Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2147(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0209/2017

Ingediende teksten :

A8-0209/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 14
CRE 12/06/2017 - 14

Stemmingen :

PV 13/06/2017 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0253

Aangenomen teksten
PDF 228kWORD 65k
Dinsdag 13 juni 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020
P8_TA(2017)0253A8-0209/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma (2016/2147(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(1),

–  gezien Verordening (Euratom) nr. 1314/2013 van de Raad van 16 december 2013 tot vaststelling van een programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2014-2018) ter aanvulling van het "Horizon 2020"-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(3),

–  gezien Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1292/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(5),

–  gezien Besluit nr. 1312/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa(6),

–  gezien Verordeningen (EU) nrs. 557/2014, 558/2014, 559/2014, 560/2014 en 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014(7) en Verordening (EU) nr. 642/2014(8) van de Raad en 721/2014(9) van de Raad van 16 juni 2014 tot vaststelling van de gemeenschappelijke ondernemingen die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

–  gezien Besluiten nrs. 553/2014/EU, 554/2014/EU, 555/2014/EU en 556/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014(10) tot vaststelling van de P2P's krachtens artikel 185 die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

–  gezien de discussienota van 3 februari 2017 voor de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU(11),

–  gezien de monitoringverslagen van de Commissie met betrekking tot Horizon 2020 voor de jaren 2014 en 2015,

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: tijd voor realisatie en voor monitoring van de voortgang" (COM(2017)0035),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Uitvoering van de strategie voor internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie" (COM(2016)0657),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa" (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het antwoord op het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau over de ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma (COM(2016)0005),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Jaarverslag over de activiteiten van de Europese Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling in 2014" (COM(2015)0401),

–  gezien de verslagen van de Commissie 2014 en 2015 getiteld "Integration of Social Sciences and the Humanities in Horizon 2020: participants, budgets and disciplines",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Betere EU-regelingen voor innovatie-investeringen" (SWD(2015)0298),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: voortgangsverslag 2014" (COM(2014)0575),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Tweede situatierapport betreffende onderwijs en opleiding op het gebied van kernenergie in Europa" (SWD(2014)0299),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "FET-vlaggenschipinitiatieven: Een nieuw partnerschapsconcept om grote wetenschappelijke uitdagingen aan te pakken en innovatie in Europa te stimuleren" (SWD(2014)0283),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Tweede tussentijdse evaluatie van de Gemeenschappelijke Ondernemingen voor de uitvoering van de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky, brandstofcellen en waterstof en initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen" (COM(2014)0252),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Rol en effecten van GTI's en PPP's in de uitvoering van Horizon 2020 voor een duurzame industriële reconversie"(12),

–   gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid(14),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(15),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)(16),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0209/2017),

A.  overwegende dat Horizon 2020 het grootste centraal beheerde O&I-programma van de EU en 's werelds grootste met overheidsgeld gefinancierde O&I-programma is;

B.  overwegende dat het Parlement bij de onderhandelingen over Horizon 2020 en over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) om 100 miljard EUR heeft gevraagd, en niet om de 77 miljard EUR die oorspronkelijk werd overeengekomen; overwegende dat het budget erg beperkt lijkt als Horizon 2020 het excellentiepotentieel grondig moet onderzoeken en op gepaste wijze moet reageren op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa en de wereld momenteel mee worden geconfronteerd;

C.  overwegende dat het verslag van de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU en de voor het derde kwartaal van 2017 geplande tussentijdse evaluatie het fundament zullen vormen voor de structuur en de inhoud van het KP9, waarover een voorstel gepubliceerd zal worden in de eerste helft van 2018;

D.  overwegende dat de economische crisis en de financiële crisis bepalende factoren waren voor het ontwerp van Horizon 2020; overwegende dat het volgende kaderprogramma (KP) waarschijnlijk zal worden beïnvloed door nieuwe uitdagingen, nieuwe politieke en economische paradigmata, alsook zich voortzettende globale trends;

E.  overwegende dat het KP gebaseerd moet zijn op Europese waarden, wetenschappelijke onafhankelijkheid, neutraliteit, diversiteit, hoge Europese ethische normen, sociale cohesie en gelijke toegang voor burgers tot de oplossingen en antwoorden waarin het voorziet;

F.  overwegende dat investeringen in O&O van essentieel belang zijn voor de Europese economische en sociale ontwikkeling, en voor het mondiale concurrentievermogen; overwegende dat het belang van uitstekende wetenschap voor het stimuleren van innovatie en concurrentievoordelen op de lange termijn moeten worden weerspiegeld in de financiering van het KP9;

Structuur, filosofie en tenuitvoerlegging van Horizon 2020

1.  is van oordeel dat het - meer dan drie jaar na de lancering van Horizon 2020 - tijd is dat het Parlement zijn standpunt voor de tussentijdse evaluatie ervan en zijn visie over het toekomstige KP9 ontwikkelt;

2.  wijst erop dat Horizon 2020 tot doel heeft bij te dragen aan het opbouwen van een samenleving en een economie gebaseerd op kennis en innovatie, en de wetenschappelijke en technologische basis, en uiteindelijk de concurrentiepositie van Europa, te versterken door bijkomende nationale publieke en private financiering voor O&O aan te trekken, en door te helpen om tegen 2020 de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O te halen; betreurt dat de EU in 2015 slechts 2,03 % van het bbp in O&O geïnvesteerd heeft, met verschillen tussen de landen van 0,46 % tot 3,26 %(17), terwijl grote mondiale concurrenten het beter doen dan de EU op het gebied van uitgaven voor O&O;

3.  herinnert eraan dat de Europese Onderzoeksruimte (EOR) rechtstreekse concurrentie ondervindt van 's werelds best presterende onderzoeksregio's en dat de versterking van de EOR dan ook een collectieve taak van Europa is; moedigt de desbetreffende lidstaten zich ervoor in te zetten de doelstelling van 3 % van het bbp van de EU voor O&O te halen; merkt op dat een algemene toename tot 3 % meer dan 100 miljard EUR extra per jaar zou opleveren voor onderzoek en innovatie in Europa;

4.  benadrukt dat uit de evaluatie van het KP7 en uit het toezicht op Horizon 2020 blijkt dat het KP van de EU voor onderzoek en innovatie een succes is en een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU heeft(18); onderkent dat het KP en de toekomstige programma's nog verder kunnen worden verbeterd;

5.  is van oordeel dat de multidisciplinaire setting, de aanpak gebaseerd op samenwerking en de vereisten qua deskundigheid en effect de redenen zijn voor dit succes;

6.  begrijpt dat het KP de participatie van de industrie zal stimuleren met als doel de uitgaven voor O&O door de industrie te verhogen(19); merkt op dat de participatie door de industrie, met inbegrip van kmo's, aanzienlijk hoger is dan bij het KP7; wijst er overigens op dat - over de hele linie - de industrie haar participatie in de uitgaven voor O&O minder heeft verhoogd dan overeengekomen in de conclusies van de Raad van Barcelona(20); vraagt de Commissie te beoordelen wat de Europese toegevoegde waarde en de relevantie voor het publiek is van de financiering voor door de industrie gestuurde instrumenten, zoals de gemeenschappelijke technologie-initiatieven (GTI's)(21), alsook in kaart te brengen wat de coherentie, openheid en transparantie van alle gemeenschappelijke initiatieven is(22);

7.  merkt op dat het programmabudget, het programmabeheer en de tenuitvoerlegging ervan verspreid zijn over 20 verschillende EU-organen; vraagt zich af of dit niet leidt tot buitensporige coördinatie-inspanningen, administratieve complexiteit en dubbel werk; roept de Commissie op hier naar stroomlijning en vereenvoudiging te streven;

8.  merkt op dat pijlers 2 en 3 vooral gericht zijn op hogere niveaus van technologische paraatheid (TRL's), wat zou kunnen verhinderen dat in de toekomst baanbrekende innovaties geabsorbeerd worden van momenteel geplande onderzoeksprojecten met lagere TRL's; dringt aan op een zorgvuldig evenwicht van TRL's, teneinde de volledige waardeketen te bevorderen; is van oordeel dat TRL's niet-technologische vormen van innovatie uit fundamenteel of toegepast onderzoek, vooral op het vlak van sociale en geesteswetenschappen, zouden kunnen uitsluiten;

9.  roept de Commissie op om te streven naar een evenwichtige verdeling tussen kleine, middelgrote en grote projecten; neemt er nota van dat het gemiddelde budget voor projecten onder Horizon 2020 is gestegen en dat grotere projecten meer voorbereiding en een beter projectbeheer vereisen dan kleinere, hetgeen gunstig is voor deelnemers met meer ervaring met KP's, afschrikwekkend werkt voor nieuwkomers en resulteert in een concentratie van de financiering in de handen van een beperkt aantal instellingen;

Begroting

10.  benadrukt dat het huidige alarmerend lage succespercentage van minder dan 14 %(23) een neerwaartse trend is in vergelijking met het KP7; onderstreept dat het overaanbod aan projecten het onmogelijk maakt een groot aantal kwalitatief zeer hoogwaardige projecten te financieren, en betreurt het dat de bezuinigingen die het gevolg zijn van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) dit probleem verder hebben vergroot; vraagt de Commissie het budget van Horizon 2020 niet verder te verlagen;

11.  benadrukt de begrotingsdruk waarmee het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie wordt geconfronteerd; betreurt het negatieve effect dat de betalingscrisis in de EU-begroting had op de tenuitvoerlegging van het programma tijdens de eerste jaren van het huidige MFK; wijst onder meer op de kunstmatige vertraging die voor oproepen in 2014 oploopt tot 1 miljard EUR en de aanzienlijke daling van het niveau van voorfinanciering voor de nieuwe programma's; benadrukt in dit verband dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie van financiële middelen voor Horizon 2020 werd uitgevoerd; benadrukt dat deze "frontloading"-operatie volledig werd geabsorbeerd door het programma, waaruit de sterke prestatie ervan en de capaciteit om nog meer te absorberen blijken; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; vraagt de twee armen van de begrotingsautoriteit en de Commissie te zorgen voor een gepast niveau van betalingskredieten in de komende jaren en elke inspanning te leveren om een nieuwe betalingscrisis tegen de laatste jaren van het huidige MFK te voorkomen;

12.  beklemtoont dat Horizon 2020 hoofdzakelijk met subsidies moet werken en gericht moet zij op het financieren van met name fundamenteel en collaboratief onderzoek; onderstreept dat onderzoek een risicovolle investering voor investeerders kan zijn en dat de financiering van onderzoek via subsidies een noodzaak is; onderstreept in dit verband dat het veel overheidsinstanties hoe dan ook wettelijk niet toegestaan is leningen aan te gaan; betreurt dat in sommige gevallen steeds meer de voorkeur gegeven wordt aan het gebruik van leningen in plaats van subsidies; erkent dat financieringsinstrumenten beschikbaar zouden moeten zijn voor activiteiten met hoge TRL's die zich dichtbij de implementatiefase bevinden, als onderdeel van InnovFin-financieringsinstrumenten, en buiten het KP om (bijvoorbeeld EIB- en EIF-regelingen);

13.  benadrukt het feit dat verschillende lidstaten hun beloften met betrekking tot nationale investeringen in O&O niet nakomen; beklemtoont dat de doelstelling van 3 % van het bbp moet worden gehaald, en hoopt dat deze doelstelling in de nabije toekomst kan worden opgetrokken tot het niveau van de grootste mondiale concurrenten van de EU; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van nationale strategieën die bijdragen aan het halen van die doelstelling, en dringt erop aan een deel van de middelen van de Structuurfondsen te gebruiken voor O&O-activiteiten en -programma's, met name investeringen in capaciteitsopbouw, infrastructuur en salarissen, alsook ondersteuning te geven aan activiteiten voor het voorbereiden van KP-voorstellen en projectbeheer;

Evaluatie

14.  bevestigt dat "excellentie" het belangrijkste criterium voor alle drie de pijlers van het KP moet blijven, maar verwijst ook naar de bestaande criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering", hetgeen van nut kan zijn bij het bepalen van de meerwaarde van een project voor de EU; vraagt de Commissie dan ook te onderzoeken hoe onder de criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering" rekening zou kunnen worden gehouden met het gebrek aan betrokkenheid van de ondervertegenwoordigde EU-regio's, de opname van ondervertegenwoordigde wetenschappelijke disciplines, zoals sociale en geesteswetenschappen, en het gebruik van onderzoeksinfrastructuur die met middelen van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) is gefinancierd, hetgeen belangrijk lijkt voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR en voor het tot stand brengen van synergieën tussen KP's en de ESIF;

15.  dringt erop aan de evaluaties te verbeteren en transparanter te maken, en verzoekt om kwaliteitsborging door de beoordelaars; benadrukt dat deelnemers gedurende het hele beoordelingsproces betere feedback moeten krijgen, en vindt dat rekening moet worden gehouden met de vaak gehoorde klacht van niet-succesvolle aanvragers dat de samenvattende beoordelingsverslagen diepgang missen en niet duidelijk zijn over wat anders moet om succesvol te kunnen zijn; vraagt de Commissie dan ook tegelijkertijd met de oproep voor het indienen van voorstellen gedetailleerde beoordelingscriteria te publiceren, deelnemers gedetailleerdere en informatievere samenvattende beoordelingsverslagen te doen toekomen, en de oproepen voor het indienen van voorstellen zo te organiseren dat een overaanbod van projecten wordt vermeden, hetgeen slecht is voor de motivatie van onderzoekers en de reputatie van het programma;

16.  vraagt de Commissie een bredere definitie van "effect" te ontwikkelen, die rekening houdt met zowel economische, als sociale aspecten; benadrukt dat de beoordeling van het effect van fundamentele onderzoeksprojecten flexibel moet blijven; vraagt de Commissie om bij blijken van belangstelling het evenwicht tussen bottom-up en top-down te behouden en te onderzoeken welke beoordelingsprocedure (één of twee fasen) nuttiger is om overinschrijving te vermijden en tot kwaliteitsonderzoek te komen;

17.  roept de Commissie op te evalueren in hoeverre een grotere thematische doelgerichtheid zinvol is in het licht van duurzaamheid;

18.  verzoekt de Commissie om het deelnemersportaal gebruikersvriendelijker te maken en om het netwerk van nationale contactpunten uit te breiden en te voorzien van meer middelen om ervoor te zorgen dat, met name de micro-ondernemingen en de kleine ondernemingen, over een efficiënte bijstandsdienst beschikken bij de indiening en beoordeling van projectvoorstellen;

19.  is van mening dat de Europese Onderzoeksraad zich moet bezighouden met meer samenwerkingsprojecten in heel Europa, en daarbij in het bijzonder regio's en instellingen met weinig capaciteiten te betrekken om het beleid en de knowhow inzake O&I in de hele EU te verspreiden;

Horizontale kwesties

20.  stelt vast dat de belanghebbenden erg verheugd zijn over de Horizon 2020-structuur in het algemeen en de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen in het bijzonder; roept de Commissie op om de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen te blijven versterken en benadrukt het belang van onderzoek in samenwerkingsverband tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, met name kmo's, en overige actoren; vraagt de Commissie te overwegen de geschiktheid en de individuele begrotingen van de maatschappelijke uitdagingen te beoordelen op basis van de huidige economische, sociale en politieke context gedurende de tenuitvoerlegging van het KP, waaronder in nauwe samenwerking met het Europees Parlement;

21.  erkent de inspanning van de Commissie om de administratie te stroomlijnen en de tijd tussen de bekendmaking van een oproep en de toewijzing van een subsidie te verkorten; roept de Commissie op haar inspanningen om administratieve rompslomp weg te werken en de zaken te vereenvoudigen, voort te zetten; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de betaling van vaste bedragen in te voeren om administratie en controle te vereenvoudigen;

22.  dringt er bij de Commissie op aan te evalueren of de voor Horizon 2020 nieuw ingevoerde, vereenvoudigde financieringsregeling zoals gepland tot een hogere deelname van de industrie heeft geleid; is van oordeel dat de doelmatigheid van de financieringsregeling in deze context moet worden onderzocht;

23.  vraagt de Commissie te onderzoeken in hoeverre het gebruik van nationale dan wel eigen afwikkelingssystemen in plaats van de in de regels voor deelneming vastgelegde systemen tot een duidelijk vereenvoudigde onderzoeksprocedure kan leiden en derhalve tot een vermindering van het foutenpercentage bij de afwikkeling van Europese steunprojecten; pleit in dit verband voor een hechtere samenwerking met de Europese Rekenkamer en voor een mogelijke "one stop audit";

24.  merkt op dat synergieën tussen fondsen cruciaal zijn om investeringen doeltreffender te maken; benadrukt dat RIS3 een belangrijk instrument is om synergieën op gang te brengen door nationale en regionale kaders voor investeringen in O&O&I op te zetten en daarom moet worden bevorderd en versterkt; betreurt dat er aanzienlijke belemmeringen zijn voor de volledige operationalisering van synergieën(24); dringt derhalve aan op een nauwere onderlinge afstemming van de regels en procedures voor O&O&I-projecten onder ESIF en het KP, en is van oordeel dat een doeltreffend gebruik van het 'Seal of Excellence' alleen mogelijk is indien aan de bovenvermelde voorwaarden wordt voldaan; roept de Commissie op een deel van het ESIF te oormerken voor RIS3-synergieën met Horizon 2020; roept de Commissie op om de staatssteunregels te herzien en te voorzien in de mogelijkheid van structuurfondsprojecten voor O&O in het reglement van het KP, terwijl tegelijkertijd moet worden gewaarborgd dat ze transparant zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de correcte toepassing van het additionaliteitsbeginsel, hetgeen in de praktijk inhoudt dat de bijdragen van Europese fondsen geen vervanging mogen zijn van de nationale, of overeenstemmende uitgaven van een lidstaat in de regio's waar dit beginsel wordt toegepast;

25.  merkt op dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR de volle inzet vereist van het O&O&I-potentieel van alle lidstaten; erkent het bestaan van een problematische participatiekloof in Horizon 2020, die zowel op EU- als op nationaal niveau, waaronder middels ESIF, moet worden aangepakt; vraagt de Commissie en de lidstaten de bestaande instrumenten aan te passen of nieuwe maatregelen te treffen om deze kloof te dichten door bijvoorbeeld de ontwikkeling van instrumenten voor networking voor onderzoekers; verwelkomt het beleid "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden"; verzoekt de Commissie te beoordelen of de drie verbredingsinstrumenten hun specifieke doelstellingen hebben gehaald, en een passende begroting en een evenwichtig geheel van instrumenten te verstrekken dat beantwoordt aan de bestaande ongelijkheden op het gebied van onderzoek en innovatie binnen de EU; roept de Commissie en de lidstaten op om duidelijke regels op te stellen om de 'Seal of Excellence'-regeling volledig uit te voeren, en te bekijken waar financieringssynergieën tot stand kunnen worden gebracht; vraagt de Commissie te zorgen voor mechanismen die het mogelijk maken in het KP projecten voor onderzoeksinfrastructuur op te nemen die met ESIF-middelen worden gefinancierd; vindt dat de gebruikte indicatoren een definitie moeten omvatten van ondervertegenwoordigde landen en regio's, en dat de lijst van desbetreffende landen regio's tijdens de implementatie van het KP regelmatig tegen het licht moet worden gehouden;

26.  merkt op dat volgens de jaarverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 in 2014 en 2015 de EU-15 samen 88,6 % van de financiering kregen, terwijl de totale EU-financiering voor de EU-13 slechts 4,5 % bedroeg, wat zelfs minder is dan de financiering voor geassocieerde landen (6,4 %);

27.  is verheugd over de inspanningen om te zorgen voor betere banden tussen de EOR en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, wat het gemakkelijker maakt om de volgende generatie onderzoekers op te leiden; erkent het belang van het in een zo vroeg mogelijk stadium integreren van STEM, onderzoeks- en ondernemerschapsvaardigheden in de opleidingsstelsels van de lidstaten, teneinde jonge mensen aan te moedigen deze vaardigheden te verwerven, aangezien O&O vanuit structureel oogpunt benaderd moet worden, eerder dan als een cyclisch of in tijd begrensd gegeven; roept de lidstaten en de Commissie op om te zorgen voor stabielere en meer aantrekkelijke banen voor jonge onderzoekers;

28.  onderstreept het belang van nauwere samenwerking tussen producenten en universitaire en wetenschappelijke instellingen om binnen universiteiten en wetenschappelijke centra de creatie van structuren te bevorderen om de band met het productiesysteem te versterken;

29.  benadrukt dat wereldwijde samenwerking een belangrijk middel is om Europees onderzoek te versterken; bevestigt dat de internationale deelname gedaald is van 5 % in het KP7 naar 2,8 % in Horizon 2020; wijst erop dat het KP er mee voor moet zorgen dat Europa een belangrijke mondiale speler blijft, en herinnert aan het belang van wetenschappelijke diplomatie; roept de Commissie op de voorwaarden voor internationale samenwerking in het KP tegen het licht te houden, en concrete, onmiddellijke maatregelen en een strategische visie en structuur op de lange termijn ter ondersteuning van deze doelstelling te ontwikkelen; verwelkomt in dit verband initiatieven zoals BONUS en PRIMA;

30.  onderstreept het belang om de internationale samenwerking binnen het KP9 te versterken en de wetenschappelijke diplomatie te verspreiden;

31.  herinnert eraan dat de integratie van de sociale en geesteswetenschappen refereert aan onderzoek op het domein van sociale en geesteswetenschappen in het kader van interdisciplinaire projecten, en niet betekent dat dit onderzoek achteraf toegevoegd wordt aan overigens technologische projecten, en wijst erop dat voor de meest dringende problemen van de EU methodologisch onderzoek vereist is dat conceptueel aansluit op de sociale en geesteswetenschappen; merkt op dat de sociale en geesteswetenschappen ondervertegenwoordigd zijn in het huidige kaderprogramma; roept de Commissie op om de mogelijkheden voor onderzoekers op het gebied van sociale en geesteswetenschappen om deel te nemen aan het interdisciplinaire KP te vergroten en voldoende financiële middelen voor projecten met betrekking tot sociale en geesteswetenschappen ter beschikking te stellen;

32.  beklemtoont het evenwicht tussen onderzoek en innovatie in Horizon 2020 en pleit ervoor dat hetzelfde gebeurt in het volgende KP; verwelkomt de oprichting van een Europese Innovatieraad(25), maar benadrukt dat dit niet opnieuw mag leiden tot de scheiding van onderzoek en innovatie, of tot verdere fragmentering van de financiering; onderstreept dat Horizon 2020 onvoldoende gericht is op het overbruggen van de "vallei des doods", die de grootste barrière is voor het omzetten van prototypes in massaproductie;

33.  roept de Commissie op om de doelstellingen, de instrumenten en de werking van de Europese Innovatieraad te verklaren, en benadrukt dat het belangrijk is de resultaten van de test met de Europese Innovatieraad te evalueren; roept de Commissie op te streven naar een evenwichtige mix van instrumenten voor de portefeuille van de Europese Innovatieraad; benadrukt dat de Europese Innovatieraad in geen geval de tweede pijler moet vervangen en dat pijler 2 niet moet uitgroeien tot een instrument voor individuele steun, maar dat de nadruk moet blijven liggen op onderzoek in samenwerkingsverband; benadrukt de behoefte aan behoud en versterking van het kmo-instrument en het sneltraject voor innovatie; vraagt de Commissie mechanismen te ontwikkelen die ertoe leiden dat kmo's beter in grotere interdisciplinaire KP9-projecten worden geïntegreerd, teneinde hun volledige potentieel te benutten; vraagt de Commissie KIG's binnen de bestaande EIT-structuur te houden, en benadrukt het belang van transparantie en vergaande betrokkenheid van de belanghebbende partijen, alsmede te bekijken hoe binnen de Europese Innovatieraad tot interactie tussen het EIT en KIG's zou kunnen worden gekomen; vraagt de Commissie een kader te ontwikkelen voor investeringen met particulier durfkapitaal samen met de Europese Innovatieraad, ter stimulering van dergelijke durfkapitaalinvesteringen in Europa;

34.  verwelkomt initiatieven die de private en publieke sector samenbrengen om onderzoek en innovatie te stimuleren; benadrukt dat er behoefte is aan versterkt EU-leiderschap om de prioriteiten met betrekking tot publiek onderzoek vast te stellen, alsook aan voldoende transparantie, traceerbaarheid en een behoorlijk publiek rendement op investeringen in het kader van Horizon 2020 in de zin van betaalbaarheid, beschikbaarheid en geschiktheid van de eindproducten, met name op gevoelige terreinen als gezondheid, vrijwaring van het openbaar belang en een eerlijke sociale impact; roept de Commissie op nader onderzoek te doen naar mechanismen voor duurzame exploitatie van alle projecten waaraan in het kader van het KP overheidsgeld is gespendeerd, uitgaande van een combinatie van een behoorlijke mate aan rendement op publiek geld en prikkels voor het bedrijfsleven om aan deze projecten deel te nemen;

35.  verneemt met instemming dat "open toegang" nu als algemeen beginsel in Horizon 2020 is opgenomen; benadrukt dat uit het grote aantal publicaties gekoppeld aan projecten van Horizon 2020 tot december 2016(26) blijkt dat nieuwe beleidsmaatregelen met het oog op het delen van gegevens en ideeën nodig zijn om de onderzoeksresultaten te maximaliseren en te verzekeren dat een maximum aan wetenschappelijke gegevens openbaar wordt gemaakt; vraagt de Commissie de flexibiliteitscriteria tegen het licht te houden omdat deze de verwezenlijking van deze doelstelling zouden kunnen belemmeren, en kennis en ontwikkeling te bevorderen;

36.  verwelkomt de financiering voor het proefproject over open onderzoeksgegevens als een eerste stap naar een openwetenschapscloud; erkent het belang en potentieel van e-infrastructuur en supercomputers, de noodzaak van het betrekken van belanghebbenden uit de publieke en de privésector en het maatschappelijk middenveld, en de rol van burgerwetenschap om te verzekeren dat de samenleving een actievere rol speelt bij het definiëren en aanpakken van problemen en het gezamenlijk bijdragen aan mogelijke oplossingen; roept de Commissie en de publieke en particuliere onderzoeksgemeenschap op om nieuwe modellen te onderzoeken die particuliere cloud- en netwerkmiddelen en publieke e-infrastructuur integreren, en om burgeragenda's voor wetenschap en innovatie te lanceren;

37.  is verheugd over het door de Commissie nieuw ingevoerde concept van innovatiehubs, die het Europese innovatielandschap verder ondersteunen omdat ze ondernemingen, met name kmo's, ondersteunen bij het verbeteren van hun bedrijfsmodellen en productieprocessen;

38.  moedigt de NCP's aan meer betrokken te zijn bij het bevorderen van projecten waaraan een 'Seal of Excellence' wordt toegekend, en te assisteren bij het zoeken naar overige nationale of internationale publieke of private financieringsbronnen voor voornoemde projecten door de samenwerking op dit gebied binnen het netwerk van NCP's te intensiveren;

KP9-aanbevelingen

39.  gelooft dat de EU de potentie heeft om een in de wereld toonaangevend centrum voor onderzoek en wetenschap te worden; is er verder van overtuigd dat het KP9 hiertoe een topprioriteit voor Europa moet worden, teneinde groei, werkgelegenheid en innovatie te bevorderen;

40.  verwelkomt het succes van Horizon 2020 en de hefboomfactor 1:11; roept de Commissie op de begroting van het KP9 te verhogen tot 120 miljard EUR; is van oordeel dat behalve een verhoging van de begroting ook een innovatief kader voor innovatie nodig is en roept derhalve de Commissie op innovatie en de verschillende vormen daarvan duidelijk te definiëren;

41.  merkt op dat de EU voor tal van significante en dynamische uitdagingen staat, en roept de Commissie op - samen met het Europees Parlement - in pijler 3 te zorgen voor een evenwichtige reeks instrumenten in antwoord op de dynamische aard van de opkomende problemen; wijst er met klem op dat er voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de specifieke uitdagingen in pijler 3, en dat de adequaatheid van die uitdagingen regelmatig opnieuw moet worden bekeken;

42.  roept de Commissie op binnen het KP9 een juist evenwicht aan te houden tussen fundamenteel onderzoek en innovatie; geeft aan onderzoek op basis van een samenwerkingsmodel moet worden versterkt; geeft aan dat het belangrijk is kmo's nauwer bij collaboratieve projecten en innovatie te betrekken;

43.  spoort de Commissie aan voor meer synergieën te zorgen tussen het KP9 en andere Europese fondsen voor onderzoek en innovatie, en voor die fondsen geharmoniseerde instrumenten en op elkaar afgestemde regels te ontwikkelen, zowel op Europees, als nationaal niveau, alsook in nauwe samenwerking met de lidstaten; vraagt de Commissie om ook in toekomstige KP's rekening te houden met de belangrijke rol van normalisatie in samenhang met innovatie;

44.  merkt op dat binnen het KP9 de problemen van overinschrijving en van lage succespercentages waar Horizon 2020 mogelijk mee wordt geconfronteerd, moeten worden ondervangen; stelt voor om herintroductie te overwegen van de evaluatieprocedure in twee fasen, met een gebundelde eerste fase en de specifieke tweede fase gericht op de geselecteerde inschrijvers; roept de Commissie op te zorgen voor voldoende uitgebreide essentiële veiligheidseisen over hoe het voorstel kan worden verbeterd;

45.  benadrukt eens te meer dat "Europese meerwaarde" een onomstreden kern van het kaderprogramma voor onderzoek moet blijven;

46.  roept de Commissie op om in het volgende MFK defensieonderzoek te scheiden van civiel onderzoek, door te voorzien in twee verschillende programma's met twee verschillende begrotingen, zonder dat de begrotingsambities van civiel onderzoek in het kader van het KP9 hieronder te lijden hebben; roept de Commissie derhalve op het Parlement aan te geven hoe in de toekomst financiering kan worden toegekend voor een programma voor defensieonderzoek overeenkomstig de Verdragen, met een gerichte begroting met nieuwe middelen en specifieke regels; beklemtoont dat het belangrijk is hierbij voor parlementair toezicht te zorgen;

47.  is van oordeel dat het programma inzake toekomstige en opkomende technologieën een enorme potentie heeft voor de toekomst en een goed middel vormt voor het verspreiden van innovatieve ideeën en kennis op nationaal en regionaal niveau;

48.  onderstreept de noodzaak dat in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de EU-doelstellingen voor klimaat prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar klimaatverandering en een infrastructuur voor het verzamelen van klimaatgegevens, met name omdat de VS overweegt fors te bezuinigen op de begroting voor Amerikaanse instellingen voor milieuonderzoek;

49.  benadrukt dat het KP9 voor O&I moet bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang en versterking van het concurrentievermogen van de EU, het creëren van banen en groei, en het ontwikkelen van nieuwe kennis en innovaties, wil de EU de cruciale uitdagingen waar zij voor staat het hoofd kunnen bieden en tot een duurzaame EOR kunnen komen; verwelkomt in dit opzicht de huidige pijlerstructuur van het KP en roept de Commissie op deze structuur aan te houden ten behoeve van de continuïteit en voorspelbaarheid; verzoekt de Commissie daarom om te blijven werken aan de coherentie, vereenvoudiging, transparantie en duidelijkheid van het programma, aan de verbetering van de evaluatieprocedure, de vermindering van de fragmentering en de verdubbeling, en de vermijding van onnodige administratieve belasting;

50.  erkent dat administratieve taken en onderzoek ernstig ten koste van elkaar kunnen gaan; benadrukt daarom het belang om de rapportageverplichtingen tot een minimum te beperken, zodat administratieve rompslomp die de innovatie in de weg staat, wordt vermeden, gezorgd wordt voor effectief gebruik van de KP9-financiering en tegelijk de onafhankelijkheid van het onderzoek wordt beschermd; moedigt de Commissie daarom aan haar inspanningen ten behoeve van vereenvoudiging op te schroeven;

51.  stelt vast dat de Commissie steeds vaker van resultaatgeoriënteerde ondersteuning spreekt; verzoekt de Commissie om het concept van "resultaat" preciezer te definiëren;

52.  roept de Commissie en de lidstaten op om de synergieën tussen het KP en overige fondsen te vergroten, en het probleem van tekortkomingen inzake onderzoek in convergentieregio's in sommige lidstaten aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van additionaliteit; betreurt het dat de toekenning van middelen uit de Structuur- en investeringsfonds kan leiden tot een vermindering van de nationale uitgaven voor O&O in de betreffende regio's, en benadrukt dat de middelen een aanvulling moeten zijn op nationale overheidsuitgaven; roept de Commissie en de lidstaten ook op om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen in O&O aangemerkt worden als investeringen en niet als een kostenpost;

53.  constateert dat effectieve investeringen in onderzoek en innovatie uit hoofde van de Structuurfondsen slechts kunnen plaatsvinden wanneer in de lidstaten hiervoor passende kadervoorwaarden bestaan; pleit daarom voor een sterkere koppeling tussen landspecifieke aanbevelingen op het gebied van structurele hervormingen en investeringen in O&I;

54.  benadrukt de behoefte aan nieuwe topcentra en topregio's alsook het belang van de verdere ontwikkeling van de EOR; beklemtoont dat voor meer synergie-effecten moet worden gezorgd tussen het KP, EFSI en ESIF om deze doelstelling te halen; dringt aan op maatregelen voor het elimineren van obstakels, zoals lage lonen, in oostelijke en zuidelijke landen, om een brain drain te voorkomen; vindt dat prioriteit moet worden toegekend aan excellente projecten, en niet aan projecten van excellente instituten;

55.  is van mening dat er sterkere stimulansen moeten worden ingebouwd om ESI-middelen in te zetten voor investeringen in O&I indien zulks wordt genoemd in de landenspecifieke aanbevelingen of als er zwakke plekken worden geconstateerd; concludeert dat de ESI-middelen voor investeringen in O&I goed zijn voor 65 miljard EUR in de periode 2014-2020; stelt daarom voor om de vaste prestatiereserve van de ESI-fondsen in de lidstaten te gebruiken om een substantieel deel van de ontvangsten uit de structuurfondsen investeren in O&I te investeren;

56.  verwelkomt het principe en de potentie van het Seal of Excellence als kwaliteitskeurmerk voor synergie tussen ESI-fondsen en Horizon 2020, maar constateert dat dit in de praktijk onvoldoende wordt toegepast, door het gebrek aan financiering in de lidstaten; is van mening dat projecten die zijn ingediend voor financiering in het kader van Horizon 2020 en die strenge selectie- en toekenningscriteria met positief gevolg zijn gepasseerd, maar niet konden worden gefinancierd door budgettaire beperkingen, gefinancierd moeten worden met middelen uit de ESI-fondsen, als deze middelen voor dit doel beschikbaar zijn; wijst erop dat een soortgelijk mechanisme ook moet worden gedefinieerd voor gezamenlijke onderzoeksprojecten;

57.  roept de Commissie op om in het KP9 het niveau van ondersteuning voor jonge onderzoekers te verhogen, onder meer in de vorm van pan-Europese netwerkinstrumenten voor jonge onderzoekers en een nieuw financieringsschema in te voeren voor jonge onderzoekers met minder dan drie jaar ervaring na het behalen van hun PhD;

58.  merkt op dat de Marie Skłodowska-Curie-acties een bij onderzoekers goed bekend financieringsbron zijn, die de mobiliteit van onderzoekers en de ontwikkeling van jonge onderzoekers bevorderen; is van mening dat het, met het oog op continuïteit, wenselijk is dat de Marie Skłodowska-Curie-acties ook nog onder het KP9 worden gefinancierd;

59.  vraagt de Commissie en de lidstaten door te gaan met het stimuleren van private investeringen in O&O&I, welke moeten dienen als aanvulling op en niet ter vervanging van de dienovereenkomstige publieke investeringen; herinnert eraan dat twee derde van de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O van de industrie moet komen(27); waardeert de inspanningen die het bedrijfsleven zich tot nu toe heeft getroost en vraagt de privésector, gezien de over het algemeen beperkte middelen voor overheidsinvesteringen in O&O, meer middelen beschikbaar te maken voor O&O en zich meer in te zetten voor open toegang en wetenschap op basis van open gegevens; vraagt de Commissie de mate van participatie van grote bedrijven (middels leningen, subsidies of met eigen middelen) te bepalen, afhankelijk van de Europese meerwaarde van een project en het potentieel ervan om voor kmo's een stuwende kracht te zijn, met inachtneming van de specifieke kenmerken en behoeften van elke sector; roept de Commissie op de bijdragen in natura bij te houden, teneinde ervoor te zorgen dat investeringen 'echt' en nieuw zijn;

60.  roept de Commissie op de transparantie en helderheid van de regels voor publiek-private samenwerking binnen KP9-projecten te vergroten naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen op basis van de evaluatie; vraagt de Commissie de bestaande instrumenten voor publiek-private partnerschappen te verifiëren en te beoordelen;

61.  wijst erop dat ongeacht de instrumenten voor kmo's, de deelname van de industrie verder moet worden bevorderd omdat de industrie op tal van vlakken over de nodige expertise beschikt en tevens een belangrijke financiële bijdrage levert;

62.  betreurt de gemengde resultaten van de gendergelijkheidsfocus in Horizon 2020, aangezien de enige gehaalde doelstelling het percentage vrouwen in adviesgroepen is, terwijl het percentage vrouwen in projectbeoordelingspanels en in de functie van projectcoördinator niet beantwoordt aan de streefdoelen en de genderdimensie niet geïntegreerd is in de onderzoeks- en innovatieonderwerpen; beklemtoont de noodzaak van verbetering van de participatie en gendermainstreaming in het KP9, en van het halen van de doelstellingen in de Horizon 2020-verordening, vraagt de Commissie een studie te verrichten naar de barrières of moeilijkheden die bepalend kunnen zijn voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het programma; moedigt de lidstaten aan om - in aansluiting op de doelstellingen van de EOR - een genderevenwichtig juridisch en politiek kader te creëren en stimulansen voor veranderingen te bieden; is verheugd over de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in horizon 2020(28); herinnert eraan dat in de richtsnoeren staat dat genderevenwicht een criterium is voor het toekennen van prioriteit aan projecten boven de drempel met dezelfde score;

63.  merkt op dat in het volgende het KP rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het VK uit de EU en de gevolgen daarvan; merkt op dat O&O baat heeft bij duidelijke en stabiele langetermijnkaders en dat het VK een koploper is inzake wetenschap; spreekt de hoop uit dat de netwerken en de samenwerking tussen het VK en de EU op het gebied van onderzoek kunnen voortbestaan en dat, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, op korte termijn een stabiele en bevredigende oplossing kan worden gevonden zodat de EU de vruchten kan blijven plukken van de wetenschappelijke resultaten die in het kader van Horizon 2020 en het KP9 zijn bereikt;

o
o   o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 948.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 174.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 892.
(7) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 54-178.
(8) PB L 177 van 17.6.2014, blz. 9.
(9) PB L 192 van 1.7.2014, blz. 1.
(10) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 1-53.
(11) http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/hlg_issue_papers.pdf.
(12) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 24.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0052.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0075.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.
(17) Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie. Europese uitvoeringsbeoordeling".
(18) Met meer dan 130 000 ontvangen voorstellen, 9 000 toegekende subsidies, 50 000 deelnames en 15,9 miljard EUR EU-financiering.
(19) Twee derde van de 3 % van het bbp voor O&O moet van de industrie komen. Zie Eurostat, private uitgaven voor O&O: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsc00031&plugin=1
(20) http://ec.europa.eu/invest-in-research/pdf/download_en/barcelona_european_council.pdf
(21) In totaal zijn de 7 GTI's goed voor meer dan 7 miljard EUR van de Horizon 2020-fondsen, ongeveer 10 % van het volledige Horizon 2020-budget en meer dan 13 % van de daadwerkelijk beschikbare financiering voor Horizon 2020-aanbestedingen (ongeveer 8 miljard EUR per jaar over zeven jaar).
(22) Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.
(23) Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie - Europese uitvoeringsbeoordeling".
(24) Grote onderzoeksinfrastructuur past in het toepassingsgebied en de doelstellingen van het EFRO, maar de EFRO-fondsen die nationaal toegekend worden kunnen niet gebruikt worden voor cofinanciering; kosten voor het bouwen van nieuwe onderzoeksinfrastuctruur komen in aanmerking voor het EFRO, maar werkings- en personeelskosten niet.
(25) Mededeling van de Commissie getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733).
(26) OpenAIRE-verslag: In Horizon 2020 zijn 2 017 projecten op een totaal van 10 684 projecten (d.w.z. 19%) afgerond, en zijn 8 667 projecten nog lopende. OpenAIRE heeft 6 133 publicaties in verband met 1 375 projecten van Horizon 2020 in kaart gebracht.
(27) Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.
(28) Zie de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in het programma Horizon 2020. http://eige.europa.eu/sites/default/files/h2020-hi-guide-gender_en.pdf

Juridische mededeling