Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2220(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0182/2017

Ingediende teksten :

A8-0182/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 19
CRE 12/06/2017 - 19

Stemmingen :

PV 13/06/2017 - 5.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0247

Aangenomen teksten
PDF 269kWORD 61k
Dinsdag 13 juni 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië
P8_TA(2017)0247A8-0182/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië (2016/2220(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van de mensenrechteninstrumenten van de VN, met name op het gebied van het recht op een nationaliteit, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954, het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Internationale Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden,

–  gezien andere VN-instrumenten inzake staatloosheid en het recht op een nationaliteit, zoals Conclusie nr. 106 van het uitvoerend comité van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) over de identificatie, preventie en beperking van staatloosheid, en de bescherming van staatlozen(1), zoals bekrachtigd bij resolutie nr. A/RES/61/137 van de Algemene Vergadering van de VN van 2006,

–  gezien de campagne van de UNHCR om tegen 2024 een einde te maken aan de staatloosheid(2) en de mondiale campagne voor gelijke nationaliteitsrechten, die wordt gesteund door de UNHCR, UN Women en andere, en die wordt onderschreven door de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de resolutie van de Raad voor de mensenrechten van de VN van 15 juli 2016 over de mensenrechten en de willekeurige ontneming van de nationaliteit (A/HRC/RES/32/5),

–  gezien de Verklaring en het actieprogramma van Wenen(3), aangenomen door de Wereldmensenrechtenconferentie van de VN op vrijdag 25 juni 1993,

–  gezien algemene aanbeveling nr. 32 van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) over de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en staatloosheid van vrouwen(4),

–  gezien de verklaring inzake mensenrechten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN)(5),

–  gezien artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarin staat dat de Europese Unie "in de betrekkingen met de rest van de wereld [...] [bijdraagt] tot [...] de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties",

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over het actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019(6),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2015 over staatloosheid(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma(9),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(10),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over Myanmar, en met name de situatie van de Rohingya(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(12),

–  gezien de studie "Addressing the Human Rights impact of statelessness in the EU's external action" van het directoraat-generaal Extern beleid van november 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0182/2017),

A.  overwegende dat de regio's Zuid-Azië en Zuidoost-Azië uit de volgende landen bestaan – Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Brunei, Cambodja, de Filipijnen, India, Indonesië, Laos, Maleisië, de Maldiven, Myanmar, Nepal, Oost-Timor, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam – die allemaal lid of waarnemer zijn hetzij van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN) hetzij van de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC);

B.  overwegende dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) bevestigt dat eenieder bij geboorte dezelfde waardigheid en rechten heeft; overwegende dat het recht op een nationaliteit en het recht dat iemands nationaliteit hem niet willekeurig mag worden ontnomen zijn neergelegd in artikel 15 van de UVRM en in andere internationale mensenrechteninstrumenten en -verdragen; overwegende dat het primaire doel van de internationale rechtsinstrumenten – bescherming van eenieders recht op een nationaliteit – nog moet worden verwezenlijkt;

C.  overwegende dat de rechten van de mens universeel, ondeelbaar en onderling afhankelijk en met elkaar verbonden zijn; overwegende dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden geboorterechten zijn van ieder mens en dat de bescherming en bevordering ervan de belangrijkste taak van regeringen is;

D.  overwegende dat het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat door alle Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen is geratificeerd, bepaalt dat alle kinderen onmiddellijk na de geboorte worden geregistreerd en het recht hebben om een nationaliteit te verwerven; overwegende dat naar schatting de helft van de staatlozen in de wereld kind is en dat velen van hen staatloos zijn vanaf hun geboorte;

E.  overwegende dat in de verklaring over de mensenrechten van ASEAN wordt bekrachtigd dat eenieder het recht op een nationaliteit heeft zoals vastgelegd bij wet en dat niemand op willekeurige wijze zijn nationaliteit mag worden ontnomen noch het recht mag worden ontzegd van nationaliteit te veranderen;

F.  overwegende dat in het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 een staatloze wordt gedefinieerd als een persoon "die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd"; overwegende dat de oorzaken van staatloosheid kunnen uiteenlopen en onder meer kunnen omvatten: statenopvolging en ontbinding van staten, in sommige gevallen gebeurtenissen in verband met gedwongen vlucht, migratie, en mensenhandel, alsook: veranderingen en lacunes in nationaliteitswetten, het verlopen van de nationaliteit door een lang verblijf buiten het eigen land, willekeurige ontneming van de nationaliteit, discriminatie op basis van gender, ras, etniciteit of andere gronden, administratieve en bureaucratische belemmeringen, onder meer bij het verkrijgen van geboortebewijzen; overwegende dat de meeste van deze oorzaken, zo niet alle, aangetroffen kunnen worden in Zuid- en Zuidoost-Azië;

G.  overwegende dat het belangrijk is erop te wijzen dat de status van staatloze iets anders is dan de status van vluchteling; overwegende dat de meeste staatlozen nooit hun geboorteplaats hebben verlaten of nooit een internationale grens zijn overgestoken;

H.  overwegende dat staatloosheid een probleem met vele facetten is en tot een breed scala aan ernstige mensenrechtenschendingen leidt, met onder meer problemen inzake geboortebewijzen en andere documenten met betrekking tot de burgerlijke staat, alsmede andere problemen in verband met eigendomsrechten, uitsluiting van kindergezondheidsprogramma's en openbare schoolsystemen, zeggenschap over bedrijven, politieke vertegenwoordiging en deelname aan verkiezingen, toegang tot sociale zekerheid en overheidsdiensten; overwegende dat staatloosheid kan bijdragen tot mensenhandel, willekeurige detentie, schending van de vrijheid van verkeer, uitbuiting en mishandeling van kinderen en discriminatie van vrouwen;

I.  overwegende dat er nog steeds weinig internationale aandacht is voor staatloosheid, ondanks de zeer zorgwekkende mondiale en regionale gevolgen voor de mensenrechten, en dat staatloosheid nog steeds wordt gezien als een binnenlandse aangelegenheid; overwegende dat het verminderen en uiteindelijk afschaffen van staatloosheid een internationale prioriteit op het gebied van de mensenrechten moet worden;

J.  overwegende dat wettelijke genderdiscriminatie, bijvoorbeeld bij het verwerven van een nationaliteit of het doorgeven van een nationaliteit aan een kind of echtgenoot, nog steeds bestaat in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen zoals Nepal, Maleisië en Brunei;

K.  overwegende dat volgens de UNHCR naar schatting 135 miljoen kinderen jonger dan vijf jaar in de regio niet zijn geregistreerd bij hun geboorte en staatloos dreigen te worden;

L.  overwegende dat het beëindigen van staatloosheid ook zal leiden tot meer democratie, aangezien voormalig staatlozen dan zullen worden opgenomen in en kunnen bijdragen aan het democratische proces;

M.  overwegende dat het complexe probleem van staatloosheid zich nog steeds in de uiterste kantlijn van het internationale recht en beleid bevindt, terwijl het geen ondergeschikte kwestie is;

N.  overwegende dat de ontwikkelingsperspectieven van de betrokken volkeren en de effectieve uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling door staatloosheid worden ondermijnd;

O.  overwegende dat het mondiaal actieplan 2014-2024 van de UNHRC om een einde te maken aan staatloosheid erop is gericht regeringen te ondersteunen om de bestaande belangrijkste situaties van staatloosheid tot een oplossing te brengen, nieuwe gevallen te voorkomen en staatloze bevolkingsgroepen beter te identificeren en te beschermen; overwegende dat in actie 10 van het actieplan wordt ook gewezen op de behoefte aan betere kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over staatloosheid; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht het actieplan actief te ondersteunen;

P.  overwegende dat in de conclusies van de Raad over het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie 2015‑-2019 wordt gewezen op het belang van het aanpakken van de problematiek van staatlozen in de betrekkingen met de prioritaire landen, en het richten van de inspanningen op het voorkomen dat bevolkingsgroepen staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten;

Q.  overwegende dat in het thematische gedeelte van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld van 20 september 2016 het streven van de EU wordt bekrachtigd om de samenhang, effectiviteit en zichtbaarheid van het aspect mensenrechten in het buitenlands beleid van de EU te vergroten en meer aandacht te besteden aan de betrokkenheid van de EU bij de VN en bij regionale mensenrechtenmechanismen om de regionale inbreng te bevorderen en het universele karakter van de mensenrechten te bepleiten, vooral met inbegrip van het lanceren van een eerste beleidsdialoog over mensenrechten met de mensenrechtenmechanismen van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN);

R.  overwegende dat de EU heeft besloten de mensenrechten een centrale plaats toe te kennen in haar betrekkingen met derde landen;

S.  overwegende dat staatloosheid volksverhuizingen, emigratie, en mensenhandel bevordert en daardoor hele subregio's destabiliseert;

T.  overwegende dat van de 10 miljoen staatlozen in de wereld velen in Zuid- en Zuidoost-Azië wonen, waarbij de Rohingya van Myanmar de grootste staatloze bevolkingsgroep ter wereld vormen met meer dan 1 miljoen personen die vallen onder het mandaat van de UNHCR om staatlozen te helpen; overwegende dat er echter ook grote gemeenschappen van staatlozen te vinden zijn in Thailand, Maleisië, Brunei, Vietnam, de Filipijnen en elders; overwegende dat staatloze Tibetanen wonen in landen zoals India en Nepal; overwegende dat sommige van deze groepen onder het staatloosheidsmandaat van de UNHCR vallen, maar andere groepen niet; overwegende dat de statistische dekking en de verslaglegging over staatloze populaties wereldwijd onvolledig is omdat niet alle landen statistieken hierover bijhouden; overwegende dat Zuid-Azië en Zuidoost-Azië beide lang aanslepende en onopgeloste gevallen hebben, alsmede gevallen waarin vooruitgang is geboekt;

U.  overwegende dat in de afgelopen jaren in Zuid- en Zuidoost-Azië enige vooruitgang is geboekt met wijzigingen van de wetten inzake nationaliteit waarin adequate bepalingen zijn opgenomen om staatloosheid te voorkomen en staatlozen toe te staan een nationaliteit aan te nemen; overwegende dat deze inspanningen moeten worden versterkt en dat de aangenomen wetten ook in de praktijk nageleefd moeten worden;

V.  overwegende dat de Rohingya een van 's werelds meest vervolgde minderheden en een van 's werelds grootste staatloze bevolkingsgroep vormen, en dat zij sinds de Birmese wet op het burgerschap van 1982 officieel staatloos zijn; overwegende dat de Rohingya bij de autoriteiten van Myanmar en in de buurlanden ongewenst zijn, hoewel sommige van die landen grote gemeenschappen vluchtelingen opvangen; overwegende dat zich in de staat Rakhine voortdurend botsingen voordoen; overwegende dat duizenden vluchtelingen die erin geslaagd zijn de grens met Bangladesh over te steken dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en gedwongen worden teruggestuurd, hetgeen een flagrante schending van het internationale recht inhoudt; overwegende dat de Rohingya op de vlucht zijn voor een beleid van collectieve bestraffing in Rakhine, waar de veiligheidstroepen volgens de berichten willekeurige vergeldingsaanvallen plegen, vanuit gevechtshelikopters op dorpsbewoners schieten, huizen in brand steken, willekeurige arrestaties verrichten en vrouwen en meisjes verkrachten; overwegende dat de binnenlandse en internationale respons op de verslechtering van de mensenrechten en de humanitaire crisis van de Rohingya verre van toereikend is en dat veel instrumenten om deze kwestie op te lossen nog niet zijn verkend;

W.  overwegende dat honderdduizenden zogenoemde "Bihari" niet werden behandeld als staatsburgers van Bangladesh, toen Pakistan na de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh weigerde hen te repatriëren; overwegende echter dat sinds 2003 in een aantal rechterlijke beslissingen is bevestigd dat de Bihari staatsburgers van Bangladesh zijn; overwegende dat een groot aantal Bihari nog steeds niet volledig geïntegreerd is in de Bengaalse samenleving en ontwikkelingsprogramma's en dat velen niet in staat zijn geweest hun herstelde rechten ten volle uit te oefenen;

X.  overwegende dat er vele andere staatloze bevolkingsgroepen in Zuid- en Zuidoost-Azië leven; overwegende echter dat zich de laatste jaren positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals in Indonesië, dat genderdiscriminatie heeft afgeschaft in de procedure voor het verkrijgen van de nationaliteit en zijn wet op de nationaliteit in 2006 heeft herzien, zodat Indonesische migranten die meer dan vijf jaar in het buitenland hebben gewoond, niet langer hun burgerschap verliezen indien dat leidt tot staatloosheid, of zoals in Cambodja waar de geboorteregistratie in de eerste 30 dagen na de geboorte gratis is geworden; in Vietnam waar sinds 2008 de naturalisatie wordt vereenvoudigd voor eenieder die meer dan 20 jaar als staatloze in Vietnam heeft gewoond, en in Thailand waar na de herziening van de wetgeving inzake de nationaliteit en het bevolkingsregister 23 000 staatlozen sinds 2011 de nationaliteit hebben gekregen;

Y.  overwegende dat het van het grootste belang is dat de regeringen en de betreffende autoriteiten van alle landen in de regio zich volledig houden aan het beginsel van non-refoulement en de vluchtelingen beschermen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de internationale normen inzake mensenrechten;

Z.   overwegende dat staatloze groepen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's voor bijstand op het gebied van gezondheid, voedsel, onderwijs en voeding;

1.  is bezorgd over de miljoenen staatlozen in de gehele wereld, met name in Zuid- en Zuidoost-Azië, en betuigt zijn solidariteit met alle staatlozen;

2.  is zeer bezorgd over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar; spreekt zijn afschuw uit over de meldingen van grootschalige mensenrechtenschendingen en aanhoudende onderdrukking en discriminatie van de Rohingya en het feit dat zij niet erkend worden als deel van de Birmese samenleving, in wat lijkt op een gecoördineerde etnische zuiveringscampagne; benadrukt dat de Rohingya sinds vele generaties op Birmees grondgebied wonen en het volste recht hebben op het Birmese staatsburgerschap, waarover zij in het verleden beschikten, en op alle rechten en verplichtingen die daaraan verbonden zijn; dringt er bij de Birmese regering en autoriteiten op aan het Birmese staatsburgerschap van de Rohingya-minderheid in ere te herstellen; dringt er voorts op aan onmiddellijk humanitaire organisaties, internationale waarnemers, ngo's en journalisten toe te laten in Rakhine; is van oordeel dat er onpartijdige onderzoeken moeten worden ingesteld, opdat verantwoordelijken voor schendingen van de mensenrechten ter verantwoording worden geroepen; is voorts van mening dat er dringende maatregelen nodig zijn om nieuwe vormen van discriminatie, vijandigheden of geweld ten aanzien van minderheden en het aanzetten tot dergelijke daden te voorkomen; verwacht dat Suu Kyi, winnares van de Nobelprijs voor de vrede en de Sacharov-prijs, haar verschillende functies in de regering van Myanmar gebruikt om een oplossing dichterbij te brengen;

3.  betreurt dat de status van staatloosheid soms wordt aangegrepen om bepaalde gemeenschappen te marginaliseren en hun hun rechten te ontnemen; is van mening dat de juridische, politieke en sociale inclusie van minderheden een sleutelelement van een democratische transitie is en dat het oplossen van staatloosheid bijdraagt aan meer sociale cohesie en politieke stabiliteit;

4.  wijst op het feit dat staatloosheid kan leiden tot ernstige humanitaire crises en brengt in herinnering dat staatlozen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's; onderstreept dat staatloosheid vaak neerkomt op een gebrekkige toegang tot onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, vrijheid van verkeer en veiligheid;

5.  is bezorgd over het gebrek aan gegevens over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië en over het feit dat er weinig of geen gegevens beschikbaar zijn landen als Bhutan, India, Nepal en Oost-Timor; is voorts bezorgd over het feit dat het, zelfs wanneer er algemene cijfers beschikbaar zijn, ontbreekt aan uitgesplitste gegevens over bijvoorbeeld vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen; wijst erop dat dit gebrek aan informatie het moeilijker maakt om gerichte acties uit te stippelen, onder meer in het kader van het UNHCR-campagne om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid; spoort de landen in Zuid- en Zuidoost-Azië krachtig aan om betrouwbare en openbare uitgesplitste gegevens over staatloosheid te produceren;

6.  wijst erop dat er ook positieve voorbeelden zijn, zoals het initiatief dat de Filipijnen in mei 2016 hebben genomen om te voorzien in de behoefte aan gegevens over het aantal staatloze kinderen in de regio en over hun situatie; verzoekt de EU om samenwerking en steun aan te bieden voor het volledig in kaart brengen van staatloosheid en om projecten te bedenken om een einde te maken aan staatloosheid in de regio;

7.  is zeer bezorgd over het feit dat de wetgeving van Brunei, Maleisië en Nepal discrimineert op basis van geslacht; benadrukt dat de bepalingen inzake het nationaliteitsrecht moeten worden geëvalueerd, met name die in het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

8.  is ingenomen met de positieve ontwikkelingen in de regio en met de inspanningen die de Filipijnen, Vietnam en Thailand leveren, en moedigt de landen in de regio aan om samen te werken en goede voorbeelden en acties te delen om in de hele regio een einde te maken aan staatloosheid;

9.  herinnert aan de situatie in de regio na beëindiging van de staatloosheid en aan het mensenrechtenbeginsel van participatie; pleit voor de opneming van met staatloosheid kampende gemeenschappen en voormalig staatlozen in ontwikkelingsprojecten en -planning; spoort regeringen en ontwikkelingsprojecten aan om discriminatie na beëindiging van staatloosheid aan te pakken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het CEDAW, dat gericht is op het bespoedigen van de feitelijke gelijkheid;

10.  erkent in kwesties zoals het burgerschap onder de nationale soevereiniteit vallen, maar dringt er toch bij de landen met staatloze bevolkingsgroepen op aan concrete stappen voor de oplossing van deze kwestie te nemen overeenkomstig de in internationale verdragen, met name het door al deze landen geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind, verankerde beginselen; wijst op de positieve ontwikkelingen die zich in de regio voordoen;

11.  dringt er bij de regering van Bangladesh op aan zich te verbinden aan een duidelijke routekaart voor de volledige tenuitvoerlegging van het vredesakkoord voor het Chittagong-heuvelgebied van 1997, zodat de ontheemde Jumma's, die momenteel als staatlozen leven in India, kunnen worden gerehabiliteerd;

12.  beveelt staten sterk aan om uitvoering te geven aan de in het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 neergelegde waarborg dat een in de staat geboren persoon de nationaliteit van die staat krijgt indien hij anders staatloos zou zijn;

13.  benadrukt het verband tussen staatloosheid en sociale en economische kwetsbaarheid; dringt er bij de regeringen van ontwikkelingslanden op aan de ontzegging, het verlies of de ontneming van nationaliteit op discriminerende gronden te voorkomen, billijke nationaliteitswetgeving aan te nemen en toegankelijke, betaalbare en niet-discriminerende procedures voor het krijgen van nationaliteitsdocumenten in te voeren;

14.  is verheugd over de toezegging van de Raad in zijn conclusies over het Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) om in de betrekkingen met de prioritaire landen de kwestie van de staatloosheid aan de orde te stellen en is voorts ingenomen met de toezegging van de Raad om zijn relatie met de ASEAN te versterken; beveelt aan de inspanningen verder te laten reiken dan de noodsituatie van bevolkingsgroepen die staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten, en ook te richten op andere relevante aspecten, zoals staatloosheid ten gevolge van discriminatie en van het ontbreken van een geboorteregistratie of inschrijving in het bevolkingsregister;

15.  herinnert aan de in het EU-Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) beloofde ontwikkeling van een gezamenlijk kader van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om staatloosheid aan de orde te stellen bij derde landen; benadrukt dat het uitwerken en verspreiden van een formeel kader nuttig zou zijn bij de ondersteuning die de Europese Unie biedt ter verwezenlijking van de UNHCR-doelstelling om staatloosheid tegen 2024 de wereld uit te helpen;

16.  verzoekt de EU om het ontwikkelen van mondiale oplossingen voor staatloosheid in combinatie met specifieke regionale en lokale strategieën te bevorderen, aangezien staatloosheid niet doeltreffend genoeg kan worden bestreden met één oplossing voor iedereen;

17.  meent dat de EU meer nadruk moet leggen op de grote impact van staatloosheid op mondiale kwesties, zoals de uitroeiing van armoede, de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de bevordering van de rechten van het kind en de noodzaak van bestrijding van illegale migratie en mensenhandel;

18.  is ingenomen met de goedkeuring van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16.9, die bepaalt dat aan iedereen een wettelijke identiteit en geboorteregistratie moet worden verstrekt; betreurt echter dat staatloosheid in de Agenda 2030 niet uitdrukkelijk wordt genoemd als discriminatiegrond dan wel als armoedebestrijdingsdoelstelling; verzoekt de EU en haar lidstaten te overwegen indicatoren voor stateloosheid op te nemen in hun monitorings- en verslaggevingsmechanismen bij de tenuitvoerlegging van de SDG's;

19.   benadrukt het belang van een doeltreffende communicatiestrategie inzake staatloosheid om de bewustwording rond dit onderwerp te vergroten; verzoekt de EU om meer en beter te communiceren over staatloosheid, in samenwerking met de UNHCR en via haar delegaties in de betreffende derde landen, en om zich te richten op de mensenrechtenschendingen die hebben plaatsgevonden als gevolg van staatloosheid;

20.  verzoekt de EU om een alomvattende strategie inzake staatloosheid te ontwikkelen op basis van twee maatregelenpakketten, waarbij het eerste pakket moet inspelen op noodsituaties en het tweede pakket langetermijnmaatregelen moet vaststellen om een einde te maken aan staatloosheid; is van mening dat de strategie gericht moet zijn op een beperkt aantal prioriteiten en dat de EU in noodsituaties het voortouw moet nemen om de bewustwording rond staatloosheid op internationaal niveau te vergroten;

21.  is van mening dat de alomvattende EU-strategie inzake staatloosheid moet kunnen worden aangepast aan de specifieke situaties waar staatlozen mee te maken krijgen; benadrukt dat er om passende maatregelen te definiëren een onderscheid moet worden gemaakt tussen staatloosheid die het gevolg is van een administratief capaciteitstekort en staatloosheid die het gevolg is van discriminerend overheidsbeleid tegen bepaalde gemeenschappen of minderheden;

22.  beveelt aan dat de lidstaten voorrang verlenen aan de ondersteuning van de positieve ontwikkelingen bij de aanpak van de staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië, en stelt een nieuwe allesomvattende beleidsbenadering voor met inbegrip van:

   het aanmoedigen van staten om toe te treden tot de verdragen inzake staatloosheid door de voordelen onder de aandacht te brengen in de bilaterale contacten tussen de parlementen en ministeries en op andere niveaus;
   het bijstaan van de sectorale organen van ASEAN en SAARC bij het ondersteunen van hun respectieve lidstaten om het recht op een nationaliteit verder te verwezenlijken en een einde te maken aan staatloosheid;
   het benadrukken van de waarde van het Verdrag inzake staatloosheid in multilaterale fora;
   het werken met staten om te pleiten voor de voordelen van het verzamelen van nationale gegevens over staatlozen en personen met een onbepaalde nationaliteit, aangezien de identificatie van staatlozen de eerste noodzakelijke stap voor de betreffende landen is om een einde te maken aan staatloosheid; de verzamelde gegevens zullen vervolgens worden gebruikt voor registratie, documentatie, verlening van overheidsdiensten, rechtshandhaving en ontwikkelingsplanning;
   het voortdurend onderstrepen dat geboorteregistratie gratis en eenvoudig toegankelijk moet zijn en op niet-discriminatoire basis moet geschieden;
   het constant benadrukken dat regelingen voor het beheer van nationale identiteiten identiteitsdocumenten moeten omvatten, evenals de verstrekking van dergelijke documenten aan alle personen op het grondgebied, met inbegrip van moeilijk bereikbare en gemarginaliseerde groepen die risico lopen op staatloosheid of die geen nationaliteit hebben;
   het ondersteunen van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen bij het verlenen van toegang tot onderwijs aan iedereen, met inbegrip van staatloze kinderen, omdat staatloosheid een groot obstakel vormt voor kinderen bij het verkrijgen van toegang tot gelijke onderwijskansen;
   het stimuleren van de belangrijke rol van innovatieve technologie door digitale geboorteregistratieprogramma's te gebruiken om de registratie en de archivering van dossiers te verbeteren;
   het aanpakken van de problematiek rond de inhoud en toepassing van nationaliteitswetten en de willekeurige ontneming of weigering van het recht op een nationaliteit op grond van etniciteit, die een belangrijke oorzaak van staatloosheid in de regio is;
   het aanmoedigen van de landen in de regio om te voorzien in de behoeften van vrouwen en om problemen op het gebied van seksueel en gendergeweld aan te pakken middels op mensenrechten steunende en gemeenschapsgerichte benaderingen, met name voor slachtoffers van mensenhandel;
   het aanpakken van de kwestie van de wetgeving inzake nationaliteit en genderdiscriminatie, aangezien sommige landen het moeders moeilijk en zelfs onmogelijk maken hun burgerschap aan hun kinderen door te geven;
   het garanderen dat alle ontwikkelingsprojecten en humanitaire hulp waaraan de EU financiële steun verleent, zo worden opgezet dat staatloosheid, telkens wanneer dat relevant is, aan de orde wordt gesteld;
   het opbouwen van de capaciteit van de betrokken EU-instellingen en -actoren om kwesties van staatloosheid te begrijpen, te evalueren, te programmeren en hierover verslag uit te brengen door middel van regelmatige verslaglegging over de prestaties van de EU bij de bestrijding van staatloosheid, onder meer door een hoofdstuk over staatloosheid op te nemen in het EU- jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld;
   het waarborgen dat staatloosheid, nationaliteit en burgerschap naar behoren aan bod komen in landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie, en dat die strategieën zijn gebaseerd op het beginsel dat iedereen, ongeacht zijn geslacht, ras, huidskleur, geloofsovertuiging of religie, nationale afkomst of het behoren tot een nationale of etnische minderheid, recht heeft op een nationaliteit; het aanpakken van het probleem van staatloosheid tijdens alle dialogen met de betreffende landen over politiek en mensenrechten;
   het opstellen van EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake staatloosheid om concrete meetbare doelstellingen te formuleren voor de EU-inspanningen om wereldwijd een einde te maken aan staatloosheid;
   het intensiveren van de dialoog over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië met relevante regionale en internationale organisaties, met de buurlanden van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen en met andere actieve landen in de regio;
   het garanderen dat deelnemers aan verkiezingsobservatiemissies zich, waar nodig, bewust zijn van kwesties inzake staatloosheid;
   het belichten van de noodzaak om de positie van regionale mensenrechtenorganen te versterken zodat die een actievere rol kunnen spelen in de identificatie en beëindiging van staatloosheid;
   het uittrekken van toereikende middelen in de begrotingen van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, van het Europees Ontwikkelingsfonds en van het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld voor ngo's en andere organisaties die zich inzetten voor staatloze gemeenschappen; het bevorderen van partnerschappen tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld en staatloze gemeenschappen om die gemeenschappen te emanciperen zodat zij voor hun rechten kunnen opkomen;
   het aanmoedigen van coördinatie tussen de landen voor het aanpakken van staatloosheid, met name wanneer deze grensoverschrijdende gevolgen heeft, met inbegrip van de uitwisseling van beste praktijken bij de tenuitvoerlegging van de internationale normen betreffende de bestrijding van staatloosheid;
   het zorgen voor de follow-up, zoals bewustmaking en technische ondersteuning van overheidsdiensten met het oog op capaciteitsopbouw, ook op plaatselijk niveau, wanneer zich positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan die in de praktijk moeten worden gebracht, zoals in Thailand, de Filipijnen, Vietnam en Bangladesh, waar het burgerschap van de Bihari, met inbegrip van hun stemrecht, werd hersteld;

23.  vraagt de regeringen van Brunei Darussalam, Maleisië en Nepal de vormen van genderdiscriminatie in hun nationaliteitswetgeving weg te werken en het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen;

24.  wijst op het verband tussen staatloosheid en gedwongen verplaatsing, met name in door conflicten getroffen regio's; herinnert eraan dat minstens 1,5 miljoen staatlozen vluchtelingen of voormalige vluchtelingen zijn, waaronder veel jonge vrouwen en meisjes;

25.  herinnert eraan dat er weinig documentatie bestaat en weinig wordt gerapporteerd over de staatloosheid in de wereld en dat de bestaande gegevens op verschillende definities zijn gebaseerd; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een uniforme definitie aan te nemen en de lacunes aan te pakken in de gegevensverzameling met het oog op het in kaart brengen van stateloosheid in ontwikkelingslanden, met name door de plaatselijke autoriteiten te helpen bij de invoering van passende methoden om staatlozen te kwantificeren, te identificeren en te registreren, en hun statistische capaciteiten te vergroten;

26.  verzoekt de Commissie te starten met het uitwisselen van goede praktijken tussen de lidstaten, pleit voor actieve coördinatie van nationale contactpunten voor staatloosheid en is ingenomen met de #IBelong-campagne;

27.  onderstreept de sleutelrol van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 waarin de instelling van wettelijke kaders is vereist voor de identificatie en bescherming van staatlozen en voor het voorkomen van staatloosheid, en die als een belangrijke eerste stap kunnen dienen voor staten die vooruitgang willen boeken bij het aanpakken van het probleem van de staatloosheid;

28.  is ingenomen met de EU-steun voor staatlozen in Zuid- en Zuidoost-Azië via diverse instrumenten en spoort de Unie aan haar inspanningen voort te zetten om de gevolgen van staatloosheid voor ontwikkeling, vrede en stabiliteit als een integraal onderdeel van haar programma's op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en, ruimer, van haar extern optreden aan te pakken.

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) http://www.unhcr.org/excom/exconc/453497302/conclusion-identification-prevention-reduction-statelessness-protection.html
(2) http://www.unhcr.org/protection/statelessness/54621bf49/global-action-plan-end-statelessness-2014-2024.html
(3) http://www.ohchr.org/Documents/ProfessionalInterest/vienna.pdf
(4) http://www.refworld.org/docid/54620fb54.html
(5) http://www.asean.org/wp-content/uploads/images/ASEAN_RTK_2014/6_AHRD_Booklet.pdf
(6) https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/council_conclusions_on_the_action_plan_on_human_rights_and_democracy_2015_-_2019.pdf
(7) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf
(8) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/12/04-council-adopts-conclusions-on-statelessness/
(9) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/06/20-fac-conclusions-myanmar-burma/
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316
(12) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 141.

Juridische mededeling