Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2758(RSO)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0477/2017

Ingediende teksten :

B8-0477/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/07/2017 - 11.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0307

Aangenomen teksten
PDF 178kWORD 53k
Donderdag 6 juli 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
De oprichting van een speciale commissie terrorisme en de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat hiervan
P8_TA(2017)0307B8-0477/2017

Besluit van het Europees Parlement van 6 juli 2017 over de oprichting van een speciale commissie terrorisme en de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat hiervan (2017/2758(RSO))

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Conferentie van voorzitters,

–  gezien artikel 197 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Parlement duidelijk bevoegd is voor het garanderen van een hoog veiligheidsniveau, op grond van artikel 67 van het VWEU, en dat de nationale autoriteiten bevoegdheden hebben met betrekking tot de strijd tegen terrorisme, als bepaald in artikel 73 van het VWEU; dat er een ruimere verplichting geldt om grensoverschrijdend samen te werken, als bepaald in Titel V van het VWEU over politiële en justitiële samenwerking, met betrekking tot de interne veiligheid van de Europese Unie;

B.  overwegende dat de taak van de speciale commissie die hierbij wordt opgericht, moet zijn de tekortkomingen op praktisch en wetgevingsgebied met betrekking tot terrorismebestrijding in de hele Europese Unie met de internationale partners en spelers aan te pakken, met bijzondere focus op samenwerking en uitwisseling van informatie;

C.  overwegende dat het aanpakken van de tekortkomingen en lacunes in de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale wetshandhavingsautoriteiten, alsmede de interoperabiliteit van de Europese databanken voor informatie-uitwisseling van het grootste belang zijn zowel om de goede werking te garanderen van de Schengenzone als voor de bescherming van de EU-buitengrens en dat dit de kern van het mandaat van de speciale commissie moet uitmaken;

D.  overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid;

1.  besluit een speciale commissie terrorisme op te richten, die wordt belast met de volgende, strikt gedefinieerde taken:

   a) op onpartijdige wijze feiten die worden aangedragen door de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten, bevoegde EU-agentschappen en erkende deskundigen en de mate waarin sprake is van terrorismegevaar op Europees grondgebied onderzoeken, analyseren en beoordelen en passende maatregelen voorstellen om de Europese Unie en haar lidstaten in staat te stellen om te helpen misdrijven in verband met terrorisme te voorkomen en te onderzoeken en er vervolging voor in te stellen;
   b) op onpartijdige wijze en volgens een op feiten gebaseerde aanpak de eventuele gebreken en defecten identificeren en analyseren die ervoor hebben gezorgd dat de recente terroristische aanslagen in diverse lidstaten konden plaatshebben, met name door het vergaren, bijeenzamelen en analyseren van alle informatie waarover de inlichtingendiensten of wetshandhavings- en justitiële autoriteiten van de lidstaten beschikken met betrekking tot daders vóór hun terroristisch misdrijf;
   c) de tenuitvoerlegging onderzoeken en beoordelen van de bestaande maatregelen en instrumenten op het gebied van het beheer van de buitengrenzen, inclusief de gebreken inzake controle aan de buitengrenzen die het mogelijk hebben gemaakt dat individuen Europa zijn binnengekomen met valse documenten, en de oorzaken onderzoeken die ervoor hebben gezorgd dat sommige lidstaten niet volledig hun verplichtingen zijn nagekomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad(1) (verordening betreffende het Schengeninformatiesysteem, SIS-verordening); informatie verzamelen en analyseren over eventuele tekortkomingen van de lidstaten en de Commissie met betrekking tot de volledige tenuitvoerlegging van de relevante bepalingen van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad(2) (Schengengrenscode) en passende maatregelen voorstellen om de geïdentificeerde gaten te dichten;
   d) tekortkomingen identificeren met betrekking tot de informatiedeling tussen de lidstaten op het gebied van justitie, wetshandhaving en inlichtingen; met name de verregaande tekortkomingen onderzoeken die er zouden zijn op het gebied van de verzameling, analyse en overdracht van informatie die kan helpen aanvallen te voorkomen, met name:
   door de prestaties te analyseren en te beoordelen van EU-databases als het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS) en het gemeenschappelijk Europees model voor informatie-uitwisseling (EIXM), alsmede de eventuele tekortkomingen van de lidstaten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van bestaande wettelijke instrumenten als Besluit 2008/615/JBZ van de Raad(3) of Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad(4); door met name de oorzaken te analyseren die ervoor zorgen dat sommige lidstaten niet bijdragen tot het invoeren van informatie in deze databases, met name wat hun verplichtingen betreft overeenkomstig de SIS-verordening en Besluit 2007/533/JBZ(5) van de Raad;
   door de niet-nakoming te analyseren waaraan de lidstaten zich schuldig zouden hebben gemaakt van de verplichtingen die zijn opgelegd bij artikel 2, lid 3, van Besluit 2005/671/JBZ(6) van de Raad om ervoor te zorgen dat op zijn minst de in leden 4 en 5 van dit artikel genoemde informatie die door de bevoegde instantie wordt verzameld, wordt toegezonden aan Europol en Eurojust;
   door informatie te verzamelen over en de naleving door de autoriteiten van de lidstaten te analyseren van de verplichting die is opgelegd bij de artikelen 3 en 7 van Kaderbesluit 2006/960/JBZ, met name om te garanderen dat bevoegde wetshandhavingsautoriteiten aan de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten van andere betrokken lidstaten informatie en inlichtingen verstrekken in gevallen waar er feitelijke redenen zijn om aan te nemen dat de informatie en inlichtingen kunnen helpen bij de opsporing, de voorkoming of het onderzoek van misdrijven als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad(7);
   door te onderzoeken of Europol volledig zijn mededelingsplicht is nagekomen die is opgelegd bij artikel 17 van Besluit 2009/371/JBZ van de Raad(8), dat is ingetrokken bij Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad(9);
   door te onderzoeken of de nationale eenheden van de lidstaten volledig de verplichting zijn nagekomen die is opgelegd bij artikel 8, lid 4, onder a), van Besluit 2009/371/JBZ, dat is ingetrokken bij Verordening (EU) 2016/794, om Europol uit eigen beweging te voorzien van de informatie en inlichtingen die Europol nodig heeft om zijn taken te vervullen;
   door eventuele tekortkomingen te onderzoeken met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen EU-agentschappen, alsmede de wettelijke werkwijze en de behoefte van deze agentschappen inzake het verkrijgen van toegang tot het Schengeninformatiesysteem en andere relevante EU-informatiesystemen;
   door de bestaande informele samenwerking tussen de inlichtingendiensten van de lidstaten te evalueren en de doeltreffendheid op het gebied van informatie-uitwisseling en praktische samenwerking te beoordelen;
   door de verhouding op het gebied van terrorismebestrijding te onderzoeken van de Europese Unie met derde landen en internationale agentschappen, inclusief de bestaande internationale samenwerking en instrumenten inzake terrorismebestrijding, inclusief de uitwisseling van beste praktijken, en de doeltreffendheid van het huidige niveau van informatie-uitwisseling;
   e) de impact beoordelen van de EU-wetgeving inzake terrorismebestrijding en de tenuitvoerlegging hiervan op de grondrechten;
   f) de beschikbaarheid en doeltreffendheid beoordelen van alle middelen die worden toegewezen aan bevoegde autoriteiten die bij terrorismebestrijding betrokken zijn (politie, leger, gerecht, begroting, inlichtingen, toezicht, informatie, IT, enz.), in de lidstaten en op EU-niveau; eventuele tekortkomingen analyseren op het gebied van politiële samenwerking, alsmede belemmeringen voor praktische grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van wetshandhaving in geval van onderzoeken in verband met terrorismebestrijding, met identificering van de technische, structurele en wettelijke beperkingen van de onderzoekscapaciteiten;
   g) de tekortkomingen onderzoeken in de justitiële stelsels en justitiële samenwerking op EU-niveau, alsmede de samenwerking bij grensoverschrijdende onderzoeken, met name via Eurojust, het Europees justitieel netwerk, gemeenschappelijke onderzoeksteams, het Europees aanhoudingsbevel en het Europees onderzoeksbevel; de technische, structurele en wettelijke beperkingen identificeren van de onderzoeks- vervolgingscapaciteiten;
   h) de huidige uitwisseling onderzoeken van beste praktijken en de samenwerking tussen nationale autoriteiten en bevoegde EU-organen met betrekking tot de bescherming van zachte doelwitten, inclusief transitzones, bijvoorbeeld luchthavens en treinstations, alsmede de bescherming van kritieke infrastructuren overeenkomstig Richtlijn 2008/114/EG van de Raad(10);
   i) de huidige mechanismen onderzoeken die beschikbaar zijn voor terrorismeslachtoffers, met name Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad(11), met identificering van bestaande goede praktijken die kunnen worden uitgewisseld;
   j) informatie verzamelen over en een analyse uitvoeren van het radicaliseringsproces en van de doeltreffendheid van de deradicaliseringsprogramma's die in een beperkt aantal lidstaten zijn ingesteld; bestaande goede praktijken identificeren die kunnen worden uitgewisseld en nagaan of de lidstaten op dit gebied passende maatregelen hebben genomen;
   k) de efficiëntie evalueren van de samenwerking tussen de lidstaten, alsmede de efficiëntie van de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, meldingsplichtige entiteiten en wetshandhavingsautoriteiten met betrekking tot de strijd tegen het witwassen van geld en terrorismefinanciering overeenkomstig Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(12), ook zienswijzen met de relevante spelers in de banksector uitwisselen, fraudeonderzoeks- en wetshandhavingsautoriteiten om de nieuwe vormen van terrorismefinanciering te identificeren, inclusief de banden ervan met de georganiseerde misdaad;
   l) alle aanbevelingen formuleren die zij met betrekking tot alle bovengenoemde kwesties nodig acht en hiervoor de nodige contacten leggen, bezoeken afleggen en hoorzittingen houden met de instellingen en bevoegde agentschappen van de EU en met de internationale en nationale instellingen, de nationale parlementen en de regeringen van de lidstaten en derde landen, en met de functionarissen die bij de dagelijkse strijd tegen terrorisme betrokken zijn, zoals wetshandhavingsinstanties, politieautoriteiten, inlichtingendiensten, rechters en magistraten, en vertegenwoordigers van de wetenschappelijke gemeenschap, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, inclusief verenigingen van slachtoffers;

2.  benadrukt het feit dat alle aanbevelingen van de speciale commissie worden opgevolgd door de bevoegde vaste commissies;

3.  besluit dat de bevoegdheden, het personeel en de beschikbare middelen van de vaste commissies van het Parlement die bevoegd zijn voor kwesties in verband met de goedkeuring, monitoring en tenuitvoerlegging van wetgeving van de Unie die binnen het bevoegdheidsterrein valt van de speciale commissie, onveranderd blijven;

4.  besluit dat, als de werkzaamheden van de speciale commissie onderzoek omvatten van feitenmateriaal met een gerubriceerd karakter, of getuigenissen die persoonlijke gegevens of geheimen omvatten of gedachtewisselingen of hoorzittingen met autoriteiten en instanties over informatie die geheim, vertrouwelijk, gerubriceerd of gevoelig is om redenen in verband met de nationale of de openbare veiligheid, de vergaderingen moeten worden gehouden met gesloten deuren; besluit dat getuigen en deskundigen het recht hebben hun getuigenis of verklaring af te leggen met gesloten deuren;

5.  besluit dat geheime of vertrouwelijke documenten die door de speciale commissie worden ontvangen, worden onderzocht volgens de procedure van artikel 210 bis van zijn Reglement, om te garanderen dat alleen de voorzitter, rapporteur, schaduwrapporteurs, coördinatoren en aangewezen ambtenaren er persoonlijke toegang toe hebben en dat deze informatie uitsluitend wordt gebruikt voor het opstellen van het tussentijds verslag en het eindverslag van de speciale commissie; besluit dat de vergaderingen worden gehouden in ruimten die zodanig ingericht zijn dat onbevoegden niet kunnen meeluisteren;

6.  besluit dat alle leden en ambtenaren alvorens gerubriceerde informatie te beoordelen of feitenmateriaal te onderzoeken dat een gevaar kan opleveren voor de nationale of de openbare veiligheid, worden onderworpen aan een veiligheidscheck overeenkomstig de geldende interne regels en procedures;

7.  besluit dat de informatie die de speciale commissie verkrijgt, uitsluitend wordt gebruikt voor de uitvoering van haar taken en niet wordt bekendgemaakt aan derden; besluit dat deze informatie niet publiek wordt gemaakt, als zij materiaal omvat met een geheim of vertrouwelijk karakter of namen van personen;

8.  besluit dat de speciale commissie 30 leden telt;

9.  besluit dat de duur van het mandaat van de speciale commissie 12 maanden bedraagt, tenzij het Parlement deze periode voor het aflopen ervan verlengt, en dat het mandaat ingaat op de datum van de constituerende vergadering van de commissie; besluit dat de speciale commissie aan het Parlement een tussentijds verslag en een eindverslag voorlegt met feitelijke vaststellingen en aanbevelingen met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen of initiatieven die moeten worden opgestart.

(1) Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4).
(2) Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).
(3) Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1).
(4) Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89).
(5) Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).
(6) Besluit 2005/671/JBZ van de Raad van 20 september 2005 betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in verband met strafbare feiten van terroristische aard (PB L 253 van 29.9.2005, blz. 22).
(7) Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1).
(8) Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol) (PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37).
(9) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).
(10) Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).
(11) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).
(12) Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

Juridische mededeling