Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2061(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0197/2017

Ingediende teksten :

A8-0197/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 18
CRE 12/06/2017 - 18

Stemmingen :

PV 14/06/2017 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0260

Aangenomen teksten
PDF 229kWORD 59k
Woensdag 14 juni 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
De noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof
P8_TA(2017)0260A8-0197/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (2016/2061(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien algemene opmerking nr. 16 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten (artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESR))(1), en algemene opmerking nr. 19 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over het recht op sociale zekerheid (artikel 9 van het ICESR)(2),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien artikel 4, lid 2, artikel 4, lid 3, en de artikelen 12, 20 en 23 van het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 5 december 2014(3),

–  gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(4),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(6),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(7),

–  gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278), en met name doelstelling 3.2 daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(9),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(11),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(12),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(13),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(14),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(15),

—  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,

—  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,

–  gezien de studie in opdracht van zijn beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken getiteld "De genderpensioenkloof: verschillen tussen moeders en vrouwen zonder kinderen" (2016), en de studie van de Commissie getiteld"De genderkloof inzake pensioenen in de EU" (2013),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0197/2017),

A.  overwegende dat de genderpensioenkloof (die kan worden gedefinieerd als het verschil tussen het gemiddelde bedrag (vóór aftrek van belastingen en heffingen) dat vrouwen ontvangen voor hun pensioen en het bedrag dat mannen gemiddeld krijgen) in de EU in 2015 gelijk was aan 38,3 % voor de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder, en de afgelopen vijf jaar in de helft van de lidstaten is toegenomen; overwegende dat de financiële crisis van de laatste jaren een negatief effect heeft gehad op het inkomen van vele vrouwen; overwegende dat in sommige lidstaten 11 tot 36 % van de vrouwen geen aanspraak op een pensioen kan maken;

B.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen behoort tot de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 8 van het VWEU en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen, initiatieven, programma's en maatregelen van de Unie moet worden verwerkt;

C.  overwegende dat vrouwen in de meeste EU-lidstaten minder goed gedekt zijn op het gebied van pensioenen dan mannen en tegelijkertijd oververtegenwoordigd zijn onder de armste gepensioneerden en ondervertegenwoordigd onder de rijkste;

D.  overwegende dat deze ongelijkheden onaanvaardbaar zijn en teruggedrongen moeten worden, en dat in de EU, waar gendergelijkheid een grondbeginsel is en waar het recht op een waardig leven voor iedereen tot de grondrechten behoort zoals vervat in het Handvest van de grondrechten van de EU, alle pensioenpremies op een genderneutrale manier moeten worden berekend en geheven;

E.  overwegende dat in de EU-28 één persoon op vier afhankelijk is van zijn pensioen als belangrijkste bron van inkomsten en dat het aantal mensen in deze groep tegen 2060 zal verdubbelen vanwege de aanzienlijke toename van het aantal pensioengerechtigden, als gevolg van de langere levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking;

F.  overwegende dat de demografische ontwikkeling er in de toekomst toe leidt dat steeds minder werkenden steeds meer gepensioneerden moeten onderhouden en dat tegen deze achtergrond particuliere oudedagvoorzieningen en bedrijfspensioenen belangrijker worden;

G.  overwegende dat het pensioenbeleid tot doel heeft economische onafhankelijkheid te verzekeren, wat essentieel is voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en dat de socialezekerheidsstelsels in de lidstaten moeten zorgen voor een behoorlijk en toereikend pensioeninkomen, een aanvaardbare levensstandaard en bescherming tegen het risico van armoede ten gevolge van diverse factoren of tegen sociale uitsluiting voor alle EU-burgers, teneinde hun actieve sociale, culturele en politieke deelname en waardig leven op latere leeftijd te waarborgen, zodat zij deel kunnen blijven uitmaken van de maatschappij;

H.  overwegende dat de toenemende individuele verantwoordelijkheid voor spaarbeslissingen, die uiteenlopende risico's met zich meebrengen, ook betekent dat individuen duidelijk moeten worden geïnformeerd over de beschikbare opties en de daaraan verbonden risico's; overwegende dat zowel vrouwen als mannen, maar vooral vrouwen, moeten worden ondersteund om hun financiële geletterdheid te verbeteren, zodat zij gefundeerde beslissingen kunnen nemen over dit almaar complexer wordende vraagstuk;

I.  overwegende dat de pensioenkloof de situatie van vrouwen, met name hun kwetsbare economische positie, doorgaans erger maakt, waardoor zij blootgesteld worden aan sociale uitsluiting, permanente armoede en economische afhankelijkheid, met name van hun echtgenoot of andere familieleden; overwegende dat de loonkloof en pensioenkloof nog groter zijn voor vrouwen die op meerdere vlakken benadeeld zijn of die behoren tot een raciale, etnische, religieuze of taalkundige minderheidsgroep, aangezien zij vaak een baan hebben waarvoor minder vaardigheden vereist zijn, met minder verantwoordelijkheden;

J.  overwegende dat aan individuele rechten, in plaats van aan afgeleide rechten, gekoppelde pensioenen ieders economische onafhankelijkheid zouden kunnen helpen waarborgen, negatieve prikkels om niet aan de formele arbeidsmarkt deel te nemen zouden kunnen helpen verminderen en genderstereotypen zouden kunnen helpen tegengegaan;

K.  overwegende dat vrouwen vanwege hun langere levensverwachting gemiddeld meer inkomen nodig hebben gedurende hun pensioen dan mannen; overwegende dat overlevingspensioenen kunnen zorgen voor dit aanvullende inkomen;

L.  overwegende dat het vanwege een gebrek aan vergelijkbare, volledige, betrouwbare en actuele gegevens over de omvang van de pensioenkloof en de factoren die ertoe bijdragen moeilijk is om te bepalen hoe deze kloof het meest doeltreffend kan worden aangepakt;

M.  overwegende dat deze kloof in de leeftijdscategorie van 65 tot 74 jaar groter is (meer dan 40 %) dan gemiddeld voor alle 65-plussers, vooral vanwege de manier waarop de overdracht van rechten in bepaalde lidstaten is geregeld, bijvoorbeeld in verband met weduwschap;

N.  overwegende dat de verlagingen en bevriezingen van de pensioenen tot een hoger risico op armoede onder ouderen leiden, met name voor vrouwen; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %;

O.  overwegende dat het inkomen van ouderen boven de 65 jaar 94 % bedraagt van het gemiddelde inkomen van de algehele bevolking; overwegende dat daarentegen ongeveer 22 % van de vrouwen boven de 65 jaar onder de armoederisicodrempel leeft;

P.  overwegende dat achter de gemiddelde pensioenkloof in de EU in 2014 grote verschillen tussen de lidstaten schuilgingen; overwegende dat de kleinste genderpensioenkloof bij 3,7 % en de grootste bij 48,8 % ligt, en dat de kloof in 14 lidstaten meer dan 30 % bedraagt;

Q.  overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat het percentage van de bevolking betreft dat een pensioen ontvangt – in 2013 in Cyprus 15,1 %, tegenover 31,8 % in Litouwen – en dat de meeste ontvangers van een pensioen in de meeste EU-landen in 2013 vrouwen waren;

R.  overwegende dat de pensioenkloof, die door verschillende factoren wordt veroorzaakt, de onevenwichtigheden in de situatie van mannen en vrouwen weerspiegelt, bijvoorbeeld in verband met hun werk en gezinsleven, hun mogelijkheden om premies af te dragen, hun respectieve plek binnen het gezin en de manier waarop het loon wordt berekend in het kader van het pensioenstelsel; overwegende dat de pensioenkloof ook voortvloeit uit de segregatie van de arbeidsmarkt en uit het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken, lagere uurlonen ontvangen, meer loopbaanonderbrekingen inlassen en minder arbeidsjaren tellen, doordat vrouwen en moeders onbetaald werk verrichten als zorgverleners in hun gezinnen; overwegende dat de pensioenkloof bijgevolg beschouwd moet worden als een belangrijke indicator van genderongelijkheid op de arbeidsmarkt, des te meer omdat de genderpensioenkloof momenteel bijna even groot is als de totale inkomstenkloof (39,7 % in 2015);

S.  overwegende dat de volledige omvang van de pensioenkloof, die de som is van alle genderonevenwichtigheden en -ongelijkheden (in de zin van, onder andere, toegang tot macht en financiële middelen) waarmee mannen en vrouwen gedurende hun beroepsleven te maken krijgen en die weerspiegeld worden in de eerste en tweede pensioenpijler, mogelijk verhuld wordt door correctiemechanismen;

T.  overwegende dat de pensioenkloof op een specifiek moment een beeld geeft van de omstandigheden in de samenleving en op de arbeidsmarkt gedurende een periode die meerdere decennia omspant; overwegende dat deze omstandigheden (soms sterk) kunnen evolueren, wat gevolgen heeft voor de behoeften van meerdere generaties gepensioneerde vrouwen;

U.  overwegende dat de pensioenkloof verschilt naargelang de persoonlijke situatie, de sociale status, de burgerlijke staat en/of de gezinssituatie van de betrokken gepensioneerden; overwegende dat een uniforme aanpak in die zin niet noodzakelijkerwijs tot betere resultaten leidt;

V.  overwegende dat met name éénoudergezinnen, die 10 % uitmaken van alle huishoudens met ten laste komende kinderen, erg kwetsbaar zijn, en dat 50 % van hen risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, hetgeen twee keer zo veel is als het percentage voor de algehele bevolking; overwegende dat de pensioenkloof rechtstreeks in verband staat met het aantal kinderen dat de betrokkene heeft grootgebracht, en dat de genderpensioenkloof bij getrouwde vrouwen en mannen duidelijk groter is dan bij alleenstaande vrouwen zonder kinderen; overwegende dat de ongelijkheid waarmee moeders, en vooral alleenstaande moeders, worden geconfronteerd uit dat oogpunt verder kan toenemen wanneer zij met pensioen gaan;

W.  overwegende dat zwangerschap en ouderschapsverlof doorgaans moeders - die 79,76 % uitmaken van de personen die minder uren gaan werken om voor kinderen jonger dan acht jaar te zorgen - dwingen tot laagbetaalde of deeltijdse banen of ongewilde loopbaanonderbrekingen om voor hun kinderen te zorgen; overwegende dat moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof noodzakelijke en essentiële instrumenten zijn om de zorgtaken beter te verdelen, het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren en de loopbaanonderbrekingen bij vrouwen te beperken;

X.  overwegende dat het aantal kinderen geen of zelfs een positief effect heeft op het salaris en dus ook op de pensioenrechten van vaders;

Y.  overwegende dat de werkloosheid bij vrouwen onderschat wordt, aangezien veel vrouwen niet als werkloze zijn ingeschreven, met name vrouwen die in landelijke of afgezonderde gebieden wonen en zich vaak enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen; overwegende dat dit leidt tot verschillen in hun pensioen;

Z.  overwegende dat de "traditionele" werkorganisatie het moeilijk maakt voor ouderparen die voltijds willen werken om hun werk op een harmonieuze manier te combineren met hun gezin;

AA.  overwegende dat pensioenkredieten - voor zowel mannen als vrouwen - in de vorm van een uitkering voor zorgtaken ten behoeve van kinderen of familielieden ertoe zouden kunnen bijdragen dat loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken geen negatieve gevolgen hebben voor het pensioen, en dat het wenselijk is deze kredieten uit te breiden tot alle lidstaten en, daar waar ze reeds bestaan, te versterken;

AB.  overwegende dat pensioenkredieten voor diverse vormen van werk kunnen helpen om alle werknemers een pensioeninkomen te bezorgen;

AC.  overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt, ondanks een aantal inspanningen om de situatie recht te trekken, nog steeds niet voldoet aan het streefdoel van de Europa 2020-strategie en veel lager ligt dan de participatiegraad van mannen; overwegende dat een hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen bijdraagt aan de inspanningen om de genderpensioenkloof in de EU te verkleinen, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen arbeidsmarktparticipatie en de hoogte van het pensioen; overwegende dat de participatiegraad echter geen informatie inhoudt over de duur van een dienstverband en het soort werk en dus slechts in beperkte mate iets zegt over het loon- en pensioenniveau;

AD.  overwegende dat de duur van de loopbaan van rechtstreekse invloed is op het pensioeninkomen; overwegende dat de loopbaan van vrouwen gemiddeld 10 jaar korter is dan die van mannen en dat de pensioenkloof voor vrouwen met een loopbaan van minder dan 14 jaar twee keer groter is (64 %) dan voor vrouwen met een langere loopbaan (32 %);

AE.  overwegende dat vrouwen doorgaans vaker dan mannen loopbaanonderbreking nemen, niet-standaardvormen van werk verrichten, een deeltijdse baan hebben (32 % van de vrouwen in vergelijking met 8,2 % van de mannen) of op niet-betaalde basis werken, vooral wanneer zij zorgen voor kinderen en familieleden en zij bijna alleen de verantwoordelijkheid dragen voor huishoudelijke en zorgtaken, ten gevolge van blijvende genderongelijkheden, wat nefast is voor hun pensioen;

AF.  overwegende dat investeringen in scholen, voorschools onderwijs, universiteiten en ouderenzorg kunnen bijdragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven en er op lange termijn toe kunnen leiden dat er niet alleen banen worden gecreëerd, maar ook vrouwen in hoogwaardige functies benoemd worden, wat op lange termijn een positief effect op het pensioen van deze vrouwen zal hebben;

AG.  overwegende dat mantelzorg een fundamentele pijler is van onze maatschappij en voor een groot deel door vrouwen verricht wordt, en dat dit onevenwicht in de genderpensioenkloof weerspiegeld wordt; overwegende dat deze vorm van onzichtbaar werk onvoldoende erkend wordt, vooral met betrekking tot pensioenrechten;

AH.  overwegende dat er in de EU nog steeds een aanzienlijke loonkloof tussen mannen en vrouwen bestaat, die in 2014 gelijk was aan 16,3 %, voornamelijk vanwege discriminatie en segregatie, waardoor vrouwen oververtegenwoordigd zijn in sectoren waar de lonen lager zijn dan in andere, grotendeels door mannen gedomineerde sectoren; overwegende dat andere factoren zoals loopbaanonderbrekingen of onvrijwillig deeltijdwerk om werk en gezinstaken te kunnen combineren, stereotypen, onderwaardering van het werk van vrouwen en verschillen in opleidingsniveau en beroepservaring ook bijdragen tot de genderloonkloof;

AI.  overwegende dat in artikel 151 VWEU is vastgelegd dat de EU ten doel heeft een adequate sociale bescherming te waarborgen; overwegende dat de EU de lidstaten in dit verband moet ondersteunen met aanbevelingen voor de bescherming van ouderen die op grond van hun leeftijd of persoonlijke situatie recht hebben op een pensioen;

AJ.  overwegende dat de versterking van het verband tussen bijdrage en pensioen, in combinatie met de verhoging van de tweede en de derde pijler van de pensioenstelsels, de risico's van genderspecifieke factoren in de pensioenkloof verlegt naar de privésector;

AK.  overwegende dat er noch vooraf, noch achteraf gendereffectbeoordelingen zijn uitgevoerd van de pensioenhervormingen in het Witboek over pensioenen van de Commissie van 2012;

AL.  overwegende dat alleen de lidstaten bevoegd zijn voor het ontwerp en de organisatie van de openbare socialezekerheidsstelsels en pensioenstelsels; overwegende dat de EU op het gebied van pensioenen vooral een ondersteunende bevoegdheid heeft, met name op grond van artikel 153 VWEU;

Algemene opmerkingen

1.  vraagt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een strategie uit te werken om de genderpensioenkloof in de Europese Unie te dichten (hierna "de strategie" genoemd) en ze te helpen hiervoor richtsnoeren op te stellen;

2.  schaart zich achter en steunt het verzoek van de Raad aan de Commissie om te komen met een nieuw initiatief waarin een strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen voor de periode 2016-2020 wordt uiteengezet, om dit zoals voor eerdere strategieën te doen in de vorm van een mededeling, en om de strategische inzet van de EU voor gendergelijkheid, die aan de Europa 2020-strategie moet worden gekoppeld, te versterken;

3.  is van mening dat deze strategie er niet alleen toe moet bijdragen dat de gevolgen van de pensioenkloof, met name voor de meest kwetsbare groepen, op het niveau van de lidstaten worden gecorrigeerd, maar ook in de toekomst worden voorkomen door de achterliggende oorzaken aan te pakken, zoals de ongelijke positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt wat betreft salaris, loopbaanontwikkeling, mogelijkheden om voltijds te werken, evenals de arbeidsmarktsegregatie; moedigt in dit verband intergouvernementele dialoog en het delen van beste praktijken tussen de lidstaten aan;

4.  benadrukt dat een veelzijdige aanpak, bestaande uit maatregelen op verschillende beleidsterreinen die gericht zijn op verbetering van de gendergelijkheid, vereist is voor het welslagen van de strategie, die een levensloopbenadering van pensioenen moet omvatten, waarbij de volledige loopbaan van de persoon in aanmerking wordt genomen en de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op het niveau van arbeidsparticipatie, loopbaan en mogelijkheden om pensioenpremies te betalen, alsook de ongelijkheden die voortvloeien uit de manier waarop de pensioenstelsels georganiseerd zijn, worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gevolg te geven aan de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten;

5.  herinnert aan de belangrijke rol van de sociale partners bij de discussies over vraagstukken betreffende het minimumloon, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat vakbonden en collectieve onderhandelingen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de toegang van ouderen tot overheidspensioenen, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid; onderstreept dat het belangrijk is de sociale partners te betrekken bij politieke besluiten die een wijziging inhouden van significante wettelijke aspecten van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pensioen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en gendergelijkheidsorganisaties, beleidsmaatregelen te ontwikkelen en toe te passen om de salariskloof tussen mannen en vrouwen te dichten; verzoekt de lidstaten te overwegen om in aanvulling hierop periodiek de salarissen in kaart te brengen;

6.  verzoekt de lidstaten respectvolle maatregelen ter voorkoming van armoede in te voeren voor werknemers wier gezondheid het niet toelaat om tot de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd door te werken; is van oordeel dat de regelingen voor vervroegd pensioen voor werknemers die aan zware of risicovolle arbeidsomstandigheden worden blootgesteld, moeten worden gehandhaafd; is van mening dat het verhogen van de arbeidsparticipatie door middel van hoogwaardige banen ertoe kan bijdragen dat de toekomstige toename van het aantal mensen dat niet tot de pensioenleeftijd kan doorwerken aanzienlijk wordt beperkt, ter verlichting van de financiële belasting als gevolg van de vergrijzing;

7.  is zeer bezorgd over het effect van de door bezuinigingen ingegeven landenspecifieke aanbevelingen inzake pensioenregelingen en hun houdbaarheid, en inzake de toegang tot op bijdragen gebaseerde pensioenen in een toenemend aantal lidstaten, alsook over de negatieve effecten van de landenspecifieke aanbevelingen op de inkomensniveaus en sociale overdrachten die nodig zijn om armoede en sociale uitsluiting uit te bannen;

8.  onderstreept dat het subsidiariteitsbeginsel ook bij pensioenkwesties strikt moet worden toegepast;

Meten en bewustmaken om de pensioenkloof beter te kunnen aanpakken

9.  roept de lidstaten en de Commissie op om de genderpensioenkloof te blijven onderzoeken en samen te werken met Eurostat en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om formele en betrouwbare indicatoren voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen, de verschillende achterliggende oorzaken te identificeren zodat toezicht mogelijk wordt, en duidelijke reductiedoelstellingen te bepalen, en hierover bij het Europees Parlement verslag uit te brengen; verzoekt de lidstaten Eurostat jaarlijks statistieken over de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verstrekken zodat een beoordeling kan worden gemaakt van de ontwikkelingen in de hele EU en de manieren om de kwestie aan te pakken;

10.  vraagt de Commissie gedetailleerd in kaart te brengen welke effecten het Witboek van 2012 inzake pensioenen, gericht op het aanpakken van de oorzaken van genderpensioenkloof, hebben op de meest kwetsbare groepen, en op vrouwen in het bijzonder, alsook een formele indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en voor stelselmatig toezicht te zorgen; dringt aan op passende evaluaties en gendereffectbeoordelingen van de tot op heden gedane aanbevelingen c.q. genomen maatregelen; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van naar gender uitgesplitste statistieken en onderzoek te ondersteunen, teneinde het toezicht op en de evaluatie van de effecten van pensioenhervormingen op de welvaart en het welzijn van vrouwen te versterken;

11.  roept de lidstaten op om de strijd tegen de genderpensioenkloof te bevorderen in hun sociale beleid, door de bevoegde besluitvormers bewust te maken van het fenomeen en door programma's op te zetten om vrouwen beter te informeren over de gevolgen ervan en om instrumenten aan te reiken waarmee vrouwen een duurzame, aan hun specifieke behoeften aangepaste langetermijnstrategie kunnen uitwerken om hun pensioen te financieren en om hun toegang tot pensioenen van de tweede en derde pijler te bevorderen, vooral in door vrouwen beheerste sectoren waar er mogelijk weinig gebruik van wordt gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mensen meer bewust te maken met betrekking tot gelijke beloning en de pensioenkloof alsook directe en indirecte discriminatie van vrouwen op het werk;

12.  wijst nogmaals op de behoefte aan duidelijke, geharmoniseerde definities, om op EU-niveau de vergelijking van begrippen als "genderloonkloof" en "genderpensioenkloof" mogelijk te maken;

13.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen onderzoek te bevorderen naar de gevolgen van de genderpensioenkloof en de economische onafhankelijkheid van vrouwen, rekening houdend met de vergrijzing, de genderverschillen in gezondheid en levensverwachting, veranderende gezinsstructuren en de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens, en verschillen in de persoonlijke situatie van vrouwen; verzoekt hen ook mogelijke strategieën uit te stippelen om de genderpensioenkloof te dichten;

De ongelijkheid bij de mogelijkheden tot premieafdracht beperken

14.  vraagt de Europese Commissie en de lidstaten om toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging van en de stelselmatige monitoring van de vooruitgang inzake de Europese regelgeving ter bestrijding van indirecte en directe genderdiscriminatie, waarbij in geval van niet-naleving inbreukprocedures moeten worden ingeleid, en eventueel wijzigingen doorgevoerd moeten worden om te verzekeren dat mannen en vrouwen in gelijke mate kunnen bijdragen aan het pensioenstelsel;

15.  veroordeelt met klem loonverschillen tussen mannen en vrouwen en hun "onverklaarbare" component ten gevolge van discriminatie op het werk, en herhaalt zijn oproep om Richtlijn 2006/54/EG, die in slechts twee lidstaten duidelijk en voldoende werd omgezet, te herzien om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van werk en beloning te optimaliseren, in navolging van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, dat door het Verdrag gewaarborgd wordt sinds het ontstaan van de EEG;

16.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de toepassing van de beginselen van non discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot arbeid te waarborgen, en – in het bijzonder – socialebeschermingsmaatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het salaris en de socialezekerheidsrechten van vrouwen, met inbegrip van pensioenen, gelijk zijn aan die van mannen met dezelfde of een gelijkwaardige baan; verzoekt de lidstaten passende maatregelen vast te stellen om de schending van het beginsel van gelijke beloning van vrouwen en mannen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid tegen te gaan;

17.  dringt er bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die mee kunnen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende kunnen helpen te verzekeren dat vrouwen en mannen een gelijk loon en bijgevolg in de toekomst een gelijk pensioen ontvangen; spoort de bedrijven ertoe aan jaarlijkse controles naar gelijke beloning te verrichten, transparante gegevens te publiceren en de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

18.  roept de Commissie en de lidstaten op om actie te ondernemen tegen horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt door genderongelijkheden en discriminatie inzake werkgelegenheid uit te bannen en vrouwen aan te moedigen, met name via onderwijs en via bewustmaking van meisjes en vrouwen, om te kiezen voor studies, beroepen en loopbanen in sectoren die voor innovatie en groei zorgen en die vandaag vanwege hardnekkige stereotypes door mannen worden gedomineerd;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te werken aan nieuwe maatregelen die vrouwen moeten stimuleren om langer en met kortere onderbrekingen aan de arbeidsmarkt deel te nemen en zo hun economische onafhankelijkheid nu en op hogere leeftijd te verbeteren;

20.  herinnert eraan dat, nu de verantwoordelijkheid steeds meer verschuift van de pensioenstelsels naar persoonlijke financieringsregelingen, non-discriminatie bij de toegang tot de financiële diensten die onder Richtlijn 2004/113/EG vallen moet worden verzekerd op basis van gelijke actuariële criteria; merkt op dat de toepassing van de regel van sekseneutraliteit zal helpen om de genderpensioenkloof te dichten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de transparantie, de toegang tot informatie en de zekerheid voor deelnemers aan en gerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te vergroten, met inachtneming van de EU-beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid;

21.  beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als salaris moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

22.  verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan vrouwen, die vaak geen pensioenrechten hebben opgebouwd en daardoor niet economisch onafhankelijk zijn, met name in geval van scheiding;

De ongelijkheden in het beroepsleven van mannen en vrouwen beperken

23.  verwelkomt het feit dat de Commissie op het verzoek van het Europees Parlement is ingegaan om het evenwicht tussen privé- en beroepsleven te verbeteren, door middel van niet-wetgevingsvoorstellen en een wetsvoorstel waarin verschillende soorten verlofregelingen zijn opgenomen met het doel het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de 21e eeuw; benadrukt dat de voorstellen van de Commissie een goede basis vormen om aan de verwachtingen van de Europese burgers te voldoen; verzoekt alle instellingen om dit pakket zo spoedig mogelijk te realiseren;

24.  verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;

25.  verzoekt de lidstaten te overwegen om werknemers de mogelijkheid te bieden om te onderhandelen over vrijwillige flexibele werkregelingen, met inbegrip van "slim werken", volgens de nationale praktijk en ongeacht de leeftijd van de kinderen of de gezinssituatie, waardoor vrouwen en mannen werk en gezin beter kunnen combineren, zodat het ene niet langer gedwongen moet voorgaan op het andere als zij zorgtaken op zich nemen;

26.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor zorgverlof in de richtlijn betreffende evenwicht tussen werk en privéleven van ouders en verzorgers en herinnert aan zijn verzoek om passende beloning en sociale bescherming; verzoekt de lidstaten om op basis van een uitwisseling van beste praktijken "zorgkredieten" in het leven te roepen, ten voordele van zowel vrouwen als mannen, om loopbaanonderbrekingen met het oog op de informele zorg voor een familielid en periodes van formeel zorgverlof, zoals moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, eerlijk te compenseren en mee te nemen in de berekening van de pensioenrechten; is van oordeel dat deze kredieten gedurende een bepaalde, korte periode moeten worden toegekend, om te voorkomen dat stereotypen nog worden versterkt en de ongelijkheid verder toeneemt;

27.  verzoekt de lidstaten strategieën te ontwerpen ter erkenning van het belang van informele zorg voor familieleden en andere afhankelijke gezinsleden, en de eerlijke verdeling ervan tussen vrouwen en mannen, want het ontbreken hiervan is een potentiële bron van loopbaanonderbrekingen en onzekere arbeidsomstandigheden voor vrouwen, waardoor hun pensioenrechten in gevaar komen; benadrukt in dit verband het belang van stimulansen voor mannen om hun ouderschaps- en vaderschapsverlof op te nemen;

28.  verzoekt de lidstaten werknemers in staat te stellen om na zwangerschaps- of ouderschapsverlof weer naar een vergelijkbare arbeidsregeling terug te keren;

29.  wijst erop dat een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor mannen en vrouwen pas behaald kan worden als er kwalitatief hoogstaande, betaalbare en toegankelijke zorgvoorzieningen voor kinderen, ouderen en zorgbehoevenden zijn en als de gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, kosten en zorg aangemoedigd wordt; roept de lidstaten op meer te investeren in diensten voor kinderen, onderstreept dat op het platteland kinderopvang moet worden aangeboden, en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen, onder meer door EU-financiering beschikbaar te stellen, om dergelijke voorzieningen aan te bieden die voor allen toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten om niet alleen de doelstellingen van Barcelona zo snel mogelijk na te komen, en dit uiterlijk tegen 2020, maar ook soortgelijke doelstellingen te bepalen voor langdurige zorgdiensten en tegelijkertijd gezinnen die de voorkeur geven aan een ander opvoedingsmodel, keuzevrijheid te bieden; prijst de lidstaten die beide soorten doelstellingen reeds hebben bereikt;

Invloed van de pensioenstelsels op de pensioenkloof

30.  roept de lidstaten op om, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, de invloed van hun pensioenstelsels op de pensioenkloof en de factoren die eraan ten grondslag liggen te evalueren, teneinde discriminatie te bestrijden en te zorgen voor transparantie in de pensioenstelsels van de lidstaten;

31.  onderstreept dat in het kader van de houdbaarheid van pensioenstelsels rekening moet worden gehouden met de uitdagingen van demografische ontwikkelingen, vergrijzing, geboortecijfers en de verhouding tussen economisch actieven en personen met de pensioengerechtigde leeftijd; herinnert eraan dat de situatie van deze laatste groep nauw samenhangt met het aantal arbeidsjaren en de betaalde premies;

32.  verzoekt de lidstaten, teneinde de sociale zekerheid met het oog op de toenemende levensverwachting in de EU houdbaar te houden, met spoed de nodige structurele wijzigingen in de pensioenstelsels door te voeren;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om grondiger te bestuderen welke gevolgen een overschakeling van wettelijke overheidspensioenen naar een systeem met flexibelere mechanismen voor pensioenbijdragen in particuliere en bedrijfspensioenregelingen kan hebben voor de pensioenkloof, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van de periode waarin werd bijgedragen aan het pensioenstelsel of tot de geleidelijke uittreding uit de arbeidsmarkt;

34.  waarschuwt voor de risico's voor gendergelijkheid van de verschuiving van socialezekerheidspensioenen naar particuliere, kapitaalgedekte pensioenen, aangezien particuliere pensioenen gebaseerd zijn op individuele bijdragen en geen regelingen omvatten voor de vergoeding voor tijd die wordt besteed aan de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevende familieleden, of voor perioden van werkloosheid, ziekteverlof of invaliditeit; wijst erop dat hervormingen van de pensioenstelsels die sociale uitkeringen aan groei en aan de situatie op de arbeidsmarkt en de financiële markten koppelen, de nadruk uitsluitend op macro-economische aspecten leggen maar niet op het sociale doel van pensioenen;

35.  verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels en de reeds geïmplementeerde hervormingen te ontdoen van die elementen die tot meer onevenwichtigheden (en met name gendergerelateerde onevenwichtigheden, zoals de bestaande genderpensioenkloof) bij pensioenen leiden, rekening te houden met de gendereffecten van eventuele verdere pensioenhervormingen en maatregelen te nemen voor het elimineren van de discriminatie in kwestie; benadrukt dat beleidswijzigingen op het vlak van pensioenen altijd moeten worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de genderkloof, door middel van specifieke analyses waarbij de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor vrouwen en mannen tegen elkaar worden afgezet, hetgeen een essentieel onderdeel moet vormen van de planning, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van overheidsbeleid;

36.  verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen om zo na te gaan welke correctiemechanismen het meest doeltreffend zijn en met welke mechanismen de factoren die de pensioenkloof vergroten, kunnen worden aangepakt;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor mannen en vrouwen identieke levenslange tarieven in te voeren voor pensioenregelingen en zorgkredieten, alsook voor afgeleide uitkeringen, zodat vrouwen voor gelijke bijdragen gelijke pensioenannuïteiten kunnen krijgen, ook al hebben zij een langere levensverwachting dan mannen, en teneinde ervoor te zorgen dat de levensverwachting van vrouwen niet als voorwendsel wordt gebruikt voor discriminatie, in het bijzonder bij de berekening van pensioenen;

38.  verlangt dat alle prikkels die de belasting- en pensioenstelsels bieden, en de gevolgen die zij hebben voor de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, tegen het licht worden gehouden, met bijzondere nadruk op huishoudens van alleenstaande moeders; verlangt ook dat onjuiste prikkels worden afgeschaft en dat rechten worden geïndividualiseerd;

39.  benadrukt de belangrijke rol die overlevingspensioenen vervullen bij het beschermen van vele oudere vrouwen tegen armoede en sociale uitsluiting, waarop zij een hoger risico lopen dan oudere mannen; verzoekt de lidstaten hun overlevingspensioenstelsels, met inbegrip van weduwenpensioenen, waar nodig te hervormen zodat ongetrouwde vrouwen niet worden benadeeld; verzoekt de lidstaten, met steun van de Commissie, onderzoek te doen naar de effecten van de verschillende stelsels voor overlevingspensioenen in het licht van de hoge percentages echtscheidingen, de armoedegraad bij ongehuwde stellen en sociale uitsluiting onder oudere vrouwen, en na te denken over wettelijke regelingen die bij scheidingen gedeelde pensioenrechten waarborgen;

40.  beklemtoont dat iedereen recht heeft op een overheidspensioen, en herinnert aan artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van ouderen op een waardig en onafhankelijk bestaan is vastgelegd, en aan artikel 34 van het Handvest betreffende het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming waarborgen in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, invaliditeit, afhankelijkheid van langdurige zorg, ouderdom of ontslag; wijst op het belang van de openbare, via een omslagsysteem gefinancierde socialezekerheidsstelsels als belangrijke bouwsteen voor een toereikende ouderdomsvoorziening;

41.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel mannen als vrouwen de mogelijkheid hebben volledige tijdvakken van bijdragebetaling te vervullen en recht op een pensioen hebben, om de pensioenkloof te dichten door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, onderwijs en loopbaanplanning aan te passen, voor een beter evenwicht tussen werk en privé te zorgen, en meer te investeren in kinder- en ouderenzorg; vindt het ook belangrijk goede regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen die rekening houdt met gendergerelateerde beroeps- en psychosociale risico's, investeringen te doen in openbare diensten voor arbeidsvoorziening die vrouwen van alle leeftijden kunnen begeleiden bij het zoeken naar een baan, en flexibele regels in te voeren voor de overgang van werk naar pensioen;

42.  wijst erop dat het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties in zijn algemene opmerking nr. 16 (2005) over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten de vereisten van artikel 3 heeft vastgesteld in conjunctie met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van de vereiste dat de verplichte pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk moet worden getrokken, en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen dezelfde uitkeringen krijgen van pensioenstelsels, of deze nu openbaar of particulier zijn;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) 11 augustus 2005, E/C.12/2005/4.
(2) 4 februari 2008, E/C.12/GC/19.
(3) XX-3/def/GRC/4/1/EN.
(4) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(5) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(6) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(7) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(8) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.
(9) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.
(10) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(11) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 6.
(12) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(13) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.

Juridische mededeling