Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2326(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0202/2017

Ingediende teksten :

A8-0202/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 15
CRE 12/06/2017 - 15

Stemmingen :

PV 13/06/2017 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0254

Aangenomen teksten
PDF 394kWORD 62k
Dinsdag 13 juni 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020
P8_TA(2017)0254A8-0202/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020 (2016/2326(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) ("de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(7),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020 – Een resultaatgerichte EU‑begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(10),

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2010 over een Europese strategie voor het Donaugebied(12), zijn resolutie van 6 juli 2010 over de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het kader van het toekomstige cohesiebeleid(13), zijn resolutie van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio(14), en zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU‑strategie voor het Alpengebied(15),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(16),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(17),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(18),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(19),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU‑beleid(20),

–  gezien mededelingen van de Commissie en resoluties van het Parlement over de ultraperifere gebieden, met name zijn resolutie van 18 april 2012 over de rol van het cohesiebeleid voor de ultraperifere regio's van de Europese Unie in de context van "Europa 2020"(21) en die van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU‑structuurfondsen en andere EU-programma's(22),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(23),

–  gezien de conclusies en aanbevelingen van de "groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen",

–  gezien de op 21 maart 2017 goedgekeurde conclusies van de Raad over speciaal verslag nr. 31/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot",

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015(24) betreffende de interpretatie van artikel 349 VWEU,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken",

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld "European Structural and Investment Funds and European Fund for Strategic Investments complementarities - ensuring coordination, synergies and complementarity" (Complementariteit tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen – zorgen voor coördinatie, synergieën en complementariteit),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0202/2017),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid van de EU voortvloeit uit het VEU en het VWEU en de belichaming vormt van solidariteit in de EU als een van de grondbeginselen van de Unie via het streven naar de in het Verdrag verankerde doelstelling om regionale verschillen weg te werken en economische, sociale en territoriale samenhang tussen alle regio's in de hele EU te bevorderen;

B.  overwegende dat de werking van de EU als "instrument voor convergentie" na 2008 tot stilstand is gekomen, waardoor de bestaande verschillen tussen en binnen de lidstaten steeds verder uiteenlopen en sociale en economische ongelijkheden in de hele EU toenemen; overwegende dat het cohesiebeleid op Europees niveau erg doeltreffend is, met name voor de bevordering van diverse vormen van territoriale samenwerking, en dat het daarom – wat de economische, sociale en territoriale dimensie betreft – een dringend noodzakelijk beleid blijft dat de specifieke behoeften van een grondgebied koppelt aan EU-prioriteiten en dat voor alle burgers tastbare resultaten op het terrein oplevert;

C.  overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 het voornaamste, uiterst succesvolle en gewaardeerde investerings- en ontwikkelingsbeleid voor de hele EU blijft inzake het scheppen van duurzame werkgelegenheid en het genereren van groei en concurrentievermogen van slimme, duurzame en inclusieve aard, vooral in de context van een drastische daling van openbare en particuliere investeringen in tal van lidstaten en de gevolgen van de mondialisering; overwegende dat het cohesiebeleid van cruciaal belang is geweest bij macro-economische beperkingen en hierop sterk heeft ingespeeld;

D.  overwegende dat de meest recente hervorming van het cohesiebeleid in 2013 uitgebreid en substantieel was, doordat de focus van het beleid werd verlegd naar een resultaatgerichte aanpak, thematische concentratie, doeltreffendheid en efficiëntie enerzijds, en beginselen als het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur, slimme specialisatie en plaatsgebonden benaderingen anderzijds;

E.  overwegende dat het vernieuwde cohesiebeleid heeft geleid tot een geleidelijke verschuiving van grote infrastructuurprojecten naar stimulering van de kenniseconomie en innovatie;

F.  overwegende dat deze beginselen in stand moeten worden gehouden en moeten worden geconsolideerd na 2020 om met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het beleid continuïteit, zichtbaarheid, rechtszekerheid, toegankelijkheid en transparantie te kunnen waarborgen;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 alleen een succes kan worden als de administratieve lasten voor de begunstigden en administratieve instanties worden beperkt, als met het oog op evenredigheid het juiste evenwicht wordt gevonden tussen de resultaatgerichtheid van het beleid en het niveau van toetsing en controle, als er mag worden gedifferentieerd bij de tenuitvoerlegging van programma's en als de regels en procedures worden vereenvoudigd, aangezien deze momenteel te complex worden bevonden;

H.  overwegende dat deze elementen – in combinatie met de geïntegreerde beleidsaanpak en het partnerschapsbeginsel – een illustratie vormen van de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid;

I.  overwegende dat de toenemende beperkingen op de begroting van zowel de EU als de lidstaten en de gevolgen van de brexit niet mogen leiden tot een verzwakking van het EU-cohesiebeleid; overwegende dat in dit verband een oproep wordt gedaan aan de onderhandelaars van de EU en het VK om stil te staan bij de positieve en negatieve consequenties van een blijvende deelname van het VK aan programma's voor Europese territoriale samenwerking;

J.  overwegende dat in het cohesiebeleid al wordt ingespeeld op een erg uitgebreide reeks uitdagingen die verband houden met de doelstellingen als verankerd in de Verdragen en dat niet kan worden verwacht dat alle nieuwe uitdagingen waar de EU mogelijk mee zal worden geconfronteerd na 2020 hieraan kunnen worden toegevoegd met dezelfde – of zelfs een kleinere – begroting, hoewel de effecten groter zouden kunnen zijn wanneer aan de lidstaten, regio's en steden meer soepelheid wordt toegekend om nieuwe politieke uitdagingen aan te gaan;

Toegevoegde waarde van het EU-cohesiebeleid

1.  is sterk gekant tegen een eventueel scenario voor de EU-27 tegen 2025, zoals vermeld in het Witboek over de toekomst van Europa, aangezien dit zou betekenen dat de inspanningen van de EU met betrekking tot het cohesiebeleid worden teruggeschroefd; verzoekt de Commissie daarentegen te komen met een uitgebreid wetgevingsvoorstel voor een sterk en doeltreffend cohesiebeleid na 2020;

2.  benadrukt dat groei en regionale, economische en sociale convergentie niet kunnen worden verwezenlijkt zonder goed bestuur, samenwerking en wederzijds vertrouwen bij alle belanghebbende partijen en de daadwerkelijke betrokkenheid van partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zoals is verankerd in het partnerschapsbeginsel (artikel 5 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB‑verordening)); wijst er nogmaals op dat de regeling inzake gedeeld beheer van het EU‑cohesiebeleid een uniek instrument vormt voor de EU om rechtstreeks in te spelen op wat burgers bezighoudt met betrekking tot interne en externe problemen; is van mening dat gedeeld beheer, een concept dat stoelt op het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur en coördinatie tussen verschillende bestuursniveaus, van grote waarde is om alle belanghebbende partijen het gevoel te geven iets te kunnen inbrengen in de tenuitvoerlegging van het beleid en zich er verantwoordelijk voor te voelen;

3.  benadrukt dat het cohesiebeleid als katalysator werkt en dat besturen, begunstigden en belanghebbende partijen er lessen uit kunnen trekken; wijst op de horizontale en transversale benadering van het cohesiebeleid, dat een slim, duurzaam en inclusief beleid vormt met een kader om nationale en subnationale actoren te mobiliseren en te coördineren en om deze actoren rechtstreeks aan te spreken om samen te werken aan de verwezenlijking van EU-prioriteiten via medegefinancierde projecten; dringt in dit verband aan op een optimale coördinatie en samenwerking tussen het DG van de Commissie dat bevoegd is voor het cohesiebeleid en andere DG's, alsook met nationale, regionale en lokale autoriteiten;

4.  betreurt dat tijdens de huidige programmeringsperiode tal van operationele programma's laattijdig zijn goedgekeurd en dat de beheersautoriteiten in een aantal lidstaten laattijdig zijn aangewezen; is verheugd dat in 2016 de eerste tekenen zichtbaar werden van de versnelde tenuitvoerlegging van de operationele programma's; dringt er bij de Commissie op aan om de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging in stand te houden, teneinde ondersteuning te bieden bij de tenuitvoerlegging en de oorzaken voor de vertragingen aan te wijzen, en vraagt om met praktische voorstellen en maatregelen te komen om dit soort problemen bij het begin van de volgende programmeringsperiode te voorkomen; spoort alle betrokken partijen ten stelligste aan de tenuitvoerlegging verder te blijven verbeteren en versnellen zonder knelpunten te veroorzaken;

5.  merkt op dat de tekortkomingen van het systeem voor financiële planning en tenuitvoerlegging hebben geleid tot een ophoping van onbetaalde rekeningen en de opstapeling van een ongekende achterstand die uit het vorige meerjarig financieel kader (MFK) is meegenomen naar het huidige; verzoekt de Commissie een gestructureerde oplossing voor te stellen om dergelijke problemen vóór het einde van het huidige MFK op te lossen en te voorkomen dat deze in het volgende MFK terechtkomen; benadrukt dat het niveau van betalingskredieten voldoende hoog moet zijn om tegemoet te komen aan toezeggingen die in het verleden zijn gedaan, in het bijzonder tegen het einde van de periode, wanneer de hoeveelheid betalingsaanvragen van de lidstaten gewoonlijk sterk toeneemt;

6.  is zich ervan bewust dat het partnerschapsbeginsel in een aantal lidstaten heeft geleid tot nauwere samenwerking met regionale en lokale autoriteiten, maar dat er nog steeds ruimte voor verbetering is wat betreft het waarborgen van echte betrokkenheid van alle belanghebbende partijen in een vroeg stadium, met inbegrip van belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, zodat wordt gezorgd voor een grotere verantwoordingsplicht en zichtbaarheid bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid zonder bijkomende administratieve lasten of vertragingen te creëren; onderstreept dat de benadering inzake meerlagig bestuur inhoudt dat belanghebbende partijen steeds betrokken moeten blijven; is van mening dat het partnerschapsbeginsel en de gedragscode in de toekomst verder uitgewerkt moeten worden, bijvoorbeeld door duidelijke minimumvereisten voor de betrokkenheid van partners in te voeren;

7.  benadrukt dat het cohesiebeleid de gevolgen van de recente economische en financiële crisis in de EU en van de bezuinigingen weliswaar heeft beperkt, maar dat regionale ongelijkheden, verschillen wat concurrentievermogen betreft en sociale ongelijkheden niettemin hoog blijven; dringt aan op een krachtiger optreden om deze ongelijkheden weg te werken en te voorkomen dat er nieuwe ongelijkheden ontstaan in alle soorten regio's, alsook op het behoud en de consolidering van steun voor de regio's, om in elk type regio het gevoel te bevorderen een eigen inbreng te hebben in het beleid en de EU-doelstellingen te behalen in de hele EU; is in dit verband van mening dat er meer aandacht moet gaan naar het weerbaarder maken van regio's tegen plotse schokken;

8.  wijst erop dat alle vormen van territoriale samenwerking, met inbegrip van macroregionale strategieën – waarvan het potentieel nog niet ten volle is aangeboord – een vertaling vormen van het concept politieke samenwerking en coördinatie van regio's en burgers over de interne EU-grenzen heen; onderstreept de waarde van het cohesiebeleid als antwoord op de uitdagingen die eigen zijn aan insulaire, grensoverschrijdende en de meest noordelijke dunbevolkte gebieden, zoals bepaald in artikel 174 VWEU, aan de ultraperifere gebieden als gedefinieerd in de artikelen 349 en 355 VWEU, die een speciale status genieten en waarvoor specifieke instrumenten en middelen moeten worden in stand gehouden na 2020, en aan perifere gebieden;

9.  merkt op dat Europese territoriale samenwerking (ETC) tot de doelstellingen van het cohesiebeleid 2014-2020 behoort die van belang zijn om substantiële toegevoegde waarde te creëren voor EU-doelstellingen, om solidariteit tussen EU-regio's en met buurlanden aan te wakkeren en om de uitwisseling van ervaringen en een overdracht van goede praktijken te bevorderen, bijvoorbeeld via gestandaardiseerde documenten; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om te blijven ijveren voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking in het kader van het streven om de in artikel 174 VWEU bedoelde territoriale samenhang te versterken; is van oordeel dat dit ook na 2020 een belangrijk instrument moet blijven; onderstreept echter dat de huidige begroting voor Europese territoriale samenwerking niet volstaat om de grote uitdagingen waarmee de Interreg-programma's worden geconfronteerd het hoofd te kunnen bieden en geen doeltreffende ondersteuning vormt voor grensoverschrijdende samenwerking; dringt daarom aan op een forse verhoging van de begroting voor Europese territoriale samenwerking in de volgende programmeringsperiode;

10.  onderstreept het belang van het huidige Interreg Europe-samenwerkingsprogramma voor Europese overheden dat de uitwisseling van ervaringen en de overdracht van goede praktijken bevordert; stelt voor dat de financieringsmogelijkheden voor het volgende Interreg Europe-programma na 2020 worden uitgebreid om investeringen mogelijk te maken in concrete proefprojecten en demonstratieprojecten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de deelname van belanghebbende partijen uit heel Europa;

Structuur van het cohesiebeleid na 2020 – continuïteit en werkpunten

11.  onderstreept dat de waarde van het cohesiebeleid is aangetoond door de huidige indeling van regio's, de doorgevoerde hervormingen – zoals thematische concentratie – en het prestatiekader; vraagt de Commissie met ideeën te komen voor een grotere flexibiliteit in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting in haar geheel; beschouwt de instelling van een reserve in dit verband als een interessante optie om in te spelen op ingrijpende onvoorziene gebeurtenissen tijdens de programmeringsperiode en om de herprogrammering van operationele programma's mogelijk te maken, zodat ESIF-investeringen kunnen worden aangepast aan de evoluerende behoeften van iedere regio, alsook om in te spelen op de gevolgen van mondialisering op regionaal en lokaal niveau, zonder daarbij echter een nadelige uitwerking te hebben op investeringen in het kader van het cohesiebeleid of van invloed te zijn op de strategische oriëntatie, de langetermijndoelstellingen, de planningszekerheid en de stabiliteit van meerjarenprogramma's voor regionale en lokale overheden;

12.  is zich bewust van de waarde van ex-antevoorwaarden, met name de voorwaarde inzake onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3), die een ondersteuning blijven voor de strategische programmering van de ESI-fondsen en die voor een sterkere prestatiegerichtheid hebben gezorgd; merkt op dat ex‑antevoorwaarden ervoor zorgen dat de ESIF een doeltreffende ondersteuning kan vormen voor de doelstellingen voor Europa na 2020 zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van het cohesiebeleid als uiteengezet in het Verdrag;

13.  verzet zich tegen macro-economische voorwaarden en wijst erop dat het verband tussen het cohesiebeleid en economische beleidsprocessen in het Europees semester evenwichtig moet zijn, in twee richtingen moet gelden en een niet-punitief karakter moet hebben ten aanzien van alle belanghebbenden; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, omdat dat het Europees semester ten goede kan komen, namelijk economisch beleid en de doelstellingen van het cohesiebeleid inzake economische, sociale en territoriale samenhang, alsook inzake duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming op evenwichtige wijze aan de orde komen;

14.  is van mening dat de Commissie, gelet op het feit dat financiering uit hoofde van het cohesiebeleid bedoeld is om in de hele EU investeringen, groei en werkgelegenheid te stimuleren, in haar zevende cohesieverslag en in nauwe samenwerking met de regeringen van de lidstaten, moet onderzoeken hoe de gevolgen van deze investeringen voor de begrotingstekorten van deze regeringen kunnen worden opgevangen;

15.  wijst erop dat het voor tijdige en succesvolle prestaties van het cohesiebeleid en met het oog op convergentie naar hogere normen van cruciaal belang is in de lidstaten en regio's te zorgen voor een versterking van de bestuurlijke en institutionele capaciteit – en dus voor een versterking van nationale en regionale instanties ter ondersteuning van investeringen – op het gebied van programmering, tenuitvoerlegging en evaluatie van operationele programma's, alsook wat de kwaliteit van beroepsopleiding betreft; beklemtoont in dit verband het belang van het initiatief "Taiex regio peer 2 peer" dat bedoeld is om de bestuurlijke en institutionele capaciteit te verbeteren en ervoor zorgt dat EU-investeringen betere resultaten opleveren;

16.  beklemtoont dat het algemene beheersysteem van het cohesiebeleid moet worden vereenvoudigd op alle bestuursniveaus door programmering, beheer en evaluatie van de operationele programma's te vergemakkelijken, teneinde het toegankelijker, flexibeler en doeltreffender te maken; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is de strijd aan te gaan met overregulering in de lidstaten; vraagt de Commissie om de mogelijkheden uit te breiden voor e-cohesie en specifieke soorten uitgaven, zoals standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire bedragen in het kader van de GB-verordening, en om voor aanvragers en begunstigden een digitaal platform of één enkel informatieloket op te richten; schaart zich achter de conclusies en aanbevelingen die tot nu toe zijn aangenomen door de "groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen" en spoort de lidstaten ertoe aan deze aanbevelingen ten uitvoer te leggen;

17.  vraagt de Commissie na te denken over oplossingen die berusten op proportionaliteit en differentiatie bij de tenuitvoerlegging van programma's, gebaseerd op risico, objectieve criteria en positieve stimuli voor programma's, hun omvang en bestuurlijke capaciteit, met name wat betreft de meerdere lagen voor audits – die moeten worden toegespitst op de bestrijding van onregelmatigheden, meer bepaald fraude en corruptie – en het aantal controles, om een grotere harmonisatie tot stand te brengen tussen het cohesiebeleid, het mededingingsbeleid en ander Uniebeleid, met name de regels inzake overheidssteun, die van toepassing zijn op de ESI-fondsen maar niet op het EFSI of op Horizon 2020, alsook wat betreft de mogelijkheid om voor alle ESI-fondsen één enkele set regels te hanteren om financiering efficiënter te maken en tegelijkertijd rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk fonds;

18.  verzoekt de Commissie, met het oog op daadwerkelijke vereenvoudiging en in overleg met de beheersautoriteiten van nationale en regionale programma's, om een haalbaar plan op te stellen voor de uitbreiding van de regeling inzake vereenvoudigde kosten tot het EFRO, daarbij rekening houdend met de bepalingen van het voorstel voor een verordening tot wijziging van de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting, de zogeheten "omnibusverordening";

19.  is van mening dat subsidies de basis moeten blijven vormen van de financiering in het kader van het cohesiebeleid; wijst echter op het toenemende belang van financieringsinstrumenten; wijst erop dat leningen, effecten of garanties een aanvullende rol kunnen vervullen, maar dat zij voorzichtig moeten worden gebruikt op basis van een geschikte ex-antebeoordeling, en dat subsidies alleen mogen worden aangevuld indien deze financieringsinstrumenten een toegevoegde waarde blijken te hebben en een hefboomeffect kunnen teweegbrengen door bijkomende financiële steun aan te trekken, met inachtneming van regionale verschillen en de diversiteit van praktijken en ervaringen;

20.  benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie, de EIB en de lidstaten lokale en regionale instanties begeleiding bieden met betrekking tot de innovatieve financieringsinstrumenten via platformen als fi-compass of door te voorzien in stimuli voor begunstigden; wijst erop dat deze instrumenten niet voor alle vormen van interventies in het kader van het cohesiebeleid in aanmerking komen; is van mening dat alle regio's op vrijwillige basis de mogelijkheid moeten krijgen om naargelang van hun behoeften te beslissen over de toepassing van financieringsinstrumenten; verzet zich echter tegen bindende kwantitatieve streefcijfers voor het gebruik van financieringsinstrumenten en onderstreept dat het toenemende gebruik van financieringsinstrumenten niet mag leiden tot een daling van de algemene EU‑begroting;

21.  verzoekt de Commissie te zorgen voor betere synergieën en communicatie met betrekking tot de ESI-fondsen en andere fondsen en programma's van de Unie, waaronder het EFSI, en vraagt om de toepassing van meerfondsenverrichtingen te vergemakkelijken; beklemtoont dat het EFSI de strategische samenhang, de territoriale concentratie en het langetermijnperspectief van de programmering van het cohesiebeleid niet op de helling mag zetten en de subsidies niet mag vervangen of verdringen, en dat het EFSI evenmin tot doel mag hebben de begroting van de ESIF te vervangen of te beperken; benadrukt de daadwerkelijke additionaliteit van de middelen van het fonds; dringt aan op een duidelijke afbakening tussen het EFSI en het cohesiebeleid, samen met mogelijkheden om beide te combineren en hun gebruik te vergemakkelijken zonder dat ze gemengd worden, zodat de financieringsstructuur aan aantrekkingskracht kan winnen en de schaarse EU-middelen goed worden besteed; is van mening dat regels voor meerfondsenverrichtingen moeten worden geharmoniseerd en dat er een duidelijke communicatiestrategie moet komen over bestaande financieringsmogelijkheden; verzoekt de Commissie in dit verband een set instrumenten voor begunstigden uit te werken;

22.  verzoekt de Commissie na te denken over de ontwikkeling van een bijkomende reeks indicatoren ter aanvulling van de bbp-indicator, die de belangrijkste wettige en betrouwbare methode blijft voor een eerlijke toewijzing van ESI-fondsen; is van mening dat de index voor sociale vooruitgang of een demografische indicator in dit verband moet worden beoordeeld en in overweging moet worden genomen, zodat een volledig beeld kan worden gevormd van regionale ontwikkeling; is van mening dat dergelijke indicatoren een beter antwoord kunnen bieden op de nieuwe vormen van ongelijkheid die ontstaan tussen EU-regio's; benadrukt bovendien dat resultaatindicatoren geschikt zijn om de resultaat- en prestatiegerichtheid van het beleid te versterken;

23.  verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen om het probleem van nationale financiering van cohesiebeleidsprojecten op te lossen in het geval van lokale en regionale overheden in sterk gecentraliseerde lidstaten die onvoldoende begrotings- en financieringscapaciteit hebben en die grote moeilijkheden ondervinden bij het medefinancieren van projecten, en vaak zelfs bij het opstellen van projectdocumentatie, wegens een gebrek aan beschikbare financiële middelen, hetgeen leidt tot een lagere benutting van het cohesiebeleid;

24.  spoort de Commissie aan voor bepaalde geselecteerde prioriteiten de mogelijkheid te overwegen het NUTS 3-niveau te gebruiken voor de indeling van regio's in het cohesiebeleid;

Centrale beleidsdomeinen voor een moderner cohesiebeleid na 2020

25.  benadrukt het belang van het ESF, de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name in de strijd tegen langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie, die zich op een historisch hoog niveau bevinden, vooral in minder ontwikkelde regio's, in de ultraperifere gebieden en in regio's die het hardst zijn getroffen door de crisis; beklemtoont de centrale rol die wordt vervuld door kmo's bij het creëren van banen – goed voor 80 % van de werkgelegenheid in de Unie – en bij het bevorderen van innovatieve sectoren zoals de digitale economie en de koolstofarme economie;

26.  is van mening dat het cohesiebeleid na 2020 zorg moet blijven dragen voor kwetsbare en gemarginaliseerde personen, moet inspelen op toenemende ongelijkheid en moet werken aan solidariteit; stelt vast dat er bij investeringen in onderwijs, opleiding en cultuur sprake is van een positief effect in termen van toegevoegde waarde op maatschappelijk vlak en wat werkgelegenheid betreft; wijst er bovendien op dat sociale inclusie moet worden behouden, met inbegrip van ESF-uitgaven, aangevuld door EFRO-investeringen op dat gebied;

27.  stelt voor ESI-fondsen beter te benutten om in te spelen op demografische verandering en iets te doen aan de regionale en lokale gevolgen ervan; is van oordeel dat ESI-fondsen in regio's die met problemen als ontvolking kampen ten volle moeten worden afgestemd op het scheppen van werkgelegenheid en groei;

28.  wijst op het toenemende belang van de Territoriale Agenda en van succesvolle partnerschappen tussen stedelijke en landelijke gebieden, alsook op de voorbeeldfunctie van slimme steden als microkosmos en katalysator voor innovatieve oplossingen voor regionale en lokale problemen;

29.  is verheugd over het Pact van Amsterdam en de grotere erkenning die wordt gegeven aan de functie van steden en stedelijke gebieden in de Europese beleidsvorming, en vraagt een doeltreffende tenuitvoerlegging van de coöperatieve werkmethode via de partnerschappen die in het pact vervat zitten; rekent erop dat de resultaten worden opgenomen in toekomstige EU-beleidsmaatregelen na 2020;

30.  wijst uitdrukkelijk op de sterkere stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de vorm van specifieke voorzieningen voor duurzame stedelijke ontwikkeling en stedelijke innovatieve maatregelen; en is van mening dat dit na 2020 verder moet worden ontwikkeld en gepaard moet gaan met bijkomende financiering en dat er meer bevoegdheden moeten worden gedelegeerd naar lagere niveaus; spoort de Commissie aan om voor een betere coördinatie tussen diverse maatregelen te zorgen, zodat de rechtstreekse steun aan lokale overheden in het kader van het cohesiebeleid wordt versterkt door te voorzien in financiering en door instrumenten voor territoriale ontwikkeling op maat aan te bieden; benadrukt de toekomstige rol van instrumenten voor territoriale ontwikkeling, zoals vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen;

31.  schaart zich achter de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs; wijst in dit verband op de doelstelling die door alle EU-instellingen wordt onderschreven om ten minste 20 % van de EU-begroting te besteden aan maatregelen in verband met klimaatverandering en onderstreept dat de ESI-fondsen hierin een sleutelrol spelen en zo doeltreffend mogelijk verder moeten worden gebruikt voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, alsook voor groene economieën en hernieuwbare energie; meent dat het toezicht- en volgsysteem voor klimaatuitgaven moet worden verbeterd; wijst op het potentieel van Europese territoriale samenwerking in dit opzicht en op de functie van steden en regio's in het kader van de stedenagenda;

32.  merkt op dat RIS3 een versterking vormt voor de regionale ecosystemen voor innovatie; beklemtoont dat onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling op het voorplan moeten blijven staan zodat de EU op mondiaal niveau kan concurreren; is van mening dat het model van slimme specialisatie een van de hoofdbenaderingen moet worden in het cohesiebeleid na 2020 via het stimuleren van samenwerking tussen verschillende regio's, stedelijke en landelijke gebieden en via de ondersteuning van de economische ontwikkeling in de EU, door synergieën tot stand te brengen tussen transnationale RIS3‑strategieën en clusters van wereldklasse; herinnert aan het bestaande proefproject "de trap naar topkwaliteit" (Stairway to Excellence – S2E), dat regio's ondersteuning blijft bieden bij het ontwikkelen en benutten van synergieën tussen de ESI-fondsen, Horizon 2020 en andere EU-financieringsprogramma's; is dan ook van mening dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om tot het uiterste gebruik te maken van synergieën, zodat slimme specialisatie en innovatie na 2020 verder worden versterkt;

33.   onderstreept dat de verhoogde zichtbaarheid van het cohesiebeleid van cruciaal belang is om euroscepticisme tegen te gaan en kan helpen om het vertrouwen van burgers terug te winnen; wijst erop dat de zichtbaarheid van de ESI-fondsen enkel kan worden verbeterd als er meer aandacht wordt besteed aan de inhoud en de resultaten van de bijbehorende programma's, via een top-down- en bottom-upbenadering met mogelijkheid tot participatie van belanghebbende partijen en begunstigden die kunnen fungeren als een doeltreffend kanaal voor de verspreiding van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid; dringt er bovendien bij de Commissie, de lidstaten, regio's en steden op aan efficiënter te communiceren over de meetbare resultaten van het cohesiebeleid die een meerwaarde vormen in het dagelijks leven van de EU-burger; dringt erop aan dat communicatieactiviteiten in het kader van een specifieke begroting binnen technische ondersteuning in voorkomend geval moeten worden voortgezet nadat een project is afgesloten, tot op het moment dat de resultaten duidelijk zichtbaar worden;

Vooruitzichten

34.  dringt erop aan dat de bevordering van economische, sociale en territoriale samenhang en solidariteit in de hele EU en het afstemmen van EU-fondsen op groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen bovenaan de EU-agenda worden geplaatst; doet tevens een oproep om de strijd tegen regionale verschillen, de terugdringing van armoede en sociale uitsluiting, alsook de strijd tegen discriminatie voort te zetten; is van mening dat het cohesiebeleid, als aanvulling op de doelstellingen die in de Verdragen zijn verankerd, verder moet blijven dienen als instrument om politieke doelstellingen van de EU te behalen, hetgeen ook helpt om het bewustzijn van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid aan te wakkeren en het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie te blijven dat beschikbaar is voor alle regio's;

35.  wijst er nogmaals op dat het hoog tijd is voorbereidingen te treffen voor het EU‑cohesiebeleid na 2020, zodat het vanaf de eerste dag van de nieuwe programmeringsperiode op doeltreffende wijze kan worden ingezet; dringt er daarom op aan dat de Commissie tijdig start met de voorbereiding van het nieuwe wetgevingskader, meer bepaald kort nadat het voorstel van de Commissie voor het volgende MFK wordt voorgesteld en vertaald in de officiële talen; dringt er bovendien op aan dat alle wetgevingsvoorstellen voor een toekomstig cohesiebeleid tijdig worden aangenomen en dat er wordt gezorgd voor begeleiding inzake beheer en controle alvorens de nieuwe programmeringsperiode van start gaat, zonder terugwerkende kracht; onderstreept dat de vertraagde tenuitvoerlegging van operationele programma's gevolgen heeft voor de doeltreffendheid van het cohesiebeleid;

36.  merkt op dat de kern van het huidige wetgevingskader van het cohesiebeleid moet worden behouden na 2020, met een beleid dat verfijnd, versterkt, vlot toegankelijk en resultaatgericht is en waarbij de toegevoegde waarde van het beleid beter wordt gecommuniceerd aan de burgers;

37.  benadrukt in het licht van het Commissievoorstel 2016/0282(COD) dat er voor het opvangen van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten en voor hun sociale en economische integratie een samenhangende transnationale benadering vereist is, hetgeen ook moet worden aangepakt via het huidige en toekomstige EU-cohesiebeleid;

38.  wijst op het belang van stabiele regels; verzoekt de Commissie om bij de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor het cohesiebeleid in het kader van het volgende MFK wijzigingen tot een minimum te beperken; is ervan overtuigd dat het aandeel van de EU-begroting dat wordt gereserveerd voor het cohesiebeleid na 2020 voldoende groot moet blijven of zelfs moet stijgen, gezien de complexe interne en externe problemen die in het beleid overeenkomstig de doelstellingen ervan aan bod zullen moeten komen; is van mening dat er geen sprake van kan zijn dat het beleid door omstandigheden, met inbegrip van de brexit, wordt afgezwakt, en dat er niet mag worden beknibbeld op het aandeel van dit beleid in de totale EU-begroting door overheveling van middelen om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden; onderstreept bovendien dat het cohesiebeleid over meerdere jaren loopt en dringt erop aan dat de zevenjarige programmeringsperiode wordt behouden of dat er een programmeringsperiode van vijf + vijf jaar met een verplichte tussentijdse herziening wordt ingevoerd;

39.  dringt aan op een snelle toewijzing van de prestatiereserve; merkt op dat er te veel tijd verstrijkt tussen de prestatie en het vrijgeven van de reserve en dat dit de doeltreffendheid van de reserve aantast; dringt er daarom bij de Commissie op aan de lidstaten toe te staan het gebruik van de prestatiereserve operationeel te maken zodra de evaluatie is afgerond;

40.  wijst er in dit verband op dat de digitale agenda, met inbegrip van het beschikbaar stellen van de nodige infrastructuur en geavanceerde technologische oplossingen, een prioriteit moet vormen in het kader van het cohesiebeleid, met name in de volgende financieringsperiode; merkt op dat ontwikkelingen in de telecommunicatiesector in elk geval gepaard moeten gaan met geschikte opleiding, hetgeen tevens via het cohesiebeleid moet worden ondersteund;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten en hun parlementen en het Comité van de Regio's.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(8) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0217.
(12) PB C 305 E van 11.11.2010, blz. 14.
(13) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 1.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0383.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0336.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0307.
(21) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 1.
(22) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.
(24) ECLI:EU:C:2015:813.

Juridische mededeling