Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 maart 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Zimbabwe, de zaak van pastor Evan Mawarire
 Oekraïense politieke gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim
 Filipijnen, de zaak van senator Leila M. De Lima
 Prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017
 Zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor importeurs van bepaalde mineralen en metalen uit conflict- en hoogrisicogebieden ***I
 Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector ***I
 Constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden
 Een geïntegreerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied
 Verslag 2016 over Montenegro
 e-Democratie in de EU: potentieel en uitdagingen

Zimbabwe, de zaak van pastor Evan Mawarire
PDF 166kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over Zimbabwe, de zaak van dominee Evan Mawarire en andere gevallen van beperking van de vrijheid van meningsuiting (2017/2608(RSP))
P8_TA(2017)0086RC-B8-0191/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Zimbabwe,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 30 juni 2016 over lokaal bestuur,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 12 juli 2016 over geweld,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van de EU van 9 maart 2017 over de ontvoering van Itai Dzamara,

–  gezien de persverklaring van de Zimbabwaanse mensenrechtencommissie over publieke protesten en politieoptreden,

–  gezien Besluit (GBVB) 2016/220 van de Raad van 15 februari 2016(1) tot verlenging van de beperkende maatregelen van de EU tegen Zimbabwe tot 20 februari 2017,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger namens de EU van 19 februari 2014 over de herziening van de betrekkingen tussen de EU en Zimbabwe,

–  gezien het algemeen politiek akkoord dat in 2008 is ondertekend door de drie grootste politieke partijen, te weten ZANU PF, MDC-T en MDC,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over Zimbabwe van 23 juli 2012 en het Uitvoeringsbesluit 2012/124/GBVB van de Raad van 27 februari 2012 tot uitvoering van Besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe(2),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981, dat door Zimbabwe is geratificeerd,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van december 1948,

–  gezien de grondwet van Zimbabwe,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevolking van Zimbabwe al vele jaren lijdt onder een door president Mugabe geleid autoritair regime, dat zijn macht behoudt door middel van corruptie, geweld, door onregelmatigheden geplaagde verkiezingen en een meedogenloos veiligheidsapparaat; overwegende dat de bevolking van Zimbabwe al tientallen jaren geen werkelijke vrijheid heeft gekend en dat veel mensen van onder de dertig daarom uitsluitend in armoede en met gewelddadige onderdrukking hebben geleefd;

B.  overwegende dat #ThisFlag, een onafhankelijke beweging op de sociale media die is opgericht door dominee Evan Mawarire en mensenrechtenverdedigers in Harare, de frustratie van de burgers over het regime van Mugabe heeft gekatalyseerd in de protesten van het afgelopen jaar tegen de laksheid van de regering om corruptie, straffeloosheid en armoede aan te pakken; overwegende dat dominee Mawarire de regering heeft opgeroepen de falende economie aan te pakken en de mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat de #ThisFlag-beweging steun heeft gekregen van kerken en de middenklasse, die tot dan de neiging hadden zich afzijdig te houden van straatpolitiek;

C.  overwegende dat dominee Evan Mawarire reeds werd gearresteerd op beschuldiging van het aanzetten tot publiek geweld, in juli 2016 werd vrijgelaten en daarna Zimbabwe dezelfde maand nog heeft verlaten uit angst voor zijn veiligheid en die van zijn gezin;

D.  overwegende dat dominee Evan Mawarire op 1 februari 2017 op de luchthaven van Harare werd gearresteerd bij zijn terugkeer naar Zimbabwe; overwegende dat hij in eerste instantie werd beschuldigd van "het ondermijnen van een grondwettelijke regering" in de zin van artikel 22 van de wet inzake strafvordering, een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van maximaal 20 jaar staat; overwegende dat op 2 februari 2017 een beschuldiging werd toegevoegd, namelijk belediging van de vlag op grond van artikel 6 van de wet betreffende de vlag van Zimbabwe; overwegende dat dominee Mawarire pas na negen dagen opsluiting op borgtocht werd vrijgelaten;

E.  overwegende dat de Zimbabwaanse mensenrechtencommissie in een publieke verklaring haar ernstige bezorgdheid heeft geuit over de wreedheid en het gewelddadig optreden van de politie, waarbij zij preciseerde dat de grondrechten van de manifestanten werden geschonden, en de Zimbabwaanse autoriteiten heeft opgeroepen deze zaak te onderzoeken en de daders voor de rechter te brengen;

F.  overwegende dat Itai Dzamara, een journalist en politiek activist, op 9 maart 2015 door vijf niet geïdentificeerde mannen in een kapperszaak in Harare werd ontvoerd; overwegende dat het Hooggerechtshof de regering heeft opgedragen te zoeken naar Dzamara en om de veertien dagen aan het Hooggerechtshof verslag uit te brengen over de vorderingen, totdat geweten is waar Dzamara zich bevindt; overwegende dat tot op heden niets bekend is over het lot van de heer Dzamara;

G.  overwegende dat Promise Mkwananzi, de leider van #Tajamuka, een sociale beweging die gelinkt is aan de "blijf-weg-dag" in juli, werd gearresteerd en beschuldigd van het aanzetten tot openbare geweldpleging vóór de oproep tot "shutdown 3.0" op 31 augustus 2016, en op borgtocht werd vrijgelaten; overwegende dat een andere activist van #Tajamuka, mevrouw Linda Masarira, die al eens in mei 2015 werd gearresteerd en vervolgens op borgtocht werd vrijgelaten, opnieuw werd gearresteerd tijdens de protesten in juli 2016;

H.  overwegende dat de beperkende maatregelen van de EU tegen het Zimbabwaanse regime in februari 2017 zijn verlengd tot 20 februari 2018; overwegende dat de bevriezing van activa en het reisverbod van toepassing blijven op president Mugabe, op Grace Mugabe en op de Zimbabwaanse defensie-industrie; overwegende dat er een wapenembargo van kracht blijft; overwegende dat de EU haar beperkingen voor 78 personen en 8 entiteiten heeft opgeheven;

I.  overwegende dat Zimbabwe de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend en dat in artikel 9 van deze overeenkomst is bepaald dat eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een essentieel onderdeel vormt van de ACS-EU-samenwerking;

J.  overwegende dat in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds 234 miljoen EUR is toegewezen aan het nationaal indicatief programma voor Zimbabwe voor de periode 2014-2020, waarbij drie belangrijke sectoren centraal staan, te weten gezondheid, op de landbouw gebaseerde economische ontwikkeling en bestuur en institutionele opbouw;

1.  betreurt de arrestatie van dominee Evan Mawarire; benadrukt dat zijn vrijlating op borgtocht niet volstaat en dat de politiek gemotiveerde aanklachten tegen hem volledig moeten worden ingetrokken;

2.  roept de Zimbabwaanse autoriteiten op ervoor te zorgen dat het strafrechtstelsel niet wordt misbruikt om mensenrechtenactivisten als dominee Evan Mawarire te viseren, te pesten of te intimideren;

3.  is van oordeel dat de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting essentiële onderdelen zijn van elke democratie; benadrukt dat het geweldloos uiten van een mening een grondwettelijk recht van alle Zimbabwaanse burgers is en herinnert de autoriteiten aan hun verplichting om de rechten van alle burgers te beschermen;

4.  is ernstig bezorgd over meldingen van mensenrechtenorganisaties van politiek geweld, alsook van beperkingen voor en intimidatie van mensenrechtenverdedigers; betreurt dat sinds de vorige verkiezingen en de goedkeuring van de nieuwe grondwet in 2013 weinig vooruitgang is geboekt op het gebied van de rechtsstaat en in het bijzonder inzake de verbetering van de mensenrechtensituatie;

5.  roept de Zimbabwaanse autoriteiten op te achterhalen waar de heer Dzamara zich bevindt en ervoor te zorgen dat degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn ontvoering voor de rechter worden gebracht; wijst erop dat het geweldloos uiten van een mening een grondwettelijk recht van alle Zimbabwaanse burgers is en dat het de verplichting van de autoriteiten is de rechten van alle burgers te beschermen;

6.  uit tevens zijn bezorgdheid over de zaak van mevrouw Linda Masarira, die werd veroordeeld wegens openbare geweldpleging naar aanleiding van de nationale staking op 6 juli 2016; dringt er bij de regering van Zimbabwe op aan zich terughoudend op te stellen en de mensenrechten van alle Zimbabwaanse burgers te eerbiedigen, met inbegrip van het recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering; herinnert de regering aan haar verantwoordelijkheden wat betreft de eerbiediging, de naleving en het niet ondermijnen van de grondwet, en wat betreft het onpartijdig ten dienste staan van alle Zimbabwaanse burgers, zonder enige uitzondering;

7.  verzoekt de EU-delegatie in Harare haar steun te blijven verlenen aan Zimbabwe om de mensenrechtensituatie te verbeteren en de mogelijkheden te verkennen om een verkiezingswaarnemingsmissie van de EU te vergemakkelijken;

8.  benadrukt eens te meer hoe belangrijk het voor de EU is om in het kader van de Overeenkomst van Cotonou een politieke dialoog te starten met de Zimbabwaanse autoriteiten, en daarbij te bevestigen dat de EU vastbesloten is de lokale bevolking te ondersteunen;

9.  dringt erop aan dat de EU erop toeziet dat de steun voor Zimbabwe in het kader van het nationaal indicatief programma effectief wordt besteed binnen de betreffende sectoren, en verzoekt de regering van Zimbabwe de Commissie ongehinderd toegang te verlenen tot door de EU gefinancierde projecten en zich meer open te stellen voor technische ondersteuning bij gezamenlijk overeengekomen projecten en programma's;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO, de regering en het parlement van Zimbabwe, de regeringen van de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika en de Afrikaanse Unie.

(1) PB L 40 van 17.2.2016, blz. 11.
(2) PB L 54 van 28.2.2012, blz. 20.


Oekraïense politieke gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim
PDF 177kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over de Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim (2017/2596(RSP))
P8_TA(2017)0087RC-B8-0190/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de associatieovereenkomst en de diepe en alomvattende vrijhandelsruimte tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne en Rusland, in het bijzonder die van 4 februari 2016 over de mensenrechtensituatie op de Krim, en met name over de situatie van de Krim-Tataren(1), en die van 12 mei 2016 over de Krim-Tataren(2), alsook de resoluties over de specifieke gevallen van Oekraïeners die illegaal worden vastgehouden in Rusland, zoals die van 30 april 2015 over Nadiya Savchenko(3), en van 10 september 2015 over Rusland, en in het bijzonder over Eston Kohver(4), Oleg Sentsov en Olexander Kolchenko(5),

–  gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld "Territoriale integriteit van Oekraïne" en resolutie 71/205 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 getiteld "Mensenrechtensituatie in de Autonome Republiek de Krim en de stad Sevastopol (Oekraïne)",

–  gezien het Europees mensenrechtenverdrag, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en de Verklaring van de VN over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP),

–  gezien het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–  gezien het "Pakket van maatregelen ter uitvoering van de akkoorden van Minsk", dat op 12 februari 2015 in Minsk werd overeengekomen en ondertekend, en in zijn geheel werd bekrachtigd bij Resolutie 2202 (2015) van de VN-Veiligheidsraad van 17 februari 2015,

–  gezien de besluiten van de Raad betreffende de handhaving van de sancties die aan de Russische Federatie zijn opgelegd in verband met de illegale annexatie van het schiereiland de Krim,

–  gezien de uitspraak van het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim van 26 april 2016, op grond waarvan de Mejlis van de Krim-Tataren als extremistische organisatie wordt aangemerkt die niet langer actief mag zijn op het schiereiland de Krim,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in maart 2017 het trieste feit wordt herdacht dat het schiereiland de Krim drie jaar geleden illegaal door Rusland werd geannexeerd;

B.  overwegende dat de annexatie van het schiereiland de Krim door de Russische Federatie illegaal is en een schending vormt van het internationaal recht en van de Europese overeenkomsten die door zowel de Russische Federatie, als Oekraïne ondertekend zijn, in het bijzonder het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki, het Memorandum van Boedapest en het vriendschaps-, samenwerkings- en partnerschapsverdrag van 1997 tussen Oekraïne en de Russische Federatie;

C.  overwegende dat de Russische autoriteiten zolang de annexatie duurt verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de bescherming - door de de facto autoriteiten in het gebied - van de bevolking en de burgers van de Krim;

D.  overwegende dat mensenrechtenorganisaties en publieke bronnen melden dat ten minste 62 Oekraïense burgers (waaronder 49 inwoners van de Krim) om politieke redenen door de Russische wetshandhavingsdiensten illegaal zijn vervolgd; overwegende dat het aantal Oekraïense politieke gevangenen in Rusland in 2016 is toegenomen, ondanks de toe te juichen vrijlating van zes Oekraïeners; overwegende dat op dit moment 17 Oekraïense burgers illegaal in de Russische Federatie worden vastgehouden, en 15 op de bezette Krim; overwegende dat ten minste 100 Oekraïeners door de door Rusland gesteunde separatisten in de Oekraïense regio's Donetsk en Luhansk onder erbarmelijke omstandigheden gegijzeld worden gehouden;

E.  overwegende dat verschillende meldingen voorliggen van foltering en wrede en vernederende behandeling; overwegende dat deze beschuldigingen tot nu toe niet goed zijn onderzocht; overwegende dat foltering is gebruikt om bekentenissen af te dwingen en vals bewijs van schuld te verkrijgen; overwegende dat ook juristen van de Krim die deze personen juridische bijstand verlenen, en mensenrechtenactivisten die melding maken van gevallen van politiek gemotiveerde gedwongen verdwijningen op de Krim, alsook journalisten die over de situatie van de Krim-Tataren berichten, tot doelwit zijn geworden;

F.  overwegende dat veel gevangenen en gearresteerden onder harde en onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden, resulterend in lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen; overwegende dat sommige gevangenen hoogdringend medische verzorging en behandeling nodig hebben;

G.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Rusland op 16 december 2016 als bezettingsmacht heeft aangemerkt en haar veroordeling heeft uitgesproken over de tijdelijke bezetting van het grondgebied van Oekraïne - de Autonome Republiek de Krim en de stad Sevastopol door de Russische Federatie - en heeft bekrachtigd dat de annexatie niet wordt erkend;

H.  overwegende dat volgens artikel 70 van het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd "personen die bescherming genieten door de bezettingsmacht niet mogen worden gearresteerd, vervolgd of veroordeeld voor daden die zijn gepleegd of voor meningen die zijn geuit vóór de bezetting"; overwegende dat Rusland in de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wordt erkend als een staat die de bezettingsmacht is, en dat voor Rusland derhalve de verplichtingen van de bezettingsmacht gelden, inclusief de verplichting om de inwoners en de burgers van de Krim te beschermen;

I.  overwegende dat de restrictieve Russische wetgeving inzake politieke en burgerrechten tot de Krim is uitgebreid, hetgeen erin heeft geresulteerd dat de vrijheden van vergadering, meningsuiting, vereniging, toegang tot informatie en godsdienst drastisch zijn ingeperkt, en verder overwegende dat betrouwbare bronnen melding maken van intimidatie, gedwongen verdwijningen en foltering;

J.  overwegende dat ongeveer 20 000 inwoners van de Krim als intern verdrevenen in andere Oekraïense regio's wonen, dat de Mejlis van de Krim-Tataren verboden en tot een extremistische organisatie is uitgeroepen, en dat Oekraïense scholen op het schiereiland zijn gesloten;

K.  overwegende dat Oekraïne op 16 januari 2017 een zaak bij het Internationaal Strafhof aanhangig heeft gemaakt waarin het de Russische Federatie verantwoordelijk stelt voor haar steun aan terrorisme in het oosten van Oekraïne en voor discriminatie van etnische Oekraïeners en Krim-Tataren op de bezette Krim;

1.  steunt de soevereiniteit, onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen, en veroordeelt nogmaals krachtig de illegale annexatie van de Autonome Republiek de Krim en de stad Sevastopol door de Russische Federatie; geeft zijn volledige steun aan de onwrikbare en permanente vastberadenheid van de EU en haar lidstaten om deze annexatie en de in dit verband getroffen restrictieve maatregelen niet te erkennen;

2.  herinnert eraan dat de mensenrechtensituatie op het schiereiland de Krim aanzienlijk is verslechterd, dat de schending van de vrijheid van meningsuiting, de mediarestricties en de gedwongen oplegging van het Russische staatsburgerschap inmiddels een stelselmatig karakter hebben, en dat de fundamentele mensenrechten en vrijheden op de Krim niet gewaarborgd zijn;

3.  veroordeelt de discriminerende maatregelen van de zogenaamde autoriteiten tegen met name de Tataarse minderheid op de Krim, de inbreuken op hun eigendomsrechten, de toenemende intimidatie van deze gemeenschap en van diegenen die zich tegen de Russische annexatie verzetten, alsook de inperking van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging op het schiereiland;

4.  verzoekt Rusland alle Oekraïense burgers die zowel in Rusland, als in de tijdelijk bezette Oekraïense gebieden illegaal en op willekeurige gronden worden vastgehouden, waaronder Mykola Karpyuk, Stanislav Klykh, Oleksandr Kolchenko, Oleg Sentsov, Oleksiy Chyrniy, Oleksandr Kostenko, Serhiy Lytvynov, Valentyn Vyhivskyi, Viktor Shur, Andriy Kolomiyets, Ruslan Zeytullayev, Nuri Primov, Rustem Vaitov, Ferat Sayfullayev, Akhtem Chiyhoz, Mustafa Dehermendzhi, Ali Asanov, Inver Bekirov, Muslim Aliyev, Vadim Siruk, Arsen Dzhepparov, Refat Alimov, Zevri Abseitov, Remzi Memetov, Rustem Abiltarov, Enver Mamutov, Artur Panov, Evheniy Panov, Roman Suschenko en Emir-Usein Kuku, mensenrechtenactivisten, en anderen, onverwijld vrij te laten en veilig te laten terugkeren, en alle genoemde personen, waaronder Mykola Semena, die wordt vervolgd vanwege zijn journalistieke werk voor Radio Free Europe/Radio Liberty, toe te staan zich vrij te bewegen;

5.  beklemtoont dat het besluit van de Russische Federatie van 21 maart 2014 om de Krim te annexeren onverminderd illegaal is, en veroordeelt krachtig het daaropvolgende besluit van de Russische autoriteiten om alle inwoners van de Krim een Russisch paspoort te geven;

6.  herinnert de Russische Federatie, als een bezettingsmacht met de facto controle over de Krim, die gehouden is aan het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenwetgeving, aan haar verplichting in te staan voor de verdediging van de mensenrechten op het schiereiland, en verzoekt de Russische autoriteiten internationale instellingen en onafhankelijke deskundigen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Verenigde Naties en de Raad van Europa, alsook mensenrechten-ngo's en media die de Krim willen bezoeken, de situatie ter plaatse willen beoordelen en daarover verslag willen uitbrengen, onbelemmerd toegang tot het schiereiland te geven; verzoekt de Oekraïense autoriteiten om versoepeling van de procedure voor buitenlandse journalisten, mensenrechtenactivisten en juristen om toegang tot het schiereiland te krijgen;

7.  is van mening dat de rechten van de Krim-Tataren ernstig zijn geschonden door het verbod op de activiteiten van de Mejlis, en herhaalt in krachtige bewoordingen zijn verzoek om het desbetreffende besluit en de gevolgen ervan onmiddellijk ongedaan te maken; betreurt de juridische vervolging en de dreigende arrestatie van de Mejlis-leiders, zoals Mustafa Dzhemilev, een lid van de Oekraïense Verkhovna Rada en een genomineerde voor de Sacharov-prijs, en Refat Chubarov, de voorzitter van de Mejlis;

8.  beklemtoont dat de Krim-Tataren, als een inheemse bevolkingsgroep van het schiereiland, en hun cultureel erfgoed klaarblijkelijk tot de belangrijkste doelen van de repressieve maatregelen behoren; dringt erop aan dat internationale instellingen en onafhankelijke deskundigen van de OVSE, de Verenigde Naties en de Raad van Europa onbelemmerde toegang tot de Krim krijgen;

9.  herinnert de Russische autoriteiten eraan dat zij, hoewel de annexatie van de Krim illegaal is, de facto volledig verantwoordelijk zijn voor het handhaven van de rechtsorde op de Krim, en voor het beschermen van de burgers van de Krim tegen arbitraire juridische of administratieve maatregelen;

10.  maakt zich ernstig zorgen over het grote aantal betrouwbare meldingen van verdwijningen, foltering en stelselmatige intimidatie van plaatselijke inwoners die zich tegen de annexatie van de Krim verzetten, en verzoekt Rusland onmiddellijk een eind te maken aan de vervolgingspraktijken, een grondig onderzoek in te stellen naar alle mensenrechtenschendingen, met inbegrip van de gedwongen verdwijningen, arbitraire detentie, foltering en slechte behandeling van gevangenen, en de grondrechten van alle inwoners, inclusief de vrijheid van meningsuiting, godsdienst of geloofsovertuiging, vereniging en vredelievende vergadering, te eerbiedigen; dringt erop aan onmiddellijk onderzoeken in te stellen naar alle verdwijningen en ontvoeringen in de periode van de bezetting van de Krim, waaronder naar het lot van Ervin Ibragimov;

11.  herinnert eraan dat volgens de Russische wetgeving de jurisdictie van de Russische justitie zich alleen uitstrekt tot misdaden die worden begaan op het grondgebied van Rusland; betreurt het dat de Russische wetshandhavingsautoriteiten meerdere strafrechtzaken zijn gestart in verband met daden die vóór de annexatie op het grondgebied van Oekraïne en de Krim zijn gepleegd;

12.  verwelkomt het dat de Oekraïense ombudsman onlangs de Krim heeft bezocht om de gevangenen te bezoeken; betreurt het dat de ombudsman hen niet allemaal heeft kunnen ontmoeten, en spreekt de hoop uit dat zij tijdens haar bezoeken in de toekomst onbelemmerd toegang zal krijgen tot de Oekraïense gevangenen op de Krim, én tot de gevangenen die naar de Russische Federatie zijn overgebracht;

13.  dringt erop aan dat de OVSE en andere internationale mensenrechtenwaarnemers en alle humanitaire actoren onbeperkte, veilige en onbelemmerde toegang tot het Krim-schiereiland krijgen, en dat onafhankelijke monitoringmechanismen worden ontwikkeld, en daar waar nodig humanitaire en juridische bijstand kan worden geboden; steunt het initiatief van Oekraïne om deze kwesties door de Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering te laten behandelen; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegatie voor Rusland de rechtszaken tegen Oekraïense politieke gevangenen van dichtbij te volgen, en te rapporteren over hun behandeling in de gevangenis; maakt zich zorgen over de meldingen van het bij wijze van straf inzetten van psychiatrische behandelingen; verwacht van de EU-delegatie, de EDEO en de ambassades van de lidstaten dat zij de rechtszaken tegen Oekraïense burgers in Rusland op de voet volgen, en proberen zowel vóór, tijdens als na de processen toegang tot de personen in kwestie te krijgen;

14.  veroordeelt de veel voorkomende praktijk waarbij gevangenen naar verafgelegen regio's van Rusland worden overgebracht, aangezien dit de communicatie met hun families en met mensenrechtenorganisaties ernstig bemoeilijkt; beklemtoont dat deze praktijk neerkomt op een inbreuk op de vigerende Russische wetgeving, meer in het bijzonder op artikel 73 van het wetboek van strafrecht, dat bepaalt dat straffen moeten worden uitgezeten in de regio waar de veroordeelde woont of van de rechtbank die de straf heeft opgelegd; veroordeelt de praktijk waarbij personen die gevangen worden gehouden geen consulaire bezoeken worden toegestaan, en verzoekt de autoriteiten alle belemmeringen voor de bezoeken in kwestie te elimineren; dringt erop aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) toegang te geven tot gevangenen in de bezette gebieden, en verzoekt om inachtneming van het recht van gevangenen om zowel via correspondentie als het ontvangen van bezoekers met regelmatige tussenpozen met familie en vrienden contact te hebben;

15.  beklemtoont daarnaast dat Oekraïne de bescherming van de rechten en behoeften van verdreven Oekraïense burgers, met inbegrip van hun recht om te stemmen en in hun land volledige juridische en administratieve bescherming te genieten, moet respecteren;

16.  verwelkomt het besluit van het presidium van het Hooggerechtshof van Rusland van 22 februari 2017 om de veroordeling van Ildar Dadin in verband met de deelname aan meerdere verboden protestbijeenkomsten, waaronder tegen de Russische oorlog tegen Oekraïne, te vernietigen en zijn vrijlating te gelasten, naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 24 november 2016(6) waarin zijn zaak wordt bepleit;

17.  verzoekt de speciale mensenrechtenvertegenwoordiger van de Unie de situatie van de mensenrechten op de Krim onverminderd in de gaten te blijven houden; beklemtoont dat de Europese Unie bij het bevorderen van een duurzame geweldloze oplossing een prominentere, meer doeltreffende en proactievere rol moet spelen;

18.  dringt aan op steun van de EU voor op de Krim gerichte mediaprojecten van Tataren in Oekraïne en op de Krim, alsook voor mediaprojecten van de European Endowment for Democracy en Radio Free Europe/Radio Liberty, en voor projecten ter bescherming van scholen voor Tataren in Oekraïne en op de Krim, alsmede voor andere initiatieven voor het beschermen van hun cultureel erfgoed;

19.  dringt erop aan bijkomende beperkende maatregelen, waaronder de bevriezing van hun tegoeden in EU-banken, vast te stellen voor personen die zich aan ernstige mensenrechtenschendingen schuldig maken;

20.  verzoekt alle partijen met klem zich volledig te houden aan de bepalingen van de akkoorden van Minsk, inclusief die over beëindiging van de militaire operaties in Donbas en de uitwisseling van gijzelaars, en alle gevangenen onverwijld vrij te laten en terug te laten keren; wijst nog eens op de bijzondere verantwoordelijkheid van de Russische regering in deze;

21.  dringt erop aan te onderzoeken of een internationale formule, stoelend op het internationaal humanitair recht, mensenrechten en internationale beginselen, kan worden gevonden voor onderhandelingen - met deelname van de EU - over beëindiging van de bezetting van de Krim;

22.  dringt er bij de Raad op aan te onderzoeken op welke wijze Oekraïne kan worden gesteund bij de zaak die het land voor het Internationaal Strafhof aanhangig heeft gemaakt waarin het de Russische Federatie verantwoordelijk stelt voor haar steun aan terrorisme in het oosten van Oekraïne en voor discriminatie van etnische Oekraïeners en Krim-Tataren op de bezette Krim;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de president van Oekraïne, de regeringen en parlementen van Oekraïne en de Russische Federatie, en de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0043.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0218.
(3) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 101.
(4) Estse burger.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0314.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0446.


Filipijnen, de zaak van senator Leila M. De Lima
PDF 252kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over de Filipijnen – de zaak van senator Leila M. De Lima (2017/2597(RSP))
P8_TA(2017)0088RC-B8-0193/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Filipijnen, met name zijn resolutie van 15 september 2016(1),

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie en de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de Filipijnen en de EU (voorheen de Europese Economische Gemeenschap (EEG)), die zijn aangegaan op 12 mei 1964 met de benoeming van de ambassadeur van de Filipijnen voor de EEG,

–  gezien de status van de Filipijnen als stichtend lid van de Associatie van Zuid-Oost Aziatische staten (ASEAN),

–  gezien de verklaring van de Internationale Commissie van Juristen van 28 februari 2017,

–  gezien de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Filipijnen en de EU reeds lang diplomatieke, economische, culturele en politieke betrekkingen onderhouden;

B.  overwegende dat op 23 februari 2017 een arrestatiebevel is uitgevaardigd tegen de Filipijnse senator Leila M. De Lima, lid van de oppositionele Liberale Partij, waarbij zij beschuldigd werd van drugsgerelateerde delicten; overwegende dat senator De Lima op 24 februari 2017 in hechtenis is genomen; overwegende dat senator De Lima veroordeeld kan worden tot een gevangenisstraf van 12 jaar tot levenslang en uitgesloten kan worden uit de Filipijnse senaat;

C.  overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat dat de delicten waarvan senator De Lima beschuldigd wordt, vrijwel volledig verzonnen zijn; overwegende dat Amnesty International senator De Lima beschouwt als gewetensgevangene;

D.  overwegende dat senator De Lima mensenrechtenadvocaat is en de meest uitgesproken critica van de antidrugscampagne van de Filipijnse president Rodrigo Duterte; overwegende dat zij de Filipijnse drugsoorlog openlijk veroordeeld heeft; overwegende dat senator De Lima voorzitter was van de Filipijnse mensenrechtencommissie; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over de veiligheid van senator De Lima; overwegende dat er talrijke aanwijzingen bestaan voor marteling in gevangenissen die niet onderzocht worden;

E.  overwegende dat senator De Lima op 19 september 2016 is ontheven uit haar functie van voorzitter van de Commissie Justitie en Mensenrechten van de Senaat; overwegende dat senator De Lima tijdens haar voorzitterschap van de Commissie Mensenrechten het onderzoek heeft geleid naar de vermeende buitengerechtelijke executies van naar schatting 1 000 verdachten van drugsdelicten in Davao in de periode dat president Duterte burgemeester van deze stad was; overwegende dat senator De Lima na de hoorzittingen te maken kreeg met een stortvloed aan pesterijen en intimidatie door de autoriteiten, die de afgelopen 8 maanden zijn geïntensiveerd;

F.  overwegende dat Human Rights Watch op 2 maart 2017 zijn verslag "License to Kill: Philippine Police Killings in Duterte's 'War on Drugs'" heeft uitgebracht, waarin de buitengerechtelijke executies in verband met de antidrugscampagne worden gedocumenteerd;

G.  overwegende dat sinds het aantreden van president Duterte op 30 juni 2016 melding is gemaakt van 7 000 drugsgerelateerde executies door de politie en door burgerwachtgroeperingen; overwegende dat president Duterte heeft verklaard zijn antidrugscampagne voort te zetten tot het einde van zijn ambtstermijn in 2022;

H.  overwegende dat president Dutarte in reactie op de executie van officieren door opstandelingen van het communistische Nieuwe Volksleger in de zuidelijke Filipijnen op 8 maart 2017 het leger heeft opgedragen om tegen opstandelingen gerichte operaties te starten, en daarbij geen acht te slaan op nevenschade;

I.  overwegende dat de nationale politie van de Filipijnen op 30 januari 2017 de antidrugsoperaties door de politie tijdelijk heeft opgeschort naar aanleiding van een wrede vermeende moord in het kader van de antidrugscampagne; overwegende dat president Duterte de strijdkrachten van de Filipijnen heeft opgedragen de rol van de nationale politie in de antidrugscampagne over te nemen;

J.  overwegende dat voorvechters van de mensenrechten, activisten en journalisten in de Filipijnen, met inbegrip van senator De Lima, regelmatig bedreigd, lastiggevallen en geïntimideerd worden, en dikwijls te maken hebben met cyberpesten; overwegende dat degenen die de rechten van deze groepen mensen schenden geen rekenschap hoeven af te leggen omdat er geen fatsoenlijk onderzoek naar hen wordt ingesteld; overwegende dat president Duterte in november 2016 openlijk heeft gedreigd voorvechters van de mensenrechten te vermoorden;

K.  overwegende dat het Huis van Afgevaardigden op 7 maart 2017 Wet 4727 tot herinvoering van de doodstraf voor ernstige drugsgerelateerde delicten heeft aangenomen; overwegende dat de Filipijnen het eerste land in de regio waren dat in 2007 de doodstraf afschafte; overwegende dat herinvoering van de doodstraf een flagrante schending zou vormen van het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij de Filipijnen sinds 2007 partij zijn; overwegende dat de regering van president Duterte momenteel overweegt de minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid terug te brengen van 15 naar 9 jaar;

L.  overwegende dat de Filipijnen in september 2016 het voorzitterschap van ASEAN voor 2017 hebben overgenomen;

1.  verlangt dat senator Leila M. De Lima onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld en dat haar veiligheid tijdens haar gevangenschap voldoende gewaarborgd wordt; verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen een eerlijk proces te waarborgen en verwijst daarbij naar het recht op het vermoeden van onschuld; verzoekt hun tevens om alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen senator De Lima in te trekken en alle andere tegen haar gerichte pesterijen te beëindigen;

2.  realiseert zich dat miljoenen mensen in de Filipijnen aan drugs verslaafd zijn en daar de schadelijke gevolgen van ondervinden; veroordeelt met klem de drugshandel en het drugsmisbruik in de Filipijnen; verzoekt de regering de bestrijding van smokkelnetwerken en drugsbaronnen prioriteit te geven boven de jacht op kleine gebruikers; benadrukt dat deze strijd hand in hand moet gaan met op preventie en afkicken gerichte maatregelen; ondersteunt de regering bij haar inspanningen om nieuwe ontwenningsklinieken te openen;

3.  veroordeelt ten stelligste het hoge aantal buitengerechtelijke executies door de strijdkrachten en burgerwachtgroeperingen in het kader van de antidrugscampagne; betuigt zijn medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers; toont zich ernstig bezorgd over geloofwaardige berichten die erop wijzen dat de Filipijnse politie bewijs vervalst om buitengerechtelijke executies te rechtvaardigden, en dat voornamelijk arme stedelingen daarvan het doelwit zijn; verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen om onmiddellijk onpartijdig en zinvol onderzoek naar deze buitengerechtelijke executies in te stellen en om alle daders te vervolgen en te berechten; verzoekt de EU dit onderzoek te ondersteunen; verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen om alle noodzakelijke maatregelen te nemen zodat verdere executies voorkomen kunnen worden;

4.  geeft uitdrukking aan zijn ernstige bezorgdheid over de retoriek van president Duterte in reactie op de moord op officieren op 8 maart 2017 en verzoekt de Filipijnse autoriteiten en strijdkrachten met klem om strikte eerbiediging van het internationaal humanitair recht, op grond waarvan alle partijen die betrokken zijn bij een gewapend conflict specifieke beperkingen wordt opgelegd om burgers en niet-strijders te sparen;

5.  verzoekt de EU haar steun te geven aan de instelling van een onafhankelijk internationaal onderzoek door de VN-Mensenrechtenraad naar de onwettige executies en andere schendingen van de mensenrechten door de Filipijnen in het kader van de "oorlog tegen drugs" van president Duterte;

6.  is ernstig gealarmeerd over het besluit van het Huis van Afgevaardigden tot herinvoering van de doodstraf; verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen om onmiddellijke beëindiging van de lopende procedures voor herinvoering van de doodstraf; herinnert eraan dat de EU de doodstraf beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag; verzoekt de Filipijnse regering af te zien van verlaging van de minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid;

7.  dringt erop aan dat de EU de zaak tegen senator De Lima nauwgezet volgt;

8.  vraagt de EU met klem alle haar ter beschikking staande middelen in te zetten om de regering van de Filipijnen te helpen bij het eerbiedigen van haar internationale mensenrechtenverplichtingen, met name middels de kaderovereenkomst;

9.  verzoekt de Commissie om alle beschikbare instrumenten in te zetten om de Filipijnen ervan te overtuigen dat zij een einde moeten maken aan de buitengerechtelijke executies in het kader van de antidrugscampagne, waaronder procedurele maatregelen met het oog op mogelijke intrekking van SAP+-preferenties wanneer de komende maanden substantiële verbeteringen uitblijven;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van de Filipijnen, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor mensenrechten, en de regeringen van de ASEAN-lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0349.


Prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017
PDF 207kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017 (2017/2598(RSP))
P8_TA(2017)0089RC-B8-0183/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen hierbij,

–  gezien resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) is opgericht,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de zittingen van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 7 juli 2016 over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(1),

–  gezien zijn eerdere resoluties over mensenrechtenschendingen, waaronder de spoedresoluties van 2016 over Ethiopië, Noord-Korea, India, de Krim, Hongkong, Kazachstan, Egypte, de Democratische Republiek Congo, Pakistan, Honduras, Nigeria, Gambia, Djibouti, Cambodja, Tadzjikistan, Vietnam, Malawi, Bahrein, Myanmar, de Filipijnen, Somalië, Zimbabwe, Rwanda, Sudan, Thailand, China, Brazilië, Rusland, Tibet, Irak, Indonesië, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Burundi, Nicaragua, Koeweit en Guatemala,

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(2),

–  gezien artikel 2, artikel 3, lid 5, en de artikelen 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bevordering en waarborging van het universele karakter van mensenrechten deel uitmaakt van het ethische en juridische acquis van de Europese Unie en een van de hoekstenen vormt van de Europese eenheid en integriteit; overwegende dat eerbiediging van de mensenrechten in alle beleidsdomeinen van de EU geïntegreerd moet worden;

B.  overwegende dat de EU zich sterk maakt voor multilateralisme als factor van belang voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, en van mening is dat de organen van de VN een belangrijke rol spelen op dit gebied;

C.  overwegende dat de reguliere zittingen van de UNHRC, de benoeming van speciaal rapporteurs, de universele periodieke doorlichting (UPR) en de zogeheten speciale procedure voor landenspecifieke situaties of voor thematische kwesties bijdragen tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

De VN-Mensenrechtenraad

1.  is ingenomen met de inspanningen die zijn verricht door de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra’ad Al Hussein, en zijn Bureau (OHCHR); verklaart nogmaals dat de EU zich ertoe verbindt diens integriteit, onafhankelijkheid en werkzaamheden te zullen blijven steunen; is ingenomen met de rol die het OHCHR speelt bij het bevorderen van samenwerking tussen internationale en regionale mensenrechtenmechanismen en bij het zoeken naar manieren om de rol van "regionale regelingen" op het gebied van universele mensenrechtennormen te versterken;

2.  is van mening dat de doeltreffendheid en geloofwaardigheid van de UNHRC afhangen van de werkelijke wil van zijn leden om alle mensen in alle landen te beschermen tegen elke vorm van mensenrechtenschending, overeenkomstig de internationale mensenrechtenverdragen die universaliteit, onpartijdigheid, objectiviteit, niet-selectiviteit, constructieve dialoog en samenwerking nastreven; dringt erop aan dat polarisatie in de debatten in de UNHRC wordt vermeden en pleit voor een constructieve dialoog;

3.  verzoekt de staten de onafhankelijke deskundigen en de speciaal rapporteurs van de UNHRC of de deskundigen van het OHCHR toe te laten om onderzoeken in te stellen naar vermeende mensenrechtenschendingen en een constructieve bijdrage te leveren aan de verbetering van de situatie, hun verbintenissen uit hoofde van de mensenrechtenverdragen na te komen en hun volledige medewerking te verlenen aan de speciale procedures van de UNHRC;

4.  moedigt alle staten ertoe aan om concrete maatregelen te nemen om gevolg te geven aan de aanbevelingen op grond van de UPR, en tekortkomingen weg te werken door een mechanisme voor tenuitvoerlegging en follow-up in het leven te roepen, in het kader waarvan onder meer nationale actieplannen worden opgesteld en nationale coördinatiemechanismen worden ingevoerd;

5.  herinnert aan de verplichting van de Algemene Vergadering van de VN om bij de verkiezing van de leden van de UNHRC rekening te houden met de eerbied van de kandidaten voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de rechtsstatelijkheid en de democratie; is ingenomen met het besluit van de UNHRC om zijn adviescommissie te vragen een verslag op te stellen over de vorderingen die geboekt zijn bij de totstandbrenging van regionale en subregionale regelingen voor de bevordering en bescherming van mensenrechten; verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat het gelijke belang van rechten tot uiting komt in hun stemgedrag en de coördinatie van de EU-standpunten dienovereenkomstig te verbeteren; verzoekt de EU met klem om met één stem te spreken en bij stemmingen in de UNHRC een gemeenschappelijk EU-standpunt in te nemen;

6.  noemt het nogmaals belangrijk te waarborgen dat de EU actief en consequent deelneemt aan de VN-mensenrechtenmechanismen, met name de Derde Commissie, de Algemene Vergadering en de UNHRC, teneinde haar geloofwaardigheid te vergroten; steunt de inspanningen die door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten worden geleverd om de samenhang van het EU-optreden op het gebied van mensenrechtenkwesties binnen de VN verder te vergroten;

Thematische prioriteiten

7.  wijst op het belang van de inspanningen van mensenrechten-ngo's en -activisten voor de bevordering en bescherming van mensenrechten; benadrukt dat mensenrechten en fundamentele vrijheden op alle gebieden beschermd moeten worden, onder meer in de context van nieuwe technologieën; deelt de bezorgdheid van de UNHRC over meldingen van dreigementen en vergeldingsacties tegen leden van maatschappelijke organisaties die met de UNHRC hebben samengewerkt bij de UPR;

8.  uit zijn diepe bezorgdheid over het grote en steeds toenemende aantal pogingen om de handelingsvrijheid van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers te beperken, onder meer door middel van invoering van anti-terrorismewetgeving; veroordeelt elke daad van geweld, intimidatie of vervolging van mensenrechtenverdedigers, klokkenluiders, journalisten of bloggers, zowel online als offline; verzoekt alle staten ervoor te zorgen dat ngo's, het maatschappelijk middenveld, journalisten en mensenrechtenbeschermers, en vooral alle kwetsbare groeperingen, kunnen opereren in een veilig en gunstig werkklimaat, waarin zij onafhankelijk en zonder inmenging van buitenaf hun activiteiten kunnen ontplooien; roept de landen die restrictieve wetgeving hebben vastgesteld tegen onafhankelijke mensenrechtenorganisaties nogmaals op die wetgeving in te trekken;

9.  is van mening dat vrije, onafhankelijke en onpartijdige media tot de wezenlijke fundamenten van een democratische maatschappij behoren, waarin open debatten een cruciale rol spelen; steunt het pleidooi voor de aanwijzing van een speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de veiligheid van journalisten; dringt erop aan dat de onderwerpen online vrijheid van meningsuiting, digitale vrijheden en het belang van een vrij en open internet op alle internationale fora onder de aandacht worden gebracht; verzoekt om verkleining van de digitale kloof en om bevordering van de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, alsook om ongecensureerde toegang tot internet;

10.  herinnert eraan dat het recht van vrijheid van vereniging en vergadering nog altijd flink onder druk staat; is uiterst ingenomen met het werk van de speciaal rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, Maina Kiai; roept de staten op naar behoren rekening te houden met diens rapporten;

11.  dringt er bij alle staten op aan snel de facultatieve protocollen bij het International Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR) te ratificeren, waarbij klachten- en onderzoeksmechanismen worden ingesteld;

12.  verzet zich tegen elke vorm van discriminatie en vervolging om welke reden of op grond van welke status dan ook, zoals ras, huidskleur, taal, godsdienst en levensovertuiging, genderidentiteit en seksuele gerichtheid, maatschappelijke afkomst, kaste, geboorte, leeftijd of handicap; steunt de betrokkenheid van de EU bij de desbetreffende speciale procedures, met inbegrip van de nieuwe onafhankelijke deskundige voor de bescherming tegen geweld jegens vrouwen en discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit; verzoekt de EU gelijkheid en non-discriminatie actief te blijven bevorderen en te blijven strijden tegen geweld en discriminatie jegens alle individuen;

13.  maakt zich zorgen over het feit dat vele mensen individueel of als groep hun recht op vrijheid van godsdienst of levensovertuiging geschonden zien worden door statelijke en niet-statelijke actoren, hetgeen leidt tot discriminatie, ongelijkheid en stigmatisering; wijst er nogmaals op dat intolerantie en discriminatie op grond van godsdienst of geloof bestreden moeten worden, om de eerbiediging van andere, daarmee samenhangende mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, te waarborgen;

14.  verzoekt de EU om te werken aan verbetering van de bescherming van religieuze en etnische minderheden tegen vervolging en geweld en aan de intrekking van wetten waarin godslastering of geloofsverzaking strafbaar worden gesteld en op grond waarvan religieuze en etnische minderheden en niet-gelovigen worden vervolgd; vraagt om steun voor de werkzaamheden van de speciaal rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

15.  verzoekt de EU met klem om te blijven pleiten voor nultolerantie ten aanzien van de doodstraf en te blijven proberen om meer regio-overschrijdende steun te vergaren voor de volgende resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf; is tevreden met het besluit dat in 2015 is genomen door Congo, Fiji en Madagaskar om de doodstraf af te schaffen voor alle misdrijven; betreurt de hervatting van executies in een aantal landen, onder andere Bangladesh, Bahrein, Belarus, Tsjaad, India, Indonesië, Koeweit, Oman en Zuid-Sudan; betreurt voorts de gemelde stijging van het aantal doodvonnissen dat wordt uitgesproken in met name China, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan en Saudi-Arabië; herinnert de autoriteiten in deze landen eraan dat ze partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, uit hoofde waarvan de doodstraf voor misdaden begaan door iemand die nog geen 18 jaar oud is strikt verboden is;

16.  verzoekt de EU zich uit te spreken voor en steun te geven aan het werk van de VN tegen foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, massa-executies en executies voor drugsgerelateerde misdrijven, en verzoekt de EDEO op alle overlegniveaus en in alle fora de inspanningen van de EU op het gebied van de bestrijding van standrechtelijke executies, foltering en andere vormen van slechte behandeling op te voeren, overeenkomstig de richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen op het gebied van foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing; dringt aan op de universele ratificatie en effectieve tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag tegen foltering en het facultatieve protocol hierbij; benadrukt het feit dat het van kritiek belang is de preventie van foltering te steunen, inclusief via een versterking van de in het kader van het facultatieve protocol ingevoerde nationale preventiemechanismen, en steun te blijven verlenen aan de rehabilitatie van slachtoffers van foltering;

17.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanhoudende ernstige mensenrechtenschendingen en -inbreuken wereldwijd; is fervent voorstander van het Internationaal Strafhof (ICC) als essentiële instelling om daders ter verantwoording te roepen en slachtoffers te helpen gerechtigheid te verkrijgen op basis van het beginsel van complementariteit voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden; dringt erop aan dat alle partijen politieke, diplomatieke, financiële en logistieke steun verlenen voor de dagelijkse werking van het ICC;

18.  verzoekt de EU het werk van het ICC te blijven versterken; moedigt een intensieve dialoog en nauwe samenwerking aan tussen het Strafhof, de VN, de VN-agentschappen en de VN-Veiligheidsraad; roept alle VN-lidstaten op zich bij het Strafhof aan te sluiten door zo spoedig mogelijk het Statuut van Rome te ratificeren en de ratificatie van de in Kampala overeengekomen wijzigingen te bevorderen;

19.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de aanhoudende ernstige mensenrechtenschendingen die door Islamitische Staat/Da'esh, Boko Haram en andere terroristische of paramilitaire organisaties gepleegd worden tegen burgers, en in het bijzonder tegen vrouwen en kinderen; veroordeelt de frequentie waarmee en de schaal waarop cultureel erfgoed vernietigd wordt, en vraagt om steun voor de inspanningen ter zake in de diverse VN-fora;

20.  veroordeelt het gebrek aan eerbiediging van het internationaal humanitair recht en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de alarmerende toename van civiele nevenschade in gewapende conflicten overal ter wereld en van dodelijke aanslagen op ziekenhuizen, scholen, humanitaire konvooien en andere burgerdoelwitten; dringt erop aan dat met deze schendingen naar behoren rekening wordt gehouden in verband met landspecifieke acties van de UNHRC en evaluaties in het kader van het UPR-mechanisme;

21.  verzoekt de EU actief toe werken naar een initiatief voor erkenning door de VN van de genocide tegen etnische en religieuze minderheden waaraan de zgn. Islamitische Staat/Da'esh zich schuldig maakt en naar het voor het ICC brengen van degenen die verdacht worden van misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide; moedigt een intensieve dialoog en nauwe samenwerking aan tussen het Strafhof, de VN, de VN-agentschappen en de VN-Veiligheidsraad;

22.  verzoekt de EU om er bij alle staten op aan te dringen in hun ontwikkelingsbeleid de mensenrechten centraal te stellen en de VN-Verklaring van 1986 over het recht op ontwikkeling ten uitvoer te leggen; juicht het toe dat de UNHRC onlangs een speciaal rapporteur voor het recht op ontwikkeling heeft benoemd, wiens mandaat zich onder meer uitstrekt tot de bevordering, bescherming en vervulling van het recht op ontwikkeling in de context van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en andere internationale overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking; benadrukt dat de eerbiediging van ieders mensenrechten de rode draad moet vormen bij de verwezenlijking van alle doelstellingen en streefcijfers van de agenda 2030;

23.  verzoekt de EU gelijkheid van vrouwen en mannen te blijven bevorderen en actief steun te geven aan het werk van VN Women, en gendermainstreamingsinitiatieven te blijven stimuleren in haar activiteiten en programma's; verzoekt om voortzetting van steunmaatregelen voor het weerbaar maken van vrouwen en meisjes en de uitroeiing van alle vormen van geweld en discriminatie tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van gendergebaseerd geweld; verzoekt de EU met klem te streven naar regio-overschrijdende initiatieven voor de bevordering, bescherming en vervulling van de vrouwenrechten en naar de onverkorte en effectieve tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van Peking en het actieprogramma van de ICPD, en zich in deze context te blijven inzetten voor seksuele en reproductieve rechten;

24.  herinnert aan de toezegging van de EU om mensenrechten en genderaspecten te integreren, overeenkomstig de op dit punt cruciale resoluties 1325 (2000) en 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid; verzoekt de EU om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en wederopbouw en duurzame verzoening na conflicten;

25.  verzoekt de EU de rechten van het kind te blijven promoten, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, ook in conflictgebieden en vluchtelingenkampen, en dat er een einde komt aan kinderarbeid, ronseling van kindsoldaten, vrijheidsberoving, marteling, kinderhandel, kindhuwelijken en gedwongen huwelijken, seksuele uitbuiting en schadelijke praktijken zoals genitale verminking; dringt aan op maatregelen ter ondersteuning en versterking van de internationale inspanningen in het kader van de VN om een einde te maken aan het inzetten van kinderen in gewapende conflicten, en op maatregelen om de gevolgen van conflict- en post-conflictsituaties voor vrouwen en meisjes doeltreffender aan te pakken; verzoekt alle lidstaten van de VN zich te houden aan hun verdragsverplichtingen en hun verbintenissen uit hoofde van het in 1989 goedgekeurde Verdrag inzake de rechten van het kind, en de rechten van alle onder hun jurisdictie vallende kinderen te handhaven, ongeacht hun status en zonder enige vorm van discriminatie;

26.  verzoekt de staten de rechten van personen met een handicap te bevorderen, met inbegrip van hun gelijke deelname en sociale inclusie; roept alle staten op het VN-Verdrag inzake personen met een handicap te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

27.  verzoekt de EU met haar partners te werken aan de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en onder andere meer landen ertoe aan te sporen nationale actieplannen vast te stellen en zich aan te sluiten bij de werkzaamheden van de VN-werkgroepen en het OHCHR; roept alle staten en de EU nogmaals op om actief en constructief te werken aan de formulering, op zo kort mogelijke termijn, van een juridisch bindend instrument van internationaal recht inzake de mensenrechten dat de activiteiten van transnationale bedrijven en andere ondernemingen reguleert, om mensenrechtenschendingen te voorkomen en, indien zij plaatsvinden, deze te onderzoeken en te voorzien in verhaalmogelijkheden en toegang tot rechtsmiddelen;

28.  is ingenomen met de Verklaring van New York van de VN voor vluchtelingen en migranten, waarin de omvangrijke bewegingen van vluchtelingen en migranten aan de orde werden gesteld en die geleid heeft tot de vaststelling van een Alomvattend reactiekader voor vluchtelingen en het engagement ten aanzien van migranten en vluchtelingen om levens te redden, specifieke behoeften aan te pakken, racisme en vreemdelingenhaat tegen te gaan, mensenhandel te bestrijden, gelijke erkenning en bescherming voor de wet te waarborgen en te zorgen voor opname in nationale ontwikkelingsplannen; verzoekt alle betrokken partijen te zorgen voor politieke inzet, financiering en concrete daden van solidariteit ter ondersteuning van de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten, en herinnert eraan dat het migratievraagstuk op wereldwijde schaal moet worden beschouwd en niet alleen op Europese schaal; verzoekt de EU en haar lidstaten bij deze internationale inspanningen het voortouw te nemen en in overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, hun belofte om de mensenrechten van asielzoekers, vluchtelingen, migranten en alle ontheemden, in het bijzonder vrouwen, kinderen en kwetsbare groeperingen, zoals personen met een handicap, te beschermen gestand te doen;

29.  herinnert eraan dat de terugkeer van migranten met volledige eerbiediging van hun rechten moet worden uitgevoerd, en alleen wanneer de bescherming van hun rechten gewaarborgd is in hun land; verzoekt regeringen een einde te stellen aan de willekeurige arrestatie en opsluiting van migranten, waaronder minderjarigen; verzoekt alle staten concrete maatregelen te nemen in het belang van minderjarige vluchtelingen en migranten, op basis van het Verdrag inzake de rechten van het kind, en maatregelen in te voeren om de systemen ter bescherming van kinderen te versterken, inclusief opleiding van sociaal werkers en andere beroepsgroepen, alsmede samenwerking met ngo's; verzoekt alle staten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

30.  benadrukt het belang van bevordering van de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten, waaronder burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van Lissabon en de algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie;

31.  benadrukt dat er een op rechten gebaseerde aanpak moet worden gekozen en dat de eerbiediging van de mensenrechten in al het beleid van de EU moet worden geïntegreerd, met inbegrip van het handelsbeleid, het investeringsbeleid, de ontwikkelingssamenwerking, het migratiebeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

32.  herinnert eraan dat interne en externe coherentie op het gebied van de mensenrechten essentieel is voor de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid van de EU in haar betrekkingen met derde landen, en verzoekt de EU haar verplichtingen ter zake na te komen;

Belarus

33.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de voortdurende beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering; veroordeelt de intimidatie en opsluiting van onafhankelijke en oppositiegezinde journalisten en mensenrechtenactivisten; veroordeelt het feit dat de doodstraf nog altijd wordt toegepast; verzoekt om verlenging van het mandaat van de speciaal rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus op de 35e zitting van de Mensenrechtenraad en vraagt de regering volledig samen te werken met de speciaal rapporteur en zich ertoe te verbinden de achterstand bij de hervormingen ter bescherming van de mensenrechten weg te werken, onder meer door de aanbevelingen van de speciaal rapporteur en andere mensenrechtenmechanismen uit te voeren;

Burundi

34.  uit zijn grote bezorgdheid over de verslechterende politieke en veiligheidssituatie in Burundi en over het groeiend aantal mensen dat het land ontvlucht; veroordeelt het geweld dat sinds 2015 in Burundi heerst en geleid heeft tot moord, foltering, en gericht geweld tegen vrouwen, waaronder groepsverkrachting en intimidatie; veroordeelt de opsluiting van duizenden mensen en de gedwongen ontheemding van honderdduizenden Burundezen, en de schending van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, en het feit dat deze daden over het algemeen onbestraft blijven; staat achter het besluit van de Raad om, na het mislukken van het overleg krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese overheid, waaronder begrotingssteun, te schorsen, maar wel volledige financiële steun te blijven geven aan de bevolking en humanitaire hulp te blijven bieden via rechtstreekse kanalen; staat volledig achter de oprichting van een onderzoekscommissie voor Burundi die belast is met de taak degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen in het land op te sporen, zodat deze personen ter verantwoording kunnen worden geroepen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan hun invloed aan te wenden om ervoor te zorgen dat Burundi volledige medewerking gaat verlenen aan de onderzoekscommissie (COI) en de UNHRC en diens mechanismen, op constructieve wijze gaat samenwerken met de COI en de ernstige problemen op het gebied van de eerbiediging van de mensenrechten gaat aanpakken; verzoekt de Burundese autoriteiten hun besluit zich terug te trekken uit het ICC te heroverwegen;

Democratische Volksrepubliek Korea (DVK)

35.  geeft uitdrukking aan zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende verslechtering van de mensenrechtensituatie in de DVK; verzoekt de regering van de DVK haar verplichtingen uit hoofde van de mensenrechteninstrumenten waarbij het land partij is na te komen en erop toe te zien dat humanitaire organisaties, onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers en de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie van de DVK toegang hebben tot het land en de noodzakelijke medewerking krijgen; verzoekt de DVK vrijheid van meningsuiting en persvrijheid voor nationale en internationale media toe te staan en haar burgers ongecensureerde toegang tot internet te verlenen; veroordeelt met klem de stelselmatige en grootschalige toepassing van de doodstraf in de DVK; dringt er bij de regering van de DVK op aan een moratorium af te kondigen op alle terechtstellingen, met het oog op de afschaffing van de doodstraf in de nabije toekomst; eist dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de in de DVK gepleegde misdaden tegen de menselijkheid, ter verantwoording worden geroepen, voor het ICC worden gebracht en aan gerichte sancties worden onderworpen; veroordeelt met klem de kernproeven die door de DVK zijn uitgevoerd en beschouwt deze als een onnodige en gevaarlijke provocatie, een schending van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, en als een ernstige bedreiging voor de vrede en veiligheid op het Koreaanse schiereiland en in de Noordoost-Aziatische regio; dringt aan op verlenging van het mandaat van de speciaal rapporteur; vraagt dat het rapport van de deskundigengroep wordt gepresenteerd in de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad; beveelt aan in de resolutie de essentiële aanbevelingen op te nemen met betrekking tot het afleggen van verantwoording die zijn opgenomen in het deskundigenverslag, onder andere uitbreiding van de capaciteit van het kantoor in Seoul met expertise op het gebied van onderzoek en vervolging, alsmede aanwijzing van een strafrechtdeskundige om vooruitgang in de richting van het afleggen van verantwoording te boeken;

Democratische Republiek Congo (DRC)

36.  veroordeelt de ernstige mensenrechtenschendingen die volkomen straffeloos door veiligheidstroepen worden begaan en is van oordeel dat de schuldigen daarvoor ter verantwoording moeten worden geroepen; dringt met name aan op een grondig onderzoek naar het grove geweld tegen burgers in Oost-Congo, waaronder verkrachtingen van vrouwen en kinderslavernij; dringt aan op verlenging van het mandaat van de VN-vredesmacht in Oost-Congo; roept de Raad op om te overwegen de huidige restrictieve maatregelen, zoals gerichte EU-sancties, waaronder reisverboden en bevriezing van tegoeden, tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor het geweld en het ondermijnen van het democratisch proces in de DRC, uit te breiden in geval van nieuwe geweldplegingen, zoals in de Cotonou-overeenkomst is bepaald; dringt er bij de autoriteiten van de DRC op aan het in december 2016 bereikte akkoord ten uitvoer te leggen en uiterlijk in december 2017 verkiezingen te houden, met de ondersteuning van de internationale spelers; verzoekt de UNHRC de DRC te blijven controleren tot er verkiezingen worden gehouden en er sprake is van een democratische overgang en moedigt het Bureau van de Hoge Commissaris ertoe aan de Raad indien nodig over de situatie in de DRC te informeren en krachtiger op te treden, als de situatie dit vereist;

De Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië

37.  blijft bezorgd over de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid en over het feit dat waarnemers geen toegang krijgen tot de gebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, die beide illegaal door Rusland worden bezet en waar mensenrechtenschendingen schering en inslag blijven; dringt aan op een intensivering van de intermenselijke contacten tussen het gebied dat gecontroleerd wordt door Tbilisi en de twee bezette regio's; vraagt volledige eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië, alsmede van de onschendbaarheid van zijn internationaal erkende grenzen; benadrukt de noodzaak van een veilige en waardige terugkeer van vluchtelingen en intern ontheemden naar hun vaste verblijfplaats; roept de regering van Georgië op adequate maatregelen te treffen om te zorgen voor de follow-up en tenuitvoerlegging van de UPR-aanbevelingen;

Myanmar/Birma

38.  is uitermate bezorgd over de berichten over gewelddadige botsingen in de noordelijke deelstaat Rakhine en betreurt het verlies van levens, bestaansmiddelen en huizen en het buitensporige gebruik van geweld door het leger van Myanmar/Birma; dringt er bij de militaire en veiligheidstroepen op aan onmiddellijk te stoppen met het vermoorden, intimideren en verkrachten van Rohingya, en het platbranden van hun huizen; eist dat de regering en de civiele autoriteiten van Myanmar onmiddellijk een einde maken aan de discriminatie en segregatie van de Rohingya-minderheid; dringt erop aan dat de rechten van de Rohingya-bevolking worden geëerbiedigd en dat de veiligheid, zekerheid en gelijkheid van alle burgers van Myanmar/Birma worden verzekerd; is ingenomen met het besluit van de regering van Myanmar/Birma om van vrede en nationale verzoening een hoofdprioriteit te maken; is verheugd over de aankondiging door de regering van Myanmar/Birma van de instelling van een onderzoekscommissie naar het recente geweld in de noordelijke deelstaat Rakhine; benadrukt dat de schuldigen op passende wijze moeten worden vervolgd en dat de slachtoffers van de gewelddadigheden een toereikende schadeloosstelling moeten krijgen; dringt er bij de regering van Myanmar/Birma op aan het proces van democratisering voort te zetten en de beginselen van de rechtsstaat, het recht op vrijheid van meningsuiting en de fundamentele mensenrechten te eerbiedigen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan hun steun te geven aan een hernieuwd mandaat voor de speciaal rapporteur voor Myanmar/Birma;

Bezette Palestijnse Gebieden (OPT)

39.  maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten en dringt aan op onmiddellijke hervatting van geloofwaardige vredesinspanningen; is bezorgd over de humanitaire situatie en de mensenrechtenschendingen in de Bezette Palestijnse Gebieden, zoals aangehaald in zijn resolutie van 10 september 2015 over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten(3); benadrukt dat de EU en de lidstaten betrokken moeten blijven bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de resoluties van de UNHRC over mensenrechtenschendingen, zoals de resolutie van 3 juli 2015, getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of International Law in the occupied Palestinian Territory including East Jerusalem"; neemt kennis van het lopende vooronderzoek door het ICC; spreekt andermaal zijn volledige steun uit voor het ICC en de internationale strafrechtspraak; herinnert in dit verband aan de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten(4), en verzoekt de EDEO het Parlement in kennis te stellen van vernieling van en schade toegebracht aan door de EU gefinancierde structuren en projecten; benadrukt dat alle partijen het staakt-het-vuren in Gaza moeten eerbiedigen, en dringt aan op beëindiging van de blokkade; roept de Israëli's en de Palestijnen op zich te onthouden van acties die het conflict verder kunnen doen escaleren, waaronder het doen van haatzaaiende en opruiende uitspraken in het publieke debat, alsook unilaterale maatregelen die de resultaten van de onderhandelingen kunnen ondergraven en de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing in het gedrang kunnen brengen; onderstreept dat een permanente oplossing van het conflict alleen mogelijk is in een regionale context en met de inschakeling van alle relevante regionale betrokken partijen en de steun van de internationale gemeenschap;

Zuid-Sudan

40.  roept alle partijen op geen mensenrechtenschendingen en inbreuken op het internationaal humanitair recht te plegen en zich niet schuldig te maken aan schendingen die aangemerkt kunnen worden als internationale misdaden, zoals buitengerechtelijke executies, etnisch geweld, conflictgerelateerd seksueel geweld, waaronder verkrachting, of gendergerelateerd geweld, het ronselen en inzetten van kinderen, gedwongen verdwijningen of willekeurige arrestaties en opsluiting; merkt op dat de regering van Zuid-Sudan de stappenplanovereenkomst op 16 maart 2016 heeft ondertekend en vervolgens zijn verbintenissen heeft toegelicht wat betreft de deelname van andere relevante belanghebbenden aan de nationale dialoog en het eerbiedigen van besluiten genomen door de ondertekenaars van de oppositie en het 7+7 mechanisme, de stuurgroep van de nationale dialoog; benadrukt dat alle partijen hun beloftes moeten nakomen en roept op tot een voortgezette dialoog met als doel tot een definitief staakt-het-vuren te komen; roept de EU en haar lidstaten ertoe op de inspanningen van de Afrikaanse Unie voor vrede in Zuid-Sudan en de inspanningen van de Sudanese burgers in hun overgang naar een intern hervormde democratie te blijven ondersteunen; verzoekt de EU en haar lidstaten het mandaat van de Commissie voor de rechten van de mens in Zuid-Sudan te verlengen en de rol ervan bij het onderzoeken van mensenrechtenschendingen en het in kaart brengen van seksueel geweld te versterken; is voorstander van de opneming van zijn aanbevelingen in een rapport dat zal worden toegestuurd aan de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de VN;

Syrië

41.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de wreedheden en de grootschalige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door het regime van Assad, gesteund door Rusland en Iran, alsook de mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht door statelijke en niet-statelijke actoren, waaronder gewapende terroristische groeperingen, in het bijzonder ISIS/Da'esh, waarvan de misdaden aangemerkt kunnen worden als genocide, Jabhat Fateh al-Sham/het Al-Nusra Front en andere jihadistische groepen; onderstreept dat het onderzoek naar het gebruik en de vernietiging van chemische wapens door alle partijen in Syrië moet worden voortgezet en betreurt de beslissing van Rusland en China om een nieuwe resolutie van de VN-Veiligheidsraad over het gebruik van chemische wapens te blokkeren; roept nogmaals op tot ongehinderde humanitaire toegang en is van oordeel dat de plegers van oorlogsmisdaden gevolgen van hun daden moeten ondervinden en voor hun daden ter verantwoording moeten worden geroepen; ondersteunt het EU-initiatief om de situatie in Syrië naar het ICC te verwijzen en verzoekt de VN-Veiligheidsraad hiertoe stappen te ondernemen; steunt het mandaat van de COI om een specifiek onderzoek in te stellen naar de situatie in Aleppo en hierover uiterlijk op de 34e zitting van de UNHRC in maart verslag uit te brengen, en vraagt dat dit verslag wordt gepresenteerd aan de Algemene Vergadering en aan de Veiligheidsraad;

Oekraïne

42.  betreurt dat de aanhoudende Russische agressie tot een rampzalige humanitaire situatie in het Donetsbekken heeft geleid en dat Oekraïense en internationale humanitaire organisaties geen toegang krijgen tot de bezette gebieden; spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de ernstige humanitaire situatie van de meer dan 1,5 miljoen binnenlandse ontheemden; geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het aanhoudende conflictgebonden seksueel geweld; is ernstig bezorgd over de mensenrechtenschendingen op de Krim, met name jegens de Krim-Tataren; onderstreept de noodzaak van verdere financiële EU-steun voor Oekraïne; bevestigt nogmaals dat het de soevereiniteit, onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen krachtig steunt, alsook het recht van Oekraïne om vrij en soeverein een Europese weg in te slaan; verzoekt alle partijen om zich onverwijld in te zetten voor de vreedzame re-integratie van het bezette schiereiland de Krim in de Oekraïense rechtsorde door middel van politieke dialoog en in volledige overeenstemming met het internationaal recht; verzoekt de EDEO en de Raad om de druk op de Russische Federatie op te voeren om internationale organisaties toegang te verschaffen tot de Krim, zodat zij toezicht kunnen houden op de mensenrechtensituatie in het licht van de flagrante schendingen van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten op het schiereiland, en om permanente, internationale en op verdragen gebaseerde mechanismen voor het houden van toezicht in te stellen; dringt voorts aan op volledige tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk, en steunt in dit verband de verlenging van de sancties tegen Rusland tot de Krim is teruggegeven; herinnert eraan dat alle partijen bij het conflict verplicht zijn alle mogelijke maatregelen te nemen om burgers in de gebieden onder hun controle tegen de gevolgen van de vijandelijkheden te beschermen; spreekt zijn steun en aanmoediging uit voor de interactieve dialoog op de 34e zitting van de UNHRC;

Jemen

43.  maakt zich ernstig zorgen over de rampzalige humanitaire situatie in Jemen; bevestigt opnieuw dat het Jemen en de Jemenitische bevolking zal blijven steunen; hekelt het feit dat burgers het doelwit zijn en in een onmogelijke situatie in de val zitten tussen oorlogvoerende partijen die het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten schenden; benadrukt dat het ronselen en inzetten van kinderen bij gewapende conflicten krachtens het internationale recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht strikt verboden is, en, als kinderen onder 15 jaar worden gerecruteerd, aangemerkt kan worden als een oorlogsmisdaad; roept alle partijen op zulke kinderen onmiddellijk te laten gaan en niet langer kinderen te ronselen; verzoekt alle partijen dringend de spanningen te temperen en een onmiddellijk en duurzaam staakt-het-vuren af te kondigen dat zal leiden tot een politieke, inclusieve en via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing van het conflict; staat in dit verband volledig achter de inspanningen van de speciale VN-gezant voor Jemen, Ismaïl Ould Cheikh Ahmed, alsook achter de tenuitvoerlegging van resolutie 33/16 van de Mensenrechtenraad van oktober 2016 waarin de VN gevraagd wordt met de nationale onafhankelijke onderzoekscommissie samen te werken, en steunt alle inspanningen met het oog op een onafhankelijk internationaal onderzoek om het klimaat van straffeloosheid dat in Jemen heerst te doorbreken; verzoekt de EU-lidstaten om de lopende initiatieven die erop gericht zijn uiting te geven aan de bezorgdheid over de schendingen en misstanden in Jemen en in het kader waarvan wordt aangedrongen op een grondig en onpartijdig onderzoek te steunen; spoort de Hoge Commissaris aan om de UNHRC door middel van intersessionele briefings op gezette tijden in kennis te stellen van de resultaten van zijn onderzoeken;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciaal vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 71e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de UNHRC, de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN en de secretaris-generaal van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0317.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0318.
(4) http://www.ohchr.org/documents/issues/business/A.HRC.17.31.pdf


Zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor importeurs van bepaalde mineralen en metalen uit conflict- en hoogrisicogebieden ***I
PDF 258kWORD 88k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Uniesysteem voor zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor verantwoordelijke importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (COM(2014)0111 – C7-0092/2014 – 2014/0059(COD))
P8_TA(2017)0090A8-0141/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0111),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0092/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0141/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  neemt kennis van de verklaring van de Raad en de verklaringen van de Commissie die bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 maart 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/821.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Raad over de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid (due diligence) in de toeleveringsketen voor importeurs in de Unie van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden

De Raad stemt er per uitzondering mee in dat aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in artikel 1, leden 4 en 5, genoemde drempels van bijlage I te wijzigen, teneinde te waarborgen dat de drempels tijdig worden vastgesteld en de doelstellingen van deze verordening worden gehaald. Met deze instemming wordt geen precedent gecreëerd voor toekomstige wetgevingsvoorstellen op handelsgebied of op het gebied van de externe betrekkingen in het algemeen.

Verklaring nr. 1 van de Commissie over de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid (due diligence) in de toeleveringsketen voor importeurs in de Unie van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden

De Commissie zal mogelijk bijkomende wetgevingsvoorstellen voorleggen voor EU-bedrijven met tin, tantaal, wolfraam of goud in hun toeleveringsketen indien zij vaststelt dat de gezamenlijke inspanningen van de EU-markt ten opzichte van de verantwoordelijke toeleveringsketen van mineralen in de wereld ontoereikend zijn om als hefboom te fungeren voor een verantwoordelijke houding van leveranciers in producentenlanden, of indien zij van mening is dat er te weinig deelname is van stroomafwaartse actoren die een regeling inzake passende zorgvuldigheid kennen welke aansluit bij de OESO-richtsnoeren.

Verklaring nr. 2 van de Commissie over de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid (due diligence) in de toeleveringsketen voor importeurs in de Unie van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden

Bij het uitoefenen van haar bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 1, lid 5, houdt de Commissie naar behoren rekening met de doelstellingen van onderhavige verordening zoals met name genoemd in de overwegingen 1, 7, 10 en 17.

Hierbij zal de Commissie in het bijzonder rekening houden met de specifieke risico's die kleven aan de exploitatie van stroomopwaartse toeleveringsketens voor goud in conflict- en hoogrisicogebieden en met de positie van kleine en micro-ondernemingen in de Unie die goud naar de EU invoeren.

Verklaring nr. 3 van de Commissie over de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid (due diligence) in de toeleveringsketen voor importeurs in de Unie van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden

In antwoord op het verzoek van het Europees Parlement om specifieke richtsnoeren is de Commissie bereid om prestatie-indicatoren te ontwikkelen voor het verantwoordelijk betrekken van conflictmineralen. Door middel van dergelijke richtsnoeren zouden bedrijven met meer dan 500 werknemers die overeenkomstig Richtlijn 2014/95/EU verplicht zijn niet-financiële informatie bekend te maken, worden aangemoedigd om specifieke informatie over producten welke tin, tantaal, wolfraam of goud bevatten, openbaar te maken.

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 20 mei 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0204).


Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector ***I
PDF 247kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (herschikking) (COM(2015)0294 – C8-0160/2015 – 2015/0133(COD))
P8_TA(2017)0091A8-0150/2016

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0294),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0160/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 10 februari 2016(2),

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 28 januari 2016 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie visserij overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 januari 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8‑0150/2016),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 maart 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1004.)

(1) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 201.
(2) PB C 120 van 5.4.2016, blz. 40.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden
PDF 322kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden (2015/2343(INI))
P8_TA(2017)0092A8-0042/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 36 VEU betreffende de rol van het Europees Parlement inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien artikel 42, leden 2, 3, 6 en 7, alsmede de artikelen 45 en 46 van het VEU inzake de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 bij het VWEU over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015 en 15 december 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016 en 14 november 2016 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(1),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(2),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(3),

–   gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de clausule inzake wederzijdse verdediging (artikel 42, lid 7, VEU)(4),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7) (het "Financieel Reglement"),

–  gezien besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap(8),

–  gezien het besluit van de Raad 2001/78/GBVB van 22 januari 2001 tot instelling van het Politiek en Veiligheidscomité(9),

–  gezien de definitieve conclusies van de interparlementaire conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van Den Haag van 8 april 2016, van Luxemburg van 6 september 2015, van Riga van 6 maart 2015, van Rome van 7 november 2014, van Athene van 4 april 2014, van Vilnius van 6 september 2013, van Dublin van 25 maart 2013, en van Pafos van 10 september 2012,

–  gezien het document met de titel "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid" dat door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) is gepresenteerd op 28 juni 2016,

–  gezien het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend in Washington DC op 4 april 1949,

–  gezien het document met de titel "Uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie" dat door de VV/HV is gepresenteerd op 14 november 2016,

–  gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de VV/HV en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016,

–  gezien de uitslag van het Britse referendum op 23 juni 2016,

–  gezien de resultaten van de speciale Eurobarometer van het Europees Parlement, die is verricht in de 28 lidstaten van de Europese Unie tussen 9 en 18 april 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0042/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie vastbesloten is om een gemeenschappelijk defensiebeleid op te zetten, dat moet leiden tot een gemeenschappelijke defensie die de eenheid, strategische autonomie en integratie moet versterken teneinde vrede, veiligheid en stabiliteit in het Europees nabuurschap en in de wereld te bevorderen; overwegende dat een gemeenschappelijk defensiebeleid een unaniem besluit van de Europese Raad vereist, en de aanvaarding van dat besluit door de lidstaten overeenkomstig hun constitutionele voorschriften;

B.  overwegende dat de opkomst van nieuwe geopolitieke en geostrategische kaders (met een overwicht van de Aziatische op de Euratlantische regio), van nieuwe spelers en van nieuwe reële bedreigingen en toepassingsgebieden aantoont dat de lidstaten afzonderlijk niet de nieuwe gevaren kunnen bestrijden maar dat een gezamenlijk antwoord nodig is;

C.  overwegende dat volgens schattingen de kostprijs van niet-Europa voor veiligheid en defensie meer dan 10 miljard EUR per jaar bedraagt en het efficiëntieniveau van de EU gelijk is aan 10 tot 15 % van dat van de VS;

D.  overwegende dat een wereldwijde klimaatverslechtering duidelijk maakt dat de samenwerking en uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de EU-lidstaten moeten worden verbeterd en de militaire uitgaven van de EU flink moeten worden verhoogd, via een daarvoor te reserveren eigen-middelenbron;

E.  overwegende dat de beoogde integratie op militair en defensiegebied teruggaat op de oprichters van de Unie, die als belangrijkste doelstelling hadden een gemeenschappelijk mechanisme voor legitieme defensie te creëren en de vrede op het Europese continent te verzekeren;

F.  overwegende dat de principes en doelstellingen op het gebied van het GBDB en het GVDB en de mechanismen en kaders ter verwezenlijking daarvan duidelijk in de artikelen 21 leden 1 en 2 en 42 van het VEU omschreven; overwegende dat er slechts zeer beperkte vooruitgang is geboekt met die doelstellingen, ondanks de vele oproepen en voorstellen tot uitvoering ervan door het Parlement en de Commissie;

G.  overwegende dat de ontwikkeling van het GVDB vraagt om politieke wil van de lidstaten, gedeelde waarden en beginselen evenals gemeenschappelijke belangen, evenals om het opzetten van institutionele samenwerkingsstructuren; overwegende dat het GVDB een effectief gemeenschappelijk beleid met een toegevoegde waarde moet zijn en niet slechts de som of grootste gemene deler van de nationale beleidsmaatregelen van de lidstaten;

H.  overwegende dat de inroeping door Frankrijk in november 2015 van artikel 42, lid 7, VEU het potentieel van alle Verdragsbepalingen inzake veiligheid en defensie duidelijk heeft gemaakt;

I.  overwegende dat de EU volgens artikel 42, lid 2, VEU en artikel 2, lid 4, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, bevoegd is om een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk communautair defensiebeleid, te definiëren en ten uitvoer te leggen; overwegende dat de EU deze bevoegdheid moet gebruiken om de coördinatie en efficiëntie te verbeteren en de acties van de lidstaten aan te vullen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van defensie;

J.  overwegende dat Europese multinationale structuren zoals Eurocorps al jarenlang voorbeelden van goede praktijken en samenwerking tussen lidstaten zijn; overwegende dat deze structuren een uitgangspunt kunnen zijn voor verdere stappen in de richting van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie;

K.  overwegende dat EU-burgers meer actie van de EU verwachten op gebied van defensie en veiligheid; overwegende dat blijkens de Eurobarometer van juni 2016 twee derde van de ondervraagde Europese burgers meer betrokkenheid van de lidstaten willen zien voor een EU-inspanning op gebied van veiligheids- en defensiebeleid;

L.  overwegende dat een defensiecultuur ontwikkeld moet worden die de Europese burgers helpt in te zien dat defensie een rol speelt in onze maatschappij en bijdraagt aan stabiliteit, vrede en internationale veiligheid;

M.  overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om de operabiliteit en doelmatigheid van het Europees veiligheidsbeleid te vergroten opdat de veiligheid van Europa daadwerkelijk kan verbeteren;

N.  overwegende dat de Europese Raad onverwijld een Europese defensie-unie in het leven moet roepen, zoals bepleit door het Europees Parlement, evenals een gemeenschappelijke EU-defensie; overwegende dat de lidstaten overeenkomstig hun respectieve constitutionele vereisten een besluit moeten nemen inzake de gemeenschappelijke defensie;

O.  overwegende dat het Europees defensiebeleid de EU meer mogelijkheden zou moeten bieden om de veiligheid zowel in de EU als daarbuiten te vergroten en om de betrekkingen met de NAVO en de trans-Atlantische partners te versterken, hetgeen zal bijdragen tot een sterkere NAVO;

P.  overwegende dat het Parlement de Europese defensie-unie actief ondersteunt en daartoe passende voorstellen zal blijven doen; overwegende dat de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB een forum moet gaan vormen voor de uitvoering van doelmatige en periodieke interparlementaire samenwerking inzake het GVDB en de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid;

Q.  overwegende dat de VV/HV regelmatig in overleg treedt met het Parlement over de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, ervoor zorgt dat er binnen dat proces terdege rekening wordt gehouden met de opvattingen van het Parlement en het Parlement informeert over de voortgang die is geboekt op weg naar de Europese defensie-unie;

R.  overwegende dat de VV/HV in haar verklaring op de Gymnich-bijeenkomst van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken op 2 september 2016 heeft aangegeven dat de lidstaten mogelijkheden te over hebben om flinke vooruitgang te boeken op defensiegebied;

S.  overwegende dat de Commissie de toepassing van de verdragen waarborgt, alsmede van maatregelen die door de instellingen zijn aangenomen op grond daarvan, onder andere op het vlak van het GVDB;

T.  overwegende dat de toekomstige jaarlijkse en meerjarige programmering van de EU defensiebeleid moet omvatten; overwegende dat de Commissie het werk aan passende interinstitutionele overeenkomsten in gang moet zetten, met inbegrip van een witboek over EU-defensie, ten behoeve van een eerste uitvoering ervan binnen het meerjarige financiële en politieke kader van de EU;

U.  overwegende dat het Europees Parlement de Europese burgers vertegenwoordigt en zowel wetgevings- en begrotingstaken als politieke controle- en raadgevingstaken verricht, en dat het derhalve een belangrijke rol vervult bij de vormgeving van de defensie-unie;

V.  overwegende dat een actieve rol van het Parlement, in de vorm van politieke steun en democratische toetsing, bij het opzetten van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid en de inrichting van een gemeenschappelijke defensie, bevorderlijk en heilzaam zou zijn voor de representatieve en democratische grondslag van de Unie;

W.  overwegende dat de mondiale strategie van de EU kan dienen als een zeer helder en waardevol strategisch kader voor de toekomstige ontwikkeling van het GVDB;

X.  overwegende dat militaire training in het buitenland beperkingen kent, zowel wat betreft de handelingsprotocollen als wat betreft de vereiste militaire en logistieke steun;

Y.  overwegende dat trainingsmissies in het buitenland bijgevolg enkel kunnen plaatsvinden als de regering van de betrokken landen de nodige bewapening en uitrusting verstrekt aan de militaire eenheden, zoals in het geval van de trainingsmissies in de Centraal Afrikaanse Republiek (EUTM CAR) of Mali (EUTM Mali); overwegende dat het zonder training met wapens en uitrusting onmogelijk is eenheden te creëren met de capaciteiten om oorlogen en operaties aan te kunnen;

Z.  overwegende dat Europese militairen momenteel niet als waarnemers mogen deelnemen aan militaire operaties, waardoor zij niet kunnen nagaan wat de zwakke plekken van de opgerichte eenheden zijn, en zij vervolgens evenmin operationele problemen kunnen oplossen;

AA.  overwegende dat deze eenheden zowel in Mali als in de Centraal Afrikaanse Republiek opgericht zijn om oorlogsoperaties uit te voeren, maar dat zij na drie jaar verre van operationeel zijn door een gebrek aan uitrusting en behoorlijke opleiding, zoals het geval is voor EUTM Mali;

AB.  overwegende dat bij gebrek aan de benodigde bewapening trainingsmissies in het buitenland enkel georganiseerd kunnen worden als de plaatselijke regering zorgt voor bewapening, die de opgerichte eenheden kunnen blijven gebruiken;

Constitutioneel en juridisch kader

1.  brengt in herinnering dat het GVDB, zoals vastgelegd in het VEU, de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid omvat, dat moet leiden tot een toekomstige gemeenschappelijke defensie wanneer de Europese Raad daartoe met eenparigheid van stemmen besluit en de lidstaten dat besluit overnemen overeenkomstig hun constitutionele voorschriften;; roept de lidstaten op zich met prioriteit te verbinden aan de bepalingen van het Verdrag met betrekking tot het GVDB, en zich meer in te spannen voor tastbare voortgang ten aanzien van verwezenlijking van de in die bepalingen gedefinieerde doelstellingen;

2.  merkt op dat de hervorming en innovatie die het Verdrag van Lissabon met zich meebrengt ten aanzien van het GVDB een toereikend en coherent kader vormen en als uitgangspunt moeten dienen voor een waarlijk gemeenschappelijk beleid, uitgaande van de gedeelde middelen en capaciteiten alsmede gecoördineerde planning op EU-niveau; benadrukt dat de voortgang van het GVDB binnen het huidige institutionele en juridische kader eerder afhankelijk is van politieke wil van de lidstaten dan van juridische overwegingen; benadrukt dat artikel 43 VEU het volledige spectrum aan crisismanagementtaken omvat, en dat de EU ernaar streeft deze snel en kordaat in te kunnen zetten;

3.  vraagt derhalve de VV/HV, de Raad en de lidstaten om, zoals in het VEU bepaald is, de samenhang tussen de diverse onderdelen van het extern optreden van de Unie te waarborgen en een algemene en alomvattende benadering van deze onderdelen te hanteren, en om gebruik te maken van alle mogelijkheden die worden geboden door het Verdrag, in het bijzonder de mechanismen die zijn vervat in artikel 42, lid 6, en artikel 46 VEU, in Protocol nr. 10 inzake permanente gestructureerde samenwerking (Pesco) in het kader van artikel 42 VEU, en in de operationele fase in artikel 44 van het VEU inzake de uitvoering van een GVDB-taak door een groep lidstaten, met als doel tot een snellere, efficiëntere en flexibelere inzet van missies en operaties te komen; beklemtoont dat de regels voor samenwerking in het kader van de Pesco duidelijk gedefinieerd moeten worden;

4.  is van oordeel dat wanneer in het VEU is bepaald dat de Raad moet handelen bij gekwalificeerde meerderheid om beslissingen in het kader van het GVDB goed te keuren, met name beslissingen op grond van artikel 45, lid 2, en artikel 46, lid 2, VEU, alle uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van dergelijke besluiten, ten laste van de EU-begroting dienen te komen, die gefinancierd dient te worden met nieuwe, aanvullende middelen; is voorts van mening dat er om die reden behoefte is aan aanvullende financiering of cofinanciering van de lidstaten;

5.  is daarom van oordeel dat het Europees Defensieagentschap (EDA) en de Pesco moeten worden behandeld als EU-instellingen sui generis, net zoals het geval is bij de Europese dienst voor extern optreden (EEAS); is van oordeel dat dit om een wijziging vraagt van het Financieel Reglement teneinde het EDA en de Pesco op te nemen in artikel 2, onder b), daarvan, met een specifieke afdeling in de EU-begroting; wijst erop dat het Europees Parlement samen met de Raad wetgevingstaken en begrotingstaken dient uit te oefenen, alsook de in Verdragen bepaalde politieke controle en adviserende taken;

6.  is ervan overtuigd dat artikel 41, lid 1, VEU van toepassing is op de administratieve uitgaven van het EDA en de Pesco;

7.  merkt op dat artikel 41, lid 2, VEU van toepassing is op de administratieve uitgaven van het EDA en de Pesco; herinnert eraan dat operationele uitgaven die voortvloeien uit militaire missies als bedoeld in artikel 42, lid 1, VEU, of uit defensie-operaties van een lidstaat indien deze het slachtoffer is van gewapende agressie op zijn grondgebied, of uit defensie-operaties van lidstaten wanneer deze voldoen aan de verplichting van hulp en bijstand uit hoofde van artikel 42, lid 7, VEU collectief moeten worden gefinancierd maar niet ten laste van de EU-begroting komen; is ingenomen met de activering van artikel 42, lid 7, over de clausule inzake wederzijdse verdediging;

8.  is derhalve van mening dat op grond van de verdragen de financiering van administratieve en operationele uitgaven uit de EU-begroting voor het EDA en de Pesco de enige optie is, niettegenstaande het feit dat beide instellingen fondsen kunnen beheren die rechtstreeks zijn geboden door lidstaten;

9.  roept de lidstaten op om de nodige aanvullende financiële middelen te verstrekken zodat de administratieve en operationele kosten van het EDA en de Pesco ten laste kunnen komen van de EU-begroting;

10.  dringt er bij de Raad op aan Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap in dat licht te herzien;

11.  is van oordeel dat de verdieping van de samenwerking op defensiegebied tussen de lidstaten op EU-niveau gepaard moet gaan met een vergroting van het parlementaire toezicht en de parlementaire controle, door zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen;

12.  onderstreept in dit verband de rol van het Europees Parlement als begrotingsautoriteit; is vastbesloten om effectieve parlementaire controle en budgettaire controle uit te oefenen op het EDA en de Pesco, zoals bepaald in de verdragen;

13.  spoort de Raad aan om onverwijld en in overeenstemming met artikel 41, lid 3, VEU, een besluit goed te keuren tot oprichting van een opstartfonds voor de dringende financiering van de beginfases van militaire operaties, voor de taken waarnaar verwezen wordt in de artikelen 42, lid 1, en 43 VEU;

14.  spoort de Raad aan om in overeenstemming met artikel 42, lid 2, VEU concrete stappen te nemen voor de harmonisatie en normalisatie van de Europese strijdkrachten om de samenwerking tussen de strijdkrachten te vergemakkelijken in het kader van een nieuwe Europese defensie-unie, als een stap in de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie;

De Europese toegevoegde waarde van het GVDB

15.  benadrukt dat het gezien de sterk verslechterende veiligheidssituatie meer dan ooit noodzakelijk is om de doelstellingen van het GVDB te verwezenlijken, die erop gericht zijn om – zoals bepaald in het VEU – het operationeel vermogen van de Unie voor extern optreden te versterken met het oog op vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid; is stellig van oordeel dat de veiligheids- en defensieuitdagingen waarmee de EU kampt, die gericht zijn tegen haar burgers en grondgebied, van gemeenschappelijke aard zijn en niet door de lidstaten afzonderlijk aangepakt kunnen worden; is ervan overtuigd dat de veiligheid en de defensie van de Unie sterker zullen zijn als de Unie en de lidstaten besluiten verenigd te blijven en samen te werken; is van oordeel dat de EU een doelmatig systeem voor Europese lastenverdeling voor haar eigen veiligheid en defensie moet ontwikkelen, hetgeen vooralsnog niet bestaat; vraagt de lidstaten hun volledige politieke inzet te tonen en in dit verband samen te werken;

16.  beklemtoont dat veiligheid en defensie een gebied vormen waarop de Europese toegevoegde waarde, in de zin van efficiëntie, gemakkelijk kan worden aangetoond, namelijk doordat de lidstaten grotere en kosteneffectievere capaciteit wordt geboden, door middel van grotere samenhang, coördinatie en interoperabiliteit ten aanzien van veiligheid en defensie, en in termen van consolidering van solidariteit, cohesie, strategische autonomie en veerkracht van de Unie; refereert in het bijzonder aan de inschatting dat elke euro die in defensie wordt geïnvesteerd een rendement van 1,6 euro genereert, in het bijzonder in de vorm van banen voor geschoold personeel, onderzoek en technologie, en exporten;

17.  beklemtoont dat het benutten van alle mogelijkheden in het Verdrag het concurrentievermogen en de werking van de defensie-industrie in de interne markt ten goede komt, en de samenwerking op defensiegebied verder aanzwengelt door middel van positieve stimulansen, focus op projecten die de lidstaten niet alleen aankunnen, waarmee ook het aantal overlappingen wordt gereduceerd, en een doeltreffender gebruik van publiek geld;

18.  onderstreept dat versterking van het GVDB in overeenstemming met de verdragen niet ten koste gaat van nationale soevereiniteit aangezien dit beleid door de lidstaten wordt aangestuurd; is stellig van oordeel dat er geen groter respect voor de soevereiniteit bestaat dan het verdedigen van de territoriale integriteit van de Europese Unie door middel van een gemeenschappelijk defensiebeleid;

19.  onderstreept dat de lancering van GVDB-missies op basis van artikel 44 VEU bijdraagt tot de totstandkoming van een Europese defensie-unie; vraagt de Unie het potentieel van artikel 44 ten volle te benutten om dit soort operaties voort te zetten en te intensiveren met het oog op een operationeel veiligheids- en defensiebeleid;

20.  is van mening dat de nationale defensie-uitgaven moeten toenemen tot 2 % van het bbp van de EU; benadrukt dat dit tegen het eind van het komende decennium neerkomt op extra uitgaven van bijna 100 miljoen EUR voor defensie; vindt dat deze impuls moet worden gebruikt om binnen de gehele Unie meer strategische samenwerkingsprogramma's te lanceren, door de vraag- en aanbodzijde beter te structureren en beide zijden efficiënter en effectiever te maken; acht een dergelijke verhoging bevorderlijk voor Europese ondersteuning van de Europese defensieindustrie en banenschepping, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen; is van mening dat een aanzienlijk deel van die defensie-uitgaven moet worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling en strategische samenwerking, gericht op nieuwe technologieën voor tweeërlei gebruik en defensietechnologieën, die cruciaal zijn voor die doelstellingen en ook extra meerwaarde voor de Europese Unie opleveren; geeft te kennen dat ten aanzien van deze extra uitgaven ook gezorgd moet worden voor meer verantwoording, transparantie en controle rond de besteding van Europese publieke middelen;

21.  is er zeker van dat EU-investeringen in defensie ervoor zorgen dat alle lidstaten kunnen deelnemen aan een evenwichtige, coherente en gesynchroniseerde verbetering van hun militaire capaciteiten; is van oordeel dat dit voor de Unie een strategische kans biedt om haar veiligheid en defensie beter op orde te brengen;

Institutioneel kader

Raad van de ministers van Defensie

22.  wijst op het blijvende belang van invoering van een Raadsconfiguratuur van ministers van Defensie onder voorzitterschap van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die de uitvoering van het GVDB moet coördineren en efficiënter maken;

Het bestuur van het Europees Defensieagentschap

23.  is van mening dat het bestuur van het EDA, dat bestaat uit afgevaardigden van de ministeries van Defensie van de lidstaten, een orgaan vormt dat geschikt is om de advies- en toezichtfuncties uit te oefenen die vereist zijn voor de uitvoering van de artikelen 42, 45 en 46 VEU;

24.  is van oordeel dat artikel 4, lid 4, van Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap voorziet in een noodzakelijk en krachtig fundament voor het bestuur van het EDA om op te treden als het derde comité van permanente vertegenwoordigers van de EU, namelijk het bestuur van het Europees Defensieagentschap; is van oordeel dat dit comité ook de advies- en toezichtfuncties moet uitoefenen die vereist zijn om de permanente gestructureerde samenwerking uit te voeren zodra deze is ingesteld;

25.  is ervan overtuigd dat het mandaat van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC), zoals vastgelegd in artikel 38 van het VEU, strikt moeten worden geïnterpreteerd; is van oordeel dat dit mandaat op grond van de verdragen alleen situaties en missies buiten de EU omvat, alsmede bepaalde aspecten van de uitvoering van de solidariteitsclausule; is in het bijzonder van mening dat de opgestelde werkafspraken niet zijn aangepast aan de verdere uitvoering van dat deel van het GVDB dat wordt gedefinieerd in artikel 42, lid 2, van het VEU;

26.  vraagt de Raad dringend om Besluit 2001/78/GBVB tot instelling van een Politiek en Veiligheidscomité alsmede Besluit (GBVB) 2015/1835 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap in dat licht te herzien;

Europees Defensieagentschap

27.  herinnert eraan dat het doel van het EDA de ondersteuning van de lidstaten bij de ontwikkeling van hun defensievermogens en de versterking van hun industriële en technologische defensiebasis is; wijst op het te weinig aangesproken potentieel van het EDA voor de ondersteuning van de ontwikkeling van het GVDB en voor het bereiken van die doelstellingen waarvoor de volle capaciteit van dat agentschap moet worden benut; spoort aan tot nadenken over de toekomstige rol en taken van het agentschap; roept de lidstaten op om binnen een hervormd EDA een gemeenschappelijk ambitieniveau te definiëren; pleit voor versterking van de politieke ondersteuning, financiering en middelen van het EDA, evenals voor coördinatie ervan met de acties van de Commissie, de lidstaten en overige partijen, met name op het gebied van capaciteitsopbouw, overheidsopdrachten op defensiegebied, onderzoek en interoperabiliteit tussen krijgsmachten van de lidstaten; vindt dat het Agentschap, parallel aan hetgeen de autoriteiten van de lidstaten en particuliere marktpartijen doen, medefinanciering voor de precommerciële inkoop van en openbare aanbestedingen in verband met innovatieve oplossingen ter beschikking moet kunnen stellen;

28.  neemt kennis van het besluit van het EDA om het vermogensontwikkelingsplan (CDP) te herzien overeenkomstig de mondiale strategie van de EU en ziet uit naar een toekomstig CDP dat op relevantere wijze een weerslag vormt van de prioriteiten en behoeften van de EU en de lidstaten;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan binnen het EDA een gemeenschappelijk Europees capaciteits- en bewapeningsbeleid op te zetten zoals voorzien in artikel 42, lid 3, VEU, en verzoekt de Commissie en het EDA met voorstellen hiervoor te komen; vraagt de VV/HV om het Parlement te informeren over de resultaten die zijn bereikt op grond van de bestaande werkrelatie tussen het EDA en de Commissie, alsmede over zowel het Europees Ruimteagentschap (ESA) en de Gezamenlijke Organisatie voor samenwerking op defensiematerieelgebied (Occar); dringt er bij de lidstaten op aan uitvoering te geven aan Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/CFSP inzake wapenexport, en een gemeenschappelijk wapenexportbeleid op te zetten dat moet zorgen voor gemeenschappelijke, EU-wijde criteria voor de export van wapens, munitie, defensiemateriaal en -technologie naar derde landen;

Permanente gestructureerde samenwerking (Pesco)

30.  moedigt de lidstaten aan binnen de kaders van de Unie permanente gestructureerde samenwerking op te zetten en hieraan deel te nemen, met het oog op onderhoud en verbetering van de militaire vermogens door middel van ontwikkeling van doctrine en leiderschap, ontwikkeling en training van personeel, ontwikkeling van defensiemateriaal en infrastructuur, en interoperabiliteit en certificering; wijst op het belang van en de behoefte aan de deelname aan een permanente en efficiënt gestructureerde samenwerking door alle lidstaten die de integratie van hun defensie tot het hoogste ambitieniveau willen opvoeren; stelt dat er een permanente "Europese geïntegreerde strijdmacht” in het leven moet worden geroepen als een internationale strijdmacht, als bedoeld in artikel 1 van Protocol nr. 10 inzake PESCO, waarover de Unie moet kunnen beschikken ter uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid zoals bedoeld in artikel 42, lid 3, VEU; verzoekt de HV/VV voorstellen te presenteren voor het operationeel maken van Pesco in de eerste zes maanden van 2017;

31.  is van mening dat de EU er in overeenstemming met de desbetreffende lidstaten voor moet zorgen dat zij deelneemt aan de door deze lidstaten ondernomen vermogensprogramma's; is voorts van oordeel dat de financiële bijdrage van de EU aan dergelijke programma's de bijdragen van de deelnemende lidstaten niet te boven mag gaan;

32.  is van oordeel dat het gevechtsgroepensysteem van de EU moet worden ondergebracht bij Pesco, tezamen met de vestiging van een permanent civiel-militair hoofdkwartier, met een even belangrijk militair plannings- en uitvoeringsvermogen en civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC), dat de strategische en operationele planning in de hele planningscyclus zou verbeteren, de civiel-militaire samenwerking zou versterken en het vermogen van de EU om snel op crises te reageren zou verbeteren; is van mening dat ook andere Europese multinationale structuren, zoals het Europees luchttransportcommando, Eurocorps en Occar, alsook bilaterale en multilaterale vormen van militaire samenwerking tussen landen die aan Pesco deelnemen, bij Pesco ondergebracht moeten worden; vindt dat de privileges en immuniteiten van de EU van toepassing moeten zijn op al die multinationale structuren die deel uitmaken van Pesco;

33.  is van mening dat de EU gedurende de opbouw-, standby- en afbouwfasen alle kosten van de EU-gevechtsgroepen moet dragen;

34.  roept de HV/VV en de Raad op om resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad volledig ten uitvoer te leggen en een speciale vertegenwoordiger voor vrouwen en conflicten te benoemen;

Het Europees Parlement

35.  benadrukt dat het Europees Parlement een prominente rol moet spelen in de controle van en het toezicht op de uitvoering en in de evaluatie van het GVDB conform artikel 14, lid 1, VEU; Is van mening dat de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB ook als platform moet dienen voor interparlementair overleg en toezicht rond het GVDB; dringt erop aan dat het Parlement daadwerkelijk wordt geraadpleegd ten aanzien van grote besluiten op het gebied van het GVDB, met name met betrekking tot militaire en civiele missies buiten de EU en strategische defensieoperaties;

36.  roept in dit opzicht de VV/HV op volledig uitvoering te geven aan artikel 36 van het VEU, door te zorgen dat de opvattingen van het Parlement worden overwogen in het kader van raadpleging van het Parlement inzake de belangrijkste aspecten en fundamentele keuzes ten aanzien van het GVDB als onderdeel van het GBVB; pleit ervoor dat het Parlement op regelmatige basis en uitvoeriger wordt ingelicht, met het oog op versterking van de beschikbare parlementaire en politieke controlemechanismen;

37.  verzoekt het Parlement met klem zijn Subcommissie veiligheid en defensie om te vormen tot een volwaardige parlementaire commissie, waarmee zij een prominente rol kan spelen bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en met name een rol bij de toetsing van wetgevingshandelingen in verband met de defensiemarkt, alsook bij procedures zoals de gecoördineerde jaarlijkse defensie-evaluatie;

38.  vraagt om betere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, als cruciaal onderdeel van de ontwikkeling van concrete resultaten op het gebied van het GVBD en de legitimering daarvan; merkt op dat dergelijke samenwerking niet de uitvoering van het GVDB en de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan als EU-beleid moet ondermijnen;

39.  pleit ervoor dat het Parlement specifieke initiatieven blijft stimuleren en aanbevelingen aan de Raad, de VV/HV en de Commissie inzake vraagstukken betreffende gemeenschappelijke veiligheid en defensie blijft doen, ook buiten zijn rol in de begrotingsprocedures;

Betrekkingen tussen EU en NAVO

40.  pleit voor nauwere betrekkingen tussen het GVDB en de NAVO die een politieke kans bieden voor samenwerking en complementariteit op elk niveau, onder voorbehoud van artikel 42, lid 7, tweede alinea VEU; herinnert eraan dat het strategisch partnerschap tussen EU en NAVO in evenwicht moet worden gebracht en uitgebreid, met als doel voor compatibiliteit te zorgen, gezamenlijke capaciteiten te ontwikkelen en dubbele acties te vermijden, en daarmee de uitgaven terug te brengen en doelmatiger te werk te gaan; verzoekt de HV/VV onverwijld contact met de trans-Atlantische partners op te nemen, teneinde duidelijkheid te krijgen over hun standpunt met betrekking tot de verschillende aspecten van de alomvattende strategie ("Global strategy");

41.  roept de VV/HV en de secretaris-generaal van de NAVO op om een gedetailleerde analyse op te stellen van de juridische en politieke gevolgen van het mogelijk in gang zetten door het Verenigd Koninkrijk van artikel 50 van het VEU voor de ontwikkeling van het partnerschap EU-NAVO;

42.  beklemtoont dat de "Berlijn plus"-regeling grondig moet worden bewerkt, teneinde ze aan te passen aan de huidige strategische context en de gesignaleerde tekortkomingen ervan te elimineren, waarbij de tactische en operationele mechanismen voor scenario's waarin zowel de EU als de NAVO een rol spelen, moeten worden verbeterd en de NAVO gebruik moet kunnen maken van de EU-instrumenten;

Politieke aanbevelingen

43.  steunt het voorstel van een gecoördineerde jaarlijkse beoordeling inzake defensie, in het kader waarvan de lidstaten hun defensie-uitgaven en capaciteitsplannen kunnen coördineren, zulks in het kader van een open proces waarbij zowel het Europees parlement en de nationale parlementen betrokken zijn;

44.  roept de Raad en de VV/HV op een EU-witboek inzake veiligheid en defensie op te stellen, met inbegrip van een passende beoordeling van de bedreigingen en gevaren voor de Europese veiligheid waar de EU en haar lidstaten mee worden geconfronteerd, als een eerste stap in de richting van het in kaart brengen van de vermogens waar de Europese defensie over moet beschikken, een routekaart met duidelijke fasen en een kalender voor de te nemen stappen op weg naar de vestiging van een Europese defensie-unie en een meer effectief gemeenschappelijk defensiebeleid; gelooft dat een dergelijk witboek het resultaat moet zijn van bedragen van de verschillende EU-instellingen en zo uitgebreid mogelijk moet zijn en de verschillende maatregelen moet bevatten die worden overwogen binnen de Unie;

45.  is ingenomen met het actieplan voor Europese defensie dat in november 2016 is voorgesteld door de Commissie; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op het bestuur, de financiering en de doelstellingen van een eventueel Europees defensiefonds, en in het bijzonder van de "capaciteits- en onderzoeksvensters", nader toe te lichten; is van oordeel dat de doelmatige uitvoering van het plan krachtige ondersteuning en politieke betrokkenheid van de lidstaten en de EU-instellingen vereist; betreurt in dit opzicht dat de Commissie, het EDA en de lidstaten nog niet alle werkzaamheden hebben afgerond die voortvloeien uit de vergaderingen van de Europese Raad inzake defensie in 2013 en 2015;

46.  herinnert eraan dat de verschillende door de Commissie voorgestelde initiatieven rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van de defensiesector (deelnameregels, intellectuele-eigendomsrechten, governance en verband met de operationele behoeften); zal dit nauwlettend in de gaten houden tijdens de onderhandelingen voor de periode 2021-2027, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van het toekomstige Europees onderzoeksprogramma voor defensie;

47.  is van mening dat de goedkeuring van een EU-witboek over veiligheid en defensie gebaseerd moet zijn op het uitvoeringsplan inzake veiligheid en defensie in het kader van de mondiale strategie, om aldus te komen tot een geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid; wijst er met klem op dat dit document niet alleen een weerslag moet vormen van de huidige militaire capaciteiten van de lidstaten, maar eveneens een analyse moeten bieden van het soort samenwerking dat nodig is, evenals de middelen die nodig zijn om dit te verwezenlijken, de soorten operaties die de EU kan uitvoeren en de capaciteiten en middelen die benodigd zijn, en tegelijk moet bijdragen aan de coördinatie en samenwerking tussen de NAVO en de EU;

48.  dringt aan op onmiddellijke hervorming van het Athena-mechanisme ter vergroting van het potentieel daarvan voor kostendeling en gemeenschappelijke financiering en ter verzekering van een eerlijke verdeling van operationele kosten, zodat de lidstaten worden gestimuleerd met troepen bij te dragen zonder door hun financiële draagkracht te worden beperkt; is van mening dat bij die hervorming moet worden geregeld dat alle gemeenschappelijke kosten in de zin van de bijlagen I - IV van Besluit (GBVB) 2015/528 van 27 maart 2015 altijd ten laste komen van Athena; is van oordeel dat het herziene ATHENA-mechanisme ook moet worden gebruikt voor het financieren van de operaties van de "Europese geïntegreerde krijgsmacht" (zodra die binnen Pesco in het leven geroepen is), met inbegrip van de EU-gevechtsgroepen;

49.  verlangt dat de Europese militaire opleidingsmissies in het buitenland hun doel verwezenlijken, namelijk plaatselijke nationale militaire eenheden opleiden die opgewassen zijn tegen oorlogssituaties en bedreigingen van de veiligheid (opstanden en terrorisme); is van mening dat deze eenheden bijgevolg over de nodige wapens en uitrusting moeten beschikken voor zowel hun opleiding als hun inzet op het terrein, en dat de met hun opleiding belaste Europese militairen hen als waarnemers moeten kunnen begeleiden zonder in de operaties tussenbeide te komen, om de doeltreffendheid van de opleiding te kunnen beoordelen en zo nodig te kunnen bijsturen en bijscholen;

50.  onderstreept het belang van een diepgravend debat over de toekomstige relatie tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van kwesties in het kader van het GVDB, met name op het gebied van militaire capaciteiten, mocht het Verenigd Koninkrijk ertoe besluiten artikel 50 van het VEU in gang te zetten; is van oordeel dat er nieuwe regelingen voor opperbevel moeten worden getroffen met betrekking tot het operationeel hoofdkwartier in Northwood, Verenigd Koninkrijk, voor de operatie Atalanta;

51.  vraagt de Raad en de VV/HV om te zorgen voor coördinatie op alle interactieniveaus: civiel en militair, EEAS/Commissie en EU/lidstaten; is ingenomen met het verband tussen interne en externe veiligheid zoals dat wordt gelegd in de mondiale strategie, en vraagt de VV/HV en de Commissie te zorgen voor samenhang en te waarborgen dat de interne en externe aspecten van veiligheid terdege worden gecoördineerd, onder andere op bestuurlijk niveau;

52.  beklemtoont dat de EU ook meer inspanningen moet doen om de mondiale governance te versterken, hetgeen zal bijdragen tot een betere strategische en veiligheidssituatie; verzoekt de lidstaten zich hard te maken voor een hervorming van de VN, teneinde zijn legitimiteit, transparantie, controleerbaarheid en doeltreffendheid te vergroten; is van oordeel dat de VN-Veiligheidsraad moet worden hervormd, met name wat betreft zijn samenstelling en stemprocedures, teneinde hem beter in staat te stellen krachtdadig op mondiale veiligheidsuitdagingen te reageren, en daarbij verder te kijken dan uitsluitend de militaire focus;

53.  beklemtoont dat de menselijke factor een van onze meest waardevolle kwaliteiten is bij het ontwikkelen van een gemeenschappelijke defensie; is van oordeel dat meer investeringen in onderwijs en opleiding met betrekking tot het GVDB nodig zijn, waaronder voor de ontwikkeling van een geïntegreerd systeem op basis van nationale militaire centra, aangezien zowel onderwijs, als opleiding daadwerkelijk tot vooruitgang op dit gebied kunnen bijdragen;

54.  is van oordeel dat de opvattingen die zijn verwoord door het Europees Parlement in zijn resolutie, aanbevelingen vormen die zijn gericht tot de Raad en de VV/HV, zoals genoemd in artikel 36 van het VEU; is voorts van mening dat deze aanbevelingen terdege in overweging moeten worden genomen door de VV/HR in alle voorstellen voor de ontwikkeling van het GVDB, en door de Raad bij de goedkeuring van dergelijke voorstellen, als goede praktijk van wederzijdse oprechte samenwerking tussen de EU-instellingen;

55.  beklemtoont dat in artikel 21 VEU expliciet is bepaald dat het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen met betrekking tot het huidige institutionele bestel van de Europese Unie

56.  vraagt de deelnemers aan een toekomstige conventie:

   de aanbevelingen en richtlijnen in deze resolutie en in de resoluties van het Parlement over de uitvoering van het GVDB en de Europese Defensieunie in overweging te nemen;
   aan de hand van de aanbevelingen en richtlijnen van deze resoluties, bepalingen in een toekomstig Unieverdrag op te nemen die ertoe strekken dat:
   de Europese strijdmacht tot stand te brengen, die in staat is tot inzet van gevechtseenheden bij conflicten met een hoge intensiteit, inzet van stabilisatie-eenheden voor handhaving van bestandsafspraken of vredesakkoorden, voor evacueringstaken en/of medische diensten zoals mobiele veldhospitaal, en voor logistieke taken en genie-opdrachten;
   in het kader van het gemeenschappelijk defensiebeleid precieze en bindende richtsnoeren uit te vaardigen voor het activeren en invullen van de wederzijdse hulp- en bijstandclausule;
   te zorgen voor verplicht delen van informatie op Europees niveau onder de nationale inlichtingendiensten onder een adequate samenwerkingsstructuur;
   een permanente werkgroep ‘defensieaangelegenheden’ samen te stellen uit de leden van de Commissie, onder voorzitterschap van de VV/HV; het Parlement hierbij te betrekken via permanente vertegenwoordigers in deze werkgroep; de Commissie nauwer te betrekken bij defensie door gerichte research, planning en uitvoering; de klimaatverandering door de VV/HV te laten instromen in al het extern optreden van de EU, en met name in het GVDB;
   de financiële en budgettaire beleidsbeoordeling van de defensie-uitgaven van de lidstaten te bezien vanuit oogpunt van een toekomstig Europees Semester voor defensie, dat wil zeggen rekening houden met hoeveel elke lidstaat op dit vlak uitgeeft, zodat de omvang van de individuele uitgaven wordt gekoppeld aan de veiligheid van Europa in zijn geheel; is van mening dat de EU op de lange termijn de mogelijkheid moet nagaan van een na te streven gemeenschappelijke begroting;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de EU-agentschappen op het gebied van ruimte, veiligheid en defensie en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(2) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 138.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0435.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0019.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0440.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 266 van 13.10.2015, blz. 55.
(9) PB L 27 van 30.1.2001, blz. 1.


Een geïntegreerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied
PDF 366kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over een geïntegreerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied (2016/2228(INI))
P8_TA(2017)0093A8-0032/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), dat op 10 december 1982 is gesloten en sinds 16 november 1994 in werking is, en het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC),

–  gezien de overeenkomst die in Parijs is gesloten op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC van 12 december 2015 (Overeenkomst van Parijs), en gezien de stemming van het Europees Parlement over de ratificatie van de overeenkomst op 4 oktober 2016(1),

–  gezien het Verdrag van Minamata, het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, het Protocol van Göteborg, het Verdrag van Stockholm, het Verdrag van Århus en het Verdrag inzake biodiversiteit,

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development"(2),

–  gezien het Unesco-Verdrag van 16 november 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld,

–  gezien IAO-Verdrag nr. 169,

–  gezien de Verklaring van Ilulissat die door de vijf Arctische kuststaten op 28 mei 2008 is aangekondigd op de Conferentie over de Noordelijke IJszee in Ilulissat, Groenland,

–  gezien de Verklaring van de Inuit rond de Noordpool betreffende beginselen voor de ontwikkeling van de hulpbronnen in Inuit Nunaat(3),

–   gezien de VN-Verklaring 61/295 over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP) die op 13 september 2007 door de Algemene Vergadering is aangenomen,

–  gezien de conclusies van de Raad over vraagstukken betreffende het Noordpoolgebied, met name die van 20 juni 2016, 12 mei 2014, 8 december 2009 en 8 december 2008,

–   gezien het document van juni 2016 getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid - gedeelde visie, gezamenlijk optreden: een sterker Europa", alsook het "GBVB-verslag – onze prioriteiten in 2016", dat op 17 oktober 2016 door de Raad werd goedgekeurd,

–  gezien de gezamenlijke mededinging van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) van 27 april 2016 getiteld "Een geïntegreerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied" (JOIN(2016)0021), de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de HV van 26 juni 2012 getiteld "Ontwikkeling van een EU-beleid ten opzichte van het noordpoolgebied" (JOIN(2012)0019) en de mededeling van de Commissie van 20 november 2008 getiteld "De Europese Unie en het Noordpoolgebied" (COM(2008)0763),

–  gezien de nationale strategieën betreffende de Noordpool van de landen rond de Noordpool, in het bijzonder die van het Koninkrijk Denemarken (2011), Zweden (2011) en Finland (2013), evenals die van andere lidstaten van zowel de EU als de EER,

–   gezien Besluit 2014/137/EU van de Raad van 14 maart 2014 inzake de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds,

–  gezien de Verklaring over de oprichting van de Arctische Raad (AC) en het huidige programma van de AC voor de periode 2015-2017 onder het voorzitterschap van de VS,

–   gezien de verklaring die op 3-4 juni 2013 in Kirkenes (Noorwegen) is uitgegeven ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de Europees-Arctische samenwerking in het Barentsz-zeegebied,

–  gezien de verklaringen van de Conferentie van parlementsleden van het Noordpoolgebied (CPAR) en van de Parlementaire Conferentie van het Barentszzeegebied (BPC), in het bijzonder de verklaring van de Conferentie aangenomen op de 12e Conferentie van de CPAR in Ulan Ude, Rusland, van 14 t/m 16 juni 2016,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de derde ontmoeting van ministers van de Noordelijke Dimensie in Brussel op 18 februari 2013,

–   gezien de verklaringen van het Parlementair Forum van de Noordelijke Dimensie in Reykjavik (IJsland) van mei 2015, in Archangelsk (Rusland) van november 2013, in Tromsø (Noorwegen) van februari 2011 en in Brussel van september 2009,

–  gezien de internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen die door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is aangenomen,

–   gezien het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL),

–   gezien het verdrag inzake olieverontreiniging, het schadefonds voor olieverontreiniging en het aanvullend fonds,

–  gezien zijn resoluties van 21 november 2013 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid)(4), van 12 september 2013 over de maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5), van 22 november 2012 over de rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen(6), en van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(7),

–  gezien zijn eerdere resoluties over het Noordpoolgebied, in het bijzonder de resoluties van 12 maart 2014 over de strategie van de EU voor het Noordpoolgebied(8), van 20 januari 2011 over een duurzaam EU-beleid voor het hoge noorden(9) en van 9 oktober 2008 over het beheer van het Noordpoolgebied(10),

–  gezien zijn resoluties van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(11) en van 12 mei 2016 over de follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling(12),

–  gezien de aanbevelingen ter zake van de Delegatie voor de betrekkingen met Zwitserland en Noorwegen, in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-IJsland en in de Gemengde Parlementaire Commissie van de Europese Economische Ruimte (SINEAA-delegatie),

–   gezien de ruimtestrategie voor Europa (COM(2016)0705) die op 26 oktober 2016 door de Europese Commissie is gepubliceerd,

–   gezien Verordening (EU) nr. 2015/1775 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de handel in zeehondenproducten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie visserij (A8-0032/2017),

A.  overwegende dat de EU een wereldspeler is; overwegende dat de EU al lang betrokken is bij het Noordpoolgebied om historische, geografische en economische redenen, en vanwege onderzoeksactiviteiten; overwegende dat drie van haar lidstaten – Denemarken, Finland en Zweden – Arctische landen zijn; overwegende dat het Noordpoolgebied midden in internationale wateren ligt en burgers en regeringen overal ter wereld, ook in de Europese Unie, de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om het Noordpoolgebied te helpen beschermen;

B.  overwegende dat de EU zich al sinds het begin van de jaren 1990 inzet voor de noordelijke regio en het Noordpoolgebied door mee te werken aan de oprichting van de Raad van Oostzeestaten (CBSS) en de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied (BEAC) en door de Commissie tot volwaardig lid van deze organen te maken;

C.  overwegende dat het Noordelijke Dimensie (ND)-beleid, dat zowel de interne aangelegenheden als de externe betrekkingen van de EU beïnvloedt, zich heeft ontwikkeld tot een gelijkwaardig partnerschap tussen de EU, Rusland, Noorwegen en IJsland; overwegende dat naast de ND-partners diverse andere multilaterale organisaties deelnemen aan dit gezamenlijke beleid, zoals de Arctische Raad, de CBSS en de BEAC, terwijl Canada en de Verenigde Staten waarnemers zijn; overwegende dat het beleid een groot geografisch gebied bestrijkt en een belangrijke rol speelt in de vorm van praktische regionale samenwerking bij duurzame ontwikkeling, volksgezondheid en maatschappelijk welzijn, cultuur, milieubescherming en logistiek en vervoer;

D.  overwegende dat de EU haar beleid voor het Noordpoolgebied geleidelijk heeft ontwikkeld en uitgebreid; overwegende dat de toenemende betrokkenheid en de gemeenschappelijke EU-belangen het best worden gediend door goed gecoördineerde gemeenschappelijke middelen; overwegende dat er een gezamenlijke regionale en internationale aanpak moet komen voor de uitdagingen met betrekking tot het Noordpoolgebied;

E.  overwegende dat het Noordpoolgebied voor unieke sociale, ecologische en economische uitdagingen staat;

F.  overwegende dat het Europese Noordpoolgebied dunbevolkt is en de bevolking er verspreid over een groot gebied leeft, dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan vervoersverbindingen zoals wegen, spoorwegen en vliegverbindingen tussen oost en west; overwegende dat het Europese Noordpoolgebied onder onderinvestering te lijden heeft;

G.  overwegende dat een breed internationaal rechtskader van toepassing is op het Noordpoolgebied;

H.  overwegende dat de Arctische Raad het belangrijkste forum voor samenwerking in het Noordpoolgebied is; overwegende dat de Arctische Raad in zijn twintigjarig bestaan heeft bewezen dat hij samenwerking in een constructieve en positieve sfeer op gang kan houden, zich aan nieuwe uitdagingen kan aanpassen en nieuwe verantwoordelijkheden kan opnemen;

I.  overwegende dat de Arctische landen soevereiniteit en rechtsmacht over hun grondgebieden en wateren hebben; overwegende dat het recht van de volkeren in het Noordpoolgebied om te kiezen voor een duurzaam gebruik van hun natuurlijke hulpbronnen moet worden geëerbiedigd;

J.  overwegende dat de interesse in het Noordpoolgebied en zijn hulpbronnen toeneemt vanwege de veranderende natuur van het gebied en de schaarste van hulpbronnen; overwegende dat het geopolitieke belang van het gebied toeneemt; overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering en de toenemende strijd om toegang tot het Noordpoolgebied en zijn natuurlijke hulpbronnen, en toenemende economische activiteiten, tot risico’s voor het gebied hebben geleid, waaronder risico’s voor het milieu en de veiligheid van mensen, maar ook tot nieuwe mogelijkheden, zoals een goed ontwikkelde, duurzame bio-economie; overwegende dat vanwege de klimaatverandering nieuwe vaarroutes zullen ontstaan, terwijl nieuwe visgronden en natuurlijke hulpbronnen kunnen leiden tot meer menselijke activiteiten en milieu-uitdagingen in het gebied;

K.  overwegende dat in het Noordpoolgebied gedurende lange tijd sprake is geweest van constructieve internationale samenwerking en dat in dit gebied de spanningen laag moeten worden gehouden;

L.  overwegende dat goede toegankelijkheid, om de plattelandsgebieden van de noordelijke regio beter aansluiting te laten vinden bij de rest van de EU, onontbeerlijk is voor een duurzame en competitieve economische ontwikkeling van de noordelijke groeicentra, gezien de toenemende interesse van investeerders en belanghebbenden in de onaangeboorde hulpbronnen in en de grote ecologische bezorgdheid over deze gebieden;

M.  overwegende dat de Russische Federatie in 2015 ten minste zes nieuwe basissen had geopend ten noorden van de Noordpoolcirkel, met zes diepzeehavens en dertien landingsbanen, en het aantal grondtroepen in het Noordpoolgebied heeft verhoogd;

N.  overwegende dat krachtige, gezonde en duurzame ecosystemen in het Noordpoolgebied, die bewoond worden door levensvatbare gemeenschappen, van strategisch belang is voor de politieke en economische stabiliteit van Europa en de wereld; benadrukt dat het Noordpoolgebied meer dan de helft van de waterrijke gebieden in de wereld omvat en van vitaal belang is voor de waterzuivering; is van oordeel dat dit gebied bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van een goede watertoestand in de Europese Unie als bedoeld in de kaderrichtlijn water; overwegende dat de kosten die zijn verbonden aan het niet nemen van maatregelen voor de bescherming van het sociale stelsel en het ecosysteem in het Noordpoolgebied, exponentieel toenemen;

O.  overwegende dat de ijslaag van de Noordelijke IJszee significant is afgenomen sinds 1981, de permafrostgebieden in omvang afnemen, wat leidt tot een risico op het incidenteel vrijkomen van grote hoeveelheden koolstofdioxide(13) en methaan in de atmosfeer, de sneeuwlaag verder afneemt en de smeltende gletsjers bijdragen tot het wereldwijd stijgen van de zeespiegel; overwegende dat is opgemerkt dat het zee-ijs in een nog sneller tempo verdwijnt dan met modellen wordt voorspeld en dat het zee-ijs dat aanwezig is in de zomer in 35 jaar tijd met meer dan 40 % is afgenomen; overwegende dat de klimaatverandering in een dubbel - en steeds hoger - tempo optreedt in de poolgebieden en onbekende en onvoorspelbare veranderingen van de mondiale ecosystemen met zich meebrengt;

P.  overwegende dat drie EU-lidstaten (Denemarken, Finland en Zweden) en een overzees land en gebied (Groenland) lid zijn van de Arctische Raad, die acht leden telt, en zeven andere lidstaten (Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, Polen, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) waarnemers zijn; overwegende dat de EU uitkijkt naar de definitieve bevestiging van haar formele status van waarnemer bij de Arctische Raad;

Q.  overwegende dat milieubescherming en duurzame ontwikkeling de twee belangrijkste grondbeginselen van de verklaring van Ottawa zijn, die de basis heeft gelegd voor de oprichting van de Arctische Raad in 1996;

R.  overwegende dat ongeveer vier miljoen mensen in het Noordpoolgebied wonen, waarvan ongeveer 10 % inheems is; overwegende dat de kwetsbaarheid van het milieu in het Noordpoolgebied, evenals de grondrechten van de inheemse volkeren geëerbiedigd en beschermd moeten worden, met striktere waarborgen; overwegende dat de rechten van de inheemse volkeren en lokale bevolking om hun goedkeuring te geven aan en deel te nemen aan de besluitvorming over de winning van natuurlijke hulpbronnen, moeten worden gewaarborgd; overwegende dat de toegenomen hoeveelheid verontreinigende stoffen en zware metalen in het Noordpoolgebied schadelijke gevolgen heeft voor de voedselketen vanwege de aanwezigheid van deze stoffen in flora en fauna, met name vissen, en dat deze toename de gezondheid van de lokale bewoners en consumenten van visserijproducten elders in gevaar brengt;

S.  overwegende dat ecosystemen in het Noordpoolgebied, met inbegrip van de flora en fauna, bijzonder gevoelig zijn voor verstoringen en een relatief lange herstelperiode hebben; overwegende dat de negatieve gevolgen voor het milieu vaak accumulatief en onomkeerbaar zijn en vaak externe geografische en ecologische gevolgen hebben (bijv. schade aan mariene ecosystemen);

T.  overwegende dat de temperatuur in het Noordpoolgebied de afgelopen twee decennia twee keer zo snel is gestegen als het wereldwijde gemiddelde;

U.  overwegende dat de toegenomen hoeveelheid broeikasgassen en luchtvervuiling in de atmosfeer bijdragen aan de klimaatverandering in het Noordpoolgebied; overwegende dat de vervuiling met gevolgen voor het klimaat in dit gebied voor het grootste gedeelte afkomstig is uit Azië, Noord-Amerika en Europa, en dat de maatregelen voor emissiereductie in de EU dan ook sterk bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in het Noordpoolgebied;

V.  overwegende dat er diverse risico's zijn verbonden aan het gebruik van zware stookolie (HFO) in het scheepvaartvervoer in het Noordpoolgebied; overwegende dat deze brandstof met heel hoge dichtheid in geval van lekken emulgeert, zinkt en over grote afstanden kan worden meegevoerd als de brandstof in het ijs vast komt te zitten; overwegende dat HFO-lekken een ernstige bedreiging vormen voor de voedselzekerheid van de inheemse gemeenschappen in het Noordpoolgebied die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de visserij en de jacht; overwegende dat bij de verbranding van HFO zwaveloxiden, zware metalen en grote hoeveelheden zwarte koolstof vrijkomen die, wanneer ze op het Noordpoolijs terechtkomen, de warmteopname door het ijs versnellen waardoor het ijs sneller smelt en de klimaatverandering sneller evolueert; overwegende dat het vervoer en gebruik van HFO in de wateren rond de Zuidpool door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) verboden is;

W.  overwegende dat de EU een leidende rol moet spelen in het kader van de gesprekken en onderhandelingen op de internationale fora om ervoor te zorgen dat alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid nemen met betrekking tot de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen of verontreinigende stoffen, en om de almaar toenemende problemen op het gebied van het duurzaam beheer van de hulpbronnen het hoofd te bieden;

X.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de risico's van het gebruik van kernenergie in ijsbrekers en kustvoorzieningen en deze risico's zo veel mogelijk moeten worden beperkt bij alle activiteiten in verband met paraatheid en bestrijding;

Y.  overwegende dat het dumpen van afval in de permafrostzones van het Noordpoolgebied onder geen beding een duurzame vorm van afvalbeheer is, zoals is gebleken uit de recente vondsten in Camp Century op Groenland;

Z.  overwegende dat het EU-beleid in het Noordpoolgebied nauwkeuriger de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling moet weerspiegelen waartoe de EU zich heeft verbonden met als termijn 2030;

AA.  overwegende dat besluitvorming op basis van wetenschappelijke kennis, met inbegrip van de kennis van de plaatselijke en inheemse bevolking, van wezenlijk belang is om de kwetsbare ecosystemen in het Noordpoolgebied te behouden, de risico’s te beperken, de lokale gemeenschappen in staat te stellen zich aan te passen en duurzame ontwikkeling te bevorderen; overwegende dat de EU de belangrijkste geldschieter ter wereld van Arctisch onderzoek is en de vrije uitwisseling van de uitkomsten ervan bevordert;

AB.  overwegende dat een evenwichtige combinatie van industriële kennis en specialisatie over het Noordpoolgebied enerzijds en de keuze voor milieuvriendelijke en duurzame ontwikkelingsdoelen anderzijds tot ecologische innovatie, industriële symbioses en doeltreffend afvalbeheer in het Noordpoolgebied kan leiden, en er aldus voor kan zorgen dat het milieu in het Noordpoolgebied ongerept blijft en er nieuwe en opkomende zakelijke mogelijkheden en nieuwe banen ontstaan, die op hun beurt positief kunnen bijdragen aan de werkgelegenheid voor jongeren en een oplossing voor de vergrijzing in het gebied;

AC.  overwegende dat de bestaande capaciteit van de Europese Unie op het gebied van satellietcommunicatie, zoals de diensten en infrastructuur die in het kader van Copernicus of Galileo ter beschikking worden gesteld, misschien een antwoord kunnen geven op de behoeften van gebruikers in het Noordpoolgebied;

AD.  overwegende dat de betrokkenheid van de plaatselijke gemeenschappen van cruciaal belang is om het beheer van de natuurlijke hulpbronnen te doen slagen en de veerkracht van de kwetsbare ecosystemen te verbeteren;

AE.  overwegende dat het Parlement het belang van traditionele en plaatselijke kennis bij de besluitvorming voor het Noordpoolgebied erkent;

AF.  overwegende dat in de UNDRIP is vastgelegd dat de culturen van de Samen, de Nenetsen, de Chanten, de Evenken, de Tsjoektsjen, de Aleoeten, de Yupik en van de Inuit beschermd moeten worden; overwegende dat de inheemse volkeren van het Noordpoolgebied het recht hebben de natuurlijke hulpbronnen in hun gebied te gebruiken en daarom betrokken moet worden bij eventuele toekomstige plannen voor commerciële visserij;

AG.  overwegende dat elke vorm van visserij in het Noordpoolgebied moet plaatsvinden in overeenstemming met bestaande internationale overeenkomsten die van toepassing zijn op het gebied, met inbegrip van het Verdrag van Spitsbergen van 1920, en in het bijzonder met alle rechten van de staten die partij zijn bij dit verdrag, alsook met alle historische visrechten;

1.  is verheugd over de gezamenlijke mededeling en meent dat hiermee een positieve stap is gezet voor een geïntegreerd EU-beleid voor het Noordpoolgebied, met specifieke actiegebieden, en voor de ontwikkeling van een samenhangender kader voor acties van de EU met speciale aandacht voor het Europese Noordpoolgebied; wijst op de noodzaak van sterkere samenhang tussen het intern en extern beleid van de EU bij vraagstukken betreffende het Noordpoolgebied; verzoekt de Commissie concrete maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging en opvolging van haar mededeling; herhaalt zijn oproep voor een brede strategie en een concreet actieplan inzake de betrokkenheid van de EU in het Noordpoolgebied, met de bescherming van het kwetsbare ecosysteem van het Noordpoolgebied als uitgangspunt;

2.  is verheugd over de drie prioritaire actiegebieden van de gezamenlijke mededeling, te weten klimaatverandering, duurzame ontwikkeling en internationale samenwerking;

3.  onderstreept het belang van UNCLOS, dat voorziet in het vereiste multilaterale rechtskader voor alle activiteiten op de oceanen, ook in het Noordpoolgebied, voor het afbakenen van het Arctisch continentaal plat en voor het oplossen van soevereiniteitsvraagstukken binnen het Noordpoolgebied wat betreft de territoriale zeewateren; merkt op dat er maar weinig onopgeloste kwesties betreffende rechtsmacht in het Noordpoolgebied zijn; is van mening dat de eerbiediging van het internationaal recht in het Noordpoolgebied van wezenlijk belang is; wijst erop dat de wateren rond de Noordpool grotendeels internationale wateren zijn; pleit voor een sterke rol van de EU bij de bevordering van doeltreffende multilaterale regelingen en een op regels gebaseerde wereldorde door de versterking en de consequente tenuitvoerlegging van de internationale, regionale en bilaterale overeenkomsten en kaders; onderstreept dat de EU een positieve rol moet vervullen bij het bevorderen en ondersteunen van overeenkomsten die het beheer van de biodiversiteit en het milieu versterken in de gebieden van de Noordelijke IJszee die niet onder nationale rechtsmacht vallen; merkt op dat dit geen betrekking heeft op de scheepvaart en traditionele middelen van bestaan; dringt er bij de EU op aan nauw samen te werken met haar lidstaten teneinde de bescherming en het behoud van het milieu in het gebied te bevorderen; benadrukt de belangrijke rol die de Arctische Raad speelt om de constructieve samenwerking in stand te houden, de spanningen laag te houden en te blijven zorgen voor vrede en stabiliteit in het Noordpoolgebied;

4.  is verheugd over de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door de Europese Unie en de inwerkingtreding ervan op 4 november 2016; dringt bij alle partijen aan op een snelle en effectieve tenuitvoerlegging ervan; spoort de lidstaten aan de Overeenkomst van Parijs te ratificeren om van start te gaan met de ambitieuze doelstellingen voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en met de maatregelen betreffende zowel emissiehandel als lastenverdeling, waarbij rekening wordt gehouden met de doelstelling om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C tegen 2100;

5.  roept de Commissie en de lidstaten op om een sterkere rol op zich te nemen bij de effectieve tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs, het Verdrag van Minamata, het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, het Protocol van Göteborg, het Verdrag van Stockholm, de internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen, en het Verdrag inzake biodiversiteit; verzoekt de Commissie om bijzonder aandacht te verlenen aan het lopende internationale proces van de Toetsingscommissie persistente organische verontreinigende stoffen om het gebruik van persistente organische verontreinigende stoffen en zwarte koolstof geleidelijk verder uit te bannen; verzoekt de partnerlanden van de EU hetzelfde te doen;

6.  is voorstander van de uitbouw van een netwerk van beschermde natuurgebieden in het Noordpoolgebied en de bescherming van de internationale wateren rond de Noordpool buiten de economische zones van de kuststaten;

7.  verlangt dat een eventuele ontwikkeling van de commerciële visserij in het Noordpoolgebied plaatsvindt op een manier die volledig verenigbaar is met de gevoelige en specifieke aard van de regio; dringt erop aan dat er, voordat gestart wordt met nieuwe commerciële visserij in het Noordpoolgebied, uit voorzorg betrouwbare wetenschappelijke evaluaties van visbestanden worden uitgevoerd om te kunnen bepalen in hoeverre de betreffende soorten bevist kunnen worden terwijl de bestanden ten minste op een niveau worden gehouden waarbij de maximale duurzame opbrengst verkregen wordt, andere soorten niet uitgeput raken en geen ernstige schade aan het mariene milieu wordt toegebracht; benadrukt dat alle bevissing op volle zee door een regionale organisatie voor het visserijbeheer moet worden gereguleerd, die wetenschappelijk advies eerbiedigt en beschikt over een degelijk controle- en toezichtsprogramma om naleving van de beheersmaatregelen te waarborgen; wijst erop dat visserij binnen Exclusieve Economische Zones (EEZ) aan dezelfde normen moet voldoen; verzoekt om een moratorium op visserij op industriële schaal, ook op bodemsleepnetvisserij, in de voorheen onbeviste wateren van het Noordpoolgebied;

8.  is ingenomen met de lopende onderhandelingen met het oog op het sluiten van een internationale overeenkomst tussen de kuststaten van het Noordpoolgebied en internationale partijen met het oog op het tegengaan van ongereguleerde visserij in de internationale wateren van het Noordpoolgebied, en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze verklaring te ondertekenen en zich ervoor in te zetten dat deze voor de ondertekenaars bindend wordt;

9.  verzoekt de Commissie de Noordpoollanden te ondersteunen en ertoe aan te moedigen te blijven werken aan een uitbreiding van de informatie over en de analyse van alle bestanden in het gebied;

10.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op hun inspanningen op te voeren binnen het rechtskader van de EU door overeenstemming te bereiken over ambitieuze reductiedoelstellingen in de onderhandelingen over de richtlijn nationale emissieplafonds, door lokale vervuilingsniveaus te beperken door middel van het beleidspakket schone lucht om verontreiniging over lange afstand en met name roet te verminderen, en door via onderhandelingen te komen tot ambitieuze doelstellingen voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen evenals maatregelen betreffende zowel emissiehandel als lastenverdeling, waarbij rekening wordt gehouden met de doelstelling om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C tegen 2100;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het VN-akkoord over de bescherming van biodiversiteit in zones die buiten de rechtsgebieden vallen (BBNJ), waarover momenteel onderhandeld wordt, sterk en effectief is en een solide procedure omvat voor het aanwijzen, het vaststellen, het beheer en de handhaving van beschermde zeegebieden, met inbegrip van reservaatgebieden op zee waar alle vangst verboden is;

12.  roept de Commissie en de lidstaten op hun rol in de doeltreffende tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake biodiversiteit en aanverwante internationale overeenkomsten ten volle te spelen; vindt het belangrijk dat het strategisch plan, dat in artikel 10 van het Protocol van Nagoya is overeengekomen, betreffende het identificeren en prioriteren van schadelijke uitheemse soorten die ecosystemen bedreigen en hun invasieroutes, wordt uitgevoerd, zodat de meest schadelijke invasieve soorten worden beheerst of uitgeroeid en zodat maatregelen worden gericht op hun invasieroutes om de invasie van schadelijke uitheemse soorten te stoppen, ook in het Noordpoolgebied;

13.  verzoekt de lidstaten om subsidies voor fossiele brandstoffen die de kostprijs voor de energieproductie uit fossiele brandstoffen doen dalen, stop te zetten teneinde op die manier de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen te ontmoedigen;

14.  verzoekt de EU zich in te zetten voor strikte voorzorgsnormen op het gebied van milieubescherming en veiligheid bij het zoeken naar en winnen van olie overal ter wereld; roept op om olieboringen in de wateren van de EU en de EER in het Noordpoolgebied te verbieden en verzoekt de EU om vergelijkbare voorzorgsnormen te verdedigen in de Arctische Raad en voor de Arctische kuststaten;

15.  onderstreept dat het voor de EU belangrijk is aan te sporen tot een snelle ratificatie van het Verdrag van Minamata om de uitstoot van kwik te voorkomen en te beperken;

16.  is verheugd over het plan van de Commissie om middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) toe te wijzen om klimaatmaatregelen in het Noordpoolgebied te integreren, rekening houdend met de plaatselijke toestand en de bijzondere aard van het Noordpoolgebied;

17.  onderstreept dat het toenemende gebruik van natuurlijke hulpbronnen in het Noordpoolgebied moet gebeuren op een manier die rekening houdt met de plaatselijke bevolkingsgroepen, hun ten goede komt en ten volle de ecologische verantwoordelijkheid neemt voor het kwetsbare milieu in het Noordpoolgebied; is van mening dat die strategische keuze van groot belang is om de legitimiteit van en plaatselijke steun voor de verbintenissen van de EU in het Noordpoolgebied te waarborgen;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten die deelnemen aan de werkzaamheden van de Arctische Raad om de doorlopende werkzaamheden van de Arctische Raad inzake milieueffectbeoordelingen (MEB) te ondersteunen, teneinde de kwetsbare ecosystemen in het Noordpoolgebied te behouden overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Espoo; wijst erop dat die MEB van fundamenteel belang zijn om een duurzame ontplooiing van economische activiteiten en de bescherming van de zeer kwetsbare ecosystemen en gemeenschappen in het Noordpoolgebied te waarborgen; wijst op de volgende niet-uitputtende lijst van criteria die door de Inuit Circumpolar Council (ICC) is gepresenteerd voor de beoordeling van projecten die in het Noordpoolgebied plaatsvinden:

   alle mogelijke milieu-, sociaal-economische en culturele gevolgen zowel tijdens als na het project, met inbegrip van de cumulatieve gevolgen van lopende en toekomstige projecten, moeten in overweging worden genomen;
   het voorzorgsbeginsel en het beginsel "de vervuiler betaalt” moeten worden toegepast in alle fases van projectplanning, beoordeling, uitvoering en terugwinning;
   de terugwinning en het herstel van habitats en betrokken gronden moeten grondig worden gepland en vooraf volledig worden gefinancierd;
   projectvoorstellen voor de respons op olielekken moeten een bewijs bevatten van het vermogen van de industrie om de gelekte olie terug te winnen onafhankelijk van de ijsomstandigheden (bevroren, gebroken of opnieuw bevroren ijs);
   een internationale aansprakelijkheids- en schadevergoedingsregeling voor de vervuiling van land, water en mariene gebieden ten gevolge van offshore-olie-exploratie en -exploitatie moet worden vastgesteld;

19.  benadrukt dat het belangrijk is mechanismen te vinden om maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in activiteiten van bedrijven die in het Noordpoolgebied actief zijn, te integreren, met name door middel van samenwerking met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, zoals de Arctische Economische Raad; raadt aan om de mogelijkheden van vrijwillige mechanismen ter bevordering van strenge industrienormen op het gebied van sociale en ecologische prestaties te onderzoeken, zoals het in de verf zetten van "beste prestaties" in een MVO-index voor het Noordpoolgebied die bv. gebaseerd is op het protocol voor bedrijfsinvesteringen in het Noordpoolgebied en het "Global Compact"-initiatief van de Verenigde Naties;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in de IMO alle inspanningen te ondersteunen om een mondiale overeenkomst te bereiken om de emissies door de scheepvaart te verminderen;

21.  erkent dat de dunbevolkte noordelijke gebieden doorlopende en toereikende financiering moeten krijgen om permanente belemmeringen zoals een geringe bevolkingsdichtheid, zware klimaatomstandigheden en grote afstanden het hoofd te bieden;

22.  moedigt aan tot nauwe samenwerking tussen de EU-instellingen en de betrokken lidstaten bij vraagstukken betreffende het Noordpoolgebied; verzoekt de lidstaten die lid zijn van de Arctische Raad om de andere lidstaten en de HV op de hoogte te houden van vraagstukken van gemeenschappelijk belang in de AR overeenkomstig artikel 34, lid 2, VEU;

23.  benadrukt dat de EU een beleidsdialoog moet onderhouden met alle partners in het Noordpoolgebied en roept op tot intensievere samenwerking tussen de EU, de AR in het kader van de Noordelijke Dimensie, de Raad voor het Europees-Arctische Barentsz-zeegebied en andere organen die betrokken zijn bij samenwerking in het hoge noorden; beklemtoont de belangrijke rol van de waarnemende staten in de Arctische Raad met grote ervaring en jarenlange betrokkenheid bij de wetenschappelijke en politieke samenwerking in het Noordpoolgebied; is in dit opzicht verheugd over de voortdurende dialoog tussen de waarnemende staten en het voorzitterschap van de Arctische Raad;

24.  staat volledig achter de toekenning van de waarnemersstatus aan de EU in de Arctische Raad; is ervan overtuigd dat de volledige toepassing van de formele waarnemersstatus van de EU een positieve bijdrage zou kunnen leveren tot en een versterking zou kunnen betekenen van de politieke en institutionele rol van de Arctische Raad bij de behandeling van vraagstukken betreffende het Noordpoolgebied;

25.  is verheugd over de versterkte samenwerking tussen de Commissie en de EDEO bij vraagstukken betreffende het Noordpoolgebied; stelt voor om binnen de EDEO een eenheid voor noordelijk beleid op te richten en de samenwerking tussen de diverse diensten van de EDEO en de Commissie te versterken om te zorgen voor een samenhangende, gecoördineerde en geïntegreerde benadering op de belangrijkste beleidsgebieden in kwestie;

26.  wijst op het vermogen van de EU om bij te dragen aan de oplossing van potentiële veiligheidsuitdagingen; roept de EU ertoe op bij te dragen, in samenwerking met haar lidstaten en de Arctische landen, aan de inspanningen voor de opbouw van mechanismen voor civiele veiligheid, alsook voor de versterking van de capaciteiten voor het beheer van zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte crises en rampen, en opsporings- en reddingsinfrastructuur;

27.  vestigt de aandacht op het feit dat energiezekerheid en klimaatverandering nauw met elkaar zijn verbonden; is van mening dat de energiezekerheid moet worden verbeterd door de EU minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen; wijst erop dat de transformatie van het Noordpoolgebied een belangrijk effect van de klimaatverandering op de veiligheid van de EU vertegenwoordigt; benadrukt dat deze risicoverhogende factor moet worden aangepakt met een versterkte EU-strategie voor het Noordpoolgebied en een krachtig beleid inzake in de EU geproduceerde hernieuwbare energie en energie-efficiëntie dat de afhankelijkheid van de Europese Unie van externe energiebronnen drastisch vermindert en zo haar veiligheidspositie versterkt;

28.  vraagt dat er in alle Arctische staten goed functionerende natuurinterventieplannen worden uitgewerkt, geënt op bewezen goede praktijken, met inbegrip van een effectieve beoordeling van bedreigde kwetsbare soorten en haalbare preventie- en actiestrategieën voor de bescherming ervan;

29.  vestigt de aandacht op de huidige constructieve en pragmatische grensoverschrijdende samenwerking binnen de Noordelijke Dimensie, haar partnerschappen en de samenwerking in het Barentsz-zeegebied;

30.  benadrukt het belang van voortdurende samenwerking en dialoog met Rusland binnen het kader van de regionale samenwerking in het Noordpoolgebied, in het bijzonder in de vorm van grensoverschrijdende samenwerking tussen de EU en Rusland, ondanks toegenomen stationering van Russische strijdkrachten in het gebied, de ontwikkeling en heropening van Russische militaire bases en de oprichting van een Arctisch militair district van Rusland; benadrukt dat de EU haar belangen jegens Rusland beter moet verdedigen door middel van selectieve samenwerking en dat naar vooruitgang moet worden gestreefd bij vraagstukken van gemeenschappelijk belang indien er ruimte is voor mondiale oplossingen voor gemeenschappelijke uitdagingen en dreigingen; wenst dat dit vraagstuk wordt opgenomen in de EU-strategie voor het Noordpoolgebied; benadrukt dat het Noordpoolgebied integraal deel uitmaakt van de domeinen milieu, economie en politiek van de internationale betrekkingen;

31.  is van mening dat het beleid van de Noordelijke Dimensie een geslaagd model voor stabiliteit, gezamenlijk ownership en betrokkenheid bij Arctische samenwerking is; wijst op het belang van de sectorale partnerschappen binnen de Noordelijke Dimensie, vooral op het gebied van milieu, infrastructuur en logistiek;

32.  merkt op dat in het Noordpoolgebied migratieroutes richting de EU zijn ontstaan; benadrukt dat bij de ontwikkeling van een EU-strategie voor het Noordpoolgebied rekening moet worden gehouden met migratieroutes en het toegenomen vervoer;

33.  spoort de Europese Unie en haar lidstaten nogmaals aan de beginselen van vrijheid van scheepvaart en het recht van onschuldige doorvaart actief te handhaven;

34.  is verheugd over de plannen voor de oprichting van een Europees forum van belanghebbenden in het Noordpoolgebied; benadrukt de noodzaak om de synergieën tussen de bestaande financieringsinstrumenten te versterken om mogelijke overlappingen te voorkomen en zoveel mogelijke voordeel te halen uit de interactie tussen interne en externe EU-programma’s; merkt op dat Finland heeft aangeboden het eerste forum in 2017 in Finland te organiseren;

35.  benadrukt dat het belangrijk is traditionele en plaatselijke kennis in de besluitvorming voor het Noordpoolgebied te integreren;

36.  bevestigt nogmaals de steun van de EU voor de UNDRIP; herinnert met name aan artikel 19 ervan dat stelt dat staten zullen overleggen en te goeder trouw samenwerken met de betrokken inheemse volkeren via hun eigen vertegenwoordigingsinstituten teneinde hun vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming te krijgen voordat wetgevende of bestuurlijke maatregelen die van invloed zijn op hen, worden aangenomen of uitgevoerd; roept ertoe op om de inheemse volkeren beter en eerder te betrekken bij de ontwikkeling van een op de burger gericht beleid voor het Noordpoolgebied en bij de werkzaamheden van de Arctische Raad; wijst erop dat hun betrokkenheid bij de besluitvorming het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen in het Noordpoolgebied zou bevorderen; benadrukt dat hun rechten, culturen en talen moeten worden gewaarborgd en bevorderd; benadrukt dat hernieuwbare energiebronnen in het Noordpoolgebied moeten worden ontwikkeld op een duurzame manier, die ook rekening houdt met het kwetsbare milieu en waarbij de inheemse volkeren ten volle worden betrokken;

37.  besteedt bijzondere aandacht aan duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 4.5, waarmee onder andere wordt beoogd om gelijke toegang tot alle niveaus van onderwijs en beroepsopleiding voor inheemse volkeren, eveneens in hun eigen talen, te waarborgen;

38.  beklemtoont dat toegankelijk, onderling verbonden, veilig en duurzaam toerisme in de landelijke en dunbevolkte zones van het Europese Noordpoolgebied een bijdrage kan leveren tot meer bedrijfsactiviteiten, die op hun beurt het aantal banen in kleine en middelgrote ondernemingen kunnen doen toenemen en kunnen bijdragen aan de algemene positieve ontwikkeling van het gebied; benadrukt daarom dat toerisme in het gebied moet worden gestimuleerd gezien de gevolgen ervan voor maatschappij en milieu, infrastructuur en onderzoek, onderwijs en opleiding;

39.  benadrukt de rol die inheemse volkeren en lokale gemeenschappen spelen bij het levensvatbaar en duurzaam houden van het Noordpoolgebied; verzoekt de Commissie zich erop te richten deze gemeenschappen toegang te verschaffen tot alle relevante informatie over vereisten van de interne markt van de EU, beste praktijken en financieringsinstrumenten; onderstreept de rol van soepele vervoers-, communicatie- en elektriciteitsnetwerken alsook van geolocalisatie- en telecomtechnologieën, bij de totstandbrenging van economische activiteiten in het gebied; herinnert de Commissie aan haar verplichting overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1775 voor wat betreft verslaglegging en informatieverstrekking aan het publiek en de bevoegde instanties over de bepalingen in de verordening; beklemtoont dat ook inheemse en lokale kennis moet worden geïntegreerd om een nauwere betrokkenheid van, aanvaarding door en samenwerking met de inheemse en plaatselijke gemeenschappen bij de besluitvormingsprocessen te garanderen; wijst erop dat hiervoor ondersteuning en financiering nodig zijn; stelt in dit kader een Arctische vertegenwoordiging van inheemse volkeren in Brussel voor om hun deelneming zichtbaarder te maken; is van mening dat de EU het gebruik van innovatieve technologieën bij de ontwikkeling van hernieuwbare hulpbronnen in het Noordpoolgebied moet steunen;

40.  benadrukt dat het van immens belang is dat duurzaam ontwikkelde gemeenschappen, die toegang hebben tot de laatste informatietechnologieën en met een hoge levenskwaliteit, in het Noordpoolgebied blijven bestaan en dat de EU hierbij een fundamentele rol kan spelen; herhaalt dat de bevolking in het Noordpoolgebied het recht heeft zelf over hun middelen van bestaan te beslissen en neemt er nota van dat zij kiezen voor de duurzame ontwikkeling van hun leefgebied; verzoekt de EDEO en de Commissie de dialoog te intensifiëren en de mogelijkheid te onderzoeken om middelen vrij te maken voor hun organisaties en ervoor te zorgen dat hun stem wordt gehoord in debatten binnen de EU over het Noordpoolgebied; juicht het werk toe van de speciale rapporteur van de VN voor de situatie van de mensenrechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren en dat van het deskundigenmechanisme van de VN inzake de rechten van inheemse volkeren;

41.  benadrukt dat de besluitvorming inzake het Noordpoolgebied op wetenschap gebaseerd moet zijn waar het milieubescherming en de strijd tegen klimaatverandering betreft;

42.  wijst op de essentiële rol van de ESI-fondsen bij het ontwikkelen van het Europese Noordpoolgebied en het creëren van duurzame groei en kwaliteitswerkgelegenheid in toekomstgerichte sectoren; benadrukt eveneens de noodzaak van een verantwoorde en respectvolle ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen in het Noordpoolgebied; vestigt de aandacht op de permanente belemmeringen die moeten worden gecompenseerd (art. 174 VWEU); benadrukt het langetermijnbelang van de strategie op verschillende terreinen, zoals de digitale agenda, klimaatverandering, blauwe groei, enz.;

43.  onderstreept de rol van goede toegankelijkheid van het Noordpoolgebied tot het TEN-T-netwerk, zijn geplande uitbreiding van de kernnetwerkcorridors Noordzee - Oostzee en Scandinavië - Middellandse Zee en van toegangswegen van niveau 2 als de belangrijkste vervoersinfrastructuur om duurzame mobiliteit van mensen en goederen mogelijk te maken; wijst nogmaals op het potentieel van EU-financiering, bijvoorbeeld via de Connecting Europe Facility en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), voor de financiering van infrastructuurprojecten in het Noordpoolgebied; wijst in dit verband op de prominente rol van de Europese Investeringsbank (EIB); stelt voor dat de Commissie de mogelijkheden voor bredere internationale financiële samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur en connectiviteit verkent, met inbegrip van de ICT-systemen;

44.  is verheugd over de toezegging van de Commissie om het financieringsniveau voor Arctisch onderzoek in Horizon 2020 ten minste gelijk te houden, en met name over haar plan om het gebruik van innovatieve technologieën te ondersteunen; verzoekt de Commissie om de EU-financiering voor Arctisch onderzoek in het meerjarig financieel kader (MFK) voor na 2020 te verhogen; verzoekt de Commissie ook in de toekomst gebruik te maken van Horizon 2020 en van andere financieringsprogramma's voor de bestudering van het Noordpoolgebied, en het gebruik van deze programma's uit te breiden;

45.  merkt op dat de mariene ecosystemen in het Noordpoolgebied van cruciaal belang zijn voor het behoud van wereldwijde biodiversiteit; wijst erop dat de inkrimping van het zee-ijs en andere milieuveranderingen in het Noordpoolgebied, in combinatie met beperkte wetenschappelijke kennis over de mariene hulpbronnen in dit gebied, maken dat een voorzichtige aanpak noodzakelijk is om passende internationale maatregelen vast te stellen die het behoud op lange termijn en het duurzame gebruik van hulpbronnen in open zee in het Noordpoolgebied kunnen waarborgen;

46.  moedigt de bevordering en vergemakkelijking van internationale wetenschappelijke en onderzoekssamenwerking aan onder alle belanghebbenden die actief deelnemen aan Arctisch onderzoek en aan de totstandbrenging van onderzoeksinfrastructuur, daarbij erkennend dat betere kennis van het Noordpoolgebied van wezenlijk belang is om alle uitdagingen adequaat te kunnen aangaan; ondersteunt samenwerking tussen vooraanstaande instellingen voor Arctisch onderzoek teneinde een geïntegreerd Europees programma voor poolonderzoek te ontwikkelen in het kader van het initiatief EU-PolarNet, met passende aandacht voor traditionele en plaatselijke kennis; merkt op dat de Commissie is gevraagd om in 2018 in Europa een internationale wetenschappelijke conferentie over het Noordpoolgebied te houden; onderstreept het belang van een geslaagde samenwerking met Canada en de Verenigde Staten door middel van de trans-Atlantische alliantie voor oceaanonderzoek;

47.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een Noordpoolinformatiecentrum van de EU op te richten, met toereikende middelen om te zorgen voor efficiënte toegang tot informatie en kennis over het Noordpoolgebied en om toerisme te bevorderen; wijst erop dat een dergelijk EU-Noordpoolinformatiecentrum kan worden gekoppeld aan bestaande Noordpoolcentra of aan andere Arctische instellingen, als een manier om de kosten aanzienlijk te drukken;

48.  roept op tot systematischer vergaring op de lange termijn van gegevens die voortkomen uit projecten voor Arctisch onderzoek; betreurt dat de resultaten van individuele projecten vaak verloren gaan bij de overgang naar een volgende financieringsperiode; verzoekt de Commissie naar continuïteit te streven bij het plannen van het kader voor Arctisch onderzoek voor de periode na 2020;

49.  is verheugd over de steun van de Commissie voor de oprichting van beschermde mariene gebieden in het Noordpoolgebied; herinnert de Commissie en de lidstaten aan de doelstelling om tenminste 10% van de kust- en mariene gebieden te beschermen als onderdeel van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst er echter op dat elk nieuw voorstel over deze aangelegenheden in overeenstemming moet zijn met het resultaat van de besprekingen door de Arctische staten in de Arctische Raad; benadrukt dat beschermde mariene gebieden van cruciaal belang zijn voor het behoud van de ecosystemen in het Noordpoolgebied; herinnert eraan dat het noodzakelijk is om lokale gemeenschappen volledig bij de planning, de realisering en het beheer van deze beschermde gebieden te betrekken;

50.  wijst op het belang van ruimtevaarttechnologieën en aan de ruimte gerelateerde onderzoeksactiviteiten die van essentieel belang zijn voor veilige scheepvaart, milieumonitoring en de observatie van klimaatverandering in het Noordpoolgebied; spoort de Commissie aan om, gelet op de veranderingen in het Noordpoolgebied die zij in haar mededeling betreffende een ruimtestrategie voor Europa (COM(2016)0705) onderkent, de mogelijkheden te onderzoeken om in die regio meer gebruik te maken van de toekomstige en huidige satellietprogramma's van de EU, in samenwerking met de Arctische Raad en zijn leden, en in het kader van het GovSatCom-initiatief rekening te houden met de behoeften van de gebruikers; spoort alle belanghebbenden in dit kader aan de mogelijkheden van het Galileo-satellietnavigatieprogramma en het Copernicus-programma voor aardobservatie ten volle te benutten;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de instelling van een beschermd zeegebied in de volle zee van het Noordpoolgebied onder het mandaat van de OSPAR (Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan)-commissie te bevorderen en te ondersteunen, waarbij al het extractieve gebruik, met inbegrip van visserij, van de internationale wateren rondom de Noordpool die onder OSPAR vallen verboden wordt;

52.  verzoekt de Commissie ondersteuning te geven aan initiatieven voor een verbod op bodemberoerende trawlvisserij in ecologisch of biologisch belangrijke mariene zones (EBSA's) en in de internationale wateren rondom de Noordpool;

53.  verlangt dat de doelstellingen inzake instandhouding van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid en de kwantitatieve doelstelling van herstel en instandhouding van bestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan produceren het fundament vormen van elke vorm van commerciële visserij in het gebied;

54.  verlangt dat de EU leiderschap toont bij het tegengaan van niet-gereglementeerde visserij in het Noordpoolgebied; is van mening dat de Unie daartoe ieder recht heeft, aangezien lidstaten in alle bestuursniveaus van het Noordpoolgebied vertegenwoordigd zijn;

55.  benadrukt dat de EU-visserijvloot de biodiversiteit in de regio niet in gevaar mag brengen; is ingenomen met de inventarisatie van de ESBA's in de Noordpoolregio op grond van het Verdrag inzake biodiversiteit, wat een belangrijk proces vormt om de doeltreffende bescherming van de biodiversiteit op de Noordpool zeker te stellen en benadrukt het belang van de uitvoering van een ecosysteemgebaseerd beheer van het mariene milieu, het kustgebied en het vasteland van de Noordpool, zoals belicht door de groep deskundigen van de Arctische Raad; verzoekt de staten om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit en het VN-zeerechtverdrag (Unclos) door een netwerk van beschermde zeegebieden en zeereservaten in de Noordelijke IJszee te creëren;

56.  verlangt dat een eventuele verdere ontwikkeling van de commerciële visserij in het Noordpoolgebied in overeenstemming is met de internationale overeenkomsten die van toepassing zijn op dit gebied, ook met het Verdrag van Spitsbergen van 1920, en met de rechten van alle staten die partij zijn bij deze overeenkomsten, alsook met de bestaande historische visserijrechten;

57.  verzoekt de Commissie te bestuderen hoe de telecommunicatie-infrastructuur, met inbegrip van satellieten, in het Noordpoolgebied kan worden verbeterd en daaromtrent voorstellen te formuleren, teneinde het wetenschappelijk onderzoek en de klimaatmonitoring te bevorderen en te zorgen voor plaatselijke ontwikkeling, navigatie en veiligheid op zee;

58.  herhaalt zijn oproep van 2014 aan de Commissie en de lidstaten om alle nodige maatregelen te nemen om het verbod op het gebruik van zware stookolie (HFO) en het vervoer als scheepsbrandstof op schepen die varen in de zeeën van het Noordpoolgebied actief te bevorderen via het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol-verdrag) en/of door middel van havenstaatcontrole zoals is geregeld voor de wateren rond Antarctica; verzoekt de Commissie om de milieu- en klimaatrisico’s van het gebruik van HFO op te nemen in haar onderzoek over de risico’s waartoe een toename van de scheepvaart op de noordelijke zeeroute zou leiden; roept de Commissie op, aangezien er geen toereikende internationale maatregelen bestaan, om voorstellen te formuleren voor voorschriften voor schepen die EU-havens aandoen voor of na een traject door Arctische wateren, met het oog op een verbod op het gebruik of vervoer van HFO;

59.  kijkt uit naar de inwerkingtreding van de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied van de IMO in 2017 en 2018, waardoor de navigatie in het Noordpoolgebied veiliger zal worden; beklemtoont dat er één enkel vlucht-, evacuatie- en reddingssysteem moet worden ontwikkeld voor offshore-personeel dat kan worden toegepast op platformen en schepen in het Noordpoolgebied;

60.  wijst er andermaal op dat IJsland en Noorwegen in het kader van de overeenkomst van de Europese Economische Ruimte (EER) toezeggingen hebben gedaan om de kwaliteit van het milieu en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen te waarborgen, in overeenstemming met de desbetreffende EU-wetgeving;

61.  benadrukt de groeiende interesse van China in het Noordpoolgebied, met name in de toegang tot scheepvaartroutes en de beschikbaarheid van de energiebronnen van de regio; neemt kennis van de sluiting van een vrijhandelsovereenkomst tussen IJsland en China, en verzoekt de Commissie de eventuele gevolgen hiervan niet alleen voor de duurzame economische ontwikkeling van het IJslandse gedeelte van het Noordpoolgebied maar ook voor de economie en de interne markt van de EU nauwlettend te volgen;

62.  herinnert eraan dat de EU uit hoofde van de visserijpartnerschapsovereenkomst EU-Groenland van 2007 financiële steun verleent aan Groenland voor het waarborgen van verantwoorde visserij en de duurzame exploitatie van de visserijbronnen in de Groenlandse exclusieve economische zone;

63.  roept op tot een snelle ratificatie van en toetreding van de lidstaten tot het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding in verband met het vervoer van gevaarlijke en schadelijke stoffen over zee (het "HNS-verdrag");

64.  is van mening dat parlementaire deelname en nauwe interparlementaire samenwerking betreffende Arctische vraagstukken, in het bijzonder met de nationale parlementen van de betrokken EU-lidstaten, van wezenlijk belang is bij de tenuitvoerlegging van Noordpoolbeleid;

65.  verzoekt de HV en de Commissie nauwlettend toezicht te houden op de klimaat-, milieubeschermings-, maritieme, sociaaleconomische en veiligheidsontwikkelingen in het Noordpoolgebied en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad, onder andere over de tenuitvoerlegging van het Noordpoolbeleid van de EU;

66.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regeringen en parlementen van de landen van het Noordpoolgebied.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.
(2) Resolutie A/RES/70/1 van de Algemene Vergadering van de VN.
(3) http://www.inuitcircumpolar.com/uploads/3/0/5/4/30542564/declaration_on_resource_development_a3_final.pdf .
(4) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 17.
(5) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 131.
(6) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 153.
(7) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 77.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0236.
(9) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 71.
(10) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 41.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0034.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0224.
(13) Geschat wordt dat in het Noordpoolgebied anderhalf miljard ton koolstof is opgeslagen.


Verslag 2016 over Montenegro
PDF 199kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Montenegro (2016/2309(INI))
P8_TA(2017)0094A8-0050/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst van 29 maart 2010 tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds(1),

–  gezien het resultaat van de bijeenkomsten van de toetredingsconferentie EU-Montenegro op plaatsvervangersniveau op 30 juni 2016 en op ministerieel niveau op 13 december 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 juni 2012 met het besluit om de toetredingsonderhandelingen met Montenegro op 29 juni 2012 te openen en de conclusies van 13 december 2016 die door de overgrote meerderheid van de delegaties werden onderschreven,

–  gezien de conclusies van de zevende bijeenkomst van de Stabilisatie- en associatieraad tussen Montenegro en de EU, die op 20 juni 2016 in Brussel werd gehouden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 over het EU-uitbreidingsbeleid 2016 (COM(2016)0715) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Montenegro 2016 Report" (SWD(2016)0360),

–  gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van de maatschappelijke organisaties voor de top in Parijs in 2016,

–  gezien het besluit van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten van de NAVO van 2 december 2015 en de ondertekening van het NAVO-toetredingsprotocol van Montenegro op 19 mei 2016,

–  gezien het eindrapport van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR over de parlementsverkiezingen van 16 oktober 2016,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de achtste bijeenkomst van het Gemengd raadgevend comité van maatschappelijke organisaties EU-Montenegro, die op 8 november 2016 in Budva werd gehouden,

–  gezien de verklaring en de aanbevelingen van de twaalfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-Montenegro die op 19 en 20 mei 2016 in Podgorica werd gehouden,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Montenegro,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0050/2017),

A.  overwegende dat de Euro-Atlantische integratie de topprioriteit van het Montenegrijns buitenlands beleid vormt;

B.  overwegende dat in de toetredingsonderhandelingen verdere vooruitgang is geboekt; overwegende dat Montenegro wordt beschouwd als het land dat het verst gevorderd is in zijn toetredingsproces; overwegende dat het rechtskader op het gebied van de rechtsstaat grotendeels is voltooid en de institutionele structuur is opgezet;

C.  overwegende dat zorgen blijven bestaan over het gepolariseerde binnenlandse klimaat en de boycot door de oppositie in het Parlement; overwegende dat een duurzame dialoog en een constructieve samenwerking tussen de regeringscoalitie en de oppositie van cruciaal belang zijn om de voortgang van het toetredingsproces te kunnen handhaven;

D.  overwegende dat corruptie en georganiseerde misdaad een ernstige bron van zorg blijven;

E.  overwegende dat de maatschappelijke organisaties aan werkgroepen kunnen deelnemen, onder andere voor de toetredingsonderhandelingen, maar dat zij hun ontevredenheid hebben geuit over hun mate van betrokkenheid bij de beleidsvorming en hun vermogen om toegang tot informatie te krijgen; overwegende dat het uiterst zorgwekkend is dat een aantal activisten van maatschappelijke organisaties het doelwit van lastercampagnes in de media zijn;

F.  overwegende dat de vorderingen van Montenegro uit hoofde van hoofdstukken 23 en 24 inzake de rechtsstaat cruciaal blijven voor het algehele tempo van het onderhandelingsproces;

G.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid tot de kernwaarden van de EU behoren en de hoekstenen van iedere democratie vormen; overwegende dat de Montenegrijnse mediagemeenschap sterk gepolitiseerd is, dat nog steeds sprake is van censuur en zelfcensuur, en dat er economische en politieke druk op journalisten wordt uitgeoefend;

1.  is ingenomen met de aanhoudende voortgang van de EU-integratie van Montenegro; is verheugd over het feit dat Montenegro gestage vooruitgang heeft geboekt bij de toetredingsonderhandelingen waarbij erop zij gewezen dat tot dusverre 26 hoofdstukken voor onderhandelingen zijn geopend en 2 hoofdstukken voorlopig zijn afgesloten; verzoekt de Raad de onderhandelingen met Montenegro op te voeren; spoort aan tot het openen en afsluiten van verdere hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen in 2017; prijst de goedkeuring door de Montenegrijnse regering van het programma voor toetreding van Montenegro tot de EU 2017‑2018; moedigt Montenegro aan het tempo van de hervormingen op te voeren, meer inspanningen te leveren met het oog op het voldoen aan alle ijkpunten en zich te blijven richten op de fundamentele aspecten van het toetredingsproces; herinnert eraan dat het van essentieel belang is concrete resultaten te boeken met goede en duurzame prestaties ten aanzien van de tenuitvoerlegging, met name op het gebied van de rechtsstaat, justitie en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad;

2.  looft de bevoegde autoriteiten voor het ordelijke verloop van de parlementsverkiezingen op 16 oktober 2016 waarbij de fundamentele vrijheden over het algemeen werden geëerbiedigd; spoort aan tot verdere overeenstemming met internationale normen; is ingenomen met het feit dat de opkomst de hoogste was sinds 2002; is ingenomen met het herziene rechtskader waarbinnen de verkiezingen werden gehouden, maar stelt vast dat er een aantal administratieve lacunes blijven bestaan, ook aan de zijde van de nationale verkiezingscommissie, alsmede zorgen over de juistheid van het kiezersregister en de politisering;

3.  betreurt het tijdelijk stilleggen van internetcommunicatieplatforms op de dag van de verkiezingen, alsmede het hacken van de website van het Centrum voor democratische overgang (CDT) enkele dagen voor de verkiezingen waardoor het werk van maatschappelijke organisaties wat betreft toezicht op de verkiezingen werd belemmerd; doet een beroep op de bevoegde instanties de tekortkomingen aan te pakken en een onderzoek in te stellen naar de vermeende procedurele onregelmatigheden, met inbegrip van het vermeende misbruik van overheidsgelden en ambtsmisbruik, en andere gemelde tekortkomingen op een snelle en doeltreffende wijze, overeenkomstig de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR; verwacht dat de onafhankelijkheid van de nationale verkiezingscommissie wordt gehandhaafd; is van oordeel dat een verbetering van het verkiezingsproces vereist is om het volle vertrouwen in het proces op te bouwen; betreurt het feit dat de oppositie de verkiezingsuitslag niet heeft erkend; onderkent de pogingen van externe actoren om het verkiezingsproces in diskrediet te brengen en de problemen die hierdoor zijn veroorzaakt; verwacht dat de nieuwe regering de politieke inzet voor het hervormingsproces zal handhaven en vraagt alle politieke partijen om opnieuw een constructieve dialoog aan te gaan;

4.  stelt vast dat in de aanloop naar deze verkiezingen een regering van electoraal vertrouwen is gevormd; is ingenomen met het feit dat dit een door Montenegrijnen aangestuurd proces was dat op partijoverschrijdende basis plaatsvond;

5.  is verontrust over de vermeende Russische pogingen om de ontwikkelingen in Montenegro te beïnvloeden, aangezien dit gedragspatroon in de regio tot een verdere destabilisering van de Westelijke Balkan zou kunnen leiden; is bezorgd over de ernstige voorvallen, met inbegrip van een vermeende staatsgreep, die plaatsvonden op 16 oktober 2016, en doet een beroep op de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en op de Commissie om het lopende onderzoek door de bevoegde autoriteiten nauwlettend te volgen; looft de bereidwilligheid van Servië om mee te werken aan deze onderzoeken; acht het belangrijk dat de betrokken diensten van de lidstaten informatie over deze voorvallen met elkaar en met de VV/HV en de Commissie delen;

6.  blijft zich ernstig zorgen maken over het gepolariseerde binnenlandse klimaat en de boycot van de parlementaire werkzaamheden door leden van de oppositie; verzoekt de oppositie het aanbod van de Montenegrijnse premier te benutten om aan de regering deel te nemen in ruil voor het beëindigen van de boycot; onderstreept de noodzaak dat alle politieke krachten opnieuw deelnemen aan een constructieve dialoog en samenwerking in het Montenegrijnse parlement; dringt erop aan het parlementaire toezicht op het toetredingsproces en de capaciteit voor begrotingscontrole verder te versterken; looft het parlement voor het blijven uitdragen van een hoge mate van transparantie; is verontrust over het gebruik van buitensporig geweld tijdens protesten tegen de regering; blijft hameren op de noodzaak van een gedegen follow‑up van de "geluidsopname-affaire"; dringt aan op verbeteringen van het parlementair toezicht op de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie;

7.  verzoekt de regering de toegang tot overheidsinformatie te verbeteren, met name met betrekking tot grote infrastructuurprojecten zoals de aanleg van snelwegen, privatisering, overheidsopdrachten en gerechtelijke acties;

8.  is verheugd over de nieuwe strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur (PAR) 2016‑2020, het programma voor de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën, de inwerkingtreding van de nieuwe wet op de lonen en de vereenvoudiging van de administratieve procedures; dringt aan op maatregelen om de passende begrotingsmiddelen voor de tenuitvoerlegging van de PAR ter beschikking te stellen, alsmede op een consequente politieke wil om het openbaar bestuur te rationaliseren, ook met het oog op de voorbereidingen op de toetreding; merkt op dat geringe vooruitgang is geboekt bij het versterken van de administratieve capaciteit; spoort ertoe aan het openbaar bestuur volledig te depolitiseren; acht het van essentieel belang om te hechten aan de beginselen van verdienste, professionaliteit, verantwoordingsplicht, transparantie en tijdige effectbeoordelingen van de regelgeving, alsmede om het recht van burgers op goed bestuur zonder corruptie en hun recht op informatie te waarborgen;

9.  merkt op dat er vooruitgang is geboekt bij de hervorming van het rechtsstelsel, met inbegrip van een verbetering van de institutionele capaciteit; blijft bezorgd over de ongepaste beïnvloeding van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name bij de benoeming van rechters; onderstreept dat de verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht moet worden versterkt door het invoeren van een overzicht van de naleving van de regels inzake de beroepsethiek en van de nieuwe tuchtrechtelijke regelingen voor rechters en aanklagers; onderstreept dat het justitiële apparaat moet worden gerationaliseerd, dat de capaciteit voor het toezicht op de achterstanden bij rechtbanken moet worden versterkt en dat het aantal hangende zaken verder moet worden verminderd; dringt aan op een efficiëntere institutionele en individuele verantwoordingsplicht wat betreft de behandeling van aanklachten wegens corruptie, het witwassen van geld en georganiseerde misdaad; onderstreept dat gerechtelijke beslissingen ten aanzien van de toegang tot informatie op doeltreffende wijze moeten worden uitgevoerd en dat de heersende praktijk moet worden tegengegaan om, ter beperking van de toegang, documenten als vertrouwelijk aan te merken; wijst op het belang van bewustmaking van het publiek omtrent de bestaande klachtenmechanismen;

10.  doet een beroep op de bevoegde autoriteiten, hoewel enige vooruitgang in de afhandeling van oorlogsmisdaden is geboekt, oorlogsmisdaden daadwerkelijk te onderzoeken, te vervolgen, voor de rechter te brengen en te bestraffen, alsmede de straffeloosheid te bestrijden, overeenkomstig de internationale normen, met name ten aanzien van de verantwoordelijke functionarissen in de top van de commandostructuur; is ingenomen met de goedkeuring van een vervolgingsstrategie om nieuwe zaken te openen en concrete resultaten te behalen; onderstreept dat moet worden gezorgd voor de ongehinderde toegang tot de rechter en billijke schadeloosstelling voor de slachtoffers van oorlogsmisdaden, alsmede de volledige bescherming van getuigen tijdens processen over oorlogsmisdaden;

11.  merkt bezorgd op dat corruptie op veel gebieden nog steeds de overhand heeft, maar is ingenomen met de verdere versterking van het kader voor corruptiebestrijding, onder andere doordat het agentschap ter bestrijding van corruptie volledig operationeel wordt gemaakt en speciale aanklagers voor corruptiebestrijding worden benoemd, alsook doordat tegemoet wordt gekomen aan de behoefte aan gespecialiseerde langdurige opleidingen; acht dit van essentieel belang om hun onafhankelijkheid bij onderzoeken te waarborgen; onderstreept het belang van politiek onpartijdige, professionele en transparante activiteiten van het agentschap ter bestrijding van corruptie, met name ten aanzien van zaken van corruptie op hoog niveau en de financiering van politieke partijen; onderstreept andermaal dat een balans moet worden opgemaakt van succesvolle onderzoeken en veroordelingen, met name in zaken van corruptie op hoog niveau, en van de maatregelen ter voorkoming van corruptie, met inbegrip van de doeltreffendere toepassing van wettelijke sancties; verzoekt de nieuwe regering de strijd tegen corruptie tot een van haar prioriteiten te maken door voor deze taak voldoende personele en begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen;

12.  dringt aan op de doeltreffende uitvoering van sectorale actieplannen voor terreinen die bijzonder kwetsbaar zijn voor corruptie, zoals overheidsopdrachten, privatisering, stedelijke planning, onderwijs, gezondheidszorg, lokale overheid en politie; roept op tot een effectief onderzoek naar potentiële klokkenluiderszaken en de adequate bescherming van klokkenluiders; dringt erop aan het strafbare feit van ongeoorloofde verrijking op te nemen in het Montenegrijnse wetboek van strafrecht; dringt aan op de doeltreffende tenuitvoerlegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen Eurojust en Montenegro ter bevordering van de justitiële samenwerking in de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit; dringt aan op maatregelen om de bescherming van klokkenluiders te verbeteren;

13.  neemt kennis van de goedkeuring van een actieplan ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, en van de ondertekening van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme; onderstreept dat de resultaten bij de vervolging van de georganiseerde misdaad verder moeten worden verbeterd, met name ten aanzien van de mensenhandel, drugs en het witwassen van geld, dat de samenwerking tussen agentschappen moet worden versterkt en dat de regionale en internationale samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad moet worden geïntensiveerd; onderstreept dat gespecialiseerde adviseurs inzake forensische accountancy in het kader van regelmatige onderzoeken voor ondersteuning moeten zorgen;

14.  is verheugd over het verbeterde rechtskader voor de bestrijding van mensenhandel; onderstreept echter de noodzaak van een betere identificatie van de slachtoffers van mensenhandel en een betere toegang tot bijstand, schadeloosstelling en bescherming;

15.  is ingenomen met de nieuwe strategie ter bestrijding van extremistische gewelddaden 2016-2018, die een aanvulling vormt op de nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van terrorisme, witwassen van geld en terrorismefinanciering; neemt kennis van het opzetten van een nieuwe inlichtingeneenheid die tot taak heeft potentiële leden van gewelddadige extremistische groeperingen op te sporen en in het oog te houden; acht het van fundamenteel belang mensen in de beginfase van radicalisering op te sporen om te verhinderen dat zij door gewelddadige extremistische groeperingen worden gerekruteerd en om hen met succes terug te plaatsen in de maatschappij; acht het belangrijk dat bij de maatregelen die met het oog hierop worden genomen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd overeenkomstig de internationale verplichtingen; wijst op het belang van bewustmaking om mogelijke terroristische dreigingen in het oog te houden;

16.  erkent de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de voorbereidingen op de toetreding, maar verzoekt de bevoegde autoriteiten de toegang van maatschappelijke organisaties tot met de EU verband houdende informatie verder te verbeteren en ervoor te zorgen dat zij, waar mogelijk, op zinvolle wijze worden geraadpleegd; doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om een meer ondersteunende en inclusieve benadering te ontwikkelen om maatschappelijke activiteiten door de maatschappelijke organisaties aan de basis te faciliteren en hun actieve deelneming aan het toezicht op het gehele verkiezingsproces aan te moedigen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan overheidsgelden voor maatschappelijke organisaties, zowel op nationaal als plaatselijk niveau, ter beschikking te stellen op een meer duurzame, transparante en doeltreffende wijze; roept de betrokken autoriteiten op gunstige voorwaarden voor vrijwilligerswerk en een grotere mate van maatschappelijke betrokkenheid te scheppen; is zeer verontrust over het feit dat de lastercampagnes en intimidatiepogingen tegen bepaalde activisten van maatschappelijke organisaties voortduren; roept de bevoegde autoriteiten op de oorzaak hiervan te onderzoeken en te verklaren en de inspanningen ter bescherming van activisten van maatschappelijke organisaties op te voeren;

17.  stelt vast dat er enige vooruitgang is geboekt bij het verbeteren van de situatie van minderheden, met inbegrip van de voltooiing van verscheidene wetgevingshervormingen, om te zorgen voor een verdere overeenstemming met de EU- en internationale mensenrechtennormen; is ingenomen met de goedkeuring van een strategie en actieplan 2016-2020 voor de sociale inclusie van de gemeenschappen van Roma en Balkan-Egyptenaren; dringt erop aan dat toereikende begrotingsmiddelen worden uitgetrokken, opdat het actieplan naar behoren kan worden uitgevoerd; is verontrust over de dubbele discriminatie van vrouwen en meisjes in de Romagemeenschap en over de toegang van de Romagemeenschap, de minderheid van Balkan-Egyptenaren en de Ashkali tot gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en werkgelegenheid; moedigt de bevoegde autoriteiten ertoe aan zich meer in te zetten voor de bescherming van de rechten van LGBTI-personen; roept de bevoegde autoriteiten op verdere inspanningen te leveren met het oog op de bewustmaking omtrent antidiscriminatie onder het grote publiek; blijft bezorgd over het feit dat de meeste openbare gebouwen, met inbegrip van medische centra en universiteitsfaculteiten, nog steeds niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap en dat het aantal werknemers met een handicap nog steeds zeer gering is; dringt aan op verdere maatregelen ter bescherming van de multi-etnische identiteit van de regio rond de Baai van Kotor;

18.  roept op tot een verdere versterking van mensenrechteninstellingen, met inbegrip van de Ombudsman en het Ministerie van Mensenrechten en Minderheden, en is van mening dat hun kennis van de internationale en Europese mensenrechtenwetgeving en -normen moet worden vergroot; is bezorgd over het ontbreken van een uniforme benadering van en de lage strafmaat voor schendingen van de mensenrechten;

19.  blijft bezorgd over het aanhoudend gendergerelateerd huiselijk en seksueel geweld, over het uitblijven van vervolging en van een behoorlijke veroordeling van de daders overeenkomstig de internationale normen, en over de inefficiënte bijstand voor en bescherming van de slachtoffers; dringt aan op maatregelen voor de invoering van toereikende beschermingsdiensten, de versterking van de coördinatie tussen de betrokken instellingen, het doeltreffende gebruik van de nieuwe samengevoegde databank van gevallen van huiselijk geweld en de uitvoering van de strategie ter bestrijding van huiselijk geweld 2016‑2020; benadrukt dat het belangrijk is werknemers in overheidsinstellingen te onderrichten en op te leiden om met slachtoffers te werken; roept de bevoegde autoriteiten op te zorgen voor passende bescherming, langdurige huisvesting, financiële steun en onderwijsprogramma's voor de slachtoffers van gedwongen huwelijken, alsmede voor de doeltreffende vervolging en veroordeling van de daders; onderstreept dat het belangrijk is de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, waaronder in essentiële besluitvormingsfuncties, en hun toegang tot en betere vertegenwoordiging op de arbeidsmarkt te bevorderen; dringt aan op de ontwikkeling van overheidsbeleid dat werk en gezinsleven helpt te combineren; neemt ter kennis dat het actieplan inzake gendergelijkheid 2013‑2017 nog steeds wordt uitgevoerd; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging ervan; beklemtoont dat er uitdagingen bestaan bij het coördineren van beleid met betrekking tot kinderen en dat geweld tegen kinderen een punt van zorg blijft;

20.  roept de Montenegrijnse autoriteiten op de nodige maatregelen te treffen ter voorkoming van geweld tegen kinderen, mensenhandel en gedwongen kinderhuwelijken waarvan ngo's nog steeds melding maken;

21.  wijst op de noodzaak voortdurend en serieus te werken aan de harmonisatie van het Montenegrijnse rechtsstelsel met internationale rechtsnormen op het gebied van de mensenrechten en vrijheden van personen met een handicap ten einde de naleving van de beginselen van de rechtsstaat, de grondwettigheid en de legaliteit te waarborgen;

22.  blijft bezorgd over de stand van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid in Montenegro en het ontbreken van doeltreffend onderzoek door de regering naar aanvallen op journalisten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten andermaal op aan de reeds lang aanhangige zaken van geweld tegen, intimidatie en bedreigingen van journalisten tot een einde te brengen, maatregelen ter bescherming van mediaprofessionals te nemen en een veilige omgeving voor de vrije en onderzoeksjournalistiek te creëren; is ook bezorgd over door politiediensten uitgevoerde aanvallen en over recente gevallen van het onder druk zetten en intimideren van journalisten, onder meer in de vorm van lastercampagnes, fysieke aanvallen en bedreigingen, alsook gevallen van belemmering van de media tijdens betogingen tegen de regering, waaronder willekeurige aanhoudingen en inbeslagneming van apparatuur; is verontrust over het nog steeds uitblijven van behoorlijk onderzoek naar deze aanvallen en over het feit dat deze gevallen niet zijn opgelost; stelt vast dat het aantal rechtszaken wegens smaad hoog blijft; dringt aan op transparante staatsreclame in de particuliere media, de wijziging van het Montenegrijnse wetboek van strafrecht en het opnemen van nieuwe strafbare feiten in het wetboek ter voorkoming en bestraffing van aanvallen op journalisten bij de uitoefening van hun beroep; erkent dat wettelijke maatregelen zijn genomen om te zorgen voor meer financiële onafhankelijkheid en duurzaamheid bij de publieke omroep RTCG en dringt aan op verdere stappen om de onafhankelijkheid ervan te waarborgen, met inbegrip van de redactionele onafhankelijkheid; benadrukt de noodzaak van het ondersteunen en versterken van bestaande zelfregulerende mechanismen; benadrukt dat de herziene gedragscode voor journalisten op effectieve en uniforme wijze in de hele mediagemeenschap moet worden toegepast; dringt erop aan dat, indien nodig, waarnemers van de EU-delegatie en de ambassades van de lidstaten regelmatiger processen tegen journalisten en mediaprofessionals bijwonen;

23.  stelt vast dat de nationale verkiezingscommissie tijdens de verkiezingen van 2016 de toegang van de media heeft beperkt; roept op tot de uitvoering van de aanbevelingen betreffende de media die zijn gedaan in het eindrapport van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR over de parlementsverkiezingen van 2016;

24.  neemt de gunstige economische ontwikkelingen ter kennis, maar dringt er bij de nieuwe regering op aan maatregelen te treffen om budgettaire houdbaarheid te waarborgen, de sociale rechten en de consumentenbescherming te versterken, verdere structurele hervormingen door te voeren om het bedrijfs- en investeringsklimaat te verbeteren waardoor banen en groei worden gecreëerd en een meer diverse economie tot stand wordt gebracht, met inbegrip van maatregelen voor de inperking van de informele sector, en vast te houden aan de noodzaak de belastingontduiking daadwerkelijk aan te pakken; is ingenomen met het openen van hoofdstuk 19 en is er stellig van overtuigd dat dit de beste stimulans vormt voor de regering om sneller te werken aan sociale inclusie en het terugdringen van de armoede, alsmede het inperken van de informele sector; dringt aan op de rationalisatie van de overheidsuitgaven, alsmede op meer inspanningen om de rechtsstaat en de uitvoering van contracten te versterken; dringt erop aan dat grote externe onevenwichtigheden worden aangepakt, en dat de projecten voor investeringen in openbare infrastructuurwerken die een uitdaging vormen op het gebied van budgettaire houdbaarheid, opnieuw worden beoordeeld; dringt aan op verdere financiële en niet-financiële maatregelen ter ondersteuning van kmo's en op verdere investeringen in innovatie en duurzame projecten om de economie te stimuleren; dringt aan op de verbetering van de sociale dialoog;

25.  merkt op dat, hoewel enige vooruitgang is geboekt ten aanzien van de ontwikkeling van vervoersinfrastructuur, onder meer via het waarnemingscentrum voor vervoer in Zuidoost-Europa, een gebrek aan grensoverschrijdende wegen de handel en het toerisme belemmert; is ingenomen met de tot dusver geleverde inspanningen met het oog op de liberalisering van de spoorwegsector in Montenegro; onderstreept de noodzaak om met buurlanden de connectiviteitsvraagstukken te coördineren en hen in staat te stellen deel uit te maken van het planningsproces voor infrastructuurprojecten;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de kmo-sector wordt versterkt, dat ondersteuning wordt geboden door middel van betere wetgeving, financiering en tenuitvoerlegging van industrieel beleid, alsmede de terugdringing van de informele economie en het bespoedigen van de nationale elektronische registratie van bedrijven;

27.  stelt vast dat de schaduweconomie van Montenegro nog steeds goed is voor een groot aandeel van het bbp; herinnert eraan dat de omvangrijke informele economie een belangrijke belemmering vormt voor het ondernemerschap en de economische groei en moedigt Montenegro aan maatregelen te nemen om de omvang van de schaduweconomie terug te dringen;

28.  merkt bezorgd op dat sommige door het IPA gefinancierde resultaten inzake capaciteitsopbouw niet ten volle door de autoriteiten werden benut of opgevolgd; benadrukt dat de autoriteiten met het oog op positieve resultaten moeten zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel, de nodige wetgeving moeten goedkeuren om de resultaten ten nutte te kunnen maken en nieuw opgerichte instellingen de nodige onafhankelijkheid moeten verlenen;

29.  stelt vast dat de werkloosheid licht is gedaald; is ingenomen met de nieuwe nationale strategie voor werkgelegenheid en ontwikkeling van menselijke hulpbronnen 2016‑2020 en het begeleidende actieplan 2016; blijft verontrust over de hoge jeugdwerkloosheid en de geringe arbeidsmobiliteit; dringt aan op proactieve maatregelen ten behoeve van de arbeidsmarkt om de kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te vergroten en vrouwen, kwetsbare mensen, personen met een handicap en jongeren te ondersteunen middels onderwijs, loopbaanbegeleiding, opleiding, werk en arbeidsrechten; wijst nogmaals op het belang van actieve deelname aan regionale jeugdinitiatieven, zoals het Bureau voor regionale jeugdsamenwerking van de Westelijke Balkan, mede door te profiteren van bestaande programma's die zijn ontworpen om de connectiviteit in de regio te bevorderen en de jeugdwerkloosheid aan te pakken;

30.  stelt vast dat de overheidsuitgaven voor onderwijs ver beneden het EU‑gemiddelde blijven; onderstreept dat de nodige maatregelen moeten worden ingevoerd, met name ten aanzien van de opvang van jonge kinderen en het kleuteronderwijs, waarvoor het aantal inschrijvingen teleurstellend laag is en aanzienlijk lager dan de EU‑doelstelling van 95 % tegen 2020; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gebrekkige toegang tot verscheidene openbare universiteiten voor personen met een handicap;

31.  is verheugd over de nieuwe milieuwetgeving, alsmede de nationale strategie voor de omzetting en uitvoering van het acquis van de EU inzake milieu en klimaatverandering en het begeleidende actieplan 2016‑2020; onderstreept de noodzaak de uitvoeringsinspanningen te intensiveren, met name inzake waterkwaliteit, natuurbescherming en afvalbeheer, alsmede daarmee verband houdende beheerscapaciteiten op alle niveaus; is bezorgd over de aanzienlijke vertraging bij het invoeren van de bescherming van het potentiële Natura 2000-gebied Ulcinj Salina; dringt aan op verdere inspanningen om de biodiversiteit van de saline en de duurzame ontwikkeling van de kuststrook te behouden;

32.  doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om de nodige beschermings- en instandhoudingsmaatregelen te treffen in verband met het Meer van Shkodër, opdat de ecologische kenmerken en de ecologische integriteit ervan behouden blijven; verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de omvorming van de nationale parken tot een vennootschap van de staat met beperkte aansprakelijkheid geen negatieve gevolgen voor de bescherming ervan heeft; erkent in dit verband de bezwaren die naar voren zijn gebracht in het kader van de overeenkomsten van Ramsar en Bern ten aanzien van het ruimtelijk plan voor speciale doeleinden voor het nationaal park van het Meer van Shkodër, waaronder het bouwproject Porto Skadar Lake; is bezorgd over de aanzienlijke vertraging bij de totstandbrenging van de bescherming van gebieden die zijn aangemerkt als potentiële gebieden binnen het Natura 2000-netwerk, zoals het nationaal park van het Meer van Shkodër; wijst er nogmaals op dat zorgvuldige en strategische milieueffectbeoordelingen moeten worden verricht in overeenstemming met het EU-acquis en internationale normen;

33.  benadrukt dat de internationale verbintenissen op het gebied van de beperking van de klimaatverandering moeten worden uitgevoerd; is zeer verontrust over het plan van de regering om de kolengestookte elektriciteitscentrale Pljevlja II te ontwikkelen die niet verenigbaar is met de in het kader van de overeenkomst van Parijs aangegane verbintenissen;

34.  erkent de gemaakte goede vorderingen op het gebied van energie, waaronder op het gebied van verbindingen met partnerlanden; verzoekt Montenegro wetgeving ter uitvoering van het derde energiepakket in te voeren, in het bijzonder de richtlijn hernieuwbare energie; blijft bezorgd over de niet-duurzame ontwikkeling van waterkracht en het feit dat vele van deze centrales worden gepland zonder dat hieraan een gedegen milieueffectbeoordeling is voorafgegaan, met name ten aanzien van de bescherming van de biodiversiteit en de gevolgen van de centrales voor beschermde gebieden, zoals vereist door de EU‑wetgeving; doet een beroep op de bevoegde autoriteiten om nauwlettend toezicht te blijven houden op de exploratie van offshore-olie- en gasvelden, en om alle beschermingsmaatregelen overeenkomstig vastgestelde wetgeving, regelgeving en het EU‑acquis uit te voeren;

35.  roept de Montenegrijnse autoriteiten ertoe op om met het oog op de voorbereidingen voor de top over de Westelijke Balkan in Italië in 2017 extra inspanningen te leveren voor de uitvoering van wet- en regelgevingsmaatregelen op het gebied van vervoer en energie (zachte maatregelen), teneinde aan de connectiviteitsagenda van de Europese Unie te voldoen;

36.  is ingenomen met de proactieve participatie en de aanhoudende constructieve rol van Montenegro in de regionale en internationale samenwerking in goed nabuurschap; spoort in dit verband aan tot verdere samenwerking; prijst Montenegro ten zeerste, omdat het land zijn buitenlands beleid volledig blijft afstemmen op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, waaronder Besluit (GBVB) 2016/1671 van de Raad tot verlenging van de beperkende EU‑maatregelen tegen Rusland; is verheugd over de deelname van Montenegro aan de GVDB-missies van de EU; moedigt Montenegro aan, op een constructieve wijze en in een geest van goed nabuurschap, hangende bilaterale kwesties met zijn buurlanden te blijven aanpakken, met inbegrip van de onopgeloste kwesties van de grensafbakening met Servië en Kroatië, zo spoedig mogelijk in het toetredingsproces; herhaalt zijn verzoek aan de autoriteiten om bij te dragen tot de oplossing van de statenopvolgingskwesties met betrekking tot de erfenis van de voormalige Socialistische Federale Republiek Joegoslavië; is ingenomen met de overeenkomst over de grensafbakening met Bosnië en Herzegovina en de ratificatie van de overeenkomst over de grensafbakening met Kosovo; onderstreept dat de onderhandelingen over de aanpassing van de overeenkomsten inzake grensoverschrijding en grensverkeer moeten worden voortgezet; looft de samenwerking met buurlanden in het kader van het proces van de verklaring van Sarajevo; dringt bij Montenegro aan op overeenstemming met de gemeenschappelijke standpunten van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome en aanverwante EU‑grondbeginselen over bilaterale onschendbaarheidsovereenkomsten;

37.  merkt op dat Montenegro, hoewel het niet op de "Westelijke Balkanroute" ligt, nog steeds een doorgangsland vormt voor vluchtelingen en migranten, van wie het merendeel afkomstig is uit Syrië; doet een beroep op de Montenegrijnse autoriteiten ervoor te zorgen dat migranten en vluchtelingen die asiel aanvragen in Montenegro of over Montenegrijns grondgebied reizen, worden behandeld overeenkomstig internationale en EU-wetgeving, waaronder het Vluchtelingenverdrag van 1951 en het EU-Handvest van de grondrechten; is ingenomen met de goedkeuring van het Schengenactieplan en de strategie voor geïntegreerd migratiebeheer 2017‑2020;

38.  verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan over migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat de internationale en EU‑normen worden nageleefd; is ingenomen met het in dit verband reeds verrichte werk;

39.  is verheugd over de actieve deelname van Montenegro aan de top over de Westelijke Balkan in Parijs in 2016, met name wat betreft de connectiviteitsagenda; roept de autoriteiten op tot de tenuitvoerlegging van de onlangs ondertekende overeenkomst inzake grensoverschrijding met Albanië en van de verordening betreffende een trans-Europees netwerk ten aanzien van de vergunning en toelating van de open toegang tot de spoorwegmarkt; merkt op dat, hoewel de spoorwegmarkt in Montenegro al sinds 2014 voor mededinging openstaat, particuliere investeerders tot op heden geen belangstelling hebben getoond om de markt te betreden; roept de nieuwe regering ertoe op te voorzien in een open spoorwegmarkt, met transparante spoortoegangsrechten en capaciteitstoewijzing in volledige overeenstemming met het acquis;

40.  is ingenomen met het feit dat het NAVO-toetredingsprotocol van Montenegro in mei 2016 is ondertekend, als een erkenning van de hervormingsinspanningen van Montenegro, en dat het protocol momenteel door de NAVO-leden wordt geratificeerd, aangezien de NAVO een belangrijke factor vormt voor stabiliteit en vrede in de landen van de Westelijke Balkan; moedigt de NAVO-leden in de EU aan voorrang te verlenen aan het ratificatieproces en te erkennen dat het NAVO-lidmaatschap voor Montenegro een belangrijk symbolisch en strategisch onderdeel is van zijn Euro-Atlantisch integratieproces; wijst er nogmaals op dat de EU-toetredingsonderhandelingen losstaan van het NAVO-toetredingsproces;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Montenegro.

(1) PB L 108 van 29.4.2010, blz. 1.


e-Democratie in de EU: potentieel en uitdagingen
PDF 266kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 maart 2017 over e-democratie in de Europese Unie: potentieel en uitdagingen (2016/2008(INI))
P8_TA(2017)0095A8-0041/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien aanbeveling CM/Rec(2009)1 van de Raad van Europa over elektronische democratie (e-democratie), die op 18 februari 2009 door het Comité van Ministers is goedgekeurd als eerste internationale rechtsinstrument waarin normen op het gebied van e-democratie worden vastgesteld,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de artikelen 2, 3, 6, 9, 10 en 11, alsmede het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 8 t/m 20 en 24,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel "EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020 – Voor een snellere digitalisering van overheidsdiensten" (COM(2016)0179),

–   gezien de VN-index voor de ontwikkeling van e-overheid (E-Government Development Index (EGDI)) voor 2014,

–  gezien de drie studies getiteld "Potentieel en uitdagingen voor e‑participatie in de Europese Unie", "Potentieel en uitdagingen voor e‑stemmen in de Europese Unie" en "De juridische en politieke context voor de ontwikkeling van een Europees identiteitsbewijs", die zijn beleidsondersteunende afdeling C in 2016 heeft gepubliceerd,

–   gezien de twee STOA-studies getiteld "E-public, e-participation and e-voting in Europe – prospects and challenges: final report" van november 2011 en "Technology options and systems to strengthen participatory and direct democracy" die in 2017 dient te worden gepubliceerd,

–   gezien de werkzaamheden die de Conferentie van Europese regionale wetgevende parlementen (CALRE) in verband met e-democratie heeft verricht met behulp van het samenwerkingssysteem IT4all van de VN,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 getiteld "Mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen"(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0041/2017),

A.  overwegende dat de recente crises en impasses op financieel, economisch, politiek en sociaal gebied afzonderlijke lidstaten en de Unie als geheel zwaar treffen, op een moment waarop zij allemaal worden geconfronteerd met mondiale uitdagingen zoals klimaatverandering, migratie en veiligheid; overwegende dat de verhouding tussen de burgers en de politiek steeds meer gespannen is geworden omdat de burgers zich afkeren van politieke-besluitvormingsprocessen, en dat het risico op publieke afkeer jegens de politiek toeneemt; overwegende dat engagement en participatie van de burgers en het maatschappelijk middenveld, evenals transparantie en voorlichting, in het democratische bestel van essentieel belang zijn voor de goede werking van de democratie en voor de legitimiteit en verantwoordingsplicht van alle niveaus van de meerlagige beheersstructuur van de EU; overwegende dat er een duidelijke noodzaak bestaat om de democratische kloof tussen de burgers en politieke instellingen te verkleinen;

B.  overwegende dat onze samenleving de afgelopen decennia razendsnel is veranderd en de burger de behoefte heeft zich vaker en directer uit te spreken over de problemen die de toekomst van de samenleving bepalen, en dat politieke en beleidsinstellingen er daarom goed aan doen te investeren in democratische innovatie;

C.  overwegende dat het opkomstpercentage bij de Europese verkiezingen sinds 1979 steeds lager wordt en bij de verkiezingen van 2014 slechts 42,54 % bedroeg;

D.  overwegende dat het van belang is het vertrouwen van de burgers in het Europese project terug te winnen; overwegende dat instrumenten voor e-democratie een bijdrage kunnen leveren aan de bevordering van actief burgerschap door participatie, transparantie en verantwoordingsplicht in het besluitvormingsproces te bevorderen en de democratische controlemechanismen en kennis over de EU te versterken teneinde de burgers meer inspraak te geven in het politieke leven;

E.  overwegende dat de democratie zich moet blijven ontwikkelen en aanpassen aan de veranderingen en mogelijkheden die gepaard gaan met nieuwe technologieën en ICT-hulpmiddelen, die moeten worden beschouwd als een gemeenschappelijk goed dat, mits goed uitgevoerd en vergezeld van voldoende informatie, een meer transparante en participatieve democratie tot stand kan helpen brengen; overwegende dat elke burger daarom de mogelijkheid moet krijgen om met de nieuwe technologie te leren omgaan;

F.  overwegende dat verdere vooruitgang op het gebied van cyberbeveiliging en gegevensbescherming van essentieel belang is om het gebruik van nieuwe technologie in institutionele en politieke activiteiten aan te zwengelen en daarmee de inspraak van de burgers in de besluitvorming te bevorderen;

G.  overwegende dat de opkomst van nieuwe instrumenten voor digitale communicatie en open samenwerkingsplatforms de aanzet kan geven en kan leiden tot nieuwe oplossingen om de deelname van burgers aan en de betrokkenheid van burgers bij de politiek te bevorderen en de ontevredenheid ten aanzien van de politieke instellingen te verminderen, en tevens een bijdrage te leveren aan het vergroten van het vertrouwen in en de transparantie en controleerbaarheid van het democratische systeem;

H.  overwegende dat Commissievoorzitter Juncker in zijn jongste State of the Union een pakket maatregelen ter bevordering van het gebruik van elektronische communicatie heeft voorgesteld, waaronder WIFI4EU of de invoering van 5G in Europa;

I.  overwegende dat open overheidsgegevens economische groei kunnen bevorderen, de efficiëntie binnen de publieke sector kunnen vergroten en de transparantie en controleerbaarheid van Europese en nationale instellingen kunnen verbeteren;

J.  overwegende dat de toegang op gelijke voorwaarden tot een neutraal internet een onontbeerlijke voorwaarde vormt om de doeltreffendheid van fundamentele mensenrechten te garanderen;

K.  overwegende dat e-democratie de ontwikkeling van aanvullende vormen van engagement kan bevorderen, die een bijdrage kunnen leveren aan het afremmen van de toenemende publieke afkeer jegens de traditionele politiek; overwegende dat e-democratie voorts een bijdrage kan leveren aan de bevordering van communicatie, dialoog en kennis van en belangstelling voor de Unie, haar politiek en haar beleid, en op die manier gunstig is voor de maatschappelijke steun voor het Europees project en bovendien het zogeheten Europees democratisch tekort verkleint;

L.  overwegende dat voor de nieuwe vormen van deelname aan de virtuele openbare ruimte ook de rechten en verplichtingen gelden die gelden voor deelname aan de openbare ruimte, zoals het recht om een procedure te starten in geval van smaad;

M.  overwegende dat het absoluut noodzakelijk is de digitale kloof te dichten en ervoor te zorgen dat de burgers beschikken over voldoende mediageletterdheid en digitale vaardigheden, teneinde de rol van het internet als geldig en doeltreffend democratisch instrument te waarborgen;

N.  overwegende dat informatie- en communicatiesystemen (ICT-systemen) de kern vormen van alle moderne overheidsprocessen, maar dat er nog altijd inspanningen moeten worden geleverd om de dienstverlening op het gebied van e-overheid te verbeteren;

O.  overwegende dat e-stemmen het mensen die werken of wonen in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn of in een derde land gemakkelijker kan maken hun stemrecht uit te oefenen; overwegende dat bij e-stemmen de veiligheid en geheimhouding bij het uitbrengen en opnemen van de stemmen gewaarborgd moeten zijn, met name met het oog op de mogelijkheid van cyberaanvallen;

Potentieel en uitdagingen

1.  benadrukt de mogelijke voordelen van e-democratie, die wordt gedefinieerd als ondersteuning en versterking van de traditionele democratie door middel van ICT, en die de democratische processen kan aanvullen en versterken met een stuk inspraak van de burgers via verschillende onlineactiviteiten, zoals onder meer e-overheid, e-governance, e-beraadslaging, e-participatie en e-stemmen; vindt het verheugend dat steeds meer burgers via nieuwe communicatiemiddelen kunnen worden betrokken bij de democratische processen;

2.  benadrukt dat de lidstaten in aanbeveling CM/Rec(2009)1 van de Raad van Europa wordt gevraagd ervoor te zorgen dat e‑democratie transparantie, verantwoordingsplicht, responsiviteit, engagement, overleg, inclusiviteit, toegankelijkheid, participatie, subsidiariteit en sociale cohesie bevordert, waarborgt en versterkt; herinnert eraan dat de lidstaten in deze aanbeveling wordt gevraagd maatregelen uit te werken die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen versterken;

3.  benadrukt dat e-democratie tot doel heeft een democratische cultuur te bevorderen die de democratische praktijken verrijkt en versterkt door een aanvullend instrument te bieden dat de transparantie en burgerparticipatie kan vergroten, en niet een alternatief democratisch systeem in te stellen dat afbreuk doet aan de representatieve democratie; wijst erop dat e-democratie op zich onvoldoende is om politieke participatie te waarborgen, en dat het ook nodig is om naast e-democratie met niet-digitale middelen te streven naar een grotere politieke participatie van burgers;

4.  wijst op het belang van e-stemmen en stemmen op afstand via internet als systemen die kunnen zorgen voor verbetering van de inclusie van de burgers en democratische participatie kunnen vergemakkelijken, vooral in geografisch en sociaal gemarginaliseerde gebieden, hetgeen tal van potentiële voordelen biedt, met name voor jongeren, mensen met beperkte mobiliteit, ouderen en mensen die permanent of tijdelijk werken of wonen in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn of in een derde land, mits het hoogst mogelijke niveau van gegevensbescherming wordt gewaarborgd; herinnert eraan dat de lidstaten bij de toepassing van een systeem voor stemmen op afstand via internet de transparantie en betrouwbaarheid van de telling van de stemmen moeten waarborgen en de beginselen van gelijkheid, stemgeheim, stemrecht en vrije verkiezingen moeten eerbiedigen;

5.  benadrukt dat alle processen voor digitale interactie gebaseerd moeten zijn op het beginsel van institutionele openheid, zodat er een combinatie van realtime-transparantie en geïnformeerde participatie wordt gerealiseerd;

6.  benadrukt het gebruik van e-participatie en moedigt het aan als essentieel kenmerk van e-democratie, dat drie vormen van interactie omvat tussen enerzijds de EU-instellingen en de overheid en anderzijds de burgers, namelijk: e-voorlichting, e-raadpleging en e-besluitvorming; erkent dat veel gevallen van nationale, regionale en lokale e-participatie kunnen worden beschouwd als goede voorbeelden van hoe ICT kan worden gebruikt in een participatieve democratie; spoort de lidstaten aan deze praktijken op nationaal en lokaal niveau verder te ontwikkelen;

7.  onderstreept dat ICT ruimten voor participatie en overleg tot stand helpt komen, die op hun beurt de kwaliteit en legitimiteit van onze democratische systemen vergroten;

8.  wijst op de noodzaak jonge mensen te betrekken bij het politieke debat en merkt op dat het gebruik van ICT voor democratische procedures in dit kader een doeltreffend instrument kan zijn;

9.  herinnert aan het eerste Europese voorbeeld van onlinestemmen bij de juridisch bindende verkiezingen van 2005 in Estland, maar is van mening dat in andere lidstaten pas op geslaagde wijze van e-stemmen gebruik kan worden gemaakt als de waarborg voor de effectieve deelname van de hele bevolking is beoordeeld en de voordelen van, uitdagingen bij en gevolgen van verschillende of uiteenlopende technologische benaderingen zijn geëvalueerd; wijst erop dat veilige en snelle internetverbindingen en een veilige elektronische-identiteitsstructuur belangrijke voorwaarden zijn voor succesvol e-stemmen; benadrukt dat de voordelen van de nieuwe technologie moeten worden benut bij de huidige vormen van stembusgang, en is van oordeel dat grote vooruitgang kan worden geboekt door middel van de uitwisseling van beste praktijken en onderzoek op alle politieke niveaus;

10.  wijst erop dat het belangrijk is tegemoet te komen aan de bezorgdheid onder burgers met betrekking tot het gebruik van online democratie-instrumenten; is van oordeel dat het zeer belangrijk is aandacht te besteden aan veiligheidsaspecten en waarborging van de privacy, teneinde het vertrouwen van de burgers in de zich ontwikkelende digitale politieke omgeving op te bouwen;

11.  benadrukt dat democratische processen een uitvoerig debat op elk niveau van de EU-samenleving, toezicht en reflectie vereisen, die bevorderlijk zijn voor billijke, volledige en rationele beraadslaging; waarschuwt voor het risico van verdraaiing en manipulatie van uitlatingen gedaan bij online discussies; is van mening dat de beste garantie tegen dit risico bestaat uit transparantie van alle spelers die interageren en informatie verstrekken over campagnes die zij direct of indirect op digitale participatieplatforms kunnen voeren;

12.  merkt op dat het vertrouwen van de burgers in instellingen en democratische processen een essentieel aspect vormt van een functionerende democratie; benadrukt derhalve dat de invoering van instrumenten voor e-democratie gepaard moet gaan met goede communicatie- en educatiestrategieën;

13.  benadrukt dat e-participatie geïntegreerd moet worden in het politieke systeem, om ervoor te zorgen dat de bijdragen van de burgers aan de besluitvorming meetellen en om follow-up te garanderen; merkt op dat het negeren van de bijdragen van burgers door besluitvormers leidt tot teleurstelling en wantrouwen;

14.  benadrukt dat het gebruik van ICT-instrumenten een aanvulling moet vormen op andere instrumenten voor communicatie met overheidsinstellingen, om discriminatie wegens een gebrek aan digitale vaardigheden of een gebrek aan middelen of infrastructuur te voorkomen;

Voorstellen om het democratische systeem te verbeteren door middel van ICT:

15.  is van oordeel dat deelname aan democratische processen in de eerste plaats berust op daadwerkelijke en niet-discriminerende toegang tot informatie en kennis;

16.  dringt er voorts bij de EU en de lidstaten op aan geen onnodige maatregelen vast te stellen die bedoeld zijn om de toegang tot het internet en de uitoefening van fundamentele mensenrechten willekeurig te beperken, zoals onevenredige censuurmaatregelen of strafbaarstelling van legitieme uiting van kritiek of afkeuring;

17.  verzoekt de lidstaten en de EU educatieve en technische middelen ter beschikking te stellen om de democratische betrokkenheid van de burgers te bevorderen en de ICT-vaardigheden te verbeteren, alsook te voorzien in digitale geletterdheid en gelijke en veilige digitale toegang van alle EU-burgers teneinde de digitale kloof te dichten (e-inclusie), wat uiteindelijk de democratie ten goede zal komen; moedigt de lidstaten aan om de verwerving van digitale vaardigheden op te nemen in de leerprogramma's en de programma's voor een leven lang leren, en om prioriteit te verlenen aan digitale leerprogramma's voor ouderen; steunt de ontwikkeling van netwerken met universiteiten en opleidingsinstellingen om het onderzoek naar en de toepassing van nieuwe participatie-instrumenten te bevorderen; dringt er tevens bij de EU en de lidstaten op aan programma's en beleidsmaatregelen te bevorderen die een kritische en geïnformeerde houding ten opzichte van het gebruik van ICT stimuleren;

18.  stelt voor vooruitgang te boeken bij de beoordeling van het gebruik van nieuwe technologie om de democratie bij de Europese overheden te verbeteren door als indicatoren streefcijfers in te voeren voor het meten van de kwaliteit van onlinediensten;

19.  beveelt aan dat het Europees Parlement – als enige rechtstreeks gekozen Europese instelling – het voortouw neemt bij de versterking van de e-democratie; acht daarvoor de ontwikkeling van innovatieve technologische oplossingen van belang waarmee burgers op inhoudelijke wijze kunnen communiceren of hun zorgen kunnen delen met de door hen gekozen vertegenwoordigers;

20.  dringt erop aan de institutionele taal en procedures te vereenvoudigen en multimedia-inhoud te ontwikkelen om de grondbeginselen van de belangrijkste besluitvormingsprocessen uit te leggen, teneinde het begrip en de participatie te bevorderen; benadrukt dat aan deze toegangspoort tot e-participatie ruchtbaarheid moet worden gegeven door middel van gesegmenteerde proactieve instrumenten die toegang bieden tot alle documenten in de parlementaire dossiers;

21.  verzoekt de lidstaten en de EU betaalbare en snelle digitale infrastructuur aan te leggen, met name in perifere regio's, plattelandsgebieden en economisch minder ontwikkelde gebieden, en erop toe te zien dat gelijkheid tussen burgers wordt gegarandeerd, waarbij de kwetsbaarste burgers bijzondere aandacht krijgen en vaardigheden kunnen ontwikkelen om een veilig gebruik van de technologie te waarborgen; pleit ervoor dat bibliotheken, scholen en gebouwen waar openbare diensten worden verleend naar behoren worden uitgerust met een snelle, moderne IT-infrastructuur die gelijkelijk toegankelijk is voor alle burgers, met name de meest kwetsbare categorieën, zoals mensen met een handicap; benadrukt dat er voor deze doelstellingen voldoende financiële en opleidingsmiddelen beschikbaar moeten worden gesteld; beveelt de Commissie aan middelen beschikbaar te stellen voor projecten ter verbetering van digitale infrastructuur op het gebied van de sociale en solidaire economie;

22.  benadrukt dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de politieke besluitvorming op alle niveaus, alsook in ICT-sectoren; merkt op dat vrouwen en meisjes dikwijls worden geconfronteerd met genderstereotypen met betrekking tot digitale technologieën; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom te investeren in gerichte programma's ter bevordering van ICT-onderwijs en e-participatie voor vrouwen en meisjes, met name die met een kwetsbare of gemarginaliseerde achtergrond, waarbij gebruik wordt gemaakt van formeel, informeel en niet-formeel leren;

23.  merkt op dat, om gelijke toegang tot de instrumenten voor e-democratie voor alle burgers te waarborgen, meertalige vertalingen belangrijk zijn wanneer informatie dient te worden verspreid onder en gelezen door alle burgers, in landen met meer dan een officiële taal en door mensen met andere etnische achtergronden;

24.  moedigt de lidstaten en de EU aan mechanismen en instrumenten te bevorderen, te steunen en uit te voeren die burgerparticipatie en interactie tussen de burgers en overheden en EU-instellingen mogelijk maken, zoals platforms voor crowdsourcing; benadrukt dat ICT toegang tot onafhankelijke informatie, transparantie, controleerbaarheid en inspraak in de besluitvorming moet faciliteren; vraagt in deze context alle instrumenten van de Commissie voor communicatie en betrekkingen met de burgers, in het bijzonder het portaal Europe Direct, beter aan te passen aan de uitdagingen van e-democratie; verbindt zich ertoe alle bestaande instrumenten voor de follow-up van het wetgevingsproces toegankelijker, begrijpelijker, educatiever en interactiever te maken en verzoekt de Commissie om op haar eigen website hetzelfde te doen;

25.  verzoekt de lidstaten en de EU na te denken over de inhoud op hun officiële websites die verband houdt met de werking van de democratie, om enerzijds didactische instrumenten aan te reiken die de sites aantrekkelijker en begrijpelijker maken voor jongeren, en anderzijds de sites toegankelijk te maken voor personen met een handicap;

26.  spoort de overheden ertoe aan hun gehechtheid aan het beginsel van institutionele openheid gestalte te geven door middel van wijzigingen van hun strategisch ontwerp en bedrijfscultuur, begrotingen en organisatorische veranderingsprocessen, uitgaande van de doelstelling de democratie te verbeteren met behulp van nieuwe technologie;

27.  verzoekt om de oprichting van een onlineplatform om de burgers stelselmatig te raadplegen voordat de Europese wetgever besluiten neemt, en hen zo nauwer bij het openbare leven te betrekken;

28.  acht het noodzakelijk de inzet van deze nieuwe instrumenten te flankeren met campagnes ter verspreiding van de mogelijkheden die zij bieden en ter bevordering van de maatschappelijke waarden medeverantwoordelijkheid en participatie;

29.  herinnert aan het belang van het Europees burgerinitiatief als instrument voor de betrokkenheid bij en rechtstreekse participatie van burgers aan het politieke leven van de Unie en vraagt de Commissie derhalve de werkingsmechanismen ervan te herzien om het potentieel ten volle te kunnen benutten en daarbij de aanbevelingen te volgen die het Europees Parlement heeft gedaan in zijn resolutie van 28 oktober 2015; wijst er dan ook op dat de bureaucratische vereisten hieromtrent vereenvoudigd en verkort moeten worden en dat meer gebruik moet worden gemaakt van ICT, bijvoorbeeld via digitale platforms en andere toepassingen die geschikt zijn voor mobiele apparaten, teneinde dit belangrijke instrument gebruiksvriendelijker te maken en wijd en zijd bekend te maken; is van mening dat door het gebruik van nieuwe technologie met name het onlinesysteem voor het verzamelen van handtekeningen kan worden verbeterd via het gebruik van elektronische identificatie- en authenticatiediensten (e-IDAS), waardoor burgers gemakkelijker informatie over bestaande of potentiële EBI's kunnen ontvangen en uitwisselen zodat zij actief kunnen deelnemen aan de discussies en/of de initiatieven kunnen steunen;

30.  benadrukt dat verscheidene processen van de Commissie, zoals online openbare raadplegingen, e-participatieactiviteiten en effectbeoordelingen, baat zouden vinden van een ruimer gebruik van nieuwe technologieën om de participatie van de burgers te stimuleren en te zorgen voor meer verantwoordingsplicht omtrent deze processen, transparantie van de kant van de EU-instellingen en betere Europese governance; herhaalt dat de processen van publieke raadpleging doeltreffend en beschikbaar voor een zo ruim mogelijk publiek moeten zijn en dat de technische barrières tot een minimum moeten worden beperkt;

31.  benadrukt dat burgers beter voorgelicht moeten worden over de bestaande platforms voor e-participatie op EU-, nationaal en lokaal niveau;

32.  verzoekt de Commissie om in het kader van de tussentijdse herziening van de strategie voor de digitale eengemaakte markt, die in 2017 moet plaatsvinden, e-participatie uit te breiden en te ontwikkelen, en om de ontwikkeling en financiering van nieuwe instrumenten in verband met digitaal EU-burgerschap te bevorderen; beveelt de Commissie voorts aan zich te richten op open-sourceoplossingen die gemakkelijk kunnen worden toegepast op de hele digitale eengemaakte markt; verzoekt de Commissie in het bijzonder opnieuw gebruik te maken van eerdere projecten, zoals het D-CENT-platform, een door de EU gefinancierd project dat technologische instrumenten biedt voor participatieve democratie;

33.  benadrukt dat de ontwikkeling van e-overheid een prioriteit moet zijn voor de lidstaten en de EU-instellingen, en is verheugd over het ambitieuze en uitgebreide actieplan van de Commissie voor e-overheid, waarvoor een goede uitvoering op nationaal niveau en coördinatie van de beschikbare EU-middelen, in synergie met de voor digitale technologie bevoegde nationale agentschappen en autoriteiten, van essentieel belang zullen zijn; is van oordeel dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om open data en het gebruik van ICT-instrumenten die gebaseerd zijn op open-source- en gratis software te bevorderen, zowel in de EU-instellingen als in de lidstaten;

34.  vraagt om meer samenwerking op EU-niveau en beveelt aan om beste praktijken op het gebied van e-democratie uit te wisselen als een manier om toe te werken naar een vorm van democratie met meer participatie en overleg, die tegemoetkomt aan de wensen en behoeften van de burgers en bedoeld is om de burgers meer te betrekken bij het besluitvormingsproces; wijst erop dat het belangrijk is te weten wat de houding van de burgers is ten aanzien van de invoering van een systeem voor stemmen op afstand via internet; verzoekt de Commissie een onafhankelijk onderzoek naar de publieke opinie of een onafhankelijke raadpleging van het publiek uit te voeren ten aanzien van onlinestemmen als aanvullende mogelijkheid om te stemmen, met een analyse van de voor- en nadelen ervan, en de resultaten daarvan uiterlijk eind 2018 aan de lidstaten voor te leggen;

35.  benadrukt dat het van groot belang is dat bij het gebruik van e-democratie-instrumenten de privacy en persoonsgegevens worden beschermd en dat een veiligere internetomgeving moet worden bevorderd, met name wat betreft de beveiliging van informatie en gegevens, waaronder het "recht om vergeten te worden", dat er garanties tegen bewakingssoftware moeten worden geboden en dat de verifieerbaarheid van bronnen dient te worden gewaarborgd; dringt er voorts op aan dat er in grotere mate gebruik wordt gemaakt van digitale diensten die voldoen aan belangrijke randvoorwaarden zoals een veilige en versleutelde identiteit, overeenkomstig de Eidas-verordening; is voorstander van beveiligde digitale openbare registers en de validering van elektronische handtekeningen om frauduleuze veelvuldige interacties te voorkomen, in overeenstemming met de Europese en internationale mensenrechtennormen en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Hof van Justitie; onderstreept ten slotte dat beveiligingskwesties personen en groepen er niet van mogen afschrikken aan democratische processen deel te nemen;

36.  benadrukt dat de democratie moet worden versterkt door middel van technologie die wordt ontplooid in een veilige omgeving, beschermd tegen misbruik van technologische instrumenten (bijv. spambots, anonieme profilering en identiteitsdiefstal), en herinnert eraan dat de hoogste juridische normen moeten worden nageleefd;

37.  wijst op de belangrijke rol die klokkenluiders vervullen bij het aan het licht brengen, meestal via het internet, van corruptie, fraude, wanbeheer en andere vormen van wangedrag die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid, veiligheid, financiële integriteit, mensenrechten, het milieu en de rechtsstaat, en op het feit dat zij hiermee tegelijkertijd het recht van het publiek op informatie waarborgen;

38.  moedigt volksvertegenwoordigers aan om, met de burgers, actief aan bestaande, volledig onafhankelijke fora deel te nemen en gebruik te maken van nieuwe media en IT-platformen, teneinde discussie en uitwisseling van standpunten en voorstellen met de burgers te stimuleren (e-parlement), zodat er rechtstreeks contact met hen tot stand wordt gebracht; vraagt de fracties van het Europees Parlement en de Europese politieke partijen om de burgers meer mogelijkheden te bieden voor openbaar debat en e-participatie;

39.  vraagt zijn leden en de andere EU-instellingen om, met name in de huidige moeilijke politieke context, de transparantie van hun werkzaamheden te blijven verhogen, en vraagt de overheidsdiensten de mogelijkheid te onderzoeken om digitale platforms op te zetten, met inbegrip van de recentste IT-instrumenten; spoort politici ertoe aan deze instrumenten te gebruiken en op efficiënte wijze met de kiezers en belanghebbenden te communiceren en hen op positieve wijze tegemoet te treden, teneinde hen te informeren over de werkzaamheden van de EU en het Parlement en aldus de beraadslagings- en beleidsvormingsprocessen open te stellen en aan bewustmaking te doen over de Europese democratie;

40.  is verheugd over de initiatieven van het Parlement op het gebied van e-participatie; steunt voortdurende inspanningen om de representativiteit, legitimiteit en effectiviteit van het Parlement te versterken en moedigt de leden aan om meer van nieuwe technologieën gebruik te maken teneinde het potentieel daarvan ten volle te benutten, maar daarbij rekening te houden met de grenzen die worden gesteld door het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens; wijst erop dat uitgebreid moet worden nagedacht over manieren om het gebruik van ICT door zijn leden te verbeteren, niet alleen in het kader van de contacten met de burger, maar ook op het gebied van wetgeving, verzoekschriften, raadplegingen en andere aspecten die van belang zijn voor de dagelijkse werkzaamheden van de leden;

41.  spoort politieke partijen op EU- en nationaal niveau aan optimaal gebruik te maken van digitale instrumenten, om nieuwe manieren te ontwikkelen om de interne democratie te bevorderen, onder andere door middel van meer transparantie op het gebied van beheer, financiering en besluitvormingsprocessen, en om een betere communicatie met en participatie van leden en het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken; spoort hen tevens aan om jegens de burgers een hoog niveau van transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen; stelt voor hiervoor mogelijke wijzigingen van het statuut van de Europese partijen, die de praktijken van e-participatie bevatten en bevorderen, te overwegen;

42.  vraagt de EU en haar instellingen open te staan voor meer experimenten met nieuwe methoden voor e-participatie, zoals crowdsourcing op EU-niveau en op nationaal, regionaal en lokaal niveau, en daarbij rekening te houden met de beste praktijken die in de lidstaten reeds zijn ontwikkeld, en met het oog hierop specifieke proefprojecten op te zetten; wijst er daarbij nogmaals op dat dergelijke maatregelen vergezeld moeten gaan van bewustmakingscampagnes die erop gericht zijn de mogelijkheden van deze instrumenten toe te lichten;

43.  dringt er bij de Europese instellingen op aan een participatief proces op te starten om een Europees Handvest inzake internetrechten uit te werken, in lijn met onder andere de Italiaanse Verklaring inzake internetrechten die op 28 juli 2015 door de Kamer van Afgevaardigden van Italië is gepubliceerd, teneinde alle rechten met betrekking tot de digitale omgeving te bevorderen en te garanderen, waaronder het effectieve recht op toegang tot het internet en netneutraliteit;

44.  wijst op de overvloed aan heterogene informatie die vandaag de dag op het internet te vinden is en benadrukt dat het vermogen van de burgers tot kritisch nadenken moet worden versterkt, zodat zij beter in staat zijn onderscheid te maken tussen betrouwbare en onbetrouwbare informatiebronnen; spoort de lidstaten daarom aan wetgeving aan te passen en bij te werken om een antwoord te bieden op de huidige ontwikkelingen, en de bestaande wetgeving met betrekking tot haatzaaiende uitingen – zowel online als offline – volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven, waarbij de fundamentele en constitutionele rechten worden gewaarborgd; benadrukt dat de Unie en haar lidstaten maatregelen en beleid moeten ontwikkelen om overdraagbare vaardigheden op het gebied van kritisch en creatief denken en digitale en mediageletterdheid, alsook inclusie en belangstelling onder hun burgers te vergroten, met name onder jongeren, zodat zij in staat zullen zijn geïnformeerde beslissingen te nemen en een positieve bijdrage te leveren aan democratische processen;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0382.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.

Juridische mededeling