Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2302(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0139/2017

Ingediende teksten :

A8-0139/2017

Debatten :

PV 18/05/2017 - 8
CRE 18/05/2017 - 8

Stemmingen :

PV 18/05/2017 - 11.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0222

Aangenomen teksten
PDF 280kWORD 51k
Donderdag 18 mei 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU
P8_TA(2017)0222A8-0139/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 18 mei 2017 over een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU (2016/2302(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (de GB‑verordening), en de in de relevante artikelen van deze verordening bedoelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(6),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(7),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over "Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie"(8),

–  gezien het advies van de Commissie regionale ontwikkeling in het verslag van de Commissie begrotingscontrole getiteld "Europese Investeringsbank (EIB) – Jaarverslag 2014" (A8-0050/2016),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen(9),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie van 23 juli 2014, getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid" (COM(2014)0473),

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van augustus 2016 getiteld "Evaluatie achteraf van de cohesiebeleidsprogramma's 2007‑2013, met specifieke aandacht voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds (CF)",

–  gezien het verslag van de Commissie van 30 oktober 2014 getiteld "Financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 140, lid 8, van het Financieel Reglement door de algemene begroting worden ondersteund – situatie per 31 december 2013" (COM(2014)0686),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten van 26 november 2015 over artikel 42, lid 1, onder d), van de GB‑verordening – Subsidiabele beheerskosten of ‑vergoedingen,

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten van 10 augustus 2015 over artikel 37, leden 7, 8 en 9, van de GB‑verordening – Combinatie van steun uit een financieringsinstrument met andere vormen van steun,

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten van 27 maart 2015 over artikel 37, lid 2, van de GB‑verordening – Ex‑antebeoordeling,

–  gezien de beknopte naslaggids van de Commissie voor de managementautoriteiten van 2 juli 2014 getiteld "Financiële instrumenten in de ESIF-programma's 2014‑2020",

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van november 2016 getiteld "Financiële instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen – Gegevens over de vooruitgang die geboekt is bij de financiering en de uitvoering van de financieringsinstrumenten tijdens de programmeringsperiode 2014‑2020, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad",

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van december 2015 getiteld "Gegevens over de vooruitgang die geboekt is bij de financiering en de uitvoering van de financieringsinstrumenten tijdens de programmeringsperiode 2014‑2020, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad",

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van september 2014 getiteld "Samenvatting van gegevens over de geboekte vooruitgang bij de financiering en uitvoering van financieringsinstrumenten, gerapporteerd door de managementautoriteiten, overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 13 november 2015 getiteld "Activiteiten met betrekking tot financieringsinstrumenten" (bij het Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 140, lid 8, van het Financieel Reglement door de algemene begroting worden ondersteund – situatie per 31 december 2014) (SWD(2015)0206),

–  gezien Speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU‑begroting via financieringsinstrumenten – Lessen die uit de programmeringsperiode 2007‑2013 moeten worden getrokken",

–  gezien Speciaal verslag nr. 5/2015 van de Europese Rekenkamer getiteld "Zijn financiële instrumenten een succesvol en veelbelovend instrument op het gebied van plattelandsontwikkeling?",

–  gezien Speciaal verslag nr. 16/2014 van de Europese Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU",

–  gezien Speciaal verslag nr. 2/2012 van de Europese Rekenkamer getiteld "Door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling gecofinancierde financiële instrumenten voor het midden- en kleinbedrijf",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 14 oktober 2015 getiteld "Financiële instrumenten ter ondersteuning van territoriale ontwikkeling",

–  gezien het eindverslag van de Europese Investeringsbank van maart 2013 getiteld "Financiële instrumenten: stand van zaken met het oog op de programmeringsperiode 2014‑2020",

–  gezien de studie van oktober 2016 getiteld "Financiële instrumenten in de programmeringsperiode 2014‑2020: eerste ervaringen van de lidstaten", uitgevoerd in opdracht van het Directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en cohesiebeleid,

–  gezien de studie van maart 2016 getiteld "Evaluatie van de rol van de EIB‑groep in het Europese cohesiebeleid", uitgevoerd in opdracht van het Directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en cohesiebeleid,

–  gezien de briefing van de Europese Parlementaire Onderzoeksdienst van mei 2016 over de uitdagingen voor het EU‑cohesiebeleid en vraagstukken voor de komende hervorming na 2020,

–  gezien de infopagina van de Europese Parlementaire Onderzoeksdienst van september 2015 over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in de EU28,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0139/2017),

A.  overwegende dat de nakende herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) halverwege de programmeringsperiode 2014‑2020 aanleiding geeft tot een discussie over de mix van subsidies en financieringsinstrumenten die via de EU‑begroting moeten worden geïnvesteerd tijdens de programmeringsperiode na 2020;

B.  overwegende dat het omnibusvoorstel (COM(2016)0605) de enige mogelijkheid vormt voor een reeks verbeteringen op de middellange termijn van het systeem waaronder de lopende programmeringsperiode valt;

C.  overwegende dat de term "financieringsinstrumenten" een verscheidenheid van instrumenten bestrijkt en de beoordeling en besluiten over het gebruik ervan een constante gedetailleerde analyse van geval tot geval vereisen, gekoppeld aan een beoordeling van de specifieke behoeften van lokale en regionale economieën of van een bepaalde doelgroep;

Programmeringsperiode 2007‑2013 – Betrouwbare investeringen via subsidies en financieringsinstrumenten

1.  erkent dat, hoewel de financieringsinstrumenten vóór de financiële en economische crisis werden ontwikkeld en niet de meest geschikte waren voor een economische crisiscontext, de rapportage van de Commissie overtuigend aantoont dat de investeringen van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI‑fondsen) via subsidies en financieringsinstrumenten een aanzienlijke impact en tastbare resultaten hebben gehad, door investeringen in EU‑regio's voor een bedrag van 347,6 miljard EUR, exclusief nationale cofinanciering en bijkomende gemobiliseerde middelen;

2.  is verheugd over de resultaten van de maatregelen in het kader van het cohesiebeleid van de Europese Investeringsbank (EIB), die zoals uit jaarverslagen en sectorverslagen blijkt, een aanzienlijke impact hebben gehad op kmo's en midcaps, infrastructuur, onderzoek en innovatie, milieu, energie en landbouw; stelt vast dat de EIB leningen ten behoeve van het cohesiebeleid voor de periode 2007‑2013 worden geraamd op 147 miljard EUR, ofwel ca. 38 % van alle verstrekte leningen in de EU;

Programmeringsperiode 2014‑2020 – Een nieuwe manier van investeren via de ESI‑fondsen

3.  is verheugd dat de EU in de periode 2014‑2020 naar verwachting 454 miljard EUR zal investeren via de ESI‑fondsen, en dat dit bedrag dankzij nationale cofinanciering voor investeringen via subsidies en financieringsinstrumenten zou oplopen tot 637 miljard EUR;

4.  bevestigt dat zowel de omvang als de kwaliteit van de financieringsinstrumenten (in de vorm van microkredieten, leningen, garanties, aandelenkapitaal en risicokapitaal) onder gedeeld beheer in het kader van het cohesiebeleid zijn toegenomen; wijst op de twee belangrijkste redenen voor deze trend: het feit dat tijdens de periode 2007‑2013 waardevolle ervaring kon worden opgedaan en lessen konden worden getrokken wat betreft de implementatie van de ESI‑fondsen via subsidies en financiële instrumenten, terwijl tijdens de periode 2014‑2020 na de crisis als gevolg van budgettaire beperkingen de behoefte aan meer financieringsinstrumenten zich deed gevoelen;

5.  merkt op dat de toewijzingen in het kader van financieringsinstrumenten van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) volgens ramingen bijna zouden verdubbelen tussen 2007‑2013, toen zij 11,7 miljard EUR bedroegen, en 2014‑2020, wanneer zij 20,9 miljard EUR zouden bedragen; merkt op dat de financieringsinstrumenten op deze manier 6 % uitmaken van de 351,8 miljard EUR aan totale toewijzingen in het kader van het cohesiebeleid in 2014‑2020, tegenover 3,4 % van de toegewezen 347 miljard EUR in 2007‑2013;

6.  merkt op dat de toewijzingen uit het Cohesiefonds ongeveer 75 miljard EUR bedragen, wat overeenkomt met 11,8 % van de totale toewijzingen via financieringsinstrumenten in de periode 2014‑2020; is ingenomen met de stijging van de toewijzing van 70 miljard EUR in de periode 2007‑2013 tot 75 miljard EUR in de periode 2014‑2020; wijst erop dat de toewijzing aan het Cohesiefonds niet mag worden verlaagd, gezien het feit dat 34 % van de EU‑bevolking in een regio woont die steun uit het Cohesiefonds ontvangt;

7.  neemt kennis van het feit dat 21 lidstaten op 31 december 2015 in het kader van het huidige MFK in totaal 5 571,63 miljoen EUR aan voor operationele programma's bestemde bijdragen aan financieringsinstrumenten hebben toegewezen, waarvan 5 005,25 miljoen EUR uit het EFRO en het Cohesiefonds;

8.  verwelkomt het feit dat ingrijpende wijzigingen van de regelgeving op het gebied van de programmering, de uitvoering en het beheer van financieringsinstrumenten, zoals een direct verband met de elf thematische doelstellingen, passende verplichte ex‑antebeoordeling waardoor marktfalen kan worden herkend, en de vaststelling van specifieke of algemene financieringsinstrumenten en rapportagemechanismen, een kritische positieve impact kunnen hebben op de aantrekkelijkheid en het tempo van de uitvoering van de financieringsinstrumenten, door een antwoord te bieden op de rechtsonzekerheid die tijdens de periode 2007‑2013 is ontstaan; verzoekt echter om inspanningen om ervoor te zorgen dat de wijzigingen in kwestie niet van invloed zijn op de aantrekkelijkheid en het uitvoeringstempo van financieringsinstrumenten;

Subsidies en financieringsinstrumenten – De interventielogica bepaalt de mix

9.  onderstreept dat de subsidies en financieringsinstrumenten van de ESI‑fondsen – die geen doel op zich zijn – onder gedeeld beheer weliswaar dezelfde doelstellingen van het cohesiebeleid ondersteunen, maar een andere interventielogica hebben en qua aanpak van de territoriale ontwikkelingsbehoeften, beleidsterreinen en marktbehoeften anders functioneren;

10.  erkent dat, afhankelijk van het soort project, subsidies in vergelijking met financieringsinstrumenten diverse voordelen bieden: ondersteuning van projecten die niet noodzakelijkerwijs inkomsten genereren, financiering van projecten die om uiteenlopende redenen geen particuliere of publieke financiering kunnen aantrekken, ondersteuning van specifieke begunstigden, problemen of regionale prioriteiten, alsook eenvoudigere toepassing dankzij bestaande ervaring en capaciteit; erkent dat subsidies in bepaalde gevallen aan beperkingen zijn onderworpen: moeilijkheden om kwaliteit en duurzaamheid van projecten te verzekeren, risico om op lange termijn publieke financiering te vervangen en potentiële particuliere investeringen te verdringen, zelfs voor projecten met een revolverend karakter en die inkomsten kunnen genereren voor de terugbetaling van een op een lening gebaseerde financiering;

11.  erkent dat financieringsinstrumenten voordelen bieden: hefboom- en renouvelleringseffecten, het aantrekken van privékapitaal en het opvangen van een tekort aan investeringen via hoogwaardige betrouwbare projecten, waardoor de doeltreffendheid en efficiëntie van de uitvoering van het regionaal beleid worden verbeterd; erkent dat financieringsinstrumenten bepaalde nadelen met zich brengen, waardoor zij strijdig kunnen zijn met aantrekkelijkere nationale of regionale instrumenten: tragere tenuitvoerlegging in sommige regio's, grotere complexiteit, verlaging van het verwachte hefboomeffect van door de ESIF gesteunde financieringsinstrumenten, alsook in sommige gevallen hogere uitvoeringskosten en beheersvergoedingen; merkt op dat investeren via subsidies op bepaalde beleidsterreinen, zoals bepaalde soorten publieke infrastructuur, sociale diensten, onderzoeks- en innovatiebeleid of, in het algemeen, projecten die geen inkomsten genereren, de voorkeur heeft;

12.  wijst erop dat de interventielogica geen scheidslijn maar een raakpunt vormt tussen subsidies en financieringsinstrumenten, zodat een gelijk speelveld wordt gecreëerd en het cohesiebeleid kan beschikken over een waaier van maatregelen om beter tegemoet te komen aan de behoeften van de ontvangers en de investeringskloof te overbruggen; onderstreept dat de interventielogica in de programmering van de ESI‑fondsen berust op een bottom‑upbenadering en dat alle lidstaten en alle regio's de meest geschikte optie moeten overwegen wanneer zij vrij het aandeel vaststellen van de financieringsinstrumenten en subsidies, als instrumenten om een bijdrage te leveren aan de geselecteerde prioriteiten in hun respectieve operationele programma's, waarbij lokale en regionale autoriteiten moeten worden betrokken en een cruciale rol te vervullen hebben; herinnert eraan dat de managementautoriteiten degene zijn die vrij moeten besluiten over het soort financieringsinstrument dat het best geschikt is voor de uitvoering;

Prestaties van de financieringsinstrumenten – Uitdagingen

13.  erkent het belang van het gebruik van financieringsinstrumenten voor acties in het kader van het cohesiebeleid; is verheugd dat uit rapportage over de uitvoering van financieringsinstrumenten in 2015 is gebleken dat vooruitgang is geboekt, ondanks de late start van de huidige programmeringsperiode; merkt echter op dat de vorderingen qua uitvoering van de financieringsinstrumenten van de ESI‑fondsen sterk verschillen, niet alleen tussen, maar ook binnen de lidstaten; herinnert eraan dat ondanks de positieve ervaringen met en impact van het gebruik van financieringsinstrumenten tijdens de programmeringsperiode 2007‑2013 de prestaties te lijden hadden onder een aantal problemen: laattijdige start van de operaties, onjuiste marktevaluaties, variërende regionale benutting, in het algemeen lage uitbetalingspercentages, beperkt hefboomeffect, problemen met het revolveren, hoge beheerskosten en ‑vergoedingen en buitensporig hoge toewijzingen; herinnert eraan dat tegen 2015, nadat de Commissie bepaalde uitvoeringstermijnen van de financieringsinstrumenten had verlengd, een aantal van de vastgestelde tekortkomingen middels gerichte maatregelen waren ingeperkt;

14.  merkt op dat vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de ESI‑fondsen gevolgen kunnen hebben voor de uitbetalingspercentages, het revolveren en het hefboomeffect, waarbij dat laatste gebaseerd moet zijn op door internationale organisaties zoals de OESO gehanteerde definities en methodologieën, met een duidelijk onderscheid tussen publieke en particuliere bijdragen en een indicatie van de exacte omvang van het mogelijke hefboomeffect van elk van de financieringsinstrumenten, opgesplitst volgens land en regio; herinnert eraan dat vertragingen in de periode 2007‑2013 onherroepelijk hebben geleid tot ondermaatse prestaties van de financieringsinstrumenten van het EFRO en het ESF; beklemtoont dat vertragingen bij de tenuitvoerlegging die kunnen worden toegeschreven aan de late start van de programmeringsperiode in het nadeel kunnen werken van de prestaties van de financieringsinstrumenten van ESI‑fondsen, hetgeen zou kunnen leiden tot onjuiste evaluatieconclusies aan het einde van de periode; roept de lidstaten daarom op alle nodige stappen te nemen om de negatieve gevolgen van een vertraagde uitvoering te verhelpen, met name wat het risico van beperkte benutting en impact van de financieringsinstrumenten betreft;

15.  maakt zich grote zorgen over de reële mogelijkheid dat zich een herhaling voordoet van de geaccumuleerde achterstand van onbetaalde facturen in de tweede helft van het huidige MFK, aangezien dit ernstige gevolgen kan hebben voor ander door de EU gefinancierd beleid;

16.  wijst op de aanzienlijke verschillen doorheen de EU wat betreft de impact van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van de ESI‑fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de eerste resultaten van deze fondsen en het verwachte hefboomeffect van aanvullende middelen, alsook andere door de EU gesteunde financieringsinstrumenten in de best presterende economieën van de Unie, waardoor de doelstellingen van het cohesiebeleid worden ondermijnd; onderstreept dat deze instrumenten alleen algemeen succes kunnen kennen indien zij eenvoudig te gebruiken zijn en de lidstaten hun investeringen hiermee gemakkelijk kunnen beheren, en dat hiervoor precieze en gedifferentieerde indicatoren nodig zijn, die het mogelijk maken de werkelijke impact ervan op het cohesiebeleid te beoordelen;

Vereenvoudiging, synergieën en technische bijstand – Oplossingen

17.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de regelgeving te verbeteren en de bureaucratie terug te dringen; wijst erop dat de regeling ondanks deze verbeteringen toch complex blijft en dat problemen zoals de lange opstarttijd en aanzienlijke administratieve last voor begunstigden een ontradend effect hebben op het gebruik van financieringsinstrumenten; verzoekt de Commissie om nauw samen te werken met de EIB, het EIF en managementautoriteiten om de combinatie van microkredieten, leningen, garanties, aandelenkapitaal en risicokapitaal van de ESI‑fondsen aanzienlijk te vergemakkelijken en daarbij te zorgen voor dezelfde mate van transparantie, democratisch toezicht, verslaglegging en controle;

18.  merkt op dat specifieke bepalingen de flexibiliteit van maatregelen met financieringsinstrumenten beperken; wijst erop dat staatssteunregels bijzonder belastend blijken te zijn, met name wanneer subsidies met financieringsinstrumenten worden gecombineerd; roept de Commissie op om te zorgen voor een passend kader voor staatssteun en om verdere mogelijkheden te verkennen voor het vereenvoudigen van de naleving van staatssteunregels op de drie niveaus – managementautoriteiten, dakfonds en financiële tussenpersonen; verzoekt om een gelijk speelveld wat betreft staatssteunregels voor alle financieringsinstrumenten, ter voorkoming van een voorkeursbehandeling van bepaalde financieringsbronnen ten opzichte van andere, met name op het gebied van steun aan kmo's;

19.  onderstreept het belang van een evaluatie van de prestaties van financieringsinstrumenten, met inbegrip van een evaluatie van de maatregelen van de EIB‑groep in het kader van het cohesiebeleid; merkt op dat voor auditactiviteiten toegang wordt verleend tot de volledige cyclus van de ESI‑fondsen; verzoekt de Commissie en nationale autoriteiten om via het auditproces mogelijkheden voor vereenvoudiging en synergie vast te stellen; verzoekt de Commissie derhalve om werk te maken van een vergelijkende analyse van de subsidies en financieringsinstrumenten, verdere capaciteitsopbouw en methodologie en richtsnoeren voor auditprocessen, zonder de financiële en administratieve last voor begunstigden te vergroten;

20.  wijst erop dat de combinatie van subsidies en financieringsinstrumenten onbenut potentieel biedt; onderstreept dat naast richtsnoeren voor de autoriteiten ook een verdere vereenvoudiging en harmonisatie nodig is van de voorschriften voor het combineren van verschillende ESI‑fondsen, alsook van de voorschriften voor het combineren van ESI‑fondsen met instrumenten zoals Horizon 2020 en EFSI; pleit voor een betere regelgeving in de vorm van duidelijke, consequente en gerichte voorschriften om de regeldruk te verlichten door de bovengenoemde combinatie van middelen uit meer dan een programma van hetzelfde financieringsinstrument te vergemakkelijken en combinaties van microfinancieringsinstrumenten in ESF‑maatregelen mogelijk te maken, alsook door de openbare aanbestedingsprocedure voor de selectie van financiële tussenpersonen en voor de vorming van publiek-private partnerschappen verder te vereenvoudigen; pleit voor grotere samenhang tussen verschillende strategieën; onderstreept dat het combineren van subsidies en financieringsinstrumenten van de ESI‑fondsen met andere financieringsbronnen de financieringsstructuur aantrekkelijker kan maken voor begunstigden en openbare en particuliere investeerders vanwege een betere risicodeling en betere projectresultaten, en de instrumenten aldus zouden helpen te voorzien in groeipotentieel op de lange termijn;

21.  merkt op dat het gebruik van financieringsinstrumenten kan worden verbeterd via investeringspartnerschappen en dat publiek-private partnerschappen zorgen voor meer synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen en het noodzakelijke evenwicht tussen particuliere en openbare belangen handhaven; onderstreept dat het gebruik van financieringsinstrumenten in de context van initiatieven voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investering eveneens moet worden aangemoedigd;

22.  looft de bestaande technische bijstandsmaatregelen die de Commissie en de EIB‑groep momenteel aanbieden via het adviesplatform fi‑compass; betreurt dat de bijstand ter plaatse aan de autoriteiten en met name aan ontvangers van financieringsinstrumenten, inclusief EFSI, beperkt is, terwijl veel lokale en regionale autoriteiten technische problemen ondervinden en niet over de nodige vaardigheden en kennis beschikken om financieringsinstrumenten efficiënt toe te passen; dringt aan op technische bijstand, die in de eerste plaats gericht moet zijn op lokale en regionale spelers en alle betrokken partners, maar die niet mag worden gebruikt om de activiteiten van de nationale autoriteiten te financieren; dringt voorts aan op een gezamenlijk technische bijstandsplan van de Commissie en de EIB, dat zowel financieel als niet-financieel advies omvat, met name voor grote projecten, alsook capaciteitsopbouw, opleiding, ondersteuning en de uitwisseling van kennis en ervaring; dringt voorts aan op een combinatie van expertise, met inbegrip van juridisch advies, over de verordeningen betreffende het cohesiebeleid, financiële producten, staatssteun en overheidsopdrachten, gericht op nationale autoriteiten, fondsbeheerders en begunstigden, en wijst tegelijkertijd op het belang om dubbele structuren te vermijden;

23.  dringt er bij de Commissie op aan de zichtbaarheid van de ESI‑fondsen te vergroten en duidelijker te maken dat het om EU‑financiering gaat; dringt voorts aan op adequate en volledige informatie en voorlichting over de mogelijkheden voor EU‑financiering om het gebruik ervan voor de publieke en particuliere sector te stimuleren, gericht op potentiële begunstigden, met name jongeren;

De juiste financieringsmix vinden voor de periode na 2020 en de toekomst van het cohesiebeleid

24.  erkent dat uitdagingen zoals migratie en veiligheid of actuele en toekomstige politieke ontwikkelingen in de EU geen negatieve invloed mogen hebben op de investeringen via het cohesiebeleid of de doelstellingen en verwachte resultaten daarvan, inzonderheid na de lopende programmeringsperiode;

25.  erkent dat zowel subsidies als financiële instrumenten in het cohesiebeleid een specifieke eigen rol te vervullen hebben, maar dat zij beide in het teken staan van de elf thematische doelstellingen die ten doel hebben de vijf kerndoelen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te realiseren; benadrukt dat financieringsinstrumenten de subsidies niet moeten gaan vervangen als belangrijkste hulpmiddel voor de uitvoering van het cohesiebeleid, en onderstreept tegelijk de noodzaak om het revolverende karakter van de middelen in stand te houden, zodat zij opnieuw kunnen worden geïnvesteerd, naargelang van de sectoren en acties die zij kunnen ondersteunen;

26.  wijst erop dat financieringsinstrumenten betere resultaten opleveren in goed ontwikkelde en stedelijke gebieden waar financiële markten beter ontwikkeld zijn, terwijl de ultraperifere gebieden en regio's met een hoog werkloosheidspercentage en lage bevolkingsdichtheid moeilijkheden ondervinden om investeringen aan te trekken; wijst erop dat subsidies beter geschikt zijn voor het aanpakken van structurele regionale kwesties en regionaal evenwichtige financiering; onderstreept dat het succes van de financieringsinstrumenten van tal van factoren afhangt en dat het niet mogelijk is algemene conclusies te trekken op basis van een enkel criterium; merkt op dat bindende streefcijfers ten aanzien van het gebruik van financieringsinstrumenten in het cohesiebeleid na 2020 niet als een levensvatbare optie kunnen worden beschouwd; meent dat de uitbreiding van de financieringsinstrumenten geen invloed mag hebben op de niet-restitueerbare financiële bijdragen, omdat dit het evenwicht zou verstoren; onderstreept dat bij bepaalde overheidsmaatregelen overwegend subsidies moeten worden gebruikt, terwijl financieringsinstrumenten een aanvullende rol kunnen spelen, in volledige overeenstemming met passende ex‑antebeoordelingen en marktanalyses; dringt erop aan dat het gebruik van financieringsinstrumenten ook in Interreg-programma's wordt bevorderd, om deze beter af te stemmen op de doelstellingen van Europese territoriale samenwerking;

27.  herinnert eraan dat de ervaring met de uitvoering van ESI-fondsen aantoont dat financiering via een mix van subsidies en financieringsinstrumenten een antwoord biedt op landspecifieke situaties en tekortkomingen in de sociale, economische en territoriale cohesie; onderstreept dat er niet één standaardoplossing kan zijn voor de financieringsmix, wegens een aantal factoren: geografische ligging, beleidsterrein, soort en omvang van de begunstigde, administratieve capaciteit, marktsituatie, bestaan van concurrerende instrumenten, ondernemingsklimaat en economische en begrotingskoers;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(5) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.
(9) PB C 19 van 22.1.2014, blz. 4.

Juridische mededeling