Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2043(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0249/2017

Ingediende teksten :

A8-0249/2017

Debatten :

PV 04/07/2017 - 16
CRE 04/07/2017 - 16

Stemmingen :

PV 05/07/2017 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0302

Aangenomen teksten
PDF 386kWORD 60k
Woensdag 5 juli 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Begroting 2018 –- Mandaat voor de trialoog
P8_TA(2017)0302A8-0249/2017
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018 (2017/2043(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door de Commissie op 30 mei 2017 (COM(2017)0400),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2017 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2018 (06522/2017),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8‑0249/2017),

Ontwerpbegroting 2018: resultaten behalen op het vlak van groei, banen en veiligheid

1.  brengt in herinnering dat het Parlement in zijn resolutie van 15 maart 2017 heeft bevestigd dat duurzame groei, fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen, sociaaleconomische cohesie, veiligheid, migratie en de klimaatverandering de voornaamste onderwerpen en prioriteiten zijn voor de EU-begroting 2018;

2.  is van mening dat het voorstel van de Commissie in het algemeen een goed uitgangspunt is voor de onderhandelingen die dit jaar worden gevoerd, aangezien de EU-begroting voor 2018 de EU in staat moet stellen voor duurzame groei en banen te blijven zorgen en tegelijk de veiligheid van haar inwoners te garanderen en de migratieproblemen aan te pakken; betreurt dat het voorstel van de Commissie niet volledig aansluit bij het verzoek van het Parlement om te voorzien in maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan;

3.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om de resultaten van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 in de ontwerpbegroting op te nemen nog voordat deze officieel door de Raad is goedgekeurd, en zo een duidelijk signaal te geven omtrent het belang van deze herziening van het MFK en de noodzaak van meer flexibiliteit in de EU-begroting, waarmee de Unie efficiënt zou kunnen reageren op nieuwe noodgevallen en haar politieke prioriteiten doeltreffend zou kunnen financieren;

4.  herhaalt zijn vaste overtuiging dat het stimuleren van investeringen in onderzoek, innovatie, infrastructuur, onderwijs en kmo's essentieel is om duurzame groei en nieuwe, stabiele en hoogwaardige werkgelegenheid te creëren in de EU; verheugt zich in dit verband over de voorgestelde versterkingen van Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF: Connecting Europe Facility) en Erasmus+, aangezien deze programma's rechtstreeks zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de gestelde doelen; is echter van mening dat verdere versterkingen noodzakelijk zullen zijn, met name gezien de bezuinigingen op de financiering van deze beleidslijnen, die ten goede komen aan de EFSI-financiering;

5.  herinnert aan de sleutelrol die kmo's spelen op het gebied van nieuwe werkgelegenheid en het verkleinen van de investeringskloof, en benadrukt dat de passende financiering van kmo's een van de belangrijkste prioriteiten van de EU-begroting moet blijven vormen; betreurt in dit opzicht dat de voorgestelde toewijzing van middelen aan COSME 2,9 % lager is dan in de begroting 2017 en is voornemens het programma verder te versterken in de begroting 2018; wijst op de noodzaak van verdere ondersteuning van kmo's, en roept op tot de volledige naleving van de financiële verplichtingen van het programma in het kader van het resterende deel van de huidige MFK-periode; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de financiering van kmo's te stroomlijnen binnen Horizon 2020;

6.  looft de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het dichten van de investeringskloof in de EU en tussen de EU-regio's onderling, en bij het helpen bij de uitvoering van strategische investeringen met een hoge economische, milieugerelateerde en maatschappelijke toegevoegde waarde; is daarom voorstander van de verlenging van het EFSI tot 2020; wijst op het hoge tempo waarin gebruik is gemaakt van middelen in het kader van het venster kmo's van het EFSI en is verheugd over de voorgenomen schaalvergroting; betreurt het ontbreken van een holistische benadering van kmo-financiering op basis waarvan een duidelijk overzicht van alle beschikbare middelen zou kunnen worden verkregen; onderstreept zijn standpunt in de lopende wetgevingsonderhandelingen, volgens welke de middelen voor de bestaande EU-programma's niet opnieuw mogen worden verlaagd om deze verlenging te financieren; is van mening dat het EFSI, met een garantiefonds dat grotendeels wordt gefinancierd vanuit de EU-begroting, niet mag worden ingezet ter ondersteuning van entiteiten die zijn opgericht of een rechtspersoonlijkheid hebben in rechtsgebieden die zijn opgenomen in de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden of waar de Europese of internationale belastingnormen inzake transparantie en uitwisseling van informatie niet worden nageleefd;

7.  neemt kennis van en is ingenomen met de EU-initiatieven op het vlak van defensieonderzoek en ontwikkeling en verwerving van technologie, die zullen bijdragen tot schaalvoordelen in de sector en tot meer coördinatie tussen de lidstaten, en, mits op de juiste manier ontwikkeld, tot rationelere defensie-uitgaven en besparingen op nationaal niveau; benadrukt voorts dat het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese defensie-industrie moet worden vergroot; verwijst naar zijn eerdere standpunt dat nieuwe initiatieven op dit gebied met bijkomende middelen moeten worden gefinancierd en niet ten koste mogen gaan van bestaande programma's, waaronder de CEF;

8.  constateert dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement om een beoordeling uit te voeren van en aangepaste voorstellen te doen voor een "Interrailpas voor Europa op de achttiende verjaardag"; is van mening dat dergelijke voorstellen het Europese bewustzijn en de Europese identiteit kunnen versterken; benadrukt evenwel dat nieuwe projecten moeten worden gefinancierd met nieuwe financiële middelen, zonder dat dit gevolgen heeft voor bestaande programma's, en dat nieuwe projecten zo sociaal inclusief mogelijk moeten zijn; dringt bij de Commissie nogmaals aan op gepaste voorstellen hieromtrent;

9.  is verheugd dat in de ontwerpbegroting 2018 bijkomende middelen worden toegekend aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere oproepen van het Parlement om dit programma voort te zetten; neemt tegelijk kennis van het voorstel voor het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, waarin aan het YEI 500 miljoen EUR aan vastleggingen wordt toegekend, zoals overeengekomen door het Parlement en de Raad tijdens het begrotingsoverleg 2017; is ervan overtuigd dat de voorgestelde bedragen verre van voldoende zijn om de doelstellingen van het YEI te verwezenlijken en is van mening dat het YEI, om de jongerenwerkloosheid doeltreffend aan te pakken, zal moeten blijven bijdragen tot de prioritaire doelstelling van de Unie inzake groei en werkgelegenheid; benadrukt dat de jongerenwerkloosheid in de Unie doeltreffend moet worden aangepakt en beklemtoont dat het YEI verder kan worden verbeterd en efficiënter kan worden gemaakt, onder meer door ervoor te zorgen dat het initiatief daadwerkelijke Europese toegevoegde waarde oplevert ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren in de lidstaten en niet wordt ingezet ter vervanging van voormalig nationaal beleid;

10.  brengt in herinnering dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling en groei van de EU; benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2018 naar verwachting een inhaalslag zullen maken en op kruissnelheid zullen komen; benadrukt dat het Parlement vast voornemens is om voor gepaste kredieten te zorgen voor deze programma's die deel uitmaken van het kernbeleid van de EU; maakt zich evenwel zorgen over de onaanvaardbare vertraging bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op nationaal niveau; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en dat de tenuitvoerlegging wordt versneld; erkent dat de langdurige onderhandelingen over de rechtsgronden ertoe hebben geleid dat de betrokken EU-instellingen mede verantwoordelijk zijn voor de lage uitvoeringsgraad; merkt op dat enkele lidstaten cohesiefondsen beschouwen als een instrument waarmee de solidariteit in alle beleidsmaatregelen van de Unie kan worden gewaarborgd;

11.  is met name bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode en wijst erop dat de achterstallige betalingen eind 2014 waren opgelopen tot een ongekend bedrag van 24,7 miljard EUR; is ingenomen met het feit dat de Commissie, ter gelegenheid van de tussentijdse herziening van het MFK, voor het eerst in een prognose tot 2020 heeft voorzien, maar benadrukt dat die elk jaar naar behoren moet worden bijgewerkt om de begrotingsautoriteit de mogelijkheid te geven de noodzakelijke maatregelen tijdig te treffen; waarschuwt voor de nadelige gevolgen die een nieuwe betalingscrisis zou hebben, met name voor begunstigden van de EU-begroting; is ervan overtuigd dat de geloofwaardigheid van de EU voor een deel afhangt van haar capaciteit om voor een niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te zorgen dat hoog genoeg is om haar verbintenissen na te kunnen komen; wijst op de schadelijke gevolgen die late betalingen hebben voor de private sector, en met name voor kmo's die overeenkomsten hebben met overheidsinstellingen;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is om uitvoering te geven aan de toezegging van de EU tot verwezenlijking van de doelstellingen van COP21, met name in het licht van het recente besluit van de Amerikaanse overheid om zich uit de overeenkomst terug te trekken; onderstreept in dit verband dat de kans groot is dat de doelstelling om ten minste 20 % van de EU-begroting in het kader van het MFK 2014-2020 te bestemmen voor klimaatgerelateerde maatregelen, niet zal worden gehaald; stelt bezorgd vast dat de begroting voor biodiversiteit met slechts 0,1 % is gestegen; wijst op het belang dat in de EU-begroting moet worden gehecht aan de bescherming van de biodiversiteit, en herhaalt zijn eerdere oproep tot een traceringssysteem waarin rekening wordt gehouden met alle aan biodiversiteit gerelateerde uitgaven en de doeltreffendheid hiervan; benadrukt bovendien dat door de EU gefinancierde projecten geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de mitigatie van de klimaatverandering of voor de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie;

13.  onderstreept dat de ongekende toevlucht tot bijzondere instrumenten bewijst dat de EU‑begroting oorspronkelijk niet berekend was op vraagstukken zoals de huidige migratie- en vluchtelingencrisis; meent dat het voorbarig is om over te schakelen op een post-crisisbenadering; is derhalve gekant tegen de voorgestelde verlagingen in rubriek 3 ten opzichte van de begroting 2017, die niet in overeenstemming zijn met de verbintenis van de EU om de migratie- en vluchtelingencrisis op doeltreffende wijze het hoofd te bieden; benadrukt echter dat een eerste reactie op een dringende en niet eerder voorgekomen situatie, gevolgd moet worden door een meer systematische en proactieve aanpak met effectieve gebruikmaking van de EU-begroting; herhaalt dat de beveiliging en veiligheid van burgers een prioriteit is van de EU;

14.  herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis in combinatie met de stabilisering van de toestand in de buurlanden van de EU een langetermijnoplossing betreft en dat investeringen in de landen van oorsprong van migranten en vluchtelingen hiertoe essentieel zijn; is in dit opzicht ingenomen met het plan voor externe investeringen (EIP) en met de overeenstemming die de instellingen bereikt hebben over het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), en wenst dat het fonds op korte termijn ten uitvoer wordt gelegd; is dan ook verrast over de verlagingen in rubriek 4, die niet geheel kunnen worden gerechtvaardigd door begrotingsverhogingen uit het verleden of een lage uitvoeringsgraad; herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking heeft op kwesties als armoede, werkloosheid, onderwijs en economische kansen, alsook op instabiliteit, conflicten en de klimaatverandering;

15.  is ingenomen met de voorgestelde verhoging voor de oostelijke component van het instrument voor het Europees nabuurschapsbeleid, waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere verzoeken van het Parlement; is van mening dat de steun van de EU, met name in landen die associatieovereenkomsten hebben ondertekend, van cruciaal belang is om de economische integratie en convergentie met de EU te bevorderen, evenals de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten in de oostelijke buurlanden van de EU; benadrukt dat dergelijke steun van toepassing moet zijn zolang de betrokken landen aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, met name met betrekking tot de rechtsstaat, de bestrijding van corruptie en de versterking van de democratische instellingen;

16.  onderstreept het belang van het solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) dat is opgezet om de EU in staat te stellen te reageren op grote natuurrampen en solidariteit te betonen met de rampgebieden in Europa, en neemt kennis van de voorgenomen vastleggings- en betalingskredieten voor het SFEU; verzoekt de Commissie zonder verdere vertraging te beoordelen of een aanvullende verhoging nodig is, met name rekening houdend met de aardbevingen in Italië en de branden in Spanje en Portugal, waar een tragisch verlies van mensenlevens heeft plaatsgehad en die een dramatische en grote impact hebben gehad op de bevolking in buitengewoon achtergestelde regio's; roept op tot het aanpassen van de regels met betrekking tot de toewijzing van middelen uit dit fonds voor een flexibelere en snellere inzet van deze middelen ten behoeve van een ruim scala van rampen met grote gevolgen teneinde de tijd tussen de ramp en de beschikbaarheid van de middelen in te korten;

17.  merkt op dat in de rubrieken 1, 3 en 4 van de ontwerpbegroting 2018 bijzonder weinig of zelfs geen enkele marge beschikbaar is onder de MFK-maxima; beschouwt dit als een gevolg van de belangrijke nieuwe initiatieven die sinds 2014 zijn genomen (het EFSI, migratiegerelateerde voorstellen, en recentelijk defensieonderzoek en het Europees Solidariteitskorps) en die zijn ingepast binnen de in 2013 overeengekomen MFK-maxima; brengt in herinnering dat het MFK, met name na de tussentijdse herziening ervan, voorziet in bepalingen – weliswaar beperkt – voor flexibiliteit, die zo veel mogelijk moeten worden benut om het ambitieniveau van succesvolle programma's te handhaven en nieuwe en onvoorziene uitdagingen het hoofd te bieden; geeft uiting aan het voornemen van het Parlement om deze flexibiliteitsbepalingen te blijven gebruiken tijdens de amenderingsprocedure; verzoekt nogmaals om de invoering van een systeem van nieuwe echte en eigen middelen in de EU-begroting;

18.  wijst in dit verband op de talrijke verwijzingen in de ontwerpbegroting naar de noodzaak van een nota van wijzigingen die het standpunt van het Parlement in de begrotingsprocedure deels kan vervangen; stelt vast dat de Commissie heeft aangekondigd dat eventuele nieuwe initiatieven op het vlak van veiligheid en migratie en een mogelijke uitbreiding van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) kunnen worden voorgesteld in de vorm van een nota van wijzigingen, en betreurt dat zij deze voorstellen niet meteen in de ontwerpbegroting heeft opgenomen; vraagt de Commissie met klem om tijdig details over deze verwachte voorstellen te verstrekken, zodat de begrotingsautoriteit ze naar behoren kan bestuderen; benadrukt dat deze eventuele voorstellen de in de context van deze begrotingsprocedure door het Parlement gedane verzoeken en amendementen niet buiten beschouwing mogen laten en zeker niet mogen vervangen;

19.  herhaalt zijn steun voor de tenuitvoerlegging van de "resultaatgerichte EU-begroting" van de Commissie en dringt aan op aanhoudende verbetering van de kwaliteit en aanlevering van prestatiegegevens teneinde nauwkeurige, duidelijke en begrijpelijke informatie te verkrijgen inzake de resultaten van de EU-programma's;

Subrubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

20.  merkt op dat het voorstel van de Commissie voor 2018 in vergelijking met 2017 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a met 2,5 %, naar 21 841,3 miljoen EUR; is verheugd dat een groot deel van deze verhoging betrekking heeft op Horizon 2020, de CEF en Erasmus+, waarvoor de vastleggingskredieten namelijk met respectievelijk 7,3 %, 8,7 % en 9,5 % worden verhoogd, maar stelt vast dat de bedragen in kwestie toch nog enigszins lager liggen dan de financiële programmering van Horizon 2020, de CEF en Erasmus+; wijst in het bijzonder op de zeer lage succespercentages waar het aanvragen voor Horizon 2020 betreft;

21.  toont zich evenwel verbaasd over de verlaging van de vastleggings- en betalingskredieten voor COSME met respectievelijk 2,9 % en 31,3 %, hoewel steun aan kmo's als één van de topprioriteiten van de EU wordt beschouwd;

22.  herhaalt, voor wat de verlenging van het EFSI betreft, dat het Parlement gekant is tegen verdere besparingen op de CEF, en is van mening dat de aan de EU-garantie toegewezen aanvullende 1,1 miljard EUR uitsluitend afkomstig mag zijn uit niet-toegewezen marges (voor een bedrag van 650 miljoen EUR) en verwachte positieve netto-inkomsten (voor een bedrag van 450 miljoen EUR); wijst erop dat de enveloppe voor de CEF (onderdeel ICT) ook de middelen voor het nieuwe initiatief Wifi4EU omvat; wijst erop dat de CEF-begroting een hoge mate van structurele overintekening kent als gevolg van onvoldoende kredieten, met name ten aanzien van het onderdeel infrastructuur;

23.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees Solidariteitskorps (ESK); stelt evenwel bezorgd vast dat in het op 30 mei 2017 goedgekeurde wetgevingsvoorstel ondanks de waarschuwingen van het Parlement wordt overwogen om drie vierde van de begroting van het ESK te financieren met middelen uit bestaande programma's, voornamelijk Erasmus+ (197,7 miljoen EUR); vreest dat dit negatieve gevolgen zal hebben voor de EU-programma's in kwestie en is voornemens Erasmus+ verder te versterken in de begroting voor 2018; herhaalt dat eventuele nieuwe politieke toezeggingen gefinancierd moeten worden uit nieuwe kredieten en niet door middel van de herschikking van bestaande programma's;

24.  is ingenomen met de voorgestelde uitbreiding van de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek en met het door de Commissie gepresenteerde wetgevingsvoorstel voor een ontwikkelingsprogramma voor de defensie-industrie;

Subrubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

25.  stelt vast dat de totale vastleggingskredieten voor subrubriek 1b 55 407,9 miljoen EUR bedragen (als het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 wordt meegerekend), wat neerkomt op een verhoging van 2,4 % in vergelijking met de begroting voor 2017;

26.  stelt vast dat het voorgestelde bedrag van 46 763,5 miljoen EUR aan betalingskredieten 25,7 % hoger is dan in 2017, wat vooral te wijten is aan de daling die in 2017 heeft plaatsgevonden als gevolg van de vertraging bij het daadwerkelijke lanceren van de nieuwe operationele programma's; wijst erop dat onjuiste ramingen van de lidstaten in 2016 tot een aanzienlijke onderbenutting van de betalingskredieten in subrubriek 1b hebben geleid, in een grootteorde van ruim 11 miljard EUR, en stelt vast dat de voorgestelde niveaus voor 2018 sinds de vorige ramingen al met 1,6 miljard EUR naar beneden zijn bijgesteld;

27.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de programma's 2014-2020 op kruissnelheid moet komen en is er stellig van overtuigd dat een "abnormale" ophoping van onbetaalde rekeningen in de toekomst moet worden voorkomen; doet in dit verband een beroep op de Commissie en de lidstaten om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor hangende kwesties die verband houden met de vertraagde aanwijzing van nationale autoriteiten voor beheer en certificering, alsook voor andere knelpunten inzake de indiening van betalingsaanvragen; hoopt ten zeerste dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie hun ramingen voor de betalingsbehoeften in de begroting 2018 hebben verbeterd en dat het voorgestelde niveau van de betalingskredieten volledig ten uitvoer zal worden gelegd; erkent dat de huidige lage uitvoeringsgraad mede te wijten is aan de lange duur van de door de EU-instellingen gevoerde onderhandelingen over de rechtsgronden;

28.  verheugt zich over het voorstel van de Commissie om het YEI te blijven financieren en neemt kennis van de voorgestelde beschikbaarstelling van 233,3 miljoen EUR uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten gevolg te geven aan de aanwijzingen in het recente verslag van de Europese Rekenkamer; herinnert eraan dat elke verhoging in de specifieke toewijzing voor het YEI aan het overeenstemmende bedrag uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet worden gekoppeld; is voornemens alle mogelijkheden te onderzoeken om in de begroting voor 2018 meer middelen toe te kennen aan dit programma;

29.  benadrukt het belang van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en dringt erop aan dat er in de begroting 2018 voldoende middelen worden uitgetrokken om adequaat te kunnen voldoen aan de behoeften van de doelgroepen en aan de doelstellingen van het Fonds;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

30.  neemt kennis van de voorgestelde 59 553,5 miljoen EUR aan vastleggingen (+1,7 % in vergelijking met 2017) en 56 359,8 miljoen EUR aan betalingen (+2,6 %) voor rubriek 2, met als resultaat een marge van 713,5 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen; stelt vast dat de kredietverhoging ter financiering van de behoeften van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor 2018 (+2,1 %) vooral het gevolg is van een aanzienlijk lager bedrag aan bestemmingsontvangsten dat naar verwachting in 2018 beschikbaar zal zijn;

31.  merkt op dat de Commissie een marge van 713,5 miljoen EUR heeft voorzien onder de maxima voor rubriek 2; wijst erop dat deze marge gezien de toegenomen volatiliteit van de landbouwmarkten misschien zal moeten worden aangesproken, zoals is gebeurd ten tijde van de crisis in de zuivelsector; vraagt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de onder de maxima voorziene marge volstaat om eventuele crisissen het hoofd te bieden;

32.  neemt kennis van de verlenging van buitengewone steunmaatregelen voor bepaalde soorten fruit waarvoor de marktsituatie moeilijk blijft; betreurt echter dat de Commissie geen maatregelen ter ondersteuning van de veeteeltsector heeft voorgesteld, in het bijzonder in de zuivelsector, in verband met het Russische verbod op de invoer van producten uit de EU en verwacht in dit opzicht derhalve een koerswijziging; verwacht dan ook dat als de marge in rubriek 2 wordt aangesproken een deel hiervan wordt toegewezen aan melkveehouders in de landen die het meest te lijden hebben onder het Russische embargo; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2017 wordt verwacht en moet gebaseerd zijn op geactualiseerde informatie over financiering uit het ELGF ter identificatie van de werkelijke behoeften in de landbouwsector, rekening houdend met de gevolgen van het Russische embargo en andere vormen van marktvolatiliteit;

33.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggingen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (+2,4 %) van het LIFE+-programma (+5,9 %), overeenkomstig de financiële programmering, maar betreurt dat de aanzienlijk verlaagde betalingskredieten erop lijken te wijzen dat beide programma's in de periode 2014-2020 nog altijd maar traag op gang komen;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

34.  neemt kennis van het voorgestelde bedrag van 3,4731 miljard EUR aan vastleggingskredieten voor rubriek 3; benadrukt de noodzaak van gemeenschappelijke, veelomvattende en duurzame oplossingen voor de migratie- en vluchtelingensituatie en de daarmee samenhangende uitdagingen;

35.  is dan ook ingenomen met het voorstel van de Commissie om een aanvullend bedrag van 800 miljoen EUR uit te trekken om veiligheidskwesties aan te pakken, met name naar aanleiding van de reeks terroristische aanslagen in de EU;

36.  is van mening dat het belang en de dringendheid van deze kwesties niet in verhouding is met de aanzienlijke voor rubriek 3 voorgestelde verlagingen van de vastleggings- en betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2017 (respectievelijk -18,9 % en -21,7 %), in het bijzonder wat betreft het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het programma Justitie; vraagt dat er voor deze fondsen adequate begrotingsmiddelen worden uitgetrokken; is van mening dat deze verlagingen niet kunnen worden gerechtvaardigd door de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen en de vaststelling van de nieuwe wetgevingsvoorstellen; vraagt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat er voldoende begrotingsmiddelen worden uitgetrokken en dat eventuele extra behoeften snel in aanmerking worden genomen;

37.  betreurt dat er nog geen doeltreffend systeem is voor de herverdeling van migranten, ten gevolge waarvan bepaalde lidstaten, met name Italië en Griekenland, onevenredig zwaar belast worden; wijst erop dat het aantal vluchtelingen en migranten dat in 2016 in de EU arriveerde 361 678 bedroeg, en dat 181 405 daarvan in Italië aankwamen en 173 447 in Griekenland, en dat Italië 85% van alle vluchtelingen en migranten die tot nu toe in 2017 zijn aangekomen heeft ontvangen; betreurt dat Italië tot nu toe slechts 147,6 miljoen EUR uit het AMIF heeft ontvangen, waarmee slechts 3 % van de totale uitgaven van het land in verband met de migratiecrisis wordt gedekt;

38.  is er voorts van overtuigd dat de samenwerking tussen de lidstaten in veiligheidsgerelateerde kwesties middels meer steun uit de EU-begroting nog kan worden verbeterd; vraagt zich af hoe deze doelstelling kan worden bereikt als de middelen voor de betreffende begrotingslijnen van het ISF aanzienlijk lager zijn dan in 2017; benadrukt dat de nodige middelen moeten worden vrijgemaakt voor de invoering van de voorgestelde nieuwe informatie- en grenssystemen, zoals het Europese Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias) en het inreis- en uitreissysteem;

39.  meent dat 2018 een spiljaar wordt voor de totstandkoming van de Europese migratieagenda, waarvan verscheidene essentiële onderdelen momenteel worden uitgewerkt; benadrukt dat de begrotingsimpact van een aantal op tafel liggende wetgevingsvoorstellen, zoals de hervorming van het gemeenschappelijk asielstelsel van Dublin, het nieuwe inreis- en uitreissysteem en het Etias-systeem, alsook de mogelijke vertraagde goedkeuring van deze voorstellen, zorgvuldig moeten worden onderzocht; benadrukt hoe belangrijk het is adequate financiering uit te trekken om de ambitie van de Unie in dit verband waar te maken en snel een doeltreffend Europees asiel- en migratiebeleid in te voeren, met volledige inachtneming van het internationaal recht en op basis van solidariteit tussen de lidstaten;

40.  wijst erop dat in het voorstel van de Commissie voor het derde opeenvolgende jaar in geen enkele marge is voorzien onder het maximum voor rubriek 3, hetgeen aantoont dat de omvang van de kleinste MFK-rubriek niet meer aan de realiteit beantwoordt, zoals het Parlement bij de tussentijdse herziening van het MFK aanvoerde; verheugt zich in deze context over het voorstel van de Commissie om een bedrag van 817 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument, wat alleen mogelijk is dankzij de aanvullende flexibiliteit waarin met de herziene MFK-verordening wordt voorzien; wijst erop dat het uitgavenniveau nog altijd ontoereikend is en betreurt dat de Commissie een eventueel nieuw voorstel heeft uitgesteld tot een toekomstige nota van wijzigingen;

41.  herinnert eraan dat het Parlement cultuur- en mediaprogramma's altijd sterk heeft gesteund; is ingenomen met de voorgestelde verhogingen in vergelijking met de begroting 2017 voor het programma Creatief Europa, inclusief het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed onder "Multimedia-acties"; dringt voorts aan op voldoende financiering voor het programma "Europa voor de burger"; verzoekt de Commissie initiatieven in het kader van de begrotingslijn "multimedia-acties" aan een beoordeling te onderwerpen om ervoor te zorgen dat de begroting daadwerkelijk een kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke berichtgeving over de EU ten goede komt; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een duurzame meerjarige financieringsregeling voor Euranet+; waardeert tevens de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma Levensmiddelen en diervoeders en het Consumentenprogramma ten opzichte van de begroting 2017; benadrukt tot slot het belang van een solide Gezondheidsprogramma en een passend budget ten behoeve van Europese samenwerking op gezondheidsgebied, met inbegrip van aspecten als nieuwe innovaties in de gezondheidszorg, ongelijkheid op gezondheidsniveau, het hoge aantal chronisch zieken, antimicrobiële resistentie, grensoverschrijdende gezondheidszorg en toegang tot gezondheidszorg;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

42.  betreurt de algemene verlaging van de financiering voor rubriek 4 ten bedrage van 9,6 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-5,6 % in vergelijking met de begroting 2017); stelt vast dat de verlagingen in de belangrijkste instrumenten in rubriek 4 grotendeels verband houden met in de begroting 2017 goedgekeurde verhogingen voor de FRT en het nieuwe partnerschapskader in het kader van de Europese migratieagenda;

43.  is van mening dat de omvang van de besparingen voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), in het bijzonder de zuidelijke component daarvan, niet gerechtvaardigd is in het licht van het op langere termijn noodzakelijke EU-optreden inzake migratie, dat verder gaat dan de migratieakkoorden uit hoofde van het partnerschapskader en de inspanningen van de EU op het vlak van internationale ontwikkeling; vraagt in dit verband dat er meer financiële middelen worden uitgetrokken voor het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en de UNRWA; herinnert eraan hoe belangrijk het is voldoende middelen uit te trekken voor de zuidelijke buurlanden van de EU, aangezien stabiliteit in het Midden-Oosten van cruciaal belang is voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie;

44.  is niettemin ingenomen met de voorgestelde verhogingen voor de oostelijke component van het ENI, die zullen bijdragen tot de ondersteuning van democratische hervormingen en economische integratie met de EU, met name in de landen die associatieovereenkomsten met de EU hebben gesloten;

45.  neemt nota van de verhoogde steun voor politieke hervormingen in Turkije (IPA II), in het bijzonder in de context van de achteruitgang op het vlak van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de grondrechten in het land; vraagt dat de Commissie de pretoetredingssteun op te schorten indien de toetredingsonderhandelingen worden opgeschort, en dat die middelen in dat geval worden gebruikt om het maatschappelijk middenveld in Turkije rechtstreeks te steunen en meer te investeren in uitwisselingsprogramma's voor studenten, academici en journalisten, zoals Erasmus+; verwacht dat er voldoende financiële middelen worden vrijgemaakt voor IPA-begunstigden in de Westelijke Balkan, waar dringend financiële ondersteuning voor hervormingen nodig is;

46.  is, gezien het belang van hoger onderwijs voor de hervormingsprocessen in partnerlanden, van mening dat mobiliteit van studenten en academische samenwerking tussen de EU en haar buurlanden aanhoudend gesteund moet worden; betreurt derhalve de verlaging van de kredieten voor technische en financiële bijstand in het kader van de drie externe financiële instrumenten (IPA, ENI en DCI) ter bevordering van de internationale dimensie van het hoger onderwijs bij de uitvoering van het programma Erasmus+;

47.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om te voorzien in een marge van 232 miljoen EUR onder het maximum; is ervan overtuigd dat de uitdagingen waarmee de EU in haar buitenlands optreden wordt geconfronteerd, langdurige financiering noodzakelijk maken, op een niveau dat de huidige omvang van rubriek 4 overschrijdt; brengt in herinnering dat de marge voor onvoorziene uitgaven in de begroting 2017 is gebruikt om financiering boven het maximum mogelijk te maken; blijft erbij dat nieuwe initiatieven met nieuwe kredieten moeten worden gefinancierd en dat alle mogelijkheden voor flexibiliteit binnen de in het kader van de MFK-herziening vastgelegde grenzen ten volle moeten worden gebruikt;

48.  vraagt de Commissie, die herhaaldelijk verwijst naar een mogelijke verlenging van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, een echt voorstel voor de verlenging ervan voor te leggen indien zij van plan is dit te doen; herhaalt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden ervoor te zorgen dat de oprichting van de FRT en van de trustfondsen op transparante en duidelijke wijze gebeurt en in overeenstemming is met het beginsel van eenheid van de begroting van de Unie, met inachtneming van de prerogatieven van de begrotingsautoriteit, met inbegrip van parlementaire controle; roept de lidstaten nogmaals met klem op hun verbintenissen ten aanzien van de financiering van de FRT en de trustfondsen tijdig na te komen;

49.  sluit zich onvoorwaardelijk aan bij de toezeggingen die de EU tijdens de conferentie over Syrië in Brussel heeft gedaan, die een bevestiging vormen van haar eerdere toezeggingen in Londen; stemt in met de versterking van het ENI en van de humanitaire hulpverlening met telkens 120 miljoen EUR om deze toezeggingen te kunnen nakomen;

Rubriek 5 – Administratie

50.  stelt vast dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2017 met 3,1 % zijn verhoogd, tot 9,6824 miljard EUR (+ 287,9 miljoen EUR); stelt vast dat ruim een derde van deze nominale stijging het gevolg is van aanvullende kredieten voor pensioenen (+108,5 miljoen EUR); stelt vast dat de aanvullende kredieten grotendeels overeenstemmen met een verwachte toename van het aantal gepensioneerden (+4,2 %); neemt er nota van dat het aantal gepensioneerden de komende jaren naar verwachting verder zal stijgen; neemt kennis van de rigoureuze benadering van de administratieve uitgaven en de nominale bevriezing van alle niet-salarisgerelateerde uitgaven;

51.  stelt vast dat de feitelijke marge, na verrekening van 570 miljoen EUR voor het gebruik in 2017 van de marge voor onvoorziene uitgaven voor rubriek 3, 93,6 miljoen EUR onder het maximum bedraagt; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU‑begroting als gevolg van de pensioenlast licht is gestegen, tot 6 % (in vastleggingskredieten);

Proefprojecten – voorbereidende acties

52.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en ‑programma's; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat de marge voor sommige rubrieken in het huidige voorstel vrij beperkt of zelfs onbestaand is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties zonder de middelen voor andere politieke prioriteiten te verlagen; is van mening dat de Commissie bij de uitvoering van de proefprojecten en voorbereidende acties de leden van het Parlement stap die eraan ten grondslag liggen, stap voor stap op de hoogte moet houden, zodat recht wordt gedaan aan de geest van hun voorstellen;

Agentschappen

53.  neemt kennis van de algemene verhoging in de ontwerpbegroting 2018 voor gedecentraliseerde agentschappen met 3,1 % (bestemmingsontvangsten buiten beschouwing gelaten) en de toevoeging van 146 posten, maar wijst op de grote verschillen tussen "agentschappen op kruissnelheid" (-11,2 %) en "agentschappen met nieuwe taken" (+10,5 %); gaat ervan uit dat deze cijfers een getrouwe weergave vormen van het feit dat de meeste agentschappen hun personeelsbestand sedert 2013 met 5 % of zelfs meer hebben verkleind (sommige agentschappen zullen deze doelstelling van 5 % pas in 2018 bereiken), en dat aanwervingen in diezelfde periode voorbehouden waren voor agentschappen die met migratie en veiligheid te maken hebben (+183 posten), agentschappen voor financieel toezicht (+28 posten) en een aantal agentschappen met nieuwe bevoegdheden (ERA, EASA, GSA) (+18 posten); hernieuwt zijn oproep, zoals al verwoord in het kwijtingsprocedure voor 2015(5), om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn, en zo nodig aanvullende middelen ter beschikking te stellen, voor een goede werking van de agentschappen en van het permanent secretariaat van het netwerk van EU-agentschappen (tegenwoordig Shared Support Office genoemd);

54.  herhaalt zijn overtuiging dat de EU-agentschappen die werkzaam zijn op het vlak van justitie en binnenlandse zaken met spoed over de nodige operationele middelen en werknemers moeten beschikken om de taken en verantwoordelijkheden die zij er de voorbije jaren hebben bij gekregen, te kunnen uitvoeren; verheugt zich in dit verband over de personeelstoename die wordt voorgesteld voor het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), en beschouwt deze toename als het minimum om te waarborgen dat deze agentschappen hun werkzaamheden naar behoren kunnen verrichten; onderstreept dat de voorgestelde begroting en het voorgestelde personeelsbestand voor Europol onvoldoende zijn voor het uitvoeren van de toegewezen taken nu de Commissie en de lidstaten in de afgelopen jaren hebben besloten de samenwerking tussen de lidstaten te intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit en mensensmokkel en de bescherming van niet-begeleide kinderen; onderstreept de geconstateerde lacunes in het bestaande systeem voor informatie-uitwisseling en verzoekt de Commissie eu‑LISA van passende menselijke en financiële middelen te voorzien voor het uitvoeren van de recentelijk aan dit agentschap toegewezen aanvullende taken en verantwoordelijkheden; wijst erop dat het EASO een belangrijke rol speelt door de lidstaten te ondersteunen bij het beheer van asielaanvragen, zeker wanneer het erom gaat een toegenomen aantal asielzoekers het hoofd te bieden; betreurt de verlaging van de operationele middelen (-23,6 % ten opzichte van 2017) en het personeelsbestand (-4 %) voor Eurojust, dat momenteel te maken heeft met een hogere werkdruk;

55.  stelt met bezorgdheid vast dat vooral de EU-agentschappen op het gebied van werkgelegenheid en opleidingen (Cedefop, ETF, EU-OSHA, Eurofound) op het gebied van milieumaatregelen (ECDC, ECHA, EFSA, EMA) te maken hebben met personeelsinkrimping (met respectievelijk -5 posten en -12 posten); is van mening dat dit in strijd is met het algehele EU-beleid, dat gericht is op het creëren van fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen en het tegengaan van klimaatverandering; is verheugd over de verhoging van het personeelsbestand en de begroting voor ACER en GSA, maar benadrukt dat deze verhogingen niet voldoende zijn om de agentschappen hun taken adequaat te laten uitvoeren;

56.  neemt kennis van het feit dat de derde REACH-registratietermijn in 2018 valt, hetgeen gevolgen zal hebben voor een groot aantal bedrijven in Europa en het grootste aantal kmo's tot dusver, hetgeen op zijn beurt aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de werkdruk van ECHA; verzoekt de Commissie derhalve af te zien van de geplande inkrimping met zes tijdelijke functionarissen in 2018 en deze inkrimping uit te stellen tot 2019, zodat ECHA in 2018 zijn hele werkprogramma naar behoren kan uitvoeren; constateert in dit opzicht dat ECHA sinds 2012 al een personeelsinkrimping van 10 % heeft doorgevoerd in het kader van REACH;

o
o   o

57.  wijst erop dat gendermainstreaming een wettelijke verplichting is die rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen; roept op tot verplichte genderbewuste budgettering in de begrotingsprocedure en het aanwenden van begrotingsuitgaven als doeltreffend middel om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen; beveelt aan om een begrotingsplan te ontwikkelen voor de toepassing van gendermainstreaming in de EU-instellingen, overeenkomstig het goedgekeurde proefproject, en in de toekomst een specifieke begrotingslijn in te voeren voor het coördineren van gendermainstreaming in alle instellingen;

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0085.
(5) Zie de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015: prestaties, financieel beheer en controle (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0155).


BIJLAGE

GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2018 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 13 juli wordt in de ochtend, voorafgaand aan de vaststelling van het standpunt van de Raad, een trialoogvergadering belegd;

2.  de Commissie streeft ernaar de ontwerpraming 2018 tegen eind mei te presenteren;

3.  de Raad tracht voor week 37 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

4.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 41 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

5.  op 18 oktober wordt na de middag, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoogvergadering belegd;

6.  het Europees Parlement stelt in week 43 (plenaire vergadering van 23-26 oktober) zijn lezing vast;

7.  de bemiddelingsperiode begint op 31 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 20 november 2017;

8.  het bemiddelingscomité vergadert op 6 november, na de middag, in het Europees Parlement, op 17 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens één of meerdere trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 9 november, voor de middag. Aanvullende trialogen kunnen plaatsvinden tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen, bijvoorbeeld op 13 en 14 november (in Straatsburg).

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.

Juridische mededeling