoeksgebied, onder andere door middel van supercomputers;

97.  is van mening dat het vrije verkeer van gegevens gunstig is voor de digitale economie en de ontwikkeling van wetenschap en onderzoek; onderstreept dat het initiatief van de Commissie voor het vrije verkeer van gegevens de groeiende Europese sector voor cloudcomputing in staat moet stellen om een prominentere plek in te nemen bij de wereldwijde innovatiewedloop, zo ook voor wetenschappelijke en innovatieve doeleinden; wijst erop dat elke doorgifte van persoonsgegevens naar de cloudinfrastructuur of andere ontvangers buiten de Unie moet voldoen aan de regels voor doorgifte als vastgelegd in de algemene verordening gegevensbescherming, en dat het initiatief van de Commissie voor het vrije verkeer van gegevens in overeenstemming moet zijn met deze bepalingen; benadrukt dat het initiatief ook gericht moet zijn op de opheffing van beperkingen voor de locatie waar bedrijven de infrastructuur of de gegevensopslag moeten vestigen, zodat deze geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de Europese economie, en wetenschappers geheel en al de vruchten kunnen plukken van datagestuurde wetenschap, maar dat beperkingen uit hoofde van de wetgeving inzake gegevensbescherming wel gehandhaafd moeten blijven om mogelijke toekomstige gevallen van misbruik van de Europese openwetenschapscloud te voorkomen;

98.  is ervan overtuigd dat de Unie voorop moet lopen bij de beveiliging en bescherming van persoonsgegevens, waaronder gevoelige gegevens, en moet pleiten voor een hoog niveau van gegevensbescherming en -beveiliging wereldwijd; is van mening dat het EU-kader voor gegevensbescherming, samen met een inclusieve strategie voor cyberveiligheid waarmee een betrouwbare gegevensinfrastructuur wordt gewaarborgd die is beschermd tegen het verlies van, inbreuken en aanvallen op gegevens, een concurrentievoordeel kan opleveren voor Europese bedrijven op het vlak van privacy; dringt er bij de Commissie op aan te garanderen dat de Europese cloud zijn wetenschappelijke onafhankelijkheid en objectiviteit zal behouden en het werk van de wetenschappelijke gemeenschap binnen de Unie zal beschermen;

99.  vraagt de Commissie bij het oplossen van de aspecten in verband met de grondrechten, privacy, gegevensbescherming, intellectuele-eigendomsrechten en gevoelige informatie de algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn gegevensbescherming (95/46/EG) volledig in acht te nemen. onderstreept dat de veiligheidsdreigingen voor de cloudinfrastructuur internationaler, diffuser en complexer zijn geworden, en het intensievere gebruik ervan bemoeilijken, hetgeen nauwere Europese samenwerking noodzakelijk maakt. vraagt de Commissie en de nationale autoriteiten in overleg met het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging samen te werken bij de ontwikkeling van een veilige en betrouwbare digitale infrastructuur en een hoog niveau van cyberveiligheid tot stand te brengen overeenkomstig de richtlijn inzake beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen;

100.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat dit initiatief passend is voor het doel, naar buiten gericht, toekomstbestendig en technologisch neutraal en benadrukt dat de Commissie en lidstaten zich moeten oriënteren op de markt en de sector cloudcomputing om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan de bestaande en toekomstige eisen van de sector en om innovatie te stimuleren met betrekking tot cloudgebaseerde technologieën;

101.  vestigt de aandacht op het potentieel van "big data" om technologische innovatie te stimuleren en op de opbouw van de kenniseconomie; merkt op dat het verminderen van de obstakels voor kennisuitwisseling het concurrentievermogen van bedrijven ten goede komt, en dat lokale en regionale autoriteiten hier ook van profiteren; benadrukt hoe belangrijk het is om gegevensportabiliteit te vereenvoudigen;

102.  verzoekt de Commissie en lidstaten om met sectorgestuurde normalisatie-initiatieven te werken om ervoor te zorgen dat de eengemaakte markt toegankelijk blijft voor derde landen en in kan spelen op technologische evolutie, door hindernissen te vermijden die concurrentiekracht en innovatie in Europa in de weg staan; merkt op dat normalisatie met betrekking tot gegevensbeveiliging en privacy nauw samenhangt met de kwestie van de rechterlijke bevoegdheid en dat voor de nationale autoriteiten een sleutelrol is weggelegd;

103.  onderstreept dat er aandacht moet worden besteed aan bestaande initiatieven om dubbel werk te voorkomen, hetgeen openheid, competitie en groei in de weg kan staan en dat marktgedreven, pan-Europese normen voor gegevensuitwisseling in overeenstemming moeten zijn met internationaal geldende normen;

104.  benadrukt dat een evenwicht moet worden gevonden tussen legitieme zorgen over de gegevensbescherming en de noodzaak om te zorgen voor een veilig "vrij gegevensverkeer"; verzoekt om de bestaande regels inzake gegevensbescherming in acht te nemen met betrekking tot de markt van openbare "big data";

105.  steunt het voorstel om onderzoeksgegevens van nieuwe Horizon 2020-projecten standaard vrij te geven, aangezien onderzoeksgegevens die door de overheid gefinancierd worden een publiek goed zijn en in het belang van het publiek tijdig en op verantwoorde wijze openbaar moeten worden gemaakt en daarbij zo min mogelijk worden beperkt;

106.  merkt op dat het Europees cloudinitiatief zich toespitst op potentieel kwetsbare onderzoeks- en ontwikkelingssectoren en e-overheidsportalen; herhaalt dat cyberveiligheid voor clouddiensten het best wordt geregeld in het kader van de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging;

107.  merkt het belang op van de bevordering van de interoperabiliteit van verschillende apparatuur binnen netwerken, teneinde de beveiliging te garanderen en de onderdelenleverketens te bevorderen, die allemaal belangrijk zijn voor de commercialisering van de technologie.

o
o   o

108.  Verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 45.
(2) PB L 318 van 4.12.2015, blz. 1.
(3) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0089.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.
(6) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 89.
(7) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 19.
(8) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(9) PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.
(10) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.


Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen
PDF 308kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening (2016/2148(INI))
P8_TA(2017)0053A8-0385/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna "de GB-verordening")(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(7),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 getiteld "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 februari 2016 over "Investeren in banen en groei – naar een optimale bijdrage van de Europese structuur- en investeringsfondsen",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016 over de mededeling van de Commissie getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen"(12),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 juli 2015 getiteld "Uitkomst van de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's"(13),

–  gezien het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie (COM(2014)0473),

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van juni 2016 over de optimalisering van synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en andere EU-instrumenten ter verwezenlijking van de doelen van Europa 2020,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en cohesiebeleid) van september 2016 getiteld "Evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening",

–  gezien de analyse van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van september 2016 over de financieringsinstrumenten in de programmeringsperiode 2014-2020: eerste ervaringen van de lidstaten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0385/2016),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid een aanzienlijk deel van de begroting van de EU uitmaakt en goed is voor circa een derde van alle uitgaven;

B.  overwegende dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) met een begroting van 454 miljard EUR voor de periode 2014-2020 het belangrijkste instrument van het investeringsbeleid van de EU en in veel lidstaten een essentiële bron van overheidsinvesteringen zijn, die in de hele EU zorgen voor meer banen, groei en investeringen en tevens ongelijkheden verkleinen op regionaal en plaatselijk niveau om economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen;

C.  overwegende dat de partnerschapsovereenkomsten de basis vormen van het door de Commissie gepresenteerde verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3;

D.  overwegende dat de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's voor de periode 2014-2020 een gemoderniseerde, sterk aangepaste en intensieve oefening waren met een nieuw kader voor prestaties, ex-antevoorwaarden en thematische concentratie, waardoor de feitelijke aanvang van de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid echter ook aanzienlijke vertraging heeft opgelopen, onder meer vanwege tekortkomingen in de administratieve capaciteit van diverse regio's en lidstaten, en er nog verdere vertraging ontstond door de procedure voor de aanwijzing van beheersautoriteiten;

E.  overwegende dat het buiten kijf staat dat vanwege de late goedkeuring van het regelgevingskader aan het eind van 2013 als gevolg van de langdurige onderhandelingen en het late akkoord over het MFK, de operationele programma's niet op tijd konden worden goedgekeurd; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de operationele programma's dus ook een trage start kende, met gevolgen voor de uitvoering van het beleid ter plaatse;

F.  overwegende dat voor alle vijf de ESI-fondsen gemeenschappelijke bepalingen zijn vastgesteld, waardoor het onderlinge verband is versterkt;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid in de lopende periode voor vele politieke en economische uitdagingen staat ten gevolge van de financiële crisis – wat heeft geleid tot een daling van overheidsinvesteringen in een groot aantal lidstaten, waardoor de ESI-fondsen en de cofinanciering door de lidstaten het belangrijkste instrument voor overheidsinvesteringen zijn geworden in een groot aantal lidstaten – alsook ten gevolge van de migratiecrisis;

H.  overwegende dat het cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2014-2020 een meer gerichte beleidsaanpak heeft gekregen, door thematische concentratie en de ondersteuning van de prioriteiten en doelstellingen van de Unie;

I.  overwegende dat de ESI-fondsen in de huidige financieringsperiode resultaatgerichter zijn en profiteren van een investeringsklimaat waarmee doeltreffendheid in de hand wordt gewerkt;

J.  overwegende dat er sprake moet zijn van een betere afstemming van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid op de prioriteiten van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en op het Europees semester;

K.  overwegende dat de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging heeft bijgedragen aan het verhelpen van knelpunten en achterstanden bij de toewijzing van middelen;

Het uitwisselen van resultaten, communicatie en zichtbaarheid

1.  wijst erop dat Europa in economisch, maatschappelijk en politiek opzicht moeilijke tijden doormaakt, waardoor een doeltreffend investeringsbeleid dat gericht is op economische groei en werkgelegenheid, dicht bij de burger staat en geschikter is voor specifieke territoriale ambities meer dan ooit nodig is en gericht moet zijn op de bestrijding van zowel werkloosheid als sociale ongelijkheden binnen de Unie, zodat Europese meerwaarde wordt gecreëerd; is van mening dat de EU, om het vertrouwen van haar burgers terug te winnen, aanpassingsprocessen moet uitvoeren om te voldoen aan de vereisten van artikel 9 VWEU;

2.  wijst erop dat het cohesiebeleid in de periode 2014-2020 grondig is herzien, hetgeen een verandering van mentaliteit en werkmethoden op alle bestuursniveaus vergt, met inbegrip van horizontale coördinatie en de betrokkenheid van belanghebbenden en, voor zover mogelijk, door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD); wijst erop dat de recente toekomstgerichte en tot voorbeeld strekkende hervormingen vaak worden genegeerd, maar dat het cohesiebeleid vaak nog niet als een investeringsbeleid met tastbare resultaten maar als een traditioneel uitgavenbeleid wordt beschouwd;

3.  is van oordeel dat Europese meerwaarde, solidariteit en de zichtbaarheid van succesverhalen centraal moeten staan in de communicatie over projecten in het kader van het cohesiebeleid, waarbij moet worden benadrukt hoe belangrijk het is om optimale werkmethoden uit te wisselen en lering te trekken uit projecten waarvan de doelstellingen niet worden gehaald; dringt erop aan dat de communicatie over de ESI-fondsen wordt gemoderniseerd en geïntensiveerd; benadrukt dat er nieuwe instrumenten voor de communicatie over de resultaten van het cohesiebeleid moeten worden gedefinieerd en ingevoerd; acht het noodzakelijk te investeren in regionale kennis en gegevensverzameling, als onderdeel van een aanhoudende inspanning om gegevensbanken aan te leggen en te actualiseren, waarbij rekening wordt gehouden met plaatselijke en regionale behoeften, specifieke kenmerken en prioriteiten, zoals in het geval van het reeds bestaande S3-platform, waardoor het geïnteresseerde publiek in staat zou worden gesteld de Europese meerwaarde van projecten op doeltreffende wijze te beoordelen;

4.  benadrukt het feit dat, ter verbetering van de communicatie over en de zichtbaarheid van de ESI-fondsen, meer aandacht moet worden besteed aan de deelname van belanghebbenden en ontvangers en aan het op zinvolle wijze betrekken van de burger bij de formulering en de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; dringt er tevens bij de Commissie, de lidstaten, regio's en steden op aan meer te communiceren over zowel de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid als de lessen die kunnen worden getrokken, en te komen met een gecoördineerd en gericht actieplan;

Thematische concentratie

5.  staat achter thematische concentratie, aangezien het een nuttig instrument is gebleken om een gericht beleid tot stand te brengen en te zorgen voor meer doeltreffendheid wat de EU-prioriteiten en de EU 2020-strategie betreft, doordat kennis wordt omgezet in innovatie, banen en groei; verzoekt de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten daarom duidelijke beslissingen over investeringsprioriteiten te nemen en projecten te selecteren op basis van de voor de ESI-fondsen gestelde prioriteiten, alsook gebruik te maken van gestroomlijnde en efficiënte uitvoeringsprocessen;

6.  merkt op dat uit een analyse van thematische concentratie naar voren moet komen hoe de strategische keuzes van lidstaten en de verdeling van financiële middelen over de thematische doelstellingen voorzien in de specifieke behoeften van de gebieden; betreurt het dat dit aspect onderbelicht is gebleven in het verslag van de Commissie uit hoofde van artikel 16;

7.  is van mening dat de resultaten en de voordelen van het cohesiebeleid beter belicht moeten worden, niet in de laatste plaats om het vertrouwen in het Europese project te herstellen;

8.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid een thematische focus behoudt, waarbij wel voldoende flexibiliteit wordt toegestaan om de specifieke behoeften van elke regio in aanmerking te kunnen nemen, met name de specifieke behoeften van de minder ontwikkelde regio's, zoals in de verordeningen is bepaald; dringt erop aan middelen uit de ESI-fondsen te blijven investeren in de regio's die in een overgangsfase verkeren, opdat de effecten van reeds ingezette middelen en inspanningen in stand worden gehouden;

9.  benadrukt met name dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden in stedelijke of landelijke regio's, achterstandsregio's, overgangsregio's en regio's met permanente natuurlijke of geografische belemmeringen, en dat er passende steunmaatregelen moeten worden uitgewerkt voor de ontwikkeling van deze gebieden, die zonder het cohesiebeleid hun achterstand op meer ontwikkelde regio's mogelijk niet hadden kunnen inhalen; verzoekt de Commissie strategieën voor de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda toe te passen en uit te breiden, in samenwerking met gemeenten en metropoolgebieden die worden gezien als groeikernen van de EU; wijst er in dit verband nogmaals op dat het belangrijk is lidstaten en regio's voldoende flexibiliteit te bieden om steun te verlenen aan nieuwe beleidsuitdagingen, bijvoorbeeld op het gebied van migratie (waarbij de oorspronkelijke en nog altijd relevante doelstellingen van het cohesiebeleid en de specifieke behoeften van de regio's in het achterhoofd moeten worden gehouden), alsook aan de digitale dimensie van het cohesiebeleid in brede zin (inclusief kwesties op het gebied van ICT en breedbandtoegang, die verband houden met de voltooiing van de digitale interne markt); wijst op de strategie voor de energie-unie, de strategie voor een circulaire economie en de verplichtingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs, omdat de ESI-fondsen een belangrijke rol spelen bij de tenuitvoerlegging ervan;

10.  is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan subregionale gebieden met een aanzienlijke opeenstapeling van uitdagingen, die vaak te vinden is in geconcentreerde gebieden met armoede, gesegregeerde gemeenschappen en achtergestelde buurten die gekenmerkt worden door een oververtegenwoordiging van gemarginaliseerde groepen zoals de Roma;

11.  steunt de geleidelijke verschuiving van nadruk op grote infrastructuurgerelateerde projecten naar nadruk op het stimuleren van de kenniseconomie, innovatie en sociale inclusie, alsook op capaciteitsopbouw en meer verantwoordelijkheid voor actoren, onder andere uit het maatschappelijk middenveld, in het cohesiebeleid, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van minder ontwikkelde regio's die nog behoefte hebben aan steun op het gebied van infrastructurele ontwikkeling en waarvoor marktgestuurde oplossingen niet altijd haalbaar zijn, en met het feit dat er flexibiliteit moet worden betracht zodat alle lidstaten kunnen investeren aan de hand van hun eigen prioriteiten zoals vastgelegd in de partnerschapsovereenkomsten, om hun economische, sociale en territoriale ontwikkeling te bevorderen;

12.  is van oordeel dat de ESI-fondsen, waaronder met name de programma's voor Europese territoriale samenwerking, moeten worden ingezet om kwaliteitswerkgelegenheid en hoogwaardige systemen voor levenslang leren en beroepsopleiding te creëren en te bevorderen, met inbegrip van schoolinfrastructuur, teneinde werknemers in de gelegenheid te stellen zich onder adequate omstandigheden aan de veranderende realiteit van het arbeidsproces aan te passen en duurzame groei, concurrentievermogen en ontwikkeling en een gedeelde welvaart te bevorderen om te komen tot een sociaal rechtvaardig, duurzaam en op integratie gericht Europa en zich daarbij te focussen op de minst ontwikkelde gebieden en sectoren met structurele problemen en de ondersteuning van de meest kwetsbare en blootgestelde groeperingen in de samenleving, met name jongeren (in het kader van programma's als Erasmus+) en personen met de minste vaardigheden en kwalificaties, meer werkgelegenheid in de circulaire economie te bevorderen en schooluitval te voorkomen; vestigt de aandacht op het feit dat het ESF een instrument is dat de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen voor het algemeen belang ondersteunt;

13.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de werkloosheid, en dan met name de werkloosheid onder jongeren, vrouwen en in landelijke gebieden, ondanks alle inspanningen in veel lidstaten zeer hoog blijft en dat het cohesiebeleid ook op dit vlak met antwoorden moet komen; beveelt de Commissie aan meer aandacht te besteden aan de impact van het cohesiebeleid op de bevordering van de werkgelegenheid en het terugdringen van de werkloosheid; stelt in dit verband vast dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is opgenomen in 34 programma's van het ESF in de 20 hiervoor in aanmerking komende lidstaten, wat werkloze jongeren de kans zal geven van dit initiatief gebruik te maken om hun vaardigheden en kwalificaties te verbeteren; is evenwel bezorgd over de vertraging bij de start van de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en over de uitvoeringsbepalingen van de jongerengarantie in bepaalde regio's; dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat de nagestreefde resultaten van de geïnvesteerde middelen snel en daadwerkelijk worden behaald, met name voor wat betreft de middelen die in de vorm van vooruitbetalingen ter beschikking zijn gesteld, erop toe te zien dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief naar behoren ten uitvoer wordt gelegd en in te staan voor behoorlijke arbeidsomstandigheden voor jonge werknemers; wenst met name dat daar waar de ESI-fondsen worden ingezet om tegemoet te komen aan opleidingsbehoeften, rekening wordt gehouden met de werkelijke behoeften van het bedrijfsleven om echte kansen voor werkgelegenheid en werkgelegenheid op lange termijn te scheppen; is van mening dat de bestrijding van jeugdwerkloosheid, sociale inclusie en de demografische uitdagingen waarmee Europa momenteel en op de middellange termijn kampt de voornaamste terreinen zijn waarop het cohesiebeleid zich moet richten; dringt aan op voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief na 2016 en op ondersteuning van de inspanningen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid, een en ander weliswaar op basis van een grondige analyse van de werking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief teneinde de nodige correcties te kunnen aanbrengen om de werking ervan te verbeteren;

14.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat de Commissie in het geval van de jongerengarantieregeling, die in de periode 2014-2020 in totaal 12,7 miljard EUR van het ESF zal ontvangen, en het speciale jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat op grond van deze financiering al wordt beschouwd als de drijvende kracht achter de inspanningen om de jeugdwerkgelegenheid te stimuleren, geen kosten-batenanalyse heeft uitgevoerd, alhoewel dat de standaardprocedure is voor alle belangrijke initiatieven van de Commissie; is dan ook van oordeel dat er sprake is van een gebrek aan informatie over de mogelijke totale kosten van de toepassing van de garantie in de gehele EU en dat het gevaar bestaat dat het totale bedrag van de financiering niet toereikend is, zoals de Europese Rekenkamer heeft benadrukt;

15.  benadrukt het belang van communicatie, met name digitale communicatie, waarmee informatie over mogelijke hulp bij het vinden van een opleiding, een stageplaats of met Europese middelen medegefinancierd werk zoveel mogelijk jongeren kan bereiken; pleit voor meer communicatie om portalen als Drop'pin en Eures te promoten en jongeren meer mogelijkheden te bieden voor mobiliteit op de interne markt, het grootste onbenutte potentieel bij de bestrijding van de werkloosheid in de EU;

16.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in acht nemen bij de tenuitvoerlegging van door de ESI-fondsen ondersteunde projecten, met inbegrip van het doel om een overgang van institutioneel naar groepswonen voor personen met een handicap te bevorderen;

17.  herinnert eraan dat de afwerking van het TEN-T-kernnetwerk een prioriteit voor het Europees vervoersbeleid vormt en dat de ESI-fondsen een zeer belangrijk instrument zijn voor de verwezenlijking van dit project; benadrukt dat het noodzakelijk is het potentieel van de ESI-fondsen te benutten om het potentieel van de basale en uitgebreide TEN-T-netwerken te koppelen aan de regionale en plaatselijke vervoersinfrastructuur; erkent het belang van het Cohesiefonds voor het verbeteren van de infrastructuur en connectiviteit in Europa, en dringt erop aan dat dit fonds ook in het nieuwe financiële kader voor de jaren na 2020 in stand wordt gehouden;

18.  benadrukt dat het multimodale karakter van het vervoerswezen een cruciale factor moet zijn bij de beoordeling van infrastructuurprojecten die worden gefinancierd in het kader van de ESI-fondsen, maar dat dit niet wordt toegepast als het enige criterium om voorgestelde projecten te beoordelen, met name wanneer het lidstaten betreft met grote investeringsbehoeften op het gebied van vervoersinfrastructuur;

19.  benadrukt dat de traditionele beroepen in stand moeten worden gehouden, met inbegrip van de ambachtelijke traditie en bijbehorende vaardigheden, en dat er strategieën moeten worden vastgesteld om groei voor ondernemerschap in traditionele beroepen te bevorderen, teneinde de culturele identiteit van de traditionele beroepssectoren te handhaven; wijst erop hoe belangrijk het is dat de alternerende beroepsopleiding en de mobiliteit van jonge ambachtslieden worden ondersteund;

Ex-antevoorwaarden

20.  onderstreept dat er doeltreffend toezicht op ex-antevoorwaarden nodig is om inspanningen en resultaten vast te kunnen leggen; is van mening dat ex-antevoorwaarden, met name die betreffende onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3), hun nut hebben bewezen, en stelt voor ze verder te verbeteren; benadrukt dat er meer aandacht moet worden besteed aan de versterking van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

21.  wijst op het feit dat aan een aanzienlijk deel van de ex-antevoorwaarden nog niet is voldaan; roept er daarom toe op de huidige situatie te analyseren en gerichte maatregelen te nemen om deze situatie te verhelpen, zonder dat dit ten koste gaat van de optimale opname van de middelen of het cohesiebeleid minder efficiënt maakt;

Prestatiegericht begroten

22.  benadrukt dat het regelgevingskader voor de periode 2014-2020 en de partnerschapsovereenkomsten tot een sterk resultaatgerichte focus in de cohesieprogramma's hebben geleid en dat deze benadering tevens als voorbeeld kan dienen voor andere onderdelen van de uitgaven van de EU-begroting; is ingenomen met de invoering van gemeenschappelijke indicatoren waarmee de resultaten kunnen worden gemeten en tegen elkaar worden afgezet; is van mening dat er verder moet worden gewerkt aan de indicatoren om de uitgaven uit hoofde van de ESI-fondsen beter te staven en de projectselectie te optimaliseren;

23.  wijst erop dat de invoering van thematische concentratie, waarbij de investeringen worden toegespitst op specifieke doelstellingen en prioriteiten met bijbehorende prestatie-indicatoren en specifiek overeengekomen streefdoelen voor alle thema's, een belangrijke innovatie betekende;

24.  herinnert eraan dat er voor elke lidstaat een prestatiereserve werd ingevoerd, bestaande uit 6 % van de aan de ESI-fondsen toegewezen middelen; herinnert eraan dat, op basis van de nationale verslagen van 2017 en de evaluatie van de prestaties van 2019, de reserve uitsluitend zal worden toegewezen aan de programma's en prioriteiten waarvoor de mijlpalen zijn bereikt; pleit voor flexibiliteit bij het opvoeren van nieuwe vastleggingen uit de prestatiereserve als de programma's de komende jaren hun doelstellingen en mijlpalen hebben gehaald; verzoekt de Commissie te evalueren of de prestatiereserve daadwerkelijk meerwaarde biedt of alleen maar tot meer administratieve rompslomp heeft geleid;

Het Europees semester

25.  neemt kennis van het feit dat de lidstaten in de loop van de programmeringsperiode hebben geconstateerd dat meer dan twee derde van de in 2014 vastgestelde landenspecifieke aanbevelingen relevant is voor de investeringen in het kader van het cohesiebeleid, en is ingenomen met het feit dat zij dit in aanmerking hebben genomen bij het vaststellen van hun programmeringsprioriteiten; beseft dat de landenspecifieke aanbevelingen in de nabije toekomst aanpassingen aan de programma's van de ESI-fondsen kunnen uitlokken, waarmee steun wordt geboden voor structurele hervormingen in de lidstaten; wijst erop dat landenspecifieke aanbevelingen en nationale hervormingsprogramma's een duidelijke koppeling vormen tussen de ESI-fondsen en de processen van het Europees semester;

26.  wijst op het belang van de totstandbrenging van een evenwichtig verband tussen het cohesiebeleid en het Europees semester, aangezien in beide gevallen wordt toegewerkt naar de verwezenlijking van dezelfde doelstellingen in het kader van de Europa 2020-strategie, zonder dat dit ten koste gaat van de verwezenlijking van de in de Verdragen neergelegde doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale samenhang om de ongelijkheden te verkleinen; is van mening dat we moeten terugkomen op de gedachte achter de bevriezing van de ESI-fondsen als er sprake is van een afwijking van de doelstellingen van het Europees semester, aangezien dit contraproductief kan uitpakken voor het stimuleren van groei en banen;

Synergieën en financieringsinstrumenten

27.  merkt op dat het regelgevingskader voor de ESI-fondsen voor de periode 2014-2020 ondersteuning biedt aan financieringsinstrumenten; benadrukt echter dat subsidies nog steeds onontbeerlijk zijn; stelt vast dat de nadruk lijkt te liggen op een geleidelijke overgang van subsidies naar leningen en garanties; benadrukt dat deze tendens versterkt is door het investeringsplan voor Europa en het onlangs ingestelde Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); merkt tevens op dat het gebruik van de fondsoverschrijdende benadering nog steeds lastig lijkt; benadrukt dat het om complexe instrumenten gaat en dat het daarom van vitaal belang is voldoende steun te geven aan de plaatselijke en regionale instellingen bij het opleiden van de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het beheer ervan; wijst erop dat financieringsmiddelen oplossingen kunnen bieden voor een efficiënt gebruik van de EU-begroting en samen met subsidies een bijdrage leveren aan investeringen om economische groei aan te wakkeren en duurzame banen te creëren;

28.  wijst erop dat met het EFSI eigen doelstellingen worden nagestreefd, en dat de snelle tenuitvoerlegging van het EFSI en de resultaten in de vorm van bestaande operaties als een succesverhaal worden gepresenteerd, ondanks aanzienlijke tekortkomingen zoals een gebrek aan meerwaarde; verzoekt de Commissie tegen deze achtergrond specifieke gegevens over de impact van het EFSI op de groei en de werkgelegenheid te verstrekken en na de evaluatie met leerpunten te komen zodat de ESI-fondsen beter kunnen worden ingezet in de nieuwe programmeringsperiode vanaf 2021; verzoekt, in aanvulling op advies nr. 2/2016 van de Europese Rekenkamer(14), om een analyse van de bijdragen van het EFSI aan de doelstellingen van de ESI-fondsen en een inventarisatie van wat het EFSI heeft bereikt voor wat zijn eigen prioriteiten betreft;

29.  wijst evenwel op het ontbreken van feitelijke gegevens over de effecten en resultaten van de financieringsinstrumenten en op het feit dat er nauwelijks verband bestaat tussen die financieringsinstrumenten en de algemene doelstellingen en prioriteiten van de EU;

30.  constateert dat het verslag van de Commissie uit hoofde van artikel 16 weinig informatie verschaft over de coördinatie en synergieën van de verschillende programma's onderling en met de instrumenten van andere beleidsterreinen, en dat de Commissie met name niet altijd betrouwbare gegevens verstrekt over de verwachte resultaten van de programma's van het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; benadrukt dat het bestaan van een gemeenschappelijke verordening voor de vijf ESI-fondsen de synergie tussen de fondsen heeft vergroot, onder meer in de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; is ervan overtuigd dat synergieën met andere beleidsmaatregelen en instrumenten, waaronder het EFSI en andere financieringsinstrumenten, moeten worden versterkt om het effect van investeringen te maximaliseren; benadrukt dat de regels inzake staatssteun van toepassing zijn op de ESI-fondsen, maar niet op het EFSI of Horizon 2020, en dat dit het verhogen van het niveau van synergie tussen de fondsen, programma's en instrumenten problematisch maakt; benadrukt het feit dat, om de nodige complementariteit en synergie tussen het EFSI, de financieringsinstrumenten en de ESI-fondsen te waarborgen, de kwestie van de regels inzake staatssteun verder moet worden onderzocht en dienovereenkomstig moet worden verduidelijkt, vereenvoudigd en aangepast; verzoekt de Commissie de beheersautoriteiten gedetailleerde richtsnoeren ter beschikking te stellen over de manier waarop het EFSI kan worden gecombineerd met de instrumenten voor gedeeld en rechtstreeks beheer, waaronder de ESI-fondsen, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en Horizon 2020;

31.  pleit voor de voortzetting van een evenwichtige aanwending van de financieringsinstrumenten als ze meerwaarde hebben en geen afbreuk doen aan de traditionele steun uit het cohesiebeleid; benadrukt echter dat dit alleen mag plaatsvinden na een grondige beoordeling van de bijdrage van financieringsinstrumenten aan de doelstellingen van het cohesiebeleid; benadrukt dat het essentieel is een gevarieerd aanbod van financieringsmogelijkheden te hebben voor alle regio's, waarbij subsidies in bepaalde sectoren de meest geschikte instrumenten blijven om de doelstellingen inzake groei en werkgelegenheid te verwezenlijken; verzoekt de Commissie met stimuleringsmaatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de beheersautoriteiten volledig worden over de mogelijkheden om gebruik te maken van financieringsinstrumenten en hun toepassingsgebieden, en een analyse te maken van de beheerskosten van subsidies en terugvorderbare steun die zijn ingevoerd in gedeelde en centraal beheerde systemen; benadrukt dat duidelijke, consistente en doelgerichte regels inzake financieringsinstrumenten, waarmee de voorbereiding en tenuitvoerlegging voor fondsbeheerders en begunstigden wordt vereenvoudigd, van cruciaal belang zijn om de doeltreffende uitvoering ervan te verbeteren; vestigt de aandacht op het komende initiatiefverslag van zijn Commissie regionale ontwikkeling getiteld "Een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU" (2016/2302(INI));

Vereenvoudiging

32.  stelt vast dat een van de hoofddoelstellingen van de programmeringsperiode 2014-2020 verdere vereenvoudiging van de ESI-fondsen voor begunstigden is, en erkent dat vereenvoudiging een van de belangrijkste factoren voor een betere toegang tot financiering is;

33.  is ingenomen met het feit dat het huidige gemoderniseerde regelgevingskader voor de ESI-fondsen voorziet in nieuwe mogelijkheden voor vereenvoudiging wat betreft gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregels, vereenvoudigde kostenopties en elektronisch beheer; betreurt het echter dat de mededeling van de Commissie uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening geen specifieke informatie omvat over het gebruik van vereenvoudigde kostenopties; onderstreept dat er behoefte is aan verdere inspanningen om het volledige potentieel van vereenvoudigde kostenopties te ontplooien en wel door de administratieve rompslomp te verminderen; merkt op dat er nog steeds aanzienlijke vereenvoudigingsprocedures nodig zijn voor zowel begunstigden als beheersautoriteiten, waarbij de aandacht uitgaat naar openbare aanbestedingen, projectbeheer en controles tijdens en na de verrichtingen;

34.  verzoekt de Commissie om een doorlopende beoordeling van de administratieve lasten, met name van aspecten als tijd, kosten en formaliteiten, bij EU-financiering in de vorm van zowel subsidies als financieringsinstrumenten te laten uitvoeren, op basis van feitenmateriaal uit de periode 2007-2013 en de aanvang van de nieuwe periode vanaf 2014;

35.  beveelt aan dat, wat de toekomstige programmeringsperiode vanaf 2021 betreft, alle bestuursniveau toewerken naar een systeem van enkelvoudige audit, waarbij elke overlapping van controles tussen de verschillende institutionele niveaus wordt vermeden; dringt er bij de Commissie op aan de reikwijdte en de juridische status van de bestaande richtsnoeren voor alle ESI-fondsen te verduidelijken, en in nauwe samenwerking met beheersautoriteiten en alle relevante controleautoriteiten een gemeenschappelijke interpretatie van auditvraagstukken uit te werken; herhaalt dat er verdere stappen moeten worden ondernomen op het gebied van vereenvoudiging, met name in op jongeren gerichte programma's, door onder andere meer proportionaliteit in te voeren in de controles; is ingenomen met het voorlopige resultaat van de werkzaamheden van de Groep op hoog niveau inzake vereenvoudiging, die de Commissie heeft opgezet;

36.  beveelt aan standaardprocedures in het leven te roepen voor de opzet en het beheer van operationele programma's, vooral van de talrijke programma's voor territoriale samenwerking;

Bestuurlijke capaciteit

37.  merkt op dat er sprake is van verschillen tussen de lidstaten wat hun bestuurlijke cultuur en prestatieniveaus in hun beleidskader betreft, wat met de ex-antevoorwaarden moet worden ondervangen; benadrukt dat de administratieve capaciteit moet worden versterkt als een van de prioriteiten van het cohesiebeleid en het Europees semester, vooral in lidstaten met een lage absorptie van middelen; merkt op dat aan de lidstaten, regio's en gemeenten technische, professionele en praktische bijstand moet worden verstrekt bij financieringsaanvragen; is zich bewust van de impact van het Jaspers-initiatief en herhaalt dat gebrekkige investeringsplanning leidt tot ernstige vertraging bij de voltooiing van projecten en tot inefficiënt gebruik van financiering;

38.  wijst erop dat de trage start van bepaalde programma's, het gebrek aan beheerscapaciteit voor complexe projecten, de vertragingen bij de afronding van projecten, de administratieve rompslomp in de lidstaten, overmatige regelgeving en fouten in procedures voor overheidsopdrachten de voornaamste obstakels vormen voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; acht het van essentieel belang de onnodig complexe processen en procedures bij het gedeeld beheer aan te wijzen en te vereenvoudigen die leiden tot extra lasten voor de autoriteiten en de begunstigden; wijst erop dat de administratieve capaciteit constant moet worden verbeterd, bewaakt en versterkt; is dan ook van mening dat in dit opzicht grif gebruik moet worden gemaakt van functionele en flexibele e-overheidsoplossingen, alsook van verbeterde informatie en coördinatie tussen de lidstaten; onderstreept daarnaast dat er meer aandacht moet worden besteed aan opleidingen voor overheidsmedewerkers;

39.  merkt op dat met op maat gemaakte, op vereenvoudiging gerichte regelgevingskaders, voorwaarden en oplossingen (zoals het Taiex Regio Peer 2 Peer-mechanisme voor uitwisseling tussen de diverse regio's) de behoeften en uitdagingen van de verschillende regio's doeltreffender kunnen worden aangepakt wat bestuurlijke capaciteit betreft;

Europese territoriale samenwerking

40.  wijst op de Europese meerwaarde van Europese territoriale samenwerking (ETS), vooral bij het terugdringen van de ongelijkheden tussen grensregio's, die tot uiting moet komen in een groter bedrag aan kredieten voor deze doelstelling van het cohesiebeleid en zodra dit haalbaar is moet worden ingevoerd; verzoekt tegelijkertijd de lidstaten de nodige medefinanciering beschikbaar te stellen; onderstreept dat dit instrument moet worden gehandhaafd als een van de kernelementen van het cohesiebeleid na 2020;

41.  benadrukt het belang van de macroregionale strategieën, die nuttige instrumenten zijn gebleken voor de ontwikkeling van de territoriale samenwerking en voor de economische ontwikkeling van de betrokken gebieden; herinnert eraan dat de rol van plaatselijke en regionale autoriteiten doorslaggevend is voor het welslagen van de initiatieven die in die strategieën zijn voorzien;

42.  beveelt aan intensiever gebruik te maken van het gewijzigde en uitgebreide rechtsmiddel EGTS als rechtsgrondslag voor territoriale samenwerking;

43.  stelt voor om op EU-niveau een permanente koppeling tot stand te brengen tussen RIS3 en interregionale samenwerking, bij voorkeur in de vorm van een permanent onderdeel van het Interreg-programma;

44.  onderstreept dat het concept van resultaatgerichtheid vereist dat bij Interreg-programma's hoogwaardige samenwerking op projectniveau wordt gewaarborgd en dat de beoordelingsmethoden en -criteria worden aangepast om rekening te houden met de specifieke aard van elk programma; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de beheersautoriteiten met inachtneming van specifieke ETS-kenmerken samen te werken en informatie en beproefde werkwijzen uit te wisselen zodat de resultaatgerichtheid zo doeltreffend mogelijk wordt uitgevoerd en wordt toegespitst op de doelgroep;

45.  benadrukt het potentieel van de gebruikmaking van financieringsinstrumenten in Interreg-programma's die een aanvulling vormen op de subsidies en daarmee bijdragen aan de ondersteuning van kmo's en de ontwikkeling van onderzoek en innovatie, door te zorgen voor meer investeringen, nieuwe banen, betere resultaten en doeltreffendere projecten;

46.  betreurt het dat ETS-programma's weinig bekend zijn bij het publiek en onvoldoende zichtbaar zijn, en verzoekt om effectievere communicatie over de resultaten van afgeronde projecten; roept de Commissie, de lidstaten en de beheersautoriteiten op mechanismen en brede institutionele samenwerkingsplatforms in het leven te roepen met het oog op meer zichtbaarheid en bewustmaking; verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke resultaten de ETS-programma's en -projecten tot dusver hebben opgeleverd;

Partnerschapsbeginsel en meerlagig bestuur

47.  is ingenomen met de tijdens de onderhandelingen in de huidige programmeringsperiode overeengekomen gedragscode, waarin de minimumnormen voor een goed functionerend partnerschap worden uiteengezet; betreurt het dat vele lidstaten, hoewel de code heeft bijgedragen tot een betere tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel in de meeste lidstaten, een groot deel van de onderhandelingen en de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's hebben gecentraliseerd; benadrukt dat het essentieel is de actieve betrokkenheid van regionale en plaatselijke autoriteiten en andere belanghebbenden in alle stadia te waarborgen, en pleit er dan ook voor om in de toekomst te garanderen dat zij echt deelnemen aan het onderhandelings- en uitvoeringsproces, met inachtneming van de specifieke structuren van elk land; is van mening dat een te sterke centralisatie en een gebrek aan vertrouwen ook een rol hebben gespeeld bij de vertraging van de tenuitvoerlegging van ESI-fondsen, aangezien een aantal lidstaten en beheersautoriteiten weinig animo aan de dag legden om plaatselijke en regionale overheden meer verantwoordelijkheden toe te kennen voor het beheer van EU-middelen;

48.  benadrukt dat de Commissie duidelijkheid moet scheppen over de prestaties van de lidstaten en de regio's met betrekking tot de beginselen uit hoofde van artikel 5 van de GB-verordening, waarbij de nadruk ligt op de wijze waarop overheden kunnen worden aangemoedigd het partnerschapsbeginsel terdege toe te passen; benadrukt dat gedeeld eigenaarschap een voorwaarde is voor meer erkenning van het cohesiebeleid van de EU;

49.  is ingenomen met de nieuwe benadering van de Commissie om speciale werkgroepen op te zetten, dat wil zeggen projectteams die het beheer van de ESI-fondsen in de lidstaten in goede banen moeten leiden, en is van mening dat deze benadering verder moet worden uitgewerkt;

50.  benadrukt dat het toekomstige cohesiebeleid steunmaatregelen moet omvatten om vluchtelingen te helpen bij een succesvolle integratie op de arbeidsmarkt van de EU, waardoor de economische groei wordt bevorderd en de algemene veiligheid in de EU mede wordt gewaarborgd;

Toekomstig cohesiebeleid

51.  benadrukt dat de ESI-fondsen bijdragen aan het bbp, werkgelegenheid en groei in de lidstaten, essentiële aspecten waaraan in het in 2017 verwachte zevende cohesieverslag aandacht moet worden besteed; wijst er voorts op dat aanzienlijke investeringen in de minder ontwikkelde regio's ook bijdragen aan het bbp in de meer ontwikkelde lidstaten; is van mening dat, indien de regering van het Verenigd Koninkrijk zich officieel beroept op artikel 50 VEU, in het zevende cohesieverslag ook aandacht moet worden besteed aan de mogelijke gevolgen van de Brexit voor het structuurbeleid;

52.  is van mening dat het bbp mogelijk niet de enige legitieme indicator is om een eerlijke verdeling van middelen te verzekeren en dat er bij de beslissingen over de toekomstige verdeling van de toewijzingen ook rekening moet worden gehouden met specifieke territoriale behoeften en het belang van overeengekomen programmaprioriteiten voor de ontwikkeling van de programmaterreinen; acht het van belang dat in de toekomst wordt overwogen naast het bbp ook andere dynamische indicatoren in te voeren; merkt op dat vele regio's in Europa worden geconfronteerd met hoge werkloosheidscijfers en een krimpende bevolking; verzoekt de Commissie zich te buigen over de mogelijke ontwikkeling en invoering van een "demografische indicator";

53.   wijst erop dat een aanzienlijk deel van de overheidsinvesteringen op plaatselijk en regionaal niveau wordt gedaan; benadrukt dat het Europees systeem van rekeningen de mogelijkheid van plaatselijke en regionale autoriteiten om de nodige investeringen te doen niet aan banden mag leggen, aangezien dit de lidstaten zou beletten om hun deel van de medefinanciering te storten in de structuurfondsen en derhalve gebruik te maken van deze fondsen, die van essentieel belang zijn om uit de economische crisis te komen en de groei en werkgelegenheid een nieuwe impuls te geven; spoort de Commissie aan de strikt jaarlijkse benadering van het Europees systeem van rekeningen te herzien zodat de uit de ESI-fondsen gefinancierde overheidsuitgaven worden beschouwd als kapitaalinvesteringen en niet louter als schulden of bedrijfskosten;

54.  benadrukt dat de ETS, die ten grondslag ligt aan het bredere beginsel van territoriale cohesie dat bij het Verdrag van Lissabon is ingevoerd, voor verbetering vatbaar is; moedigt alle bij de onderhandelingen over het toekomstige beleid betrokken belanghebbenden daarom aan deze dimensie van de territoriale cohesie te versterken; verzoekt de Commissie in het zevende cohesieverslag de nodige aandacht te besteden aan de ETS;

55.  is van oordeel dat thematische concentratie in de toekomst moet worden gehandhaafd, omdat de levensvatbaarheid ervan is aangetoond; verwacht van de Commissie dat zij een overzicht van de dankzij de thematische concentratie in het cohesiebeleid geboekte resultaten presenteert;

56.  is ervan overtuigd dat het toekomstige prestatiegerichte cohesiebeleid moet worden gebaseerd op gegevens en indicatoren die geschikt zijn om de gedane inspanningen, geboekte resultaten en behaalde effecten te meten, alsook op regionale en plaatselijke ervaringen op dit gebied (prestatiegericht begroten, ex-antevoorwaarden en thematische concentratie), aangezien plaatselijke en regionale autoriteiten – met inbegrip van de autoriteiten die tot nu toe niet hebben geprobeerd deze aanpak te volgen – daardoor kunnen worden voorzien van duidelijke praktische richtsnoeren inzake de tenuitvoerlegging van de beginselen ervan;

57.  benadrukt dat een snellere opname van de beschikbare fondsen en een evenwichtigere progressie van de uitgaven tijdens de programmeringscyclus in de toekomst noodzakelijk zullen zijn, onder meer om te voorkomen dat vaak gebruik wordt gemaakt van "retrospectieve projecten", die in veel gevallen de bedoeling hebben te voorkomen dat de middelen automatisch worden doorgehaald aan het eind van de programmeringsperiode; is van mening dat, na de aanneming van de algemene verordening en fondsspecifieke verordeningen in de volgende programmeringsperiode na 2021, de tenuitvoerlegging van de operationele programma's sneller van start zal kunnen gaan, aangezien de lidstaten al ervaring zullen hebben met een prestatiegericht beleid dankzij de inspanningen die ze hebben geleverd voor het cohesiebeleid in de periode 2014-2020; wijst er in dit verband op dat de lidstaten vertragingen bij de benoeming van de beheersautoriteiten van de operationele programma's moeten voorkomen;

58.  dringt erop aan het wetgevingsproces ter goedkeuring van het volgende MFK uiterlijk eind 2018 af te ronden zodat het regelgevingskader voor het toekomstige cohesiebeleid spoedig daarna kan worden vastgesteld en zonder vertraging van kracht kan worden op 1 januari 2021;

59.  is van mening dat het cohesiebeleid voor alle lidstaten en alle Europese regio's moet blijven gelden en dat de vereenvoudiging van de toegang tot de Europese fondsen een conditio sine qua non is voor het welslagen van het beleid in de toekomst;

60.  is van mening dat de geest van innovatie, slimme specialisatie en duurzame ontwikkeling een belangrijke motor van het cohesiebeleid moet blijven; benadrukt dat slimme specialisatie een leidraad moet vormen voor het toekomstige cohesiebeleid;

61.  onderstreept het hoge risico dat de betalingsverzoeken uit hoofde van rubriek 1b zich in de tweede helft van het lopende MFK ophopen en roept ertoe op jaarlijks voldoende betalingskredieten beschikbaar te stellen tot het eind van de programmeringsperiode om een nieuwe betalingsachterstand te voorkomen; benadrukt dat de drie EU-instellingen hiertoe een nieuw gezamenlijk betalingsplan voor 2016-2020 moeten ontwikkelen en overeenkomen, dat moet voorzien in een duidelijke strategie om aan alle betalingsbehoeften te voldoen tot aan het eind van het lopende MFK;

62.  beveelt de Commissie aan een analyse te maken van de werkelijke impact van investeringen uit hoofde van de ESI-fondsen tijdens de vorige programmeringsperiode en de mate waarin de Europese doelstellingen gehaald zijn via de geïnvesteerde middelen, en conclusies te trekken over de positieve en negatieve ervaringen, als uitgangspunt om meerwaarde te bieden aan het investeringsproces;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(7) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(8) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0217.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.
(12) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 94.
(13) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 31.
(14) Advies nr. 2/2016 van de Europese Rekenkamer “inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en 2015/1017 en de bijbehorende evaluatie van de Commissie in overeenstemming met artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2015/1017”.


Een luchtvaartstrategie voor Europa
PDF 292kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over een luchtvaartstrategie voor Europa (2016/2062(INI))
P8_TA(2017)0054A8-0021/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van maandag 7 december 2015 getiteld "Een luchtvaartstrategie voor Europa" (COM(2015)0598),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 4, lid 2, onder b) en g), artikel 16 en de titels VI en X,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2016 over een luchtvaartstrategie voor Europa(1),

–  gezien Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen"(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende het begrip "staatssteun" in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie(4),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard(5),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 7 december 2015 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0613),

–  gezien de conclusies van de conferentie op hoog niveau over een sociale agenda voor vervoer, die op 4 juni 2015 in Brussel werd gehouden(6),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de specifieke situatie van eilanden(7),

–  gezien het resultaat van in 2016 gehouden 39e zitting van de Algemene Vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO),

–  gezien Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim ("de luchtruimverordening"),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over luchtvaart(8),

–  gezien zijn resolutie van 29 oktober 2015 over toewijzing door de van 2 t/m 27 november 2015 in Genève te houden Wereldradiocommunicatieconferentie (WRC-15) van de radiospectrumband die nodig is om de ontwikkeling van een satelliettechnologie voor wereldwijde vluchttraceersystemen te ondersteunen(9),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2011 over internationale luchtvaartovereenkomsten in het kader van het Verdrag van Lissabon(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 april 2007 over de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese luchtvaartruimte(11),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 12 maart 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (herschikking)(12),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 12 maart 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 216/2008 op het gebied van luchthavens, luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten(13),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 5 februari 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage(14),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 12 december 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op EU-luchthavens (herschikking)(15),

–  gezien zijn resolutie van 29 oktober 2015 over veilig gebruik van systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS), algemeen bekend als onbemande luchtvaartuigen (UAV), op het gebied van burgerluchtvaart(16),

–  gezien zijn resolutie van 2 juli 2013 over het externe luchtvaartbeleid van de EU – De aanpak van toekomstige uitdagingen(17),

–  gezien de conclusies van de Europese luchtvaarttop op vliegveld Schiphol (Nederland) van 20 en 21 januari 2016(18),

–  gezien het Verdrag van Chicago van 7 december 1944,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0021/2017),

A.  overwegende dat het EU-vervoersbeleid uiteindelijk het belang van de Europese burgers en bedrijven wil dienen door te zorgen voor een steeds grotere connectiviteit, het hoogste veiligheids- en beveiligingsniveau en onbelemmerde markttoegang;

B.  overwegende dat strenge veiligheidsnormen een hoofddoel moeten blijven in het streven naar een groter concurrentievermogen in het luchtvervoer;

C.  overwegende dat de interne luchtvaartmarkt van de EU het meest succesvolle voorbeeld van regionale liberalisering van het luchtvervoer is en sterk heeft bijgedragen aan een ongeëvenaarde luchtvaartconnectiviteit door de reismogelijkheden binnen en buiten Europa te verruimen en tegelijkertijd de prijzen te verlagen; overwegende dat de luchtvaartsector een essentieel onderdeel vormt van het Europese vervoersnetwerk, dat onontbeerlijk is voor de connectiviteit en de territoriale cohesie binnen de EU en wereldwijd; overwegende dat de ultraperifere gebieden vanwege hun afgelegen en geïsoleerde ligging geen alternatief hebben voor luchtvervoer, in tegenstelling tot meer centraal gelegen en goed geïntegreerde regio's; overwegende dat de ondersteuning van betere luchtvaartverbindingen niet alleen ten doel moet hebben om het netwerk van verbindingen uit te breiden, maar ook om een passende kwaliteit van die verbindingen te waarborgen wat betreft vluchtfrequentie, netwerkbereik en het gemak van vluchtschema's;

D.  overwegende dat de luchtvaartsector een multiplicatoreffect heeft voor groei en werkgelegenheid en een belangrijke pijler van de EU-economie vormt die innovatie, handel en banenkwaliteit bevordert, wat aanzienlijke directe en indirecte voordelen oplevert voor de burgers; overwegende dat de groei van het luchtverkeer en de beschikbaarheid en het aanbod van vluchtverbindingen de economische groei bevorderen, hetgeen bevestigt dat het luchtvervoer als katalysator voor economische ontwikkeling fungeert; overwegende dat regionale en lokale luchthavens een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de regio's doordat zij het concurrentievermogen vergroten en de toegang voor toeristen bevorderen;

E.  overwegende dat 4,7 miljoen banen in de Unie direct (1,9 miljoen) en indirect (2,8 miljoen) door de luchtvaart, luchthavens en de daarmee samenhangende maakindustrie worden gegenereerd; overwegende dat elders in de wereldeconomie nog eens 917 000 banen door de Europese luchtvaartsector worden ondersteund; overwegende dat de mobiele en transnationale aard van de luchtvaart het moeilijk maakt om sociale misbruiken en omzeiling van arbeidsnormen op te sporen en onmogelijk om de problemen enkel op nationaal niveau aan te pakken; overwegende dat uit recente bevindingen van de IAO blijkt dat de arbeidsvoorwaarden in de luchtvaartsector slechter zijn geworden; overwegende dat een grotere verscheidenheid aan contracten voor meer flexibiliteit kan zorgen, maar ook kan worden misbruikt om tussen regelgevingen te "shoppen" om geen socialezekerheidsbijdragen te betalen;

F.  overwegende dat de gebrekkige tenuitvoerlegging van EU-wetgeving en de politieke onwil van de Raad verhinderen dat het potentieel van de luchtvaartsector volledig wordt benut en daardoor het concurrentievermogen van de luchtvaartsector schaden en hogere kosten in de hand werken waar zowel het bedrijfsleven en de passagiers als de economie onder lijden;

G.  overwegende dat, in een door technologie en door onderzoek en innovatie gedreven sector die zowel grote investeringen vergt als een ontwikkelde infrastructuur, het succes van een strategie afhangt van het vermogen om een langetermijnvisie met zorgvuldig geplande investeringen te ontwikkelen en volledig rekening te houden met alle vervoerswijzen;

H.  overwegende dat het luchtvervoer een belangrijke rol speelt in de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU dankzij de invoering van maatregelen om broeikasgasemissies terug te dringen;

I.  overwegende dat het gemeenschappelijk Europees luchtruim weliswaar voorziet in de instelling van functionele luchtruimblokken (FAB's), maar dat er tot op heden aanzienlijke vertragingen zijn opgetreden bij de tenuitvoerlegging van die FAB's; overwegende dat de Commissie het jaarlijkse verlies als gevolg van het gebrek aan vorderingen op dit terrein daardoor op zo'n 5 miljard EUR raamt;

J.  overwegende dat veiligheid een van de uitdagingen is waarmee de luchtvaart het meest direct wordt geconfronteerd;

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over een luchtvaartstrategie voor Europa en over haar inspanning om bronnen aan te boren om de sector te versterken door nieuwe marktkansen te creëren en obstakels weg te nemen, en om met voorstellen te komen voor het oplossen van en anticiperen op nieuwe uitdagingen op basis van een gemeenschappelijke Europese visie dankzij de ontwikkeling van moderne regelgevingskaders; is van mening dat op een langere termijn gekozen moet worden voor een holistischere en ambitieuzere benadering, teneinde de nodige impulsen te geven voor een toekomstbestendige en concurrerende Europese luchtvaartsector;

2.  is van mening dat de veiligheid het leidende beginsel moet blijven voor de Europese luchtvaartstrategie en voortdurend moet worden verbeterd; is daarom ingenomen met de herziening van de EASA ((European Air Safety Agency)-basisverordening (Verordening (EG) nr. 216/2008), die tot doel heeft het hoogste niveau van veiligheid in de luchtvaart te bereiken; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband het EASA van voldoende financiële en personele middelen te voorzien om hoge veiligheidsnormen te waarborgen en de rol van het agentschap op het internationale toneel te versterken;

3.  dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan eindelijk vaart te zetten achter andere essentiële dossiers die momenteel in een impasse verkeren, zoals de herschikking van de verordening inzake de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SES2+) en de herziening van de slotverordening en de passagiersrechtenverordeningen; dringt er bij de Commissie op aan lopende initiatieven te heroverwegen en duurzame alternatieven voor te stellen om de tekortkomingen in de luchtvaartsector weg te nemen die het gevolg zijn van vertraagde en onvolledige tenuitvoerlegging van EU-wetgeving zoals de verordening inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SES); benadrukt dat richtsnoeren wel nuttig zijn voor de rechtsduidelijkheid en -zekerheid, maar niet in de plaats mogen komen van een deugdelijke herziening van de bestaande verordeningen;

4.  benadrukt dat de luchtvaartdossiers die geblokkeerd zijn in de Raad bedoeld zijn om de EU te voorzien van meer rechtszekerheid en van een sterker kader voor de bescherming van de rechten van luchtreizigers en om te zorgen voor een doeltreffender en rationeler gebruik van het EU-luchtruim, alsook voor betere bepalingen ter uitvoering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim; beschouwt al deze elementen als wezenlijk voor de verwezenlijking van de luchtvaartstrategie; verzoekt de Raad stappen te ondernemen om vooruitgang te boeken bij de onderhandelingen over deze dossiers;

Internationale dimensie van de luchtvaartstrategie

5.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een herziening van Verordening (EG) nr. 868/2004 om bestaande oneerlijke praktijken tegen te gaan, zoals onaanvaardbare staatssteun, die adequaat noch doeltreffend is, en aldus licht te werpen op de grote problemen met betrekking tot mogelijke verstoringen van de mededinging onder Europese regels; benadrukt evenwel dat noch onaanvaardbare protectionistische tendensen, noch op zichzelf staande maatregelen om eerlijke mededinging te waarborgen, een garantie vormen voor het concurrentievermogen van de EU-luchtvaartsector;

6.  is van mening dat de Europese luchtvaartsector, hoewel die kampt met toenemende druk van nieuwe concurrenten, waarvan er vele luchtvervoer hebben gebruikt als strategisch instrument voor internationale ontwikkeling, kan worden ingepast in een concurrerende internationale omgeving door voort te bouwen op zijn acquis en dat verder te ontwikkelen, zoals hoge veiligheids- en beveiligingsnormen, de rol van het EASA, geografische positionering, innovatieve industrie en sociale en milieudoelstellingen; is sterk van mening dat concurrentie van derde landen, mits eerlijk, moet worden gezien als een kans om een innoverend Europees luchtvaartmodel verder te ontwikkelen, dat mogelijk een uniek en concurrerend antwoord kan bieden op de specifieke kenmerken van de concurrentie;

7.  is van mening dat de mogelijkheid om buitenlandse investeringen aan te trekken, belangrijk is voor het concurrentievermogen van de Europese luchtvaartmaatschappijen en niet mag worden belemmerd; is daarom verheugd over het voornemen van de Commissie om richtsnoeren te geven die duidelijkheid zullen brengen over de eigendoms- en zeggenschapsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1008/2008, met name met betrekking tot de criteria voor "feitelijke zeggenschap", teneinde te zorgen voor de effectiviteit van die regels;

8.  is ingenomen met het initiatief om op EU-niveau te onderhandelen over luchtvervoersovereenkomsten en bilaterale luchtvaartveiligheidsovereenkomsten met derde landen die opkomende en strategische markten vertegenwoordigen (China, Japan, de ASEAN-landen, Turkije, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Armenië, Mexico, China, Bahrein, Koeweit, Oman en Saudi-Arabië) en spoort aan tot snelle en constructieve onderhandelingen; herinnert eraan dat nieuwe overeenkomsten correct moeten worden uitgevoerd en nageleefd door alle partijen en moeten voorzien in een clausule inzake eerlijke concurrentie op basis van internationale normen (ICAO, IAO); verzoekt de Commissie en de Raad om, conform artikel 218 VWEU, het Parlement volledig te betrekken bij alle stadia van de onderhandelingen;

9.  dringt er bij de Commissie op aan om de onderhandelingen met derde landen over luchtvaartovereenkomsten afhankelijk te stellen van de naleving door die landen van hoge veiligheidsnormen, passende arbeids- en sociale normen en deelname aan het marktgebaseerde klimaatinstrument voor luchtvaartemissies en om in het kader van die luchtvaartovereenkomsten op basis van wederkerigheid te voorzien in gelijke toegang tot de markt, gelijke eigendomsvoorwaarden en gelijke concurrentievoorwaarden;

10.  verzoekt de Commissie lopende onderhandelingen snel af te ronden en in de toekomst nieuwe luchtvaartbesprekingen te starten met andere strategische luchtvaartpartners; benadrukt dat overeenkomsten voor luchtvaartdiensten ook bijdragen aan de bevordering van technologische vooruitgang, alsmede aan de uitvoering en de versterking van ander Europees beleid, zoals het nabuurschapsbeleid;

Consolidering van de interne luchtvaartmarkt van de EU

11.  herinnert eraan dat het luchtruim ook deel uitmaakt van de interne markt van de EU, en dat iedere versplintering ervan als gevolg van inefficiënt gebruik, evenals uiteenlopende nationale praktijken (op gebieden als vluchtuitvoeringsprocedures, belastingen, heffingen, enz.), tot langere vluchttijden, vertragingen, extra brandstofverbruik en meer CO2-emissies leiden en bovendien negatieve gevolgen hebben voor de rest van de markt en voor het concurrentievermogen van de EU;

12.  merkt op dat artikel 3 van Verordening (EG) nr. 551/2004 , onverminderd de soevereiniteit van de lidstaten over hun luchtruim, voorziet in de instelling van een gemeenschappelijk Europees vluchtinformatiegebied voor het hogere luchtruim (EUIR), en verzoekt de Commissie om hieraan uitvoering te geven, omdat het zo mogelijk wordt om regionale knelpunten weg te werken en de continuïteit van luchtvaartdiensten in de drukste delen van het luchtruim te waarborgen in geval van onvoorziene omstandigheden of verstoring van het luchtverkeer; is van mening dat het EUIR zal zorgen voor de geleidelijke totstandbrenging van een trans-Europese "snelweg door de lucht", die een nieuwe stap zou betekenen naar de voltooiing van het gemeenschappelijk Europees luchtruim en naar een kosteneffectief beheer van het luchtruim van de EU; is ingenomen met de reeds geboekte vooruitgang op het gebied van het luchtverkeersbeheer met het oog op vergroting van de efficiëntie en vermindering van de kosten en de uitstoot, met name dankzij de werkzaamheden van de netwerkbeheerder, en dringt er bij de lidstaten op aan de voltooiing van de FAB’s nu zonder verdere vertraging af te ronden om verdere vooruitgang in de richting van het gemeenschappelijk Europees luchtruim te vergemakkelijken;

13.  is sterk van mening dat de luchtvaartsector volledig moet profiteren van Europese satelliettechnologieën, zoals Egnos en Galileo, die veiligere en doeltreffendere navigatie- en naderingsprocedures en de volledige toepassing van ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SESAR) mogelijk maken; wijst daarom met klem op de noodzaak van brede toepassing van deze technologieën; wijst erop dat er, om een goede toepassing van SESAR te waarborgen en mondiale interoperabiliteit te verwezenlijken, een specifiek, ambitieus budget (met andere middelen dan die van de Connecting Europe Facility (CEF)) - moet worden toegewezen voor de tenuitvoerlegging ervan;

14.  neemt nota van het volume van het luchtverkeer, dat momenteel aanzienlijk is en naar verwachting in de komende jaren nog zal toenemen, alsook van de capaciteitsbeperkingen van de Europese luchthavens voor wat betreft de opvang van ongeveer 2 miljoen vluchten tegen 2035; onderstreept dat dit een gecoördineerd en efficiënt gebruik van de luchthaven- en luchtruimcapaciteit zal vereisen om congestieproblemen te verlichten;

15.  benadrukt het vitale belang van de luchtvaart voor de groei, de werkgelegenheid en de ontwikkeling van het toerisme; benadrukt dat kleine en regionale luchthavens een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van connectiviteit, territoriale cohesie, sociale inclusie en economische groei, met name voor de ultraperifere regio’s en voor eilanden; wijst in dit verband op de noodzaak van strategische planning van het Europees luchthavensysteem, waarin de huidige capaciteit, de verwachte vraag, de bestaande knelpunten en de toekomstige infrastructuurbehoeften op Europees niveau kunnen worden vastgesteld en die ervoor kan zorgen dat de EU-burgers toegang blijven hebben tot luchtvaartdiensten;

16.  beseft dat er een aanzienlijke connectiviteitskloof bestaat die gekenmerkt wordt door een lager aantal vliegverbindingen in bepaalde delen van de Unie en erkent het belang van regionale connectiviteit (ook in geografische gebieden die niet zijn opgenomen in de TEN-V); spoort de Commissie aan te blijven letten op en werken aan de luchtvaartverbindingen binnen de EU;

17.  is van mening dat veel van de belangrijke groeibeperkende factoren, zowel in de lucht als op de grond (zoals capaciteitstekort, onder- en overbenutting van infrastructuur, verschillende verleners van luchtvaartnavigatiediensten (ANSP's) of beperkte investeringen), alsook de connectiviteitskloof tussen verschillende regio's van de EU, kunnen worden aangepakt door connectiviteit op alle niveaus (nationaal, Europees en internationaal) als een van de belangrijkste indicatoren te nemen bij het beoordelen en plannen van acties in de sector;

18.  is van mening dat het bij connectiviteit niet alleen moet gaan om het aantal, de frequentie en de kwaliteit van de luchtvaartdiensten, maar dat connectiviteit ook moet worden beoordeeld in de context van een geïntegreerd modern vervoersnetwerk en dat er ook andere criteria in aanmerking moeten worden genomen zoals tijd, territoriale continuïteit, verdere netwerkintegratie, toegankelijkheid, beschikbaarheid van vervoersalternatieven, betaalbaarheid en milieukosten, om de werkelijke meerwaarde van een route weer te geven; verzoekt de Commissie derhalve te bezien of er een EU-indicator kan worden ontwikkeld die gebaseerd is op andere bestaande indices en op het verkennende werk dat al is verricht door Eurocontrol en Airport Observatory;

19.  is van mening dat een dergelijke connectiviteitsindex, die ook een positieve kostenbatenanalyse moet omvatten, rekening moet houden met luchtverbindingen vanuit een breed perspectief, zonder de EU-doelstelling van territoriale cohesie te ondergraven, die in de komende interpretatierichtsnoeren voor de openbaredienstverplichtingsregels nog zal worden versterkt; benadrukt dat die index de algemene strategische planning ten goede kan komen en verspilling van belastinggelden zal voorkomen door een onderscheid te maken tussen economisch haalbare opties en onrendabele projecten, bijvoorbeeld om winstgevende specialisatie van luchthavens te bevorderen, onder meer dankzij clusters of netwerken van luchthavens, door het ontstaan van "spookluchthavens" te voorkomen, door efficiënt gebruik van luchthavencapaciteit en luchtruim te waarborgen en door intermodale, kostenefficiënte en duurzame oplossingen in kaart te brengen;

20.  is van mening dat de voordelen van de complementariteit van alle vervoersmodaliteiten zonder uitzondering moeten worden benut om de mobiliteit te verbeteren en een veerkrachtig vervoersnetwerk tot stand te brengen, in het belang van de gebruikers, zowel in het personen- als in het goederenvervoer; wijst erop dat intermodaliteit modal shift mogelijk maakt en daardoor de enige manier is om te zorgen voor een dynamische en duurzame ontwikkeling van een concurrerende luchtvaartsector in de EU; benadrukt dat er met intermodaliteit op efficiëntere wijze gebruik kan worden gemaakt van infrastructuur, door rekening te houden met de gebieden waarin het doelpubliek van een luchthaven woont en die uit te breiden en ervoor te zorgen dat ze elkaar niet overlappen, waardoor er ook vrije slots ter beschikking komen en ertoe wordt bijgedragen dat er een gunstig klimaat wordt gecreëerd voor handel, toerisme en cargo-afhandeling; erkent de successen die op dit gebied zijn behaald met de integratie van de spoor- en luchtvaartinfrastructuur en moedigt aan tot verdere vooruitgang op dit gebied;

21.  herhaalt dat de TEN-T-corridors de ruggengraat vormen voor de ontwikkeling van multimodale opties waarbij luchthavens de draaischijven ("hubs") zijn; betreurt dat multimodale initiatieven in Europa zo gefragmenteerd en zo beperkt in aantal zijn; onderstreept de noodzaak van snelle, efficiënte en gebruikersvriendelijke verbindingen tussen openbaarvervoernetwerken en luchthaveninfrastructuur; dringt er bij zowel de Commissie als de lidstaten op aan dat er een hogere prioriteit wordt toegekend aan de multimodale doelstelling binnen de TEN-V-corridors en aan het wegwerken van knelpunten; verzoekt de Commissie haar voorstel voor een multimodale en interoperabele benadering van vervoer met spoed in te dienen en de luchtvaartsector daar volledig in te integreren, en roept de lidstaten op om beter gebruik te maken van de financieringsinstrumenten waarover zij beschikken om intermodale verbindingen te bevorderen;

22.  is van mening dat er aan alle passagiers (inclusief personen met beperkte mobiliteit) hindernisvrije oplossingen, realtime-informatie en geïntegreerde diensten (bv. geïntegreerde kaartverkoop) moeten worden aangeboden om de aantrekkelijkheid van intermodaal vervoer in heel Europa te vergroten; wijst erop dat door de EU gefinancierde projecten de technische haalbaarheid van het ontwikkelen van multimodale reisinformatie- en kaartverkoopsystemen hebben aangetoond; verzoekt de Commissie derhalve te ondersteunen dat reizigers in de hele EU daadwerkelijk gebruik kunnen maken van die systemen;

23.  is van mening dat de exploitanten en dienstverleners in de vervoerssector zullen zoeken naar intermodale en multimodale oplossingen als er een EU-regelgevingskader komt dat helderheid en rechtszekerheid verschaft op punten als passagiersrechten, aansprakelijkheid, vertragingen en annuleringen, veiligheidscontroles en normen inzake open gegevens en gegevensuitwisseling; verzoekt de Commissie daaraan te werken;

24.  merkt op dat zowel publieke als private financiering in de luchtvaartsector van vitaal belang is om de territoriale cohesie te waarborgen, innovatie te stimuleren en het Europees leiderschap van onze industrie te handhaven of te heroveren; herhaalt dat bij alle financiering de hand moet worden gehouden aan de EU-richtsnoeren voor staatssteun en het EU-mededingingsrecht; is van mening dat er bij de verlening van overheidssteun voor moet worden gezorgd dat de betreffende investering kosteneffectief is en geschikt voor het beoogde doel;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in overeenstemming met de "Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen" van de Commissie en haar mededeling betreffende het begrip "staatssteun" in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, een langetermijnstrategie te blijven volgen om enerzijds het overschot aan verlieslijdende luchthavens in regio's waar andere vervoerwijzen voorhanden zijn aan te pakken, en anderzijds aandacht te besteden aan de bijdrage van secundaire luchthavens aan de ontwikkeling, het concurrentievermogen en de integratie van EU-regio's;

26.  wijst op het belang van een gunstig regelgevingskader voor luchthavens voor het aantrekken en mobiliseren van private investeringen; is van mening dat de evaluatie van de Commissie van de richtlijn inzake luchthavengelden, in combinatie met een effectieve raadpleging van luchtvaartmaatschappijen en luchthavens, moet helpen verduidelijken of de huidige bepalingen een doeltreffend middel zijn om de concurrentie te bevorderen en te beschermen tegen misbruik van monopolieposities en om de belangen van de Europese consumenten te behartigen en de concurrentie te bevorderen, of dat er een hervorming nodig is; erkent de bijdrage van niet-luchtvaartinkomsten aan de commerciële levensvatbaarheid van luchthavens;

27.  merkt op dat de Commissie in haar in december 2015 gepubliceerde luchtvaartstrategie een evaluatie van Richtlijn 96/67/EG van de Raad betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap aankondigde; ondersteunt de opname van grondafhandelingsdiensten in de werkingssfeer van het EASA zodat die de gehele luchtvaartveiligheidsketen omvat;

Luchtvaartstrategie: de toekomst

28.  is van mening dat de hele waardeketen van de luchtvaart een strategische sector voor investeringen kan zijn, die verder moet worden geëxploiteerd door langetermijndoelstellingen vast te stellen en door slimme initiatieven te stimuleren voor de verwezenlijking van die doelstellingen, zoals groenere luchthavens en luchtvaartuigen, geluidsvermindering en de aansluiting tussen luchthavenvoorzieningen en het openbaar vervoer; verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen te overwegen om dergelijke initiatieven te stimuleren, onder meer door effectief gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en programma's zoals Clean Sky en SESAR te blijven bevorderen en financieren; benadrukt dat de vliegtuigindustrie in belangrijke mate bijdraagt aan de groei en de werkgelegenheid in de EU-luchtvaartsector, omdat deze industrie de ontwikkeling van schonere technologieën krachtig bevordert en de toepassing van SESAR ondersteunt;

29.  neemt kennis van de CO2-emissies die worden gegenereerd door de luchtvaartsector; wijst nadrukkelijk op het brede scala aan reeds genomen of nog te nemen maatregelen ter vermindering van de uitstoot van CO2 en broeikasgassen, zowel op het technische vlak door de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen en efficiëntere vliegtuigen, als op politiek gebied door de hand te houden aan internationale overeenkomsten; is ingenomen met het akkoord dat op 6 oktober 2016 is bereikt op de 39e zitting van de Algemene Vergadering van de ICAO, waarbij een mondiale marktgebaseerde maatregel (GMBM) ter beperking van emissies van de internationale luchtvaart werd aangenomen, en met het feit dat 65 landen zich ertoe hebben verbonden om deel te nemen aan de vrijwillige fase in 2027, hetgeen betekent dat ongeveer 80 % van de emissies boven het niveau van 2020 tot 2035 door de regeling zal worden gecompenseerd; benadrukt dat het belangrijk is om na 31 december 2016 de afwijking te handhaven die in het kader van het emissiehandelssysteem (ETS) is toegestaan voor emissies van vluchten naar en vanuit luchthavens in de ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 349 VWEU; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de EU-maatregelen ter vermindering van de CO2-emissies van de luchtvaart te herzien in het licht van dit akkoord;

30.  is van mening dat er, mede met het oog op het pakket circulaire economie van de Commissie, verdere initiatieven moeten worden aangemoedigd ter vergroting van de milieucapaciteit en ter vermindering van de emissies en het geluidsniveau van operationele activiteiten van, naar en op luchthavens, bijvoorbeeld door hernieuwbare brandstoffen te gebruiken (zoals biobrandstoffen), efficiënte systemen voor gecertificeerd milieuvriendelijke recycling te ontwikkelen, luchtvaartuigen te demonteren en hergebruiken, "groene luchthavens" en "groene routes naar luchthavens" te bevorderen en een zo efficiënt mogelijk logistiek beheer tot stand te brengen;

31.  pleit voor de verzameling en verspreiding van in de sector toegepaste optimale werkmethoden voor de vermindering van de uitstoot, bedenkend dat hoge milieunormen in stand moeten worden gehouden en mettertijd moeten worden versterkt, zodat de luchtvaartsector zich duurzaam kan ontwikkelen;

32.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan strikt toe te zien op de nieuwe, sinds 2016 van kracht zijnde procedures voor de vermindering van het geluidsniveau en van de uitstoot van ultrafijne deeltjes in de uitlaatgassen die vliegtuigen produceren bij het opstijgen vanaf luchthavens in de buurt van steden en bewoonde gebieden, teneinde de levenskwaliteit en met name de luchtkwaliteit te verbeteren;

33.  beseft dat veiligheidsmaatregelen erg duur zijn; benadrukt dat de veiligheidseisen die aan de luchtvaartsector zullen worden gesteld, ook op het gebied van de cyberveiligheid, in de toekomst alleen maar hoger zullen worden, wat een onmiddellijke omschakeling vergt naar een meer op risico's en inlichtingen gebaseerd veiligheidssysteem dat de veiligheid op luchthavens verbetert en aanpassingen aan nieuwe dreigingen mogelijk maakt zonder dat daarvoor voortdurend nieuwe maatregelen nodig zijn of dat de risico's alleen maar worden verschoven zonder ze te verkleinen;

34.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een EU-certificeringssysteem voor apparatuur voor beveiligingsonderzoeken in de luchtvaart; dringt aan op een samenhangende tenuitvoerlegging van de bestaande regelgeving voor de aanwerving en opleiding van personeel; verzoekt de Commissie te bezien of het concept van one-stop-security kan worden uitgediept en of er een EU-systeem voor controle vooraf kan worden ontwikkeld waardoor vooraf geregistreerde EU-reizigers doeltreffender door de veiligheidscontrole kunnen komen; verzoekt de lidstaten met klem zich te verbinden tot systematische uitwisseling van inlichtingen en van optimale praktijken op het gebied van luchthavenbeveiligingssystemen;

35.  neemt nota van het verslag op hoog niveau over conflictgebieden en verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat aanbevelingen uit dat verslag worden opgevolgd, onder meer die over de uitwisseling van inlichtingen, teneinde de ontwikkeling van een EU-risicobeoordeling en de mogelijkheid om snel inlichtingen uit te wisselen, te waarborgen; onderstreept voorts dat er blijvend aandacht moet worden besteed aan veiligheidsproblemen die voortkomen uit niet-coöperatieve militaire vluchten zonder actieve transponders;

36.  is van mening dat innovatie een noodzakelijke voorwaarde is voor een concurrerende Europese luchtvaartsector; merkt op dat de luchtvaart in vergelijking met andere vervoersmodaliteiten voorop loopt bij het benutten van digitalisering, informatie- en telecommunicatietechnologieën en open gegevens, en moedigt de sector aan het voortouw te blijven nemen in dit proces en tegelijkertijd te zorgen voor eerlijke mededinging, interoperabiliteit tussen systemen, neutraliteit en transparante toegang tot duidelijke en beknopte informatie voor alle gebruikers, zoals consumenten die een volledige reis boeken of vrachtvervoerders die bij luchtvaartverrichtingen zijn betrokken; is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een big data-project voor de luchtvaartsector en verzoekt om opheldering over de tenuitvoerlegging ervan;

37.  herinnert aan de uitgebreide controle ("sweep") van reiswebsites in de hele Unie die in 2013 is uitgevoerd door de Commissie en de nationale handhavingsinstanties; stelt vast dat daarbij bij meer dan twee derde van de gecontroleerde websites aanzienlijke problemen aan het licht zijn gekomen; vraagt de Commissie uitgebreider verslag uit te brengen over de vooruitgang bij het in overeenstemming brengen van websites met het EU-recht en over haar toekomstige plannen voor de handhaving op dit gebied voor zowel de online- als de offlineverkoop van vliegtickets; herinnert eraan dat consumenten altijd over een mogelijkheid moeten beschikken om klachten in te dienen bij wederverkopers en om terugbetaling te eisen; is van mening dat deze mogelijkheid beschikbaar moet zijn op een wijze die consumenten er niet van weerhoudt hun rechten uit te oefenen, en dat consumenten duidelijk van deze mogelijkheid in kennis moeten worden gesteld; verzoekt de Commissie nauw met de nationale handhavingsinstanties samen te werken om erop toe te zien dat wederverkopers deze voorschriften in acht nemen;

38.  is ingenomen met de innovatie en de economische ontwikkeling die kunnen worden bevorderd door het civiele gebruik van op afstand bestuurbare vliegtuigsystemen (RPAS - remotely piloted aircraft systems) verder uit te bouwen; merkt op dat de markt voor dergelijke vliegtuigsystemen snel groeit en dat deze steeds vaker worden gebruikt voor particuliere doeleinden, in commerciële activiteiten en door overheden bij de verrichting van hun taken; onderstreept de dringende noodzaak om snel een helder, evenredig, geharmoniseerd en risicogebaseerd regelgevingskader voor op afstand bestuurbare vliegtuigsystemen vast te stellen om investeringen en innovatie in deze sector te stimuleren en het enorme potentieel ervan ten volle te benutten, onder handhaving van de hoogst mogelijke veiligheidsnormen;

39.  brengt in herinnering dat bij het reguleren van de luchtvaartsector rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van de algemene luchtvaart, op een wijze die mogelijkheden voor zowel individueel luchtvervoer als luchtsportactiviteiten biedt;

Sociale agenda van de luchtvaartstrategie

40.  beseft dat het noodzakelijk is duidelijkheid te verschaffen omtrent het "thuisbasis"-criterium en de definitie van "hoofdvestiging van een onderneming", om ervoor te zorgen dat die op consistente wijze kunnen worden toegepast en het gebruik van goedkope vlaggen en "rule-shopping"-praktijken daadwerkelijk kunnen voorkomen; herinnert eraan dat een van de belangrijkste verantwoordelijkheden van het EASA is om zowel luchtvaartcertificaten (Air Operation Certificates) als vergunningen voor exploitanten van derde landen af te geven met als doel de veiligheid te waarborgen en bij te dragen tot de verbetering van de arbeidsomstandigheden;

41.  verzoekt het EASA en de lidstaten kritisch te blijven toezien op nieuwe bedrijfs- en arbeidsmodellen teneinde de veiligheid van de luchtvaart te waarborgen, en verzoekt de Commissie indien nodig regelgeving op te stellen; wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan onder andere nulurencontracten, "pay-to-fly"-regelingen, schijnzelfstandigheid en de situatie van bemanningsleden uit derde landen aan boord van in de EU geregistreerde luchtvaartuigen; benadrukt dat de verordening inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart en op een "cultuur van billijkheid" steunende praktijken van belang zijn voor de versterking en verbetering van de veiligheidsnormen, alsook voor de gezondheid en de arbeidsomstandigheden;

42.  brengt in herinnering dat hoogwaardige opleiding bijdraagt tot de luchtvaartveiligheid; wijst nadrukkelijk op de essentiële rol die EASA speelt, onder meer via zijn "virtuele academie", bij de vaststelling van gemeenschappelijke opleidings- en veiligheidsnormen voor piloten, bemanningsleden en verkeersleiders, en vraagt de lidstaten te investeren in een leven lang leren en opleiding in alle onderdelen van de waardeketen in de luchtvaart, aangezien het succes van de Europese luchtvaart in hoge mate afhankelijk is van gekwalificeerde werknemers en innovatie; ziet in dat eventuele vaardigheidslacunes moeten worden aangepakt; benadrukt het belang van partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, onderzoekscentra en de sociale partners om de opleidingsprogramma's te actualiseren en aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten duale opleidingsmodellen op het gebied van luchtvaarttechniek te versterken en deze uit te breiden door middel van internationale samenwerking;

44.  moedigt de Commissie aan om concrete initiatieven voor te stellen om de werknemersrechten te beschermen; vraagt de lidstaten alle personeelsleden in de luchtvaartsector fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te garanderen, waaronder gezondheid en veiligheid op het werk, ongeacht de grootte en de aard van de onderneming waarvoor zij werken, de plaats waar zij werken of het onderliggende contract;

45.  merkt op dat alle luchtvaartmaatschappijen die in de EU actief zijn, de Europese en nationale sociale en arbeidsregelgeving volledig in acht moeten nemen; wijst erop dat er op het vlak van arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming grote verschillen bestaan tussen de lidstaten en dat ondernemingen de vrijheid van vestiging gebruiken om de kosten te drukken; dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan deze schadelijke concurrentie; vraagt de Commissie en de lidstaten voorstellen in te dienen om te voorkomen dat indirecte werkgelegenheid in de luchtvaartsector wordt misbruikt om de Europese en nationale belasting- en socialezekerheidswetgeving te omzeilen; verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale misbruiken en omzeiling van arbeidsnormen te voorkomen door mensen die informatie verstrekken, bescherming te garanderen, open rapportage te faciliteren en samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten te bevorderen; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de toepassing en correcte handhaving van het arbeidsrecht, de sociale wetgeving en de collectieve overeenkomsten voor luchtvaartmaatschappijen die in een bepaalde lidstaat actief zijn;

46.  onderstreept dat het recht om een vakbond op te richten, zich bij een vakbond aan te sluiten en collectieve actie te ondernemen, een grondrecht is en moet worden geëerbiedigd, zoals is bepaald in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; verwerpt elke poging om het stakingsrecht in de luchtvaartsector te ondergraven; wijst op het belang van sterke, onafhankelijke sociale partners in de luchtvaartsector, een regelmatige, geïnstitutionaliseerde sociale dialoog op alle niveaus en participatie en vertegenwoordiging van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden; dringt aan op een gedegen raadplegingsproces en een versterkte sociale dialoog voorafgaande aan EU-initiatieven met betrekking tot de luchtvaartsector; is ingenomen met de pogingen van de sociale partners om een overeenkomst te bereiken over de arbeidsvoorwaarden en sociale rechten van werknemers in de Europese luchtvaartsector; moedigt hen aan om, in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk, in alle delen van de luchtvaartsector collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, aangezien deze een doeltreffend instrument zijn om een nivellering naar beneden op het gebied van sociale, arbeids- en werkgelegenheidsnormen te bestrijden en alle werkenden een behoorlijk loon te garanderen;

47.  is van mening dat geen enkele werknemer in onzekerheid mag worden gelaten over de vraag welke arbeidswetgeving van toepassing is en of hij recht heeft op sociale zekerheid; wijst in dit verband op de bijzondere situatie van zeer mobiele werknemers in de luchtvaartsector, en vraagt om een betere coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in de EU; benadrukt dat de noodzaak van meer duidelijkheid over het toepasselijke recht en de bevoegde rechtbanken ten aanzien van de arbeidsovereenkomsten van mobiele werknemers in de luchtvaartsector moet worden beoordeeld in nauw overleg met de vertegenwoordigers van die werknemers;

o
o   o

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) EESC, AC TEN/581.
(2) PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3.
(3) PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3.
(4) PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1.
(5) PB C 382 van 15.10.2016, blz. 1.
(6) https://ec.europa.eu/transport/media/events/event/high-level-conference-2015-social-agenda-transport_en
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0049.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0394.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0392.
(10) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 5.
(11) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 658.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0220.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0221.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0092.
(15) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 217.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0390.
(17) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 2.
(18) https://english.eu2016.nl/documents/reports/2016/01/20/report-aviation-summit-2016


Vertraagde uitvoering van operationele programma's ESI-fondsen - effect op cohesiebeleid en de verdere voortgang
PDF 264kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma’s van de ESI-fondsen – gevolgen voor het cohesiebeleid en verdere actie (2016/3008(RSP))
P8_TA(2017)0055B8-0149/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid(1),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(3),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over “Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen”(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over “Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020”(6),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma’s van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) – gevolgen voor het cohesiebeleid en verdere actie (O-000005/2017 – B8-0202/2017),

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de late afronding van de onderhandelingen over het MFK voor de periode 2014-2020 en de late vaststelling van de verordeningen inzake de ESI-fondsen heeft geleid tot vertragingen bij de vaststelling en de uitvoering van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma’s, de aanwijzing van de beheers-, certificerings- en controle-instanties, het proces voor het bepalen en het vervullen van ex-antevoorwaarden en de uitvoering van projecten op lokaal, regionaal en nationaal niveau; overwegende dat feitelijke informatie over en analyses van de redenen voor deze vertragingen weliswaar ontbreken, maar dat dit in het eerste deel van de programmeringsperiode gevolgen heeft voor de mogelijkheden van de ESI-fondsen om het concurrentievermogen te vergroten en de sociale, economische en territoriale cohesie te verbeteren;

B.  overwegende dat er nu 564 operationele programma’s van de ESI-fondsen zijn goedgekeurd en dat de Commissie kennisgevingen van de aanwijzing van instanties heeft ontvangen voor 374 operationele programma's; overwegende dat tussentijdse betalingen niet kunnen plaatsvinden zonder de aanwijzing van beheersinstanties; overwegende dat er volgens de beschikbare gegevens per 30 november 2016 tussentijdse betalingen voor een bedrag van 14 750 miljard EUR zijn uitgevoerd, wat lagere betalingsbehoeften impliceert dan aanvankelijk geraamd;

C.  overwegende dat in dezelfde fase van de vorige programmeringsperiode, ondanks soortgelijke vertragingen en technische belemmeringen in verband met de vereiste inzake beheers- en controlesystemen, al in juli 2009 een besteding van tussentijdse betalingen werd opgetekend, en dat de uitvoering van de programma’s van het cohesiebeleid, volgens de in de begroting voor 2010 opgenomen betalingskredieten, dat jaar naar verwachting op kruissnelheid zou komen;

D.  overwegende dat het huidige niveau van tussentijdse betalingen een relatief klein deel van de totale toewijzing aan het programma uitmaakt aangezien de programmeringsperiode al aardig gevorderd is; overwegende dat het Parlement aan de hand van de prognoses van de lidstaten van de herfst van 2016 vreest dat hetzelfde lage tempo zal worden aanhouden;

E.  overwegende dat de vertraagde tenuitvoerlegging en bijgevolg de lagere betalingsbehoeften in 2016 al hebben geleid tot een verlaging van de betalingen in rubriek 1b met 7,2 miljard EUR via ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2016; overwegende dat in dezelfde fase in de programmeringsperiode van 2007-2013 een dergelijk ontwerp van gewijzigde begroting niet nodig was; overwegende dat er in 2017 sprake zal zijn van een verlaging van de betalingskredieten met bijna 24 % ten opzichte van 2016;

F.  overwegende dat nauwere samenwerking tussen de lidstaten en de Europese instellingen ten zeerste aanbevolen is om de betalingskredieten voor het cohesiebeleid in de EU-begroting voor 2018 te stabiliseren op een bevredigend niveau en erop toe te zien dat het algemene betalingsplan voor de periode 2014-2020 wordt nageleefd, of in voorkomend geval wordt aangepast aan de dan geldende situatie;

G.  overwegende dat de administratieve capaciteit op zowel nationaal als regionaal en lokaal niveau een cruciale voorwaarde is voor de geslaagde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

1.  wijst nogmaals op de bijdrage van de investeringen uit de ESI-fondsen aan het verminderen van de economische, sociale en territoriale ongelijkheden binnen en tussen de Europese regio’s, en aan de totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid; spreekt daarom zijn bezorgdheid uit over het feit dat verdere vertraging bij de uitvoering van de operationele programma’s in het kader van het cohesiebeleid een ongunstige weerslag zal hebben op de verwezenlijking van deze doelstellingen, waardoor bovendien de verschillen in regionale ontwikkeling groter zullen worden;

2.  onderkent dat de invoering van verscheidene nieuwe vereisten, zoals thematische concentratie, ex-antevoorwaarden en financieel beheer weliswaar heeft geleid tot beter presterende programma’s, maar in de context van de late vaststelling van het wetgevingskader heeft bijgedragen tot de vertragingen bij de uitvoering; vestigt de aandacht op de risico’s van het huidige lage tempo van uitvoering als gevolg waarvan de komende jaren grote bedragen aan kredieten geannuleerd moeten worden, en benadrukt dat de nodige maatregelen moeten worden genomen om dit te vermijden; verzoekt de Commissie aan te geven welke maatregelen zij op dit gebied wil gaan nemen;

3.  benadrukt dat deze vertraging bij de uitvoering tot gevolg heeft dat bij de benutting van de financieringsinstrumenten in het kader van de operationele programma’s van de ESI-fondsen de reeds bestaande risico’s van lage uitbetalingspercentages, een buitensporig hoog dotatiekapitaal, het onvermogen om voldoende particulier kapitaal aan te trekken, een gering hefboomeffect en problemen met het revolveren, kunnen toenemen; merkt op dat er verdere ophelderingen en maatregelen nodig zijn zodat de lidstaten dezelfde capaciteit hebben om met de financieringsinstrumenten een hefboomeffect te kunnen genereren, en verzoekt de lidstaten evenwichtig gebruik te maken van deze door de Commissie en de EIB ingevoerde instrumenten; wijst tevens op de mogelijkheid om financiering uit de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te combineren, teneinde de teruglopende investeringen aan te pakken, vooral in bedrijfstakken die het meest geschikt zijn om groei en werkgelegenheid een impuls te geven;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestaande flexibiliteit in het kader van het stabiliteits- en groeipact ten volle te benutten, gezien het feit dat de economische crisis in vele lidstaten tot liquiditeitstekorten en een gebrek aan beschikbare overheidsmiddelen voor openbare investeringen heeft geleid en dat financiering uit hoofde van het cohesiebeleid de belangrijkste bron van openbare investering aan het worden is;

5.  verzoekt de Commissie dan ook om in nauwe samenwerking met de lidstaten en op basis van een objectieve analyse van de factoren die bijdragen aan de huidige vertragingen, in het eerste kwartaal van 2017 een “plan voor versnelde uitvoering van het cohesiebeleid” voor te leggen om sneller vooruitgang te boeken met de operationele programma’s van de ESI-fondsen; onderstreept echter in dit verband dat er behoefte is aan lage foutenpercentages, de bestrijding van fraude en de versterking van de administratieve capaciteit op nationaal, regionaal en lokaal niveau als basisvoorwaarden om tijdige en succesvolle resultaten te boeken; is van mening dat er na de analyse van het Samenvattend verslag 2016 van de jaarlijkse verslagen over de uitvoering van het programma betreffende de uitvoering in 2014-2015, dat de Commissie eind 2016 heeft uitgebracht, maatregelen op maat moeten volgen, en verzoekt de lidstaten de voortgang bij de uitvoering van de projecten constant bij te houden; benadrukt in dit verband de behoefte en de meerwaarde van gebundelde inspanningen voor de bedrijfstakken die op het vlak van de thematische doelstellingen prioriteit genieten; verzoekt de Commissie bovendien steun te blijven bieden via de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging en een actieplan met haar activiteiten voor te leggen aan het Parlement;

6.  vindt de vertragingen bij de aanwijzing van de beheers-, certificerings- en controle-instanties zorgelijk, aangezien daardoor vertragingen ontstaan bij de indiening van betalingsaanvragen; verzoekt de lidstaten dan ook het aanwijzingsproces af te ronden, en verzoekt de Commissie om technische bijstand en advies te verlenen aan de beheers-, certificerings- en controle-instanties, teneinde de tenuitvoerlegging van operationele programma’s ter plaatse te vergemakkelijken en te versnellen, waaronder de voorbereiding van projectontwerpen, de vereenvoudiging en versnelling van het systeem voor financieel beheer en financiële controle, en aanbestedings- en controleprocedures;

7.  onderkent dat een snellere en doeltreffendere uitvoering van de operationele programma’s in het kader van de ESI-fondsen rechtstreeks samenhangt met een grotere mate van vereenvoudiging; neemt in dit verband kennis van de prioriteiten in het kader van het Omnibus-voorstel; stipt echter aan dat er verdere inspanningen moeten worden geleverd, met name voor de aanpak van projectbeheerskosten, de heterogeniteit en veelvuldige wijzigingen van de regelgeving, de complexe goedkeuringsprocedures voor grote projecten, openbare aanbestedingen, onopgeloste eigendomsverhoudingen, langdurige vergunnings- en besluitvormingsprocedures, het probleem van het met terugwerkende kracht toepassen van audit- en controlenormen, te late betalingen aan de begunstigden, moeilijkheden bij het combineren van ESIF-financiering met andere financieringsbronnen, staatssteunregels en een trage geschillenbeslechting; verzoekt de Commissie te zorgen voor goede coördinatie, de staatssteunregels veel eenvoudiger te maken en erop toe te zien dat ze stroken met het cohesiebeleid: herinnert eraan dat er ook inspanningen geleverd moeten worden om de communicatie over de resultaten van de investeringen uit de ESI-fondsen te verbeteren;

8.  verzoekt de Commissie oplossingen te verzinnen en uit te werken, waaronder aanvullende vormen van flexibiliteit, zoals flexibiliteit bij de prioriteiten en de operationele programma’s op verzoek van de desbetreffende beheersinstanties, door de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken maar daarbij wel de vereiste stabiliteit en voorspelbaarheid te garanderen, en het voorstel om kredieten, ook uit rubriek 1b, die geannuleerd zijn omdat ze slechts ten dele of helemaal niet zijn aangesproken, naar de EU-begroting te laten terugvloeien, mede met het oog op de komende programmeringsperiode;

9.  dringt erop aan meer inspanningen te leveren om voor synergie tussen de financieringsmogelijkheden van de EU, zoals de ESI-fondsen, Horizon 2020 en het EFSI, te zorgen door middel van gezamenlijke financiering, nauwe samenwerking tussen de bevoegde instanties en steun voor acties op het gebied van slimme specialisatie, en door middel van nauwere samenwerking met nationale instanties die preferentiële leningen verstrekken voor projecten die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de operationele programma’s;

10.  dringt aan op een betere communicatie tussen de structuren van de Commissie onderling (de directoraten-generaal in kwestie), de Commissie en de lidstaten, en met de nationale en regionale autoriteiten, aangezien dit van cruciaal belang is om de absorptiegraad en de kwaliteit van de acties in het kader van het cohesiebeleid te kunnen verhogen;

11.  wijst op de meerwaarde van het hanteren van een prestatiegerichte aanpak, en is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om het beleid ook in de praktijk te laten slagen; neemt kennis van de conclusies van het Samenvattend verslag 2016 van de jaarlijkse verslagen over de uitvoering van het programma betreffende de uitvoering in 2014-2015, en kijkt uit naar het volgende strategische verslag van de Commissie dat gepland staat voor het eind van 2017 en waarin meer informatie wordt gegeven over de uitvoering van de prioriteiten, aan de hand van de financiële gegevens, de gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren en gekwantificeerde streefwaarden en de vorderingen op weg naar de mijlpalen, alsook de stand van zaken bij de uitvoering van de actieplannen in verband met de ex-antevoorwaarden waaraan nog niet is voldaan(7);

12.  wijst op het bestaande betalingsplan 2014-2020; verzoekt de Commissie, gezien de bepalingen inzake doorhaling van vastleggingen, een adequaat betalingsplan tot 2023 op te stellen en voor rubriek 1b zo nodig hogere betalingsplafonds voor te stellen tot het einde van de huidige programmeringsperiode; spoort de Commissie en de lidstaten aan om e-Cohesie volledig operationeel en gebruiksvriendelijk te maken met het oog op de aanpassing van het betalingsplan aan concrete ontwikkelingen, en het “plan voor versnelde uitvoering van het cohesiebeleid” voor te bereiden; verzoekt de lidstaten dan ook om gegevens in te voeren over projectontwerpen, aanbestedingsplannen met geplande en werkelijke data voor inschrijving, aanbesteding en uitvoering alsmede alle financiële en boekhoudkundige gegevens met betrekking tot facturen, cofinanciering, subsidiabiliteit van de uitgaven, enz.;

13.  verwacht dat de Commissie de discussies over deze onderwerpen voortzet in het Cohesieforum en in het zevende cohesieverslag oplossingen aanreikt om het cohesiebeleid volledig ten uitvoer te leggen en te voldoen aan de investeringsbehoeften van de EU; wil ook dat de nodige stappen worden ondernomen om tijdig te kunnen aanvangen met de programmeringsperiode na 2020;

14.  verzoekt de Commissie lering te trekken uit de informatie in de jaarverslagen, met het oog op het debat over het cohesiebeleid na 2020;

15.  dringt er bij de Commissie op aan uiterlijk aan het begin van 2018 het wetgevingspakket voor de volgende programmeringsperiode in te dienen en vlotte en tijdige onderhandelingen over het MFK voor de periode na 2020 mogelijk te maken, met inbegrip van een buffer in de regelgeving en procedures, om te voorkomen dat investeringen in het kader van het cohesiebeleid en de uitvoering van dat beleid systeemschokken ondervinden; is van mening dat er naar behoren rekening moet worden gehouden met het resultaat van het Britse referendum en de komende afspraken in verband met de brexit;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Comité van de Regio’s, de lidstaten en hun nationale en regionale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0217.
(2) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 50.
(3) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 56.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.
(7) Noodzakelijke update na de publicatie van het Samenvattend verslag 2016 van de jaarlijkse verslagen over de uitvoering van het programma betreffende de uitvoering in 2014-2015.

Juridische mededeling