Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0231(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0208/2017

Ingediende teksten :

A8-0208/2017

Debatten :

PV 13/06/2017 - 3
CRE 13/06/2017 - 3
PV 16/04/2018 - 20
CRE 16/04/2018 - 20

Stemmingen :

PV 14/06/2017 - 8.1
CRE 14/06/2017 - 8.1
Stemverklaringen
PV 17/04/2018 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0256
P8_TA(2018)0097

Aangenomen teksten
PDF 652kWORD 68k
Woensdag 14 juni 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen ***I
P8_TA(2017)0256A8-0208/2017

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 – C8-0331/2016 – 2016/0231(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering
betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering ("Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs")
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Visum 1 bis (nieuw)
Gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Visum 1 ter (nieuw)
Gezien Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Op 10 juni 2016 heeft de Commissie het voorstel gepresenteerd voor bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door de EU. Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.
(3)  De Raad heeft de Overeenkomst van Parijs op 5 oktober 2016 bekrachtigd, nadat het Europees Parlement hiermee op 4 oktober 2016 had ingestemd. De Overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden en heeft krachtens artikel 2 tot doel "in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door: a) de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde ruim onder 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau, daarbij erkennende dat dit de risico's en de gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk beperkt; b) het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en emissie-arme ontwikkeling te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt; c) geldstromen te doen sporen met een traject naar geringe broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling.
De Overeenkomst van Parijs vereist ook dat de partijen maatregelen nemen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.
Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd.
(4)  De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd. De groene investeringsregelingen in verband met het Protocol van Kyoto, waarbij financiële steun wordt verleend voor projecten voor emissieverlaging in minder welvarende lidstaten, zullen daarom ook worden beëindigd.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De Raad Milieu sprak op zijn vergadering van 21 oktober 2009 steun uit voor de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het Intergouvernementele Panel inzake klimaatverandering (IPPC) noodzakelijk geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de emissies uiterlijk in 2050 met 80 tot 95 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 1990.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Voor de overschakeling naar schone energie zijn veranderingen in het investeringsgedrag en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden noodzakelijk. Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te leveren. Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering16 is uiteengezet.
(5)  Voor de overschakeling naar schone energie en de bio-economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag op alle beleidsgebieden noodzakelijk, alsook stimulansen voor minder kapitaalkrachtige kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en kleine landbouwbedrijven zodat deze hun bedrijfsmodellen kunnen aanpassen. Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen waarin energie-efficiëntie op de eerste plaats komt en die ernaar streeft haar burgers betrouwbare, duurzame en betaalbare energie te leveren en een streng duurzaamheids- en emissiereductiebeleid te voeren met als doel fossiele hulpbronnen te vervangen door biogrondstoffen. Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering16 is uiteengezet.
__________________
__________________
16 COM(2015)0080
16 COM(2015)0080
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad19 wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2020 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018, en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.
(9)  De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad19 wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2018 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018 of, als deze waarde lager ligt, op basis van de waarde van de jaarlijkse emissieruimte voor 2020, en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Om vroegtijdig optreden te belonen en lidstaten met minder investeringscapaciteit te ondersteunen, kunnen lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking onder het Uniegemiddelde die tijdens de periode 2013 tot en met 2020 een lagere uitstoot hebben dan hun bij Beschikking nr. 406/2009/EG vastgestelde jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013 tot en met 2020, onder bepaalde voorwaarden om aanvullende ruimten uit een reserve verzoeken. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking nr. 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanvullende aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.
_________________
_________________
19 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
19 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Om de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie voorziet deze verordening in een emissiereductietraject voor de lange termijn om de onder deze verordening vallende broeikasgasemissies vanaf 2031 te verminderen. De verordening draagt ook bij aan het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Om te waarborgen dat de bij Besluit (EU) 2015/18141 bis van het Europees Parlement en de Raad ingestelde marktstabiliteitsreserve volledig doeltreffend blijft, mag bij de vaststelling van het totale aantal in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1814 de annulering van emissierechten als gevolg van het gebruik van de in deze verordening bepaalde flexibiliteit ingevolge de vermindering van EU-ETS-emissierechten niet worden meegerekend als emissierechten die overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG zijn geannuleerd.
____________________________
1 bis Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU‑regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de energieprestatie van gebouwen, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.
(11)  Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de verbetering van de energieprestaties van gebouwen, de toename van hernieuwbare energie, de vergroting van de energie-efficiëntie en de bevordering van de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Om deze emissiereducties te realiseren en de rol van de landbouwsector zo groot mogelijk te maken, is het belangrijk dat de lidstaten innoverende mitigatiemaatregelen met het grootste potentieel bevorderen, waaronder: de conversie van bouwland in blijvend grasland; het beheer van heggen, bufferstroken en bomen op landbouwgrond; nieuwe regelingen inzake agrobosbouw en bosaanplanting; de preventie van het verwijderen van bomen en van ontbossing; weinig of geen grondbewerking en gebruik van bodembedekking/tussenteelt en gewasresten op het land; koolstofaudits en beheersplannen voor bodems/nutriënten; meer stikstofefficiëntie en remming van de nitrificatie; herstel en bescherming van wetland/veengrond; en verbeterde methoden voor het fokken, voederen en beheer van vee met het oog op lagere emissies.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)  Deze verordening, met inbegrip van de beschikbare flexibiliteit, zorgt voor een stimulans voor emissiereducties die aansluit bij andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie voor sectoren die onder deze verordening vallen, waaronder op het gebied van energie-efficiëntie. Aangezien meer dan 75 % van de broeikasgasemissies energiegerelateerd is, zullen een efficiënter energiegebruik en energiebesparingen een belangrijke rol spelen bij het verwezenlijken van dergelijke emissiereducties. Een ambitieus energie-efficiëntiebeleid is daarom van groot belang, niet alleen om te besparen op de invoer van fossiele brandstoffen, wat zorgt voor energiezekerheid en lagere energierekeningen voor de consument, maar ook om meer gebruik te maken van energiebesparende technologieën in gebouwen, de industrie en het vervoer, om het economische concurrentievermogen te versterken, om lokale banen te creëren, om de volksgezondheid te verbeteren en om energiearmoede tegen te gaan. Maatregelen in onder deze verordening vallende sectoren betalen zich in de loop van de tijd terug en zijn een kosteneffectieve manier om de lidstaten te helpen hun doelstellingen krachtens deze verordening te halen. Wanneer de lidstaten deze verordening in nationaal beleid omzetten, is het belangrijk dat zij bijzondere aandacht besteden aan de specifieke en verschillende mogelijkheden om in alle sectoren voor meer energie-efficiëntie en investeringen te zorgen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quater (nieuw)
(11 quater)   De vervoerssector is niet alleen verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de uitstoot van broeikasgassen, maar is sinds 1990 ook de snelst groeiende sector op het gebied van energieconsumptie. Daarom is het belangrijk dat de Commissie en de lidstaten meer inspanningen leveren om de energie-efficiëntie te verbeteren, een verschuiving naar duurzame vervoerswijzen te bevorderen en de hoge koolstofafhankelijkheid van de sector te verlagen. De bevordering van emissiearme energie in de vervoerssector, bijvoorbeeld door middel van duurzame biobrandstoffen en elektrische voertuigen, zal de energiemix koolstofarm helpen maken en zal bijdragen tot de CO2-emissiereductiedoelstelling, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dat kan worden vereenvoudigd door te waarborgen dat de sector over een duidelijk langetermijnkader beschikt dat zekerheid biedt en waarop investeringen kunnen worden gebaseerd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quinquies (nieuw)
(11 quinquies)   De impact van energiebeleid en sectorale beleidslijnen op zowel de klimaatverbintenissen van de Unie als nationale klimaatverbintenissen moet worden beoordeeld aan de hand van gemeenschappelijke kwantitatieve methoden, zodat de beleidsimpact transparant en verifieerbaar is.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.
(12)  Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland en, in voorkomend geval, beheerde wetlands als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit van 280 miljoen ton te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Om op een wederzijds coherente manier de verschillende Uniedoelstellingen in verband met de landbouw te behalen, waaronder beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, de luchtkwaliteit, het behoud van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten en steun voor plattelandseconomieën, zijn andere investeringen en stimulansen nodig, ondersteund door Uniemaatregelen zoals het GLB. Het is van essentieel belang dat deze verordening acht slaat op de doelstelling van de bosbouwstrategie van de Unie om een concurrerende en duurzame toevoer van hout voor de bio-economie van de Unie te bevorderen, alsook aan die van het nationale bosbouwbeleid van de lidstaten, de biodiversiteitsstrategie van de Unie en de strategie van de Unie inzake de circulaire economie.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van deze verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. De toepassing van de aftrekkingen moet echter slechts om de vijf jaar in acht worden genomen zodat met de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] rekening kan worden gehouden. Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.
(13)  Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van die verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. Om de twee jaar moet een volledige nalevingscontrole worden uitgevoerd. De toepassing van de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] moet in acht worden genomen overeenkomstig de in die verordening vastgestelde tussenpozen. Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Aangezien meer dan de helft van de broeikasgasemissies van de Unie wordt veroorzaakt door de sectoren die onder deze verordening vallen, is het emissiereductiebeleid van deze sectoren van groot belang om aan de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te kunnen voldoen. De in deze verordening neergelegde procedures voor monitoring, rapportering en follow-up moeten dan ook volledig transparant zijn. De lidstaten en de Commissie moeten alle informatie met betrekking tot de naleving van deze verordening openbaar maken en ervoor zorgen dat de belanghebbenden en de bevolking naar behoren worden betrokken bij de herziening van deze verordening. Voorts wordt de Commissie verzocht een doeltreffend en transparant systeem te ontwikkelen om toezicht te houden op het resultaat van de ingevoerde flexibiliteit.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.
(14)  Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte in reserve kunnen houden of kunnen lenen. De lidstaten moeten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte ook aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan.
(15)  Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan en direct en op doeltreffende wijze bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 4, dat bepaalt dat jaarlijkse emissiegrenswaarden voor de lidstaten moeten worden vastgesteld, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad21.
(17)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de jaarlijkse emissieruimten voor de lidstaten vast te stellen.
_________________
21 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Naast de inspanningen die de Unie levert om haar eigen emissies terug te dringen, is het belangrijk dat zij, overeenkomstig de doelstelling om in toenemende mate bij te dragen tot de verkleining van de mondiale koolstofafdruk, samen met derde landen zoekt naar klimaatoplossingen, door met de desbetreffende landen projecten uit te voeren in het kader van het klimaatbeleid voor 2030, daarbij in aanmerking nemend dat in de Overeenkomst van Parijs wordt verwezen naar een nieuw mechanisme voor internationale samenwerking, dat gericht is op de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.
(20)  Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.
Om aan de Overeenkomst van Parijs te voldoen, dient de Unie haar inspanningen op te voeren en om de vijf jaar een bijdrage te leveren die haar grootst mogelijke ambitie weerspiegelt.
Bij de evaluatie moet daarom rekening worden gehouden met de doelstelling van de Unie om de uitstoot van broeikasgassen van de hele economie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990, en met het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen. De evaluatie moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en berusten op een voorbereidend verslag van het Europees Milieuagentschap.
Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 moet rekening worden gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage.
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage. Op grond van de verordening moeten de lidstaten de in artikel 2 bedoelde broeikasgasemissies verminderen om het streefcijfer van de Unie te bereiken om de emissies tegen 2030 op billijke en kosteneffectieve wijze met ten minste 30 % te verminderen ten opzichte van 2005.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De algemene doelstelling van deze verordening bestaat erin de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie door het uitstippelen van een voorspelbare langetermijnkoers om de broeikasgasemissies van de Unie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3
3.  Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.A burgerluchtvaart" behoren als gelijk aan nul beschouwd.
3.  Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.A burgerluchtvaart" behoren en onder Richtlijn 2003/87/EG vallen als gelijk aan nul beschouwd.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Deze verordening is van toepassing op CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.D scheepvaart" behoren en niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030
1.  Iedere lidstaat beperkt in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.
1.  Iedere lidstaat beperkt uiterlijk in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.
2.  Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2020 met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.
2.  Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2018, ofwel met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, ofwel met de jaarlijkse emissieruimte voor 2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG, indien deze lager is, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.
3.  De Commissie stelt in een uitvoeringshandeling de jaarlijkse emissieruimten vast voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze uitvoeringshandeling verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze gedelegeerde handelingen verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.
4.  In deze uitvoeringshandeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.
4.  In deze gedelegeerde handeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.
5.  Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 bis (nieuw)
Artikel 4 bis
Langetermijntraject voor emissiereductie vanaf 2031
Tenzij anders wordt besloten tijdens de eerste of een van de daaropvolgende evaluaties als bedoeld in artikel 14, lid 2, zorgt elke lidstaat in elk van de jaren 2031 tot en met 2050 voor verdere broeikasgasemissiereducties overeenkomstig deze verordening. Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn broeikasgasemissies tussen 2031 en 2050 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend met zijn jaarlijkse emissieruimte voor 2030 en in 2050 eindigend op een emissieniveau dat 80 % lager is dan het niveau van 2005 voor die lidstaat.
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2031 tot en met 2050, uitgedrukt in ton CO2-equivalent.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken
1.  De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.
1.  De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.
2.  Gedurende de jaren 2021 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.
2.  Gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.
3.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.
3.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2025. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.
4.  Een lidstaat mag maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.
4.  Een lidstaat mag gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 maximaal 5 % en gedurende de jaren 2026 tot en met 2030 maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.
5.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.
5.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.
5 bis.   Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als de emissies van de betreffende lidstaat op het tijdstip van de overdracht hoger liggen dan zijn jaarlijkse emissieruimte.
6.  De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen.
6.  De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen. De lidstaten kunnen voor dergelijke projecten de totstandbrenging van particuliere en publiek-private partnerschappen stimuleren.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De toegang tot de in dit artikel en bijlage II genoemde flexibiliteit wordt alleen verleend wanneer de betreffende lidstaten toezeggen maatregelen te nemen in andere sectoren waar in het verleden onvoldoende resultaten zijn geboekt. Uiterlijk op 31 december 2019 vult de Commissie deze verordening verder aan door overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling met een lijst van dergelijke maatregelen en sectoren vast te stellen.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – titel
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen afkomstig van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:
1.  In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, met inbegrip van eventuele gereserveerde emissieruimten uit hoofde van artikel 5, lid 3, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland, indien van toepassing beheerd wetland en, onverminderd de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling, beheerde bosgrond samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:
-a)  de lidstaat uiterlijk op 1 januari 2019 bij de Commissie een actieplan indient waarin maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van het gebruik van Uniefinanciering, voor klimaatefficiënte landbouw en voor de sectoren landgebruik en bosbouw worden uiteengezet en waarin wordt aangetoond hoe deze maatregelen zullen bijdragen aan de vermindering van de broeikasgasemissies uit hoofde van deze verordening en aan het overtreffen van wat overeenkomstig artikel 4 van Verordening [ ][LULUCF] is vereist voor de periode 2021-2030;
a)  de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;
a)  de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;
b)  dergelijke hoeveelheid hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist;
b)  dergelijke hoeveelheid aantoonbaar hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist tijdens de periodes van vijf jaar als bepaald in artikel 12 van Verordening [] [LULUCF];
c)  de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en
c)  de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en
d)  de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.
d)  de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.
De Commissie kan advies uitbrengen over de actieplannen die door de lidstaten overeenkomstig punt -a) zijn ingediend.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen.
2.  Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel en de boekhoudkundige categorieën in bijlage III teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen, zonder de krachtens dit artikel beschikbare totale hoeveelheid van 280 miljoen te boven te gaan.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn in 2027 en 2032 de volgende maatregelen van toepassing:
1.  Om de twee jaar gaat de Commissie na of de lidstaten aan deze verordening voldoen. Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn de volgende maatregelen van toepassing:
a)  aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08, in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en
a)  aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08, in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en
b)  de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.
b)  de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Reserve wegens vroegtijdig optreden
1.  Om rekening te houden met vroegtijdig optreden vóór 2020 wordt op verzoek van een lidstaat een hoeveelheid van maximaal een totale som van 90 miljoen ton aan jaarlijkse emissieruimte in de periode 2026-2030 voor de naleving door die lidstaat meegerekend bij de laatste nalevingscontrole uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, op voorwaarde dat:
(a)  de totale jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor de periode 2013-2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG hoger liggen dan de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor die lidstaat voor de periode 2013-2020;
(b)  het bbp per hoofd van de bevolking van die lidstaat tegen marktprijzen in 2013 onder het EU-gemiddelde ligt;
(c)  die lidstaat de in de artikelen 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit overeenkomstig de in de bijlagen II en III bepaalde niveaus ten volle heeft benut;
(d)  die lidstaat de in artikel 5, leden 2 en 3, genoemde vormen van flexibiliteit ten volle heeft benut en geen emissieruimten aan een andere lidstaat heeft overgedragen op grond van artikel 5, leden 4 en 5; en
(e)  de Unie als geheel haar in artikel 1, lid 1, bedoelde streefcijfer haalt.
2.  Het maximale aandeel van een lidstaat in de in lid 1 bedoelde totale som dat voor de naleving kan worden meegerekend, wordt vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen enerzijds het verschil tussen zijn totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 en zijn totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor diezelfde periode, en anderzijds het verschil tussen de totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 van alle lidstaten die aan het criterium van lid 1, onder b), voldoen en de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies van die lidstaten voor diezelfde periode.
De jaarlijkse emissieruimten en de geverifieerde jaarlijkse emissies worden bepaald op grond van lid 3.
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de maximale aandelen voor elke lidstaat, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, overeenkomstig de leden 1 en 2 worden vastgesteld. Ten behoeve van deze gedelegeerde handelingen gebruikt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG en de geëvalueerde inventarisgegevens voor de jaren 2013 tot en met 2020 krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.
2.  De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid, die voor alle lidstaten samen neerkomt op een totale som van 39,14 miljoen ton CO2-equivalent, wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – titel
Register
Europees register
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register, met inbegrip van de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek.
1.  De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register. Hiertoe stelt de Commissie overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening, in het bijzonder met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Het Europees register is transparant en bevat alle relevante informatie met betrekking tot de overdracht van emissierechten tussen de lidstaten. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek via een speciale website die door de Commissie wordt beheerd.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1 uit te voeren.
Schrappen
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Klimaateffecten van de Uniefinanciering
De Commissie voert een uitvoerige sectoroverschrijdende studie uit over de gevolgen van middelen die vanuit de Uniebegroting of anderszins overeenkomstig het Unierecht zijn toegewezen voor de beperking van klimaatverandering.
Uiterlijk op 1 januari 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de bevindingen van de studie, dat zo nodig vergezeld gaat van wetgevingsvoorstellen met het oog op de stopzetting van Uniefinanciering die niet strookt met de CO2-reductiedoelstellingen of -beleidslijnen van de Unie. Het verslag omvat het voorstel voor een verplichte voorafgaande controle van de verenigbaarheid met het klimaat, die geldt voor elke nieuwe Unie-investering vanaf 1 januari 2020, en de verplichting om de resultaten op transparante en toegankelijke wijze openbaar te maken.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 6
6.  Een overeenkomstig de artikelen 7, lid 2, en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Schrappen
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. In de mededeling worden met name de rol en toereikendheid van de in deze verordening vastgelegde verplichtingen voor het bereiken van die doelstellingen belicht, alsook de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie, met inbegrip van de voorschriften inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en de wetgevingshandelingen op het gebied van landbouw en vervoer aansluiten bij de Unietoezegging inzake vermindering van broeikasgassen.
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan eventueel passende voorstellen indienen.
2.   De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 na de eerste mondiale evaluatie van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in 2023 en binnen zes maanden na de daaropvolgende wereldwijde evaluaties aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en de bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de emissiereducties van de lidstaten te verhogen.
Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 wordt rekening gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit bij de verdeling over de lidstaten.
Bij de evaluatie wordt ook rekening gehouden met de vorderingen die de Unie en derde landen hebben gemaakt op weg naar de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en met de voortgang met betrekking tot het aantrekken en in stand houden van particuliere financiering ter ondersteuning van de overgang naar een koolstofarme economie.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Besluit (EU) 2015/1814
Artikel 1 – lid 4
Artikel 15 bis
Wijziging van Besluit (EU) 2015/1814
Artikel 1, lid 4, van Besluit (EU) 2015/1814 wordt vervangen door:
"4. De Commissie publiceert voor elk jaar, uiterlijk 15 mei van het volgende jaar, het totale aantal emissierechten in omloop. Het totale aantal van de in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten is de som van het aantal in de periode vanaf 1 januari 2008 toegewezen emissierechten, met inbegrip van het aantal rechten dat in die periode overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is toegewezen en door installaties uitgeoefende rechten om internationale kredieten te gebruiken uit hoofde van het EU-ETS voor emissies voor 31 december van dat bepaalde jaar, minus het totaal aantal ton geverifieerde emissies van onder de EU-ETS vallende installaties tussen 1 januari 2008 en 31 december van datzelfde bepaalde jaar, de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG behalve de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2017/...* van het Europees Parlement en de Raad, en het aantal emissierechten in de reserve. Er wordt geen rekening gehouden met de emissies tijdens de driejarige periode 2005-2007 en de ten aanzien van deze emissies toegewezen emissierechten. De eerste bekendmaking vindt uiterlijk 15 mei 2017 plaats.
______________
* Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering ("Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs") (PB L … van ..., blz. ... .)."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0208/2017).

Juridische mededeling