Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 14 maart 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Verantwoordelijk bezit en verzorging van paardachtigen
 Kwik ***I
 Langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en de verklaring inzake corporate governance ***I
 Controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens ***I
 Autowrakken, afgedankte batterijen en accu’s en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ***I
 Afvalstoffen ***I
 Het storten van afvalstoffen ***I
 Verpakking en verpakkingsafval ***I
 Gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie in 2014/2015
 Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten
 EU-middelen voor gendergelijkheid
 De gevolgen van big data voor de grondrechten
 Minimumnormen voor de bescherming van tamme konijnen

Verantwoordelijk bezit en verzorging van paardachtigen
PDF 202kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over verantwoordelijk eigenaarschap en verantwoordelijke verzorging van paardachtigen (2016/2078(INI))
P8_TA(2017)0065A8-0014/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 39, 42 en 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de werking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gezien artikel 114 VWEU over de instelling en de werking van de interne markt,

–  gezien Protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 168, lid 4, onder b), VWEU inzake maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid,

–  gezien artikel 13 VWEU, dat bepaalt dat bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte, de Unie en de lidstaten ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten, met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed,

–  gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving")(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden(3),

–  gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren(4),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen ("verordening paardenpaspoort")(5),

–  gezien Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014 en de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij ("fokkerijverordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad(7),

–  gezien het arrest van 23 april 2015 in zaak C-424/13, Zuchtvieh-Export GmbH tegen Stadt Kempten, van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1169/2011(8) wat betreft het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van vlees,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352),

–  gezien de conclusies van de studie EDUCAWEL van de Commissie(9),

–  gezien de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van landbouwhuisdieren,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0014/2017),

A.  overwegende dat de sector paardachtigen in de EU meer dan 100 miljard euro per jaar(10) vertegenwoordigt en alleen al in 2013 goed was voor een aanvullende totale omzet van 27,3 miljard euro aan weddenschappen, waarvan 1,1 miljard euro door de nationale overheden van de lidstaten is geïnd(11);

B.  overwegende dat ongeveer 900 000 banen door de paardensportindustrie alleen worden gecreëerd en dat 5 tot 7 paardachtigen goed zijn voor één voltijdse baan, en dat deze banen, die niet verplaatsbaar zijn, zich in de plattelandsgebieden bevinden die het momenteel economisch gezien moeilijk hebben;

C.  overwegende dat de sector paardachtigen beantwoordt aan de doelstellingen van het Europese plattelandsontwikkelingsbeleid dat gebaseerd is op levensvatbaarheid van de landbouw, duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en bevordering van de sociale inclusie in de plattelandsgemeenschappen; overwegende dat paardachtigen nog steeds veel in de landbouw worden gebruikt en voor nieuwe doeleinden worden ingezet, zoals de productie van ezelinnenmelk, en er nieuwe kansen en voordelen ontstaan voor de verdere ontwikkeling van deze producten voor producenten en consumenten;

D.  overwegende dat de sector paardachtigen actief bijdraagt aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen voor de totstandbrenging van een duurzame groei die enerzijds steunt op een groenere economie en anderzijds op inclusieve groei, en overwegende dat de sector paardachtigen van grote betekenis is gezien zijn essentiële bijdrage aan de ecologische, economische en sociale ontwikkeling in plattelandsgebieden;

E.  overwegende dat de Europese Unie de grootste markt voor de paardensportindustrie wereldwijd is(12);

F.  overwegende dat de naar schatting 7 miljoen paardachtigen in de EU uiterst gevarieerde rollen vervullen en van oudsher een relatie met de mens hebben, van dieren voor wedstrijden tot huisdieren, werkdieren op het gebied van vervoer, toerisme, gedrags-, revalidatie- en educatietherapieën, sport, onderwijs, bos- en landbouw, bronnen van melk en vlees, dieren voor wetenschappelijk onderzoek en wilde en halfwilde dieren; overwegende dat deze paardachtigen ook bijdragen aan de instandhouding van de biodiversiteit en duurzaamheid op het platteland en dat zij tijdens hun leven meerdere van bovengenoemde rollen kunnen vervullen;

G.  overwegende dat verantwoordelijk bezit en verzorging van paardachtigen begint met behoorlijke aandacht voor de gezondheid en de welzijnsomstandigheden van de dieren, en overwegende dat welzijnsvraagstukken dan ook centraal moeten staan bij alle activiteiten met paardachtigen; overwegende dat in de EU de regelgeving per lidstaat verschilt en overwegende dat de bestaande wetgeving binnen de EU op uiteenlopende wijze wordt uitgevoerd, met concurrentieverstoring en een verslechtering van het dierenwelzijn als gevolg;

H.  overwegende dat paardachtigen de meest vervoerde dieren in Europa zijn gemeten aan hun aantal(13) en overwegende dat EU-burgers ernstig bezorgd zijn over de vervoertijden van dieren en aandringen op kortere reistijden, daar voor het vervoer van paardachtigen van en naar de EU soms voertuigen worden gebruikt die niet geschikt zijn voor het transport van zulke dieren, en dat zij over lange afstanden over de weg, per boot en per vliegtuig worden vervoerd voordat zij hun eindbestemming bereiken;

I.  overwegende dat de gegevens over transporten van paardachtigen voor commerciële doeleinden via het geïntegreerde veterinaire computersysteem (Traces) worden geregistreerd, maar dat deze gegevens slechts jaarlijks en met een vertraging van twee jaar worden vrijgegeven;

J.  overwegende dat onmiddellijk beschikbare gegevens de bevoegde autoriteiten en andere organisaties zouden kunnen helpen om de effecten voor de diergezondheid beter te monitoren en verdere aanwijzingen van gebrekkige bioveiligheid te onderzoeken;

K.  overwegende dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om direct te kwantificeren hoeveel paardachtigen voor werkdoeleinden op kleine en semi-zelfvoorzieningsboerderijen – waarvan een aanzienlijk aantal in de nieuwere lidstaten is gelegen – en voor toerisme worden gebruikt;

L.  overwegende dat de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) in mei 2016 richtsnoeren ten aanzien van paardachtigen voor werkdoeleinden heeft vastgesteld(14) met betrekking tot de naleving van de vijf fundamentele vrijheden van dieren, te weten het recht om gevrijwaard te worden van honger, dorst en ondervoeding, van angst en lijden, van fysiek en thermisch ongerief en van pijn, en het recht om (zo) normaal (mogelijk) gedrag te kunnen vertonen;

M.  overwegende dat paardachtigen plaatsen en plattelandsgebieden waardevolle werkgelegenheid en inkomsten uit landbouw, paardrij-activiteiten en toerisme bieden die niet verplaatst kunnen worden, maar dat het welzijn van sommige paardachtigen in het gedrang komt en toeristen maar al te vaak onvoldoende geïnformeerd zijn om welzijnsproblemen te signaleren en te corrigeren(15);

N.  overwegende dat door de sector ingevoerde welzijnslabels het mogelijk maken een goed verloop van activiteiten te verzekeren en de nodige informatie te verstrekken aan het publiek;

O.  overwegende dat ongebreidelde, willekeurige en onverantwoordelijke fokkerij van paardachtigen kan leiden tot dieren die geen economische waarde hebben en die vaak ernstige welzijnsproblemen vertonen, in het bijzonder in tijden van economische neergang; overwegende dat het Parlement en de Raad onlangs wetgeving hebben vastgesteld waarbij de regels inzake de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van rasfokdieren, zoals paardachtigen, worden geharmoniseerd met als doel het concurrentievermogen en de organisatie van de Europese fokkerijsector te verbeteren, alsook de kwaliteit van de beschikbare informatie over fokkerijen en de identificatie van raszuivere fokdieren, met name paardachtigen;

P.  overwegende dat verwaarlozing van paardachtigen in de westelijke lidstaten sinds 2008 is toegenomen, met name wanneer zij een dure luxe en een zware financiële last zijn geworden in plaats van een bron van inkomsten; overwegende dat de Commissie en de lidstaten geen adequate en bevredigende oplossing voor dit probleem hebben gevonden;

Q.  overwegende dat zulks het vaakst voorkomt bij particuliere eigenaren en niet representatief is voor het grootste deel van de professionele paardensector in Europa;

R.  overwegende dat paardachtigen sociale dieren zijn met cognitieve vaardigheden en sterke vriendschapsbanden, en overwegende dat zij worden gebruikt in een scala van pedagogische activiteiten en opleidingsprogramma's, in therapieën en revalidatieprogramma's, waaronder op het gebied van stoornissen in het autistisch spectrum, cerebrale parese, beroertes, leer- of taalhandicaps of -problemen, re-integratie van delinquenten, psychotherapie, posttraumatische stress-stoornis en verslaving;

S.  overwegende dat eigenaars voor moeilijke beslissingen komen te staan als zij niet langer in staat zijn om goed voor hun paardachtigen te zorgen, gedeeltelijk in verband met de hoge veterinaire kosten, en overwegende dat in sommige lidstaten het laten inslapen van het dier maar al te vaak de eerste remedie is als eigenaren de veterinaire en welzijnskosten niet meer kunnen betalen; overwegende dat het in andere lidstaten alleen mogelijk is paardachtigen te laten inslapen als er een duidelijke urgente veterinaire noodzaak is, ongeacht het welzijn op lange termijn van het betrokken dier;

T.  overwegende dat paardachtigen in veel landen buiten de Unie niet worden beschouwd als voedselproducerende dieren en overwegende dat paardenvlees veelal uit deze landen wordt ingevoerd om op de EU-markt te worden aangeboden en verkocht; overwegende dat deze situatie tot welzijnsproblemen en concurrentiedistorsies leidt, omdat de EU tot dusverre niet toestaat dat vlees van Europese paarden die oorspronkelijk niet voor de vleesproductie en de slacht waren bestemd in het circuit van voor menselijke voeding bestemde levensmiddelen terechtkomt, terwijl voor vlees dat uit derde landen geïmporteerd wordt grotere flexibiliteit geldt;

1.  erkent de aanzienlijke economische, ecologische en sociale bijdrage van paardachtigen in de gehele EU, alsook de enorme culturele en educatieve waarden die hiermee verbonden zijn, zoals respect voor dieren en voor het milieu;

2.  wijst erop dat paardachtigen op boerderijen steeds meer gebruikt worden voor educatieve, sportieve, therapeutische en recreatieve doeleinden door landbouwers die hun activiteiten willen diversifiëren en hun inkomensbasis willen verbreden, en onderstreept dat de aanwezigheid van paardachtigen het voor een landbouwbedrijf gemakkelijker maakt om multifunctioneel te zijn, hetgeen de werkgelegenheid in plattelandsgebieden stimuleert en bijdraagt aan de ontwikkeling van banden tussen stad en platteland, plaatselijke duurzaamheid en cohesie;

3.  wenst dat de sector paardachtigen, die een aanzienlijke bijdrage levert aan de verwezenlijking van de algemene strategische doelstellingen van de Unie, meer erkenning krijgt op EU-niveau en beter geïntegreerd wordt in de diverse GLB-regelingen, met inbegrip van rechtstreekse steun krachtens de eerste pijler of de tweede pijler;

4.  merkt op dat een goede gezondheid en een goed welzijn van paardachtigen de economische resultaten van landbouwbedrijven en andere bedrijven vergroot en de plattelandseconomie in het algemeen ten goede komt, en tevens tegemoet komt aan de toenemende vraag van EU-burgers naar strengere normen voor de gezondheid en het welzijn van dieren;

5.  verzoekt de Commissie aan paardachtigen de status van werkdieren toe te kennen omdat zij een belangrijke rol spelen bij landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden in Europa, met name in bergstreken en moeilijk bereikbare gebieden;

6.  benadrukt dat eigenaren van paardachtigen over een minimum aan kennis van het houden van paardachtigen moeten beschikken en dat eigenaarschap gepaard gaat met persoonlijke verantwoordelijkheid voor het gezondheids- en welzijnsniveau van de dieren die zij onder hun hoede hebben;

7.  onderstreept dat de uitwisseling van kennis tussen eigenaren van paardachtigen, maar ook tussen lidstaten in dit opzicht een belangrijk instrument is en stelt vast dat, parallel met de opkomst van nieuwe wetenschappelijke kennis, de evolutie van de wetgeving en nieuwe leermethodes, beroepsbeoefenaars hun werkpraktijk meer zijn gaan afstemmen op het welzijn van paardachtigen;

8.  stelt vast dat de meeste eigenaren en andere personen die met paardachtigen omgaan, op verantwoordelijke wijze te werk gaan; vestigt de aandacht op het feit dat de bevordering van dierenwelzijn de beste kans van slagen heeft in het kader van economisch rendabele productiesystemen;

9.  wijst erop dat beroepsbeoefenaren economisch levensvatbaar moeten blijven en tegelijkertijd het hoofd moeten kunnen bieden aan nieuwe uitdagingen, zoals beperkte natuurlijke hulpbronnen, de gevolgen van klimaatverandering en het opduiken en de verspreiding van nieuwe ziektes;

10.  moedigt de lidstaten aan een omgeving te creëren waarin bedrijvigheid op landbouwbedrijven winstgevend is;

11.  wijst op het belang van de toekomstige referentiecentra voor dierenwelzijn zoals dit in de 10 beginselen van de OIE is gedefinieerd, voor een beter niveau van volledige naleving en consequente handhaving van wetgeving, alsook de verspreiding van informatie en beste praktijken op het gebied van dierenwelzijn;

12.  roept de Commissie op een studie door Eurostat te laten verrichten om de economische, ecologische en sociale impact van alle aspecten van de sector paardachtigen te analyseren, alsmede jaarlijkse statistische gegevens te verstrekken over het gebruik van diensten, het vervoer en de slacht van paardachtigen;

13.  roept de Commissie op om Europese richtsnoeren voor goede praktijken in de sector paardachtigen te ontwikkelen voor verschillende gebruikers en specialisten, in overleg met belanghebbenden en organisaties in de sector paardachtigen en op basis van bestaande gidsen, met bijzondere aandacht voor het soortspecifieke welzijn en zorg bij gedragsproblemen alsmede terminale zorg;

14.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de EU-richtsnoeren overal op dezelfde wijze worden uitgevoerd en middelen vrij te maken voor de vertaling van dit document;

15.  verzoekt de Commissie goede praktijken en educatieve programma's op het gebied van dierenwelzijn uit verschillende lidstaten en de uitwisseling daarvan te promoten en steun te verlenen aan de productie en verspreiding van de informatie over de wijze waarop – op grond van de "vijf vrijheden" en gedurende de hele levensduur – aan de behoeften van paardachtigen, ongeacht hun rol, moet worden voldaan;

16.  verzoekt de Commissie bij het formuleren van haar Europese richtsnoeren voor goede praktijken in de sector paardachtigen rekening te houden met de multifunctionele rol van paardachtigen door richtsnoeren op te nemen over verantwoordelijke fokkerij, dierengezondheid en -welzijn en de voordelen van sterilisatie van paardachtigen, werk in toerisme, landbouw en bosbouw, soortspecifiek vervoer en soortspecifieke slacht alsmede bescherming tegen frauduleuze praktijken, met inbegrip van doping, en beveelt aan dat dergelijke richtsnoeren in samenwerking met de door de EU erkende, representatieve beroepsorganisaties in de landbouwsector worden verspreid onder fokkers, paardenverenigingen, landbouwbedrijven, maneges, asielen, vervoerders en slachthuizen en dat het mogelijk moet zijn de richtsnoeren in diverse vormen en talen te raadplegen;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de activiteiten van het Europese Paardennetwerk en de Europese Vereniging van staatsstoeterijen te ondersteunen, omdat zij een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de Europese paardensector spelen door als platform te dienen voor de uitwisseling van goede praktijken en door tradities, vaardigheden, oude paardenrassen en het belang van de sector in stand te houden;

18.  dringt er bij de Commissie op aan om haar onderwijsmiddelen voor dierenwelzijn op landbouwbedrijven, bestemd voor zowel specialisten die in direct contact staan met paardachtigen, zoals dierenartsen, fokkers en paardenbezitters, alsook voor een breder publiek, uit te breiden tot het welzijn van paardachtigen, via het bedrijfsadviseringssysteem, waarbij het accent zou moeten liggen op opleiding en voorlichting;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens gebruik te maken van regelingen voor kennisoverdracht om goede praktijken en bedrijfsmodellen uit te wisselen, op problemen te attenderen en innovatie en nieuwe ideeën aan te moedigen; merkt op dat er in sommige lidstaten al regelingen voor kennisoverdracht in de sector paardachtigen bestaan;

20.  roept de Commissie op om zich opnieuw tot de ontwikkeling van een Europees handvest voor duurzaam en verantwoord toerisme te verbinden, waarbij duidelijke informatie wordt verspreid om toeristen en belanghebbenden te helpen welzijnsvriendelijke keuzes te maken bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van de diensten van paardachtigen voor werkdoeleinden; onderstreept dat dit handvest gebaseerd zou moeten zijn op bestaande kwaliteitshandvesten die door erkende, representatieve en professionele landbouworganisaties zijn vastgesteld en merkt op sommige lidstaten strenge richtsnoeren voor arbeidsomstandigheden en werktijden hebben, maar dat deze bescherming in andere lidstaten ontbreekt;

21.  verzoekt de Commissie de lidstaten te adviseren inzake toeristische modellen waarin het welzijn van paardachtigen voor werkdoeleinden wordt gewaarborgd;

22.  dringt bij de lidstaten op aan vrijwillige arbeidsrichtsnoeren, met inbegrip van dagelijkse werk- en rusttijden, vast te stellen om paardachtigen die voor werkdoeleinden worden gebruikt, te beschermen tegen overbelasting en economische uitbuiting;

23.  verzoekt de Commissie om gegevens van TRACES veel sneller dan nu het geval is beschikbaar te stellen aan het publiek;

24.  benadrukt dat de bestaande EU-wetgeving inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en aanverwante werkzaamheden tot doel heeft dieren te beschermen tegen verwondingen en dierenleed en te verzekeren dat dieren worden vervoerd volgens passende omstandigheden en tijden, en is bezorgd over de lacunes bij de handhaving door talrijke autoriteiten van lidstaten van de EU-wetgeving inzake dierenwelzijn tijdens vervoer;

25.  dringt er bij de Commissie op aan de correcte toepassing en de doeltreffende en uniforme handhaving van de bestaande EU-wetgeving inzake dierenvervoer en wettelijk bindende verslaglegging in alle lidstaten te waarborgen;

26.  verzoekt de lidstaten die paardachtigen exporteren te onderzoeken hoe zij slachten op hun eigen grondgebied kunnen aanmoedigen om het vervoeren van levende paarden waar mogelijk te vermijden en verzoekt de Commissie een mechanisme op te zetten voor doeltreffende monitoring van de naleving van de wet- en regelgeving uit hoofde van zowel het huidige als het toekomstige juridisch kader;

27.  vraagt dat de Commissie een kortere maximale transporttijd voorstelt voor alle transporten van slachtpaarden, op grond van de bevindingen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en de gidsen voor het vervoer van paardachtigen die door professionals uit de sector zijn opgesteld, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de sector paardachtigen in elk land;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten adviezen te formuleren, wetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van paardachtigen bij het slachten te faciliteren en uit te breiden en de resultaten van bestaand onderzoek toe te passen, teneinde slachtmethoden te ontwikkelen die geschikter zijn voor paardachtigen, en deze adviesdocumenten toe te zenden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten;

29.  roept de Commissie en de lidstaten op zich ten volle te verbinden tot inspecties en regelmatige audits van de slachthuizen op hun grondgebied die een vergunning hebben om paardachtigen te slachten, om ervoor te zorgen dat zij, gelet op de faciliteiten en de kwalificaties van het personeel, in staat zijn aan de specifieke welzijnsbehoeften van paardachtigen te voldoen;

30.  verzoekt de Commissie zich te verbinden tot het ontwikkelen van gevalideerde indicatoren voor dierenwelzijn, die moeten worden gebruikt voor de beoordeling van het welzijn van paardachtigen, het identificeren van bestaande problemen en het helpen te zorgen voor verbeteringen, en te voorzien in de praktische toepassing en in voordelen voor de sector, en acht het van belang dat belanghebbenden in de EU die vergelijkbare instrumenten hebben ingezet, hierbij worden betrokken, alsmede bij het vaststellen van indicatoren voor dierenwelzijn nauw samen te werken met vertegenwoordigers van beroepsorganisaties uit de sector paardachtigen;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten paardenbezitters aan te moedigen verenigingen te vormen;

32.  benadrukt het belang van een menselijke behandeling en van het welzijn van paardachtigen, alsmede van het beginsel dat wrede behandeling of mishandeling door een eigenaar, trainer, verzorger of een andere persoon nergens en onder geen enkele omstandigheid mag worden getolereerd;

33.  verzoekt de lidstaten om strengere wetgeving toe te passen inzake mishandeling en verwaarlozing van dieren, met inbegrip van buitengewone maatregelen om verwaarlozing tegen te gaan, en om meldingen van onmenselijke praktijken en overtredingen van de welzijnsregels ten aanzien van paardachtigen grondig en naar behoren te onderzoeken;

34.  merkt op dat er verschillen bestaan tussen soorten van paardachtigen en dat de behoeften op welzijnsgebied daardoor uiteenlopen, o.a. bij de terminale zorg en de slachtvereisten;

35.  verzoekt de Commissie een studie uit te voeren om die verschillen in kaart te brengen, en per soort specifieke richtsnoeren te publiceren om ervoor te zorgen dat de welzijnsnormen worden nageleefd;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen voor onderzoek naar en ontwikkeling van aan de soort aangepaste systemen voor de sector paardachtigen, rekening houdend met het natuurlijke gedrag van paarden als kuddedieren met een vluchtinstinct;

37.  roept de Commissie op prioriteit te verlenen aan een proefproject voor onderzoek naar het gebruik van nieuwe en bestaande financieringsregelingen voor het belonen van goede resultaten op het gebied van welzijn voor paardachtigen voor werkdoeleinden, met inbegrip van die op kleine en semi-zelfvoorzieningsbedrijven;

38.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie ("verordening paardenpaspoort") volledig en naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

39.  merkt op dat de prijs van diergeneesmiddelen, de kosten van vernietiging van kadavers en de kosten van euthanasie, waar dat is toegestaan, een belemmering op zich kunnen vormen voor het beëindigen van het leven van paardachtigen, met langer lijden als gevolg;

40.  roept de lidstaten op om meldingen van onmenselijke praktijken bij euthanasie en overtredingen op het gebied van welzijn, zoals onjuist gebruik van geneesmiddelen, te onderzoeken en overtredingen aan de Commissie te melden;

41.  erkent dat de productie van ezelinnen- en merriemelk toeneemt en verzoekt de Commissie richtsnoeren uit te vaardigen over het houden van paarden en ezels voor melkproductie;

42.  roept de lidstaten op om in samenwerking met professionele, representatieve en erkende landbouworganisaties te zorgen voor het verhogen van het aantal inspecties op ezel- en paardenhouderijen voor melkproductie;

43.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de invoer en het gebruik van diergeneesmiddelen die het hormoon Pregnant Mare Serum Gonadotropin (PMSG) bevatten;

44.  roept de directie Audits en analyse inzake gezondheid en voedsel van de Commissie op om de voor de productie van PMSG gecertificeerde bedrijven in het kader van audits te controleren op de naleving van de geldende bepalingen inzake dierenwelzijn bij de productie, onderzoek te doen naar het welzijn en de behandeling van merries die gebruikt worden voor het winnen van hormonen ten behoeve van de farmaceutische industrie en hierover verslag uit te brengen;

45.  onderstreept dat een rechtvaardig belastingstelsel, dat is aangepast aan de specifieke behoeften van elke lidstaat en professionele houders van paardachtigen in staat stelt de inkomsten te verwerven die nodig zijn om de economische bedrijvigheid op Europese paardenbedrijven in stand te houden, nog niet bestaat;

46.  merkt op dat een rechtvaardiger belastingstelsel voor de sector paardachtigen de sector een gelijk speelveld zou bieden, de transparantie van activiteiten rond paardachtigen zou verbeteren en aldus fraude en activiteiten van de grijze economie zou aanpakken, en professionele paardenboeren in staat zou stellen voldoende inkomsten te verwerven om hun economische activiteiten in stand te houden;

47.  is van mening dat bij de volgende herziening van de btw-richtlijn moet worden gezorgd voor verduidelijking van de btw-regeling voor de sector paardachtigen zodat deze zich kan ontwikkelen op een wijze die bevorderlijk is voor de groei en de werkgelegenheid;

48.  verzoekt de Commissie te bepalen dat de lidstaten meer armslag krijgen bij de invoering van een verlaagd btw-tarief voor alle activiteiten van de branche en is van mening dat er dankzij die verduidelijking een geharmoniseerd, betrouwbaar en gericht kader van verlaagde btw-tarieven moet kunnen ontstaan dat de lidstaten voldoende armslag geeft ten aanzien van hun fiscaal beleid;

49.  wijst nadrukkelijk op de verschillen tussen de gezondheidsvoorschriften voor in Europa geproduceerd en uit derde landen ingevoerd paardenvlees;

50.  herinnert aan de noodzaak van doeltreffende traceerbaarheid van paardenvlees en onderstreept dat een equivalent niveau van gezondheids- en voedselveiligheidsvereisten en conformiteit van invoer voor de Europese consument wenselijk is, ongeacht de herkomst van het genuttigde paardenvlees;

51.  verzoekt de Commissie stappen te ondernemen om het evenwicht tussen de binnen de EU geldende normen en die welke aan de grenzen gecontroleerd worden te herstellen, teneinde de gezondheid van de consument te beschermen;

52.  verzoekt de Commissie de vermelding van het land van herkomst verplicht te stellen voor alle verwerkte producten op basis van paardenvlees;

53.  verzoekt de Commissie om verhoging van het aantal controles in slachthuizen buiten de Unie die een vergunning hebben voor de uitvoer van paardenvlees naar de EU, en om voorwaardelijke opschorting van de invoer van paardenvlees dat is geproduceerd in derde landen die niet voldoen aan de door de EU gestelde eisen inzake traceerbaarheid en voedselveiligheid;

54.  dringt erop aan het taboe rond het levenseinde van paardachtigen te doorbreken; is van mening dat het vergemakkelijken van de levensbeëindiging van een paard niet betekent dat het dier niet in onze voedselketen terechtkomt;

55.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de terminale zorg voor paardachtigen, o.a. door het vaststellen van maximumresidugehalten voor veelgebruikte diergeneesmiddelen, zoals fenylbutazon, om de veiligheid van de voedselketen te waarborgen;

56.  verzoekt de Commissie re-integratie in de voedselketen te stimuleren door middel van een op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd "wachttijdsysteem" dat het mogelijk maakt een dier na de laatste toediening van geneesmiddelen zonder risico voor de gezondheid van de consument weer terug in de voedselketen te brengen;

57.  wijst erop dat er voor niet voor de slacht voor menselijke consumptie bestemde paardachtigen (geregistreerd als "niet voor gebruik in de voedselproductie") in sommige lidstaten geen registratie plaatsvindt van toegediende geneesmiddelen en dat het dus niet onmogelijk is dat die in het clandestiene slachtcircuit belanden, wat een ernstig risico betekent voor de volksgezondheid; verzoekt de Commissie derhalve deze leemte in de wetgeving op te vullen;

58.  verzoekt de Commissie zich samen met de Federation of European Equine Veterinary Associations (FEEVA) te buigen over de harmonisatie van de toegang tot behandelingen en geneesmiddelen op het hele Europese grondgebied;

59.  is van mening dat de voordelen van zo'n harmonisatie zouden zijn dat concurrentievervalsing vermeden wordt, dat er meer kan worden gedaan tegen ziekten onder paardachtigen en dat het lijden van deze dieren doeltreffend verzacht wordt;

60.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen om een rationeel gebruik van geneesmiddelen voor paardachtigen te faciliteren;

61.  merkt op dat therapieën en diergeneesmiddelen soms noodzakelijk en geïndiceerd zijn, maar dat er meer moet worden gedaan tegen de geringe investeringen in en het gebrek aan geneesmiddelen, waaronder vaccins, voor de behandeling van paardachtigen;

62.  wijst ook op de noodzaak om onderzoek en innovatie in de farmaceutische sector te ontwikkelen op het gebied van geneesmiddelen voor paardachtigen, aangezien er een groot gebrek is aan geneesmiddelen die geschikt zijn voor het metabolisme van paardachtigen;

63.  verzoekt de Commissie aanvullend onderzoek te financieren naar de mogelijke gevolgen van verschillende medicatie voor het leven van paardachtigen;

64.  merkt op dat sommige in de lidstaten gefokte paardenrassen plaatselijke rassen zijn die deel uitmaken van het leven en de cultuur van bepaalde gemeenschappen, en dat sommige lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's maatregelen hebben opgenomen om die rassen te beschermen en verder te verspreiden;

65.  verzoekt de Commissie zich te committeren aan programma's voor financiële steun voor de instandhouding en bescherming van in het wild levende of met uitsterven bedreigde soorten in de EU;

66.  erkent de grote ecologische en natuurwaarde van populaties van in het wild levende paardachtigen, die bijdragen aan het schoonhouden en bemesten van hun leefgebieden, alsmede de toeristische waarde van populaties van wilde paarden, en dringt aan op meer onderzoek naar de problemen rond deze populaties;

67.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(2) PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.
(3) PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.
(4) PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.
(5) PB L 59 van 3.3.2015, blz. 1.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.
(8) PB L 335 van 14.12.2013, blz. 19.
(9) Zie http://ec.europa.eu/food/animals/docs/aw_eu-strategy_study_edu-info-activ.pdf
(10) Fédération Equestre Internationale (FEI), FAQs on High Health, High Performance Horse (HHP). Concept aangenomen op de algemene vergadering van de OIE in mei 2014.
(11) Jaarverslag van de International Federation of Horseracing Authorities.
(12) FEI-database, geraadpleegd op 22.9.2014.
(13) TRACES database 2012.
(14) Wereldorganisatie voor diergezondheid – Gezondheidscode voor landdieren (2016), hoofdstuk 7.12.
(15) Santorini Donkey and Mule Taxis – een onafhankelijk rapport over dierenwelzijn voor de Donkey Sanctuary, 2013.


Kwik ***I
PDF 249kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (COM(2016)0039 – C8-0021/2016 – 2016/0023(COD))
P8_TA(2017)0066A8-0313/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0039),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 192, lid 1, en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0021/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0313/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  keurt de verklaring van het Parlement goed, die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/852.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT INZAKE DE ONTWERPVERORDENING BETREFFENDE KWIK EN TOT INTREKKING VAN VERORDENING (EG) NR. 1102/2008 (2016/0023(COD))

De goedkeuring door het Europees Parlement van uitvoeringshandelingen voor de autorisatie van nieuwe producten of processen in het kader van de interinstitutionele onderhandelingen over het voorstel voor een verordening betreffende kwik (2016/0023(COD)) mag niet worden beschouwd als precedent voor soortgelijke dossiers en loopt niet vooruit op komende interinstitutionele onderhandelingen over afbakeningscriteria voor het gebruik van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

VERKLARING VAN DE EUROPESE COMMISSIE BETREFFENDE INTERNATIONALE SAMENWERKING INZAKE KWIK

Het Verdrag van Minamata en de nieuwe kwikverordening dragen in belangrijke mate bij aan de bescherming van de burgers tegen kwikverontreiniging wereldwijd en in de EU.

De internationale samenwerking moet worden voortgezet met het oog op een geslaagde uitvoering van het Verdrag door alle partijen en een verdere versterking van de bepalingen ervan.

De Commissie is daarom vastbesloten steun te verlenen aan verdere samenwerking, in overeenstemming met het Verdrag en met inachtneming van de toepasselijke beleidslijnen, regels en procedures van de EU, onder meer door actie te ondernemen op de volgende gebieden:

–  het dichten van de kloof tussen de regelgeving van de EU en de bepalingen van het Verdrag via een herziening van de lijst van verboden kwikhoudende producten;

–  in het kader van de bepalingen van het Verdrag inzake financiering, capaciteitsopbouw en overdracht van technologie, activiteiten zoals de verbetering van de traceerbaarheid van de handel in en het gebruik van kwik, de bevordering van de certificering van kwikvrije ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en kwikvrije etikettering voor goud, en het vergroten van de capaciteit van ontwikkelingslanden, onder meer op het gebied van het beheer van kwikafval.

(1) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 122.


Langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en de verklaring inzake corporate governance ***I
PDF 244kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft (COM(2014)0213 – C7-0147/2014 – 2014/0121(COD))
P8_TA(2017)0067A8-0158/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2014)0213),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 50 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0147/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 juli 2014(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0158/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/828.)

(1) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 87.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 8 juli 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0257).


Controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens ***I
PDF 246kWORD 57k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (COM(2015)0750 – C8-0358/2015 – 2015/0269(COD))
P8_TA(2017)0068A8-0251/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0750),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0358/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Poolse senaat en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0251/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/853.)

BIJLAGE BIJ DE WETSGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie erkent het belang van een goed functionerende norm voor het onbruikbaar maken van vuurwapens, die bijdraagt tot verhoging van de veiligheid en de autoriteiten de zekerheid biedt dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens correct en effectief onbruikbaar zijn gemaakt.

Daarom zal de Commissie haast maken met de herziening van de criteria voor het onbruikbaar maken, die zal worden verricht door nationale deskundigen in het comité dat is opgericht krachtens Richtlijn 91/477/EEG, om de Commissie in staat te stellen om voor eind mei 2017 overeenkomstig de comitéprocedure van Richtlijn 91/477/EEG, na een positief advies van de nationale deskundigen, een uitvoeringsverordening van de Commissie vast te stellen tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn. De Commissie verzoekt de lidstaten de bespoediging van deze werkzaamheden volledig te ondersteunen.

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 77.


Autowrakken, afgedankte batterijen en accu’s en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ***I
PDF 318kWORD 54k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 maart 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (COM(2015)0593 – C8-0383/2015 – 2015/0272(COD))(1))
P8_TA(2017)0069A8-0013/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van een meer circulaire economie.
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van de beginselen van de circulaire economie.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Een schone, effectieve en duurzame circulaire economie vereist dat gevaarlijke stoffen al in de ontwerpfase uit producten worden verwijderd, en in dit verband moet de circulaire economie gevolg geven aan uitdrukkelijke bepalingen in het zevende milieuactieprogramma, waarin wordt gepleit voor de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli, zodat gerecycleerd afval als belangrijke, betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie kan worden gebruikt.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)   Er moet worden gezorgd voor een doeltreffend en energiezuinig beheer van secundaire grondstoffen, en er moet prioriteit worden gegeven aan O&O-inspanningen met het oog daarop. De Commissie moet ook overwegen een voorstel betreffende de indeling van afvalstoffen in te dienen om de totstandbrenging van een Uniemarkt voor secundaire grondstoffen te ondersteunen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 quater (nieuw)
(1 quater)   Wanneer gerecycleerd materiaal de economie opnieuw binnenkomt doordat het de einde-afvalfase heeft bereikt, hetzij omdat het beantwoordt aan de specifieke criteria voor de einde-afvalfase, hetzij omdat het wordt opgenomen in een nieuw product, moet het volledig in overeenstemming zijn met de Uniewetgeving inzake chemische stoffen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   De afgelopen jaren is het industriële landschap aanzienlijk veranderd, door de technologische vooruitgang en door de toename van wereldwijde goederenstromen. Die factoren brengen nieuwe uitdagingen met zich op het gebied van milieuvriendelijk afvalbeheer en milieuvriendelijke afvalverwerking, die moeten worden aangepakt door een combinatie van meer onderzoek en doelgerichte regelgevingsinstrumenten. Geplande veroudering is een toenemend probleem en is intrinsiek in strijd met de doelstellingen van een circulaire economie, en daarom moeten alle belangrijke belanghebbenden, het bedrijfsleven, de klanten en de regelgevende instanties zich samen inspannen om geplande veroudering tegen te gaan.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren.
(3)  Door de lidstaten ingediende gegevens en informatie zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de ingediende gegevens moet worden verbeterd door een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens op basis van betrouwbare bronnen in te voeren, één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de verslaglegging over de verwezenlijking van de in deze richtlijnen uiteengezette doelstellingen moeten de lidstaten gebruikmaken van de gezamenlijke methodologie die is ontwikkeld door de Commissie, in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de nationale autoriteiten die belast zijn met afvalbeheer.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de gescheiden inzameling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) wordt gevolgd door een passende verwerking. Met het oog op gelijke marktvoorwaarden en de inachtneming van de afvalwetgeving en het concept van de circulaire economie moet de Commissie gemeenschappelijke normen voor de verwerking van AEEA ontwikkelen, zoals is bepaald in Richtlijn 2012/19/EU.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Goede verslaggeving van statistische gegevens over afvalbeheer is van wezenlijk belang voor een efficiënte uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens en een gelijk speelveld tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de doelstellingen in die richtlijnen moeten de lidstaten worden verplicht gebruik te maken van de recentste methodologie die is ontwikkeld door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten.
(4)  Goede verslaggeving van statistische gegevens over afvalbeheer is van wezenlijk belang voor een efficiënte uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens en een gelijk speelveld tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de doelstellingen in die richtlijnen moeten de lidstaten worden verplicht gebruik te maken van de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens die is ontwikkeld door de Commissie in overleg met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Om de in deze richtlijn bepaalde doelstellingen te helpen verwezenlijken en de overgang naar een circulaire economie te stimuleren, moet de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten en tussen de verschillende economische sectoren bevorderen. Deze uitwisseling kan worden gefaciliteerd door communicatieplatforms die nieuwe industriële oplossingen onder de aandacht kunnen brengen, een beter overzicht van de beschikbare capaciteiten kunnen geven, de afvalindustrie met andere sectoren in contact kunnen helpen brengen en industriële symbiose kunnen helpen bevorderen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   De afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG geeft een rangorde aan in het Unierecht inzake afvalpreventie en afvalbeheer. Die hiërarchie is dus van toepassing in de context van autowrakken, batterijen en accu's, afgedankte batterijen en accu's, en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Wanneer zij de doelstelling van deze richtlijn verwezenlijken, moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om rekening te houden met de prioriteiten van de afvalhiërarchie en toezien op de praktische uitvoering van die prioriteiten.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Aangezien het steeds noodzakelijker is om afval, in overeenstemming met de circulaire economie, binnen de Unie te behandelen en te recyclen, moet er vooral voor worden gezorgd dat de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het Uniemilieurecht geschiedt, met name het beginsel van nabijheid en voorrang voor nuttige toepassing en zelfvoorziening. De Commissie moet onderzoeken of het wenselijk is één loket voor de administratieve procedure voor de overbrenging van afval op te richten teneinde de administratieve lasten te verminderen. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om de illegale overbrenging van afval te voorkomen.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Om bepaalde niet-essentiële elementen van Richtlijn 2000/53/EG en Richtlijn 2012/19/EU aan te vullen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens en het format voor de verslaglegging over de gegevens betreffende de uitvoering van de doelstellingen voor hergebruik en terugwinning van autowrakken overeenkomstig Richtlijn 2000/53/EG, en overeenkomstig Richtlijn 2012/19/EU met betrekking tot de methode voor de verzameling en verwerking van gegevens en het format voor de verslaglegging over de gegevens betreffende de uitvoering van de doelstellingen voor de inzameling en terugwinning van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)   Om de methode vast te stellen voor de verzameling en verwerking van gegevens alsook het format voor de verslaglegging over gegevens voor batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea -1 (nieuw)
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 6 – lid 1
Artikel 6, lid 1, wordt vervangen door:
"1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle autowrakken (zelfs tijdelijk) worden opgeslagen en verwerkt overeenkomstig de in artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG vervatte algemene eisen en de technische minimumeisen van bijlage I bij deze richtlijn, onverminderd nationale gezondheids- en milieuvoorschriften."
"1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle autowrakken (zelfs tijdelijk) worden opgeslagen en verwerkt overeenkomstig de prioriteiten van de afvalhiërarchie en de in artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG vervatte algemene eisen en de technische minimumeisen van bijlage I bij deze richtlijn, onverminderd nationale gezondheids- en milieuvoorschriften."
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 – lid 1 bis
1 bis.  De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag over de uitvoering van artikel 7, lid 2, in. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden toegezonden in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met 1 quinquies is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].
1 bis.  De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag over de uitvoering van artikel 7, lid 2, in. Zij verzamelen en verwerken deze gegevens volgens de in lid 1 quinquies van dit artikel bedoelde gemeenschappelijke methode en dienen deze uiterlijk 12 maanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden toegezonden in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 1 quinquies is vastgesteld.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 – lid 1 quater
1 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Dit verslag omvat een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode, alsook van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.
1 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Totdat de in lid 1 quinquies bedoelde gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens is vastgesteld, bevat het verslag een beoordeling van de organisatie van de gegevensverzameling, de bronnen van de gegevens en de in de lidstaten gebruikte methode. De Commissie beoordeelt tevens de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van deze gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 – lid 1 quater bis (nieuw)
1 quater bis. In het verslag kan de Commissie informatie opnemen over de uitvoering van deze richtlijn in haar geheel en over de gevolgen ervan voor het milieu en de volksgezondheid. Zo nodig gaat dit verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 – lid 1 quinquies
1 quinquies.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 1 bis. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
1 quinquies.  Ter aanvulling van deze richtlijn, stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast die de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens vaststellen en het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 1 bis.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 – lid 1 quinquies bis (nieuw)
1 quinquies bis. Uiterlijk 31 december 2018 evalueert de Commissie, in het kader van het actieplan voor de circulaire economie en met het oog op de toezegging van de Unie om over te stappen naar een circulaire economie, deze richtlijn in haar geheel en met name de werkingssfeer en de doelstellingen, op basis van een effectbeoordeling en rekening houdend met de beleidsdoelstellingen en initiatieven van de Unie voor de circulaire economie. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de overbrenging van gebruikte voertuigen waarvan wordt vermoed dat het autowrakken zijn. Hiertoe worden de richtsnoeren van de correspondenten nr. 9 voor overbrenging van autowrakken gebruikt. De Commissie onderzoekt tevens de mogelijkheid om specifieke doelstellingen per hulpbron vast te stellen, met name voor kritieke grondstoffen. Zo nodig gaat deze evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/53/EG
Artikel 9 bis (nieuw)
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 9 bis
Instrumenten ter bevordering van een verschuiving naar een meer circulaire economie
Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten en nemen zij andere maatregelen om stimuli te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/66/EG
Artikel 22 bis (nieuw)
(1 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 22 bis
Gegevens
1.   De door de lidstaat overeenkomstig de artikelen 10 en 12 ingediende gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontroleverslag.
2.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 bis gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn, door de methode voor de verzameling en verwerking van gegevens en het format voor de verslaglegging vast te stellen."
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2006/66/EG
Artikel 23 – titel
(-a)   In artikel 23 komt de titel als volgt te luiden:
"Evaluatie"
"Verslaglegging en evaluatie"
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Richtlijn 2006/66/EG
Artikel 23 – lid 1
1.  De Commissie brengt uiterlijk eind 2016 verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn en het effect ervan op het milieu, alsook op het functioneren van de interne markt.
1.  De Commissie brengt uiterlijk eind 2016 en vervolgens om de drie jaar verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn en het effect ervan op het milieu, alsook op het functioneren van de interne markt.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2006/66/EG
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
b bis)   Het volgende lid wordt toegevoegd:
"3 bis. Uiterlijk 31 december 2018 evalueert de Commissie, in het kader van het actieplan voor de circulaire economie en met het oog op de toezegging van de Unie om over te stappen naar een circulaire economie, deze richtlijn in haar geheel, en met name het toepassingsgebied en de doelstellingen ervan, op basis van een effectbeoordeling. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de beleidsdoelstellingen en initiatieven van de Unie voor de circulaire economie, en met de technische ontwikkeling van nieuwe soorten batterijen die geen gevaarlijke stoffen gebruiken, met name geen zware en andere metalen of metaalionen. De Commissie onderzoekt tevens de mogelijkheid om specifieke doelstellingen per hulpbron vast te stellen, met name voor kritieke grondstoffen. Zo nodig gaat deze evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel."
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/66/EG
Artikel 23 bis bis (nieuw)
2 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 23 bis bis
Instrumenten ter bevordering van een verschuiving naar een meer circulaire economie
Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten en nemen zij andere maatregelen om stimuli te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 8 – lid 5 – alinea 4
-1)   In artikel 8, lid 5, wordt de vierde alinea vervangen door:
"Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin minimum-kwaliteitsnormen worden vastgelegd, op basis van met name de normen die zijn ontwikkeld door de Europese normalisatie-instellingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2."
"Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel, en in overeenstemming met het mandaat in Richtlijn 2012/19/EU, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin minimum-kwaliteitsnormen worden vastgelegd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2."
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 – lid 5 bis
5 bis.  De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag over de uitvoering van artikel 16, lid 4. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden toegezonden in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 quinquies, is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].
5 bis.  De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag over de uitvoering van artikel 16, lid 4, in. Zij verzamelen en verwerken deze gegevens volgens de in lid 5 quinquies van dit artikel bedoelde gemeenschappelijke methode en dienen deze uiterlijk 12 maanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens van alle bij het verzamelen of verwerken van AEEA betrokken actoren worden verzameld. De gegevens worden toegezonden in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 quinquies, is vastgesteld.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 – lid 5 quater
5 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Dit verslag omvat een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode, alsook van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.
5 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Totdat de in lid 5 quinquies bedoelde gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens is vastgesteld, omvat dit verslag een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode. De Commissie beoordeelt tevens de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van deze gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 – lid 5 quater bis (nieuw)
5 quater bis. In het verslag neemt de Commissie informatie op over de uitvoering van de richtlijn in haar geheel en over de gevolgen ervan voor het milieu en de volksgezondheid. Zo nodig gaat dit verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 – lid 5 quinquies
5 quinquies.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 5 bis. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
5 quinquies.  Overeenkomstig artikel 20 stelt de Commissie ter aanvulling van deze richtlijn gedelegeerde handelingen vast die de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens vaststellen en het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 5 bis.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 – lid 5 quinquies bis (nieuw)
5 quinquies bis. Bij de in lid 5 quater bedoelde beoordeling evalueert de Commissie, in het kader van het actieplan voor de circulaire economie en met het oog op de toezegging van de Unie om over te stappen naar een circulaire economie, deze richtlijn in haar geheel en met name de werkingssfeer en de doelstellingen, op basis van een effectbeoordeling en rekening houdend met de beleidsdoelstellingen en initiatieven van de Unie voor de circulaire economie. De Commissie onderzoekt de mogelijkheid om specifieke doelstellingen per hulpbron vast te stellen, met name voor kritieke grondstoffen. Zo nodig gaat deze evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/19/EU
Artikel 16 bis (nieuw)
1 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 16 bis
Instrumenten ter bevordering van een verschuiving naar een meer circulaire economie
Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten en nemen zij andere maatregelen om stimuli te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0013/2017).


Afvalstoffen ***I
PDF 938kWORD 124k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 maart 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (COM(2015)0595 – C8-0382/2015 – 2015/0275(COD))(1)
P8_TA(2017)0070A8-0034/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Deze richtlijn heeft tot doel maatregelen vast te stellen ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen, ter beperking van gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en ter verbetering van de efficiëntie van het gebruik ervan en door ervoor te zorgen dat afval wordt gezien als hulpbron, met het oog op het bijdragen tot een circulaire economie in de Unie.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 bis (nieuw)
(-1 bis) Gezien de afhankelijkheid van de EU van de invoer van grondstoffen en de snelle uitputting van een aanzienlijk aantal natuurlijke hulpbronnen op de korte termijn is het regenereren van zoveel mogelijk hulpbronnen in de Unie een belangrijke uitdaging, evenals het verbeteren van de overgang naar een circulaire economie.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 ter (nieuw)
(-1 ter) De circulaire economie biedt belangrijke kansen voor lokale economieën en biedt het potentieel om een win-winsituatie te creëren voor alle betrokken belanghebbenden.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 quater (nieuw)
(-1 quater) Afvalbeheer moet worden omgevormd tot duurzaam materialenbeheer. De herziening van Richtlijn 2008/98/EG biedt daartoe gelegenheid.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 quinquies (nieuw)
(-1 quinquies) Voor de succesvolle overgang naar een circulaire economie is de volledige uitvoering van het actieplan "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" noodzakelijk, naast de herziening en volledige uitvoering van de richtlijnen inzake afvalstoffen. Het actieplan moet bovendien de samenhang, consistentie en synergieën tussen de circulaire economie en het beleid op het gebied van energie, klimaat, landbouw, industrie en onderzoek verbeteren.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 sexies (nieuw)
(-1 sexies) Op 9 juli 2015 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over "Hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie"1 bis, waarin met name wordt benadrukt dat er bindende streefcijfers voor afvalvermindering moeten worden vastgesteld, maatregelen moeten worden ontwikkeld ter voorkoming van afval, en eenduidige en duidelijke definities moeten worden opgesteld.
_______________
1 bis Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0266.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Het afvalbeheer in de Unie dient te worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de bevordering van een meer circulaire economie.
(1)  Het afvalbeheer in de Unie dient te worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bevordering van de beginselen van de circulaire economie, de bredere verspreiding van hernieuwbare energie, de verhoging van de energie-efficiëntie en de vermindering van de afhankelijkheid van de Unie van ingevoerde hulpbronnen, zodat er nieuwe economische kansen ontstaan en het concurrentievermogen op lange termijn bevorderd wordt. Om de economie werkelijk circulair te maken, moeten er aanvullende maatregelen worden genomen ten behoeve van duurzame productie en consumptie die gericht zijn op de totale levenscyclus van producten, en wel op zodanige wijze dat hulpbronnen behouden blijven en de kring wordt gesloten. Een efficiënter gebruik van hulpbronnen zou ook aanzienlijke nettobesparingen met zich meebrengen voor ondernemingen, overheden en consumenten in de Unie, evenals een vermindering van de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Meer inspanningen om over te gaan op een circulaire economie kunnen zorgen voor een beperking van de uitstoot van broeikasgassen met 2-4 % per jaar, wat een duidelijke prikkel is voor investeringen in een circulaire economie. Vergroting van de hulpbronnenproductiviteit ten gevolge van verbeterde efficiëntie en vermindering van hulpbronnenafval kunnen zowel het hulpbronnenverbruik als de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk verminderen. Circulaire economie moet derhalve integraal deel uitmaken van het klimaatbeleid, aangezien ze synergieën creëert, zoals benadrukt in de verslagen van het Internationale Panel voor hulpbronnen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)  De circulaire economie moet rekening houden met expliciete bepalingen van het 7e milieuactieprogramma waarin wordt verzocht om de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli, om ervoor te zorgen dat gerecycleerd afval kan worden gebruikt als belangrijke, betrouwbare bron van grondstoffen in de Unie.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De streefdoelen voor de voorbereiding op hergebruik en recycling van afvalstoffen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad14 moeten worden gewijzigd, zodat zij beter beantwoorden aan de ambities van de Unie om zich te ontwikkelen tot een circulaire economie.
(2)  De streefdoelen voor de voorbereiding op hergebruik en recycling van afvalstoffen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad14 moeten worden verhoogd, zodat zij beter beantwoorden aan de ambities van de Unie om zich te ontwikkelen tot een hulpbronnenefficiënte circulaire economie, door de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat afval als een nuttig middel wordt gezien.
__________________
__________________
14 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
14 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Veel lidstaten moeten nog de nodige infrastructuur voor afvalverwerking ontwikkelen. Het is daarom van groot belang beleidsdoelstellingen op de lange termijn te bepalen om maatregelen en investeringen te sturen, met name door te voorkomen dat structurele overcapaciteit ontstaat voor de verwerking van restafval en dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie vast blijven zitten.
(3)  Veel lidstaten moeten nog de nodige infrastructuur voor afvalverwerking ontwikkelen. Het is daarom van groot belang beleidsdoelstellingen op de lange termijn te bepalen en zowel financiële als politieke steun te verstrekken om maatregelen en investeringen te sturen, met name door te voorkomen dat structurele overcapaciteit ontstaat voor de verwerking van restafval en dat recycleerbare materialen van de lagere niveaus van de afvalhiërarchie vast blijven zitten. Teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken is het in dit verband ook van wezenlijk belang om de Europese structuur- en investeringsfondsen in te zetten voor het financieren van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalverwerking die nodig is voor preventie, hergebruik en recycling. Het is verder van essentieel belang dat de lidstaten hun bestaande programma's voor afvalpreventie in overeenstemming brengen met de nieuwe bepalingen van deze richtlijn en hun investeringen dienovereenkomstig aanpassen.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Stedelijk afval vormt ongeveer 7-10 % van de totale hoeveelheid afval die in de Unie wordt geproduceerd; dit is echter een van de meest complexe afvalstromen om te beheren, en de manier waarop deze wordt beheerd is een goede indicatie van de kwaliteit van het algehele systeem voor afvalbeheer in een land. De uitdagingen op het gebied van het beheer van stedelijk afval vloeien voort uit de zeer complexe en gemengde samenstelling, het feit dat het afval in de directe nabijheid van burgers wordt geproduceerd, en de zeer hoge zichtbaarheid voor het publiek. Het beheer vraagt dan ook om een zeer complex afvalbeheersysteem, waaronder een efficiënt inzamelingssysteem, actieve betrokkenheid van burgers en bedrijven, infrastructuur die is aangepast aan de specifieke samenstelling van het afval, en een uitgebreid financieringsstelsel. Landen die beschikken over efficiënte systemen voor het beheer van stedelijk afval presteren vaak beter op het gebied van afvalbeheer in het algemeen.
(4)  Stedelijk afval vormt ongeveer 7-10 % van de totale hoeveelheid afval die in de Unie wordt geproduceerd; dit is echter een van de meest complexe afvalstromen om te beheren, en de manier waarop deze wordt beheerd is een goede indicatie van de kwaliteit van het algehele systeem voor afvalbeheer in een land. De uitdagingen op het gebied van het beheer van stedelijk afval vloeien voort uit de zeer complexe en gemengde samenstelling, het feit dat het afval in de directe nabijheid van burgers wordt geproduceerd, de zeer hoge zichtbaarheid voor het publiek en de gevolgen ervan voor het milieu en de menselijke gezondheid. Het beheer ervan vraagt dan ook om een zeer complex afvalbeheersysteem, waaronder een efficiënt inzamelingssysteem, een doeltreffend sorteersysteem, het behoorlijk traceren van afvalstromen, actieve betrokkenheid van burgers en bedrijven, infrastructuur die is aangepast aan de specifieke samenstelling van het afval, en een uitgebreid financieringsstelsel. Landen die beschikken over efficiënte systemen voor het beheer van stedelijk afval presteren vaak beter op het gebied van afvalbeheer in het algemeen, onder meer door het bereiken van hun recyclingdoelstellingen. Een goed beheer van stedelijk afval alleen is echter ontoereikend om de overgang naar een circulaire economie te bevorderen, waarbij afval wordt gezien als hulpbron. Een levenscyclusbenadering van producten en afval is noodzakelijk om deze overgang op gang te brengen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Uit ervaring is gebleken dat zowel publiek als privaat beheerde systemen kunnen bijdragen tot de totstandbrenging van een circulaire economie en dat het besluit om een bepaald systeem al dan niet te gebruiken afhankelijk is van geografische en structurele omstandigheden. Op basis van de in deze richtlijn vastgestelde regels is zowel een systeem waarbij de gemeente de algemene verantwoordelijkheid heeft voor het ophalen van het stedelijk afval als een systeem waarbij dergelijke diensten worden uitbesteed aan particuliere exploitanten mogelijk. De keuze om over te gaan van het ene op het andere systeem moet onder de verantwoordelijkheden van de lidstaten vallen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Definities van stedelijk afval, bouw- en sloopafval, het eindproces van recycling, en opvulling moeten worden opgenomen in Richtlijn 2008/98/EG om de reikwijdte van deze begrippen te verduidelijken.
(5)  Definities van stedelijk afval, commercieel en industrieel afval, bouw- en sloopafval, exploitant van installatie voor voorbereiding voor hergebruik, organische recycling, eindproces van recycling, opvulling, sortering, zwerfafval en levensmiddelenafval moeten worden opgenomen in Richtlijn 2008/98/EG om de reikwijdte van deze begrippen te verduidelijken.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Op basis van de kennisgevingen van de lidstaten en de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de Commissie de richtsnoeren voor de interpretatie van de belangrijkste bepalingen van Richtlijn 2008/98/EG op gezette tijden evalueren, om de concepten van afval en bijproducten in de lidstaten te verbeteren, op elkaar af te stemmen en te harmoniseren.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   De coherentie tussen Richtlijn 2008/98/EG en de relevante wetgevingshandelingen van de Unie zoals Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis en Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad1 ter moet worden gewaarborgd. Er moet met name worden gezorgd voor een coherente interpretatie en toepassing van de definities van "afval", "afvalhiërarchie" en "bijproduct" in deze wetgevingshandelingen.
_________________
1 bis Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).
1 ter Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval moet worden geïdentificeerd overeenkomstig Besluit 2014/955/EU van de Commissie1 bis en Verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie 1 ter.
______________
1 bis Besluit 2014/955/EU van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 44).
1 ter Verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 365 van 19.12.2014, blz. 89).
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen voor recycling zijn gebaseerd op betrouwbare en vergelijkbare gegevens en om een doeltreffender toezicht op de voortgang met de verwezenlijking van deze doelstellingen mogelijk te maken, moet de definitie van stedelijk afval in Richtlijn 2008/98/EG in overeenstemming zijn met de definitie die voor statistische doeleinden wordt gebruikt door het Europees Bureau voor de statistiek en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, op basis waarvan de lidstaten sinds enkele jaren gegevens rapporteren. De definitie van stedelijk afval in deze richtlijn is neutraal wat betreft de publieke of private status van de exploitant die het afval beheert.
(6)  Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen voor recycling zijn gebaseerd op betrouwbare en vergelijkbare gegevens en om een doeltreffender toezicht op de voortgang met de verwezenlijking van deze doelstellingen mogelijk te maken, moet de definitie van stedelijk afval in Richtlijn 2008/98/EG in overeenstemming worden gebracht met de definitie die voor statistische doeleinden wordt gebruikt door het Europees Bureau voor de statistiek en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, op basis waarvan de lidstaten sinds enkele jaren gegevens rapporteren. De definitie van stedelijk afval in deze richtlijn is neutraal wat betreft de publieke of private status van de exploitant die het afval beheert.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  De lidstaten moeten zorgen voor passende prikkels voor de toepassing van de afvalhiërarchie, met name financiële prikkels gericht op de doelstellingen inzake de preventie en recycling van afval van deze richtlijn, zoals stort- en verbrandingsheffingen, gedifferentieerde tarieven voor afval, regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en prikkels voor lokale overheden.
(7)  De lidstaten moeten zorgen voor passende prikkels voor de toepassing van de afvalhiërarchie, met name financiële, economische en regelgevingsprikkels gericht op de doelstellingen inzake de preventie en recycling van afval van deze richtlijn, zoals stort- en verbrandingsheffingen, gedifferentieerde tarieven voor afval, regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het faciliteren van het doneren van voedsel en prikkels voor lokale overheden. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn kunnen de lidstaten gebruik maken van economische instrumenten of maatregelen als vermeld in de indicatieve lijst in de bijlage bij deze richtlijn. De lidstaten moeten eveneens maatregelen nemen die hen helpen een hoge kwaliteit van gesorteerd materiaal te bereiken.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Om een juiste toepassing van de afvalhiërarchie te vergemakkelijken, moeten de lidstaten maatregelen invoeren die het ontwikkelen, vervaardigen en het in de handel brengen van producten aanmoedigen die geschikt zijn voor meervoudig gebruik, technisch duurzaam en eenvoudig te repareren zijn en, zodra ze afval zijn geworden en zijn voorbereid voor hergebruik, weer in de handel kunnen worden gebracht. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de effecten van producten gedurende hun volledige levenscyclus en de afvalhiërarchie.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Om exploitanten in markten voor secundaire grondstoffen meer zekerheid te verschaffen bij het vaststellen of stoffen of voorwerpen afval of niet-afval zijn en gelijke mededingingsvoorwaarden te bevorderen, is het van belang dat er op het niveau van de Unie geharmoniseerde voorwaarden worden vastgesteld voor de erkenning van stoffen of voorwerpen als bijproducten en de erkenning dat afval dat een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer afval is. Voor zover nodig voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van milieubescherming in de hele Unie, moet de Commissie bevoegd zijn gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van gedetailleerde criteria betreffende de toepassing van dergelijke geharmoniseerde voorwaarden op bepaalde afvalstoffen, waaronder voor een specifiek gebruik.
(8)  Om exploitanten in markten voor secundaire grondstoffen meer zekerheid te verschaffen bij het vaststellen of stoffen of voorwerpen afval of niet-afval zijn en gelijke mededingingsvoorwaarden te bevorderen, is het van belang dat er duidelijke regels worden vastgesteld voor de erkenning van stoffen of voorwerpen als bijproducten en de erkenning dat afval dat een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer afval is.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Om een soepele werking van de interne markt te waarborgen moet een stof of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces met als hoofddoel niet de productie van het betreffende voorwerp of de betreffende stof, als algemene regel worden beschouwd als bijproduct, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan en een hoog niveau van milieubescherming en de bescherming van de volksgezondheid in de hele Unie wordt gegarandeerd. De Commissie moet de bevoegdheid hebben gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van gedetailleerde criteria voor de toepassing van de status van bijproduct, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan bestaande en repliceerbare praktijken van industriële en landbouwkundige symbiose. Bij het ontbreken van dergelijke criteria moeten de lidstaten, uitsluitend per geval, gedetailleerde criteria kunnen vaststellen voor de toepassing van de status van bijproduct.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)   Om de soepele werking van de interne markt en een hoog niveau van milieubescherming en de bescherming van de volksgezondheid in de hele Unie te waarborgen moet de Commissie als algemene regel de bevoegdheid hebben gedelegeerde handelingen vast te stellen ter vaststelling van geharmoniseerde bepalingen in verband met de status van eindafval voor bepaalde soorten afval. Specifieke criteria voor de „einde-afvalfase” moeten ten minste worden overwogen voor granulaten, papier, glas, metaal, banden en textiel. Indien geen criteria op Unieniveau zijn vastgesteld, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben op nationaal niveau gedetailleerde criteria voor de status van einde-afval voor bepaalde soorten afval vast te stellen, overeenkomstig op Unieniveau vastgestelde voorwaarden. Indien dergelijke gedetailleerde criteria evenmin op nationaal niveau zijn vastgesteld, dienen de lidstaten erop toe te zien dat afval dat een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afval wordt beschouwd, indien het voldoet aan op Unieniveau vastgestelde voorwaarden die per geval moeten worden geverifieerd door de bevoegde autoriteit in de lidstaat. De Commissie moet de bevoegdheid hebben om gedelegeerde handelingen aan te nemen ter aanvulling op deze richtlijn door algemene vereisten vast te stellen die de lidstaten moeten volgen wanneer zij uit hoofde van artikel 6 technische voorschriften vaststellen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quater (nieuw)
(8 quater)   Wanneer gerecycleerd materiaal de economie opnieuw binnenkomt doordat het de einde-afvalfase heeft bereikt, hetzij omdat het beantwoordt aan de specifieke criteria voor de einde-afvalfase, hetzij omdat het wordt opgenomen in een nieuw product, moet het volledig in overeenstemming zijn met EU-recht inzake chemische stoffen.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quinquies (nieuw)
(8 quinquies)   Bij de overgang naar een circulaire economie moeten de mogelijkheden van digitale innovatie optimaal worden benut. Daartoe moeten er elektronische instrumenten worden ontwikkeld, zoals een onlineplatform voor de handel in afvalstoffen als nieuwe grondstoffen, teneinde de handel te vergemakkelijken, de administratieve lasten voor exploitanten te verlagen en zodoende de industriële symbiose te bevorderen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 sexies (nieuw)
(8 sexies)   De bepalingen over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in deze richtlijn moeten ertoe bijdragen dat bij het ontwerpen en produceren van goederen het efficiënte gebruik van grondstoffen gedurende de gehele levenscyclus van de goederen, met inbegrip van reparatie, hergebruik, demontage en recycling, ten volle in aanmerking wordt genomen en wordt gefaciliteerd, zonder dat het vrij verkeer van goederen op de interne markt in het gedrang komt. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is een individuele verplichting voor producenten die inhoudt dat zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van afgedankte, door hen op de markt gebrachte producten. De producenten moeten echter hun verantwoordelijkheid individueel of collectief kunnen nemen. De lidstaten moeten de invoering waarborgen van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, in ieder geval voor verpakkingen, elektrische en elektronische apparatuur, batterijen en accu's en autowrakken.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 septies (nieuw)
(8 septies)   De regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten worden gezien als een reeks door de lidstaten vastgestelde regels die ervoor moeten zorgen dat producenten van producten de financiële en/of operationele verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van het stadium van het product na de consumptiefase. Deze regels mogen de producenten er niet van weerhouden individueel of collectief aan die verplichtingen te voldoen.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn een essentieel onderdeel van efficiënt afvalbeheer, maar de doeltreffendheid en prestaties daarvan verschillen aanzienlijk tussen de lidstaten. Daarom moeten minimale operationele vereisten voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid worden vastgesteld. Deze vereisten moeten leiden tot lagere kosten en betere prestaties en zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen, en belemmeringen voor de goede werking van de interne markt voorkomen. Zij moeten er ook toe bijdragen dat kosten aan het einde van de levensduur van producten worden meegenomen in de prijs ervan en producenten stimuleren om beter rekening te houden met recycleerbaarheid en hergebruik bij het ontwerp van hun producten. De vereisten moeten van toepassing zijn op zowel nieuwe als bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Een overgangsperiode is echter noodzakelijk om de structuren en procedures van de bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan te passen aan de nieuwe vereisten.
(9)  Regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn een essentieel onderdeel van efficiënt afvalbeheer, maar de doeltreffendheid en prestaties daarvan verschillen aanzienlijk tussen de lidstaten. Daarom moeten minimale operationele vereisten voor individuele of collectieve regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid worden vastgesteld. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen die minimale vereisten die op alle regelingen van toepassing zijn en die die alleen op collectieve regelingen van toepassing zijn. Niettemin moeten al deze vereisten leiden tot lagere kosten en betere prestaties door maatregelen zoals het faciliteren van een betere uitvoering van gescheiden afvalinzameling en afvalsortering, het waarborgen van recycling van hoge kwaliteit, het bijdragen tot een kostenefficiënte toegang tot secundaire grondstoffen, en zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen en e-handelsondernemingen, en belemmeringen voor de goede werking van de interne markt voorkomen. Deze vereisten moeten er ook toe bijdragen dat kosten aan het einde van de levensduur van producten worden meegenomen in de prijs ervan en producenten stimuleren om slimme bedrijfsmodellen te ontwikkelen en bij het ontwerp van hun producten rekening te houden met de afvalhiërarchie door de duurzaamheid, recycleerbaarheid, hergebruik en repareerbaarheid te stimuleren. Zij moeten aanzetten tot de progressieve vervanging van zeer zorgwekkende stoffen, zoals gedefinieerd in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006, als er geschikte alternatieve stoffen of technologieën zijn die economisch en technisch levensvatbaar zijn. De invoering van minimumvereisten voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet plaatsvinden onder toezicht van onafhankelijke autoriteiten en mag geen onevenredige financiële of administratieve last opleveren voor overheidsorganen, marktdeelnemers en consumenten. De vereisten moeten van toepassing zijn op zowel nieuwe als bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Een overgangsperiode is echter noodzakelijk om de structuren en procedures van de bestaande regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan te passen aan de nieuwe vereisten.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   De bepalingen van deze richtlijn over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid laten de in andere rechtshandelingen van de Unie opgenomen bepalingen betreffende uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onverlet, in het bijzonder deze met betrekking tot specifieke afvalstromen.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)   De Commissie moet onverwijld richtsnoeren aannemen over de regeling van bijdragen van producenten in het kader van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid teneinde de lidstaten bij te staan bij de uitvoering van deze richtlijn voor de ontwikkeling van de interne markt. Ter garantie van de samenhang in de interne markt moet de Commissie hiertoe ook geharmoniseerde criteria kunnen aannemen door middel van gedelegeerde handelingen.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 quater (nieuw)
(9 quater)   Indien regelingen worden opgezet voor de collectieve uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moeten de lidstaten waarborgen invoeren tegen belangenconflicten tussen contractanten en organisaties voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Afvalpreventie is de efficiëntste manier om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en het milieueffect van afval te verminderen. Daarom is het belangrijk dat de lidstaten passende maatregelen nemen om afvalproductie te voorkomen en de voortgang met de uitvoering van deze maatregelen te volgen en te beoordelen. Teneinde ervoor te zorgen dat de algehele voortgang in de uitvoering van de maatregelen voor afvalpreventie uniform worden gemeten, moeten gemeenschappelijke indicatoren worden vastgesteld.
(10)  Afvalpreventie is de efficiëntste manier om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren, het milieueffect van afval te verminderen, duurzame, recycleerbare en herbruikbare materialen van hoge kwaliteit te bevorderen en de afhankelijkheid van de invoer van steeds zeldzamer wordende grondstoffen te verkleinen. In dit verband is de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen van groot belang. Daarom is het belangrijk dat de lidstaten preventiedoelstellingen vastleggen en passende maatregelen nemen om afvalproductie en zwerfafval te voorkomen, met inbegrip van het gebruik van economische instrumenten en andere maatregelen die zeer zorgwekkende stoffen, zoals gedefinieerd in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006, progressief vervangen als er geschikte alternatieve stoffen of technologieën zijn die economisch en technisch levensvatbaar zijn, geplande veroudering bestrijden, hergebruik stimuleren, empowerment van consumenten bevorderen door middel van betere productinformatie, en stimuleren tot voorlichtingscampagnes over afvalpreventie. De lidstaten moeten ook de voortgang met de uitvoering van deze maatregelen volgen en beoordelen, alsmede de voortgang met de vermindering van afvalproductie, en moeten ernaar streven de afvalproductie los te koppelen van economische groei. Teneinde ervoor te zorgen dat de algehele voortgang die is geboekt bij de uitvoering van de maatregelen voor afvalpreventie uniform wordt gemeten, moeten gemeenschappelijke indicatoren en methodologieën worden vastgesteld.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Het bevorderen van duurzaamheid bij productie en verbruik kan een belangrijke bijdrage leveren tot afvalpreventie. De lidstaten moeten maatregelen nemen om consumenten dienovereenkomstig bewust te maken en aan te sporen een actieve bijdrage te leveren om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)   Er is voor de initiële producent van afvalstoffen een sleutelrol weggelegd bij de preventie van afval en in de eerste fase van de afvalscheiding.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Teneinde voedselverlies te beperken en levensmiddelenafval te voorkomen in de gehele toeleveringsketen wordt een hiërarchie voor levensmiddelenafval ingevoerd, zoals neergelegd in artikel 4 bis.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De lidstaten moeten maatregelen nemen om de preventie van levensmiddelenafval te bevorderen zoals is bepaald in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 oktober 2015 heeft goedgekeurd, en met name de doelstelling om tegen 2030 de hoeveelheid levensmiddelenafval te halveren. Deze maatregelen moeten gericht zijn op de preventie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, in de catering en in huishoudens. Gezien de voordelen van de preventie van levensmiddelenafval voor het milieu en de economie moeten de lidstaten specifieke preventieve maatregelen nemen om levensmiddelenafval tegen te gaan en de voortgang met de reductie van levensmiddelenafval meten. Om de uitwisseling van goede praktijken in de EU te vergemakkelijken, zowel tussen lidstaten als tussen exploitanten van levensmiddelenbedrijven, moeten uniforme methoden voor die metingen worden vastgesteld. Er moet elke twee jaar verslag worden uitgebracht over de niveaus van levensmiddelenafval.
(12)  De lidstaten moeten maatregelen nemen om de preventie en vermindering van levensmiddelenafval te bevorderen zoals is bepaald in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 september 2015 heeft goedgekeurd, en met name de doelstelling om tegen 2030 de hoeveelheid levensmiddelenafval met 50 % te verminderen. Deze maatregelen moeten gericht zijn op de preventie en vermindering van de totale productie van levensmiddelenafval en op de vermindering van voedselverlies in de gehele toeleveringsketen, met inbegrip van de primaire productie, vervoer en opslag. Gezien de voordelen van de preventie van levensmiddelenafval voor het milieu, de samenleving en de economie moeten de lidstaten specifieke preventieve maatregelen nemen om levensmiddelenafval tegen te gaan, met inbegrip van bewustmakingscampagnes om te tonen hoe levensmiddelenafval kan worden voorkomen in hun afvalpreventieprogramma's. Met deze maatregelen moeten de lidstaten beogen het streefdoel van een vermindering van levensmiddelenafval in de EU met 30 % tegen 2025 en met 50 % tegen 2030 te bereiken. De lidstaten moeten ook de voortgang met de reductie van levensmiddelenafval en voedselverliezen meten. Om deze vooruitgang te meten en de uitwisseling van beste praktijken in de EU te vergemakkelijken, zowel tussen lidstaten als tussen exploitanten van levensmiddelenbedrijven, moet een gemeenschappelijke methode voor die metingen worden vastgesteld. Er moet elk jaar verslag worden uitgebracht over de niveaus van levensmiddelenafval.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   Om voedselverspilling te voorkomen, moeten de lidstaten via prikkels de inzameling van onverkochte voedselproducten in de detailhandel en levensmiddeleninrichtingen en de verdeling onder liefdadigheidsorganisaties bevorderen. Om de verspilling van levensmiddelen te beperken, moet ook een betere bewustmaking van consumenten plaatsvinden over de betekenis van de minimumhoudbaarheidsdatum.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Industrieel afval, bepaalde delen van commercieel afval en mijnbouwafval zijn sterk gediversifieerd qua samenstelling en volume en lopen sterk uiteen naargelang de economische structuur van de lidstaat, de structuur van de industriële of commerciële sector die het afval produceert en de industriële of commerciële dichtheid in een bepaald geografisch gebied. Daarom is voor het meeste industrie- en winningsafval een industriegerichte aanpak, waarbij gebruik wordt gemaakt van referentiedocumenten betreffende de beste beschikbare technieken (BBT’s) en vergelijkbare instrumenten om de specifieke kwesties met betrekking tot het beheer van een bepaald soort afval aan te pakken, een geschikte oplossing. Industrieel en commercieel verpakkingsafval moeten echter blijven vallen onder de vereisten van Richtlijn 94/62/EG en Richtlijn 2008/98/EG, met inbegrip van de respectieve verbeteringen ervan.
(13)  Industrieel afval, bepaalde delen van commercieel afval en mijnbouwafval zijn sterk gediversifieerd qua samenstelling en volume en lopen sterk uiteen naargelang de economische structuur van de lidstaat, de structuur van de industriële of commerciële sector die het afval produceert en de industriële of commerciële dichtheid in een bepaald geografisch gebied. Voor het meeste industrie- en winningsafval is een industriegerichte aanpak, waarbij gebruik wordt gemaakt van referentiedocumenten betreffende de beste beschikbare technieken (BBT’s) en vergelijkbare instrumenten om de specifieke kwesties met betrekking tot het beheer van een bepaald soort afval aan te pakken, een tijdelijke oplossing voor het bereiken van de doelstellingen van de circulaire economie. Aangezien industrieel en commercieel verpakkingsafval vallen onder de vereisten van Richtlijn 94/62/EG en Richtlijn 2008/98/EG, moet de Commissie de mogelijkheid overwegen om uiterlijk 31 december 2018 doelstellingen vast te stellen voor recycling en voorbereiding voor hergebruik van commercieel afval en niet-gevaarlijk industrieel afval, die in 2025 en 2030 moeten worden bereikt.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   De Commissie moet deelplatforms actief promoten als een zakelijk model van de circulaire economie. Zij moet een sterkere integratie tussen het EU-actieplan voor de circulaire economie en de richtsnoeren voor een deeleconomie ontwikkelen en alle mogelijke maatregelen onderzoeken om dit te stimuleren.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)   De overgang naar een circulaire economie moet erop gericht zijn de doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei uit de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, met specifieke aandacht voor de doelstellingen op het gebied van milieubescherming, overschakeling naar schone energie, duurzame regionale ontwikkeling en toename van de werkgelegenheid in de lidstaten. De ontwikkeling van een circulaire economie moet dus ook de betrokkenheid van bepaalde groepen bevorderen, zoals kleine en middelgrote ondernemingen, ondernemingen uit de sociale economie, verenigingen zonder winstoogmerk en instanties die zich op regionale en lokale schaal bezighouden met afvalbeheer, proces- en productinnovatie stimuleren en de werkgelegenheid in de betrokken gebieden doen toenemen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  De doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval moet worden verhoogd om belangrijke economische, sociale en milieuvoordelen te realiseren.
(14)  De doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval moeten tegen 2025 met minstens 60 % en tegen 2030 met minstens 70 % worden verhoogd om belangrijke economische, sociale en milieuvoordelen te realiseren en de overgang naar een circulaire economie te versnellen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)   De lidstaten moeten de invoering steunen van systemen ter bevordering van activiteiten op het vlak van hergebruik en verlenging van de levensduur van producten, op voorwaarde dat de kwaliteit en veiligheid van producten niet op het spel worden gezet. Dergelijke systemen moeten worden ingevoerd met name voor elektrische en elektronische apparatuur, textiel, meubelen, bouwmaterialen en banden, zoals gedefinieerd in artikel 5 van Richtlijn 94/62/EG.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)   Ter bevordering van hergebruik moeten de lidstaten kwantitatieve doelstellingen kunnen vaststellen en bij de producenten de nodige maatregelen nemen zodat de organisaties voor hergebruik beter toegang hebben tot de handleidingen, wisselstukken en technische informatie die voor hergebruik nodig zijn.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 quater (nieuw)
(14 quater)   De rol van ondernemingen van de sociale economie in de sector voor hergebruik en de voorbereiding voor hergebruik moet worden erkend en geconsolideerd. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om de rol van de ondernemingen van de sociale economie in deze sector te bevorderen, met inbegrip van, indien passend, economische instrumenten, openbare aanbesteding, een vergemakkelijkte toegang tot afvalinzamelpunten en andere geschikte economische of regelgevende stimulansen. Het door het pakket circulaire economie vastgestelde nieuwe regelgevingskader moet ervoor zorgen dat deze belanghebbenden hun werkzaamheden in de sector hergebruik en voorbereiding voor hergebruik kunnen voortzetten.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 quinquies (nieuw)
(14 quinquies)   De overgang naar een circulaire economie biedt talrijke positieve aspecten, zowel op economisch (zoals optimalisering van het gebruik van grondstoffen) en milieu- (zoals bescherming van het milieu en terugdringing van vervuiling door afval) als op sociaal vlak (zoals potentieel voor het scheppen van sociaal-inclusieve werkgelegenheid en ontwikkeling van sociale banden). De circulaire economie is in overeenstemming met de moraal van de sociale en solidaire economie en de uitvoering van de circulaire economie moet in de eerste plaats de mogelijkheid bieden om milieu- en sociale voordelen te genereren.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 sexies (nieuw)
(14 sexies)   Door hun activiteiten, met name de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik zelf, helpen de actoren van de sociale en solidaire economie deze economie bevorderen. Het voortbestaan van die activiteiten binnen de Unie moet worden verzekerd.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Een geleidelijke verhoging van de bestaande doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval moet waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen worden hergebruikt en effectief worden gerecycleerd, en dat waardevolle materialen uit afval terugvloeien in de Europese economie, en bevordert derhalve het grondstoffeninitiatief17 en de ontwikkeling van een circulaire economie.
(15)  Een geleidelijke verhoging van de bestaande doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval moet waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen effectief worden voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd, terwijl een hoog niveau van milieubescherming en de bescherming van de volksgezondheid wordt gewaarborgd, en dat waardevolle materialen uit afval terugvloeien in de Europese economie, en bevordert derhalve het grondstoffeninitiatief17 en de ontwikkeling van een circulaire economie.
__________________
__________________
17 COM(2008)0699 en COM(2014)0297.
17 COM(2008)0699 en COM(2014)0297.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Er bestaan grote verschillen tussen de prestaties van de lidstaten op het gebied van afvalbeheer, met name wat betreft de recycling van stedelijk afval. Om rekening te houden met deze verschillen moeten die lidstaten die volgens de gegevens van Eurostat in 2013 minder dan 20 % van hun stedelijk afval hebben gerecycleerd, meer tijd krijgen om de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling voor 2025 en 2030 te behalen. Gezien de gemiddelde jaarlijkse toename die de afgelopen vijftien jaar in de lidstaten is waargenomen, zouden die lidstaten hun recyclingcapaciteit veel sterker moeten opvoeren dan zij in het verleden hebben gedaan willen zij die streefcijfers behalen. Om een gestage voortgang in de richting van de doelstellingen te waarborgen en te zorgen dat hiaten in de uitvoering tijdig worden aangepakt, zouden de lidstaten die extra tijd krijgen aan tussentijdse doelstellingen moeten voldoen en een uitvoeringsplan moeten vaststellen.
(16)  Er bestaan grote verschillen tussen de prestaties van de lidstaten op het gebied van afvalbeheer, met name wat betreft de recycling van stedelijk afval. Om rekening te houden met deze verschillen moeten die lidstaten die volgens de gegevens van Eurostat in 2013 minder dan 20 % van hun stedelijk afval hebben gerecycleerd en die naar verwachting niet het risico lopen de doelstelling van minstens 50 % van hun stedelijk afval voor te bereiden voor hergebruik of te recyclen tegen 2025, niet te halen, meer tijd krijgen om de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling voor 2025 te behalen. Diezelfde lidstaten kunnen ook meer tijd krijgen om de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling voor 2030 te behalen, als zij naar verwachting niet het risico lopen de doelstelling van minstens 60 % van hun stedelijk afval voor te bereiden voor hergebruik of te recyclen tegen 2030, niet te halen. Gezien de gemiddelde jaarlijkse toename die de afgelopen vijftien jaar in de lidstaten is waargenomen, zouden die lidstaten hun recyclingcapaciteit veel sterker moeten opvoeren dan zij in het verleden hebben gedaan willen zij die streefcijfers behalen. Om een gestage voortgang in de richting van de doelstellingen te waarborgen en te zorgen dat hiaten in de uitvoering tijdig worden aangepakt, zouden de lidstaten die extra tijd krijgen aan tussentijdse doelstellingen moeten voldoen en uitvoeringsplannen moeten vaststellen, waarvan de doeltreffendheid door de Commissie moet worden beoordeeld op basis van vastgestelde criteria.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Ter garantie van het gebruik van secundaire grondstoffen van hoge kwaliteit, moet de output van het eindproces van recycling aan kwaliteitsnormen voldoen. Derhalve moet de Commissie de Europese normalisatie-instellingen verzoeken om op basis van de beste beschikbare werkwijzen kwaliteitsnormen te ontwikkelen voor afvalstoffen die in het eindproces van recycling belanden en voor secundaire grondstoffen, met name kunststoffen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Met het oog op de betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens over de voorbereiding voor hergebruik moeten gemeenschappelijke voorschriften voor de verslaglegging worden vastgesteld. Tevens moeten duidelijkere voorschriften worden vastgesteld over de wijze waarop de lidstaten verslag moeten leggen over wat daadwerkelijk wordt gerecycleerd en kan worden meegeteld voor het bereiken van de recyclingdoelstellingen. Daarom moet de verslaglegging over de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen als algemene regel gebaseerd zijn op de input voor het eindproces van recycling. Om de administratieve lasten te beperken, moet het de lidstaten onder strikte voorwaarden worden toegestaan recyclingpercentages op te geven op basis van de output van sorteerinstallaties. Het verlies aan gewicht van materialen of stoffen als gevolg van fysische en/of chemische verwerkingsprocessen die deel uitmaken van het eindproces van recycling mag niet worden afgetrokken van het gewicht van het als gerecycleerd opgegeven afval.
(17)  Met het oog op de betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens over de voorbereiding voor hergebruik moeten gemeenschappelijke voorschriften voor de verslaglegging worden vastgesteld, zonder dat dit buitensporige administratieve lasten met zich meebrengt voor kleine en middelgrote exploitanten. Tevens moeten duidelijkere voorschriften worden vastgesteld over de wijze waarop de lidstaten verslag moeten leggen over wat daadwerkelijk wordt gerecycleerd en kan worden meegeteld voor het bereiken van de recyclingdoelstellingen. De berekening van gerecycleerd stedelijk afval moet plaatsvinden aan de hand van één deugdelijke geharmoniseerde methode die voorkomt dat lidstaten verwijderd afval rapporteren als gerecycleerd afval. Daarom moet de verslaglegging over de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen gebaseerd zijn op de input voor het eindproces van recycling. Het verlies aan gewicht van materialen of stoffen als gevolg van fysische en/of chemische verwerkingsprocessen die deel uitmaken van het eindproces van recycling mag niet worden afgetrokken van het gewicht van het als gerecycleerd opgegeven afval.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Bij het berekenen of de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling worden bereikt, moeten de lidstaten rekening kunnen houden met producten en componenten die worden voorbereid voor hergebruik door erkende exploitanten van installaties voor hergebruik en door statiegeldregelingen en de recycling van metalen die plaatsvindt in samenhang met verbranding. Om te zorgen voor een uniforme berekening van deze gegevens zal de Commissie gedetailleerde voorschriften vaststellen voor de bepaling van erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik en statiegeldregelingen, voor de kwaliteitscriteria voor gerecycleerde metalen, alsmede voor het verzamelen, verifiëren en rapporteren van gegevens.
(18)  Om te zorgen voor een uniforme berekening van gegevens inzake voorbereiding voor hergebruik en recycling moet de Commissie gedetailleerde voorschriften vaststellen voor de bepaling van erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik, statiegeldregelingen en recycling-eindbedrijven, met inbegrip van regels over het verzamelen, traceren, verifiëren en rapporteren van gegevens alsook voor kwaliteitscriteria voor gerecycleerde metalen die werden gerecycleerd in samenhang met verbranding of meeverbranding. Om te kunnen berekenen of de doelstellingen inzake voorbereiding voor hergebruik en recycling zijn bereikt, en na de goedkeuring van de geharmoniseerde berekeningsmethode, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben rekening te houden met de recycling van metalen die plaatsvindt in verband met verbranding of meeverbranding, zoals energieterugwinning.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Naleving van de verplichting tot het opzetten van systemen voor de gescheiden inzameling van papier, metaal, plastic en glas is essentieel om de mate van voorbereiding voor hergebruik en recycling in de lidstaten te verhogen. Daarnaast moet bioafval gescheiden worden ingezameld om bij te dragen tot hogere percentages van voorbereiding voor hergebruik en van recycling en de preventie van verontreiniging van droog recycleerbaar materiaal.
(20)  Naleving van de verplichting tot het opzetten van systemen voor de gescheiden inzameling van papier, metaal, plastic, glas, textiel en bioafval is essentieel om de mate van voorbereiding voor hergebruik en recycling in de lidstaten te verhogen. Daarnaast moet bioafval gescheiden worden ingezameld en worden gerecycleerd om bij te dragen tot hogere percentages van voorbereiding voor hergebruik en van recycling, de preventie van verontreiniging van droog recycleerbaar materiaal en de preventie van het verbranden en storten ervan. Daarnaast moet onderzoek naar mogelijke inzamelings- en recyclingsystemen voor andere stromen en nieuwe materialen worden aangemoedigd en geïntensiveerd.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   De bio-economie speelt een cruciale rol bij het waarborgen van de beschikbaarheid van grondstoffen in de Unie. Een doeltreffender gebruik van stedelijk afval kan zorgen voor een krachtige stimulans voor de toeleveringsketen van de bio-economie. Met name biedt een duurzaam beheer van bioafval de mogelijkheid om op fossiele brandstoffen gebaseerde grondstoffen te vervangen door hernieuwbare bronnen voor de productie van grondstoffen en goederen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 ter (nieuw)
(20 ter)   Om afvalverwerking waarbij grondstoffen op de lagere niveaus van de afvalhiërarchie worden geblokkeerd, te vermijden, om hoogstaande recycling mogelijk te maken en het gebruik van secundaire grondstoffen te stimuleren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bioafval gescheiden wordt ingezameld en aan een proces van organische recycling wordt onderworpen op een wijze die een hoge mate van milieubescherming biedt en waarvan de output aan de relevante strenge kwaliteitsnormen voldoet.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 quater (nieuw)
(20 quater)   Ondanks de gescheiden inzameling komen nog steeds veel recycleerbare stoffen in gemengd afval terecht. Met sortering van hoge kwaliteit, en met name optische sortering, kan een aanzienlijke hoeveelheid materialen worden gescheiden van het restafval en vervolgens worden gerecycleerd en opnieuw worden bewerkt tot secundaire grondstoffen. De lidstaten moeten derhalve maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat ook afval dat niet gescheiden wordt ingezameld toch wordt gesorteerd.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 quinquies (nieuw)
(20 quinquies)   Ter voorkoming van besmetting van stedelijk afval met gevaarlijke stoffen die de recyclingkwaliteit kunnen aantasten en daarmee het gebruik van secundaire grondstoffen kunnen belemmeren, moeten de lidstaten systemen voor de gescheiden inzameling van gevaarlijk huishoudelijk afval opzetten.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  Een behoorlijk beheer van gevaarlijke afvalstoffen is nog steeds een probleem in de Unie en er ontbreken gegevens over de verwerking. Daarom moeten registratie- en traceerbaarheidsmechanismen worden versterkt door in de lidstaten elektronische registers voor gevaarlijke afvalstoffen op te zetten. Elektronische gegevensverzameling moet waar nodig worden uitgebreid tot andere afvalstromen om de registratie voor bedrijven en overheden te vereenvoudigen en het toezicht op de afvalstromen in de Unie te verbeteren.
(21)  Een behoorlijk beheer van gevaarlijke afvalstoffen is nog steeds een probleem in de Unie en er ontbreken gegevens over de verwerking. Daarom moeten registratie- en traceerbaarheidsmechanismen worden versterkt door in de lidstaten elektronische registers voor gevaarlijke afvalstoffen op te zetten. Elektronische gegevensverzameling moet worden uitgebreid tot andere afvalstromen om de registratie voor bedrijven en overheden te vereenvoudigen en het toezicht op de afvalstromen in de Unie te verbeteren.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)   De gescheiden inzameling en de regeneratie van afvaloliën hebben aanzienlijke economische en milieuvoordelen, waaronder ten aanzien van de voorzieningszekerheid. Er moet worden gezorgd voor een gescheiden inzameling, evenals voor doelstellingen voor de regeneratie van afvaloliën.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22
(22)  Deze richtlijn stelt langetermijndoelstellingen voor het afvalbeheer van de Unie vast en geeft de economische actoren en de lidstaten een duidelijke richting voor de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën voor afvalbeheer en het plannen van investeringen in de infrastructuur voor afvalbeheer moeten de lidstaten terdege gebruikmaken van de Europese structuur- en investeringsfondsen door de voorbereiding voor hergebruik en de recycling te bevorderen in overeenstemming met de afvalhiërarchie.
(22)  Deze richtlijn stelt langetermijndoelstellingen voor het afvalbeheer van de Unie vast en geeft de economische actoren en de lidstaten een duidelijke richting voor de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën voor afvalbeheer en het plannen van investeringen in de infrastructuur voor afvalbeheer en de circulaire economie moeten de lidstaten terdege gebruikmaken van de Europese structuur- en investeringsfondsen door in de eerste plaats preventie en hergebruik, gevolgd door recycling te bevorderen, in overeenstemming met de afvalhiërarchie. De Commissie moet, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, het gebruik van Horizon 2020 en de Europese structuur- en investeringsfondsen mogelijk maken om een doeltreffend financieel kader te ontwikkelen dat de lokale autoriteiten helpt bij de uitvoering van de vereisten van deze richtlijn en de invoering van innovatieve technologieën en innovatief afvalbeheer financieren.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  Bepaalde grondstoffen zijn van groot belang voor de economie van de Unie en de aanvoer ervan gaat gepaard met een hoog risico. Om te zorgen voor continuïteit in het aanbod van die grondstoffen en in overeenstemming met het grondstoffeninitiatief en de doelstellingen en streefdoelen van het Europese Innovatiepartnerschap inzake grondstoffen, moeten de lidstaten maatregelen nemen om te komen tot een optimaal afvalbeheer dat aanzienlijke hoeveelheden van die grondstoffen bevat, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technologische haalbaarheid en milieuvoordelen. De Commissie heeft een lijst van kritieke grondstoffen voor de EU opgesteld18. Deze lijst wordt regelmatig door de Commissie geëvalueerd.
(23)  Bepaalde grondstoffen zijn van groot belang voor de economie van de Unie en de aanvoer ervan gaat gepaard met een hoog risico. Om te zorgen voor continuïteit in het aanbod van die grondstoffen en in overeenstemming met het grondstoffeninitiatief en de doelstellingen en streefdoelen van het Europese Innovatiepartnerschap inzake grondstoffen, moeten de lidstaten maatregelen nemen ter bevordering van het hergebruik van producten en de recycling van afval die aanzienlijke hoeveelheden kritieke grondstoffen bevatten en om ervoor te zorgen dat deze op doeltreffende wijze worden beheerd, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technologische haalbaarheid en milieu- en gezondheidsvoordelen. De Commissie heeft een lijst van kritieke grondstoffen voor de EU opgesteld18. Deze lijst wordt regelmatig door de Commissie geëvalueerd.
__________________
__________________
18 COM(2014)0297.
18 COM(2014)0297.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  Om een doeltreffende uitvoering van het grondstoffeninitiatief verder te ondersteunen, moeten de lidstaten ook het hergebruik bevorderen van producten die de belangrijkste bronnen van grondstoffen vormen. Zij moeten tevens in hun afvalbeheerplannen nationale maatregelen opnemen voor de inzameling en nuttige toepassing van afval dat aanzienlijke hoeveelheden van deze grondstoffen bevat. De maatregelen moeten worden opgenomen in de afvalbeheerplannen wanneer deze voor de eerste keer na de inwerkingtreding van deze richtlijn worden geactualiseerd. De Commissie zal informatie verstrekken over de desbetreffende productgroepen en afvalstromen op EU-niveau. Deze bepaling belet de lidstaten niet maatregelen te nemen voor andere grondstoffen die zij als belangrijk voor hun nationale economie beschouwen.
(24)  Om een doeltreffende uitvoering van het grondstoffeninitiatief verder te ondersteunen, moeten de lidstaten in hun afvalbeheerplannen ook nationale maatregelen opnemen voor de inzameling, sortering en nuttige toepassing van afval dat aanzienlijke hoeveelheden van deze grondstoffen bevat De maatregelen moeten worden opgenomen in de afvalbeheerplannen wanneer deze voor de eerste keer na de inwerkingtreding van deze richtlijn worden geactualiseerd. De Commissie zal informatie verstrekken over de desbetreffende productgroepen en afvalstromen op EU-niveau. Deze bepaling belet de lidstaten niet maatregelen te nemen voor andere grondstoffen die zij als belangrijk voor hun nationale economie beschouwen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Zwerfafval heeft rechtstreekse negatieve gevolgen voor het milieu en het welzijn van de burgers en de hoge saneringskosten leveren een onnodige economische lastenverzwaring voor de maatschappij op. Het opnemen van specifieke maatregelen in afvalbeheerplannen en krachtige handhaving door de bevoegde instanties moeten helpen dit probleem op te lossen.
(25)  Zwerfafval heeft directe en indirecte negatieve gevolgen voor het milieu, het welzijn van de burgers en de economie. Hoge saneringskosten leveren een onnodige economische lastenverzwaring voor de maatschappij op. Het opnemen van specifieke maatregelen in afvalbeheerplannen en krachtige handhaving door de bevoegde instanties moeten helpen dit probleem op te lossen. De preventie van zwerfafval verdient de voorkeur boven sanering. De preventie van zwerfafval moet een gedeelde inspanning zijn van de bevoegde autoriteiten, producenten en consumenten. Het is van essentieel belang verkeerd consumentengedrag te veranderen om zwerfafval te vermijden. Producenten van producten die de kans lopen zwerfafval te worden moeten het duurzame gebruik van hun producten bevorderen om zwerfafval te voorkomen. Bovendien spelen voorlichting en bewustmaking een cruciale rol bij het stimuleren van gedragsverandering.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)   Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad1a is het bindende rechtsinstrument op Unieniveau voor het beoordelen, monitoren en vaststellen van milieudoelen voor het bereiken van een goede milieutoestand met betrekking tot zwerfvuil op zee. De belangrijkste bronnen van zwerfvuil op zee zijn echter activiteiten op het land, omdat het beheer van vast afval tekortschiet, er sprake is van een tekort aan infrastructuur en de bevolking zich niet bewust is van het probleem. Om die reden moeten de lidstaten maatregelen vaststellen ter vermindering van de hoeveelheid zwerfvuil van het land dat in het mariene milieu terecht kan komen, overeenkomstig de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 september 2015 heeft goedgekeurd, en met name de doelstelling om tegen 2030 de hoeveelheid zwerfvuil op zee met 50 % te verminderen op Unieniveau. Gezien de voordelen van de preventie van zwerfvuil op zee voor het milieu en de economie moeten de lidstaten in hun afvalpreventieprogramma's specifieke preventieve maatregelen nemen om zwerfvuil op zee tegen te gaan. Met deze maatregelen moeten de lidstaten beogen het streefdoel van een vermindering van zwerfvuil op zee in de EU met 30 % tegen 2025 en met 50 % tegen 2030 te bereiken. Om de vooruitgang naar deze streefdoelen te meten en de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten in de hele EU te vergemakkelijken, moeten uniforme methoden voor het meten van van het land afkomstig zwerfvuil op zee worden vastgesteld. Er moet elk jaar verslag worden uitgebracht over de niveaus van van het land afkomstig zwerfvuil op zee.
______________
1 bis Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 ter (nieuw)
(25 ter)   De onjuiste verwijdering van afval in de vorm van zwerfafval en het lozen van afvalwater en vaste afvalstoffen zoals plastic heeft negatieve gevolgen voor het mariene milieu en de menselijke gezondheid, evenals aanzienlijke economische en sociale kosten. Dergelijk afval ondermijnt bovendien de prioritaire volgorde van de afvalhiërarchie, met name door de vermijding van de voorbereiding voor hergebruik, recycling en andere nuttige toepassing voorafgaande aan de verwijdering. Gezien het grensoverschrijdende karakter van zwerfvuil op zee en de noodzaak te zorgen voor de harmonisatie van de inspanningen, moeten de lidstaten maatregelen nemen om een doelstelling voor de beperking hiervan te behalen, met gebruik van de controle-instrumenten van artikel 11 van Richtlijn 2008/56/EG.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 quater (nieuw)
(25 quater)   Microkorrels van kunststof in afspoelbare cosmetische en lichaamsverzorgingsproducten die na gebruik in huishoudelijke, commerciële en industriële afwateringssystemen terechtkomen, zijn een van de meest vermijdbare directe bronnen van vervuiling door microbestanddelen van kunststof. Om bij te dragen tot de streefdoelen in deze richtlijn moeten de lidstaten maatregelen nemen om te voorkomen dat microkorrels en microbestanddelen van kunststof in waterzuiveringsinstallaties terecht komen en in het mariene milieu worden geloosd.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  De uitvoeringsverslagen die de lidstaten om de drie jaar opstellen, zijn geen doeltreffend instrument gebleken voor het toezicht op de naleving en het waarborgen van een goede uitvoering, maar leverden wel onnodige administratieve lasten op. Daarom is het passend bepalingen in te trekken die de lidstaten ertoe verplichten om dergelijke verslagen op te stellen. In plaats daarvan moet de monitoring van de naleving uitsluitend worden gebaseerd op de statistische gegevens die de lidstaten elk jaar bij de Commissie rapporteren.
(27)  De uitvoeringsverslagen die de lidstaten om de drie jaar opstellen, zijn geen doeltreffend instrument gebleken voor het toezicht op de naleving en het waarborgen van een goede uitvoering, maar leverden wel onnodige administratieve lasten op. Daarom is het passend bepalingen in te trekken die de lidstaten ertoe verplichten om dergelijke verslagen op te stellen. In plaats daarvan moet de monitoring van de naleving worden gebaseerd op de statistische gegevens die de lidstaten elk jaar bij de Commissie rapporteren. Niettemin moeten de lidstaten de Commissie op verzoek onverwijld alle gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling door de Commissie van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in haar geheel en het effect ervan op het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Door de lidstaten gerapporteerde statistische gegevens zijn noodzakelijk voor de Commissie om de naleving van de wetgeving inzake afval te kunnen beoordelen. De kwaliteit, de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de statistieken moeten worden verbeterd door de invoering van één toegangspunt voor alle gegevens over afval, het schrappen van achterhaalde verslagleggingsvereisten, de benchmarking van nationale verslagleggingsmethoden en de invoering van een verslag over de gegevenskwaliteitscontrole. Bij de verslaglegging over de verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving inzake afval moeten de lidstaten gebruikmaken van de recentste methodologie die is ontwikkeld door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten.
(28)  Door de lidstaten gerapporteerde gegevens en informatie zijn noodzakelijk voor de Commissie om de naleving van de wetgeving inzake afval te kunnen beoordelen. De kwaliteit, de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de gerapporteerde gegevens moeten worden verbeterd door de invoering van een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens op basis van betrouwbare bronnen en door de invoering van één toegangspunt voor alle gegevens over afval, het schrappen van achterhaalde verslagleggingsvereisten, de benchmarking van nationale verslagleggingsmethoden en de invoering van een verslag over de gegevenskwaliteitscontrole. Bij de verslaglegging over de verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving inzake afval moeten de lidstaten gebruikmaken van de gezamenlijke methodologie die is ontwikkeld door de Commissie, in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de nationale, regionale en lokale autoriteiten die belast zijn met afvalbeheer.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)   Om de drie jaar moet de Commissie een verslag publiceren op basis van de gegevens en informatie gerapporteerd door de lidstaten, teneinde bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang bij het bereiken van de recyclingdoelstellingen en de nakoming van nieuwe verplichtingen vastgelegd in deze richtlijn. Deze driejaarlijkse verslagen moeten tevens een evaluatie bevatten van de effecten van Richtlijn 2008/98/EG in haar geheel op het milieu en de menselijke gezondheid, alsmede een beoordeling van de eventuele noodzaak om Richtlijn 2008/98/EG te wijzigen, om te waarborgen dat deze richtlijn blijft beantwoorden aan de doelstellingen van de circulaire economie.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 ter (nieuw)
(28 ter)   Om bij te dragen tot een adequaat bestuur, naleving, grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken en innovatie op het vlak van afval en een effectieve en consistente uitvoering van de streefdoelen in Richtlijn 2008/98/EG te verzekeren, moet de Commissie een platform oprichten voor de uitwisseling van informatie en het delen van beste praktijken tussen de Commissie en de lidstaten over de praktische uitvoering van deze richtlijn. De resultaten van het werk van dat platform moeten openbaar beschikbaar worden gemaakt.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quater (nieuw)
(28 quater)   Het economische potentieel en de milieuvoordelen van de overgang naar een circulaire economie en een verhoogde hulpbronnenefficiëntie zijn beproefd. Stappen om de cirkel rond te maken worden gepresenteerd in verschillende beleidsdocumenten en -voorstellen, van het manifest van het Europees platform voor efficiënt hulpbronnengebruik (EREP) en aanbevelingen voor een hulpbronnenefficiënter Europa, gepubliceerd op 17 december 2012, en latere beleidsaanbevelingen tot het initiatiefverslag van het Europees Parlement over de overgang naar een circulaire economie van 25 juni 2015 en het actieplan van de Commissie voor de circulaire economie van 2 december 2015. In al deze documenten worden maatregelen gepresenteerd die niet alleen betrekking hebben op afval, maar op de gehele cyclus, en deze maatregelen moeten niet alleen dienen als richtsnoer voor het niveau van ambitie van het afvalrecht van de Unie, maar er ook voor zorgen dat ambitieuze maatregelen worden genomen om de gehele cirkel rond te maken.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quinquies (nieuw)
(28 quinquies)   Onderzoek en innovatie alsook het creëren van slimme bedrijfsmodellen op basis van hulpbronnenefficiëntie zijn van wezenlijk belang voor het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie in de Unie, waarbij afval wordt beschouwd als nieuwe hulpbron. Om dat doel te bereiken is het belangrijk om binnen Horizon 2020 bij te dragen aan projecten op het gebied van onderzoek en innovatie waarmee de economische en ecologische duurzaamheid van een circulaire economie in de praktijk kan worden gedemonstreerd en getest. Tegelijkertijd kunnen deze projecten, met een systemische aanpak, bijdragen aan de ontwikkeling van wetgeving die innovatiebevorderend is en die gemakkelijk ten uitvoer kan worden gelegd, door het opsporen van mogelijke gevallen van regelgevende onzekerheden, obstakels en lacunes die de ontwikkeling van op hulpbronnenefficiëntie gebaseerde zakelijke modellen kunnen hinderen.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 sexies (nieuw)
(28 sexies)   Op 2 december 2015 heeft de Commissie een EU-actieplan voor de circulaire economie gepresenteerd om de overgang van Europa naar een circulaire economie te stimuleren. Aangezien de Commissie een concreet en ambitieus actieprogramma heeft opgesteld, met maatregelen voor de gehele levenscyclus, zijn aanvullende maatregelen nodig om die overgang te bespoedigen.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 septies (nieuw)
(28 septies)   Verbetering van het gebruik van hulpbronnen kan aanzienlijke nettobesparingen opleveren voor ondernemingen, overheden en consumenten in de Unie, en kan zorgen voor een vermindering van de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen. Om die reden moet de Commissie uiterlijk eind 2018 een voorstel doen voor een hoofdindicator en een overzicht van subindicatoren voor hulpbronnenefficiëntie, om de voortgang te meten met het bereiken van de doelstelling van verbetering van de hulpbronnenefficiëntie op Unieniveau met 30 % tegen 2030, ten opzichte van de niveaus van 2014.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 29
(29)  Met het oog op de aanvulling of wijziging van Richtlijn 2008/98/EG moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie ten aanzien van artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 26, artikel 27, leden 1 en 4, en artikel 38, leden 1, 2 en 3. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
(29)  Met het oog op de aanvulling of wijziging van Richtlijn 2008/98/EG moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie ten aanzien van:
—   gedetailleerde criteria voor de toepassing van voorwaarden waaronder stoffen of voorwerpen beschouwd moeten worden als bijproducten of niet langer als afval moeten worden beschouwd,
—   algemene vereisten die de lidstaten moeten volgen wanneer zij technische voorschriften over de einde-afvalfase vaststellen,
—   de vaststelling van de lijst van afvalstoffen,
—   geharmoniseerde criteria die moeten worden gevolgd om de financiële bijdragen te bepalen die producenten betalen om hun uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen op basis van de kosten aan het einde van de productlevenscyclus,
—   indicatoren voor het meten van de voortgang met de vermindering van de afvalproductie en met de uitvoering van maatregelen voor afvalpreventie,
—   een gezamenlijke methodologie, met inbegrip van minimum kwaliteitseisen, voor een uniforme meting van de niveaus van levensmiddelenafval,
—   een gezamenlijke methodologie, met inbegrip van minimum kwaliteitseisen, voor een uniforme meting van de hoeveelheid zwerfvuil op zee dat afkomstig is van het land,
—   kwalitatieve en operationele minimumvereisten voor de bepaling van erkende bedrijven voor de voorbereiding voor hergebruik, statiegeldregelingen en voor recycling-eindbedrijven, met inbegrip van specifieke regels voor de verzameling en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover,
—   een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van het gewicht van de metalen die zijn gerecycleerd in samenhang met verbranding of meeverbranding, met inbegrip van de kwaliteitscriteria voor de gerecycleerde metalen,
—   technische criteria en operationele procedures met betrekking tot de verwijderingshandelingen D2, D3, D4, D6, D7 en D12, zoals vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG, en, indien gepast, een verbod op deze handelingen als zij niet aan bepaalde criteria met betrekking tot de bescherming van de volksgezondheid en het milieu voldoen,
—   technische minimumnormen voor verwerkingsactiviteiten waarvoor uit hoofde van Richtlijn 2008/98/EG een vergunning vereist is indien er bewijs is dat dergelijke normen een voordeel ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu zouden opleveren,
—   minimumnormen voor activiteiten waarvoor uit hoofde van Richtlijn 2008/98/EG registratie vereist is indien er bewijs is dat dergelijke normen een voordeel zouden opleveren ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu of door verstoring van de interne markt te voorkomen,
—   nadere bepaling van de wijze waarop de in bijlage II, punt R1 van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde formule voor verbrandingsinstallaties moet worden toegepast,
—   de methode voor de verzameling en verwerking, de organisatie van de gegevensverzameling en de gegevensbronnen alsmede de vorm voor het rapporteren van gegevens door de lidstaten aan de Commissie inzake de uitvoering van de doelstellingen voor de vermindering van levensmiddelenafval en zwerfvuil op zee, voorbereiding voor hergebruik, recycling en opvulling, en afvaloliën, en
—   de aanpassing van de bijlagen I tot en met V van Richtlijn 2008/98/EG aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden zorgt voor passende raadpleging, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2008/98/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met artikel 9, leden 4 en 5, artikel 33, lid 2, artikel 35, lid 5, en artikel 37, lid 6. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad19.
(30)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2008/98/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met:
—   de vorm van de kennisgeving over de aanneming en de belangrijke wijzigingen van afvalbeheerplannen en afvalpreventieprogramma’s, en
—   minimumvoorwaarden voor de exploitatie van registers van gevaarlijk afval.
Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad19.
__________________
__________________
19 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
19 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van het afvalbeheer in de Unie en aldus bijdragen aan de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de gezondheid van de oceanen en de veiligheid van visserijproducten door zwerfvuil op zee tegen te gaan, en het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de gehele Unie, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten, maar vanwege de omvang of de gevolgen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Europese Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
(33)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van het afvalbeheer in de Unie en aldus bijdragen aan de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de gezondheid van de oceanen en de veiligheid van visserijproducten door zwerfvuil op zee tegen te gaan, en het behoedzaam, beperkt en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de gehele Unie, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten, maar vanwege de omvang of de gevolgen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Europese Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)   De lidstaten moeten enerzijds ervoor zorgen dat in de sectoren productie, recycling, reparatie, voorbereiding voor hergebruik en afvalverwerking strikte normen voor gezondheid en veiligheid op het werk gelden, die rekening houden met de specifieke risico's waarmee werknemers in deze sector te maken hebben, en anderzijds waarborgen dat het bestaande Unierecht op dit gebied naar behoren wordt uitgevoerd en gehandhaafd.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33 ter (nieuw)
(33 ter)   Deze richtlijn is vastgesteld met inachtneming van de verbintenissen in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven en moet worden uitgevoerd en toegepast overeenkomstig de richtsnoeren die in dat akkoord zijn vervat.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 1 – alinea 1
-1)   Artikel 1, alinea 1, wordt vervangen door:
Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen, ter beperking van gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en ter verbetering van de efficiëntie van het gebruik ervan.
"Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de afvalproductie en van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen, ter beperking van gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en ter verbetering van de efficiëntie van het gebruik ervan, die van cruciaal belang zijn voor de overgang naar een circulaire economie en voor het waarborgen van het concurrentievermogen van de Unie op de lange termijn.";
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 1 bis (nieuw)
"1 bis. "stedelijk afval":
"1 bis. "stedelijk afval":
a)  gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van huishoudens, met inbegrip van:
a)  gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van huishoudens, met inbegrip van:
–  papier en karton, glas, metaal, plastic, bioafval, hout, textiel, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afgedankte batterijen en accu’s;
–  papier en karton, glas, metaal, plastic, bioafval, hout, textiel, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afgedankte batterijen en accu’s;
–  grofvuil, met inbegrip van witgoed, matrassen, meubels;
–  grofvuil, met inbegrip van matrassen en meubels;
–  tuinafval, met inbegrip van bladeren, gemaaid gras;
–  tuinafval, met inbegrip van bladeren, gemaaid gras;
b)  gemengd afval en gescheiden ingezameld afval uit andere bronnen dat in aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met huishoudelijk afval.
b)  gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van kleine bedrijven, kantoorgebouwen en instellingen, met inbegrip van scholen, ziekenhuizen en overheidsgebouwen, dat in aard en samenstelling vergelijkbaar is met huishoudelijk afval.
c)  afval van het schoonmaken van markten en afval van reinigingsdiensten, met inbegrip van straatvuil, de inhoud van vuilnisbakken en afval van park- en tuinonderhoud.
c)  afval van het schoonmaken van markten en afval van reinigingsdiensten, met inbegrip van straatvuil, de inhoud van vuilnisbakken en afval van park- en tuinonderhoud.
Stedelijk afval omvat niet afval van het riolerings- en zuiveringsstelsel, met inbegrip van zuiveringsslib en bouw- en sloopafval;";
Stedelijk afval omvat niet afval van het riolerings- en zuiveringsstelsel, met inbegrip van zuiveringsslib en bouw- en sloopafval.
De definitie van stedelijk afval in deze richtlijn is van toepassing ongeacht de publieke of private status van de exploitant die het afval beheert;";
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 1 ter (nieuw)
a bis)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"1 ter. "commercieel en industrieel afval": gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van commerciële en industriële activiteiten en/of gebouwen.
Stedelijk afval, bouw- en sloopafval en afval van het riolerings- en zuiveringsstelsel, met inbegrip van zuiveringsslib, vallen niet onder commercieel en industrieel afval;";
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  "niet-gevaarlijke afvalstof": een afvalstof die geen van de in bijlage III genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit;";
2 bis.  "niet-gevaarlijke afvalstof": een afvalstof die niet onder punt 2 van dit artikel valt;
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 4
4.  "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie en ander afval met vergelijkbare biologische afbreekbaarheid dat in aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is;
4.  "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie en ander afval met vergelijkbare biologische afbreekbaarheid en composteerbaarheid;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter d bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 9
d bis)   punt 9 wordt vervangen door:
9.  „afvalstoffenbeheer”: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars;
"9. „afvalstoffenbeheer”: inzameling, vervoer, sortering, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars;
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter d ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 11
d ter)   punt 11 wordt vervangen door:
11.  „gescheiden inzameling”: de inzameling waarbij een afvalstroom gescheiden wordt naar soort en aard van het afval om een specifieke behandeling te vergemakkelijken;
"11. „gescheiden inzameling”: de inzameling waarbij een afvalstroom gescheiden wordt naar soort en aard van het afval om een specifieke behandeling te vergemakkelijken, met name de voorbereiding voor hergebruik en recycling;";
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 16
16.  "voorbereiding voor hergebruik": elke terugwinningshandeling bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten die zijn ingezameld door een erkende exploitant van installaties voor voorbereiding voor hergebruik of statiegeldregeling worden voorbereid zodat zij kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;";
16.  "voorbereiding voor hergebruik": elke terugwinningshandeling bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten die afval zijn geworden en die zijn ingezameld door een erkende exploitant van installaties voor voorbereiding voor hergebruik worden voorbereid zodat zij kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter e bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 16 bis (nieuw)
e bis)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"16 bis. "exploitant van installatie voor voorbereiding voor hergebruik": een onderneming die afval behandelt en werkzaam is binnen de procesketen voor voorbereiding voor hergebruik in overeenstemming met de toepasselijke regels;";
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter e ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 16 ter (nieuw)
e ter)   het volgende punt wordt ingevoegd:
“16 ter. "herfabricage": het proces om een product als nieuw te maken middels hergebruik, herstel en vervanging van componenten;";
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter e quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 17
e quater)   punt 17 wordt vervangen door:
17.  „recycling”: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
"17. "recycling": elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat organische recycling, maar niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;”;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter e quinquies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt -17 bis (nieuw)
e quinquies)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"- 17 bis. "organische recycling": recycling in de vorm van een aerobe of anaerobe behandeling, of een andere behandeling van de biologisch afbreekbare bestanddelen van afval, waarbij producten, materialen of stoffen tot stand komen; biomechanische behandeling en storten worden niet als organische recycling beschouwd;";
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 17 bis (nieuw)
17 bis.  "eindproces van recycling": het proces dat begint wanneer geen verdere mechanische sortering nodig is en afvalmaterialen in een productieproces worden ingebracht en effectief opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen;
17 bis.  "eindproces van recycling": het proces dat begint wanneer geen verdere sortering nodig is en afvalmaterialen in een productieproces effectief opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 17 ter
17 ter.  "opvulling": terugwinningshandeling waarbij geschikt afval wordt gebruikt voor het herstel van afgegraven terreinen of voor civieltechnische toepassingen bij de landschapsaanleg of de bouw in plaats van andere niet-afvalmaterialen die anders voor dat doel waren gebruikt;";
17 ter.  "opvulling": terugwinningshandeling, niet zijnde recycling, waarbij geschikt niet-gevaarlijk inert of ander niet-gevaarlijk afval wordt gebruikt voor het herstel van afgegraven terreinen of voor civieltechnische toepassingen bij de landschapsaanleg of de bouw in plaats van andere niet-afvalmaterialen die anders voor dat doel waren gebruikt, en wordt gebruikt in hoeveelheden die niet de werkelijke behoeften van het herstel van afgegraven terreinen of van civieltechnische toepassingen overschrijden;
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 17 quater (nieuw)
f bis)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"17 quater. "verdunning": de vermenging van een afvalstof met een of meer andere materialen of afvalstoffen teneinde zonder chemische omzetting de concentratie van een of meer componenten in de afvalstof te verlagen, zodat de verdunde afvalstof voor een verwerkings- of recyclinghandeling kan worden gebruikt die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegestaan.";
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2 – letter f ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 20 bis (nieuw)
f ter)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"20 bis. "sanering": een bewerking waarbij ongewenste gevaarlijke componenten of verontreinigende stoffen uit de afvalstoffen worden verwijderd of worden behandeld, met als doel om ze te vernietigen.";
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 20 ter (nieuw)
f quater)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"20 ter. "sortering": een afvalbeheershandeling waarbij ingezameld afval wordt gescheiden in verschillende fracties en subfracties;";
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f quinquies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 20 quater (nieuw)
f quinquies)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"20 quater. "zwerfafval": klein afval in openbaar toegankelijke gebieden dat opzettelijk of onopzettelijk op onjuiste wijze in het milieu is weggegooid;";
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f sexies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 20 quinquies (nieuw)
f sexies)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"20 quinquies. "levensmiddelenafval": voor menselijke consumptie bestemde, eetbare en niet-eetbare levensmiddelen die worden verwijderd van de productie- of toeleveringsketen om te worden weggegooid, met inbegrip van tijdens de primaire productie, de vervaardiging, de verwerking, het vervoer, de opslag, de verkoop en het verbruik, met uitzondering van verliezen tijdens de primaire productie;";
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter f septies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 3 – punt 20 sexies (nieuw)
f septies)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"20 sexies. “restafval”: afvalstoffen die ontstaan bij een behandeling of een nuttige toepassing, waaronder recycling, waarvoor geen verdere nuttige toepassing is en die bijgevolg moeten worden verwijderd;";
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1
2 bis)   In artikel 4, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:
2.  Bij het toepassen van de in lid 1 bedoelde afvalhiërarchie nemen de lidstaten maatregelen om de opties te stimuleren die over het geheel genomen het beste milieuresultaat opleveren. Dit kan betekenen dat voor bepaalde specifieke afvalstromen van de hiërarchie moet worden afgeweken indien dit op grond van het levenscyclusdenken met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is.
"2. Bij het toepassen van de in lid 1 bedoelde afvalhiërarchie nemen de lidstaten maatregelen om de opties te stimuleren die over het geheel genomen het beste milieuresultaat opleveren. Dit kan betekenen dat voor bepaalde specifieke afvalstromen van de hiërarchie moet worden afgeweken indien dit op grond van het levenscyclusdenken met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is. Dit kan betekenen dat bepaalde soorten afval een proces van sanering moeten ondergaan voordat verdere behandeling kan plaatsvinden.";
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 – lid 3 – alinea 1
3.  De lidstaten maken gebruik van passende economische instrumenten om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie.
3.  De lidstaten maken gebruik van passende economische instrumenten en nemen andere maatregelen om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis om de uitvoering te bevorderen van de in artikel 29 bedoelde afvalpreventieprogramma's en ter ondersteuning van de activiteiten voor het bereiken van de in artikel 11, lid 2, vermelde doelstellingen voor recycling en voorbereiding voor hergebruik teneinde het gebruik van secundaire grondstoffen te maximaliseren en de kostenverschillen met onbewerkte grondstoffen te compenseren.
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 – lid 3 – alinea 2
De lidstaten brengen uiterlijk [datum achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn invullen] en elke vijf jaar daarna de Commissie verslag uit over de specifieke instrumenten die overeenkomstig dit lid zijn opgezet.
De lidstaten brengen uiterlijk [datum achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn invullen] en elke drie jaar daarna de Commissie verslag uit over de specifieke instrumenten die overeenkomstig dit lid zijn opgezet.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis)   Aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. De lidstaten zetten heffingssystemen op om te zorgen voor de financiering van de infrastructuur voor afvalbeheer voor stedelijk afval die voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn is vereist.";
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter)   Aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 ter. De lidstaten passen de afvalstoffenhiërarchie toe, teneinde de overgang naar een circulaire economie te bevorderen. Hiertoe en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad1 bis passen de lidstaten de afvalhiërarchie toe bij de toewijzing van alle middelen van de Unie en geven zij bij investeringen in de infrastructuur voor afvalbeheer de voorkeur aan afvalpreventie, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik en recycling.
_________________
1 bis Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).";
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 4 bis (nieuw)
3 quater)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 4 bis
Hiërarchie voor levensmiddelenafval
1.   Bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van levensmiddelenafval wordt als prioriteitsvolgorde de volgende specifieke hiërarchie voor levensmiddelenafval gehanteerd:
a)   preventie aan de bron;
b)   het veilig stellen van eetbaar voedsel, waarbij menselijke voeding de prioriteit krijgt boven diervoeding en het opnieuw bewerken in niet voor de voeding bestemde producten;
c)   organische recycling;
d)   energieterugwinning;
e)   verwijdering.
2.   De lidstaten bieden stimulansen voor de preventie van levensmiddelenafval, zoals de opstelling van vrijwillige overeenkomsten, het faciliteren van het doneren van voedsel of, waar relevant, financiële en fiscale maatregelen.";
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 5 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, wordt beschouwd als een bijproduct en niet als een afvalstof indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:";
1.  Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, wordt beschouwd als een bijproduct en niet als een afvalstof indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 5 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van gedetailleerde criteria betreffende de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op specifieke stoffen of voorwerpen.
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling op deze richtlijn door gedetailleerde criteria vast te stellen betreffende de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op specifieke stoffen of voorwerpen. De Commissie geeft bij de opstelling van de gedetailleerde criteria de voorkeur aan bestaande en repliceerbare praktijken van industriële symbiose.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
b bis)   Het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 bis. Indien geen criteria op het niveau van de Unie zijn vastgesteld overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde procedure, kunnen de lidstaten van geval tot geval gedetailleerde criteria vaststellen voor de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op specifieke stoffen of voorwerpen, met inbegrip van grenswaarden voor verontreinigende stoffen, indien nodig.";
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 5 – lid 3
3.  De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (*) in kennis van uit hoofde van lid 1 vastgestelde technische voorschriften, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft.
3.  De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad* in kennis van de uit hoofde van lid 2 bis vastgestelde technische voorschriften.
_______________
______________
(*) PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1.";
* Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a – punt i
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat afval dat een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afval wordt beschouwd indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat afval dat een behandeling voor recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afval wordt beschouwd indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van gedetailleerde criteria betreffende de toepassing van de in lid 1 vastgestelde voorwaarden op bepaalde afvalstoffen. Die gedetailleerde criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp.
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen op basis van het toezicht op de situatie in de lidstaten ter aanvulling op deze richtlijn door gedetailleerde criteria vast te stellen betreffende de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op specifieke afvalstoffen. Die gedetailleerde criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige gevolgen van de stof of het voorwerp voor de volksgezondheid en het milieu.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 3
3.  Afval dat overeenkomstig lid 1 niet langer als afvalstof wordt beschouwd, mag worden beschouwd als voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd of nuttig toegepast bij de berekening van de mate van verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in respectievelijk deze richtlijn en de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2006/66/EG en 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (*), indien het overeenkomstig die richtlijnen voorbereiding voor hergebruik, recycling of behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan.
3.  Afval dat overeenkomstig lid 1 niet langer afvalstof is, mag in aanmerking worden genomen bij de berekening van de mate van verwezenlijking van de doelstellingen van voorbereiding voor hergebruik, recycling of behandeling voor nuttige toepassing die zijn vastgelegd in deze richtlijn en de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2006/66/EG en 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (*), indien het overeenkomstig die richtlijnen een operatie heeft ondergaan voor respectievelijk voorbereiding voor hergebruik, recycling of behandeling voor nuttige toepassing. Het gewicht van afval dat niet langer als afvalstof wordt beschouwd, mag worden opgegeven als gerecycleerd wanneer de materialen of stoffen die niet langer afval zijn, opnieuw bewerkt werden, uitgezonderd energieterugwinning en opwerking tot materialen die zullen worden gebruikt als brandstoffen of voor opvulling.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Indien geen criteria op het niveau van de Unie zijn vastgesteld overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde procedure, kunnen de lidstaten gedetailleerde criteria vaststellen voor de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op specifiek afval, met inbegrip van grenswaarden voor verontreinigende stoffen.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   Indien dergelijke criteria evenmin op nationaal niveau zijn vastgesteld, zien de lidstaten erop toe dat afval dat een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afval wordt beschouwd, indien het voldoet aan de voorwaarden in lid 1 die per geval worden geverifieerd door de nationale bevoegde autoriteit.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.   Met het oog op samenhang in de interne markt moet de Commissie de bevoegdheid hebben om overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen aan te nemen ter aanvulling op deze richtlijn door algemene vereisten vast te stellen die de lidstaten moeten volgen wanneer zij uit hoofde van leden 3 bis en 3 ter technische voorschriften vaststellen.
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 6 – lid 4
4.  De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad in kennis van de uit hoofde van lid 1 vastgestelde technische voorschriften, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft.
4.  De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 in kennis van de uit hoofde van leden 3 bis en 3 ter vastgestelde technische voorschriften.
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 7 – lid 4
a bis)   lid 4 wordt vervangen door:
4.  De herindeling van gevaarlijke afvalstoffen als niet-gevaarlijke afvalstoffen mag niet plaatsvinden na verdunning of vermenging met het oogmerk om de oorspronkelijke concentraties van gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarde voor kenmerking als gevaarlijk te brengen.
"4. De herindeling van gevaarlijke afvalstoffen als niet-gevaarlijke afvalstoffen of een wijziging van de gevaarlijke eigenschappen mogen niet plaatsvinden na verdunning of vermenging met het oogmerk om de oorspronkelijke concentraties van gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarde voor kenmerking als gevaarlijk te brengen of voor het vaststellen van een gevaarlijke eigenschap.";
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1
-a)   in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
1.  Ter stimulering van hergebruik en de preventie, recycling en andere nuttige toepassing van afvalstoffen kunnen de lidstaten wetgevende of andere maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig producten ontwikkelt, vervaardigt, behandelt, verwerkt, verkoopt of invoert (producent van het product) een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid draagt.
"1. Ter stimulering van hergebruik en de preventie, recycling en andere nuttige toepassing van afvalstoffen nemen de lidstaten wetgevende of andere maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig producten ontwikkelt, vervaardigt, behandelt, verwerkt, verkoopt of invoert (producent van het product) een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid draagt.";
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 1 – alinea 3
Die maatregelen kunnen ook bestaan in het opzetten van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waarin de specifieke operationele en financiële verplichtingen voor producenten van producten zijn gedefinieerd.
Die maatregelen kunnen ook bestaan in het opzetten van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, die betrekking hebben op de individuele of collectieve naleving van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Deze regelingen bestaan uit een aantal regels waarin de specifieke operationele en/of financiële verplichtingen voor producenten van producten zijn gedefinieerd en waarin de verantwoordelijkheid van de producent wordt verlengd tot de fase na consumptie in de levenscyclus van een product. De lidstaten zetten dergelijke regelingen op voor in ieder geval verpakking als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 94/62/EG, elektrische en elektronische apparatuur als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2012/19/EU, batterijen en accu's als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2006/66/EG en autowrakken als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2000/53/EG.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1
a bis)   in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
2.  De lidstaten kunnen passende maatregelen nemen die stimuleren om producten zodanig te ontwerpen dat de milieueffecten en de afvalproductie zowel bij de vervaardiging als bij het latere gebruik van de producten worden verminderd, en om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing en verwijdering van producten die afval zijn geworden, geschieden overeenkomstig de artikelen 4 en 13.
"2. De lidstaten nemen passende maatregelen die producenten ertoe aanmoedigen het ontwerp van producten en bestanddelen van producten te verbeteren om de hulpbronnenefficiëntie te verhogen, de milieueffecten en de afvalproductie zowel bij de vervaardiging als bij het latere gebruik van de producten te verminderen, en om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing en verwijdering van producten die afval zijn geworden, geschieden overeenkomstig de artikelen 4 en 13.";
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 2 – alinea 2
Dergelijke maatregelen kunnen onder meer aanmoedigen tot het ontwikkelen, vervaardigen en in de handel brengen van producten die geschikt zijn voor meervoudig gebruik, technisch duurzaam zijn en, zodra afval geworden, geschikt zijn voor voorbereiding voor hergebruik en voor recycling om een juiste toepassing van de afvalhiërarchie te faciliteren. Bij de maatregelen moet rekening worden gehouden met de effecten van producten gedurende hun volledige levenscyclus.
Dergelijke maatregelen dienen ter aanmoediging van het ontwikkelen, vervaardigen en in de handel brengen van producten en materialen die geschikt zijn voor meervoudig gebruik, technisch duurzaam en eenvoudig te repareren zijn en, zodra ze afval geworden zijn en voorbereid zijn voor hergebruik of gerecycleerd, in de handel gebracht te worden om een juiste toepassing van de afvalhiërarchie te faciliteren. Bij de maatregelen wordt rekening gehouden met de effecten van producten gedurende hun volledige levenscyclus, met inbegrip van het potentieel voor meervoudige recycling, indien gepast, en de afvalhiërarchie.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw)
b bis)   Het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 bis. De lidstaten brengen uiterlijk [datum zesendertig maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn invullen] en elke drie jaar daarna de Commissie op de hoogte van de krachtens leden 1 en 2 genomen maatregelen. De Commissie maakt de ontvangen mededelingen bekend.";
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 4
b ter)   lid 4 wordt vervangen door:
4.  De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt toegepast onverminderd de verantwoordelijkheid voor afvalbeheer als bedoeld in artikel 15, lid 1, en onverminderd de bestaande specifieke wetgeving inzake afvalstromen en producten.
“4. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt toegepast onverminderd de verantwoordelijkheid voor afvalbeheer als bedoeld in artikel 15, lid 1. De bepalingen van de artikelen 8 en 8 bis laten de in andere rechtshandelingen van de Unie opgenomen bepalingen betreffende uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onverlet.";
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 – lid 5
5.  De Commissie organiseert een informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de actoren die betrokken zijn bij de regelingen voor producentenverantwoordelijkheid over de praktische uitvoering van de vereisten van artikel 8 bis en over de beste praktijken om te zorgen voor adequaat bestuur en grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dit omvat onder andere de uitwisseling van informatie over organisatorische aspecten en de monitoring van organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, de selectie van afvalbeheerders en de preventie van zwerfafval. De Commissie publiceert de resultaten van de informatie-uitwisseling.
5.  Uiterlijk [datum invullen: zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] richt de Commissie een platform op voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, het maatschappelijk middenveld, regionale en lokale autoriteiten en de actoren die betrokken zijn bij de regelingen voor producentenverantwoordelijkheid over de praktische uitvoering van de vereisten van artikel 8 bis en over de beste praktijken om te zorgen voor adequaat bestuur en grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en een soepele werking van de interne markt. Dit omvat onder andere de uitwisseling van informatie over organisatorische aspecten en de monitoring van organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, de ontwikkeling van geharmoniseerde criteria voor de financiële bijdragen zoals opgenomen in artikel 8 bis, lid 4, punt b), de selectie van afvalbeheerders en de preventie van afvalproductie en zwerfafval. De Commissie publiceert de resultaten van de informatie-uitwisseling en kan richtsnoeren aanreiken met betrekking tot relevante aspecten.
Uiterlijk [datum invullen: twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] neemt de Commissie, op basis van een studie en rekening houdend met de input van het platform, richtsnoeren aan voor de bepaling van de financiële bijdragen zoals opgenomen in artikel 8 bis, lid 4, punt b). Met het oog op samenhang in de interne markt kan de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen aannemen ter aanvulling op deze richtlijn door geharmoniseerde criteria vast te stellen die de lidstaten moeten volgen wanneer zij uit hoofde van artikel 8 bis, lid 4, punt b), financiële bijdragen vaststellen.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – titel
Algemene vereisten voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
Algemene minimumvereisten voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 1 – alinea 1
—  duidelijk de taken en verantwoordelijkheden omschrijven van de producenten van producten die goederen in de Unie in de handel brengen, de organisaties die namens hen uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toepassen, de private of publieke afvalverwerkers, de plaatselijke instanties en, waar van toepassing, de erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik;
—  duidelijk de taken en verantwoordelijkheden omschrijven van alle betrokken actoren, onder wie de producenten van producten die goederen in de Unie in de handel brengen, de organisaties die namens hen in het kader van collectieve regelingen uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toepassen, de private of publieke afvalverwerkers, de distributeurs, de regionale en plaatselijke instanties en, waar van toepassing, de hergebruik- en reparatienetwerken, de ondernemingen van de sociale economie en de erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik;
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 1 – streepje 2
—  meetbare doelstellingen voor afvalbeheer vaststellen in overeenstemming met de afvalhiërarchie, met als doel ten minste de kwantitatieve doelstellingen te bereiken die relevant zijn voor de regeling zoals vastgelegd in deze richtlijn en de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2006/66/EG en 2012/19/EU;
—  meetbare doelstellingen voor afvalvermindering en afvalbeheer vaststellen in overeenstemming met de afvalhiërarchie, met als doel ten minste de kwantitatieve doelstellingen te bereiken die relevant zijn voor de regeling zoals vastgelegd in deze richtlijn en de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2006/66/EG en 2012/19/EU;
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 1 – streepje 3
—   een verslagleggingssysteem opzetten om gegevens te verzamelen over de producten die de producenten in de Unie in de handel brengen en waarop uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is. Zodra deze producten afval worden, zorgt het verslagleggingssysteem ervoor dat gegevens worden verzameld over de inzameling en verwerking van dat afval, waar van toepassing met vermelding van de materiaalstromen;
—  een verslagleggingssysteem opzetten om betrouwbare en accurate gegevens te verzamelen over de producten die de producenten in de Unie in de handel brengen en waarop uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is. Zodra deze producten afval worden, zorgt het verslagleggingssysteem ervoor dat betrouwbare en accurate gegevens worden verzameld over de inzameling en verwerking van dat afval, waar van toepassing met vermelding van de materiaalstromen;
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 1 – streepje 4
–  zorgen voor gelijke behandeling en non-discriminatie tussen producenten van producten en ten opzichte van kleine en middelgrote ondernemingen.
–  zorgen voor gelijke behandeling en non-discriminatie tussen producenten van producten en tussen verleners van inzamelings-, vervoers- en verwerkingsdiensten en ten opzichte van kleine en middelgrote ondernemingen.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 2
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de afvalstoffenhouders op wie de overeenkomstig artikel 8, lid 1, vastgestelde regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betrekking hebben, worden geïnformeerd over de beschikbare afvalinzamelingssystemen en de preventie van zwerfafval. De lidstaten nemen tevens maatregelen om prikkels voor de afvalhouders te creëren om deel te nemen aan de bestaande systemen voor gescheiden inzameling, met name economische prikkels of regelgeving, waar passend.
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de afvalstoffenhouders op wie de overeenkomstig artikel 8, lid 1, vastgestelde regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betrekking hebben, worden geïnformeerd over de beschikbare terugnamesystemen, hergebruiks- en reparatienetwerken, erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik, afvalinzamelingssystemen en de preventie van zwerfafval. De lidstaten nemen tevens maatregelen om prikkels voor de afvalhouders te creëren zodat zij hun verantwoordelijkheid nemen om hun afval af te leveren bij de bestaande systemen voor gescheiden inzameling, met name economische prikkels of regelgeving, waar passend.
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 3 – letter a
a)  een duidelijk omschreven geografisch gebied, product en materiaal bestrijkt;
a)  een duidelijk omschreven geografisch gebied, product en materiaal bestrijkt, op basis van het afzetgebied en zonder dit gebied te beperken tot de gebieden waar de inzameling en het beheer van afval winstgevend is;
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 3 – letter b
b)  over de nodige operationele en financiële middelen beschikt om aan haar verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te voldoen;
b)  over de nodige operationele en/of financiële middelen beschikt om aan haar verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te voldoen;
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 3 – letter d – streepje 2
—  de financiële bijdragen van de producenten;
—   in het kader van de collectieve regelingen, de door de producenten betaalde financiële bijdragen per verkochte eenheid of per ton in de handel gebracht product;
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 3 – letter d – streepje 3
—  de selectieprocedure voor afvalbeheerders.
—  in het kader van de collectieve regelingen, de selectieprocedure voor afvalbeheerders;
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 3 – letter d – streepje 3 bis (nieuw)
—   de verwezenlijking van de onder het tweede streepje van lid 1 bedoelde doelstellingen voor afvalvermindering en afvalbeheer.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 4 – letter a – inleidende formule en streepje 1
a)  alle kosten van afvalbeheer dekken voor de producten die hij in de Unie in de handel brengt, met inbegrip van:
a)  alle volgende kosten van afvalbeheer dekken voor de producten die hij in de Unie in de handel brengt:
–  de kosten van de gescheiden inzameling, sortering en verwerking die nodig zijn om te voldoen aan de doelstellingen voor afvalbeheer als bedoeld in lid 1, tweede streepje, rekening houdend met de inkomsten uit het hergebruik of de verkoop van secundaire grondstoffen van hun producten;
–  de kosten van de gescheiden inzameling, sortering, het vervoer en verwerking die nodig zijn om een behoorlijk beheer van afval te garanderen, rekening houdend met de inkomsten uit het hergebruik of de verkoop van secundaire grondstoffen van hun producten;
Amendement 140
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 4 – letter b
b)  worden gedifferentieerd op basis van de werkelijke kosten aan het einde van de levensduur van afzonderlijke afgedankte producten of groepen van soortgelijke producten, met name door rekening te houden met herbruikbaarheid en recycleerbaarheid;
b)  in het kader van collectieve regelingen, worden gedifferentieerd op basis van de werkelijke kosten aan het einde van de levensduur van afzonderlijke afgedankte producten of groepen van soortgelijke producten, met name door rekening te houden met duurzaamheid, repareerbaarheid, herbruikbaarheid en recycleerbaarheid en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waarbij wordt uitgegaan van de gehele levenscyclus, in afstemming met de in het relevante Unierecht opgenomen vereisten, en, wanneer beschikbaar, op basis van geharmoniseerde criteria om ervoor te zorgen dat de interne markt goed functioneert;
Amendement 141
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 4 – letter c
c)  zijn gebaseerd op de geoptimaliseerde kosten van de geleverde diensten in gevallen waarin publieke afvalbeheerders verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van operationele taken uit hoofde van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
c)  zijn gebaseerd op de geoptimaliseerde kosten van de geleverde diensten in gevallen waarin publieke afvalbeheerders verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van operationele taken uit hoofde van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De geoptimaliseerde kosten van de dienst zijn transparant en geven de kosten weer die publieke afvalbeheerders moeten maken bij de uitvoering van operationele taken uit hoofde van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 5 – alinea 1
De lidstaten stellen een passend kader vast voor de monitoring en handhaving om te waarborgen dat de producenten van producten aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voldoen, dat de financiële middelen correct worden gebruikt en dat alle actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van de regeling betrouwbare gegevens rapporteren.
De lidstaten stellen een passend kader vast voor de monitoring en handhaving om te waarborgen dat de producenten van producten aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voldoen, ook in geval van verkoop op afstand, dat de financiële middelen correct worden gebruikt en dat alle actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van de regeling betrouwbare gegevens rapporteren.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 5 – alinea 2
Indien in een lidstaat meerdere organisaties de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid namens de producenten uitvoeren, stelt de lidstaat een onafhankelijke instantie in die toezicht houdt op de uitvoering van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
De lidstaten richten een onafhankelijke autoriteit op of wijzen één aan die toezicht houdt op de uitvoering van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en in het bijzonder verifieert of de organisaties voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voldoen aan de vereisten als vastgelegd in deze richtlijn.
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 8 bis – lid 6
6.  De lidstaten creëren een platform voor een regelmatige dialoog tussen de belanghebbenden die betrokken zijn bij de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, waaronder private of publieke afvalverwerkers, lokale instanties en, waar van toepassing, erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik."
6.  De lidstaten creëren een platform of wijzen één aan voor een regelmatige dialoog tussen alle belanghebbenden die betrokken zijn bij de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, waaronder producenten en distributeurs, private of publieke afvalverwerkers, actoren van de sociale economie, lokale instanties, het maatschappelijk middenveld en, waar van toepassing, hergebruiks- en reparatienetwerken en erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid -1 (nieuw)
-1.   Teneinde bij te dragen tot de preventie van afval beogen de lidstaten ten minste de volgende doelstellingen te halen:
a)   een aanzienlijke vermindering van de afvalproductie;
b)   ontkoppeling van de afvalproductie van de economische groei;
c)   een progressieve vervanging van zeer zorgwekkende stoffen, zoals gedefinieerd in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006, als er geschikte alternatieve stoffen of technologieën zijn die economisch en technisch levensvatbaar zijn;
d)   een vermindering van levensmiddelenafval in de Unie met 30 % tegen 2025 en met 50 % tegen 2030, in vergelijking met het niveau van 2014;
e)   een vermindering van zwerfvuil op zee in de Unie met 30 % tegen 2025 en met 50 % tegen 2030, in vergelijking met het niveau van 2014.
Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 1
1.  De lidstaten nemen maatregelen om afvalproductie te voorkomen. Deze maatregelen:
1.  Om de doelstellingen in lid -1 te bereiken nemen de lidstaten ten minste de volgende maatregelen:
–  moedigen het gebruik van producten aan die hulpbronnenefficiënt, duurzaam, herstelbaar en recycleerbaar zijn;
–  bevorderen en ondersteunen duurzame productie- en consumptiemodellen en het gebruik van producten die hulpbronnenefficiënt, duurzaam, herbruikbaar, herstelbaar en recycleerbaar zijn en gemakkelijk gedeeld kunnen worden;
—  ontmoedigen het in de handel brengen van producten met geplande veroudering;
—  brengen de producten in kaart die de voornaamste bronnen zijn van grondstoffen die belangrijk zijn voor de economie van de Unie en waarvan de levering gepaard gaat met een hoog risico en richten zich op deze producten, teneinde te voorkomen dat die materialen afval worden;
—  brengen de producten in kaart die de voornaamste bronnen zijn van grondstoffen die belangrijk zijn voor de economie van de Unie en waarvan de levering gepaard gaat met een hoog risico en richten zich op deze producten, teneinde te voorkomen dat die materialen afval worden;
–  moedigen de invoering van systemen aan die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik stimuleren, met name voor elektrische en elektronische apparatuur, textiel en meubelen;
–   moedigen de verlenging van de levensduur van producten aan en steunen de invoering van systemen die activiteiten op het gebied van reparatie, hergebruik, herfabricage en herstel van producten, als bedoeld in artikel 9 bis, stimuleren;
–  verminderen de afvalproductie in processen in verband met de industriële productie, de winning van mineralen en bouw- en sloopwerkzaamheden, rekening houdend met de beste beschikbare technieken;
–  verminderen de afvalproductie in processen in verband met de industriële productie, verwerking, winning van mineralen, bouw- en sloopwerkzaamheden, met inbegrip van door middel van afvalverwerkingsbeoordelingen voorafgaand aan sloop ("pre-demolition audits"), en in processen in verband met handel en diensten, rekening houdend met de beste beschikbare technieken en praktijken;
–  verminderen de productie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, in de catering en in huishoudens.
–  verminderen de totale productie van levensmiddelenafval;
—   verminderen voedselverlies in de gehele toeleveringsketen, met inbegrip van de primaire productie, vervoer en opslag;
–   zwerfafval voorkomen door vast te stellen welke producten de belangrijkste bronnen van zwerfafval in het milieu, met inbegrip van het mariene milieu, vormen en verminderen de hoeveelheid zwerfafval afkomstig uit deze bronnen;
—   zorgen voor communicatie over zeer zorgwekkende stoffen van de toeleveringsketen tot consumenten en afvalbehandelingsoperatoren;
–   ontwikkelen en steunen voorlichtingscampagnes om de bewustwording inzake afvalpreventie en zwerfafval te bevorderen.
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 2
2.  De lidstaten bewaken en evalueren de uitvoering van de afvalpreventiemaatregelen. Daartoe maken zij gebruik van passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en doelstellingen, met name voor de hoeveelheid stedelijk afval per hoofd van de bevolking die wordt verwijderd of energieterugwinning ondergaat.
2.  De lidstaten bewaken en evalueren de uitvoering van de afvalpreventiemaatregelen. Daartoe maken zij gebruik van passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en doelstellingen, met name voor de hoeveelheid geproduceerd stedelijk afval per hoofd van de bevolking en de hoeveelheid stedelijk afval die wordt verwijderd of energieterugwinning ondergaat.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling op deze richtlijn door indicatoren vast te stellen om de voortgang met de vermindering van de afvalproductie en met de uitvoering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde afvalpreventiemaatregelen te meten. Die gedelegeerde handelingen worden binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn vastgesteld.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 3
3.  De lidstaten bewaken en evalueren de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van levensmiddelenafval door het levensmiddelenafval te meten aan de hand van methoden die zijn vastgesteld in overeenstemming met lid 4.
3.  De lidstaten bewaken en evalueren de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van levensmiddelenafval door de niveaus van levensmiddelenafval te meten aan de hand van een gemeenschappelijke methode. Uiterlijk 31 december 2017 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling op deze richtlijn om de methode vast te stellen, met inbegrip van minimale kwaliteitseisen, voor een uniforme meting van de niveaus van levensmiddelenafval. Deze methode houdt rekening met de preventiemaatregelen die zijn genomen via schenkingen of andere methoden om ervoor te zorgen dat levensmiddelen geen afval worden.
Amendement 236
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Uiterlijk 31 december 2020 onderzoekt de Commissie de mogelijkheid van het vaststellen van bindende doelstellingen voor de vermindering van levensmiddelenafval voor de hele Unie, te behalen in 2025 en 2030, op basis van metingen berekend aan de hand van de overeenkomstig lid 3 vastgestelde gemeenschappelijke methode. Hiertoe stelt de Commissie een verslag op, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt toegezonden.
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   De lidstaten bewaken en evalueren de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van zwerfvuil op zee afkomstig van het land door de niveaus van dit zwerfvuil te meten aan de hand van een gemeenschappelijke methode. Uiterlijk 31 december 2017 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis een gedelegeerde handeling vast teneinde de methode vast te stellen, met inbegrip van minimum kwaliteitseisen, voor een uniforme meting van de niveaus van zwerfvuil op zee afkomstig van het land.
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.   Uiterlijk 31 december 2018 onderzoekt de Commissie de mogelijkheid van het vaststellen van afvalpreventiedoelstellingen voor de hele Unie, te behalen in 2025 en 2030, op basis van een gemeenschappelijke indicator, berekend aan de hand van de totale hoeveelheid per hoofd van de bevolking geproduceerd stedelijk afval. Hiertoe stelt de Commissie een verslag op, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt toegezonden.
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 4
4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen teneinde indicatoren vast te stellen om de algehele voortgang met de uitvoering van de afvalpreventiemaatregelen te meten. Met het oog op een uniforme meting van de niveaus van levensmiddelenafval stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast ter vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie, met inbegrip van minimale kwaliteitseisen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 – lid 5
5.   Elk jaar publiceert het Europees Milieuagentschap een verslag over de ontwikkelingen op het gebied van de preventie van afvalproductie voor elke lidstaat en voor de gehele Unie, waarin onder andere wordt ingegaan op de ontkoppeling van de afvalproductie van de economische groei en op de overgang naar een circulaire economie.
Schrappen
Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 bis (nieuw)
9 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 9 bis
Hergebruik
1.   De lidstaten steunen de invoering van systemen ter bevordering van activiteiten op het vlak van hergebruik en verlenging van de levensduur van producten, op voorwaarde dat de kwaliteit en veiligheid van producten niet op het spel worden gezet.
2.   De lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van het hergebruik van producten, in het bijzonder producten die aanzienlijke hoeveelheden kritieke grondstoffen bevatten. Bij deze maatregelen kan het gaan om het stimuleren van het opzetten en ondersteunen van erkende hergebruiksnetwerken, statiegeldregelingen en statiegeld- en hervulsystemen en het stimuleren van herfabricage, revisie en herbestemming van producten.
De lidstaten maken gebruik van economische instrumenten en maatregelen en mogen kwantitatieve doelstellingen vastleggen.
3.   De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik toegang hebben tot gebruikershandleidingen, reserve-onderdelen, technische informatie, of elk ander instrument of elke andere apparatuur of software noodzakelijk voor het hergebruik van producten, zonder afbreuk te doen aan intellectuele-eigendomsrechten.";
Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 9 ter (nieuw)
9 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 9 ter
Deelplatforms
1.  De Commissie bevordert het bedrijfsmodel van deelplatforms actief. De Commissie zorgt voor een nauwe samenhang tussen deze platforms en de nieuwe richtsnoeren voor de deeleconomie en verkent alle mogelijke maatregelen voor het bieden van stimulansen voor dergelijke platforms, met inbegrip van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, overheidsopdrachten en ecologisch ontwerp.
2.  De lidstaten ondersteunen de invoering van systemen ter bevordering van deelplatforms in alle sectoren.";
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 10 – lid 2
9 quater)   Artikel 10, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Met het oog op de naleving van het bepaalde in lid 1 en om nuttige toepassing te faciliteren of te verbeteren, worden afvalstoffen gescheiden ingezameld indien zulks uitvoerbaar is op technisch, milieu- en economisch gebied, en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen hebben.
"2. Met het oog op de naleving van het bepaalde in lid 1 en om nuttige toepassing te faciliteren of te verbeteren, worden afvalstoffen gescheiden ingezameld en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen hebben.
Bij wijze van uitzondering op de eerste alinea, mogen de lidstaten dunbevolkte gebieden uitsluiten waarvan werd aangetoond dat gescheiden inzameling er over het geheel genomen niet tot het beste milieuresultaat zou leiden, met inachtneming van het levenscyclusdenken.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun voornemen om gebruik te maken van deze uitzondering. De Commissie onderzoekt de kennisgeving en beoordeelt of de uitzondering gerechtvaardigd is, rekening houdend met de doelstellingen van deze richtlijn. Als de Commissie binnen 9 maanden geen bezwaar heeft gemaakt tegen de kennisgeving, wordt de uitzondering geacht te zijn aanvaard. Als de Commissie bezwaar aantekent, zal zij een besluit vaststellen en de lidstaat hiervan op de hoogte brengen.";
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
9 quinquies)   Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat afval dat gescheiden is ingezameld overeenkomstig artikel 11, lid 1, of artikel 22, niet wordt aanvaard door een afvalverbrandingsinstallatie met uitzondering van restafval afkomstig van de sortering van dat afval.";
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 sexies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 10 – lid 2 ter (nieuw)
9 sexies)   Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 ter. De lidstaten nemen waar passend de nodige maatregelen om gevaarlijk afval te saneren alvorens nuttige toepassing plaatsvindt.";
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – titel
-a)   de titel wordt vervangen door:
Hergebruik en recycling
"Voorbereiding voor hergebruik en recycling"
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
1.  De lidstaten nemen passende maatregelen ter bevordering van activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, met name door het aanmoedigen van het opzetten en ondersteunen van hergebruiks- en reparatienetwerken, het vergemakkelijken van de toegang van deze netwerken tot afvalinzamelpunten, en het stimuleren van de toepassing van economische instrumenten, aanbestedingscriteria, kwantitatieve doelstellingen of andere maatregelen.
1.  De lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, onder meer door het faciliteren van het oprichten en erkennen van exploitatiebedrijven en -netwerken voor voorbereiding voor hergebruik, in het bijzonder diegene die als sociale ondernemingen actief zijn, het vergemakkelijken van de toegang van deze erkende exploitatiebedrijven en -netwerken tot afvalinzamelpunten alsook het stimuleren van de toepassing van economische instrumenten, aanbestedingscriteria, kwantitatieve doelstellingen of andere maatregelen.
Amendement 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2
De lidstaten nemen maatregelen om recycling van hoge kwaliteit te bevorderen en voeren hiertoe gescheiden afvalinzameling in waar dat technisch, milieuhygiënisch en economisch haalbaar is en geschikt om aan de noodzakelijke kwaliteitsnormen voor de desbetreffende recyclingsectoren te voldoen en de in lid 2 beschreven doelstellingen te behalen.";
De lidstaten nemen maatregelen om recycling van hoge kwaliteit te bevorderen en voeren hiertoe gescheiden afvalinzameling in, zoals vermeld in artikel 10, lid 2, om aan de noodzakelijke kwaliteitsnormen voor de desbetreffende recyclingsectoren te voldoen.
Amendement 162
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
a bis)   in lid 1 wordt de volgende alinea ingevoegd:
"De lidstaten maken gebruik van regelgevings- en economische instrumenten om prikkels te bieden voor de toepassing van secundaire grondstoffen.";
Amendement 164
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 3
a ter)   in lid 1 wordt de derde alinea vervangen door:
"Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 2, wordt tegen 2015 een gescheiden inzameling ingevoerd voor ten minste het volgende: papier, metaal, kunststof en glas."
"Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 2, wordt tegen 2015 een gescheiden inzameling ingevoerd voor ten minste het volgende: papier, metaal, kunststof en glas. Daarnaast voeren de lidstaten verplichte gescheiden inzameling van textiel in tegen 2020.";
Amendement 165
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 4
De lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van sorteersystemen voor bouw- en sloopafval en voor ten minste het volgende: hout, granulaten, metaal, glas, en pleister.
De lidstaten nemen maatregelen om te zorgen voor de sortering van bouw- en sloopafval voor ten minste het volgende: hout, minerale bestanddelen (beton, bakstenen, tegels en keramische producten), metaal, plastic, gips, glas, en pleister. De lidstaten mogen gebruik maken van maatregelen die zijn opgenomen in bijlage IV bis.
De lidstaten moedigen het uitvoeren van controles voorafgaand aan de sloop aan om de aanwezigheid van verontreinigde stoffen of andere ongewenste materialen in bouw- en sloopafval tot een minimum te beperken en zo bij te dragen tot recycling van hoge kwaliteit.
Amendement 166
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 1 – alinea 4 bis (nieuw)
b bis)   In lid 1 wordt de volgende alinea ingevoegd:
"De lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van sorteersystemen voor commercieel en industrieel afval voor ten minste het volgende: metaal, plastic, papier en karton, bioafval, glas en hout.";
Amendement 167
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 2 – inleidende formule
b ter)   het inleidende zinsdeel van lid 2 wordt vervangen door:
Om de in deze richtlijn gestelde doelstellingen te bereiken en zich te ontwikkelen in de richting van een Europese recyclingmaatschappij met een hoge grondstoffenefficiëntie, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende doelstellingen worden gehaald:
Om de in deze richtlijn gestelde doelstellingen te bereiken en zich te ontwikkelen in de richting van een Europese circulaire economie met een hoge grondstoffenefficiëntie, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende doelstellingen worden gehaald:";
Amendement 168
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter d
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 2 – letter c
c)  tegen 2025 wordt de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval verhoogd tot minimaal 60 gewichtsprocent;
c)  tegen 2025 wordt de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval verhoogd tot minimaal 60 gewichtsprocent van het geproduceerde stedelijk afval, waarvan ten minste 3 % van het totale stedelijk afval moet worden voorbereid voor hergebruik;
Amendement 169
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter d
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 2 – letter d
d)  tegen 2030 wordt de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval verhoogd tot minimaal 65 gewichtsprocent.";
d)  tegen 2030 wordt de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval verhoogd tot minimaal 70 gewichtsprocent van het geproduceerde stedelijk afval, waarvan ten minste 5 % van het totale stedelijk afval moet worden voorbereid voor hergebruik;
Amendement 170
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1
3.  Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Malta, Roemenië en Slowakije kunnen vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 2, onder c) en d) bedoelde doelstellingen. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de desbetreffende termijnen die zijn vastgelegd in lid 2, onder c) en d), in kennis van zijn voornemen om van deze bepaling gebruik te maken. In het geval van een verlenging neemt de lidstaat de nodige maatregelen om de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval tegen respectievelijk 2025 en 2030 te verhogen tot minimaal 50 en 60 gewichtsprocent.
3.  Een lidstaat kan om vijf jaar extra verzoeken voor de verwezenlijking van de in lid 2, onder c), bedoelde doelstelling als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)   zij voorbereidden voor hergebruik of recycleerden in 2013 minder dan 20 % van hun stedelijk afval; en
b)   zij staan niet op de lijst van lidstaten die het risico lopen de in artikel 11 ter, lid 2, onder b), vastgestelde doelstelling van minstens 50 % van hun stedelijk afval voor te bereiden voor hergebruik of te recyclen tegen 2025, niet te halen.
De lidstaat dient bij de Commissie een verzoek in om deze verlenging aan te vragen uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de termijn die is vastgelegd in lid 2, onder c), maar niet vóór de publicatie van het in artikel 11 ter vermelde verslag over de verwezenlijking van de in dit lid vastgestelde doelstelling.
Amendement 171
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 3 – alinea 2
De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.
Het verzoek om verlenging gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan wordt opgesteld op basis van een evaluatie van de bestaande afvalbeheerplannen en omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.
Ook voldoet het in de derde alinea bedoelde plan ten minste aan de volgende criteria:
a)   het gebruikt passende economische instrumenten om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn;
b)   het geeft blijk van een efficiënt en doeltreffend gebruik van de structuurfondsen en het Cohesiefonds en andere maatregelen door aantoonbare langetermijninvesteringen ter financiering van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is om de relevante doelen te behalen;
c)   het verstrekt statistieken van hoge kwaliteit en genereert duidelijke vooruitzichten van de afvalverwerkingscapaciteiten en de afstand tot de doelstellingen die zijn vermeld in artikel 11, lid 2, van deze richtlijn, artikel 6, lid 1, van Richtlijn 94/62/EG en artikel 5, leden 2 bis, 2 ter en 2 quater, van Richtlijn 1999/31/EG;
d)   het bevat afvalpreventieprogramma's als bedoeld in artikel 29 van deze richtlijn.
De Commissie beoordeelt of aan de vereisten wordt voldaan die in de vierde alinea, onder a) tot en met d), zijn vastgesteld. Tenzij de Commissie binnen vijf maanden na de datum van ontvangst bezwaar aantekent tegen het ingediende plan, wordt het verzoek tot verlenging geacht te zijn aanvaard.
Indien de Commissie bezwaar aantekent tegen het gepresenteerde plan, eist zij dat de betrokken lidstaat binnen twee maanden na ontvangst van deze bezwaren een herzien plan indient.
De Commissie beoordeelt het herziene plan binnen twee maanden na de ontvangst ervan en aanvaardt of verwerpt het verzoek om verlenging schriftelijk. Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, wordt het verzoek om verlenging geacht te zijn aanvaard.
De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement binnen twee maanden nadat de besluiten genomen zijn in kennis van deze besluiten.
Als de in de eerste alinea vermelde verlenging wordt toegekend, maar de lidstaat niet minstens 50 % van zijn stedelijk afval heeft voorbereid voor hergebruik of heeft gerecycleerd tegen 2025, wordt bovengenoemde verlenging geacht automatisch te zijn ingetrokken.
Amendement 172
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Een lidstaat kan om vijf jaar extra verzoeken voor de verwezenlijking van de in lid 2, onder d), bedoelde doelstelling als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)   de lidstaat voldoet aan de voorwaarden in de punten a) en b) van de eerste alinea van lid 3; en
b)   de lidstaat staat niet op de lijst van lidstaten die het risico lopen de in artikel 11 ter, lid 2, onder b), vastgestelde doelstelling van minstens 60% van hun stedelijk afval voor te bereiden voor hergebruik of te recyclen tegen 2030, niet te halen.
Om de in de eerste alinea van dit artikel vermelde verlenging te krijgen dient de lidstaat bij de Commissie een verzoek in overeenkomstig lid 3 van dit artikel uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de termijn die is vastgelegd in lid 2, onder d), maar niet vóór de publicatie van het in artikel 11 ter vermelde verslag over de verwezenlijking van de in dit lid vastgestelde doelstelling.
Als dergelijke verlenging wordt toegekend, maar de lidstaat niet minstens 60 % van zijn stedelijk afval heeft voorbereid voor hergebruik of heeft gerecycleerd tegen 2030, wordt bovengenoemde verlenging geacht automatisch te zijn ingetrokken.
Amendement 173
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 4
4.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 2, onder d), vastgelegde doelstelling opnieuw om deze zo nodig te verhogen en de vaststelling van doelen voor andere afvalstromen te overwegen. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.
4.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 2, onder d), vastgelegde doelstelling opnieuw om deze zo nodig te verhogen en neemt hierbij de beste praktijken en maatregelen van lidstaten om deze doelstelling te behalen in overweging Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.
Amendement 174
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De Commissie onderzoekt de mogelijkheid van het vaststellen van doelstellingen voor recycling en voorbereiding voor hergebruik van commercieel afval, niet-gevaarlijk industrieel afval en andere afvalstromen, die in 2025 en 2030 behaald moeten worden. Hiertoe stelt de Commissie uiterlijk 31 december 2018 een verslag op, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt toegezonden.
Amendement 175
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter e
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.   De Commissie onderzoekt de mogelijkheid van het vaststellen van doelstellingen voor recycling en voorbereiding voor hergebruik van bouw- en sloopafval, die in 2025 en 2030 behaald moeten worden. Hiertoe stelt de Commissie uiterlijk 31 december 2018 een verslag op, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt toegezonden.
Amendement 176
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 1
1.  Bij het berekenen of de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, bedoelde doelstellingen zijn bereikt:
1.  Bij het berekenen of de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, bedoelde doelstellingen zijn bereikt:
a)  wordt onder het gewicht van gerecycleerd stedelijk afval verstaan: het gewicht van het afval dat is ingebracht in het eindproces van recycling;
a)  wordt het gewicht van gerecycleerd stedelijk afval berekend als het gewicht van het afval dat is ingebracht in een eindproces van recycling in een bepaald jaar;
b)  wordt onder het gewicht van stedelijk afval dat wordt voorbereid voor hergebruik verstaan: het gewicht van stedelijk afval dat nuttig is toegepast of is ingezameld door een erkende exploitant van een installatie voor voorbereiding voor hergebruik en de nodige controles, schoonmaak en reparaties heeft ondergaan om zonder verdere sortering of voorbehandeling te kunnen worden hergebruikt;
b)  wordt het gewicht van stedelijk afval dat wordt voorbereid voor hergebruik berekend als het gewicht van stedelijk afval dat in een bepaald jaar nuttig is toegepast of is ingezameld door een erkende exploitant van een installatie voor voorbereiding voor hergebruik en de nodige controles, schoonmaak en reparaties heeft ondergaan om zonder verdere sortering of voorbehandeling te kunnen worden hergebruikt;
c)   de lidstaten kunnen producten en componenten meerekenen die zijn voorbereid voor hergebruik door erkende exploitanten van installaties voor hergebruik of erkende statiegeldregelingen. Om het aangepaste percentage stedelijk afval dat wordt voorbereid voor hergebruik en wordt gerecycleerd te berekenen, maken de lidstaten, rekening houdend met het gewicht van de voor hergebruik voorbereide producten en componenten, gebruik van geverifieerde gegevens van de exploitanten en passen zij de in bijlage VI opgenomen formule toe.
Amendement 177
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Uiterlijk 31 december 2018 verzoekt de Commissie de Europese normalisatie-instellingen om op basis van de beste beschikbare werkwijzen Europese kwaliteitsnormen te ontwikkelen voor afvalstoffen die in het eindproces van recycling belanden en voor secundaire grondstoffen, met name kunststoffen.
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 2
2.  Om geharmoniseerde voorwaarden voor de toepassing van lid 1, onder b) en c), en van bijlage VI te waarborgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast tot nadere bepaling van kwalitatieve en operationele minimumvereisten voor de bepaling van erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik en erkende statiegeldregelingen, met inbegrip van specifieke voorschriften voor het verzamelen, verifiëren en rapporteren van gegevens.
2.  Om geharmoniseerde voorwaarden voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), en van bijlage VI te waarborgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast tot nadere bepaling van kwalitatieve en operationele minimumvereisten voor de bepaling van erkende exploitanten van installaties voor voorbereiding voor hergebruik en erkende statiegeldregelingen en recycling-eindbedrijven, met inbegrip van specifieke voorschriften voor het verzamelen, traceren, verifiëren en rapporteren van gegevens.
Amendement 179
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 3
3.  In afwijking van lid 1 mag het gewicht van de output van de sortering worden vermeld als het gewicht van het gerecycleerde stedelijk afval, op voorwaarde dat:
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat gegevens over het gewicht van producten en materialen die de installatie voor nuttige toepassing of recycling/voorbereiding voor hergebruik verlaten (d.i. output) worden geregistreerd.
a)   dergelijke output wordt ingebracht in een eindproces van recycling;
b)   het gewicht van materialen of stoffen die geen eindproces van recycling ondergaan en die worden verwijderd of energieterugwinning ondergaan, onder 10 % blijft van het totale gewicht dat wordt vermeld als gerecycleerd.
Amendement 180
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 4
4.  De lidstaten zetten een doeltreffend systeem op voor de kwaliteitscontrole en traceerbaarheid van stedelijk afval om te waarborgen dat aan de voorwaarden van lid 3, onder a) en b) wordt voldaan. Het systeem kan bestaan uit elektronische registers die zijn opgezet krachtens artikel 35, lid 4, technische specificaties voor de kwaliteitseisen voor gesorteerd afval of een gelijkwaardige maatregel om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verzamelde gegevens over gerecycleerd afval te verzekeren.
4.  In overeenstemming met lid 2 zetten de lidstaten een doeltreffend systeem op voor de kwaliteitscontrole en traceerbaarheid van stedelijk afval om naleving van de in lid 1 vastgestelde regels te waarborgen. Het systeem kan bestaan uit elektronische registers die zijn opgezet krachtens artikel 35, lid 4, technische specificaties voor de kwaliteitseisen voor gesorteerd afval of een gelijkwaardige maatregel om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verzamelde gegevens over gerecycleerd afval te verzekeren. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de gekozen methode voor kwaliteitscontrole en traceerbaarheid.
Amendement 181
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 5
5.  Bij het berekenen of de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, bedoelde doelstellingen zijn bereikt, kunnen de lidstaten rekening houden met de recycling van metalen die plaatsvindt in samenhang met de verbranding in verhouding tot het aandeel stedelijk afval dat wordt verbrand, mits de gerecycleerde metalen voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen.
5.  Bij het berekenen of de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, bedoelde doelstellingen zijn bereikt, kunnen de lidstaten, na vaststelling door de Commissie van de in lid 6 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling, rekening houden met de recycling van metalen die plaatsvindt in samenhang met de verbranding of meeverbranding in verhouding tot het aandeel stedelijk afval dat wordt verbrand of meeverbrand, mits de gerecycleerde metalen voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen en het afval voorafgaand aan de verbranding gesorteerd is of is voldaan aan de verplichting tot gescheiden inzameling van papier, metaal, kunststoffen, glas en biologisch afval.
Amendement 182
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 bis – lid 6
6.  Om geharmoniseerde voorwaarden voor de toepassing van lid 5 te waarborgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast tot nadere bepaling van een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van het gewicht van de metalen die zijn gerecycleerd in samenhang met verbranding, met inbegrip van de kwaliteitscriteria voor de gerecycleerde metalen.
6.  Om geharmoniseerde voorwaarden voor de toepassing van lid 5 te waarborgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast tot nadere bepaling van een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van het gewicht van de metalen die zijn gerecycleerd in samenhang met verbranding of meeverbranding, met inbegrip van de kwaliteitscriteria voor de gerecycleerde metalen.
Amendement 183
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 ter – lid 1
1.  De Commissie stelt in samenwerking met het Europees Milieuagentschap uiterlijk drie jaar vóór elk van de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, vastgestelde termijnen verslagen op over de voortgang in de richting van de in die bepalingen vastgelegde doelstellingen.
1.  De Commissie stelt in samenwerking met het Europees Milieuagentschap uiterlijk drie jaar vóór elk van de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, leden 3, en 3 bis, en artikel 21, lid 1 bis, vastgestelde termijnen verslagen op over de voortgang in de richting van de in die bepalingen vastgelegde doelstellingen.
Amendement 184
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 ter – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)   voorbeelden van beste praktijken die in de hele Unie worden toegepast en die kunnen dienen als leidraad om vooruitgang te boeken met de verwezenlijking van de doelstellingen.
Amendement 185
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 11 ter – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Waar nodig wordt in de in lid 1 bedoelde verslagen ingegaan op de tenuitvoerlegging van andere vereisten van deze richtlijn, zoals de raming van de verwezenlijking van de doelstellingen in de afvalpreventieprogramma's als bedoeld in artikel 29 en het percentage en de hoeveelheid stedelijk afval per hoofd van de bevolking die wordt verwijderd of die energiewinning ondergaat.
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 12 – lid 1 bis (nieuw)
12 bis)   Aan artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 bis. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid verwijderd stedelijk afval tegen 2030 tot maximaal 10 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.";
Amendement 187
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 12 – lid 1 ter (nieuw)
12 ter)   Aan artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 ter. De Commissie herziet de in bijlage I vermelde verwijderingshandelingen. Met het oog op deze herziening neemt de Commissie ter aanvulling op deze richtlijn gedelegeerde handelingen aan met daarin technische criteria en operationele procedures met betrekking tot de verwijderingshandelingen D2, D3, D4, D6, D7 en D12. Indien gepast, wordt in deze gedelegeerde handelingen een verbod ingevoerd op de verwijderingshandelingen die niet voldoen aan de in artikel 13 bedoelde vereisten.";
Amendement 188
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 12 – lid 1 quater (nieuw)
12 quater)   Aan artikel 12 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"1 quater. De lidstaten nemen gerichte maatregelen om de lozing van afvalstoffen in het mariene milieu, zowel direct als indirect, te voorkomen. De lidstaten brengen uiterlijk achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn en daarna om de twee jaar verslag uit bij de Commissie over de maatregelen die overeenkomstig dit lid zijn genomen. De Commissie publiceert om de twee jaar een verslag op basis van deze informatie, binnen een termijn van zes maanden nadat de informatie verstrekt werd.
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast teneinde modaliteiten en indicatoren voor de tenuitvoerlegging van dit lid te bepalen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.";
Amendement 189
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 15 – lid 4 bis (nieuw)
12 quinquies)   Aan artikel 15 wordt het volgende lid toegevoegd:
"4 bis. Krachtens Richtlijn 2014/24/EU kunnen de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de selectieprocedure voor afvalbeheerders, die wordt uitgevoerd door lokale autoriteiten en organisaties die namens producenten van producten uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toepassen, sociale clausules bevat die gericht zijn op de ondersteuning van de rol van sociale en solidaire ondernemingen en platforms.";
Amendement 190
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 sexies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 18 – lid 3
12 sexies)   Artikel 18, lid 3, wordt vervangen door:
3.  Indien gevaarlijke afvalstoffen in strijd met lid 1 gemengd zijn zal, afhankelijk van technische en economische haalbaarheidscriteria, een scheiding moeten worden uitgevoerd waar dat mogelijk is en voor de naleving van artikel 13 nodig is.
"3. Indien gevaarlijke afvalstoffen in strijd met lid 1 gemengd zijn, zorgen de lidstaten, onverminderd artikel 36, ervoor dat een scheiding wordt uitgevoerd waar dat technisch haalbaar is.
Wanneer deze scheiding niet technisch haalbaar is, zal het gemengde afval verwerkt worden in een installatie die een vergunning heeft om een dergelijk mengsel en de individuele componenten ervan te verwerken.";
Amendement 191
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 septies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 20 – lid 1 bis (nieuw)
12 septies)   In lid 20 wordt het volgende lid ingevoegd:
"Uiterlijk 1 januari 2020 voeren de lidstaten systemen in voor de gescheiden inzameling en ontvangst van gevaarlijk huishoudelijk afval, om te waarborgen dat dit afval op correcte wijze wordt verwerkt en andere stedelijke afvalstromen niet kan vervuilen.";
Amendement 192
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 octies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 20 – lid 1 ter (nieuw)
12 octies)   In artikel 20 wordt het volgende lid ingevoegd:
"Uiterlijk … [achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie richtsnoeren op om de lidstaten bij te staan en te faciliteren bij de inzameling en het veilige beheer van gevaarlijk huishoudelijk afval.";
Amendement 193
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 nonies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 21 – lid 1 – letter a
12 nonies)   In artikel 21, lid 1, wordt letter a) vervangen door:
a)  afgewerkte olie gescheiden wordt ingezameld, indien technisch haalbaar;
"a) afgewerkte olie gescheiden wordt ingezameld;";
Amendement 194
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 decies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 21 – lid 1 – letter c
12 decies)   In artikel 21, lid 1, wordt letter c) vervangen door:
c)   indien technisch haalbaar en economisch leefbaar, afgewerkte oliën met uiteenlopende eigenschappen niet worden gemengd en dat afgewerkte olie niet wordt gemengd met andere soorten afvalstoffen of stoffen, indien dit de verwerking ervan belemmert.
"c) afgewerkte oliën met uiteenlopende eigenschappen niet worden gemengd en dat afgewerkte olie niet wordt gemengd met andere soorten afvalstoffen of stoffen, indien dit de regeneratie ervan belemmert.";
Amendement 195
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 undecies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 21 – lid 1 bis (nieuw)
12 undecies)  In artikel 21 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verwezenlijken dat tegen 2025 de regeneratie van afgewerkte olie wordt verhoogd tot ten minste 85 % van de geproduceerde afgewerkte olie.
Afgewerkte olie die naar een andere lidstaat wordt overgebracht met het oog op regeneratie ervan in die andere lidstaat, mag alleen worden meegerekend voor de verwezenlijking van de doelstellingen door de lidstaat waarin die afgewerkte olie is verzameld en als werd voldaan aan de relevante vereisten van Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.
Afgewerkte olie die voor regeneratie, voorbereiding voor hergebruik of recycling uit de Unie wordt uitgevoerd, wordt alleen meegerekend voor de verwezenlijking van de doelstellingen door de lidstaat waarin de afgewerkte olie is verzameld, indien de exporteur, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1013/2006, kan aantonen dat de overbrenging van afvalstoffen voldoet aan de vereisten van die verordening en dat de regeneratie van afgewerkte olie buiten de Unie plaatsvond onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van het relevante milieurecht van de Unie.";
Amendement 196
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 duodecies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 21 – lid 2
12 duodecies)  Artikel 21, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Ten behoeve van de gescheiden inzameling van afgewerkte olie en de goede verwerking ervan, mogen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale voorwaarden, aanvullende maatregelen hanteren zoals technische eisen, producentenverantwoordelijkheid, economische instrumenten of vrijwillige overeenkomsten.
"2. Om te voldoen aan de verplichtingen in leden 1 en 1 bis mogen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale voorwaarden, aanvullende maatregelen hanteren zoals technische eisen, producentenverantwoordelijkheid, economische instrumenten of vrijwillige overeenkomsten.”;
Amendement 197
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 terdecies (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 21 – lid 3
12 terdecies)  Artikel 21, lid 3, wordt vervangen door:
3.  Indien voor afgewerkte olie volgens de nationale wetgeving regeneratie-eisen gelden, mogen de lidstaten voorschrijven dat dergelijke olie moet worden geregenereerd indien dit technisch haalbaar is, en mogen zij, indien artikel 11 of artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van toepassing is, de grensoverschrijdende overbrenging van afgewerkte olie vanaf hun grondgebied naar verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties beperken, teneinde voorrang te geven aan de regeneratie van afgewerkte olie.
"3. Indien artikel 11 of artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van toepassing is, mogen lidstaten de grensoverschrijdende overbrenging van afgewerkte olie vanaf hun grondgebied naar verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties beperken, teneinde voorrang te geven aan de regeneratie van afgewerkte olie.";
Amendement 198
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – lid 1
"De lidstaten zorgen voor de gescheiden inzameling van bioafval waar dat technisch, milieuhygiënisch en economisch haalbaar is en geschikt om ervoor te zorgen dat aan de desbetreffende kwaliteitsnormen voor compost wordt voldaan en om de in artikel 11, lid 2, onder a), c) en d) en artikel 11, lid 3, beschreven doelstellingen te behalen.
1.   De lidstaten zorgen voor de gescheiden inzameling aan de bron van bioafval, overeenkomstig artikel 10, lid 2.
Amendement 199
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De lidstaten moedigen thuis composteren aan.
Amendement 237
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – lid 2
De lidstaten nemen passende maatregelen en bevorderen overeenkomstig de artikelen 4 en 13, het volgende:
2.  De lidstaten nemen passende maatregelen, met inbegrip van traceerbaarheid en input- en outputgerelateerde systemen voor kwaliteitsborging, overeenkomstig de artikelen 4 en 13, om ervoor te zorgen dat bioafval aan een proces van organische recyclage wordt onderworpen op een wijze die een hoge mate van milieubescherming biedt en waarvan de output aan de relevante strenge kwaliteitsnormen voldoet.
a)   recycling, met inbegrip van het composteren en vergisten van bioafval;
b)   de verwerking van bioafval op een wijze die een hoge mate van milieubescherming biedt;
c)   het gebruik van met bioafval geproduceerd milieuveilig materiaal.
Amendement 242
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – alinea 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onder het gewicht van gerecycleerd bioafval wordt verstaan: het gewicht van het afval dat is ingebracht in een proces van organische recycling in een bepaald jaar.
Het gewicht van materialen of stoffen die geen eindproces van recycling ondergaan en die worden verwijderd of energieterugwinning ondergaan, wordt niet als gerecycleerd vermeld.
Amendement 201
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Uiterlijk 31 december 2018 stelt de Commissie een wijziging voor op Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad1 bis teneinde Europese afvalcodes in te stellen voor aan de bron gescheiden stedelijk bioafval.
_______________
1 bis Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken (PB L 332 van 9.12.2002, blz. 1).
Amendement 238
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 22 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.  Uiterlijk op 31 december 2018 verzoekt de Commissie de Europese normalisatie-instellingen om op basis van de beste beschikbare werkwijzen Europese kwaliteitsnormen te ontwikkelen voor bioafval dat in organische recyclageprocessen terechtkomt, voor compost en voor digestaat.
Amendement 202
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 24 – alinea 1 – letter b
13 bis)   In artikel 24 wordt punt b) vervangen door:
b)  nuttige toepassing van afvalstoffen.
"b) nuttige toepassing van niet-gevaarlijke afvalstoffen.";
Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 26 – alinea 3
De lidstaten kunnen de bevoegde instanties vrijstellen van het bijhouden van een register van inrichtingen of ondernemingen die jaarlijks niet meer dan 20 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen inzamelen of vervoeren.
De lidstaten kunnen de bevoegde instanties vrijstellen van het bijhouden van een register van inrichtingen of ondernemingen die jaarlijks niet meer dan 20 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en niet meer dan 2 ton gevaarlijke afvalstoffen inzamelen of vervoeren.
Amendement 204
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 26 – alinea 4
De Commissie kan overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vaststellen tot nadere bepaling van de drempels voor niet-gevaarlijke afvalstoffen.";
Schrappen
Amendement 205
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 27 – lid 1
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van technische minimumnormen voor verwerkingsactiviteiten waarvoor uit hoofde van artikel 23 een vergunning vereist is indien er bewijs is dat dergelijke minimumnormen een voordeel ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu zouden opleveren.";
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van technische minimumnormen voor alle verwerkingsactiviteiten, met name voor gescheiden inzameling, sortering en recycling van afval, waarvoor uit hoofde van artikel 23 een vergunning vereist is indien er bewijs is dat dergelijke minimumnormen een voordeel ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu zouden opleveren.
Amendement 206
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter a – punt ii
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 28 – lid 3 – letter f
f)  maatregelen ter bestrijding van alle vormen van zwerfafvalproductie en voor het opruimen van alle soorten zwerfafval.";
f)  maatregelen ter bestrijding en preventie van alle vormen van zwerfafvalproductie en voor het opruimen van alle soorten zwerfafval.
Amendement 207
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter a – punt ii bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 28 – lid 3 – letter f bis (nieuw)
ii bis)  het volgende punt wordt toegevoegd:
"f bis) voldoende financieringsmogelijkheden voor lokale autoriteiten om afvalpreventie te bevorderen en optimale regelingen en infrastructuur voor gescheiden inzameling te ontwikkelen, teneinde de in deze richtlijn bepaalde doelstellingen te halen.";
Amendement 208
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 28 – lid 5
5.  De afvalbeheerplannen zijn in overeenstemming met de eisen inzake afvalbeheerplanning van artikel 14 van Richtlijn 94/62/EG, de doelstellingen van artikel 11, leden 2 en 3, van deze richtlijn en de vereisten van artikel 5 van Richtlijn 1999/31/EG.";
5.  De afvalbeheerplannen zijn in overeenstemming met de eisen inzake afvalbeheerplanning van artikel 14 van Richtlijn 94/62/EG, de doelstellingen van artikel 11, lid 2, van deze richtlijn en de vereisten van artikel 5 van Richtlijn 1999/31/EG.
Amendement 209
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter a
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 29 – lid 1 – alinea 1
1.  De lidstaten zetten afvalpreventieprogramma's op waarin afvalpreventiemaatregelen overeenkomstig de artikelen 1, 4 en 9 worden beschreven.
1.   Om bij te dragen aan het verwezenlijken van ten minste de in artikel 1, artikel 4 en artikel 9, lid -1, genoemde doelstellingen, zetten de lidstaten afvalpreventieprogramma’s op waarin ten minste de afvalpreventiemaatregelen overeenkomstig artikel 9, lid 1 worden beschreven.
Amendement 210
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 29 – lid 1 – alinea 2
a bis)   in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:
Dergelijke programma’s worden — al naargelang — ofwel geïntegreerd in de in artikel 28 bedoelde afvalbeheerplannen, ofwel geïntegreerd in andere milieubeleidsprogramma’s of zijn op zichzelf staande programma’s. Indien een dergelijk programma wordt geïntegreerd in het afvalbeheerplan of in andere programma’s, moeten de afvalpreventiemaatregelen duidelijk worden aangegeven.
Dergelijke programma’s worden — al naargelang — ofwel geïntegreerd in de in artikel 28 bedoelde afvalbeheerplannen, ofwel geïntegreerd in andere milieubeleidsprogramma’s of zijn op zichzelf staande programma’s. Indien een dergelijk programma wordt geïntegreerd in het afvalbeheerplan of in andere programma’s, moeten de afvalpreventiedoelstellingen en -maatregelen duidelijk worden aangegeven.
Amendement 211
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter a ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 29 – lid 2
a ter)   in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
2.  In de in lid 1 bedoelde programma’s worden afvalpreventiedoelstellingen vastgesteld. De lidstaten beschrijven bestaande preventiemaatregelen en evalueren het nut van de voorbeelden van maatregelen in bijlage IV of andere passende maatregelen.
"2. In de in lid 1 bedoelde programma's beschrijven de lidstaten ten minste de tenuitvoerlegging van de preventiemaatregelen als bedoeld in artikel 9, lid 1, en hun bijdrage aan de verwezenlijking van de in artikel 9, lid -1, omschreven doelstellingen. De lidstaten beschrijven, indien relevant, de bijdrage van instrumenten en maatregelen in bijlage IV bis en evalueren het nut van de voorbeelden van maatregelen in bijlage IV of andere passende maatregelen.
Amendement 212
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter a quater (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 29 – lid 2 bis (nieuw)
a quater)   Het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 bis. De lidstaten stellen in het kader van de in dit artikel genoemde afvalpreventieprogramma’s specifieke programma’s vast voor de preventie van levensmiddelenafval.";
Amendement 213
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 30 – lid 2
17 bis)   Artikel 30, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Het Europees Milieuagentschap wordt uitgenodigd een overzicht van de vooruitgang op het gebied van de voltooiing en uitvoering van deze programma’s in zijn jaarverslag op te nemen.
"2. Het Europees Milieuagentschap publiceert elk twee jaar een verslag met daarin een evaluatie van de vooruitgang die geboekt werd bij de voltooiing en uitvoering van afvalpreventieprogramma's en de resultaten die bereikt werden met betrekking tot de doelstellingen van de afvalpreventieprogramma's in elke lidstaat en in de Unie als geheel, met inbegrip van de ontkoppeling van de afvalproductie van de economische groei en de overgang naar een circulaire economie.";
Amendement 214
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 – letter b
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 35 – lid 4
4.  De lidstaten zetten een elektronisch register of gecoördineerde registers op om de gegevens over de in lid 1 bedoelde gevaarlijke afvalstoffen te registreren, die het gehele geografische grondgebied van de betrokken lidstaat bestrijken. De lidstaten kunnen dergelijke registers voor andere afvalstromen opzetten, met name die afvalstromen waarvoor doelstellingen in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld. De lidstaten maken gebruik van de gegevens over afval die worden gerapporteerd door de industriële exploitanten in het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (*).
4.  De lidstaten zetten een elektronisch register of gecoördineerde registers op, of maken gebruik van reeds opgezette elektronische registers of gecoördineerde registers, om de gegevens over de in lid 1 bedoelde gevaarlijke afvalstoffen te registreren, die het gehele geografische grondgebied van de betrokken lidstaat bestrijken. De lidstaten zetten dergelijke registers op voor ten minste de afvalstromen waarvoor doelstellingen in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld. De lidstaten maken gebruik van de gegevens over afval die worden gerapporteerd door de industriële exploitanten in het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (*).
Amendement 215
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 1
1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 11, lid 2, onder a) tot en met d), en artikel 11, lid 3, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij rapporteren deze gegevens via elektronische weg binnen 18 maanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 6 is vastgesteld. De eerste rapportage bestrijkt de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020.
1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de voortgang met de verwezenlijking van de in artikel 9, lid -1, artikel 11, lid 2, onder a) tot en met d), artikel 11, leden 3 en 3 bis, en artikel 21 vastgestelde doelstellingen voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij verzamelen en verwerken deze gegevens volgens de in lid 6 van dit artikel bedoelde gemeenschappelijke methode en dienen ze uiterlijk 12 maanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 6 is vastgesteld. De eerste rapportage in verband met de in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, bepaalde doelstellingen bestrijkt de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020.
Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 2
2.   De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 9, lid 4, om de twee jaar aan de Commissie. Zij rapporteren deze gegevens via elektronische weg binnen 18 maanden na afloop van de verslagperiode waarvoor de gegevens zijn verzameld. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 6 is vastgesteld. De eerste rapportage bestrijkt de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021.
Schrappen
Amendement 217
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Om de naleving van artikel 11, lid 2, onder c) en d), te controleren, wordt de hoeveelheid afval die is voorbereid voor hergebruik apart gerapporteerd van de hoeveelheid afval die is gerecycleerd.
Amendement 218
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 5
5.  De Commissie evalueert de overeenkomstig dit artikel gerapporteerde gegevens en publiceert een verslag over de resultaten van de evaluatie. Het verslag bevat een beoordeling van de organisatie van de gegevensverzameling, de bronnen van de gegevens en de in de lidstaten gebruikte methodologie alsmede van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering bevatten. Het verslag wordt om de drie jaar opgesteld.
5.  De Commissie evalueert de overeenkomstig dit artikel gerapporteerde gegevens en publiceert een verslag over de resultaten van de evaluatie. Totdat de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handeling is vastgesteld, bevat het verslag een beoordeling van de organisatie van de gegevensverzameling, de bronnen van de gegevens en de in de lidstaten gebruikte methodologie. De Commissie beoordeelt in elk geval de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering bevatten. Het verslag wordt negen maanden na de eerste rapportage van de gegevens door de lidstaten en daarna om de drie jaar opgesteld.
Amendement 219
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   In het in lid 5 bedoelde verslag neemt de Commissie informatie op over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in haar geheel en beoordeelt zij het effect daarvan op de menselijke gezondheid en het milieu. Zo nodig kan dit verslag vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 220
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 – lid 6
6.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de vorm voor het rapporteren van gegevens overeenkomstig de leden 1 en 2 en voor de rapportage van opvulactiviteiten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
6.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast om deze richtlijn aan te vullen door de gemeenschappelijke methode vast te stellen voor de verzameling en verwerking van gegevens, de organisatie van de gegevensverzameling en de gegevensbronnen alsmede de vorm voor het rapporteren van gegevens in overeenstemming met lid 1 en voor de rapportage van de voorbereiding voor hergebruik en opvulactiviteiten.
Amendement 221
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 37 bis (nieuw)
21 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 37 bis
Kader voor de circulaire economie
Ter ondersteuning van de maatregelen in artikel 1, en uiterlijk 31 december 2018 zal de Commissie:
a)   een verslag opstellen om te beoordelen of behoefte bestaat aan doelstellingen op Unieniveau, met name aan een doelstelling van de Unie voor hulpbronnenefficiëntie, en aan horizontale regelgevingsmaatregelen op het gebied van duurzame consumptie en productie. Zo nodig gaat dit verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel;
b)   een verslag opstellen over de samenhang tussen de regelgevingskaders van de Unie voor producten, afvalstoffen en chemische stoffen, om na te gaan welke obstakels de overgang naar een circulaire economie belemmeren;
c)   een verslag opstellen om de interacties tussen wetgeving te identificeren die de ontwikkeling van synergieën tussen de verschillende industrieën belemmeren en die bijgevolg het gebruik van bijproducten verhinderen, alsook de voorbereiding van afval voor hergebruik en recycling voor specifieke toepassingen. Dit verslag zal, indien passend, vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel, of van richtsnoeren over hoe de geïdentificeerde belemmeringen kunnen worden weggewerkt, en hoe het marktpotentieel van bijproducten en secundaire grondstoffen ten volle benut kan worden;
d)   een grondige evaluatie van Uniewetgeving inzake eco-ontwerp presenteren, met als doel het uitbreiden van de toepassing van deze richtlijn tot alle belangrijke productgroepen, met inbegrip van niet met energie verband houdende productgroepen, en het geleidelijk opnemen van alle relevante kenmerken inzake energie-efficiëntie in de verplichte vereisten voor productontwerp en het aanpassen van de bepalingen inzake milieu-etikettering.";
Amendement 222
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 – titel
21 bis)   de titel van artikel 38 wordt vervangen door:
Interpretatie en aanpassing aan de technische vooruitgang
"Uitwisseling van informatie en beste praktijken, interpretatie en aanpassing aan de technische vooruitgang"
Amendement 223
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 – lid -1 (nieuw)
—  1. De Commissie richt een platform in voor een regelmatige en gestructureerde uitwisseling van informatie en het delen van beste praktijken tussen de Commissie en de lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale autoriteiten, over de praktische uitvoering van de voorschriften van deze richtlijn teneinde te zorgen voor goed bestuur, handhaving, grensoverschrijdende samenwerking en de verspreiding van beste praktijken en innovaties op het vlak van afvalbeheer.
In het bijzonder wordt het platform gebruikt om:
—   informatie uit te wisselen en beste praktijken te delen ten aanzien van de overeenkomstig artikel 4, lid 3, gebruikte instrumenten en prikkels om een impuls te geven aan het bereiken van de in artikel 4 vastgestelde doelstellingen;
—   informatie uit te wisselen en beste praktijken te delen ten aanzien van de overeenkomstig artikel 8, leden 1 en 2, vastgestelde maatregelen;
—   informatie uit te wisselen en beste praktijken te delen ten aanzien van preventie en de invoering van systemen ter bevordering van activiteiten op het vlak van hergebruik en verlenging van de levensduur van producten;
—   informatie uit te wisselen en beste praktijken te delen ten aanzien van de uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot gescheiden inzameling;
—   informatie uit te wisselen en beste praktijken te delen ten aanzien van de instrumenten en stimulansen om de doelstellingen te bereiken zoals vastgesteld in artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 21;
—   beste praktijken te delen bij de ontwikkeling van maatregelen en systemen om stromen van stedelijk afval te traceren van de sortering tot het eindproces van recycling, wat van essentieel belang is om de kwaliteit van het afval te controleren en de verliezen in de afvalstromen en recyclingprocessen te meten.
De Commissie maakt de resultaten van de informatie-uitwisseling en het delen van beste praktijken openbaar beschikbaar.
Amendement 224
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 – lid 1 – alinea 1
De Commissie kan richtsnoeren opstellen voor de interpretatie van de definities van nuttige toepassing en verwijdering.
De Commissie stelt richtsnoeren op voor de interpretatie van de definities van afvalstof, stedelijk afval, preventie, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik, nuttige toepassing en verwijdering.
Amendement 225
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 – lid 3
3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VI.";
Schrappen
Amendement 226
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 bis – lid 2
2.  De bevoegdheden om de in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 26, artikel 27, leden 1 en 4, en artikel 38, leden 1, 2 en 3, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, worden aan de Commissie verleend voor een onbepaalde periode met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn invullen].
2.  De bevoegdheden om de in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 5, artikel 9, leden 2 bis, 3 en 3 bis, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 12, lid 1 ter, artikel 27, leden 1 en 4, artikel 37, lid 6, en artikel 38, leden 1 en 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, worden aan de Commissie verleend voor een onbepaalde periode met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn invullen].
Amendement 227
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 bis – lid 3
3.  De in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 26, artikel 27, leden 1 en 4, artikel 38, leden 1, 2 en 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 5, lid 2, artikel 6, leden 2 en 4, artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 5, artikel 9, leden 2 bis, 3 en 3 bis, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 12, lid 1 ter, artikel 27, leden 1 en 4, artikel 37, lid 6, en artikel 38, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 228
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 bis – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Amendement 229
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23
Richtlijn 2008/98/EG
Artikel 38 bis – lid 5
5.  Een krachtens artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 26, artikel 27, leden 1 en 4, artikel 38, leden 1, 2 en 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.
5.  Een krachtens artikel 5, lid 2, artikel 6, leden 2 en 4, artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 5, artikel 9, leden 2 bis, 3 en 3 bis, artikel 11 bis, leden 2 en 6, artikel 12, lid 1 ter, artikel 27, leden 1 en 4, artikel 37, lid 6, en artikel 38, leden 1 en 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 230
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Bijlage II – punt R 13 bis (nieuw)
24 bis)   In bijlage II wordt het volgende punt ingevoegd:
"R 13 bis: voorbereiding voor hergebruik.";
Amendement 231
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Bijlage IV bis (nieuw)
24 ter)   Bijlage IV bis wordt ingevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Amendement 232
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 25
Richtlijn 2008/98/EG
Bijlage VI (nieuw)
25)   Bijlage VI wordt toegevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Schrappen
Amendement 233
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I
Richtlijn 2008/98/EG
Bijlage VI
Berekeningsmethode voor de voorbereiding voor hergebruik van producten en componenten voor de toepassing van artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3
Schrappen
Voor het berekenen van het aangepaste percentage van recycling en voorbereiding op hergebruik overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, gebruiken de lidstaten de volgende formule:
E: aangepast percentage voor recycling en hergebruik in een bepaald jaar;
A: gewicht van het in een bepaald jaar gerecycleerd of voor hergebruik voorbereid stedelijk afval;
R: gewicht van de in een bepaald jaar voor hergebruik voorbereide producten en componenten;
P: gewicht van het in een bepaald jaar geproduceerd stedelijk afval.
Amendement 234
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage -I (nieuw)
Richtlijn 2008/98/EG
Bijlage IV bis (nieuw)
Bijlage -I
De volgende bijlage IV bis wordt ingevoegd:
"Bijlage IV bis
Indicatieve lijst van instrumenten om een omschakeling naar een circulaire economie te bevorderen
1.   Economische instrumenten:
1.1   progressieve stijging van de heffingen en/of vergoedingen voor stortplaatsen voor alle afvalcategorieën (stedelijk, inert, overig);
1.2   invoering of verhoging van de heffingen en/of tarieven voor verbranding;
1.3   invoering van systemen op grond van het "de vervuiler betaalt"-beginsel;
1.4   maatregelen om de kostenefficiëntie van bestaande en aankomende regelingen voor producentenverantwoordelijkheid te verbeteren;
1.5   uitbreiding van het toepassingsgebied van de financiële en/of operationele producentenverantwoordelijkheid naar nieuwe afvalstromen;
1.6   economische stimulansen voor lokale instanties om preventie te bevorderen en afzonderlijke inzamelingsregelingen te ontwikkelen en te versterken;
1.7   maatregelen om de ontwikkeling van de hergebruiksector te ondersteunen;
1.8   maatregelen om subsidies af te schaffen die niet in overeenstemming zijn met de afvalhiërarchie;
2.   Andere maatregelen:
2.1   duurzame openbare aanbestedingen om duurzame productie en consumptie te bevorderen;
2.2   technische en fiscale maatregelen om de ontwikkeling van markten voor hergebruikte producten en gerecycleerde (inclusief gecomposteerde) materialen te ondersteunen en om de kwaliteit van gerecycleerde materialen te verbeteren;
2.3   de beste beschikbare technieken voor afvalbeheer met het oog op de verwijdering van zeer zorgwekkende stoffen, indien dit technisch en economisch haalbaar is;
2.4   maatregelen om het bewustzijn van goed afvalbeheer en zwerfvuilvermindering bij het publiek te vergroten, met inbegrip van ad-hoccampagnes om afvalvermindering bij de bron en een hoog participatieniveau in de afzonderlijke inzamelingsregelingen te garanderen;
2.5   maatregelen om te zorgen voor passende coördinatie, onder meer met digitale middelen, tussen alle bevoegde publieke instanties die betrokken zijn bij afvalbeheer, en voor de betrokkenheid van andere belangrijke belanghebbenden;
2.6   gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de financiering van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is om de relevante doelen te behalen.".

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0034/2017).


Het storten van afvalstoffen ***I
PDF 455kWORD 62k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 maart 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD))(1)
P8_TA(2017)0071A8-0031/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Gezien de afhankelijkheid van de Unie van de invoer van grondstoffen en gezien de snelle uitputting van een aanzienlijk aantal natuurlijke hulpbronnen op de korte termijn is het regenereren van zoveel mogelijk hulpbronnen in de Unie een belangrijke uitdaging, evenals het verbeteren van de overgang naar een circulaire economie.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 bis (nieuw)
(-1 bis) Afvalstoffenbeheer moet worden omgevormd tot duurzaam materiaalbeheer. De herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen biedt daartoe een gelegenheid.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van een meer circulaire economie.
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bevordering van een meer circulaire economie, de verhoging van de energie-efficiëntie en de vermindering van de afhankelijkheid van de Unie van hulpbronnen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   De circulaire economie moet expliciete bepalingen van het 7e milieuactieprogramma waarin wordt verzocht om de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli ten uitvoer leggen, om ervoor te zorgen dat gerecycled afval kan worden gebruikt als belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen in de Unie.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad14 vastgestelde doelstellingen ter vermindering van gestort afval moeten worden gewijzigd teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval te verminderen.
(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad14 vastgestelde doelstellingen ter vermindering van gestort afval moeten worden versterkt teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval geleidelijk te minimaliseren. De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat dit past in een geïntegreerd beleid dat een correcte toepassing van de afvalhiërarchie garandeert, een verschuiving naar preventie, hergebruik en recycling bevordert en een verschuiving van storten naar verbranden voorkomt.
________________
__________________
14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
15 COM(2008)0699 en COM(2014)0297.
15 COM(2008)0699 en COM(2014)0297.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving moeten de definities van Richtlijn 1999/31/EG in overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad16.
(4)  Met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving moeten de definities van Richtlijn 1999/31/EG in voorkomend geval overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad16.
__________________
__________________
16 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
16 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval). Bij de uitvoering van die beperkingen moet rekening worden gehouden met de technische, ecologische of economische haalbaarheid van het recycleren of op andere wijze terugwinnen van restafval dat voortkomt uit een gescheiden afvalinzameling.
(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval), met als doel uitsluitend restafval te aanvaarden. Langetermijninvesteringen in infrastructuur en in onderzoek en innovatie zullen een cruciale rol spelen bij het verminderen van de hoeveelheid restafval dat voortkomt uit een gescheiden afvalinzameling, waarvan het recycleren of op andere wijze terugwinnen momenteel technisch, ecologisch of economisch niet haalbaar is.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Een politieke en maatschappelijke stimulans om het storten van afval verder te beperken als duurzame manier om in een circulaire economie met natuurlijke hulpbronnen om te gaan, moet stroken met de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG en strikt een aanpak volgen waarbij preventie voorrang krijgt en het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden is ingezameld, te verbieden.
(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden moet worden ingezameld, te verbieden.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van streefdoelen voor het verminderen van gestort afval zullen het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval worden vergemakkelijkt en zal worden vermeden dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten.
(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van duidelijke en ambitieuze streefdoelen voor het verminderen van gestort afval zullen investeringen ter vergemakkelijking van het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval verder worden aangemoedigd en zal worden vermeden dat recycleerbare materialen op het laagste niveau van de afvalhiërarchie blijven vastzitten.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Een geleidelijke vermindering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Bij die vermindering moet worden vermeden dat overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning of kwalitatief laagwaardige biomechanische behandeling van onbehandeld stedelijk afval, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn.
(8)  Een geleidelijke minimalisering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG. Deze geleidelijke minimalisering van het storten van afval zal in veel lidstaten grote veranderingen van het afvalbeheer teweegbrengen. Met betere statistische gegevens over de inzameling en behandeling van afval en een betere traceerbaarheid van de afvalstromen moet het mogelijk zijn te vermijden dat er overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Gezien recente investeringen in een aantal lidstaten, die tot overcapaciteit voor energieterugwinning of de instelling van biomechanische behandeling hebben geleid, is het van essentieel belang om de afvalverwerkers en de lidstaten een duidelijk signaal te geven, zodat investeringen die onverenigbaar zijn met de langetermijndoelstellingen van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen en de kaderrichtlijn afval worden voorkomen. Om deze redenen kan, in overeenstemming met de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG en artikel 5 van Richtlijn 1999/31/EG vastgestelde doelstellingen inzake voorbereiding voor hergebruik en recycling, een maximumgrens voor de verbranding van huishoudelijk afval worden overwogen. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken en de overgang naar een circulaire economie te stimuleren, moet de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten en tussen de verschillende economische sectoren bevorderen. Deze uitwisseling kan worden gefaciliteerd door middel van communicatieplatforms die nieuwe industriële oplossingen onder de aandacht kunnen brengen, een beter overzicht van de beschikbare capaciteiten kunnen geven, de afvalindustrie met andere sectoren in contact kunnen helpen brengen en industriële symbiose kunnen helpen bevorderen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)   De Commissie moet de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen lidstaten, regionale autoriteiten en in het bijzonder lokale autoriteiten bevorderen, en alle relevante maatschappelijke organisaties erbij betrekken, met inbegrip van de sociale partner-, milieu- en consumentenorganisaties.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quater (nieuw)
(8 quater)   Om de doelstellingen van deze richtlijn op passende wijze te verwezenlijken, is het noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de lokale autoriteiten van de gebieden waar de stortplaatsen zich bevinden als relevante actoren worden erkend, aangezien zij de directe gevolgen van het storten van afval ondervinden. Derhalve moet worden gezorgd voor voorafgaande openbare en democratische raadplegingen in de gemeenten en bovengemeentelijke gebieden waar een stortplaats zal worden gevestigd en moet de lokale bevolking hiervoor op gepaste wijze worden gecompenseerd.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quinquies (nieuw)
(8 quinquies)   De Commissie moet garanderen dat elke stortplaats in de Unie worden geïnspecteerd om ervoor te zorgen dat het uniale en het nationale recht naar behoren worden nageleefd.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen.
(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen. Ook moet de uitwisseling van beste praktijken tussen de diverse belanghebbenden worden bevorderd.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 1999/31/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van de recentste methode die door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten is ontwikkeld.
(11)  Door de lidstaten ingediende gegevens en informatie zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de ingediende gegevens moet worden verbeterd door op basis van betrouwbare bronnen een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens in te voeren, één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 1999/31/EG bepaalde doelstellingen moeten de lidstaten gebruikmaken van de gezamenlijke methodologie die door de Commissie is ontwikkeld in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de nationale autoriteiten die belast zijn met afvalbeheer.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Met het oog op de aanvulling of wijziging van Richtlijn 1999/31/EG, en met name met op de aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie ten aanzien van artikel 16. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De bijlagen moeten uitsluitend worden gewijzigd in overeenstemming met de beginselen van deze Richtlijn. Hiertoe moet de Commissie, wat bijlage II betreft, rekening houden met de algemene beginselen en procedures voor het testen en de aanvaardingscriteria van bijlage II. Bovendien moeten specifieke criteria en/of testmethoden en bijbehorende grenswaarden worden vastgesteld voor elke stortplaatsklasse, en zo nodig ook voor specifieke typen stortplaats binnen elke klasse, met inbegrip van ondergrondse opslag. De Commissie moet, waar van toepassing, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn overwegen voorstellen voor de standaardisering van controle-, bemonsterings- en analysemethoden in verband met de bijlagen goed te keuren.
(12)  Met het oog op de wijziging van Richtlijn 1999/31/EG moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie, dit in verband met de aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. De bijlagen moeten uitsluitend worden gewijzigd in overeenstemming met de beginselen van deze Richtlijn. Hiertoe moet de Commissie, wat bijlage II betreft, rekening houden met de algemene beginselen en procedures voor het testen en de aanvaardingscriteria van bijlage II. Bovendien moeten specifieke criteria en/of testmethoden en bijbehorende grenswaarden worden vastgesteld voor elke stortplaatsklasse, en zo nodig ook voor specifieke typen stortplaats binnen elke klasse, met inbegrip van ondergrondse opslag. De Commissie moet, waar van toepassing, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn zo nodig overwegen voorstellen voor de standaardisering van controle-, bemonsterings- en analysemethoden in verband met de bijlagen goed te keuren.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met artikel 3, lid 3, bijlage I, punt 3.6, en bijlage II, punt 5. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(13)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de definitie van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen, de te hanteren methode ter vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen onder bepaalde voorwaarden, en de ontwikkeling van een Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen, aangezien het bemonsteren van afvalstoffen wat representativiteit en technieken betreft ernstige problemen kan opleveren als gevolg van de heterogene samenstelling van veel afvalstoffen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
__________________
__________________
17 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
17 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor de ontwikkeling van plannen voor duurzaam herstel en duurzame herbestemming van stortplaatsen en gebieden die door afvalstort zijn aangetast.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)   Deze richtlijn is vastgesteld met inachtneming van de verbintenissen die zijn uiteengezet in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven en moet worden uitgevoerd en toegepast overeenkomstig de richtsnoeren die in dat akkoord zijn vervat.
Amendement 52/rev
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid -1– punt -1 (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 1 – lid -1 (nieuw)
(-1)   In artikel 1 wordt het volgende lid ingevoegd:
"-1. Een geleidelijke uitfasering van het storten van recycleerbaar en terugwinbaar afval is een fundamentele voorwaarde voor de overgang van de Unie naar een circulaire economie."
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 2 – punt a
a)  "afvalstof", "stedelijk afval", "gevaarlijke afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "gescheiden inzameling", "nuttige toepassing", "recycling" en "verwijdering": datgene wat onder die begrippen wordt verstaan in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(*);
a)  "afvalstof", "stedelijk afval", "gevaarlijke afvalstof", "ongevaarlijke afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "gescheiden inzameling", "nuttige toepassing", "recycling" en "verwijdering": datgene wat onder die begrippen wordt verstaan in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(*);
__________________
__________________
(*) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).";
(*) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).";
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 2 – punt a bis (nieuw)
a bis)   het volgende punt a bis wordt ingevoegd:
"a bis) restafval: afvalstoffen die ontstaan bij een behandeling of een nuttige toepassing, waaronder recycling, waarvoor geen verdere nuttige toepassing is en die bijgevolg moeten worden verwijderd;"
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 2 – punt m
b bis)   punt m wordt als volgt gewijzigd:
m)  biologisch afbreekbare afvalstoffen: afvalstoffen die aëroob of of anaëroob kunnen worden afgebroken, zoals voedsel- en tuinafval, en papier en karton;
"m) biologisch afbreekbare afvalstoffen: voedsel- en tuinafval, papier en karton, en hout en andere afvalstoffen die aëroob of anaëroob kunnen worden afgebroken;
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 3 – lid 3
1 bis)   In artikel 3 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:
3.  Onverminderd Richtlijn 75/442/EEG kunnen de lidstaten desgewenst verklaren dat het storten van ongevaarlijke afvalstoffen, als nader te omschrijven door het comité van artikel 17, niet zijnde inerte afvalstoffen, die afkomstig zijn van de prospectie en de winning, de behandeling en de opslag van mineralen of van de exploitatie van steengroeven en zodanig gestort worden dat milieuverontreiniging en schade aan de menselijke gezondheid worden voorkomen, kan worden vrijgesteld van het bepaalde in bijlage I, de punten 2, 3.1, 3.2 en 3.3.
"3. Onverminderd Richtlijn 75/442/EEG kunnen de lidstaten desgewenst verklaren dat het storten van ongevaarlijke afvalstoffen niet zijnde inerte afvalstoffen, die afkomstig zijn van de prospectie en de winning, de behandeling en de opslag van mineralen of van de exploitatie van steengroeven en zodanig gestort worden dat milieuverontreiniging en schade aan de menselijke gezondheid worden voorkomen, kan worden vrijgesteld van het bepaalde in bijlage I, de punten 2, 3.1, 3.2 en 3.3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin wordt vastgelegd wat onder het storten van ongevaarlijke afvalstoffen wordt verstaan. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure."
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 1
-a)   lid 1 wordt vervangen door:
1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.
1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum in samenwerking met de met afvalbeheer belaste regionale en lokale overheden een nationale strategie voor de uitfasering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas, terugwinning van materialen of, indien de voorgenoemde niet mogelijk zijn, terugwinning van energie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 3 – punt f
f)  afval dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 22, van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden is ingezameld.
f)  afval dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 22, van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden moet worden ingezameld en verpakkingen en verpakkingsafval als gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 94/62/EG.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 5
5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 10 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.
5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 5 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Op stortplaatsen voor niet-gevaarlijke afvalstoffen aanvaarden de lidstaten tegen 31 december 2030 alleen nog stedelijk restafval.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 6 – alinea 1
Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Malta, Roemenië en Slowakije kunnen vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de desbetreffende termijnen die zijn vastgelegd in lid 5 in kennis van zijn voornemen om van deze bepaling gebruik te maken. In geval van een verlenging treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 20 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.
Een lidstaat die in 2013 meer dan 65 % van zijn stedelijk afval stortte, kan verzoeken om vijf jaar extra te krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling.
Om een dergelijke verlenging te krijgen, dient de lidstaat uiterlijk op 31 december 2028 een verzoek in bij de Commissie.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 6 – alinea 2
De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.
Het verzoek om verlenging gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstelling vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan wordt opgesteld op basis van een evaluatie van de bestaande afvalbeheerplannen en omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.
Ook voldoet het in de derde alinea bedoelde plan ten minste aan de volgende criteria:
a)   het maakt op passende wijze gebruik van economische instrumenten om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG;
b)   het geeft blijk van een efficiënt en effectief gebruik van de structuurfondsen en het Cohesiefonds via aantoonbare langetermijninvesteringen die gericht zijn op de financiering van de ontwikkeling van de afvalbeheerinfrastructuur die nodig is om de relevante doelstellingen te bereiken;
c)   het voorziet in kwalitatief hoogwaardige statistieken en genereert duidelijke vooruitzichten van de afvalverwerkingscapaciteiten en de afstand tot de doelstellingen die zijn vastgelegd in lid 5 van dit artikel, de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 94/62/EG, en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG;
d)   het bevat afvalbeheerplannen en afvalpreventieprogramma's als bedoeld in artikel 29 van Richtlijn 2008/98/EG.
De Commissie beoordeelt of wordt voldaan aan de vereisten die in de vierde alinea, onder a) tot en met d), zijn vastgesteld.
Tenzij de Commissie binnen vijf maanden na de datum van ontvangst bezwaar maakt tegen het ingediende plan, wordt het verzoek tot verlenging geacht te zijn aanvaard.
Indien de Commissie bezwaar maakt tegen het ingediende plan, eist zij dat de betrokken lidstaat binnen twee maanden na ontvangst van deze bezwaren een herzien plan indient.
De Commissie beoordeelt het herziene plan binnen twee maanden na ontvangst ervan en aanvaardt of verwerpt het verzoek om verlenging schriftelijk. Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, wordt het verzoek om verlenging geacht te zijn aanvaard.
De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement binnen twee maanden nadat zij een besluit heeft genomen, hiervan in kennis.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 7
7.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 5 vastgelegde doelstelling opnieuw om deze zo nodig te verlagen en beperkingen van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval toe te voegen. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".
7.  Uiterlijk op 31 december 2018 onderzoekt de Commissie de mogelijkheid om een doelstelling voor en beperkingen op het storten van andere ongevaarlijke afvalstoffen dan stedelijk afval in te voeren. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 – lid 7 bis (nieuw)
c bis)   In artikel 5 wordt het volgende lid toegevoegd:
7 bis.   De Commissie doet nader onderzoek naar de haalbaarheid van een voorstel voor een regelgevingskader voor "enhanced landfill mining", teneinde het mogelijk te maken secundaire grondstoffen terug te winnen die in bestaande stortplaatsen aanwezig zijn. Tegen 31 december 2025 brengen de lidstaten de bestaande stortplaatsen in kaart, met vermelding van de mogelijkheden voor "enhanced landfill mining", en wisselen zij informatie uit.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 bis – lid 2 – inleidende formule
2.  De in lid 1 bedoelde verslagen omvatten het volgende:
2.  De in lid 1 bedoelde verslagen worden openbaar gemaakt en omvatten het volgende:
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 bis – lid 2 – punt b bis (nieuw)
"b bis) voorbeelden van beste praktijken die in de hele Unie worden toegepast en die als leidraad kunnen dienen om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de in artikel 5 vastgestelde doelstellingen."
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 5 ter (nieuw)
3 bis)   Het volgende artikel 5 ter wordt toegevoegd:
Artikel 5 ter
Uitwisseling van beste praktijken en informatie
De Commissie zet een platform op voor een regelmatige en structurele uitwisseling van beste praktijken en informatie tussen de Commissie en de lidstaten over de praktische uitvoering van de voorschriften van deze richtlijn. Deze uitwisseling zal helpen zorgen voor behoorlijk bestuur, handhaving, grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken zoals innovatiedeals en intercollegiale toetsing. Voorts stimuleert het platform koplopers en maakt het sprongsgewijze vooruitgang mogelijk. De Commissie maakt de resultaten van het platform openbaar.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 6 – punt a
3 ter)   Artikel 6, punt a, wordt als volgt gewijzigd:
“a) alleen behandelde afvalstoffen worden gestort. Deze bepaling behoeft niet van toepassing te zijn op inerte afvalstoffen waarvan de behandeling technisch niet realiseerbaar is of op andere afvalstoffen waarvoor een dergelijke behandeling niet tot de verwezenlijking van de in artikel 1 vermelde doelstellingen van de richtlijn bijdraagt door vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen of de gevaren voor de volksgezondheid dan wel het milieu;"
“a) alleen behandelde afvalstoffen worden gestort. Als de betrokken lidstaat de reductiedoelstellingen van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, en de recyclingdoelstellingen van artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG heeft verwezenlijkt, behoeft deze bepaling niet van toepassing te zijn op inerte afvalstoffen waarvan de behandeling technisch niet realiseerbaar is of op andere afvalstoffen waarvoor een dergelijke behandeling niet tot de verwezenlijking van de in artikel 1 vermelde doelstellingen van de richtlijn bijdraagt door vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen of de gevaren voor de volksgezondheid dan wel het milieu;"
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 6 – punt a – tweede alinea
4)  In artikel 6, onder a), wordt de volgende zin toegevoegd:
4)  In artikel 6, punt a, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig dit punt getroffen maatregelen het bewerkstelligen van de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG niet in gevaar brengen, met name wat betreft de verhoging van de voorbereiding voor hergebruik en van recycling zoals vastgesteld in artikel 11 van die Richtlijn;".
"De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig dit punt getroffen maatregelen het bewerkstelligen van de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG niet in gevaar brengen, met name wat betreft de afvalhiërarchie en de verhoging van de voorbereiding voor hergebruik en van recycling zoals vastgesteld in artikel 11 van die Richtlijn;".
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 15 – lid 1
1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].
1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 12 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld. Het eerste verslag over de in artikel 5, lid 5, vervatte doelstelling omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 15 bis (nieuw)
6 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 bis
Instrumenten ter bevordering van een verschuiving naar een meer circulaire economie
Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten en treffen zij andere maatregelen om stimulansen te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 ter (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 15 ter (nieuw)
6 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 ter
Vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen
De te hanteren methode voor de vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen, in het veld en voor het gehele terrein, wordt door de Commissie ontwikkeld en vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld."
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 quater (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 15 quater (nieuw)
6 quater)   Het volgende artikel 15 quater wordt ingevoegd:
"Artikel 15 quater
Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen
De Commissie ontwikkelt door middel van uitvoeringshandelingen een Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Totdat die uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten nationale normen en procedures toepassen."
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 1999/31/EG
Artikel 17 bis – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Voordat zij een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt de Commissie de deskundigen die door elke lidstaat zijn aangewezen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Bijlage I – punt 3.5
9 bis)   Bijlage I, punt 3.5 wordt geschrapt.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 ter (nieuw)
Richtlijn 1999/31/EG
Bijlage II – punt 5
9 ter)   Bijlage II, punt 5, wordt geschrapt.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0031/2017).


Verpakking en verpakkingsafval ***I
PDF 520kWORD 73k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 maart 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (COM(2015)0596 – C8-0385/2015 – 2015/0276(COD))(1)
P8_TA(2017)0072A8-0029/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Gezien de afhankelijkheid van de Unie van de invoer van grondstoffen en het feit dat een aanzienlijk aantal natuurlijke hulpbronnen op korte termijn uitgeput zal raken, is het van cruciaal belang om zoveel mogelijk hulpbronnen in de Unie terug te winnen en de overgang naar een circulaire economie te bevorderen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 bis (nieuw)
(-1 bis)   Afvalstoffenbeheer moet worden omgevormd tot duurzaam materiaalbeheer. De herziening van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis biedt daartoe een mogelijkheid.
__________________
1 bis.   Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van een meer circulaire economie.
(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bevordering van de beginselen van de circulaire economie, de bredere verspreiding van hernieuwbare energie, de verhoging van de energie-efficiëntie en de vermindering van de afhankelijkheid van de Unie van ingevoerde hulpbronnen, zodat er nieuwe economische kansen ontstaan en het concurrentievermogen op lange termijn wordt bevorderd. Om de economie werkelijk circulair te maken, moeten er aanvullende maatregelen worden genomen ten behoeve van duurzame productie en consumptie die gericht zijn op de totale levenscyclus van producten, en wel op zodanige wijze dat hulpbronnen behouden blijven en de kringloop wordt gesloten. Een efficiënter gebruik van hulpbronnen zou ook leiden tot aanzienlijke nettobesparingen voor ondernemingen, overheden en consumenten in de Unie, alsook tot een vermindering van de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Een politieke en maatschappelijke stimulans om nuttige toepassing en recycling te bevorderen als duurzame manier om in een circulaire economie met natuurlijke hulpbronnen om te gaan, moet stroken met de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis en strikt de benadering volgen waarin preventie voorrang heeft op recycling.
__________________
1bis Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)   Tot zwerfafval verworden en incorrect verwijderde verpakking en verpakkingsafval heeft negatieve gevolgen voor zowel het mariene milieu als de economie van de Unie en houdt onnodige risico's in voor de volksgezondheid. Verpakkingsafval behoort tot de meest voorkomende materialen waarmee stranden zijn verontreinigd en heeft langdurige gevolgen voor het milieu, wat afbreuk doet aan het toerisme en aan het plezier dat het publiek in deze natuurgebieden kan beleven. Bovendien verstoort verpakkingsafval dat in het mariene milieu terechtkomt de prioriteitsvolgorde van de afvalhiërarchie, met name doordat het voorafgaand aan de incorrecte verwijdering niet wordt voorbereid voor hergebruik of gerecycleerd of anderszins nuttig wordt toegepast. Om het buitensporige aandeel van verpakkingsafval in het zwerfvuil op zee te beperken, dient een bindende doelstelling te worden vastgesteld en dienen de lidstaten de nodige gerichte maatregelen te nemen om die doelstelling te verwezenlijken.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De bij Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad13 vastgestelde doelstellingen voor de terugwinning en recycling van verpakking en verpakkingsafval moeten worden gewijzigd om de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van verpakkingsafval te verhogen, teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen.
(2)  De bij Richtlijn 94/62/EG vastgestelde doelstellingen voor de nuttige toepassing en recycling van verpakking en verpakkingsafval moeten worden gewijzigd om de doelstellingen voor de recycling van verpakkingsafval te verhogen, teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen.
__________________
13. Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   Er moeten afzonderlijke kwantitatieve doelstellingen voor hergebruik worden vastgesteld die de lidstaten moeten proberen te verwezenlijken om herbruikbare verpakking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan banengroei en grondstoffenbesparing.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)   Een toename van het hergebruik van verpakking kan leiden tot vermindering van de totale kosten in de toeleveringsketen en van de milieueffecten van verpakkingsafval. De lidstaten moeten het op de markt brengen van herbruikbare verpakking, die aan het einde van zijn levenscyclus recycleerbaar is, ondersteunen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)   In bepaalde situaties, zoals de verkoop van levensmiddelen, is voor eenmalig gebruik bestemde verpakking nodig om voedselhygiëne en de gezondheid en veiligheid van de consument te waarborgen. De lidstaten moeten hiermee rekening houden bij de opstelling van preventiemaatregelen en betere toegang tot recycling voor dergelijke verpakking bevorderen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Voorts moeten, met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving, de definities van Richtlijn 94/62/EG in overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad14, die van toepassing is op afval in het algemeen.
(3)  Voorts moeten, met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving en onverminderd de specifieke kenmerken van verpakking en verpakkingsafval, de definities van Richtlijn 94/62/EG in voorkomend geval in overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG, die van toepassing is op afval in het algemeen.
__________________
14 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Er zouden duidelijke economische, sociale en milieuvoordelen verbonden zijn aan een verdere verhoging van de bij Richtlijn 94/62/EG vastgestelde doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van verpakkingsafval.
(4)  Er zouden duidelijke economische, sociale en milieuvoordelen verbonden zijn aan een verdere verhoging van de bij Richtlijn 94/62/EG vastgestelde doelstellingen voor de recycling van verpakkingsafval.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Afvalpreventie is de efficiëntste manier om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren, het milieueffect van afval te verkleinen en recycling van hoogwaardige materialen te bevorderen. Daarom moeten de lidstaten een op de levenscyclus gebaseerde benadering volgen teneinde de milieueffecten van producten te beperken. De lidstaten moeten maatregelen nemen om het gebruik van herbruikbare verpakking te stimuleren en te bereiken dat minder gebruik wordt gemaakt van niet-recycleerbare en overtollige verpakking. Daartoe moeten de lidstaten gebruikmaken van passende economische instrumenten en andere maatregelen om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalhiërarchie. De lidstaten moeten gebruik kunnen maken van de in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG opgesomde maatregelen. Voorts mag het streven naar afvalpreventie geen afbreuk doen aan de rol van verpakking voor het behoud van de hygiëne of de veiligheid voor de consument.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   De lidstaten moeten zorgen voor passende prikkels voor de toepassing van de afvalhiërarchie, met name financiële en fiscale prikkels die zijn gericht op het bereiken van de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen inzake afvalpreventie en -recycling, zoals stort- en verbrandingsheffingen, gedifferentieerde afvaltarieven, regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en stimuleringsmaatregelen voor lokale overheden. Die maatregelen moeten in alle lidstaten deel uitmaken van de afvalpreventieprogramma's.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)   In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt het aanbrengen van de verpakking niet bepaald en niet gekozen door de eindgebruiker maar door de producent. Regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn een geschikte manier om zowel het ontstaan van verpakkingsafval te voorkomen als systemen te creëren die garanderen dat het gebruikte verpakkingsmateriaal en/of het verpakkingsafval wordt opgehaald en/of ingezameld bij de consument of een andere eindgebruiker of uit de afvalstroom wordt verwijderd, en dat het ingezamelde verpakkingsmateriaal en/of verpakkingsafval wordt hergebruikt of nuttig wordt toegepast, onder meer via recycling.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)   Om de preventie van verpakkingsafval te stimuleren en de milieueffecten ervan te verkleinen en tegelijkertijd te bevorderen dat hoogwaardige materialen worden gerecycleerd, moeten de essentiële eisen van en bijlage II bij deze richtlijn worden geëvalueerd en zo nodig herzien, teneinde de eisen aan te scherpen die het ontwerp voor hergebruik en hoogwaardige recycling van verpakking zullen bevorderen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 sexies (nieuw)
(4 sexies)   De nationale strategieën van de lidstaten moeten onder meer gericht zijn op bewustmaking van het publiek met betrekking tot de diverse stimuleringsmaatregelen en de voordelen die uit gerecycleerd afval vervaardigde producten met zich brengen, wat investeringen in de sector van de gerecycleerde producten zal stimuleren.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 septies (nieuw)
(4 septies)   Het stimuleren van een duurzame bio-economie kan ertoe bijdragen dat Europa minder afhankelijk wordt van ingevoerde grondstoffen. Wanneer de marktsituatie van biogebaseerde, recycleerbare verpakking en composteerbare, biologisch afbreekbare verpakking wordt verbeterd en bestaand recht dat het gebruik van dergelijke materialen belemmert, wordt herzien, biedt dat de mogelijkheid om meer onderzoek en innovatie te stimuleren en bij de productie van verpakking op fossiele brandstoffen gebaseerde grondstoffen te vervangen door hernieuwbare bronnen wanneer dit vanuit een levenscyclusperspectief voordelig is, alsook om verdere organische recycling te ondersteunen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Een geleidelijke verhoging van de bestaande doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van verpakkingsafval moet waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend nuttig worden toegepast door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Op die manier moet ervoor worden gezorgd dat waardevolle materialen uit afval terugvloeien naar de Europese economie, waardoor vooruitgang wordt geboekt met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 en de ontwikkeling van een circulaire economie.
(5)  Een geleidelijke verhoging van de bestaande doelstellingen voor de recycling van verpakkingsafval moet waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend nuttig worden toegepast door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Op die manier moet ervoor worden gezorgd dat waardevolle materialen uit afval terugvloeien naar de Europese economie, waardoor vooruitgang wordt geboekt met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 en de ontwikkeling van een circulaire economie, onverminderd het recht inzake voedselveiligheid, consumentengezondheid en voedselcontactmateriaal.
__________________
__________________
15 COM(2013)0442.
15 COM(2013)0442.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   De circulaire economie moet expliciete bepalingen van het 7e milieuactieprogramma waarin wordt verzocht om de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli ten uitvoer leggen, om ervoor te zorgen dat gerecycled afval kan worden gebruikt als belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen in de Unie.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Wanneer gerecycleerd materiaal de economie opnieuw binnenkomt doordat het de einde-afvalfase heeft bereikt, hetzij omdat het beantwoordt aan de specifieke criteria voor de einde-afvalfase, hetzij omdat het wordt opgenomen in een nieuw product, moet het volledig in overeenstemming zijn met het Unierecht inzake chemische stoffen.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Er zijn aanzienlijke verschillen tussen huishoudelijk verpakkingsafval en commercieel en industrieel verpakkingsafval. Om een duidelijk en nauwkeurig beeld te krijgen van beide stromen, moeten de lidstaten hierover afzonderlijk rapporteren.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Het is daarom van groot belang duidelijke beleidsdoelstellingen te bepalen om te voorkomen dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten.
(6)  In veel lidstaten is de nodige afvalbeheerinfrastructuur voor recycling nog niet volledig uitgebouwd. Het is daarom van groot belang duidelijke beleidsdoelstellingen te bepalen voor de bouw van afvalverwerkingsvoorzieningen en -installaties die nodig zijn voor preventie, hergebruik en recycling, om te voorkomen dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten, en om prikkels te bieden voor investeringen in innovatieve afvalbeheerinfrastructuur voor recycling.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken en om de overgang naar een circulaire economie te stimuleren, moet de Commissie de coördinatie en de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten en tussen de verschillende sectoren van de economie bevorderen. Deze uitwisseling kan worden gefaciliteerd door communicatieplatforms die nieuwe industriële oplossingen onder de aandacht kunnen brengen en een beter overzicht van de beschikbare capaciteiten kunnen geven, wat ertoe zou bijdragen dat de afvalindustrie in contact wordt gebracht met andere sectoren en industriële symbiose zou bevorderen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Door de samenvoeging van de bij de Richtlijnen 2008/98/EG en 1999/31/EG vastgestelde recyclingdoelstellingen en stortbeperkingen zijn de bij Richtlijn 94/62/EG vastgestelde doelstellingen van de Unie voor energieterugwinning en de recyclingdoelstellingen van de Unie voor verpakkingsafval niet langer nodig.
(7)  Door de samenvoeging van de bij de Richtlijnen 2008/98/EG en 1999/31/EG van de Raad1bis vastgestelde recyclingdoelstellingen en stortbeperkingen zijn de bij Richtlijn 94/62/EG vastgestelde doelstellingen van de Unie voor energieterugwinning voor verpakkingsafval niet langer nodig.
__________________
1 bis.   Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Deze richtlijn stelt langetermijndoelstellingen vast voor het afvalstoffenbeheer van de Unie en geeft ondernemingen en de lidstaten een duidelijke richting voor de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën voor afvalstoffenbeheer en het plannen van investeringen in de infrastructuur voor afvalstoffenbeheer moeten de lidstaten, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, terdege gebruikmaken van de Europese structuur- en investeringsfondsen door preventie, hergebruik en recycling te bevorderen.
(8)  Deze richtlijn stelt langetermijndoelstellingen vast voor het afvalstoffenbeheer van de Unie en geeft ondernemingen en de lidstaten een duidelijke richting voor de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te verwezenlijken. Bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën voor afvalstoffenbeheer en het plannen van investeringen in de infrastructuur voor afvalstoffenbeheer en de circulaire economie moeten de lidstaten, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, terdege gebruikmaken van de Europese structuur- en investeringsfondsen en deze strategieën en investeringsplannen zo opstellen dat zij, overeenkomstig de afvalhiërarchie, in de eerste plaats gericht zijn op de bevordering van afvalpreventie en hergebruik, gevolgd door recycling.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   De voorschriften betreffende een verdere verhoging van de recyclingdoelstellingen vanaf 2030 dienen te worden getoetst aan de ervaringen die bij de toepassing van deze richtlijn worden opgedaan.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Om te berekenen of de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling worden verwezenlijkt, moeten de lidstaten rekening kunnen houden met producten en componenten die voor hergebruik zijn voorbereid door erkende bedrijven voor de voorbereiding voor hergebruik en in het kader van erkende statiegeldsystemen. Om voor deze berekeningen geharmoniseerde voorwaarden te verzekeren, zal de Commissie gedetailleerde regels vaststellen voor de bepaling van erkende bedrijven voor de voorbereiding voor hergebruik en erkende statiegeldsystemen, alsmede voor de verzameling en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover.
(11)  Om een eenvormige berekening van de gegevens over recyclingdoelstellingen te waarborgen, moet de Commissie gedetailleerde regels vaststellen voor de bepaling van recyclingbedrijven, alsook voor de verzameling, traceerbaarheid en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover. Nadat deze geharmoniseerde methode is vastgesteld, moeten de lidstaten, om te berekenen of de doelstellingen voor recycling worden bereikt, rekening kunnen houden met de recycling van metalen die plaatsvindt in samenhang met verbranding of meeverbranding.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Om de betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens over de voorbereiding voor hergebruik te verzekeren, is het essentieel om gemeenschappelijke verslagleggingsregels vast te stellen. Het is tevens van belang preciezere regels vast te stellen die de lidstaten moeten volgen bij het aangeven van wat daadwerkelijk is gerecycleerd en kan worden meegerekend voor de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen. Hiertoe moet als algemene regel het verslag over de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen worden gebaseerd op de input in het eindproces van recycling. Om de administratieve lasten te verminderen, moet het de lidstaten, onder strikte voorwaarden, worden toegestaan hun verslag over de recyclingpercentages op de output van sorteerinrichtingen te baseren. Het gewichtsverlies van materialen of stoffen te wijten aan fysieke en/of chemische transformatieprocessen eigen aan het eindproces van recycling moet niet worden afgetrokken van het gewicht aan afvalstoffen dat in het verslag als gerecycleerd wordt aangegeven.
(12)  Om de betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens over recycling te verzekeren, is het essentieel om gemeenschappelijke regels vast te stellen inzake de verzameling, traceerbaarheid en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover. Het is tevens van belang preciezere regels vast te stellen die de lidstaten moeten volgen bij het aangeven van wat daadwerkelijk is gerecycleerd en kan worden meegerekend voor de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen. De berekening om vast te stellen of de doelstellingen worden bereikt, moet gebaseerd zijn op een geharmoniseerde methode die voorkomt dat verwijderd afval als gerecycleerd afval wordt gerapporteerd. Daartoe moet het verslag over de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen worden gebaseerd op de input in het eindproces van recycling. Het gewichtsverlies van materialen of stoffen te wijten aan fysieke en/of chemische transformatieprocessen eigen aan het eindproces van recycling moet niet worden afgetrokken van het gewicht aan afvalstoffen dat in het verslag als gerecycleerd wordt aangegeven.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren.
(14)  Door de lidstaten ingediende gegevens en informatie zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de ingediende gegevens moet worden verbeterd door een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens op basis van betrouwbare bronnen in te voeren, één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 94/62/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van de recentste methode die door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten is ontwikkeld.
(16)  Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 94/62/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens die door de Commissie in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de met het afvalstoffenbeheer belaste nationale, regionale en lokale autoriteiten is ontwikkeld.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   De lidstaten moeten de Commissie op verzoek onverwijld alle gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in haar geheel en het effect ervan op het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Met het oog op de aanvulling of wijziging van Richtlijn 94/62/EG moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag de bevoegdheid om handelingen vast te stellen ten aanzien van artikel 6 bis, leden 2 en 5, artikel 11, lid 3, artikel 19, lid 2, en artikel 20 aan de Commissie worden overgedragen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
(17)  Met het oog op de aanvulling van Richtlijn 94/62/EG moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de regels voor de berekening van de recyclingdoelstellingen, van bepaalde uitzonderingen betreffende het maximum gehalte aan zware metalen in bepaalde gerecycleerde materialen, productketens en soorten verpakking, van de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens en het formaat voor de indiening van gegevens over de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen, alsook wijzigingen in de lijst van illustratieve voorbeelden inzake de definitie van verpakking en eventuele technische moeilijkheden bij de toepassing van deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden zorgt voor passende raadpleging, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 94/62/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met artikel 12, lid 3 quinquies, en artikel 19. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad16.
(18)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 94/62/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor de aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van het systeem voor de vaststelling van de aard van het gebruikte verpakkingsmateriaal. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad16.
__________________
__________________
16 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
16 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat voor alle werknemers in de Unie strikte normen voor gezondheid en veiligheid op het werk gelden, die beantwoorden aan het bestaande Unierecht en rekening houden met de specifieke risico's die werknemers lopen in bepaalde productie-, recycling- en afvalverwerkingssectoren.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 1 – lid 2
-1)   Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Daartoe worden bij deze richtlijn maatregelen vastgesteld die op de eerste plaats gericht zijn op de preventie van verpakkingsafval en, als verdere fundamentele beginselen, op het hergebruik van verpakkingen en de recycling en terugwinning van verpakkingsafval, teneinde de definitieve verwijdering van dergelijk afval te verminderen. "
"2. Daartoe worden bij deze richtlijn maatregelen vastgesteld die op de eerste plaats gericht zijn op de preventie van verpakkingsafval en, als verdere fundamentele beginselen, op het hergebruik van verpakkingen en de recycling en terugwinning van verpakkingsafval, teneinde de definitieve verwijdering van dergelijk afval te verminderen om bij te dragen tot de overgang naar een circulaire economie."
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 3 – punt 2 bis (nieuw)
b bis)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"2 bis. "biogebaseerde verpakking": verpakking vervaardigd van materialen van biologische oorsprong, met uitzondering van materialen die zich in geologische formaties bevinden en/of gefossiliseerd zijn;"
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 3 – punten 3 t/m 10
c)  de punten 3 tot en met 10 worden geschrapt;
c)  de punten 3, 4 en 6 tot en met 10 worden geschrapt;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 3 – alinea 2
"Voorts zijn de in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde definities van "afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "inzameling", "gescheiden inzameling", "preventie", "hergebruik", "verwerking", "nuttige toepassing", "voorbereiding voor hergebruik", "recycling", "eindproces van recycling" en "verwijdering" van toepassing.";
"Voorts zijn de in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde definities van "afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "inzameling", "gescheiden inzameling", "preventie", "sortering", "stedelijk afval", "industrieel en commercieel afval", "verwerking", "nuttige toepassing", "recycling", "organische recycling", "eindproces van recycling", "zwerfafval" en "verwijdering" van toepassing."
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 4 – lid 1 – alinea 2
"Dergelijke maatregelen kunnen bestaan uit nationale programma's, stimulansen via regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om de effecten van verpakking op het milieu te beperken en soortgelijke maatregelen die, zo nodig in overleg met ondernemingen, worden genomen en opgezet om de vele initiatieven op het gebied van preventie in de lidstaten te bundelen en te benutten. Zij moeten stroken met de doelstellingen van deze richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1.";
"De lidstaten nemen maatregelen om het milieueffect van verpakking te minimaliseren en bij te dragen tot de verwezenlijking van de afvalpreventiedoelstellingen van artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG. Die maatregelen houden onder meer uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in als gedefinieerd in artikel 8, lid 1, derde alinea, alsook prikkels voor het gebruik van herbruikbare verpakking.
De lidstaten nemen maatregelen om te bereiken dat blijvend minder gebruik wordt gemaakt van niet-recycleerbare en overtollige verpakking. Dergelijke maatregelen brengen de hygiëne of de voedselveiligheid niet in gevaar.
Daarnaast kunnen de lidstaten andere maatregelen nemen die in overleg met marktdeelnemers en consumenten- en milieuorganisaties worden vastgesteld en die tot doel hebben de vele initiatieven op het gebied van preventie in de lidstaten te bundelen en te benutten.
Die maatregelen stroken met de doelstellingen van deze richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1.
De lidstaten maken gebruik maken van passende economische instrumenten en andere maatregelen om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn opgesomd in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 4 – lid 3
2 bis)   artikel 4, lid 3, wordt vervangen door:
3.  De Commissie dient, indien passend, voorstellen in voor maatregelen ter versterking en aanvulling van de handhaving van de essentiële eisen en om ervoor te zorgen dat verpakkingsmateriaal alleen op de markt wordt gebracht wanneer de producent alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de milieugevolgen te beperken zonder afbreuk te doen aan de essentiële functies van de verpakking.
"3. Uiterlijk 31 december 2020 dient de Commissie voorstellen in voor de bijwerking van de essentiële eisen teneinde de handhaving van die eisen te versterken en aan te vullen en er zo voor te zorgen dat verpakkingsmateriaal alleen op de markt wordt gebracht wanneer de producent alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de milieugevolgen te beperken zonder afbreuk te doen aan de essentiële functies van de verpakking. Na alle belanghebbenden te hebben geraadpleegd, dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in tot bijwerking van de eisen, met name om het ontwerp voor hergebruik en hoogwaardige recycling te versterken.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
2 ter)   In artikel 4 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 bis. Wanneer zulks vanuit een levenscyclusperspectief voordelig is, moedigen de lidstaten het gebruik van biogebaseerde recycleerbare verpakking en biologisch afbreekbare composteerbare verpakking aan door middel van maatregelen zoals:
a)   de bevordering van het gebruik ervan door onder meer economische instrumenten aan te wenden;
b)   de verbetering van de marktvoorwaarden voor die producten;
c)   de herziening van het bestaande recht dat het gebruik van die producten belemmert."
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 quater (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 5 – titel
2 quater)   (Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
"Hergebruik"
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 quinquies (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 5 – alinea 1
2 quinquies)   artikel 5, alinea 1, wordt vervangen door:
De Lid-Staten mogen overeenkomstig het Verdrag systemen bevorderen voor het hergebruik van verpakkingen die op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden hergebruikt.
1.   In overeenstemming met de afvalhiërarchie bevorderen de lidstaten overeenkomstig het Verdrag systemen voor het hergebruik van verpakkingen die op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden hergebruikt, zonder de voedselhygiëne en de veiligheid van consumenten in gevaar te brengen.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 sexies (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)
2 sexies)   In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De lidstaten streven ernaar de volgende doelstellingen voor hergebruik van verpakking te verwezenlijken:
a)   uiterlijk op 31 december 2025 wordt ten minste 5 gewichtsprocent van alle verpakkingsafval hergebruikt;
b)   uiterlijk op 31 december 2030 wordt ten minste 10 gewichtsprocent van alle verpakkingsafval hergebruikt;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 septies (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 5 – lid 1 ter (nieuw)
2 septies)   In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 ter. Om hergebruikverrichtingen aan te moedigen, kunnen de lidstaten onder meer de volgende maatregelen nemen:
—   het gebruik van statiegeldregelingen voor herbruikbare verpakking;
—   de vaststelling van een minimumpercentage herbruikbare verpakking dat elk jaar per verpakkingsstroom op de markt wordt gebracht;
—   de vaststelling van passende economische stimulansen voor producenten van herbruikbare verpakking."
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 octies (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 5 – lid 1 quater (nieuw)
2 octies)   In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:
1 quater.  Verpakkingen en hergebruikte verpakkingen die via een statiegeldregeling worden ingezameld, kunnen worden meegeteld voor de verwezenlijking van de in de nationale preventieprogramma's vastgestelde preventiedoelstellingen.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – titel
a)  de titel wordt vervangen door "Nuttige toepassing, hergebruik en recycling";
a)  de titel wordt vervangen door "Nuttige toepassing en recycling";
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid -1 (nieuw)
a bis)   Aan artikel 6 wordt het volgende lid -1 toegevoegd:
"-1. De lidstaten voeren sorteersystemen in voor alle verpakkingsmaterialen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 1 – letter f
f)  uiterlijk op 31 december 2025 wordt ten minste 65 gewichtsprocent van alle verpakkingsafval voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
f)  uiterlijk op 31 december 2025 wordt ten minste 70 gewichtsprocent van al het gegenereerde verpakkingsafval gerecycleerd;
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 1 – letter g
g)  uiterlijk op 31 december 2025 worden de volgende minimumdoelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling verwezenlijkt voor de volgende specifieke in verpakkingsafval aanwezige materialen:
g)  uiterlijk op 31 december 2025 worden de volgende minimumdoelstellingen voor recycling verwezenlijkt voor de volgende specifieke in verpakkingsafval aanwezige materialen:
i)  55 gewichtsprocent van het kunststof;
i)  60 gewichtsprocent van het kunststof;
ii)  60 gewichtsprocent van het hout;
ii)  65 gewichtsprocent van het hout;
iii)  75 gewichtsprocent van de ferrometalen;
iii)  80 gewichtsprocent van de ferrometalen;
iv)  75 gewichtsprocent van het aluminium;
iv)  80 gewichtsprocent van het aluminium;
v)  75 gewichtsprocent van het glas;
v)  80 gewichtsprocent van het glas;
vi)  75 gewichtsprocent van het papier en karton;
vi)  90 gewichtsprocent van het papier en karton;
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 1 – letter h
h)  uiterlijk op 31 december 2030 wordt ten minste 75 gewichtsprocent van alle verpakkingsafval voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
h)  uiterlijk op 31 december 2030 wordt ten minste 80 gewichtsprocent van alle verpakkingsafval gerecycleerd;
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 1 – letter i
i)  uiterlijk op 31 december 2030 worden de volgende minimumdoelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en de recycling verwezenlijkt voor de volgende specifieke in verpakkingsafval aanwezige materialen:
i)  uiterlijk op 31 december 2030 worden de volgende minimumdoelstellingen voor de recycling verwezenlijkt voor de volgende specifieke in verpakkingsafval aanwezige materialen:
i)  75 gewichtsprocent van het hout;
i)  80 gewichtsprocent van het hout;
ii)  85 gewichtsprocent van de ferrometalen;
ii)  90 gewichtsprocent van de ferrometalen;
iii)  85 gewichtsprocent van het aluminium;
iii)  90 gewichtsprocent van het aluminium;
iv)  85 gewichtsprocent van het glas;
iv)  90 gewichtsprocent van het glas;
v)   85 gewichtsprocent van het papier en karton.";
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 3
3.  Verpakkingsafval dat naar een andere lidstaat wordt overgebracht met het oog op voorbereiding voor hergebruik, recycling of nuttige toepassing ervan in die andere lidstaat, mag alleen worden meegerekend voor de verwezenlijking van de in lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen door de lidstaat waarin het verpakkingsafval is verzameld.
3.  Verpakkingsafval dat naar een andere lidstaat wordt overgebracht met het oog op recycling ervan in die andere lidstaat, mag alleen worden meegerekend voor de verwezenlijking van de in lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen door de lidstaat waarin het verpakkingsafval is verzameld.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 4
c bis)   Artikel 6, lid 4, wordt vervangen door:
4.  De lidstaten bevorderen, waar passend, dat bij de productie van verpakkingen en andere producten materialen verkregen uit gerecycleerd verpakkingsafval worden gebruikt door:
"4 De lidstaten bevorderen, wanneer dat vanuit een levenscyclusperspectief voordelig is en in overeenstemming is met de afvalhiërarchie, dat bij de productie van verpakkingen en andere producten materialen verkregen uit gerecycleerd verpakkingsafval worden gebruikt door:
a)  verbetering van de marktvoorwaarden voor die materialen;
a)  verbetering van de marktvoorwaarden voor die materialen;
b)  bestaande voorschriften die het gebruik van die materialen verbieden, te herzien.
b)  herziening van de bestaande voorschriften die het gebruik van die materialen belemmeren;
b bis)   gebruikmaking van passende economische instrumenten om het gebruik van secundaire grondstoffen te stimuleren, eventueel ook door maatregelen om het gerecycleerde gehalte van de producten te bevorderen en de toepassing van duurzaamheidscriteria bij openbare aanbestedingen;
b ter)   bevordering van materialen die na recycling de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen wanneer zij worden gebruikt in materialen die zijn bestemd om in contact te komen met levensmiddelen."
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – leden 5, 8 en 9
d)  de leden 5, 8 en 9 worden geschrapt;
d)  de leden 5 en 9 worden geschrapt;
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter d bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 – lid 8
d bis)   lid 8 wordt vervangen door:
8.   De Commissie legt zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 30 juni 2005 het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de vorderingen met de uitvoering van deze richtlijn en over de gevolgen ervan voor het milieu en de werking van de interne markt. In het verslag wordt rekening gehouden met de verschillende omstandigheden in elke lidstaat. In dit verslag worden de volgende kwesties behandeld:"
"8 Te dien einde evalueert de Commissie uiterlijk op 31 december 2024 de in artikel 6 vermelde doelstellingen en de vorderingen met betrekking tot de verwezenlijking ervan, rekening houdend met de beste praktijken en maatregelen waarvan de lidstaten zich bedienen om die doelstellingen te halen.
In haar evaluatie overweegt de Commissie de vaststelling van:
a)  een evaluatie van de doeltreffendheid, de uitvoering en de naleving van de essentiële eisen;
a)  doelstellingen voor andere verpakkingsafvalstromen;
b)  aanvullende preventieve maatregelen om de milieugevolgen van verpakking zoveel mogelijk te beperken, zonder de essentiële functies ervan in het gedrang te brengen;
b)  afzonderlijke doelstellingen voor huishoudelijk verpakkingsafval en voor commercieel en industrieel verpakkingsafval.
c)   de mogelijke ontwikkeling van een verpakkingsmilieu-indicator om verpakkingsafvalpreventie eenvoudiger en doeltreffender te maken;
Daartoe stelt de Commissie een verslag op dat, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, aan het Europees Parlement en de Raad wordt toegezonden."
d)   plannen voor verpakkingsafvalpreventie;
e)   stimulering van hergebruik en met name vergelijking van de kosten en voordelen van hergebruik met die van recycling;
f)   verantwoordelijkheid van de producent met inbegrip van de financiële aspecten;
g)   inspanningen om het gebruik van zware metalen en andere gevaarlijke stoffen in verpakkingen verder te verminderen en als dat passend is vóór 2010 volledig te beëindigen.
Het verslag dient, waar passend, te worden vergezeld van voorstellen tot herziening van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn, tenzij dergelijke voorstellen op dat moment al zijn ingediend.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 1
"1. Om te berekenen of de in artikel 6, lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen zijn verwezenlijkt:
"1. Om te berekenen of de in artikel 6, lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen zijn verwezenlijkt, wordt het gewicht van gerecycleerd verpakkingsafval berekend als het gewicht van afvalstoffen die in een gegeven jaar als input in het eindproces van recycling dienen.
a)   wordt onder het gewicht van gerecycleerd verpakkingsafval verstaan het gewicht van afvalstoffen die als input in het eindproces van recycling dienen;
b)   wordt onder het gewicht van voor hergebruik voorbereid verpakkingsafval verstaan het gewicht van verpakkingsafval dat door een erkend bedrijf voor de voorbereiding voor hergebruik nuttig is toegepast of is ingezameld en alle nodige controle-, schoonmaak- en reparatiehandelingen heeft ondergaan om hergebruik mogelijk te maken zonder verdere sortering of voorbehandeling;
c)   mogen lidstaten producten en componenten die voor hergebruik zijn voorbereid door erkende bedrijven voor de voorbereiding voor hergebruik of in het kader van erkende statiegeldsystemen, meerekenen. Voor de berekening van het aangepaste percentage verpakkingsafval dat voor hergebruik is voorbereid en gerecycleerd, waarbij rekening wordt gehouden met de voor hergebruik voorbereide producten en componenten, gebruiken de lidstaten geverifieerde gegevens van de bedrijven en passen zij de in bijlage IV vastgestelde formule toe.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Uiterlijk op 31 december 2018 verzoekt de Commissie de Europese normalisatie-instellingen om op basis van de beste beschikbare praktijken Europese kwaliteitsnormen te ontwikkelen voor afvalstoffen die in het eindproces van recycling belanden en voor secundaire grondstoffen, met name kunststoffen.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 2
2.  Om voor de toepassing van lid 1, onder b) en c), en bijlage IV geharmoniseerde voorwaarden te verzekeren, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 21 bis gedelegeerde handelingen vast die kwalitatieve en operationele minimumvereisten opleggen voor de bepaling van erkende bedrijven voor de voorbereiding voor hergebruik en erkende statiegeldsystemen, met inbegrip van specifieke regels voor de verzameling en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover.
2.  Om voor de toepassing van lid 1 geharmoniseerde voorwaarden te verzekeren, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 21 bis gedelegeerde handelingen vast teneinde deze richtlijn aan te vullen met kwalitatieve en operationele minimumvereisten voor de bepaling van recycling-eindbedrijven, met inbegrip van specifieke regels voor de verzameling, traceerbaarheid en verificatie van gegevens en de verslaglegging hierover.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie onderzoekt de mogelijkheden om de verslaglegging over samengestelde verpakking op één lijn te brengen met de verplichtingen die zijn vastgesteld in deze richtlijn en stelt, indien nodig, daartoe strekkende maatregelen voor.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 3
3.   In afwijking van lid 1 mag in het verslag het outputgewicht van een sorteerhandeling als het gewicht van het gerecycleerde verpakkingsafval worden aangegeven, op voorwaarde dat:
Schrappen
a)   deze outputafvalstoffen als input in het eindproces van recycling dienen;
b)   het gewicht van de materialen of stoffen die geen eindproces van recycling ondergaan en worden verwijderd of worden gebruikt voor energieterugwinning, minder dan 10 % bedraagt van het totale gewicht dat in het verslag als gerecycleerd wordt aangegeven.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 4
4.  De lidstaten moeten een doeltreffend systeem voor de kwaliteitscontrole en traceerbaarheid van verpakkingsafval instellen om te waarborgen dat aan de in lid 3, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden wordt voldaan. Het systeem kan bestaan uit krachtens artikel 35, lid 4, van Richtlijn 2008/98/EG opgezette elektronische registers, technische specificaties voor de kwaliteitsvereisten voor gesorteerde afvalstoffen of gelijkwaardige maatregelen om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verzamelde gegevens over gerecycleerde afvalstoffen te verzekeren.
4.  Overeenkomstig de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen zetten de lidstaten een doeltreffend systeem op voor de kwaliteitscontrole en traceerbaarheid van verpakkingsafval om te waarborgen dat aan de in lid 1 vastgestelde voorschriften wordt voldaan. Het systeem kan bestaan uit krachtens artikel 35, lid 4, van Richtlijn 2008/98/EG opgezette elektronische registers, technische specificaties voor de kwaliteitsvereisten voor gesorteerde afvalstoffen of gelijkwaardige maatregelen om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verzamelde gegevens over gerecycleerde afvalstoffen te verzekeren. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het gekozen systeem voor kwaliteitscontrole en traceerbaarheid.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 5
5.  Om te berekenen of de in artikel 6, lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen zijn verwezenlijkt, mogen de lidstaten rekening houden met de met verbranding gecombineerde recycling van metalen in verhouding tot het aandeel verbrand verpakkingsafval, op voorwaarde dat de gerecycleerde metalen voldoen aan bepaalde kwaliteitsvereisten. De lidstaten maken gebruik van de overeenkomstig artikel 11 bis, lid 6, van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde gemeenschappelijke methode.
5.  Om te berekenen of de in artikel 6, lid 1, onder f) tot en met i), vastgestelde doelstellingen zijn verwezenlijkt, mogen de lidstaten slechtsrekening houden met de met verbranding of meeverbranding gecombineerde recycling van metalen indien het afval voorafgaand aan de verbranding is gesorteerd of indien is voldaan aan de verplichting tot gescheiden inzameling van papier, metaal, kunststoffen, glas en bioafval, in verhouding tot het aandeel verbrand of meeverbrand verpakkingsafval, op voorwaarde dat de gerecycleerde metalen voldoen aan bepaalde kwaliteitsvereisten. De lidstaten maken gebruik van de overeenkomstig artikel 11 bis, lid 6, van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde gemeenschappelijke methode.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 ter – alinea1 – letter b bis (nieuw)
b bis)   voorbeelden van beste praktijken die worden aangewend in de Unie en als leidraad kunnen dienen voor het boeken van vorderingen ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 6 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Waar nodig wordt in de in lid 1 bedoelde verslagen ingegaan op de tenuitvoerlegging van andere dan de in lid 1 bedoelde vereisten van deze richtlijn, zoals de raming van de verwezenlijking van de doelstellingen van de afvalpreventieprogramma's en het percentage en de hoeveelheid stedelijk afval per hoofd van de bevolking dat wordt verwijderd of energieterugwinning ondergaat.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 7 – lid 1
5 bis)   artikel 7, lid 1, wordt vervangen door:
"1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor systemen voor:
"1. Teneinde aan de in deze richtlijn vastgelegde doelstellingen te voldoen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te zorgen voor systemen die het volgende bewerkstelligen en stimuleren:
a)  de terugname en/of inzameling van gebruikte verpakkingen en/of verpakkingsafval van de consumenten of andere eindgebruikers of uit de afvalstroom, teneinde ze naar de meest geschikte beheersalternatieven toe te leiden;
a)  de terugname en/of inzameling van gebruikte verpakkingen en/of verpakkingsafval van de consumenten of andere eindgebruikers of uit de afvalstroom, teneinde ze naar de meest geschikte beheersalternatieven toe te leiden;
b)  het hergebruik of de terugwinning, met inbegrip van recycling, van ingezamelde verpakkingen en/of verpakkingsafval,
b)  het hergebruik of de terugwinning, met inbegrip van recycling, van ingezamelde verpakkingen en/of verpakkingsafval;
om te voldoen aan de doelstellingen van deze richtlijn.
Deze systemen staan open voor deelneming van de ondernemingen van de betrokken sectoren en voor de deelneming van de bevoegde overheidsinstanties. Zij gelden ook voor ingevoerde produkten onder niet-discriminerende voorwaarden, waaronder de regels en eventuele tarieven voor toegang tot de systemen, en worden zo opgezet dat handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen overeenkomstig het Verdrag voorkomen worden.
Deze systemen staan open voor deelneming van de ondernemingen van de betrokken sectoren en voor de deelneming van de bevoegde overheidsinstanties. Zij gelden ook voor ingevoerde producten onder niet-discriminerende voorwaarden, waaronder de regels en eventuele tarieven voor toegang tot de systemen, en worden zo opgezet dat handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen overeenkomstig het Verdrag voorkomen worden.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 7 bis (nieuw)
5 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 7 bis
Specifieke maatregelen voor terugname- en inzamelingssystemen
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het volgende mogelijk te maken:
a)   de gescheiden inzameling van ten minste verpakking die of verpakkingsafval dat bestaat uit papier, metaal, kunststof of glas;
b)   de inzameling van samengestelde verpakking zoals gedefinieerd in Beschikking 2005/270/EG van de Commissie door middel van bestaande inzamelingsregelingen die voldoen aan de kwaliteitsnormen voor de eindfase van recycling."
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 quater (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 8 – lid 2
(5 quater)   artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Teneinde de inzameling, hergebruik en terugwinning, met inbegrip van recycling, te vergemakkelijken, geeft de betrokken industrie op de verpakking ten behoeve van identificatie en classificatie de aard van de gebruikte verpakkingsmaterialen aan op basis van Beschikking 97/129/EG van de Commissie[1].
"2. Teneinde inzameling, hergebruik en nuttige toepassing, met inbegrip van recycling, te vergemakkelijken, bevat verpakking informatie die voor dat doeleinde nuttig is. De betrokken industrie geeft op de verpakking ten behoeve van de identificatie en classificatie met name de aard van de gebruikte verpakkingsmaterialen aan op basis van Beschikking 97/129/EG van de Commissie[1]..
PB L 50 van 20.2.1997, blz. 28."
PB L 50 van 20.2.1997, blz. 28."
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 12 – lid 3 bis
"3 bis. De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag in met de gegevens betreffende de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met i), vastgestelde doelstellingen. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in.
"3 bis. De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk kalenderjaar een verslag in met de gegevens betreffende de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met i), vastgestelde doelstellingen. Zij verzamelen en verwerken de gegevens volgens de in lid 3 quinquies bedoelde gemeenschappelijke methode en dienen ze uiterlijk 12 maanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 12 – lid 3 bis – alinea 2
De gegevens worden ingediend in het formaat dat door de Commissie overeenkomstig lid 3 quinquies is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of entry into force of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of entry into force of this Directive + 1 year].
De gegevens worden verzameld en verwerkt volgens de in lid 3 quinquies bedoelde gemeenschappelijke methode en ingediend in het formaat dat door de Commissie overeenkomstig lid 3 quinquies is vastgesteld. Het eerste verslag over de in artikel 6, onder f) tot en met i), vermelde doelstellingen omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of entry into force of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of entry into force of this Directive + 1 year].
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 12 – lid 3 quater
3 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Dit verslag omvat een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode, alsook van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.
3 quater.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Totdat de in lid 3 quinquies bedoelde gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens is vastgesteld, omvat dit verslag een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode. De Commissie beoordeelt ook de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de ingediende gegevens en informatie. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt negen maanden na de eerste rapportering van gegevens door de lidstaten en vervolgens om de drie jaar een verslag opgesteld.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 12 – lid 3 quater bis (nieuw)
3 quater bis.   In het verslag neemt de Commissie informatie op over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in haar geheel en evalueert zij de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid, het milieu en de interne markt. Zo nodig kan dit verslag vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter d
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 12 – lid 3 quinquies
3d.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 3 bis. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.";
3d.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast om deze richtlijn aan te vullen met de gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens en het formaat voor de verslaglegging overeenkomstig lid 3 bis.";
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 21 bis – lid 2
2.  De bevoegdheid om de in artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 19, lid 2, en artikel 20 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [enter date of entry into force of this Directive] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.
2.  De bevoegdheid om de in artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 3 quinquies, artikel 19, lid 2, en artikel 20 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [enter date of entry into force of this Directive] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 21 bis – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 19, lid 2, en artikel 20 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 3 quinquies, artikel 19, lid 2, en artikel 20 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 94/62/EG
Artikel 21 bis – lid 5
5.  Een overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 19, lid 2, en artikel 20 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.";
5.  Een overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 3 quinquies, artikel 19, lid 2, en artikel 20 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.";
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage II
12 bis)   bijlage II bij Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval wordt vervangen overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage IV
14)   aan Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval wordt bijlage IV toegevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Schrappen
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – alinea -1 (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage II – punt 1 – streepje 1
-1)   In bijlage II, punt 1, wordt het eerste streepje als volgt gewijzigd:
—  Verpakking moet zodanig worden ontworpen, vervaardigd en in de handel gebracht dat hergebruik of terugwinning, met inbegrip van recycling, mogelijk is en dat het milieu-effect bij het verwijderen van verpakkingsafval of reststoffen van afvalbeheerverrichtingen zoveel mogelijk wordt beperkt.
"- Verpakking moet zodanig worden ontworpen, vervaardigd en in de handel gebracht dat hergebruik of nuttige toepassing, met inbegrip van recycling, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, mogelijk is en dat het milieueffect bij het verwijderen van verpakkingsafval of reststoffen van afvalbeheerverrichtingen zoveel mogelijk wordt beperkt."
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – alinea -1 bis (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage II – punt 1 – streepje 1 bis (nieuw)
-1 bis)   In bijlage II, punt 1, wordt het volgende streepje 1 bis ingevoegd:
"- Verpakking moet zodanig worden vervaardigd dat de koolstofvoetafdruk ervan tot een minimum wordt beperkt, onder meer door gebruikmaking van biologisch afbreekbare en duurzame biogebaseerde materialen."
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – alinea -1 ter (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage II – punt 3 – letter c
-1 ter)   Bijlage II, punt 3, letter c wordt vervangen door:
c)  Terugwinning in de vorm van compostering
"c) Nuttige toepassing van verpakking in de vorm van compostering
Verpakkingsafval dat wordt verwerkt met het oog op compostering moet zodanig biologisch afbreekbaar zijn dat het de gescheiden inzameling en het composteringsproces of de composteringsactiviteit waarin het wordt ingebracht niet hindert.
Verpakkingsafval dat wordt verwerkt met het oog op compostering moet zodanig biologisch afbreekbaar zijn dat het de gescheiden inzameling en het composteringsproces of de composteringsactiviteit waarin het wordt ingebracht niet hindert.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – alinea -1 quater (nieuw)
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage II – punt 3 – letter d
-1 quater)   Bijlage II, punt 3, onder d), wordt als volgt gewijzigd:
d)  Biologisch afbreekbare verpakking
"d) Biologisch afbreekbare verpakking
Biologisch afbreekbaar verpakkingsafval moet zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch afbreekbaar zijn dat het grootste deel van de resulterende compost uiteindelijk uiteenvalt in kooldioxyde, biomassa en water.
Biologisch afbreekbaar verpakkingsafval moet zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch afbreekbaar zijn dat het grootste deel van de resulterende compost uiteindelijk uiteenvalt in kooldioxide, biomassa en water. Onder invloed van zuurstof afbreekbare kunststofverpakking wordt niet als biologisch afbreekbaar beschouwd."
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – alinea 2
Richtlijn 94/62/EG
Bijlage IV
De volgende bijlage IV wordt toegevoegd:
Schrappen
"BIJLAGE IV
Berekeningsmethode voor de voorbereiding voor hergebruik van producten en componenten voor de toepassing van artikel 6, lid 1, onder f) tot en met i)
Voor het berekenen van het aangepaste percentage van recycling en voorbereiding op hergebruik overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en d), en artikel 11, lid 3, gebruiken de lidstaten de volgende formule:
E= (A+R)*100 / (P+R)
E: aangepast percentage van recycling en hergebruik in een bepaald jaar;
A: gewicht van het in een bepaald jaar gerecycleerd of voor hergebruik voorbereid stedelijk afval;
R: gewicht van de in een bepaald jaar voor hergebruik voorbereide producten en componenten;
P: gewicht van het in een bepaald jaar geproduceerd stedelijk afval.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0029/2017).


Gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie in 2014/2015
PDF 247kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015 (2016/2249(INI))
P8_TA(2017)0073A8-0046/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(1),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de bijzondere zittingen van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010),

–  gezien het VN-Verdrag van 1949 inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van prostitutie van anderen,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(2),

–  gezien zijn standpunt van 20 oktober 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (richtlijn moederschapsverlof)(3),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(4),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(5),

–  gezien Richtlijn 2013/62/EU van de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, in verband met de wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie(6),

–  gezien het bestaan sinds 1975 van EU-richtlijnen inzake verschillende aspecten van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Richtlijn 2010/41/EU(7), Richtlijn 2010/18/EU(8), Richtlijn 2006/54/EG, Richtlijn 2004/113/EG, Richtlijn 92/85/EEG(9), Richtlijn 86/613/EEG(10) en Richtlijn 79/7/EEG(11)),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 maart 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (richtlijn vrouwelijke bestuurders) (COM(2012)0614),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen",

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad van 4 maart 2016 over de ondertekening namens de Europese Unie van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)0111),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over gendergelijkheid (00337/2016),

–  gezien de conclusies van de Raad van 2 t/m 6 juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking (09543/2014),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over gendergelijkheid in de besluitvorming (14327/2015),

–  gezien de verklaring van het voorzitterschapstrio van 7 december 2015 ondertekend door Nederland, Slowakije en Malta,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 maart 2015, getiteld "2014 Report on equality between women and men in 2014" (SWD(2015)0049),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 4 maart 2016, getiteld "2015 Report on equality between women and men in 2015" (SWD(2016)0054),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld "Strategic engagement for gender equality 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resoluties van 10 februari 2010 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009(12), van 8 maart 2011 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2010(13), van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(14) en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2013, getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen" (COM(2013)0833) en gezien zijn resolutie van 6 februari 2014(16) over het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de resultaten van het onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in de Europese Unie (EU LGTB Survey), gepubliceerd in mei 2013,

–  gezien het verslag van het FRA, getiteld "Violence against women – an EU-wide survey. Main results", gepubliceerd in maart 2014,

–  gezien het verslag van het FRA, getiteld "The fundamental rights situation of intersex people", gepubliceerd in mei 2015,

–  gezien het verslag van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet), getiteld "The Persistence of Discrimination, Harassment and Inequality for Women. The Work of Equality Bodies informing a new European Commission Strategy for Gender Equality" (Het voortbestaan van discriminatie, intimidatie en ongelijkheid van vrouwen. De activiteiten van organen voor de bevordering van gendergelijkheid ten behoeve van een nieuwe strategie van de Commissie voor gendergelijkheid), gepubliceerd in 2015,

–  gezien de verslagen van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), getiteld "The gender employment gap: challenges and solutions"(2016) (Het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen - uitdagingen en oplossingen; 2016), "Social partners and gender equality in Europe"(2014) (Sociale partners en gendergelijkheid in Europa; 2014), "Developments in working life in Europe: EurWORK annual review" (2014 en 2015), (Ontwikkelingen in de arbeidssfeer: jaaroverzicht EurWORK; 2014 en 2015), en het zesde Europese onderzoek naar de arbeidsomstandigheden (EWCS) (2016),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over de nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015(17) en zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(18),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over het bestrijden van geweld tegen vrouwen(19),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(20),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(22),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(23),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(24),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep")(25),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(26),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan vanuit een genderperspectief(27),

–  gezien het voortgangsverslag van de Commissie van 3 juni 2013 over de doelstellingen van Barcelona, getiteld "Ontwikkeling van opvangdiensten voor jonge kinderen in Europa met het oog op een duurzame en inclusieve groei"(28),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 betreffende "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(29),

–  gezien de index voor gendergelijkheid van het Europees instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor 2015, het verslag Peking +20: de vierde evaluatie van de uitvoering in de EU-lidstaten van het actieprogramma van Peking, en andere verslagen van EIGE,

–  gezien het verslag van het Europees Netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid en non-discriminatie, getiteld "A comparative analysis of gender equality law in Europe 2015" (Een vergelijkende analyse van de gendergelijkheidswetgeving in Europa 2015) van januari 2016,

–  gezien de gezamenlijke conclusies over de rol van mannen en jongens bij het bereiken van gendergelijkheid van de 48e zitting van de Commissie voor de Status van de Vrouw van de Verenigde Naties (CSW) van maart 2004(30),

–  gezien het document "Transforming our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development", aangenomen tijdens de VN-top van 25 september 2015 over duurzame ontwikkeling, en de in dit document opgenomen doelstellingen en streefcijfers inzake gendergelijkheid, rechten van de vrouw en de versterking van de positie van vrouwen,

–  gezien het statistisch verslag van de Commissie van april 2014, getiteld "Single parents and employment in Europe" (alleenstaande ouders en werkgelegenheid in Europa)(31),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0046/2017),

A.  overwegende dat de index voor gendergelijkheid van EIGE voor 2015 slechts marginale verbeteringen laat zien en dat de EU nog slechts halverwege is op weg naar gendergelijkheid en dat de totale score sinds 2005 is gestegen van 51,3 naar 52,9 van de 100; overwegende dat er sneller vooruitgang moet worden geboekt, wil de EU de doelstellingen van Europa 2020 halen;

B.  overwegende dat in sommige lidstaten de laatste jaren sprake is van een sterke toename van politieke en burgerbewegingen die de gelijke rechten voor vrouwen en mannen slecht gezind zijn, en die zelfs van mening zijn dat het niet nodig is om gendergelijkheidsbeleid te voeren; overwegende dat dit verzet tegen gendergelijkheid erop gericht is om traditionele genderrollen te versterken, bestaande verworvenheden op het gebied van gendergelijkheid, rechten van de vrouw en de rechten van LGBTI-personen terug te draaien en toekomstige vooruitgang op dit gebied te belemmeren;

C.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondrecht van de Europese Unie is dat wordt erkend in het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat de Europese Unie zich in dit kader ten doel stelt gelijke kansen voor mannen en vrouwen en een gelijke behandeling van mannen en vrouwen te waarborgen en iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht te bestrijden;

D.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in 2015 hoger was dan ooit (64,5 %), maar nog altijd ruim achterbleef bij de arbeidsparticipatie van mannen (75,6 %); overwegende dat vrouwen helaas vier keer zo vaak voor parttime werk kiezen of parttime blijven werken, vaak onvrijwillig; overwegende dat veel jongeren, ondanks werk, nog altijd in armoede verkeren, met name in Griekenland, Spanje, Kroatië, Italië, Cyprus, Portugal en Slowakije;

E.  overwegende dat het werkloosheidspercentage van vrouwen in werkelijkheid hoger ligt, aangezien veel vrouwen niet als werkloos geregistreerd staan, met name vrouwen die in landelijke of afgelegen gebieden wonen, vrouwen die in een familiebedrijf meewerken en vrouwen die zich uitsluitend bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen; overwegende dat deze situatie ertoe leidt dat vrouwen geen gelijke toegang hebben tot openbare diensten (subsidies, pensioenen, moederschapsverlof, ziekteverlof, toegang tot sociale zekerheid, enz.);

F.  overwegende dat in het verslag van Eurofound over het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen wordt vermeld dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen de EU naar schatting 370 miljard EUR per jaar kost, oftewel 2,8 % van het bbp van de Unie(32);

G.  overwegende dat vrouwen, met name jonge vrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders en vrouwen die het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, in landen die hebben geleden onder de economische crisis en die gebukt gingen onder bezuinigingsmaatregelen onevenredig zwaar zijn getroffen, en dat deze vrouwen, doordat zij steeds meer van de arbeidsmarkt werden uitgesloten, in armoede moeten leven en gemarginaliseerd worden; overwegende dat bezuinigingen op het gebied van openbare zorg en gezondheidsdiensten leiden tot hernieuwde privatisering van de zorg, en dat vrouwen daar het meest onder lijden;

H.  overwegende dat de feminisering van armoede in de EU voortduurt en dat het enorme werkloosheidscijfer voor vrouwen en het hoge percentage vrouwen dat in armoede leeft en te maken heeft met sociale uitsluiting nauw samenhangen met besparingen op de begrotingen voor overheidsdiensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, sociale voorzieningen en sociale uitkeringen; overwegende dat dit beleid resulteert in onstabiele banen, met name door de toename van onvrijwillig deeltijdwerk en tijdelijke contracten;

I.  overwegende dat werkende vrouwen in 2015 driekwart van de huishoudelijke taken en twee derde van de zorg voor kinderen op zich namen, en dat deze vrouwen derhalve zwaar gebukt gaan onder dubbele verantwoordelijkheden; overwegende dat vrouwen in het algemeen zeer veel meer verantwoordelijkheden op zich nemen als het gaat om de zorg voor kinderen en huishoudelijke taken; overwegende dat traditionele genderrollen en stereotypen nog altijd van grote invloed zijn op de rolverdeling tussen vrouwen en mannen thuis, op het werk en in de samenleving in het algemeen; overwegende dat een traditionele verdeling van verantwoordelijkheden ertoe leidt dat de status quo gehandhaafd blijft, dat de kansen van vrouwen op werk en de persoonlijke ontwikkeling van vrouwen belemmerd worden en dat vrouwen weinig tijd overhouden voor hun sociale ontplooiing, deelname aan het maatschappelijk leven en deelname aan economische activiteiten; overwegende dat een gelijke verdeling van "onbetaalde arbeid", zoals huishoudelijke en zorgtaken, tussen mannen en vrouwen een voorwaarde is voor economische afhankelijkheid van vrouwen op de lange termijn;

J.  overwegende dat bepaalde gezinsgerelateerde vormen van verlof, ondanks de bestaande beleidskaders en wetgeving op EU- en nationaal niveau, nog steeds aanleiding geven tot discriminatie en stigmatisering van zowel vrouwen als mannen, maar dat dit met name vrouwen treft aangezien vooral vrouwen gezinsgerelateerd verlof opnemen, omdat met name zij de zorgtaken voor hun rekening nemen;

K.  overwegende dat bijna een vierde van de EU-lidstaten geen wettelijke regelingen kent voor vaderschapsverlof en overwegende dat in enkele landen die wel dergelijke regelingen kennen vaders slechts recht hebben op één, twee of een paar dagen verlof; overwegende dat in acht landen ouders tijdens het ouderschapsverlof geen recht hebben op loon, en dat het percentage vaders dat ouderschapsverlof opneemt laag ligt en dat slechts 10 % van de vaders ten minste één verlofdag opneemt, terwijl 97 % van de vrouwen gebruikmaakt van de mogelijkheid om ouderschapsverlof (waar beide ouders recht op hebben) op te nemen; overwegende dat het, om gendergelijkheid te verwezenlijken, van groot belang is dat meer gebruik wordt gemaakt van ouderschaps- en vaderschapsverlof; overwegende dat in de studie van Eurofound(33) factoren worden genoemd die van invloed zijn op de beslissing van vaders om al dan niet gebruik te maken van ouderschapsverlof, met name: de hoogte van de vergoeding, de flexibiliteit van de verlofregeling, de beschikbaarheid van informatie, de beschikbaarheid en flexibiliteit van kinderopvangfaciliteiten en de angst om door het nemen van verlof van de arbeidsmarkt te worden uitgesloten;

L.  overwegende dat de beschikbaarheid van goede, toegankelijke en betaalbare zorgvoorzieningen en -diensten voor kinderen en oudere en andere afhankelijke familieleden een voorwaarde is voor de actieve integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat de doelstellingen van Barcelona een uitstekend instrument vormen om echte gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bereiken en overwegende dat alle lidstaten ernaar moeten streven deze doelstellingen zo spoedig mogelijk te halen; overwegende dat moeders steeds vaker als gevolg van het gebrek aan goede en betaalbare kinderopvangvoorzieningen en -diensten gedwongen worden om te kiezen tussen werken in deeltijd en stoppen met werken om voor hun kinderen te zorgen, met alle gevolgen van dien voor het gezinsinkomen en -pensioen;

M.  overwegende dat de toegang tot onderwijs en het fundamentele recht van meisjes en vrouwen op scholing belangrijke Europese waarden zijn en van essentieel belang zijn voor de versterking van de positie van meisjes en vrouwen op sociaal, cultureel en professioneel gebied en ervoor zorgen dat zij ook alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten kunnen uitoefenen, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de voorkoming van geweld tegen vrouwen en meisjes; overwegende dat gratis, verplicht onderwijs voor iedereen een essentiële voorwaarde is om gelijke kansen voor iedereen te garanderen, en beschikbaar moet zijn voor alle kinderen, zonder enige vorm van discriminatie en ongeacht hun verblijfsstatus; overwegende dat de bestrijding van genderongelijkheid begint vanaf de kleuterleeftijd en dat onderwijsprogramma's, ontwikkelingsdoelstellingen en leerresultaten onder voortdurend pedagogisch toezicht moeten staan;

N.  overwegende dat gendergelijkheid de verantwoordelijkheid is van alle individuen in de samenleving en dat zowel mannen als vrouwen hieraan een actieve bijdrage moeten leveren; overwegende dat de autoriteiten zich zouden moeten inzetten voor de ontwikkeling van voorlichtingscampagnes gericht op mannen en jongere generaties, met het doel de betrokkenheid van mannen en jongens als partners te verbeteren, alle vormen van gendergerelateerd geweld geleidelijk te voorkomen en uit te bannen en vrouwen te ondersteunen en mondig te maken;

O.  overwegende dat er weliswaar tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan, maar dat de gemiddelde loonkloof tussen mannen en vrouwen in de EU nog altijd 16,1 % bedraagt, ondanks het feit dat vrouwen gemiddeld een hoger opleidingsniveau bereiken dan mannen;

P.  overwegende dat horizontale en verticale gendersegregatie op de arbeidsmarkt nog altijd op grote schaal voorkomt, onder meer doordat minder waarde wordt toegekend aan banen die als typisch "vrouwelijk" worden gezien dan aan banen die men als "mannelijk" beschouwt, doordat er nog altijd sprake is van "glazen plafonds", waardoor vrouwen er niet in slagen de hoogste en best betaalde banen te krijgen en doordat vrouwen nog altijd oververtegenwoordigd zijn in deeltijdbanen, die slechter betaald worden dat voltijdsbanen; overwegende dat evenveel vrouwen als mannen (of zelfs meer vrouwen dan mannen) een academische graad hebben, maar dat de gevolgen van genderstereotypen op onderwijs en scholing en op de beslissingen die leerlingen tijdens hun schooltijd maken van invloed kunnen zijn op de keuzes tijdens hun verdere leven en dus ook grote gevolgen hebben voor hun kansen op de arbeidsmarkt; overwegende dat de stereotypen die in de maatschappij hebben postgevat, inhoudende dat het hebben van kinderen en het hebben van een voltijdsbaan niet samengaan, ervoor zorgen dat vrouwen in een nadelige positie komen te verkeren en dat jonge vrouwen afzien van het volgen van vervolgonderwijs of het investeren in een carrière;

Q.  overwegende dat de samengestelde indicator betreffende betaalde en onbetaalde werktijd van de Eurofound-enquête naar arbeidsomstandigheden laat zien dat vrouwen, betaald en onbetaald werk opgeteld, meer uren werken(34);

R.  overwegende dat er onder meer in de goederen-, diensten- en landbouwsector sprake is van ongelijke toegang van vrouwen en mannen tot economische en financiële middelen, zoals activa, kapitaal, productiemiddelen en kredietverlening;

S.  overwegende dat de pensioenkloof in 2014 in de EU nog altijd zeer groot was en maar liefst op 40,2 % lag; overwegende dat deze pensioenkloof veroorzaakt wordt door het feit dat vrouwen vaak in deeltijd werken of hun loopbaan onderbreken vanwege zorgtaken en daarom minder recht hebben op financiële middelen, zoals uitkeringen of pensioenregelingen, waar zij recht op zouden hebben gehad als zij voltijds hadden gewerkt;

T.  overwegende dat er in de EU nog altijd enkele lidstaten zijn die geen belasting- en socialezekerheidsstelsels op basis van geïndividualiseerde rechten kennen; overwegende dat vrouwen in een dergelijke situatie afhankelijk zijn van hun echtgenoten, omdat zij alleen afgeleide rechten hebben op basis van hun relatie met een man;

U.  overwegende dat het totale aandeel vrouwen dat lid is van nationale/federale parlementen in het afgelopen decennium slechts met ongeveer 6 % is gestegen en in 2015 op 29 % lag;

V.  overwegende dat in 2015 slechts 6,5 % van de president-commissarissen en 4,3 % van de bestuursvoorzitters van de grootste beursgenoteerde ondernemingen vrouw was;

W.  overwegende dat er in raden van bestuur van EU-agentschappen, ondanks de toezegging van de EU om in het kader van de besluitvorming te streven naar gendergelijkheid, nog lang geen sprake is van genderevenwicht en er nog altijd sprake is van gendersegregatie, en dat gemiddeld 71 % van de leden van raden van bestuur man is, het voorzitterschap van raden van bestuur slechts in één op de drie gevallen wordt bekleed door een vrouw, en slechts 6 van de in totaal 42 uitvoerend directeuren van EU-agentschappen vrouw zijn;

X.  overwegende dat meer dan de helft van alle vrouwelijke slachtoffers van moord gedood is door een partner of door een familie- of gezinslid(35); overwegende dat 33 % van de vrouwen in de EU slachtoffer is geweest van lichamelijk of seksueel geweld en dat 55 % te maken heeft gehad met seksuele intimidatie, 32 % daarvan op het werk; overwegende dat vrouwen met name gevaar lopen het slachtoffer te worden van seksueel geweld, lichamelijk geweld en onlinegeweld, cyberpesten en stalking;

Y.  overwegende dat geweld tegen vrouwen wereldwijd een van de meest voorkomende vormen van schending van de mensenrechten is, die alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, sociale positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels is voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen; overwegende dat het verschijnsel femicide in de lidstaten niet afneemt;

Z.  overwegende dat onderzoek onder de bevolking naar de houding van mensen ten opzichte van geweld tegen vrouwen het zorgwekkende beeld laat zien dat men veelal geneigd is het slachtoffer als de schuldige partij te zien, hetgeen wellicht verband houdt met de patriarchaal ingestelde samenleving; overwegende dat er vaak geen sprake is van een krachtige veroordeling van dergelijk gedrag door overheidsinstanties en andere instellingen;

AA.  overwegende dat haatzaaiende uitlatingen en bedreiging van vrouwen veel vaker voorkomen sinds de opkomst van digitale communicatie en dat 18 % van de vrouwen in Europa sinds hun tienerjaren wel eens het slachtoffer is geweest van een vorm van intimidatie op internet, en dat er in Europa negen miljoen vrouwen te maken hebben gehad met onlinegeweld; overwegende dat onlinegeweld tegen vrouwen binnen de rechtssystemen onvoldoende wordt aangepakt; overwegende dat tegen slechts zeer weinig misbruikplegers en haatzaaiers aangifte wordt gedaan, een onderzoek wordt ingesteld, vervolging wordt ingesteld en een veroordeling wordt uitgesproken;

AB.  overwegende dat 23 % van de lesbiennes en 35 % van de transgenders in de afgelopen 5 jaar thuis of elders (op straat, in het openbaar vervoer, op de werkplek, enz.) minstens eenmaal lichamelijk/seksueel zijn aangevallen of bedreigd met geweld;

AC.  overwegende dat uit LGBT-onderzoek van de EU blijkt dat lesbiennes, biseksuelen en transgenders een zeer groot risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit; overwegende dat gendergerelateerde discriminatie raakvlakken heeft met andere vormen van discriminatie, zoals discriminatie op grond van ras en etnische afkomst, godsdienst, handicap, gezondheid, genderidentiteit, seksuele geaardheid en/of sociaaleconomische omstandigheden;

AD.  overwegende dat de levensomstandigheden van bepaalde groepen vrouwen die vaak met een combinatie van problemen en risico's te maken hebben en vaak gediscrimineerd worden, verslechteren;

AE.  overwegende er in 2015 sprake was van een ongekende stijging van het aantal vluchtelingen en asielzoekers op Europees grondgebied; overwegende dat volgens de UNHCR meer dan de helft van deze vluchtelingen en asielzoekers vrouwen en kinderen zijn, en overwegende dat er meldingen zijn van geweld (onder meer seksueel geweld) tegen en misbruik van deze vrouwen en kinderen tijdens hun vlucht, onder meer in de overvolle opvangcentra in de EU;

AF.  overwegende dat 80 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel vrouwen en meisjes zijn(36); overwegende dat het nog altijd zeer moeilijk is om vast te stellen wie de slachtoffers zijn en dat de ondersteuning en bescherming van slachtoffers verbeterd moet worden en dat bij alle inspanningen op het gebied van de bestrijding van mensenhandel rekening moet worden gehouden met genderaspecten;

AG.  overwegende dat mensenhandel met name plaatsvindt met het oog op seksuele uitbuiting en dat de vrouwen die daar het slachtoffer van zijn een leven van gevangenschap en misbruik leiden en dagelijks het slachtoffer zijn van lichamelijk en geestelijk geweld;

AH.  overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten fundamentele mensenrechten zijn en een wezenlijk bestanddeel vormen van gendergelijkheid en zelfbeschikking, en daarom een plaats moeten krijgen in de EU-gezondheidsstrategie;

AI.  overwegende dat de gezondheid van vrouwen nooit onder druk mag komen te staan wegens gewetensbezwaren of persoonlijke overtuigingen;

AJ.  overwegende dat de toepassing van de EU-wetgeving op het gebied van gendergelijkheid tekortschiet en dat zich in de lidstaten specifieke problemen voordoen met betrekking tot de omzetting en toepassing van de richtlijnen op dit gebied, zoals aanzienlijke lacunes in de wetgeving en inconsistente toepassing van de wetgeving door nationale rechtbanken, en dat er bovendien sprake is van een algemeen gebrek aan kennis over de beginselen en wetgeving inzake gelijkheid(37);

AK.  overwegende dat met name de EU-richtlijnen inzake gendergelijkheid in een aantal EU-lidstaten die transgenders niet beschermen tegen discriminatie op het gebied van de toegang tot werk en toegang tot goederen en diensten, niet naar behoren zijn omgezet;

AL.  overwegende dat institutionele mechanismen voor gendergelijkheid binnen nationale overheidsstructuren vaak vrijwel onzichtbaar zijn, verdeeld zijn over verschillende beleidsgebieden, niet goed functioneren door complexe en omvangrijker wordende mandaten of een gebrek aan bekwaam personeel, scholing, gegevens en middelen, en onvoldoende gesteund worden door de politiek(38);

AM.  overwegende dat het aanhoudende probleem van het ontbreken van omvattende, betrouwbare, naar geslacht uitgesplitste gegevens zorgt voor onduidelijkheid en leidt tot een vertekend beeld van de situatie op het gebied van gendergelijkheid, met name op het gebied van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld; overwegende dat als dergelijke gegevens verzameld worden, niet alleen duidelijkheid verkregen wordt omtrent de feitelijke situatie, maar tevens problemen aan het licht komen die onmiddellijk aangepakt moeten worden;

AN.  overwegende dat er bij de verwezenlijking van de doelstellingen voor gelijke behandeling een belangrijke rol is weggelegd voor de sociale partners, omdat zij, vanwege hun betrokkenheid bij de totstandkoming van beleid en bij collectieve onderhandelingen op verschillende niveaus, een belangrijke rol spelen als het gaat om de ontwikkeling van de arbeidsmarkt en de sociale omstandigheden, waarbij het evenwel duidelijk is dat de rol die zij in de verschillende landen en binnen de arbeidsverhoudingen in een land spelen sterk afhankelijk is van de nationale tradities en hun organisatorische kracht(39);

AO.  overwegende dat uit de Eurobarometer 2016 blijkt dat 55 % van de Europeanen graag zou zien dat de EU zich actiever opstelt op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; overwegende dat de Commissie krachtens de verdragen gehouden is gendergelijkheid te bevorderen, los van de peilingen;

1.  maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de EU volgens de index voor gendergelijkheid van EIGE voor 2015 nog pas halverwege is op weg naar gendergelijkheid; betreurt ten zeerste dat de gendergelijkheid als onderwerp op de agenda van de politiek steeds minder belangrijk en minder zichtbaar wordt en als beleidsdoelstelling en beleidsgebied gemarginaliseerd en ondergraven wordt, met name gelet op de achteruitgang op het gebied van vrouwenrechten, de rechten van de LGBTI-gemeenschap en seksuele en reproductieve gezondheidsrechten, en acht het noodzakelijk om na te denken over de aan deze tendens ten grondslag liggende redenen en om de bestaande strategieën, instrumenten en maatregelen op het gebied van gendergelijkheid te herzien;

2.  benadrukt dat de Unie krachtens het VEU verplicht is om sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden en krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gehouden is om de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen; benadrukt dat het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet belet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten gunste van het ondervertegenwoordigde geslacht, zoals bepaald in artikel 23 van het Handvest van de grondrechten;

3.  dringt er bij de Commissie op aan om gendergelijkheid in alle beleidsmaatregelen en begrotingen te integreren en gendergelijkheid een rol te laten spelen bij de uitvoering van EU-maatregelen en -programma's, en om bij de opstelling van nieuw beleid gendereffectbeoordelingen uit te voeren, teneinde te waarborgen dat het beleid dat wordt ontwikkeld om de problemen op het gebied van gendergelijkheid aan te pakken coherent en empirisch onderbouwd is; dringt er bij de lidstaten op aan om ook op nationaal niveau dergelijke maatregelen te nemen;

4.  dringt bij de Commissie aan op een betere beoordeling van de gevolgen van bezuinigingen door de overheid die negatieve gevolgen hebben voor de rechten van vrouwen en gendergelijkheid in de lidstaten en op maatregelen die bedoeld zijn om deze negatieve gevolgen aan te pakken en te voorkomen;

5.  betreurt dat gendermainstreaming in de Europa 2020-strategie niet aan de orde komt en dringt aan op een duidelijker integratie van het genderperspectief in deze strategie, waarbij de structurele oorzaken van armoede onder vrouwen worden aangepakt, met name in het kader van de opstelling van landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester, en dringt aan op opname in de jaarlijkse groeianalyse van specifieke beleidsrichtsnoeren voor het terugdringen van genderongelijkheden;

6.  wijst op de samenhang tussen genderdiscriminatie en andere vormen van discriminatie en de enorme gevolgen van meervoudige discriminatie voor vrouwen; benadrukt de dringende noodzaak om armoede onder vrouwen te bestrijden, en met name onder oudere vrouwen, alleenstaande moeders, vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van gendergerelateerd geweld, vrouwen met een handicap, vrouwelijke migranten, vrouwelijke vluchtelingen, vrouwelijke asielzoekers en vrouwen die tot een minderheid behoren; verzoekt de lidstaten met de regionale en lokale autoriteiten, rechtshandhavingsinstanties, nationale instanties voor gelijkheid en maatschappelijke organisaties samen te werken om de samenhang tussen genderdiscriminatie en andere vormen van discriminatie beter te bestuderen en doeltreffender strategieën ten uitvoer te leggen voor de integratie van vrouwen, door efficiënt gebruik te maken van de middelen die er zijn voor sociaal beleid, zoals het Europees Sociaal Fonds en de structuurfondsen;

7.  steunt het verzoek van de Raad aan de Commissie om te komen met een nieuw initiatief waarin een strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2016-2020 wordt uiteengezet, die ook betrekking heeft op transgenders en personen met een intersekse-conditie, die moet worden gekoppeld aan de Europa 2020-strategie en rekening moet houden met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, en om de status van haar strategische inzet voor gendergelijkheid te versterken;

8.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een krachtiger beleid en meer investeringen ter ondersteuning van de participatie van vrouwen in hoogwaardige banen in alle sectoren, en op maatregelen ter bestrijding van onzeker werk;

9.  spoort de lidstaten aan om initiatieven, maatregelen en acties te bevorderen voor de ondersteuning van en het verstrekken van advies aan vrouwen die als ondernemer aan de slag willen;

10.  verzoekt de Commissie om het genderperspectief in haar macro-economisch beleid te integreren en innovatieve maatregelen vast te stellen om gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mannen en vrouwen en een evenwichtige verhouding tussen mannen en vrouwen als het gaat om zorgtaken te bevorderen;

11.  merkt op dat gelijke participatie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt en een beter en rechtvaardiger loon voor vrouwen niet alleen de economische onafhankelijkheid van vrouwen zou vergroten, maar tevens het economisch potentieel van de EU aanzienlijk zou doen toenemen, met een rechtvaardige en inclusieve samenleving als gevolg; wijst erop dat een volledige convergentie van de arbeidsparticipatiecijfers zich, volgens prognoses van de OESO, zou vertalen in een stijging van het bbp per inwoner met 12,4 % tot 2030;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten schendingen van de rechten van werknemers te monitoren en maatregelen te nemen ter voorkoming van dergelijke schendingen, met name schendingen van de rechten van werkende vrouwen, die steeds vaker laagbetaald werk doen en het slachtoffer worden van discriminatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens om beleid en maatregelen vast te stellen om het fenomeen pesten op de werkvloer, bijvoorbeeld het lastigvallen van zwangere werknemers of het benadelen van vrouwen bij hun terugkeer op het werk na ouderschapsverlof of bij sollicitaties, vast te stellen en te voorkomen en over dit fenomeen voorlichting te verstrekken en vrouwen ertegen te beschermen; roept de Commissie en de lidstaten op naar geslacht en ouderschap uitgesplitste gegevens inzake loon- en pensioenkloven te verstrekken;

13.  benadrukt dat onderwijs een belangrijk instrument is om vrouwen in staat te stellen ten volle deel te nemen aan maatschappelijke en economische ontwikkeling; benadrukt dat maatregelen ter bevordering van een leven lang leren essentieel zijn om ervoor te zorgen dat vrouwen over de vaardigheden beschikken om terug te keren op de arbeidsmarkt of hun baan, inkomen of arbeidsomstandigheden te verbeteren; verzoekt de Commissie initiatieven te bevorderen ter ondersteuning van het opzetten van beroepsopleidingen voor vrouwen, initiatieven ter stimulering van de deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie en IT, initiatieven gericht op de ontwikkeling van opleidingsprogramma's over gendergelijkheid voor personen die werkzaam zijn in het onderwijs, en initiatieven die erop gericht zijn te voorkomen dat stereotypen worden doorgegeven via onderwijsprogramma's en studiemateriaal; roept universiteiten en onderzoeksinstellingen op om gendergelijkheidsbeleid in te voeren, in overeenstemming met de richtlijnen die door EIGE in samenwerking met de Europese Commissie zijn opgesteld (het instrument "GEAR" (Gender Equality in Academia and Research);

14.  dringt er bij alle lidstaten op aan om op alle niveaus binnen hun onderwijsstelsels aandacht te besteden aan gendervraagstukken, seksisme en genderstereotypen en ervoor te zorgen dat scholing over grondrechten en fundamentele vrijheden en gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen tot de doelstellingen van hun onderwijsprogramma's behoort, en om ervoor te zorgen dat de kwaliteitsnormen voor het onderwijs gericht zijn op opheffing van belemmeringen voor daadwerkelijke gelijkheid van vrouwen en mannen en op de bevordering van volledige gelijkheid tussen de geslachten;

15.  verzoekt de Commissie om in het kader van het werkprogramma van de Commissie voor 2017 in nauwe samenwerking met de lidstaten een ambitieus, omvattend pakket wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen op te stellen met betrekking tot het combineren van werk en privéleven, rekening houdend met de aangekondigde Europese pijler van sociale rechten, en met inbegrip van de herziening van de bestaande moederschapsrichtlijn 92/85/EEG en ouderschapsrichtlijn 2010/18/EU alsmede de voorstellen voor richtlijnen betreffende ouderschaps- en zorgverlof, en daarbij de gebruikmaking van deze verlofmogelijkheden door zowel mannen als vrouwen te bevorderen;

16.  neemt met tevredenheid kennis van het feit dat diverse lidstaten in 2014-2015 hun beleid en/of wetgeving inzake ouderschapsverlof hebben gewijzigd door het recht op verlof niet overdraagbaar te maken, vaderschapsverlof een verplicht karakter te geven, meer dagen vaderschapsverlof mogelijk te maken en/of een bonus toe te kennen als beide ouders (gelijkelijk) verlof opnemen, waardoor de rechten van ouders versterkt worden en gezorgd wordt voor meer gelijkheid tussen vrouwen en mannen en een evenwichtiger verdeling van zorg- en huishoudelijke taken, en de mogelijkheden van vrouwen om ten volle deel te nemen op de arbeidsmarkt worden verruimd; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om mannen te stimuleren evenveel als vrouwen huishoudelijke taken op zich te nemen en bij te dragen aan de zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen;

17.  verzoekt Eurofound verder te werken aan de ontwikkeling van haar activiteiten op het gebied van het toezicht op de kwaliteit van de werkgelegenheid en het beroepsleven, op basis van het concept arbeidskwaliteit waarbij wordt gekeken naar salariëring, carrièreperspectieven, werktijden, benutting van expertise en autonomie, sociale omgeving, fysiek risico en belasting door het werk; verzoekt Eurofound voorts om haar onderzoek op deze gebieden en op het gebied van overeenkomsten met de sociale partners en praktijken van ondernemingen die bevorderlijk zijn voor een goede balans tussen werk en vrije tijd verder te ontwikkelen, en tevens meer onderzoek te doen naar hoe tweeverdieners hun werktijden indelen en hoe deze groep het beste kan worden ondersteund;

18.  verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om in het kader van hun beleid gericht op sociale gelijkheid stappen te nemen in de richting van individualisering van rechten, met name binnen het belastingstelsel, teneinde financiële prikkels weg te nemen die ertoe leiden dat de minder verdienende partner zich van de arbeidsmarkt terugtrekt of parttime gaat werken;

19.  looft de lidstaten die beide Barcelona-doelstellingen hebben bereikt; spoort Portugal, Nederland, Luxemburg, Finland, Italië, Malta en Estland aan om de tweede doelstelling te verwezenlijken en verzoekt Polen, Kroatië en Roemenië, die de twee doelstellingen nog lang niet hebben bereikt, meer inspanningen te verrichten om te voorzien in officiële opvangregelingen, om op die manier een bijdrage te leveren aan een betere balans tussen het werk en het privéleven van werknemers; wijst erop dat de huidige bevindingen duidelijk laten zien dat investeringen in zorg voor kinderen en ouderen zullen leiden tot een toename van het percentage vrouwen in voltijdsbanen en een verbetering van de sociale integratie van vrouwen en de integratie van vrouwen in hun omgeving;

20.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om te werken aan de oprichting van een Garantie voor het Kind, om ervoor te zorgen dat ieder Europees kind met risico op armoede toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en voldoende voeding; benadrukt dat dergelijk beleid de situatie van vrouwen en meisjes, met name in kwetsbare en gemarginaliseerde gemeenschappen, moet aanpakken; merkt op dat het Jeugdgarantie-initiatief een genderperspectief moet bevatten;

21.  betreurt dat er nog altijd sprake is van een genderloonkloof en een genderpensioenkloof en dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de sociale partners op aan om op korte termijn maatregelen te nemen om deze kloven te dichten;

22.  stelt vast dat transparantie ten aanzien van salariëring een eerste stap vormt in het dichten van de genderloonkloof, en constateert met vreugde dat diverse ondernemingen ertoe zijn overgegaan verschillen in salariëring tussen mannen en vrouwen te analyseren en te publiceren; verzoekt alle werkgevers en vakbonden om specifieke instrumenten voor de evaluatie van banen te ontwikkelen en toe te passen, zodat erop kan worden toegezien dat mensen voor gelijk of gelijkwaardig werk een gelijk loon ontvangen; verzoekt de lidstaten voorts om regelmatig de salarissen en lonen in kaart te brengen, deze gegevens te publiceren en ondernemingen te verzoeken interne mechanismen in te voeren om loonkloven op te sporen;

23.  is verheugd dat de Commissie de "gelijke beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk" als een van haar belangrijkste prioriteiten beschouwt; dringt in dit kader aan op herschikking van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep van 2006;

24.  is teleurgesteld dat de genderpensioenkloof in meer dan de helft van de lidstaten is toegenomen; spoort Cyprus, Duitsland en Nederland aan de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, die bijna 50 % bedraagt, te verkleinen; dringt er bij Malta, Spanje, België, Ierland, Griekenland, Italië en Oostenrijk op aan de genderkloof op het gebied van de pensioendekking te dichten, aangezien tussen de 11 en 36 % van de vrouwen in deze landen geen recht heeft op pensioen;

25.  looft de regering van Zweden voor het bereiken van de doelstelling van evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen en looft Slovenië en Frankrijk voor het vrijwel bereiken van deze doelstelling en verzoekt Hongarije, Slowakije en Griekenland, waar regeringen zijn gevormd waar geen enkele vrouw deel van uitmaakt,(40) te waarborgen dat vrouwen op alle niveaus van de politieke en economische besluitvorming voldoende vertegenwoordigd zijn; vraagt de lidstaten om al het mogelijke te doen om gendergelijkheid in hoge functies binnen hun regeringen en overheidsinstanties en -organen en op kieslijsten te waarborgen, om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in gemeenteraden, regionale en nationale parlementen en het Europees Parlement; benadrukt dat verschillende studies hebben aangetoond dat passende wetgevende maatregelen tot snelle veranderingen kunnen leiden in het genderevenwicht in de politiek; deelt de mening van de Commissie dat quota alleen doeltreffend zijn als zij vergezeld gaan van wetgeving inzake de volgorde van kandidaten op kandidatenlijsten en passende sancties voor gevallen van niet-naleving;

26.  benadrukt dat de sterke ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, zowel in verkozen als in benoemde functies, op Europees niveau en in de lidstaten een democratisch deficit vormt dat de legitimiteit van de besluitvormingsprocessen op zowel nationaal als Europees niveau aantast;

27.  verzoekt de EU-instellingen al het mogelijke te doen om gendergelijkheid in het college van commissarissen en in hoge functies van alle EU-instellingen, agentschappen en organen van de EU te waarborgen;

28.  stelt met bezorgdheid vast dat het aantal vrouwen in bestuursorganen van grote beursgenoteerde ondernemingen in 2015, ten opzichte van 2010, in de meerderheid van de landen onder het EU-gemiddelde lag; is evenwel ingenomen met de algemene positieve trend, met name in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken;

29.  herhaalt zijn verzoek aan de Raad om een snelle vaststelling van de richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (richtlijn vrouwelijke bestuurders) als een belangrijke eerste stap op weg naar een evenwichtige vertegenwoordiging in de publieke en particuliere sector; merkt op dat de vooruitgang het concreetst is (van 11,9 % in 2010 naar 22,7 % in 2015) in de lidstaten die bindende wetgeving hebben vastgesteld met quota voor vrouwen in bestuursorganen(41);

30.  betreurt dat in slechts één lidstaat sprake is van genderpariteit in de hoogste functies van de instellingen voor hoger onderwijs, maar juicht toe dat er in het algemeen een verbetering zichtbaar is als het gaat om de vertegenwoordiging van vrouwen in deze functies;

31.  dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld te bestrijden en aan te pakken, en strategieën te ontwikkelen ter voorkoming van geweld, ervoor te zorgen dat slachtoffers gemakkelijk toegang hebben tot gespecialiseerde ondersteunende dienstverlening en bescherming, en bij de verslaglegging over de omzetting van de Richtlijn inzake de rechten van slachtoffers in 2017 speciale aandacht te besteden aan de genderspecifieke aspecten van de rechten van slachtoffers, ook wanneer die verband houden met de genderidentiteit en genderexpressie van een slachtoffer; verzoekt de Raad om de overbruggingsclausule toe te passen en een unaniem besluit te nemen waarmee gendergerelateerd geweld wordt toegevoegd aan de vormen van criminaliteit die zijn vastgelegd in artikel 83, lid 1, VWEU; verzoekt de Commissie om in aanvulling op de EU-wetgeving inzake de bescherming van slachtoffers een Europees register inzake Europese beschermingsbevelen in te stellen;

32.  herhaalt met klem dat gendergerelateerd geweld en discriminatie, waaronder verkrachting en seksueel geweld, seksuele intimidatie, genitale verminking van vrouwen, gedwongen huwelijken en huiselijk geweld, een enorme inbreuk vormen op de menselijke waardigheid; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een beleid van nultolerantie te voeren ten aanzien van alle vormen van geweld, waaronder huiselijk geweld, waarvoor geldt dat slachtoffers vaak geen aangifte doen omdat het geweld is gepleegd door partners of familieleden; dringt er bij de lidstaten op aan meer aandacht te besteden aan vrouwen met een handicap als slachtoffers van huiselijk geweld, die in veel gevallen niet in staat zijn om uit een gewelddadige relatie te ontsnappen;

33.  is ingenomen met het feit dat meer lidstaten het Verdrag van Istanbul, het eerste juridisch bindende instrument op internationaal niveau ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen, hebben ondertekend; verzoekt de veertien lidstaten die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd dit op korte termijn alsnog te doen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie van maart 2016 inzake toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul; verzoekt de Raad en de Commissie meer vaart te zetten achter de onderhandelingen over de ondertekening en sluiting van het Verdrag van Istanbul en steunt de toetreding van de EU tot dit verdrag onverkort en zonder enig voorbehoud; verzoekt de Commissie voorts een definitie van gendergerelateerd geweld op te nemen, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2012/29/EU, en zo snel mogelijk te komen met een omvattende Europese strategie ter voorkoming en bestrijding van gendergerelateerd geweld, inclusief een bindende wetgevingshandeling;

34.  is verheugd over de samenwerking tussen Eurostat en de nationale justitiële autoriteiten en de politie op het gebied van gegevensuitwisseling, bedoeld om meer inzicht te verkrijgen in het betreurenswaardige fenomeen gendergerelateerd geweld in de EU, en spoort hen aan om hiermee door te gaan en in samenwerking met EIGE strafbare feiten die gepleegd worden tegen vrouwen op jaarbasis te monitoren;

35.  benadrukt het nauwe verband tussen stereotypen en het sterk toenemende aantal intimidaties van vrouwen en seksisme via internet en sociale media, die tevens nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met zich meebrengen, zoals cyberpesten, cyberintimidatie, het gebruik van vernederende afbeeldingen online en de verspreiding via sociale media van persoonlijke foto's en video's zonder toestemming van de betrokkene; benadrukt dat dit probleem reeds bij jonge kinderen onder de aandacht moet worden gebracht; benadrukt dat deze situaties kunnen ontstaan als de bescherming door overheidsorganen en andere instanties die een genderneutrale omgeving zouden moeten waarborgen en seksisme zouden moeten tegengaan, tekortschiet;

36.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle wettelijke en juridische maatregelen te treffen om het verschijnsel onlinegeweld tegen vrouwen te bestrijden; dringt er met name bij de EU en de lidstaten op aan hun krachten te bundelen in een omvattende Europese strategie ter voorkoming en bestrijding van gendergerelateerd geweld, om een kader te bieden dat nieuwe vormen van onlinegeweld aanmerkt als strafbaar feit en zorgt voor psychologische ondersteuning van vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van onlinegeweld; pleit voor een gendereffectbeoordeling van de EU-strategie inzake cyberbeveiliging en het Europees Centrum voor bestrijding van cybercriminaliteit (Europol), opdat deze onderwerpen in deze strategie worden opgenomen en het centrum bij zijn werkzaamheden rekening houdt met het genderperspectief;

37.  verzoekt de Commissie nogmaals een Europees Waarnemingscentrum voor gendergeweld op te richten (naar het voorbeeld van het huidige Europees Instituut voor gendergelijkheid), dat onder leiding moet staan van een Europees coördinator voor de preventie van geweld tegen vrouwen en meisjes;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen vast te stellen ter bescherming van vrouwen en LGBTI-personen tegen intimidatie op de werkplek; verzoekt de Commissie om het huidige EU-kaderbesluit betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(42) aldus te herzien dat daarin ook seksisme, misdrijven ingegeven door vooroordelen en aanzetting tot haat wegens seksuele geaardheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken worden opgenomen;

39.  veroordeelt het feit dat in de meeste EU-landen nog steeds chirurgische ingrepen worden uitgevoerd bij kinderen met een intersekse-aandoening, met als doel deze kinderen te "normaliseren", terwijl er voor dergelijke ingrepen geen medische noodzaak bestaat; dringt er bij deze lidstaten op aan te voorkomen dat er dergelijke ingrepen worden uitgevoerd zonder de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene;

40.  merkt op dat personen met een intersekse-conditie in Malta en Griekenland bescherming genieten tegen discriminatie op grond van geslachtskenmerken; roept de lidstaten op om bij de omzetting van de EU-richtlijnen inzake gendergelijkheid in nationale wetgeving ter bevordering van gendergelijkheid aandacht te besteden aan discriminatie op grond van genderidentiteit en geslachtskenmerken;

41.  benadrukt dat gendergerelateerde vormen van geweld en discriminatie, waaronder verkrachting en seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, zogeheten eermisdrijven en door de staat gesteunde discriminatie op grond van geslacht, vormen van vervolging zijn en aangemerkt moeten worden als geldige reden voor het indienen van een asielaanvraag in de EU; pleit voor het realiseren van veilige en legale manieren om de EU binnen te komen; herinnert eraan dat vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting door mensensmokkelaars;

42.  dringt er nogmaals bij de lidstaten op aan onmiddellijk een einde te maken aan de detentie van kinderen, zwangere en borstvoeding gevende vrouwen en slachtoffers van verkrachting, seksueel geweld en mensenhandel, en te zorgen voor passende psychologische en medische ondersteuning die wordt verleend door mannelijke of vrouwelijke beroepsbeoefenaren, al naar gelang de situatie, zoals psychologen, maatschappelijk werkers, verpleegkundigen en artsen, die een passende opleiding ter zake hebben genoten; herinnert eraan dat vluchtelingen die het slachtoffer zijn geweest van geweld op grond van geslacht of (vermeende) seksuele geaardheid tijdig en in alle fasen van het migratieproces ondersteuning geboden moet worden, met inbegrip van onmiddellijke herplaatsing ingeval hun veiligheid niet kan worden gegarandeerd, hoogwaardige geestelijke gezondheidszorg en directe erkenning van de genderidentiteit voor de duur van de asielprocedure als maatregel ter preventie van geweld;

43.  herhaalt dat bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake de bestrijding van mensenhandel, één van de meest rendabele georganiseerde criminele activiteiten, voortdurend rekening gehouden moet worden met de genderdimensie en verzoekt de Commissie nogmaals om dit bij haar beoordeling van de naleving en omzetting van de richtlijn door de lidstaten te blijven bewaken en ervoor te zorgen dat aan de rapportageverplichtingen en aan de in de richtlijn vastgestelde termijnen wordt voldaan;

44.  verzoekt de Commissie om de lidstaten die mensenhandel bestrijden financieel en logistiek te ondersteunen, met name Italië en Griekenland, die zich als gevolg van de huidige migratiecrisis in de frontlinie bevinden bij de aanpak van deze noodsituatie;

45.  pleit ervoor dat de inspanningen die op nationaal en EU-niveau worden verricht om een einde te maken aan hardnekkige stereotypen en gendergerelateerde discriminatie worden geïntensiveerd door middel van voorlichtingscampagnes die erop gericht zijn om stereotypes van vrouwen en meisjes en mannen en jongens te doorbreken en die zich richten tot alle lagen van de maatschappij; verzoekt de lidstaten om positieve initiatieven te ontplooien, zoals strategieën die erop gericht zijn vrouwen ertoe te bewegen te kiezen voor een loopbaan of een baan in sectoren waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, en mannen ertoe te bewegen meer zorg- en huishoudelijke taken op zich te nemen, of mannen voor te lichten over de wijze waarop geweld, waaronder mensenhandel met het oog op commerciële seksuele uitbuiting, gedwongen huwelijken en gedwongen arbeid, vrouwen, mannen en kinderen schaadt en gendergelijkheid aantast, en om maatregelen te nemen, in de vorm van voorlichtingscampagnes om de vraag naar gesmokkelde vrouwen en kinderen te verminderen;

46.  herhaalt dat vrouwen de controle moeten hebben over hun seksuele en reproductieve gezondheid en hun seksuele en reproductieve rechten moeten kunnen uitoefenen; roept de lidstaten op de toegang van vrouwen tot vrijwillige gezinsplanning en het volledige aanbod van diensten op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid, waaronder anticonceptie en veilige en legale abortus, te waarborgen; verzoekt de lidstaten en de Commissie bewustmakingscampagnes te initiëren, die ertoe moeten leiden dat mannen en vrouwen volledig bekend zijn met hun rechten en plichten ter zake van seksuele en reproductieve aangelegenheden;

47.  wijst op het feit dat in steeds meer gevallen een beroep wordt gedaan op gewetensbezwaren, ten gevolge waarvan de toegang tot seksuele en reproductieve diensten wordt belemmerd; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat gewetensbezwaren er niet toe leiden dat patiënten de toegang tot de gezondheidszorg waar zij recht op hebben wordt ontzegd;

48.  is van mening dat de weigering van levensreddende diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, waaronder veilige abortus, een ernstige schending van fundamentele mensenrechten vormt;

49.  benadrukt het belang van een actief preventie-, onderwijs- en voorlichtingsbeleid dat zich richt op tieners, jongeren en volwassenen en dat ervoor zorgt dat de EU-burgers een goede seksuele en reproductieve gezondheid genieten, geen seksueel overdraagbare aandoeningen oplopen en niet ongewenst zwanger raken;

50.  spoort de bevoegde autoriteiten in de lidstaten aan om binnen hun uitgebreide onderwijsprogramma's op het gebied van seksuele voorlichting en relaties gendergelijkheid te bevorderen, en meisjes en jongens te wijzen op het belang van relaties die gebaseerd zijn op instemming, respect voor elkaar en wederkerigheid, en tevens gendergelijkheid te bevorderen in het kader van sport en vrijetijdsbesteding, waar stereotypen en de verwachtingen ten aanzien van mannen en vrouwen van invloed kunnen zijn op het zelfbeeld, de gezondheid, het verwerven van vaardigheden, de intellectuele ontwikkeling, sociale integratie en de identiteitsvorming van meisjes en jongens;

51.  wijst erop dat het van groot belang is om mannen te stimuleren om al het mogelijke te doen om gendergelijkheid te bereiken en om in kaart te brengen waar en hoe deze boodschap onder de aandacht kan worden gebracht van grote groepen mannen, met name binnen instanties, sectoren en verenigingen die door mannen gedomineerd worden, en tevens om mannen bewust te maken van de rol die zij spelen als het gaat om de bevordering van gendergelijkheid en de ondersteuning van het beginsel van gedeelde macht en verantwoordelijkheden voor mannen en vrouwen op het werk, in het sociale leven, in de privéomgeving en in de bredere context op nationaal en internationaal niveau;

52.  verzoekt de lidstaten om seksualisering en commercialisering van vrouwen door de media en de reclame-industrie te monitoren, omdat in hun uitingen vaak gebruik wordt gemaakt van vrouwelijke stereotypen, en jeugdigheid, schoonheid en seksuele aantrekkingskracht gekoppeld worden aan sociaal succes; verzoekt de Commissie om bij schending van de richtlijn audiovisuele mediadiensten door een lidstaat gerechtelijke stappen te nemen, en om door middel van stimuleringsmaatregelen goede praktijken binnen de publieke en commerciële mediaondernemingen te bevorderen; dringt er bij de media en de reclame-industrie op aan dat zij de waardigheid van vrouwen eerbiedigen, stereotype beeldvorming en discriminatie vermijden en de diversiteit van vrouwen omarmen; dringt er voorts bij de media en de reclame-industrie op aan aandacht te besteden aan een gezonde levensstijl en aan verschillende samenlevingsvormen en leefstijlen;

53.  herinnert aan de toezeggingen van de EU in de actieplannen EU-Celac (Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten) van 2013 en 2015 betreffende de uitbanning van geweld tegen vrouwen, en uit zijn bezorgdheid over de gebrekkige tenuitvoerlegging van hoofdstuk 7 daarvan inzake de bevordering van gendergelijkheid; verzoekt de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden samen te werken en economische en institutionele middelen toe te wijzen om de naleving van de in de actieplannen neergelegde aanbevelingen voor de bevordering van gendergelijkheid te waarborgen, met name ten aanzien van de uitbanning van alle vormen van geweld, overeenkomstig het Verdrag van Belém do Pará, het Verdrag van Istanbul en het CEDAW-verdrag;

54.  benadrukt dat uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van de klimaatverandering voor vrouwen groter zijn dan voor mannen, omdat vrouwen in een situatie van armoede doorgaans de zwaarste lasten dragen; is van oordeel dat vrouwen actief moeten bijdragen aan klimaatbeleid en -maatregelen;

55.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een overkoepelende strategie voor duurzame ontwikkeling die alle relevante interne en externe beleidsterreinen omvat, en doeltreffende toezichts-, evaluatie- en verantwoordingsmechanismen te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030, met inbegrip van de doelstellingen en indicatoren daarvan die betrekking hebben op gendergelijkheid, vrouwenrechten en de versterking van de positie van vrouwen;

56.  verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging van de bestaande EU-wetgeving op het gebied van gendergelijkheid in de lidstaten doeltreffender te controleren, en wijst er in dit kader op dat tegen lidstaten die de wetgeving op dit gebied niet naleven inbreukprocedures ingeleid moeten worden;

57.  betreurt dat er nog steeds geen maatregelen voor genderbudgettering zijn getroffen, ondanks de interinstitutionele verklaring over het bijdragen tot gendermainstreaming die als bijlage bij het meerjarig financieel kader (MFK) is gevoegd; benadrukt in dit verband dat nauwlettend moet worden gecontroleerd op welke wijze binnen de jaarlijkse begrotingsprocedures toepassing is gegeven aan de beginselen van de gezamenlijke verklaring en pleit ervoor dat de bevoegde commissie een formele rol gaat spelen bij de herziening van het MFK;

58.  dringt er bij de regeringen van de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat er organen zijn die zich bezighouden met de ontwikkeling, coördinatie en tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsbeleid en dat deze organen goed kunnen functioneren en over voldoende middelen kunnen beschikken, omdat dergelijke organen een belangrijke indicator zijn voor de inzet van regeringen op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid;

59.  verzoekt de EU-instellingen specifieke indicatoren voor gendergelijkheid, met inbegrip van de gendergelijkheidsindex van EIGE, in te voeren in het toezichtsysteem voor het toekomstige EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

60.  verzoekt de Commissie een bredere strategie inzake gelijkheid te ontwikkelen, met inbegrip van een horizontale richtlijn ter bestrijding van discriminatie, om een einde te maken aan elke vorm van gendergerelateerde discriminatie; verzoekt de Raad met het oog daarop zo spoedig mogelijk een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen inzake het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid (COM(2008)0426), dat geblokkeerd is sinds het Parlement zijn standpunt daarover vaststelde op 2 april 2009(43); verzoekt de Raad nogmaals genderdiscriminatie op te nemen als vorm van discriminatie;

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(2) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(3) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162.
(4) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(5) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(6) PB L 353 van 28.12.2013, blz. 7.
(7) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(8) PB L 68 van 18.3.2010, blz. 13.
(9) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(10) PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56.
(11) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(12) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.
(13) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(14) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 1.
(15) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0105.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0042.
(18) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0312.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0203.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0235.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0072.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0227.
(28) ISBN 978-92-79-29898-1.
(29) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(30) http://www.un.org/womenwatch/daw/csw/csw48/ac-men-auv.pdf
(31) ISBN 978-92-79-36171-5.
(32) Eurofound report (2016): "The gender employment gap: challenges and solutions".
(33) Eurofound report (2015): "Promoting uptake of parental and paternity leave among fathers in the European Union".
(34) Eurofound (2015): "First findings: Sixth European Working Conditions Survey".
(35) http://ec.europa.eu/eurostat/web/crime/database
(36) Verslag van Eurostat, getiteld "Trafficking in human beings”, 2015 edition.
(37) Europees Netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid en non-discriminatie, getiteld: "A comparative analysis of gender equality law in Europe 2015".
(38) EIGE (2014): "Effectiveness of institutional mechanisms for the advancement of gender equality. Review of the implementation of the Beijing Platform for Action in the EU Member States".
(39) Verslag van Eurofound (2014): "Social partners and gender equality in Europe".
(40) Ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in 2014 en 2015.
(41) Factsheet van de Europese Commissie "Gender balance on corporate boards – Europe is cracking the glass ceiling", oktober 2015; Europese Commissie, DG JUST, "Women in economic decision-making in the EU: Progress report: A Europe 2020 initiative", 2012; Aagoth Storvik en Mari Teigen, "Women on Board: The Norwegian Experience", juni 2010.
(42) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(43) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.


Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten
PDF 199kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over de toepassing van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (2016/2012(INI))
P8_TA(2017)0074A8-0043/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 19, lid 1, en artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(1),

–  gezien het verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (COM(2015)0190),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie van 22 december 2011 betreffende de toepassing van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad op verzekeringen, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-236/09 (Test-Aankoop)(2),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 maart 2011 in zaak C-236/09 (Test-Aankoop)(3),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen",

–  gezien de mededeling van de Commissie, getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling "Gender Equal Access to Goods and Services – Directive 2004/113/EC" van januari 2017, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement(4),

–  gezien het verslag van Equinet van november 2014, getiteld "Equality Bodies and the Gender Goods and Services Directive",

–  gezien het verslag van het Europees netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid van 2014, getiteld "Gender Equality Law in 33 European Countries: How are EU rules transposed into national law?";

–  gezien het verslag van het Europees netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid van juli 2009, getiteld "Sex Discrimination in the Access to and Supply of Goods and Services and the Transposition of Directive 2004/113/EG",

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-13/05, waarin het Hof stelt dat het recht om niet op grond van geslacht te worden gediscrimineerd ook het recht omvat om niet gediscrimineerd te worden wegens geslachtsverandering(5), en gezien de LGBTI-enquête (2014) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het verslag van dit bureau, getiteld "Professionally speaking: challenges to achieving equality for LGBT people", die betrekking hadden op de toegang tot goederen en diensten,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426) en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 daarover(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over externe factoren die een obstakel vormen voor vrouwelijke ondernemers in Europa(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie juridische zaken (A8-0043/2017),

A.  overwegende dat de bestrijding van directe en indirecte genderdiscriminatie op het gebied van de toegang tot goederen en diensten een integraal onderdeel vormt van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen, dat een fundamentele waarde van de Europese Unie is, en overwegende dat krachtens de Verdragen en het Handvest van de grondrechten elke discriminatie op grond van geslacht verboden is en gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden en in alle EU-lidstaten gewaarborgd moet worden;

B.  overwegende dat krachtens Richtlijn 2004/113/EG (hierna "de richtlijn") het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet alleen betrekking heeft op het beroepsleven en de arbeidsmarkt, maar ook op de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten;

C.  overwegende dat de richtlijn voorziet in een verbod op zowel directe als indirecte discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, in zowel de overheidssector als de particuliere sector;

D.  overwegende dat de richtlijn van toepassing is op alle tegen vergoeding geleverde goederen en diensten, in de zin van artikel 57 VWEU en overeenkomstig de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU); overwegende dat deze vergoeding niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden betaald door degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht en kan worden betaald in de vorm van een indirecte betaling waarbij de ontvanger van de dienst niet noodzakelijkerwijs betrokken hoeft te zijn;

E.  overwegende dat de media- en de reclamesector, onderwijsgerelateerde diensten en diensten die in de privésfeer worden verleend van het toepassingsgebied van de richtlijn zijn uitgesloten; overwegende dat de lidstaten de wetgevende bevoegdheid hebben om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen en dat de nationale wetgeving in sommige gevallen verder gaat dan de richtlijn verlangt, doordat zij ook betrekking heeft op discriminatie tussen mannen en vrouwen in de media-, reclame- en onderwijssector;

F.  overwegende dat de richtlijn in alle 28 lidstaten in nationaal recht is omgezet; overwegende dat uit het verslag van de Commissie blijkt dat in 2015 met zes lidstaten nog een intensieve dialoog werd gevoerd over toereikende tenuitvoerlegging van de richtlijn;

G.  overwegende dat het HvJ-EU in het arrest in de zaak Test-Aankoop concludeerde dat artikel 5, lid 2, van de richtlijn in strijd is met de verwezenlijking van het doel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen; overwegende dat artikel 5, lid 2, met ingang van 21 december 2012 ongeldig werd geacht en dat unisekspremies en -uitkeringen als gevolg hiervan verplicht zijn in alle lidstaten;

H.  overwegende dat de belangrijkste problemen bij de toepassing van de richtlijn waren: een te beperkte opvatting van het begrip "goederen en diensten", de te verreikende mogelijkheid om ongelijke behandeling op grond van artikel 4, lid 5, te rechtvaardigen en de ontoereikende bescherming van vrouwen in verband met moederschap en zwangerschap;

I.  overwegende dat het belangrijk is dat bij discriminatiebestrijding andere fundamentele rechten en vrijheden geëerbiedigd worden, zoals de bescherming van het privéleven en transacties die in dat kader worden verricht en de vrijheid van godsdienst;

J.  overwegende dat de richtlijn inzake gelijke behandeling die in 2008 werd voorgesteld niet alleen betrekking heeft op de bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid op de arbeidsmarkt, maar tevens betrekking heeft op sociale bescherming, onder meer op het gebied van sociale zekerheid en gezondheidszorg, sociale voordelen, onderwijs en de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten; overwegende dat de Raad tot nu toe nog geen standpunt over dit voorstel voor een richtlijn heeft aangenomen;

K.  overwegende dat de recente mededeling van de Commissie, getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" een goede stap vormt in de richting van een doeltreffende ondersteuning en regulering van deze sector, maar dat ook rekening gehouden moet worden met het gendergelijkheidsperspectief en dat de bepalingen van de richtlijn in verdere analyses en aanbevelingen op dit gebied moeten worden weerspiegeld;

L.  overwegende dat het volledige potentieel van de richtlijn alleen wordt benut bij een doeltreffende en consistente gendermainstreaming in alle sectoren waarop de richtlijn van toepassing is;

M.  overwegende dat de activiteiten van het Europees netwerk van organen voor de bevordering van gelijke behandeling zeer belangrijk zijn voor de verbetering van de uitvoering van de wetgeving inzake gelijke behandeling, voor het coördineren van samenwerking en voor de uitwisseling van beste praktijken tussen nationale instanties voor gelijke behandeling in de hele EU;

Algemene overwegingen

1.  is bezorgd over het feit dat de richtlijn niet op uniforme wijze wordt toegepast en dat de situatie van lidstaat tot lidstaat verschilt en dat er, ondanks de vooruitgang die er op dit gebied is geboekt, wat de tenuitvoerlegging betreft in sommige landen en in sommige sectoren nog altijd sprake is van problemen en lacunes die dringend moeten worden aangepakt; verzoekt de Commissie om in haar dialoog met de lidstaten alle resterende lacunes in de toepassing van de richtlijn aan de orde te stellen; wijst op de belangrijke rol van de lidstaten bij de uitvoering van EU-wetgeving en -beleid en is van oordeel dat meer ondersteuning door regionale en lokale autoriteiten, samenwerking met het maatschappelijk middenveld en ondersteuning van bedrijfstakken door de lidstaten nodig is om ervoor te zorgen dat de richtlijn volledig ten uitvoer wordt gelegd;

2.  merkt op dat de Commissie haar verslag over de toepassing van de richtlijn pas lang na haar eerste verslag van 2009 heeft ingediend;

3.  merkt op dat de Commissie in haar verslag stelt dat er bij de tenuitvoerlegging van diverse bepalingen van de richtlijn geen specifieke problemen zijn geconstateerd, maar dat deze stelling berust op een zeer beperkt aantal gemelde gevallen van discriminatie en dat er over het geheel genomen zeer weinig informatie beschikbaar is en dat de gegevensverzameling op dit gebied tussen de lidstaten sterkt uiteenloopt;

4.  overwegende dat een van de problemen waar men in de lidstaten tegenaan liep het feit is dat beleidsmakers, dienstverleners en ook de burgers zelf onvoldoende kennis hebben van de rechten en de bescherming die burgers krachtens de richtlijn genieten; wijst erop dat het lage aantal meldingen van genderdiscriminatie te wijten kan zijn aan het gebrek aan bekendheid met de richtlijn en de inhoud daarvan; dringt er bij de lidstaten, de Commissie en de betrokken partijen op aan om, bijvoorbeeld in samenwerking met consumentenbeschermingsorganisaties, de kennis over de bepalingen van de richtlijn te vergroten, om ervoor te zorgen dat meer belang wordt gehecht aan gelijke behandeling op het gebied van goederen en diensten;

5.  merkt op dat slechts enkele lidstaten hebben gemeld dat zij specifieke bepalingen kennen inzake positieve actie; dringt er bij de lidstaten op aan om bepalingen inzake positieve actie aan te nemen en te bevorderen, die gerechtvaardigd worden door een legitiem doel en ertoe dienen om ongelijkheden op basis van geslacht te compenseren, een en ander in overeenstemming met de richtlijn;

Het verzekeringswezen en de bank- en financiële sector

6.  is ingenomen met het feit dat de lidstaten het arrest in de zaak Test-Aankoop al in hun nationale wetgeving ten uitvoer hebben gelegd en met het feit dat de nationale wetgeving juridisch bindend is gewijzigd; wijst erop dat nog niet alle nationale wetgeving volledig in overeenstemming is met het arrest en dat er bijvoorbeeld nog problemen zijn op het gebied van ziektekostenverzekeringen en wat betreft de volledige uitbanning van discriminatie wegens zwangerschap en moederschap;

7.  wijst op het nivellerende effect van het arrest Test-Aankoop op pensioenen, omdat dit arrest het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren verbiedt en verplicht tot unisekspremies en -uitkeringen in het kader van particuliere verzekeringsregelingen, waaronder pensioenen; merkt op dat deze uitspraak slechts betrekking heeft op particuliere regelingen, maar dat de regel van de unisekspremies en -uitkeringen een goede praktijk is die bijdraagt aan vermindering van de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen; is verheugd over het besluit van enkele lidstaten om de regel van de unisekspremies en -uitkeringen ook toe te passen op andere soorten verzekeringen en pensioenen, zoals bedrijfspensioenregelingen, om de gelijkheid van vrouwen en mannen ook op deze gebieden te waarborgen; spoort de overige lidstaten aan om dit goede voorbeeld te volgen;

8.  is van mening dat ervoor gezorgd moet worden dat het arrest naar behoren en volledig ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de Commissie om de naleving van deze regels in de lidstaten door middel van periodieke verslagen te controleren, om ervoor te zorgen dat eventuele tekortkomingen worden verholpen;

9.  wijst erop dat de richtlijn een uitdrukkelijk verbod behelst op het verschillend berekenen in verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten van premies en uitkeringen wegens kosten die verband houden met zwangerschap en moederschap; verzoekt de lidstaten om meer inspanningen te leveren en meer helderheid te verschaffen op het gebied van de bescherming van de rechten en het welzijn van zwangere vrouwen, om ervoor te zorgen dat vrouwen geen ongerechtvaardigde zwangerschapskosten hoeven te dragen, omdat vrouwen niet uitsluitend wegens hun zwangerschap met hogere kosten te maken mogen krijgen, en om dienstverleners beter voor te lichten over de speciale bescherming waar zwangere vrouwen recht op hebben; benadrukt met name de noodzaak om ervoor te zorgen dat overgangsperioden bij verschillende soorten verzekeringen, met name bij zorgverzekeringen, niet in strijd zijn met het recht van zwangere vrouwen op gelijke behandeling tijdens hun zwangerschap;

10.  herhaalt dat het recht om niet op grond van geslacht te worden gediscrimineerd ook het recht omvat om niet gediscrimineerd te worden wegens geslachtsverandering(8), en verzoekt de Commissie om te waarborgen dat vrouwen en mannen tegen dergelijke vormen van discriminatie worden beschermd; benadrukt dat de richtlijn in dit kader bescherming biedt en dat hieraan nadere invulling kan worden gegeven in de nationale wetgeving van de lidstaten; wijst er in dit verband op dat 13 landen nog geen wettelijke bepalingen hebben vastgesteld inzake de bescherming van transgenders, die als het gaat om het aanbod van en de toegang tot goederen en diensten nog altijd te maken hebben met discriminatie, en wijst erop dat vaststelling van dergelijke bepalingen meer bekendheid kan geven aan het non-discriminatiebeginsel; verzoekt de Commissie om in haar toekomstige verslagen over de toepassing van de richtlijn aandacht te besteden aan deze vorm van discriminatie;

11.  betreurt de aanhoudende discriminatie van vrouwen en de discriminatoire praktijken in verband met zwangerschap, gezinsplanning en moederschap als het gaat om de toegang tot diensten die geleverd worden door de verzekerings- en de banksector;

12.  merkt op dat de problemen die vrouwelijke ondernemers hebben om financiering te verkrijgen ten dele kunnen samenhangen met het feit dat het voor vrouwen moeilijker is om een voldoende positief kredietverleden op te bouwen en managementervaring op te doen; verzoekt de lidstaten om in samenwerking met de financiële sector de gelijkheid van vrouwen en mannen bij de toegang tot kapitaal voor zelfstandigen en kmo's te waarborgen; verzoekt de lidstaten de mogelijkheden te onderzoeken voor invoering van een gendergelijkheidsperspectief in verband met de rapportage inzake de toekenning van leningen, bij de vaststelling van risicoprofielen, investeringsmandaten en personeelsopbouw en in financiële producten; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen, vergezeld van praktijkvoorbeelden, om ervoor te zorgen dat iedereen de richtlijn ten volle en op correcte wijze kan benutten om op doeltreffende wijze het recht op gelijke behandeling bij de toegang tot goederen en diensten te beschermen;

13.  dringt aan op een holistische benadering ten aanzien van vrouwelijk ondernemerschap, gericht op het stimuleren en ondersteunen van vrouwen die werken aan een carrière als ondernemer, het vergemakkelijken van de toegang van vrouwen tot financiering en het verbreden van hun zakelijke mogelijkheden en het creëren van een omgeving waarin vrouwen hun potentieel kunnen verwezenlijken en succesvolle ondernemers kunnen worden, door onder meer een goed evenwicht tussen werk en privéleven te waarborgen, door toegang tot kinderopvang te garanderen en door te zorgen voor op maat gesneden scholing;

De vervoerssector en openbare ruimten

14.  merkt op dat vrouwen, transgenders en personen met een intersekse-conditie, ondanks het feit dat intimidatie, waaronder seksuele en gendergerelateerde intimidatie, krachtens het nationale recht verboden is, in het vervoer nog altijd systematisch en frequent het slachtoffer zijn van diverse vormen van misbruik, en dat het nog steeds nodig is om de preventieve maatregelen tegen intimidatie te versterken, onder meer door middel van voorlichting van dienstverleners;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te bevorderen; roept ertoe op de nadruk te leggen op preventieve maatregelen die in overeenstemming zijn met het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen, zoals onder meer wordt aanbevolen in het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), die de vrijheden van vrouwen niet beperken en die in de eerste plaats gericht zijn op de aanpak van potentiële daders in plaats van op aanpassing van het gedrag van vrouwen als potentiële slachtoffers; merkt op dat in het Verdrag van Istanbul is bepaald dat "het bereiken van de jure en de facto gelijkheid van vrouwen en mannen een van de sleutels is tot het voorkomen van geweld tegen vrouwen" en verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve deze brede benadering in hun beleid ter voorkoming van geweld tegen vrouwen te volgen, en onder meer toepassing te geven aan de bepalingen ter bestrijding van intimidatie die in de richtlijn zijn opgenomen; verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan het verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ratificeren en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan stappen te zetten in de richting van toetreding van de EU tot dit verdrag;

16.  betreurt dat ouders en verzorgers van jonge kinderen nog steeds stuiten op fysieke toegangsbelemmeringen en andere obstakels in de gebouwen van dienstverleners, zoals onvoldoende faciliteiten om baby's te verschonen; benadrukt dat de rechten van zowel moeders als vaders moeten worden gewaarborgd en dat zij dus gelijke kansen moeten hebben om in de gebouwen van dienstverleners bij hun kinderen te zijn; benadrukt dat de gelijke behandeling vrouwen en mannen, als ouders en verzorgers van jonge kinderen, bij de toegang tot en het gebruik van diensten cruciaal is voor gendergelijkheid in het algemeen, aangezien dit de gelijke en gedeelde verantwoordelijkheid van vrouwen en mannen voor de zorg voor kinderen bevordert; verzoekt de lidstaten derhalve om dienstverleners voor te lichten over de noodzaak van gelijke en veilige faciliteiten voor beide ouders binnen hun gebouwen;

17.  merkt voorts op dat verzorgers, voornamelijk vrouwen, specifieke eisen hebben als het gaat om toegankelijkheid en dringt er daarom bij de Commissie op aan om na te denken over alle belemmeringen en beperkingen waar vrouwen als belangrijkste gebruikers van het openbaar vervoer en verzorgers in het algemeen mee te maken krijgen, een en ander in overeenstemming met de vijfde conferentie over vrouwenkwesties in het vervoer die in 2014 in Parijs werd gehouden; wijst erop dat, ondanks onderzoek op dit gebied, nog maar weinig aandacht is besteed aan de ontwikkeling van genderspecifiek beleid voor de vervoerssector; merkt op dat fysieke belemmeringen die ervoor zorgen dat ouders en verzorgers van jonge kinderen geen gelijke toegang hebben tot vervoer en andere openbare ruimten kunnen worden weggenomen door in de eerste stadia van de planning en het opzetten van die vervoersstructuren en openbare ruimten het genderperspectief te laten meewegen en regelmatig gendereffectbeoordelingen uit te voeren, en dat daardoor tevens kosten kunnen worden bespaard;

18.  wijst erop dat vrouwen in de gebouwen van dienstverleners in de hele EU nog altijd te maken hebben met ongelijke behandeling wegens moederschap, zwangerschap of het geven van borstvoeding; is van oordeel dat de bescherming van vrouwen op grond van moederschap en zwangerschap, met inbegrip van het geven van borstvoeding, zoals neergelegd in de richtlijn, versterkt moet worden en op het niveau van de lidstaten ten volle gewaarborgd moet worden; wijst erop dat dienstverleners de leidende beginselen van de richtlijn en de nationale wetgeving ter omzetting van de richtlijn moeten naleven;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat vervoermiddelen en infrastructuur voor openbaar vervoer toegankelijk zijn voor en afgestemd zijn op zowel vrouwen als mannen, niet alleen voor eindgebruikers en passagiers, maar ook voor de personen die in deze sector werkzaam zijn;

20.  verzoekt de Commissie de regels van luchtvaartmaatschappijen inzake het aan boord laten gaan van zwangere vrouwen en de ondersteuning van zwangere vrouwen tijdens de vlucht te onderzoeken en maatregelen te nemen om te waarborgen dat luchtvaartmaatschappijen in dit verband een geharmoniseerd beleid hanteren;

21.  verzoekt de Raad het standpunt van het Parlement betreffende de verordening inzake passagiersrechten goed te keuren wat betreft de plicht voor afhandelaars op luchthavens om kinderwagens aan de passagiers terug te geven onmiddellijk nadat zij het vliegtuig hebben verlaten, of te zorgen voor een alternatieve vervoerswijze, om te voorkomen dat passagiers kinderen tot aan de bagageband door de luchthaven moeten dragen;

22.  is van mening dat het aanbieden van een netwerk van diensten ter ondersteuning van moeders, met name crèches en voor- en naschoolse opvang, essentieel is om ertoe bij te dragen dat het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen bij de toegang tot goederen en diensten daadwerkelijk wordt toegepast; is van mening dat het niveau van de openbare diensten van dit netwerk moet voldoen aan de behoeften van de bevolking;

23.  merkt op dat gebleken is dat er nog steeds sprake is van discriminatie en ongelijkheden bij de toegang tot medische goederen en diensten, wat erop duidt dat het noodzakelijk is om de toegang tot gratis openbare gezondheidszorg van hoge kwaliteit te bevorderen;

De deeleconomie

24.  wijst op de nieuwe mogelijke toepassingsgebieden van de richtlijn, met name ten gevolge van de digitalisering van bepaalde diensten en sectoren en de opkomst van collaboratieve vormen van dienstverlening die de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten hebben veranderd, daarbij opmerkend dat de richtlijn van toepassing blijft op de digitale omgeving; merkt op dat de recente mededeling van de Commissie, getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" een goede eerste stap vormt op weg naar een doeltreffende bevordering en regulering van deze sector, en dat de Commissie de beginselen van gendermainstreaming in alle verdere stadia moet integreren en de bepalingen van de richtlijn in aanmerking moet nemen om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen en intimidatie bij dienstverlening in het kader van de deeleconomie doeltreffend te voorkomen en voldoende veiligheid te garanderen;

25.  merkt op dat intimidatie binnen de dienstverlenende sector van de deeleconomie het waarborgen van gendergelijkheid in die sector bemoeilijkt; benadrukt dat het nultolerantiebeleid ten aanzien van intimidatie dat door veel platforms wordt gehanteerd een goede praktijk is die verder moet worden aangescherpt, maar dat de betrokken platforms nog meer moeten doen om intimidatie te bestrijden en moeten nadenken over de ontwikkeling van duidelijke procedures voor gebruikers om gevallen van misbruik te melden; wijst erop dat de bepalingen in de richtlijn inzake aansprakelijkheid van aanbieders van goederen en diensten en de aansprakelijkheid voor de bijbehorende onlineplatforms verduidelijkt moeten worden, bijvoorbeeld als het gaat om intimidatie door derden;

26.  is van mening dat diensten die in het kader van de deeleconomie aan het publiek worden aangeboden en waarmee winst wordt beoogd binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen en daarom in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen;

27.  merkt in dit verband op dat "winst" in de digitale omgeving niet noodzakelijkerwijs geld hoeft te zijn en dat de tegenprestatie voor goederen en diensten steeds vaker bestaat uit gegevens;

28.  verzoekt de Commissie om in haar toekomstige verslagen over de toepassing van de richtlijn aandacht te besteden aan de naleving van het beginsel van gendergelijkheid in de deeleconomie, en om specifieke richtsnoeren uit te vaardigen waarin goede praktijken worden omschreven om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in het kader van dienstverlening binnen de deeleconomie te waarborgen;

Verschillende behandeling

29.  wijst erop dat de toepassing van artikel 4, lid 5, bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn tot veel problemen heeft geleid en de aanleiding vormde voor het grootste deel van de klachten die door de instanties voor gelijke behandeling in de lidstaten werden ontvangen (met name met betrekking tot de vrijetijds- en de amusementssector);

30.  benadrukt dat, los van de onduidelijkheid rond de toepassing van artikel 4, lid 5, van de richtlijn, het hoofddoel van deze uitzonderingsbepaling erin bestaat kansen te creëren om de gelijkheid van vrouwen en mannen bij de verstrekking van goederen en diensten verder te verbeteren;

31.  stelt vast dat er sprake is van uiteenlopende praktijken; zo komt het voor dat bepaalde diensten alleen aan personen van één bepaald geslacht worden aangeboden en zijn er ook gevallen waarin verschillende prijzen worden gehanteerd voor dezelfde diensten; wijst erop dat van geval tot geval moet worden bekeken of een ongelijke behandeling op zijn plaats is en dat daarbij onderzocht moet worden of de uitzondering gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel, zoals bepaald in de richtlijn;

32.  spoort instanties voor gelijke behandeling en consumentenbeschermingsorganisaties aan om dienstverleners voor te lichten over de beperkingen ten aanzien van en de voorwaarden die gelden voor een verschillende behandeling, en om gebruikers voor te lichten over hun recht op gelijke behandeling, aangezien vaak wordt gemeld dat gebruikers niet bekend zijn met de geldende bepalingen op het gebied van goederen en diensten;

33.  is van mening dat het geringe aantal keren dat in de diverse lidstaten gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 4, lid 5, positieve actie te ondernemen een hiaat in de tenuitvoerlegging van de richtlijn vormt; dringt erop aan vormen van positieve actie op basis van een legitiem doel te bevorderen, waarbij er een direct verband moet bestaan tussen de voorkeursbehandeling en de nadelen die moeten worden voorkomen of weggenomen, bijvoorbeeld het beschermen van slachtoffers van seksueel geweld in opvanghuizen voor alleen vrouwen of mannen;

34.  herhaalt zijn verzoek aan de Raad om er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat de voorgestelde richtlijn inzake gelijke behandeling zonder verdere vertraging wordt aangenomen, en op die manier te zorgen voor een zo goed mogelijke bescherming van alle mensen tegen discriminatie op grond van geslacht, raciale of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid;

Aanbevelingen voor een betere toepassing van de richtlijn

35.  verzoekt de Commissie om prioriteit te geven aan de aanpak, met de betrokken lidstaten, van problemen op het gebied van de omzetting van de richtlijn, door concrete maatregelen vast te stellen en door de lidstaten te helpen om op consistentere wijze toepassing te geven aan de richtlijn;

36.  wijst erop dat instanties voor gelijke behandeling een belangrijke rol spelen bij het toezicht op en het verzekeren van de volledige uitoefening van de uit de richtlijn voortvloeiende rechten op nationaal niveau, maar verschillende bevoegdheden hebben als het gaat om het aanbod van en de toegang tot goederen en diensten en dus ook niet allemaal even doeltreffend zijn als het gaat om de verwezenlijking van de beoogde doelen; verzoekt de lidstaten te garanderen dat de nationale instanties voor gelijke behandeling, overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn en het nationale recht, voldoende bevoegdheden hebben, onafhankelijk zijn en over voldoende middelen kunnen beschikken om hun belangrijkste taken op doeltreffende wijze te vervullen, waaronder het verlenen van onafhankelijke bijstand aan slachtoffers van discriminatie bij de behandeling van hun klachten, het verrichten van onafhankelijk onderzoek naar discriminatie, het publiceren van onafhankelijke verslagen en aanbevelingen, het vergroten van de bekendheid van de richtlijn en de bestrijding van stereotypen met betrekking tot genderrollen bij het aanbod van en de toegang tot goederen en diensten; merkt op dat nationale instanties voor gelijkheid voldoende steun moeten krijgen om hun taken op het gebied van de bevordering van, het toezicht op en de ondersteuning van gelijke behandeling op een onafhankelijke en efficiënte manier uit te kunnen voeren;

37.  verzoekt de Commissie om haar samenwerking met instanties voor gelijke behandeling te intensiveren en te controleren of de relevante bepalingen met betrekking tot hun bevoegdheden in alle lidstaten worden nageleefd en om deze instanties te steunen bij het systematisch in kaart brengen van de belangrijkste problemen en bij de uitwisseling van beste praktijken; verzoekt de Commissie om een inventaris te maken van beste praktijken en deze aan de lidstaten beschikbaar te stellen, om de nodige middelen te bieden voor de ondersteuning van positieve actie en te zorgen voor een betere uitvoering van de respectieve bepalingen op nationaal niveau;

38.  wijst erop dat de toegang tot de rechter voor slachtoffers van discriminatie kan worden verbeterd door de onafhankelijke instanties voor gelijke behandeling de bevoegdheid toe te kennen om bijstand te verlenen, waaronder gratis rechtsbijstand, alsmede het recht om personen in geval van beweerde discriminatie te vertegenwoordigen;

39.  verzoekt de Commissie nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van de nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de toepassing van de richtlijn en ervoor te zorgen dat transparante en doeltreffende klachtenmechanismen voorhanden zijn, met inbegrip van afschrikkende sancties;

40.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de instanties voor gelijke behandeling om, waar mogelijk in samenwerking met consumentenbeschermingsorganisaties, dienstverleners en gebruikers voor te lichten over de bepalingen van de richtlijn, om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op dit gebied te bevorderen en het aantal inbreuken op de richtlijn dat niet gemeld wordt omlaag te brengen;

41.  verzoekt de Commissie om, gezien de aanhoudende hiaten in de praktische toepassing van de richtlijn, het Europees netwerk van juridische deskundigen te verzoeken om samen met de instanties voor gelijke behandeling een uitvoerige studie te verrichten en in dat kader ook aandacht te besteden aan intersectionele vormen van genderongelijkheid en meervoudige discriminatie waar diverse kwetsbare groepen mee te maken hebben, haar monitoringactiviteiten voort te zetten en de lidstaten aan te sporen om gegevens te verzamelen en te verstrekken en hen hierbij te ondersteunen, teneinde het volledige potentieel van de richtlijn te benutten; dringt bij de lidstaten aan op verbeterde gegevensverzameling, met omvattende, vergelijkbare en specifieke gegevens inzake intimidatie en seksuele intimidatie op het gebied van gelijke toegang tot goederen en diensten, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de diverse discriminatiegronden, en pleit in dit kader voor een nauwere samenwerking met de instanties op dit gebied; verzoekt de Commissie een publiek toegankelijke databank op te richten met de relevante wetgeving en jurisprudentie met betrekking tot de gelijke behandeling van vrouwen en mannen, om de bekendheid van de burgers met de wettelijke bepalingen op dit gebied te vergroten;

42.  wijst erop dat er samenhang bestaat tussen de reclamesector en het gebied van goederen en diensten, omdat goederen en diensten met name via reclame onder de aandacht van consumenten worden gebracht; wijst erop dat reclame een belangrijke rol speelt bij het creëren, de instandhouding en de ontwikkeling van gendergerelateerde stereotypen en de discriminerende wijze waarop vrouwen worden neergezet; verzoekt de Commissie daarom om een studie uit te voeren naar gendergelijkheid in de reclamesector, en te onderzoeken in hoeverre het nodig en mogelijk is om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in de reclamesector te bevorderen en beste praktijken op dit gebied onder de aandacht te brengen; is ingenomen met regelgeving en richtsnoeren op nationaal niveau inzake gelijkheid van mannen en vrouwen in de media en verzoekt de lidstaten deze bepalingen waar nodig aan te scherpen, om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen;

43.  verzoekt de lidstaten de dialoog aan te moedigen met relevante belanghebbenden die een rechtmatig belang hebben om bij te dragen aan de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten;

44.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om bij de verbetering van de toepassing van de richtlijn een sectorspecifieke benadering van gendermainstreaming te hanteren;

45.  verzoekt de Commissie om toezicht te houden op en de lidstaten te ondersteunen bij de toepassing van de richtlijn, met het oog op een betere afstemming van de vereisten van de richtlijn op de andere richtlijnen op het gebied van gelijkheid;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(2) PB C 11 van 13.1.2012, blz. 1.
(3) PB C 130 van 30.4.2011, blz. 4.
(4) PE 593.787.
(5) ECLI:EU:C:1996:170. Zie ook gezamenlijke verklaring van de Commissie en de Raad, resultaat besprekingen - addendum bij het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten (st.15622/04 ADD 1).
(6) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.
(7) Aangenomen teksten. P8_TA(2016)0007.
(8) Gezamenlijke verklaring van de Commissie en de Raad, resultaat besprekingen - addendum bij het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten.


EU-middelen voor gendergelijkheid
PDF 212kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid (2016/2144(INI))
P8_TA(2017)0075A8-0033/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(2) over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 – Een resultaatgerichte EU-begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014" (SWD(2016)0123),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven voor het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2016)0300),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (SWD(2015)0182),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(5),

–  gezien de in 2015 door de beleidsondersteunende afdeling D van het Parlement gepubliceerde studie getiteld "The EU Budget for Gender Equality" en de in 2016 door de beleidsondersteunende afdeling C gepubliceerde vervolgstudie inzake het gebruik van financiële middelen ten behoeve van de gendergelijkheid in bepaalde lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(6),

–  gezien het rapport van de Raad van Europa over genderbudgettering: eindrapport van de groep deskundigen over genderbudgettering – Straatsburg, 2005,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0033/2017),

A.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een in de Verdragen verankerde fundamentele waarde van de Europese Unie betreft; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk in dat artikel bedoeld optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

B.  overwegende dat gendergelijkheid de vijfde doelstelling is van de 17 door de Verenigde Naties vastgestelde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, die tegen 2030 moeten worden bereikt, en relevant is voor alle 17 doelstellingen;

C.  overwegende dat de Commissie in december 2015 een werkdocument heeft gepubliceerd met als titel "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", waarin zij wijst op de belangrijke rol van EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid; overwegende dat geen enkele EU-instelling consequent genderbudgettering heeft toegepast;

D.  overwegende dat beslissingen in verband met uitgaven en inkomsten andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 juli 2016 getiteld "Voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel"(7) pleit voor een effectieve integratie van gendermainstreaming;

F.  overwegende dat gendervraagstukken in het algemeen vaker aan bod komen in "zachte" beleidsterreinen, die bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, dan in "harde" beleidsterreinen zoals infrastructuur en ICT, die meer financiële ondersteuning krijgen;

G.  overwegende dat er voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven een uitgekiend systeem van zorgverlof en goed werkende, betaalbare en toegankelijke kinderopvangvoorzieningen nodig is, met inbegrip van openbare voorzieningen, en dat de uitgaven voor dergelijke voorzieningen als onderdeel van de infrastructuurinvesteringen moeten worden beschouwd; overwegende dat deze twee factoren een basisvoorwaarde vormen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen in leidinggevende functies en functies op het gebied van wetenschap en onderzoek, en bijgevolg ook voor de gendergelijkheid;

H.  overwegende dat er in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op wordt aangedrongen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK 2014-2020 waar nodig genderelementen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algemeen financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt en voor gendermainstreaming zorgt; overwegende dat de krachtige toezeggingen in verband met gendermainstreaming desondanks beter moeten worden nagekomen, aangezien de bestaande beleidsmaatregelen tot dusver slechts mondjesmaat werden toegepast en er onvoldoende begrotingsmiddelen voor gendervraagstukken werden gereserveerd;

I.  overwegende dat er in het publieke debat en de beleidsagenda steeds minder aandacht wordt besteed aan het thema gendergelijkheid, een verschijnsel dat zowel op EU- als op nationaal niveau merkbaar is sinds de crisis van 2008; overwegende dat de als gevolg van de crisis opgetreden begrotingsconsolidatie en begrotingsbeperkingen de beschikbare middelen ten behoeve van gendergelijkheidsstrategieën en -instanties verder in het gedrang zullen brengen;

J.  overwegende dat alle Europese instellingen, op een ogenblik waarop er in de EU een vertrouwenscrisis heerst, voorrang zouden moeten verlenen aan inspanningen die ervoor zorgen dat de financiën van de EU volledig transparant zijn, en dat dit iets is wat zij niet mogen negeren;

K.  overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2015 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) blijkt dat de doelstelling van gendergelijkheid in Europa nog lang niet is gerealiseerd;

L.  overwegende dat een van de meest in het oog springende maatregelen van gendergelijkheid gelijke beloning is; overwegende dat de inspanningen en de resultaten van de EU om een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en een gelijke mate van economische zelfstandigheid van vrouwen en mannen te bevorderen echter even belangrijk zijn, net zoals het bevorderen van gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming, het bestrijden van gendergerelateerd geweld en de bescherming en ondersteuning van slachtoffers, en het bevorderen van gendergelijkheid en de rechten van vrouwen in de hele wereld;

M.  overwegende dat het VN-actieplatform van Beijing in 1995 opriep tot een genderbewuste aanpak van begrotingsprocedures;

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over de beoogde mainstreaming van gendergelijkheid overeenkomstig artikel 8 VWEU, als transversale beleidsdoelstelling van de EU-begroting op het gebied van EU-middelen en programma's;

2.  betreurt echter het feit dat de politieke inzet van de EU op hoog niveau ten aanzien van gendergelijkheid en -mainstreaming nog niet helemaal tot uitdrukking komt in de begrotingstoewijzing en uitgavenbeslissingen op de beleidsterreinen van de EU als onderdeel van een genderbudgetteringsmethodologie;

3.  merkt op dat genderbudgettering deel uitmaakt van een globale strategie inzake gendergelijkheid en benadrukt daarom dat de inzet van EU-instellingen op dat gebied van fundamenteel belang is; betreurt in dit verband dat er geen EU-strategie voor gendergelijkheid is goedgekeurd voor de periode 2016-2020 en verzoekt de Commissie om de status van haar Strategische inzet voor gendergelijkheid 2016-2019 te versterken door deze als mededeling aan te nemen, in aansluiting op de conclusies van de Raad over gendergelijkheid van 16 juni 2016;

4.  benadrukt het belang van de bij de budgettering betrokken structuren en processen en de noodzaak om structuren en processen waarvan is gebleken dat ze genderongelijkheid schragen of onbedoeld bevorderen te wijzigen;

5.  merkt op dat bewustmaking en opleiding over gendermainstreaming en genderbudgettering nodig zijn om genderbewuste structuren en procedures te ontwikkelen;

6.  constateert dat sommige EU-programma's (zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF), het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap 2014-2020 (REC), Horizon 2020, het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA II) op het gebied van humanitaire hulpverlening, het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR)) specifieke maatregelen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten, terwijl weer andere programma's (zoals het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFAG)) aan de algemene beginselen van gendergelijkheid refereren, maar dat er al met al maar weinig programma's zijn die daadwerkelijk voorzien in duidelijke doelen, gerichte middelen of systematische tenuitvoerlegging en controle;

7.  betreurt dat verschillende programma's gendergelijkheid slechts als een transversale doelstelling hebben, hetgeen niet alleen leidt tot geringere ondersteuning voor genderspecifieke maatregelen, maar het ook vrijwel onmogelijk maakt om de bedragen te schatten die aan gendervraagstukken worden toegewezen(8);

8.  betreurt dat de meeste door de EU-gefinancierde programma's geen specifieke doelgerichte maatregelen met specifieke begrotingstoewijzingen voor gendergelijkheid hebben; merkt op dat gendergelijkheid in de EU-begrotingstitels als beleidsdoelstelling moet worden erkend en dat daarbij melding moet worden gemaakt van het bedrag dat aan specifieke beleidsdoeleinden en -maatregelen is toegekend, zodat de transparantie ervan verbetert en de genderdoelstellingen niet uit het zicht raken; is bovendien van mening dat bij begrotingscontroletaken moet worden aangegeven in welke mate de EU-begroting en de uitvoering ervan gunstig zijn voor het gendergelijkheidsbeleid of juist een belemmering vormen;

9.  betreurt het feit dat instrumenten ten behoeve van gendermainstreaming, zoals genderindicatoren, gendereffectbeoordelingen en genderbudgettering, door de EU- en nationale instellingen zelden worden ingezet ten behoeve van beleidsontwikkeling en -uitvoering; betreurt het huidige gebrek aan volledige genderindicatoren en naar gender uitgesplitste gegevens en benadrukt het feit dat het EIGE genderindicatoren evenals naar gender uitgesplitste gegevens moet verzamelen om een consistent beeld te krijgen van de gevolgen van het EU-beleid voor gendergelijkheid en om de controleerbaarheid van de begroting en besteding van financiële middelen op dit punt te verbeteren; benadrukt de fundamentele rol van het EIGE bij het verbeteren van de gebrekkige samenwerking tussen statistici en beleidsmakers om bewustzijn te creëren over de uitdagingen die zich stellen bij de verzameling van gevoelige gegevens; herhaalt daarom zijn verzoek om de ontwikkeling van indicatoren en statistieken inzake gendervraagstukken door te zetten teneinde de beoordeling van de EU-begroting vanuit een genderperspectief mogelijk te maken en toezicht te kunnen uitoefenen op de genderbudgettering;

10.  betreurt het feit dat er, ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd, slechts weinig vooruitgang is geboekt op dit gebied;

11.  betreurt ten zeerste dat het MFK 2014-2020 geen duidelijke gendergelijkheidsstrategie met specifieke en concrete doelstellingen, streefcijfers en begrotingstoewijzingen heeft opgeleverd;

12.  betreurt dat in de mededeling van de Commissie inzake de in september 2016 gepubliceerde tussentijdse evaluatie van het MFK niet wordt gerefereerd aan de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming;

13.  pleit ervoor om de gendergelijkheidsstrategie en gendermainstreaming op te nemen in het Europees Semester;

14.  onderstreept dat transparantie en toegang tot informatie over reële resultaten op het gebied van gendergelijkheid, en niet alleen de tenuitvoerlegging ervan, echte prioriteiten moeten zijn voor de Europese Unie;

15.  pleit ervoor ook gendermainstreamingsbepalingen op te nemen in beleidsterreinen die niet meteen in verband worden gebracht met gendergelijkheid, zoals ICT, vervoer, steun aan het bedrijfsleven en investeringen of klimaatverandering;

16.  is van mening dat in alle fasen van het begrotingsproces een netwerk van externe deskundigen en organisaties moet worden betrokken om de transparantie en het democratische gehalte ervan te vergroten, met name wanneer het gaat om de toepassing van genderbudgettering;

EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie uit hoofde van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen)

17.  wijst erop dat de ESI-fondsen de belangrijkste bron van financiële ondersteuning vormen voor de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsbeleid in de EU, met name waar het het ESF betreft dat tot doel heeft de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt dat Verordening (EU) nr. 1304/2013 gendermainstreaming tot een verplicht onderdeel maakt van alle fasen van de uit hoofde van het ESF gefinancierde programma's en projecten, met inbegrip van de voorbereidings-, uitvoerings-, controle- en beoordelingsfase;

18.  benadrukt de belangrijke rol van openbare diensten bij de bevordering van gendergelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten te werken aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Barcelona om het evenwicht tussen werk en privéleven voor iedereen haalbaar te maken en daarbij gebruik te maken van de juiste instrumenten en prikkels, met inbegrip van Europese fondsen zoals het ESF, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), waarbij wordt voorzien in de financiering van de nodige sociale infrastructuur voor goed werkende, betaalbare en toegankelijke voorzieningen voor kinderopvang en zorgvoorzieningen voor andere afhankelijke personen, waaronder ouderen en familieleden met een handicap; wijst erop dat dit zal leiden tot een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en de economische onafhankelijkheid van vrouwen zal bevorderen;

19.  betreurt dat vrouwen nog steeds te maken hebben met ongelijkheden in het beroepsleven, zoals een lagere arbeidsparticipatie, de loonkloof, de grotere deelname aan atypisch of deeltijdwerk, lagere pensioenrechten, loopbaanonderbrekingen en minder kansen op promotie; benadrukt het belang van het ESF voor het bieden van financieringsmogelijkheden om discriminatie te bestrijden en gendergelijkheid op het werk te bevorderen;

20.  merkt op dat bij de traditionele aanpak van de betaling van sociale uitkeringen geen rekening wordt gehouden met onbetaald werk, zoals kinderopvang en zorg voor ouderen;

21.  merkt op dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", in de periode 2014-2020 5,85 miljard EUR zal worden besteed aan maatregelen voor het stimuleren van gendergelijkheid, waarvan 1,6 % in het kader van het ESF voor de specifieke investeringsprioriteit "gelijkheid tussen mannen en vrouwen op alle gebieden, met inbegrip van toegang tot de arbeidsmarkt, loopbaanontwikkeling, combineren van werk en privéleven en de bevordering van gelijke beloning voor gelijk werk";

22.  merkt op dat EFRO-financiering steun moet blijven bieden aan investeringen in kinderopvang-, ouderenzorg- en andere openbare en particuliere sociale-infrastructuurvoorzieningen om onder meer een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;

23.  wijst op de belangrijke rol van het Elfpo om de nodige financiering te garanderen voor openbare diensten en sociale infrastructuur in plattelandsgebieden en om de toegang tot land en investeringen voor vrouwen te bevorderen;

24.  verzoekt de Commissie nieuwe, doelgerichte acties voor te stellen ter bevordering van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, zoals een in het kader van het Elfpo gefinancierd specifiek programma waarmee vrouwelijk ondernemerschap wordt ondersteund;

25.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden gebruik te maken van het potentieel van transversale financieringsmogelijkheden uit hoofde van de ESI-fondsen om projecten ter bevordering van gendergelijkheid te ondersteunen; benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel dat in het kader van de ESI-fondsen wordt toegepast en een positieve bijdrage levert aan gendermainstreaming op lokaal niveau;

26.  herinnert aan het belang van de eis om naar gender uitgesplitste indicatoren op te nemen in de monitoring en evaluatie van de operationele programma's zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de ESI-fondsen, teneinde te beantwoorden aan de gendergelijkheidsdoelstelling in de uitvoeringsfase;

27.  betreurt het feit dat het, ondanks het streven om op dit gebied een "standaard" in het leven te roepen, nog niet is gelukt een systematische methode voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming vast te stellen in het kader van de ESI-fondsen en dat het evenmin is gelukt om doelgerichte acties in verband met een algemene strategie voor gendermainstreaming vast te stellen; roept de Commissie en lidstaten op de middelen ten behoeve van gendergelijkheidsbeoordelingen waar nodig te verhogen en de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming te bewaken;

28.  herinnert eraan dat voor de ESI-fondsen een ex-antevoorwaarde inzake gender geldt, hetgeen betekent dat er opleidingen voor het betrokken personeel moeten worden georganiseerd en dat de organen die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid bij de volledige voorbereiding en uitvoering van de programma's moeten worden betrokken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat aan deze eisen wordt voldaan; verzoekt om de doeltreffende aanwending van de bestaande permanente organen voor gendergelijkheid op het niveau van de lidstaten; is zeer verheugd over een aantal nationale beste praktijken in dit verband, zoals het Europese praktijkgemeenschapsnetwerk inzake gendermainstreaming (GenderCoP) in Zweden; dringt er bij de lidstaten op aan de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van gelijkheidsorganen te garanderen, en hen eveneens toereikende bevoegdheden te verlenen en voldoende middelen te verschaffen om hun belangrijkste taken te vervullen;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is bijzondere aandacht te besteden en voorrang te verlenen aan ESIF-maatregelen ter ondersteuning van investeringen in onderwijs-, sociale en gezondheidsdiensten en in kinderopvangvoorzieningen, aangezien deze diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau te kampen hebben met afnemende overheidsfinanciering en meer banen zouden kunnen creëren;

30.  beveelt aan meer middelen vrij te maken in het kader van het MFK voor sociale infrastructuur, kinderopvang en ouderenzorg;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020

31.  betreurt dat de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" (REC) voor de periode 2014-2020 niet aangeven welke middelen er precies aan elke doelstelling van het programma worden toegewezen, zodat het heel moeilijk is om na te gaan welke uitgaven er worden gedaan voor gendergelijkheid en de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

32.  constateert dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", de twee doelstellingen die samenhangen met het thema gendergelijkheid en met het Daphne-programma voor het bestrijden van geweld tegen vrouwen, circa 35 % van de fondsen in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" toegewezen hebben gekregen, en dat de totale begroting voor gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 439,5 miljoen EUR bedraagt; wijst op het feit dat, in vergelijking met de gendergelijkheidsdoelstelling, het grootste deel van de betreffende financiële middelen aan de Daphne-doelstelling zal worden toegewezen; betreurt niettemin dat er voor Daphne geen afzonderlijk begrotingsonderdeel bestaat, en dat terwijl dit momenteel een van de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" is; benadrukt dat Daphne moet worden voorzien van voldoende financiële steun en dat de zichtbaarheid en het zeer succesvolle profiel ervan moeten worden behouden;

33.  benadrukt dat voor de periode 2014-2020 de oproepen in het kader van de Daphne-doelstelling alle vormen van geweld tegen vrouwen en/of kinderen betreffen; constateert dat het grootste deel van de financiële middelen is toegewezen aan het voorkomen en bestrijden van geweld gerelateerd aan schadelijke praktijken (39 %) en aan steun in de vorm van gespecialiseerde dienstverlening voor vrouwen aan slachtoffers van gendergerelateerd geweld, huiselijk geweld of geweld binnen een intieme relatie (24 %);

34.  constateert dat de volgende prioriteiten aan bod zijn gekomen in het kader van de gendergelijkheidsdoelstelling: gelijke economische onafhankelijkheid van vrouwen en mannen en het evenwicht tussen werk en privéleven (toewijzing van 44 %); het bevorderen van goede praktijken met betrekking tot genderrollen en het doorbreken van genderstereotypen op het gebied van onderwijs en scholing en op het werk (44 %) en ondersteuning van EU-netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's (12 %);

35.  benadrukt dat de totstandbrenging van het burgerschap niet alleen verband moet houden met de verdediging en uitbreiding van rechten, maar tevens met welvaart en welzijn, onderwijs en opleiding vrij van genderstereotypen, en toegang tot sociale en gezondheidsdiensten, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid;

36.  betreurt echter dat er minder fondsen beschikbaar zijn voor de specifieke Daphne-doelstelling; wijst erop dat de begrotingskredieten voor vastleggingen voor het Daphne-programma in 2013 18 miljoen EUR bedroegen, tegenover 19,5 miljoen EUR in 2012 en meer dan 20 miljoen EUR in 2011; merkt voorts op dat er in het werkprogramma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor 2016 slechts werd voorzien in iets meer dan 14 miljoen EUR voor deze doelstelling;

37.  vraagt de Commissie bij de opstelling van het jaarlijks werkprogramma eerbied te betonen voor de gepaste en eerlijke verdeling van financiële steun tussen verschillende domeinen die onder de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het niveau van financiering dat reeds in het kader van de vorige programmeringsperiode 2007-2013 werd toegekend;

38.  verzoekt de Commissie haar steun aan Europese netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's te vergroten en daarmee de mogelijkheden voor meer intercollegiaal leren, met name bij subnationale overheden, te vergroten; merkt in het bijzonder op dat er vooral specifieke ondersteuning nodig is om de deelname van vrouwen aan de besluitvorming te bevorderen;

39.  vraagt om meer duidelijkheid over de manier waarop de doelstelling inzake de bestrijding van geweld in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" wordt nagestreefd; benadrukt dat het belangrijk is dat financiële steun de basisorganisaties ter plaatse en de lokale en regionale overheden bereikt om een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen; dringt erop aan dat voorrang wordt verleend aan organisaties die zich bezighouden met het voorkomen van geweld en met steun aan slachtoffers van alle vormen van geweld;

40.  erkent de noodzaak om steun te verlenen aan de uitvoering van de bestaande lokale en regionale initiatieven op het gebied van gendergelijkheid, zoals het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen op lokaal niveau;

41.  roept de Commissie op hogere eisen te stellen aan het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens voor de tenuitvoerlegging van dit programma als cruciaal element van een doeltreffende beoordeling van de genderbudgettering;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van Horizon 2020

42.  benadrukt het feit dat in het Horizon 2020-programma (hierna "dit programma" genoemd), overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1291/2013, in alle onderdelen van het werkprogramma een rol is weggelegd voor gendergelijkheid en de genderdimensie in onderzoeksprojecten als transversale kwesties;

43.  vraagt aandacht voor de drie gendermainstreamingsdoeleinden in het kader van dit programma, namelijk: het stimuleren van gelijke kansen en genderevenwicht in projectteams; het waarborgen van het genderevenwicht in het besluitvormingsproces; en het integreren van een genderdimensie in onderzoeksinhoud;

44.  is verheugd over het feit dat dit programma onderzoeksorganisaties ondersteuning biedt bij de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen; is tevens verheugd over het gezamenlijke project van de Commissie en het EIGE inzake de totstandbrenging van een online-instrument voor gendergelijkheidsplannen op basis waarvan beste praktijken kunnen worden geïdentificeerd en met de relevante belanghebbenden kunnen worden gedeeld;

45.  is verheugd over het feit dat kandidaten opleidingen inzake gender en genderstudies als subsidiabele kosten in hun voorstellen kunnen opnemen;

46.  is ingenomen met het feit dat genderevenwicht in het personeelsbestand volgens de evaluatiecriteria in dit programma een van de factoren is die bepalend zijn voor de rangorde en dat de manier waarop met de geslachtsspecifieke en/of genderanalyse rekening wordt gehouden in een voorstel door de beoordelaars samen met de andere relevante aspecten van het voorstel wordt geëvalueerd;

47.  is verheugd over de specifieke indicatoren die worden gebruikt ter controle van de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsperspectief in dit programma, evenals over het feit dat met betrekking tot het genderevenwicht voor Horizon 2020 de adviesgroepen in 2014 voor 52 % uit vrouwen bestonden(9);

48.  is van mening dat een nadere evaluatie is vereist ter beoordeling van de resultaten, mede op basis van specifieke indicatoren, zoals het percentage vrouwelijke deelnemers en vrouwelijke projectcoördinatoren in dit programma, en dat indien nodig aanpassingen van de specifieke maatregelen moeten worden voorgesteld;

49.  dringt erop aan dat gendermainstreaming in dit programma verder wordt geïntensiveerd en vraagt met klem om de ontwikkeling van streefcijfers voor gendergelijkheid in strategieën, programma's en projecten in alle stadia van de onderzoekscyclus;

50.  roept op tot het hanteren van een onafhankelijke financieringslijn voor genderspecifieke structurele veranderingsprojecten (zoals het programma inzake gendergelijkheid in onderzoek en innovatie (GERI) voor 2014-2016), evenals voor andere gendergelijkheidsthema's in onderzoek en innovatie;

51.  is verheugd over het feit dat het zorgen voor gendergelijkheid, zowel in het onderzoeksproces als in de onderzoeksinhoud, een van de doelstellingen van het programma "Science with and for Society" is; is tevens ingenomen met de subsidies voor onderzoeksorganisaties voor de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen en de bevordering van gendergelijkheid in Horizon 2020 en de Europese Onderzoeksruimte; betreurt echter dat er geen specifieke begrotingsonderdelen bestaan voor de in dit programma uiteengezette doelstellingen;

Andere programma's en fondsen die specifieke doelstellingen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten

52.  benadrukt dat natuurrampen grote gevolgen hebben voor infrastructuur in verband met openbare diensten en dat vrouwen derhalve in bijzondere mate worden getroffen; verzoekt de Commissie om in het Solidariteitsfonds van de EU de eis in te voeren dat bij de beoordeling van de gevolgen voor de bevolking een genderbewuste analyse wordt uitgevoerd;

53.  constateert dat waar het externe maatregelen en ontwikkelingssamenwerking betreft, het genderactieplan voor de periode 2016-2020 de activiteiten van de EU in derde landen omvat en dat er verschillende instrumenten voor externe bijstand bestaan ter ondersteuning van de gendergelijkheidsdoelstellingen;

54.  benadrukt dat vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van gewapende conflicten recht hebben op noodzakelijke medische zorg, onder meer toegang tot anticonceptie, noodanticonceptie en abortus; herinnert eraan dat de humanitaire hulp van de EU de rechten van meisjes en vrouwen moet handhaven in het kader van het internationaal humanitair recht en niet mag vallen onder de beperkingen die worden opgelegd door andere partnerdonoren zoals vermeld in de EU-begroting voor 2016; is ingenomen met de benadering van de EU in dit verband; moedigt de Commissie aan haar standpunt te handhaven;

55.  verzoekt de Commissie EU-ontwikkelingsmiddelen te bestemmen voor vrijwillige, moderne diensten op het gebied van gezinsplanning en reproductieve gezondheid, om de financiële deficits te compenseren als gevolg van de door de nieuwe Amerikaanse regering ingestelde "global gag rule" en zo vrouwenlevens te redden, de gezondheid van vrouwen te beschermen en de verspreiding van seksueel overdraagbare infecties te voorkomen;

56.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen behoort van het onlangs opgerichte Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); herhaalt zijn oproep om in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderdimensie door ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot een veilig onderkomen, specifieke gezondheidszorg in verband met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en dat er bijzondere aandacht uitgaat naar de specifieke behoeften van kwetsbare personen, zoals vrouwen die slachtoffer zijn geworden van geweld, met inbegrip van seksueel geweld, niet-begeleide minderjarigen en andere risicogroepen, waaronder LGBTI's;

57.  vraagt om voor het migratie- en asielbeleid een omvattend pakket EU-brede genderrichtsnoeren vast te stellen met voldoende middelen voor volledige opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaren die mogelijk in contact komen met vluchtelingen en asielzoekers; benadrukt dat in deze richtsnoeren de genderspecifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen en de daarmee samenhangende gendergerelateerde schadelijke praktijken, zoals de handel in vrouwen en meisjes, in aanmerking moeten worden genomen;

58.  wijst uitdrukkelijk op de nog steeds bestaande problemen van overbevolking in vluchtelingenopvangcentra en de gevolgen hiervan voor de veiligheid van vrouwen; dringt erop aan dat er meer middelen uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie worden aangewend om opvangcentra te verbeteren en er afzonderlijke slaapgelegenheid en sanitaire voorzieningen voor vrouwen en mannen in te richten en om de bewoners toegang te bieden tot genderbewuste gezondheidszorg, met inbegrip van pre- en postnatale zorg;

59.  is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd meer gebruik te maken van cohesiefondsen, ESI-fondsen en het Fonds voor asiel, migratie en integratie teneinde de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, met bijzondere aandacht voor het feit dat toegankelijke kinderopvang vrouwelijke vluchtelingen in staat stelt zich op de arbeidsmarkt te begeven;

60.  vraagt om de hogere financiering en grotere reikwijdte van het Daphne- en het Odysseusprogramma te beoordelen in het licht van een uitbreiding ervan, zodat ze kunnen worden ingezet om de ernstige kwetsbaarheid van vrouwelijke vluchtelingen aan te pakken en meer steun kunnen bieden om deze gendergerelateerde nadelen weg te werken;

61.  benadrukt dat andere fondsen zijn gemobiliseerd om steun te bieden in de huidige vluchtelingencrisis, zoals het Fonds voor interne veiligheid (ISF), bijzondere financiële instrumenten zoals het instrument voor noodhulp en andere ad-hocinstrumenten en -subsidies; wijst erop dat het lastig is het gebruik van deze middelen te controleren, met name ten aanzien van het genderperspectief, en roept op tot een gecoördineerd, doeltreffend, transparant en genderbewust gebruik van EU-middelen;

62.  dringt aan op het vrijmaken van specifieke financiële middelen ter ondersteuning van gerichte maatregelen om met medewerking van basisorganisaties en lokale en regionale overheden de basisbehoeften, mensenrechten, veiligheid en bescherming van meisjes en vrouwen in de asielzoekers-, migranten- en vluchtelingenpopulatie, met inbegrip van zwangere en oudere vrouwen en LGBTI's, te garanderen;

Beleidsaanbevelingen

63.  dringt er nogmaals op aan genderbudgettering toe te passen op alle niveaus van de EU-begrotingsprocedure; pleit voor een consistent gebruik van genderbudgettering tijdens de gehele begrotingsprocedure, zodat de begrotingsuitgaven kunnen worden aangewend als een manier om gendergelijkheid te bevorderen;

64.  dringt erop aan dat genderbudgettering en gendermainstreaming door middel van krachtige en doeltreffende maatregelen worden geïntegreerd en ten uitvoer worden gelegd in de EU-financieringsprogramma's voor de periode na 2020, opdat de EU-financiering voor maatregelen ter bestrijding van genderdiscriminatie wordt verhoogd, en dat daarbij de volgende aspecten in beschouwing worden genomen:

   i) het in kaart brengen van impliciete en expliciete genderkwesties;
   ii) het - waar mogelijk - vaststellen van de daarvoor benodigde toewijzingen van middelen; en
   iii) het beoordelen of de EU-financieringsprogramma's de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen (of groepen mannen en vrouwen) en tussen jongens en meisjes, alsook in bepaalde genderverhoudingen, zullen laten voortbestaan of tot verandering zullen leiden;

65.  pleit ervoor dat met alle EU-begrotingstitels dezelfde hoge gendergelijkheidsdoelen en gendermainstreamingsnormen worden nagestreefd;

66.  pleit ervoor dat de bedragen die worden toegekend voor de diverse op gendergelijkheid gerichte beleidsdoelstellingen en -maatregelen duidelijk worden gespecificeerd teneinde de transparantie en controleerbaarheid te verhogen;

67.  merkt op dat gendermainstreaming geen eenmalige exercitie is en dat genderbudgettering een blijvend engagement vereist om zich te verdiepen in gender, met inbegrip van analyses en raadplegingen, en om de begroting aan te passen teneinde rekening te houden met de evoluerende behoeften van vrouwen en mannen, jongens en meisjes;

68.  beschouwt de toewijzing in het huidige MFK van 6,17 miljard EUR voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het strategisch engagement voor gendergelijkheid als een eerste stap;

69.  is van mening dat de tussentijdse evaluatie van het MFK een kans zou zijn geweest om de resultaten die zijn behaald op het gebied van gendergelijkheid uit hoofde van de EU-begroting te optimaliseren, en om deze geoptimaliseerde prestaties aan het publiek te laten zien;

70.  betreurt derhalve de beslissing van de Commissie om de kwestie inzake de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming niet te behandelen in de tussentijdse evaluatie van het MFK en roept op tot het nemen van specifiekere maatregelen om dit te verhelpen;

71.  pleit voor het toepassen van genderspecifieke indicatoren bij de projectselectie, monitoring en evaluatie van alle acties die uit de EU-begroting worden gefinancierd; verzoekt voorts om verplichte gendereffectbeoordelingen als onderdeel van een algemene ex-antevoorwaarde, en om de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens inzake begunstigden en deelnemers;

72.  raadt ten zeerste aan naar gender uitgesplitste gegevens toegankelijk te maken voor het publiek om zo de financiële controleerbaarheid en transparantie te waarborgen;

73.  pleit voor de overname van de methodologie voor het meten van gendergelijkheid die is gebruikt in het in 2015 door het EIGE gepubliceerde verslag "Gender Equality Index 2015 – Measuring gender equality in the European Union 2005-2012" als basis voor de planning en tenuitvoerlegging van EU-financieringsprogramma's;

74.  verzoekt de EU-instellingen en lidstaten om regelmatig voor al het personeel dat zich bezighoudt met beleidsvorming en begrotingsprocedures opleidingsprogramma's en programma's gericht op technische ondersteuning te organiseren op het gebied van instrumenten voor gendermainstreaming; vraagt om het gebruik van genderbudgettering in EU- en nationale strategieën te versterken teneinde de gendergelijkheid doeltreffender te bevorderen;

75.  dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gendergelijkheid;

76.  verzoekt de Europese Rekenkamer ook het genderperspectief te hanteren wanneer zij de uitvoering van de begroting van de Unie beoordeelt, zowel in haar aanbevelingen als in haar speciale verslagen, en hierbij aandacht te besteden aan zowel de specifieke doelstellingen van het gendergelijkheidsbeleid van de EU als de horizontale aspecten van dit beleid; vraagt de lidstaten eveneens om de genderdimensie in hun begroting op te nemen teneinde een analyse te kunnen maken van de overheidsprogramma's en -beleidsmaatregelen, hun gevolgen voor de toewijzing van middelen en hun bijdrage tot de gelijkheid van vrouwen en mannen;

77.  herhaalt zijn bezorgdheid over het opvallende gebrek aan genderevenwicht bij de leden van de Europese Rekenkamer, waar het verschil met 28 mannen en slechts 3 vrouwen (twee minder dan begin 2016) het grootst is van alle EU-instellingen; verzoekt de Raad vanaf nu en totdat er een aanvaardbaar evenwicht is bereikt, het Parlement bij toekomstige benoemingen twee kandidaten voor te dragen, één man en één vrouw;

78.  uit zijn lof over het werk van het Bureau van de Commissaris voor de Mensenrechten in Polen, dat volgens de wet op gelijke behandeling aan het hoofd staat van het gelijkheidsorgaan dat bevoegd is voor de toepassing van gelijke behandeling; uit zijn ernstige bezorgdheid over de recente besnoeiingen op de begroting van die onderdelen van het Bureau van de Commissaris voor de Mensenrechten die zich bezighouden met gendergelijkheid; herinnert eraan dat het nationale orgaan voor gelijkheid moet beschikken over voldoende personele en financiële middelen en dat zijn onafhankelijkheid moet worden geëerbiedigd en gehandhaafd;

o
o   o

79.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 51.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0072.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(8) Werkdocument van de diensten van de Commissie Deel I over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2016)0300), blz. 15.
(9) Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en innovatie, "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014", ISBN 978-92-79-57749-9, blz. 44.


De gevolgen van big data voor de grondrechten
PDF 206kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over de gevolgen van big data voor de grondrechten: persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming, non-discriminatie, veiligheid en rechtshandhaving (2016/2225(INI))
P8_TA(2017)0076A8-0044/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 1, 7, 8, 11, 14, 21, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de richtsnoeren voor de reglementering van digitale bestanden met persoonsgegevens, zoals opgenomen in resolutie 45/95 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 december 1990,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(1), en gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol daarbij van 8 november 2001 (ETS nr. 181)(3),

–  gezien aanbeveling nr. CM/Rec(2010)13 van 23 november 2010 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in het kader van profilering(4),

–  gezien advies 7/2015 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 19 november 2015 getiteld "Meeting the challenges of big data – A call for transparency, user control, data protection by design and accountability"(5),

–  gezien advies 8/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 23 september 2016 getiteld "EDPS Opinion on coherent enforcement of fundamental rights in the age of big data"(6),

–  gezien de verklaring van de Groep gegevensbescherming artikel 29 van 16 september 2014 over de impact van de ontwikkeling van big data op de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens in de EU(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0044/2017),

A.  overwegende dat onder big data de voortdurende verzameling, analyse en vermeerdering op basis van een grote verscheidenheid aan bronnen wordt verstaan van grote hoeveelheden gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens, die automatisch worden verwerkt met behulp van computeralgoritmen en geavanceerde technieken voor gegevensverwerking, waarbij zowel opgeslagen als gestreamde gegevens worden gebruikt, met als doel om bepaalde correlaties, trends en patronen te ontdekken (analyse van big data);

B.  overwegende dat het gebruik van big data in bepaalde gevallen inhoudt dat kunstmatige-intelligentietoepassingen, zoals neurale netwerken en statistische modellen, worden getraind om bepaalde gebeurtenissen en gedragingen te voorspellen; overwegende dat de trainingsgegevens vaak van twijfelachtige kwaliteit en niet neutraal zijn;

C.  overwegende dat de vooruitgang op het gebied van communicatietechnologie en het wijdverbreide gebruik van elektronische en monitoringapparatuur, sociale media, interactie via het internet en netwerken, met inbegrip van apparaten die informatie doorgeven zonder dat er mensen aan te pas komen, hebben geleid tot de ontwikkeling van enorme, voortdurend in omvang toenemende datasets, die met behulp van geavanceerde verwerkings- en analysetechnieken een ongekend inzicht bieden in het menselijk gedrag, privélevens en onze samenlevingen;

D.  overwegende dat de inlichtingendiensten van derde landen en lidstaten in toenemende mate vertrouwen op de verwerking en analyse van dergelijke datasets, die hetzij niet onder een rechtskader vallen hetzij, nog recenter, onderworpen zijn aan wetgeving waarover zorgen bestaan dat ze niet in overeenstemming is met het primair en afgeleid recht van de EU, en waarvan die overeenstemming nog moet worden onderzocht;

E.  overwegende dat op het internet in toenemende mate sprake is van pesten en van geweld tegen vrouwen en dat de kwetsbaarheid van kinderen toeneemt; overwegende dat de Commissie en de lidstaten alle noodzakelijke wettelijke maatregelen moeten nemen om deze fenomenen te bestrijden;

F.  overwegende dat steeds meer bedrijven, ondernemingen, organen en agentschappen, en gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties (alsook de private en overheidssector in het algemeen), politieke leiders, het maatschappelijk middenveld, academici, de academische gemeenschap en de bevolking gebruikmaken van dergelijke datasets en de analyse van big data om het concurrentievermogen te versterken, om innovatie, marktprognoses, politieke campagnes, gerichte reclame, wetenschappelijk onderzoek en beleidsvorming op het gebied van vervoer, belastingen, financiële diensten, "slimme steden", rechtshandhaving, transparantie, volksgezondheid en rampenbestrijding te bevorderen en om, bijvoorbeeld door middel van gerichte communicatie, verkiezingen en verkiezingsuitslagen te beïnvloeden;

G.  overwegende dat de "big data"-markt groeit omdat de technologie en het proces van gegevensgestuurde besluitvorming steeds meer als een aanvaardbare oplossing worden gezien; overwegende dat er nog geen methode bestaat om de totale impact van big data op een op bewijs gebaseerde manier te beoordelen, maar dat er wel aanwijzingen zijn dat analyses op basis van big data aanzienlijke horizontale gevolgen kunnen hebben in de private en de overheidssector; overwegende dat in de strategie inzake de digitale eengemaakte markt voor Europa van de Commissie wordt erkend dat gegevensgestuurde technologieën, diensten en big data als een katalysator kunnen fungeren voor economische groei, innovatie en digitalisering in de Unie;

H.  benadrukt dat de analyse van big data op tal van manieren een meerwaarde creëert en dat er veel positieve voorbeelden zijn, die een aanzienlijk potentieel hebben voor burgers, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidszorg, de strijd tegen de klimaatverandering, de vermindering van het energieverbruik, de verbetering van de veiligheid van het vervoer en de totstandbrenging van slimme steden, waarmee wordt bijgedragen tot de optimalisering en doeltreffendheid van bedrijven en tot de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de opsporing en bestrijding van fraude; overwegende dat het gebruik van big data een concurrentievoordeel kan opleveren voor wat betreft de besluitvormingsprocessen van Europese bedrijven, terwijl de efficiëntie van de overheidssector kan worden vergroot dankzij een beter inzicht in de diverse niveaus van sociaaleconomische ontwikkelingen;

I.  overwegende dat het gebruik van big data de genoemde voordelen kan opleveren voor burgers, academici, de academische gemeenschap en de private en overheidssector, maar ook bepaalde risico's inhoudt in verband met de bescherming van de grondrechten, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming en gegevensbeveiliging, maar ook het recht op vrijheid van meningsuiting en non-discriminatie, zoals gewaarborgd door het EU-Handvest van de grondrechten en de wetgeving van de Unie; overwegende dat pseudonimiserings- en versleutelingstechnieken de risico's van de analyse van big data kunnen verkleinen en daarom niet alleen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, maar ook bijdragen tot de bevordering van innovatie en economische groei; overwegende dat deze elementen beschouwd moeten worden als onderdeel van de huidige herziening van de e-privacyrichtlijn;

J.  overwegende dat de alomtegenwoordige sensoren en de uitgebreide routinematige gegevensproductie- en gegevensverwerkingsactiviteiten niet altijd transparant genoeg zijn, waardoor burgers en overheden de processen en het doel van de verzameling, de bundeling, de analyse en het gebruik van persoonsgegevens minder goed kunnen beoordelen; overwegende dat de grenzen tussen persoonsgegevens en niet-persoonsgebonden gegevens door het gebruik van big data merkbaar vervagen, hetgeen ertoe kan leiden dat er nieuwe persoonsgegevens worden gecreëerd;

K.  overwegende dat de "big data"-sector jaarlijks met 40% groeit, zeven maal sneller dan de IT-markt; overwegende dat de concentratie van grote, door nieuwe technologieën geproduceerde datasets cruciale informatie oplevert voor grote ondernemingen, wat zorgt voor ongeziene verschuivingen in het machtsevenwicht tussen burgers, regeringen en particuliere actoren; overwegende dat een dergelijke concentratie van de macht in handen van ondernemingen monopolies en onrechtmatige praktijken kan bestendigen en een nadelige invloed kan hebben op de consumentenrechten en eerlijke mededinging op de markt; overwegende dat in het kader van het samenvoegen van big data zowel de belangen van natuurlijke personen als de bescherming van de grondrechten nader moeten worden onderzocht;

L.  overwegende dat big data, als katalysator voor productiviteitsgroei en als manier om burgers betere producten en diensten aan te bieden, over een groot onbenut potentieel beschikken; onderstreept echter dat het wijdverspreide gebruik van slimme apparaten, netwerken en internettoepassingen door burgers, bedrijven en organisaties niet noodzakelijkerwijs betekent dat zij tevreden zijn over de aangeboden producten, maar veeleer dat ze inzien dat deze diensten onmisbaar zijn geworden voor hun leven, communicatie en werk, niettegenstaande het gebrek aan inzicht in de risico's die ze kunnen inhouden voor hun welzijn, veiligheid en rechten;

M.  overwegende dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de kwantiteit en de kwaliteit van gegevens om efficiënt gebruik van big data (algoritmen en andere analyse-instrumenten) te bevorderen; overwegende dat besluitvormingsprocessen en analytische instrumenten die op gegevens en/of procedures van geringe kwaliteit gebaseerd zijn, kunnen resulteren in vertekenende algoritmen, valse correlaties, fouten, het onderschatten van sociale, ethische en rechtsgevolgen, het risico van gebruik van gegevens voor discriminerende of frauduleuze doeleinden en het marginaliseren van de rol die mensen bij deze processen spelen, en tot gebrekkige besluitvormingsprocedures leiden die nadelige gevolgen hebben voor de levens en kansen van burgers, met name gemarginaliseerde groepen, en een negatieve invloed hebben op samenlevingen en ondernemingen;

N.  overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht voor algoritmen moeten neerkomen op de uitvoering van technische en operationele maatregelen waarmee transparantie, non-discriminatie van geautomatiseerde besluitvorming en waarschijnlijkheidsberekeningen inzake het gedrag van personen worden gewaarborgd; overwegende dat transparantie moet inhouden dat aan personen nuttige informatie over de onderliggende logica, het belang en de verwachte gevolgen moet worden verstrekt; overwegende dat onder meer informatie moet worden verstrekt over de data die voor de training van de analyse van big data worden gebruikt, en dat personen de besluiten die hen aangaan moeten kunnen begrijpen en volgen;

O.  overwegende dat gegevensanalyse en algoritmen een almaar grotere invloed hebben op de informatie die aan burgers ter beschikking wordt gesteld; overwegende dat deze technieken, als er misbruik van wordt gemaakt, het fundamentele recht op voorlichting, persvrijheid en pluralisme in gevaar kunnen brengen; overwegende dat de publieke-omroepstelsels in de lidstaten rechtstreeks verband houden met de democratische, sociale en culturele behoeften van elke samenleving en met de noodzaak om de media pluralistisch te houden, zoals vermeld in het Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten bij het Verdrag van Amsterdam (11997D/PRO/09);

P.  overwegende dat de verbreiding van de verwerking en de analyse van gegevens, het grote aantal actoren dat bij de verzameling, opslag, verwerking en uitwisseling van gegevens betrokken is en het met elkaar combineren van grote datasets met persoonsgegevens en niet-persoonsgebonden gegevens die van een grote verscheidenheid aan bronnen afkomstig zijn en voor onbepaalde tijd worden opgeslagen, allen hebben bijgedragen tot de grote onzekerheid die burgers en bedrijven ervaren ten aanzien van de specifieke voorschriften voor de naleving van de huidige EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, hoewel ze ook een aanzienlijk potentieel hebben;

Q.  overwegende dat er een overvloed aan ongestructureerde legacysystemen bestaat, met grote hoeveelheden gegevens die bedrijven in de loop der jaren hebben verzameld en zonder duidelijke gegevensbeheersystemen, die systematisch in overeenstemming moeten worden gebracht met de regelgeving;

R.  overwegende dat nauwere samenwerking en samenhang tussen verschillende regelgevers, toezichthoudende mededingingsautoriteiten, consumentenbeschermingsautoriteiten en gegevensbeschermingsautoriteiten op nationaal en EU-niveau moeten worden aangemoedigd met het oog op het waarborgen van een samenhangende benadering van en inzicht in de gevolgen van big data voor de grondrechten; overwegende dat de oprichting en verdere ontwikkeling van het "Digital Clearing House"(8) als een vrijwilligersnetwerk van handhavingsautoriteiten, kan bijdragen tot de verbetering van hun werkzaamheden en respectieve handhavingsactiviteiten, de versterking van de synergieën en de bescherming van de rechten en belangen van natuurlijke personen;

Algemene overwegingen

1.  onderstreept dat burgers, de private en de overheidssector, academici en de academische gemeenschap de mogelijkheden en kansen van big data alleen ten volle kunnen benutten als het publieke vertrouwen in deze technologieën wordt gewaarborgd door middel van strikte handhaving van de grondrechten, naleving van de huidige EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en rechtszekerheid voor alle betrokken actoren; benadrukt dat persoonsgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt op grond van een van de rechtsgrondslagen van artikel 6 van Verordening (EU) 2016/679; is van mening dat transparantie en een goede informatieverstrekking aan de betrokkenen van essentieel belang zijn om het publieke vertrouwen te versterken en de individuele rechten te beschermen;

2.  beklemtoont dat de naleving van de bestaande wetgeving inzake gegevensbescherming, samen met solide wetenschappelijke en ethische normen, cruciaal is om "big data"-oplossingen geloofwaardig en betrouwbaar te maken; benadrukt voorts dat de informatie die door de analyse van big data wordt gegenereerd, geen onpartijdig overzicht van enig onderwerp biedt en niet betrouwbaarder kan zijn dan de onderliggende gegevens; benadrukt dat voorspellende analyses op basis van big data alleen een statistische kans kunnen opleveren en bijgevolg niet altijd precies het gedrag van een persoon kunnen voorspellen; benadrukt daarom dat solide wetenschappelijke en ethische normen van essentieel belang zijn voor het beheren van de gegevensverzameling en voor het beoordelen van de resultaten van een dergelijke analyse;

3.  wijst erop dat uit niet-gevoelige informatie ook gevoelige informatie over een persoon kan worden afgeleid, wat de grenzen tussen gevoelige en niet-gevoelige informatie doet vervagen;

4.  beklemtoont dat persoonsgegevens, vanwege de gebrekkige kennis en het gebrekkige inzicht van burgers ten aanzien van de aard van big data, op onbedoelde manieren kunnen worden gebruikt; merkt op dat onderwijs over en bewustmaking van de grondrechten van essentieel belang is in de EU; dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan te investeren in digitale geletterdheid en bewustmaking van digitale rechten, privacy en gegevensbescherming bij burgers, met inbegrip van kinderen; beklemtoont dat dit onderwijs er vooral moet voor zorgen dat men de beginselen/logica achter de werking van algoritmen en geautomatiseerde besluitvorming begrijpt en weet hoe ze op een zinvolle manier moeten worden geïnterpreteerd; benadrukt voorts dat moet worden toegewerkt naar een beter begrip van waar en hoe gegevensstromen worden verzameld (door middel van web scraping, door streaminggegevens te combineren met gegevens van sociale netwerken en aangesloten apparaten en deze samen te voegen tot een nieuwe gegevensstroom);

Het gebruik van big data voor commerciële doeleinden en in de overheidssector

Persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming

5.  wijst erop dat de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, het recht op gelijkheid en non-discriminatie, evenals het recht op voorlichting over de logica die aan geautomatiseerde besluitvorming en profilering ten grondslag ligt en het recht op gerechtelijk beroep, van toepassing zijn op gegevensverwerking als aan deze verwerking pseudonimiserings- en anonimiseringstechnieken voorafgaan of als gebruikmaking van andere dan persoonsgegevens gevolgen zou kunnen hebben voor hetzij de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen hetzij andere rechten en vrijheden, en tot de stigmatisering van hele bevolkingsgroepen zouden kunnen leiden;

6.  beklemtoont dat de digitale interne markt op betrouwbare, snelle netwerken en diensten moet berusten die de fundamentele rechten van de betrokkenen op gegevensbescherming en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer waarborgen, en tegelijk innovatie en de analyse van big data moet stimuleren, teneinde de juiste omstandigheden en een gelijk speelveld te creëren om de Europese digitale economie een krachtige impuls te geven;

7.  wijst voorts op de mogelijkheid tot heridentificatie van natuurlijke personen door verschillende soorten geanonimiseerde gegevens met elkaar in verband te brengen; onderstreept dat de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens alleen van toepassing is op de verwerking van dergelijke gecorreleerde gegevens als een natuurlijke persoon inderdaad heridentificeerbaar is;

8.  benadrukt dat bovengenoemde beginselen als een kader moeten dienen voor de besluitvormingsprocedures van de private en overheidssector en andere actoren die gebruikmaken van gegevens; benadrukt dat er aanzienlijk meer transparantie en verantwoordingsplicht voor algoritmen moet worden betracht voor wat betreft de verwerking en de analyse van gegevens door de private en overheidssectoren en alle andere actoren die big data analyseren, als een essentieel instrument om te waarborgen dat de betrokkenen terdege worden geïnformeerd over de verwerking van hun persoonsgegevens;

9.  wijst op de fundamentele rol die de Commissie, het Europees Comité voor gegevensbescherming, nationale gegevensbeschermingsautoriteiten en andere onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten in de toekomst moeten spelen ten aanzien van de bevordering van de transparantie, eerlijke rechtsbeoordeling en rechtszekerheid in het algemeen en, meer in het bijzonder, ten aanzien van concrete normen ter bescherming van de grondrechten en waarborgen in verband met de verwerking en de analyse van gegevens door de private en overheidssector; beklemtoont dat instanties die toezicht houden op het gedrag in de digitale wereld, nauwer moeten samenwerken en zodoende de synergieën tussen wetgevingskaders voor consumenten, mededingingsautoriteiten en gegevensbeschermingsautoriteiten moeten versterken; wenst dat aan die instanties voldoende middelen en personeel ter beschikking wordt gesteld; erkent voorts dat de noodzaak tot oprichting van een "Digital Clearing House" nader moet worden onderzocht;

10.  benadrukt dat de intrinsieke doelstelling van big data moet zijn om vergelijkbare correlaties tot stand te brengen met zo weinig mogelijk persoonsgegevens; benadrukt in dit verband dat de wetenschappelijke wereld, het bedrijfsleven en de overheidssector zich moeten richten op onderzoek en innovatie op het gebied van anonimisering;

11.  erkent dat, wanneer persoonsgegevens worden gebruikt in "big data"-toepassingen, de risico's voor de betrokkenen kunnen worden verminderd door pseudonimiserings-, anonimiserings- of versleutelingstechnieken toe te passen op persoonsgegevens; wijst op de voordelen van pseudonimisering, zoals voorzien in de algemene verordening gegevensbescherming, als een passende waarborg; herinnert eraan dat anonimisering een onomkeerbaar proces is waarbij persoonsgegevens niet meer alleen kunnen worden gebruikt om een natuurlijke persoon te identificeren of uit te kiezen; is van mening dat door middel van contractuele verplichtingen moet worden gewaarborgd dat heridentificatie van geanonimiseerde gegevens – door verschillende soorten gegevensbronnen met elkaar in verband te brengen – niet is toegestaan; vraagt de private en overheidssector en andere actoren die bij de analyse van big data zijn betrokken, om deze risico's regelmatig te beoordelen in het licht van nieuwe technologieën en om de geschiktheid van de vastgestelde maatregelen te staven met bewijsstukken; roept de Commissie, het Europees Comité voor gegevensbescherming en andere onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten op richtsnoeren op te stellen voor een goede anonimisering van gegevens, teneinde toekomstige gevallen van misbruik van deze maatregelen te voorkomen en toezicht uit te oefenen op praktijken;

12.  roept de private en de overheidssector en andere verwerkingsverantwoordelijken op gebruik te maken van de instrumenten waarin de algemene verordening gegevensbescherming voorziet, zoals gedragscodes en certificeringsregelingen, teneinde meer zekerheid te verkrijgen over hun specifieke verplichtingen uit hoofde van de wetgeving van de Unie, en hun praktijken en activiteiten in overeenstemming te brengen met de toepasselijke wettelijke normen en waarborgen van de EU;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat gegevensgestuurde technologieën de toegang tot pluralistische media niet beperken of verengen, maar in plaats daarvan mediavrijheid en pluralisme bevorderen; beklemtoont dat samenwerking tussen regeringen, onderwijsinstellingen en mediaorganisaties van cruciaal belang zal zijn om te waarborgen dat digitale mediageletterdheid wordt gestimuleerd en zodoende burgers mondiger te maken en hun recht op informatie en vrijheid van meningsuiting te beschermen;

14.  is van oordeel dat de openbaarmaking van persoonsgegevens door de overheid om redenen van openbaar belang, zoals het voorkomen van corruptie, belangenconflicten, belastingfraude en het witwassen van geld, toelaatbaar is in een democratische maatschappij, op voorwaarde dat de gegevens overeenkomstig wettelijk vastgelegde voorwaarden worden verstrekt, dat er passende waarborgen zijn en dat de openbaarmaking noodzakelijk is voor en in verhouding staat tot het beoogde doel;

Veiligheid

15.  erkent de meerwaarde van de technologische ontwikkeling, die zal bijdragen tot de verbetering van de beveiliging; erkent dat inbreuken op de beveiliging, ongeoorloofde toegang tot gegevens en onrechtmatige gegevenscontrole enkele van de meest urgente risico's zijn met betrekking tot gegevensverwerkingsactiviteiten, zoals technieken voor de verwerking van big data (met name in het kader van het "internet der dingen"), en voor natuurlijke personen een punt van zorg zijn; is van mening dat daadwerkelijke samenwerking en overleg tussen de private en overheidssector, rechtshandhavingsinstanties en onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten noodzakelijk zijn om dergelijke bedreigingen het hoofd te bieden; benadrukt in dit verband dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de beveiliging van systemen voor e-overheid, alsook naar aanvullende juridische maatregelen zoals softwareaansprakelijkheid;

16.  is van mening dat het gebruik van eind-tot-eindversleuteling moet worden aangemoedigd en, indien nodig, verplicht moet worden gesteld, in overeenstemming met het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp; beveelt aan dat elk toekomstig wetgevingskader aanbieders van encryptie- en communicatiediensten en alle andere organisaties (op elk niveau in de toeleveringsketen) specifiek verbiedt om het gebruik van "backdoors" toe te staan of in de hand te werken;

17.  benadrukt dat de toenemende datageneratie en gegevensstromen nieuwe kwetsbaarheden en uitdagingen op het gebied van informatiebeveiliging doen ontstaan; dringt in dit verband aan op het gebruik van "privacy by design" en "privacy by default", het gebruik – in voorkomend geval – van anonimiseringstechieken en verplichte beoordelingen van het effect op de persoonlijke levenssfeer; benadrukt dat dergelijke maatregelen moeten worden toegepast door alle actoren die zich bezighouden met de analyse van big data in de private en overheidssector en door alle andere actoren die met gevoelige informatie werken, zoals advocaten, journalisten en het personeel in de gezondheidszorg, teneinde ervoor te zorgen dat het gebruik van big data niet leidt tot een grotere blootstelling aan risico's op het gebied van informatiebeveiliging;

18.  herinnert eraan dat de lidstaten, in overeenstemming met artikel 15 van Richtlijn 2000/31/EG, aan de verleners van transmissie-, opslag- en hostingdiensten geen algemene verplichting mogen opleggen om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden; herinnert er met name aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken C-360/10 en C-70/10 de maatregelen voor "gerichte bewaking" van vrijwel alle gebruikers van de betrokken diensten (internetproviders in het ene geval, sociaal netwerk in het andere geval) heeft verworpen, en heeft gepreciseerd dat elk bevel dat een hostingdienstverlener verplicht tot een algemene surveillance, verboden is;

Non-discriminatie

19.  benadrukt dat big data, vanwege de datasets en algoritmische systemen die in de verschillende stadia van de verwerking van gegevens worden gebruikt voor beoordelingen of voorspellingen, niet alleen kunnen leiden tot schendingen van de grondrechten van natuurlijke personen, maar ook tot verschillen in behandeling en indirecte discriminatie van groepen mensen met vergelijkbare kenmerken, met name wat betreft eerlijke en gelijke kansen op toegang tot onderwijs en banen, bij de aanwerving of beoordeling van personen of bij de vaststelling van de nieuwe consumptiegewoonten van gebruikers van sociale media;

20.  wenst dat de Commissie, de lidstaten en de gegevensbeschermingsautoriteiten algoritmische discriminatie en vertekening in kaart brengen en tot een minimum beperken, en dat zij een sterk en gemeenschappelijk ethisch kader opzetten, zowel voor de transparante verwerking van persoonsgegevens als voor geautomatiseerde besluitvorming, dat kan fungeren als richtsnoer voor gegevensgebruik en de voortdurende handhaving van het Unierecht;

21.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de gegevensbeschermingsautoriteiten om niet alleen specifiek de behoefte aan algoritmische transparantie te beoordelen, maar ook de behoefte aan transparantie op het gebied van eventuele vertekeningen van de trainingsgegevens die voor gevolgtrekkingen op basis van big data worden gebruikt;

22.  beveelt aan dat bedrijven de representativiteit van de datasets geregeld beoordelen, nagaan of er vertekeningen zijn en strategieën ontwikkelen om deze vertekeningen te verhelpen; wijst erop dat moet worden nagegaan hoe nauwkeurig en zinvol voorspellingen op basis van gegevensanalyse zijn, rekening houdend met ethische bezwaren en billijkheid;

Big data voor wetenschappelijke doeleinden

23.  benadrukt dat de analyse van big data nuttig kan zijn voor wetenschappelijke ontwikkeling en onderzoek; is van mening dat bij de ontwikkeling en het gebruik van de analyse van big data voor wetenschappelijke doeleinden terdege rekening moet worden gehouden met de fundamentele waarden die in het EU-Handvest van de grondrechten zijn verankerd, en dat de huidige EU-wetgeving inzake gegevensbescherming moet worden nageleefd;

24.  herinnert eraan dat volgens de algemene verordening gegevensbescherming de verdere verwerking van persoonsgegevens voor statistische doeleinden alleen geaggregeerde gegevens mag opleveren die niet opnieuw op individuele personen kunnen worden toegepast;

Het gebruik van big data voor rechtshandhavingsdoeleinden

Persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming

25.  herinnert alle actoren die betrokken zijn bij rechtshandhaving en gebruikmaken van de verwerking en de analyse van gegevens, eraan dat Richtlijn (EU) 2016/680 van toepassing is op de verwerking, voor rechtshandhavingsdoeleinden, van persoonsgegevens door de lidstaten; wenst dat de verzameling en verwerking van persoonsgegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn, uitgaande van de welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden waarvoor ze worden verwerkt; stelt dat het doel en de noodzaak van de verzameling van deze gegevens duidelijk aangetoond moeten worden; stelt dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluiten, met inbegrip van profilering, die voor de betrokkene nadelige rechtsgevolgen hebben of hem in aanmerkelijke mate treffen, verboden zijn, tenzij het betrokken besluit is toegestaan krachtens het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, en voorziet in passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, waaronder ten minste het recht op menselijke tussenkomst van de verwerkingsverantwoordelijke; vraagt de Commissie, het Europees Comité voor gegevensbescherming en andere onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten om met richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken te komen, opdat de criteria en de voorwaarden voor besluiten op basis van profilering en het gebruik van big data voor rechtshandhavingsdoeleinden nader worden gespecificeerd;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is om Richtlijn (EU) 2016/680 na te leven, in het bijzonder wat betreft de beoordeling van de inclusiviteit, juistheid en kwaliteit van gegevens door middel van voorafgaande effectbeoordelingen en audits waarbij rekening wordt gehouden met ethische overwegingen, om ervoor te zorgen dat de natuurlijke personen die gevolgen ondervinden van de besluiten en/of de actoren die betrokken zijn bij de besluitvormingsprocessen, de verzameling of de analyses, patronen en correlaties kunnen begrijpen en betwisten, en om te voorkomen dat bepaalde groepen natuurlijke personen nadelige gevolgen ondervinden;

27.  wijst erop dat het vertrouwen van burgers in digitale diensten ernstig kan worden ondermijnd door grootschalige controleactiviteiten door de overheid en door ongerechtvaardigde toegang tot commerciële en andere persoonsgegevens door rechtshandhavingsinstanties;

28.  herinnert eraan dat ervan moet worden uitgegaan dat wetgeving die overheidsinstanties algemene toegang geeft tot de inhoud van elektronische communicatie, het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, in gevaar brengt;

29.  beklemtoont dat er richtsnoeren en systemen moeten worden opgenomen in openbare aanbestedingen voor modellen, instrumenten en programma's op basis van big data voor rechtshandhavingsdoeleinden, teneinde ervoor te zorgen dat de onderliggende code vóór de definitieve aankoop door de rechtshandhavingsinstanties zelf op geschiktheid, correctheid en veiligheid kan worden en wordt gecontroleerd, rekening houdend met het feit dat de transparantie en verantwoordingsplicht worden beperkt door propriëtaire software; wijst erop dat sommige vormen van voorspellend politiewerk privacyvriendelijker zijn dan andere, bijvoorbeeld wanneer er probabilistische voorspellingen over plaatsen en gebeurtenissen worden gedaan in plaats van over natuurlijke personen;

Veiligheid

30.  onderstreept dat het absoluut noodzakelijk is om rechtshandhavingsdatabanken te beschermen tegen inbreuken op de beveiliging en ongeoorloofde toegang, aangezien dit een punt van zorg is voor natuurlijke personen; is derhalve van mening dat dergelijke risico's nopen tot doeltreffende samenwerking en overleg tussen rechtshandhavingsinstanties, de private sector, regeringen en onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten; benadrukt dat persoonsgegevens op toereikende wijze moeten worden beschermd, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680, en dat kwetsbaarheden met behulp van beveiligde en gedecentraliseerde databankarchitecturen moeten worden geminimaliseerd;

Non-discriminatie

31.  waarschuwt dat, vanwege de inmenging in het leven en de rechten van burgers door rechtshandhavingsautoriteiten, onder meer door middel van de verwerking en analyse van gegevens, maximale voorzichtigheid is geboden om onwettige discriminatie te voorkomen en te verhinderen dat een persoon of een groep personen op grond van ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, geslacht, genderexpressie, genderidentiteit, seksuele gerichtheid, verblijfsstatus, gezondheid of het behoren tot een nationale minderheid die vaak wordt geconfronteerd met etnische profilering of streng politieoptreden, maar ook natuurlijke personen die bij toeval bepaalde kenmerken vertonen, erdoor getroffen worden; wenst dat zowel de frontlinemedewerkers die gegevens verzamelen als de gebruikers van de uit de gegevensanalyse verkregen inlichtingen naar behoren worden opgeleid;

32.  verzoekt dat de rechtshandhavingsinstanties van lidstaten die gebruikmaken van de analyse van gegevens hierbij de hoogste ethische normen in acht nemen en ervoor zorgen dat gedurende de verschillende fasen van de besluitvorming menselijke tussenkomst en verantwoordingsplicht worden gewaarborgd, niet alleen om de representativiteit, juistheid en kwaliteit van de gegevens te beoordelen maar ook om de juistheid te beoordelen van elke beslissing die op basis van de desbetreffende gegevens wordt genomen;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(3) http://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/108
(4) https://search.coe.int/cm/Pages/result_details.aspx?ObjectID=09000016805cdd00
(5)https://secure.edps.europa.eu/EDPSWEB/webdav/site/mySite/shared/Documents/Consultation/Opinions/2015/15-11-19_Big_Data_EN.pdf
(6) https://secure.edps.europa.eu/EDPSWEB/webdav/site/mySite/shared/Documents/EDPS/Events/16-09-23_BigData_opinion_EN.pdf
(7) http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2014/wp221_en.pdf
(8) Advies 8/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 23 september 2016, blz. 15.


Minimumnormen voor de bescherming van tamme konijnen
PDF 200kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2017 over minimumnormen voor de bescherming van gefokte konijnen (2016/2077(INI))
P8_TA(2017)0077A8-0011/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 13 en 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van varkens,

–  gezien Richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren,

–  gezien Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen,

–  gezien Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens;

–  gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren,

–  gezien de in maart 2016 verschenen speciale Eurobarometer 442 – "De houding van Europeanen ten aanzien van dierenwelzijn",

–  gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 12 januari 2011 inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer,

–  gezien het wetenschappelijk advies van de EFSA van 11 oktober 2005 over de gevolgen van de huidige huisvesting en de houderijpraktijken voor de gezondheid en het welzijn van tamme konijnen,

–  gezien hoofdstuk 7.5 van de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE): 'Het slachten van dieren',

–  gezien de aanbevelingen voor het welzijn van konijnen, opgesteld door de regering van het VK,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0011/2017),

A.  overwegende dat konijnen in aantallen de op drie na meest gefokte dieren ter wereld zijn en de op één na meest gefokte soort in de EU;

B.  overwegende dat de Europese fokkers hoge normen inzake de gezondheid en het welzijn van dieren moeten naleven die niet altijd verplicht zijn in derde landen waaruit de EU slachtvee importeert;

C.  overwegende dat consumenten steeds meer aandacht hebben voor de omstandigheden waarin dieren worden gefokt;

D.  overwegende dat de konijnenhouderij ernstig te lijden heeft onder de dalende vleesconsumptie in de EU en de economische crisis in de landbouwsector, en dat de verkoopprijzen op drie jaar tijd met ongeveer 20 % zijn gedaald terwijl de productiekosten gelijk zijn gebleven;

E.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de voedingswaarde van konijnenvlees en de rol die de productie ervan speelt in familiebedrijven, waarin veel vrouwen aan de slag zijn, in veel plattelandsgebieden waar nauwelijks mogelijkheden tot diversifiëring van de veeteelt bestaan;

F.  overwegende dat met het welzijn van de landbouwers evenzeer rekening moet worden gehouden als met het dierenwelzijn;

G.  overwegende dat de meerderheid van de konijnen gefokt wordt voor de vleesproductie, waarbij jaarlijks meer dan 340 miljoen konijnen worden geslacht om hun vlees; overwegende dat de konijnenhouderij minder dan 1 % van de dierlijke eindproductie van de EU vertegenwoordigt;

H.  overwegende dat de konijnenhouderij in de EU steeds verder achteruitgaat en dat de cijfers voor 2016 op een productiedaling van 4,7 % wijzen omdat konijnenvlees steeds minder populair is bij de consument; overwegende dat de konijnenhouderij op de wereldmarkt opereert en geen rechtstreekse steun ontvangt, noch gebruik kan maken van marktinterventies in het kader van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

I.  overwegende dat de EU een negatieve handelsbalans heeft met China voor wat betreft konijnenvlees; overwegende dat het in de EU ingevoerde konijnenvlees voor 99 % afkomstig is uit China; overwegende dat de Chinese producenten de EU-fokkers uit de markt zullen prijzen als er geen maatregelen worden genomen, met alle negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn van dien;

J.  overwegende dat het belangrijk en noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de konijnenhouderij winstgevend is en blijft, zodat zij blijft bijdragen aan het behoud van de maatschappelijke structuur en de werkgelegenheid, met name voor vrouwen, in plattelandsgebieden waar geen andere productievormen mogelijk zijn, alsook de consument gevarieerde en hoogwaardige voeding aan te bieden;

K.  overwegende dat de EU 's werelds grootste konijnenproducent is, vóór Azië en met name China, dat met een productie van 417 000 ton geslachte dieren de grootste exporteur is;

L.  overwegende dat konijnenhouders en de hele sector er belang bij hebben dat het fokken van konijnen overeenkomstig het Europese productiemodel blijft voldoen aan de hoogste normen ter wereld inzake voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, en milieubescherming;

M.  overwegende dat de Europese konijnenhouderij op het naast elkaar bestaan van verschillende productiesystemen berust, en dat de konijnenhouderij voor veel kleine landbouwbedrijven in alle regio's een belangrijk middel vormt om hun inkomsten te diversifiëren;

N.  overwegende dat konijnenvlees, met een gemiddelde consumptie van 1,7 kg per inwoner, een van de minst geconsumeerde vleessoorten in de Unie is (tussen 1 % en 2 % van de totale vleesconsumptie);

O.  overwegende dat er ernstige bezorgdheid heerst over het geringe welzijn, de hoge stress en de hoge sterfte- en ziektecijfers onder gefokte konijnen in Europa, zoals de EFSA al in 2005 constateerde; overwegende dat de huisvesting, de voeding, de genetica, de gezondheidsaspecten of de verbetering van het welbevinden van konijnen die voor landbouwdoeleinden worden gehouden belangrijke aandachtspunten zijn onder belanghebbenden bij de konijnenhouderij, met name wat betreft het behoud van de diergezondheid en het dierenwelzijn;

P.  overwegende dat de meerderheid van de konijnen in de EU sinds hun domesticatie gewoonlijk wordt gehouden in batterijkooien, waarvan de specificaties van land tot land uiteen kunnen lopen, hetgeen vaak het geval is;

Q.  overwegende dat het konijn, net als andere soorten die met de mens samenleven, aspecten van zijn natuurlijke gedrag behoudt, en dat er daarom nader onderzoek moet worden verricht naar maatregelen en voorwaarden die gedurende de fok kunnen worden doorgevoerd zodat konijnen hun natuurlijke gedrag zo veel mogelijk kunnen behouden, voor zover dit hun eigen gezondheid ten goede komt;

R.  overwegende dat de intensieve fokkerij gebruikmaakt van vroeg en snel groeiende konijnensoorten – voorheen vleeskonijnen genoemd – met name commerciële hybriden die in industriële fokkerijen worden gebruikt voor de productie van slachtdieren;

S.  overwegende dat biologische productiesystemen, waar slachtkonijnen in groepshokken worden gehouden van waaruit zij toegang hebben tot een kleine weide en over het algemeen over meer ruimte beschikken, een mogelijk alternatief zijn voor de batterijfokkerij, hoewel dergelijke groepshuisvestingssystemen tot problemen kunnen leiden als gevolg van negatieve sociale interactie tussen en agressiviteit onder de dieren, hetgeen kan leiden tot verwondingen met gevolgen voor hun gezondheid en welzijn, en tot een toename van ziekten die worden overgebracht langs fecaal-orale weg;

T.  overwegende dat in bepaalde nationale regels voor biologische productie wordt bepleit konijnen in groepshokken te houden van waaruit zij toegang hebben tot een kleine weide bij de bodem van het hok;

U.  overwegende dat net als bij andere soorten, zoals pluimvee, onderzoek kan worden gedaan naar alternatieve productiesystemen, waaronder biologische productiesystemen, die de consument een ruimer assortiment levensmiddelen kunnen bieden en tot dusver slechts in beperkte mate ontwikkeld zijn;

V.  overwegende dat gezien het bovenstaande nader onderzoek moet worden verricht naar de uitdagingen en mogelijkheden van groepshuisvestingssystemen;

W.  overwegende dat het geringe economische belang van deze sector in de EU niet bevorderlijk is voor onderzoek en innovatie ter verbetering van de gezondheid en het welzijn van konijnen;

X.  overwegende dat er in de EU minimumnormen bestaan voor de bescherming van varkens(1), kalveren(2), legkippen(3) en vleeskippen(4), alsmede de algemene richtlijn van de Raad inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren(5), maar dat er geen specifieke EU-wetgeving bestaat inzake minimumnormen voor de bescherming van gefokte konijnen; overwegende dat steeds meer consumenten en burgers in de hele EU om regelgeving en meer welzijn voor gefokte konijnen vragen;

Y.  overwegende dat op grond van Richtlijn 1999/74/EG sinds 2012 een verbod geldt op het houden van legkippen in conventionele kooien, dat grotendeels ook met succes in de lidstaten is omgezet;

Z.  overwegende dat enkele lidstaten al nationale wetgeving en wettelijke vereisten voor het fokken van konijnen hebben vastgesteld en richtsnoeren betreffende goede praktijken hebben ontwikkeld in samenwerking met de sector; overwegende dat Oostenrijk in 2012 het houden van vleeskonijnen in kooien heeft verboden en dat in België bij wet is bepaald dat batterijkooien vóór 2025 moeten worden afgeschaft en vervangen door parksystemen;

AA.  overwegende dat in de Europese dierenwelzijnsstrategie werd gesteld dat de bestaande regelgeving volledig ten uitvoer moet worden gelegd alvorens meer wetgeving in te voeren, en dat de ontwikkeling van richtsnoeren betreffende goede praktijken moet worden bevorderd;

AB.  overwegende dat, gezien de vereiste transitie naar alternatieve productiesystemen en gezien het beperkte economisch gewicht van de konijnenfokkerij binnen de Europese dierlijke productie, de lidstaten en de Commissie aangemoedigd moeten worden om nader onderzoek te doen naar de gezondheid, het welzijn, het fokken, de huisvesting, de voeding, het gedrag en de verdoving van het konijn;

AC.  overwegende dat in het wetenschappelijk advies van de EFSA van 2005 over de huisvestings- en de houderijsystemen voor gefokte konijnenj wordt aanbevolen de kooien groter te maken, minder groeiende dieren in één kooi te zetten en therapeutische maatregelen te treffen, waaronder het gebruik van additieven om ziektes tegen te gaan;

AD.  overwegende dat de aanbevelingen van de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE over het slachten van dieren, met inbegrip van verdovingsmethoden en kenniseisen voor slachters, ook voor konijnen gelden;

AE.  overwegende dat artikel 3 van Richtlijn 98/58/EG van de Raad inzake dierenwelzijn voorschrijft dat "alle passende maatregelen” moeten worden getroffen om het welzijn van dieren te verzekeren, terwijl in artikel 4 normen worden vastgesteld voor het houden van dieren op basis van "ervaring of wetenschappelijk onderzoek", wat ook de door de EFSA en de OIE vastgestelde normen omvat;

Algemene opmerkingen

1.  merkt op dat konijnen in de EU doorgaans gefokt worden in conventionele niet-aangepaste kooien – een kale omgeving waar slechts een drink- en voederbak staan – die niet voldoen aan de eisen inzake optimale fokkerij overeenkomstig de recentste wetenschappelijke inzichten; wijst er tevens op dat konijnen soms uitsluitend korrels te eten krijgen en geen toegang hebben tot vezels, en dat zij abnormaal gedrag kunnen gaan vertonen vanwege de beperkte ruimte in de kale, draadgazen kooien;

2.  merkt op dat nader wetenschappelijk onderzoek naar huisvestingssystemen noodzakelijk is, dat de hygiëne kan bevorderen en het risico op ziekten en infecties bij de dieren kan beperken;

3.  onderkent dat alternatieven voor het in kooien fokken van konijnen met succes worden doorgevoerd, bijvoorbeeld het fokken in openluchtparken of hokken, waarbij gras als hoofdvoedsel dient, die het comfort en het welzijn van gefokte konijnen verhogen; is van mening dat alternatieve systemen moeten worden ontwikkeld, verbeterd en bevorderd, waarbij onderkend wordt dat de vraag naar konijnenvlees afkomstig uit dergelijke systemen tot op zekere hoogte beperkt kan zijn doordat de hogere productiekosten worden doorberekend in de door de consument betaalde prijs;

4.  moedigt het gebruik van collectieve parksystemen voor konijnen aan omdat zij er meer leefruimte hebben, meer sociaal gedrag kunnen vertonen en meer kunnen bewegen; wijst erop dat het gebruik van collectieve parksystemen het welzijn van gefokte konijnen verhoogt omdat zij zo een leven kunnen leiden dat meer op hun natuurlijke staat lijkt; benadrukt dat diergezondheid ook afhangt van twee belangrijke fokpraktijken, namelijk de omgevingsomstandigheden van de gebouwen en de ontwikkeling van adequate praktijken op het gebied van houderij, bioveiligheid en beheer;

5.  verzoekt de lidstaten en de Commissie nader onderzoek te doen om vast te kunnen stellen wat de beste huisvestingssystemen zijn voor de verhoging van het dierenwelzijn in de verschillende houderijtypen, zodat binnen de houderijen verbeteringen kunnen worden doorgevoerd en tegelijkertijd hun duurzaamheid wordt gewaarborgd;

6.  benadrukt dat al het konijnenvlees op de EU-markt, ook als het wordt ingevoerd uit derde landen, aan hoge voedselveiligheids- en kwaliteitsnormen en criteria inzake dierenwelzijn moet voldoen; wijst nadrukkelijk op het gevaar van oneerlijke concurrentie van derde landen als voor importproducten niet dezelfde normen en criteria gelden;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de kwaliteit en veiligheid van ingevoerd konijnenvlees te beschermen door grondige controles en inspecties te verrichten bij binnenkomst in de Unie;

8.  is ingenomen met de oprichting van het Europees platform voor dierenwelzijn en verzoekt de Commissie en de lidstaten gedragscodes voor het fokken van konijnen uit te wisselen en onder de aandacht te brengen;

Het fokken van konijnen

9.  benadrukt dat de konijnenfokkerij in Europa sterk geïntensiveerd is, ook al lopen de omstandigheden waaronder konijnen worden gefokt en gehouden uiteen omdat zij voor verschillende doeleinden worden gefokt en consumenten al naar gelang de markt en de EU-lidstaat verschillende wensen hebben;

10.  wijst erop dat de grootte van de kooi varieert al naar gelang de leeftijd en het gewicht van de dieren en dat dit van invloed is op bewegingen zoals uitgestrekt liggen, zitten en staan met gespitste oren (een alerte houding die typerend is voor de soort), zich oprichten, zich gemakkelijk omdraaien en hippen; onderstreept dat dit gebrek aan beweging tevens kan leiden tot verzwakte botten, stereotype gedrag of voetkwetsuren;

11.  benadrukt dat de huisvestingssystemen mettertijd verbeterd zijn door het aanbrengen van nieuwe voorzieningen, zoals voetmatjes, om voetkwetsuren te verminderen en het welzijn te verhogen; merkt evenwel op dat sommige oudere typen van de gebruikte kooien een constructievorm kunnen hebben die uit hedendaags oogpunt ongeschikt is;

12.  wijst er met bezorgdheid op dat gefokte konijnen wezenlijk meer aandoeningen hebben en hun sterftecijfer hoog is, onder meer vanwege meer parasitaire besmettingen (coccidiose, oxyuriosis, enz.) en verdenking op infectieziekten zoals VHD en myxomatose;

13.  wijst erop dat de EFSA in 2005 geconcludeerd heeft dat het sterfte- en ziektecijfer onder gefokte konijnen aanzienlijk hoger leek te zijn dan onder andere gefokte diersoorten als gevolg van infecties van de ingewanden en luchtwegen en voortplantingsproblemen; wijst er tegelijkertijd op dat in hetzelfde EFSA-verslag is gewaarschuwd voor de grotere gezondheidsrisico's die konijnen lopen als ze op de bodem in plaats van in kooien worden gehouden, met name vanwege coccidiose en parasitaire besmettingen;

14.  is ingenomen met de vooruitgang die veel fokkers hebben geboekt door in de constructie van de huisvestingssystemen verbeteringen aan te brengen in overeenstemming met de aanbevelingen van de EFSA; toont zich evenwel bezorgd over het gebrek aan behandelingen en onderzoek om ziekten onder gefokte konijnen te bestrijden;

Het fokken van konijnen

15.  geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid over het feit dat konijnen die in de EU worden gefokt en vetgemest met het oog op vleesproductie en die in ouderwetse kooien worden gehouden welke niet voldoen aan de moderne vereisten op het gebied van fokken, een ruimte tot hun beschikking hebben die per konijn geringer is dan twee gewone A4‑vellen papier;

16.  wijst erop dat konijnen extreem gevoelige dieren zijn die kunnen kampen met een grote hoeveelheid door ongeschikte fokomstandigheden veroorzaakte welzijnsproblemen en ziekten, waaronder dodelijke virussen, aandoeningen aan de luchtwegen en voetzoolaandoeningen veroorzaakt door het zitten op kooivloeren van draadgaas;

17.  wijst erop dat konijnenfokkers en dierenartsen over weinig therapeutische middelen beschikken om de gezondheidsproblemen die zich voordoen te bestrijden, en dat er meer moet worden gedaan aan het uitblijvende onderzoek en het gebrek aan investeringen in geneesmiddelen voor beperkte toepassingen en de behandeling van kleine diersoorten;

18.  wijst erop dat voeding heel belangrijk is voor het welzijn en de gezondheid van dieren en dat konijnen daarom altijd toegang moeten hebben tot evenwichtige voeding met de juiste doses vezels;

19.  merkt niettemin op dat de gezondheidsrisico’s beperkt zijn dankzij zeer strenge EU‑gezondheidsvoorschriften en benadrukt dat zieke dieren op grond van de vigerende wetgeving (Richtlijn 98/58/EG) onmiddellijk een medische behandeling moeten krijgen en tijdens hun herstel afgezonderd moeten worden, of zo nodig geëuthanaseerd;

20.  onderkent hoe belangrijk het is om mensen die te maken hebben met alle aspecten van de behandeling van dieren cursussen op het gebied van het fokken van konijnen aan te bieden alsook op betrouwbare technische en wetenschappelijke analyses gebaseerde gidsen voor goede praktijken, zodat zij hun resultaten kunnen verbeteren en een beter begrip krijgen van de relevante vereisten op het gebied van dierenwelzijn, waarmee onnodig lijden van de dieren vermeden kan worden;

21.  wijst erop dat gespeende mestkonijnen en voedsters die worden gehouden in collectieve parksystemen, waar lampreien doorgaans beschikken over 750 cm² per konijn en voedsters over 800 cm² per konijn, meer ruimte hebben voor beweging, sociale interactie en spel, waarbij plateaus in collectieve parksystemen het konijnen mogelijk maken agressors uit de weg te gaan, en deze systemen tevens voorzien in aparte huisvesting voor voedsters die een nestje zogen;

22.  beseft dat deze systemen voor de fokkers aanzienlijke kosten met zich meebrengt, waarmee rekening moet worden gehouden door fokkers die voor dit foksysteem kiezen, financieel te steunen; verzoekt de Commissie om in de toekomstige EU-begrotingen steun voor de konijnenhouderij beschikbaar te stellen; wijst erop dat in het kader van de programma’s voor plattelandsontwikkeling steun beschikbaar is voor fokkers die maatregelen doorvoeren ter verhoging van het welzijn van konijnen;

23.  wijst erop dat alle verplichte maatregelen die worden ingevoerd, gepaard moeten gaan met voldoende begrotingsmiddelen ter ondersteuning van de konijnenfokkers; is voorts van mening dat er een specifieke begrotingslijn moet komen om de consumptie van konijnenvlees te bevorderen;

24.  benadrukt dat meer onderzoek naar groepshuisvesting van voedsters het welzijn van deze dieren ten goede zou komen, met name onderzoek naar de tijd gedurende welke zij afzonderlijk gehuisvest moeten blijven en wanneer zij weer teruggeplaatst kunnen worden in de groep;

25.  adviseert voor de fok bestemde rammen die ouder zijn dan 12 weken in welk systeem dan ook altijd apart te huisvesten vanwege agressieproblemen;

Transport en slacht

26.  wijst erop dat transport een stressvolle ervaring voor konijnen is; onderstreept dat konijnen voor het transport over lange afstand gevoederd en gedrenkt moeten worden en tijdens de reis moeten beschikken over voldoende voeder, water en ruimte, en dat de transporttijden zo beperkt mogelijk moeten zijn vanwege de gevoeligheid van deze diersoort; benadrukt dat er zeer uiteenlopende stressfactoren bestaan die het welzijn van de dieren aantasten, zoals hitte, verhongering, uitdroging, pijn en trauma's, kou, kinetose en angst;

27.  benadrukt dat het welzijn van gefokte konijnen tijdens het transport en bij het slachten afhangt van de handelwijze en methodes van fokkers, vervoerders en slachthuispersoneel, alsook van de transportlogistiek; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging en handhaving van de toepasselijke EU-wetgeving te monitoren, met name Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer;

28.  benadrukt dat konijnen volledig moeten worden verdoofd voordat ze worden geslacht, om ervoor te zorgen dat ze niet lijden en geen pijn of stress hebben; herinnert eraan dat geslacht moet worden zonder het risico dat het verdoofde dier weer bij kennis komt, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden; wijst erop dat de ontwikkeling van praktisch onderzoek naar verdovingstechnieken die worden gebruikt bij andere diersoorten het mogelijk zou maken op konijnen afgestemde elektrische of andere verdovingsmethodes vast te stellen, zoals verdoving met een gasmengsel, die wellicht commercieel haalbaar en humaner zijn;

Antimicrobiële resistentie

29.  erkent de inspanningen van de Europese producenten om het gebruik van antibiotica in de konijnenhouderij terug te dringen; benadrukt dat het wijdverbreide gebruik van antibiotica in de konijnenfokkerij, met name in intensieve houderijtypes, kan leiden tot een hogere antimicrobiële resistentie;

30.  merkt op dat het grootschalige gebruik van antibiotica kan leiden tot een toename van antimicrobiële resistentie, waardoor het van cruciaal belang is om antibiotica verantwoorder te gaan gebruiken; is van mening dat de konijnenhouderij een onderdeel van deze situatie vormt, evenals andere sectoren die dierlijke producten voortbrengen, en dat ook de konijnenhouderij aanzienlijke inspanningen moet leveren ter bevordering van verantwoordelijk gebruik van antibiotica om ervoor te zorgen dat ze doeltreffend blijven en om antimicrobiële resistentie te voorkomen;

31.  benadrukt dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd om de conventionele batterijkooien in de hele EU geleidelijk af te schaffen en tegelijkertijd economisch levensvatbare verrijkte houderijsystemen te bevorderen, zodat in alle houderijsystemen hoge normen op het gebied van hygiëne gehaald en gehandhaafd worden, met name door de ontwikkeling van preventieve maatregelen en gerichte controles;

32.  onderstreept dat antibiotica uitsluitend gebruikt moeten worden voor behandelingsdoeleinden, waarna vóór het slachten een passende wachttijd moet volgen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, zodat de veiligheid van konijnenvlees gegarandeerd kan worden;

33.  benadrukt dat het terugdringen van het antibioticagebruik, en de positieve impact die dat zal hebben op de volksgezondheid, alleen mogelijk is als er meer nadruk wordt gelegd op het beheer van en het toezicht op konijnenhouderijen;

Conclusie

34.  moedigt de Commissie aan om in het licht van het grote aantal konijnen dat in de EU wordt gefokt en geslacht en van de ernstige gevolgen voor het dierenwelzijn van de thans gebruikte systemen voor het houden van konijnen, een stappenplan op te stellen voor financieel duurzame minimumnormen voor de bescherming van gefokte konijnen; benadrukt dat in dit stappenplan meetbare streefdoelen en een verplichting tot regelmatige verslaggeving moeten zijn opgenomen, en dat het stappenplan, in chronologische volgorde, ten minste het volgende moet bevatten:

   het opstellen van richtsnoeren met goede praktijken, waarin regels worden vastgesteld inzake het welzijn van konijnen, in samenwerking met alle betrokkenen bij de productie, en met andere belanghebbenden bij de konijnenhouderij,
   een aanbeveling van de Commissie, waarin reeds genomen nationale maatregelen in aanmerking worden genomen, met, waar nodig, voorstellen voor een gezamenlijke EU‑aanpak, met name wat betreft de gezondheid, het welzijn en de huisvesting van konijnen;
   binnen een passend tijdskader, een wetgevingsvoorstel inzake minimumnormen voor de bescherming van tamme konijnen;

35.  verzoekt de Commissie wetenschappelijk bewijs en conclusies als uitgangspunt te nemen wanneer zij maatregelen voorstelt inzake huisvestingsvereisten voor voedsters en vleeskonijnen, en daarbij voldoende rekening te houden met de biologische behoeften van de dieren en hun soortspecifieke gedrag;

36.  is van mening dat de voorschriften van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 98/58/EG inzake "alle passende maatregelen" die moeten worden genomen ten behoeve van het welzijn van dieren en de vaststelling van normen op grond van "ervaring of wetenschappelijk onderzoek" moeten worden aangewend om de wetenschappelijke aanbevelingen van de EFSA en de OIE te handhaven;

37.  wijst op de noodzaak een evenwicht te vinden tussen de verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, namelijk dierenwelzijn en diergezondheid, de financiële situatie en de arbeidsomstandigheden van konijnenhouders, duurzaamheid van de productie, gevolgen voor het milieu en consumentenbescherming; merkt op dat eveneens moet worden gekeken naar de behoefte van de consument aan betaalbaar en kwalitatief hoogwaardig konijnenvlees;

38.  onderstreept dat het GLB tot doel heeft om landbouwproducten en levensmiddelen aan consumenten in de hele EU te leveren en daarbij rekening te houden met hun behoeften en wensen op het gebied van gezonde en hoogwaardige landbouwproducten en levensmiddelen tegen betaalbare prijzen;

39.  moedigt de lidstaten en de sector aan om duidelijke systemen te ontwikkelen voor de etikettering van producten en daarbij gebruik te maken van de etiketteringsregelingen die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, zodat kan worden toegezien op meer transparantie op de markt, de naleving van kwaliteitsnormen en de bescherming van de gezondheid van consumenten, en consumenten in staat worden gesteld geïnformeerde en transparante keuzes te maken wanneer zij producten kopen, waarbij tegelijkertijd de herkomst van het product duidelijk vermeld wordt en het product bijgevolg beschermd is tegen oneerlijke concurrentie;

40.  onderstreept dat alle bestaande regelgeving op EU-niveau geharmoniseerd moet worden; benadrukt dat het uitwisselen van informatie met het oog op het opstellen van gidsen voor goede praktijken en het ondersteunen van nationale richtsnoeren van cruciaal belang zijn voor dit proces;

41.  spoort alle lidstaten aan hun voorschriften in overeenstemming te brengen met de vigerende voorschriften in Oostenrijk, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk inzake het welzijn van konijnen, omwille van een gelijk speelveld;

42.  onderstreept dat, in het licht van de vereiste transitie naar alternatieve productiesystemen, nader wetenschappelijk onderzoek moet worden gedaan naar de konijnenhouderij; moedigt de lidstaten en de Commissie aan specifieke begrotingssteun te verlenen aan en onderzoek te doen naar:

   de gezondheid van gefokte konijnen,
   het welzijn van gefokte konijnen,
   huisvesting van gefokte konijnen,
   de voortplanting van gefokte konijnen, met inbegrip van de voortplanting van konijnen van genetische stammen met een rustiger temperament,
   het fokken van konijnen,
   het gedrag van konijnen,
   de voeding van gefokte konijnen,
   soortspecifieke aandoeningen, morbiditeit en mortaliteit onder gefokte konijnen,
   passende geneesmiddelen, vaccins en behandelingen voor gefokte konijnen, waarbij rekening wordt gehouden met het groeiende probleem van antimicrobiële resistentie,
   passende, soortspecifieke en humane verdovingsmethoden voor gefokte konijnen;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gegevens te verstrekken over de productie van en de handel in konijnenvlees, en konijnenvlees op te nemen in het Europese vleesmarktobservatorium;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 47 van 18.2.2009, blz. 5).
(2) Richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 10 van 11.1.2009, blz. 7).
(3) Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PB L 203 van 3.8.1999, blz. 53).
(4) Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PB L 182 van 12.7.2007, blz. 19).
(5) Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23).

Juridische mededeling